# Exodus (שמות, Shemoth) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Exodus 1 _Israël in Egypte onderdrukt_ ### De zonen van Israël in Egypte **1:1** Dit zijn de namen van de zonen van Israël die met Jakob naar Egypte kwamen, ieder met zijn huis: Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמוֹת֙ (shemot) = de namen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die kwamen | מִצְרָ֑יְמָה (mitsrayema) = naar Egypte | אֵ֣ת (et) = met | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | וּבֵית֖וֹ (uveito) = met zijn huis | בָּֽאוּ (bau) = kwamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שְׁמוֹת (shemot), ‘namen’, is het eerste woord van het boek in het Hebreeuws; zo heet het boek in de Joodse traditie. De Nederlandse naam Exodus (‘uittocht’) komt uit de Griekse vertaling. Het boek begint met ‘en’ (וְאֵלֶּה): het sluit aan op Genesis 46:8–27 en 50:26. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 46:1–16 beschrijft dezelfde tijd. Zie ook: Gen 35:23–26; Gen 46:8–26; Gen 50:26; Jub 46:1–16; 1 Kron 2:1–2; 1 Kron 12:24–41; Openb 7:4–8 **1:2** Ruben, Simeon, Levi en Juda, Brontekst: רְאוּבֵ֣ן (reuven) = Ruben | שִׁמְע֔וֹן (shimon) = Simeon | לֵוִ֖י (levi) = Levi | וִיהוּדָֽה (vihuda) = en Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:22 **1:3** Issachar, Zebulon en Benjamin, Brontekst: יִשָּׂשכָ֥ר (yisashkhar) = Issachar | זְבוּלֻ֖ן (zevulun) = Zebulon | וּבְנְיָמִֽן (uveneyamin) = en Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:23; Ex 28:20 **1:4** Dan en Naftali, Gad en Aser. Brontekst: דָּ֥ן (dan) = Dan | וְנַפְתָּלִ֖י (venaftali) = en Naftali | גָּ֥ד (gad) = Gad | וְאָשֵֽׁר (veasher) = en Aser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:5** Alle afstammelingen van Jakob waren zeventig personen; Jozef was al in Egypte. Brontekst: וַֽיְהִ֗י (vayhi) = en waren | כָּל (kal) = alle | נֶ֛פֶשׁ (nefesh) = personen | יֹצְאֵ֥י (yotseei) = afstammelingen van | יֶֽרֶךְ (yerekh) = de lendenen van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = personen | וְיוֹסֵ֖ף (veyosef) = en Jozef | הָיָ֥ה (haya) = was | בְמִצְרָֽיִם (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Wij vertalen met de Masoretische tekst ‘zeventig’, zoals Gen. 46:27 en Deut. 10:22. De Griekse vertaling en een Qumran-handschrift lezen hier vijfenzeventig, zoals Hand. 7:14. Het verschil is waarschijnlijk ontstaan doordat de Griekse overlevering ook de kleinzonen van Jozef meetelt. Zie ook: Gen 46:26–27; Gen 46:27; Ex 1:20; Deut 10:22; Re 8:30; Hand 7:14 **1:6** Jozef stierf, en al zijn broers en heel die generatie. Brontekst: וַיָּ֤מָת (vayamat) = en stierf | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | וְכָל (vekhal) = en al | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וְכֹ֖ל (vekhol) = en heel | הַדּ֥וֹר (hador) = de generatie | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 50:24; Gen 50:26; Hand 7:14–16 **1:7** De zonen van Israël waren vruchtbaar, wemelden en werden talrijk en zeer machtig, en het land werd vol van hen. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | פָּר֧וּ (paru) = waren vruchtbaar | וַֽיִּשְׁרְצ֛וּ (vayishretsu) = en wemelden | וַיִּרְבּ֥וּ (vayirbu) = en werden talrijk | וַיַּֽעַצְמ֖וּ (vayaatsmu) = en werden machtig | בִּמְאֹ֣ד (bimod) = zeer | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַתִּמָּלֵ֥א (vatimale) = en werd vol | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֹתָֽם (otam) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vijf werkwoorden (‘vruchtbaar’, ‘wemelen’, ‘talrijk’, ‘machtig’, ‘vol’) herhalen de zegen uit Gen. 1:28 en 9:1. Het woord שָׁרַץ (sharats), ‘wemelen’, wordt in Gen. 1:20 voor de dieren gebruikt. Zie ook: Gen 1:20; Gen 1:28; Gen 9:1; Gen 46:3; Gen 47:27; Deut 26:5 ### Een nieuwe koning **1:8** Toen stond er een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet kende. Brontekst: וַיָּ֥קָם (vayaqam) = en stond op | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning | חָדָ֖שׁ (chadash) = nieuwe | עַל (al) = over | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדַ֖ע (yada) = kende | אֶת (et) = (obj.) | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Wie deze nieuwe koning is, zegt het boek niet; de tekst noemt hem ook verderop alleen ‘de farao’ (פַּרְעֹה, par‘oh, ‘groot huis’). Dat hij Jozef ‘niet kende’ betekent dat hij hem niet erkende, niet dat hij nooit van hem gehoord had. Voetnoot Aanvullend: Jasher 65:1–38 vertelt de raadslag van de Egyptenaren en Jubileeën 46:9–12 de wisseling van koning. Zie ook: Jub 46:9–12; Jas 65:1–38; Pred 2:18–19; Pred 9:15; Hand 7:18 **1:9** Hij zei tot zijn volk: „Zie, het volk van de zonen van Israël is talrijker en machtiger dan wij. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | עַמּ֑וֹ (amo) = zijn volk | הִנֵּ֗ה (hine) = zie | עַ֚ם (am) = het volk van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | רַ֥ב (rav) = talrijk | וְעָצ֖וּם (veatsum) = en machtig | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = meer dan wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:4–5; Ps 105:24–25; Pred 4:4; Jak 3:14–16; Tit 3:3 **1:10** Kom, laten wij verstandig tegen hen handelen, opdat zij niet nog talrijker worden. Anders sluiten ook zij zich, als er een oorlog uitbreekt, bij onze vijanden aan. Zij strijden tegen ons en trekken uit het land weg.” Brontekst: הָ֥בָה (hava) = kom | נִֽתְחַכְּמָ֖ה (nitchakema) = laten wij verstandig handelen | ל֑וֹ (lo) = tegen hem | פֶּן (pen) = opdat niet | יִרְבֶּ֗ה (yirbe) = hij talrijk wordt | וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | תִקְרֶ֤אנָה (tiqrena) = zich voordoet | מִלְחָמָה֙ (milchama) = oorlog | וְנוֹסַ֤ף (venosaf) = en hij zich voegt | גַּם (gam) = ook | הוּא֙ (hu) = hij | עַל (al) = bij | שֹׂ֣נְאֵ֔ינוּ (soneeinu) = onze haters | וְנִלְחַם (venilcham) = en strijdt | בָּ֖נוּ (banu) = tegen ons | וְעָלָ֥ה (veala) = en optrekt | מִן (min) = uit | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָבָה נִתְחַכְּמָה (havah nitchakmah) is letterlijk ‘kom, laten wij wijs handelen’: de wijsheid van de koning is list. Zie ook: Ps 10:2; Ps 83:4–5; Ps 105:25; Spr 1:11; Hand 7:19 **1:11** Zij stelden dwangarbeidsopzichters over hen aan om hen met zware lasten te onderdrukken. Zij bouwden voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses. Brontekst: וַיָּשִׂ֤ימוּ (vayasimu) = en zij stelden aan | עָלָיו֙ (alav) = over hem | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | מִסִּ֔ים (misim) = herendienst | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | עַנֹּת֖וֹ (anoto) = hem te onderdrukken | בְּסִבְלֹתָ֑ם (besivlotam) = met hun lasten | וַיִּ֜בֶן (vayiven) = en hij bouwde | עָרֵ֤י (arei) = steden van | מִסְכְּנוֹת֙ (miskenot) = voorraad | לְפַרְעֹ֔ה (lefaro) = voor de farao | אֶת (et) = (obj.) | פִּתֹ֖ם (pitom) = Pitom | וְאֶת (veet) = en | רַעַמְסֵֽס (raamses) = Raämses Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Pitom (Pi-Atoem) en Raämses lagen in de oostelijke Nijldelta; de Gosenstreek lag bij Wadi Tumilat. Raämses wordt vaak gelijkgesteld met Pi-Ramses bij Qantir. Voetnoot Uitleg: מִסְכְּנוֹת (miskenot) zijn ‘voorraadsteden’ voor graan en wapens. סִבְלֹת (sivlot), ‘lasten’, is het werk dat de Hebreeën moesten dragen; in 2:11 en 6:6 keert het woord terug. Voetnoot Aanvullend: Jasher 65:8–10, 31 noemt dezelfde twee steden. Zie ook: Gen 15:13; Gen 47:11; Jas 65:8–10; Ex 2:11; Ex 3:7; Deut 26:6 **1:12** Maar hoe meer zij hen onderdrukten, des te talrijker werden zij en des te meer breidden zij zich uit. En men walgde van de zonen van Israël. Brontekst: וְכַאֲשֶׁר֙ (vekhaasher) = en zoals | יְעַנּ֣וּ (yeanu) = zij hem onderdrukten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | כֵּ֥ן (ken) = zo | יִרְבֶּ֖ה (yirbe) = werd hij talrijk | וְכֵ֣ן (vekhen) = en zo | יִפְרֹ֑ץ (yifrots) = breidde hij zich uit | וַיָּקֻ֕צוּ (vayaqutsu) = en zij walgden | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het werkwoord וַיָּקֻצוּ (vayaqutsu) betekent ‘zij walgden’ of ‘zij voelden angst’. De groei uit vers 7 gaat door, ondanks de onderdrukking; de angst van de Egyptenaren neemt daardoor toe. Zie ook: Ex 1:7; Ex 1:9; Ps 105:24; Hand 4:2–4; Hand 5:28–33; Rom 8:28 **1:13** De Egyptenaren lieten de zonen van Israël dienen met wreedheid. Brontekst: וַיַּעֲבִ֧דוּ (vayaavidu) = en lieten dienen | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּפָֽרֶךְ (befarekh) = met wreedheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּפָרֶךְ (befarekh), ‘met wreedheid’, komt in dit hoofdstuk twee keer voor (13, 14) en betekent hardheid zonder grenzen; Lev. 25:43, 46, 53 verbiedt die tegenover een volksgenoot. Het Hebreeuwse עָבַד (avad) betekent zowel ‘dienen’ als ‘werken’; wij vertalen het afwisselend met ‘dienen’ en ‘arbeid’, omdat het later (3:12; 4:23) ook ‘Yahweh dienen’ is. Voetnoot Aanvullend: Jasher 65:35–38 en 66:6–9. Zie ook: Jas 65:35–38; Jas 66:6; Lev 25:43; Deut 4:20 **1:14** Zij maakten hun leven bitter met zware arbeid, met leem en tichelstenen en met allerlei arbeid in het veld. Al hun werk dat zij hen lieten doen, was met wreedheid. Brontekst: וַיְמָרְר֨וּ (vaymareru) = en zij maakten bitter | אֶת (et) = (obj.) | חַיֵּיהֶ֜ם (chayeihem) = hun leven | בַּעֲבֹדָ֣ה (baavoda) = met arbeid | קָשָׁ֗ה (qasha) = zware | בְּחֹ֨מֶר֙ (bechomer) = met leem | וּבִלְבֵנִ֔ים (uvilvenim) = en met tichelstenen | וּבְכָל (uvekhal) = en met alle | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = arbeid | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲבֹ֣דָתָ֔ם (avodatam) = hun arbeid | אֲשֶׁר (asher) = die | עָבְד֥וּ (avedu) = zij lieten werken | בָהֶ֖ם (bahem) = bij hen | בְּפָֽרֶךְ (befarekh) = met wreedheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 2:23; Ex 6:9; Num 20:15; Ps 81:7; Hand 7:19 ### De vroedvrouwen **1:15** De koning van Egypte sprak tot de Hebreeuwse vroedvrouwen, van wie de ene Sifra heette en de andere Pua. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לַֽמְיַלְּדֹ֖ת (lamyaledot) = tot de vroedvrouwen | הָֽעִבְרִיֹּ֑ת (haivriyot) = de Hebreeuwse | אֲשֶׁ֨ר (asher) = van wie | שֵׁ֤ם (shem) = de naam | הָֽאַחַת֙ (haachat) = van de ene | שִׁפְרָ֔ה (shifra) = Sifra | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | פּוּעָֽה (pua) = Pua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הָעִבְרִיֹּת (ha‘ivriyyot), ‘de Hebreeuwse’, kan zowel ‘uit het volk van de Hebreeën’ als ‘ten dienste van de Hebreeën’ betekenen. Wij nemen het eerste, zoals in de Griekse vertaling. Voetnoot Aanvullend: Jasher 66:23 noemt dezelfde namen; Jasher 66:15–31 vertelt het gesprek met de koning. Zie ook: Jas 66:15–31; Jas 66:23 **1:16** Hij zei: „Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpen en jullie ze op de baarstenen zien: als het een zoon is, dan doden jullie hem. Als het een dochter is, dan leeft zij.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | בְּיַלֶּדְכֶן֙ (beyaledkhen) = wanneer jullie bevallingen helpen | אֶת (et) = (obj.) | הָֽעִבְרִיּ֔וֹת (haivriyot) = de Hebreeuwse vrouwen | וּרְאִיתֶ֖ן (ureiten) = en jullie zien | עַל (al) = op | הָאָבְנָ֑יִם (haavenayim) = de baarstenen | אִם (im) = indien | בֵּ֥ן (ben) = een zoon | הוּא֙ (hu) = hij is | וַהֲמִתֶּ֣ן (vahamiten) = dan doden jullie | אֹת֔וֹ (oto) = hem | וְאִם (veim) = en indien | בַּ֥ת (bat) = een dochter | הִ֖יא (hi) = zij is | וָחָֽיָה (vachaya) = dan leeft zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָבְנָיִם (ha’ovnayim) is een tweevoud: ‘de twee stenen’. Het gaat om een baarstoel of baarstenen waarop de vrouw zat; de lezing is onzeker. Het woord komt alleen hier en in Jer. 18:3 (‘schijf van de pottenbakker’) voor. Zie ook: Ex 1:22; Jer 18:3; Mat 21:38; Openb 12:4 **1:17** Maar de vroedvrouwen vreesden Elohim en deden niet wat de koning van Egypte tot hen had gezegd; zij lieten de jongens in leven. Brontekst: וַתִּירֶ֤אןָ (vatirena) = en vreesden | הַֽמְיַלְּדֹת֙ (hamyaledot) = de vroedvrouwen | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְלֹ֣א (velo) = en niet | עָשׂ֔וּ (asu) = deden zij | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | אֲלֵיהֶ֖ן (aleihen) = tot hen | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַתְּחַיֶּ֖יןָ (vatechayeina) = en lieten leven | אֶת (et) = (obj.) | הַיְלָדִֽים (hayladim) = de jongens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (Elohim) met lidwoord, הָאֱלֹהִים (ha’Elohim), is ‘de ware Elohim’. Hun gehoorzaamheid aan Elohim is belangrijker dan het bevel van de koning. Zie ook: Ex 1:21; Pred 12:13; Mat 10:28; Luc 12:5; Hand 5:29 **1:18** Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen en zei tot hen: „Waarom hebben jullie dit gedaan en de jongens laten leven?” Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | לַֽמְיַלְּדֹ֔ת (lamyaledot) = de vroedvrouwen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֔ן (lahen) = tot hen | מַדּ֥וּעַ (madua) = waarom | עֲשִׂיתֶ֖ן (asiten) = deden jullie | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַתְּחַיֶּ֖יןָ (vatechayeina) = en lieten jullie leven | אֶת (et) = (obj.) | הַיְלָדִֽים (hayladim) = de jongens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: 2 Sam 13:28; Pred 8:4 **1:19** De vroedvrouwen zeiden tot de farao: „De Hebreeuwse vrouwen zijn niet zoals de Egyptische; zij zijn levenskrachtig. Voordat de vroedvrouw bij hen komt, hebben zij al gebaard.” Brontekst: וַתֹּאמַ֤רְןָ (vatomarna) = en zeiden | הַֽמְיַלְּדֹת֙ (hamyaledot) = de vroedvrouwen | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | כִּ֣י (ki) = omdat | לֹ֧א (lo) = niet | כַנָּשִׁ֛ים (kanashim) = zoals de vrouwen | הַמִּצְרִיֹּ֖ת (hamitsriyot) = de Egyptische | הָֽעִבְרִיֹּ֑ת (haivriyot) = de Hebreeuwse | כִּֽי (ki) = omdat | חָי֣וֹת (chayot) = levenskrachtig | הֵ֔נָּה (hena) = zij | בְּטֶ֨רֶם (beterem) = voordat | תָּב֧וֹא (tavo) = komt | אֲלֵהֶ֛ן (alehen) = tot hen | הַמְיַלֶּ֖דֶת (hamyaledet) = de vroedvrouw | וְיָלָֽדוּ (veyaladu) = en hebben zij gebaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָיוֹת (chayyot) is ‘levenskrachtig’; sommigen verstaan het als ‘als wilde dieren’. De vroedvrouwen liegen of zeggen een deel van de waarheid; de tekst oordeelt niet, maar vers 20 zegt dat Elohim hun goeddeed. Zie ook: Ex 1:20; Joz 2:4–24; 1 Sam 21:3; 2 Sam 17:19–20 **1:20** Elohim deed de vroedvrouwen goed, en het volk werd talrijk en zeer machtig. Brontekst: וַיֵּ֥יטֶב (vayeitev) = en deed goed | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לַֽמְיַלְּדֹ֑ת (lamyaledot) = aan de vroedvrouwen | וַיִּ֧רֶב (vayirev) = en werd talrijk | הָעָ֛ם (haam) = het volk | וַיַּֽעַצְמ֖וּ (vayaatsmu) = en werd machtig | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 1:12; Ps 111:5; Spr 11:18; Pred 8:12; Jes 3:10 **1:21** Omdat de vroedvrouwen Elohim vreesden, gaf Hij hun nakomelingen. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het geschiedde | כִּֽי (ki) = omdat | יָֽרְא֥וּ (yareu) = vreesden | הַֽמְיַלְּדֹ֖ת (hamyaledot) = de vroedvrouwen | אֶת (et) = (obj.) | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en Hij maakte | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בָּתִּֽים (batim) = huizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Huizen maken’ is een uitdrukking voor het geven van nageslacht (2 Sam. 7:11; Ruth 4:11). Of Elohim de vroedvrouwen of de Hebreeën huizen gaf, laat de tekst open; wij volgen de vroedvrouwen. Zie ook: Ruth 4:11; 1 Sam 2:35; 2 Sam 7:11; 2 Sam 7:27–29; Ps 37:3; Pred 8:12; 1 Kon 11:38 **1:22** Toen gaf de farao heel zijn volk dit bevel: „Elke zoon die geboren wordt, moeten jullie in de Nijl werpen. Maar elke dochter moeten jullie laten leven.” Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gebood | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | לְכָל (lekhal) = aan heel | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כָּל (kal) = elke | הַבֵּ֣ן (haben) = zoon | הַיִּלּ֗וֹד (hayilod) = die geboren wordt | הַיְאֹ֨רָה֙ (hayora) = in de Nijl | תַּשְׁלִיכֻ֔הוּ (tashlikhuhu) = werpt hem | וְכָל (vekhal) = en elke | הַבַּ֖ת (habat) = dochter | תְּחַיּֽוּן (techayun) = laat leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: De Masoretische tekst zegt ‘elke zoon die geboren wordt’, zonder ‘Hebreeuwse’. De Samaritaanse tekst en de Griekse vertaling voegen ‘van de Hebreeën’ toe. Dit bevel leidt tot de geboorte van Mozes in hoofdstuk 2. Voetnoot Aanvullend: Jasher 67:44–61 beschrijft de raad van Bileam en het bevel. Zie ook: Jas 67:44–61; Ex 1:16; Ps 105:25; Spr 1:16; Spr 4:16; Hand 7:19 ## Exodus 2 _De geboorte van Mozes en zijn vlucht naar Midian_ ### De geboorte van Mozes **2:1** Een man uit het huis van Levi ging en nam een dochter van Levi tot vrouw. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | אִ֖ישׁ (ish) = een man | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | וַיִּקַּ֖ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | בַּת (bat) = de dochter van | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De man en de vrouw worden hier niet bij naam genoemd; dat zijn Amram en Jochebed (6:20). Voetnoot Aanvullend: Jasher 67:1–4 noemt hun namen; Jubileeën 47:8 noemt Jochebed. Zie ook: Jub 47:8; Jas 67:1–4; Ex 6:16–20; Num 26:59; 1 Kron 5:27–29; 1 Kron 23:12–14 **2:2** De vrouw werd zwanger en beviel van een zoon. Zij zag dat hij goed was en hield hem drie maanden verborgen. Brontekst: וַתַּ֥הַר (vatahar) = en werd zwanger | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en baarde | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וַתֵּ֤רֶא (vatere) = en zij zag | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | כִּי (ki) = dat | ט֣וֹב (tov) = goed | ה֔וּא (hu) = hij was | וַֽתִּצְפְּנֵ֖הוּ (vatitspenehu) = en zij verborg hem | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | יְרָחִֽים (yerachim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Goed’ (טוֹב, tov) herinnert aan Gen. 1:4 en kan ‘mooi’ of ‘gezond’ betekenen; Hand. 7:20 zegt ‘mooi voor Elohim’. Zie ook: Gen 1:4; Ps 112:5; Hand 7:20; Heb 11:23 **2:3** Toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een kistje van papyrus, bestreek het met asfalt en pek. Zij legde het kind erin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָכְלָ֣ה (yakhela) = kon zij | עוֹד֮ (od) = langer | הַצְּפִינוֹ֒ (hatsefino) = hem verbergen | וַתִּֽקַּֽח (vatiqach) = en nam | לוֹ֙ (lo) = voor hem | תֵּ֣בַת (tevat) = een kistje van | גֹּ֔מֶא (gome) = papyrus | וַתַּחְמְרָ֥ה (vatachmera) = en bestreek het | בַחֵמָ֖ר (bachemar) = met asfalt | וּבַזָּ֑פֶת (uvazafet) = en met pek | וַתָּ֤שֶׂם (vatasem) = en legde | בָּהּ֙ (bah) = erin | אֶת (et) = (obj.) | הַיֶּ֔לֶד (hayeled) = het kind | וַתָּ֥שֶׂם (vatasem) = en legde | בַּסּ֖וּף (basuf) = tussen het riet | עַל (al) = aan | שְׂפַ֥ת (sefat) = de oever van | הַיְאֹֽר (hayor) = de Nijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: תֵּבָה (tevah), ‘kist’, is hetzelfde woord als de ark van Noach (Gen. 6:14); het woord komt alleen in deze twee verhalen voor. גֹּמֶא (gome) is papyrus, een riet van de Nijl. Voetnoot : חֵמָר (chemar) is asfalt of bitumen, זֶפֶת (zefet) is pek. Zie ook: Gen 6:14; Ex 1:22; Jes 18:2; Mat 2:16; Hand 7:19 **2:4** Zijn zuster bleef op een afstand staan om te weten wat er met hem zou gebeuren. Brontekst: וַתֵּתַצַּ֥ב (vatetatsav) = en ging staan | אֲחֹת֖וֹ (achoto) = zijn zuster | מֵרָחֹ֑ק (merachoq) = op een afstand | לְדֵעָ֕ה (ledea) = om te weten | מַה (ma) = wat | יֵּעָשֶׂ֖ה (yease) = zou gedaan worden | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:20; Num 12:1–15; Num 20:1; Num 26:59; Mi 6:4 **2:5** De dochter van de farao ging naar de Nijl om te baden, en haar meisjes liepen langs de oever van de Nijl. Zij zag het kistje midden in het riet en stuurde haar slavin om het te halen. Brontekst: וַתֵּ֤רֶד (vatered) = en daalde af | בַּת (bat) = de dochter van | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | לִרְחֹ֣ץ (lirchots) = om te baden | עַל (al) = in | הַיְאֹ֔ר (hayor) = de Nijl | וְנַעֲרֹתֶ֥יהָ (venaaroteiha) = en haar meisjes | הֹלְכֹ֖ת (holekhot) = liepen | עַל (al) = langs | יַ֣ד (yad) = de kant van | הַיְאֹ֑ר (hayor) = de Nijl | וַתֵּ֤רֶא (vatere) = en zij zag | אֶת (et) = (obj.) | הַתֵּבָה֙ (hateva) = het kistje | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הַסּ֔וּף (hasuf) = het riet | וַתִּשְׁלַ֥ח (vatishlach) = en stuurde | אֶת (et) = (obj.) | אֲמָתָ֖הּ (amatah) = haar slavin | וַתִּקָּחֶֽהָ (vatiqacheha) = en nam het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Nijl stroomt van zuid naar noord door Egypte naar de Middellandse Zee; de precieze plaats van het riet wordt niet genoemd. Zie ook: Ex 8:16; Ps 9:10; Ps 12:6; Ps 46:2; Hand 7:21 **2:6** Zij opende het en zag het kind, en zie, het was een huilende jongen. Zij kreeg medelijden met hem en zei: „Dit is een van de kinderen van de Hebreeën.” Brontekst: וַתִּפְתַּח֙ (vatiftach) = en opende | וַתִּרְאֵ֣הוּ (vatirehu) = en zag hem | אֶת (et) = (obj.) | הַיֶּ֔לֶד (hayeled) = het kind | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | נַ֖עַר (naar) = een jongen | בֹּכֶ֑ה (bokhe) = huilend | וַתַּחְמֹ֣ל (vatachmol) = en had medelijden | עָלָ֔יו (alav) = met hem | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zei | מִיַּלְדֵ֥י (miyaldei) = van de kinderen van | הָֽעִבְרִ֖ים (haivrim) = de Hebreeën | זֶֽה (ze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 106:46; 1 Kon 8:50; Neh 1:11; Hand 7:21; 1 Petr 3:8 **2:7** Zijn zuster zei tot de dochter van de farao: „Zal ik gaan en voor u een Hebreeuwse vrouw roepen die zoogt, zodat zij het kind voor u zoogt?” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֲחֹתוֹ֮ (achoto) = zijn zuster | אֶל (el) = tot | בַּת (bat) = de dochter van | פַּרְעֹה֒ (paro) = de farao | הַאֵלֵ֗ךְ (haelekh) = zal ik gaan | וְקָרָ֤אתִי (veqarati) = en roepen | לָךְ֙ (lakh) = voor u | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | מֵינֶ֔קֶת (meineqet) = die zoogt | מִ֖ן (min) = uit | הָעִבְרִיֹּ֑ת (haivriyot) = de Hebreeuwse | וְתֵינִ֥ק (veteiniq) = zodat zij zoogt | לָ֖ךְ (lakh) = voor u | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּֽלֶד (hayaled) = het kind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 2:4; Ex 15:20; Num 12:1; Num 26:59 **2:8** De dochter van de farao zei tot haar: „Ga.” Het meisje ging en riep de moeder van het kind. Brontekst: וַתֹּֽאמֶר (vatomer) = en zei | לָ֥הּ (lah) = tot haar | בַּת (bat) = de dochter van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = de farao | לֵ֑כִי (lekhi) = ga | וַתֵּ֨לֶךְ֙ (vatelekh) = en ging | הָֽעַלְמָ֔ה (haalma) = het meisje | וַתִּקְרָ֖א (vatiqra) = en riep | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֥ם (em) = de moeder van | הַיָּֽלֶד (hayaled) = het kind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:20; Ps 27:10; Jes 46:3–4; Ezech 16:8 **2:9** De dochter van de farao zei tot haar: „Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal je loon geven.” De vrouw nam het kind en zoogde het. Brontekst: וַתֹּ֧אמֶר (vatomer) = en zei | לָ֣הּ (lah) = tot haar | בַּת (bat) = de dochter van | פַּרְעֹ֗ה (paro) = de farao | הֵילִ֜יכִי (heilikhi) = neem mee | אֶת (et) = (obj.) | הַיֶּ֤לֶד (hayeled) = het kind | הַזֶּה֙ (haze) = dit | וְהֵינִקִ֣הוּ (veheiniqihu) = en zoog het | לִ֔י (li) = voor mij | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | אֶתֵּ֣ן (eten) = zal geven | אֶת (et) = (obj.) | שְׂכָרֵ֑ךְ (sekharekh) = je loon | וַתִּקַּ֧ח (vatiqach) = en nam | הָאִשָּׁ֛ה (haisha) = de vrouw | הַיֶּ֖לֶד (hayeled) = het kind | וַתְּנִיקֵֽהוּ (vateniqehu) = en zoogde het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:10** Het kind groeide op en zij bracht hem naar de dochter van de farao. Hij werd haar tot zoon. Zij noemde hem Mozes, want zij zei: „Uit het water heb ik hem getrokken.” Brontekst: וַיִגְדַּ֣ל (vayigdal) = en groeide op | הַיֶּ֗לֶד (hayeled) = het kind | וַתְּבִאֵ֨הוּ֙ (vateviehu) = en zij bracht hem | לְבַת (levat) = naar de dochter van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וַֽיְהִי (vayhi) = en hij werd | לָ֖הּ (lah) = haar | לְבֵ֑ן (leven) = tot zoon | וַתִּקְרָ֤א (vatiqra) = en zij noemde | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zei | כִּ֥י (ki) = omdat | מִן (min) = uit | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | מְשִׁיתִֽהוּ (meshitihu) = heb ik hem getrokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam מֹשֶׁה (Mosheh) is Egyptisch (‘kind van’, zoals in Ramses) en klinkt in het Hebreeuws als מָשָׁה (mashah), ‘trekken’. De dochter van de farao legt de naam uit met het Hebreeuws; Jes. 63:11 speelt daar ook op in. Zie ook: Gen 16:11; 1 Sam 1:20; Jes 63:11; Mat 1:21; Hand 7:21–22; Heb 11:24 ### Mozes slaat een Egyptenaar **2:11** In die dagen, toen Mozes groot geworden was, ging hij naar zijn broers en zag hun zware lasten. Hij zag een Egyptenaar die een Hebreeuwse man, een van zijn broers, sloeg. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het geschiedde | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֗ם (hahem) = die | וַיִּגְדַּ֤ל (vayigdal) = en groeide op | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | אֶל (el) = naar | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וַיַּ֖רְא (vayar) = en zag | בְּסִבְלֹתָ֑ם (besivlotam) = hun lasten | וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מִצְרִ֔י (mitsri) = Egyptisch | מַכֶּ֥ה (make) = slaande | אִישׁ (ish) = een man | עִבְרִ֖י (ivri) = Hebreeuwse | מֵאֶחָֽיו (meechav) = van zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de enige zin over Mozes’ jonge jaren. Het Nieuwe Testament vult aan dat hij veertig jaar was (Hand. 7:23) en de smaad van de Messias verkoos boven Egypte (Hebr. 11:24–26). Voetnoot Aanvullend: Jasher 70 beschrijft Mozes’ jaren aan het hof. Zie ook: Ex 1:11; Mat 11:28; Luc 4:18; Hand 7:22–24; Hand 7:23; Heb 11:24–26 **2:12** Hij keek om zich heen, zag dat er niemand was, sloeg de Egyptenaar dood en verborg hem in het zand. Brontekst: וַיִּ֤פֶן (vayifen) = en keerde zich | כֹּה֙ (ko) = hierheen | וָכֹ֔ה (vakho) = en daarheen | וַיַּ֖רְא (vayar) = en zag | כִּ֣י (ki) = dat | אֵ֣ין (ein) = niemand | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּצְרִ֔י (hamitsri) = de Egyptenaar | וַֽיִּטְמְנֵ֖הוּ (vayitmenehu) = en verborg hem | בַּחֽוֹל (bachol) = in het zand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hand 7:24–26 **2:13** Toen hij op de tweede dag uitging, zie, twee Hebreeuwse mannen waren aan het twisten. Hij zei tot degene die onrecht deed: „Waarom sla je je naaste?” Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = tweede | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | אֲנָשִׁ֥ים (anashim) = mannen | עִבְרִ֖ים (ivrim) = Hebreeuwse | נִצִּ֑ים (nitsim) = twistend | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | לָֽרָשָׁ֔ע (larasha) = tot de schuldige | לָ֥מָּה (lama) = waarom | תַכֶּ֖ה (take) = sla je | רֵעֶֽךָ (reekha) = je naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hand 7:26–28; 1 Kor 6:7–8 **2:14** Hij zei: „Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter over ons? Wil je mij doden zoals je de Egyptenaar hebt gedood?” Mozes werd bang en zei: „Zeker, de zaak is bekend geworden.” Brontekst: וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en hij zei | מִ֣י (mi) = wie | שָֽׂמְךָ֞ (samekha) = heeft jou gesteld | לְאִ֨ישׁ (leish) = tot een man | שַׂ֤ר (sar) = leider | וְשֹׁפֵט֙ (veshofet) = en rechter | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = over ons | הַלְהָרְגֵ֨נִי֙ (halharegeni) = wil je mij doden | אַתָּ֣ה (ata) = jij | אֹמֵ֔ר (omer) = zeg je dat | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הָרַ֖גְתָּ (haragta) = je doodde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּצְרִ֑י (hamitsri) = de Egyptenaar | וַיִּירָ֤א (vayira) = en werd bang | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | אָכֵ֖ן (akhen) = zeker | נוֹדַ֥ע (noda) = is bekend geworden | הַדָּבָֽר (hadavar) = de zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂר וְשֹׁפֵט (sar veshofet), ‘leider en rechter’: de man betwist Mozes’ gezag. Hand. 7:27 citeert dit. Zie ook: Gen 19:9; Gen 37:19–20; Ps 2:2–6; Mat 21:23; Luc 12:14; Hand 7:27 ### Mozes in Midian **2:15** Toen de farao dit hoorde, zocht hij Mozes te doden. Mozes vluchtte voor de farao en verbleef in het land Midian; hij ging bij een bron zitten. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַיְבַקֵּ֖שׁ (vayvaqesh) = en zocht | לַהֲרֹ֣ג (laharog) = te doden | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיִּבְרַ֤ח (vayivrach) = en vluchtte | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | פַרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en zat | עַֽל (al) = bij | הַבְּאֵֽר (habeer) = de bron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Midian lag in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba; de Midianieten waren nomadische herders. Zie ook: Gen 24:11; Gen 29:2; Joh 4:6; Hand 7:29; Heb 11:27 **2:16** De priester van Midian had zeven dochters. Zij kwamen, putten water en vulden de drinkbakken om de kudde van hun vader te drenken. Brontekst: וּלְכֹהֵ֥ן (ulekhohen) = en bij de priester van | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | בָּנ֑וֹת (banot) = dochters | וַתָּבֹ֣אנָה (vatavona) = en zij kwamen | וַתִּדְלֶ֗נָה (vatidlena) = en putten | וַתְּמַלֶּ֨אנָה֙ (vatemalena) = en vulden | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣רְהָטִ֔ים (harehatim) = de drinkbakken | לְהַשְׁק֖וֹת (lehashqot) = om te drenken | צֹ֥אן (tson) = de kudde van | אֲבִיהֶֽן (avihen) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: De priester van Midian heet in vers 18 Reüel, elders Jetro (3:1; 18:1) en Chobab (Num. 10:29). Zijn zeven dochters putten water; dit lijkt op Gen. 29:2–10. Zie ook: Gen 24:11; Gen 24:14–20; Gen 29:2–10; Gen 29:6–10; Ex 2:18; Ex 3:1; Num 10:29; 1 Sam 9:11 **2:17** De herders kwamen en verdreven hen, maar Mozes stond op, hielp hen en gaf hun kudde te drinken. Brontekst: וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | הָרֹעִ֖ים (haroim) = de herders | וַיְגָרְשׁ֑וּם (vaygareshum) = en verdreven hen | וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en stond op | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וַיּ֣וֹשִׁעָ֔ן (vayoshian) = en hielp hen | וַיַּ֖שְׁקְ (vayashq) = en gaf te drinken | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנָֽם (tsonam) = hun kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:25; Gen 26:15–22; Gen 29:10; Ex 2:12 **2:18** Toen zij bij Reüel, hun vader, kwamen, zei hij: „Waarom zijn jullie vandaag zo snel terug?” Brontekst: וַתָּבֹ֕אנָה (vatavona) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | רְעוּאֵ֖ל (reuel) = Reüel | אֲבִיהֶ֑ן (avihen) = hun vader | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | מַדּ֛וּעַ (madua) = waarom | מִהַרְתֶּ֥ן (miharten) = haastten jullie je | בֹּ֖א (bo) = te komen | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Reüel (רְעוּאֵל, re’u’el) betekent ‘vriend van El’. De Samaritaanse tekst en sommige Griekse handschriften lezen ‘Jetro’. Zie ook: Ex 3:1; Ex 4:18; Ex 18:1–12; Num 10:29; Num 19:20 **2:19** Zij zeiden: „Een Egyptenaar heeft ons uit de hand van de herders gered. Hij heeft zelfs water voor ons geput en de kudde te drinken gegeven.” Brontekst: וַתֹּאמַ֕רְןָ (vatomarna) = en zeiden zij | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מִצְרִ֔י (mitsri) = Egyptisch | הִצִּילָ֖נוּ (hitsilanu) = redde ons | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | הָרֹעִ֑ים (haroim) = de herders | וְגַם (vegam) = en ook | דָּלֹ֤ה (dalo) = putte | דָלָה֙ (dala) = putte | לָ֔נוּ (lanu) = voor ons | וַיַּ֖שְׁקְ (vayashq) = en gaf te drinken | אֶת (et) = (obj.) | הַצֹּֽאן (hatson) = de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:10; Gen 50:11 **2:20** Hij zei tot zijn dochters: „Waar is hij dan? Waarom hebben jullie de man achtergelaten? Roep hem, dan kan hij brood eten.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | בְּנֹתָ֖יו (benotav) = zijn dochters | וְאַיּ֑וֹ (veayo) = en waar is hij | לָ֤מָּה (lama) = waarom | זֶּה֙ (ze) = dit | עֲזַבְתֶּ֣ן (azavten) = hebben jullie verlaten | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | קִרְאֶ֥ן (qiren) = roep | ל֖וֹ (lo) = hem | וְיֹ֥אכַל (veyokhal) = opdat hij eet | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:5; Gen 31:54; Gen 43:25; Job 42:11; Heb 13:2 **2:21** Mozes stemde erin toe bij de man te blijven wonen, en hij gaf Mozes zijn dochter Sippora. Brontekst: וַיּ֥וֹאֶל (vayoel) = en stemde in | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = te blijven wonen | אֶת (et) = bij | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וַיִּתֵּ֛ן (vayiten) = en hij gaf | אֶת (et) = (obj.) | צִפֹּרָ֥ה (tsipora) = Sippora | בִתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | לְמֹשֶֽׁה (lemoshe) = aan Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:38–40; Ex 18:2–6; Jak 1:10; Heb 11:25; Heb 13:5 **2:22** Zij beviel van een zoon, en hij noemde hem Gersom, want hij zei: „Een vreemdeling ben ik geweest in een vreemd land.” Brontekst: וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en baarde zij | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | גֵּרְשֹׁ֑ם (gereshom) = Gersom | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | גֵּ֣ר (ger) = vreemdeling | הָיִ֔יתִי (hayiti) = ben ik geweest | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in een land | נָכְרִיָּֽה (nakheriya) = vreemd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרְשֹׁם (Gershom) klinkt als גֵּר שָׁם (ger sham), ‘vreemdeling daar’. Zo noemt Mozes zijn zoon om zijn vreemdelingschap. Zie ook: Ex 22:20; 1 Kron 29:15; Ps 39:13; Hand 7:29; Heb 11:13–14 ### Het kermen van Israël **2:23** In die vele dagen stierf de koning van Egypte. De zonen van Israël zuchtten onder de slavernij en riepen om hulp. Hun hulpgeroep vanwege de slavernij steeg op tot Elohim. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het geschiedde | בַיָּמִ֨ים (bayamim) = in de dagen | הָֽרַבִּ֜ים (harabim) = de vele | הָהֵ֗ם (hahem) = die | וַיָּ֨מָת֙ (vayamat) = en stierf | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיֵּאָנְח֧וּ (vayeanechu) = en zuchtten | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מִן (min) = vanwege | הָעֲבֹדָ֖ה (haavoda) = de slavernij | וַיִּזְעָ֑קוּ (vayizaqu) = en riepen om hulp | וַתַּ֧עַל (vataal) = en steeg op | שַׁוְעָתָ֛ם (shavatam) = hun hulpgeroep | אֶל (el) = tot | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | מִן (min) = vanwege | הָעֲבֹדָֽה (haavoda) = de slavernij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Met de dood van de farao eindigt de tijd van Mozes’ vlucht (zie 4:19). Het gekreun van Israël wordt hier niet als gebed beschreven, maar het stijgt wel op tot Elohim. Zie ook: Gen 18:20–21; Ex 3:7–9; Deut 26:6–7; Hand 7:30; Jak 5:4 **2:24** Elohim hoorde hun kermen, en Elohim dacht aan Zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en hoorde | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | נַאֲקָתָ֑ם (naaqatam) = hun kermen | וַיִּזְכֹּ֤ר (vayizkor) = en dacht | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִית֔וֹ (berito) = Zijn verbond | אֶת (et) = met | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = met | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | וְאֶֽת (veet) = en met | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Denken aan’ (זָכַר, zakhar) is bij Elohim handelen op grond van een belofte (Gen. 8:1; 9:15; 19:29). Het verbond is dat met Abraham (Gen. 15:18), Isaak (26:3) en Jakob (28:13). Zie ook: Gen 8:1; Gen 9:15; Gen 15:14–18; Gen 15:18; Gen 19:29; Gen 26:3; Ex 6:5; Ps 105:42; Luc 1:72–73 **2:25** Elohim zag de zonen van Israël, en Elohim wist ervan. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֵּ֖דַע (vayeda) = en wist | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַיֵּדַע אֱלֹהִים (vayyeda Elohim) heeft geen voorwerp: ‘en Elohim wist’. Wij vertalen ‘wist ervan’; de Griekse vertaling voegt ‘en werd bekend aan hen’ toe, wat uit een andere lezing (וַיִּוָּדַע) kan komen. Zie ook: Ex 3:7–8; Ex 4:31; Ps 1:6; Ps 55:23; Luc 1:25 ## Exodus 3 _De brandende braamstruik en de naam van Yahweh_ ### De brandende braamstruik **3:1** Mozes weidde de kudde van Jetro, zijn schoonvader, de priester van Midian. Hij dreef de kudde ver de woestijn in en kwam bij de berg van Elohim, bij Horeb. Brontekst: וּמֹשֶׁ֗ה (umoshe) = en Mozes | הָיָ֥ה (haya) = was | רֹעֶ֛ה (roe) = herder | אֶת (et) = (obj.) | צֹ֛אן (tson) = de kudde van | יִתְר֥וֹ (yitro) = Jetro | חֹתְנ֖וֹ (choteno) = zijn schoonvader | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester van | מִדְיָ֑ן (midyan) = Midian | וַיִּנְהַ֤ג (vayinhag) = en hij dreef | אֶת (et) = (obj.) | הַצֹּאן֙ (hatson) = de kudde | אַחַ֣ר (achar) = achter | הַמִּדְבָּ֔ר (hamidbar) = de woestijn | וַיָּבֹ֛א (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = naar | הַ֥ר (har) = de berg van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | חֹרֵֽבָה (choreva) = richting Horeb Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Midian lag in het noordwesten van het Arabisch schiereiland; Horeb, ‘de berg van Elohim’, wordt traditioneel gezocht op het Sinaïschiereiland (Djebel Musa), maar zeker is dat niet. Zie ook 18:5 en 19:1–2. Voetnoot Uitleg: Jetro heet in 2:18 Reüel (zie ook Num. 10:29). חֹרֵבָה (Chorevah) heeft de richtingsuitgang -ah: ‘naar Horeb toe’. Zie ook: Ex 17:6; Num 10:29; Ps 78:70–72; 1 Kon 19:8; Mal 3:22 **3:2** De engel van Yahweh verscheen hem in een vuurvlam, uit het midden van een braamstruik. Hij zag, en zie, de braamstruik stond in brand, maar de braamstruik werd niet verteerd. Brontekst: וַ֠יֵּרָא (vayera) = en verscheen | מַלְאַ֨ךְ (malakh) = de engel van | יְהֹוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֛יו (elav) = aan hem | בְּלַבַּת (belabat) = in een vlam van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַסְּנֶ֑ה (hasene) = de braamstruik | וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | הַסְּנֶה֙ (hasene) = de braamstruik | בֹּעֵ֣ר (boer) = brandde | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = in het vuur | וְהַסְּנֶ֖ה (vehasene) = en de braamstruik | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = niet | אֻכָּֽל (ukal) = werd verteerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘engel van Yahweh’ (מַלְאַךְ יְהוָה, mal’akh Yahweh) is in vers 4 niet te onderscheiden van Yahweh Zelf en Elohim: dezelfde spreker. סְנֶה (seneh), ‘braamstruik’, doet denken aan de naam Sinaï. Zie ook: Ex 3:4; Deut 33:16; Jes 43:2; Mar 12:26; Luc 20:37; Hand 7:30–35 **3:3** Mozes zei: „Laat mij toch afwijken om dit grote verschijnsel te zien: waarom verbrandt de braamstruik niet?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אָסֻֽרָה (asura) = laat mij afwijken | נָּ֣א (na) = toch | וְאֶרְאֶ֔ה (veere) = en zien | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּרְאֶ֥ה (hamare) = het gezicht | הַגָּדֹ֖ל (hagadol) = grote | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | מַדּ֖וּעַ (madua) = waarom | לֹא (lo) = niet | יִבְעַ֥ר (yivar) = verbrandt | הַסְּנֶֽה (hasene) = de braamstruik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:14; Ps 107:8; Ps 111:2–4; Hand 7:31 **3:4** Toen Yahweh zag dat hij afweek om te kijken, riep Elohim hem uit het midden van de braamstruik toe: **„Mozes, Mozes!”** Hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = dat | סָ֣ר (sar) = hij afweek | לִרְא֑וֹת (lirot) = om te zien | וַיִּקְרָא֩ (vayiqra) = en riep | אֵלָ֨יו (elav) = tot hem | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַסְּנֶ֗ה (hasene) = de braamstruik | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 22:11; Deut 33:16; 1 Sam 3:4; 1 Sam 3:8; Hand 9:4 **3:5** Hij zei: **„Kom niet dichterbij. Trek je sandalen van je voeten, want de plaats waarop je staat is heilige grond.”** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אַל (al) = niet | תִּקְרַ֣ב (tiqrav) = kom nader | הֲלֹ֑ם (halom) = hierheen | שַׁל (shal) = trek uit | נְעָלֶ֨יךָ֙ (nealeikha) = je sandalen | מֵעַ֣ל (meal) = van aan | רַגְלֶ֔יךָ (ragleikha) = je voeten | כִּ֣י (ki) = want | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarop | אַתָּה֙ (ata) = jij | עוֹמֵ֣ד (omed) = staat | עָלָ֔יו (alav) = erop | אַדְמַת (admat) = grond van | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | הֽוּא (hu) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het uittrekken van de sandalen is een teken van eerbied; het komt ook voor in Joz. 5:15. ‘Heilige grond’ is heilig omdat Yahweh er is. Zie ook: Ex 19:12; Joz 5:15; Pred 4:17; Hand 7:33; Heb 12:20 **3:6** Hij zei: **„Ik ben Elohim van je vader, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob.”** Mozes verborg zijn gezicht, want hij was bang naar Elohim te kijken. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אָנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | אֱלֹהֵ֧י (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | וֵאלֹהֵ֣י (velohei) = en Elohim van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וַיַּסְתֵּ֤ר (vayaster) = en verborg | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | פָּנָ֔יו (panav) = zijn gezicht | כִּ֣י (ki) = want | יָרֵ֔א (yare) = hij vreesde | מֵהַבִּ֖יט (mehabit) = om te kijken | אֶל (el) = naar | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Elohim van je vader’ staat in het enkelvoud; Elohim van Abraham, Isaak en Jakob verbindt Mozes met de belofte aan de aartsvaders (2:24). Yeshua haalt dit vers aan in Matt. 22:32 als bewijs voor de opstanding. Zie ook: Ex 4:5; Mat 22:32; Mar 12:26; Luc 20:37; Hand 7:32 ### Yahweh ziet de ellende van Zijn volk **3:7** Yahweh zei: **„Ik heb de ellende van Mijn volk in Egypte gezien en hun noodkreet vanwege hun drijvers gehoord, want Ik ken hun lijden.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רָאֹ֥ה (rao) = gezien | רָאִ֛יתִי (raiti) = heb Ik gezien | אֶת (et) = (obj.) | עֳנִ֥י (oni) = de ellende van | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְאֶת (veet) = en | צַעֲקָתָ֤ם (tsaaqatam) = hun noodkreet | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = heb Ik gehoord | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | נֹֽגְשָׂ֔יו (nogesav) = zijn drijvers | כִּ֥י (ki) = want | יָדַ֖עְתִּי (yadati) = Ik ken | אֶת (et) = (obj.) | מַכְאֹבָֽיו (makhovav) = zijn lijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 2:23–25; Ps 34:7; Ps 106:44; Ps 145:19; Neh 9:9 **3:8** **Ik ben afgedaald om hen te redden uit de hand van Egypte en hen uit dat land op te voeren naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar de plaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.** Brontekst: וָאֵרֵ֞ד (vaered) = en Ik ben afgedaald | לְהַצִּיל֣וֹ (lehatsilo) = om hem te redden | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | וּֽלְהַעֲלֹתוֹ֮ (ulehaaloto) = en om hem op te voeren | מִן (min) = uit | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַהִוא֒ (hahi) = dat | אֶל (el) = naar | אֶ֤רֶץ (erets) = een land | טוֹבָה֙ (tova) = goed | וּרְחָבָ֔ה (urechava) = en ruim | אֶל (el) = naar | אֶ֛רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = vloeiend van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָ֑שׁ (udevash) = en honing | אֶל (el) = naar | מְק֤וֹם (meqom) = de plaats van | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | וְהַ֣חִתִּ֔י (vehachiti) = en de Hethiet | וְהָֽאֱמֹרִי֙ (vehaemori) = en de Amoriet | וְהַפְּרִזִּ֔י (vehaperizi) = en de Perizziet | וְהַחִוִּ֖י (vehachivi) = en de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִֽי (vehayvusi) = en de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het land dat ‘overvloeit van melk en honing’ (זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ, zavat chalav udevash) is een vaste uitdrukking (3:17; 13:5; 33:3; Lev. 20:24). De zes volken uit dit vers zijn een kortere reeks van de tien volken in Gen. 15:19–21. Zie ook: Gen 15:18–21; Gen 15:19–21; Gen 50:24; Ex 3:17; Ex 13:5; Lev 20:24; Deut 1:25 **3:9** **En nu, zie, de noodkreet van de zonen van Israël is tot Mij gekomen, en Ik heb ook gezien hoe de Egyptenaren hen onderdrukken.** Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | צַעֲקַ֥ת (tsaaqat) = de noodkreet van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּ֣אָה (baa) = is gekomen | אֵלָ֑י (elay) = tot Mij | וְגַם (vegam) = en ook | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = heb Ik gezien | אֶת (et) = (obj.) | הַלַּ֔חַץ (halachats) = de onderdrukking | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לֹחֲצִ֥ים (lochatsim) = hen onderdrukt | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 1:11; Ex 1:13–14; Ex 2:23; Ex 3:7; Spr 22:22–23 **3:10** **Ga nu, Ik zend je naar de farao, en leid Mijn volk, de zonen van Israël, uit Egypte.”** Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | לְכָ֔ה (lekha) = ga | וְאֶֽשְׁלָחֲךָ֖ (veeshlachakha) = en Ik zal je zenden | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְהוֹצֵ֛א (vehotse) = en leid uit | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: 1 Sam 12:6; Ps 105:26; Jes 63:11–12; Mi 6:4; Hand 7:34 ### Mozes aarzelt **3:11** Mozes zei tot Elohim: „Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de zonen van Israël uit Egypte zou leiden?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | מִ֣י (mi) = wie | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ben ik | כִּ֥י (ki) = dat | אֵלֵ֖ךְ (elekh) = ik ga | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְכִ֥י (vekhi) = en dat | אוֹצִ֛יא (otsi) = ik uitleid | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 6:12; 1 Sam 18:18; Jer 1:6; 2 Kor 2:16; 2 Kor 3:5 **3:12** Hij zei: **„Ik zal met je zijn. En dit is voor jou het teken dat Ik je gezonden heb: wanneer je het volk uit Egypte hebt geleid, zullen jullie Elohim dienen op deze berg.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | כִּֽי (ki) = dat | אֶֽהְיֶ֣ה (ehye) = Ik zal zijn | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | וְזֶה (veze) = en dit | לְּךָ֣ (lekha) = is voor jou | הָא֔וֹת (haot) = het teken | כִּ֥י (ki) = dat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | שְׁלַחְתִּ֑יךָ (shelachtikha) = je gezonden heb | בְּהוֹצִֽיאֲךָ֤ (behotsiakha) = als je uitleidt | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | תַּֽעַבְדוּן֙ (taavdun) = zullen jullie dienen | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | עַ֖ל (al) = op | הָהָ֥ר (hahar) = de berg | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het teken ligt in de toekomst: pas wanneer het volk op deze berg Elohim dient, zal blijken dat Hij Mozes heeft gezonden. Het werkwoord עָבַד (avad), ‘dienen’, is hetzelfde als in 1:13–14: uit de dienst voor de farao komt dienst voor Elohim. Zie ook: Ex 4:12; Deut 31:23; Joz 1:5; Jes 41:10; Rom 8:31 ### De naam van Yahweh **3:13** Mozes zei tot Elohim: „Zie, als ik kom bij de zonen van Israël en tot hen zeg: ‘Elohim van jullie vaderen heeft mij naar jullie gezonden’, en zij tot mij zeggen: ‘Wat is Zijn naam?’, wat moet ik hun dan zeggen?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָֽאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | בָא֮ (ba) = kom | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתִּ֣י (veamarti) = en ik zal zeggen | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | אֲבוֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaderen | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = naar jullie | וְאָֽמְרוּ (veameru) = en zij zullen zeggen | לִ֣י (li) = tot mij | מַה (ma) = wat | שְּׁמ֔וֹ (shemo) = is Zijn naam | מָ֥ה (ma) = wat | אֹמַ֖ר (omar) = zal ik zeggen | אֲלֵהֶֽם (alehem) = tot hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes vraagt naar de naam omdat een naam in het Oude Nabije Oosten het wezen en de macht van een god uitdrukt. Zie ook: Ex 3:14; Spr 30:4; Jes 7:14; Jes 9:5; Mat 1:21 **3:14** Elohim zei tot Mozes: **„Ik ben die Ik ben.”** Hij zei: **„Zo moet je tot de zonen van Israël zeggen: ‘Ik ben heeft mij naar jullie gezonden.’”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶֽהְיֶ֖ה (ehye) = Ik ben | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֶֽהְיֶ֑ה (ehye) = Ik ben | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | כֹּ֤ה (ko) = zo | תֹאמַר֙ (tomar) = zul je zeggen | לִבְנֵ֣י (livnei) = tegen de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶֽהְיֶ֖ה (ehye) = Ik ben | שְׁלָחַ֥נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = naar jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam יְהוָה (Yahweh) in vers 15 is van hetzelfde werkwoord (היה, hayah, ‘zijn’) afgeleid: Yahweh is ‘Hij is’ of ‘Hij zal zijn’. Voetnoot Lezing: אֶהְיֶה אֲשֶׁר אֶהְיֶה (ehyeh asher ehyeh) kan worden vertaald met ‘Ik ben die Ik ben’, ‘Ik zal zijn die Ik zijn zal’ of ‘Ik ben wie Ik ben’. Het werkwoord is in het Hebreeuws onvoltooid en kan een heden of toekomst uitdrukken; de Griekse vertaling heeft ‘Ik ben de Zijnde’. Wij kiezen ‘Ik ben die Ik ben’, naast ‘Ik ben’ in de tweede helft van het vers. Zie ook: Ex 3:15; Ps 90:2; Jes 44:6; Joh 8:58; Heb 13:8; Openb 1:8 **3:15** Elohim zei verder tot Mozes: **„Zo moet je tot de zonen van Israël zeggen: ‘Yahweh, Elohim van jullie vaderen, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob, heeft mij naar jullie gezonden.’ Dit is Mijn naam voor eeuwig, en dit is Mijn gedachtenis van generatie op generatie.** Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | ע֨וֹד (od) = verder | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | כֹּֽה (ko) = zo | תֹאמַר֮ (tomar) = zul je zeggen | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתֵיכֶ֗ם (avoteikhem) = jullie vaderen | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִצְחָ֛ק (yitschaq) = Isaak | וֵאלֹהֵ֥י (velohei) = en Elohim van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = naar jullie | זֶה (ze) = dit | שְּׁמִ֣י (shemi) = is Mijn naam | לְעֹלָ֔ם (leolam) = voor eeuwig | וְזֶ֥ה (veze) = en dit | זִכְרִ֖י (zikhri) = is Mijn gedachtenis | לְדֹ֥ר (ledor) = van generatie | דֹּֽר (dor) = tot generatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de plechtige bekendmaking van de naam Yahweh; zie ook 6:2–3, waar Hij zegt dat Hij Zich aan de aartsvaders niet met deze naam bekendmaakte. In Genesis wordt de naam wel gebruikt (bijvoorbeeld Gen. 4:26), zodat dit vers gaat over de betekenis ervan. Zie ook: Gen 4:26; Gen 17:7–8; Ex 3:6; Hos 12:6; Mal 3:6; Heb 13:8 ### Wat Mozes tot Israël en de farao moet zeggen **3:16** **Ga, verzamel de oudsten van Israël en zeg tot hen: ‘Yahweh, Elohim van jullie vaderen, Elohim van Abraham, Isaak en Jakob, is mij verschenen en heeft gezegd: Ik heb jullie zeker bezocht en gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan.** Brontekst: לֵ֣ךְ (lekh) = ga | וְאָֽסַפְתָּ֞ (veasafta) = en verzamel | אֶת (et) = (obj.) | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֤ (veamarta) = en zeg | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | אֲבֹֽתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaderen | נִרְאָ֣ה (nira) = is verschenen | אֵלַ֔י (elay) = aan mij | אֱלֹהֵ֧י (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | וְיַעֲקֹ֖ב (veyaaqov) = en Jakob | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | פָּקֹ֤ד (paqod) = bezocht | פָּקַ֨דְתִּי֙ (paqadti) = heb Ik bezocht | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הֶעָשׂ֥וּי (heasuy) = wat gedaan wordt | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | בְּמִצְרָֽיִם (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 50:24; Ex 4:29; Ex 4:31; Ps 8:5; Hand 15:14 **3:17** **Ik zei: Ik zal jullie uit de ellende van Egypte opvoeren naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, naar een land dat overvloeit van melk en honing.’** Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en Ik zei | אַעֲלֶ֣ה (aale) = Ik zal opvoeren | אֶתְכֶם֮ (etkhem) = jullie | מֵעֳנִ֣י (meoni) = uit de ellende van | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | אֶל (el) = naar | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | וְהַ֣חִתִּ֔י (vehachiti) = en de Hethiet | וְהָֽאֱמֹרִי֙ (vehaemori) = en de Amoriet | וְהַפְּרִזִּ֔י (vehaperizi) = en de Perizziet | וְהַחִוִּ֖י (vehachivi) = en de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִ֑י (vehayvusi) = en de Jebusiet | אֶל (el) = naar | אֶ֛רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = vloeiend van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 15:13–21; Gen 46:4; Gen 50:24; Ex 3:8–9; Joz 24:11 **3:18** **Zij zullen naar je stem luisteren. Dan ga je, jij en de oudsten van Israël, naar de koning van Egypte en zeggen jullie tot hem: ‘Yahweh, Elohim van de Hebreeën, is ons tegemoetgekomen. Laat ons nu een reis van drie dagen de woestijn in gaan om te offeren aan Yahweh, onze Elohim.’** Brontekst: וְשָׁמְע֖וּ (veshameu) = en zij zullen luisteren | לְקֹלֶ֑ךָ (leqolekha) = naar je stem | וּבָאתָ֡ (uvata) = en je zult komen | אַתָּה֩ (ata) = jij | וְזִקְנֵ֨י (veziqnei) = en de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | וַאֲמַרְתֶּ֤ם (vaamartem) = en jullie zullen zeggen | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | הָֽעִבְרִיִּים֙ (haivriyim) = de Hebreeën | נִקְרָ֣ה (niqra) = is ons tegengekomen | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = ons | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | נֵֽלֲכָה (nelakha) = laten wij gaan | נָּ֞א (na) = toch | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = een weg van | שְׁלֹ֤שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִים֙ (yamim) = dagen | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | וְנִזְבְּחָ֖ה (venizbecha) = en laten wij offeren | לַֽיהוָ֥ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De vraag is eerst alleen om drie dagen de woestijn in te mogen gaan om te offeren; dit wordt herhaald in 5:3 en 8:23. De uitdrukking ‘Elohim van de Hebreeën’ komt ook voor in 5:3 en 7:16. Zie ook: Ex 7:16; Ex 9:1; Ex 9:13; Ex 10:24–26; Num 23:15–16 **3:19** **Maar Ik weet dat de koning van Egypte jullie niet zal laten gaan, zelfs niet door een sterke hand.** Brontekst: וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = weet | כִּ֠י (ki) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יִתֵּ֥ן (yiten) = zal geven | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לַהֲלֹ֑ךְ (lahalokh) = om te gaan | וְלֹ֖א (velo) = en niet | בְּיָ֥ד (beyad) = door een hand | חֲזָקָֽה (chazaqa) = sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 5:2; Ex 6:1; Ex 7:1–14; Ps 136:11–12; Jes 63:12–13 **3:20** **Ik zal Mijn hand uitstrekken en Egypte slaan met al Mijn wonderen die Ik in zijn midden zal doen. Daarna zal hij jullie laten gaan.** Brontekst: וְשָׁלַחְתִּ֤י (veshalachti) = en Ik zal uitstrekken | אֶת (et) = (obj.) | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | וְהִכֵּיתִ֣י (vehikeiti) = en Ik zal slaan | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּכֹל֙ (bekhol) = met alle | נִפְלְאֹתַ֔י (nifleotay) = Mijn wonderen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֶֽעֱשֶׂ֖ה (eese) = Ik zal doen | בְּקִרְבּ֑וֹ (beqirbo) = in zijn midden | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֖ן (ken) = zo | יְשַׁלַּ֥ח (yeshalach) = zal hij laten gaan | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 6:6; Ex 9:15; Deut 6:22; Neh 9:10; Hand 7:36 **3:21** **Ik zal dit volk gunst doen vinden in de ogen van de Egyptenaren, en wanneer jullie gaan, zullen jullie niet met lege handen gaan.** Brontekst: וְנָתַתִּ֛י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | חֵ֥ן (chen) = gunst van | הָֽעָם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֣י (ki) = wanneer | תֵֽלֵכ֔וּן (telekhun) = jullie gaan | לֹ֥א (lo) = niet | תֵלְכ֖וּ (telekhu) = zullen jullie gaan | רֵיקָֽם (reiqam) = met lege handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 11:3; Ex 12:36; Ps 105:37; Ps 106:46; Spr 16:7 **3:22** **Elke vrouw zal van haar buurvrouw en van de vrouw die bij haar in huis woont zilveren en gouden voorwerpen en kleren vragen. Die zullen jullie op jullie zonen en dochters leggen, en zo zullen jullie Egypte plunderen.”** Brontekst: וְשָׁאֲלָ֨ה (veshaala) = en zal vragen | אִשָּׁ֤ה (isha) = een vrouw | מִשְּׁכֶנְתָּהּ֙ (mishekhentah) = van haar buurvrouw | וּמִגָּרַ֣ת (umigarat) = en van de gast in | בֵּיתָ֔הּ (beitah) = haar huis | כְּלֵי (kelei) = voorwerpen van | כֶ֛סֶף (kesef) = zilver | וּכְלֵ֥י (ukhelei) = en voorwerpen van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | וּשְׂמָלֹ֑ת (usemalot) = en kleren | וְשַׂמְתֶּ֗ם (vesamtem) = en jullie zullen leggen | עַל (al) = op | בְּנֵיכֶם֙ (beneikhem) = jullie zonen | וְעַל (veal) = en op | בְּנֹ֣תֵיכֶ֔ם (benoteikhem) = jullie dochters | וְנִצַּלְתֶּ֖ם (venitsaltem) = en jullie zullen plunderen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שָׁאַל (sha’al) betekent ‘vragen’; of het ‘lenen’ of ‘eisen’ is, ligt in de tekst open (zie 11:2–3; 12:35–36). נָצַל (natsal) in het laatste werkwoord is ‘ontrukken’ of ‘plunderen’ (letterlijk ‘redden, ontrukken’). Voetnoot : Gen. 15:14 beloofde: ‘daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen’. Zie ook: Gen 15:14; Ex 11:2; Ex 12:35–36; Ps 105:37; Ezech 39:10 ## Exodus 4 _De tekenen, Aäron en de nacht in de herberg_ ### Drie tekenen voor Mozes **4:1** Mozes antwoordde: „Maar zie, zij zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem luisteren, want zij zullen zeggen: ‘Yahweh is jou niet verschenen.’” Brontekst: וַיַּ֤עַן (vayaan) = en antwoordde | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en zei | וְהֵן֙ (vehen) = maar zie | לֹֽא (lo) = niet | יַאֲמִ֣ינוּ (yaaminu) = zullen zij geloven | לִ֔י (li) = mij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִשְׁמְע֖וּ (yishmeu) = zullen zij luisteren | בְּקֹלִ֑י (beqoli) = naar mijn stem | כִּ֣י (ki) = want | יֹֽאמְר֔וּ (yomru) = zij zullen zeggen | לֹֽא (lo) = niet | נִרְאָ֥ה (nira) = is verschenen | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = aan jou | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 2:14; Ex 3:18; Ex 4:31; Jer 1:6; Hand 7:25 **4:2** Yahweh zei tot hem: **„Wat is dat in je hand?”** Hij zei: „Een staf.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֛יו (elav) = tot hem | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מַה (ma) = wat | זֶּ֣ה (ze) = dit | בְיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in je hand | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | מַטֶּֽה (mate) = een staf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:37; Ex 4:17; Ex 4:20; Ps 110:2; Jes 11:4 **4:3** Hij zei: **„Werp hem op de grond.”** Hij wierp hem op de grond, en hij werd een slang, en Mozes vluchtte voor hem. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | הַשְׁלִיכֵ֣הוּ (hashlikhehu) = werp hem | אַ֔רְצָה (artsa) = op de grond | וַיַּשְׁלִיכֵ֥הוּ (vayashlikhehu) = en hij wierp hem | אַ֖רְצָה (artsa) = op de grond | וַיְהִ֣י (vayhi) = en hij werd | לְנָחָ֑שׁ (lenachash) = tot een slang | וַיָּ֥נָס (vayanas) = en vluchtte | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | מִפָּנָֽיו (mipanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:17; Ex 7:10–15; Amos 5:19 **4:4** Yahweh zei tot Mozes: **„Steek je hand uit en grijp hem bij zijn staart.”** Hij stak zijn hand uit en greep hem, en hij werd een staf in zijn hand. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | שְׁלַח֙ (shelach) = steek uit | יָֽדְךָ֔ (yadekha) = je hand | וֶאֱחֹ֖ז (veechoz) = en grijp | בִּזְנָב֑וֹ (biznavo) = bij zijn staart | וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij stak uit | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | וַיַּ֣חֲזֶק (vayachazeq) = en greep | בּ֔וֹ (bo) = hem | וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij werd | לְמַטֶּ֖ה (lemate) = tot een staf | בְּכַפּֽוֹ (bekhapo) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 22:1–2; Ps 91:13; Luc 10:19; Joh 2:5; Hand 28:3–6 **4:5** **„Zo zullen zij geloven dat Yahweh, Elohim van hun vaderen, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob, jou is verschenen.”** Brontekst: לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יַאֲמִ֔ינוּ (yaaminu) = zij geloven | כִּֽי (ki) = dat | נִרְאָ֥ה (nira) = is verschenen | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = aan jou | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaderen | אֱלֹהֵ֧י (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | וֵאלֹהֵ֥י (velohei) = en Elohim van | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:7; Gen 18:1; Gen 26:2; Gen 48:3; Ex 19:9 **4:6** Yahweh zei verder tot hem: **„Steek toch je hand in je borstvouw.”** Hij stak zijn hand in zijn borstvouw en trok haar eruit, en zie, zijn hand was melaats, wit als sneeuw. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | ל֜וֹ (lo) = tot hem | ע֗וֹד (od) = verder | הָֽבֵא (have) = breng | נָ֤א (na) = toch | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | בְּחֵיקֶ֔ךָ (becheiqekha) = in je borstvouw | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij bracht | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | בְּחֵיק֑וֹ (becheiqo) = in zijn borstvouw | וַיּ֣וֹצִאָ֔הּ (vayotsiah) = en trok haar eruit | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | מְצֹרַ֥עַת (metsoraat) = melaats | כַּשָּֽׁלֶג (kashaleg) = als sneeuw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרַעַת (tsara‘at), hier ‘melaats’, is een huidziekte die ook andere aandoeningen dan lepra omvat (Lev. 13). De hand wordt ‘wit als sneeuw’ en daarna weer gezond: het teken wijst op Yahweh’s macht over ziekte en genezing. Zie ook: Num 12:10; 2 Kon 5:27 **4:7** Hij zei: **„Steek je hand weer in je borstvouw.”** Hij stak zijn hand weer in zijn borstvouw en trok haar eruit, en zie, zij was weer als zijn eigen vlees. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | הָשֵׁ֤ב (hashev) = breng terug | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | אֶל (el) = naar | חֵיקֶ֔ךָ (cheiqekha) = je borstvouw | וַיָּ֥שֶׁב (vayashev) = en hij bracht terug | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | אֶל (el) = naar | חֵיק֑וֹ (cheiqo) = zijn borstvouw | וַיּֽוֹצִאָהּ֙ (vayotsiah) = en trok haar eruit | מֵֽחֵיק֔וֹ (mecheiqo) = uit zijn borstvouw | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | שָׁ֖בָה (shava) = zij was teruggekeerd | כִּבְשָׂרֽוֹ (kivsaro) = als zijn vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 12:13–15; Deut 32:39; 2 Kon 5:14; Mat 8:3 **4:8** **„Als zij je niet geloven en niet luisteren naar de stem van het eerste teken, dan zullen zij de stem van het laatste teken geloven.** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | יַאֲמִ֣ינוּ (yaaminu) = zij geloven | לָ֔ךְ (lakh) = je | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִשְׁמְע֔וּ (yishmeu) = luisteren | לְקֹ֖ל (leqol) = naar de stem van | הָאֹ֣ת (haot) = het teken | הָרִאשׁ֑וֹן (harishon) = het eerste | וְהֶֽאֱמִ֔ינוּ (veheeminu) = dan zullen zij geloven | לְקֹ֖ל (leqol) = de stem van | הָאֹ֥ת (haot) = het teken | הָאַחֲרֽוֹן (haacharon) = het laatste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:18; Ex 4:30–31; Deut 32:39; 2 Kon 5:7; Jes 28:10 **4:9** **En als zij ook deze twee tekenen niet geloven en niet naar je stem luisteren, neem dan water uit de Nijl en giet het op het droge. Het water dat je uit de Nijl neemt, zal op het droge bloed worden.”** Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | יַאֲמִ֡ינוּ (yaaminu) = zij geloven | גַּם֩ (gam) = ook | לִשְׁנֵ֨י (lishnei) = aan deze twee | הָאֹת֜וֹת (haotot) = tekenen | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִשְׁמְעוּן֙ (yishmeun) = zij luisteren | לְקֹלֶ֔ךָ (leqolekha) = naar je stem | וְלָקַחְתָּ֙ (velaqachta) = dan zul je nemen | מִמֵּימֵ֣י (mimeimei) = van het water van | הַיְאֹ֔ר (hayor) = de Nijl | וְשָׁפַכְתָּ֖ (veshafakhta) = en je zult gieten | הַיַּבָּשָׁ֑ה (hayabasha) = op het droge | וְהָי֤וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het water | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תִּקַּ֣ח (tiqach) = je neemt | מִן (min) = uit | הַיְאֹ֔ר (hayor) = de Nijl | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zullen worden | לְדָ֖ם (ledam) = tot bloed | בַּיַּבָּֽשֶׁת (bayabashet) = op het droge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 1:22; Ex 7:19–25; Mat 7:2 ### Mozes’ bezwaar en Aäron **4:10** Mozes zei tot Yahweh: „Ach, mijn Heer, ik ben geen man van woorden, niet sinds gisteren, niet sinds eergisteren, en ook niet sinds U tot Uw dienaar spreekt. Want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדֹנָי֒ (adonay) = mijn Heer | לֹא֩ (lo) = niet | אִ֨ישׁ (ish) = man van | דְּבָרִ֜ים (devarim) = woorden | אָנֹ֗כִי (anokhi) = ik | גַּ֤ם (gam) = ook | מִתְּמוֹל֙ (mitemol) = sinds gisteren | גַּ֣ם (gam) = ook | מִשִּׁלְשֹׁ֔ם (mishilshom) = sinds eergisteren | גַּ֛ם (gam) = ook | מֵאָ֥ז (meaz) = sinds | דַּבֶּרְךָ (daberkha) = U spreekt | אֶל (el) = tot | עַבְדֶּ֑ךָ (avdekha) = Uw dienaar | כִּ֧י (ki) = want | כְבַד (kevad) = zwaar van | פֶּ֛ה (pe) = mond | וּכְבַ֥ד (ukhevad) = en zwaar van | לָשׁ֖וֹן (lashon) = tong | אָנֹֽכִי (anokhi) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hoe Mozes Yahweh aanspreekt. Voetnoot : Mozes’ bezwaar is dat hij ‘zwaar van mond en tong’ is. De tekst zegt niet wat dat precies betekent (stotteren, traag spreken of onhandig met woorden). Zie ook 6:12, 30. Zie ook: Ex 4:1; Ex 6:12; Jer 1:6; Hand 7:22; 2 Kor 11:6 **4:11** Yahweh zei tot hem: **„Wie heeft de mens een mond gegeven? Of wie maakt stom of doof, ziend of blind? Ben Ik het niet, Yahweh?** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | מִ֣י (mi) = wie | שָׂ֣ם (sam) = gaf | פֶּה֮ (pe) = een mond | לָֽאָדָם֒ (laadam) = aan de mens | א֚וֹ (o) = of | מִֽי (mi) = wie | יָשׂ֣וּם (yasum) = maakt | אִלֵּ֔ם (ilem) = stom | א֣וֹ (o) = of | חֵרֵ֔שׁ (cheresh) = doof | א֥וֹ (o) = of | פִקֵּ֖חַ (piqeach) = ziend | א֣וֹ (o) = of | עִוֵּ֑ר (iver) = blind | הֲלֹ֥א (halo) = niet | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh legt Zich als schepper van mond, oor en oog bekend (vergelijk Ps. 94:9; Spr. 20:12). Hij is het die stom of doof maakt en ziend of blind. Zie ook: Ps 94:9; Ps 146:8; Spr 20:12; Amos 3:6; Jes 6:7; Ezech 3:26–27 **4:12** **Ga nu. Ik zal met je mond zijn en Ik zal je onderwijzen wat je moet spreken.”** Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | לֵ֑ךְ (lekh) = ga | וְאָנֹכִי֙ (veanokhi) = en Ik | אֶֽהְיֶ֣ה (ehye) = zal zijn | עִם (im) = met | פִּ֔יךָ (pikha) = je mond | וְהוֹרֵיתִ֖יךָ (vehoreitikha) = en Ik zal je onderwijzen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תְּדַבֵּֽר (tedaber) = je moet spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:9; Mat 10:19–20; Mar 13:11; Luc 12:11–12; Luc 21:14–15 **4:13** Hij zei: „Ach, mijn Heer, zend toch wie U maar wilt zenden.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדֹנָ֑י (adonay) = mijn Heer | שְֽׁלַֽח (shelach) = zend | נָ֖א (na) = toch | בְּיַד (beyad) = door de hand van | תִּשְׁלָֽח (tishlach) = U zult zenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: שְׁלַח־נָא בְּיַד־תִּשְׁלָח (shelach-na beyad-tishlach) is letterlijk ‘zend toch door de hand van wie U zendt’. Dat kan ‘door wie U maar wilt’ betekenen of ‘door een ander’. Wij kiezen het eerste, dat het dichtst bij de woorden blijft; het tweede, ‘zend toch een ander’, is de gangbare opvatting en past bij de toorn van vers 14. Zie ook: Ex 4:1; Ex 4:14; Re 2:1; Jona 1:3; Jer 1:6; Jer 20:9 **4:14** Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Mozes en Hij zei: **„Is er niet Aäron, je broer, de Leviet? Ik weet dat hij goed kan spreken. En zie, hij komt je ook tegemoet; als hij je ziet, zal hij zich in zijn hart verheugen.** Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֨ף (af) = de toorn van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בְּמֹשֶׁ֗ה (bemoshe) = tegen Mozes | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | הֲלֹ֨א (halo) = is niet | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | אָחִ֨יךָ֙ (achikha) = je broer | הַלֵּוִ֔י (halevi) = de Leviet | יָדַ֕עְתִּי (yadati) = Ik weet | כִּֽי (ki) = dat | דַבֵּ֥ר (daber) = spreken | יְדַבֵּ֖ר (yedaber) = kan hij spreken | ה֑וּא (hu) = hij | וְגַ֤ם (vegam) = en ook | הִנֵּה (hine) = zie | הוּא֙ (hu) = hij | יֹצֵ֣א (yotse) = trekt uit | לִקְרָאתֶ֔ךָ (liqratekha) = je tegemoet | וְרָאֲךָ֖ (veraakha) = en zal je zien | וְשָׂמַ֥ח (vesamach) = en zich verheugen | בְּלִבּֽוֹ (belibo) = in zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron wordt ‘de Leviet’ genoemd. Dat kan zijn afkomst zijn, maar ook zijn latere rol. Zie 6:16–20 voor de afstamming. Zie ook: Ex 4:27; 2 Sam 6:7; 1 Kron 21:7; Mar 14:13–15; Fil 2:21 **4:15** **Je zult tot hem spreken en de woorden in zijn mond leggen. Ik zal met je mond en met zijn mond zijn en jullie onderwijzen wat jullie moeten doen.** Brontekst: וְדִבַּרְתָּ֣ (vedibarta) = en je zult spreken | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | וְשַׂמְתָּ֥ (vesamta) = en leg | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | בְּפִ֑יו (befiv) = in zijn mond | וְאָנֹכִ֗י (veanokhi) = en Ik | אֶֽהְיֶ֤ה (ehye) = zal zijn | עִם (im) = met | פִּ֨יךָ֙ (pikha) = je mond | וְעִם (veim) = en met | פִּ֔יהוּ (pihu) = zijn mond | וְהוֹרֵיתִ֣י (vehoreiti) = en Ik zal onderwijzen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תַּעֲשֽׂוּן (taasun) = jullie moeten doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:5; Num 23:12; Num 23:16; Jes 51:16; Luc 21:15 **4:16** **Hij zal voor jou tot het volk spreken. Hij zal voor jou tot een mond zijn, en jij zult voor hem tot een god zijn.** Brontekst: וְדִבֶּר (vediber) = en hij zal spreken | ה֥וּא (hu) = hij | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | אֶל (el) = tot | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְהָ֤יָה (vehaya) = en het zal zijn | הוּא֙ (hu) = hij | יִֽהְיֶה (yihye) = hij zal zijn | לְּךָ֣ (lekha) = voor jou | לְפֶ֔ה (lefe) = tot een mond | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | תִּֽהְיֶה (tihye) = zult zijn | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | לֵֽאלֹהִֽים (lElohim) = tot een god Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron wordt Mozes’ ‘mond’ en Mozes ‘een god’ voor hem: Mozes spreekt namens Elohim, Aäron namens Mozes (vergelijk 7:1). Zie ook: Ex 7:1–2; Ex 18:19; Ps 82:6; Joh 10:34–35 **4:17** **En deze staf moet je in je hand nemen; daarmee zul je de tekenen doen.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּטֶּ֥ה (hamate) = de staf | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | תִּקַּ֣ח (tiqach) = zul je nemen | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in je hand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | תַּעֲשֶׂה (taase) = je zult doen | בּ֖וֹ (bo) = daarmee | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹתֹֽת (haotot) = de tekenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:2; Ex 7:9–20; 1 Kor 1:27 ### Mozes keert terug naar Egypte **4:18** Mozes ging en keerde terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei tot hem: „Laat mij toch teruggaan naar mijn broers in Egypte om te zien of zij nog leven.” Jetro zei tot Mozes: „Ga in vrede.” Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en keerde terug | אֶל (el) = naar | יֶ֣תֶר (yeter) = Jeter | חֹֽתְנ֗וֹ (choteno) = zijn schoonvader | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | אֵ֣לֲכָה (elakha) = laat mij gaan | נָּ֗א (na) = toch | וְאָשׁ֨וּבָה֙ (veashuva) = en terugkeren | אֶל (el) = naar | אַחַ֣י (achay) = mijn broers | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte zijn | וְאֶרְאֶ֖ה (veere) = en zien | הַעוֹדָ֣ם (haodam) = of nog | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יִתְר֛וֹ (yitro) = Jetro | לְמֹשֶׁ֖ה (lemoshe) = tot Mozes | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | לְשָׁלֽוֹם (leshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Jeter (יֶתֶר, yeter) en Jetro (יִתְרוֹ, yitro) zijn twee vormen van dezelfde naam; zie 3:1 en 18:1. Zie ook: Gen 45:3; Ex 3:1; 1 Sam 1:17; Hand 15:36; 1 Tim 6:1 **4:19** Yahweh zei tot Mozes in Midian: **„Ga, keer terug naar Egypte, want alle mannen die je het leven wilden ontnemen, zijn dood.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | בְּמִדְיָ֔ן (bemidyan) = in Midian | לֵ֖ךְ (lekh) = ga | שֻׁ֣ב (shuv) = keer terug | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = naar Egypte | כִּי (ki) = want | מֵ֨תוּ֙ (metu) = zijn gestorven | כָּל (kal) = alle | הָ֣אֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | הַֽמְבַקְשִׁ֖ים (hamvaqshim) = die zoeken | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit herinnert aan Matt. 2:20: ‘want zij die het leven van het kind zochten, zijn gestorven’. Zie ook: Ex 2:15; Ex 2:23; Mat 2:20 **4:20** Mozes nam zijn vrouw en zijn zonen, zette hen op een ezel en keerde terug naar het land Egypte. Mozes nam de staf van Elohim in zijn hand. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּ֣וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֗יו (banav) = zijn zonen | וַיַּרְכִּבֵם֙ (vayarkivem) = en liet hen rijden | עַֽל (al) = op | הַחֲמֹ֔ר (hachamor) = de ezel | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | אַ֣רְצָה (artsa) = naar het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | מַטֵּ֥ה (mate) = de staf van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Zijn zonen’ zijn Gersom en Eliëzer (18:3–4). ‘De staf van Elohim’ is dezelfde staf als in vers 2; hij wordt daar ‘staf’ genoemd. Zie ook: Ex 4:2; Ex 17:9; Ex 18:3–4; Num 20:8–9; Num 20:11 **4:21** Yahweh zei tot Mozes: **„Als je teruggaat naar Egypte, zorg dan dat je alle wonderen die Ik in je hand heb gelegd, voor de farao doet. Maar Ik zal zijn hart sterk maken, en hij zal het volk niet laten gaan.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | בְּלֶכְתְּךָ֙ (belekhtekha) = als je gaat | לָשׁ֣וּב (lashuv) = terug te keren | מִצְרַ֔יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | רְאֵ֗ה (ree) = zie | כָּל (kal) = alle | הַמֹּֽפְתִים֙ (hamofetim) = de wonderen | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֣מְתִּי (samti) = Ik heb gelegd | בְיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in je hand | וַעֲשִׂיתָ֖ם (vaasitam) = en doe ze | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פַרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וַאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | אֲחַזֵּ֣ק (achazeq) = zal sterk maken | אֶת (et) = (obj.) | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְשַׁלַּ֖ח (yeshalach) = zal hij laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Yahweh kondigt aan dat Hij het hart van de farao zal sterk maken (חָזַק, chazaq). Later wordt hetzelfde gezegd van de farao zelf (8:15, 28). Zie 7:3. Zie ook: Ex 9:35–10:1; Ex 14:8; Joz 11:20; Jes 63:17; Rom 9:18 **4:22** **Dan moet je tot de farao zeggen: ‘Zo zegt Yahweh: Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en zeg | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּנִ֥י (beni) = Mijn zoon | בְכֹרִ֖י (bekhori) = Mijn eerstgeborene | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene’: Israël wordt hier als Yahweh’s eigen zoon genoemd. Hos. 11:1 zegt iets vergelijkbaars (‘uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen’), en Matt. 2:15 past dat toe op Yeshua. Zie ook: Ex 19:5–6; Hos 11:1; Jer 31:9; Mat 2:15; Rom 9:4; Heb 12:23 **4:23** **Ik heb tot je gezegd: Laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij dient. Maar je hebt geweigerd hem te laten gaan. Zie, Ik zal je zoon doden, je eerstgeborene.’”** Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en Ik zeg | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot jou | שַׁלַּ֤ח (shalach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנִי֙ (beni) = Mijn zoon | וְיַֽעַבְדֵ֔נִי (veyaavdeni) = opdat hij Mij dient | וַתְּמָאֵ֖ן (vatemaen) = maar je weigert | לְשַׁלְּח֑וֹ (leshalecho) = hem te laten gaan | הִנֵּה֙ (hine) = zie | אָנֹכִ֣י (anokhi) = Ik | הֹרֵ֔ג (horeg) = ga doden | אֶת (et) = (obj.) | בִּנְךָ֖ (binkha) = je zoon | בְּכֹרֶֽךָ (bekhorekha) = je eerstgeborene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 11:5; Ex 12:29; Ps 78:51; Ps 105:36; Ps 135:8 ### Yahweh ontmoet Mozes in de herberg **4:24** Onderweg, in de herberg, ontmoette Yahweh hem en zocht hem te doden. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het geschiedde | בַדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = onderweg | בַּמָּל֑וֹן (bamalon) = in de herberg | וַיִּפְגְּשֵׁ֣הוּ (vayifgeshehu) = en ontmoette hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְבַקֵּ֖שׁ (vayvaqesh) = en zocht | הֲמִיתֽוֹ (hamito) = hem te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en de volgende twee zijn moeilijk. ‘Hem’ in ‘ontmoette hem’ en ‘hem te doden’ is niet duidelijk: het kan Mozes zijn of zijn zoon. Dat Yahweh dit doet, past bij 4:23: de eerstgeborene is in gevaar. Zie ook: Gen 17:14; Ex 3:18; Lev 10:3; Num 22:22–23; 1 Kron 21:16 **4:25** Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af, raakte daarmee zijn voeten aan en zei: „Want een bloedbruidegom ben jij voor mij.” Brontekst: וַתִּקַּ֨ח (vatiqach) = en nam | צִפֹּרָ֜ה (tsipora) = Sippora | צֹ֗ר (tsor) = een scherpe steen | וַתִּכְרֹת֙ (vatikhrot) = en sneed af | אֶת (et) = (obj.) | עָרְלַ֣ת (arelat) = de voorhuid van | בְּנָ֔הּ (benah) = haar zoon | וַתַּגַּ֖ע (vataga) = en raakte | לְרַגְלָ֑יו (leraglav) = zijn voeten | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zei | כִּ֧י (ki) = want | חֲתַן (chatan) = bruidegom van | דָּמִ֛ים (damim) = bloed | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹר (tsor) is een scherp steentje of mesje. De besnijdenis is het teken van het verbond (Gen. 17:10–14); blijkbaar had Mozes zijn zoon niet besneden. Voetnoot Lezing: ‘Zijn voeten’ is onduidelijk: de voeten van het kind, van Mozes of van Yahweh’s engel; de Griekse vertaling heeft ‘en viel voor zijn voeten’. Wij laten de onduidelijkheid van de tekst staan. Zie ook: Gen 17:10–14; Gen 17:14; Joz 5:2–3; 2 Sam 16:7 **4:26** Toen liet Hij van hem af. Toen zei zij ‘bloedbruidegom’, vanwege de besnijdenis. Brontekst: וַיִּ֖רֶף (vayiref) = en Hij liet af | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = van hem | אָ֚ז (az) = toen | אָֽמְרָ֔ה (amera) = zei zij | חֲתַ֥ן (chatan) = bruidegom van | דָּמִ֖ים (damim) = bloed | לַמּוּלֹֽת (lamulot) = vanwege de besnijdenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲתַן־דָּמִים (chatan-damim), ‘bloedbruidegom’, wordt hier uitgelegd door ‘vanwege de besnijdenis’ (לַמּוּלֹת, lamulot). De betekenis van de uitdrukking is onzeker. ### Mozes en Aäron bij de oudsten van Israël **4:27** Yahweh zei tot Aäron: **„Ga Mozes tegemoet, de woestijn in.”** Hij ging en ontmoette hem bij de berg van Elohim en kuste hem. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | לֵ֛ךְ (lekh) = ga | לִקְרַ֥את (liqrat) = tegemoet | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | הַמִּדְבָּ֑רָה (hamidbara) = de woestijn in | וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַֽיִּפְגְּשֵׁ֛הוּ (vayifgeshehu) = en ontmoette hem | בְּהַ֥ר (behar) = bij de berg van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | וַיִּשַּׁק (vayishaq) = en kuste | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron ontmoet Mozes bij ‘de berg van Elohim’ (Horeb), waar Mozes Yahweh zag (3:1). Zie ook: Ex 3:1; Ex 4:14–16; Ex 19:3; Ex 20:18; 1 Kon 19:8 **4:28** Mozes vertelde Aäron alle woorden van Yahweh, die hem had gezonden, en alle tekenen die Hij hem had opgedragen. Brontekst: וַיַּגֵּ֤ד (vayaged) = en vertelde | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | לְאַֽהֲרֹ֔ן (leaharon) = aan Aäron | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שְׁלָח֑וֹ (shelacho) = Hem gezonden had | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָאֹתֹ֖ת (haotot) = de tekenen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּֽהוּ (tsivahu) = Hij hem geboden had Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:8–9; Ex 4:15–16; Jona 3:2; Mat 21:29 **4:29** Mozes en Aäron gingen en verzamelden alle oudsten van de zonen van Israël. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֑ן (veaharon) = en Aäron | וַיַּ֣אַסְפ֔וּ (vayaasfu) = en zij verzamelden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | זִקְנֵ֖י (ziqnei) = de oudsten van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:16; Ex 24:1; Ex 24:11 **4:30** Aäron sprak alle woorden die Yahweh tot Mozes had gesproken, en deed de tekenen voor de ogen van het volk. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבֶּ֥ר (diber) = gesproken had | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָאֹתֹ֖ת (haotot) = de tekenen | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:16 **4:31** Het volk geloofde. Zij hoorden dat Yahweh de zonen van Israël had bezocht en hun ellende had gezien, en zij bogen en wierpen zich neer. Brontekst: וַֽיַּאֲמֵ֖ן (vayaamen) = en geloofde | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַֽיִּשְׁמְע֡וּ (vayishmeu) = en zij hoorden | כִּֽי (ki) = dat | פָקַ֨ד (paqad) = bezocht had | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְכִ֤י (vekhi) = en dat | רָאָה֙ (raa) = Hij gezien had | אֶת (et) = (obj.) | עָנְיָ֔ם (aneyam) = hun ellende | וַֽיִּקְּד֖וּ (vayiqedu) = en zij bogen | וַיִּֽשְׁתַּחֲוּֽוּ (vayishtachauu) = en wierpen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Israël geloven het teken en buigen zich voor Yahweh: Hij heeft hen ‘bezocht’ (פָּקַד, paqad), hetzelfde woord dat in Gen. 50:24–25 met ‘zich ontfermen’ is vertaald. Zie ook: Gen 50:24–25; Ex 2:25; Ex 3:18; Ex 12:27; Ps 106:12–13; Luc 8:13 ## Exodus 5 _Mozes en Aäron bij de farao: meer lasten voor Israël_ ### Mozes en Aäron bij de farao **5:1** Daarna kwamen Mozes en Aäron bij de farao en zeiden: „Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: **‘Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij in de woestijn een feest vieren.’**” Brontekst: וְאַחַ֗ר (veachar) = en daarna | בָּ֚אוּ (bau) = kwamen | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שַׁלַּח֙ (shalach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וְיָחֹ֥גּוּ (veyachogu) = opdat zij een feest vieren | לִ֖י (li) = voor Mij | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de eerste ontmoeting met de farao. Mozes en Aäron spreken Yahweh’s woorden uit zoals een boodschapper: ‘Zo zegt Yahweh’. De vraag is een ‘feest’ (חָגַג, chagag), een pelgrimstocht voor Yahweh; dit is hetzelfde woord als in 10:9 en 12:14. Zie ook: Ex 10:9; 1 Kon 21:20; Jona 3:3–4; Ezech 2:6; Hand 4:29 **5:2** De farao zei: „Wie is Yahweh, dat ik naar Zijn stem zou luisteren en Israël zou laten gaan? Ik ken Yahweh niet, en Israël laat ik ook niet gaan.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | מִ֤י (mi) = wie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֶשְׁמַ֣ע (eshma) = ik zou luisteren | בְּקֹל֔וֹ (beqolo) = naar Zijn stem | לְשַׁלַּ֖ח (leshalach) = om te laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לֹ֤א (lo) = niet | יָדַ֨עְתִּי֙ (yadati) = ken ik | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְגַ֥ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | אֲשַׁלֵּֽחַ (ashaleach) = zal ik laten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De farao kent Yahweh niet en wil Hem niet gehoorzamen. Het hele verhaal tot 15:21 laat hem Yahweh leren kennen (7:5, 17; 8:6, 18; 9:14, 29; 14:4, 18). Zie ook: Job 21:15; Ex 3:19; 2 Kon 18:35; 2 Tess 1:8; Rom 1:28 **5:3** Zij zeiden: „Elohim van de Hebreeën heeft ons ontmoet. Laat ons toch een reis van drie dagen de woestijn in gaan om aan Yahweh, onze Elohim, te offeren, opdat Hij ons niet treft met pest of met het zwaard.” Brontekst: וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden zij | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | הָעִבְרִ֖ים (haivrim) = de Hebreeën | נִקְרָ֣א (niqra) = heeft zich laten ontmoeten | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = met ons | נֵ֣לֲכָה (nelakha) = laten wij gaan | נָּ֡א (na) = toch | דֶּרֶךְ֩ (derekh) = een weg van | שְׁלֹ֨שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֜ים (yamim) = dagen | בַּמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | וְנִזְבְּחָה֙ (venizbecha) = en laten wij offeren | לַֽיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | פֶּ֨ן (pen) = opdat niet | יִפְגָּעֵ֔נוּ (yifgaenu) = Hij ons treft | בַּדֶּ֖בֶר (badever) = met pest | א֥וֹ (o) = of | בֶחָֽרֶב (becharev) = met het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hebreeën zeggen hier ‘Elohim van de Hebreeën’, een naam die een buitenstaander verstaat. Zie 3:18 en 7:16. Zie ook: Ex 3:18; 2 Kon 17:25; 2 Kron 30:8; Ezra 7:23; Zach 14:16–19 **5:4** De koning van Egypte zei tot hen: „Mozes en Aäron, waarom houden jullie het volk van zijn werk af? Ga aan jullie lasten!” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לָ֚מָּה (lama) = waarom | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | תַּפְרִ֥יעוּ (tafriu) = houden jullie af | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מִמַּֽעֲשָׂ֑יו (mimaasav) = van zijn werk | לְכ֖וּ (lekhu) = gaat | לְסִבְלֹתֵיכֶֽם (lesivloteikhem) = naar jullie lasten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 1:11; Amos 7:10; Jer 38:4; Luc 23:2; Hand 24:5 **5:5** De farao zei: „Zie, het volk van het land is nu talrijk, en jullie laten hen ophouden met hun lasten!” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | הֵן (hen) = zie | רַבִּ֥ים (rabim) = talrijk | עַתָּ֖ה (ata) = nu | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְהִשְׁבַּתֶּ֥ם (vehishbatem) = en jullie laten ophouden | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מִסִּבְלֹתָֽם (misivlotam) = van hun lasten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 1:7–11; Spr 14:28 ### Geen stro meer voor de tichelstenen **5:6** Diezelfde dag gaf de farao de drijvers van het volk en zijn opzichters dit bevel: Brontekst: וַיְצַ֥ו (vaytsav) = en gebood | פַּרְעֹ֖ה (paro) = de farao | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | אֶת (et) = (obj.) | הַנֹּגְשִׂ֣ים (hanogesim) = de drijvers | בָּעָ֔ם (baam) = over het volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֹׁטְרָ֖יו (shoterav) = zijn opzichters | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘drijvers’ (נֹגְשִׂים, nogsim) zijn Egyptenaren; de ‘opzichters’ (שֹׁטְרִים, shoterim) zijn Israëlieten die onder hen zijn aangesteld (vers 14). Voetnoot Aanvullend: Jasher 65:13, 26–31 beschrijft eerder hoe drijvers over Israël werden gesteld. Zie ook: Jas 65:13; Ex 5:10; Ex 5:14; Ex 5:19; Num 11:16; Deut 1:15; Joz 24:4 **5:7** „Jullie mogen het volk niet langer stro geven om tichelstenen te maken, zoals gisteren en eergisteren. Laat hen zelf gaan en stro verzamelen. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תֹאסִפ֞וּן (tosifun) = jullie moeten voortaan | לָתֵ֨ת (latet) = geven | תֶּ֧בֶן (teven) = stro | לָעָ֛ם (laam) = aan het volk | לִלְבֹּ֥ן (lilbon) = om te maken | הַלְּבֵנִ֖ים (halevenim) = de tichelstenen | כִּתְמ֣וֹל (kitmol) = zoals gisteren | שִׁלְשֹׁ֑ם (shilshom) = eergisteren | הֵ֚ם (hem) = zij | יֵֽלְכ֔וּ (yelekhu) = laat hen gaan | וְקֹשְׁשׁ֥וּ (veqosheshu) = en verzamelen | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zichzelf | תֶּֽבֶן (teven) = stro Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Tichelstenen waren van leem, vermengd met gehakseld stro of stoppels, en werden in de zon gedroogd. Als het stro niet meer geleverd werd, moest het volk het zelf zoeken. Zie ook: Gen 24:25; Re 19:19 **5:8** Maar het aantal tichelstenen dat zij gisteren en eergisteren maakten, moeten jullie hun opleggen; verminder daar niets van. Want zij zijn lui; daarom roepen zij: ‘Laat ons gaan, laat ons offeren aan onze Elohim.’ Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַתְכֹּ֨נֶת (matkonet) = het aantal van | הַלְּבֵנִ֜ים (halevenim) = de tichelstenen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֵם֩ (hem) = zij | עֹשִׂ֨ים (osim) = maakten | תְּמ֤וֹל (temol) = gisteren | שִׁלְשֹׁם֙ (shilshom) = eergisteren | תָּשִׂ֣ימוּ (tasimu) = leg | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = op hen | לֹ֥א (lo) = niet | תִגְרְע֖וּ (tigreu) = verminder | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = ervan | כִּֽי (ki) = want | נִרְפִּ֣ים (nirpim) = lui zijn | הֵ֔ם (hem) = zij | עַל (al) = op | כֵּ֗ן (ken) = zo | הֵ֤ם (hem) = zij | צֹֽעֲקִים֙ (tsoaqim) = roepen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | נֵלְכָ֖ה (nelekha) = laten wij gaan | נִזְבְּחָ֥ה (nizbecha) = laten wij offeren | לֵאלֹהֵֽינוּ (leloheinu) = aan onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 106:41 **5:9** Laat het werk zwaarder op de mannen drukken, zodat zij daarmee bezig zijn en niet letten op leugenachtige woorden.” Brontekst: תִּכְבַּ֧ד (tikhbad) = laat zwaar zijn | הָעֲבֹדָ֛ה (haavoda) = het werk | עַל (al) = op | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | וְיַעֲשׂוּ (veyaasu) = en laat hen bezig zijn | בָ֑הּ (bah) = daarmee | וְאַל (veal) = en niet | יִשְׁע֖וּ (yishu) = laat hen letten | בְּדִבְרֵי (bedivrei) = op woorden van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk wordt nu ‘de mannen’ (אֲנָשִׁים, anashim) genoemd. ‘Leugenachtige woorden’ zijn de woorden van Mozes en Aäron, in de ogen van de farao. Zie ook: Job 16:3; 2 Kon 18:20; Zach 1:6; Mal 3:14; Ef 5:6 **5:10** De drijvers van het volk en zijn opzichters gingen uit en zeiden tot het volk: „Zo zegt de farao: ‘Ik geef jullie geen stro meer. Brontekst: וַיֵּ֨צְא֜וּ (vayetseu) = en gingen uit | נֹגְשֵׂ֤י (nogesei) = de drijvers van | הָעָם֙ (haam) = het volk | וְשֹׁ֣טְרָ֔יו (veshoterav) = en zijn opzichters | וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | אֵינֶ֛נִּי (eineni) = ik ben niet | נֹתֵ֥ן (noten) = gevend | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | תֶּֽבֶן (teven) = stro Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 1:11; Ex 3:7; Spr 29:12 **5:11** Gaan jullie zelf stro zoeken waar jullie het vinden, want er wordt niets van jullie werk verminderd.’” Brontekst: אַתֶּ֗ם (atem) = jullie | לְכ֨וּ (lekhu) = ga | קְח֤וּ (qechu) = neem | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | תֶּ֔בֶן (teven) = stro | מֵאֲשֶׁ֖ר (measher) = waar | תִּמְצָ֑אוּ (timtsau) = jullie het vinden | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niets | נִגְרָ֛ע (nigra) = wordt verminderd | מֵעֲבֹדַתְכֶ֖ם (meavodatkhem) = van jullie werk | דָּבָֽר (davar) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 5:13–14 **5:12** Het volk verspreidde zich over heel het land Egypte om stoppels te verzamelen als stro. Brontekst: וַיָּ֥פֶץ (vayafets) = en verspreidde zich | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לְקֹשֵׁ֥שׁ (leqoshesh) = om te verzamelen | קַ֖שׁ (qash) = stoppels | לַתֶּֽבֶן (lateven) = als stro Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 15:7; Jes 5:24; Jes 47:14; Nah 1:10; Ob 1:18 **5:13** De drijvers drongen aan en zeiden: „Maak jullie werk af, elke dag zoveel als toen er stro was.” Brontekst: וְהַנֹּגְשִׂ֖ים (vehanogesim) = en de drijvers | אָצִ֣ים (atsim) = drongen aan | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כַּלּ֤וּ (kalu) = voltooi | מַעֲשֵׂיכֶם֙ (maaseikhem) = jullie werk | דְּבַר (devar) = de hoeveelheid van | י֣וֹם (yom) = een dag | בְּיוֹמ֔וֹ (beyomo) = op zijn dag | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | בִּהְי֥וֹת (bihyot) = toen was | הַתֶּֽבֶן (hateven) = het stro Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:14** De opzichters van de zonen van Israël, die de drijvers van de farao over hen hadden aangesteld, werden geslagen. Men zei: „Waarom hebben jullie jullie vastgestelde aantal tichelstenen gisteren en vandaag niet gemaakt, zoals eerder?” Brontekst: וַיֻּכּ֗וּ (vayuku) = en werden geslagen | שֹֽׁטְרֵי֙ (shoterei) = de opzichters van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֣מוּ (samu) = hadden aangesteld | עֲלֵהֶ֔ם (alehem) = over hen | נֹגְשֵׂ֥י (nogesei) = de drijvers van | פַרְעֹ֖ה (paro) = de farao | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מַדּ֡וּעַ (madua) = waarom | לֹא֩ (lo) = niet | כִלִּיתֶ֨ם (kilitem) = hebben jullie voltooid | חָקְכֶ֤ם (chaqekhem) = jullie vastgestelde deel | לִלְבֹּן֙ (lilbon) = voor tichelstenen | כִּתְמ֣וֹל (kitmol) = zoals gisteren | שִׁלְשֹׁ֔ם (shilshom) = eergisteren | גַּם (gam) = ook | תְּמ֖וֹל (temol) = gisteren | גַּם (gam) = ook | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De opzichters van Israël worden geslagen voor wat de drijvers niet kunnen afdwingen: de Israëlitische leiders delen in de straf van hun volk. Zie ook: Jes 10:24 ### De opzichters bij de farao **5:15** De opzichters van de zonen van Israël kwamen en riepen tot de farao: „Waarom doet u zo met uw dienaren? Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en kwamen | שֹֽׁטְרֵי֙ (shoterei) = de opzichters van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּצְעֲק֥וּ (vayitsaqu) = en riepen | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֖ה (paro) = de farao | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לָ֧מָּה (lama) = waarom | תַעֲשֶׂ֦ה (taase) = doet u | כֹ֖ה (ko) = zo | לַעֲבָדֶֽיךָ (laavadeikha) = met uw dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:16** Er wordt uw dienaren geen stro gegeven, maar men zegt tot ons: ‘Maak tichelstenen!’ En zie, uw dienaren worden geslagen, terwijl de schuld bij uw eigen volk ligt.” Brontekst: תֶּ֗בֶן (teven) = stro | אֵ֤ין (ein) = niet | נִתָּן֙ (nitan) = wordt gegeven | לַעֲבָדֶ֔יךָ (laavadeikha) = aan uw dienaren | וּלְבֵנִ֛ים (ulevenim) = en tichelstenen | אֹמְרִ֥ים (omerim) = zeggen zij | לָ֖נוּ (lanu) = tegen ons | עֲשׂ֑וּ (asu) = maak | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | עֲבָדֶ֛יךָ (avadeikha) = uw dienaren | מֻכִּ֖ים (mukim) = worden geslagen | וְחָטָ֥את (vechatat) = en schuldig is | עַמֶּֽךָ (amekha) = uw volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְחָטָאת עַמֶּךָ (vechatat ammekha) is letterlijk ‘en zonde/schuld uw volk’; de vorm is onzeker. Wij lezen: ‘de schuld ligt bij uw volk’, dat wil zeggen bij de Egyptische drijvers. De Griekse vertaling heeft hier ‘u zult uw volk onrecht doen’. **5:17** Hij zei: „Lui zijn jullie, lui! Daarom zeggen jullie: ‘Laat ons gaan, laat ons aan Yahweh offeren.’ Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | נִרְפִּ֥ים (nirpim) = lui | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie zijn | נִרְפִּ֑ים (nirpim) = lui | עַל (al) = op | כֵּן֙ (ken) = zo | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹֽמְרִ֔ים (omerim) = zeggen | נֵלְכָ֖ה (nelekha) = laten wij gaan | נִזְבְּחָ֥ה (nizbecha) = laten wij offeren | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 5:8; Mat 26:8; Joh 6:27; 2 Tess 3:10–11 **5:18** Ga nu aan het werk. Stro wordt jullie niet gegeven, maar het aantal tichelstenen moeten jullie leveren.” Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | לְכ֣וּ (lekhu) = ga | עִבְד֔וּ (ivdu) = werk | וְתֶ֖בֶן (veteven) = en stro | לֹא (lo) = niet | יִנָּתֵ֣ן (yinaten) = wordt gegeven | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | וְתֹ֥כֶן (vetokhen) = en het aantal van | לְבֵנִ֖ים (levenim) = tichelstenen | תִּתֵּֽנּוּ (titenu) = zullen jullie leveren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 18:18; Dan 2:9–13 **5:19** De opzichters van de zonen van Israël zagen dat zij in het nauw zaten, toen er gezegd werd: „Jullie mogen niets verminderen van jullie tichelstenen, elke dag zoveel als bepaald is.” Brontekst: וַיִּרְא֞וּ (vayiru) = en zagen | שֹֽׁטְרֵ֧י (shoterei) = de opzichters van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֹתָ֖ם (otam) = zichzelf | בְּרָ֣ע (bera) = in kwaad | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹא (lo) = niet | תִגְרְע֥וּ (tigreu) = zullen jullie verminderen | מִלִּבְנֵיכֶ֖ם (milivneikhem) = van jullie tichelstenen | דְּבַר (devar) = de hoeveelheid van | י֥וֹם (yom) = een dag | בְּיוֹמֽוֹ (beyomo) = op zijn dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:36; Pred 4:1; Pred 5:7 **5:20** Toen zij van de farao kwamen, ontmoetten zij Mozes en Aäron, die hen opwachtten. Brontekst: וַֽיִּפְגְּעוּ֙ (vayifgeu) = en ontmoetten | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | נִצָּבִ֖ים (nitsavim) = staande | לִקְרָאתָ֑ם (liqratam) = hen tegemoet | בְּצֵאתָ֖ם (betsetam) = toen zij uitgingen | מֵאֵ֥ת (meet) = van | פַּרְעֹֽה (paro) = de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:21** Zij zeiden tot hen: „Moge Yahweh op jullie neerzien en oordelen. Want jullie hebben ons in een kwade reuk gebracht bij de farao en zijn dienaren en hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | יֵ֧רֶא (yere) = moge zien | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = op jullie | וְיִשְׁפֹּ֑ט (veyishpot) = en richten | אֲשֶׁ֧ר (asher) = omdat | הִבְאַשְׁתֶּ֣ם (hivashtem) = jullie hebben laten stinken | אֶת (et) = (obj.) | רֵיחֵ֗נוּ (reichenu) = onze geur | בְּעֵינֵ֤י (beeinei) = in de ogen van | פַרְעֹה֙ (paro) = de farao | וּבְעֵינֵ֣י (uveeinei) = en in de ogen van | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | לָֽתֶת (latet) = om te geven | חֶ֥רֶב (cherev) = een zwaard | בְּיָדָ֖ם (beyadam) = in hun hand | לְהָרְגֵֽנוּ (leharegenu) = om ons te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Een kwade reuk’ (הִבְאַשְׁתֶּם אֶת־רֵיחֵנוּ, hiv’ashtem et-reichenu) is letterlijk ‘jullie hebben onze geur laten stinken’, een uitdrukking voor in diskrediet brengen (1 Sam. 13:4; 27:12). Zie ook: Gen 16:5; Gen 34:30; 1 Sam 13:4; 1 Sam 27:12; 1 Kron 19:6 ### Mozes klaagt bij Yahweh **5:22** Mozes keerde terug naar Yahweh en zei: „Mijn Heer, waarom hebt U dit volk kwaad gedaan? Waarom hebt U mij gezonden? Brontekst: וַיָּ֧שָׁב (vayashav) = en keerde terug | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אֲדֹנָ֗י (adonay) = mijn Heer | לָמָ֤ה (lama) = waarom | הֲרֵעֹ֨תָה֙ (hareota) = hebt U kwaad gedaan | לָעָ֣ם (laam) = aan het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | לָ֥מָּה (lama) = waarom | זֶּ֖ה (ze) = dit | שְׁלַחְתָּֽנִי (shelachtani) = hebt U mij gezonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hoe Mozes Yahweh aanspreekt. Voetnoot : Mozes keert terug naar Yahweh, en zijn klacht is die van Jeremia (Jer. 15:15–18) en van de psalmen: waarom laat U toe dat Uw volk lijdt? Voetnoot : Dezelfde vraag stelt Mozes in Num. 11:11–15. Zie ook: Num 11:11; Num 11:14–15; 1 Sam 30:6; 1 Kon 19:4; Jer 15:15–18; Jer 20:7 **5:23** Sinds ik bij de farao ben gekomen om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan. U hebt Uw volk helemaal niet gered.” Brontekst: וּמֵאָ֞ז (umeaz) = en sinds | בָּ֤אתִי (bati) = ik kwam | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = om te spreken | בִּשְׁמֶ֔ךָ (bishmekha) = in Uw naam | הֵרַ֖ע (hera) = heeft hij kwaad gedaan | לָעָ֣ם (laam) = aan het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וְהַצֵּ֥ל (vehatsel) = en redden | לֹא (lo) = niet | הִצַּ֖לְתָּ (hitsalta) = hebt U gered | אֶת (et) = (obj.) | עַמֶּֽךָ (amekha) = Uw volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 118:26; Jes 26:17–18; Jes 28:16; Jer 11:21; Heb 10:36–37 ## Exodus 6 _Yahweh bevestigt Zijn naam en Zijn belofte; de families van Mozes en Aäron_ ### Yahweh belooft de bevrijding **6:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Nu zul je zien wat Ik met de farao ga doen. Door een sterke hand zal hij hen laten gaan, ja, door een sterke hand zal hij hen uit zijn land verdrijven.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | עַתָּ֣ה (ata) = nu | תִרְאֶ֔ה (tire) = zul je zien | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אֶֽעֱשֶׂ֖ה (eese) = Ik zal doen | לְפַרְעֹ֑ה (lefaro) = met de farao | כִּ֣י (ki) = want | בְיָ֤ד (beyad) = door een hand | חֲזָקָה֙ (chazaqa) = sterke | יְשַׁלְּחֵ֔ם (yeshalechem) = zal hij hen laten gaan | וּבְיָ֣ד (uveyad) = en door een hand | חֲזָקָ֔ה (chazaqa) = sterke | יְגָרְשֵׁ֖ם (yegareshem) = zal hij hen verdrijven | מֵאַרְצֽוֹ (meartso) = uit zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 6 begint met Yahweh’s antwoord op Mozes’ klacht uit 5:22–23. Waar Mozes zegt dat Hij Zijn volk niet redde, belooft Yahweh dat de farao zelf hen zal wegjagen. Zie ook: Ex 3:19–20; Ex 12:31; Ex 12:33; Ex 12:39; Ps 136:12 ### Ik ben Yahweh **6:2** Elohim sprak tot Mozes en zei tot hem: **„Ik ben Yahweh.** Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de tweede roeping van Mozes. Dezelfde woorden ‘Ik ben Yahweh’ openen en sluiten de toezegging (vers 2, 6, 7, 8, 29). Zie ook: Ex 6:6; Ex 6:7; Ex 6:8; Ex 6:29; Jes 42:8; Jer 9:23; Mal 3:6; Hand 17:24–25 **6:3** **Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als El Sjaddai, maar met Mijn naam Yahweh heb Ik Mij niet aan hen bekendgemaakt.** Brontekst: וָאֵרָ֗א (vaera) = en Ik verscheen | אֶל (el) = aan | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | אֶל (el) = aan | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | וְאֶֽל (veel) = en aan | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | בְּאֵ֣ל (beel) = als El | שַׁדָּ֑י (shaday) = Sjaddai | וּשְׁמִ֣י (ushemi) = en Mijn naam | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | נוֹדַ֖עְתִּי (nodati) = heb Ik Mij bekendgemaakt | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בְּאֵל שַׁדַּי (be’el Shaddai), ‘als El Sjaddai’ (zie Gen. 17:1; 35:11; 48:3). ‘Heb Ik Mij niet bekendgemaakt’ betekent dat de aartsvaders de naam Yahweh wel kenden (Gen. 4:26; 12:8) maar niet de volle betekenis ervan ervoeren: de vervulling van de beloften. Dat is ook de leesrichting van 3:13–15. Zie ook: Gen 4:26; Gen 12:8; Gen 17:1; Gen 35:11; Gen 48:3; Ex 3:14; Ps 68:5; Ps 83:19; Jes 44:6 **6:4** **Ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht om hun het land Kanaän te geven, het land waar zij als vreemdelingen verbleven.** Brontekst: וְגַ֨ם (vegam) = en ook | הֲקִמֹ֤תִי (haqimoti) = heb Ik opgericht | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִי֙ (beriti) = Mijn verbond | אִתָּ֔ם (itam) = met hen | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מְגֻרֵיהֶ֖ם (megureihem) = hun vreemdelingschap | אֲשֶׁר (asher) = waarin | גָּ֥רוּ (garu) = zij als vreemdeling verbleven | בָֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 15:18; Gen 17:7–8; Gen 26:3; Gen 28:4; Jes 55:3 **6:5** **En Ik heb het kermen van de zonen van Israël gehoord, die de Egyptenaren tot slaaf maken. Ik heb aan Mijn verbond gedacht.** Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אֲנִ֣י (ani) = Ik | שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = heb gehoord | אֶֽת (et) = (obj.) | נַאֲקַת֙ (naaqat) = het kermen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | מַעֲבִדִ֣ים (maavidim) = tot slaaf maken | אֹתָ֑ם (otam) = hen | וָאֶזְכֹּ֖ר (vaezkor) = en Ik dacht aan | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִֽי (beriti) = Mijn verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:1; Gen 9:15; Ex 2:24; Ps 106:44–45; Jes 63:9 **6:6** **Zeg daarom tot de zonen van Israël: ‘Ik ben Yahweh. Ik zal jullie wegleiden van onder de lasten van Egypte, jullie redden uit hun slavernij en jullie verlossen met een uitgestrekte arm en met grote oordelen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֥ר (emor) = zeg | לִבְנֵֽי (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וְהוֹצֵאתִ֣י (vehotseti) = en Ik zal uitleiden | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = jullie | מִתַּ֨חַת֙ (mitachat) = van onder | סִבְלֹ֣ת (sivlot) = de lasten van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהִצַּלְתִּ֥י (vehitsalti) = en Ik zal redden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מֵעֲבֹדָתָ֑ם (meavodatam) = uit hun slavernij | וְגָאַלְתִּ֤י (vegaalti) = en Ik zal verlossen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | בִּזְר֣וֹעַ (bizroa) = met een arm | נְטוּיָ֔ה (netuya) = uitgestrekte | וּבִשְׁפָטִ֖ים (uvishfatim) = en met oordelen | גְּדֹלִֽים (gedolim) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Vier werkwoorden: ‘wegleiden’, ‘redden’, ‘verlossen’ (גָּאַל, ga’al: de losser uit de familie) en in vers 7 ‘nemen’. De Joodse traditie ziet daarin de vier bekers van de Seder. Voetnoot : Vergelijk Deut. 4:34; 5:15 voor de ‘uitgestrekte arm’. Zie ook: Ex 6:7; Ex 7:4; Deut 4:34; Deut 5:15; Deut 7:8; Deut 26:8; 1 Kron 17:21; Neh 1:10 **6:7** **Ik zal jullie tot Mijn volk nemen en jullie Elohim zijn. En jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben, jullie Elohim, die jullie wegleidt van onder de lasten van Egypte.** Brontekst: וְלָקַחְתִּ֨י (velaqachti) = en Ik zal nemen | אֶתְכֶ֥ם (etkhem) = jullie | לִי֙ (li) = voor Mij | לְעָ֔ם (leam) = tot een volk | וְהָיִ֥יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵֽאלֹהִ֑ים (lElohim) = tot Elohim | וִֽידַעְתֶּ֗ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | הַמּוֹצִ֣יא (hamotsi) = die uitleidt | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | סִבְל֥וֹת (sivlot) = de lasten van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 17:7–8; Deut 4:20; Deut 7:6; Deut 29:12; Openb 21:7 **6:8** **Ik zal jullie brengen naar het land waarover Ik Mijn hand heb opgeheven dat Ik het aan Abraham, Isaak en Jakob zou geven. Ik zal het jullie tot bezit geven. Ik ben Yahweh.’”** Brontekst: וְהֵבֵאתִ֤י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarover | נָשָׂ֨אתִי֙ (nasati) = Ik heb opgeheven | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | אֹתָ֔הּ (otah) = het | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֖ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹ֑ב (uleyaaqov) = en aan Jakob | וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | אֹתָ֥הּ (otah) = het | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | מוֹרָשָׁ֖ה (morasha) = tot bezit | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:22; Gen 15:18; Gen 26:3; Ezech 20:5–6; Ezech 20:42 **6:9** Mozes sprak zo tot de zonen van Israël, maar zij luisterden niet naar Mozes, omdat zij kortademig waren en in zware slavernij leefden. Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | כֵּ֖ן (ken) = aldus | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֤א (velo) = maar niet | שָֽׁמְעוּ֙ (shameu) = luisterden zij | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מִקֹּ֣צֶר (miqotser) = vanwege kortheid van | ר֔וּחַ (ruach) = adem | וּמֵעֲבֹדָ֖ה (umeavoda) = en vanwege slavernij | קָשָֽׁה (qasha) = zware Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹצֶר רוּחַ (qotser ruach) is letterlijk ‘kortheid van geest’: moedeloosheid of kortademigheid door het zware werk. Zie ook: Job 21:4; Ex 5:21; Ex 14:12; Num 21:4; Spr 14:19 **6:10** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:11** **„Ga naar binnen en zeg tot de farao, de koning van Egypte, dat hij de zonen van Israël uit zijn land laat gaan.”** Brontekst: בֹּ֣א (bo) = ga binnen | דַבֵּ֔ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֖ה (paro) = de farao | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וִֽישַׁלַּ֥ח (vishalach) = dat hij laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאַרְצֽוֹ (meartso) = uit zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 3:10; Ex 5:1; Ex 5:23; Ex 6:29; Ex 7:1 **6:12** Mozes sprak voor Yahweh: „Zie, de zonen van Israël hebben niet naar mij geluisterd. Hoe zal dan de farao naar mij luisteren, terwijl ik onbesneden van lippen ben?” Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הֵ֤ן (hen) = zie | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמְע֣וּ (shameu) = hebben geluisterd | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְאֵיךְ֙ (veeikh) = en hoe | יִשְׁמָעֵ֣נִי (yishmaeni) = zal naar mij luisteren | פַרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וַאֲנִ֖י (vaani) = terwijl ik | עֲרַ֥ל (aral) = onbesneden van | שְׂפָתָֽיִם (sefatayim) = lippen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרַל שְׂפָתַיִם (‘arel sefatayim), ‘onbesneden van lippen’, betekent dat Mozes’ lippen niet geschikt zijn voor spreken; vergelijk ‘onbesneden oor’ (Jer. 6:10) en ‘onbesneden hart’ (Lev. 26:41). Zie ook: Ex 4:10; Ex 6:30; Lev 26:41; Jer 1:6; Jer 6:10 **6:13** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron. Hij gaf hun bevel voor de zonen van Israël en voor de farao, de koning van Egypte, om de zonen van Israël uit het land Egypte te leiden. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹן֒ (aharon) = Aäron | וַיְצַוֵּם֙ (vaytsavem) = en gaf hun bevel | אֶל (el) = voor | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֶל (veel) = en voor | פַּרְעֹ֖ה (paro) = de farao | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לְהוֹצִ֥יא (lehotsi) = om uit te leiden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Num 27:23; Ps 91:11; 1 Tim 1:18; 1 Tim 5:21; 2 Tim 4:1 ### De hoofden van de families **6:14** Dit zijn de hoofden van hun families: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël: Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi. Dit zijn de families van Ruben. Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | רָאשֵׁ֣י (rashei) = de hoofden van | בֵית (beit) = het huis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֜ן (reuven) = Ruben | בְּכֹ֣ר (bekhor) = eerstgeborene van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | חֲנ֤וֹךְ (chanokh) = Chanoch | וּפַלּוּא֙ (ufalu) = en Pallu | חֶצְר֣וֹן (chetsron) = Chezron | וְכַרְמִ֔י (vekharmi) = en Karmi | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = de families van | רְאוּבֵֽן (reuven) = Ruben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De afstammingslijst loopt van Jakobs zonen tot Mozes en Aäron; hij stopt bij Levi, omdat dat de stam van Mozes is. Alleen de eerste drie stammen worden genoemd: Ruben, Simeon en Levi. De lijst herhaalt Gen. 46:9–11. Zie ook: Gen 46:9; Gen 49:3–4; Num 26:5–7; 1 Kron 5:3; 1 Kron 7:2 **6:15** De zonen van Simeon: Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül, de zoon van een Kanaänitische vrouw. Dit zijn de families van Simeon. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | שִׁמְע֗וֹן (shimon) = Simeon | יְמוּאֵ֨ל (yemuel) = Jemoeël | וְיָמִ֤ין (veyamin) = en Jamin | וְאֹ֨הַד֙ (veohad) = en Ohad | וְיָכִ֣ין (veyakhin) = en Jakin | וְצֹ֔חַר (vetsochar) = en Zohar | וְשָׁא֖וּל (veshaul) = en Sjaül | בֶּן (ben) = de zoon van | הַֽכְּנַעֲנִ֑ית (hakenaanit) = een Kanaänitische | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = de families van | שִׁמְעֽוֹן (shimon) = Simeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:10; Num 26:12–13; 1 Kron 4:24 **6:16** Dit zijn de namen van de zonen van Levi naar hun geslachten: Gersjon, Kehat en Merari. De levensjaren van Levi waren honderdzevenendertig. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמ֤וֹת (shemot) = de namen van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | לֵוִי֙ (levi) = Levi | לְתֹ֣לְדֹתָ֔ם (letoledotam) = naar hun geslachten | גֵּרְשׁ֕וֹן (gereshon) = Gersjon | וּקְהָ֖ת (uqehat) = en Kehat | וּמְרָרִ֑י (umerari) = en Merari | וּשְׁנֵי֙ (ushenei) = en de jaren van | חַיֵּ֣י (chayei) = het leven van | לֵוִ֔י (levi) = Levi | שֶׁ֧בַע (sheva) = zeven | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De lijst noemt de levensjaren van Levi (137), Kehat (133) en Amram (137), die kunnen helpen bij het berekenen van de duur van het verblijf in Egypte (vergelijk 12:40). Zie ook: Gen 46:11; Num 3:17; Num 26:57; 1 Kron 5:27; 1 Kron 6:1 **6:17** De zonen van Gersjon: Libni en Simi, naar hun families. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גֵרְשׁ֛וֹן (gereshon) = Gersjon | לִבְנִ֥י (livni) = Libni | וְשִׁמְעִ֖י (veshimi) = en Simi | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:11; Num 3:18; 1 Kron 6:2; 1 Kron 23:7 **6:18** De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. De levensjaren van Kehat waren honderddrieëndertig. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | קְהָ֔ת (qehat) = Kehat | עַמְרָ֣ם (amram) = Amram | וְיִצְהָ֔ר (veyitshar) = en Jishar | וְחֶבְר֖וֹן (vechevron) = en Hebron | וְעֻזִּיאֵ֑ל (veuziel) = en Uzziël | וּשְׁנֵי֙ (ushenei) = en de jaren van | חַיֵּ֣י (chayei) = het leven van | קְהָ֔ת (qehat) = Kehat | שָׁלֹ֧שׁ (shalosh) = drie | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:19; Num 26:57; 1 Kron 5:28; 1 Kron 6:3 **6:19** De zonen van Merari: Machli en Musji. Dit zijn de families van de Levieten naar hun geslachten. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | מְרָרִ֖י (merari) = Merari | מַחְלִ֣י (machli) = Machli | וּמוּשִׁ֑י (umushi) = en Musji | אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = de families van | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Leviet | לְתֹלְדֹתָֽם (letoledotam) = naar hun geslachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:20; 1 Kron 6:4; 1 Kron 23:21 **6:20** Amram nam Jochebed, zijn tante, tot vrouw, en zij beviel van Aäron en Mozes. De levensjaren van Amram waren honderdzevenendertig. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | עַמְרָ֜ם (amram) = Amram | אֶת (et) = (obj.) | יוֹכֶ֤בֶד (yokheved) = Jochebed | דֹּֽדָתוֹ֙ (dodato) = zijn tante | ל֣וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּׁ֔ה (leisha) = tot vrouw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֔וֹ (lo) = hem | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וּשְׁנֵי֙ (ushenei) = en de jaren van | חַיֵּ֣י (chayei) = het leven van | עַמְרָ֔ם (amram) = Amram | שֶׁ֧בַע (sheva) = zeven | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Later verbiedt Lev. 18:12 het huwelijk met een tante. Voetnoot Lezing: דֹּדָתוֹ (dodato), ‘zijn tante’: Jochebed was een zuster van Amrams vader. De Griekse vertaling en de Samaritaanse tekst noemen haar ‘de dochter van zijn oom (vaders broer)’ of ‘zijn nicht’. Num. 26:59 noemt haar ‘dochter van Levi’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 67:1–2 bevestigt dit: Jochebed was de zuster van Amrams vader. Zie ook: Jas 67:1–2; Ex 2:1–2; Ex 6:16; Ex 6:18; Lev 18:12; Num 26:59 **6:21** De zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zichri. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | יִצְהָ֑ר (yitshar) = Jishar | קֹ֥רַח (qorach) = Korach | וָנֶ֖פֶג (vanefeg) = en Nefeg | וְזִכְרִֽי (vezikhri) = en Zichri Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:24; Num 16:1; Num 16:32; Num 26:10–11; 1 Kron 6:22–23 **6:22** De zonen van Uzziël: Misjaël, Elsafan en Sitri. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | עֻזִּיאֵ֑ל (uziel) = Uzziël | מִֽישָׁאֵ֥ל (mishael) = Misjaël | וְאֶלְצָפָ֖ן (veeltsafan) = en Elsafan | וְסִתְרִֽי (vesitri) = en Sitri Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 10:4; Num 3:30; Neh 3:20 **6:23** Aäron nam Elisjeba, de dochter van Amminadab, de zuster van Nachsjon, tot vrouw, en zij beviel van Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | אֱלִישֶׁ֧בַע (elisheva) = Elisjeba | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּינָדָ֛ב (aminadav) = Amminadab | אֲח֥וֹת (achot) = zuster van | נַחְשׁ֖וֹן (nachshon) = Nachsjon | ל֣וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֗וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | נָדָב֙ (nadav) = Nadab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִיה֔וּא (avihu) = Abihu | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִֽיתָמָֽר (itamar) = Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elisjeba, de vrouw van Aäron, is een dochter van Amminadab uit Juda en zuster van Nachsjon, de aanvoerder van Juda (Num. 1:7). Daarmee zijn priester- en koningsgeslacht verbonden. Zie ook: Num 1:7; Num 2:3; Ruth 4:19–20; 1 Kron 2:10; 1 Kron 5:29 **6:24** De zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de families van de Korachieten. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | קֹ֔רַח (qorach) = Korach | אַסִּ֥יר (asir) = Assir | וְאֶלְקָנָ֖ה (veelqana) = en Elkana | וַאֲבִיאָסָ֑ף (vaaviasaf) = en Abiasaf | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = de families van | הַקָּרְחִֽי (haqarechi) = de Korachieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:21; Num 16:32; Num 26:9–11; 1 Kron 6:7–8; 1 Kron 6:22–23 **6:25** Eleazar, de zoon van Aäron, nam een van de dochters van Putiël tot vrouw, en zij beviel van Pinechas. Dit zijn de hoofden van de families van de Levieten naar hun geslachten. Brontekst: וְאֶלְעָזָ֨ר (veelazar) = en Eleazar | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | לָקַֽח (laqach) = nam | ל֨וֹ (lo) = voor zich | מִבְּנ֤וֹת (mibenot) = van de dochters van | פּֽוּטִיאֵל֙ (putiel) = Putiël | ל֣וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּׁ֔ה (leisha) = tot vrouw | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֖וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | פִּֽינְחָ֑ס (pinechas) = Pinechas | אֵ֗לֶּה (ele) = dit zijn | רָאשֵׁ֛י (rashei) = de hoofden van | אֲב֥וֹת (avot) = de vaders van | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Pinechas, de zoon van Eleazar, is de priester in Num. 25:7–13. Zie ook: Num 25:7–13; Num 31:6; Joz 22:31–32; Joz 24:33; Re 20:28 ### Mozes en Aäron **6:26** Dit zijn Aäron en Mozes tot wie Yahweh zei: **„Leid de zonen van Israël uit het land Egypte, volgens hun legerscharen.”** Brontekst: ה֥וּא (hu) = dit | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = is Aäron | וּמֹשֶׁ֑ה (umoshe) = en Mozes | אֲשֶׁ֨ר (asher) = tot wie | אָמַ֤ר (amar) = zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | הוֹצִ֜יאוּ (hotsiu) = leidt uit | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = naar | צִבְאֹתָֽם (tsivotam) = hun legerscharen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Hun legerscharen’ (צִבְאֹתָם, tsiv’otam): Israël trekt als een leger uit, geordend naar stammen (12:41, 51). Zie ook: Ex 6:13; Ex 7:4; Ex 12:17; Ex 12:51; Num 33:1 **6:27** Zij zijn het die tot de farao, de koning van Egypte, spraken om de zonen van Israël uit Egypte te leiden. Dit zijn Mozes en Aäron. Brontekst: הֵ֗ם (hem) = zij | הַֽמְדַבְּרִים֙ (hamdaberim) = die spraken | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֣ה (paro) = de farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לְהוֹצִ֥יא (lehotsi) = om uit te leiden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | ה֥וּא (hu) = dit is | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹֽן (veaharon) = en Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:10; Ex 32:7; Ex 33:1; Ps 77:21; Mi 6:4 ### Mozes’ bezwaar **6:28** Op de dag dat Yahweh in het land Egypte tot Mozes sprak, Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | דִּבֶּ֧ר (diber) = dat sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Met de verzen 28–30 neemt het verhaal de draad van vers 12 weer op, na de onderbreking van de stamlijsten. Zie ook: Ex 6:12 **6:29** zei Yahweh tot Mozes: **„Ik ben Yahweh. Zeg tot de farao, de koning van Egypte, alles wat Ik tot je zeg.”** Brontekst: וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | דַּבֵּ֗ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | דֹּבֵ֥ר (dover) = spreek | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 6:2; Ex 6:6; Ex 6:8; Ex 6:11; Ex 7:2 **6:30** Mozes zei voor Yahweh: „Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal de farao dan naar mij luisteren?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֵ֤ן (hen) = zie | אֲנִי֙ (ani) = ik | עֲרַ֣ל (aral) = onbesneden van | שְׂפָתַ֔יִם (sefatayim) = lippen | וְאֵ֕יךְ (veeikh) = en hoe | יִשְׁמַ֥ע (yishma) = zal luisteren | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | פַּרְעֹֽה (paro) = de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:10; Ex 6:12; 1 Kor 9:16–17 ## Exodus 7 _De staf wordt een slang; de eerste plaag: bloed_ ### Aäron wordt Mozes’ profeet **7:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Zie, Ik heb je tot een god gesteld voor de farao, en Aäron, je broer, zal je profeet zijn.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | רְאֵ֛ה (ree) = zie | נְתַתִּ֥יךָ (netatikha) = Ik heb je gesteld | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = god | לְפַרְעֹ֑ה (lefaro) = voor de farao | וְאַהֲרֹ֥ן (veaharon) = en Aäron | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | נְבִיאֶֽךָ (neviekha) = je profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘een god voor de farao’ (אֱלֹהִים, Elohim): Mozes treedt op met het gezag van Elohim tegenover de farao, zoals Aäron Mozes’ profeet (spreker) is. Vergelijk 4:16. Zie ook: Ex 4:15–16; Ps 82:6; 1 Kon 17:23; Jer 1:10; Joh 10:35–36 **7:2** **Jij zult alles spreken wat Ik je gebied. Aäron, je broer, zal tot de farao spreken, dat hij de zonen van Israël uit zijn land laat gaan.** Brontekst: אַתָּ֣ה (ata) = jij | תְדַבֵּ֔ר (tedaber) = zult spreken | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | אֲצַוֶּ֑ךָּ (atsaveka) = Ik je gebied | וְאַהֲרֹ֤ן (veaharon) = en Aäron | אָחִ֨יךָ֙ (achikha) = je broer | יְדַבֵּ֣ר (yedaber) = zal spreken | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְשִׁלַּ֥ח (veshilach) = dat hij laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאַרְצֽוֹ (meartso) = uit zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:15; Deut 4:2; 1 Kon 22:14; Ezech 3:17; Mat 28:20 **7:3** **Maar Ik zal het hart van de farao verharden, en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte vermenigvuldigen.** Brontekst: וַאֲנִ֥י (vaani) = en Ik | אַקְשֶׁ֖ה (aqshe) = zal verharden | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְהִרְבֵּיתִ֧י (vehirbeiti) = en Ik zal vermenigvuldigen | אֶת (et) = (obj.) | אֹתֹתַ֛י (ototay) = Mijn tekenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מוֹפְתַ֖י (mofetay) = Mijn wonderen | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het verharden van de farao’s hart wordt in dit verhaal afwisselend aan Yahweh (4:21; 7:3; 9:12; 10:1, 20, 27; 11:10; 14:4, 8, 17) en aan de farao zelf (8:15, 28; 9:34) toegeschreven. In het Hebreeuws staan drie woorden: חָזַק (chazaq, ‘sterk maken’), כָּבֵד (kaved, ‘zwaar maken’) en קָשָׁה (qashah, ‘hard maken’). Zie ook: Ex 4:21; Ex 11:9; Ps 78:43–51; Ps 105:27–36; Joh 4:48 **7:4** **De farao zal niet naar jullie luisteren. Dan zal Ik Mijn hand op Egypte leggen en Mijn legerscharen, Mijn volk, de zonen van Israël, door grote oordelen uit het land Egypte leiden.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשְׁמַ֤ע (yishma) = zal luisteren | אֲלֵכֶם֙ (alekhem) = naar jullie | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֖י (yadi) = Mijn hand | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = op Egypte | וְהוֹצֵאתִ֨י (vehotseti) = en Ik zal uitleiden | אֶת (et) = (obj.) | צִבְאֹתַ֜י (tsivotay) = Mijn legerscharen | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֤י (ami) = Mijn volk | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בִּשְׁפָטִ֖ים (bishfatim) = door oordelen | גְּדֹלִֽים (gedolim) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 6:6; Ex 11:9; Ex 12:51; Ezech 30:14; Openb 16:7 **7:5** **De Egyptenaren zullen weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrek en de zonen van Israël uit hun midden leid.”** Brontekst: וְיָדְע֤וּ (veyadeu) = en zullen weten | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = de Egyptenaren | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּנְטֹתִ֥י (bintoti) = wanneer Ik uitstrek | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֖י (yadi) = Mijn hand | עַל (al) = over | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהוֹצֵאתִ֥י (vehotseti) = en Ik uitleid | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִתּוֹכָֽם (mitokham) = uit hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 3:20; Ex 7:17; Ex 8:18; Ex 14:4; Ex 14:18 **7:6** Mozes en Aäron deden zoals Yahweh hun had geboden; zo deden zij. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֑ן (veaharon) = en Aäron | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֹתָ֖ם (otam) = hun | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשֽׂוּ (asu) = deden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:22; Ex 7:2; Ex 7:10; Ex 40:16; Ps 119:4 **7:7** Mozes was tachtig jaar en Aäron drieëntachtig jaar toen zij tot de farao spraken. Brontekst: וּמֹשֶׁה֙ (umoshe) = en Mozes | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמֹנִ֣ים (shemonim) = tachtig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְאַֽהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | וּשְׁמֹנִ֖ים (ushemonim) = en tachtig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | בְּדַבְּרָ֖ם (bedaberam) = toen zij spraken | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹֽה (paro) = de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes is tachtig: veertig jaar aan het hof en veertig jaar in Midian (Hand. 7:23, 30). Zie ook: Deut 29:4; Deut 31:2; Deut 34:7; Hand 7:23; Hand 7:30 ### De staf van Aäron **7:8** Yahweh zei tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:9** **„Wanneer de farao tot jullie zegt: ‘Doe een wonder’, dan zul je tot Aäron zeggen: ‘Neem je staf en werp hem voor de farao neer’. Hij zal een slang worden.”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = wanneer | יְדַבֵּ֨ר (yedaber) = spreekt | אֲלֵכֶ֤ם (alekhem) = tot jullie | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | תְּנ֥וּ (tenu) = geef | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | מוֹפֵ֑ת (mofet) = een wonder | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = dan zul je zeggen | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | קַ֧ח (qach) = neem | אֶֽת (et) = (obj.) | מַטְּךָ֛ (matekha) = je staf | וְהַשְׁלֵ֥ךְ (vehashlekh) = en werp | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor | פַרְעֹ֖ה (paro) = de farao | יְהִ֥י (yehi) = hij worde | לְתַנִּֽין (letanin) = tot een slang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּנִּין (tannin) is hier een slang (ook in de verzen 10 en 12); in 4:3 staat een ander woord, נָחָשׁ (nachash). In Gen. 1:21 zijn het de ‘grote zeedieren’. Zie ook: Gen 1:21; Ex 4:2; Ex 4:17; Jes 7:11; Joh 2:18; Joh 6:30 **7:10** Mozes en Aäron gingen naar de farao en deden zoals Yahweh had geboden. Aäron wierp zijn staf voor de farao en zijn dienaren neer, en hij werd een slang. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwamen | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹן֙ (veaharon) = en Aäron | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וַיַּ֣עַשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵ֔ן (ken) = zo | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּשְׁלֵ֨ךְ (vayashlekh) = en wierp | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | מַטֵּ֗הוּ (matehu) = zijn staf | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | פַרְעֹ֛ה (paro) = de farao | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij werd | לְתַנִּֽין (letanin) = tot een slang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:3; Amos 9:3; Mar 16:18; Luc 10:19 **7:11** Ook de farao riep de wijzen en de tovenaars, en ook zij, de magiërs van Egypte, deden hetzelfde met hun bezweringen. Brontekst: וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en riep | גַּם (gam) = ook | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | לַֽחֲכָמִ֖ים (lachakhamim) = de wijzen | וְלַֽמְכַשְּׁפִ֑ים (velamkhashefim) = en de tovenaars | וַיַּֽעֲשׂ֨וּ (vayaasu) = en deden | גַם (gam) = ook | הֵ֜ם (hem) = zij | חַרְטֻמֵּ֥י (chartumei) = de magiërs van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּלַהֲטֵיהֶ֖ם (belahateihem) = met hun bezweringen | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De ‘magiërs’ (חַרְטֻמִּים, chartummim) zijn Egyptische schrijver-priesters (Gen. 41:8; Dan. 1:20). לְהָטֵיהֶם (lehatehem), ‘hun bezweringen’ of ‘hun geheime kunsten’, komt in dit boek alleen hier en in 7:22; 8:3, 14 voor. Voetnoot : 2 Tim. 3:8 noemt Jannes en Jambres als tegenstanders van Mozes. Voetnoot Aanvullend: Jasher 79:27 noemt hen als zonen van Bileam. Zie ook: Gen 41:8; Jas 79:27; Ex 7:22; Ex 8:3; Ex 8:14; Dan 1:20; 2 Tim 3:8 **7:12** Zij wierpen ieder zijn staf neer, en die werden slangen, maar de staf van Aäron verslond hun staven. Brontekst: וַיַּשְׁלִ֨יכוּ֙ (vayashlikhu) = en wierpen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מַטֵּ֔הוּ (matehu) = zijn staf | וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en werden | לְתַנִּינִ֑ם (letaninim) = tot slangen | וַיִּבְלַ֥ע (vayivla) = en verslond | מַטֵּֽה (mate) = de staf van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | מַטֹּתָֽם (matotam) = hun staven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verslinden van de staven laat zien dat Yahweh’s macht die van de Egyptische magiërs overtreft. Zie ook: Ex 8:14–15; Ex 9:11; Hand 8:9–13; Hand 13:8–11; 1 Joh 4:4 **7:13** Het hart van de farao werd sterk en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh had gesproken. Brontekst: וַיֶּחֱזַק֙ (vayechezaq) = en werd sterk | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖ע (shama) = luisterde hij | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = naar hen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:21; Ex 8:11; Ex 10:1; Zach 7:11–12; Rom 2:5 ### De eerste plaag: het water wordt bloed **7:14** Yahweh zei tot Mozes: **„Het hart van de farao is zwaar; hij weigert het volk te laten gaan.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כָּבֵ֖ד (kaved) = zwaar is | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | מֵאֵ֖ן (meen) = hij weigert | לְשַׁלַּ֥ח (leshalach) = te laten gaan | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:11; Ex 10:1; Ex 10:4; Ex 10:20; Ex 10:27 **7:15** **Ga in de morgen naar de farao. Zie, hij gaat naar het water. Ga hem tegemoet aan de oever van de Nijl, en neem de staf die in een slang veranderd was in je hand.** Brontekst: לֵ֣ךְ (lekh) = ga | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֞ה (paro) = de farao | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | הִנֵּה֙ (hine) = zie | יֹצֵ֣א (yotse) = hij gaat uit | הַמַּ֔יְמָה (hamayma) = naar het water | וְנִצַּבְתָּ֥ (venitsavta) = en je zult staan | לִקְרָאת֖וֹ (liqrato) = hem tegemoet | עַל (al) = aan | שְׂפַ֣ת (sefat) = de oever van | הַיְאֹ֑ר (hayor) = de Nijl | וְהַמַּטֶּ֛ה (vehamate) = en de staf | אֲשֶׁר (asher) = die | נֶהְפַּ֥ךְ (nehpakh) = veranderd was | לְנָחָ֖שׁ (lenachash) = in een slang | תִּקַּ֥ח (tiqach) = zul je nemen | בְּיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 2:5; Ex 4:2–4; Ex 7:10; Ex 8:16; Ezech 29:3 **7:16** **Zeg tot hem: ‘Yahweh, Elohim van de Hebreeën, heeft mij naar je toe gezonden met de woorden: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij in de woestijn dienen. En zie, tot nu toe heb je niet geluisterd.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | הָעִבְרִים֙ (haivrim) = de Hebreeën | שְׁלָחַ֤נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = naar jou | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | שַׁלַּח֙ (shalach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וְיַֽעַבְדֻ֖נִי (veyaavduni) = opdat zij Mij dienen | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | לֹא (lo) = niet | שָׁמַ֖עְתָּ (shamata) = heb je geluisterd | עַד (ad) = tot | כֹּֽה (ko) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:12; Ex 3:18; Ex 5:1–3; Ex 9:1; Ex 9:13 **7:17** **Zo zegt Yahweh: Hieraan zul je weten dat Ik Yahweh ben. Zie, Ik sla met de staf in Mijn hand op het water in de Nijl, en het zal in bloed veranderen.** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּזֹ֣את (bezot) = hierdoor | תֵּדַ֔ע (teda) = zul je weten | כִּ֖י (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | מַכֶּ֣ה (make) = sla | בַּמַּטֶּ֣ה (bamate) = met de staf | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּיָדִ֗י (beyadi) = in Mijn hand | עַל (al) = op | הַמַּ֛יִם (hamayim) = het water | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בַּיְאֹ֖ר (bayor) = in de Nijl | וְנֶהֶפְכ֥וּ (venehefkhu) = en het zal veranderen | לְדָֽם (ledam) = in bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: Het water van de Nijl wordt bloed: de Nijl was voor Egypte de bron van leven en werd als godheid vereerd (zie ook Ezech. 29:3). De eerste plaag treft dus wat de Egyptenaren heilig is. Zie ook: Ex 4:9; Ex 5:2; Ex 7:5; Ezech 29:3; Ezech 38:23; Ezech 39:28 **7:18** **De vis in de Nijl zal sterven, de Nijl zal stinken, en de Egyptenaren zullen er moeite mee hebben water uit de Nijl te drinken.’”** Brontekst: וְהַדָּגָ֧ה (vehadaga) = en de vis | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּיְאֹ֛ר (bayor) = in de Nijl | תָּמ֖וּת (tamut) = zal sterven | וּבָאַ֣שׁ (uvaash) = en zal stinken | הַיְאֹ֑ר (hayor) = de Nijl | וְנִלְא֣וּ (venilu) = en zullen er genoeg van krijgen | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | לִשְׁתּ֥וֹת (lishtot) = om te drinken | מַ֖יִם (mayim) = water | מִן (min) = uit | הַיְאֹֽר (hayor) = de Nijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 7:21; Ex 7:24; Num 11:20; Num 21:5 **7:19** Yahweh zei tot Mozes: **„Zeg tot Aäron: ‘Neem je staf en strek je hand uit over de wateren van Egypte, over hun rivieren, hun kanalen, hun poelen en alle plaatsen waar hun water zich verzamelt. Ze zullen bloed worden. Er zal bloed zijn in heel het land Egypte, ook in de houten en de stenen vaten.’”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֡ן (aharon) = Aäron | קַ֣ח (qach) = neem | מַטְּךָ֣ (matekha) = je staf | וּנְטֵֽה (unete) = en strek uit | יָדְךָ֩ (yadekha) = je hand | עַל (al) = over | מֵימֵ֨י (meimei) = de wateren van | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | עַֽל (al) = over | נַהֲרֹתָ֣ם (naharotam) = hun rivieren | עַל (al) = over | יְאֹרֵיהֶ֣ם (yeoreihem) = hun kanalen | וְעַל (veal) = en over | אַגְמֵיהֶ֗ם (agmeihem) = hun poelen | וְעַ֛ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | מִקְוֵ֥ה (miqve) = verzamelplaats van | מֵימֵיהֶ֖ם (meimeihem) = hun water | וְיִֽהְיוּ (veyihyu) = en zij zullen worden | דָ֑ם (dam) = bloed | וְהָ֤יָה (vehaya) = en er zal zijn | דָם֙ (dam) = bloed | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וּבָעֵצִ֖ים (uvaetsim) = en in houten (vaten) | וּבָאֲבָנִֽים (uvaavanim) = en in stenen (vaten) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Vijf benamingen voor water: מימי (mei, ‘wateren’), נהרות (neharot, ‘rivieren’), יאורים (ye’orim, ‘kanalen’), אגמים (agamim, ‘poelen’) en מקוה מימיהם (miqveh meimehem), ‘plaats waar hun water zich verzamelt’. Zie ook: Ex 8:1–2; Ex 8:12; Ex 10:12; Ex 14:21; Ex 14:26 **7:20** Mozes en Aäron deden zoals Yahweh had geboden. Hij hief de staf op en sloeg voor de ogen van de farao en voor de ogen van zijn dienaren op het water in de Nijl. Al het water in de Nijl veranderde in bloed. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵן֩ (ken) = zo | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֜ן (veaharon) = en Aäron | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּ֤רֶם (vayarem) = en hij hief op | בַּמַּטֶּה֙ (bamate) = de staf | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het water | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בַּיְאֹ֔ר (bayor) = in de Nijl | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | פַרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וּלְעֵינֵ֖י (uleeinei) = en voor de ogen van | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | וַיֵּהָֽפְכ֛וּ (vayehafekhu) = en het veranderde | כָּל (kal) = al | הַמַּ֥יִם (hamayim) = het water | אֲשֶׁר (asher) = dat | בַּיְאֹ֖ר (bayor) = in de Nijl | לְדָֽם (ledam) = in bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 7:17–18; Num 20:8–12; Ps 78:44; Ps 105:29; Joh 2:9–11 **7:21** De vis in de Nijl stierf, de Nijl stonk, en de Egyptenaren konden geen water uit de Nijl drinken. Er was bloed in heel het land Egypte. Brontekst: וְהַדָּגָ֨ה (vehadaga) = en de vis | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּיְאֹ֥ר (bayor) = in de Nijl | מֵ֨תָה֙ (meta) = stierf | וַיִּבְאַ֣שׁ (vayivash) = en stonk | הַיְאֹ֔ר (hayor) = de Nijl | וְלֹא (velo) = en niet | יָכְל֣וּ (yakhelu) = konden | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | לִשְׁתּ֥וֹת (lishtot) = drinken | מַ֖יִם (mayim) = water | מִן (min) = uit | הַיְאֹ֑ר (hayor) = de Nijl | וַיְהִ֥י (vayhi) = en er was | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:18; Openb 8:9 **7:22** Maar de magiërs van Egypte deden hetzelfde met hun bezweringen. Het hart van de farao bleef sterk en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh had gesproken. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵ֛ן (ken) = zo | חַרְטֻמֵּ֥י (chartumei) = de magiërs van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּלָטֵיהֶ֑ם (belateihem) = met hun bezweringen | וַיֶּחֱזַ֤ק (vayechezaq) = en werd sterk | לֵב (lev) = het hart van | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמַ֣ע (shama) = luisterde hij | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = naar hen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:11; Ex 8:3–4; Jer 27:18; 2 Tim 3:8 **7:23** De farao keerde zich om, ging naar zijn huis en nam ook dit niet ter harte. Brontekst: וַיִּ֣פֶן (vayifen) = en keerde zich om | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en ging | אֶל (el) = naar | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁ֥ת (shat) = richtte | לִבּ֖וֹ (libo) = zijn hart | גַּם (gam) = ook | לָזֹֽאת (lazot) = hierop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:17; 1 Sam 4:20; Ps 62:11; Spr 24:32; Spr 29:1 **7:24** Alle Egyptenaren groeven rondom de Nijl naar water om te drinken, want zij konden het water van de Nijl niet drinken. Brontekst: וַיַּחְפְּר֧וּ (vayachperu) = en groeven | כָל (kal) = alle | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egyptenaren | סְבִיבֹ֥ת (sevivot) = rondom | הַיְאֹ֖ר (hayor) = de Nijl | מַ֣יִם (mayim) = water | לִשְׁתּ֑וֹת (lishtot) = om te drinken | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יָֽכְלוּ֙ (yakhelu) = konden zij | לִשְׁתֹּ֔ת (lishtot) = drinken | מִמֵּימֵ֖י (mimeimei) = van het water van | הַיְאֹֽר (hayor) = de Nijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **7:25** Zeven dagen gingen voorbij nadat Yahweh de Nijl had geslagen. Brontekst: וַיִּמָּלֵ֖א (vayimale) = en werden vol | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = na | הַכּוֹת (hakot) = het slaan door | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַיְאֹֽר (hayor) = de Nijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 8:5–6; Ex 10:23; 2 Sam 24:13 ### De tweede plaag wordt aangekondigd **7:26** Yahweh zei tot Mozes: **„Ga naar de farao en zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בֹּ֖א (bo) = ga | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שַׁלַּ֥ח (shalach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | וְיַֽעַבְדֻֽנִי (veyaavduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers verschilt de verdeling in verzen: de Hebreeuwse tekst telt 7:26–29 als vers 26–29 van hoofdstuk 7, terwijl veel vertalingen deze als 8:1–4 tellen. Wij volgen de Hebreeuwse telling; daarom heeft Exodus 8 bij ons 28 verzen en niet 32. Zie ook: Ex 3:12; Ex 3:18; Ex 5:1; Ex 7:16; Jer 1:17–19 **7:27** **Maar als je weigert hen te laten gaan, zie, dan plaag Ik heel je gebied met kikkers.** Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | מָאֵ֥ן (maen) = je weigert | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לְשַׁלֵּ֑חַ (leshaleach) = te laten gaan | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָנֹכִ֗י (anokhi) = Ik | נֹגֵ֛ף (nogef) = ga plagen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | גְּבוּלְךָ֖ (gevulekha) = je gebied | בַּֽצְפַרְדְּעִֽים (batsfardeim) = met kikkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kikkers (צְפַרְדְּעִים, tsefardeim) zijn in Egypte verbonden met de godin Heqet, die met een kikkerkop wordt afgebeeld. Zie ook: Ex 7:14; Ex 9:2; Ps 78:45; Ps 105:30; Openb 16:13–14 **7:28** **De Nijl zal wemelen van kikkers. Zij zullen opkomen en binnenkomen in je huis, in je slaapkamer en op je bed, in het huis van je dienaren en bij je volk, in je ovens en in je baktroggen.** Brontekst: וְשָׁרַ֣ץ (vesharats) = en zal wemelen | הַיְאֹר֮ (hayor) = de Nijl | צְפַרְדְּעִים֒ (tsefardeim) = van kikkers | וְעָלוּ֙ (vealu) = en zij zullen opkomen | וּבָ֣אוּ (uvau) = en binnenkomen | בְּבֵיתֶ֔ךָ (beveitekha) = in je huis | וּבַחֲדַ֥ר (uvachadar) = en in de kamer van | מִשְׁכָּבְךָ֖ (mishkavekha) = je slaapplaats | וְעַל (veal) = en op | מִטָּתֶ֑ךָ (mitatekha) = je bed | וּבְבֵ֤ית (uveveit) = en in het huis van | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = je dienaren | וּבְעַמֶּ֔ךָ (uveamekha) = en onder je volk | וּבְתַנּוּרֶ֖יךָ (uvetanureikha) = en in je ovens | וּבְמִשְׁאֲרוֹתֶֽיךָ (uvemisharoteikha) = en in je baktroggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 12:34; Ps 105:30 **7:29** **Op jou, op je volk en op al je dienaren zullen de kikkers opkomen.’”** Brontekst: וּבְכָ֥ה (uvekha) = en tegen je | וּֽבְעַמְּךָ֖ (uveamekha) = en tegen je volk | וּבְכָל (uvekhal) = en tegen alle | עֲבָדֶ֑יךָ (avadeikha) = je dienaren | יַעֲל֖וּ (yaalu) = zullen opkomen | הַֽצְפַרְדְּעִֽים (hatsfardeim) = de kikkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 107:40; Jes 19:22; Jes 23:9; Dan 4:34; Hand 12:22–23 ## Exodus 8 _De plagen van de kikkers, de muggen en de zwermen_ ### De tweede plaag: kikkers **8:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Zeg tot Aäron: ‘Strek je hand met je staf uit over de rivieren, de kanalen en de poelen, en laat de kikkers over het land Egypte opkomen.’”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | נְטֵ֤ה (nete) = strek uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדְךָ֙ (yadekha) = je hand | בְּמַטֶּ֔ךָ (bematekha) = met je staf | עַל (al) = over | הַ֨נְּהָרֹ֔ת (haneharot) = de rivieren | עַל (al) = over | הַיְאֹרִ֖ים (hayorim) = de kanalen | וְעַל (veal) = en over | הָאֲגַמִּ֑ים (haagamim) = de poelen | וְהַ֥עַל (vehaal) = en laat opkomen | אֶת (et) = (obj.) | הַֽצְפַרְדְּעִ֖ים (hatsfardeim) = de kikkers | עַל (al) = over | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 8 begint in de Hebreeuwse tekst bij wat veel vertalingen 8:5 noemen: de Hebreeuwse 7:26–29 telt als 8:1–4 in die vertalingen. Wij volgen de Hebreeuwse telling. Zie ook: Ex 7:19 **8:2** Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en de kikkers kwamen op en bedekten het land Egypte. Brontekst: וַיֵּ֤ט (vayet) = en strekte uit | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | עַ֖ל (al) = over | מֵימֵ֣י (meimei) = de wateren van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַתַּ֨עַל֙ (vataal) = en kwamen op | הַצְּפַרְדֵּ֔עַ (hatsefardea) = de kikkers | וַתְּכַ֖ס (vatekhas) = en bedekten | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Lev 11:12; Ps 78:45; Ps 105:30; Openb 16:13 **8:3** De magiërs deden hetzelfde met hun bezweringen en lieten de kikkers over het land Egypte opkomen. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵ֥ן (ken) = zo | הַֽחֲרְטֻמִּ֖ים (hachartumim) = de magiërs | בְּלָטֵיהֶ֑ם (belateihem) = met hun bezweringen | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en lieten opkomen | אֶת (et) = (obj.) | הַֽצְפַרְדְּעִ֖ים (hatsfardeim) = de kikkers | עַל (al) = over | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De magiërs kunnen de kikkers wel laten opkomen, maar niet verwijderen: de plaag wordt groter, niet kleiner. Zie ook: Ex 7:11; Ex 7:22; Deut 13:2–4; 2 Tess 2:9–11; Openb 13:14 **8:4** De farao riep Mozes en Aäron en zei: „Bid tot Yahweh dat Hij de kikkers van mij en van mijn volk wegneemt. Dan zal ik het volk laten gaan om aan Yahweh te offeren.” Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en riep | פַרְעֹ֜ה (paro) = de farao | לְמֹשֶׁ֣ה (lemoshe) = Mozes | וּֽלְאַהֲרֹ֗ן (uleaharon) = en Aäron | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | הַעְתִּ֣ירוּ (hatiru) = bid | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיָסֵר֙ (veyaser) = dat Hij wegneemt | הַֽצְפַרְדְּעִ֔ים (hatsfardeim) = de kikkers | מִמֶּ֖נִּי (mimeni) = van mij | וּמֵֽעַמִּ֑י (umeami) = en van mijn volk | וַאֲשַׁלְּחָה֙ (vaashalecha) = en ik zal laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְיִזְבְּח֖וּ (veyizbechu) = opdat zij offeren | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:21–24; Ex 9:28; Ex 10:17; Ex 12:31–32; 1 Kon 13:6 **8:5** Mozes zei tot de farao: „Bepaal u zelf het tijdstip waarop ik voor u, uw dienaren en uw volk bid om de kikkers van u en uit uw huizen te verwijderen. Alleen in de Nijl zullen zij overblijven.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | לְפַרְעֹה֮ (lefaro) = tot de farao | הִתְפָּאֵ֣ר (hitpaer) = heb de eer | עָלַי֒ (alay) = boven mij | לְמָתַ֣י (lematay) = wanneer | אַעְתִּ֣יר (atir) = zal ik bidden | לְךָ֗ (lekha) = voor u | וְלַעֲבָדֶ֨יךָ֙ (velaavadeikha) = en voor uw dienaren | וּֽלְעַמְּךָ֔ (uleamekha) = en voor uw volk | לְהַכְרִית֙ (lehakhrit) = om uit te roeien | הַֽצֲפַרְדְּעִ֔ים (hatsafardeim) = de kikkers | מִמְּךָ֖ (mimekha) = van u | וּמִבָּתֶּ֑יךָ (umibateikha) = en uit uw huizen | רַ֥ק (raq) = alleen | בַּיְאֹ֖ר (bayor) = in de Nijl | תִּשָּׁאַֽרְנָה (tishaarna) = zullen overblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: הִתְפָּאֵר עָלַי (hitpa’er ‘alay) betekent letterlijk ‘heb de eer boven mij’: Mozes laat de farao het tijdstip kiezen, als hoffelijkheid en als teken van zekerheid. Zie ook: Re 7:2; 1 Kon 18:25; Jes 10:15 **8:6** Hij zei: „Morgen.” Hij zei: „Het zal zijn zoals u zegt, opdat u weet dat er niemand is zoals Yahweh, onze Elohim. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְמָחָ֑ר (lemachar) = morgen | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | כִּדְבָ֣רְךָ֔ (kidvarekha) = naar uw woord | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תֵּדַ֔ע (teda) = u weet | כִּי (ki) = dat | אֵ֖ין (ein) = niemand is | כַּיהוָ֥ה (kaYahweh) = zoals Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De farao kiest ‘morgen’, niet ‘nu’. Mozes zegt dat het zo zal gaan ‘opdat u weet dat niemand is zoals Yahweh’ (vergelijk 9:14; 15:11). Zie ook: Ex 9:14; 2 Sam 7:22; 1 Kron 17:20; Ps 86:8; Jes 46:9 **8:7** De kikkers zullen van u weggaan, uit uw huizen, van uw dienaren en van uw volk; alleen in de Nijl zullen zij overblijven.” Brontekst: וְסָר֣וּ (vesaru) = en zullen weggaan | הַֽצְפַרְדְּעִ֗ים (hatsfardeim) = de kikkers | מִמְּךָ֙ (mimekha) = van u | וּמִבָּ֣תֶּ֔יךָ (umibateikha) = en uit uw huizen | וּמֵעֲבָדֶ֖יךָ (umeavadeikha) = en van uw dienaren | וּמֵעַמֶּ֑ךָ (umeamekha) = en van uw volk | רַ֥ק (raq) = alleen | בַּיְאֹ֖ר (bayor) = in de Nijl | תִּשָּׁאַֽרְנָה (tishaarna) = zullen overblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 7:28; Ex 8:5 **8:8** Mozes en Aäron gingen van de farao weg, en Mozes riep tot Yahweh om de kikkers die Hij over de farao had gebracht. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֖ן (veaharon) = en Aäron | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וַיִּצְעַ֤ק (vayitsaq) = en riep | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | דְּבַ֥ר (devar) = de zaak van | הַֽצְפַרְדְּעִ֖ים (hatsfardeim) = de kikkers | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֥ם (sam) = Hij had gebracht | לְפַרְעֹֽה (lefaro) = over de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:26; Ex 9:33; Ex 32:11; 1 Sam 12:23; Jak 5:16–18 **8:9** Yahweh deed zoals Mozes had gezegd, en de kikkers stierven in de huizen, op de binnenplaatsen en op de velden. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = naar het woord van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיָּמֻ֨תוּ֙ (vayamutu) = en stierven | הַֽצְפַרְדְּעִ֔ים (hatsfardeim) = de kikkers | מִן (min) = uit | הַבָּתִּ֥ים (habatim) = de huizen | מִן (min) = uit | הַחֲצֵרֹ֖ת (hachatserot) = de binnenplaatsen | וּמִן (umin) = en uit | הַשָּׂדֹֽת (hasadot) = de velden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 34:10–12 **8:10** Men stapelde ze op in hopen en hopen, en het land stonk. Brontekst: וַיִּצְבְּר֥וּ (vayitsberu) = en zij stapelden | אֹתָ֖ם (otam) = hen | חֳמָרִ֣ם (chomarim) = hopen | חֳמָרִ֑ם (chomarim) = hopen | וַתִּבְאַ֖שׁ (vativash) = en stonk | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:21; Ex 8:20; Joël 2:20; Jes 34:2; Ezech 39:11 **8:11** Toen de farao zag dat er verlichting was, maakte hij zijn hart zwaar en luisterde niet naar hen, zoals Yahweh had gesproken. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | פַּרְעֹ֗ה (paro) = de farao | כִּ֤י (ki) = dat | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = er was | הָֽרְוָחָ֔ה (harevacha) = verlichting | וְהַכְבֵּד֙ (vehakhbed) = en maakte zwaar | אֶת (et) = (obj.) | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖ע (shama) = luisterde hij | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = naar hen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:4; Pred 8:11; Jes 26:10; Heb 3:8; Heb 3:15 ### De derde plaag: muggen **8:12** Yahweh zei tot Mozes: **„Zeg tot Aäron: ‘Strek je staf uit en sla het stof van de aarde; het zal in heel het land Egypte muggen worden.’”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | אֱמֹר֙ (emor) = zeg | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | נְטֵ֣ה (nete) = strek uit | אֶֽת (et) = (obj.) | מַטְּךָ֔ (matekha) = je staf | וְהַ֖ךְ (vehakh) = en sla | אֶת (et) = (obj.) | עֲפַ֣ר (afar) = het stof van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal worden | לְכִנִּ֖ם (lekhinim) = tot muggen | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כִּנִּים (kinnim) zijn kleine, stekende insecten: ‘muggen’, ‘luizen’ of ‘knutten’. De Griekse vertaling heeft ‘skniphes’ (steekmuggen). Wij kiezen ‘muggen’, omdat ze uit het stof opkomen en op mens en dier komen. Zie ook: Ex 8:1; Ex 8:13 **8:13** Zij deden zo. Aäron strekte zijn hand met zijn staf uit en sloeg het stof van de aarde. Er kwamen muggen op mens en dier. Al het stof van de aarde werd muggen in heel het land Egypte. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en zij deden | כֵ֗ן (ken) = zo | וַיֵּט֩ (vayet) = en strekte uit | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | יָד֤וֹ (yado) = zijn hand | בְמַטֵּ֨הוּ֙ (bematehu) = met zijn staf | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | עֲפַ֣ר (afar) = het stof van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וַתְּהִי֙ (vatehi) = en er werden | הַכִּנָּ֔ם (hakinam) = de muggen | בָּאָדָ֖ם (baadam) = bij mens | וּבַבְּהֵמָ֑ה (uvabehema) = en bij dier | כָּל (kal) = al | עֲפַ֥ר (afar) = stof van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = de aarde | הָיָ֥ה (haya) = werd | כִנִּ֖ים (kinim) = muggen | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ps 105:31; Jes 23:9; Hand 12:23 **8:14** De magiërs probeerden hetzelfde met hun bezweringen om muggen voort te brengen, maar zij konden het niet. De muggen waren op mens en dier. Brontekst: וַיַּעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵ֨ן (ken) = zo | הַחַרְטֻמִּ֧ים (hachartumim) = de magiërs | בְּלָטֵיהֶ֛ם (belateihem) = met hun bezweringen | לְהוֹצִ֥יא (lehotsi) = om voort te brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּנִּ֖ים (hakinim) = de muggen | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | יָכֹ֑לוּ (yakholu) = konden zij | וַתְּהִי֙ (vatehi) = en waren | הַכִּנָּ֔ם (hakinam) = de muggen | בָּאָדָ֖ם (baadam) = bij mens | וּבַבְּהֵמָֽה (uvabehema) = en bij dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:11; Ex 9:11; Dan 4:4; Dan 5:8; Luc 10:18 **8:15** De magiërs zeiden tot de farao: „Dit is de vinger van Elohim.” Maar het hart van de farao bleef sterk en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh had gesproken. Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | הַֽחַרְטֻמִּים֙ (hachartumim) = de magiërs | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | אֶצְבַּ֥ע (etsba) = vinger van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | הִ֑וא (hi) = dit is | וַיֶּחֱזַ֤ק (vayechezaq) = en werd sterk | לֵב (lev) = het hart van | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁמַ֣ע (shama) = luisterde hij | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = naar hen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De vinger van Elohim’ (אֶצְבַּע אֱלֹהִים, etsba Elohim): de magiërs erkennen dat dit niet hun eigen kunst is. In Luc. 11:20 spreekt Yeshua van ‘de vinger van Elohim’ bij het uitdrijven van boze geesten. Zie ook: Ex 7:5; Ps 8:4; Mat 12:28; Luc 11:20; Hand 4:16 ### De vierde plaag: zwermen **8:16** Yahweh zei tot Mozes: **„Sta vroeg op in de morgen en ga voor de farao staan. Zie, hij gaat naar het water. Zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | הַשְׁכֵּ֤ם (hashkem) = sta vroeg op | בַּבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de morgen | וְהִתְיַצֵּב֙ (vehityatsev) = en ga staan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פַרְעֹ֔ה (paro) = de farao | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | יוֹצֵ֣א (yotse) = hij gaat uit | הַמָּ֑יְמָה (hamayema) = naar het water | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שַׁלַּ֥ח (shalach) = laat gaan | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | וְיַֽעַבְדֻֽנִי (veyaavduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:18; Ex 7:15; Ex 7:26; Ex 9:13 **8:17** **Want als je Mijn volk niet laat gaan, zie, dan zend Ik zwermen op jou, je dienaren, je volk en in je huizen. De huizen van Egypte zullen vol zwermen zijn, en ook de grond waarop zij staan.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = indien | אֵינְךָ֮ (einekha) = jij niet | מְשַׁלֵּ֣חַ (meshaleach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּי֒ (ami) = Mijn volk | הִנְנִי֩ (hinni) = zie Mij | מַשְׁלִ֨יחַ (mashliach) = ga sturen | בְּךָ֜ (bekha) = op jou | וּבַעֲבָדֶ֧יךָ (uvaavadeikha) = en op je dienaren | וּֽבְעַמְּךָ֛ (uveamekha) = en op je volk | וּבְבָתֶּ֖יךָ (uvevateikha) = en in je huizen | אֶת (et) = (obj.) | הֶעָרֹ֑ב (hearov) = de zwermen | וּמָ֨לְא֜וּ (umaleu) = en zullen vol zijn | בָּתֵּ֤י (batei) = de huizen van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | אֶת (et) = (obj.) | הֶ֣עָרֹ֔ב (hearov) = de zwermen | וְגַ֥ם (vegam) = en ook | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = waarop | הֵ֥ם (hem) = zij | עָלֶֽיהָ (aleiha) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עָרֹב (arov) is een ‘zwerm’ zonder dat de tekst zegt van welk dier. De Griekse vertaling heeft ‘hondsvliegen’; de Joodse traditie ziet roofdieren, wilde dieren (Midrasj). Wij zeggen ‘zwermen’ en laten de aard van de dieren open; ‘steekvliegen’ is een mogelijkheid. Zie ook: Ps 78:45; Ps 105:31; Jes 7:18 **8:18** **Maar op die dag zal Ik het land Gosen, waar Mijn volk woont, afzonderen, zodat daar geen zwermen zijn, opdat je weet dat Ik, Yahweh, in het midden van het land ben.** Brontekst: וְהִפְלֵיתִי֩ (vehifleiti) = en Ik zal onderscheiden | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | גֹּ֗שֶׁן (goshen) = Gosen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarop | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | עֹמֵ֣ד (omed) = staat | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = daarop | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = zodat niet | הֱיֽוֹת (heyot) = zijn | שָׁ֖ם (sham) = daar | עָרֹ֑ב (arov) = zwermen | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תֵּדַ֔ע (teda) = je weet | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta, in de buurt van Wadi Tumilat; de Hebreeën woonden daar (Gen. 46:28; 47:27). Voetnoot Uitleg: Voor het eerst maakt Yahweh onderscheid tussen Egypte en Israël. Dit onderscheid komt terug bij de vijfde plaag (9:4), de zevende (9:26), de negende (10:23) en de laatste (11:7). Zie ook: Gen 46:28; Gen 47:27; Ex 9:4; Ex 9:6; Ex 10:23; Ezech 30:19; Mal 3:18 **8:19** **Ik zal een verlossing stellen tussen Mijn volk en jouw volk. Morgen zal dit teken er zijn.’”** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֣י (vesamti) = en Ik zal stellen | פְדֻ֔ת (pedut) = een verlossing | בֵּ֥ין (bein) = tussen | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | עַמֶּ֑ךָ (amekha) = je volk | לְמָחָ֥ר (lemachar) = morgen | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | הָאֹ֥ת (haot) = het teken | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: פְּדֻת (peduth) is ‘verlossing’ (van פדה, padah, ‘vrijkopen’). De Griekse vertaling heeft ‘scheiding’ (diastolē), wat een andere lezing (פלת) veronderstelt. Wij volgen de Masoretische tekst: Israël wordt verlost doordat het van Egypte wordt gescheiden. **8:20** Yahweh deed zo. Een zware zwerm kwam in het huis van de farao, in het huis van zijn dienaren en in heel het land Egypte. Het land werd verwoest door de zwermen. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כֵּ֔ן (ken) = zo | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | עָרֹ֣ב (arov) = een zwerm | כָּבֵ֔ד (kaved) = zware | בֵּ֥יתָה (beita) = in het huis van | פַרְעֹ֖ה (paro) = de farao | וּבֵ֣ית (uveit) = en het huis van | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | אֶ֧רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | תִּשָּׁחֵ֥ת (tishachet) = werd verwoest | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = vanwege | הֶעָרֹֽב (hearov) = de zwermen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 8:17; Ps 78:45; Ps 105:31 **8:21** De farao riep Mozes en Aäron en zei: „Ga, offer aan jullie Elohim hier in het land.” Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | פַרְעֹ֔ה (paro) = de farao | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וּֽלְאַהֲרֹ֑ן (uleaharon) = en tot Aäron | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | לְכ֛וּ (lekhu) = gaat | זִבְח֥וּ (zivchu) = offert | לֵֽאלֹהֵיכֶ֖ם (leloheikhem) = aan jullie Elohim | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:4; Ex 9:27; Ex 10:16; Ex 12:31; Openb 3:9 **8:22** Mozes zei: „Dat is niet gepast, want wat wij aan Yahweh, onze Elohim, offeren, is een gruwel voor de Egyptenaren. Zie, als wij het voor hun ogen offeren, zullen zij ons dan niet stenigen? Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | לֹ֤א (lo) = niet | נָכוֹן֙ (nakhon) = gepast | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | כֵּ֔ן (ken) = zo | כִּ֚י (ki) = want | תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = het gruwelijke van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | נִזְבַּ֖ח (nizbach) = offeren wij | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הֵ֣ן (hen) = zie | נִזְבַּ֞ח (nizbach) = offeren wij | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹעֲבַ֥ת (toavat) = het gruwelijke van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | לְעֵינֵיהֶ֖ם (leeineihem) = voor hun ogen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִסְקְלֻֽנוּ (yisqelunu) = zullen zij ons stenigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het gruwelijke van Egypte’ zijn de dieren die de Egyptenaren heilig achten; Mozes zegt dat een offer van schapen en runderen voor hen aanstootgevend is. Zie ook: Gen 43:32; Gen 46:34; Ex 3:18; Jes 44:19; 2 Kor 6:14–17 **8:23** Een reis van drie dagen willen wij de woestijn in gaan en aan Yahweh, onze Elohim, offeren, zoals Hij tot ons zal zeggen.” Brontekst: דֶּ֚רֶךְ (derekh) = een weg van | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | נֵלֵ֖ךְ (nelekh) = laten wij gaan | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וְזָבַ֨חְנוּ֙ (vezavachnu) = en laten wij offeren | לַֽיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | יֹאמַ֥ר (yomar) = Hij zegt | אֵלֵֽינוּ (eleinu) = tot ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:12; Ex 3:18; Ex 5:1; Ex 34:11; Lev 10:1 **8:24** De farao zei: „Ik laat jullie gaan om in de woestijn aan Yahweh, jullie Elohim, te offeren. Alleen: gaan jullie niet te ver weg. Bid voor mij.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | פַּרְעֹ֗ה (paro) = de farao | אָנֹכִ֞י (anokhi) = ik | אֲשַׁלַּ֤ח (ashalach) = zal laten gaan | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | וּזְבַחְתֶּ֞ם (uzevachtem) = en jullie zullen offeren | לַיהוָ֤ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | רַ֛ק (raq) = alleen | הַרְחֵ֥ק (harcheq) = ver | לֹא (lo) = niet | תַרְחִ֖יקוּ (tarchiqu) = gaan jullie ver weg | לָלֶ֑כֶת (lalekhet) = om te gaan | הַעְתִּ֖ירוּ (hatiru) = bid | בַּעֲדִֽי (baadi) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:4; Ex 8:25; Ex 9:28; 1 Kon 13:6; Hand 8:24 **8:25** Mozes zei: „Zie, ik ga van u weg en ik zal tot Yahweh bidden, en morgen zullen de zwermen van de farao, van zijn dienaren en van zijn volk wijken. Alleen: laat de farao niet nog eens bedrog plegen door het volk niet te laten gaan om aan Yahweh te offeren.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = ik | יוֹצֵ֤א (yotse) = ga uit | מֵֽעִמָּךְ֙ (meimakh) = van bij u | וְהַעְתַּרְתִּ֣י (vehatarti) = en ik zal bidden | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְסָ֣ר (vesar) = en zal weggaan | הֶעָרֹ֗ב (hearov) = de zwerm | מִפַּרְעֹ֛ה (miparo) = van de farao | מֵעֲבָדָ֥יו (meavadav) = van zijn dienaren | וּמֵעַמּ֖וֹ (umeamo) = en van zijn volk | מָחָ֑ר (machar) = morgen | רַ֗ק (raq) = alleen | אַל (al) = niet | יֹסֵ֤ף (yosef) = moge doorgaan | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | הָתֵ֔ל (hatel) = te bedriegen | לְבִלְתִּי֙ (levilti) = zodat niet | שַׁלַּ֣ח (shalach) = hij laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לִזְבֹּ֖חַ (lizboach) = om te offeren | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes waarschuwt de farao dat hij hem niet nog eens mag bedriegen (vergelijk vers 11). De farao breekt zijn belofte toch weer (vers 28). Zie ook: Ex 8:4; Ex 8:11; Ex 8:28; Ps 78:34–37; Jer 42:20–21; Gal 6:7 **8:26** Mozes ging weg van de farao en bad tot Yahweh. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וַיֶּעְתַּ֖ר (vayetar) = en bad | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:8; Ex 9:33; Jak 5:16 **8:27** Yahweh deed zoals Mozes had gezegd en nam de zwermen weg van de farao, van zijn dienaren en van zijn volk. Niet één bleef er over. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = naar het woord van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַיָּ֨סַר֙ (vayasar) = en nam weg | הֶעָרֹ֔ב (hearov) = de zwerm | מִפַּרְעֹ֖ה (miparo) = van de farao | מֵעֲבָדָ֣יו (meavadav) = van zijn dienaren | וּמֵעַמּ֑וֹ (umeamo) = en van zijn volk | לֹ֥א (lo) = niet | נִשְׁאַ֖ר (nishar) = bleef over | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:28** Maar de farao maakte zijn hart ook ditmaal zwaar en liet het volk niet gaan. Brontekst: וַיַּכְבֵּ֤ד (vayakhbed) = en maakte zwaar | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | אֶת (et) = (obj.) | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | גַּ֖ם (gam) = ook | בַּפַּ֣עַם (bapaam) = bij keer | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שִׁלַּ֖ח (shilach) = liet gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:21; Ex 7:13–14; Ex 8:11; Jak 1:13–14; Rom 2:5 ## Exodus 9 _De plagen van de pest, de zweren en de hagel_ ### De vijfde plaag: de pest onder het vee **9:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Ga naar de farao en zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh, Elohim van de Hebreeën: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בֹּ֖א (bo) = ga | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְדִבַּרְתָּ֣ (vedibarta) = en spreek | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | הָֽעִבְרִ֔ים (haivrim) = de Hebreeën | שַׁלַּ֥ח (shalach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | וְיַֽעַבְדֻֽנִי (veyaavduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 5:1; Ex 7:26; Ex 8:16; Ex 9:13; Ex 10:3 **9:2** **Want als je weigert hen te laten gaan en hen nog vasthoudt,** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | אִם (im) = indien | מָאֵ֥ן (maen) = je weigert | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לְשַׁלֵּ֑חַ (leshaleach) = te laten gaan | וְעוֹדְךָ֖ (veodekha) = en nog | מַחֲזִ֥יק (machaziq) = vasthoudt | בָּֽם (bam) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:23; Ex 7:27; Jes 1:20; Rom 2:8; Openb 2:21–22 **9:3** **zie, dan komt de hand van Yahweh over je vee in het veld, over de paarden, ezels, kamelen, runderen en schapen: een zeer zware pest.** Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | יַד (yad) = de hand van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | הוֹיָ֗ה (hoya) = komt | בְּמִקְנְךָ֙ (bemiqnekha) = over je vee | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | בַּסּוּסִ֤ים (basusim) = onder de paarden | בַּֽחֲמֹרִים֙ (bachamorim) = onder de ezels | בַּגְּמַלִּ֔ים (bagemalim) = onder de kamelen | בַּבָּקָ֖ר (babaqar) = onder de runderen | וּבַצֹּ֑אן (uvatson) = en onder de schapen | דֶּ֖בֶר (dever) = een pest | כָּבֵ֥ד (kaved) = zware | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּבֶר (daver) is ‘pest’ in de brede zin van een dodelijke ziekte onder het vee. Het wordt hier genoemd onder paarden, ezels, kamelen, runderen en schapen. Zie ook: Ex 7:4; Ex 8:15; 1 Sam 5:6–11; 1 Sam 6:9; Hand 13:11 **9:4** **Yahweh zal onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte, en van alles wat de zonen van Israël hebben, zal niets sterven.’”** Brontekst: וְהִפְלָ֣ה (vehifla) = en zal onderscheiden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּ֚ין (bein) = tussen | מִקְנֵ֣ה (miqne) = het vee van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | מִקְנֵ֣ה (miqne) = het vee van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָמ֛וּת (yamut) = zal sterven | מִכָּל (mikal) = van alles | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | דָּבָֽר (davar) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Opnieuw maakt Yahweh onderscheid tussen Egypte en Israël (zie 8:18–19). De verzen 6 en 7 bevestigen dat. Zie ook: Ex 8:18; Ex 10:23; Ex 12:13; Jes 65:13–14; Mal 3:18 **9:5** Yahweh bepaalde een tijd en zei: **„Morgen zal Yahweh dit in het land doen.”** Brontekst: וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en stelde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מוֹעֵ֣ד (moed) = een bepaalde tijd | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מָחָ֗ר (machar) = morgen | יַעֲשֶׂ֧ה (yaase) = zal doen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:19; Ex 10:4; Num 16:5; Jer 28:16–17; Mat 27:63–64 **9:6** De volgende dag deed Yahweh dit. Al het vee van Egypte stierf, maar van het vee van de zonen van Israël stierf er niet één. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּה֙ (haze) = deze | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיָּ֕מָת (vayamat) = en stierf | כֹּ֖ל (kol) = al | מִקְנֵ֣ה (miqne) = het vee van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמִמִּקְנֵ֥ה (umimiqne) = en van het vee van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֹא (lo) = niet | מֵ֥ת (met) = stierf | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Al het vee van Egypte’ stierf, maar de plaag trof alleen het vee in het veld (vers 3). In de verzen 19–21 is er nog vee over dat de hagel treft; ‘al’ betekent hier ‘al het vee dat in het veld stond’. Zie ook: Ex 9:3; Ex 9:19–20; Ex 9:25; Ps 78:48; Ps 78:50 **9:7** De farao liet nagaan, en zie, van het vee van Israël was er niet één gestorven. Maar het hart van de farao bleef zwaar en hij liet het volk niet gaan. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en zond | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְהִנֵּ֗ה (vehine) = en zie | לֹא (lo) = niet | מֵ֛ת (met) = was gestorven | מִמִּקְנֵ֥ה (mimiqne) = van het vee van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַד (ad) = zelfs | אֶחָ֑ד (echad) = één | וַיִּכְבַּד֙ (vayikhbad) = en bleef zwaar | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שִׁלַּ֖ח (shilach) = liet gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:14; Ex 8:28; Ex 9:12; Spr 29:1; Rom 9:18 ### De zesde plaag: zweren **9:8** Yahweh zei tot Mozes en Aäron: **„Neem voor jullie twee handen vol roet uit de oven. Mozes moet het voor de ogen van de farao naar de hemel strooien.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹן֒ (aharon) = Aäron | קְח֤וּ (qechu) = neem | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מְלֹ֣א (melo) = vol | חָפְנֵיכֶ֔ם (chafeneikhem) = jullie handen | פִּ֖יחַ (piach) = roet van | כִּבְשָׁ֑ן (kivshan) = oven | וּזְרָק֥וֹ (uzeraqo) = en strooi het | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | הַשָּׁמַ֖יְמָה (hashamayma) = naar de hemel | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | פַרְעֹֽה (paro) = de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:12 **9:9** **Het zal stof worden over heel het land Egypte. Op mens en dier zal het zweren worden die uitbarsten in blaren, in heel het land Egypte.”** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal worden | לְאָבָ֔ק (leavaq) = tot stof | עַ֖ל (al) = over | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal worden | עַל (al) = op | הָאָדָ֜ם (haadam) = de mens | וְעַל (veal) = en op | הַבְּהֵמָ֗ה (habehema) = het dier | לִשְׁחִ֥ין (lishchin) = tot zweren | פֹּרֵ֛חַ (poreach) = uitbarstend | אֲבַעְבֻּעֹ֖ת (avabuot) = blaren | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שְׁחִין (shechin) is een ‘zweer’ of ‘ontsteking’; אֲבַעְבֻּעֹת (aba‘bu‘ot) is ‘blaren’ of ‘puisten’. Dezelfde ziekte treft in Deut. 28:27, 35 ongehoorzame Israëlieten. Zie ook: Job 2:7; Lev 13:18–20; Deut 28:27; Deut 28:35; Openb 16:2 **9:10** Zij namen roet uit de oven en gingen voor de farao staan, en Mozes strooide het naar de hemel. Het werden zweren, uitbarstend in blaren, op mens en dier. Brontekst: וַיִּקְח֞וּ (vayiqchu) = en namen | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣יחַ (piach) = roet van | הַכִּבְשָׁ֗ן (hakivshan) = de oven | וַיַּֽעַמְדוּ֙ (vayaamdu) = en stonden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פַרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וַיִּזְרֹ֥ק (vayizroq) = en strooide | אֹת֛וֹ (oto) = het | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | הַשָּׁמָ֑יְמָה (hashamayema) = naar de hemel | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het werd | שְׁחִין֙ (shechin) = zweren | אֲבַעְבֻּעֹ֔ת (avabuot) = blaren | פֹּרֵ֕חַ (poreach) = uitbarstend | בָּאָדָ֖ם (baadam) = bij mens | וּבַבְּהֵמָֽה (uvabehema) = en bij dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:27 **9:11** De magiërs konden niet voor Mozes staan vanwege de zweren, want de zweren zaten op de magiërs en op heel Egypte. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יָכְל֣וּ (yakhelu) = konden | הַֽחַרְטֻמִּ֗ים (hachartumim) = de magiërs | לַעֲמֹ֛ד (laamod) = staan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | הַשְּׁחִ֑ין (hashechin) = de zweren | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֣ה (haya) = waren | הַשְּׁחִ֔ין (hashechin) = de zweren | בַּֽחֲרְטֻמִּ֖ם (bachartumim) = op de magiërs | וּבְכָל (uvekhal) = en op heel | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De magiërs komen hier voor het laatst voor. Ze zijn zelf aangetast en kunnen niet meer ‘voor Mozes staan’. Zie ook: Ex 7:11–12; Ex 8:14–15; Jes 47:12–14; 2 Tim 3:8–9; Openb 16:2 **9:12** Yahweh maakte het hart van de farao sterk, en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh tot Mozes had gesproken. Brontekst: וַיְחַזֵּ֤ק (vaychazeq) = en maakte sterk | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖ע (shama) = luisterde hij | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = naar hen | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier is Yahweh het onderwerp van het sterk maken (חָזַק, chazaq); zie 4:21 en 7:3. Eerder werd gezegd dat de farao zijn eigen hart verhardde (8:15, 28; 9:34). Zie ook: Ex 4:21; Ex 7:13–14; Ps 81:12–13; Openb 16:10–11 ### Waarschuwing voor de hagel **9:13** Yahweh zei tot Mozes: **„Sta vroeg op in de morgen, ga voor de farao staan en zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh, Elohim van de Hebreeën: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | הַשְׁכֵּ֣ם (hashkem) = sta vroeg op | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְהִתְיַצֵּ֖ב (vehityatsev) = en ga staan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פַרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | הָֽעִבְרִ֔ים (haivrim) = de Hebreeën | שַׁלַּ֥ח (shalach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | וְיַֽעַבְדֻֽנִי (veyaavduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:15; Ex 8:16; Ex 9:1 **9:14** **Want ditmaal zend Ik al Mijn plagen op je hart, op je dienaren en op je volk, opdat je weet dat er op de hele aarde niemand is zoals Ik.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בַּפַּ֣עַם (bapaam) = bij keer | הַזֹּ֗את (hazot) = deze | אֲנִ֨י (ani) = Ik | שֹׁלֵ֜חַ (sholeach) = zend | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַגֵּפֹתַי֙ (magefotay) = Mijn plagen | אֶֽל (el) = naar | לִבְּךָ֔ (libekha) = je hart | וּבַעֲבָדֶ֖יךָ (uvaavadeikha) = en naar je dienaren | וּבְעַמֶּ֑ךָ (uveamekha) = en naar je volk | בַּעֲב֣וּר (baavur) = opdat | תֵּדַ֔ע (teda) = je weet | כִּ֛י (ki) = dat | אֵ֥ין (ein) = niemand is | כָּמֹ֖נִי (kamoni) = zoals Ik | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Al Mijn plagen’ (מַגֵּפוֹתַי, maggefotay) is een ander woord dan eerder: dit zijn slagen die in één keer dodelijk kunnen zijn (vergelijk 9:15). Zie ook: Ex 8:6; Lev 26:18; Lev 26:21; 1 Sam 4:8; Jer 19:8 **9:15** **Want nu had Ik Mijn hand al kunnen uitstrekken en jou en je volk met de pest kunnen slaan. Je zou van de aarde zijn weggevaagd.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עַתָּה֙ (ata) = nu | שָׁלַ֣חְתִּי (shalachti) = had Ik uitgestrekt | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | וָאַ֥ךְ (vaakh) = en geslagen | אוֹתְךָ֛ (otekha) = jou | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | עַמְּךָ֖ (amekha) = je volk | בַּדָּ֑בֶר (badaver) = met pest | וַתִּכָּחֵ֖ד (vatikached) = en je was uitgeroeid | מִן (min) = van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:20; Ex 9:16; Ex 12:29–30; Spr 2:22; 1 Kon 13:34 **9:16** **Maar juist hierom heb Ik je laten blijven staan: om je Mijn kracht te laten zien en opdat Mijn naam op de hele aarde wordt verteld.** Brontekst: וְאוּלָ֗ם (veulam) = maar echter | בַּעֲב֥וּר (baavur) = om | זֹאת֙ (zot) = dit | הֶעֱמַדְתִּ֔יךָ (heemadtikha) = heb Ik je laten staan | בַּעֲב֖וּר (baavur) = om | הַרְאֹתְךָ֣ (harotekha) = je te laten zien | אֶת (et) = (obj.) | כֹּחִ֑י (kochi) = Mijn kracht | וּלְמַ֛עַן (ulemaan) = en opdat | סַפֵּ֥ר (saper) = verteld wordt | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Paulus citeert dit vers in Rom. 9:17, naar de Griekse vertaling: ‘Hiertoe heb Ik u verwekt…’. De Hebreeuwse tekst heeft הֶעֱמַדְתִּיךָ (he‘emadtikha), ‘Ik heb je laten staan’, namelijk laten overleven. Zie ook: 1 Kron 16:24; Ps 64:10; Ps 83:18–19; Spr 16:4; Rom 9:17 **9:17** **Nog altijd verhef je je tegen Mijn volk, zodat je hen niet laat gaan.** Brontekst: עוֹדְךָ֖ (odekha) = nog | מִסְתּוֹלֵ֣ל (mistolel) = verhef je jezelf | בְּעַמִּ֑י (beami) = tegen Mijn volk | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = zodat niet | שַׁלְּחָֽם (shalecham) = laten gaan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:4; Job 15:25–26; Jes 26:11; Jes 37:29; Jes 45:9 **9:18** **Zie, morgen om deze tijd laat Ik een zeer zware hagel regenen, zoals er in Egypte niet is geweest sinds de dag dat het werd gegrondvest tot nu toe.** Brontekst: הִנְנִ֤י (hinni) = zie Mij | מַמְטִיר֙ (mamtir) = laat regenen | כָּעֵ֣ת (kaet) = om deze tijd | מָחָ֔ר (machar) = morgen | בָּרָ֖ד (barad) = hagel | כָּבֵ֣ד (kaved) = zware | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | אֲשֶׁ֨ר (asher) = zoals | לֹא (lo) = niet | הָיָ֤ה (haya) = is geweest | כָמֹ֨הוּ֙ (kamohu) = als hij | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | לְמִן (lemin) = sinds | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הִוָּסְדָ֖ה (hivaseda) = dat zij gegrondvest werd | וְעַד (vead) = tot | עָֽתָּה (ata) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De hagel is de zevende plaag. De Egyptenaren kunnen aan deze plaag ontkomen als zij het woord van Yahweh ter harte nemen (vers 19–21). Zie ook: Ex 9:19–21; Ex 9:22–25; Ps 83:16; 1 Kon 19:2; 1 Kon 20:6; 2 Kon 7:1 **9:19** **Stuur nu bericht en breng je vee in veiligheid en alles wat je in het veld hebt. Alle mensen en dieren die in het veld gevonden worden en niet naar huis worden gebracht, zullen sterven wanneer de hagel op hen neerkomt.’”** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שְׁלַ֤ח (shelach) = stuur | הָעֵז֙ (haez) = breng in veiligheid | אֶֽת (et) = (obj.) | מִקְנְךָ֔ (miqnekha) = je vee | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לְךָ֖ (lekha) = je hebt | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | כָּל (kal) = alle | הָאָדָ֨ם (haadam) = mensen | וְהַבְּהֵמָ֜ה (vehabehema) = en dieren | אֲשֶֽׁר (asher) = die | יִמָּצֵ֣א (yimatse) = gevonden worden | בַשָּׂדֶ֗ה (basade) = in het veld | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יֵֽאָסֵף֙ (yeasef) = worden binnengehaald | הַבַּ֔יְתָה (habayta) = naar huis | וְיָרַ֧ד (veyarad) = en zal neerkomen | עֲלֵהֶ֛ם (alehem) = op hen | הַבָּרָ֖ד (habarad) = de hagel | וָמֵֽתוּ (vametu) = en zij zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hab 3:2 **9:20** Wie van de dienaren van de farao het woord van Yahweh vreesde, liet zijn dienaren en zijn vee naar de huizen vluchten. Brontekst: הַיָּרֵא֙ (hayare) = wie vreesde | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵֽעַבְדֵ֖י (meavdei) = onder de dienaren van | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | הֵנִ֛יס (henis) = liet vluchten | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדָ֥יו (avadav) = zijn dienaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִקְנֵ֖הוּ (miqnehu) = zijn vee | אֶל (el) = naar | הַבָּתִּֽים (habatim) = de huizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sommige dienaren van de farao nemen de waarschuwing ter harte en brengen hun vee in veiligheid: een eerste teken dat Yahweh’s woord bij Egyptenaren gehoor vindt. Zie ook: Spr 13:13; Spr 22:3; Jona 3:5–6; Mar 13:14–16; Heb 11:7 **9:21** Maar wie het woord van Yahweh niet ter harte nam, liet zijn dienaren en zijn vee in het veld achter. Brontekst: וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wie | לֹא (lo) = niet | שָׂ֛ם (sam) = richtte | לִבּ֖וֹ (libo) = zijn hart | אֶל (el) = op | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיַּעֲזֹ֛ב (vayaazov) = en liet achter | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדָ֥יו (avadav) = zijn dienaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִקְנֵ֖הוּ (miqnehu) = zijn vee | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = in het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:17; Job 34:14; Ex 7:23; Ezech 40:4; Dan 10:12 ### De zevende plaag: hagel en vuur **9:22** Yahweh zei tot Mozes: **„Strek je hand uit naar de hemel. Er zal hagel komen in heel het land Egypte, op de mensen, op de dieren en op al het veldgewas in het land Egypte.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה (moshe) = Mozes | נְטֵ֤ה (nete) = strek uit | אֶת (et) = (obj.) | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | עַל (al) = naar | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וִיהִ֥י (vihi) = en er zal zijn | בָרָ֖ד (barad) = hagel | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = op | הָאָדָ֣ם (haadam) = de mensen | וְעַל (veal) = en op | הַבְּהֵמָ֗ה (habehema) = de dieren | וְעַ֛ל (veal) = en op | כָּל (kal) = al | עֵ֥שֶׂב (esev) = kruid van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:19; Ex 8:1; Ex 8:12; Openb 16:21 **9:23** Mozes strekte zijn staf uit naar de hemel, en Yahweh gaf donderslagen en hagel, en vuur liep over de aarde. Yahweh liet hagel regenen over het land Egypte. Brontekst: וַיֵּ֨ט (vayet) = en strekte uit | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | מַטֵּהוּ֮ (matehu) = zijn staf | עַל (al) = naar | הַשָּׁמַיִם֒ (hashamayim) = de hemel | וַֽיהוָ֗ה (vaYahweh) = en Yahweh | נָתַ֤ן (natan) = gaf | קֹלֹת֙ (qolot) = donderslagen | וּבָרָ֔ד (uvarad) = en hagel | וַתִּ֥הֲלַךְ (vatihalakh) = en liep | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | אָ֑רְצָה (aretsa) = naar de aarde | וַיַּמְטֵ֧ר (vayamter) = en liet regenen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּרָ֖ד (barad) = hagel | עַל (al) = over | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Joz 10:11; Ps 18:14; Jes 30:30; Ezech 38:22; Openb 8:7 **9:24** Er was hagel. Vuur laaide midden in de hagel op, zeer zwaar, zoals in heel het land Egypte niet was geweest sinds het een volk werd. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en er was | בָרָ֔ד (barad) = hagel | וְאֵ֕שׁ (veesh) = en vuur | מִתְלַקַּ֖חַת (mitlaqachat) = oplaaiend | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הַבָּרָ֑ד (habarad) = de hagel | כָּבֵ֣ד (kaved) = zware | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | אֲ֠שֶׁר (asher) = zoals | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֤ה (haya) = is geweest | כָמֹ֨הוּ֙ (kamohu) = als hij | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מֵאָ֖ז (meaz) = sinds | הָיְתָ֥ה (hayeta) = het bestond | לְגֽוֹי (legoy) = als volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Vuur dat midden in de hagel oplaait is een bijzonder verschijnsel; Ps. 105:32 noemt ‘vlammend vuur’ bij deze plaag (zie ook Ps. 78:47–48). Zie ook: Ex 9:23; Ex 10:6; Ps 78:47–48; Ps 105:32; Mat 24:21 **9:25** De hagel sloeg in heel het land Egypte alles wat in het veld was, van mens tot dier. De hagel sloeg al het veldgewas en brak alle bomen van het veld. Brontekst: וַיַּ֨ךְ (vayakh) = en sloeg | הַבָּרָ֜ד (habarad) = de hagel | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | מֵאָדָ֖ם (meadam) = van mens | וְעַד (vead) = tot | בְּהֵמָ֑ה (behema) = dier | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | עֵ֤שֶׂב (esev) = kruid van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | הִכָּ֣ה (hika) = sloeg | הַבָּרָ֔ד (habarad) = de hagel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | עֵ֥ץ (ets) = bomen van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | שִׁבֵּֽר (shiber) = brak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ps 78:47; Ps 105:32–33 **9:26** Alleen in het land Gosen, waar de zonen van Israël waren, was geen hagel. Brontekst: רַ֚ק (raq) = alleen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | גֹּ֔שֶׁן (goshen) = Gosen | אֲשֶׁר (asher) = waar | שָׁ֖ם (sham) = daar | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | הָיָ֖ה (haya) = was | בָּרָֽד (barad) = hagel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta, in de buurt van Wadi Tumilat (zie 8:18). Voetnoot Uitleg: Het land Gosen, waar de Israëlieten woonden, werd niet getroffen. Zie ook: Ex 9:4; Ex 9:6; Ex 10:23; Ex 11:7; Ex 12:13 ### De farao zondigt en volhardt **9:27** De farao liet Mozes en Aäron roepen en zei tot hen: „Dit keer heb ik gezondigd. Yahweh is rechtvaardig, ik en mijn volk zijn schuldig. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en zond | פַּרְעֹ֗ה (paro) = de farao | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en riep | לְמֹשֶׁ֣ה (lemoshe) = Mozes | וּֽלְאַהֲרֹ֔ן (uleaharon) = en Aäron | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֖ם (alehem) = tot hen | חָטָ֣אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | הַפָּ֑עַם (hapaam) = deze keer | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הַצַּדִּ֔יק (hatsadiq) = de rechtvaardige | וַאֲנִ֥י (vaani) = en ik | וְעַמִּ֖י (veami) = en mijn volk | הָרְשָׁעִֽים (hareshaim) = de schuldigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De farao erkent voor het eerst dat hij heeft gezondigd en dat Yahweh rechtvaardig is. Zijn erkenning is niet blijvend (vers 34); vergelijk 10:16–17. Zie ook: Ex 9:34; Ex 10:16; Ps 129:4; Ps 145:17; 2 Kron 12:6; Klaagl 1:18 **9:28** Bid tot Yahweh; het is genoeg met de donderslagen van Elohim en de hagel. Ik zal jullie laten gaan, en jullie hoeven niet langer te blijven.” Brontekst: הַעְתִּ֨ירוּ֙ (hatiru) = bidt | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְרַ֕ב (verav) = en genoeg | מִֽהְיֹ֛ת (mihyot) = van het zijn | קֹלֹ֥ת (qolot) = donderslagen van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וּבָרָ֑ד (uvarad) = en hagel | וַאֲשַׁלְּחָ֣ה (vaashalecha) = en ik zal laten gaan | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֹסִפ֖וּן (tosifun) = zullen jullie voortgaan | לַעֲמֹֽד (laamod) = te blijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹלֹת אֱלֹהִים (qolot Elohim), ‘stemmen van Elohim’, zijn donderslagen; ook Ps. 29 noemt de donder ‘de stem van Yahweh’. Dat de farao hier ‘Elohim’ zegt, past bij zijn taalgebruik. Zie ook: Ex 8:4; Ex 8:24; Ex 10:17; Ps 29:3–4; Hand 8:24 **9:29** Mozes zei tot hem: „Zodra ik de stad uit ben, zal ik mijn handen uitspreiden tot Yahweh. De donderslagen zullen ophouden en er zal geen hagel meer zijn, opdat u weet dat de aarde van Yahweh is. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כְּצֵאתִי֙ (ketseti) = zodra ik uitga | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֔יר (hair) = de stad | אֶפְרֹ֥שׂ (efros) = zal ik uitspreiden | אֶת (et) = (obj.) | כַּפַּ֖י (kapay) = mijn handpalmen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הַקֹּל֣וֹת (haqolot) = de donderslagen | יֶחְדָּל֗וּן (yechdalun) = zullen ophouden | וְהַבָּרָד֙ (vehabarad) = en de hagel | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | ע֔וֹד (od) = meer | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תֵּדַ֔ע (teda) = je weet | כִּ֥י (ki) = dat | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = van Yahweh | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De aarde is van Yahweh’: dit herhaalt wat Yahweh in 9:14–16 zei en klinkt als Ps. 24:1. Zie ook: Ps 24:1; Ps 143:6; 1 Kon 8:22; 1 Kon 8:38; Jes 1:15; 1 Kor 10:26 **9:30** Maar ik weet dat u en uw dienaren Yahweh Elohim nog niet vrezen.” Brontekst: וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | וַעֲבָדֶ֑יךָ (vaavadeikha) = en je dienaren | יָדַ֕עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּ֚י (ki) = dat | טֶ֣רֶם (terem) = nog niet | תִּֽירְא֔וּן (tireun) = vrezen jullie | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 16:6; Jes 26:10; Jes 63:17 **9:31** Het vlas en de gerst waren geslagen, want de gerst stond in de aar en het vlas in de knop. Brontekst: וְהַפִּשְׁתָּ֥ה (vehapishta) = en de vlas | וְהַשְּׂעֹרָ֖ה (vehaseora) = en de gerst | נֻכָּ֑תָה (nukata) = werden geslagen | כִּ֤י (ki) = want | הַשְּׂעֹרָה֙ (haseora) = de gerst | אָבִ֔יב (aviv) = in de aar | וְהַפִּשְׁתָּ֖ה (vehapishta) = en de vlas | גִּבְעֹֽל (givol) = in de knop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gerst (שְׂעֹרָה, se‘orah) staat in aar in de maand Aviv (Abib), wanneer de Pesach valt (13:4; 23:15). Vlas (פִּשְׁתָּה, pishtah) was nodig voor linnen. Zie ook: Ruth 1:22; Ruth 2:23; Amos 4:9; Hab 3:17 **9:32** De tarwe en de spelt waren niet geslagen, want die rijpen later. Brontekst: וְהַחִטָּ֥ה (vehachita) = en de tarwe | וְהַכֻּסֶּ֖מֶת (vehakusemet) = en de spelt | לֹ֣א (lo) = niet | נֻכּ֑וּ (nuku) = werden geslagen | כִּ֥י (ki) = want | אֲפִילֹ֖ת (afilot) = laat rijpend | הֵֽנָּה (hena) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲפִילֹת (afilot) betekent ‘laat rijpend’. Tarwe (חִטָּה, chittah) en spelt (כֻּסֶּמֶת, kusemet) rijpen later dan gerst en vlas, dus zij worden niet geslagen. Zie ook: Ex 10:22 **9:33** Mozes ging van de farao weg, de stad uit, en spreidde zijn handen uit tot Yahweh. De donderslagen en de hagel hielden op, en de regen stortte niet meer op de aarde. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en ging uit | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | מֵעִ֤ם (meim) = van bij | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיִּפְרֹ֥שׂ (vayifros) = en spreidde uit | כַּפָּ֖יו (kapav) = zijn handpalmen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיַּחְדְּל֤וּ (vayachdelu) = en hielden op | הַקֹּלוֹת֙ (haqolot) = de donderslagen | וְהַבָּרָ֔ד (vehabarad) = en de hagel | וּמָטָ֖ר (umatar) = en regen | לֹא (lo) = niet | נִתַּ֥ךְ (nitakh) = werd uitgegoten | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:8; Ex 9:29; Ex 10:18–19; Jak 5:17–18 **9:34** Toen de farao zag dat de regen, de hagel en de donderslagen waren opgehouden, bleef hij zondigen en maakte hij zijn hart zwaar, hij en zijn dienaren. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | פַּרְעֹ֗ה (paro) = de farao | כִּֽי (ki) = dat | חָדַ֨ל (chadal) = opgehouden was | הַמָּטָ֧ר (hamatar) = de regen | וְהַבָּרָ֛ד (vehabarad) = en de hagel | וְהַקֹּלֹ֖ת (vehaqolot) = en de donderslagen | וַיֹּ֣סֶף (vayosef) = en voer voort | לַחֲטֹ֑א (lachato) = te zondigen | וַיַּכְבֵּ֥ד (vayakhbed) = en maakte zwaar | לִבּ֖וֹ (libo) = zijn hart | ה֥וּא (hu) = hij | וַעֲבָדָֽיו (vaavadav) = en zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:21; Ex 7:14; Ex 8:11; Pred 8:11; Rom 2:4–5 **9:35** Het hart van de farao bleef sterk en hij liet de zonen van Israël niet gaan, zoals Yahweh door Mozes had gesproken. Brontekst: וַֽיֶּחֱזַק֙ (vayechezaq) = en werd sterk | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שִׁלַּ֖ח (shilach) = liet hij gaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:21 ## Exodus 10 _De plagen van de sprinkhanen en de duisternis_ ### De achtste plaag: sprinkhanen **10:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Ga naar de farao, want Ik heb zijn hart en het hart van zijn dienaren zwaar gemaakt, opdat Ik deze tekenen van Mij in zijn midden stel,** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בֹּ֖א (bo) = ga | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | כִּֽי (ki) = want | אֲנִ֞י (ani) = Ik | הִכְבַּ֤דְתִּי (hikhbadti) = heb zwaar gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | לִבּוֹ֙ (libo) = zijn hart | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לֵ֣ב (lev) = het hart van | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | שִׁתִ֛י (shiti) = Ik zou stellen | אֹתֹתַ֥י (ototay) = Mijn tekenen | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in zijn midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh vertelt hier waarom Hij het hart van de farao zwaar maakt: opdat de tekenen zichtbaar zijn en latere generaties ze kunnen navertellen (vers 2; zie ook 12:26–27; 13:8, 14). Zie ook: Ex 3:20; Ex 4:21; Ex 7:13–14; Ex 10:2; Ps 7:12; Rom 9:17 **10:2** **en opdat je in de oren van je zoon en van de zoon van je zoon vertelt wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan en welke tekenen Ik onder hen heb gedaan. Zo zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וּלְמַ֡עַן (ulemaan) = en opdat | תְּסַפֵּר֩ (tesaper) = je vertelt | בְּאָזְנֵ֨י (beazenei) = in de oren van | בִנְךָ֜ (binkha) = je zoon | וּבֶן (uven) = en de zoon van | בִּנְךָ֗ (binkha) = je zoon | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | הִתְעַלַּ֨לְתִּי֙ (hitalalti) = Ik heb gespeeld | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹתֹתַ֖י (ototay) = Mijn tekenen | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֣מְתִּי (samti) = Ik heb gedaan | בָ֑ם (bam) = onder hen | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְעַלַּלְתִּי (hit‘allalti) is letterlijk ‘Ik heb gespeeld met’ of ‘Ik heb Mij vermaakt met’; het werkwoord betekent in 1 Sam. 6:6 ‘spotten met’. Wij vertalen: ‘wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan’. Zie ook: Ex 13:14; Deut 4:9; Deut 6:20–22; 1 Sam 6:6; Ps 44:2; Joël 1:3 **10:3** Mozes en Aäron gingen naar de farao en zeiden tot hem: „Zo zegt Yahweh, Elohim van de Hebreeën: **‘Hoe lang weiger je nog je voor Mij te verootmoedigen? Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.** Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwamen | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹן֮ (veaharon) = en Aäron | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹה֒ (paro) = de farao | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | הָֽעִבְרִ֔ים (haivrim) = de Hebreeën | עַד (ad) = tot | מָתַ֣י (matay) = wanneer | מֵאַ֔נְתָּ (meanta) = weiger je | לֵעָנֹ֖ת (leanot) = je te verootmoedigen | מִפָּנָ֑י (mipanay) = voor Mij | שַׁלַּ֥ח (shalach) = laat gaan | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | וְיַֽעַבְדֻֽנִי (veyaavduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst gebruikt ‘je verootmoedigen’ (לֵעָנֹת, le’anot) tegenover de farao, dezelfde wortel als ‘onderdrukken’ in 1:11, 12. De farao heeft de Hebreeën vernederd; nu wordt hij gevraagd zich te vernederen. Zie ook: 1 Kon 21:29; Jak 4:10; Rom 2:4; 1 Petr 5:6; Heb 12:25 **10:4** **Want als je weigert Mijn volk te laten gaan, zie, dan breng Ik morgen sprinkhanen binnen je gebied.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | אִם (im) = indien | מָאֵ֥ן (maen) = je weigert | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לְשַׁלֵּ֣חַ (leshaleach) = te laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֑י (ami) = Mijn volk | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | מָחָ֛ר (machar) = morgen | אַרְבֶּ֖ה (arbe) = sprinkhanen | בִּגְבֻלֶֽךָ (bigvulekha) = binnen je gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְבֶּה (arbeh) is een soort sprinkhaan, eerder een zwerm dan één dier. Joël 1–2 beschrijft een plaag van sprinkhanen als oordeel. Zie ook: Ex 8:6; Ex 8:19; Joël 2:2–11; Joël 2:25; Openb 9:3 **10:5** **Zij zullen het oppervlak van het land bedekken, zodat men het land niet meer kan zien. Zij zullen de rest opeten die jullie na de hagel is overgebleven, en zij zullen alle bomen opeten die voor jullie uit het veld opschieten.** Brontekst: וְכִסָּה֙ (vekhisa) = en zullen bedekken | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ין (ein) = het oog van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יוּכַ֖ל (yukhal) = zal men kunnen | לִרְאֹ֣ת (lirot) = zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְאָכַ֣ל (veakhal) = en zullen eten | אֶת (et) = (obj.) | יֶ֣תֶר (yeter) = het overige van | הַפְּלֵטָ֗ה (hapeleta) = het ontkomene | הַנִּשְׁאֶ֤רֶת (hanisheret) = het overgebleven | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מִן (min) = van | הַבָּרָ֔ד (habarad) = de hagel | וְאָכַל֙ (veakhal) = en zullen eten | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָעֵ֔ץ (haets) = bomen | הַצֹּמֵ֥חַ (hatsomeach) = die uitspruiten | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | מִן (min) = uit | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 9:32; Joël 1:4; Joël 2:25 **10:6** **Zij zullen je huizen vullen, de huizen van al je dienaren en de huizen van heel Egypte. Je vaders en de vaders van je vaders hebben dat nooit gezien, vanaf de dag dat zij op de aarde waren tot op deze dag.’**” Hij keerde zich om en ging van de farao weg. Brontekst: וּמָלְא֨וּ (umaleu) = en zullen vullen | בָתֶּ֜יךָ (bateikha) = je huizen | וּבָתֵּ֣י (uvatei) = en de huizen van | כָל (kal) = alle | עֲבָדֶיךָ֮ (avadeikha) = je dienaren | וּבָתֵּ֣י (uvatei) = en de huizen van | כָל (kal) = alle | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | רָא֤וּ (rau) = zagen | אֲבֹתֶ֨יךָ֙ (avoteikha) = je vaders | וַאֲב֣וֹת (vaavot) = en de vaders van | אֲבֹתֶ֔יךָ (avoteikha) = je vaders | מִיּ֗וֹם (miyom) = vanaf de dag | הֱיוֹתָם֙ (heyotam) = dat zij waren | עַל (al) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de aarde | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיִּ֥פֶן (vayifen) = en hij keerde zich | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en ging uit | מֵעִ֥ם (meim) = van bij | פַּרְעֹֽה (paro) = de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:28; Ex 8:17; Ex 9:24; Ex 10:11; Ex 11:6 **10:7** De dienaren van de farao zeiden tot hem: „Hoe lang nog zal deze man ons tot een valstrik zijn? Laat de mannen gaan, dat zij Yahweh, hun Elohim, dienen. Weet u nog niet dat Egypte te gronde gaat?” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֩ (vayomru) = en zeiden | עַבְדֵ֨י (avdei) = de dienaren van | פַרְעֹ֜ה (paro) = de farao | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | עַד (ad) = tot | מָתַי֙ (matay) = wanneer | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | זֶ֥ה (ze) = deze | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | לְמוֹקֵ֔שׁ (lemoqesh) = tot een valstrik | שַׁלַּח֙ (shalach) = laat gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וְיַֽעַבְד֖וּ (veyaavdu) = opdat zij dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | הֲטֶ֣רֶם (haterem) = nog niet | תֵּדַ֔ע (teda) = weet je | כִּ֥י (ki) = dat | אָבְדָ֖ה (aveda) = te gronde gaat | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מוֹקֵשׁ (moqesh), ‘valstrik’: de dienaren zien Mozes als een gevaar voor Egypte. Zie ook: Ex 23:33; Joz 23:13; 1 Sam 18:21; Spr 29:6; Pred 7:26 **10:8** Mozes en Aäron werden bij de farao teruggebracht, en hij zei tot hen: „Ga, dien Yahweh, jullie Elohim. Maar wie en wie zijn het die gaan?” Brontekst: וַיּוּשַׁ֞ב (vayushav) = en werd teruggebracht | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶל (el) = naar | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | לְכ֥וּ (lekhu) = gaat | עִבְד֖וּ (ivdu) = dient | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | מִ֥י (mi) = wie | וָמִ֖י (vami) = en wie | הַהֹלְכִֽים (haholekhim) = de gaande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:4; Ex 10:16; Ex 10:24; Ex 12:31 **10:9** Mozes zei: „Wij gaan met onze jongeren en onze ouderen, met onze zonen en onze dochters, met ons kleinvee en ons rundvee zullen wij gaan, want wij hebben een feest van Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בִּנְעָרֵ֥ינוּ (binareinu) = met onze jongeren | וּבִזְקֵנֵ֖ינוּ (uvizqeneinu) = en met onze ouderen | נֵלֵ֑ךְ (nelekh) = zullen wij gaan | בְּבָנֵ֨ינוּ (bevaneinu) = met onze zonen | וּבִבְנוֹתֵ֜נוּ (uvivnotenu) = en met onze dochters | בְּצֹאנֵ֤נוּ (betsonenu) = met ons kleinvee | וּבִבְקָרֵ֨נוּ֙ (uvivqarenu) = en met ons rundvee | נֵלֵ֔ךְ (nelekh) = zullen wij gaan | כִּ֥י (ki) = want | חַג (chag) = feest van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes eist dat iedereen gaat, met jong en oud, zonen en dochters, vee en kudden. De farao wil alleen de mannen laten gaan (vers 11). Zie ook: Ex 3:18; Ex 5:1; Ex 10:11; Deut 31:12–13; Joz 24:15; 1 Kor 5:7–8 **10:10** Hij zei tot hen: „Yahweh zij zo met jullie, zoals ik jullie en jullie kleintjes laat gaan! Zie, jullie hebben iets kwaads voor ogen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | יְהִ֨י (yehi) = moge zijn | כֵ֤ן (ken) = zo | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | אֲשַׁלַּ֥ח (ashalach) = ik laat gaan | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | וְאֶֽת (veet) = en | טַפְּכֶ֑ם (tapekhem) = jullie kleintjes | רְא֕וּ (reu) = ziet | כִּ֥י (ki) = dat | רָעָ֖ה (raa) = onheil | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | פְּנֵיכֶֽם (peneikhem) = jullie gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Yahweh zij zo met jullie’ is een spottende zegenwens. רָעָה נֶגֶד פְּנֵיכֶם (ra‘ah neged peneikhem) is ‘onheil is voor jullie gezicht’: jullie hebben kwade plannen. Zie ook: Ex 12:30–31; Ex 13:21; 2 Kron 32:15; Klaagl 3:37 **10:11** Zo niet! Gaan jullie, mannen, en dien Yahweh, want dat is wat jullie zoeken.” En men verdreef hen van het gezicht van de farao. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | כֵ֗ן (ken) = zo | לְכֽוּ (lekhu) = gaat | נָ֤א (na) = toch | הַגְּבָרִים֙ (hagevarim) = de mannen | וְעִבְד֣וּ (veivdu) = en dient | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | אֹתָ֖הּ (otah) = dit | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | מְבַקְשִׁ֑ים (mevaqshim) = zoeken | וַיְגָ֣רֶשׁ (vaygaresh) = en hij verdreef | אֹתָ֔ם (otam) = hen | מֵאֵ֖ת (meet) = van bij | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | פַרְעֹֽה (paro) = de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 5:4; Ex 10:28; Ps 52:5–6; Ps 119:69 **10:12** Yahweh zei tot Mozes: **„Strek je hand uit over het land Egypte voor de sprinkhanen, dat zij over het land Egypte opkomen en al het gewas van het land opeten, alles wat de hagel heeft laten staan.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | נְטֵ֨ה (nete) = strek uit | יָדְךָ֜ (yadekha) = je hand | עַל (al) = over | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | בָּֽאַרְבֶּ֔ה (baarbe) = voor de sprinkhanen | וְיַ֖עַל (veyaal) = opdat zij opkomen | עַל (al) = over | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְיֹאכַל֙ (veyokhal) = en eten | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֵ֣שֶׂב (esev) = kruid van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | הִשְׁאִ֖יר (hishir) = overliet | הַבָּרָֽד (habarad) = de hagel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:19; Ex 10:4–5 **10:13** Mozes strekte zijn staf uit over het land Egypte, en Yahweh dreef een oostenwind over het land, heel die dag en heel die nacht. Toen het morgen werd, had de oostenwind de sprinkhanen meegebracht. Brontekst: וַיֵּ֨ט (vayet) = en strekte uit | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | מַטֵּהוּ֮ (matehu) = zijn staf | עַל (al) = over | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | וַֽיהוָ֗ה (vaYahweh) = en Yahweh | נִהַ֤ג (nihag) = dreef | ר֥וּחַ (ruach) = een wind | קָדִים֙ (qadim) = uit het oosten | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | כָּל (kal) = heel | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | וְכָל (vekhal) = en heel | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = de nacht | הַבֹּ֣קֶר (haboqer) = de morgen | הָיָ֔ה (haya) = was | וְר֨וּחַ֙ (veruach) = en de wind | הַקָּדִ֔ים (haqadim) = de oostenwind | נָשָׂ֖א (nasa) = droeg | אֶת (et) = (obj.) | הָאַרְבֶּֽה (haarbe) = de sprinkhanen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De oostenwind (רוּחַ קָדִים, ruach qadim) komt uit de woestijn en brengt volgens Ps. 78:26 ook de kwartels. Zie ook: Ex 14:21; Ps 78:26; Ps 105:34; Ps 107:25–28; Jona 1:4; Jona 4:8 **10:14** De sprinkhanen kwamen over heel het land Egypte op en lieten zich neer in het hele gebied van Egypte, zeer talrijk. Zoals zij is er nooit eerder een sprinkhanenplaag geweest, en daarna zal er geen zijn. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en kwam op | הָֽאַרְבֶּ֗ה (haarbe) = de sprinkhaan | עַ֚ל (al) = over | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיָּ֕נַח (vayanach) = en rustte neer | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in heel | גְּב֣וּל (gevul) = het gebied van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | כָּבֵ֣ד (kaved) = zwaar | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | לְ֠פָנָיו (lefanav) = voor hem | לֹא (lo) = niet | הָ֨יָה (haya) = was | כֵ֤ן (ken) = zo | אַרְבֶּה֙ (arbe) = sprinkhaan | כָּמֹ֔הוּ (kamohu) = als hij | וְאַחֲרָ֖יו (veacharav) = en na hem | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De sprinkhanenplaag is zo erg dat zij niet te vergelijken is met enige andere. Joël 2:2 gebruikt hetzelfde: ‘zoals nooit eerder is geweest en daarna niet meer zal zijn’. Zie ook: Deut 28:42; Ps 78:46; Ps 105:34–35; 1 Kon 8:37; Joël 2:2; Openb 9:3–7 **10:15** Zij bedekten het oppervlak van het hele land, zodat het land donker werd. Zij aten al het gewas van het land en alle vrucht van de bomen die de hagel had overgelaten. Geen groen bleef over aan de bomen of aan het gewas van het veld, in heel het land Egypte. Brontekst: וַיְכַ֞ס (vaykhas) = en bedekte | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ין (ein) = het oog van | כָּל (kal) = heel | הָאָרֶץ֮ (haarets) = het land | וַתֶּחְשַׁ֣ךְ (vatechshakh) = en werd donker | הָאָרֶץ֒ (haarets) = het land | וַיֹּ֜אכַל (vayokhal) = en at | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֵ֣שֶׂב (esev) = kruid van | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | פְּרִ֣י (peri) = vrucht van | הָעֵ֔ץ (haets) = de bomen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הוֹתִ֖יר (hotir) = liet over | הַבָּרָ֑ד (habarad) = de hagel | וְלֹא (velo) = en niet | נוֹתַ֨ר (notar) = bleef over | כָּל (kal) = enig | יֶ֧רֶק (yereq) = groen | בָּעֵ֛ץ (baets) = aan de bomen | וּבְעֵ֥שֶׂב (uveesev) = en aan het kruid van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 10:5; Ps 78:46; Ps 105:34–35; Joël 2:1–11; Joël 2:25 **10:16** De farao haastte zich Mozes en Aäron te roepen en zei: „Ik heb gezondigd tegen Yahweh, jullie Elohim, en tegen jullie. Brontekst: וַיְמַהֵ֣ר (vaymaher) = en haastte zich | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | לִקְרֹ֖א (liqro) = om te roepen | לְמֹשֶׁ֣ה (lemoshe) = Mozes | וּֽלְאַהֲרֹ֑ן (uleaharon) = en Aäron | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | חָטָ֛אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְלָכֶֽם (velakhem) = en tegen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:31–32; Ex 9:27; Num 21:7; 1 Sam 26:21; Mat 27:4 **10:17** Vergeef nu mijn zonde, alleen deze ene keer, en bid tot Yahweh, jullie Elohim, dat Hij alleen deze dood van mij wegneemt.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שָׂ֣א (sa) = vergeef | נָ֤א (na) = toch | חַטָּאתִי֙ (chatati) = mijn zonde | אַ֣ךְ (akh) = alleen | הַפַּ֔עַם (hapaam) = deze keer | וְהַעְתִּ֖ירוּ (vehatiru) = en bidt | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = tot Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְיָסֵר֙ (veyaser) = dat Hij wegneemt | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van mij | רַ֖ק (raq) = alleen | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּ֥וֶת (hamavet) = de dood | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:4; Ex 9:28; 1 Kon 13:6; 2 Kon 4:40; Hand 8:24 **10:18** Hij ging van de farao weg en bad tot Yahweh. Brontekst: וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en ging uit | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וַיֶּעְתַּ֖ר (vayetar) = en bad | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:5; Ex 8:24–26; Mat 5:44; Luc 6:28 **10:19** Yahweh keerde de wind om tot een zeer sterke westenwind, die de sprinkhanen opnam en in de Rietzee blies. Geen enkele sprinkhaan bleef over in het hele gebied van Egypte. Brontekst: וַיַּהֲפֹ֨ךְ (vayahafokh) = en keerde om | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | רֽוּחַ (ruach) = een wind | יָם֙ (yam) = van de zee | חָזָ֣ק (chazaq) = sterke | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַיִּשָּׂא֙ (vayisa) = en nam op | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אַרְבֶּ֔ה (haarbe) = de sprinkhanen | וַיִּתְקָעֵ֖הוּ (vayitqaehu) = en blies ze | יָ֣מָּה (yama) = naar de zee van | סּ֑וּף (suf) = Riet | לֹ֤א (lo) = niet | נִשְׁאַר֙ (nishar) = bleef over | אַרְבֶּ֣ה (arbe) = sprinkhaan | אֶחָ֔ד (echad) = één | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in heel | גְּב֥וּל (gevul) = het gebied van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Rietzee (יַם־סוּף, Yam Suf) is hier de zee waarin de sprinkhanen worden geblazen. Wij zoeken haar in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez; de ligging is onzeker. Zie ook 13:18; 15:4, 22. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Een westenwind is een zeewind: hij komt uit de Middellandse Zee en blaast de sprinkhanen naar het oosten, naar de Rietzee. De tekst zegt letterlijk ‘wind van de zee’ (רוּחַ־יָם, ruach-yam). Zie ook: Ex 13:18; Ex 15:4; Joël 2:20; Heb 11:29 **10:20** Maar Yahweh maakte het hart van de farao sterk, en hij liet de zonen van Israël niet gaan. Brontekst: וַיְחַזֵּ֥ק (vaychazeq) = en maakte sterk | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שִׁלַּ֖ח (shilach) = liet gaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:21; Ex 7:13–14; Ex 11:10; Deut 2:30; 2 Tess 2:11–12 ### De negende plaag: duisternis **10:21** Yahweh zei tot Mozes: **„Strek je hand uit naar de hemel, en er zal duisternis komen over het land Egypte, een duisternis die men kan tasten.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | נְטֵ֤ה (nete) = strek uit | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | עַל (al) = naar | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וִ֥יהִי (vihi) = en er zal zijn | חֹ֖שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | עַל (al) = over | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְיָמֵ֖שׁ (veyamesh) = en men zal tasten | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וְיָמֵשׁ חֹשֶׁךְ (veyamesh choshekh) is letterlijk ‘en men zal duisternis tasten’; de Griekse vertaling heeft ‘een tastbare duisternis’. Zie ook: Luc 23:44; 2 Petr 2:4; 2 Petr 2:17; Jud 1:6; Openb 16:10–11 **10:22** Mozes strekte zijn hand uit naar de hemel, en er was dikke duisternis in heel het land Egypte, drie dagen lang. Brontekst: וַיֵּ֥ט (vayet) = en strekte uit | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | עַל (al) = naar | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וַיְהִ֧י (vayhi) = en er was | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis | אֲפֵלָ֛ה (afela) = dikke | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 4:11; Ps 105:28; Joël 3:4; Amos 4:13; Openb 16:10 **10:23** Niemand zag zijn broer, en niemand stond op van zijn plaats, drie dagen lang. Maar voor alle zonen van Israël was er licht in hun woonplaatsen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | רָא֞וּ (rau) = zagen | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | אָחִ֗יו (achiv) = zijn broer | וְלֹא (velo) = en niet | קָ֛מוּ (qamu) = stonden op | אִ֥ישׁ (ish) = een man | מִתַּחְתָּ֖יו (mitachtav) = van zijn plaats | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וּֽלְכָל (ulekhal) = en voor alle | בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | הָ֥יָה (haya) = was | א֖וֹר (or) = licht | בְּמוֹשְׁבֹתָֽם (bemoshevotam) = in hun woonplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor de zonen van Israël was er licht in hun woonplaatsen: opnieuw maakt Yahweh onderscheid (8:18; 9:4, 26; 11:7). De duisternis kan ook worden gezien als een slag tegen de zonnegod Ra, die de Egyptenaren vereerden. Zie ook: Ex 8:18; Ex 9:4; Jes 42:16; Kol 1:13; 1 Petr 2:9 **10:24** De farao riep Mozes en zei: „Ga, dien Yahweh. Alleen jullie kleinvee en rundvee moet achterblijven; ook jullie kleintjes mogen met jullie meegaan.” Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en riep | פַרְעֹ֜ה (paro) = de farao | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | לְכוּ֙ (lekhu) = gaat | עִבְד֣וּ (ivdu) = dient | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רַ֛ק (raq) = alleen | צֹאנְכֶ֥ם (tsonkhem) = jullie kleinvee | וּבְקַרְכֶ֖ם (uveqarkhem) = en jullie rundvee | יֻצָּ֑ג (yutsag) = blijve achter | גַּֽם (gam) = ook | טַפְּכֶ֖ם (tapekhem) = jullie kleintjes | יֵלֵ֥ךְ (yelekh) = gaan | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 34:23; Ex 8:24; Ex 9:28; Ex 10:8–10 **10:25** Mozes zei: „Ook u moet ons slachtoffers en brandoffers meegeven, opdat wij die voor Yahweh, onze Elohim, bereiden. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | גַּם (gam) = ook | אַתָּ֛ה (ata) = jij | תִּתֵּ֥ן (titen) = moet geven | בְּיָדֵ֖נוּ (beyadenu) = in onze handen | זְבָחִ֣ים (zevachim) = slachtoffers | וְעֹל֑וֹת (veolot) = en brandoffers | וְעָשִׂ֖ינוּ (veasinu) = en wij zullen maken | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:1–46; Ex 36:1–38; Lev 9:22; Lev 16:9 **10:26** Ook ons vee moet met ons meegaan; er mag geen hoef achterblijven, want daarvan moeten wij nemen om Yahweh, onze Elohim, te dienen. En wij weten niet wat wij voor Yahweh zullen moeten offeren, totdat wij daar zijn aangekomen.” Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | מִקְנֵ֜נוּ (miqnenu) = ons vee | יֵלֵ֣ךְ (yelekh) = zal gaan | עִמָּ֗נוּ (imanu) = met ons | לֹ֤א (lo) = niet | תִשָּׁאֵר֙ (tishaer) = zal achterblijven | פַּרְסָ֔ה (parsa) = een hoef | כִּ֚י (ki) = want | מִמֶּ֣נּוּ (mimenu) = daarvan | נִקַּ֔ח (niqach) = zullen wij nemen | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַאֲנַ֣חְנוּ (vaanachnu) = en wij | לֹֽא (lo) = niet | נֵדַ֗ע (neda) = weten | מַֽה (ma) = wat | נַּעֲבֹד֙ (naavod) = wij zullen dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = totdat | בֹּאֵ֖נוּ (boenu) = wij komen | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּרְסָה (parsah) is een ‘hoef’. Mozes zegt dat het hele vee mee moet, omdat nog niet bekend is welke dieren Yahweh voor het offer vraagt. Zie ook: Jes 60:5–10; Zach 14:20; Hand 2:44–45; 2 Kor 8:5; Heb 11:8 **10:27** Maar Yahweh maakte het hart van de farao sterk, en hij wilde hen niet laten gaan. Brontekst: וַיְחַזֵּ֥ק (vaychazeq) = en maakte sterk | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָבָ֖ה (ava) = wilde hij | לְשַׁלְּחָֽם (leshalecham) = hen laten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:21; Ex 10:1; Ex 10:20; Ex 14:4; Ex 14:8 **10:28** De farao zei tot hem: „Ga weg van mij! Pas op voor jezelf, zie mijn gezicht nooit meer, want op de dag dat je mijn gezicht ziet, zul je sterven.” Brontekst: וַיֹּֽאמֶר (vayomer) = en zei | ל֥וֹ (lo) = tot hem | פַרְעֹ֖ה (paro) = de farao | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | מֵעָלָ֑י (mealay) = weg van mij | הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֗ (lekha) = voor jezelf | אֶל (el) = niet | תֹּ֨סֶף֙ (tosef) = voeg toe | רְא֣וֹת (reot) = te zien | פָּנַ֔י (panay) = mijn gezicht | כִּ֗י (ki) = want | בְּי֛וֹם (beyom) = op de dag | רְאֹתְךָ֥ (reotekha) = van je zien | פָנַ֖י (panay) = mijn gezicht | תָּמֽוּת (tamut) = zul je sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gesprek loopt door in 11:4–8; daar verlaat Mozes de farao ‘in gloeiende toorn’ (11:8). Zie ook: 2 Kron 16:10; 2 Kron 25:16; Amos 7:13 **10:29** Mozes zei: „Zoals u gesproken hebt. Ik zal uw gezicht niet meer zien.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | כֵּ֣ן (ken) = zo | דִּבַּ֑רְתָּ (dibarta) = heb je gesproken | לֹא (lo) = niet | אֹסִ֥ף (osif) = zal ik voortgaan | ע֖וֹד (od) = meer | רְא֥וֹת (reot) = te zien | פָּנֶֽיךָ (paneikha) = je gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes neemt de woorden van de farao over (‘Zo heb je gesproken’). Toch laat de farao later zelf Mozes en Aäron roepen (12:31). Zie ook: Ex 11:4–8; Ex 12:30–31; Heb 11:27 ## Exodus 11 _De laatste plaag wordt aangekondigd_ ### Nog één plaag **11:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Nog één plaag zal Ik over de farao en over Egypte brengen. Daarna zal hij jullie van hier laten gaan. Wanneer hij jullie laat gaan, zal hij jullie helemaal van hier wegjagen.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | ע֣וֹד (od) = nog | נֶ֤גַע (nega) = een plaag | אֶחָד֙ (echad) = één | אָבִ֤יא (avi) = zal Ik brengen | עַל (al) = over | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | וְעַל (veal) = en over | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אַֽחֲרֵי (acharei) = daarna | כֵ֕ן (ken) = zo | יְשַׁלַּ֥ח (yeshalach) = zal hij laten gaan | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִזֶּ֑ה (mize) = van hier | כְּשַׁ֨לְּח֔וֹ (keshalecho) = wanneer hij laat gaan | כָּלָ֕ה (kala) = helemaal | גָּרֵ֛שׁ (garesh) = verdrijven | יְגָרֵ֥שׁ (yegaresh) = zal hij verdrijven | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִזֶּֽה (mize) = van hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 11 kondigt de tiende plaag aan. De verzen 1–3 vertellen wat Yahweh tot Mozes zei voordat deze in vers 8 de farao verliet; sommige uitleggers lezen vers 1 daarom als ‘Yahweh had gezegd’. Het Hebreeuws zegt gewoon ‘en Yahweh zei’. Zie ook: Gen 15:14; Ex 3:20; Ex 9:14; Ex 11:8; Lev 26:21; Deut 4:34 **11:2** **Spreek toch voor de oren van het volk: laat ieder man van zijn naaste en iedere vrouw van haar buurvrouw zilveren en gouden voorwerpen vragen.”** Brontekst: דַּבֶּר (daber) = spreek | נָ֖א (na) = toch | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְיִשְׁאֲל֞וּ (veyishalu) = en laat hen vragen | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מֵאֵ֣ת (meet) = van | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | וְאִשָּׁה֙ (veisha) = en een vrouw | מֵאֵ֣ת (meet) = van | רְעוּתָ֔הּ (reutah) = haar buurvrouw | כְּלֵי (kelei) = voorwerpen van | כֶ֖סֶף (kesef) = zilver | וּכְלֵ֥י (ukhelei) = en voorwerpen van | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁאַל (sha’al) is ‘vragen’; het kan ook ‘lenen’ betekenen, maar in 12:35–36 geeft de tekst aan dat de Egyptenaren het gaven. Zie ook 3:21–22. Zie ook: Ex 3:22; Ex 12:35–36; Ps 24:1; Ps 105:37; Spr 13:22 **11:3** Yahweh liet het volk gunst vinden in de ogen van de Egyptenaren. Ook de man Mozes was zeer groot in het land Egypte, in de ogen van de dienaren van de farao en in de ogen van het volk. Brontekst: וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | חֵ֥ן (chen) = gunst van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | גַּ֣ם (gam) = ook | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | גָּד֤וֹל (gadol) = groot | מְאֹד֙ (meod) = zeer | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | עַבְדֵֽי (avdei) = de dienaren van | פַרְעֹ֖ה (paro) = de farao | וּבְעֵינֵ֥י (uveeinei) = en in de ogen van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Ondanks de plagen genoot Mozes aanzien in Egypte, bij de dienaren van de farao en bij het volk. Zie ook: Gen 39:21; Ex 3:21; Ex 12:36; Ps 106:46; Openb 3:9 ### De dood van de eerstgeborenen **11:4** Mozes zei: „Zo zegt Yahweh: **‘Omstreeks middernacht ga Ik uit door het midden van Egypte.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּחֲצֹ֣ת (kachatsot) = omstreeks het midden van | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = de nacht | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יוֹצֵ֖א (yotse) = ga uit | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Omstreeks middernacht’ (כַּחֲצֹת הַלַּיְלָה, kachatsot hallailah): de tiende plaag treft Egypte in het midden van de nacht (vergelijk 12:29). Zie ook: Job 34:20; Ex 12:12; Ex 12:29; Ps 60:12; Amos 4:10 **11:5** **Elke eerstgeborene in het land Egypte zal sterven: van de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zit, tot de eerstgeborene van de slavin achter de molen, en elke eerstgeborene van het vee.** Brontekst: וּמֵ֣ת (umet) = en zal sterven | כָּל (kal) = elke | בְּכוֹר֮ (bekhor) = eerstgeborene | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | מִבְּכ֤וֹר (mibekhor) = van de eerstgeborene van | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | הַיֹּשֵׁ֣ב (hayoshev) = die zit | עַל (al) = op | כִּסְא֔וֹ (kiso) = zijn troon | עַ֚ד (ad) = tot | בְּכ֣וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | הַשִּׁפְחָ֔ה (hashifcha) = de slavin | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | אַחַ֣ר (achar) = achter | הָרֵחָ֑יִם (harechayim) = de molenstenen | וְכֹ֖ל (vekhol) = en elke | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | בְּהֵמָֽה (behema) = vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De eerstgeborenen van de farao tot die van de slavin: van de hoogste tot de laagste. In 4:22–23 werd dit al aangekondigd: Israël is Yahweh’s eerstgeborene. Zie ook: Ex 4:23; Ex 12:29; Ex 13:15; Ps 78:51; Ps 105:36 **11:6** **Er zal een groot geschreeuw zijn in heel het land Egypte, zoals er nooit geweest is en zoals er nooit meer zal zijn.** Brontekst: וְהָֽיְתָ֛ה (vehayeta) = en er zal zijn | צְעָקָ֥ה (tseaqa) = een geschreeuw | גְדֹלָ֖ה (gedola) = groot | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֤ר (asher) = zoals | כָּמֹ֨הוּ֙ (kamohu) = als dat | לֹ֣א (lo) = niet | נִהְיָ֔תָה (nihyata) = is geweest | וְכָמֹ֖הוּ (vekhamohu) = en als dat | לֹ֥א (lo) = niet | תֹסִֽף (tosif) = zal weer zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:30; Amos 5:17; Jes 15:8; Jer 31:15; Openb 18:18–19 **11:7** **Maar bij alle zonen van Israël zal geen hond zijn tong bewegen, van mens tot dier, opdat jullie weten dat Yahweh onderscheid maakt tussen Egypte en Israël.’** Brontekst: וּלְכֹ֣ל (ulekhol) = en bij alle | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לֹ֤א (lo) = niet | יֶֽחֱרַץ (yecherats) = zal scherpen | כֶּ֨לֶב֙ (kelev) = een hond | לְשֹׁנ֔וֹ (leshono) = zijn tong | לְמֵאִ֖ישׁ (lemeish) = van mens | וְעַד (vead) = en tot | בְּהֵמָ֑ה (behema) = dier | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | תֵּֽדְע֔וּן (tedeun) = jullie weten | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יַפְלֶ֣ה (yafle) = onderscheid maakt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּ֥ין (bein) = tussen | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לֹא יֶחֱרַץ כֶּלֶב לְשֹׁנוֹ (lo yecherats kelev leshono) is letterlijk ‘geen hond zal zijn tong scherpen’. Dat betekent: geen hond zal grommen of blaffen; er zal rust zijn bij Israël. Zie ook: Ex 8:18; Ex 9:4; Ex 10:23; Joz 10:21; Mal 3:18 **11:8** Dan zullen al deze dienaren van u naar mij toe komen, zich voor mij buigen en zeggen: ‘Ga uit, jij en heel het volk dat jou volgt.’ En daarna zal ik uitgaan.” Hij ging van de farao weg in gloeiende toorn. Brontekst: וְיָרְד֣וּ (veyaredu) = en zullen afdalen | כָל (kal) = alle | עֲבָדֶיךָ֩ (avadeikha) = uw dienaren | אֵ֨לֶּה (ele) = deze | אֵלַ֜י (elay) = naar mij | וְהִשְׁתַּֽחֲוּוּ (vehishtachauu) = en zich buigen | לִ֣י (li) = voor mij | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | צֵ֤א (tse) = ga uit | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בְּרַגְלֶ֔יךָ (beragleikha) = in je voetsporen | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵ֖ן (ken) = dit | אֵצֵ֑א (etse) = zal ik uitgaan | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging uit | מֵֽעִם (meim) = van bij | פַּרְעֹ֖ה (paro) = de farao | בָּחֳרִי (bachori) = in gloed van | אָֽף (af) = toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes verlaat de farao in gloeiende toorn: de laatste ontmoeting in het verhaal. De dienaren van de farao zullen zelf om het vertrek vragen (12:31–33). Zie ook: Ex 12:31–33; 1 Kon 20:10; Jes 49:26; Ezech 3:14; Dan 3:19 ### Mozes verlaat de farao **11:9** Yahweh zei tot Mozes: **„De farao zal niet naar jullie luisteren, opdat Mijn wonderen talrijk worden in het land Egypte.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לֹא (lo) = niet | יִשְׁמַ֥ע (yishma) = zal luisteren | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = naar jullie | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | לְמַ֛עַן (lemaan) = opdat | רְב֥וֹת (revot) = talrijk worden | מוֹפְתַ֖י (mofetay) = Mijn wonderen | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De verzen 9–10 vatten het hele verhaal van de plagen samen. Zie ook: Ex 3:19; Ex 7:3–4; Ex 10:1; Rom 9:16–18 **11:10** Mozes en Aäron deden al deze wonderen voor de farao. Maar Yahweh maakte het hart van de farao sterk, en hij liet de zonen van Israël niet uit zijn land gaan. Brontekst: וּמֹשֶׁ֣ה (umoshe) = en Mozes | וְאַהֲרֹ֗ן (veaharon) = en Aäron | עָשׂ֛וּ (asu) = deden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמֹּפְתִ֥ים (hamofetim) = wonderen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פַרְעֹ֑ה (paro) = de farao | וַיְחַזֵּ֤ק (vaychazeq) = en maakte sterk | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֣ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וְלֹֽא (velo) = en niet | שִׁלַּ֥ח (shilach) = liet gaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאַרְצֽוֹ (meartso) = uit zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:21; Ex 10:20; Ex 10:27; Deut 2:30; Rom 9:22 ## Exodus 12 _Pesach, de tiende plaag en de uittocht uit Egypte_ ### De instelling van Pesach **12:1** Yahweh zei tot Mozes en Aäron in het land Egypte: Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk bevat de instelling van Pesach (1–28), de dood van de eerstgeborenen (29–36), de uittocht (37–42) en de regels voor deelname (43–51). **12:2** **„Deze maand is voor jullie het begin van de maanden; zij is voor jullie de eerste van de maanden van het jaar.** Brontekst: הַחֹ֧דֶשׁ (hachodesh) = de maand | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | רֹ֣אשׁ (rosh) = begin van | חֳדָשִׁ֑ים (chodashim) = maanden | רִאשׁ֥וֹן (rishon) = eerste | הוּא֙ (hu) = is zij | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | לְחָדְשֵׁ֖י (lechadeshei) = van de maanden van | הַשָּׁנָֽה (hashana) = het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘eerste maand’ is Aviv of Nisan (13:4; 23:15; Est. 3:7). Vanaf nu begint daarmee het jaar voor de feesten van Israël. Zie ook: Ex 13:4; Ex 23:15; Ex 34:18; Lev 23:5; Deut 16:1; Est 3:7 **12:3** **Spreek tot heel de gemeenschap van Israël en zeg: Op de tiende van deze maand moet ieder een lam nemen, per familie een lam, per huis een lam.** Brontekst: דַּבְּר֗וּ (daberu) = spreek | אֶֽל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֤ת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בֶּעָשֹׂ֖ר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְיִקְח֣וּ (veyiqchu) = en laten zij nemen | לָהֶ֗ם (lahem) = voor zich | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | שֶׂ֥ה (se) = een lam | לְבֵית (leveit) = per huis van | אָבֹ֖ת (avot) = de vaders | שֶׂ֥ה (se) = een lam | לַבָּֽיִת (labayit) = per huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׂה (seh), ‘lam’, is een lam of een jonge geit. Het wordt per familie genomen. De tiende van de maand is vier dagen voor het slachten (vers 6). Zie ook: Gen 22:8; Ex 12:6; Lev 1:2; Lev 5:6; Joh 1:29; 1 Kor 5:7 **12:4** **Als een huis te klein is voor een lam, laat hij dan samen met zijn buurman, die het dichtst bij zijn huis woont, een lam nemen, naar het aantal personen. Naar wat ieder eet, moeten jullie rekenen voor het lam.** Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | יִמְעַ֣ט (yimat) = te klein is | הַבַּיִת֮ (habayit) = het huis | מִהְיֹ֣ת (mihyot) = om te zijn | מִשֶּׂה֒ (mise) = voor een lam | וְלָקַ֣ח (velaqach) = dan zal nemen | ה֗וּא (hu) = hij | וּשְׁכֵנ֛וֹ (ushekheno) = en zijn buurman | הַקָּרֹ֥ב (haqarov) = die dichtbij | אֶל (el) = bij | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | בְּמִכְסַ֣ת (bemikhsat) = volgens het aantal van | נְפָשֹׁ֑ת (nefashot) = personen | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | לְפִ֣י (lefi) = naar | אָכְל֔וֹ (akhelo) = zijn eten | תָּכֹ֖סּוּ (takhosu) = jullie rekenen | עַל (al) = over | הַשֶּֽׂה (hase) = het lam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:5** **Jullie lam moet zonder gebrek zijn, mannelijk, een jaar oud. Van de schapen of van de geiten moeten jullie het nemen.** Brontekst: שֶׂ֥ה (se) = een lam | תָמִ֛ים (tamim) = zonder gebrek | זָכָ֥ר (zakhar) = mannelijk | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁנָ֖ה (shana) = een jaar | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | מִן (min) = van | הַכְּבָשִׂ֥ים (hakevasim) = de schapen | וּמִן (umin) = en van | הָעִזִּ֖ים (haizim) = de geiten | תִּקָּֽחוּ (tiqachu) = zullen jullie nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 17:1; Mal 1:7–8; Mal 1:14; 1 Petr 1:18–19; Heb 9:13–14 **12:6** **Het moet bij jullie bewaard worden tot de veertiende dag van deze maand. Dan moet heel de vergadering van de gemeenschap van Israël het slachten tussen de twee avonden.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְמִשְׁמֶ֔רֶת (lemishmeret) = ter bewaring | עַ֣ד (ad) = tot | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֛ר (asar) = tien | י֖וֹם (yom) = dag | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְשָׁחֲט֣וּ (veshachatu) = en zullen slachten | אֹת֗וֹ (oto) = het | כֹּ֛ל (kol) = heel | קְהַ֥ל (qehal) = de vergadering van | עֲדַֽת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָעַרְבָּֽיִם (haarbayim) = de avonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּין הָעַרְבַּיִם (ben ha‘arbayim) is letterlijk ‘tussen de twee avonden’. Dat is de tijd tussen zonsondergang en het begin van de nacht, of tussen de middag en zonsondergang; de uitleggers verschillen. Zie ook Lev. 23:5; Num. 9:3, 5. Zie ook: Ex 12:18; Lev 23:5; Num 9:1–3; Num 9:3; Num 28:16; 2 Kron 30:15–18 **12:7** **Zij moeten van het bloed nemen en het aanbrengen op de beide deurposten en op de bovendorpel van de huizen waarin zij het eten.** Brontekst: וְלָֽקְחוּ֙ (velaqechu) = en zullen nemen | מִן (min) = van | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וְנָֽתְנ֛וּ (venatenu) = en zullen aanbrengen | עַל (al) = op | שְׁתֵּ֥י (shetei) = beide | הַמְּזוּזֹ֖ת (hamezuzot) = deurposten | וְעַל (veal) = en op | הַמַּשְׁק֑וֹף (hamashqof) = de bovendorpel | עַ֚ל (al) = op | הַבָּ֣תִּ֔ים (habatim) = de huizen | אֲשֶׁר (asher) = waarin | יֹאכְל֥וּ (yokhlu) = zij eten | אֹת֖וֹ (oto) = het | בָּהֶֽם (bahem) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:22–23; Ef 1:7; 1 Petr 1:2; Heb 9:22; Heb 11:28 **12:8** **Zij moeten het vlees in deze nacht eten, gebraden op het vuur, met ongezuurde broden en bittere kruiden.** Brontekst: וְאָכְל֥וּ (veakhelu) = en zullen eten | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּשָׂ֖ר (habasar) = het vlees | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | צְלִי (tseli) = gebraden van | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | וּמַצּ֔וֹת (umatsot) = en ongezuurde broden | עַל (al) = op | מְרֹרִ֖ים (merorim) = bittere kruiden | יֹאכְלֻֽהוּ (yokhluhu) = zullen zij het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרֹרִים (merorim), ‘bittere kruiden’, verwijst naar de bitterheid van de slavernij (1:14; zie ook Num. 9:11). Zie ook: Ex 1:14; Ex 13:7; Ex 34:25; Num 9:11; Deut 16:3–4; Deut 16:7 **12:9** **Eet er niets van rauw of gekookt in water, maar gebraden op het vuur, met zijn kop, zijn poten en zijn ingewanden.** Brontekst: אַל (al) = niet | תֹּאכְל֤וּ (tokhlu) = eet | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = ervan | נָ֔א (na) = rauw | וּבָשֵׁ֥ל (uvashel) = en gekookt | מְבֻשָּׁ֖ל (mevushal) = gekookt | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = in water | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = indien | צְלִי (tseli) = gebraden van | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | רֹאשׁ֥וֹ (rosho) = zijn kop | עַל (al) = met | כְּרָעָ֖יו (keraav) = zijn poten | וְעַל (veal) = en met | קִרְבּֽוֹ (qirbo) = zijn inwendige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:8; Deut 16:7; Klaagl 1:13 **12:10** **Laat er niets van overblijven tot de morgen; wat tot de morgen overblijft, moeten jullie met vuur verbranden.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | תוֹתִ֥ירוּ (totiru) = laat overblijven | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | עַד (ad) = tot | בֹּ֑קֶר (boqer) = morgen | וְהַנֹּתָ֥ר (vehanotar) = en wat overblijft | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = ervan | עַד (ad) = tot | בֹּ֖קֶר (boqer) = morgen | בָּאֵ֥שׁ (baesh) = met vuur | תִּשְׂרֹֽפוּ (tisrofu) = verbrandt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:18; Ex 29:34; Ex 34:25; Lev 7:15–17; Lev 22:30 **12:11** **Zo moeten jullie het eten: jullie lendenen omgord, jullie sandalen aan jullie voeten en jullie staf in jullie hand. Eet het haastig. Het is een Pesach voor Yahweh.** Brontekst: וְכָכָה֮ (vekhakha) = en zo | תֹּאכְל֣וּ (tokhlu) = zult eten | אֹתוֹ֒ (oto) = het | מָתְנֵיכֶ֣ם (mateneikhem) = jullie lendenen | חֲגֻרִ֔ים (chagurim) = omgord | נַֽעֲלֵיכֶם֙ (naaleikhem) = jullie sandalen | בְּרַגְלֵיכֶ֔ם (beragleikhem) = aan jullie voeten | וּמַקֶּלְכֶ֖ם (umaqelkhem) = en jullie staf | בְּיֶדְכֶ֑ם (beyedkhem) = in jullie hand | וַאֲכַלְתֶּ֤ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | אֹתוֹ֙ (oto) = het | בְּחִפָּז֔וֹן (bechipazon) = in haast | פֶּ֥סַח (pesach) = pesach | ה֖וּא (hu) = het is | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסַח (pesach) is hier de naam van het lam en later van het feest. Het werkwoord פָּסַח (pasach) in vers 13, 23 en 27 betekent ‘voorbijgaan’, ‘overspringen’ of ‘beschermen’ (Jes. 31:5). Zie ook: Ex 12:13; Ex 12:23; Ex 12:27; Deut 16:2–6; Jes 31:5; 1 Kor 5:7; Ef 6:15; 1 Petr 1:13 **12:12** **Want in deze nacht zal Ik door het land Egypte gaan en elke eerstgeborene in het land Egypte slaan, van mens tot dier. En over alle goden van Egypte zal Ik oordelen vellen. Ik ben Yahweh.** Brontekst: וְעָבַרְתִּ֣י (veavarti) = en Ik zal doorgaan | בְאֶֽרֶץ (beerets) = door het land van | מִצְרַיִם֮ (mitsrayim) = Egypte | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַזֶּה֒ (haze) = deze | וְהִכֵּיתִ֤י (vehikeiti) = en Ik zal slaan | כָל (kal) = elke | בְּכוֹר֙ (bekhor) = eerstgeborene | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מֵאָדָ֖ם (meadam) = van mens | וְעַד (vead) = tot | בְּהֵמָ֑ה (behema) = dier | וּבְכָל (uvekhal) = en over alle | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = goden van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶֽעֱשֶׂ֥ה (eese) = zal Ik doen | שְׁפָטִ֖ים (shefatim) = oordelen | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Over alle goden van Egypte zal Ik oordelen vellen’: de tiende plaag treft ook de godenwereld van Egypte (zie ook Num. 33:4). Zie ook: Ex 12:23; Num 33:4; Ps 82:1; Ps 82:6; Jes 19:1 **12:13** **Het bloed zal voor jullie een teken zijn op de huizen waar jullie zijn. Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik aan jullie voorbijgaan, en er zal geen verderfelijke plaag onder jullie zijn wanneer Ik het land Egypte sla.** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | הַדָּ֨ם (hadam) = het bloed | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | לְאֹ֗ת (leot) = tot een teken | עַ֤ל (al) = op | הַבָּתִּים֙ (habatim) = de huizen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | שָׁ֔ם (sham) = daar | וְרָאִ֨יתִי֙ (veraiti) = en Ik zal zien | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וּפָסַחְתִּ֖י (ufasachti) = en Ik zal voorbijgaan | עֲלֵכֶ֑ם (alekhem) = aan jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִֽהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | בָכֶ֥ם (bakhem) = onder jullie | נֶ֨גֶף֙ (negef) = plaag | לְמַשְׁחִ֔ית (lemashchit) = tot verderf | בְּהַכֹּתִ֖י (behakoti) = wanneer Ik sla | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַשְׁחִית (mashchit), ‘verderver’ (vers 23), is degene die het verderf brengt. Het bloed is een teken voor de bewoners; Yahweh ziet het en gaat voorbij. Zie ook: Gen 17:11; Ex 12:23; Joz 2:12; Heb 11:28; 1 Joh 1:7 **12:14** **Deze dag zal voor jullie een gedachtenis zijn, en jullie moeten die vieren als feest voor Yahweh. Van generatie op generatie, als eeuwige verordening, moeten jullie die vieren.** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en zal zijn | הַיּ֨וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֤ה (haze) = deze | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְזִכָּר֔וֹן (lezikaron) = tot een gedachtenis | וְחַגֹּתֶ֥ם (vechagotem) = en jullie zullen vieren | אֹת֖וֹ (oto) = het | חַ֣ג (chag) = een feest | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | חֻקַּ֥ת (chuqat) = een verordening van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | תְּחָגֻּֽהוּ (techaguhu) = zult jullie het vieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:17; Ex 12:24; Ex 13:9–10; 2 Kon 23:21; 1 Kor 5:7–8 **12:15** **Zeven dagen moeten jullie ongezuurde broden eten. Al op de eerste dag moeten jullie het zuurdeeg uit jullie huizen verwijderen. Want ieder die gezuurd brood eet van de eerste dag tot de zevende, die persoon zal uit Israël worden afgesneden.** Brontekst: שִׁבְעַ֤ת (shivat) = zeven | יָמִים֙ (yamim) = dagen | מַצּ֣וֹת (matsot) = ongezuurde broden | תֹּאכֵ֔לוּ (tokhelu) = zult jullie eten | אַ֚ךְ (akh) = maar | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הָרִאשׁ֔וֹן (harishon) = eerste | תַּשְׁבִּ֥יתוּ (tashbitu) = zult jullie verwijderen | שְּׂאֹ֖ר (seor) = zuurdeeg | מִבָּתֵּיכֶ֑ם (mibateikhem) = uit jullie huizen | כִּ֣י (ki) = want | כָּל (kal) = ieder | אֹכֵ֣ל (okhel) = die eet | חָמֵ֗ץ (chamets) = gezuurd | וְנִכְרְתָ֞ה (venikhreta) = en zal worden afgesneden | הַנֶּ֤פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִוא֙ (hahi) = die | מִיִּשְׂרָאֵ֔ל (miyisrael) = uit Israël | מִיּ֥וֹם (miyom) = van de dag | הָרִאשֹׁ֖ן (harishon) = eerste | עַד (ad) = tot | י֥וֹם (yom) = de dag | הַשְּׁבִעִֽי (hashevii) = zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Afgesneden’ (נִכְרְתָה, nikhretah) betekent hier uit het volk worden verwijderd; het kan de dood of verbanning zijn. Zie ook: Gen 17:14; Ex 23:15; Ex 34:18; Deut 16:3; Deut 16:8 **12:16** **Op de eerste dag is er een heilige samenkomst, en op de zevende dag is er een heilige samenkomst voor jullie. Op die dagen mag geen enkel werk gedaan worden, behalve wat door ieder gegeten wordt; alleen dat mag door jullie bereid worden.** Brontekst: וּבַיּ֤וֹם (uvayom) = en op de dag | הָרִאשׁוֹן֙ (harishon) = eerste | מִקְרָא (miqra) = een samenroeping | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = heilige | וּבַיּוֹם֙ (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = zevende | מִקְרָא (miqra) = een samenroeping | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilige | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = geen | מְלָאכָה֙ (melakha) = werk | לֹא (lo) = niet | יֵעָשֶׂ֣ה (yease) = zal gedaan worden | בָהֶ֔ם (bahem) = daarin | אַ֚ךְ (akh) = alleen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | יֵאָכֵ֣ל (yeakhel) = gegeten wordt | לְכָל (lekhal) = door iedere | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = persoon | ה֥וּא (hu) = dat | לְבַדּ֖וֹ (levado) = alleen | יֵעָשֶׂ֥ה (yease) = mag gedaan worden | לָכֶֽם (lakhem) = door jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:23; Lev 23:7–8; Lev 23:21; Num 28:18; Num 28:25 **12:17** **Jullie moeten de ongezuurde broden houden. Want op precies deze dag heb Ik jullie legerscharen uit het land Egypte geleid. Jullie moeten deze dag houden, van generatie op generatie, als eeuwige verordening.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּם֮ (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּצּוֹת֒ (hamatsot) = de ongezuurde broden | כִּ֗י (ki) = want | בְּעֶ֨צֶם֙ (beetsem) = op de zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = heb Ik uitgeleid | אֶת (et) = (obj.) | צִבְאוֹתֵיכֶ֖ם (tsivoteikhem) = jullie legerscharen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וּשְׁמַרְתֶּ֞ם (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | לְדֹרֹתֵיכֶ֖ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | חֻקַּ֥ת (chuqat) = een verordening van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het feest van de ongezuurde broden (מַצּוֹת, matsot) is verbonden met Pesach; zie Lev. 23:5–8; Num. 28:16–25; Deut. 16:1–8. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 49:1–23 beschrijft de instelling en de viering van het Pesach. Zie ook: Jub 49:1–23; Ex 7:5; Ex 12:41; Ex 13:3; Ex 13:8; Lev 23:5–8; Num 20:16; Num 28:16–25; Deut 16:1–8 **12:18** **In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, in de avond, moeten jullie ongezuurde broden eten, tot de eenentwintigste dag van de maand, in de avond.** Brontekst: בָּרִאשֹׁ֡ן (barishon) = in de eerste | בְּאַרְבָּעָה֩ (bearbaa) = op de vier | עָשָׂ֨ר (asar) = tien | י֤וֹם (yom) = dag | לַחֹ֨דֶשׁ֙ (lachodesh) = van de maand | בָּעֶ֔רֶב (baerev) = in de avond | תֹּאכְל֖וּ (tokhlu) = zult eten | מַצֹּ֑ת (matsot) = ongezuurde broden | עַ֠ד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = de dag | הָאֶחָ֧ד (haechad) = de eerste | וְעֶשְׂרִ֛ים (veesrim) = en twintigste | לַחֹ֖דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בָּעָֽרֶב (baarev) = in de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerste maand heet in vers 2 ‘de eerste van de maanden’. Op de veertiende in de avond begint de week van de ongezuurde broden. Zie ook: Ex 12:1–2; Ex 12:2; Ex 12:15; Lev 23:5–8; Num 28:16–25 **12:19** **Zeven dagen mag er geen zuurdeeg in jullie huizen gevonden worden. Want ieder die iets gezuurds eet, die persoon zal uit de gemeenschap van Israël worden afgesneden, of hij een vreemdeling is of een inheemse van het land.** Brontekst: שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | שְׂאֹ֕ר (seor) = zuurdeeg | לֹ֥א (lo) = niet | יִמָּצֵ֖א (yimatse) = zal gevonden worden | בְּבָתֵּיכֶ֑ם (bevateikhem) = in jullie huizen | כִּ֣י (ki) = want | כָּל (kal) = ieder | אֹכֵ֣ל (okhel) = die eet | מַחְמֶ֗צֶת (machmetset) = iets gezuurds | וְנִכְרְתָ֞ה (venikhreta) = en zal worden afgesneden | הַנֶּ֤פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִוא֙ (hahi) = die | מֵעֲדַ֣ת (meadat) = uit de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בַּגֵּ֖ר (bager) = bij de vreemdeling | וּבְאֶזְרַ֥ח (uveezrach) = en bij de inheemse | הָאָֽרֶץ (haarets) = van het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:15; Ex 12:48; Ex 23:15; Ex 34:18; Deut 16:3 **12:20** **Eet niets gezuurds; in al jullie woonplaatsen moeten jullie ongezuurde broden eten.”** Brontekst: כָּל (kal) = alles | מַחְמֶ֖צֶת (machmetset) = gezuurds | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֑לוּ (tokhelu) = zult eten | בְּכֹל֙ (bekhol) = in alle | מוֹשְׁבֹ֣תֵיכֶ֔ם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen | תֹּאכְל֖וּ (tokhlu) = zult eten | מַצּֽוֹת (matsot) = ongezuurde broden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Mozes onderwijst de oudsten **12:21** Mozes riep alle oudsten van Israël en zei tot hen: „Ga, neem voor jullie families kleinvee en slacht het Pesach. Brontekst: וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | לְכָל (lekhal) = alle | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | מִֽשְׁכ֗וּ (mishkhu) = trekt uit | וּקְח֨וּ (uqechu) = en neemt | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | צֹ֛אן (tson) = kleinvee | לְמִשְׁפְּחֹתֵיכֶ֖ם (lemishpechoteikhem) = voor jullie families | וְשַׁחֲט֥וּ (veshachatu) = en slacht | הַפָּֽסַח (hapasach) = het pesach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:3; Joz 5:10; 2 Kon 23:21; Ezra 6:20; Mar 14:12–16 **12:22** Neem een bos hysop, doop die in het bloed in de schaal, en breng van het bloed in de schaal aan op de bovendorpel en op de beide deurposten. En niemand van jullie mag de deur van zijn huis uitgaan tot de morgen. Brontekst: וּלְקַחְתֶּ֞ם (uleqachtem) = en neemt | אֲגֻדַּ֣ת (agudat) = een bos | אֵז֗וֹב (ezov) = hysop | וּטְבַלְתֶּם֮ (utevaltem) = en doopt | בַּדָּ֣ם (badam) = in het bloed | אֲשֶׁר (asher) = dat | בַּסַּף֒ (basaf) = in de schaal | וְהִגַּעְתֶּ֤ם (vehigatem) = en laat raken | אֶל (el) = aan | הַמַּשְׁקוֹף֙ (hamashqof) = de bovendorpel | וְאֶל (veel) = en aan | שְׁתֵּ֣י (shetei) = beide | הַמְּזוּזֹ֔ת (hamezuzot) = deurposten | מִן (min) = van | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בַּסָּ֑ף (basaf) = in de schaal | וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | לֹ֥א (lo) = niet | תֵצְא֛וּ (tetseu) = zullen uitgaan | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מִפֶּֽתַח (mipetach) = uit de deur van | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | עַד (ad) = tot | בֹּֽקֶר (boqer) = morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hysop (אֵזוֹב, ezov) is een struikje waarmee men besprenkelde; zie ook Lev. 14:4–6; Num. 19:6, 18. De ‘schaal’ (סַף, saf) kan ook ‘drempel’ betekenen; wij kiezen ‘schaal’ omdat het bloed daarin werd opgevangen. Zie ook: Ex 12:7; Lev 14:4–6; Num 19:6; Num 19:18; Ps 51:9; Heb 9:19; Heb 11:28 **12:23** Want Yahweh zal door het land gaan om Egypte te slaan. Wanneer Hij het bloed ziet op de bovendorpel en op de beide deurposten, zal Yahweh aan de deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in jullie huizen te komen om te slaan. Brontekst: וְעָבַ֣ר (veavar) = en zal doorgaan | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | לִנְגֹּ֣ף (lingof) = om te slaan | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | וְרָאָ֤ה (veraa) = en zal zien | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | הַמַּשְׁק֔וֹף (hamashqof) = de bovendorpel | וְעַ֖ל (veal) = en op | שְׁתֵּ֣י (shetei) = beide | הַמְּזוּזֹ֑ת (hamezuzot) = deurposten | וּפָסַ֤ח (ufasach) = en zal voorbijgaan | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = aan | הַפֶּ֔תַח (hapetach) = de deur | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִתֵּן֙ (yiten) = zal toelaten | הַמַּשְׁחִ֔ית (hamashchit) = de verderver | לָבֹ֥א (lavo) = binnen te komen | אֶל (el) = naar | בָּתֵּיכֶ֖ם (bateikhem) = jullie huizen | לִנְגֹּֽף (lingof) = om te slaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Of het Yahweh zelf is die de eerstgeborenen slaat of ‘de verderver’ (hamashchit), laat de tekst open: Yahweh is de handelende, de verderver wordt van het huis weggehouden. Zie ook: Ex 12:12–13; 1 Kor 10:10; Heb 11:28; Openb 7:3; Openb 9:4 **12:24** Jullie moeten dit woord houden als een verordening voor jou en je zonen, voor altijd. Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֖ם (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | לְחָק (lechaq) = als verordening | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | וּלְבָנֶ֖יךָ (ulevaneikha) = en voor je zonen | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:8–10; Ex 12:14 **12:25** Wanneer jullie in het land komen dat Yahweh jullie zal geven, zoals Hij gesproken heeft, moeten jullie deze dienst houden. Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | תָבֹ֣אוּ (tavou) = jullie komen | אֶל (el) = naar | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִתֵּ֧ן (yiten) = zal geven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | דִּבֵּ֑ר (diber) = Hij sprak | וּשְׁמַרְתֶּ֖ם (ushemartem) = dan zullen jullie houden | אֶת (et) = (obj.) | הָעֲבֹדָ֥ה (haavoda) = de dienst | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Ex 3:17; Deut 4:5; Deut 12:8–9; Ps 105:44–45 **12:26** En wanneer jullie kinderen tot jullie zeggen: ‘Wat betekent deze dienst voor jullie?’, Brontekst: וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יֹאמְר֥וּ (yomru) = zullen zeggen | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tot jullie | בְּנֵיכֶ֑ם (beneikhem) = jullie kinderen | מָ֛ה (ma) = wat | הָעֲבֹדָ֥ה (haavoda) = de dienst | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:14–15; Deut 32:7; Joz 4:21–24; Ps 78:3–6; Ps 145:4 **12:27** dan moeten jullie zeggen: ‘Het is het Pesachoffer voor Yahweh, die de huizen van de zonen van Israël in Egypte voorbijging toen Hij Egypte sloeg en onze huizen redde.’” Het volk boog zich en wierp zich neer. Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֡ם (vaamartem) = dan zullen jullie zeggen | זֶֽבַח (zevach) = slachtoffer van | פֶּ֨סַח (pesach) = pesach | ה֜וּא (hu) = het is | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | פָּ֠סַח (pasach) = voorbijging | עַל (al) = over | בָּתֵּ֤י (batei) = de huizen van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | בְּנָגְפּ֥וֹ (benagpo) = toen Hij sloeg | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּתֵּ֣ינוּ (bateinu) = onze huizen | הִצִּ֑יל (hitsil) = redde Hij | וַיִּקֹּ֥ד (vayiqod) = en boog | הָעָ֖ם (haam) = het volk | וַיִּֽשְׁתַּחֲוּֽוּ (vayishtachauu) = en wierpen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De vraag van het kind (vers 26) is een van de kindervragen die later terugkomen; zie ook 13:8, 14; Deut. 6:20–25. Zie ook: Ex 4:31; Ex 12:11; Ex 12:23; Ex 12:26; Ex 34:25; Deut 6:20–25; 1 Kor 5:7 **12:28** De zonen van Israël gingen en deden zoals Yahweh Mozes en Aäron had geboden; zo deden zij. Brontekst: וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en gingen | וַיַּֽעֲשׂ֖וּ (vayaasu) = en deden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֖ן (veaharon) = en Aäron | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשֽׂוּ (asu) = deden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Heb 11:28 ### De dood van de eerstgeborenen **12:29** Het gebeurde te middernacht dat Yahweh elke eerstgeborene in het land Egypte sloeg, van de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zat, tot de eerstgeborene van de gevangene in de kerker, en elke eerstgeborene van het vee. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het geschiedde | בַּחֲצִ֣י (bachatsi) = om het midden van | הַלַּ֗יְלָה (halayla) = de nacht | וַֽיהוָה֮ (vaYahweh) = en Yahweh | הִכָּ֣ה (hika) = sloeg | כָל (kal) = elke | בְּכוֹר֮ (bekhor) = eerstgeborene | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | מִבְּכֹ֤ר (mibekhor) = van de eerstgeborene van | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | הַיֹּשֵׁ֣ב (hayoshev) = die zit | עַל (al) = op | כִּסְא֔וֹ (kiso) = zijn troon | עַ֚ד (ad) = tot | בְּכ֣וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | הַשְּׁבִ֔י (hashevi) = de gevangene | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הַבּ֑וֹר (habor) = de kerker | וְכֹ֖ל (vekhol) = en elke | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | בְּהֵמָֽה (behema) = vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De laatste plaag treft de eerstgeborenen van mens en dier. ‘De gevangene in de kerker’ (בֵּית הַבּוֹר, beit habor), letterlijk ‘het huis van de put’, is de laagste plaats in de samenleving. Voetnoot Aanvullend: Jasher 81:1–6 vertelt de uittocht. Zie ook: Jas 81:1–6; Ex 4:23; Ps 78:51; Ps 105:36; Ps 135:8; Ps 136:10 **12:30** De farao stond in die nacht op, hij en al zijn dienaren en heel Egypte. Er was een groot geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waar geen dode was. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | פַּרְעֹ֜ה (paro) = de farao | לַ֗יְלָה (layla) = de nacht | ה֤וּא (hu) = die | וְכָל (vekhal) = en alle | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | וְכָל (vekhal) = en alle | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egyptenaren | וַתְּהִ֛י (vatehi) = en er was | צְעָקָ֥ה (tseaqa) = een geschreeuw | גְדֹלָ֖ה (gedola) = groot | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | כִּֽי (ki) = want | אֵ֣ין (ein) = er was geen | בַּ֔יִת (bayit) = huis | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אֵֽין (ein) = niet | שָׁ֖ם (sham) = daar | מֵֽת (met) = een dode Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 11:6; Spr 21:13; Amos 5:17; Mat 25:6; Jak 2:13 **12:31** Hij liet Mozes en Aäron in de nacht roepen en zei: „Sta op, ga uit het midden van mijn volk weg, jullie en ook de zonen van Israël. Ga en dien Yahweh, zoals jullie hebben gezegd. Brontekst: וַיִּקְרָא֩ (vayiqra) = en riep | לְמֹשֶׁ֨ה (lemoshe) = Mozes | וּֽלְאַהֲרֹ֜ן (uleaharon) = en Aäron | לַ֗יְלָה (layla) = de nacht | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | ק֤וּמוּ (qumu) = sta op | צְּאוּ֙ (tseu) = trek uit | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | גַּם (gam) = zowel | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | גַּם (gam) = als | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּלְכ֛וּ (ulekhu) = en ga | עִבְד֥וּ (ivdu) = dien | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כְּדַבֶּרְכֶֽם (kedaberkhem) = zoals jullie hebben gezegd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat de farao Mozes en Aäron ’s nachts roept, is zijn eigen weerlegging van wat hij in 10:28 zei: ‘zie mijn gezicht nooit meer’. Zie ook: Ex 3:19–20; Ex 6:1; Ex 8:4; Ex 10:9; Ps 105:38 **12:32** Neem ook jullie kleinvee en rundvee mee, zoals jullie hebben gezegd, en ga. En zegen ook mij.” Brontekst: גַּם (gam) = ook | צֹאנְכֶ֨ם (tsonkhem) = jullie kleinvee | גַּם (gam) = ook | בְּקַרְכֶ֥ם (beqarkhem) = jullie rundvee | קְח֛וּ (qechu) = neem mee | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּרְתֶּ֖ם (dibartem) = jullie hebben gezegd | וָלֵ֑כוּ (valekhu) = en ga | וּבֵֽרַכְתֶּ֖ם (uverakhtem) = en zegen | גַּם (gam) = ook | אֹתִֽי (oti) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘En zegen ook mij’: de farao vraagt om zegen; dat kan oprecht zijn of de laatste poging van een verslagen koning. Zie ook: Gen 27:34; Ex 8:24; Ex 9:28; Ex 10:9; Ex 10:26 **12:33** De Egyptenaren drongen bij het volk aan om hen snel uit het land te laten gaan, want zij zeiden: „Wij zijn allen dood.” Brontekst: וַתֶּחֱזַ֤ק (vatechezaq) = en drong aan | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = op | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לְמַהֵ֖ר (lemaher) = om te haasten | לְשַׁלְּחָ֣ם (leshalecham) = hen te laten gaan | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּ֥י (ki) = want | אָמְר֖וּ (ameru) = zij zeiden | כֻּלָּ֥נוּ (kulanu) = wij allen | מֵתִֽים (metim) = doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:3; Ex 11:1; Num 17:27–28; Ps 105:38 **12:34** Het volk nam zijn deeg mee voordat het gezuurd was, hun baktroggen in hun kleren gebonden op hun schouders. Brontekst: וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en droeg | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | בְּצֵק֖וֹ (betseqo) = zijn deeg | טֶ֣רֶם (terem) = voordat | יֶחְמָ֑ץ (yechmats) = het gezuurd was | מִשְׁאֲרֹתָ֛ם (misharotam) = hun baktroggen | צְרֻרֹ֥ת (tserurot) = gebonden | בְּשִׂמְלֹתָ֖ם (besimlotam) = in hun kleren | עַל (al) = op | שִׁכְמָֽם (shikhmam) = hun schouder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:28 **12:35** De zonen van Israël deden naar het woord van Mozes en vroegen de Egyptenaren om zilveren en gouden voorwerpen en om kleren. Brontekst: וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = naar het woord van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַֽיִּשְׁאֲלוּ֙ (vayishalu) = en vroegen | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = van de Egyptenaren | כְּלֵי (kelei) = voorwerpen van | כֶ֛סֶף (kesef) = zilver | וּכְלֵ֥י (ukhelei) = en voorwerpen van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | וּשְׂמָלֹֽת (usemalot) = en kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁאַל (sha’al) is hier ‘vragen’; de Egyptenaren geven (vers 36). De tekst zegt niet dat het ‘lenen’ was. Zie 3:21–22 en 11:2–3. Zie ook: Gen 15:14; Ex 3:21–22; Ex 11:2–3; Ex 12:36; Ps 105:37 **12:36** Yahweh liet het volk gunst vinden in de ogen van de Egyptenaren, en zij gaven hun wat zij vroegen. Zo plunderden zij Egypte. Brontekst: וַֽיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | נָתַ֨ן (natan) = gaf | אֶת (et) = (obj.) | חֵ֥ן (chen) = gunst van | הָעָ֛ם (haam) = het volk | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | וַיַּשְׁאִל֑וּם (vayashilum) = en zij gaven hun wat zij vroegen | וַֽיְנַצְּל֖וּ (vaynatselu) = en zij plunderden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 15:14; Ex 3:21–22; Ex 11:3; Ps 105:37; Hand 7:10 ### De uittocht uit Egypte **12:37** De zonen van Israël braken op van Raämses naar Sukkot, ongeveer zeshonderdduizend man te voet, afgezien van de kleintjes. Brontekst: וַיִּסְע֧וּ (vayisu) = en braken op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מֵרַעְמְסֵ֖ס (merameses) = van Raämses | סֻכֹּ֑תָה (sukota) = naar Sukkot | כְּשֵׁשׁ (keshesh) = ongeveer zes | מֵא֨וֹת (meot) = honderd | אֶ֧לֶף (elef) = duizend | רַגְלִ֛י (ragli) = te voet | הַגְּבָרִ֖ים (hagevarim) = de mannen | לְבַ֥ד (levad) = afgezien van | מִטָּֽף (mitaf) = kleintjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Raämses lag in de oostelijke Nijldelta; Sukkot ligt ten oosten daarvan, in de buurt van Wadi Tumilat. Het volk trekt vanaf Sukkot verder naar Etam (13:20). Voetnoot Uitleg: ‘Zeshonderdduizend man te voet’ (vergelijk Num. 1:46: 603.550) is de legersterkte van mannen, zonder vrouwen en kinderen. Wij laten het getal staan; sommige uitleggers lezen ‘duizend’ (אֶלֶף, elef) als ‘geslacht’ of ‘eenheid’. Vergelijk Gen. 46:3, waar Elohim zegt dat Hij Jakob in Egypte tot een groot volk zal maken. Voetnoot Aanvullend: Jasher 81:1–5 bevestigt dit. Zie ook: Gen 46:3; Jas 81:1–5; Ex 38:26; Num 1:46; Num 11:21; Num 33:3; Num 33:5 **12:38** Ook een grote gemengde schare trok met hen mee, en kleinvee en rundvee, zeer veel vee. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | עֵ֥רֶב (erev) = een gemengde schare | רַ֖ב (rav) = grote | עָלָ֣ה (ala) = trok op | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | וְצֹ֣אן (vetson) = en kleinvee | וּבָקָ֔ר (uvaqar) = en rundvee | מִקְנֶ֖ה (miqne) = vee | כָּבֵ֥ד (kaved) = zwaar | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵרֶב רַב (erev rav), ‘een grote gemengde schare’, zijn niet-Israëlieten die met hen meetrekken (Num. 11:4). Zie ook: Num 11:4; Zach 8:23 **12:39** Zij bakten van het deeg dat zij uit Egypte hadden meegenomen ongezuurde koeken, want het was niet gezuurd. Want zij waren uit Egypte verdreven en konden niet talmen. En zij hadden zich ook geen reisproviand klaargemaakt. Brontekst: וַיֹּאפ֨וּ (vayofu) = en zij bakten | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּצֵ֜ק (habatseq) = het deeg | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הוֹצִ֧יאוּ (hotsiu) = zij hadden meegenomen | מִמִּצְרַ֛יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | עֻגֹ֥ת (ugot) = koeken van | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurd | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | חָמֵ֑ץ (chamets) = was gezuurd | כִּֽי (ki) = want | גֹרְשׁ֣וּ (goreshu) = zij werden verdreven | מִמִּצְרַ֗יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יָֽכְלוּ֙ (yakhelu) = konden zij | לְהִתְמַהְמֵ֔הַּ (lehitmahmeha) = talmen | וְגַם (vegam) = en ook | צֵדָ֖ה (tseda) = reisproviand | לֹא (lo) = niet | עָשׂ֥וּ (asu) = hadden zij gemaakt | לָהֶֽם (lahem) = voor zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 6:1; Ex 11:1; Ex 12:31–33 **12:40** Het verblijf van de zonen van Israël in Egypte was vierhonderddertig jaar. Brontekst: וּמוֹשַׁב֙ (umoshav) = en het verblijf van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יָשְׁב֖וּ (yashevu) = zij verbleven | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft hier ‘de zonen van Israël die in Egypte woonden’: 430 jaar. De Samaritaanse tekst en de Griekse vertaling hebben ‘in Egypte en in Kanaän’, waardoor de 430 jaar bij Abraham beginnen (Gal. 3:17). Wij volgen de Masoretische tekst. Gen. 15:13 spreekt van 400 jaar vreemdelingschap. Voetnoot Aanvullend: Jasher 81:3–4 geeft een korter verblijf: 210 jaar. Zie ook: Gen 12:1–3; Gen 15:13; Jas 81:3–4; Hand 7:6; Hand 13:17; Gal 3:17; Heb 11:9 **12:41** Na afloop van de vierhonderddertig jaar, op precies diezelfde dag, trokken alle legerscharen van Yahweh uit het land Egypte. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | מִקֵּץ֙ (miqets) = aan het einde van | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | בְּעֶ֨צֶם֙ (beetsem) = op de zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | יָֽצְא֛וּ (yatseu) = trokken uit | כָּל (kal) = alle | צִבְא֥וֹת (tsivot) = legerscharen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 3:10; Ex 7:4; Hab 2:3; Joh 7:8; Hand 1:7 **12:42** Het is een nacht van waken voor Yahweh om hen uit het land Egypte te leiden. Deze nacht is een nacht van waken voor Yahweh voor alle zonen van Israël, van generatie op generatie. Brontekst: לֵ֣יל (leil) = een nacht van | שִׁמֻּרִ֥ים (shimurim) = waken | הוּא֙ (hu) = het is | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | לְהוֹצִיאָ֖ם (lehotsiam) = om hen uit te leiden | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | הֽוּא (hu) = het is | הַלַּ֤יְלָה (halayla) = de nacht | הַזֶּה֙ (haze) = deze | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁמֻּרִ֛ים (shimurim) = waken | לְכָל (lekhal) = voor alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְדֹרֹתָֽם (ledorotam) = voor hun generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לֵיל שִׁמֻּרִים (leil shimmurim), ‘nacht van waken’: het is een nacht waarin Yahweh waakte en waarin Israël zal waken. De uitdrukking is zeldzaam; hij komt alleen hier voor. Zie ook: Ex 12:14; Ex 13:10; Deut 16:1–6 ### Regels voor het Pesach **12:43** Yahweh zei tot Mozes en Aäron: **„Dit is de verordening voor het Pesach: geen vreemde mag ervan eten.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | זֹ֖את (zot) = dit is | חֻקַּ֣ת (chuqat) = de verordening van | הַפָּ֑סַח (hapasach) = het pesach | כָּל (kal) = elke | בֶּן (ben) = zoon van | נֵכָ֖ר (nekhar) = een vreemde | לֹא (lo) = niet | יֹ֥אכַל (yokhal) = zal eten | בּֽוֹ (bo) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 43–49 regelen wie aan het Pesach mag deelnemen. Zie ook Num. 9:6–14. Zie ook: Ex 12:11; Ex 12:48; Lev 22:10; Num 9:6–14; Num 9:14; Ef 2:12 **12:44** **Maar iedere slaaf van iemand, gekocht met geld, mag ervan eten nadat jij hem hebt besneden.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elke | עֶ֥בֶד (eved) = slaaf van | אִ֖ישׁ (ish) = een man | מִקְנַת (miqnat) = gekocht met | כָּ֑סֶף (kasef) = geld | וּמַלְתָּ֣ה (umalta) = en jij besnijdt | אֹת֔וֹ (oto) = hem | אָ֖ז (az) = dan | יֹ֥אכַל (yokhal) = mag hij eten | בּֽוֹ (bo) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:12–13; Gen 17:23 **12:45** **Een bijwoner en een loonarbeider mogen er niet van eten.** Brontekst: תּוֹשָׁ֥ב (toshav) = bijwoner | וְשָׂכִ֖יר (vesakhir) = en loonarbeider | לֹא (lo) = niet | יֹ֥אכַל (yokhal) = zal eten | בּֽוֹ (bo) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 22:10; Ef 2:12 **12:46** **In één huis moet het worden gegeten; je mag niets van het vlees naar buiten brengen, en jullie mogen er geen been van breken.** Brontekst: בְּבַ֤יִת (bevayit) = in een huis | אֶחָד֙ (echad) = één | יֵאָכֵ֔ל (yeakhel) = zal het gegeten worden | לֹא (lo) = niet | תוֹצִ֧יא (totsi) = breng uit | מִן (min) = uit | הַבַּ֛יִת (habayit) = het huis | מִן (min) = van | הַבָּשָׂ֖ר (habasar) = het vlees | ח֑וּצָה (chutsa) = naar buiten | וְעֶ֖צֶם (veetsem) = en een bot | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁבְּרוּ (tishberu) = zult breken | בֽוֹ (bo) = daarvan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Geen been breken’: Joh. 19:36 past dit op Jezus toe (vergelijk ook Num. 9:12; Ps. 34:21). Zie ook: Num 9:12; Ps 34:21; Joh 19:33; Joh 19:36; Ef 2:19–22 **12:47** **Heel de gemeenschap van Israël moet het houden.** Brontekst: כָּל (kal) = heel | עֲדַ֥ת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יַעֲשׂ֥וּ (yaasu) = zal doen | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:3; Ex 12:6; Num 9:13 **12:48** **Wanneer een vreemdeling bij je verblijft en het Pesach voor Yahweh wil houden, laat dan al zijn mannen besneden worden. Dan mag hij naderen om het te houden, en hij zal zijn als een inheemse van het land. Maar geen onbesnedene mag ervan eten.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָג֨וּר (yagur) = verblijft | אִתְּךָ֜ (itekha) = bij jou | גֵּ֗ר (ger) = een vreemdeling | וְעָ֣שָׂה (veasa) = en hij viert | פֶסַח֮ (pesach) = pesach | לַיהוָה֒ (laYahweh) = voor Yahweh | הִמּ֧וֹל (himol) = laat besnijden | ל֣וֹ (lo) = voor hem | כָל (kal) = elke | זָכָ֗ר (zakhar) = man | וְאָז֙ (veaz) = en dan | יִקְרַ֣ב (yiqrav) = mag hij naderen | לַעֲשֹׂת֔וֹ (laasoto) = om het te vieren | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en hij zal zijn | כְּאֶזְרַ֣ח (keezrach) = als een inheemse | הָאָ֑רֶץ (haarets) = van het land | וְכָל (vekhal) = en geen | עָרֵ֖ל (arel) = onbesnedene | לֹֽא (lo) = niet | יֹ֥אכַל (yokhal) = zal eten | בּֽוֹ (bo) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vreemdeling die het Pesach wil houden, moet besneden zijn; dan geldt dezelfde wet voor hem als voor de inheemse (vers 49; Num. 9:14). Zie ook: Ex 12:43; Ex 12:49; Num 9:14; Num 15:15–16; Gal 3:28; Kol 3:11 **12:49** **Eén wet geldt voor de inheemse en voor de vreemdeling die in jullie midden verblijft.”** Brontekst: תּוֹרָ֣ה (tora) = één | אַחַ֔ת (achat) = wet | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | לָֽאֶזְרָ֑ח (laezrach) = voor de inheemse | וְלַגֵּ֖ר (velager) = en voor de vreemdeling | הַגָּ֥ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכְכֶֽם (betokhekhem) = in jullie midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 24:22; Num 9:14; Num 15:15–16; Num 15:29; Gal 3:28 **12:50** Alle zonen van Israël deden zoals Yahweh Mozes en Aäron had geboden; zo deden zij. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂ֖וּ (vayaasu) = en deden | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשֽׂוּ (asu) = deden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:4; Deut 13:1; Mat 28:20; Joh 13:17; Joh 15:14 **12:51** Op precies diezelfde dag leidde Yahweh de zonen van Israël naar hun legerscharen uit het land Egypte. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het geschiedde | בְּעֶ֖צֶם (beetsem) = op de zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | הוֹצִ֨יא (hotsi) = leidde uit | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = naar | צִבְאֹתָֽם (tsivotam) = hun legerscharen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit vers sluit af wat in vers 41 begon: ‘op precies diezelfde dag’ trok Israël uit, naar legerscharen. Zie ook: Ex 6:26; Ex 12:41 ## Exodus 13 _De eerstgeborenen, de ongezuurde broden en de weg door de woestijn_ ### De eerstgeborenen zijn voor Yahweh **13:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:2** **„Wijd Mij elke eerstgeborene, elke eerste die de moederschoot opent onder de zonen van Israël, bij mens en dier. Hij is van Mij.”** Brontekst: קַדֶּשׁ (qadesh) = wijd | לִ֨י (li) = aan Mij | כָל (kal) = elke | בְּכ֜וֹר (bekhor) = eerstgeborene | פֶּ֤טֶר (peter) = opener van | כָּל (kal) = elke | רֶ֨חֶם֙ (rechem) = moederschoot | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בָּאָדָ֖ם (baadam) = bij mens | וּבַבְּהֵמָ֑ה (uvabehema) = en bij dier | לִ֖י (li) = van Mij | הֽוּא (hu) = is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘opener van de moederschoot’, is de eerstgeborene. Zowel mens als dier is aan Yahweh gewijd; zie 22:28–29; 34:19–20; Num. 3:11–13; 18:15–16. Zie ook: Ex 22:28–29; Num 3:11–13; Num 3:13; Num 8:16–17; Num 18:15; Deut 15:19; Luc 2:23 ### Gedenk deze dag **13:3** Mozes zei tot het volk: „Gedenk deze dag waarop jullie uit Egypte, uit het slavenhuis, zijn getrokken. Want met sterke hand heeft Yahweh jullie hieruit geleid. Er mag niets gezuurds gegeten worden. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָעָ֗ם (haam) = het volk | זָכ֞וֹר (zakhor) = gedenk | אֶת (et) = (obj.) | הַיּ֤וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | יְצָאתֶ֤ם (yetsatem) = jullie uittrokken | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = uit Egypte | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִ֔ים (avadim) = slaven | כִּ֚י (ki) = want | בְּחֹ֣זֶק (bechozeq) = met sterkte van | יָ֔ד (yad) = hand | הוֹצִ֧יא (hotsi) = leidde uit | יְהֹוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִזֶּ֑ה (mize) = vanhier | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יֵאָכֵ֖ל (yeakhel) = zal gegeten worden | חָמֵֽץ (chamets) = gezuurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 20:2; Deut 5:6; Deut 5:15; Deut 16:12; Deut 24:18 **13:4** Vandaag trekken jullie uit, in de maand Aviv. Brontekst: הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | יֹצְאִ֑ים (yotseim) = uittrekkende | בְּחֹ֖דֶשׁ (bechodesh) = in de maand | הָאָבִֽיב (haaviv) = Aviv Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aviv (הָאָבִיב, ha’aviv) is de maand waarin de gerst in aar staat (vergelijk 9:31); later heet zij Nisan (Neh. 2:1; Est. 3:7). Zie ook: Ex 12:2; Ex 23:15; Ex 34:18; Deut 16:1–3; Est 3:7; Neh 2:1 **13:5** Wanneer Yahweh je brengt in het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, dat Hij aan je vaders gezworen heeft je te geven, een land dat overvloeit van melk en honing, dan moet je deze dienst houden in deze maand. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | כִֽי (ki) = wanneer | יְבִֽיאֲךָ֣ (yeviakha) = zal brengen jou | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַֽ֠כְּנַעֲנִי (hakenaani) = de Kanaäniet | וְהַחִתִּ֨י (vehachiti) = en de Hethiet | וְהָאֱמֹרִ֜י (vehaemori) = en de Amoriet | וְהַחִוִּ֣י (vehachivi) = en de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִ֗י (vehayvusi) = en de Jebusiet | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֤ע (nishba) = Hij zwoer | לַאֲבֹתֶ֨יךָ֙ (laavoteikha) = aan je vaders | לָ֣תֶת (latet) = om te geven | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | אֶ֛רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = vloeiend van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָ֑שׁ (udevash) = en honing | וְעָבַדְתָּ֛ (veavadta) = dan zul je houden | אֶת (et) = (obj.) | הָעֲבֹדָ֥ה (haavoda) = de dienst | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De volkerenlijst heeft hier vijf namen (zonder Perizzieten); zie 3:8, 17 voor zes. Zie ook: Ex 3:8; Ex 6:8; Ex 12:25–26; Ex 34:11; Joz 24:11 **13:6** Zeven dagen moet je ongezuurde broden eten, en op de zevende dag is er een feest voor Yahweh. Brontekst: שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | תֹּאכַ֣ל (tokhal) = zul je eten | מַצֹּ֑ת (matsot) = ongezuurde broden | וּבַיּוֹם֙ (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = zevende | חַ֖ג (chag) = feest | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:15–20; Ex 34:18; Lev 23:8 **13:7** Ongezuurde broden moeten gedurende de zeven dagen gegeten worden. Er mag bij jou niets gezuurds gezien worden, en er mag bij jou geen zuurdeeg gezien worden in heel je gebied. Brontekst: מַצּוֹת֙ (matsot) = ongezuurde broden | יֵֽאָכֵ֔ל (yeakhel) = zullen gegeten worden | אֵ֖ת (et) = (obj.) | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = de zeven | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = dagen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵרָאֶ֨ה (yerae) = zal gezien worden | לְךָ֜ (lekha) = bij jou | חָמֵ֗ץ (chamets) = gezuurd | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵרָאֶ֥ה (yerae) = zal gezien worden | לְךָ֛ (lekha) = bij jou | שְׂאֹ֖ר (seor) = zuurdeeg | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּבֻלֶֽךָ (gevulekha) = je gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:19; Mat 16:6 **13:8** Op die dag moet je tot je zoon zeggen: ‘Dit is vanwege wat Yahweh voor mij heeft gedaan toen ik uit Egypte trok.’ Brontekst: וְהִגַּדְתָּ֣ (vehigadta) = en je zult vertellen | לְבִנְךָ֔ (levinkha) = aan je zoon | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בַּעֲב֣וּר (baavur) = omwille van | זֶ֗ה (ze) = dit | עָשָׂ֤ה (asa) = deed | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִ֔י (li) = voor mij | בְּצֵאתִ֖י (betseti) = toen ik uittrok | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:26–27; Ex 13:14; Ps 44:2; Ps 78:3–8; Jes 38:19 **13:9** Het zal voor jou een teken zijn op je hand en een gedachtenis tussen je ogen, opdat de wet van Yahweh in je mond is. Want met sterke hand heeft Yahweh je uit Egypte geleid. Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | לְךָ֨ (lekha) = voor jou | לְא֜וֹת (leot) = tot een teken | עַל (al) = op | יָדְךָ֗ (yadekha) = je hand | וּלְזִכָּרוֹן֙ (ulezikaron) = en tot een gedachtenis | בֵּ֣ין (bein) = tussen | עֵינֶ֔יךָ (eineikha) = je ogen | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | תִּהְיֶ֛ה (tihye) = zal zijn | תּוֹרַ֥ת (torat) = de wet van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּפִ֑יךָ (befikha) = in je mond | כִּ֚י (ki) = want | בְּיָ֣ד (beyad) = met hand | חֲזָקָ֔ה (chazaqa) = sterke | הוֹצִֽאֲךָ֥ (hotsiakha) = leidde je uit | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Een teken op je hand en een gedachtenis tussen je ogen’ is een beeldspraak voor het voortdurend gedenken van Yahweh’s daad; later is het letterlijk opgevat in de gebedsriemen (tefillin; zie Deut. 6:8; 11:18). Zie ook: Ex 12:14; Ex 13:16; Num 15:39; Deut 6:8; Deut 11:18–19 **13:10** Je moet deze verordening houden op haar vastgestelde tijd, van jaar tot jaar. Brontekst: וְשָׁמַרְתָּ֛ (veshamarta) = en je zult houden | אֶת (et) = (obj.) | הַחֻקָּ֥ה (hachuqa) = de verordening | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לְמוֹעֲדָ֑הּ (lemoadah) = op haar tijd | מִיָּמִ֖ים (miyamim) = van jaar | יָמִֽימָה (yamima) = tot jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:14; Ex 12:24–25; Ex 23:15; Lev 23:6; Deut 16:3–4 **13:11** Wanneer Yahweh je brengt in het land van de Kanaänieten, zoals Hij jou en je vaders gezworen heeft, en het aan jou geeft, Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יְבִֽאֲךָ֤ (yeviakha) = zal brengen jou | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaäniet | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = Hij zwoer | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | וְלַֽאֲבֹתֶ֑יךָ (velaavoteikha) = en aan je vaders | וּנְתָנָ֖הּ (unetanah) = en het zal geven | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:5 **13:12** dan moet je alles wat de moederschoot opent aan Yahweh overdragen, en ook elke eerste worp van het vee dat jij hebt. De mannelijke zijn van Yahweh. Brontekst: וְהַעֲבַרְתָּ֥ (vehaavarta) = dan zul je overdragen | כָל (kal) = elke | פֶּֽטֶר (peter) = opener van | רֶ֖חֶם (rechem) = moederschoot | לַֽיהֹוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְכָל (vekhal) = en elke | פֶּ֣טֶר (peter) = eerste van | שֶׁ֣גֶר (sheger) = worp van | בְּהֵמָ֗ה (behema) = vee | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֛ (lekha) = aan jou | הַזְּכָרִ֖ים (hazekharim) = de mannetjes | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:28; Ex 34:19; Lev 27:26; Num 18:15; Ezech 44:30 **13:13** Elke eerste ezel moet je lossen met een lam; en als je hem niet lost, moet je zijn nek breken. Elke eerstgeborene van de mensen onder je zonen moet je lossen. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elke | פֶּ֤טֶר (peter) = eerste van | חֲמֹר֙ (chamor) = ezel | תִּפְדֶּ֣ה (tifde) = zul je lossen | בְשֶׂ֔ה (bese) = met een lam | וְאִם (veim) = en indien | לֹ֥א (lo) = niet | תִפְדֶּ֖ה (tifde) = je lost | וַעֲרַפְתּ֑וֹ (vaarafto) = dan zul je zijn nek breken | וְכֹ֨ל (vekhol) = en elke | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | אָדָ֛ם (adam) = mens | בְּבָנֶ֖יךָ (bevaneikha) = onder je zonen | תִּפְדֶּֽה (tifde) = zul je lossen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een eerste ezel kan niet geofferd worden (ezels zijn onrein; Lev. 11:2–3), daarom moet hij worden gelost met een lam. Wordt hij niet gelost, dan wordt zijn nek gebroken. Zie ook: Ex 12:21; Ex 34:20; Lev 11:2–3; Num 3:46–51; Num 18:15–17; Openb 14:4 **13:14** En wanneer je zoon je later vraagt: ‘Wat is dit?’, dan moet je tot hem zeggen: ‘Met sterke hand heeft Yahweh ons uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid. Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יִשְׁאָלְךָ֥ (yishalekha) = zal vragen jou | בִנְךָ֛ (binkha) = je zoon | מָחָ֖ר (machar) = morgen | לֵאמֹ֣ר (lemor) = zeggende | מַה (ma) = wat | זֹּ֑את (zot) = dit | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = dan zul je zeggen | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | בְּחֹ֣זֶק (bechozeq) = met sterkte van | יָ֗ד (yad) = hand | הוֹצִיאָ֧נוּ (hotsianu) = leidde ons uit | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מִמִּצְרַ֖יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִֽים (avadim) = slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:26–27; Ex 13:3; Ex 13:9; Joz 4:6; Ps 145:4 **13:15** Toen de farao zich verhardde en ons niet wilde laten gaan, doodde Yahweh elke eerstgeborene in het land Egypte, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee. Daarom offer ik aan Yahweh alle mannelijke dieren die de moederschoot openen, en elke eerstgeborene van mijn zonen los ik.’ Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | כִּֽי (ki) = toen | הִקְשָׁ֣ה (hiqsha) = hij zich verhardde | פַרְעֹה֮ (paro) = de farao | לְשַׁלְּחֵנוּ֒ (leshalechenu) = om ons te laten gaan | וַיַּהֲרֹ֨ג (vayaharog) = toen doodde | יְהֹוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = elke | בְּכוֹר֙ (bekhor) = eerstgeborene | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבְּכֹ֥ר (mibekhor) = van de eerstgeborene van | אָדָ֖ם (adam) = mens | וְעַד (vead) = tot | בְּכ֣וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | בְּהֵמָ֑ה (behema) = vee | עַל (al) = op | כֵּן֩ (ken) = zo | אֲנִ֨י (ani) = ik | זֹבֵ֜חַ (zoveach) = offer | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = aan Yahweh | כָּל (kal) = elke | פֶּ֤טֶר (peter) = opener van | רֶ֨חֶם֙ (rechem) = moederschoot | הַזְּכָרִ֔ים (hazekharim) = de mannetjes | וְכָל (vekhal) = en elke | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | בָּנַ֖י (banay) = mijn zonen | אֶפְדֶּֽה (efde) = los ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:29 **13:16** Het zal een teken zijn op je hand en een voorhoofdsband tussen je ogen, want met sterke hand heeft Yahweh ons uit Egypte geleid.” Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | לְאוֹת֙ (leot) = tot een teken | עַל (al) = op | יָ֣דְכָ֔ה (yadekha) = je hand | וּלְטוֹטָפֹ֖ת (uletotafot) = en tot een voorhoofdsband | בֵּ֣ין (bein) = tussen | עֵינֶ֑יךָ (eineikha) = je ogen | כִּ֚י (ki) = want | בְּחֹ֣זֶק (bechozeq) = met sterkte van | יָ֔ד (yad) = hand | הוֹצִיאָ֥נוּ (hotsianu) = leidde ons uit | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: טוֹטָפֹת (totafot) betekent ‘voorhoofdsband’ of ‘hoofdband’; de oorsprong van het woord is onzeker. Zie ook: Ex 12:13; Ex 13:9; Ex 13:14; Deut 6:7–9; Deut 11:18 ### Elohim leidt Zijn volk **13:17** Toen de farao het volk had laten gaan, leidde Elohim hen niet langs de weg door het land van de Filistijnen, hoewel die dichtbij was. Want Elohim zei: **„Het volk zou berouw kunnen krijgen als het oorlog ziet, en naar Egypte terugkeren.”** Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | בְּשַׁלַּ֣ח (beshalach) = toen liet gaan | פַּרְעֹה֮ (paro) = de farao | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֒ (haam) = het volk | וְלֹא (velo) = en niet | נָחָ֣ם (nacham) = leidde hen | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = de weg van | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | כִּ֥י (ki) = omdat | קָר֖וֹב (qarov) = nabij | ה֑וּא (hu) = het is | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | פֶּֽן (pen) = opdat niet | יִנָּחֵ֥ם (yinachem) = zich bedenkt | הָעָ֛ם (haam) = het volk | בִּרְאֹתָ֥ם (birotam) = bij hun zien van | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | וְשָׁ֥בוּ (veshavu) = en terugkeren | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De weg door het land van de Filistijnen, ‘de weg langs de zee’, liep langs de Middellandse Zee naar Kanaän. Elohim liet het volk via de woestijn naar de Rietzee omkeren. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De Egyptische forten langs deze kustweg zouden Israël hebben afgeschrikt. Zie ook: Ex 14:11–12; Num 14:1–4; Neh 9:17; Luc 14:27–32; Hand 7:39 **13:18** Elohim liet het volk omkeren langs de weg door de woestijn, naar de Rietzee. Gewapend trokken de zonen van Israël op uit het land Egypte. Brontekst: וַיַּסֵּ֨ב (vayasev) = en liet omkeren | אֱלֹהִ֧ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֛ם (haam) = het volk | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = de weg van | הַמִּדְבָּ֖ר (hamidbar) = de woestijn | יַם (yam) = zee van | ס֑וּף (suf) = Riet | וַחֲמֻשִׁ֛ים (vachamushim) = en gewapend | עָל֥וּ (alu) = trokken op | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חֲמֻשִׁים (chamushim) is ‘gewapend’ of ‘in vijf rijen’; de betekenis is onzeker. De Griekse vertaling heeft ‘in de vijfde generatie’; wij vertalen ‘gewapend’. Zie ook: Ex 12:51; Ex 14:2; Num 33:6–8; Deut 32:10; Joz 1:14 ### De beenderen van Jozef **13:19** Mozes nam de beenderen van Jozef met zich mee. Want Jozef had de zonen van Israël plechtig laten zweren: „Elohim zal jullie zeker bezoeken. Dan moeten jullie mijn beenderen met je meenemen van hier.” Brontekst: וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | עַצְמ֥וֹת (atsmot) = de beenderen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | עִמּ֑וֹ (imo) = met zich | כִּי֩ (ki) = want | הַשְׁבֵּ֨עַ (hashbea) = beëdigen | הִשְׁבִּ֜יעַ (hishbia) = hij had beëdigd | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | פָּקֹ֨ד (paqod) = bezoeken | יִפְקֹ֤ד (yifqod) = zal bezoeken | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְהַעֲלִיתֶ֧ם (vehaalitem) = en jullie zullen opvoeren | אֶת (et) = (obj.) | עַצְמֹתַ֛י (atsmotay) = mijn beenderen | מִזֶּ֖ה (mize) = vanhier | אִתְּכֶֽם (itekhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jozef had in Gen. 50:25 zijn broers laten zweren dat zij zijn beenderen met zich zouden meenemen. Zie ook Joz. 24:32; Hebr. 11:22. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 46:5 bevestigt dit. Zie ook: Gen 48:21; Gen 50:24–25; Gen 50:25; Jub 46:5; Joz 24:32; Luc 1:58; Hand 7:16; Heb 11:22 **13:20** Zij braken op uit Sukkot en legerden zich in Etam, aan de rand van de woestijn. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en braken op | מִסֻּכֹּ֑ת (misukot) = van Sukkot | וַיַּחֲנ֣וּ (vayachanu) = en legerden zich | בְאֵתָ֔ם (beetam) = in Etam | בִּקְצֵ֖ה (biqtse) = aan het uiteinde van | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Etam lag aan de rand van de woestijn, ten oosten van Egypte; de exacte plaats is onbekend. Zie Sukkot: Dit Sukkot lag in het oosten van de Nijldelta, in het Wadi Tumilat (misschien Tell el-Maskhuta); het is een andere plaats dan het Sukkot ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Ex 12:37; Num 33:5–6 **13:21** Yahweh ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en ’s nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij overdag en ’s nachts konden gaan. Brontekst: וַֽיהוָ֡ה (vaYahweh) = en Yahweh | הֹלֵךְ֩ (holekh) = ging | לִפְנֵיהֶ֨ם (lifneihem) = voor hen uit | יוֹמָ֜ם (yomam) = overdag | בְּעַמּ֤וּד (beamud) = in een zuil van | עָנָן֙ (anan) = wolk | לַנְחֹתָ֣ם (lanchotam) = om hen te leiden | הַדֶּ֔רֶךְ (haderekh) = de weg | וְלַ֛יְלָה (velayla) = en ’s nachts | בְּעַמּ֥וּד (beamud) = in een zuil van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | לְהָאִ֣יר (lehair) = om te verlichten | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | לָלֶ֖כֶת (lalekhet) = om te gaan | יוֹמָ֥ם (yomam) = overdag | וָלָֽיְלָה (valayela) = en ’s nachts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wolk- en vuurkolom is het zichtbare teken van Yahweh’s aanwezigheid en leiding. Zie 14:19–24; 40:34–38; Num. 9:15–23. Zie ook: Num 9:15–23; Deut 1:33; Ps 99:7; Neh 9:12; Neh 9:19; 1 Kor 10:1–2 **13:22** De wolkkolom week overdag niet en de vuurkolom ’s nachts niet van voor het volk. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָמִ֞ישׁ (yamish) = week | עַמּ֤וּד (amud) = zuil van | הֶֽעָנָן֙ (heanan) = de wolk | יוֹמָ֔ם (yomam) = overdag | וְעַמּ֥וּד (veamud) = en zuil van | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | לָ֑יְלָה (layela) = ’s nachts | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 121:5–8; Openb 10:1 ## Exodus 14 _De doortocht door de Rietzee_ ### Kamperen bij de zee **14:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:1; Ex 13:1 **14:2** **„Spreek tot de zonen van Israël: laat hen terugkeren en zich legeren voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee, tegenover Baäl-Sefon. Daartegenover moeten jullie je legeren, aan de zee.** Brontekst: דַּבֵּר֮ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וְיָשֻׁ֗בוּ (veyashuvu) = laat hen terugkeren | וְיַחֲנוּ֙ (veyachanu) = en legeren zich | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | פִּ֣י (pi) = de mond van | הַחִירֹ֔ת (hachirot) = Hachirot | בֵּ֥ין (bein) = tussen | מִגְדֹּ֖ל (migdol) = Migdol | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | בַּ֣עַל (baal) = Baäl | צְפֹ֔ן (tsefon) = Sefon | נִכְח֥וֹ (nikhcho) = er tegenover | תַחֲנ֖וּ (tachanu) = zullen jullie kamperen | עַל (al) = aan | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Pi-Hachirot, Migdol en Baäl-Sefon lagen in het oostelijke deel van de Nijldelta of aan de rand van de woestijn, dicht bij de Rietzee; hun exacte ligging is onzeker. Zie ook Num. 33:7. Voetnoot Uitleg: Israël moet terugkeren (shuv) en zich legeren bij de zee. Dat lijkt een verkeerde keuze, maar het is Yahweh’s plan (vers 3–4). Zie ook: Ex 13:17–18; Ex 14:3–4; Ex 14:9; Num 33:7–8; Jer 44:1; Jer 46:14 **14:3** **De farao zal over de zonen van Israël zeggen: ‘Zij dwalen verward door het land, de woestijn heeft hen ingesloten.’** Brontekst: וְאָמַ֤ר (veamar) = en zal zeggen | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | לִבְנֵ֣י (livnei) = over de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נְבֻכִ֥ים (nevukhim) = verward | הֵ֖ם (hem) = zijn zij | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | סָגַ֥ר (sagar) = heeft gesloten | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = hen | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:3–4; Ps 71:11; Ps 139:4; Ezech 38:17; Hand 4:28 **14:4** **Ik zal het hart van de farao sterk maken, en hij zal hen achtervolgen. Zo zal Ik verheerlijkt worden in de farao en in heel zijn leger, en de Egyptenaren zullen weten dat Ik Yahweh ben.”** Zij deden zo. Brontekst: וְחִזַּקְתִּ֣י (vechizaqti) = en Ik zal sterk maken | אֶת (et) = (obj.) | לֵב (lev) = het hart van | פַּרְעֹה֮ (paro) = de farao | וְרָדַ֣ף (veradaf) = en hij zal achtervolgen | אַחֲרֵיהֶם֒ (achareihem) = hen | וְאִכָּבְדָ֤ה (veikaveda) = en Ik zal verheerlijkt worden | בְּפַרְעֹה֙ (befaro) = in de farao | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | חֵיל֔וֹ (cheilo) = zijn leger | וְיָדְע֥וּ (veyadeu) = en zullen weten | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en zij deden | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verheerlijken van Yahweh (כָּבֵד, kaved) in de farao staat tegenover het ‘zwaar maken’ van het hart van de farao in 7:14; 8:11. Beide zijn van dezelfde Hebreeuwse wortel. Zie ook: Ex 7:3; Ex 7:5; Ex 9:16; Rom 9:17; Rom 9:22–23 ### De farao achtervolgt Israël **14:5** Toen men de koning van Egypte meldde dat het volk gevlucht was, veranderde het hart van de farao en van zijn dienaren jegens het volk. Zij zeiden: „Wat hebben wij gedaan, dat wij Israël van onze dienst hebben laten gaan?” Brontekst: וַיֻּגַּד֙ (vayugad) = en werd gemeld | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֥י (ki) = dat | בָרַ֖ח (barach) = gevlucht was | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַ֠יֵּהָפֵךְ (vayehafekh) = en werd veranderd | לְבַ֨ב (levav) = het hart van | פַּרְעֹ֤ה (paro) = de farao | וַעֲבָדָיו֙ (vaavadav) = en zijn dienaren | אֶל (el) = jegens | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיֹּֽאמרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | מַה (ma) = wat | זֹּ֣את (zot) = dit | עָשִׂ֔ינוּ (asinu) = hebben wij gedaan | כִּֽי (ki) = dat | שִׁלַּ֥חְנוּ (shilachnu) = wij lieten gaan | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵעָבְדֵֽנוּ (meavedenu) = van onze dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:33; Ps 105:25; Jer 34:10–17; Luc 11:24–26; 2 Petr 2:20–22 **14:6** Hij spande zijn wagen aan en nam zijn volk met zich mee. Brontekst: וַיֶּאְסֹ֖ר (vayesor) = en hij spande aan | אֶת (et) = (obj.) | רִכְבּ֑וֹ (rikhbo) = zijn wagen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | לָקַ֥ח (laqach) = nam hij | עִמּֽוֹ (imo) = met zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:7** Hij nam zeshonderd uitgelezen wagens en alle wagens van Egypte, met aanvoerders op elk ervan. Brontekst: וַיִּקַּ֗ח (vayiqach) = en hij nam | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | רֶ֨כֶב֙ (rekhev) = wagens | בָּח֔וּר (bachur) = uitgelezen | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | רֶ֣כֶב (rekhev) = wagens van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְשָׁלִשִׁ֖ם (veshalishim) = en aanvoerders | עַל (al) = op | כֻּלּֽוֹ (kulo) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 14:23; Ex 15:4; Re 4:3; Ps 20:8; Jes 37:24 **14:8** Yahweh maakte het hart van de farao, de koning van Egypte, sterk, en hij achtervolgde de zonen van Israël. De zonen van Israël trokken uit met opgeheven hand. Brontekst: וַיְחַזֵּ֣ק (vaychazeq) = en maakte sterk | יְהֹוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֤ב (lev) = het hart van | פַּרְעֹה֙ (paro) = de farao | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיִּרְדֹּ֕ף (vayirdof) = en hij achtervolgde | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יֹצְאִ֖ים (yotseim) = uittrekkende | בְּיָ֥ד (beyad) = met hand | רָמָֽה (rama) = opgeheven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בְּיָד רָמָה (beyad ramah), ‘met opgeheven hand’, kan ‘triomfantelijk’ of ‘vrijmoedig’ betekenen; het komt ook voor in Num. 33:3. Zie ook: Ex 13:16; Ex 14:4; Num 33:3; Deut 26:8; Hand 13:17 **14:9** De Egyptenaren achtervolgden hen en haalden hen in terwijl zij aan de zee gelegerd waren: alle paarden en wagens van de farao, zijn ruiters en zijn leger, bij Pi-Hachirot, tegenover Baäl-Sefon. Brontekst: וַיִּרְדְּפ֨וּ (vayirdefu) = en achtervolgden | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | אַחֲרֵיהֶ֗ם (achareihem) = hen | וַיַּשִּׂ֤יגוּ (vayasigu) = en haalden in | אוֹתָם֙ (otam) = hen | חֹנִ֣ים (chonim) = gelegerd | עַל (al) = aan | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | כָּל (kal) = alle | סוּס֙ (sus) = paard | רֶ֣כֶב (rekhev) = wagen van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | וּפָרָשָׁ֖יו (ufarashav) = en zijn ruiters | וְחֵיל֑וֹ (vecheilo) = en zijn leger | עַל (al) = bij | פִּי֙ (pi) = de mond van | הַֽחִירֹ֔ת (hachirot) = Hachirot | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | צְפֹֽן (tsefon) = Sefon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Pi-Hachirot: Pi-Hachirot lag bij de Rietzee, tegenover Baäl-Sefon. De precieze plaats is niet bekend. Zie Baäl-Sefon: Baäl-Sefon lag bij de Rietzee, tegenover Pi-Hachirot. De precieze plaats is niet bekend. Zie ook: Ex 14:2; Ex 15:9; Joz 24:6 ### Israël roept in angst **14:10** Toen de farao dichterbij kwam, sloegen de zonen van Israël hun ogen op, en zie, de Egyptenaren trokken achter hen aan. Zij werden zeer bang, en de zonen van Israël riepen tot Yahweh. Brontekst: וּפַרְעֹ֖ה (ufaro) = en de farao | הִקְרִ֑יב (hiqriv) = kwam dichterbij | וַיִּשְׂאוּ֩ (vayisu) = en sloegen op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | עֵינֵיהֶ֜ם (eineihem) = hun ogen | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | מִצְרַ֣יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | נֹסֵ֣עַ (nosea) = trokken | אַחֲרֵיהֶ֗ם (achareihem) = achter hen | וַיִּֽירְאוּ֙ (vayireu) = en zij vreesden | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַיִּצְעֲק֥וּ (vayitsaqu) = en riepen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 24:7; Ps 34:18; Ps 107:6; Neh 9:9; Mat 8:25–26 **14:11** Zij zeiden tot Mozes: „Waren er soms geen graven in Egypte, dat je ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Wat heb je ons aangedaan door ons uit Egypte te leiden? Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֮ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | הַֽמִבְּלִ֤י (hamibeli) = was het omdat | אֵין (ein) = er geen zijn | קְבָרִים֙ (qevarim) = graven | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | לְקַחְתָּ֖נוּ (leqachtanu) = dat je ons nam | לָמ֣וּת (lamut) = om te sterven | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | מַה (ma) = wat | זֹּאת֙ (zot) = dit | עָשִׂ֣יתָ (asita) = heb je gedaan | לָּ֔נוּ (lanu) = met ons | לְהוֹצִיאָ֖נוּ (lehotsianu) = door ons uit te leiden | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De zonen van Israël beginnen te klagen. Zij vergelijken het sterven in de woestijn met het leven in Egypte en spotten met Mozes. Zie ook 16:3; 17:3; Num. 14:2–4; 20:3–5. Zie ook: Ex 15:23–24; Ex 16:2–3; Ex 17:2–3; Num 14:1–4; Num 14:2–4; Num 20:3; Ps 106:7–8 **14:12** Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot je spraken: ‘Laat ons met rust, laat ons Egypte dienen’? Want het is beter voor ons Egypte te dienen dan in de woestijn te sterven.” Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | דִּבַּ֨רְנוּ (dibarnu) = wij spraken | אֵלֶ֤יךָ (eleikha) = tot jou | בְמִצְרַ֨יִם֙ (bemitsrayim) = in Egypte | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | חֲדַ֥ל (chadal) = laat af | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van ons | וְנַֽעַבְדָ֣ה (venaavda) = en laten wij dienen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֣י (ki) = want | ט֥וֹב (tov) = beter | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | עֲבֹ֣ד (avod) = dienen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מִמֻּתֵ֖נוּ (mimutenu) = dan ons sterven | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 3:9; Ex 5:21; Ex 6:9; Jona 4:3; Jona 4:8 **14:13** Mozes zei tot het volk: „Wees niet bang. Blijf staan en zie de redding van Yahweh, die Hij vandaag voor jullie zal werken. Want de Egyptenaren die jullie vandaag zien, zullen jullie nooit meer zien, tot in eeuwigheid. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָעָם֮ (haam) = het volk | אַל (al) = niet | תִּירָאוּ֒ (tirau) = vrees | הִֽתְיַצְב֗וּ (hityatsvu) = ga staan | וּרְאוּ֙ (ureu) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | יְשׁוּעַ֣ת (yeshuat) = de redding van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = Hij zal werken | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | כִּ֗י (ki) = want | אֲשֶׁ֨ר (asher) = zoals | רְאִיתֶ֤ם (reitem) = jullie hebben gezien | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = de Egyptenaren | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | לֹ֥א (lo) = niet | תֹסִ֛יפוּ (tosifu) = zullen jullie toevoegen | לִרְאֹתָ֥ם (lirotam) = hen te zien | ע֖וֹד (od) = nog | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Blijf staan en zie de redding van Yahweh’: Israël hoeft niet te vechten. Vergelijk 2 Kron. 20:17. Zie ook: Ex 14:30; 2 Kon 6:16; 2 Kron 20:15; 2 Kron 20:17; Jes 41:10–14 **14:14** Yahweh zal voor jullie strijden, en jullie zullen zwijgen.” Brontekst: יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִלָּחֵ֣ם (yilachem) = zal strijden | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | תַּחֲרִישֽׁוּן (tacharishun) = zullen zwijgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Yahweh zal voor jullie strijden’: Yahweh is de krijgsman (15:3). Deut. 3:22; Joz. 10:14. Zie ook: Deut 1:30; Deut 3:22; Deut 20:4; Joz 10:14; Joz 23:3; 2 Kron 20:17 **14:15** Yahweh zei tot Mozes: **„Wat roep je tot Mij? Spreek tot de zonen van Israël dat zij opbreken.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מַה (ma) = wat | תִּצְעַ֖ק (titsaq) = roep je | אֵלָ֑י (elay) = tot Mij | דַּבֵּ֥ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְיִסָּֽעוּ (veyisau) = en laat hen opbreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 17:4; Joz 7:10; Ezra 10:4–5; Neh 9:9 **14:16** **En jij, hef je staf op, strek je hand uit over de zee en splijt haar, zodat de zonen van Israël midden door de zee op het droge kunnen gaan.** Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | הָרֵ֣ם (harem) = hef op | אֶֽת (et) = (obj.) | מַטְּךָ֗ (matekha) = je staf | וּנְטֵ֧ה (unete) = en strek uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדְךָ֛ (yadekha) = je hand | עַל (al) = over | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | וּבְקָעֵ֑הוּ (uveqaehu) = en splijt haar | וְיָבֹ֧אוּ (veyavou) = en laten komen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | בַּיַּבָּשָֽׁה (bayabasha) = op het droge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּקַע (baqa), ‘splijten’, wordt ook van de zee gezegd in Ps. 78:13 en Neh. 9:11. Zie ook: Ex 4:2; Ex 4:17; Ex 4:20; Ex 7:19; Ex 14:26; Ps 78:13; Neh 9:11 **14:17** **Zie, Ik ga het hart van de Egyptenaren sterk maken, en zij zullen achter hen aan komen. Zo zal Ik verheerlijkt worden in de farao en in heel zijn leger, in zijn wagens en zijn ruiters.** Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en Ik | הִנְנִ֤י (hinni) = zie, Ik | מְחַזֵּק֙ (mechazeq) = maak sterk | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֣ב (lev) = het hart van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | וְיָבֹ֖אוּ (veyavou) = en zij zullen komen | אַחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = achter hen | וְאִכָּבְדָ֤ה (veikaveda) = en Ik zal verheerlijkt worden | בְּפַרְעֹה֙ (befaro) = in de farao | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | חֵיל֔וֹ (cheilo) = zijn leger | בְּרִכְבּ֖וֹ (berikhbo) = in zijn wagens | וּבְפָרָשָֽׁיו (uvefarashav) = en in zijn ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:4; Ex 14:8; Deut 32:39; Ezech 34:11; Ezech 34:20 **14:18** **De Egyptenaren zullen weten dat Ik Yahweh ben wanneer Ik verheerlijkt word in de farao, in zijn wagens en zijn ruiters.”** Brontekst: וְיָדְע֥וּ (veyadeu) = en zullen weten | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּהִכָּבְדִ֣י (behikavedi) = wanneer Ik verheerlijkt word | בְּפַרְעֹ֔ה (befaro) = in de farao | בְּרִכְבּ֖וֹ (berikhbo) = in zijn wagens | וּבְפָרָשָֽׁיו (uvefarashav) = en in zijn ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:5; Ex 7:17; Ex 14:4 ### De wolkkolom tussen de kampen **14:19** De engel van Elohim, die voor het kamp van Israël uit ging, trok weg en ging achter hen. Ook de wolkkolom trok van voor hen weg en ging achter hen staan. Brontekst: וַיִּסַּ֞ע (vayisa) = en trok weg | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | הַהֹלֵךְ֙ (haholekh) = die ging | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | מֵאַחֲרֵיהֶ֑ם (meachareihem) = achter hen | וַיִּסַּ֞ע (vayisa) = en trok weg | עַמּ֤וּד (amud) = de zuil van | הֶֽעָנָן֙ (heanan) = de wolk | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = van voor hen | וַיַּֽעֲמֹ֖ד (vayaamod) = en ging staan | מֵאַחֲרֵיהֶֽם (meachareihem) = achter hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘engel van Elohim’ (מַלְאַךְ הָאֱלֹהִים, mal’akh ha’Elohim) en de wolkkolom zijn hier Yahweh’s aanwezigheid die het volk beschermt; zij gaan achter Israël staan. Zie ook: Ex 13:21–22; Ex 23:20–21; Ex 32:34; Num 20:16; Jes 63:9 **14:20** Hij kwam tussen het kamp van Egypte en het kamp van Israël. Er was wolk en duisternis, en de nacht werd verlicht. Heel die nacht kwam het ene kamp niet dichter bij het andere. Brontekst: וַיָּבֹ֞א (vayavo) = en kwam | בֵּ֣ין (bein) = tussen | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | וּבֵין֙ (uvein) = en tussen | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | הֶֽעָנָן֙ (heanan) = de wolk | וְהַחֹ֔שֶׁךְ (vehachoshekh) = en de duisternis | וַיָּ֖אֶר (vayaer) = en verlichtte | אֶת (et) = (obj.) | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = de nacht | וְלֹא (velo) = en niet | קָרַ֥ב (qarav) = kwam dichtbij | זֶ֛ה (ze) = deze | אֶל (el) = tot | זֶ֖ה (ze) = deze | כָּל (kal) = heel | הַלָּֽיְלָה (halayela) = de nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וַיְהִי הֶעָנָן וְהַחֹשֶׁךְ וַיָּאֶר אֶת־הַלָּיְלָה (vayehi he’anan vehachoshekh vaya’er et-hallailah) is moeilijk: ‘de wolk en de duisternis’ en toch ‘verlichtte de nacht’. Dat kan betekenen: voor Egypte was de wolk duisternis, voor Israël verlichtte hij de nacht. Wij volgen die lezing. Zie ook: Ps 18:12; Spr 4:18–19; Jes 8:14; 2 Kor 2:15–16 ### De doortocht door de zee **14:21** Mozes strekte zijn hand uit over de zee. Yahweh liet de zee heel die nacht wegvloeien door een sterke oostenwind en maakte de zee tot droog land. De wateren werden gesplitst. Brontekst: וַיֵּ֨ט (vayet) = en strekte uit | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יָדוֹ֮ (yado) = zijn hand | עַל (al) = over | הַיָּם֒ (hayam) = de zee | וַיּ֣וֹלֶךְ (vayolekh) = en liet gaan | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַ֠יָּם (hayam) = de zee | בְּר֨וּחַ (beruach) = door wind | קָדִ֤ים (qadim) = oost | עַזָּה֙ (aza) = sterke | כָּל (kal) = heel | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = de nacht | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | לֶחָרָבָ֑ה (lecharava) = tot droog land | וַיִּבָּקְע֖וּ (vayibaqeu) = en werden gesplitst | הַמָּֽיִם (hamayim) = de wateren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘oostenwind’ (רוּחַ קָדִים, ruach qadim) was ook de wind van de sprinkhanen (10:13). Hier droogt hij de zee op. Zie ook 15:8, 10. Zie ook: Ex 15:8; Ps 66:6; Ps 78:13; Jes 63:12; Neh 9:11 **14:22** De zonen van Israël gingen midden door de zee op het droge. En de wateren waren voor hen een muur aan hun rechter- en aan hun linkerhand. Brontekst: וַיָּבֹ֧אוּ (vayavou) = en kwamen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | בַּיַּבָּשָׁ֑ה (bayabasha) = op het droge | וְהַמַּ֤יִם (vehamayim) = en de wateren | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | חֹמָ֔ה (choma) = muur | מִֽימִינָ֖ם (miminam) = aan hun rechterhand | וּמִשְּׂמֹאלָֽם (umisemolam) = en aan hun linkerhand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:29; Ex 15:19; Ps 66:6; Ps 78:13; Heb 11:29 **14:23** De Egyptenaren achtervolgden hen en alle paarden van de farao, zijn wagens en zijn ruiters kwamen achter hen aan, midden in de zee. Brontekst: וַיִּרְדְּפ֤וּ (vayirdefu) = en achtervolgden | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = de Egyptenaren | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | אַחֲרֵיהֶ֔ם (achareihem) = achter hen | כֹּ֚ל (kol) = alle | ס֣וּס (sus) = paard van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | רִכְבּ֖וֹ (rikhbo) = zijn wagens | וּפָרָשָׁ֑יו (ufarashav) = en zijn ruiters | אֶל (el) = naar | תּ֖וֹךְ (tokh) = het midden van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:17; Ex 15:19; Pred 9:3; 1 Kon 22:20; Jes 14:24–27 **14:24** Tijdens de morgenwake keek Yahweh vanuit de vuur- en wolkkolom neer op het kamp van Egypte en bracht het kamp van Egypte in verwarring. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het geschiedde | בְּאַשְׁמֹ֣רֶת (beashmoret) = bij de wacht van | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | וַיַּשְׁקֵ֤ף (vayashqef) = en keek neer | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = op | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּעַמּ֥וּד (beamud) = in een zuil van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | וְעָנָ֑ן (veanan) = en wolk | וַיָּ֕הָם (vayaham) = en bracht in verwarring | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אַשְׁמֹרֶת הַבֹּקֶר (ashmoret haboqer), ‘morgenwake’, is het laatste deel van de nacht, ongeveer tussen twee en zes uur. Zie ook: Job 34:20; Ex 13:21; Ex 14:25; Ps 48:6; Ps 77:17–20 **14:25** Hij nam de wielen van hun wagens weg, zodat zij met moeite voortgingen. De Egyptenaren zeiden: „Laten wij vluchten voor Israël, want Yahweh strijdt voor hen tegen Egypte.” Brontekst: וַיָּ֗סַר (vayasar) = en nam weg | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֹפַ֣ן (ofan) = het wiel van | מַרְכְּבֹתָ֔יו (markevotav) = zijn wagens | וַֽיְנַהֲגֵ֖הוּ (vaynahagehu) = en liet ze rijden | בִּכְבֵדֻ֑ת (bikhvedut) = met moeite | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | אָנ֨וּסָה֙ (anusa) = laten wij vluchten | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֣י (ki) = want | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נִלְחָ֥ם (nilcham) = strijdt | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בְּמִצְרָֽיִם (bemitsrayim) = tegen Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וַיָּסַר אֵת אֹפַן מַרְכְּבֹתָיו (vayasar et ofan markevotav), ‘hij nam het wiel van zijn wagens weg’; de Samaritaanse tekst en de Griekse vertaling lezen ‘hij bond vast’ (וַיֶּאְסֹר, vaye’sor), dus ‘zij sloegen de wielen vast’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 20:24; Ex 14:14; Deut 3:22; 1 Sam 4:7–8; Jer 51:21 ### De Egyptenaren verdrinken **14:26** Yahweh zei tot Mozes: **„Strek je hand uit over de zee, zodat de wateren terugkeren over de Egyptenaren, over hun wagens en hun ruiters.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | נְטֵ֥ה (nete) = strek uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | עַל (al) = over | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | וְיָשֻׁ֤בוּ (veyashuvu) = en laten terugkeren | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = de wateren | עַל (al) = over | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = over | רִכְבּ֖וֹ (rikhbo) = zijn wagens | וְעַל (veal) = en over | פָּרָשָֽׁיו (parashav) = zijn ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 1:22; Ex 8:1; Ex 14:16; Re 1:6–7; Openb 16:6 **14:27** Mozes strekte zijn hand uit over de zee. Bij het aanbreken van de morgen keerde de zee terug naar haar vaste plaats, terwijl de Egyptenaren er tegenaan vluchtten. Yahweh schudde de Egyptenaren midden in de zee af. Brontekst: וַיֵּט֩ (vayet) = en strekte uit | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יָד֜וֹ (yado) = zijn hand | עַל (al) = over | הַיָּ֗ם (hayam) = de zee | וַיָּ֨שָׁב (vayashav) = en keerde terug | הַיָּ֜ם (hayam) = de zee | לִפְנ֥וֹת (lifnot) = bij het keren van | בֹּ֨קֶר֙ (boqer) = de morgen | לְאֵ֣יתָנ֔וֹ (leeitano) = naar zijn gewone stroom | וּמִצְרַ֖יִם (umitsrayim) = en de Egyptenaren | נָסִ֣ים (nasim) = vluchtend | לִקְרָאת֑וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַיְנַעֵ֧ר (vaynaer) = en schudde af | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְאֵיתָנוֹ (le’eitano), ‘naar zijn gewone stroom’ of ‘naar zijn vaste toestand’; zie ook Deut. 21:4 en Amos 5:24 (voor ‘altijd stromend’). Zie ook: Deut 11:4; Deut 21:4; Joz 4:18; Re 5:20–21; Ps 78:53; Amos 5:24; Heb 11:29 **14:28** De wateren keerden terug en bedekten de wagens en de ruiters van heel het leger van de farao dat achter hen aan de zee was ingegaan. Niet één van hen bleef over. Brontekst: וַיָּשֻׁ֣בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | הַמַּ֗יִם (hamayim) = de wateren | וַיְכַסּ֤וּ (vaykhasu) = en bedekten | אֶת (et) = (obj.) | הָרֶ֨כֶב֙ (harekhev) = de wagens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפָּ֣רָשִׁ֔ים (haparashim) = de ruiters | לְכֹל֙ (lekhol) = van heel | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = de farao | הַבָּאִ֥ים (habaim) = die kwamen | אַחֲרֵיהֶ֖ם (achareihem) = achter hen | בַּיָּ֑ם (bayam) = in de zee | לֹֽא (lo) = niet | נִשְׁאַ֥ר (nishar) = bleef over | בָּהֶ֖ם (bahem) = van hen | עַד (ad) = tot | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 78:53; Ps 106:9–11; Ps 136:15; Hab 3:8–10; Hab 3:13 **14:29** Maar de zonen van Israël waren op het droge midden door de zee gegaan. En de wateren waren voor hen een muur aan hun rechter- en aan hun linkerhand. Brontekst: וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | הָלְכ֥וּ (halekhu) = liepen | בַיַּבָּשָׁ֖ה (bayabasha) = op het droge | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | וְהַמַּ֤יִם (vehamayim) = en de wateren | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | חֹמָ֔ה (choma) = muur | מִֽימִינָ֖ם (miminam) = aan hun rechterhand | וּמִשְּׂמֹאלָֽם (umisemolam) = en aan hun linkerhand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:8–11; Ex 14:22; Joz 3:16; Ps 77:20–21; Jes 51:13 **14:30** Op die dag redde Yahweh Israël uit de hand van Egypte, en Israël zag de Egyptenaren dood op de oever van de zee. Brontekst: וַיּ֨וֹשַׁע (vayosha) = en redde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֛וּא (hahu) = die | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיַּ֤רְא (vayar) = en zag | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מֵ֖ת (met) = dood | עַל (al) = op | שְׂפַ֥ת (sefat) = de oever van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Yahweh ‘redt’ (יָשַׁע, yasha) Israël uit de hand van Egypte; dit wordt de kern van Israëls belijdenis (Ps. 106:8–12). Voetnoot Aanvullend: Jasher 81:24–62 beschrijft de doortocht. Zie ook: Jas 81:24–62; Ps 58:11; Ps 92:10–12; Ps 106:8; Ps 106:10; Jud 1:5 **14:31** Israël zag de grote hand die Yahweh tegen Egypte had gebruikt, en het volk vreesde Yahweh en geloofde in Yahweh en in Mozes, Zijn dienaar. Brontekst: וַיַּ֨רְא (vayar) = en zag | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּ֣ד (hayad) = de hand | הַגְּדֹלָ֗ה (hagedola) = de grote | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשָׂ֤ה (asa) = deed | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = tegen Egypte | וַיִּֽירְא֥וּ (vayireu) = en vreesde | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּֽאֲמִ֨ינוּ֙ (vayaaminu) = en geloofde | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = in Yahweh | וּבְמֹשֶׁ֖ה (uvemoshe) = en in Mozes | עַבְדּֽוֹ (avdo) = Zijn dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het volk ‘vreesde Yahweh en geloofde in Yahweh en in Mozes, Zijn dienaar’: Mozes wordt hier ‘Zijn dienaar’ genoemd (vergelijk Num. 12:7; Deut. 34:5). Zie ook: Num 12:7; Deut 34:5; Ps 106:12–13; Joh 2:11; Joh 2:23–25; Joh 8:30–32; Joh 11:45 ## Exodus 15 _Het lied van Mozes en Mara en Elim_ ### Het lied van Mozes **15:1** Toen zongen Mozes en de zonen van Israël dit lied voor Yahweh. Zij zeiden: „Ik wil zingen voor Yahweh, want hoog is Hij verheven. Paard en ruiter heeft Hij in de zee geworpen. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יָשִֽׁיר (yashir) = zong | מֹשֶׁה֩ (moshe) = Mozes | וּבְנֵ֨י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַשִּׁירָ֤ה (hashira) = het lied | הַזֹּאת֙ (hazot) = dit | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אָשִׁ֤ירָה (ashira) = ik wil zingen | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | כִּֽי (ki) = want | גָאֹ֣ה (gao) = hoog verheven is Hij | גָּאָ֔ה (gaa) = hoog verheven | ס֥וּס (sus) = paard | וְרֹכְב֖וֹ (verokhevo) = en zijn ruiter | רָמָ֥ה (rama) = wierp Hij | בַיָּֽם (bayam) = in de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het lied van Mozes (verzen 1–18) is een van de oudste dichtstukken in de Bijbel. Het bestaat uit vier delen: lofprijs (1–3), de nederlaag van Egypte (4–10), de lofprijs van Yahweh’s unieke macht (11–13) en de intocht in het land (14–18). Het wordt in Openb. 15:3 opnieuw genoemd als ‘het lied van Mozes, de dienaar van Elohim’. Zie ook: Ex 15:21; Ps 106:12; Jes 12:1–6; Jes 51:10–11; Openb 15:3 **15:2** Mijn kracht en mijn lied is Jah, Hij is mij tot redding geworden. Dit is mijn El, Hem zal ik prijzen, Elohim van mijn vader, Hem zal ik verheffen. Brontekst: עָזִּ֤י (azi) = mijn kracht | וְזִמְרָת֙ (vezimrat) = en mijn lied | יָ֔הּ (yah) = Jah | וַֽיְהִי (vayhi) = en Hij werd | לִ֖י (li) = voor mij | לִֽישׁוּעָ֑ה (lishua) = tot redding | זֶ֤ה (ze) = deze | אֵלִי֙ (eli) = mijn El | וְאַנְוֵ֔הוּ (veanvehu) = en ik zal Hem prijzen | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | וַאֲרֹמְמֶֽנְהוּ (vaaromemenhu) = en ik zal Hem verheffen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָהּ (Jah) is een korte vorm van de naam Yahweh; zie ook Ps. 68:5; 118:14; Jes. 12:2. Vers 2a (‘Mijn kracht en mijn lied is Jah’) komt letterlijk voor in Ps. 118:14 en Jes. 12:2. Zie ook: Ps 18:47; Ps 59:18; Ps 68:5; Ps 118:14; Jes 12:2; Jes 25:1 **15:3** Yahweh is een krijgsman, Yahweh is Zijn naam. Brontekst: יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֣ישׁ (ish) = man van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁמֽוֹ (shemo) = Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Yahweh is een krijgsman’ (אִישׁ מִלְחָמָה, ish milchamah): Yahweh strijdt voor Zijn volk (14:14, 25). Zie ook: Ex 14:14; Ps 24:8; Ps 83:19; Jes 42:8; Openb 19:11–21 **15:4** De wagens van de farao en zijn leger heeft Hij in de zee geworpen; de keur van zijn aanvoerders is verzonken in de Rietzee. Brontekst: מַרְכְּבֹ֥ת (markevot) = de wagens van | פַּרְעֹ֛ה (paro) = de farao | וְחֵיל֖וֹ (vecheilo) = en zijn leger | יָרָ֣ה (yara) = wierp Hij | בַיָּ֑ם (bayam) = in de zee | וּמִבְחַ֥ר (umivchar) = en de keur van | שָֽׁלִשָׁ֖יו (shalishav) = zijn aanvoerders | טֻבְּע֥וּ (tubeu) = zijn verzonken | בְיַם (beyam) = in de zee | סֽוּף (suf) = van Riet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Zie ook: Ex 14:6–7; Ex 14:13–28 **15:5** De waterdiepten bedekten hen, zij daalden af in de diepten als een steen. Brontekst: תְּהֹמֹ֖ת (tehomot) = waterdiepten | יְכַסְיֻ֑מוּ (yekhasyumu) = bedekten hen | יָרְד֥וּ (yaredu) = zijn neergedaald | בִמְצוֹלֹ֖ת (bimtsolot) = in de diepten | כְּמוֹ (kemo) = als | אָֽבֶן (aven) = een steen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:28; Ex 15:10; Jer 51:63–64; Ezech 27:34; Neh 9:11 **15:6** Uw rechterhand, Yahweh, is majestueus in kracht; Uw rechterhand, Yahweh, verbrijzelt de vijand. Brontekst: יְמִֽינְךָ֣ (yeminekha) = Uw rechterhand | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נֶאְדָּרִ֖י (nedari) = majestueus | בַּכֹּ֑חַ (bakoach) = in kracht | יְמִֽינְךָ֥ (yeminekha) = Uw rechterhand | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תִּרְעַ֥ץ (tirats) = verbrijzelt | אוֹיֵֽב (oyev) = de vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 29:11–12; Ps 2:9; Ps 60:7; Ps 118:15–16; Jes 51:9 **15:7** In de grootheid van Uw hoogheid breekt U Uw tegenstanders neer; U zendt Uw gloeiende toorn uit, die hen verteert als stoppels. Brontekst: וּבְרֹ֥ב (uverov) = en in de grootheid van | גְּאוֹנְךָ֖ (geonekha) = Uw hoogheid | תַּהֲרֹ֣ס (taharos) = breekt U neer | קָמֶ֑יךָ (qameikha) = Uw tegenstanders | תְּשַׁלַּח֙ (teshalach) = U zendt | חֲרֹ֣נְךָ֔ (charonekha) = Uw gloed | יֹאכְלֵ֖מוֹ (yokhlemo) = die verteert hen | כַּקַּֽשׁ (kaqash) = als stoppel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 83:14; Jes 5:16; Jes 5:24; Jes 47:14; Mal 3:19 **15:8** Door de adem van Uw neus hoopten de wateren zich op, de stromen stonden als een dam, de waterdiepten stolden in het hart van de zee. Brontekst: וּבְר֤וּחַ (uveruach) = en door de adem van | אַפֶּ֨יךָ֙ (apeikha) = Uw neus | נֶ֣עֶרְמוּ (neermu) = hoopten zich op | מַ֔יִם (mayim) = wateren | נִצְּב֥וּ (nitsevu) = stonden | כְמוֹ (kemo) = als | נֵ֖ד (ned) = een dam | נֹזְלִ֑ים (nozelim) = stromen | קָֽפְא֥וּ (qafeu) = stolden | תְהֹמֹ֖ת (tehomot) = waterdiepten | בְּלֶב (belev) = in het hart van | יָֽם (yam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De adem van Uw neus’ is een beeld voor de wind (14:21), de adem van Yahweh. Wij laten het beeld staan. Zie ook: Job 4:9; Ex 14:21–22; 2 Sam 22:16; Ps 78:13; 2 Tess 2:8 **15:9** De vijand zei: ‘Ik zal hen achtervolgen, ik zal hen inhalen, ik zal de buit verdelen, mijn verlangen zal zich aan hen verzadigen, ik zal mijn zwaard trekken, mijn hand zal hen in bezit nemen.’ Brontekst: אָמַ֥ר (amar) = zei | אוֹיֵ֛ב (oyev) = de vijand | אֶרְדֹּ֥ף (erdof) = ik zal achtervolgen | אַשִּׂ֖יג (asig) = ik zal inhalen | אֲחַלֵּ֣ק (achaleq) = ik zal verdelen | שָׁלָ֑ל (shalal) = buit | תִּמְלָאֵ֣מוֹ (timlaemo) = zal verzadigd worden | נַפְשִׁ֔י (nafshi) = mijn ziel | אָרִ֣יק (ariq) = ik zal trekken | חַרְבִּ֔י (charbi) = mijn zwaard | תּוֹרִישֵׁ֖מוֹ (torishemo) = zal in bezit nemen hen | יָדִֽי (yadi) = mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:27; Ex 14:5; Re 5:30; Jes 53:12; Luc 11:22 **15:10** U blies met Uw adem, de zee bedekte hen; zij zonken als lood in geweldige wateren. Brontekst: נָשַׁ֥פְתָּ (nashafta) = U blies | בְרוּחֲךָ֖ (beruchakha) = met Uw adem | כִּסָּ֣מוֹ (kisamo) = bedekte hen | יָ֑ם (yam) = de zee | צָֽלֲלוּ֙ (tsalalu) = zonken | כַּֽעוֹפֶ֔רֶת (kaoferet) = als lood | בְּמַ֖יִם (bemayim) = in wateren | אַדִּירִֽים (adirim) = geweldige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:21; Ex 14:27–28; Ex 15:5; Deut 11:4; Mat 8:27 **15:11** Wie is als U onder de goden, Yahweh? Wie is als U, majestueus in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, een werker van wonderen? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | כָמֹ֤כָה (kamokha) = is als U | בָּֽאֵלִם֙ (baelim) = onder de goden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִ֥י (mi) = wie | כָּמֹ֖כָה (kamokha) = is als U | נֶאְדָּ֣ר (nedar) = majestueus | בַּקֹּ֑דֶשׁ (baqodesh) = in heiligheid | נוֹרָ֥א (nora) = ontzagwekkend | תְהִלֹּ֖ת (tehilot) = in lofzangen | עֹ֥שֵׂה (ose) = werker van | פֶֽלֶא (pele) = wonder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּאֵלִים (ba’elim), ‘onder de goden’; de Samaritaanse tekst en sommige handschriften lezen ‘onder de sterken’. De dichter vergelijkt Yahweh met de goden van de volken en noemt Hem ongeëvenaard. Zie ook: 1 Sam 2:2; 2 Sam 7:22; Ps 89:6–9; 1 Kon 8:23; Openb 4:8 **15:12** U strekte Uw rechterhand uit, de aarde verslond hen. Brontekst: נָטִ֨יתָ֙ (natita) = U strekte uit | יְמִ֣ינְךָ֔ (yeminekha) = Uw rechterhand | תִּבְלָעֵ֖מוֹ (tivlaemo) = verslond hen | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De aarde verslond hen’ is een beeld: de zee nam hen op (vers 10). Een tweede keer zal de aarde Korach verslinden (Num. 16:32). Zie ook: Ex 15:6; Ex 15:10; Num 16:32 **15:13** In Uw trouw hebt U het volk geleid dat U verlost hebt; met Uw kracht hebt U het gevoerd naar de woonplaats van Uw heiligheid. Brontekst: נָחִ֥יתָ (nachita) = U leidde | בְחַסְדְּךָ֖ (bechasdekha) = in Uw trouw | עַם (am) = het volk | ז֣וּ (zu) = dat | גָּאָ֑לְתָּ (gaalta) = U verloste | נֵהַ֥לְתָּ (nehalta) = U voerde | בְעָזְּךָ֖ (beazekha) = met Uw kracht | אֶל (el) = naar | נְוֵ֥ה (neve) = de woonplaats van | קָדְשֶֽׁךָ (qadeshekha) = Uw heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, is het woord voor Yahweh’s verbondstrouw. נְוֵה קָדְשֶׁךָ (neveh qodshekha), ‘de woonplaats van Uw heiligheid’, is Kanaän of de berg Sion; de uitleggers verschillen. Zie ook: Ps 77:15–16; Ps 77:21; Ps 78:52–54; Ps 106:9; 1 Petr 1:5 **15:14** Volken hoorden het en beefden; siddering greep de inwoners van Filistea. Brontekst: שָֽׁמְע֥וּ (shameu) = hoorden | עַמִּ֖ים (amim) = volken | יִרְגָּז֑וּן (yirgazun) = beven | חִ֣יל (chil) = beving | אָחַ֔ז (achaz) = greep | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = de bewoners van | פְּלָֽשֶׁת (pelashet) = Filistea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Filistea, Edom, Moab en Kanaän liggen in een boog rond de weg naar het beloofde land. Zie ook: Deut 2:25; Joz 2:9–10; Joz 9:24; Ps 48:7; Jes 14:31 **15:15** Toen werden de vorsten van Edom verschrikt, de machtigen van Moab greep beving; alle inwoners van Kanaän smolten weg. Brontekst: אָ֤ז (az) = toen | נִבְהֲלוּ֙ (nivhalu) = werden verschrikt | אַלּוּפֵ֣י (alufei) = de vorsten van | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | אֵילֵ֣י (eilei) = de machtigen van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | יֹֽאחֲזֵ֖מוֹ (yochazemo) = greep hen | רָ֑עַד (raad) = siddering | נָמֹ֕גוּ (namogu) = smolten weg | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | כְנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 36:40; Joz 2:9; Joz 2:11; Joz 5:1; Ps 68:3 **15:16** Schrik en angst vielen op hen. Door de grootheid van Uw arm werden zij stil als een steen, totdat Uw volk doortrok, Yahweh, totdat het volk doortrok dat U verworven hebt. Brontekst: תִּפֹּ֨ל (tipol) = valt | עֲלֵיהֶ֤ם (aleihem) = op hen | אֵימָ֨תָה֙ (eimata) = schrik | וָפַ֔חַד (vafachad) = en angst | בִּגְדֹ֥ל (bigdol) = door de grootheid van | זְרוֹעֲךָ֖ (zeroakha) = Uw arm | יִדְּמ֣וּ (yidemu) = zijn stil | כָּאָ֑בֶן (kaaven) = als een steen | עַד (ad) = totdat | יַעֲבֹ֤ר (yaavor) = doortrekt | עַמְּךָ֙ (amekha) = Uw volk | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַֽד (ad) = totdat | יַעֲבֹ֖ר (yaavor) = doortrekt | עַם (am) = het volk | ז֥וּ (zu) = dat | קָנִֽיתָ (qanita) = U verwierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 2:25; Joz 2:9; 1 Sam 25:37; Ps 74:2; 2 Petr 2:1 **15:17** U zult hen brengen en planten op de berg van Uw erfdeel, de vaste plaats voor Uw woning die U gemaakt hebt, Yahweh, het heiligdom, mijn Heer, dat Uw handen hebben bevestigd. Brontekst: תְּבִאֵ֗מוֹ (teviemo) = U zult hen brengen | וְתִטָּעֵ֨מוֹ֙ (vetitaemo) = en planten | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg van | נַחֲלָֽתְךָ֔ (nachalatekha) = Uw erfdeel | מָכ֧וֹן (makhon) = vaste plaats | לְשִׁבְתְּךָ֛ (leshivtekha) = voor Uw woning | פָּעַ֖לְתָּ (paalta) = die U gemaakt hebt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִקְּדָ֕שׁ (miqedash) = een heiligdom | אֲדֹנָ֖י (adonay) = mijn Heer | כּוֹנְנ֥וּ (konenu) = bevestigden | יָדֶֽיךָ (yadeikha) = Uw handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hier de aanspreking van Yahweh. ‘De berg van Uw erfdeel’ kan de berg Sion zijn, het land Kanaän of de berg van het heiligdom. Zie ook: Ps 44:3; Ps 78:54–55; Ps 78:68–69; Ps 80:9; Jer 32:41 **15:18** Yahweh zal koning zijn voor eeuwig en altijd.” Brontekst: יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | יִמְלֹ֖ךְ (yimlokh) = zal koning zijn | לְעֹלָ֥ם (leolam) = voor eeuwig | וָעֶֽד (vaed) = en altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Yahweh zal koning zijn voor eeuwig en altijd’: Yahweh’s koningschap is de slotzin van het lied (vergelijk Num. 23:21; Deut. 33:5; Ps. 93:1; 146:10). Zie ook: Num 23:21; Deut 33:5; Ps 10:16; Ps 29:10; Ps 93:1; Ps 146:10; Jes 57:15; Dan 2:44 **15:19** Want het paard van de farao kwam met zijn wagens en ruiters in de zee, en Yahweh deed de wateren van de zee over hen terugkeren. De zonen van Israël liepen op het droge midden door de zee. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בָא֩ (ba) = kwam | ס֨וּס (sus) = paard van | פַּרְעֹ֜ה (paro) = de farao | בְּרִכְבּ֤וֹ (berikhbo) = met zijn wagens | וּבְפָרָשָׁיו֙ (uvefarashav) = en zijn ruiters | בַּיָּ֔ם (bayam) = in de zee | וַיָּ֧שֶׁב (vayashev) = en deed terugkeren | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵהֶ֖ם (alehem) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֣י (mei) = de wateren van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | הָלְכ֥וּ (halekhu) = liepen | בַיַּבָּשָׁ֖ה (bayabasha) = op het droge | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:22–23; Ex 14:28–29; Spr 21:31; Heb 11:29 ### Het lied van Mirjam **15:20** Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam de tamboerijn in haar hand, en alle vrouwen gingen achter haar aan uit met tamboerijnen en reidansen. Brontekst: וַתִּקַּח֩ (vatiqach) = en nam | מִרְיָ֨ם (miryam) = Mirjam | הַנְּבִיאָ֜ה (hanevia) = de profetes | אֲח֧וֹת (achot) = de zuster van | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַתֹּ֖ף (hatof) = de tamboerijn | בְּיָדָ֑הּ (beyadah) = in haar hand | וַתֵּצֶ֤אןָ (vatetsena) = en gingen uit | כָֽל (kal) = alle | הַנָּשִׁים֙ (hanashim) = de vrouwen | אַחֲרֶ֔יהָ (achareiha) = achter haar | בְּתֻפִּ֖ים (betupim) = met tamboerijnen | וּבִמְחֹלֹֽת (uvimcholot) = en met reidansen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mirjam wordt hier ‘de profetes’ genoemd, ‘de zuster van Aäron’ (haar broer Mozes wordt niet genoemd). Zie ook Num. 12:1–2; Micha 6:4. Voetnoot Aanvullend: Jasher 67:3 noemt de geboorte van Mirjam. Zie ook: Jas 67:3; Num 12:1–2; Re 11:34; 1 Sam 18:6; Ps 68:26; Ps 149:3; Ps 150:4; Mi 6:4 **15:21** Mirjam antwoordde hun: „Zing voor Yahweh, want hoog is Hij verheven. Paard en ruiter heeft Hij in de zee geworpen.” Brontekst: וַתַּ֥עַן (vataan) = en antwoordde | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | מִרְיָ֑ם (miryam) = Mirjam | שִׁ֤ירוּ (shiru) = zingt | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | כִּֽי (ki) = want | גָאֹ֣ה (gao) = hoog verheven is Hij | גָּאָ֔ה (gaa) = hoog verheven | ס֥וּס (sus) = paard | וְרֹכְב֖וֹ (verokhevo) = en zijn ruiter | רָמָ֥ה (rama) = wierp Hij | בַיָּֽם (bayam) = in de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:1; Openb 5:9; Openb 7:10–12; Openb 15:3; Openb 19:1–6 ### Het bittere water van Mara **15:22** Mozes liet Israël opbreken van de Rietzee, en zij trokken uit naar de woestijn Sur. Drie dagen liepen zij door de woestijn en vonden geen water. Brontekst: וַיַּסַּ֨ע (vayasa) = en liet opbreken | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִיַּם (miyam) = van de zee van | ס֔וּף (suf) = Riet | וַיֵּצְא֖וּ (vayetseu) = en zij trokken uit | אֶל (el) = naar | מִדְבַּר (midbar) = de woestijn van | שׁ֑וּר (shur) = Sur | וַיֵּלְכ֧וּ (vayelekhu) = en zij liepen | שְׁלֹֽשֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֛ים (yamim) = dagen | בַּמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | וְלֹא (velo) = en niet | מָ֥צְאוּ (matseu) = vonden zij | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Sur lag in het noordwesten van het Sinaïschiereiland; Mara wordt vaak gezocht bij Ain Hawarah of Ain Musa, maar dat is onzeker. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Zie ook: Gen 16:7; Gen 25:18; Ex 3:18; 1 Sam 15:7 **15:23** Zij kwamen in Mara, maar konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom noemde men die plaats Mara. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | מָרָ֔תָה (marata) = naar Mara | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָֽכְל֗וּ (yakhelu) = konden zij | לִשְׁתֹּ֥ת (lishtot) = drinken | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | מִמָּרָ֔ה (mimara) = van Mara | כִּ֥י (ki) = want | מָרִ֖ים (marim) = bitter | הֵ֑ם (hem) = zij | עַל (al) = op | כֵּ֥ן (ken) = zo | קָרָֽא (qara) = noemde men | שְׁמָ֖הּ (shemah) = haar naam | מָרָֽה (mara) = Mara Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mara: Mara (‘bitter’) wordt van oudsher gezocht bij Ain Hawara, aan de oostkust van de Golf van Suez. Dit is een traditionele identificatie. Zie ook: Num 33:8; Ruth 1:20 **15:24** Het volk morde tegen Mozes en zei: „Wat zullen wij drinken?” Brontekst: וַיִּלֹּ֧נוּ (vayilonu) = en morden | הָעָ֛ם (haam) = het volk | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | מַה (ma) = wat | נִּשְׁתֶּֽה (nishte) = zullen wij drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:11; Ex 16:2; Num 14:1–4; Num 20:2–5; Ps 78:19–20 **15:25** Hij riep tot Yahweh, en Yahweh wees hem een stuk hout aan. Hij wierp het in het water, en het water werd zoet. Daar stelde Hij hun een verordening en een recht, en daar stelde Hij hen op de proef. Brontekst: וַיִּצְעַ֣ק (vayitsaq) = en riep | אֶל (el) = tot | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיּוֹרֵ֤הוּ (vayorehu) = en liet hem zien | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֵ֔ץ (ets) = een stuk hout | וַיַּשְׁלֵךְ֙ (vayashlekh) = en hij wierp | אֶל (el) = in | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וַֽיִּמְתְּק֖וּ (vayimtequ) = en werden zoet | הַמָּ֑יִם (hamayim) = de wateren | שָׁ֣ם (sham) = daar | שָׂ֥ם (sam) = stelde Hij | ל֛וֹ (lo) = voor hem | חֹ֥ק (choq) = een verordening | וּמִשְׁפָּ֖ט (umishpat) = en een recht | וְשָׁ֥ם (vesham) = en daar | נִסָּֽהוּ (nisahu) = toetste Hij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het stuk hout (עֵץ, ets) maakt het water zoet. Er staat niet wat voor hout het was. Wij laten dat zo. נִסָּהוּ (nissahu), ‘Hij stelde hem op de proef’, heeft als onderwerp Yahweh; het is niet duidelijk of ‘hem’ Mozes of het volk is. Wij nemen het volk, zoals de context (verordening en recht) laat zien. Zie ook: Deut 8:2; Re 2:22; Re 3:1; Re 3:4; Ps 66:10 **15:26** Hij zei: **„Als je goed luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim, en doet wat recht is in Zijn ogen, naar Zijn geboden luistert en al Zijn verordeningen houdt, dan zal Ik je geen enkele ziekte opleggen die Ik Egypte heb opgelegd. Want Ik ben Yahweh, je heler.”** Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | אִם (im) = indien | שָׁמ֨וֹעַ (shamoa) = gehoor geven | תִּשְׁמַ֜ע (tishma) = je zult gehoor geven | לְק֣וֹל (leqol) = aan de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהַיָּשָׁ֤ר (vehayashar) = en het rechte | בְּעֵינָיו֙ (beeinav) = in Zijn ogen | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = zult doen | וְהַֽאֲזַנְתָּ֙ (vehaazanta) = en je zult luisteren | לְמִצְוֺתָ֔יו (lemitsvotav) = naar Zijn geboden | וְשָׁמַרְתָּ֖ (veshamarta) = en houden | כָּל (kal) = alle | חֻקָּ֑יו (chuqav) = Zijn verordeningen | כָּֽל (kal) = alle | הַמַּֽחֲלָ֞ה (hamachala) = de ziekte | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֤מְתִּי (samti) = Ik legde | בְמִצְרַ֨יִם֙ (bemitsrayim) = op Egypte | לֹא (lo) = niet | אָשִׂ֣ים (asim) = zal Ik leggen | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = op jou | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | רֹפְאֶֽךָ (rofeekha) = je heler Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: רֹפְאֶךָ (rofekha), ‘je heler’: Yahweh stelt Zich voor met een naam die op genezing wijst, in verband met het bittere water. Zie ook: Ex 23:25; Deut 7:15; Ps 41:4–5; Ps 103:3; Ps 147:3 ### Elim **15:27** Zij kwamen in Elim, waar twaalf waterbronnen waren en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar bij het water. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | אֵילִ֔מָה (eilima) = naar Elim | וְשָׁ֗ם (vesham) = en daar | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֛ה (esre) = tien | עֵינֹ֥ת (einot) = bronnen van | מַ֖יִם (mayim) = water | וְשִׁבְעִ֣ים (veshivim) = en zeventig | תְּמָרִ֑ים (temarim) = palmen | וַיַּחֲנוּ (vayachanu) = en legerden zich | שָׁ֖ם (sham) = daar | עַל (al) = bij | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elim lag vermoedelijk in het westen van het Sinaïschiereiland, ten zuiden van Mara. Het wordt vaak gezocht bij Wadi Gharandel. Zie Num. 33:9. Zie ook: Num 33:9; Jes 12:3; Ezech 47:12; Openb 7:17; Openb 22:2 ## Exodus 16 _Het manna en de kwartels_ ### Israël mort in de woestijn Sin **16:1** Zij braken op uit Elim. Heel de gemeenschap van de zonen van Israël kwam in de woestijn Sin, die tussen Elim en Sinaï ligt, op de vijftiende dag van de tweede maand na hun uittocht uit het land Egypte. Brontekst: וַיִּסְעוּ֙ (vayisu) = en braken op | מֵֽאֵילִ֔ם (meeilim) = van Elim | וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en kwamen | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֤ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | מִדְבַּר (midbar) = de woestijn van | סִ֔ין (sin) = Sin | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בֵּין (bein) = tussen | אֵילִ֖ם (eilim) = Elim | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | סִינָ֑י (sinay) = Sinaï | בַּחֲמִשָּׁ֨ה (bachamisha) = op de vijf | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | יוֹם֙ (yom) = dag | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | לְצֵאתָ֖ם (letsetam) = na hun uittocht | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Sin lag in het westen van het Sinaïschiereiland, tussen Elim en Sinaï; de precieze ligging is onbekend. Zij is niet dezelfde als de woestijn Zin bij Kades (Num. 20:1). Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï. De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De vijftiende van de tweede maand is een maand na de uittocht (12:2, 18). Zie ook: Ex 15:27; Ex 17:1; Num 20:1; Num 33:10–12; Ezech 30:15–16 **16:2** Heel de gemeenschap van de zonen van Israël morde in de woestijn tegen Mozes en Aäron. Brontekst: וַיִּלּ֜וֹנוּ (vayilonu) = en morden | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֧ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְעַֽל (veal) = en tegen | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:24; Ps 106:7; Ps 106:13; Ps 106:25; 1 Kor 10:10 **16:3** De zonen van Israël zeiden tot hen: „Was er maar een einde aan ons leven gekomen door de hand van Yahweh in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot we genoeg hadden! Want jullie hebben ons naar deze woestijn geleid om heel deze vergadering van honger te laten sterven.” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֨ן (yiten) = geeft | מוּתֵ֤נוּ (mutenu) = onze dood | בְיַד (beyad) = door de hand van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּשִׁבְתֵּ֨נוּ֙ (beshivtenu) = toen wij zaten | עַל (al) = bij | סִ֣יר (sir) = de pot van | הַבָּשָׂ֔ר (habasar) = het vlees | בְּאָכְלֵ֥נוּ (beakhelenu) = toen wij aten | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | לָשֹׂ֑בַע (lasova) = tot verzadiging | כִּֽי (ki) = want | הוֹצֵאתֶ֤ם (hotsetem) = jullie hebben uitgeleid | אֹתָ֨נוּ֙ (otanu) = ons | אֶל (el) = naar | הַמִּדְבָּ֣ר (hamidbar) = de woestijn | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | לְהָמִ֛ית (lehamit) = om te doden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַקָּהָ֥ל (haqahal) = de vergadering | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | בָּרָעָֽב (baraav) = met honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De klacht van het volk laat zien hoe snel zij de slavernij vergeten zijn en het gevaar van honger vrezen. Zie ook Num. 11:4–6. Zie ook: Ex 17:3; Num 11:4–5; Num 20:3–5; Deut 28:67; Klaagl 4:9 ### Yahweh belooft brood uit de hemel **16:4** Yahweh zei tot Mozes: **„Zie, Ik laat voor jullie brood uit de hemel regenen. Het volk moet uitgaan en elke dag de hoeveelheid van die dag verzamelen, opdat Ik hen op de proef stel of zij in Mijn wet wandelen of niet.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | הִנְנִ֨י (hinni) = zie, Ik | מַמְטִ֥יר (mamtir) = laat regenen | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | מִן (min) = uit | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְיָצָ֨א (veyatsa) = en zal uitgaan | הָעָ֤ם (haam) = het volk | וְלָֽקְטוּ֙ (velaqetu) = en verzamelen | דְּבַר (devar) = de hoeveelheid van | י֣וֹם (yom) = een dag | בְּיוֹמ֔וֹ (beyomo) = op zijn dag | לְמַ֧עַן (lemaan) = opdat | אֲנַסֶּ֛נּוּ (anasenu) = Ik hem op de proef stel | הֲיֵלֵ֥ךְ (hayelekh) = of hij wandelt | בְּתוֹרָתִ֖י (betorati) = in Mijn wet | אִם (im) = of | לֹֽא (lo) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het manna is de proef op de gehoorzaamheid aan de wet van Yahweh: Israël moet elke dag precies verzamelen wat nodig is. Zie Deut. 8:3, 16. Zie ook: Deut 8:2; Deut 8:3; Deut 8:16; Ps 78:24–25; Ps 105:40; 1 Kor 10:3 **16:5** **Op de zesde dag moeten zij bereiden wat zij binnenbrengen; dat zal het dubbele zijn van wat zij dag na dag verzamelen.”** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשִּׁשִּׁ֔י (hashishi) = de zesde | וְהֵכִ֖ינוּ (vehekhinu) = en zij zullen bereiden | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | יָבִ֑יאוּ (yaviu) = zij binnenbrengen | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | מִשְׁנֶ֔ה (mishne) = dubbel | עַ֥ל (al) = boven | אֲשֶֽׁר (asher) = wat | יִלְקְט֖וּ (yilqetu) = zij verzamelen | י֥וֹם (yom) = dag | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:22–23; Ex 35:2–3; Lev 25:21–22 **16:6** Mozes en Aäron zeiden tot alle zonen van Israël: „Vanavond zullen jullie weten dat Yahweh jullie uit het land Egypte heeft geleid, Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | אֶֽל (el) = tot | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עֶ֕רֶב (erev) = avond | וִֽידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = dan zullen jullie weten | כִּ֧י (ki) = dat | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | הוֹצִ֥יא (hotsi) = heeft uitgeleid | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 6:7; Ex 16:8; Ex 16:12–13; Num 16:28; Num 16:30 **16:7** en morgen zullen jullie de heerlijkheid van Yahweh zien, omdat Hij jullie gemor tegen Yahweh heeft gehoord. Want wat zijn wij, dat jullie tegen ons morren?” Brontekst: וּבֹ֗קֶר (uvoqer) = en morgen | וּרְאִיתֶם֙ (ureitem) = dan zullen jullie zien | אֶת (et) = (obj.) | כְּב֣וֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשָׁמְע֥וֹ (beshameo) = omdat Hij hoort | אֶת (et) = (obj.) | תְּלֻנֹּתֵיכֶ֖ם (telunoteikhem) = jullie gemor | עַל (al) = tegen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְנַ֣חְנוּ (venachnu) = en wij | מָ֔ה (ma) = wat | כִּ֥י (ki) = dat | תַלִּ֖ינוּ (talinu) = jullie morden | עָלֵֽינוּ (aleinu) = tegen ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:11; Jes 35:2; Jes 40:5; Joh 11:4; Joh 11:40 **16:8** Mozes zei: „Wanneer Yahweh jullie ’s avonds vlees te eten geeft en ’s morgens brood tot verzadiging, omdat Yahweh jullie gemor heeft gehoord waarmee jullie tegen Hem morren — wat zijn wij? Jullie gemor is niet tegen ons, maar tegen Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | בְּתֵ֣ת (betet) = wanneer geeft | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֨ם (lakhem) = aan jullie | בָּעֶ֜רֶב (baerev) = in de avond | בָּשָׂ֣ר (basar) = vlees | לֶאֱכֹ֗ל (leekhol) = om te eten | וְלֶ֤חֶם (velechem) = en brood | בַּבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de morgen | לִשְׂבֹּ֔עַ (lisboa) = tot verzadiging | בִּשְׁמֹ֤עַ (bishmoa) = omdat hoort | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | תְּלֻנֹּ֣תֵיכֶ֔ם (telunoteikhem) = jullie gemor | אֲשֶׁר (asher) = dat | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | מַלִּינִ֖ם (malinim) = morren | עָלָ֑יו (alav) = tegen Hem | וְנַ֣חְנוּ (venachnu) = en wij | מָ֔ה (ma) = wat | לֹא (lo) = niet | עָלֵ֥ינוּ (aleinu) = tegen ons | תְלֻנֹּתֵיכֶ֖ם (telunoteikhem) = jullie gemor | כִּ֥י (ki) = maar | עַל (al) = tegen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het zinsverband is in het Hebreeuws onderbroken; wij vertalen met een gedachtestreep: ‘wat zijn wij?’ is de tussenzin. Zie ook: Num 14:27; 1 Sam 8:7; Luc 10:16; 1 Tess 4:8; Rom 13:2 **16:9** Mozes zei tot Aäron: „Zeg tot heel de gemeenschap van de zonen van Israël: ‘Kom naderbij, voor het aangezicht van Yahweh, want Hij heeft jullie gemor gehoord.’” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | אֱמֹ֗ר (emor) = zeg | אֶֽל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | עֲדַת֙ (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | קִרְב֖וּ (qirvu) = kom nabij | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | שָׁמַ֔ע (shama) = Hij heeft gehoord | אֵ֖ת (et) = (obj.) | תְּלֻנֹּתֵיכֶֽם (telunoteikhem) = jullie gemor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:2; Ex 16:8; Num 16:16 **16:10** Terwijl Aäron tot heel de gemeenschap van de zonen van Israël sprak, keerden zij zich naar de woestijn. En zie, de heerlijkheid van Yahweh verscheen in de wolk. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | כְּדַבֵּ֤ר (kedaber) = toen sprak | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֣ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּפְנ֖וּ (vayifnu) = en zij keerden zich | אֶל (el) = naar | הַמִּדְבָּ֑ר (hamidbar) = de woestijn | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | כְּב֣וֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נִרְאָ֖ה (nira) = verscheen | בֶּעָנָֽן (beanan) = in de wolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘heerlijkheid van Yahweh’ (כְּבוֹד יְהוָה, kevod Yahweh) verschijnt in de wolk, zichtbaar voor het hele volk, voordat Hij tot Mozes spreekt. Zie ook: Ex 13:21–22; Ex 16:7; Lev 9:6; Num 16:19; Num 17:7 **16:11** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:12** **„Ik heb het gemor van de zonen van Israël gehoord. Spreek tot hen: ‘Tussen de twee avonden zullen jullie vlees eten en in de morgen zullen jullie met brood verzadigd worden. En jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben, jullie Elohim.’”** Brontekst: שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = Ik heb gehoord | אֶת (et) = (obj.) | תְּלוּנֹּת֮ (telunot) = het gemor van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | דַּבֵּ֨ר (daber) = spreek | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | בֵּ֤ין (bein) = tussen | הָֽעַרְבַּ֨יִם֙ (haarbayim) = de avonden | תֹּאכְל֣וּ (tokhlu) = zullen jullie eten | בָשָׂ֔ר (basar) = vlees | וּבַבֹּ֖קֶר (uvaboqer) = en in de morgen | תִּשְׂבְּעוּ (tisbeu) = zullen jullie verzadigd worden | לָ֑חֶם (lachem) = met brood | וִֽידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:7; Ex 16:7–8; Joël 4:17; Ezech 34:30; Ezech 39:22 ### Kwartels en manna **16:13** ’s Avonds kwamen de kwartels op en bedekten het kamp, en ’s morgens lag er een laag dauw rondom het kamp. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het geschiedde | בָעֶ֔רֶב (baerev) = in de avond | וַתַּ֣עַל (vataal) = en kwamen op | הַשְּׂלָ֔ו (haselav) = de kwartels | וַתְּכַ֖ס (vatekhas) = en bedekten | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וּבַבֹּ֗קֶר (uvaboqer) = en in de morgen | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = was | שִׁכְבַ֣ת (shikhvat) = een laag van | הַטַּ֔ל (hatal) = de dauw | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לַֽמַּחֲנֶֽה (lamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂלָו (salav), ‘kwartels’, trekken in het voorjaar in grote aantallen over het Sinaïschiereiland. Zie ook Num. 11:31–32. Zie ook: Num 11:9; Num 11:31–33; Ps 78:27–28; Ps 105:40 **16:14** Toen de laag dauw was opgestegen, zie, op het oppervlak van de woestijn lag iets fijns en schilferigs, fijn als rijp op de aarde. Brontekst: וַתַּ֖עַל (vataal) = en steeg op | שִׁכְבַ֣ת (shikhvat) = de laag van | הַטָּ֑ל (hatal) = de dauw | וְהִנֵּ֞ה (vehine) = en zie | עַל (al) = op | פְּנֵ֤י (penei) = het oppervlak van | הַמִּדְבָּר֙ (hamidbar) = de woestijn | דַּ֣ק (daq) = iets fijns | מְחֻסְפָּ֔ס (mechuspas) = schilferigs | דַּ֥ק (daq) = fijn | כַּכְּפֹ֖ר (kakefor) = als rijp | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 11:7–9; Deut 8:3; Ps 78:24; Ps 105:40; Neh 9:15 **16:15** De zonen van Israël zagen het en zeiden tot elkaar: „Man hu?”, want zij wisten niet wat het was. Mozes zei tot hen: „Dit is het brood dat Yahweh jullie te eten heeft gegeven. Brontekst: וַיִּרְא֣וּ (vayiru) = en zagen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = tot | אָחִיו֙ (achiv) = zijn broer | מָ֣ן (man) = wat is dat | ה֔וּא (hu) = het | כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = wisten zij | מַה (ma) = wat | ה֑וּא (hu) = het is | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | ה֣וּא (hu) = het is | הַלֶּ֔חֶם (halechem) = het brood | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נָתַ֧ן (natan) = gaf | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | לְאָכְלָֽה (leakhela) = tot spijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָן הוּא (man hu) kan ‘wat is dat?’ zijn of ‘het is manna’. De tekst verbindt de naam ‘manna’ (vers 31) met die vraag; wij laten de vorm staan. Vergelijk Joh. 6:31–35, 49–51. Zie ook: Ex 16:4; Ex 16:31; Joh 6:31–32; Joh 6:58; 1 Kor 10:3 **16:16** Dit is het woord dat Yahweh geboden heeft: **‘Verzamel ervan, ieder naar wat hij eet, een gomer per hoofd, naar het aantal van jullie personen. Ieder moet nemen voor wie in zijn tent zijn.’**” Brontekst: זֶ֤ה (ze) = dit is | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִקְט֣וּ (liqtu) = verzamelt | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = ervan | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | לְפִ֣י (lefi) = naar | אָכְל֑וֹ (akhelo) = zijn eten | עֹ֣מֶר (omer) = een gomer | לַגֻּלְגֹּ֗לֶת (lagulgolet) = per hoofd | מִסְפַּר֙ (mispar) = het aantal van | נַפְשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם (nafshoteikhem) = jullie personen | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | לַאֲשֶׁ֥ר (laasher) = voor degenen die | בְּאָהֳל֖וֹ (beaholo) = in zijn tent | תִּקָּֽחוּ (tiqachu) = zullen jullie nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een עֹמֶר (omer) is ongeveer twee liter, een tiende van een efa (vers 36). Zie ook: Ex 16:18; Ex 16:32–33; Ex 16:36 **16:17** De zonen van Israël deden zo, en zij verzamelden, de een veel, de ander weinig. Brontekst: וַיַּעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵ֖ן (ken) = zo | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיִּלְקְט֔וּ (vayilqetu) = en verzamelden | הַמַּרְבֶּ֖ה (hamarbe) = wie veel | וְהַמַּמְעִֽיט (vehamamit) = en wie weinig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:18** Toen zij het met de gomer maten, had wie veel had verzameld geen overschot, en wie weinig had verzameld had geen tekort. Ieder had verzameld naar wat hij at. Brontekst: וַיָּמֹ֣דּוּ (vayamodu) = en maten | בָעֹ֔מֶר (baomer) = met de gomer | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הֶעְדִּיף֙ (hedif) = had overschot | הַמַּרְבֶּ֔ה (hamarbe) = wie veel | וְהַמַּמְעִ֖יט (vehamamit) = en wie weinig | לֹ֣א (lo) = niet | הֶחְסִ֑יר (hechsir) = had tekort | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְפִֽי (lefi) = naar | אָכְל֖וֹ (akhelo) = zijn eten | לָקָֽטוּ (laqatu) = hadden zij verzameld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kor 8:14–15 **16:19** Mozes zei tot hen: „Niemand mag er iets van overlaten tot de morgen.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אִ֕ישׁ (ish) = ieder | אַל (al) = niet | יוֹתֵ֥ר (yoter) = laat overblijven | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | עַד (ad) = tot | בֹּֽקֶר (boqer) = morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:10; Ex 16:23; Ex 23:18; Mat 6:34 **16:20** Maar zij luisterden niet naar Mozes, en sommigen lieten er iets van over tot de morgen. Toen kwamen er wormen in, en het ging stinken, en Mozes werd toornig op hen. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמְע֣וּ (shameu) = luisterden zij | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיּוֹתִ֨רוּ (vayotiru) = en lieten overblijven | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mensen | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = ervan | עַד (ad) = tot | בֹּ֔קֶר (boqer) = morgen | וַיָּ֥רֻם (vayarum) = en er kwamen | תּוֹלָעִ֖ים (tolaim) = wormen | וַיִּבְאַ֑שׁ (vayivash) = en het stonk | וַיִּקְצֹ֥ף (vayiqtsof) = en werd toornig | עֲלֵהֶ֖ם (alehem) = op hen | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 6:19; Mar 3:5; Luc 12:15; Luc 12:33; Heb 13:5 **16:21** Zij verzamelden het elke morgen, ieder naar wat hij at; en wanneer de zon heet werd, smolt het. Brontekst: וַיִּלְקְט֤וּ (vayilqetu) = en verzamelden | אֹתוֹ֙ (oto) = het | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = in de morgen | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | כְּפִ֣י (kefi) = naar | אָכְל֑וֹ (akhelo) = zijn eten | וְחַ֥ם (vecham) = en toen heet werd | הַשֶּׁ֖מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וְנָמָֽס (venamas) = dan smolt het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 6:6–11; Pred 9:10; Pred 12:1; Joh 12:35; 2 Kor 6:2 ### Het manna op de zesde dag en de sabbat **16:22** Op de zesde dag verzamelden zij dubbel brood, twee gomer per persoon. Alle leiders van de gemeenschap kwamen en meldden het aan Mozes. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het geschiedde | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשִּׁשִּׁ֗י (hashishi) = de zesde | לָֽקְט֥וּ (laqetu) = verzamelden zij | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = brood | מִשְׁנֶ֔ה (mishne) = dubbel | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הָעֹ֖מֶר (haomer) = de gomer | לָאֶחָ֑ד (laechad) = per persoon | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | כָּל (kal) = alle | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = leiders van | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | וַיַּגִּ֖ידוּ (vayagidu) = en meldden het | לְמֹשֶֽׁה (lemoshe) = aan Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:5; Ex 16:16; Ex 34:31; Lev 25:12; Lev 25:22 **16:23** Hij zei tot hen: „Dit is wat Yahweh gesproken heeft: **‘Morgen is een rustdag, een heilige sabbat voor Yahweh. Bak wat jullie willen bakken en kook wat jullie willen koken, en leg al wat overblijft apart, om het tot de morgen te bewaren.’**” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | ה֚וּא (hu) = dit is het | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שַׁבָּת֧וֹן (shabaton) = rustdag | שַׁבַּת (shabat) = sabbat van | קֹ֛דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | מָחָ֑ר (machar) = morgen | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | תֹּאפ֞וּ (tofu) = jullie willen bakken | אֵפ֗וּ (efu) = bak | וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶֽׁר (asher) = wat | תְּבַשְּׁלוּ֙ (tevashelu) = jullie willen koken | בַּשֵּׁ֔לוּ (bashelu) = kook | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | הָ֣עֹדֵ֔ף (haodef) = wat overblijft | הַנִּ֧יחוּ (hanichu) = leg neer | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | לְמִשְׁמֶ֖רֶת (lemishmeret) = ter bewaring | עַד (ad) = tot | הַבֹּֽקֶר (haboqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier komt het woord שַׁבָּת (sabbat) voor het eerst in de Bijbel voor. De sabbat wordt hier dus al vóór Sinaï bekendgemaakt; zie 20:8–11 en 31:12–17. Vergelijk Gen. 2:2–3. Zie ook: Gen 2:2–3; Ex 20:8–11; Ex 31:15; Ex 35:2–3; Lev 23:3 **16:24** Zij legden het apart tot de morgen, zoals Mozes had geboden, en het stonk niet en er kwam geen worm in. Brontekst: וַיַּנִּ֤יחוּ (vayanichu) = en zij legden neer | אֹתוֹ֙ (oto) = het | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הִבְאִ֔ישׁ (hivish) = stonk het | וְרִמָּ֖ה (verima) = en worm | לֹא (lo) = niet | הָ֥יְתָה (hayeta) = was | בּֽוֹ (bo) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:20; Ex 16:33 **16:25** Mozes zei: „Eet het vandaag, want vandaag is het sabbat voor Yahweh; vandaag zullen jullie het niet in het veld vinden. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אִכְלֻ֣הוּ (ikhluhu) = eet het | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | כִּֽי (ki) = want | שַׁבָּ֥ת (shabat) = sabbat | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | הַיּ֕וֹם (hayom) = vandaag | לֹ֥א (lo) = niet | תִמְצָאֻ֖הוּ (timtsauhu) = zult jullie het vinden | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = in het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:23; Ex 16:29; Neh 9:14 **16:26** Zes dagen kunnen jullie het verzamelen, maar op de zevende dag, de sabbat, zal het er niet zijn.” Brontekst: שֵׁ֥שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | תִּלְקְטֻ֑הוּ (tilqetuhu) = zullen jullie het verzamelen | וּבַיּ֧וֹם (uvayom) = maar op de dag | הַשְּׁבִיעִ֛י (hashevii) = de zevende | שַׁבָּ֖ת (shabat) = sabbat | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | בּֽוֹ (bo) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:9–11; Deut 5:13; Ezech 46:1; Luc 13:14 **16:27** Op de zevende dag gingen sommigen van het volk uit om te verzamelen, maar zij vonden niets. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het geschiedde | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | יָצְא֥וּ (yatseu) = gingen uit | מִן (min) = van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לִלְקֹ֑ט (lilqot) = om te verzamelen | וְלֹ֖א (velo) = en niet | מָצָֽאוּ (matsau) = vonden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 20:4 **16:28** Yahweh zei tot Mozes: **„Hoe lang weigeren jullie nog Mijn geboden en Mijn wetten te houden?** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | עַד (ad) = hoe lang | אָ֨נָה֙ (ana) = nog | מֵֽאַנְתֶּ֔ם (meantem) = weigeren jullie | לִשְׁמֹ֥ר (lishmor) = te houden | מִצְוֺתַ֖י (mitsvotay) = Mijn geboden | וְתוֹרֹתָֽי (vetorotay) = en Mijn wetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Mijn geboden en Mijn wetten’ (מִצְוֹתַי וְתוֹרֹתָי, mitsvotay vetorotay) is hier gezegd voordat de wet op Sinaï is gegeven. Zie ook: Num 14:11; Ps 78:10; Ps 106:13; 2 Kon 17:14; Ezech 20:13 **16:29** **Zie, Yahweh heeft jullie de sabbat gegeven. Daarom geeft Hij jullie op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet blijven waar hij is; niemand mag op de zevende dag van zijn plaats weggaan.”** Brontekst: רְא֗וּ (reu) = zie | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | נָתַ֣ן (natan) = gaf | לָכֶ֣ם (lakhem) = aan jullie | הַשַּׁבָּת֒ (hashabat) = de sabbat | עַל (al) = op | כֵּ֠ן (ken) = zo | ה֣וּא (hu) = Hij | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשִּׁשִּׁ֖י (hashishi) = de zesde | לֶ֣חֶם (lechem) = brood van | יוֹמָ֑יִם (yomayim) = twee dagen | שְׁב֣וּ (shevu) = blijft | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | תַּחְתָּ֗יו (tachtav) = onder zich | אַל (al) = niet | יֵ֥צֵא (yetse) = ga uit | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | מִמְּקֹמ֖וֹ (mimeqomo) = van zijn plaats | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:13; Jes 58:13–14; Ezech 20:12; Neh 9:14; Luc 23:56 **16:30** Het volk rustte op de zevende dag. Brontekst: וַיִּשְׁבְּת֥וּ (vayishbetu) = en rustten | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:3; Deut 5:12–14; Heb 4:9 **16:31** Het huis van Israël noemde het manna. Het was als koriandersaad, wit, en de smaak ervan was als een koek met honing. Brontekst: וַיִּקְרְא֧וּ (vayiqreu) = en noemden | בֵֽית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | מָ֑ן (man) = manna | וְה֗וּא (vehu) = en het | כְּזֶ֤רַע (kezera) = als zaad van | גַּד֙ (gad) = koriander | לָבָ֔ן (lavan) = wit | וְטַעְמ֖וֹ (vetamo) = en zijn smaak | כְּצַפִּיחִ֥ת (ketsapichit) = als een koek | בִּדְבָֽשׁ (bidvash) = met honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּד (gad), ‘koriander’, is een plant met kleine ronde zaadjes. Het manna wordt vergeleken met wit zaad en met een koek van honing; Num. 11:7–8 beschrijft het anders (bdellium, olieachtig gebak). Zie ook: Ex 16:15; Num 11:6–9; Num 11:7–8; Hoogl 2:3 ### Een kruik manna als herinnering **16:32** Mozes zei: „Dit is het woord dat Yahweh geboden heeft: **‘Een gomer vol ervan moet bewaard worden voor jullie generaties, opdat zij het brood zien dat Ik jullie in de woestijn te eten gaf toen Ik jullie uit het land Egypte leidde.’**” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | זֶ֤ה (ze) = dit is | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מְלֹ֤א (melo) = vol | הָעֹ֨מֶר֙ (haomer) = de gomer | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = ervan | לְמִשְׁמֶ֖רֶת (lemishmeret) = ter bewaring | לְדֹרֹתֵיכֶ֑ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יִרְא֣וּ (yiru) = zij zien | אֶת (et) = (obj.) | הַלֶּ֗חֶם (halechem) = het brood | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הֶאֱכַ֤לְתִּי (heekhalti) = Ik liet eten | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּהוֹצִיאִ֥י (behotsii) = toen Ik uitleidde | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ps 103:1–2; Ps 105:5; Ps 111:4–5; Luc 22:19; Heb 2:1 **16:33** Mozes zei tot Aäron: „Neem een kruik, doe daarin een gomer vol manna en leg die neer voor het aangezicht van Yahweh, om voor jullie generaties te bewaren.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | קַ֚ח (qach) = neem | צִנְצֶ֣נֶת (tsintsenet) = een kruik | אַחַ֔ת (achat) = één | וְתֶן (veten) = en doe | שָׁ֥מָּה (shama) = daarin | מְלֹֽא (melo) = vol | הָעֹ֖מֶר (haomer) = de gomer | מָ֑ן (man) = manna | וְהַנַּ֤ח (vehanach) = en leg neer | אֹתוֹ֙ (oto) = het | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְמִשְׁמֶ֖רֶת (lemishmeret) = ter bewaring | לְדֹרֹתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De kruik met manna wordt ‘voor het aangezicht van Yahweh’ bewaard; later staat zij bij de ark (Hebr. 9:4). Zie ook: Heb 9:4 **16:34** Zoals Yahweh Mozes had geboden, legde Aäron het neer voor de getuigenis, om het te bewaren. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיַּנִּיחֵ֧הוּ (vayanichehu) = en legde het neer | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָעֵדֻ֖ת (haedut) = de getuigenis | לְמִשְׁמָֽרֶת (lemishmaret) = ter bewaring Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De getuigenis’ (הָעֵדֻת, ha‘edut) is de ark met de stenen tafelen (25:16, 21–22), die er nog niet is; de tekst loopt vooruit. Zie ook: Ex 25:16; Ex 25:21; Ex 27:21; Ex 40:20; Num 17:25 **16:35** De zonen van Israël aten veertig jaar het manna, totdat zij in een bewoond land kwamen. Zij aten het manna totdat zij aan de rand van het land Kanaän kwamen. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אָֽכְל֤וּ (akhelu) = aten | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּן֙ (haman) = het manna | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | עַד (ad) = totdat | בֹּאָ֖ם (boam) = zij kwamen | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | נוֹשָׁ֑בֶת (noshavet) = bewoond | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּן֙ (haman) = het manna | אָֽכְל֔וּ (akhelu) = aten zij | עַד (ad) = totdat | בֹּאָ֕ם (boam) = zij kwamen | אֶל (el) = naar | קְצֵ֖ה (qetse) = de rand van | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Het manna houdt op wanneer Israël het land binnentrekt (Joz. 5:12). Zie 16:3 en Deut. 8:2–3. Zie ook: Deut 8:2–3; Joz 5:12; Ps 78:24–25; Neh 9:20–21; Joh 6:30–58 **16:36** Een gomer is een tiende van een efa. Brontekst: וְהָעֹ֕מֶר (vehaomer) = en de gomer | עֲשִׂרִ֥ית (asirit) = een tiende van | הָאֵיפָ֖ה (haeifa) = de efa | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:16; Ex 16:32–33 ## Exodus 17 _Water uit de rots en de strijd tegen Amalek_ ### Water uit de rots in Refidim **17:1** Heel de gemeenschap van de zonen van Israël brak op uit de woestijn Sin, van etappe naar etappe, op bevel van Yahweh, en legerde zich in Refidim. Maar daar was geen water voor het volk om te drinken. Brontekst: וַ֠יִּסְעוּ (vayisu) = en braken op | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֨ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | מִמִּדְבַּר (mimidbar) = uit de woestijn van | סִ֛ין (sin) = Sin | לְמַסְעֵיהֶ֖ם (lemaseihem) = volgens hun tochten | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = bevel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en legerden zich | בִּרְפִידִ֔ים (birfidim) = in Refidim | וְאֵ֥ין (veein) = en er was geen | מַ֖יִם (mayim) = water | לִשְׁתֹּ֥ת (lishtot) = om te drinken | הָעָֽם (haam) = voor het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Refidim lag vermoedelijk in het zuiden van het Sinaïschiereiland, niet ver van de berg Horeb; de precieze ligging is onbekend. Zie Num. 33:14. Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï. De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 16:1; Ex 17:8; Ex 19:2; Num 33:12–14; Num 33:14 **17:2** Het volk twistte met Mozes en zei: „Geef ons water, zodat wij kunnen drinken.” Mozes zei tot hen: „Waarom twisten jullie met mij? Waarom stellen jullie Yahweh op de proef?” Brontekst: וַיָּ֤רֶב (vayarev) = en twistte | הָעָם֙ (haam) = het volk | עִם (im) = met | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | תְּנוּ (tenu) = geef | לָ֥נוּ (lanu) = ons | מַ֖יִם (mayim) = water | וְנִשְׁתֶּ֑ה (venishte) = dat wij drinken | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מַה (ma) = wat | תְּרִיבוּן֙ (terivun) = twisten jullie | עִמָּדִ֔י (imadi) = met mij | מַה (ma) = wat | תְּנַסּ֖וּן (tenasun) = stellen jullie op de proef | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk twist (רִיב, riv) met Mozes en stelt Yahweh op de proef (נִסָּה, nissah). Beide woorden geven de plaatsnamen in vers 7: Massa (‘proeven’) en Meriba (‘twist’). Zie Deut. 6:16; 9:22; 33:8; Ps. 95:8–9. Zie ook: Ex 17:7; Deut 6:16; Deut 9:22; Deut 33:8; Ps 78:18; Ps 78:41; Ps 95:8–9; 1 Kor 10:9; Heb 3:9 **17:3** Daar had het volk dorst naar water. Het volk morde tegen Mozes en zei: „Waarom hebt u ons uit Egypte laten optrekken, om mij, mijn zonen en mijn vee van dorst te laten sterven?” Brontekst: וַיִּצְמָ֨א (vayitsma) = en dorstte | שָׁ֤ם (sham) = daar | הָעָם֙ (haam) = het volk | לַמַּ֔יִם (lamayim) = naar water | וַיָּ֥לֶן (vayalen) = en morde | הָעָ֖ם (haam) = het volk | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | לָ֤מָּה (lama) = waarom | זֶּה֙ (ze) = dit | הֶעֱלִיתָ֣נוּ (heelitanu) = hebt u ons laten optrekken | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לְהָמִ֥ית (lehamit) = om te doden | אֹתִ֛י (oti) = mij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנַ֥י (banay) = mijn zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִקְנַ֖י (miqnay) = mijn vee | בַּצָּמָֽא (batsama) = met dorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 15:24; Ex 16:2–3 **17:4** Mozes riep tot Yahweh: „Wat moet ik met dit volk doen? Nog even, en zij stenigen mij.” Brontekst: וַיִּצְעַ֤ק (vayitsaq) = en riep | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מָ֥ה (ma) = wat | אֶעֱשֶׂ֖ה (eese) = zal ik doen | לָעָ֣ם (laam) = met het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | ע֥וֹד (od) = nog | מְעַ֖ט (meat) = een weinig | וּסְקָלֻֽנִי (useqaluni) = en zij zullen mij stenigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:10; 1 Sam 30:6; Joh 8:59; Joh 10:31; Hand 14:19 **17:5** Yahweh zei tot Mozes: **„Ga voor het volk uit en neem enkele oudsten van Israël met je mee. Neem ook je staf in je hand, waarmee je de Nijl hebt geslagen, en ga.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | עֲבֹר֙ (avor) = ga | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְקַ֥ח (veqach) = en neem | אִתְּךָ֖ (itekha) = met je | מִזִּקְנֵ֣י (miziqnei) = van de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּמַטְּךָ֗ (umatekha) = en je staf | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | הִכִּ֤יתָ (hikita) = je sloeg | בּוֹ֙ (bo) = daarmee | אֶת (et) = (obj.) | הַיְאֹ֔ר (hayor) = de Nijl | קַ֥ח (qach) = neem | בְּיָדְךָ֖ (beyadekha) = in je hand | וְהָלָֽכְתָּ (vehalakhta) = en ga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 7:19–20; Num 20:8–11; Ezech 2:6; Hand 20:23–24 **17:6** **Zie, Ik zal daar voor je staan op de rots bij Horeb. Je moet op de rots slaan, en er zal water uit komen, zodat het volk kan drinken.”** Mozes deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie, Ik | עֹמֵד֩ (omed) = staande | לְפָנֶ֨יךָ (lefaneikha) = voor je | שָּׁ֥ם (sham) = daar | עַֽל (al) = op | הַצּוּר֮ (hatsur) = de rots | בְּחֹרֵב֒ (bechorev) = bij Horeb | וְהִכִּ֣יתָ (vehikita) = en je zult slaan | בַצּ֗וּר (batsur) = op de rots | וְיָצְא֥וּ (veyatseu) = en zullen uitgaan | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = daaruit | מַ֖יִם (mayim) = water | וְשָׁתָ֣ה (veshata) = en zal drinken | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en deed | כֵּן֙ (ken) = zo | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = de oudsten van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De rots bij Horeb: Yahweh staat ‘daar’ voor Mozes. Horeb wordt hier genoemd vóór de aankomst bij de Sinaï (19:1–2); sommigen zien Horeb en Sinaï als twee namen van dezelfde berg. Voetnoot Uitleg: Paulus noemt in 1 Kor. 10:4 de rots ‘de Messias’. Zie ook: Num 20:9–11; Deut 8:15; Ps 105:41; Neh 9:15; 1 Kor 10:4 **17:7** Hij noemde die plaats Massa en Meriba, vanwege de twist van de zonen van Israël en omdat zij Yahweh op de proef hadden gesteld met de woorden: „Is Yahweh in ons midden of niet?” Brontekst: וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en noemde | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | מַסָּ֖ה (masa) = Massa | וּמְרִיבָ֑ה (umeriva) = en Meriba | עַל (al) = vanwege | רִ֣יב (riv) = twist van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְעַ֨ל (veal) = en vanwege | נַסֹּתָ֤ם (nasotam) = hun op de proef stellen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הֲיֵ֧שׁ (hayesh) = is er | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּקִרְבֵּ֖נוּ (beqirbenu) = in ons midden | אִם (im) = of | אָֽיִן (ayin) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Massa en Meriba werden de naam van de plaats; de ligging is onbekend. Zie ook Num. 20:13. Zie ook: Ex 17:2; Num 20:13; Deut 9:22; Ps 81:8; Ps 95:8 ### De strijd tegen Amalek **17:8** Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Refidim. Brontekst: וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | וַיִּלָּ֥חֶם (vayilachem) = en streed | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בִּרְפִידִֽם (birfidim) = in Refidim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Refidim: Refidim wordt van oudsher gezocht in Wadi Feiran, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Dit is een traditionele identificatie. Voetnoot Uitleg: Amalek was een volk van nomaden, afstammelingen van Ezau (Gen. 36:12, 16), dat in de Negev en op het Sinaïschiereiland leefde. Deut. 25:17–19 herinnert aan deze aanval. Zie ook: Gen 36:12; Num 24:20; Deut 25:17–19; 1 Sam 15:2; 1 Sam 30:1 **17:9** Mozes zei tot Jozua: „Kies mannen voor ons uit en trek uit om tegen Amalek te strijden. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan, met de staf van Elohim in mijn hand.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | בְּחַר (bechar) = kies | לָ֣נוּ (lanu) = voor ons | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | וְצֵ֖א (vetse) = en trek uit | הִלָּחֵ֣ם (hilachem) = strijd | בַּעֲמָלֵ֑ק (baamaleq) = tegen Amalek | מָחָ֗ר (machar) = morgen | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | נִצָּב֙ (nitsav) = sta | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de top van | הַגִּבְעָ֔ה (hagiva) = de heuvel | וּמַטֵּ֥ה (umate) = en de staf van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | בְּיָדִֽי (beyadi) = in mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de eerste keer dat Jozua wordt genoemd; hij is de legeraanvoerder (zie Num. 13:8, 16). Zie ook: Ex 4:2; Ex 4:20; Ex 24:13; Num 13:8; Deut 32:44; Heb 4:8 **17:10** Jozua deed zoals Mozes hem had gezegd, om tegen Amalek te strijden; Mozes, Aäron en Chur klommen naar de top van de heuvel. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | אָֽמַר (amar) = zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | בַּעֲמָלֵ֑ק (baamaleq) = tegen Amalek | וּמֹשֶׁה֙ (umoshe) = en Mozes | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | וְח֔וּר (vechur) = en Chur | עָל֖וּ (alu) = klommen | רֹ֥אשׁ (rosh) = de top van | הַגִּבְעָֽה (hagiva) = de heuvel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 17:12; Ex 24:14; Ex 31:2; Joz 11:15; Mat 28:20 **17:11** Zolang Mozes zijn hand omhoog hield, had Israël de overhand; en wanneer hij zijn hand liet zakken, had Amalek de overhand. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = wanneer | יָרִ֥ים (yarim) = opheft | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | וְגָבַ֣ר (vegavar) = dan overwon | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְכַאֲשֶׁ֥ר (vekhaasher) = en wanneer | יָנִ֛יחַ (yaniach) = hij neerlegt | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | וְגָבַ֥ר (vegavar) = dan overwon | עֲמָלֵֽק (amaleq) = Amalek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De opgeheven hand van Mozes met de staf van Elohim is een teken van Yahweh’s hulp. Zie vers 12 en 15–16. Zie ook: Ex 17:12; Ex 17:15; Ps 56:10; Luc 18:1; Jak 5:16; 1 Tim 2:8 **17:12** Maar de handen van Mozes werden zwaar. Zij namen een steen en legden die onder hem, en hij ging erop zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene kant, de ander aan de andere kant, zodat zijn handen standvastig bleven tot de zon onderging. Brontekst: וִידֵ֤י (videi) = en de handen van | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | כְּבֵדִ֔ים (kevedim) = waren zwaar | וַיִּקְחוּ (vayiqchu) = en zij namen | אֶ֛בֶן (even) = een steen | וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en legden | תַחְתָּ֖יו (tachtav) = onder hem | וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en hij zat | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = daarop | וְאַהֲרֹ֨ן (veaharon) = en Aäron | וְח֜וּר (vechur) = en Chur | תָּֽמְכ֣וּ (tamekhu) = ondersteunden | בְיָדָ֗יו (beyadav) = zijn handen | מִזֶּ֤ה (mize) = aan deze kant | אֶחָד֙ (echad) = één | וּמִזֶּ֣ה (umize) = en aan die kant | אֶחָ֔ד (echad) = één | וַיְהִ֥י (vayhi) = en waren | יָדָ֛יו (yadav) = zijn handen | אֱמוּנָ֖ה (emuna) = standvastig | עַד (ad) = tot | בֹּ֥א (bo) = het komen van | הַשָּֽׁמֶשׁ (hashamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 35:3; Mar 14:37–40; Ef 6:18; Fil 1:19; Heb 12:12 **17:13** Jozua versloeg Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וַיַּחֲלֹ֧שׁ (vayachalosh) = en overwon | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָלֵ֥ק (amaleq) = Amalek | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 10:28; Joz 10:32; Joz 10:37; Joz 10:42; Joz 11:12 **17:14** Yahweh zei tot Mozes: **„Schrijf dit op in een boek, tot gedachtenis, en prent het Jozua in: Ik zal de herinnering aan Amalek volledig uitwissen van onder de hemel.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | כְּתֹ֨ב (ketov) = schrijf | זֹ֤את (zot) = dit | זִכָּרוֹן֙ (zikaron) = tot gedachtenis | בַּסֵּ֔פֶר (basefer) = in een boek | וְשִׂ֖ים (vesim) = en leg | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | כִּֽי (ki) = dat | מָחֹ֤ה (macho) = uitwissen | אֶמְחֶה֙ (emche) = Ik zal uitwissen | אֶת (et) = (obj.) | זֵ֣כֶר (zekher) = de herinnering aan | עֲמָלֵ֔ק (amaleq) = Amalek | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Schrijf dit op in een boek’: Mozes schrijft ook elders op wat Yahweh gebiedt (24:4; 34:27; Num. 33:2). Zie ook: Ex 34:27; Num 24:20; Num 33:2; 1 Sam 30:1; 1 Sam 30:17 **17:15** Mozes bouwde een altaar en noemde het: Yahweh is mijn banier. Brontekst: וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en bouwde | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | מִזְבֵּ֑חַ (mizbeach) = een altaar | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | נִסִּֽי (nisi) = mijn banier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה נִסִּי (Yahweh nissi), ‘Yahweh is mijn banier’; נֵס (nes) is een signaalstaak. Het woord lijkt op נִסָּה (nissah), ‘op de proef stellen’. Zie ook: Gen 22:14; Gen 33:20; Re 6:24; Ps 60:6 **17:16** Hij zei: „Een hand op de troon van Jah! Yahweh voert oorlog tegen Amalek, van generatie op generatie.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | כִּֽי (ki) = want | יָד֙ (yad) = een hand | עַל (al) = op | כֵּ֣ס (kes) = de troon van | יָ֔הּ (yah) = Jah | מִלְחָמָ֥ה (milchama) = oorlog | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | בַּֽעֲמָלֵ֑ק (baamaleq) = tegen Amalek | מִדֹּ֖ר (midor) = van generatie | דֹּֽר (dor) = tot generatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: כֵּס יָהּ (kes Yah) is letterlijk ‘de troon van Jah’; sommigen lezen נֵס (nes), ‘banier’, wat past bij vers 15: ‘een hand op de banier van Jah’. Wij volgen de Masoretische tekst. Het vers is onduidelijk; wij laten het zo. Zie ook: Ex 17:15; Ps 21:9–12; Jes 66:1; Hand 7:49 ## Exodus 18 _Jetro bezoekt Mozes en de rechtspraak_ ### Jetro komt naar Mozes **18:1** Jetro, de priester van Midian, de schoonvader van Mozes, hoorde alles wat Elohim voor Mozes en voor Israël, Zijn volk, had gedaan: dat Yahweh Israël uit Egypte had geleid. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֞ע (vayishma) = en hoorde | יִתְר֨וֹ (yitro) = Jetro | כֹהֵ֤ן (kohen) = priester van | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | חֹתֵ֣ן (choten) = schoonvader van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשָׂ֤ה (asa) = gedaan had | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | לְמֹשֶׁ֔ה (lemoshe) = voor Mozes | וּלְיִשְׂרָאֵ֖ל (uleyisrael) = en voor Israël | עַמּ֑וֹ (amo) = zijn volk | כִּֽי (ki) = dat | הוֹצִ֧יא (hotsi) = had uitgeleid | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jetro, de priester van Midian, komt naar Mozes bij ‘de berg van Elohim’ (vers 5), Horeb; zie 3:1; 4:18. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Jetro hoort van de bevrijding en komt Mozes’ vrouw en kinderen terugbrengen. Zie ook: Ex 2:16; Ex 3:1; Ex 18:5; Ps 77:15–16; Jes 63:11–13; Zach 8:23 **18:2** Jetro, de schoonvader van Mozes, nam Sippora, de vrouw van Mozes, nadat zij was teruggestuurd, Brontekst: וַיִּקַּ֗ח (vayiqach) = en nam | יִתְרוֹ֙ (yitro) = Jetro | חֹתֵ֣ן (choten) = schoonvader van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | צִפֹּרָ֖ה (tsipora) = Sippora | אֵ֣שֶׁת (eshet) = de vrouw van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | אַחַ֖ר (achar) = na | שִׁלּוּחֶֽיהָ (shilucheiha) = haar terugzending Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁלּוּחֶיהָ (shilluchehah), ‘haar terugzending’: Mozes had Sippora en de kinderen kennelijk naar Midian teruggestuurd (vergelijk 4:20, 24–26). Zie ook: Ex 2:21; Ex 4:25–26 **18:3** en haar twee zonen, van wie de een Gersom heette, want hij had gezegd: „Een vreemdeling ben ik geweest in een vreemd land,” Brontekst: וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee van | בָנֶ֑יהָ (baneiha) = haar zonen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = van wie | שֵׁ֤ם (shem) = de naam van | הָֽאֶחָד֙ (haechad) = de een | גֵּֽרְשֹׁ֔ם (gereshom) = Gersom | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | גֵּ֣ר (ger) = vreemdeling | הָיִ֔יתִי (hayiti) = ben ik geweest | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in een land | נָכְרִיָּֽה (nakheriya) = vreemd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gersom: zie 2:22. De tekst heeft hier ‘vreemdeling’ (גֵּר, ger) en ‘land van een vreemde’. Zie ook: Ex 2:22; Ex 4:20; Ps 39:13; Hand 7:29; Heb 11:13 **18:4** en de ander Eliëzer, „want Elohim van mijn vader was mijn hulp en heeft mij gered van het zwaard van de farao.” Brontekst: וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הָאֶחָ֖ד (haechad) = de een | אֱלִיעֶ֑זֶר (eliezer) = Eliëzer | כִּֽי (ki) = want | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | בְּעֶזְרִ֔י (beezri) = was tot mijn hulp | וַיַּצִּלֵ֖נִי (vayatsileni) = en redde mij | מֵחֶ֥רֶב (mecherev) = van het zwaard van | פַּרְעֹֽה (paro) = de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eliëzer (אֱלִיעֶזֶר, Eli‘ezer) betekent ‘mijn El is hulp’. Hij wordt in Exodus alleen hier genoemd (1 Kron. 23:15–17). Zie ook: 1 Kron 23:15–17; Dan 6:23; Hand 12:11; 2 Kor 1:8–10; 2 Tim 4:17; Heb 13:6 **18:5** Jetro, de schoonvader van Mozes, kwam met zijn zonen en zijn vrouw naar Mozes in de woestijn, waar hij gelegerd was, bij de berg van Elohim. Brontekst: וַיָּבֹ֞א (vayavo) = en kwam | יִתְר֨וֹ (yitro) = Jetro | חֹתֵ֥ן (choten) = schoonvader van | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | וּבָנָ֥יו (uvanav) = en zijn zonen | וְאִשְׁתּ֖וֹ (veishto) = en zijn vrouw | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | הַמִּדְבָּ֗ר (hamidbar) = de woestijn | אֲשֶׁר (asher) = waar | ה֛וּא (hu) = hij | חֹנֶ֥ה (chone) = gelegerd was | שָׁ֖ם (sham) = daar | הַ֥ר (har) = de berg van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:1; Ex 3:12; Ex 19:11; Ex 19:20; Ex 24:16–17 **18:6** Hij liet tot Mozes zeggen: „Ik, uw schoonvader Jetro, kom naar u toe, en uw vrouw en haar twee zonen met haar.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֲנִ֛י (ani) = ik | חֹתֶנְךָ֥ (chotenkha) = uw schoonvader | יִתְר֖וֹ (yitro) = Jetro | בָּ֣א (ba) = kom | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = tot u | וְאִ֨שְׁתְּךָ֔ (veishtekha) = en uw vrouw | וּשְׁנֵ֥י (ushenei) = en twee van | בָנֶ֖יהָ (baneiha) = haar zonen | עִמָּֽהּ (imah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:7** Mozes ging zijn schoonvader tegemoet, boog zich en kuste hem. Zij vroegen elkaar naar hun welzijn en gingen de tent in. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en ging uit | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | לִקְרַ֣את (liqrat) = om te ontmoeten | חֹֽתְנ֗וֹ (choteno) = zijn schoonvader | וַיִּשְׁתַּ֨חוּ֙ (vayishtachu) = en boog | וַיִּשַּׁק (vayishaq) = en kuste | ל֔וֹ (lo) = hem | וַיִּשְׁאֲל֥וּ (vayishalu) = en zij vroegen | אִישׁ (ish) = ieder | לְרֵעֵ֖הוּ (lereehu) = naar zijn naaste | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = naar welzijn | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | הָאֹֽהֱלָה (haohela) = de tent in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:2; Gen 19:1; Gen 29:13; 2 Sam 11:7; 1 Kon 2:19 **18:8** Mozes vertelde zijn schoonvader alles wat Yahweh de farao en Egypte had aangedaan ter wille van Israël, en al de moeite die hen onderweg getroffen had, en dat Yahweh hen had gered. Brontekst: וַיְסַפֵּ֤ר (vaysaper) = en vertelde | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | לְחֹ֣תְנ֔וֹ (lechoteno) = aan zijn schoonvader | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשָׂ֤ה (asa) = gedaan had | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְפַרְעֹ֣ה (lefaro) = aan de farao | וּלְמִצְרַ֔יִם (ulemitsrayim) = en aan Egypte | עַ֖ל (al) = op | אוֹדֹ֣ת (odot) = rekening van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַתְּלָאָה֙ (hatelaa) = de moeite | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מְצָאָ֣תַם (metsaatam) = hen getroffen had | בַּדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = onderweg | וַיַּצִּלֵ֖ם (vayatsilem) = en redde hen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ps 78:42–43; Ps 81:8; Ps 106:10; Ps 145:4–12; Neh 9:9–15 **18:9** Jetro verheugde zich over al het goede dat Yahweh aan Israël had gedaan, door hen uit de hand van Egypte te redden. Brontekst: וַיִּ֣חַדְּ (vayichad) = en verheugde zich | יִתְר֔וֹ (yitro) = Jetro | עַ֚ל (al) = over | כָּל (kal) = al | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשָׂ֥ה (asa) = gedaan had | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = aan Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הִצִּיל֖וֹ (hitsilo) = had gered hem | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jes 44:23; Jes 66:10; 1 Kor 12:26; Rom 12:10; Rom 12:15 **18:10** Jetro zei: „Gezegend zij Yahweh, die jullie heeft gered uit de hand van Egypte en uit de hand van de farao, die het volk heeft gered van onder de hand van Egypte. Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en zei | יִתְרוֹ֒ (yitro) = Jetro | בָּר֣וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִצִּ֥יל (hitsil) = redde | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמִיַּ֣ד (umiyad) = en uit de hand van | פַּרְעֹ֑ה (paro) = de farao | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִצִּיל֙ (hitsil) = redde | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | יַד (yad) = de hand van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 14:20; 2 Sam 18:28; Luc 1:68; 1 Tess 3:9; Openb 19:1–6 **18:11** Nu weet ik dat Yahweh groter is dan alle goden, juist in de zaak waarin zij hoogmoedig tegen hen waren.” Brontekst: עַתָּ֣ה (ata) = nu | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = weet ik | כִּֽי (ki) = dat | גָד֥וֹל (gadol) = groot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִכָּל (mikal) = boven | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = alle goden | כִּ֣י (ki) = want | בַדָּבָ֔ר (badavar) = in de zaak | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | זָד֖וּ (zadu) = zij hoogmoedig waren | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = jegens hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin is moeilijk en eindigt in het Hebreeuws zonder werkwoord (‘juist in de zaak waarin zij hoogmoedig waren jegens hen’). De bedoeling is: Yahweh toonde Zich groter dan de goden van Egypte juist daar waar Egypte zich boven Israël stelde. Zie ook: Ex 15:11; Ps 95:3; Ps 135:5; 2 Kron 2:4; Luc 1:51 **18:12** Jetro, de schoonvader van Mozes, nam een brandoffer en slachtoffers voor Elohim. Aäron en alle oudsten van Israël kwamen om met de schoonvader van Mozes brood te eten voor het aangezicht van Elohim. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | יִתְר֨וֹ (yitro) = Jetro | חֹתֵ֥ן (choten) = schoonvader van | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | עֹלָ֥ה (ola) = een brandoffer | וּזְבָחִ֖ים (uzevachim) = en slachtoffers | לֵֽאלֹהִ֑ים (lElohim) = voor Elohim | וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | וְכֹ֣ל (vekhol) = en alle | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לֶאֱכָל (leekhal) = om te eten | לֶ֛חֶם (lechem) = brood | עִם (im) = met | חֹתֵ֥ן (choten) = de schoonvader van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jetro brengt offers aan Elohim; hij is zelf de priester van Midian. Aäron en de oudsten eten met hem een maaltijd; vergelijk 24:11. Zie ook: Gen 31:54; Ex 24:5; Ex 24:11; Deut 12:7; Dan 10:3 ### Jetro adviseert Mozes **18:13** De volgende dag ging Mozes zitten om recht te spreken over het volk, en het volk stond bij Mozes van de morgen tot de avond. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het geschiedde | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en zat | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לִשְׁפֹּ֣ט (lishpot) = om recht te spreken | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיַּעֲמֹ֤ד (vayaamod) = en stond | הָעָם֙ (haam) = het volk | עַל (al) = bij | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מִן (min) = van | הַבֹּ֖קֶר (haboqer) = de morgen | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes treedt hier op als rechter. De raad van Jetro is de aanleiding voor een rechtspraak in meerdere lagen. Zie ook: Job 29:7; Joël 4:12; Mat 23:2; Rom 12:8; Rom 13:6 **18:14** Toen de schoonvader van Mozes zag wat hij allemaal voor het volk deed, zei hij: „Wat is dit wat u voor het volk doet? Waarom zit u alleen, terwijl heel het volk van de morgen tot de avond bij u staat?” Brontekst: וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | חֹתֵ֣ן (choten) = de schoonvader van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ה֥וּא (hu) = hij | עֹשֶׂ֖ה (ose) = deed | לָעָ֑ם (laam) = voor het volk | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | מָֽה (ma) = wat | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אַתָּ֤ה (ata) = u | עֹשֶׂה֙ (ose) = doet | לָעָ֔ם (laam) = voor het volk | מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | אַתָּ֤ה (ata) = u | יוֹשֵׁב֙ (yoshev) = zit | לְבַדֶּ֔ךָ (levadekha) = alleen | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | נִצָּ֥ב (nitsav) = staat | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = bij u | מִן (min) = van | בֹּ֥קֶר (boqer) = de morgen | עַד (ad) = tot | עָֽרֶב (arev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:15** Mozes zei tot zijn schoonvader: „Omdat het volk tot mij komt om Elohim te raadplegen. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לְחֹתְנ֑וֹ (lechoteno) = tot zijn schoonvader | כִּֽי (ki) = omdat | יָבֹ֥א (yavo) = komt | אֵלַ֛י (elay) = tot mij | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לִדְרֹ֥שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:19–20; Lev 24:12–14; Num 9:6; Num 15:34; Num 27:5 **18:16** Wanneer zij een zaak hebben, komt die tot mij. En ik spreek recht tussen de een en de ander, en ik maak hun de verordeningen van Elohim en Zijn wetten bekend.” Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֨ה (yihye) = er is | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | דָּבָר֙ (davar) = een zaak | בָּ֣א (ba) = komt het | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | וְשָׁ֣פַטְתִּ֔י (veshafatti) = en ik spreek recht | בֵּ֥ין (bein) = tussen | אִ֖ישׁ (ish) = een man | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וְהוֹדַעְתִּ֛י (vehodati) = en ik maak bekend | אֶת (et) = (obj.) | חֻקֵּ֥י (chuqei) = de verordeningen van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תּוֹרֹתָֽיו (torotav) = Zijn wetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:14; Deut 4:5; Deut 5:1; 2 Sam 15:3; 1 Kor 6:1 **18:17** De schoonvader van Mozes zei tot hem: „Het is niet goed wat u doet. Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | חֹתֵ֥ן (choten) = de schoonvader van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | לֹא (lo) = niet | טוֹב֙ (tov) = goed | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אַתָּ֖ה (ata) = u | עֹשֶֽׂה (ose) = doet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:18** U zult uzelf zeker uitputten, en ook dit volk dat bij u is. Want de zaak is te zwaar voor u. U kunt het niet alleen doen. Brontekst: נָבֹ֣ל (navol) = zeker uitputten | תִּבֹּ֔ל (tibol) = zult u uzelf uitputten | גַּם (gam) = ook | אַתָּ֕ה (ata) = u | גַּם (gam) = ook | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עִמָּ֑ךְ (imakh) = bij u is | כִּֽי (ki) = want | כָבֵ֤ד (kaved) = te zwaar | מִמְּךָ֙ (mimekha) = voor u | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = de zaak | לֹא (lo) = niet | תוּכַ֥ל (tukhal) = kunt u | עֲשֹׂ֖הוּ (asohu) = het doen | לְבַדֶּֽךָ (levadekha) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 11:14–17; Deut 1:9–12; Hand 6:1–4; 2 Kor 12:15; Fil 2:30 **18:19** Luister nu naar mijn stem, ik zal u raad geven, en moge Elohim met u zijn. Wees zelf voor het volk de vertegenwoordiger bij Elohim, en breng de zaken voor Elohim. Brontekst: עַתָּ֞ה (ata) = nu | שְׁמַ֤ע (shema) = luister | בְּקֹלִי֙ (beqoli) = naar mijn stem | אִיעָ֣צְךָ֔ (iatsekha) = ik zal u raden | וִיהִ֥י (vihi) = en moge zijn | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met u | הֱיֵ֧ה (heye) = wees | אַתָּ֣ה (ata) = u | לָעָ֗ם (laam) = voor het volk | מ֚וּל (mul) = tegenover | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְהֵבֵאתָ֥ (veheveta) = en breng | אַתָּ֛ה (ata) = u | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de zaken | אֶל (el) = naar | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 39:2; Ex 3:12; Ex 20:19; Num 27:5; Deut 5:5 **18:20** Onderricht hen in de verordeningen en wetten, en maak hun de weg bekend waarop zij moeten gaan en het werk dat zij moeten doen. Brontekst: וְהִזְהַרְתָּ֣ה (vehizharta) = en waarschuw | אֶתְהֶ֔ם (ethem) = hen | אֶת (et) = (obj.) | הַחֻקִּ֖ים (hachuqim) = de verordeningen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתּוֹרֹ֑ת (hatorot) = de wetten | וְהוֹדַעְתָּ֣ (vehodata) = en maak bekend | לָהֶ֗ם (lahem) = hun | אֶת (et) = (obj.) | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | יֵ֣לְכוּ (yelekhu) = zij gaan | בָ֔הּ (bah) = daarin | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽמַּעֲשֶׂ֖ה (hamaase) = het werk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יַעֲשֽׂוּן (yaasun) = zij doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:18; Deut 4:1; Deut 5:1; Ps 32:8; Ps 143:8 **18:21** Maar zoek zelf uit heel het volk bekwame mannen uit, die Elohim vrezen, betrouwbare mannen, die winstbejag haten. Stel hen over het volk aan als oversten van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en u | תֶחֱזֶ֣ה (techeze) = zult uitzoeken | מִכָּל (mikal) = uit heel | הָ֠עָם (haam) = het volk | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | חַ֜יִל (chayil) = bekwaamheid | יִרְאֵ֧י (yirei) = vrezend | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | אֱמֶ֖ת (emet) = waarheid | שֹׂ֣נְאֵי (soneei) = haters van | בָ֑צַע (batsa) = winstbejag | וְשַׂמְתָּ֣ (vesamta) = en stel aan | עֲלֵהֶ֗ם (alehem) = over hen | שָׂרֵ֤י (sarei) = oversten van | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizenden | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | מֵא֔וֹת (meot) = honderden | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftigtallen | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en oversten van | עֲשָׂרֹֽת (asarot) = tientallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verdeling in oversten van duizend, honderd, vijftig en tien is ook die van het leger. Zie Deut. 1:9–18; Num. 11:16–17. Zie ook: Num 11:16–17; Deut 1:9–18; Deut 1:13–17; Deut 16:18–19; 2 Sam 23:3; 2 Kron 19:5–10; Hand 6:3 **18:22** Zij moeten het volk te allen tijde recht spreken. Elke grote zaak moeten zij tot u brengen, maar elke kleine zaak moeten zij zelf beslechten. Maak het voor u lichter, en laat hen met u meedragen. Brontekst: וְשָׁפְט֣וּ (veshafetu) = en laten recht spreken | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֮ (haam) = het volk | בְּכָל (bekhal) = op elk | עֵת֒ (et) = tijdstip | וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כָּל (kal) = elke | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = zaak | הַגָּדֹל֙ (hagadol) = grote | יָבִ֣יאוּ (yaviu) = zij zullen brengen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot u | וְכָל (vekhal) = en elke | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = zaak | הַקָּטֹ֖ן (haqaton) = kleine | יִשְׁפְּטוּ (yishpetu) = zullen zij oordelen | הֵ֑ם (hem) = zij | וְהָקֵל֙ (vehaqel) = en maak het licht | מֵֽעָלֶ֔יךָ (mealeikha) = van op u | וְנָשְׂא֖וּ (venaseu) = en laten dragen | אִתָּֽךְ (itakh) = met u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:26; Num 11:17; Num 27:2; Num 36:1; Deut 1:17–18 **18:23** Als u dit doet, en Elohim het u gebiedt, dan kunt u standhouden, en ook heel dit volk kan in vrede naar zijn plaats terugkeren.” Brontekst: אִ֣ם (im) = indien | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּה֙ (haze) = deze | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = u doet | וְצִוְּךָ֣ (vetsivekha) = en gebiedt u | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וְיָֽכָלְתָּ֖ (veyakhalta) = dan zult u kunnen | עֲמֹ֑ד (amod) = standhouden | וְגַם֙ (vegam) = en ook | כָּל (kal) = heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | עַל (al) = naar | מְקֹמ֖וֹ (meqomo) = zijn plaats | יָבֹ֥א (yavo) = komen | בְשָׁלֽוֹם (beshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:33; Ex 18:18; 1 Sam 8:6–7; 1 Sam 8:22; 2 Sam 18:3 ### Mozes stelt oversten aan **18:24** Mozes luisterde naar de stem van zijn schoonvader en deed alles wat hij had gezegd. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en luisterde | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לְק֣וֹל (leqol) = naar de stem van | חֹתְנ֑וֹ (choteno) = zijn schoonvader | וַיַּ֕עַשׂ (vayaas) = en deed | כֹּ֖ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אָמָֽר (amar) = hij zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:2–5; Ex 18:19; Spr 1:5; Ezra 10:5; 1 Kor 12:21 **18:25** Mozes koos bekwame mannen uit heel Israël en stelde hen aan als hoofden over het volk: oversten van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. Brontekst: וַיִּבְחַ֨ר (vayivchar) = en koos | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | חַ֨יִל֙ (chayil) = bekwaamheid | מִכָּל (mikal) = uit heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en stelde | אֹתָ֛ם (otam) = hen | רָאשִׁ֖ים (rashim) = tot hoofden | עַל (al) = over | הָעָ֑ם (haam) = het volk | שָׂרֵ֤י (sarei) = oversten van | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizenden | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | מֵא֔וֹת (meot) = honderden | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftigtallen | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en oversten van | עֲשָׂרֹֽת (asarot) = tientallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:21; Deut 1:15; Hand 6:5 **18:26** Zij spraken het volk te allen tijde recht; de moeilijke zaak brachten zij tot Mozes, maar elke kleine zaak beslechtten zij zelf. Brontekst: וְשָׁפְט֥וּ (veshafetu) = en spraken recht | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּכָל (bekhal) = op elk | עֵ֑ת (et) = tijdstip | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = de zaak | הַקָּשֶׁה֙ (haqashe) = de moeilijke | יְבִיא֣וּן (yeviun) = zij brachten | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וְכָל (vekhal) = en elke | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = zaak | הַקָּטֹ֖ן (haqaton) = kleine | יִשְׁפּוּט֥וּ (yishputu) = oordeelden | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:14–15; Ex 18:22; Deut 17:8; 1 Kon 3:16–28; 1 Kon 10:1 **18:27** Mozes liet zijn schoonvader gaan, en hij ging zijn weg naar zijn land. Brontekst: וַיְשַׁלַּ֥ח (vayshalach) = en liet gaan | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | חֹתְנ֑וֹ (choteno) = zijn schoonvader | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | ל֖וֹ (lo) = zijn weg | אֶל (el) = naar | אַרְצֽוֹ (artso) = zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jetro gaat terug naar zijn land. Vergelijk Num. 10:29–32, waar Mozes aan Chobab vraagt mee te gaan. Zie ook: Gen 24:59; Gen 31:55; Num 10:29–30; Re 19:9 ## Exodus 19 _Israël komt bij de Sinaï_ ### Aankomst bij de Sinaï **19:1** In de derde maand nadat de zonen van Israël uit het land Egypte waren getrokken, op die dag, kwamen zij in de woestijn Sinaï. Brontekst: בַּחֹ֨דֶשׁ֙ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | לְצֵ֥את (letset) = bij het uittrekken van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | בָּ֖אוּ (bau) = kwamen zij | מִדְבַּ֥ר (midbar) = woestijn van | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Sinaï ligt op het zuidelijke deel van het Sinaïschiereiland. De traditionele berg is de Jebel Musa; andere voorstellen zijn er ook, dus de ligging is niet zeker. Zie ook 3:1. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘In de derde maand’ is van het uittrekken uit Egypte af gerekend, ongeveer twee maanden na het Pesach. Zie ook: Ex 12:2; Ex 12:6; Ex 16:1; Lev 23:16–18; Num 33:15 **19:2** Zij braken op uit Refidim en kwamen in de woestijn Sinaï en legerden zich in de woestijn. Israël legerde zich daar tegenover de berg. Brontekst: וַיִּסְע֣וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵרְפִידִ֗ים (merefidim) = uit Refidim | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | מִדְבַּ֣ר (midbar) = woestijn van | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legerden zich | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וַיִּֽחַן (vayichan) = en legerde zich | שָׁ֥ם (sham) = daar | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Refidim: zie 17:1, 8. Het kamp lag tegenover de berg. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 3:1; Ex 3:12; Ex 17:1; Ex 17:8; Ex 18:5 ### Yahweh roept Israël tot een koninkrijk van priesters **19:3** Mozes ging op naar Elohim, en Yahweh riep hem van de berg toe: **„Zo moet je tot het huis van Jakob zeggen en aan de zonen van Israël verkondigen:** Brontekst: וּמֹשֶׁ֥ה (umoshe) = en Mozes | עָלָ֖ה (ala) = ging op | אֶל (el) = naar | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en riep | אֵלָ֤יו (elav) = tot hem | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִן (min) = van | הָהָ֣ר (hahar) = de berg | לֵאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | כֹּ֤ה (ko) = zo | תֹאמַר֙ (tomar) = zul je zeggen | לְבֵ֣ית (leveit) = tot het huis van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְתַגֵּ֖יד (vetageid) = en verkondig | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:4; Ex 20:21; Ex 24:15–18; Deut 5:5–31; Hand 7:38 **19:4** **‘Jullie hebben zelf gezien wat Ik Egypte heb aangedaan, en hoe Ik jullie op arendsvleugels heb gedragen en jullie tot Mij heb gebracht.** Brontekst: אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | רְאִיתֶ֔ם (reitem) = hebben gezien | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = Ik deed | לְמִצְרָ֑יִם (lemitsrayim) = aan Egypte | וָאֶשָּׂ֤א (vaesa) = en Ik droeg | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | עַל (al) = op | כַּנְפֵ֣י (kanfei) = vleugels van | נְשָׁרִ֔ים (nesharim) = arenden | וָאָבִ֥א (vaavi) = en bracht | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֵלָֽי (elay) = tot Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Arendsvleugels’ is een beeld voor Yahweh’s zorg en snelheid; vergelijk Deut. 32:11–12. Zie ook: Deut 29:1; Deut 32:11–12; Jes 40:31; Jes 63:9; Openb 12:14 **19:5** **Als jullie nu goed naar Mijn stem luisteren en Mijn verbond houden, dan zullen jullie uit alle volken Mijn eigen bezit zijn. Want heel de aarde is van Mij.** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אִם (im) = als | שָׁמ֤וֹעַ (shamoa) = horen | תִּשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = jullie horen | בְּקֹלִ֔י (beqoli) = naar Mijn stem | וּשְׁמַרְתֶּ֖ם (ushemartem) = en houden | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֑י (beriti) = Mijn verbond | וִהְיִ֨יתֶם (vihyitem) = dan zullen jullie zijn | לִ֤י (li) = voor Mij | סְגֻלָּה֙ (segula) = een eigen bezit | מִכָּל (mikal) = uit alle | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | כִּי (ki) = want | לִ֖י (li) = van Mij | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְגֻלָּה (segullah) betekent ‘eigen bezit’, de kostbare schat van een koning. Zie Deut. 7:6; 14:2; 26:18; Ps. 135:4. Zie ook: Ex 15:26; Deut 7:6; Deut 14:2; Deut 26:18; Ps 135:4; Mal 3:17 **19:6** **En jullie zullen Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk.’ Dit zijn de woorden die je tot de zonen van Israël moet spreken.”** Brontekst: וְאַתֶּ֧ם (veatem) = en jullie | תִּהְיוּ (tihyu) = zullen zijn | לִ֛י (li) = voor Mij | מַמְלֶ֥כֶת (mamlekhet) = een koninkrijk van | כֹּהֲנִ֖ים (kohanim) = priesters | וְג֣וֹי (vegoy) = en een volk | קָד֑וֹשׁ (qadosh) = heilig | אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תְּדַבֵּ֖ר (tedaber) = je zult spreken | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Een koninkrijk van priesters’: heel het volk krijgt een priesterlijke taak tegenover de andere volken. Zie ook 1 Petr. 2:9; Openb. 1:6. Zie ook: Deut 7:6; 1 Petr 2:5; 1 Petr 2:9; Openb 1:6; Openb 5:10 **19:7** Mozes kwam, riep de oudsten van het volk en legde hun al deze woorden voor die Yahweh hem had geboden. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en riep | לְזִקְנֵ֣י (leziqnei) = de oudsten van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en legde voor | לִפְנֵיהֶ֗ם (lifneihem) = hun aangezicht | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּ֖הוּ (tsivahu) = gebood hem | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:16; Ex 4:29–30; 1 Kor 15:1 **19:8** Heel het volk antwoordde tezamen: „Alles wat Yahweh gesproken heeft, zullen wij doen.” Mozes bracht de woorden van het volk terug bij Yahweh. Brontekst: וַיַּעֲנ֨וּ (vayaanu) = en antwoordde | כָל (kal) = heel | הָעָ֤ם (haam) = het volk | יַחְדָּו֙ (yachdav) = tezamen | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבֶּ֥ר (diber) = gesproken heeft | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נַעֲשֶׂ֑ה (naase) = zullen wij doen | וַיָּ֧שֶׁב (vayashev) = en bracht terug | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:3; Ex 24:7; Deut 5:27–29; Joz 24:24; Neh 10:30 **19:9** Yahweh zei tot Mozes: **„Zie, Ik kom tot je in een dichte wolk, opdat het volk hoort wanneer Ik met je spreek, en ook jou voor altijd zal geloven.”** Mozes bracht de woorden van het volk over aan Yahweh. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | בָּ֣א (ba) = kom | אֵלֶיךָ֮ (eleikha) = tot jou | בְּעַ֣ב (beav) = in de dikte van | הֶֽעָנָן֒ (heanan) = de wolk | בַּעֲב֞וּר (baavur) = opdat | יִשְׁמַ֤ע (yishma) = hoort | הָעָם֙ (haam) = het volk | בְּדַבְּרִ֣י (bedaberi) = als Ik spreek | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met jou | וְגַם (vegam) = en ook | בְּךָ֖ (bekha) = jou | יַאֲמִ֣ינוּ (yaaminu) = zullen zij geloven | לְעוֹלָ֑ם (leolam) = voor altijd | וַיַּגֵּ֥ד (vayaged) = en bracht over | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = aan | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:16; Ex 24:15–16; Deut 4:11–12; Deut 4:36; Mat 17:5 ### De voorbereiding op de ontmoeting **19:10** Yahweh zei tot Mozes: **„Ga naar het volk en heilig hen vandaag en morgen. Laat hen hun kleren wassen** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | אֶל (el) = naar | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְקִדַּשְׁתָּ֥ם (veqidashtam) = en heilig hen | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | וּמָחָ֑ר (umachar) = en morgen | וְכִבְּס֖וּ (vekhibesu) = en laat wassen | שִׂמְלֹתָֽם (simlotam) = hun kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:2; Lev 11:25; Lev 11:44–45; Num 8:21; Heb 10:22 **19:11** **en klaar zijn voor de derde dag. Want op de derde dag zal Yahweh voor de ogen van heel het volk neerdalen op de berg Sinaï.** Brontekst: וְהָי֥וּ (vehayu) = en laat hen zijn | נְכֹנִ֖ים (nekhonim) = bereid | לַיּ֣וֹם (layom) = voor de dag | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = de derde | כִּ֣י (ki) = want | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֗י (hashelishi) = de derde | יֵרֵ֧ד (yered) = zal nederdalen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | עַל (al) = op | הַ֥ר (har) = de berg | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 19:16; Ex 34:5; Deut 33:2; Hab 3:3–6; Joh 3:13 **19:12** **Zet een grens rondom het volk en zeg: ‘Pas op dat jullie de berg niet opgaan en de rand ervan niet aanraken. Wie de berg aanraakt, zal zeker gedood worden.** Brontekst: וְהִגְבַּלְתָּ֤ (vehigbalta) = en zet grenzen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | לֵאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | הִשָּׁמְר֥וּ (hishameru) = pas op | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | עֲל֥וֹת (alot) = dat jullie opgaan | בָּהָ֖ר (bahar) = de berg | וּנְגֹ֣עַ (unegoa) = en raken aan | בְּקָצֵ֑הוּ (beqatsehu) = zijn rand | כָּל (kal) = ieder | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = die aanraakt | בָּהָ֖ר (bahar) = de berg | מ֥וֹת (mot) = sterven | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 10:28; Ex 19:21; Deut 2:4; Joz 3:4; Heb 12:20–21 **19:13** **Geen hand mag hem aanraken, want hij zal gestenigd of doorschoten worden. Of het een dier is of een mens, hij mag niet blijven leven. Wanneer de ramshoorn lang klinkt, mogen zij de berg opgaan.’”** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִגַּ֨ע (tiga) = zal aanraken | בּ֜וֹ (bo) = hem | יָ֗ד (yad) = hand | כִּֽי (ki) = want | סָק֤וֹל (saqol) = stenigen | יִסָּקֵל֙ (yisaqel) = zal hij gestenigd worden | אוֹ (o) = of | יָרֹ֣ה (yaro) = schieten | יִיָּרֶ֔ה (yiyare) = zal hij doorschoten worden | אִם (im) = of | בְּהֵמָ֥ה (behema) = dier | אִם (im) = of | אִ֖ישׁ (ish) = mens | לֹ֣א (lo) = niet | יִחְיֶ֑ה (yichye) = zal leven | בִּמְשֹׁךְ֙ (bimshokh) = bij het lang klinken van | הַיֹּבֵ֔ל (hayovel) = de ramshoorn | הֵ֖מָּה (hema) = zij | יַעֲל֥וּ (yaalu) = mogen opgaan | בָהָֽר (bahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיֹּבֵל (hayovel) is een ramshoorn (vergelijk Joz. 6:5). Het woord geeft ook zijn naam aan het jubeljaar (Lev. 25:10). Zie ook: Ex 19:16; Ex 19:19; Lev 20:15–16; Lev 25:10; Joz 6:5; 1 Tess 4:16; Heb 12:20 **19:14** Mozes daalde van de berg af naar het volk, heiligde het volk, en zij wasten hun kleren. Brontekst: וַיֵּ֧רֶד (vayered) = en daalde af | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | מִן (min) = van | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | אֶל (el) = naar | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיְקַדֵּשׁ֙ (vayqadesh) = en heiligde | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַֽיְכַבְּס֖וּ (vaykhabesu) = en zij wasten | שִׂמְלֹתָֽם (simlotam) = hun kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:10 **19:15** Hij zei tot het volk: „Wees klaar voor de derde dag. Kom niet bij een vrouw.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הֱי֥וּ (heyu) = weest | נְכֹנִ֖ים (nekhonim) = bereid | לִשְׁלֹ֣שֶׁת (lishloshet) = voor drie | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | אַֽל (al) = niet | תִּגְּשׁ֖וּ (tigeshu) = nader | אֶל (el) = tot | אִשָּֽׁה (isha) = een vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:11; 1 Sam 21:5–6; Joël 2:16; Mat 24:44; 1 Kor 7:5 ### Yahweh daalt neer op de berg **19:16** Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, waren er donderslagen en bliksems, een zware wolk op de berg en een zeer sterk hoorngeluid. En heel het volk in het kamp beefde. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het geschiedde | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֜י (hashelishi) = de derde | בִּֽהְיֹ֣ת (bihyot) = bij het aanbreken van | הַבֹּ֗קֶר (haboqer) = de morgen | וַיְהִי֩ (vayhi) = en er waren | קֹלֹ֨ת (qolot) = donderslagen | וּבְרָקִ֜ים (uveraqim) = en bliksems | וְעָנָ֤ן (veanan) = en een wolk | כָּבֵד֙ (kaved) = zware | עַל (al) = op | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וְקֹ֥ל (veqol) = en het geluid van | שֹׁפָ֖ר (shofar) = een ramshoorn | חָזָ֣ק (chazaq) = sterk | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיֶּחֱרַ֥ד (vayecherad) = en beefde | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בַּֽמַּחֲנֶֽה (bamachane) = in het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹלֹת (kolot), ‘stemmen’, is hier ‘donderslagen’. In het Hebreeuws staat bij ‘hoorngeluid’ het woord שׁוֹפָר (shofar), een ramshoorn. Zie ook Deut. 4:11–12; Hebr. 12:18–21. Zie ook: Deut 4:11–12; Ps 18:12–15; Heb 12:18–19; Heb 12:21; Openb 4:1; Openb 8:5 **19:17** Mozes liet het volk uit het kamp uitgaan om Elohim te ontmoeten, en zij stelden zich op aan de voet van de berg. Brontekst: וַיּוֹצֵ֨א (vayotse) = en liet uitgaan | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֛ם (haam) = het volk | לִקְרַ֥את (liqrat) = om te ontmoeten | הָֽאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | מִן (min) = uit | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וַיִּֽתְיַצְּב֖וּ (vayityatsevu) = en zij stelden zich op | בְּתַחְתִּ֥ית (betachtit) = aan de voet van | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:10; Deut 5:5 **19:18** De berg Sinaï rookte helemaal, omdat Yahweh er in vuur op was neergedaald. De rook ervan steeg op als de rook van een smeltoven, en heel de berg beefde hevig. Brontekst: וְהַ֤ר (vehar) = en de berg | סִינַי֙ (sinay) = Sinaï | עָשַׁ֣ן (ashan) = rookte | כֻּלּ֔וֹ (kulo) = geheel | מִ֠פְּנֵי (mipenei) = vanwege | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָרַ֥ד (yarad) = nederdaalde | עָלָ֛יו (alav) = op hem | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = in vuur | וַיַּ֤עַל (vayaal) = en steeg op | עֲשָׁנוֹ֙ (ashano) = zijn rook | כְּעֶ֣שֶׁן (keeshen) = als de rook van | הַכִּבְשָׁ֔ן (hakivshan) = de oven | וַיֶּחֱרַ֥ד (vayecherad) = en beefde | כָּל (kal) = heel | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: כִּבְשָׁן (kivshan) is een smeltoven of kalkoven. Zie ook: Ex 3:2; Re 5:5; Ps 68:8–9; Ps 144:5; Openb 15:8 **19:19** Het hoorngeluid werd steeds sterker. Mozes sprak, en Elohim antwoordde hem met een stem. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het geschiedde | ק֣וֹל (qol) = geluid van | הַשּׁוֹפָ֔ר (hashofar) = de ramshoorn | הוֹלֵ֖ךְ (holekh) = gaande | וְחָזֵ֣ק (vechazeq) = en sterker wordend | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | יְדַבֵּ֔ר (yedaber) = sprak | וְהָאֱלֹהִ֖ים (vehaelohim) = en Elohim | יַעֲנֶ֥נּוּ (yaanenu) = antwoordde hem | בְקֽוֹל (beqol) = met een stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Antwoordde hem met een stem’: Elohim sprak hoorbaar, zodat het volk het kon horen (vers 9; 20:18–19). Zie ook: Ex 19:9; Ex 19:13; Ex 19:16; Ps 81:8; Neh 9:13; Heb 12:21 **19:20** Yahweh daalde neer op de berg Sinaï, op de top van de berg, en Yahweh riep Mozes naar de top van de berg, en Mozes ging op. Brontekst: וַיֵּ֧רֶד (vayered) = en daalde neer | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | הַ֥ר (har) = de berg | סִינַ֖י (sinay) = Sinaï | אֶל (el) = naar | רֹ֣אשׁ (rosh) = de top van | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en riep | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | לְמֹשֶׁ֛ה (lemoshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | רֹ֥אשׁ (rosh) = de top van | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en ging op | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 19:3; Ex 24:18; Ex 34:2; Ps 81:8; Neh 9:13 **19:21** Yahweh zei tot Mozes: **„Daal af en waarschuw het volk dat zij niet naar Yahweh doorbreken om te kijken. Want dan zullen er velen van hen vallen.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | רֵ֖ד (red) = daal af | הָעֵ֣ד (haed) = waarschuw | בָּעָ֑ם (baam) = het volk | פֶּן (pen) = opdat niet | יֶהֶרְס֤וּ (yehersu) = zij doorbreken | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִרְא֔וֹת (lirot) = om te zien | וְנָפַ֥ל (venafal) = en valt | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hen | רָֽב (rav) = velen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:3; Ex 3:5; 1 Sam 6:19; Pred 4:17; Heb 12:28–29 **19:22** **Ook de priesters die tot Yahweh naderen, moeten zich heiligen, anders breekt Yahweh tegen hen los.”** Brontekst: וְגַ֧ם (vegam) = en ook | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | הַנִּגָּשִׁ֥ים (hanigashim) = die naderen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִתְקַדָּ֑שׁוּ (yitqadashu) = zich heiligen | פֶּן (pen) = opdat niet | יִפְרֹ֥ץ (yifrots) = losbreekt | בָּהֶ֖ם (bahem) = tegen hen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:14–15; Ex 24:5; 2 Kron 30:15; 2 Kron 30:18–19; Jes 52:11 **19:23** Mozes zei tot Yahweh: „Het volk kan niet opgaan naar de berg Sinaï. Want U hebt ons gewaarschuwd: ‘Zet een grens om de berg en heilig hem.’” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | יוּכַ֣ל (yukhal) = kan | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לַעֲלֹ֖ת (laalot) = opgaan | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = de berg | סִינָ֑י (sinay) = Sinaï | כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֞ה (ata) = U | הַעֵדֹ֤תָה (haedota) = hebt gewaarschuwd | בָּ֨נוּ֙ (banu) = ons | לֵאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | הַגְבֵּ֥ל (hagbel) = zet grenzen | אֶת (et) = (obj.) | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | וְקִדַּשְׁתּֽוֹ (veqidashto) = en heilig hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 19:12; Joz 3:4–5 **19:24** Yahweh zei tot hem: **„Ga, daal af, en kom dan weer op, jij en Aäron met je. Maar de priesters en het volk mogen niet doorbreken om op te gaan tot Yahweh, anders breekt Hij tegen hen los.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֤יו (elav) = tot hem | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֶךְ (lekh) = ga | רֵ֔ד (red) = daal af | וְעָלִ֥יתָ (vealita) = en kom op | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וְאַהֲרֹ֣ן (veaharon) = en Aäron | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | וְהַכֹּהֲנִ֣ים (vehakohanim) = en de priesters | וְהָעָ֗ם (vehaam) = en het volk | אַל (al) = niet | יֶֽהֶרְס֛וּ (yehersu) = laat doorbreken | לַעֲלֹ֥ת (laalot) = om op te gaan | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּן (pen) = opdat niet | יִפְרָץ (yifrats) = losbreekt | בָּֽם (bam) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:21–22; Joh 1:17; Heb 4:16; Heb 12:18–25; Heb 12:29 **19:25** Mozes daalde af naar het volk en zei het hun. Brontekst: וַיֵּ֥רֶד (vayered) = en daalde af | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶֽם (alehem) = tot hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Exodus 20 _De Tien Woorden_ ### De Tien Woorden **20:1** Elohim sprak al deze woorden: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de ‘Tien Woorden’ (Deut. 4:13; 10:4). De telling verschilt per traditie: in de joodse telling is vers 2 het eerste woord, andere tradities rekenen vers 3–6 als één woord of splitsen vers 17. Zie ook: Ex 20:2; Ex 20:3–6; Ex 20:17; Deut 4:13; Deut 4:33; Deut 4:36; Deut 5:4; Deut 5:22; Deut 10:4; Hand 7:38 **20:2** **„Ik ben Yahweh, je Elohim, die jou uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heb geleid.** Brontekst: אָֽנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | הוֹצֵאתִ֛יךָ (hotsetikha) = heb uitgeleid jou | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִֽים (avadim) = slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het eerste woord begint met wie Yahweh is en wat Hij gedaan heeft, vóór er geboden volgen. Dit gedeelte staat ook in Deut. 5:6–21, met enkele verschillen. Zie ook: Ex 13:3; Lev 26:13; Deut 5:6; Ps 81:11; Hos 13:4 **20:3** **Je zult geen andere goden hebben voor Mijn aangezicht.** Brontekst: לֹֽ֣א (lo) = niet | יִהְיֶֽה (yihye) = zullen zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | עַל (al) = voor | פָּנָֽיַ (panaya) = Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל־פָּנָי (al-panai) is letterlijk ‘over Mijn aangezicht’, dus ‘naast Mij’ of ‘in Mijn tegenwoordigheid’. Zie ook: Deut 5:7; Deut 6:5; Ps 81:10; Jes 46:9; Mat 4:10 **20:4** **Je zult geen gesneden beeld voor jezelf maken, en geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel is, of op de aarde beneden, of in het water onder de aarde.** Brontekst: לֹֽ֣א (lo) = niet | תַֽעֲשֶׂ֨ה (taase) = zul je maken | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | פֶ֨סֶל֙ (pesel) = gesneden beeld | וְכָל (vekhal) = en elke | תְּמוּנָ֔ה (temuna) = afbeelding | אֲשֶׁ֤ר (asher) = van wat | בַּשָּׁמַ֨יִם֙ (bashamayim) = in de hemel | מִמַּ֔עַל (mimaal) = boven | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en van wat | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = op de aarde | מִתָּ֑חַת (mitachat) = beneden | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en van wat | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = in het water | מִתַּ֥חַת (mitachat) = onder | לָאָֽרֶץ (laarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:4; Lev 26:1; Deut 4:15–19; Deut 5:8; Ps 97:7 **20:5** **Je zult je niet voor hen neerbuigen en hen niet dienen. Want Ik, Yahweh, je Elohim, ben een na-ijverige El, die de schuld van de vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en het vierde geslacht van hen die Mij haten,** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִשְׁתַּחֲוֶ֥ה (tishtachave) = zul je buigen | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָעָבְדֵ֑ם (taavedem) = dien hen | כִּ֣י (ki) = want | אָֽנֹכִ֞י (anokhi) = Ik | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | אֵ֣ל (el) = El | קַנָּ֔א (qana) = na-ijverig | פֹּ֠קֵד (poqed) = bezoekend | עֲוֺ֨ן (avon) = schuld van | אָבֹ֧ת (avot) = vaderen | עַל (al) = over | בָּנִ֛ים (banim) = kinderen | עַל (al) = over | שִׁלֵּשִׁ֥ים (shileshim) = derden | וְעַל (veal) = en over | רִבֵּעִ֖ים (ribeim) = vierden | לְשֹׂנְאָֽי (lesoneay) = die Mij haten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַנָּא (qanna), ‘na-ijverig’, wil zeggen dat Yahweh geen deling van trouw duldt. De ‘derde en vierde generatie’ zijn de nakomelingen die in één huishouden leefden. Zie ook: Ex 34:14; Num 14:18; Deut 4:24; Deut 5:9; Deut 6:15 **20:6** **maar die trouw bewijst aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden houden.** Brontekst: וְעֹ֥שֶׂה (veose) = en bewijzend | חֶ֖סֶד (chesed) = trouw | לַאֲלָפִ֑ים (laalafim) = aan duizenden | לְאֹהֲבַ֖י (leohavay) = aan wie Mij liefhebben | וּלְשֹׁמְרֵ֥י (uleshomerei) = en aan wie houden | מִצְוֺתָֽי (mitsvotay) = Mijn geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, is trouwe, verbondsmatige liefde. Zie ook: Deut 5:29; Deut 7:9; Jer 32:39–40; Joh 14:21; 1 Joh 5:3 **20:7** **Je zult de naam van Yahweh, je Elohim, niet ijdel gebruiken, want Yahweh laat niet ongestraft wie Zijn naam ijdel gebruikt.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׂ֛א (tisa) = zul je dragen | אֶת (et) = (obj.) | שֵֽׁם (shem) = de naam van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לַשָּׁ֑וְא (lashave) = tot ijdelheid | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יְנַקֶּה֙ (yenaqe) = laat ongestraft | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | יִשָּׂ֥א (yisa) = draagt | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = Zijn naam | לַשָּֽׁוְא (lashave) = tot ijdelheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַשָּׁוְא (lashaw’) betekent ‘tot ijdelheid’: voor een leeg, nutteloos of vals doel. Zie ook: Lev 19:12; Deut 5:11; Ps 50:14–16; Mat 5:33–37; Jak 5:12 **20:8** **Gedenk de sabbatdag, om die te heiligen.** Brontekst: זָכ֛וֹר (zakhor) = gedenk | אֶת (et) = (obj.) | י֥וֹם (yom) = dag van | הַשַּׁבָּ֖ת (hashabat) = de sabbat | לְקַדְּשֽׁוֹ (leqadesho) = om hem te heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:3; Ex 31:13–16; Lev 19:3; Lev 23:3; Lev 26:2 **20:9** **Zes dagen mag je werken en al je werk doen,** Brontekst: שֵׁ֤שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֙ (yamim) = dagen | תַּֽעֲבֹ֔ד (taavod) = zul je werken | וְעָשִׂ֖יתָ (veasita) = en doen | כָּל (kal) = al | מְלַאכְתֶּֽךָ (melakhtekha) = je werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:12; Ex 34:21; Ex 35:2; Lev 23:3; Luc 13:14 **20:10** **maar de zevende dag is een sabbat voor Yahweh, je Elohim. Dan mag je geen enkel werk doen, jij niet, je zoon niet, je dochter niet, je dienaar niet, je dienares niet, je vee niet en de vreemdeling die binnen je poorten is niet.** Brontekst: וְי֨וֹם֙ (veyom) = en dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | שַׁבָּ֖ת (shabat) = sabbat | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹֽ֣א (lo) = niet | תַעֲשֶׂ֨ה (taase) = zul je doen | כָל (kal) = enig | מְלָאכָ֜ה (melakha) = werk | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וּבִנְךָֽ֣ (uvinkha) = en je zoon | וּבִתֶּ֗ךָ (uvitekha) = en je dochter | עַבְדְּךָ֤ (avdekha) = je dienaar | וַאֲמָֽתְךָ֙ (vaamatekha) = en je dienares | וּבְהֶמְתֶּ֔ךָ (uvehemtekha) = en je vee | וְגֵרְךָ֖ (vegerekha) = en je vreemdeling | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶֽיךָ (bishareikha) = binnen je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:27–28; Ex 34:21; Num 15:32–36; Deut 5:14–15; Deut 24:14–22 **20:11** **Want in zes dagen heeft Yahweh de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat erin is. En op de zevende dag heeft Hij gerust. Daarom heeft Yahweh de sabbatdag gezegend en geheiligd.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שֵֽׁשֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֩ (yamim) = dagen | עָשָׂ֨ה (asa) = maakte | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּ֔ם (bam) = daarin | וַיָּ֖נַח (vayanach) = en rustte | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֑י (hashevii) = de zevende | עַל (al) = op grond | כֵּ֗ן (ken) = hiervan | בֵּרַ֧ךְ (berakh) = zegende | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | י֥וֹם (yom) = dag van | הַשַּׁבָּ֖ת (hashabat) = de sabbat | וַֽיְקַדְּשֵֽׁהוּ (vayqadeshehu) = en heiligde hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sabbat wordt hier gegrond in de schepping; vergelijk Gen. 2:2–3. Zie ook: Gen 1:1–2; Gen 2:2–3; Ex 31:17; Ps 95:4–7; Mar 2:27–28 **20:12** **Eer je vader en je moeder, opdat je lang leeft in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft.** Brontekst: כַּבֵּ֥ד (kabed) = eer | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמֶּ֑ךָ (imekha) = je moeder | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | יַאֲרִכ֣וּן (yaarikhun) = lang worden | יָמֶ֔יךָ (yameikha) = je dagen | עַ֚ל (al) = op | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֲדָמָה (ha’adamah) is ‘de grond’; hier is het beloofde land bedoeld. Zie ook Ef. 6:2–3. Zie ook: Deut 5:16; Spr 23:22–25; Mar 7:10; Ef 6:1–3; Ef 6:2–3; Kol 3:20 **20:13** **Je zult niet moorden.** Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תִּרְצָֽח (tirtsach) = zul je moorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצַח (ratsach) betekent ‘moorden’, het onrechtmatig doden van een mens; het is een ander woord dan voor oorlog of rechtspraak. Zie ook: Gen 9:5–6; Ex 21:14; Deut 5:17; Mat 5:21–22; Rom 13:9 **20:14** **Je zult geen overspel plegen.** Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תִּנְאָֽף (tinaf) = zul je overspel plegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 20:10; Deut 5:18; Rom 7:2–3; Rom 13:9; Heb 13:4 **20:15** **Je zult niet stelen.** Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תִּגְנֹֽב (tignov) = zul je stelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:11; Lev 19:13; Mat 19:18; Rom 13:9; Ef 4:28 **20:16** **Je zult tegen je naaste geen valse getuigenis afleggen.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תַעֲנֶ֥ה (taane) = zul je getuigen | בְרֵעֲךָ֖ (bereakha) = tegen je naaste | עֵ֥ד (ed) = als getuige | שָֽׁקֶר (shaqer) = vals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:1; Deut 19:15–21; Ps 15:3; Spr 19:5; Mat 19:18 **20:17** **Je zult het huis van je naaste niet begeren. Je zult de vrouw van je naaste niet begeren, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets wat van je naaste is.”** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תַחְמֹ֖ד (tachmod) = zul je begeren | בֵּ֣ית (beit) = huis van | רֵעֶ֑ךָ (reekha) = je naaste | לֹֽא (lo) = niet | תַחְמֹ֞ד (tachmod) = zul je begeren | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | רֵעֶ֗ךָ (reekha) = je naaste | וְעַבְדּ֤וֹ (veavdo) = en zijn dienaar | וַאֲמָתוֹ֙ (vaamato) = en zijn dienares | וְשׁוֹר֣וֹ (veshoro) = en zijn os | וַחֲמֹר֔וֹ (vachamoro) = en zijn ezel | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לְרֵעֶֽךָ (lereekha) = van je naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 12:15; Rom 7:7; Rom 13:9; Ef 5:5; Heb 13:5 ### De angst van het volk **20:18** Heel het volk zag de donderslagen en de fakkels, het hoorngeluid en de rokende berg. Toen het volk dat zag, beefde het en bleef op een afstand staan. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָם֩ (haam) = het volk | רֹאִ֨ים (roim) = ziende | אֶת (et) = (obj.) | הַקּוֹלֹ֜ת (haqolot) = de donderslagen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַלַּפִּידִ֗ם (halapidim) = de fakkels | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | ק֣וֹל (qol) = geluid van | הַשֹּׁפָ֔ר (hashofar) = de ramshoorn | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | עָשֵׁ֑ן (ashen) = rokend | וַיַּ֤רְא (vayar) = en zag | הָעָם֙ (haam) = het volk | וַיָּנֻ֔עוּ (vayanuu) = en beefden | וַיַּֽעַמְד֖וּ (vayaamdu) = en stonden | מֵֽרָחֹֽק (merachoq) = op afstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקּוֹלֹת (haqolot), ‘de stemmen’, is hier ‘de donderslagen’ (vergelijk 19:16). Zie ook Deut. 5:22–27; Hebr. 12:18–21. Zie ook: Ex 19:16–18; Deut 5:22–27; Ps 139:7–8; Jer 23:23; Heb 12:18–19 **20:19** Zij zeiden tot Mozes: „Spreek jij met ons, dan zullen wij luisteren; maar laat Elohim niet met ons spreken, anders sterven wij.” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | דַּבֵּר (daber) = spreek | אַתָּ֥ה (ata) = jij | עִמָּ֖נוּ (imanu) = met ons | וְנִשְׁמָ֑עָה (venishmaa) = en wij zullen horen | וְאַל (veal) = en niet | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = laat spreken | עִמָּ֛נוּ (imanu) = met ons | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | פֶּן (pen) = opdat niet | נָמֽוּת (namut) = wij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 32:30; Ex 33:20; Deut 5:23–27; Deut 18:16; Hand 7:38 **20:20** Mozes zei tot het volk: „Wees niet bang. Want Elohim is gekomen om jullie op de proef te stellen, en opdat de vrees voor Hem jullie voor ogen staat, zodat jullie niet zondigen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָעָם֮ (haam) = het volk | אַל (al) = niet | תִּירָאוּ֒ (tirau) = vrees | כִּ֗י (ki) = want | לְבַֽעֲבוּר֙ (levaavur) = om | נַסּ֣וֹת (nasot) = op de proef te stellen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | בָּ֖א (ba) = is gekomen | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וּבַעֲב֗וּר (uvaavur) = en opdat | תִּהְיֶ֧ה (tihye) = zal zijn | יִרְאָת֛וֹ (yirato) = Zijn vrees | עַל (al) = op | פְּנֵיכֶ֖ם (peneikhem) = jullie gezicht | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = opdat niet | תֶחֱטָֽאוּ (techetau) = jullie zondigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:2; Deut 13:4; 1 Sam 12:20; Spr 3:7; Jes 8:13 **20:21** Het volk bleef op een afstand staan, maar Mozes naderde de donkere wolk waar Elohim was. Brontekst: וַיַּעֲמֹ֥ד (vayaamod) = en stond | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מֵרָחֹ֑ק (merachoq) = op afstand | וּמֹשֶׁה֙ (umoshe) = en Mozes | נִגַּ֣שׁ (nigash) = naderde | אֶל (el) = tot | הָֽעֲרָפֶ֔ל (haarafel) = de donkere wolk | אֲשֶׁר (asher) = waar | שָׁ֖ם (sham) = daar | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֲרָפֶל (ha’arafel) is de donkere wolk waarin Yahweh Zich verbergt (vergelijk Deut. 4:11; 5:22). Zie ook: Deut 4:11; Deut 5:22; Ps 18:10; Ps 97:2; 1 Kon 8:12; 2 Kron 6:1; 1 Tim 6:16 ### Regels voor het altaar **20:22** Yahweh zei tot Mozes: **„Zo moet je tot de zonen van Israël zeggen: ‘Jullie hebben zelf gezien dat Ik vanuit de hemel met jullie heb gesproken.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמַ֖ר (tomar) = zul je zeggen | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | רְאִיתֶ֔ם (reitem) = hebben gezien | כִּ֚י (ki) = dat | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik sprak | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:36; Neh 9:13; Heb 12:25–26 **20:23** **Jullie zullen naast Mij geen goden van zilver maken, en goden van goud zullen jullie niet voor jullie maken.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשׂ֖וּן (taasun) = zullen jullie maken | אִתִּ֑י (iti) = bij Mij | אֱלֹ֤הֵי (elohei) = goden van | כֶ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | וֵאלֹהֵ֣י (velohei) = en goden van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשׂ֖וּ (taasu) = zullen jullie maken | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:3–5; 2 Kon 17:33; Sef 1:5; Ezech 20:39; Openb 22:15 **20:24** **Een altaar van aarde moet je voor Mij maken, en daarop zul je je brandoffers en je vredeoffers slachten, je kleinvee en je runderen. Op elke plaats waar Ik Mijn naam laat gedenken, kom Ik tot je en zegen Ik je.** Brontekst: מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | אֲדָמָה֮ (adama) = aarde | תַּעֲשֶׂה (taase) = zul je maken | לִּי֒ (li) = voor Mij | וְזָבַחְתָּ֣ (vezavachta) = en slacht | עָלָ֗יו (alav) = daarop | אֶת (et) = (obj.) | עֹלֹתֶ֨יךָ֙ (oloteikha) = je brandoffers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁלָמֶ֔יךָ (shelameikha) = je vredeoffers | אֶת (et) = (obj.) | צֹֽאנְךָ֖ (tsonkha) = je kleinvee | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּקָרֶ֑ךָ (beqarekha) = je runderen | בְּכָל (bekhal) = op elke | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | אַזְכִּ֣יר (azkir) = Ik laat gedenken | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֔י (shemi) = Mijn naam | אָב֥וֹא (avo) = zal Ik komen | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | וּבֵרַכְתִּֽיךָ (uverakhtikha) = en zal je zegenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het altaar is eenvoudig van aarde. Yahweh belooft Zijn aanwezigheid op elke plek waar Hij Zijn naam laat gedenken. Zie ook: Deut 12:5; Ps 132:13–14; 1 Kon 9:3; 2 Kron 6:6; 2 Kron 7:16 **20:25** **Als je voor Mij een altaar van stenen maakt, bouw het dan niet van behouwen steen. Want als je er je gereedschap over zwaait, ontwijd je het.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = altaar van | אֲבָנִים֙ (avanim) = stenen | תַּֽעֲשֶׂה (taase) = zul je maken | לִּ֔י (li) = voor Mij | לֹֽא (lo) = niet | תִבְנֶ֥ה (tivne) = zul je bouwen | אֶתְהֶ֖ן (ethen) = ze | גָּזִ֑ית (gazit) = behouwen | כִּ֧י (ki) = want | חַרְבְּךָ֛ (charbekha) = je gereedschap | הֵנַ֥פְתָּ (henafta) = heb je geheven | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = erover | וַתְּחַֽלְלֶֽהָ (vatechalleha) = en ontwijd je het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַרְבְּךָ (charbecha) is letterlijk ‘je zwaard’; hier is gereedschap van metaal bedoeld. Zie ook: Deut 27:5–6; Joz 8:31 **20:26** **Je zult ook niet langs treden naar Mijn altaar opgaan, zodat je naaktheid er niet op wordt ontbloot.’”** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תַעֲלֶ֥ה (taale) = zul je opgaan | בְמַעֲלֹ֖ת (bemaalot) = langs treden | עַֽל (al) = op | מִזְבְּחִ֑י (mizbechi) = Mijn altaar | אֲשֶׁ֛ר (asher) = opdat | לֹֽא (lo) = niet | תִגָּלֶ֥ה (tigale) = wordt ontbloot | עֶרְוָתְךָ֖ (ervatekha) = je naaktheid | עָלָֽיו (alav) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Treden zijn trappen; bij een trap zou de naaktheid van wie opgaat zichtbaar kunnen worden. Zie ook 28:42–43. Zie ook: Lev 10:3; Ps 89:8; Pred 4:17; 1 Petr 1:16; Heb 12:28–29 ## Exodus 21 _Rechtsregels over slaven en lichamelijk letsel_ ### Het boek van het verbond: de rechtsregels **21:1** **„Dit zijn de rechtsregels die je hun moet voorleggen:** Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | הַמִּשְׁפָּטִ֔ים (hamishpatim) = de rechtsregels | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תָּשִׂ֖ים (tasim) = je zult voorleggen | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint het ‘boek van het verbond’ (24:7), de rechtsregels van 21:1–23:33. Deze toespraak van Yahweh loopt door tot 23:33. Naar de Hebreeuwse tekst eindigt dit hoofdstuk met vers 37. De meeste Nederlandse vertalingen tellen dit als 22:1; de verzen 22:1–30 hier komen dus overeen met 22:2–31 elders. Zie ook: Ex 19:7; Ex 21:37; Ex 24:3–4; Deut 4:8; Deut 4:14; Deut 6:20 ### Hebreeuwse slaven **21:2** **Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, en in het zevende jaar gaat hij vrij weg, zonder te betalen.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תִקְנֶה֙ (tiqne) = je koopt | עֶ֣בֶד (eved) = een slaaf | עִבְרִ֔י (ivri) = Hebreeuwse | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | יַעֲבֹ֑ד (yaavod) = zal hij dienen | וּבַ֨שְּׁבִעִ֔ת (uvasheviit) = en in het zevende | יֵצֵ֥א (yetse) = zal hij uitgaan | לַֽחָפְשִׁ֖י (lachafeshi) = als vrije | חִנָּֽם (chinam) = om niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד עִבְרִי (eved ivri), ‘een Hebreeuwse slaaf’: een lid van het eigen volk dat door schuld in dienst is gekomen. Vergelijk Deut. 15:12–18; Lev. 25:39–43. Zie ook: Ex 12:44; Lev 25:39–43; Deut 15:12–15; Deut 15:18; Deut 31:10; Jer 34:8–17 **21:3** **Als hij alleen kwam, gaat hij alleen weg; als hij de man van een vrouw was, gaat zijn vrouw met hem weg.** Brontekst: אִם (im) = als | בְּגַפּ֥וֹ (begapo) = alleen | יָבֹ֖א (yavo) = komt hij | בְּגַפּ֣וֹ (begapo) = alleen | יֵצֵ֑א (yetse) = gaat hij uit | אִם (im) = als | בַּ֤עַל (baal) = meester van | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | ה֔וּא (hu) = hij | וְיָצְאָ֥ה (veyatsea) = dan gaat uit | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 15:12–14 **21:4** **Als zijn heer hem een vrouw heeft gegeven en zij hem zonen of dochters heeft gebaard, dan blijven de vrouw en haar kinderen van haar heer, en gaat hij alleen weg.** Brontekst: אִם (im) = als | אֲדֹנָיו֙ (adonav) = zijn heer | יִתֶּן (yiten) = geeft | ל֣וֹ (lo) = hem | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | וְיָלְדָה (veyaleda) = en zij baart | ל֥וֹ (lo) = hem | בָנִ֖ים (banim) = zonen | א֣וֹ (o) = of | בָנ֑וֹת (banot) = dochters | הָאִשָּׁ֣ה (haisha) = de vrouw | וִילָדֶ֗יהָ (viladeiha) = en haar kinderen | תִּהְיֶה֙ (tihye) = zullen zijn | לַֽאדֹנֶ֔יהָ (ladoneiha) = van haar heer | וְה֖וּא (vehu) = en hij | יֵצֵ֥א (yetse) = zal uitgaan | בְגַפּֽוֹ (begapo) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:5** **Maar als de slaaf nadrukkelijk zegt: ‘Ik heb mijn heer lief, mijn vrouw en mijn zonen; ik wil niet vrij weggaan,’** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אָמֹ֤ר (amor) = zeggen | יֹאמַר֙ (yomar) = zal zeggen | הָעֶ֔בֶד (haeved) = de slaaf | אָהַ֨בְתִּי֙ (ahavti) = ik heb liefgehad | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתִּ֖י (ishti) = mijn vrouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֑י (banay) = mijn zonen | לֹ֥א (lo) = niet | אֵצֵ֖א (etse) = zal ik uitgaan | חָפְשִֽׁי (chafeshi) = vrij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 15:16–17; Jes 26:13; 2 Kor 5:14–15 **21:6** **dan moet zijn heer hem voor Elohim brengen. Zijn heer moet hem bij de deur of de deurpost brengen en zijn oor met een els doorboren, en hij zal hem voor altijd dienen.** Brontekst: וְהִגִּישׁ֤וֹ (vehigisho) = en zal brengen | אֲדֹנָיו֙ (adonav) = zijn heer | אֶל (el) = naar | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְהִגִּישׁוֹ֙ (vehigisho) = en hij zal brengen | אֶל (el) = naar | הַדֶּ֔לֶת (hadelet) = de deur | א֖וֹ (o) = of | אֶל (el) = naar | הַמְּזוּזָ֑ה (hamezuza) = de deurpost | וְרָצַ֨ע (veratsa) = en doorboren | אֲדֹנָ֤יו (adonav) = zijn heer | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנוֹ֙ (azeno) = zijn oor | בַּמַּרְצֵ֔עַ (bamartsea) = met de els | וַעֲבָד֖וֹ (vaavado) = en hij zal dienen | לְעֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֱלֹהִים (ha'elohim) betekent hier ‘Elohim’ of ‘de rechters’ (vergelijk 22:7–8). Bedoeld is dat de zaak voor het heiligdom of voor rechters wordt gebracht. Het doorboren van het oor met een els tegen de deur maakt de slaaf blijvend deel van het huis. Zie Deut. 15:17. Zie ook: Lev 25:40; Deut 15:17; Deut 16:18; Deut 19:17–18; 1 Sam 28:2 **21:7** **Wanneer een man zijn dochter als slavin verkoopt, gaat zij niet vrij weg zoals de slaven.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִמְכֹּ֥ר (yimkor) = verkoopt | אִ֛ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | בִּתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | לְאָמָ֑ה (leama) = als slavin | לֹ֥א (lo) = niet | תֵצֵ֖א (tetse) = zal ze uitgaan | כְּצֵ֥את (ketset) = zoals het uitgaan van | הָעֲבָדִֽים (haavadim) = de slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:2–3; Neh 5:5 **21:8** **Als zij in de ogen van haar heer niet bevalt, terwijl hij haar voor zichzelf bestemd had, dan moet hij haar laten vrijkopen. Aan een vreemd volk mag hij haar niet verkopen, omdat hij trouweloos aan haar heeft gehandeld.** Brontekst: אִם (im) = als | רָעָ֞ה (raa) = slecht | בְּעֵינֵ֧י (beeinei) = in de ogen van | אֲדֹנֶ֛יהָ (adoneiha) = haar heer | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֥וֹ (lo) = voor zichzelf | יְעָדָ֖הּ (yeadah) = haar bestemd had | וְהֶפְדָּ֑הּ (vehefdah) = dan laat hij haar vrijkopen | לְעַ֥ם (leam) = aan een volk | נָכְרִ֛י (nakheri) = vreemd | לֹא (lo) = niet | יִמְשֹׁ֥ל (yimshol) = heeft hij macht | לְמָכְרָ֖הּ (lemakherah) = om haar te verkopen | בְּבִגְדוֹ (bevigdo) = in zijn trouweloos handelen | בָֽהּ (bah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketib) heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘die haar niet bestemd had’; de gelezen tekst (qere) heeft לוֹ (lo), ‘voor zichzelf’. Wij volgen de gelezen tekst. Zie ook: Gen 28:8; Deut 20:7; Deut 21:11–14; Re 9:19; Re 14:3 **21:9** **Als hij haar voor zijn zoon bestemt, moet hij haar behandelen volgens het recht van dochters.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לִבְנ֖וֹ (livno) = voor zijn zoon | יִֽיעָדֶ֑נָּה (yiadena) = hij haar bestemt | כְּמִשְׁפַּ֥ט (kemishpat) = volgens het recht van | הַבָּנ֖וֹת (habanot) = de dochters | יַעֲשֶׂה (yaase) = zal hij doen | לָּֽהּ (lah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:10** **Als hij nog een andere vrouw voor zich neemt, mag hij haar voeding, haar kleding en haar recht op de echtelijke omgang niet verminderen.** Brontekst: אִם (im) = als | אַחֶ֖רֶת (acheret) = een andere | יִֽקַּֽח (yiqach) = hij neemt | ל֑וֹ (lo) = voor zich | שְׁאֵרָ֛הּ (sheerah) = haar voeding | כְּסוּתָ֥הּ (kesutah) = haar kleding | וְעֹנָתָ֖הּ (veonatah) = en haar echtelijk recht | לֹ֥א (lo) = niet | יִגְרָֽע (yigra) = zal hij verminderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹנָתָהּ (onatah) is waarschijnlijk ‘haar recht op de echtelijke omgang’; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: 1 Kor 7:1–6 **21:11** **Als hij deze drie dingen niet voor haar doet, dan gaat zij vrij weg, zonder betaling, zonder geld.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | שְׁלָ֨שׁ (shelash) = drie | אֵ֔לֶּה (ele) = deze | לֹ֥א (lo) = niet | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = hij doet | לָ֑הּ (lah) = voor haar | וְיָצְאָ֥ה (veyatsea) = dan gaat ze uit | חִנָּ֖ם (chinam) = om niet | אֵ֥ין (ein) = zonder | כָּֽסֶף (kasef) = geld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Doodslag en moord **21:12** **Wie iemand zo slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden.** Brontekst: מַכֵּ֥ה (make) = slaande | אִ֛ישׁ (ish) = een man | וָמֵ֖ת (vamet) = en hij sterft | מ֥וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:6; Lev 24:17; Num 35:16–24; Num 35:30–31; Mat 26:52 **21:13** **Maar als iemand niet op de loer lag en Elohim het door zijn hand liet gebeuren, dan zal Ik je een plaats aanwijzen waar hij heen kan vluchten.** Brontekst: וַאֲשֶׁר֙ (vaasher) = en wie | לֹ֣א (lo) = niet | צָדָ֔ה (tsada) = op de loer lag | וְהָאֱלֹהִ֖ים (vehaelohim) = en Elohim | אִנָּ֣ה (ina) = liet overkomen | לְיָד֑וֹ (leyado) = in zijn hand | וְשַׂמְתִּ֤י (vesamti) = dan zal Ik aanwijzen | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | מָק֔וֹם (maqom) = een plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | יָנ֖וּס (yanus) = hij kan vluchten | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de eerste aanwijzing voor de vrijsteden. Zie Num. 35:9–34; Deut. 19:1–13. Zie ook: Num 35:9–34; Deut 4:41–43; Deut 19:1–13; Joz 20:2–9; 1 Sam 24:11; 1 Sam 24:19 **21:14** **Maar als iemand zijn naaste moedwillig en met list doodt, haal hem dan weg, zelfs van Mijn altaar, om hem te laten sterven.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָזִ֥ד (yazid) = handelt vermetel | אִ֛ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = tegen | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | לְהָרְג֣וֹ (leharego) = om hem te doden | בְעָרְמָ֑ה (bearema) = met list | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | מִזְבְּחִ֔י (mizbechi) = Mijn altaar | תִּקָּחֶ֖נּוּ (tiqachenu) = zul je hem nemen | לָמֽוּת (lamut) = om te sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie moedwillig doodt, vindt zelfs bij het altaar geen bescherming. Vergelijk 1 Kon. 2:28–34. Zie ook: Deut 1:43; 1 Kon 1:50–51; 1 Kon 2:28–34; 2 Petr 2:10; Heb 10:26 **21:15** **Wie zijn vader of zijn moeder slaat, moet zeker gedood worden.** Brontekst: וּמַכֵּ֥ה (umake) = en wie slaat | אָבִ֛יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֖וֹ (veimo) = en zijn moeder | מ֥וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 21:18–21; Deut 27:24; Spr 30:11; Spr 30:17; 1 Tim 1:9 **21:16** **Wie een mens steelt en hem verkoopt, of hij wordt in zijn bezit gevonden, moet zeker gedood worden.** Brontekst: וְגֹנֵ֨ב (vegonev) = en wie steelt | אִ֧ישׁ (ish) = een man | וּמְכָר֛וֹ (umekharo) = en hem verkoopt | וְנִמְצָ֥א (venimtsa) = en gevonden wordt | בְיָד֖וֹ (beyado) = in zijn hand | מ֥וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat om mensenroof, niet om diefstal van goederen. Zie Deut. 24:7. Zie ook: Gen 37:28; Gen 40:15; Ex 22:3; Deut 24:7; 1 Tim 1:10 **21:17** **Wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden.** Brontekst: וּמְקַלֵּ֥ל (umeqalel) = en wie vervloekt | אָבִ֛יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֖וֹ (veimo) = en zijn moeder | מ֥וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 20:9–10; Deut 27:16; Spr 20:20; Mat 15:3–6; Mar 7:10–11 ### Letsel **21:18** **Wanneer mannen ruzie krijgen en de een de ander met een steen of met de vuist slaat, zodat hij niet sterft maar bedlegerig wordt,** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יְרִיבֻ֣ן (yerivun) = twisten | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | וְהִכָּה (vehika) = en slaat | אִישׁ֙ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | בְּאֶ֖בֶן (beeven) = met een steen | א֣וֹ (o) = of | בְאֶגְרֹ֑ף (beegrof) = met een vuist | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָמ֖וּת (yamut) = sterft | וְנָפַ֥ל (venafal) = maar valt | לְמִשְׁכָּֽב (lemishkav) = op het bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 2:13; Ex 21:20; Num 35:16–24; Deut 25:11; 2 Sam 14:6 **21:19** **en hij weer opstaat en buiten op zijn stok rondloopt, dan is degene die hem sloeg vrij van straf. Alleen moet hij hem de tijd vergoeden die hij verloren heeft en zorgen dat hij volledig geneest.** Brontekst: אִם (im) = als | יָק֞וּם (yaqum) = opstaat | וְהִתְהַלֵּ֥ךְ (vehithalekh) = en rondloopt | בַּח֛וּץ (bachuts) = buiten | עַל (al) = op | מִשְׁעַנְתּ֖וֹ (mishanto) = zijn stok | וְנִקָּ֣ה (veniqa) = dan is vrij | הַמַּכֶּ֑ה (hamake) = de slaande | רַ֥ק (raq) = alleen | שִׁבְתּ֛וֹ (shivto) = zijn stilzitten | יִתֵּ֖ן (yiten) = hij zal geven | וְרַפֹּ֥א (verapo) = en genezing | יְרַפֵּֽא (yerape) = hij laat genezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁבְתּוֹ (shivto) is letterlijk ‘zijn stilzitten’, dus de tijd dat hij door zijn letsel niet kon werken. Zie ook: 2 Sam 3:29; Zach 8:4 **21:20** **Wanneer iemand zijn slaaf of zijn slavin met een stok slaat en die sterft onder zijn hand, dan moet dat zeker gewroken worden.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יַכֶּה֩ (yake) = slaat | אִ֨ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדּ֜וֹ (avdo) = zijn slaaf | א֤וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | אֲמָתוֹ֙ (amato) = zijn slavin | בַּשֵּׁ֔בֶט (bashevet) = met een stok | וּמֵ֖ת (umet) = en hij sterft | תַּ֣חַת (tachat) = onder | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | נָקֹ֖ם (naqom) = wraak | יִנָּקֵֽם (yinaqem) = zal gewroken worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָקֹם יִנָּקֵם (naqom yinnaqem), ‘zeker gewroken worden’: een straf, waarvan de vorm hier niet wordt bepaald. Zie ook: Gen 4:24; Gen 9:6; Deut 19:21; Spr 29:19; Rom 13:4 **21:21** **Maar als hij nog een dag of twee dagen blijft leven, wordt dat niet gewroken, want hij is zijn bezit.** Brontekst: אַ֥ךְ (akh) = maar | אִם (im) = als | י֛וֹם (yom) = een dag | א֥וֹ (o) = of | יוֹמַ֖יִם (yomayim) = twee dagen | יַעֲמֹ֑ד (yaamod) = hij blijft staan | לֹ֣א (lo) = niet | יֻקַּ֔ם (yuqam) = wordt gewroken | כִּ֥י (ki) = want | כַסְפּ֖וֹ (kaspo) = zijn geld | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:44–46 **21:22** **Wanneer mannen vechten en een zwangere vrouw stoten, zodat haar kinderen eruit komen, maar er geen ernstig letsel is, dan moet hij zeker beboet worden, zoals de man van de vrouw hem oplegt. Hij moet het betalen volgens de rechters.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִנָּצ֣וּ (yinatsu) = vechten | אֲנָשִׁ֗ים (anashim) = mannen | וְנָ֨גְפ֜וּ (venagefu) = en stoten | אִשָּׁ֤ה (isha) = een vrouw | הָרָה֙ (hara) = zwanger | וְיָצְא֣וּ (veyatseu) = en komen uit | יְלָדֶ֔יהָ (yeladeiha) = haar kinderen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִהְיֶ֖ה (yihye) = is | אָס֑וֹן (ason) = letsel | עָנ֣וֹשׁ (anosh) = boete opleggen | יֵעָנֵ֗שׁ (yeanesh) = wordt hij beboet | כַּֽאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יָשִׁ֤ית (yashit) = oplegt | עָלָיו֙ (alav) = hem | בַּ֣עַל (baal) = meester van | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וְנָתַ֖ן (venatan) = en hij geeft | בִּפְלִלִֽים (biflilim) = volgens de rechters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּפְלִלִים (bifelilim) is ‘volgens (de uitspraak van) rechters’. Het Hebreeuwse woord אָסוֹן (ason) voor ‘ernstig letsel’ betekent een schade die verder gaat dan een gewone verwonding. Zie ook: Ex 21:30; Deut 16:18; Deut 22:18–19 **21:23** **Maar als er ernstig letsel is, dan moet je leven geven voor leven,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אָס֖וֹן (ason) = ernstig letsel | יִהְיֶ֑ה (yihye) = is | וְנָתַתָּ֥ה (venatata) = dan geef je | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = leven | תַּ֥חַת (tachat) = voor | נָֽפֶשׁ (nafesh) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 24:19; Num 35:31; Deut 19:21 **21:24** **oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,** Brontekst: עַ֚יִן (ayin) = oog | תַּ֣חַת (tachat) = voor | עַ֔יִן (ayin) = oog | שֵׁ֖ן (shen) = tand | תַּ֣חַת (tachat) = voor | שֵׁ֑ן (shen) = tand | יָ֚ד (yad) = hand | תַּ֣חַת (tachat) = voor | יָ֔ד (yad) = hand | רֶ֖גֶל (regel) = voet | תַּ֥חַת (tachat) = voor | רָֽגֶל (ragel) = voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het beginsel van gelijke vergelding: de straf mag niet groter zijn dan de schade. Zie ook Lev. 24:19–20; Deut. 19:21; Matt. 5:38–42. Zie ook: Lev 24:19–20; Deut 19:21; Mat 5:38–40; Mat 7:2; Openb 16:6 **21:25** **brandwond voor brandwond, wond voor wond, striem voor striem.** Brontekst: כְּוִיָּה֙ (keviya) = brandwond | תַּ֣חַת (tachat) = voor | כְּוִיָּ֔ה (keviya) = brandwond | פֶּ֖צַע (petsa) = wond | תַּ֣חַת (tachat) = voor | פָּ֑צַע (patsa) = wond | חַבּוּרָ֕ה (chabura) = striem | תַּ֖חַת (tachat) = voor | חַבּוּרָֽה (chabura) = striem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:26** **Wanneer iemand het oog van zijn slaaf of van zijn slavin slaat en het vernielt, moet hij hen vrij laten gaan voor hun oog.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יַכֶּ֨ה (yake) = slaat | אִ֜ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֥ין (ein) = oog van | עַבְדּ֛וֹ (avdo) = zijn slaaf | אֽוֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֥ין (ein) = oog van | אֲמָת֖וֹ (amato) = zijn slavin | וְשִֽׁחֲתָ֑הּ (veshichatah) = en vernietigt het | לַֽחָפְשִׁ֥י (lachafeshi) = als vrije | יְשַׁלְּחֶ֖נּוּ (yeshalechenu) = zal hij hem laten gaan | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | עֵינֽוֹ (eino) = zijn oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie een slaaf blijvend lichamelijk letsel toebrengt, moet hem vrij laten. Zie ook: Job 31:13–15; Ex 21:20; Deut 16:19; Ps 9:13; Ef 6:9 **21:27** **En als hij een tand van zijn slaaf of van zijn slavin uitslaat, moet hij hen vrij laten gaan voor hun tand.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | שֵׁ֥ן (shen) = tand van | עַבְדּ֛וֹ (avdo) = zijn slaaf | אֽוֹ (o) = of | שֵׁ֥ן (shen) = tand van | אֲמָת֖וֹ (amato) = zijn slavin | יַפִּ֑יל (yapil) = hij laat uitvallen | לַֽחָפְשִׁ֥י (lachafeshi) = als vrije | יְשַׁלְּחֶ֖נּוּ (yeshalechenu) = laat hij hem gaan | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | שִׁנּֽוֹ (shino) = zijn tand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Schade door een stier **21:28** **Wanneer een stier een man of een vrouw stoot en die sterft, moet de stier zeker gestenigd worden en mag zijn vlees niet gegeten worden. Maar de eigenaar van de stier is onschuldig.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִגַּ֨ח (yigach) = stoot | שׁ֥וֹר (shor) = een stier | אֶת (et) = (obj.) | אִ֛ישׁ (ish) = man | א֥וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | אִשָּׁ֖ה (isha) = vrouw | וָמֵ֑ת (vamet) = en hij sterft | סָק֨וֹל (saqol) = stenigen | יִסָּקֵ֜ל (yisaqel) = zal gestenigd worden | הַשּׁ֗וֹר (hashor) = de stier | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יֵאָכֵל֙ (yeakhel) = zal gegeten worden | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂר֔וֹ (besaro) = zijn vlees | וּבַ֥עַל (uvaal) = en de meester van | הַשּׁ֖וֹר (hashor) = de stier | נָקִֽי (naqi) = onschuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De stier wordt gestenigd; zijn vlees mag niet gegeten worden omdat hij bloedschuld op zich heeft geladen (vergelijk Gen. 9:5). Zie ook: Gen 9:5–6; Ex 21:32; Lev 20:15–16 **21:29** **Maar als de stier al eerder stotend was, en zijn eigenaar was gewaarschuwd en hield hem niet vast, en hij doodt een man of een vrouw, dan moet de stier gestenigd worden en ook zijn eigenaar gedood worden.** Brontekst: וְאִ֡ם (veim) = en als | שׁוֹר֩ (shor) = stier | נַגָּ֨ח (nagach) = stotend | ה֜וּא (hu) = hij | מִתְּמֹ֣ל (mitemol) = van gisteren | שִׁלְשֹׁ֗ם (shilshom) = eergisteren | וְהוּעַ֤ד (vehuad) = en gewaarschuwd | בִּבְעָלָיו֙ (bivalav) = zijn eigenaar | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִשְׁמְרֶ֔נּוּ (yishmerenu) = hij bewaakt hem | וְהֵמִ֥ית (vehemit) = en hij doodt | אִ֖ישׁ (ish) = man | א֣וֹ (o) = of | אִשָּׁ֑ה (isha) = vrouw | הַשּׁוֹר֙ (hashor) = de stier | יִסָּקֵ֔ל (yisaqel) = zal gestenigd worden | וְגַם (vegam) = en ook | בְּעָלָ֖יו (bealav) = zijn eigenaar | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 21:1–9 **21:30** **Als hem losgeld wordt opgelegd, dan moet hij als losprijs voor zijn leven geven wat hem wordt opgelegd.** Brontekst: אִם (im) = als | כֹּ֖פֶר (kofer) = losgeld | יוּשַׁ֣ת (yushat) = wordt opgelegd | עָלָ֑יו (alav) = hem | וְנָתַן֙ (venatan) = dan geeft hij | פִּדְיֹ֣ן (pidyon) = als lossing van | נַפְשׁ֔וֹ (nafsho) = zijn leven | כְּכֹ֥ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יוּשַׁ֖ת (yushat) = wordt opgelegd | עָלָֽיו (alav) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:22; Ex 30:12; Num 35:31–33; Spr 13:8 **21:31** **Of de stier nu een zoon stoot of een dochter, volgens deze rechtsregel moet met hem gedaan worden.** Brontekst: אוֹ (o) = of | בֵ֥ן (ben) = een zoon | יִגָּ֖ח (yigach) = hij stoot | אוֹ (o) = of | בַ֣ת (bat) = een dochter | יִגָּ֑ח (yigach) = hij stoot | כַּמִּשְׁפָּ֥ט (kamishpat) = volgens het recht | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | יֵעָ֥שֶׂה (yease) = zal gedaan worden | לּֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:32** **Als de stier een slaaf of een slavin stoot, moet hij dertig sikkels zilver aan hun heer geven, en de stier wordt gestenigd.** Brontekst: אִם (im) = als | עֶ֛בֶד (eved) = een slaaf | יִגַּ֥ח (yigach) = stoot | הַשּׁ֖וֹר (hashor) = de stier | א֣וֹ (o) = of | אָמָ֑ה (ama) = een slavin | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שְׁקָלִ֗ים (sheqalim) = sikkels | יִתֵּן֙ (yiten) = hij zal geven | לַֽאדֹנָ֔יו (ladonav) = aan zijn heer | וְהַשּׁ֖וֹר (vehashor) = en de stier | יִסָּקֵֽל (yisaqel) = zal gestenigd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dertig sikkels zilver is de prijs van een slaaf (vergelijk Zach. 11:12–13; Matt. 27:3–10). Een sikkel weegt ongeveer 11,4 gram; dertig sikkels zijn dus ongeveer 342 gram zilver. Zie ook: Gen 37:28; Zach 11:12–13; Mat 26:15; Mat 27:3–9; Fil 2:7 ### Schade door een put **21:33** **Wanneer iemand een put openlaat of een put graaft en hem niet afdekt, en er valt een stier of een ezel in,** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִפְתַּ֨ח (yiftach) = opent | אִ֜ישׁ (ish) = een man | בּ֗וֹר (bor) = een put | א֠וֹ (o) = of | כִּֽי (ki) = wanneer | יִכְרֶ֥ה (yikhre) = graaft | אִ֛ישׁ (ish) = een man | בֹּ֖ר (bor) = een put | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְכַסֶּ֑נּוּ (yekhasenu) = hem bedekt | וְנָֽפַל (venafal) = en valt | שָׁ֥מָּה (shama) = daarin | שּׁ֖וֹר (shor) = een stier | א֥וֹ (o) = of | חֲמֽוֹר (chamor) = een ezel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 9:16; Ps 119:85; Spr 28:10; Pred 10:8; Jer 18:20 **21:34** **dan moet de eigenaar van de put het vergoeden: hij moet het geld aan de eigenaar teruggeven, en het dode dier is van hem.** Brontekst: בַּ֤עַל (baal) = eigenaar van | הַבּוֹר֙ (habor) = de put | יְשַׁלֵּ֔ם (yeshalem) = moet betalen | כֶּ֖סֶף (kesef) = geld | יָשִׁ֣יב (yashiv) = hij moet teruggeven | לִבְעָלָ֑יו (livalav) = aan zijn eigenaar | וְהַמֵּ֖ת (vehamet) = en het dode | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לּֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:29–30; Ex 22:5; Ex 22:13 ### Schade tussen dieren **21:35** **Wanneer de stier van de een de stier van een ander dodelijk verwondt, dan moeten zij de levende stier verkopen en de opbrengst delen. Ook het dode dier moeten zij delen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִגֹּ֧ף (yigof) = stoot | שֽׁוֹר (shor) = stier van | אִ֛ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | שׁ֥וֹר (shor) = stier van | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | וָמֵ֑ת (vamet) = en hij sterft | וּמָ֨כְר֜וּ (umakheru) = dan verkopen zij | אֶת (et) = (obj.) | הַשּׁ֤וֹר (hashor) = de stier | הַחַי֙ (hachay) = de levende | וְחָצ֣וּ (vechatsu) = en delen | אֶת (et) = (obj.) | כַּסְפּ֔וֹ (kaspo) = zijn geld | וְגַ֥ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | הַמֵּ֖ת (hamet) = de dode | יֶֽחֱצֽוּן (yechetsun) = zullen zij delen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:36** **Maar als bekend was dat de stier al eerder stotend was en zijn eigenaar hem niet vasthield, dan moet hij zeker een stier voor een stier vergoeden. Het dode dier is van hem.** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | נוֹדַ֗ע (noda) = bekend was | כִּ֠י (ki) = dat | שׁ֣וֹר (shor) = stier | נַגָּ֥ח (nagach) = stotend | הוּא֙ (hu) = hij | מִתְּמ֣וֹל (mitemol) = gisteren | שִׁלְשֹׁ֔ם (shilshom) = eergisteren | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִשְׁמְרֶ֖נּוּ (yishmerenu) = hij bewaakte hem | בְּעָלָ֑יו (bealav) = zijn eigenaar | שַׁלֵּ֨ם (shalem) = betalen | יְשַׁלֵּ֥ם (yeshalem) = moet betalen | שׁוֹר֙ (shor) = stier | תַּ֣חַת (tachat) = voor | הַשּׁ֔וֹר (hashor) = de stier | וְהַמֵּ֖ת (vehamet) = en het dode | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לּֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Diefstal van vee **21:37** **Wanneer iemand een stier of een schaap steelt en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen voor de stier vergoeden en vier stuks kleinvee voor het schaap.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | יִגְנֹֽב (yignov) = steelt | אִישׁ֙ (ish) = een man | שׁ֣וֹר (shor) = stier | אוֹ (o) = of | שֶׂ֔ה (se) = schaap | וּטְבָח֖וֹ (utevacho) = en het slacht | א֣וֹ (o) = of | מְכָר֑וֹ (mekharo) = het verkoopt | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijf | בָקָ֗ר (baqar) = runderen | יְשַׁלֵּם֙ (yeshalem) = betaalt hij | תַּ֣חַת (tachat) = voor | הַשּׁ֔וֹר (hashor) = de stier | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | צֹ֖אן (tson) = schapen | תַּ֥חַת (tachat) = voor | הַשֶּֽׂה (hase) = het schaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hebreeuwse versnummering; in veel Nederlandse bijbels is dit 22:1. Zie ook: Lev 5:20–25; Num 5:7; 2 Sam 12:6; Spr 6:31; Luc 19:8 ## Exodus 22 _Rechtsregels over eigendom, huwelijk en omgang met kwetsbaren_ ### Inbraak en diefstal **22:1** **Als een dief bij een inbraak wordt betrapt en zo wordt geslagen dat hij sterft, dan rust er op degene die hem sloeg geen bloedschuld.** Brontekst: אִם (im) = als | בַּמַּחְתֶּ֛רֶת (bamachteret) = bij het inbreken | יִמָּצֵ֥א (yimatse) = gevonden wordt | הַגַּנָּ֖ב (haganav) = de dief | וְהֻכָּ֣ה (vehuka) = en geslagen wordt | וָמֵ֑ת (vamet) = en sterft | אֵ֥ין (ein) = niet | ל֖וֹ (lo) = voor hem | דָּמִֽים (damim) = bloedschuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hebreeuwse versnummering: dit hoofdstuk heeft 30 verzen en komt overeen met 22:2–31 in veel Nederlandse bijbels. Zie ook 21:37. Zie ook: Job 24:14; Num 35:27; Hos 7:1; Mat 6:19–20; Mat 24:43 **22:2** **Maar als de zon over hem is opgegaan, rust er wel bloedschuld; hij moet volledig vergoeden. Als hij niets heeft, wordt hij verkocht voor zijn diefstal.** Brontekst: אִם (im) = als | זָרְחָ֥ה (zarecha) = opgaat | הַשֶּׁ֛מֶשׁ (hashemesh) = de zon | עָלָ֖יו (alav) = over hem | דָּמִ֣ים (damim) = bloedschuld | ל֑וֹ (lo) = voor hem | שַׁלֵּ֣ם (shalem) = betalen | יְשַׁלֵּ֔ם (yeshalem) = moet hij betalen | אִם (im) = als | אֵ֣ין (ein) = niet | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וְנִמְכַּ֖ר (venimkar) = dan wordt hij verkocht | בִּגְנֵבָתֽוֹ (bignevato) = voor zijn diefstal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bij daglicht kon de dief worden herkend en aangepakt; dan was doden niet meer als noodweer te rechtvaardigen. Zie ook: Ex 21:2; Re 2:14; Re 10:7; Jes 50:1; Mat 18:25 **22:3** **Als het gestolene levend in zijn bezit wordt gevonden, een stier, een ezel of een schaap, dan moet hij het dubbele betalen.** Brontekst: אִֽם (im) = als | הִמָּצֵא֩ (himatse) = gevonden worden | תִמָּצֵ֨א (timatse) = zal gevonden worden | בְיָד֜וֹ (beyado) = in zijn hand | הַגְּנֵבָ֗ה (hageneva) = het gestolene | מִשּׁ֧וֹר (mishor) = van stier | עַד (ad) = tot | חֲמ֛וֹר (chamor) = ezel | עַד (ad) = tot | שֶׂ֖ה (se) = schaap | חַיִּ֑ים (chayim) = levend | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = tweevoudig | יְשַׁלֵּֽם (yeshalem) = hij betaalt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:16; Ex 21:37; Ex 22:6; Ex 22:8; Openb 18:6 ### Schade door vee en vuur **22:4** **Wanneer iemand een akker of wijngaard laat afgrazen en zijn vee loslaat zodat het in de akker van een ander graast, dan moet hij het beste van zijn eigen akker en van zijn eigen wijngaard vergoeden.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | יַבְעֶר (yaver) = laat afgrazen | אִישׁ֙ (ish) = een man | שָׂדֶ֣ה (sade) = akker | אוֹ (o) = of | כֶ֔רֶם (kerem) = wijngaard | וְשִׁלַּח֙ (veshilach) = en hij laat los | אֶת (et) = (obj.) | בְּעִיר֔וֹ (beiro) = zijn vee | וּבִעֵ֖ר (uvier) = en het graast af | בִּשְׂדֵ֣ה (bisde) = in akker van | אַחֵ֑ר (acher) = een ander | מֵיטַ֥ב (meitav) = het beste van | שָׂדֵ֛הוּ (sadehu) = zijn akker | וּמֵיטַ֥ב (umeitav) = en het beste van | כַּרְמ֖וֹ (karmo) = zijn wijngaard | יְשַׁלֵּֽם (yeshalem) = hij betaalt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:18; Ex 21:34; Ex 22:2; Ex 22:11 **22:5** **Wanneer er vuur uitbreekt en in doornstruiken terechtkomt, zodat een korenhoop, het staande koren of het veld wordt verteerd, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken zeker vergoeden.** Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תֵצֵ֨א (tetse) = uitgaat | אֵ֜שׁ (esh) = vuur | וּמָצְאָ֤ה (umatsea) = en vindt | קֹצִים֙ (qotsim) = doornen | וְנֶאֱכַ֣ל (veneekhal) = en wordt verteerd | גָּדִ֔ישׁ (gadish) = korenhoop | א֥וֹ (o) = of | הַקָּמָ֖ה (haqama) = het staande koren | א֣וֹ (o) = of | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | שַׁלֵּ֣ם (shalem) = betalen | יְשַׁלֵּ֔ם (yeshalem) = moet betalen | הַמַּבְעִ֖ר (hamavir) = de aansteker | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּעֵרָֽה (habeera) = de brand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst heeft ‘doornen’ (קֹצִים, qotsim): doornstruiken waarin het vuur overslaat naar het graan. Zie ook: Ex 21:33–34; Ex 22:8; Ex 22:11; Re 15:4–5; 2 Sam 14:30–31 ### Bewaargeving **22:6** **Wanneer iemand zijn naaste geld of voorwerpen in bewaring geeft en die worden uit het huis van die man gestolen: als de dief wordt gevonden, moet hij het dubbele betalen.** Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִתֵּן֩ (yiten) = geeft | אִ֨ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = aan | רֵעֵ֜הוּ (reehu) = zijn naaste | כֶּ֤סֶף (kesef) = zilver | אֽוֹ (o) = of | כֵלִים֙ (kelim) = voorwerpen | לִשְׁמֹ֔ר (lishmor) = om te bewaren | וְגֻנַּ֖ב (vegunav) = en gestolen wordt | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | אִם (im) = als | יִמָּצֵ֥א (yimatse) = gevonden wordt | הַגַּנָּ֖ב (haganav) = de dief | יְשַׁלֵּ֥ם (yeshalem) = zal betalen | שְׁנָֽיִם (shenayim) = tweevoudig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:3; Spr 6:30–31; Jer 2:26; Joh 12:6; 1 Kor 6:10 **22:7** **Wordt de dief niet gevonden, dan moet de eigenaar van het huis voor Elohim komen om vast te stellen of hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar de bezittingen van zijn naaste.** Brontekst: אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | יִמָּצֵא֙ (yimatse) = gevonden wordt | הַגַּנָּ֔ב (haganav) = de dief | וְנִקְרַ֥ב (veniqrav) = dan nadert | בַּֽעַל (baal) = eigenaar van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | אֶל (el) = tot | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | אִם (im) = of | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁלַ֛ח (shalach) = hij uitstrekte | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | בִּמְלֶ֥אכֶת (bimlekhet) = naar de bezittingen van | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֱלֹהִים (ha'elohim) betekent ‘Elohim’ of ‘de rechters’; bedoeld is een uitspraak voor het heiligdom of voor de rechters. Zie ook 21:6. Zie ook: Ex 21:6; Ex 22:27; Deut 16:18; Deut 17:8–9; Ps 82:1 **22:8** **Bij elke overtreding met betrekking tot een stier, een ezel, een schaap, een mantel of enig verloren voorwerp waarvan iemand zegt: ‘Dit is het,’ komt de zaak van beiden voor Elohim. Wie door Elohim schuldig wordt verklaard, moet het dubbele aan zijn naaste betalen.** Brontekst: עַֽל (al) = voor | כָּל (kal) = elke | דְּבַר (devar) = zaak van | פֶּ֡שַׁע (pesha) = overtreding | עַל (al) = voor | שׁ֡וֹר (shor) = stier | עַל (al) = voor | חֲ֠מוֹר (chamor) = ezel | עַל (al) = voor | שֶׂ֨ה (se) = schaap | עַל (al) = voor | שַׂלְמָ֜ה (salma) = mantel | עַל (al) = voor | כָּל (kal) = elk | אֲבֵדָ֗ה (aveda) = verloren voorwerp | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarvan | יֹאמַר֙ (yomar) = men zegt | כִּי (ki) = dat | ה֣וּא (hu) = hij | זֶ֔ה (ze) = dit | עַ֚ד (ad) = tot | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | יָבֹ֖א (yavo) = zal komen | דְּבַר (devar) = zaak van | שְׁנֵיהֶ֑ם (sheneihem) = beiden | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wie | יַרְשִׁיעֻן֙ (yarshiun) = schuldig verklaart | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | יְשַׁלֵּ֥ם (yeshalem) = betalen | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = tweevoudig | לְרֵעֵֽהוּ (lereehu) = aan zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rechters spreken Recht in naam van Elohim. De schuldige betaalt het dubbele. Zie ook: Ex 22:3; Ex 23:6–8; Num 5:6–7; Deut 25:1; 2 Kron 19:10 **22:9** **Wanneer iemand zijn naaste een ezel, een stier, een schaap of enig ander dier in bewaring geeft en het sterft, raakt gewond of wordt weggevoerd zonder dat iemand het ziet,** Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִתֵּן֩ (yiten) = geeft | אִ֨ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = aan | רֵעֵ֜הוּ (reehu) = zijn naaste | חֲמ֨וֹר (chamor) = ezel | אוֹ (o) = of | שׁ֥וֹר (shor) = stier | אוֹ (o) = of | שֶׂ֛ה (se) = schaap | וְכָל (vekhal) = en elk | בְּהֵמָ֖ה (behema) = dier | לִשְׁמֹ֑ר (lishmor) = om te bewaren | וּמֵ֛ת (umet) = en sterft | אוֹ (o) = of | נִשְׁבַּ֥ר (nishbar) = gewond raakt | אוֹ (o) = of | נִשְׁבָּ֖ה (nishba) = weggevoerd wordt | אֵ֥ין (ein) = niemand | רֹאֶֽה (roe) = ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 39:8; Luc 12:48; Luc 16:11; 2 Tim 1:12 **22:10** **dan komt er een eed bij Yahweh tussen hen beiden of hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar de bezittingen van zijn naaste. De eigenaar moet dat aannemen en hij hoeft niet te betalen.** Brontekst: שְׁבֻעַ֣ת (shevuat) = eed van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | תִּהְיֶה֙ (tihye) = zal zijn | בֵּ֣ין (bein) = tussen | שְׁנֵיהֶ֔ם (sheneihem) = beiden | אִם (im) = of | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁלַ֛ח (shalach) = hij uitstrekte | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | בִּמְלֶ֣אכֶת (bimlekhet) = naar de bezittingen van | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וְלָקַ֥ח (velaqach) = en zal aannemen | בְּעָלָ֖יו (bealav) = zijn eigenaar | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְשַׁלֵּֽם (yeshalem) = betaalt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eed is hier een rechtsmiddel: de eed bij Yahweh beslist als er geen getuigen zijn. Zie ook: Ex 22:7; Ex 23:1; Lev 5:22; Spr 30:9; Heb 6:16 **22:11** **Maar als het echt van hem is gestolen, moet hij het aan de eigenaar vergoeden.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | גָּנֹ֥ב (ganov) = stelen | יִגָּנֵ֖ב (yiganev) = gestolen wordt | מֵעִמּ֑וֹ (meimo) = van bij hem | יְשַׁלֵּ֖ם (yeshalem) = betaalt hij | לִבְעָלָֽיו (livalav) = aan zijn eigenaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:39; Ex 22:6 **22:12** **Als het door een wild dier is verscheurd, moet hij het verscheurde dier als bewijs brengen; dan hoeft hij het niet te vergoeden.** Brontekst: אִם (im) = als | טָרֹ֥ף (tarof) = verscheuren | יִטָּרֵ֖ף (yitaref) = verscheurd wordt | יְבִאֵ֣הוּ (yeviehu) = hij brengt het | עֵ֑ד (ed) = als getuige | הַטְּרֵפָ֖ה (haterefa) = het verscheurde | לֹ֥א (lo) = niet | יְשַׁלֵּֽם (yeshalem) = betaalt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 3:12; Mi 5:7; Nah 2:13; Ezech 4:14 ### Lenen **22:13** **Wanneer iemand een dier van zijn naaste leent en het raakt gewond of sterft terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het zeker vergoeden.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִשְׁאַ֥ל (yishal) = leent | אִ֛ישׁ (ish) = een man | מֵעִ֥ם (meim) = van | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | וְנִשְׁבַּ֣ר (venishbar) = en het raakt gewond | אוֹ (o) = of | מֵ֑ת (met) = sterft | בְּעָלָ֥יו (bealav) = zijn eigenaar | אֵין (ein) = niet | עִמּ֖וֹ (imo) = bij hem | שַׁלֵּ֥ם (shalem) = betalen | יְשַׁלֵּֽם (yeshalem) = moet betalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:34; Lev 24:18; Deut 15:2; Deut 23:20–21; Luc 6:35 **22:14** **Als de eigenaar erbij is, hoeft hij het niet te vergoeden; als het gehuurd was, is het voor de huurprijs gekomen.** Brontekst: אִם (im) = als | בְּעָלָ֥יו (bealav) = zijn eigenaar | עִמּ֖וֹ (imo) = bij hem | לֹ֣א (lo) = niet | יְשַׁלֵּ֑ם (yeshalem) = betaalt hij | אִם (im) = als | שָׂכִ֣יר (sakhir) = gehuurd | ה֔וּא (hu) = het is | בָּ֖א (ba) = gekomen | בִּשְׂכָרֽוֹ (biskharo) = voor zijn huurprijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Zach 8:10 ### Verleiding **22:15** **Wanneer iemand een maagd verleidt die nog niet verloofd is, en bij haar ligt, dan moet hij de bruidsprijs voor haar betalen en haar tot vrouw nemen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יְפַתֶּ֣ה (yefate) = verleidt | אִ֗ישׁ (ish) = een man | בְּתוּלָ֛ה (betula) = een maagd | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | אֹרָ֖שָׂה (orasa) = verloofd is | וְשָׁכַ֣ב (veshakhav) = en ligt | עִמָּ֑הּ (imah) = bij haar | מָהֹ֛ר (mahor) = bruidsprijs | יִמְהָרֶ֥נָּה (yimharena) = hij betaalt haar | לּ֖וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De bruidsprijs (מֹהַר, mohar) werd aan de vader betaald. Zie ook Deut. 22:28–29. Zie ook: Gen 34:2–4; Deut 22:28–29 **22:16** **Als haar vader beslist weigert haar aan hem te geven, moet hij zilver afwegen als bruidsprijs voor maagden.** Brontekst: אִם (im) = als | מָאֵ֧ן (maen) = weigeren | יְמָאֵ֛ן (yemaen) = weigert | אָבִ֖יהָ (aviha) = haar vader | לְתִתָּ֣הּ (letitah) = haar te geven | ל֑וֹ (lo) = aan hem | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | יִשְׁקֹ֔ל (yishqol) = zal hij wegen | כְּמֹ֖הַר (kemohar) = als bruidsprijs van | הַבְּתוּלֹֽת (habetulot) = de maagden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 23:16; Gen 34:12; Deut 7:3–4; Deut 22:29; 1 Sam 18:25 ### Verboden en geboden **22:17** **Een tovenares mag je niet laten leven.** Brontekst: מְכַשֵּׁפָ֖ה (mekhashefa) = tovenares | לֹ֥א (lo) = niet | תְחַיֶּֽה (techaye) = zul je laten leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְכַשֵּׁפָה (mekhashefah) is een vrouw die toverij bedrijft; zie ook Deut. 18:10–12; Lev. 20:27. Zie ook: Lev 19:31; Lev 20:6; Lev 20:27; Deut 18:10–11; 1 Sam 28:3 **22:18** **Wie met een dier gemeenschap heeft, moet zeker gedood worden.** Brontekst: כָּל (kal) = ieder | שֹׁכֵ֥ב (shokhev) = die ligt | עִם (im) = met | בְּהֵמָ֖ה (behema) = een dier | מ֥וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:23; Lev 18:25; Lev 20:15–16; Deut 27:21 **22:19** **Wie aan goden offert, moet worden gebannen; alleen aan Yahweh mag worden geofferd.** Brontekst: זֹבֵ֥חַ (zoveach) = wie offert | לָאֱלֹהִ֖ים (laelohim) = aan goden | יָֽחֳרָ֑ם (yachoram) = zal gebannen worden | בִּלְתִּ֥י (bilti) = behalve | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | לְבַדּֽוֹ (levado) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָחֳרָם (yacharam), ‘worden gebannen’, wil zeggen dat men aan Yahweh wordt toegewijd, in de praktijk door de dood. Zie ook: Num 25:2–4; Num 25:7–8; Deut 13:2–16; Deut 17:2–5; Deut 18:20 ### Bescherming van vreemdeling, weduwe en wees **22:20** **Een vreemdeling mag je niet slecht behandelen en niet onderdrukken, want jullie waren zelf vreemdelingen in het land Egypte.** Brontekst: וְגֵ֥ר (veger) = en vreemdeling | לֹא (lo) = niet | תוֹנֶ֖ה (tone) = zul je slecht behandelen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִלְחָצֶ֑נּוּ (tilchatsenu) = zul je onderdrukken hem | כִּֽי (ki) = want | גֵרִ֥ים (gerim) = vreemdelingen | הֱיִיתֶ֖ם (heyitem) = jullie waren | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dat Israël zelf vreemdeling was in Egypte, is de reden voor de zorg voor de vreemdeling. Zie ook 23:9; Lev. 19:33–34; Deut. 10:19. Zie ook: Ex 23:9; Lev 19:33; Deut 10:19; Jer 7:6; Zach 7:10 **22:21** **Een weduwe of een wees mogen jullie niet onderdrukken.** Brontekst: כָּל (kal) = elke | אַלְמָנָ֥ה (almana) = weduwe | וְיָת֖וֹם (veyatom) = en wees | לֹ֥א (lo) = niet | תְעַנּֽוּן (teanun) = zullen jullie onderdrukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 24:17; Jes 1:17; Jes 1:23; Ezech 22:7; Zach 7:10 **22:22** **Als je hem onderdrukt en hij tot Mij roept, dan zal Ik zijn roep zeker horen,** Brontekst: אִם (im) = als | עַנֵּ֥ה (ane) = onderdrukken | תְעַנֶּ֖ה (teane) = zul je onderdrukken | אֹת֑וֹ (oto) = hem | כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = als | צָעֹ֤ק (tsaoq) = roepen | יִצְעַק֙ (yitsaq) = hij roept | אֵלַ֔י (elay) = tot Mij | שָׁמֹ֥עַ (shamoa) = horen | אֶשְׁמַ֖ע (eshma) = zal Ik horen | צַעֲקָתֽוֹ (tsaaqato) = zijn roep Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:28; Deut 15:9; Ps 10:17–18; Ps 18:7; Luc 18:7 **22:23** **en Mijn toorn zal ontbranden, en Ik zal jullie met het zwaard doden, zodat jullie vrouwen weduwen worden en jullie zonen wezen.** Brontekst: וְחָרָ֣ה (vechara) = en zal ontbranden | אַפִּ֔י (api) = Mijn toorn | וְהָרַגְתִּ֥י (veharagti) = en Ik zal doden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בֶּחָ֑רֶב (becharev) = met het zwaard | וְהָי֤וּ (vehayu) = en zullen zijn | נְשֵׁיכֶם֙ (nesheikhem) = jullie vrouwen | אַלְמָנ֔וֹת (almanot) = weduwen | וּבְנֵיכֶ֖ם (uveneikhem) = en jullie zonen | יְתֹמִֽים (yetomim) = wezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 76:8; Ps 78:63–64; Ps 90:11; Ps 109:9; Jer 15:8 ### Lening en pand **22:24** **Als je geld uitleent aan Mijn volk, aan de arme die bij je woont, dan mag je voor hem niet als een schuldeiser zijn. Jullie mogen geen rente op hem leggen.** Brontekst: אִם (im) = als | כֶּ֣סֶף (kesef) = geld | תַּלְוֶ֣ה (talve) = je leent | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֗י (ami) = Mijn volk | אֶת (et) = (obj.) | הֶֽעָנִי֙ (heani) = de arme | עִמָּ֔ךְ (imakh) = bij je | לֹא (lo) = niet | תִהְיֶ֥ה (tihye) = zul je zijn | ל֖וֹ (lo) = voor hem | כְּנֹשֶׁ֑ה (kenoshe) = als schuldeiser | לֹֽא (lo) = niet | תְשִׂימ֥וּן (tesimun) = zullen jullie leggen | עָלָ֖יו (alav) = op hem | נֶֽשֶׁךְ (neshekh) = rente Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Rente op leningen aan een arme volksgenoot is verboden. Zie Lev. 25:35–37; Deut. 23:20–21. Zie ook: Lev 25:35–37; Deut 23:20–21; Ps 15:5; Ezech 18:8; Neh 5:7 **22:25** **Als je de mantel van je naaste in pand neemt, moet je hem vóór zonsondergang aan hem teruggeven,** Brontekst: אִם (im) = als | חָבֹ֥ל (chavol) = in pand nemen | תַּחְבֹּ֖ל (tachbol) = je neemt in pand | שַׂלְמַ֣ת (salmat) = mantel van | רֵעֶ֑ךָ (reekha) = je naaste | עַד (ad) = tot | בֹּ֥א (bo) = het ondergaan van | הַשֶּׁ֖מֶשׁ (hashemesh) = de zon | תְּשִׁיבֶ֥נּוּ (teshivenu) = zul je teruggeven hem | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 24:10–13. Zie ook: Deut 24:6; Deut 24:10–13; Spr 20:16; Amos 2:8; Ezech 18:7; Ezech 18:16 **22:26** **want dat is zijn enige deken, zijn kleed voor zijn huid; waarin zou hij anders slapen? En wanneer hij tot Mij roept, zal Ik het horen, want Ik ben genadig.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הִ֤וא (hi) = die | כְסוּתוֹ֙ (kesuto) = zijn deken | לְבַדָּ֔הּ (levadah) = alleen | הִ֥וא (hi) = die | שִׂמְלָת֖וֹ (simlato) = zijn kleed | לְעֹר֑וֹ (leoro) = voor zijn huid | בַּמֶּ֣ה (bame) = waarin | יִשְׁכָּ֔ב (yishkav) = zal hij slapen | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יִצְעַ֣ק (yitsaq) = hij roept | אֵלַ֔י (elay) = tot Mij | וְשָׁמַעְתִּ֖י (veshamati) = dan hoor Ik | כִּֽי (ki) = want | חַנּ֥וּן (chanun) = genadig | אָֽנִי (ani) = Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:6; Ps 34:7; Ps 86:15; Ps 136:10–11; 2 Kron 30:9 ### Gehoorzaamheid aan Yahweh **22:27** **Elohim mag je niet vervloeken, en een vorst onder je volk mag je niet vloeken.** Brontekst: אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לֹ֣א (lo) = niet | תְקַלֵּ֑ל (teqalel) = zul je vervloeken | וְנָשִׂ֥יא (venasi) = en een vorst | בְעַמְּךָ֖ (beamekha) = onder je volk | לֹ֥א (lo) = niet | תָאֹֽר (taor) = zul je vloeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (Elohim) kan hier Elohim zelf of ‘rechters’ betekenen; wij houden ‘Elohim’ aan. Zie ook: Ex 21:17; Ex 22:7–8; Pred 10:20; Hand 23:5; Jud 1:8 **22:28** **Met de eerste opbrengst van je oogst en van je persen mag je niet talmen. De eerstgeborene van je zonen moet je Mij geven.** Brontekst: מְלֵאָתְךָ֥ (meleatekha) = je volle oogst | וְדִמְעֲךָ֖ (vedimakha) = en je overvloed | לֹ֣א (lo) = niet | תְאַחֵ֑ר (teacher) = zul je uitstellen | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | בָּנֶ֖יךָ (baneikha) = je zonen | תִּתֶּן (titen) = zul je geven | לִּֽי (li) = aan Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerstgeborene van de zonen wordt ingelost; zie 13:2, 12–13; 34:19–20. Zie ook: Ex 13:2; Ex 23:16; Ex 23:19; Deut 26:2–10; Jak 1:18 **22:29** **Zo moet je ook doen met je rund en je kleinvee. Zeven dagen blijft het bij zijn moeder. Op de achtste dag moet je het Mij geven.** Brontekst: כֵּֽן (ken) = zo | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je doen | לְשֹׁרְךָ֖ (leshorekha) = met je rund | לְצֹאנֶ֑ךָ (letsonekha) = met je kleinvee | שִׁבְעַ֤ת (shivat) = zeven | יָמִים֙ (yamim) = dagen | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal het zijn | עִם (im) = bij | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֖י (hashemini) = de achtste | תִּתְּנוֹ (titeno) = zul je geven het | לִֽי (li) = aan Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:12; Lev 12:3; Lev 22:27; Deut 15:19 **22:30** **Jullie moeten heilige mensen voor Mij zijn: vlees dat in het veld verscheurd is, mogen jullie niet eten. Jullie moeten het aan de honden werpen.** Brontekst: וְאַנְשֵׁי (veanshei) = en mensen van | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | תִּהְי֣וּן (tihyun) = zullen jullie zijn | לִ֑י (li) = voor Mij | וּבָשָׂ֨ר (uvasar) = en vlees | בַּשָּׂדֶ֤ה (basade) = in het veld | טְרֵפָה֙ (terefa) = verscheurd | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֔לוּ (tokhelu) = zullen jullie eten | לַכֶּ֖לֶב (lakelev) = aan de hond | תַּשְׁלִכ֥וּן (tashlikhun) = zullen jullie werpen | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Heilig zijn betekent ook: geen verscheurd vlees eten. Zie ook Lev. 17:15. Zie ook: Lev 17:15; Lev 19:2; Lev 22:8; Deut 14:21; Ezech 4:14; 1 Petr 1:15–16 ## Exodus 23 _Recht, sabbatsjaar, feesten en de belofte van het land_ ### Eerlijk recht **23:1** **Je mag geen vals gerucht verspreiden. Werk niet samen met een goddeloze door een valse getuige te zijn.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׂ֖א (tisa) = zul je verspreiden | שֵׁ֣מַע (shema) = gerucht | שָׁ֑וְא (shave) = vals | אַל (al) = niet | תָּ֤שֶׁת (tashet) = zul je zetten | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | עִם (im) = met | רָשָׁ֔ע (rasha) = een goddeloze | לִהְיֹ֖ת (lihyot) = om te zijn | עֵ֥ד (ed) = getuige van | חָמָֽס (chamas) = geweld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rechtsregels van dit hoofdstuk vragen eerlijkheid in de rechtspraak: geen vals getuigenis, geen voortrekken van rijk of arm, geen steekpenning. Zie ook: Ex 20:16; Deut 19:16–21; Ps 101:5; Spr 19:5; Mat 26:59–61 **23:2** **Je mag de menigte niet volgen om kwaad te doen. En in een rechtszaak mag je niet zo getuigen dat je je naar de menigte buigt en het recht verdraait.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִהְיֶ֥ה (tihye) = zul je zijn | אַחֲרֵֽי (acharei) = achter | רַבִּ֖ים (rabim) = velen | לְרָעֹ֑ת (leraot) = tot kwaad | וְלֹא (velo) = en niet | תַעֲנֶ֣ה (taane) = zul je antwoorden | עַל (al) = over | רִ֗ב (riv) = een rechtszaak | לִנְטֹ֛ת (lintot) = om je te buigen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = naar | רַבִּ֖ים (rabim) = velen | לְהַטֹּֽת (lehatot) = om te verdraaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:34; Spr 1:10–11; Spr 1:15; Mat 27:24–26; Luc 23:23–24 **23:3** **Ook de arme mag je in zijn rechtszaak niet voortrekken.** Brontekst: וְדָ֕ל (vedal) = en de arme | לֹ֥א (lo) = niet | תֶהְדַּ֖ר (tehdar) = zul je voortrekken | בְּרִיבֽוֹ (berivo) = in zijn rechtszaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:15; Deut 1:17; Ps 82:2–3; Jak 3:17 ### Hulp aan de vijand en aan de arme **23:4** **Wanneer je de stier of de ezel van je vijand ziet dwalen, moet je hem zeker naar hem terugbrengen.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | תִפְגַּ֞ע (tifga) = je ontmoet | שׁ֧וֹר (shor) = stier van | אֹֽיִבְךָ֛ (oyivkha) = je vijand | א֥וֹ (o) = of | חֲמֹר֖וֹ (chamoro) = zijn ezel | תֹּעֶ֑ה (toe) = dolend | הָשֵׁ֥ב (hashev) = terugbrengen | תְּשִׁיבֶ֖נּוּ (teshivenu) = zul je teruggeven hem | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hulp aan een vijand: wie het dier van zijn vijand ziet dwalen, moet het terugbrengen. Vergelijk Deut. 22:1–4. Zie ook: Deut 22:1–4; Spr 25:21; Mat 5:44; 1 Tess 5:15; Rom 12:17–21 **23:5** **Wanneer je de ezel van iemand die je haat onder zijn last ziet liggen, ga er dan niet aan voorbij. Je moet hem zeker helpen.** Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תִרְאֶ֞ה (tire) = je ziet | חֲמ֣וֹר (chamor) = ezel van | שֹׂנַאֲךָ֗ (sonaakha) = je hater | רֹבֵץ֙ (rovets) = liggend | תַּ֣חַת (tachat) = onder | מַשָּׂא֔וֹ (masao) = zijn last | וְחָדַלְתָּ֖ (vechadalta) = en je afziet | מֵעֲזֹ֣ב (meazov) = van te laten | ל֑וֹ (lo) = hem | עָזֹ֥ב (azov) = helpen | תַּעֲזֹ֖ב (taazov) = zul je helpen | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 22:4 **23:6** **Je mag het recht van je arme niet verdraaien in zijn rechtszaak.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תַטֶּ֛ה (tate) = zul je buigen | מִשְׁפַּ֥ט (mishpat) = het recht van | אֶבְיֹנְךָ֖ (evyonekha) = je arme | בְּרִיבֽוֹ (berivo) = in zijn rechtszaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 27:19; Jes 10:1–2; Jer 5:28; Mal 3:5; Jak 2:5–6 **23:7** **Houd je ver van een valse beschuldiging, en dood de onschuldige en de rechtvaardige niet, want Ik spreek de schuldige niet vrij.** Brontekst: מִדְּבַר (midevar) = van een zaak van | שֶׁ֖קֶר (sheqer) = leugen | תִּרְחָ֑ק (tirchaq) = houd afstand | וְנָקִ֤י (venaqi) = en onschuldige | וְצַדִּיק֙ (vetsadiq) = en rechtvaardige | אַֽל (al) = niet | תַּהֲרֹ֔ג (taharog) = doden | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | אַצְדִּ֖יק (atsdiq) = spreek Ik vrij | רָשָֽׁע (rasha) = de goddeloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘schuldige’ is in de Hebreeuwse tekst רָשָׁע (rasha‘), dezelfde als ‘goddeloze’ in vers 1. Zie ook: Ex 23:1; Ex 34:7; Deut 27:25; Rom 1:18; Ef 4:25 **23:8** **Neem geen steekpenning aan, want een steekpenning maakt wie ziet blind en verdraait de woorden van rechtvaardigen.** Brontekst: וְשֹׁ֖חַד (veshochad) = en een steekpenning | לֹ֣א (lo) = niet | תִקָּ֑ח (tiqach) = zul je aannemen | כִּ֤י (ki) = want | הַשֹּׁ֨חַד֙ (hashochad) = de steekpenning | יְעַוֵּ֣ר (yeaver) = maakt blind | פִּקְחִ֔ים (piqchim) = ziende | וִֽיסַלֵּ֖ף (visalef) = en verdraait | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de zaken van | צַדִּיקִֽים (tsadiqim) = rechtvaardigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 16:19. Zie ook: Deut 16:19; Ps 26:10; Spr 15:27; Spr 17:23; Jes 5:23 **23:9** **Een vreemdeling mag je niet onderdrukken; jullie weten zelf hoe een vreemdeling zich voelt, want jullie waren vreemdelingen in het land Egypte.** Brontekst: וְגֵ֖ר (veger) = en vreemdeling | לֹ֣א (lo) = niet | תִלְחָ֑ץ (tilchats) = zul je onderdrukken | וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | יְדַעְתֶּם֙ (yedatem) = kennen | אֶת (et) = (obj.) | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = het gemoed van | הַגֵּ֔ר (hager) = de vreemdeling | כִּֽי (ki) = want | גֵרִ֥ים (gerim) = vreemdelingen | הֱיִיתֶ֖ם (heyitem) = jullie waren | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Zie ook Lev. 19:33–34; Deut. 10:19. Zie ook: Ex 22:20; Lev 19:33–34; Deut 10:19; Deut 24:14–18; Deut 27:19; Ezech 22:7; Mat 18:33 ### Sabbatsjaar en sabbat **23:10** **Zes jaar mag je je land bezaaien en de opbrengst ervan binnenhalen,** Brontekst: וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | תִּזְרַ֣ע (tizra) = zul je zaaien | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצֶ֑ךָ (artsekha) = je land | וְאָסַפְתָּ֖ (veasafta) = en zul verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | תְּבוּאָתָֽהּ (tevuatah) = zijn opbrengst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het sabbatsjaar: het land mag in het zevende jaar rusten. Zie Lev. 25:1–7; Deut. 15:1–11. Zie ook: Lev 25:1–7; Lev 25:3–4; Deut 15:1–11 **23:11** **maar in het zevende jaar moet je het laten rusten en ongebruikt laten liggen. De armen van je volk mogen ervan eten, en wat zij overlaten, mogen de dieren van het veld eten. Zo moet je ook met je wijngaard en je olijfbomen doen.** Brontekst: וְהַשְּׁבִיעִ֞ת (vehasheviit) = en in de zevende | תִּשְׁמְטֶ֣נָּה (tishmetena) = laat het braak liggen | וּנְטַשְׁתָּ֗הּ (unetashtah) = en laat het onbewerkt | וְאָֽכְלוּ֙ (veakhelu) = en zullen eten | אֶבְיֹנֵ֣י (evyonei) = de armen van | עַמֶּ֔ךָ (amekha) = je volk | וְיִתְרָ֕ם (veyitram) = en hun overschot | תֹּאכַ֖ל (tokhal) = zal eten | חַיַּ֣ת (chayat) = de dieren van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | כֵּֽן (ken) = zo | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je doen | לְכַרְמְךָ֖ (lekharmekha) = met je wijngaard | לְזֵיתֶֽךָ (lezeitekha) = met je olijfbomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:2–7; Lev 25:11–12; Lev 25:20; Lev 25:22; Lev 26:34–35 **23:12** **Zes dagen moet je je werk doen. En op de zevende dag moet je rusten, zodat je rund en je ezel rust hebben en de zoon van je slavin en de vreemdeling op adem kunnen komen.** Brontekst: שֵׁ֤שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֙ (yamim) = dagen | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je doen | מַעֲשֶׂ֔יךָ (maaseikha) = je werk | וּבַיּ֥וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | תִּשְׁבֹּ֑ת (tishbot) = zul je rusten | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יָנ֗וּחַ (yanuach) = rust | שֽׁוֹרְךָ֙ (shorekha) = je stier | וַחֲמֹרֶ֔ךָ (vachamorekha) = en je ezel | וְיִנָּפֵ֥שׁ (veyinafesh) = en verfrist wordt | בֶּן (ben) = de zoon van | אֲמָתְךָ֖ (amatekha) = je slavin | וְהַגֵּֽר (vehager) = en de vreemdeling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:8–11; Ex 31:15–16; Ex 34:21; Ex 35:3; Luc 13:14 **23:13** **Let op alles wat Ik jullie gezegd heb. De namen van andere goden mogen jullie niet noemen; ze mogen niet uit je mond gehoord worden.** Brontekst: וּבְכֹ֛ל (uvekhol) = en in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אָמַ֥רְתִּי (amarti) = Ik gezegd heb | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tot jullie | תִּשָּׁמֵ֑רוּ (tishameru) = zullen jullie letten | וְשֵׁ֨ם (veshem) = en de naam van | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִים֙ (acherim) = andere | לֹ֣א (lo) = niet | תַזְכִּ֔ירוּ (tazkiru) = zullen jullie noemen | לֹ֥א (lo) = niet | יִשָּׁמַ֖ע (yishama) = laat horen worden | עַל (al) = op | פִּֽיךָ (pikha) = je mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:9; Deut 12:3; Joz 23:7; Hos 2:19; Zach 13:2 ### De drie jaarfeesten **23:14** **Drie keer per jaar moet je Mij een feest vieren.** Brontekst: שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | רְגָלִ֔ים (regalim) = maal | תָּחֹ֥ג (tachog) = zul je vieren | לִ֖י (li) = voor Mij | בַּשָּׁנָֽה (bashana) = in het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:22–24; Lev 23:5; Lev 23:16; Lev 23:34; Deut 16:16 **23:15** **Het feest van de ongezuurde broden moet je houden. Zeven dagen lang moet je ongezuurd brood eten, zoals Ik je geboden heb, op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in die maand ben je uit Egypte getrokken. Niemand mag met lege handen voor Mijn aangezicht verschijnen.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | חַ֣ג (chag) = het feest van | הַמַּצּוֹת֮ (hamatsot) = de ongezuurde broden | תִּשְׁמֹר֒ (tishmor) = zul je houden | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִים֩ (yamim) = dagen | תֹּאכַ֨ל (tokhal) = zul je eten | מַצּ֜וֹת (matsot) = ongezuurde broden | כַּֽאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוִּיתִ֗ךָ (tsivitikha) = Ik gebood je | לְמוֹעֵד֙ (lemoed) = op de vastgestelde tijd van | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = maand van | הָֽאָבִ֔יב (haaviv) = de Abib | כִּי (ki) = want | ב֖וֹ (bo) = in haar | יָצָ֣אתָ (yatsata) = je trok uit | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וְלֹא (velo) = en niet | יֵרָא֥וּ (yerau) = zullen verschijnen | פָנַ֖י (panay) = voor Mijn aangezicht | רֵיקָֽם (reiqam) = met lege handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De maand Abib (אָבִיב) is ‘de maand van de rijpende aren’, later Nisan genoemd. Zie 13:4. Zie ook: Ex 34:20; Num 28:16–25; Deut 16:16; Spr 3:9–10; Luc 22:7 **23:16** **Ook het oogstfeest, de eerstelingen van je werk dat je in het veld zaait, en het feest van de inzameling aan het einde van het jaar, wanneer je je werk van het veld inzamelt.** Brontekst: וְחַ֤ג (vechag) = en het feest van | הַקָּצִיר֙ (haqatsir) = de oogst | בִּכּוּרֵ֣י (bikurei) = eerstelingen van | מַעֲשֶׂ֔יךָ (maaseikha) = je werk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תִּזְרַ֖ע (tizra) = je zaait | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | וְחַ֤ג (vechag) = en het feest van | הָֽאָסִף֙ (haasif) = de inzameling | בְּצֵ֣את (betset) = bij het einde van | הַשָּׁנָ֔ה (hashana) = het jaar | בְּאָסְפְּךָ֥ (beaspekha) = bij je inzamelen | אֶֽת (et) = (obj.) | מַעֲשֶׂ֖יךָ (maaseikha) = je werk | מִן (min) = uit | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:28; Ex 34:22; Lev 23:9–21; Lev 23:34–44; Zach 14:16–19 **23:17** **Drie keer per jaar moet al je mannelijke volk voor het aangezicht van de Heer, Yahweh, verschijnen.** Brontekst: שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | בַּשָּׁנָ֑ה (bashana) = in het jaar | יֵרָאֶה֙ (yerae) = zal verschijnen | כָּל (kal) = elke | זְכ֣וּרְךָ֔ (zekhurekha) = mannelijke van jou | אֶל (el) = tot | פְּנֵ֖י (penei) = het aangezicht van | הָאָדֹ֥ן (haadon) = de Heer | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָדֹן (ha'adon), ‘de Heer’, hier met de naam Yahweh: ‘de Heer, Yahweh’. Zie ook Deut. 16:1–17; Lev. 23. Zie ook: Ex 23:14; Ex 34:23; Deut 12:5; Deut 16:1–17; Deut 16:16; Ps 84:8 **23:18** **Je mag het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren bij gezuurd brood, en het vet van Mijn feestoffer mag niet overnachten tot de morgen.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִזְבַּ֥ח (tizbach) = zul je slachten | עַל (al) = bij | חָמֵ֖ץ (chamets) = gezuurd brood | דַּם (dam) = bloed van | זִבְחִ֑י (zivchi) = Mijn slachtoffer | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָלִ֥ין (yalin) = zal overnachten | חֵֽלֶב (chelev) = vet van | חַגִּ֖י (chagi) = Mijn feest | עַד (ad) = tot | בֹּֽקֶר (boqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:10; Ex 34:25; Lev 2:11; Lev 7:15; Deut 16:4 **23:19** **Het beste van de eerstelingen van je akker moet je naar het huis van Yahweh, je Elohim, brengen. Je mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.** Brontekst: רֵאשִׁ֗ית (reshit) = het beste van | בִּכּוּרֵי֙ (bikurei) = de eerstelingen van | אַדְמָ֣תְךָ֔ (admatekha) = je grond | תָּבִ֕יא (tavi) = zul je brengen | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹֽא (lo) = niet | תְבַשֵּׁ֥ל (tevashel) = zul je koken | גְּדִ֖י (gedi) = een bokje | בַּחֲלֵ֥ב (bachalev) = in de melk van | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bokje in de melk van zijn moeder: ook in 34:26 en Deut. 14:21. De reden wordt nergens uitgelegd. Zie ook: Ex 22:28; Ex 34:26; Deut 14:21; Deut 26:10; Neh 10:36 ### De engel en de belofte van het land **23:20** **Zie, Ik zend een engel voor je uit om je onderweg te beschermen en je te brengen naar de plaats die Ik heb bereid.** Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | שֹׁלֵ֤חַ (sholeach) = zend | מַלְאָךְ֙ (malakh) = een engel | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je uit | לִשְׁמָרְךָ֖ (lishmarekha) = om je te beschermen | בַּדָּ֑רֶךְ (badarekh) = onderweg | וְלַהֲבִ֣יאֲךָ֔ (velahaviakha) = en om je te brengen | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֲכִנֹֽתִי (hakhinoti) = Ik bereid heb Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De engel gaat voor het volk uit. Yahweh zegt in vers 21 dat Zijn naam in hem is: de engel treedt op met het gezag van Yahweh Zelf. Zie ook: Ex 14:19; Ex 23:21; Ex 32:34; Ex 33:2; Ex 33:14; Ps 91:11 **23:21** **Neem je voor hem in acht en luister naar zijn stem. Wees niet weerspannig tegen hem, want hij zal jullie overtredingen niet vergeven, omdat Mijn naam in hem is.** Brontekst: הִשָּׁ֧מֶר (hishamer) = hoed je | מִפָּנָ֛יו (mipanav) = voor zijn aangezicht | וּשְׁמַ֥ע (ushema) = en luister | בְּקֹל֖וֹ (beqolo) = naar zijn stem | אַל (al) = niet | תַּמֵּ֣ר (tamer) = wees weerspannig | בּ֑וֹ (bo) = tegen hem | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יִשָּׂא֙ (yisa) = zal hij vergeven | לְפִשְׁעֲכֶ֔ם (lefishakhem) = jullie overtredingen | כִּ֥י (ki) = want | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 78:40; Ps 78:56; Joh 10:30; Joh 10:38; Heb 12:25 **23:22** **Maar als je werkelijk naar zijn stem luistert en doet wat Ik zeg, dan zal Ik de vijand zijn van je vijanden en de benauwer van wie jou benauwen.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = als | שָׁמֹ֤עַ (shamoa) = horen | תִּשְׁמַע֙ (tishma) = je zult luisteren | בְּקֹל֔וֹ (beqolo) = naar zijn stem | וְעָשִׂ֕יתָ (veasita) = en je doet | כֹּ֖ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | אֲדַבֵּ֑ר (adaber) = Ik zal spreken | וְאָֽיַבְתִּי֙ (veayavti) = dan zal Ik vijand zijn van | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣יְבֶ֔יךָ (oyeveikha) = je vijanden | וְצַרְתִּ֖י (vetsarti) = en benauwen | אֶת (et) = (obj.) | צֹרְרֶֽיךָ (tsorereikha) = je benauwers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:3; Num 24:9; Deut 30:7; Jer 30:20; Zach 2:12 **23:23** **Want Mijn engel zal voor je uit gaan en je brengen naar de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, en Ik zal hen uitroeien.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יֵלֵ֣ךְ (yelekh) = zal gaan | מַלְאָכִי֮ (malakhi) = Mijn engel | לְפָנֶיךָ֒ (lefaneikha) = voor je uit | וֶהֱבִֽיאֲךָ֗ (veheviakha) = en je brengen | אֶל (el) = naar | הָֽאֱמֹרִי֙ (haemori) = de Amorieten | וְהַ֣חִתִּ֔י (vehachiti) = en Hethieten | וְהַפְּרִזִּי֙ (vehaperizi) = en Perizzieten | וְהַֽכְּנַעֲנִ֔י (vehakenaani) = en Kanaänieten | הַחִוִּ֖י (hachivi) = Chiwwieten | וְהַיְבוּסִ֑י (vehayvusi) = en Jebusieten | וְהִכְחַדְתִּֽיו (vehikhchadtiv) = en Ik zal hen uitroeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:19–21; Gen 34:2; Ex 23:20; Ex 32:2; Jes 5:13 **23:24** **Je mag je niet voor hun goden neerbuigen, ze niet dienen en niet doen zoals zij doen. Je moet ze volledig afbreken en hun gewijde stenen volledig stukbreken.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִשְׁתַּחֲוֶ֤ה (tishtachave) = zul je buigen | לֵאלֹֽהֵיהֶם֙ (leloheihem) = voor hun goden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָֽעָבְדֵ֔ם (taavedem) = zul je dienen hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je doen | כְּמַֽעֲשֵׂיהֶ֑ם (kemaaseihem) = zoals hun werken | כִּ֤י (ki) = maar | הָרֵס֙ (hares) = afbreken | תְּהָ֣רְסֵ֔ם (teharesem) = zul je afbreken hen | וְשַׁבֵּ֥ר (veshaber) = en breken | תְּשַׁבֵּ֖ר (teshaber) = zul je breken | מַצֵּבֹתֵיהֶֽם (matsevoteihem) = hun gewijde stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:5; Num 33:52; Deut 7:5; Deut 12:3; Deut 12:30–31 **23:25** **Jullie moeten Yahweh, jullie Elohim, dienen; dan zal Hij je brood en je water zegenen, en Ik zal ziekte uit je midden verwijderen.** Brontekst: וַעֲבַדְתֶּ֗ם (vaavadtem) = en jullie zullen dienen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וּבֵרַ֥ךְ (uverakh) = en Hij zal zegenen | אֶֽת (et) = (obj.) | לַחְמְךָ֖ (lachmekha) = je brood | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵימֶ֑יךָ (meimeikha) = je water | וַהֲסִרֹתִ֥י (vahasiroti) = en Ik zal verwijderen | מַחֲלָ֖ה (machala) = ziekte | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft ‘en Hij zal zegenen’ (וּבֵרַךְ), de Samaritaanse tekst en de Septuaginta ‘en Ik zal zegenen’. De zin verandert verder niet van betekenis. Zie ook: Ex 15:26; Deut 7:15; Joz 22:5; Ps 103:3; Jes 33:24 **23:26** **In je land zal geen vrouw haar kinderen verliezen of onvruchtbaar zijn; het aantal van je dagen zal Ik vol maken.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תִהְיֶ֛ה (tihye) = zal zijn | מְשַׁכֵּלָ֥ה (meshakela) = een kinderloze | וַעֲקָרָ֖ה (vaaqara) = en een onvruchtbare | בְּאַרְצֶ֑ךָ (beartsekha) = in je land | אֶת (et) = (obj.) | מִסְפַּ֥ר (mispar) = het aantal van | יָמֶ֖יךָ (yameikha) = je dagen | אֲמַלֵּֽא (amale) = Ik zal vervullen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:26; Job 21:10; Deut 7:14; Deut 28:4; Jes 65:20 **23:27** **Mijn schrik zal Ik voor je uit zenden en Ik zal elk volk waar je heen komt in verwarring brengen. Al je vijanden zal Ik de rug naar je laten toekeren.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | אֵֽימָתִי֙ (eimati) = Mijn schrik | אֲשַׁלַּ֣ח (ashalach) = zal Ik zenden | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je uit | וְהַמֹּתִי֙ (vehamoti) = en Ik zal in verwarring brengen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = elk | הָעָ֔ם (haam) = volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waartoe | תָּבֹ֖א (tavo) = je komt | בָּהֶ֑ם (bahem) = onder hen | וְנָתַתִּ֧י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֹיְבֶ֛יךָ (oyeveikha) = je vijanden | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | עֹֽרֶף (oref) = de nek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:5; Deut 2:25; Deut 7:23; Deut 11:25; Ps 18:41 **23:28** **Ik zal de horzel voor je uit zenden, en die zal de Chiwwieten, de Kanaänieten en de Hethieten van voor je verdrijven.** Brontekst: וְשָׁלַחְתִּ֥י (veshalachti) = en Ik zal zenden | אֶת (et) = (obj.) | הַצִּרְעָ֖ה (hatsira) = de horzel | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je uit | וְגֵרְשָׁ֗ה (vegeresha) = en zij zal verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | הַחִוִּ֧י (hachivi) = de Chiwwieten | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֛י (hakenaani) = de Kanaänieten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחִתִּ֖י (hachiti) = de Hethieten | מִלְּפָנֶֽיךָ (milefaneikha) = van voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַצִּרְעָה (hatsir‘ah), ‘de horzel’: een beeld voor een plaag die de vijand opjaagt, of letterlijk de insecten. Zie Deut. 7:20; Joz. 24:12. Zie ook: Deut 7:20; Joz 24:11–12; Joz 24:12 **23:29** **Ik zal hen niet in één jaar voor je verdrijven, anders wordt het land woest en vermeerderen de wilde dieren zich tegen je.** Brontekst: לֹ֧א (lo) = niet | אֲגָרְשֶׁ֛נּוּ (agareshenu) = zal Ik hen verdrijven | מִפָּנֶ֖יךָ (mipaneikha) = voor je | בְּשָׁנָ֣ה (beshana) = in jaar | אֶחָ֑ת (echat) = één | פֶּן (pen) = opdat niet | תִּהְיֶ֤ה (tihye) = wordt | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = woest | וְרַבָּ֥ה (veraba) = en vermenigvuldigen | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = tegen jou | חַיַּ֥ת (chayat) = de dieren van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:22; Joz 15:63; Joz 16:10; Joz 17:12–13; Re 3:1–4 **23:30** **Beetje bij beetje zal Ik hen voor je verdrijven, totdat je vruchtbaar bent geworden en het land erft.** Brontekst: מְעַ֥ט (meat) = beetje | מְעַ֛ט (meat) = bij beetje | אֲגָרְשֶׁ֖נּוּ (agareshenu) = zal Ik hen verdrijven | מִפָּנֶ֑יךָ (mipaneikha) = voor je | עַ֚ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תִּפְרֶ֔ה (tifre) = je vruchtbaar bent | וְנָחַלְתָּ֖ (venachalta) = en je erft | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **23:31** **Ik zal je grens stellen van de Rietzee tot de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot de rivier. Want Ik zal de inwoners van het land in jullie hand geven, en jij zult hen voor je verdrijven.** Brontekst: וְשַׁתִּ֣י (veshati) = en Ik zal stellen | אֶת (et) = (obj.) | גְּבֻלְךָ֗ (gevulkha) = je grens | מִיַּם (miyam) = van de zee van | סוּף֙ (suf) = Soef | וְעַד (vead) = tot | יָ֣ם (yam) = de zee van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וּמִמִּדְבָּ֖ר (umimidbar) = en van de woestijn | עַד (ad) = tot | הַנָּהָ֑ר (hanahar) = de rivier | כִּ֣י (ki) = want | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | בְּיֶדְכֶ֗ם (beyedkhem) = in jullie hand | אֵ֚ת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de bewoners van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְגֵרַשְׁתָּ֖מוֹ (vegerashtamo) = en je zult hen verdrijven | מִפָּנֶֽיךָ (mipaneikha) = voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zee van de Filistijnen: de Middellandse Zee. ‘De woestijn’ is die ten zuiden van Kanaän, ‘de rivier’ de Eufraat; zie Gen. 15:18 en Deut. 11:24. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Gen 15:18; Num 34:3–15; Deut 11:24; Joz 1:4; Joz 21:44 **23:32** **Je mag met hen en met hun goden geen verbond sluiten.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִכְרֹ֥ת (tikhrot) = zul je sluiten | לָהֶ֛ם (lahem) = met hen | וְלֵאלֹֽהֵיהֶ֖ם (veleloheihem) = en met hun goden | בְּרִֽית (berit) = een verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:12; Ex 34:15; Deut 7:2; Deut 7:16; 2 Kor 6:15 **23:33** **Zij mogen niet in je land wonen, anders laten zij je tegen Mij zondigen. Want als je hun goden dient, wordt dat voor jou een valstrik.”** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יֵשְׁבוּ֙ (yeshevu) = zullen wonen | בְּאַרְצְךָ֔ (beartsekha) = in je land | פֶּן (pen) = opdat niet | יַחֲטִ֥יאוּ (yachatiu) = zij laten zondigen | אֹתְךָ֖ (otekha) = jou | לִ֑י (li) = tegen Mij | כִּ֤י (ki) = want | תַעֲבֹד֙ (taavod) = als je dient | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun goden | כִּֽי (ki) = dan | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | לְמוֹקֵֽשׁ (lemoqesh) = tot een valstrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:12; Deut 7:16; Joz 23:13; Re 2:3; Ps 106:36 ## Exodus 24 _Het verbond wordt bezegeld_ ### Roeping tot de berg **24:1** Hij zei tot Mozes: **„Kom omhoog naar Yahweh, jij en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël, en buig je neer van veraf.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | אָמַ֜ר (amar) = hij zei | עֲלֵ֣ה (ale) = kom omhoog | אֶל (el) = tot | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְאַהֲרֹן֙ (veaharon) = en Aäron | נָדָ֣ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֔וּא (vaavihu) = en Abihu | וְשִׁבְעִ֖ים (veshivim) = en zeventig | מִזִּקְנֵ֣י (miziqnei) = van de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶ֖ם (vehishtachavitem) = en buig je neer | מֵרָחֹֽק (merachoq) = van veraf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nadab en Abihu zijn zonen van Aäron (6:23). De zeventig oudsten vertegenwoordigen het volk. Zie ook: Ex 6:23; Ex 19:24; Ex 28:1; Lev 10:1–2; Num 11:16 **24:2** **Mozes alleen zal naar Yahweh naderen, maar zij mogen niet naderen, en het volk mag niet met hem opgaan.”** Brontekst: וְנִגַּ֨שׁ (venigash) = en nader | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | לְבַדּוֹ֙ (levado) = alleen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהֵ֖ם (vehem) = maar zij | לֹ֣א (lo) = niet | יִגָּ֑שׁוּ (yigashu) = zullen naderen | וְהָעָ֕ם (vehaam) = en het volk | לֹ֥א (lo) = niet | יַעֲל֖וּ (yaalu) = zal opgaan | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:13; Ex 24:15; Ex 24:18; Heb 9:24; Heb 10:21–22 ### Het volk neemt het verbond aan **24:3** Mozes kwam en vertelde het volk alle woorden van Yahweh en alle rechtsregels. Heel het volk antwoordde met één stem: „Alle woorden die Yahweh gesproken heeft, zullen wij doen.” Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיְסַפֵּ֤ר (vaysaper) = en vertelde | לָעָם֙ (laam) = aan het volk | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמִּשְׁפָּטִ֑ים (hamishpatim) = rechtsregels | וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | כָּל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | ק֤וֹל (qol) = met stem | אֶחָד֙ (echad) = één | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֛ים (hadevarim) = woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבֶּ֥ר (diber) = gesproken heeft | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נַעֲשֶֽׂה (naase) = zullen wij doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk neemt de woorden van Yahweh met één stem aan. Zo begint de verbondssluiting, die in vers 8 met bloed wordt bezegeld. Zie ook: Ex 19:8; Ex 24:7; Ex 24:8; Deut 5:1; Deut 6:1; Joz 24:22 **24:4** Mozes schreef alle woorden van Yahweh op. Hij stond ’s morgens vroeg op en bouwde onder aan de berg een altaar, met twaalf gewijde stenen voor de twaalf stammen van Israël. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֣ב (vayikhtov) = en schreef | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּשְׁכֵּ֣ם (vayashkem) = en stond vroeg op | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = 's morgens | וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en bouwde | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = een altaar | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וּשְׁתֵּ֤ים (ushteim) = en twee | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | מַצֵּבָ֔ה (matseva) = gewijde stenen | לִשְׁנֵ֥ים (lishneim) = voor twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het altaar staat aan de voet van de berg (de Sinaï). Zie 19:2. Voetnoot Uitleg: De twaalf gewijde stenen (מַצֵּבָה, matstsevah) staan voor de twaalf stammen. Zie ook: Gen 28:18; Deut 31:9; Luc 22:30; Gal 2:9; Openb 21:14 **24:5** Hij zond jonge mannen van de zonen van Israël, en zij offerden brandoffers en slachtten stieren als vredeoffers voor Yahweh. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en zond | אֶֽת (et) = (obj.) | נַעֲרֵי֙ (naarei) = jongemannen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיַּֽעֲל֖וּ (vayaalu) = en zij offerden | עֹלֹ֑ת (olot) = brandoffers | וַֽיִּזְבְּח֞וּ (vayizbechu) = en slachtten | זְבָחִ֧ים (zevachim) = slachtoffers van | שְׁלָמִ֛ים (shelamim) = vredeoffers | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | פָּרִֽים (parim) = stieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:12; Ex 19:22; Lev 1:1–17; Lev 3:1–17; Lev 7:11–21 **24:6** Mozes nam de helft van het bloed en deed het in schalen, en de andere helft van het bloed sprenkelde hij op het altaar. Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | חֲצִ֣י (chatsi) = de helft van | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וַיָּ֖שֶׂם (vayasem) = en deed | בָּאַגָּנֹ֑ת (baaganot) = in schalen | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en de helft van | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | זָרַ֖ק (zaraq) = sprenkelde | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:8; Lev 1:11; Lev 4:6; 1 Petr 1:19; Heb 9:18 **24:7** Hij nam het boek van het verbond en las het aan het volk voor. Zij zeiden: „Alles wat Yahweh gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.” Brontekst: וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | סֵ֣פֶר (sefer) = boek van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en las voor | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבֶּ֥ר (diber) = gesproken heeft | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נַעֲשֶׂ֥ה (naase) = zullen wij doen | וְנִשְׁמָֽע (venishma) = en zullen wij horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘boek van het verbond’ (סֵפֶר הַבְּרִית) is de geschreven vorm van de woorden uit 20:22–23:33. נַעֲשֶׂה וְנִשְׁמָע (na‘aseh wenishma‘), letterlijk ‘wij zullen doen en horen’, betekent ‘doen en gehoorzamen’. Zie ook: Ex 24:3–4; Deut 31:11–13; Hand 13:15; 1 Tess 5:27; Heb 9:18–23 **24:8** Mozes nam het bloed en sprenkelde het over het volk en zei: „Zie, het bloed van het verbond dat Yahweh met jullie gesloten heeft op grond van al deze woorden.” Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וַיִּזְרֹ֖ק (vayizroq) = en sprenkelde | עַל (al) = op | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | דַֽם (dam) = bloed van | הַבְּרִית֙ (haberit) = het verbond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | כָּרַ֤ת (karat) = sloot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | עַ֥ל (al) = op grond van | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed over het volk bezegelt het verbond. Vergelijk Hebr. 9:18–20. Zie ook: Ex 24:6; Ezech 36:25; Mat 26:28; Heb 9:18–20; Heb 10:4–5; Heb 13:20 ### De oudsten zien Elohim van Israël **24:9** Toen gingen Mozes en Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van de oudsten van Israël omhoog, Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en ging op | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֑ן (veaharon) = en Aäron | נָדָב֙ (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֔וּא (vaavihu) = en Abihu | וְשִׁבְעִ֖ים (veshivim) = en zeventig | מִזִּקְנֵ֥י (miziqnei) = van de oudsten van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:1 **24:10** en zagen Elohim van Israël. Onder Zijn voeten was iets als een plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf. Brontekst: וַיִּרְא֕וּ (vayiru) = en zagen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְתַ֣חַת (vetachat) = en onder | רַגְלָ֗יו (raglav) = Zijn voeten | כְּמַעֲשֵׂה֙ (kemaase) = als het werk van | לִבְנַ֣ת (livnat) = plaveisel van | הַסַּפִּ֔יר (hasapir) = de saffier | וּכְעֶ֥צֶם (ukheetsem) = en als het wezen van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | לָטֹֽהַר (latohar) = in zuiverheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘saffier’ (סַפִּיר, sappir) is een blauwe edelsteen, waarschijnlijk lapis lazuli. Het is een beeld van helderheid en schoonheid. De oudsten zagen ‘Elohim van Israël’; zij zagen alleen wat onder Zijn voeten was. Zie ook 33:20. Zie ook: Gen 32:30; Ex 33:20; Ex 33:23; Ezech 10:1; Joh 1:18 **24:11** Tegen de leiders van de zonen van Israël strekte Hij Zijn hand niet uit; zij aanschouwden Elohim, aten en dronken. Brontekst: וְאֶל (veel) = en tegen | אֲצִילֵי֙ (atsilei) = de leiders van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁלַ֖ח (shalach) = strekte Hij uit | יָד֑וֹ (yado) = Zijn hand | וַֽיֶּחֱזוּ֙ (vayechezu) = en zij aanschouwden | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וַיֹּאכְל֖וּ (vayokhlu) = en aten | וַיִּשְׁתּֽוּ (vayishtu) = en dronken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲצִילֵי (atsile) betekent ‘leiders’ of ‘vooraanstaanden’. De maaltijd na het verbond: zij aten en dronken in Zijn aanwezigheid. Zie ook: Gen 16:13; Gen 31:54; Ex 18:12; Deut 12:7; Luc 15:23–24 ### Mozes op de berg **24:12** Yahweh zei tot Mozes: **„Kom omhoog naar Mij op de berg en blijf daar, dan zal Ik je de stenen tafelen geven, met de wet en het gebod die Ik geschreven heb om hen te onderwijzen.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | עֲלֵ֥ה (ale) = kom omhoog | אֵלַ֛י (elay) = tot Mij | הָהָ֖רָה (hahara) = de berg op | וֶהְיֵה (vehye) = en wees | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְאֶתְּנָ֨ה (veetena) = en Ik zal geven | לְךָ֜ (lekha) = aan jou | אֶת (et) = (obj.) | לֻחֹ֣ת (luchot) = tafelen van | הָאֶ֗בֶן (haeven) = de steen | וְהַתּוֹרָה֙ (vehatora) = en de wet | וְהַמִּצְוָ֔ה (vehamitsva) = en het gebod | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּתַ֖בְתִּי (katavti) = Ik geschreven heb | לְהוֹרֹתָֽם (lehorotam) = om hen te onderwijzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De stenen tafelen met de wet en het gebod zijn ook die van 31:18 en 32:15–16. Zie ook: Ex 31:18; Ex 32:15–16; Deut 5:22; Jer 31:33; Heb 9:4 **24:13** Mozes stond op met Jozua, zijn dienaar, en Mozes ging op naar de berg van Elohim. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וִיהוֹשֻׁ֖עַ (vihoshua) = en Jozua | מְשָׁרְת֑וֹ (meshareto) = zijn dienaar | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en ging op | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | הַ֥ר (har) = berg van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jozua is de dienaar van Mozes; zie 17:9–13; 33:11. Zie ook: Ex 3:1; Ex 17:9–14; Ex 32:17; Ex 33:11; Num 11:28 **24:14** Tegen de oudsten zei hij: „Blijf hier op ons wachten tot wij naar jullie terugkeren. Zie, Aäron en Chur zijn bij jullie; wie een zaak heeft, mag zich tot hen wenden.” Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | הַזְּקֵנִ֤ים (hazeqenim) = de oudsten | אָמַר֙ (amar) = hij zei | שְׁבוּ (shevu) = blijf | לָ֣נוּ (lanu) = voor ons | בָזֶ֔ה (baze) = hier | עַ֥ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָשׁ֖וּב (nashuv) = wij terugkeren | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = tot jullie | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | וְחוּר֙ (vechur) = en Chur | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | מִי (mi) = wie | בַ֥עַל (baal) = meester van | דְּבָרִ֖ים (devarim) = zaken | יִגַּ֥שׁ (yigash) = zal naderen | אֲלֵהֶֽם (alehem) = tot hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Chur is ook bij de strijd tegen Amalek genoemd (17:10–12). Zie ook: Gen 22:5; Ex 17:10; Ex 17:12; Ex 32:1; 1 Sam 10:8 **24:15** Mozes ging de berg op, en de wolk bedekte de berg. Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en ging op | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וַיְכַ֥ס (vaykhas) = en bedekte | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | אֶת (et) = (obj.) | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:9; Ex 19:16; 2 Kron 6:1; Mat 17:5 **24:16** De heerlijkheid van Yahweh rustte op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen. Op de zevende dag riep Hij Mozes uit de wolk. Brontekst: וַיִּשְׁכֹּ֤ן (vayishkon) = en rustte neer | כְּבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | הַ֣ר (har) = berg | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | וַיְכַסֵּ֥הוּ (vaykhasehu) = en bedekte hem | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | שֵׁ֣שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en riep | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הֶעָנָֽן (heanan) = de wolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: De ‘heerlijkheid’ (כָּבוֹד, kavod) van Yahweh is Zijn zichtbare aanwezigheid; hier in een wolk. Zie ook: Ex 16:10; Ex 24:17; Lev 9:23; Num 17:7; Ezech 1:28 **24:17** Het aanzien van de heerlijkheid van Yahweh was als een verterend vuur op de top van de berg, in de ogen van de zonen van Israël. Brontekst: וּמַרְאֵה֙ (umare) = en het aanzien van | כְּב֣וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כְּאֵ֥שׁ (keesh) = als vuur | אֹכֶ֖לֶת (okhelet) = verterend | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = op de top van | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:2; Deut 4:24; Deut 4:36; Heb 12:18; Heb 12:29 **24:18** Mozes ging de wolk in en ging de berg op. Mozes bleef veertig dagen en veertig nachten op de berg. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | וַיַּ֣עַל (vayaal) = en ging op | אֶל (el) = naar | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | בָּהָ֔ר (bahar) = op de berg | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | י֔וֹם (yom) = dag | וְאַרְבָּעִ֖ים (vearbaim) = en veertig | לָֽיְלָה (layela) = nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 9:9–11; 10:10. Zie ook: Ex 34:28; Deut 9:9; Deut 9:18; Deut 9:25; Deut 10:10 ## Exodus 25 _De bijdragen en het model voor het heiligdom_ ### De bijdragen voor het heiligdom **25:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:2** **„Spreek tot de zonen van Israël dat zij een bijdrage voor Mij nemen. Van ieder die er in zijn hart toe bewogen wordt, moeten jullie Mijn bijdrage aannemen.** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְיִקְחוּ (veyiqchu) = dat zij nemen | לִ֖י (li) = voor Mij | תְּרוּמָ֑ה (teruma) = een bijdrage | מֵאֵ֤ת (meet) = van | כָּל (kal) = elke | אִישׁ֙ (ish) = man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wiens | יִדְּבֶ֣נּוּ (yidevenu) = beweegt hem | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | תִּקְח֖וּ (tiqchu) = zullen jullie nemen | אֶת (et) = (obj.) | תְּרוּמָתִֽי (terumati) = Mijn bijdrage Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah) is een bijdrage die men ‘opheft’ en aan Yahweh afstaat. Bij offers vertalen wij hetzelfde woord met ‘heffing’ (29:27–28). Zie ook: Ezra 1:6; Ezra 2:68; Ezra 7:16; Neh 11:2; 2 Kor 9:7 **25:3** **Dit is de bijdrage die jullie van hen moeten aannemen: goud, zilver en koper,** Brontekst: וְזֹאת֙ (vezot) = en dit is | הַתְּרוּמָ֔ה (hateruma) = de bijdrage | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּקְח֖וּ (tiqchu) = jullie zullen nemen | מֵאִתָּ֑ם (meitam) = van hen | זָהָ֥ב (zahav) = goud | וָכֶ֖סֶף (vakhesef) = en zilver | וּנְחֹֽשֶׁת (unechoshet) = en koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:2; Deut 8:9 **25:4** **blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen, fijn linnen en geitenhaar,** Brontekst: וּתְכֵ֧לֶת (utekhelet) = en blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en de worm van | שָׁנִ֖י (shani) = karmozijn | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en fijn linnen | וְעִזִּֽים (veizim) = en geitenhaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּכֵלֶת (tekhelet) is blauwpurper, אַרְגָּמָן (argaman) roodpurper en תּוֹלַעַת שָׁנִי (tola‘at shani) karmozijnrood garen, gekleurd met de rode kleurstof van de schildluis (letterlijk ‘worm van scharlaken’). Zie ook: Gen 41:42; Ezech 16:10; Openb 19:8 **25:5** **roodgeverfde ramsvellen, tachash-huiden en acaciahout,** Brontekst: וְעֹרֹ֨ת (veorot) = en huiden van | אֵילִ֧ם (eilim) = rammen | מְאָדָּמִ֛ים (meadamim) = roodgeverfd | וְעֹרֹ֥ת (veorot) = en huiden van | תְּחָשִׁ֖ים (techashim) = tachash | וַעֲצֵ֥י (vaatsei) = en hout van | שִׁטִּֽים (shitim) = acacia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַשׁ (tachash) is een dier of een soort leer waarvan de huiden voor de bedekking van de tabernakel dienen. De betekenis is niet zeker; oude vertalingen denken aan blauwgekleurd leer of aan een zeedier. Zie ook: Ex 26:14–15; Ex 26:26; Ex 26:37–27:1; Ex 36:20 **25:6** **olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en voor de welriekende wierook,** Brontekst: שֶׁ֖מֶן (shemen) = olie | לַמָּאֹ֑ר (lamaor) = voor het licht | בְּשָׂמִים֙ (besamim) = specerijen | לְשֶׁ֣מֶן (leshemen) = voor olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וְלִקְטֹ֖רֶת (veliqtoret) = en voor wierook van | הַסַּמִּֽים (hasamim) = de welriekende kruiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De olie is voor de lamp (vers 31–37); de specerijen zijn voor de zalfolie (30:22–33) en de wierook (30:34–38). Zie ook: Ex 25:31–37; Ex 25:37; Ex 27:20; Ex 30:23–38; Ex 40:24–25 **25:7** **onyxstenen en stenen om in te zetten voor de efod en voor de borstplaat.** Brontekst: אַבְנֵי (avnei) = stenen van | שֹׁ֕הַם (shoham) = onyx | וְאַבְנֵ֖י (veavnei) = en stenen van | מִלֻּאִ֑ים (miluim) = inzetting | לָאֵפֹ֖ד (laefod) = voor de efod | וְלַחֹֽשֶׁן (velachoshen) = en voor de borstplaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:4; Ex 28:6–30 **25:8** **Laat hen voor Mij een heiligdom maken, dan zal Ik in hun midden wonen.** Brontekst: וְעָ֥שׂוּ (veasu) = en zij zullen maken | לִ֖י (li) = voor Mij | מִקְדָּ֑שׁ (miqdash) = een heiligdom | וְשָׁכַנְתִּ֖י (veshakhanti) = en Ik zal wonen | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’, is de plaats die voor Yahweh is afgezonderd. De tabernakel (מִשְׁכָּן, mishkan, ‘woonplaats’) is dezelfde tent; vergelijk vers 9. Zie ook Hebr. 8:5; 9:1–5. Zie ook: Ex 25:9; Ex 29:45; 1 Kon 6:13; 2 Kor 6:16; Heb 8:5; Heb 9:1–2; Openb 21:3 **25:9** **Precies zoals Ik je het model van de tabernakel en het model van al zijn voorwerpen laat zien, zo moeten jullie het maken.** Brontekst: כְּכֹ֗ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | אֲנִי֙ (ani) = Ik | מַרְאֶ֣ה (mare) = toon | אוֹתְךָ֔ (otekha) = aan jou | אֵ֚ת (et) = (obj.) | תַּבְנִ֣ית (tavnit) = het model van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | תַּבְנִ֣ית (tavnit) = het model van | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְכֵ֖ן (vekhen) = en zo | תַּעֲשֽׂוּ (taasu) = zullen jullie maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘model’ (תַּבְנִית, tavnit) is het voorbeeld dat Mozes op de berg te zien kreeg; zie vers 40 en 26:30. Zie ook: Ex 25:40; 1 Kron 28:11–19; Hand 7:44; Heb 8:5; Heb 9:9 ### De ark van het getuigenis **25:10** **Laat hen een ark maken van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.** Brontekst: וְעָשׂ֥וּ (veasu) = en zij zullen maken | אֲר֖וֹן (aron) = een ark | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | אַמָּתַ֨יִם (amatayim) = twee el | וָחֵ֜צִי (vachetsi) = en een half | אָרְכּ֗וֹ (arko) = zijn lengte | וְאַמָּ֤ה (veama) = en een el | וָחֵ֨צִי֙ (vachetsi) = en een half | רָחְבּ֔וֹ (rachbo) = zijn breedte | וְאַמָּ֥ה (veama) = en een el | וָחֵ֖צִי (vachetsi) = en een half | קֹמָתֽוֹ (qomato) = zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 cm. De ark (אָרוֹן, aron) is een kist van acaciahout, ongeveer 112 cm lang en 67 cm breed en hoog. Zie ook: Ex 37:1–3; Deut 10:1–3; 2 Kron 8:11; Heb 9:4; Openb 11:19 **25:11** **Bekleed hem met zuiver goud, van binnen en van buiten, en maak er rondom een gouden rand op.** Brontekst: וְצִפִּיתָ֤ (vetsipita) = en bekleed | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֔וֹר (tahor) = zuiver | מִבַּ֥יִת (mibayit) = van binnen | וּמִח֖וּץ (umichuts) = en van buiten | תְּצַפֶּ֑נּוּ (tetsapenu) = zul je hem bekleden | וְעָשִׂ֧יתָ (veasita) = en maak | עָלָ֛יו (alav) = op hem | זֵ֥ר (zer) = een rand | זָהָ֖ב (zahav) = goud | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:24; Ex 30:3; 1 Kon 6:20; 2 Kron 3:4 **25:12** **Giet voor hem vier gouden ringen en bevestig ze aan zijn vier onderhoeken: twee ringen aan de ene zijde en twee ringen aan de andere zijde.** Brontekst: וְיָצַ֣קְתָּ (veyatsaqta) = en giet | לּ֗וֹ (lo) = voor hem | אַרְבַּע֙ (arba) = vier | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וְנָ֣תַתָּ֔ה (venatata) = en zet | עַ֖ל (al) = op | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | פַּעֲמֹתָ֑יו (paamotav) = zijn onderhoeken | וּשְׁתֵּ֣י (ushtei) = en twee | טַבָּעֹ֗ת (tabaot) = ringen | עַל (al) = aan | צַלְעוֹ֙ (tsalo) = zijn zijde | הָֽאֶחָ֔ת (haechat) = de ene | וּשְׁתֵּי֙ (ushtei) = en twee | טַבָּעֹ֔ת (tabaot) = ringen | עַל (al) = aan | צַלְע֖וֹ (tsalo) = zijn zijde | הַשֵּׁנִֽית (hashenit) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:15; Ex 25:26; Ex 27:7; Ex 37:5; Ex 38:7 **25:13** **Maak draagstokken van acaciahout en bekleed ze met goud.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | בַדֵּ֖י (badei) = draagstokken van | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | וְצִפִּיתָ֥ (vetsipita) = en bekleed | אֹתָ֖ם (otam) = ze | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:6; Ex 30:5; Num 4:8; Num 4:14; 1 Kron 15:15 **25:14** **Steek de draagstokken in de ringen aan de zijden van de ark, om de ark ermee te dragen.** Brontekst: וְהֵֽבֵאתָ֤ (veheveta) = en steek | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּים֙ (habadim) = de draagstokken | בַּטַּבָּעֹ֔ת (batabaot) = in de ringen | עַ֖ל (al) = aan | צַלְעֹ֣ת (tsalot) = de zijden van | הָאָרֹ֑ן (haaron) = de ark | לָשֵׂ֥את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֹ֖ן (haaron) = de ark | בָּהֶֽם (bahem) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:15** **De draagstokken blijven in de ringen van de ark; ze mogen er niet uit worden gehaald.** Brontekst: בְּטַבְּעֹת֙ (betabeot) = in de ringen van | הָאָרֹ֔ן (haaron) = de ark | יִהְי֖וּ (yihyu) = zullen zijn | הַבַּדִּ֑ים (habadim) = de draagstokken | לֹ֥א (lo) = niet | יָסֻ֖רוּ (yasuru) = zullen weggenomen worden | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De draagstokken blijven altijd in de ringen, zodat niemand de ark hoeft aan te raken. Zie ook: 1 Kon 8:8; 2 Kron 5:9 **25:16** **Leg in de ark het getuigenis dat Ik je zal geven.** Brontekst: וְנָתַתָּ֖ (venatata) = en leg | אֶל (el) = in | הָאָרֹ֑ן (haaron) = de ark | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הָעֵדֻ֔ת (haedut) = het getuigenis | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֶתֵּ֖ן (eten) = Ik zal geven | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֵדֻת (ha‘edut), ‘het getuigenis’, zijn de twee stenen tafelen (31:18). Zie ook: Ex 16:34; Ex 27:21; Deut 31:26; 1 Kon 8:9; Heb 9:4 ### Het verzoendeksel en de cherubs **25:17** **Maak een verzoendeksel van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | כַפֹּ֖רֶת (kaporet) = verzoendeksel van | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | אַמָּתַ֤יִם (amatayim) = twee el | וָחֵ֨צִי֙ (vachetsi) = en een half | אָרְכָּ֔הּ (arkah) = haar lengte | וְאַמָּ֥ה (veama) = en een el | וָחֵ֖צִי (vachetsi) = en een half | רָחְבָּֽהּ (rachbah) = haar breedte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּפֹּרֶת (kapporet), ‘verzoendeksel’, is de gouden deksel van de ark. Het woord hangt samen met ‘verzoenen’ (כִּפֵּר, kipper). Zie ook: Ex 37:6; 1 Kron 28:11; Rom 3:25; Heb 4:16; Heb 9:5 **25:18** **Maak twee cherubs van goud; van gedreven werk moet je ze maken, aan de twee uiteinden van het verzoendeksel.** Brontekst: וְעָשִׂ֛יתָ (veasita) = en maak | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | כְּרֻבִ֖ים (keruvim) = cherubs | זָהָ֑ב (zahav) = goud | מִקְשָׁה֙ (miqsha) = gedreven werk | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je maken | אֹתָ֔ם (otam) = ze | מִשְּׁנֵ֖י (mishenei) = aan de twee | קְצ֥וֹת (qetsot) = uiteinden van | הַכַּפֹּֽרֶת (hakaporet) = het verzoendeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְשָׁה (miqshah) is gedreven werk: uit één stuk goud gehamerd. Zie ook: 1 Kron 28:18; 1 Kon 8:6–7; Ezech 10:2; Ezech 10:20; Heb 9:5 **25:19** **Maak één cherub aan het ene uiteinde en één cherub aan het andere uiteinde. Uit het verzoendeksel zelf moeten jullie de cherubs maken, aan zijn beide uiteinden.** Brontekst: וַ֠עֲשֵׂה (vaase) = en maak | כְּר֨וּב (keruv) = cherub | אֶחָ֤ד (echad) = een | מִקָּצָה֙ (miqatsa) = aan het uiteinde | מִזֶּ֔ה (mize) = aan deze kant | וּכְרוּב (ukheruv) = en cherub | אֶחָ֥ד (echad) = een | מִקָּצָ֖ה (miqatsa) = aan het uiteinde | מִזֶּ֑ה (mize) = aan die kant | מִן (min) = uit | הַכַּפֹּ֛רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | תַּעֲשׂ֥וּ (taasu) = zullen jullie maken | אֶת (et) = (obj.) | הַכְּרֻבִ֖ים (hakeruvim) = de cherubs | עַל (al) = aan | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | קְצוֹתָֽיו (qetsotav) = zijn uiteinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:20** **De cherubs moeten hun vleugels naar boven uitspreiden en met hun vleugels het verzoendeksel overdekken. Hun gezichten zijn naar elkaar gekeerd, naar het verzoendeksel zijn de gezichten van de cherubs gericht.** Brontekst: וְהָי֣וּ (vehayu) = en zullen zijn | הַכְּרֻבִים֩ (hakeruvim) = de cherubs | פֹּרְשֵׂ֨י (poresei) = uitspreidend | כְנָפַ֜יִם (kenafayim) = vleugels | לְמַ֗עְלָה (lemala) = omhoog | סֹכְכִ֤ים (sokhekhim) = overdekkend | בְּכַנְפֵיהֶם֙ (bekhanfeihem) = met hun vleugels | עַל (al) = over | הַכַּפֹּ֔רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | וּפְנֵיהֶ֖ם (ufeneihem) = en hun gezichten | אִ֣ישׁ (ish) = de een | אֶל (el) = naar | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | אֶל (el) = naar | הַכַּפֹּ֔רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | יִהְי֖וּ (yihyu) = zullen zijn | פְּנֵ֥י (penei) = gezichten van | הַכְּרֻבִֽים (hakeruvim) = de cherubs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Cherubs zijn hemelse wezens bij Elohim. Zie Gen. 3:24. Zie ook: Gen 3:24; 1 Kron 28:18; 1 Kon 8:7; 2 Kron 3:10; Mat 24:31; Heb 9:5 **25:21** **Zet het verzoendeksel boven op de ark, en leg in de ark het getuigenis dat Ik je zal geven.** Brontekst: וְנָתַתָּ֧ (venatata) = en plaats | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּפֹּ֛רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | עַל (al) = op | הָאָרֹ֖ן (haaron) = de ark | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = van boven | וְאֶל (veel) = en in | הָ֣אָרֹ֔ן (haaron) = de ark | תִּתֵּן֙ (titen) = zul je leggen | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣עֵדֻ֔ת (haedut) = het getuigenis | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֶתֵּ֖ן (eten) = Ik zal geven | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:16–17; Ex 26:34; Rom 10:4 **25:22** **Daar zal Ik met je samenkomen. Ik zal met je spreken, van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs die op de ark van het getuigenis zijn, over alles wat Ik je voor de zonen van Israël zal opdragen.** Brontekst: וְנוֹעַדְתִּ֣י (venoadti) = en Ik zal samenkomen | לְךָ֮ (lekha) = met jou | שָׁם֒ (sham) = daar | וְדִבַּרְתִּ֨י (vedibarti) = en spreken | אִתְּךָ֜ (itekha) = met jou | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | הַכַּפֹּ֗רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | מִבֵּין֙ (mibein) = van tussen | שְׁנֵ֣י (shenei) = de twee | הַכְּרֻבִ֔ים (hakeruvim) = cherubs | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | אֲרֹ֣ן (aron) = de ark van | הָעֵדֻ֑ת (haedut) = het getuigenis | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | אֲצַוֶּ֛ה (atsave) = Ik zal gebieden | אוֹתְךָ֖ (otekha) = jou | אֶל (el) = voor | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de plek waar Yahweh Zich laat vinden en met Mozes spreekt; zie ook Num. 7:89. Zie ook: Ex 29:42–43; Num 7:89; Ps 80:2; 2 Kon 19:15; Jes 37:16 ### De tafel voor het toonbrood **25:23** **Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | שֻׁלְחָ֖ן (shulchan) = een tafel | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | אַמָּתַ֤יִם (amatayim) = twee el | אָרְכּוֹ֙ (arko) = zijn lengte | וְאַמָּ֣ה (veama) = en een el | רָחְבּ֔וֹ (rachbo) = zijn breedte | וְאַמָּ֥ה (veama) = en een el | וָחֵ֖צִי (vachetsi) = en een half | קֹמָתֽוֹ (qomato) = zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 37:10–16; Lev 24:6; 1 Kon 7:48; 2 Kron 4:8; Heb 9:2 **25:24** **Bekleed hem met zuiver goud en maak er rondom een gouden rand aan.** Brontekst: וְצִפִּיתָ֥ (vetsipita) = en bekleed | אֹת֖וֹ (oto) = hem | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | לּ֛וֹ (lo) = voor hem | זֵ֥ר (zer) = een rand | זָהָ֖ב (zahav) = goud | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:11; 1 Kon 6:20–22 **25:25** **Maak er rondom een lijst van een handbreedte aan, en maak een gouden rand rondom die lijst.** Brontekst: וְעָשִׂ֨יתָ (veasita) = en maak | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | מִסְגֶּ֛רֶת (misgeret) = een lijst | טֹ֖פַח (tofach) = een handbreedte | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְעָשִׂ֧יתָ (veasita) = en maak | זֵר (zer) = een rand | זָהָ֛ב (zahav) = goud | לְמִסְגַּרְתּ֖וֹ (lemisgarto) = voor zijn lijst | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:3; Ex 37:2 **25:26** **Maak er vier gouden ringen voor en bevestig ze op de vier hoeken, bij de vier poten.** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | לּ֔וֹ (lo) = voor hem | אַרְבַּ֖ע (arba) = vier | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְנָתַתָּ֙ (venatata) = en zet | אֶת (et) = (obj.) | הַטַּבָּעֹ֔ת (hatabaot) = de ringen | עַ֚ל (al) = op | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | הַפֵּאֹ֔ת (hapeot) = de hoeken | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לְאַרְבַּ֥ע (learba) = aan vier | רַגְלָֽיו (raglav) = zijn poten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:27** **De ringen moeten vlak bij de lijst zitten, als houders voor de draagstokken waarmee de tafel gedragen wordt.** Brontekst: לְעֻמַּת֙ (leumat) = naast | הַמִּסְגֶּ֔רֶת (hamisgeret) = de lijst | תִּהְיֶ֖יןָ (tihyeina) = zullen zijn | הַטַּבָּעֹ֑ת (hatabaot) = de ringen | לְבָתִּ֣ים (levatim) = als houders | לְבַדִּ֔ים (levadim) = voor de draagstokken | לָשֵׂ֖את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָֽן (hashulchan) = de tafel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:14; Ex 25:28 **25:28** **Maak de draagstokken van acaciahout en bekleed ze met goud; daarmee wordt de tafel gedragen.** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּים֙ (habadim) = de draagstokken | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֔ים (shitim) = acacia | וְצִפִּיתָ֥ (vetsipita) = en bekleed | אֹתָ֖ם (otam) = ze | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְנִשָּׂא (venisa) = en gedragen wordt | בָ֖ם (bam) = met hen | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָֽן (hashulchan) = de tafel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:14; Ex 25:27; Num 10:17; Hand 9:15 **25:29** **Maak zijn schalen, schotels, kannen en offerschalen waarmee men plengoffers uitgiet; van zuiver goud moet je ze maken.** Brontekst: וְעָשִׂ֨יתָ (veasita) = en maak | קְּעָרֹתָ֜יו (qearotav) = zijn schalen | וְכַפֹּתָ֗יו (vekhapotav) = en zijn schotels | וּקְשׂוֹתָיו֙ (uqesotav) = en zijn kannen | וּמְנַקִּיֹּתָ֔יו (umenaqiyotav) = en zijn offerschalen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | יֻסַּ֖ךְ (yusakh) = men uitgiet | בָּהֵ֑ן (bahen) = met hen | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָה֖וֹר (tahor) = zuiver | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 37:16; Lev 24:5–9; Num 4:7; Num 7:19; Openb 3:20 **25:30** **Leg op de tafel steeds het toonbrood voor Mijn aangezicht.** Brontekst: וְנָתַתָּ֧ (venatata) = en leg | עַֽל (al) = op | הַשֻּׁלְחָ֛ן (hashulchan) = de tafel | לֶ֥חֶם (lechem) = brood van | פָּנִ֖ים (panim) = het aangezicht | לְפָנַ֥י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם פָּנִים (lechem panim), ‘brood van het aangezicht’, is brood dat voor Yahweh's aangezicht ligt: het toonbrood (Lev. 24:5–9). Zie ook: Ex 39:36; Lev 24:5–9; Num 4:7; 1 Sam 21:7; Mat 12:4 ### De gouden kandelaar **25:31** **Maak een kandelaar van zuiver goud. Van gedreven werk moet de kandelaar gemaakt worden, haar voet en haar schacht, haar kelken, knoppen en bloemen. Ze moeten er één geheel mee vormen.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | מְנֹרַ֖ת (menorat) = kandelaar van | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | מִקְשָׁ֞ה (miqsha) = gedreven werk | תֵּעָשֶׂ֤ה (tease) = wordt gemaakt | הַמְּנוֹרָה֙ (hamenora) = de kandelaar | יְרֵכָ֣הּ (yerekhah) = haar voet | וְקָנָ֔הּ (veqanah) = en haar schacht | גְּבִיעֶ֛יהָ (gevieiha) = haar kelken | כַּפְתֹּרֶ֥יהָ (kaftoreiha) = haar knoppen | וּפְרָחֶ֖יהָ (uferacheiha) = en haar bloemen | מִמֶּ֥נָּה (mimena) = uit haar | יִהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De kandelaar (מְנוֹרָה, menorah) heeft zeven lampen: een middenschacht en zes armen. Zie ook: Ex 37:17–24; 1 Kon 7:49; Zach 4:2; Heb 9:2; Openb 1:12 **25:32** **Zes armen moeten uit haar zijden komen: drie armen van de kandelaar uit de ene zijde en drie armen van de kandelaar uit de andere zijde.** Brontekst: וְשִׁשָּׁ֣ה (veshisha) = en zes | קָנִ֔ים (qanim) = armen | יֹצְאִ֖ים (yotseim) = uitgaande | מִצִּדֶּ֑יהָ (mitsideiha) = van haar zijden | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | קְנֵ֣י (qenei) = armen van | מְנֹרָ֗ה (menora) = kandelaar | מִצִּדָּהּ֙ (mitsidah) = van haar zijde | הָאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | וּשְׁלֹשָׁה֙ (ushelosha) = en drie | קְנֵ֣י (qenei) = armen van | מְנֹרָ֔ה (menora) = kandelaar | מִצִּדָּ֖הּ (mitsidah) = van haar zijde | הַשֵּׁנִֽי (hasheni) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:33** **Drie amandelvormige kelken met een knop en een bloem aan de ene arm, en drie amandelvormige kelken met een knop en een bloem aan de andere arm. Zo moet het zijn voor de zes armen die uit de kandelaar komen.** Brontekst: שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | גְ֠בִעִים (geviim) = kelken | מְֽשֻׁקָּדִ֞ים (meshuqadim) = amandelvormig | בַּקָּנֶ֣ה (baqane) = aan arm | הָאֶחָד֮ (haechad) = de ene | כַּפְתֹּ֣ר (kaftor) = knop | וָפֶרַח֒ (vaferach) = en bloem | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | גְבִעִ֗ים (geviim) = kelken | מְשֻׁקָּדִ֛ים (meshuqadim) = amandelvormig | בַּקָּנֶ֥ה (baqane) = aan arm | הָאֶחָ֖ד (haechad) = de ene | כַּפְתֹּ֣ר (kaftor) = knop | וָפָ֑רַח (vafarach) = en bloem | כֵּ֚ן (ken) = zo | לְשֵׁ֣שֶׁת (lesheshet) = voor de zes | הַקָּנִ֔ים (haqanim) = de armen | הַיֹּצְאִ֖ים (hayotseim) = die uitgaan | מִן (min) = uit | הַמְּנֹרָֽה (hamenora) = de kandelaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 37:19–20; Num 17:19–23; Jer 1:11–12; Zach 4:3 **25:34** **En aan de kandelaar zelf vier amandelvormige kelken, met hun knoppen en bloemen.** Brontekst: וּבַמְּנֹרָ֖ה (uvamenora) = en aan de kandelaar | אַרְבָּעָ֣ה (arbaa) = vier | גְבִעִ֑ים (geviim) = kelken | מְשֻׁקָּדִ֔ים (meshuqadim) = amandelvormig | כַּפְתֹּרֶ֖יהָ (kaftoreiha) = haar knoppen | וּפְרָחֶֽיהָ (uferacheiha) = en haar bloemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:35** **Een knop onder de twee armen die uit haar komen, nog een knop onder de twee volgende armen en een derde knop onder de twee laatste armen: zo voor de zes armen die uit de kandelaar komen.** Brontekst: וְכַפְתֹּ֡ר (vekhaftor) = en een knop | תַּחַת֩ (tachat) = onder | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee | הַקָּנִ֜ים (haqanim) = de armen | מִמֶּ֗נָּה (mimena) = uit haar | וְכַפְתֹּר֙ (vekhaftor) = en een knop | תַּ֣חַת (tachat) = onder | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | הַקָּנִים֙ (haqanim) = de armen | מִמֶּ֔נָּה (mimena) = uit haar | וְכַפְתֹּ֕ר (vekhaftor) = en een knop | תַּחַת (tachat) = onder | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַקָּנִ֖ים (haqanim) = de armen | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = uit haar | לְשֵׁ֨שֶׁת֙ (lesheshet) = voor de zes | הַקָּנִ֔ים (haqanim) = de armen | הַיֹּצְאִ֖ים (hayotseim) = die uitgaan | מִן (min) = uit | הַמְּנֹרָֽה (hamenora) = de kandelaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een knop onder elk paar armen: drie knoppen op drie plaatsen aan de schacht. **25:36** **Hun knoppen en armen moeten er één geheel mee vormen, alles één stuk gedreven werk van zuiver goud.** Brontekst: כַּפְתֹּרֵיהֶ֥ם (kaftoreihem) = hun knoppen | וּקְנֹתָ֖ם (uqenotam) = en hun armen | מִמֶּ֣נָּה (mimena) = uit haar | יִהְי֑וּ (yihyu) = zullen zijn | כֻּלָּ֛הּ (kulah) = geheel | מִקְשָׁ֥ה (miqsha) = gedreven werk | אַחַ֖ת (achat) = één | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:18; Num 8:4; 1 Kon 10:16–17; 2 Kron 9:15 **25:37** **Maak zeven lampen voor haar; men moet de lampen aansteken, zodat ze het licht werpen op de ruimte vóór haar.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | נֵרֹתֶ֖יהָ (neroteiha) = haar lampen | שִׁבְעָ֑ה (shiva) = zeven | וְהֶֽעֱלָה֙ (veheela) = en hij zal ontsteken | אֶת (et) = (obj.) | נֵ֣רֹתֶ֔יהָ (neroteiha) = haar lampen | וְהֵאִ֖יר (veheir) = en zij schijnen | עַל (al) = over | עֵ֥בֶר (ever) = de voorkant van | פָּנֶֽיהָ (paneiha) = haar vlak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:21; Num 8:2; Zach 4:2; Openb 1:12; Openb 1:20–2:1 **25:38** **Haar tangen en haar vuurpannen moeten van zuiver goud zijn.** Brontekst: וּמַלְקָחֶ֥יהָ (umalqacheiha) = en haar tangen | וּמַחְתֹּתֶ֖יהָ (umachtoteiha) = en haar vuurpannen | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 37:23; 1 Kon 7:50; 2 Kon 12:14; 2 Kon 25:14; Jes 6:6 **25:39** **Van een talent zuiver goud moet men haar maken, met al deze voorwerpen.** Brontekst: כִּכָּ֛ר (kikar) = een talent van | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָה֖וֹר (tahor) = zuiver | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = zal men maken | אֹתָ֑הּ (otah) = haar | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַכֵּלִ֖ים (hakelim) = de voorwerpen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilo; de kandelaar en zijn voorwerpen worden dus uit een grote hoeveelheid goud gemaakt. **25:40** **Zorg dat je ze maakt naar het model dat je op de berg getoond wordt.** Brontekst: וּרְאֵ֖ה (uree) = en zie toe | וַעֲשֵׂ֑ה (vaase) = en maak | בְּתַ֨בְנִיתָ֔ם (betavnitam) = naar hun model | אֲשֶׁר (asher) = dat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | מָרְאֶ֖ה (maree) = getoond wordt | בָּהָֽר (bahar) = op de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes ziet het model op de berg; vergelijk 26:30; 27:8; Num. 8:4; Hebr. 8:5. Zie ook: Ex 25:9; Ex 26:30; Num 8:4; Hand 7:44; Heb 8:5 ## Exodus 26 _De tabernakel: tentkleden, planken en voorhang_ ### De tentkleden **26:1** **De tabernakel moet je maken van tien tentkleden van getweernd fijn linnen, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen. Met cherubs, als werk van een vakman, moet je ze maken.** Brontekst: וְאֶת (veet) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֥ן (hamishkan) = de tabernakel | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je maken | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | יְרִיעֹ֑ת (yeriot) = tentkleden van | שֵׁ֣שׁ (shesh) = fijn linnen | מָשְׁזָ֗ר (mashezar) = getweernd | וּתְכֵ֤לֶת (utekhelet) = en blauwpurper | וְאַרְגָּמָן֙ (veargaman) = en roodpurper | וְתֹלַ֣עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֔י (shani) = scharlaken | כְּרֻבִ֛ים (keruvim) = cherubs | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חֹשֵׁ֖ב (choshev) = een vakman | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂה חֹשֵׁב (ma‘aseh choshev), ‘werk van een vakman’, is kunstig geweven werk, waarbij de figuren in de stof zelf zijn geweven. Elk tentkleed is 28 bij 4 el, ongeveer 12,6 bij 1,8 meter. Vijf aan vijf verbonden vormen de tien tentkleden samen één groot kleed van 40 bij 28 el, ongeveer 18 bij 12,6 meter. Zie ook: Ex 25:18; Ex 26:31; Ex 26:36; Ex 36:8–19; Ex 36:35 **26:2** **De lengte van elk tentkleed is achtentwintig el en de breedte vier el; alle tentkleden hebben dezelfde maat.** Brontekst: אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הַיְרִיעָ֣ה (hayria) = het tentkleed | הָֽאַחַ֗ת (haachat) = het ene | שְׁמֹנֶ֤ה (shemone) = acht | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | וְרֹ֨חַב֙ (verochav) = en breedte | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | בָּאַמָּ֔ה (baama) = in el | הַיְרִיעָ֖ה (hayria) = het tentkleed | הָאֶחָ֑ת (haechat) = het ene | מִדָּ֥ה (mida) = maat | אַחַ֖ת (achat) = één | לְכָל (lekhal) = voor alle | הַיְרִיעֹֽת (hayriot) = de tentkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:7–8; Num 4:25; 2 Sam 7:2; 1 Kron 17:1 **26:3** **Vijf tentkleden worden aan elkaar gevoegd, en ook de andere vijf tentkleden worden aan elkaar gevoegd.** Brontekst: חֲמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | הַיְרִיעֹ֗ת (hayriot) = de tentkleden | תִּֽהְיֶ֨יןָ֙ (tihyeina) = zullen zijn | חֹֽבְרֹ֔ת (choverot) = verbonden | אִשָּׁ֖ה (isha) = de een | אֶל (el) = aan | אֲחֹתָ֑הּ (achotah) = de ander | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | יְרִיעֹת֙ (yeriot) = tentkleden | חֹֽבְרֹ֔ת (choverot) = verbonden | אִשָּׁ֖ה (isha) = de een | אֶל (el) = aan | אֲחֹתָֽהּ (achotah) = de ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 36:10; 1 Kor 12:4; Ef 2:21–22; Kol 2:2; Kol 2:19 **26:4** **Maak lussen van blauwpurper aan de rand van het ene tentkleed, aan het uiteinde bij de verbinding. Zo moet je ook doen aan de rand van het buitenste tentkleed bij de tweede verbinding.** Brontekst: וְעָשִׂ֜יתָ (veasita) = en maak | לֻֽלְאֹ֣ת (lulot) = lussen van | תְּכֵ֗לֶת (tekhelet) = blauwpurper | עַ֣ל (al) = aan | שְׂפַ֤ת (sefat) = de rand van | הַיְרִיעָה֙ (hayria) = het tentkleed | הָאֶחָ֔ת (haechat) = het ene | מִקָּצָ֖ה (miqatsa) = aan het uiteinde | בַּחֹבָ֑רֶת (bachovaret) = bij de verbinding | וְכֵ֤ן (vekhen) = en zo | תַּעֲשֶׂה֙ (taase) = zul je doen | בִּשְׂפַ֣ת (bisfat) = aan de rand van | הַיְרִיעָ֔ה (hayria) = het tentkleed | הַקִּ֣יצוֹנָ֔ה (haqitsona) = het laatste | בַּמַּחְבֶּ֖רֶת (bamachberet) = bij de verbinding | הַשֵּׁנִֽית (hashenit) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:5; Ex 26:10–11; Ex 36:11–12; Ex 36:17 **26:5** **Vijftig lussen moet je maken aan het ene tentkleed, en vijftig lussen aan het uiteinde van het tentkleed bij de tweede verbinding. De lussen moeten tegenover elkaar liggen.** Brontekst: חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | לֻֽלָאֹ֗ת (lulaot) = lussen | תַּעֲשֶׂה֮ (taase) = zul je maken | בַּיְרִיעָ֣ה (bayria) = aan het tentkleed | הָאֶחָת֒ (haechat) = het ene | וַחֲמִשִּׁ֣ים (vachamishim) = en vijftig | לֻֽלָאֹ֗ת (lulaot) = lussen | תַּעֲשֶׂה֙ (taase) = zul je maken | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan het uiteinde van | הַיְרִיעָ֔ה (hayria) = het tentkleed | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בַּמַּחְבֶּ֣רֶת (bamachberet) = bij de verbinding | הַשֵּׁנִ֑ית (hashenit) = de tweede | מַקְבִּילֹת֙ (maqbilot) = tegenover elkaar | הַלֻּ֣לָאֹ֔ת (halulaot) = de lussen | אִשָּׁ֖ה (isha) = de een | אֶל (el) = aan | אֲחֹתָֽהּ (achotah) = de ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:6** **Maak vijftig gouden haken en verbind de tentkleden met de haken aan elkaar, zodat de tabernakel één geheel wordt.** Brontekst: וְעָשִׂ֕יתָ (veasita) = en maak | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftig | קַרְסֵ֣י (qarsei) = haken van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְחִבַּרְתָּ֨ (vechibarta) = en verbind | אֶת (et) = (obj.) | הַיְרִיעֹ֜ת (hayriot) = de tentkleden | אִשָּׁ֤ה (isha) = de een | אֶל (el) = aan | אֲחֹתָהּ֙ (achotah) = de ander | בַּקְּרָסִ֔ים (baqerasim) = met de haken | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal worden | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 35:11; Ex 36:18; Ex 39:33; Ef 1:22–23; 1 Petr 2:4–5 ### De tent van geitenhaar **26:7** **Maak tentkleden van geitenhaar als tent over de tabernakel; elf tentkleden moet je ervan maken.** Brontekst: וְעָשִׂ֨יתָ֙ (veasita) = en maak | יְרִיעֹ֣ת (yeriot) = tentkleden van | עִזִּ֔ים (izim) = geitenhaar | לְאֹ֖הֶל (leohel) = tot een tent | עַל (al) = over | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | עַשְׁתֵּי (ashtei) = elf | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | יְרִיעֹ֖ת (yeriot) = tentkleden | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tent van geitenhaar ligt als tweede dek over de tentkleden van vers 1–6. Zie ook: Ex 26:1–6; Ex 26:14; Ex 35:23; Num 4:25; Num 31:20; 1 Petr 3:4 **26:8** **De lengte van elk tentkleed is dertig el en de breedte vier el; de elf tentkleden hebben dezelfde maat.** Brontekst: אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הַיְרִיעָ֣ה (hayria) = het tentkleed | הָֽאַחַ֗ת (haachat) = het ene | שְׁלֹשִׁים֙ (sheloshim) = dertig | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | וְרֹ֨חַב֙ (verochav) = en breedte | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | בָּאַמָּ֔ה (baama) = in el | הַיְרִיעָ֖ה (hayria) = het tentkleed | הָאֶחָ֑ת (haechat) = het ene | מִדָּ֣ה (mida) = maat | אַחַ֔ת (achat) = één | לְעַשְׁתֵּ֥י (leashtei) = voor de elf | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | יְרִיעֹֽת (yeriot) = tentkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:2; Ex 26:13 **26:9** **Verbind vijf tentkleden apart en zes tentkleden apart, en vouw het zesde tentkleed dubbel aan de voorkant van de tent.** Brontekst: וְחִבַּרְתָּ֞ (vechibarta) = en verbind | אֶת (et) = (obj.) | חֲמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | הַיְרִיעֹת֙ (hayriot) = de tentkleden | לְבָ֔ד (levad) = apart | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | הַיְרִיעֹ֖ת (hayriot) = de tentkleden | לְבָ֑ד (levad) = apart | וְכָפַלְתָּ֙ (vekhafalta) = en vouw dubbel | אֶת (et) = (obj.) | הַיְרִיעָ֣ה (hayria) = het tentkleed | הַשִּׁשִּׁ֔ית (hashishit) = het zesde | אֶל (el) = naar | מ֖וּל (mul) = tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:10** **Maak vijftig lussen aan de rand van het buitenste tentkleed bij de ene verbinding, en vijftig lussen aan de rand van het tentkleed bij de tweede verbinding.** Brontekst: וְעָשִׂ֜יתָ (veasita) = en maak | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | לֻֽלָאֹ֗ת (lulaot) = lussen | עַ֣ל (al) = aan | שְׂפַ֤ת (sefat) = de rand van | הַיְרִיעָה֙ (hayria) = het tentkleed | הָֽאֶחָ֔ת (haechat) = het ene | הַקִּיצֹנָ֖ה (haqitsona) = het laatste | בַּחֹבָ֑רֶת (bachovaret) = bij de verbinding | וַחֲמִשִּׁ֣ים (vachamishim) = en vijftig | לֻֽלָאֹ֗ת (lulaot) = lussen | עַ֚ל (al) = aan | שְׂפַ֣ת (sefat) = de rand van | הַיְרִיעָ֔ה (hayria) = het tentkleed | הַחֹבֶ֖רֶת (hachoveret) = dat verbindt | הַשֵּׁנִֽית (hashenit) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:11** **Maak vijftig koperen haken, steek de haken in de lussen en verbind de tent, zodat hij één geheel wordt.** Brontekst: וְעָשִׂ֛יתָ (veasita) = en maak | קַרְסֵ֥י (qarsei) = haken van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = koper | חֲמִשִּׁ֑ים (chamishim) = vijftig | וְהֵבֵאתָ֤ (veheveta) = en steek | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּרָסִים֙ (haqerasim) = de haken | בַּלֻּ֣לָאֹ֔ת (balulaot) = in de lussen | וְחִבַּרְתָּ֥ (vechibarta) = en verbind | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹ֖הֶל (haohel) = de tent | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal worden | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:3; Ex 26:6 **26:12** **Wat overblijft van de tentkleden van de tent, de halve breedte van het overtollige tentkleed, moet over de achterkant van de tabernakel hangen.** Brontekst: וְסֶ֨רַח֙ (veserach) = en het overhangende | הָעֹדֵ֔ף (haodef) = het overschot | בִּירִיעֹ֖ת (biriot) = in de tentkleden van | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | חֲצִ֤י (chatsi) = de helft van | הַיְרִיעָה֙ (hayria) = het tentkleed | הָעֹדֶ֔פֶת (haodefet) = het overtollige | תִּסְרַ֕ח (tisrach) = zal hangen | עַ֖ל (al) = over | אֲחֹרֵ֥י (achorei) = de achterkant van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:13** **Aan elke zijde hangt een el van het overschot in de lengte van de tentkleden van de tent over de zijkanten van de tabernakel, om hem te bedekken.** Brontekst: וְהָאַמָּ֨ה (vehaama) = en de el | מִזֶּ֜ה (mize) = aan deze kant | וְהָאַמָּ֤ה (vehaama) = en de el | מִזֶּה֙ (mize) = aan die kant | בָּעֹדֵ֔ף (baodef) = van het overschot | בְּאֹ֖רֶךְ (beorekh) = in de lengte van | יְרִיעֹ֣ת (yeriot) = tentkleden van | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | סָר֜וּחַ (saruach) = hangend | עַל (al) = over | צִדֵּ֧י (tsidei) = de zijden van | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | מִזֶּ֥ה (mize) = aan deze kant | וּמִזֶּ֖ה (umize) = en aan die kant | לְכַסֹּתֽוֹ (lekhasoto) = om hem te bedekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:2; Ex 26:8 **26:14** **Maak voor de tent een dekking van roodgeverfde ramsvellen en daarboven een dekking van tachash-huiden.** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en maak | מִכְסֶה֙ (mikhse) = een dekking | לָאֹ֔הֶל (laohel) = voor de tent | עֹרֹ֥ת (orot) = huiden van | אֵילִ֖ם (eilim) = rammen | מְאָדָּמִ֑ים (meadamim) = roodgeverfd | וּמִכְסֵ֛ה (umikhse) = en een dekking | עֹרֹ֥ת (orot) = huiden van | תְּחָשִׁ֖ים (techashim) = tachash | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַשׁ (tachash): zie 25:5. Zie ook: Ex 25:5; Ex 35:7; Ex 36:19; Ps 27:5; Ps 121:4–5 ### De planken en dwarsbalken **26:15** **Maak voor de tabernakel planken van acaciahout, rechtopstaand.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּרָשִׁ֖ים (haqerashim) = de planken | לַמִּשְׁכָּ֑ן (lamishkan) = voor de tabernakel | עֲצֵ֥י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֖ים (shitim) = acacia | עֹמְדִֽים (omedim) = rechtopstaand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De planken staan rechtop en vormen de wanden: twintig aan de zuidkant, twintig aan de noordkant en zes plus twee hoekplanken aan de westkant. Zie ook: Ex 25:5; Ex 26:18; Ex 26:22–29; Ex 36:20–33; Ex 40:17–18 **26:16** **Tien el moet elke plank lang zijn, en anderhalve el breed.** Brontekst: עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | אַמּ֖וֹת (amot) = el | אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הַקָּ֑רֶשׁ (haqaresh) = de plank | וְאַמָּה֙ (veama) = en een el | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en een half | הָֽאַמָּ֔ה (haama) = de el | רֹ֖חַב (rochav) = breedte van | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:17** **Elke plank krijgt twee tappen, die op elkaar aansluiten; zo moet je het doen met alle planken van de tabernakel.** Brontekst: שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | יָד֗וֹת (yadot) = tappen | לַקֶּ֨רֶשׁ֙ (laqeresh) = aan de plank | הָאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | מְשֻׁלָּבֹ֔ת (meshulavot) = verbonden | אִשָּׁ֖ה (isha) = de een | אֶל (el) = aan | אֲחֹתָ֑הּ (achotah) = de ander | כֵּ֣ן (ken) = zo | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = zul je doen | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | קַרְשֵׁ֥י (qarshei) = planken van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:19; Ex 36:22; Ex 36:24 **26:18** **Maak de planken voor de tabernakel: twintig planken aan de zuidkant.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּרָשִׁ֖ים (haqerashim) = de planken | לַמִּשְׁכָּ֑ן (lamishkan) = voor de tabernakel | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | קֶ֔רֶשׁ (qeresh) = planken | לִפְאַ֖ת (lifat) = aan de kant van | נֶ֥גְבָּה (negba) = het zuiden | תֵימָֽנָה (teimana) = rechts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּימָנָה (teimanah) betekent ‘zuidwaarts’, letterlijk ‘rechts’ (aan de rechterhand, als men naar het oosten kijkt). **26:19** **Maak veertig zilveren voetstukken onder de twintig planken: twee voetstukken onder de ene plank voor haar twee tappen, en twee voetstukken onder de andere plank voor haar twee tappen.** Brontekst: וְאַרְבָּעִים֙ (vearbaim) = en veertig | אַדְנֵי (adnei) = voetstukken van | כֶ֔סֶף (kesef) = zilver | תַּעֲשֶׂ֕ה (taase) = zul je maken | תַּ֖חַת (tachat) = onder | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = de twintig | הַקָּ֑רֶשׁ (haqaresh) = planken | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee | אֲדָנִ֜ים (adanim) = voetstukken | תַּֽחַת (tachat) = onder | הַקֶּ֤רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָד֙ (haechad) = de ene | לִשְׁתֵּ֣י (lishtei) = voor haar twee | יְדֹתָ֔יו (yedotav) = tappen | וּשְׁנֵ֧י (ushenei) = en twee | אֲדָנִ֛ים (adanim) = voetstukken | תַּֽחַת (tachat) = onder | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָ֖ד (haechad) = de ene | לִשְׁתֵּ֥י (lishtei) = voor haar twee | יְדֹתָֽיו (yedotav) = tappen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:12–18; Ex 38:27; Num 3:36; Num 4:31–32; Hoogl 5:15 **26:20** **En voor de andere zijde van de tabernakel, aan de noordkant, twintig planken,** Brontekst: וּלְצֶ֧לַע (uletsela) = en voor de zijde van | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | לִפְאַ֣ת (lifat) = naar de kant van | צָפ֑וֹן (tsafon) = het noorden | עֶשְׂרִ֖ים (esrim) = twintig | קָֽרֶשׁ (qaresh) = planken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:21** **met veertig zilveren voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank.** Brontekst: וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | אַדְנֵיהֶ֖ם (adneihem) = hun voetstukken | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | אֲדָנִ֗ים (adanim) = voetstukken | תַּ֚חַת (tachat) = onder | הַקֶּ֣רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en twee | אֲדָנִ֔ים (adanim) = voetstukken | תַּ֖חַת (tachat) = onder | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:22** **Voor de achterkant van de tabernakel, aan de westkant, moet je zes planken maken.** Brontekst: וּֽלְיַרְכְּתֵ֥י (uleyarketei) = en voor de achterkant van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | יָ֑מָּה (yama) = westwaarts | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je maken | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | קְרָשִֽׁים (qerashim) = planken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָמָּה (yammah), ‘westwaarts’, is letterlijk ‘naar de zee’, dus naar de Middellandse Zee. **26:23** **En twee planken moet je maken voor de hoeken van de tabernakel aan de achterkant.** Brontekst: וּשְׁנֵ֤י (ushenei) = en twee | קְרָשִׁים֙ (qerashim) = planken | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = zul je maken | לִמְקֻצְעֹ֖ת (limqutsot) = voor de hoeken van | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | בַּיַּרְכָתָֽיִם (bayarkhatayim) = aan de achterkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:24** **Ze moeten van onderen dubbel zijn en samen tot bovenaan, tot aan de ene ring, volledig aansluiten. Zo moet het zijn voor beide, voor de twee hoeken.** Brontekst: וְיִֽהְי֣וּ (veyihyu) = en zullen zijn | תֹֽאֲמִים֮ (toamim) = dubbel | מִלְּמַטָּה֒ (milemata) = van beneden | וְיַחְדָּ֗ו (veyachdav) = en tezamen | יִהְי֤וּ (yihyu) = zullen zijn | תַמִּים֙ (tamim) = volledig | עַל (al) = tot | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn bovenkant | אֶל (el) = naar | הַטַּבַּ֖עַת (hatabaat) = de ring | הָאֶחָ֑ת (haechat) = de ene | כֵּ֚ן (ken) = zo | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לִשְׁנֵיהֶ֔ם (lishneihem) = voor beiden | לִשְׁנֵ֥י (lishnei) = voor twee | הַמִּקְצֹעֹ֖ת (hamiqtsoot) = de hoeken | יִהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De tekst van deze zin is moeilijk; het gaat om de bevestiging van de hoekplanken. Wij geven de bedoeling weer. Zie ook: Ex 36:29–30; Ps 133:1–3; 1 Kor 1:10; 1 Kor 3:16; 1 Petr 2:5 **26:25** **Zo zijn het acht planken met hun zilveren voetstukken, zestien voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee onder de andere.** Brontekst: וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zullen zijn | שְׁמֹנָ֣ה (shemona) = acht | קְרָשִׁ֔ים (qerashim) = planken | וְאַדְנֵיהֶ֣ם (veadneihem) = en hun voetstukken | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אֲדָנִ֑ים (adanim) = voetstukken | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | אֲדָנִ֗ים (adanim) = voetstukken | תַּ֚חַת (tachat) = onder | הַקֶּ֣רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en twee | אֲדָנִ֔ים (adanim) = voetstukken | תַּ֖חַת (tachat) = onder | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:26** **Maak dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de planken van de ene zijde van de tabernakel,** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | בְרִיחִ֖ם (berichim) = dwarsbalken | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | חֲמִשָּׁ֕ה (chamisha) = vijf | לְקַרְשֵׁ֥י (leqarshei) = voor de planken van | צֶֽלַע (tsela) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:36; Gal 6:1–2; 1 Kor 9:19–20; Rom 15:1; Ef 4:16 **26:27** **vijf dwarsbalken voor de planken van de andere zijde van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken van de achterzijde van de tabernakel, aan de westkant.** Brontekst: וַחֲמִשָּׁ֣ה (vachamisha) = en vijf | בְרִיחִ֔ם (berichim) = dwarsbalken | לְקַרְשֵׁ֥י (leqarshei) = voor de planken van | צֶֽלַע (tsela) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | הַשֵּׁנִ֑ית (hashenit) = de tweede | וַחֲמִשָּׁ֣ה (vachamisha) = en vijf | בְרִיחִ֗ם (berichim) = dwarsbalken | לְקַרְשֵׁי֙ (leqarshei) = voor de planken van | צֶ֣לַע (tsela) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | לַיַּרְכָתַ֖יִם (layarkhatayim) = voor de achterkant | יָֽמָּה (yama) = westwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:28** **De middelste balk moet midden door de planken lopen, van het ene uiteinde tot het andere.** Brontekst: וְהַבְּרִ֥יחַ (vehaberiach) = en de balk | הַתִּיכֹ֖ן (hatikhon) = de middelste | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַקְּרָשִׁ֑ים (haqerashim) = de planken | מַבְרִ֕חַ (mavriach) = doorlopend | מִן (min) = van | הַקָּצֶ֖ה (haqatse) = het uiteinde | אֶל (el) = naar | הַקָּצֶֽה (haqatse) = het uiteinde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:29** **Bekleed de planken met goud, maak hun ringen van goud als houders voor de dwarsbalken, en bekleed de dwarsbalken met goud.** Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַקְּרָשִׁ֞ים (haqerashim) = de planken | תְּצַפֶּ֣ה (tetsape) = zul je bekleden | זָהָ֗ב (zahav) = goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | טַבְּעֹֽתֵיהֶם֙ (tabeoteihem) = hun ringen | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je maken | זָהָ֔ב (zahav) = goud | בָּתִּ֖ים (batim) = houders | לַבְּרִיחִ֑ם (laberichim) = voor de balken | וְצִפִּיתָ֥ (vetsipita) = en bekleed | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרִיחִ֖ם (haberichim) = de balken | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:11–12 **26:30** **Richt de tabernakel op volgens het voorschrift dat je op de berg is getoond.** Brontekst: וַהֲקֵמֹתָ֖ (vahaqemota) = en richt op | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | כְּמִ֨שְׁפָּט֔וֹ (kemishpato) = volgens zijn voorschrift | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הָרְאֵ֖יתָ (hareeita) = je getoond werd | בָּהָֽר (bahar) = op de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:9; Ex 25:40; Ex 27:8; Hand 7:44; Heb 8:5 ### De voorhang en het gordijn **26:31** **Maak een voorhang van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen. Als werk van een vakman moet hij worden gemaakt, met cherubs.** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | פָרֹ֗כֶת (parokhet) = een voorhang van | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en fijn linnen | מָשְׁזָ֑ר (mashezar) = getweernd | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חֹשֵׁ֛ב (choshev) = een vakman | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = zal gemaakt worden | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | כְּרֻבִֽים (keruvim) = cherubs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרֹכֶת (parochet) is de voorhang die het heilige der heiligen afscheidt. Zie ook Matt. 27:51; Hebr. 9:3; 10:19–20. Zie ook: Ex 26:1; Ex 36:35; Lev 16:2; 2 Kron 3:14; Mat 27:51; Heb 9:3; Heb 10:19 **26:32** **Hang hem aan vier pilaren van acaciahout, met goud bekleed, met gouden haken, op vier zilveren voetstukken.** Brontekst: וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en hang | אֹתָ֗הּ (otah) = haar | עַל (al) = aan | אַרְבָּעָה֙ (arbaa) = vier | עַמּוּדֵ֣י (amudei) = pilaren van | שִׁטִּ֔ים (shitim) = acacia | מְצֻפִּ֣ים (metsupim) = bekleed | זָהָ֔ב (zahav) = met goud | וָוֵיהֶ֖ם (vaveihem) = hun haken | זָהָ֑ב (zahav) = goud | עַל (al) = op | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | אַדְנֵי (adnei) = voetstukken van | כָֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:37; Ex 36:38; Est 1:6 **26:33** **Hang de voorhang onder de haken en breng de ark van het getuigenis daarheen, binnen de voorhang. De voorhang zal voor jullie het heilige van het heilige der heiligen scheiden.** Brontekst: וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en hang | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּרֹכֶת֮ (haparokhet) = de voorhang | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הַקְּרָסִים֒ (haqerasim) = de haken | וְהֵבֵאתָ֥ (veheveta) = en breng | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | מִבֵּ֣ית (mibeit) = binnen | לַפָּרֹ֔כֶת (laparokhet) = de voorhang | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָעֵד֑וּת (haedut) = het getuigenis | וְהִבְדִּילָ֤ה (vehivdila) = en zal scheiden | הַפָּרֹ֨כֶת֙ (haparokhet) = de voorhang | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilige van | הַקֳּדָשִֽׁים (haqodashim) = de heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqodashim) is ‘het heilige der heiligen’, de binnenste ruimte van de tabernakel. Zie ook: Ex 25:16; Ex 40:21; Lev 16:2; 1 Kon 8:10; Heb 9:2–3 **26:34** **Zet het verzoendeksel op de ark van het getuigenis in het heilige der heiligen.** Brontekst: וְנָתַתָּ֙ (venatata) = en plaats | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּפֹּ֔רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | עַ֖ל (al) = op | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָעֵדֻ֑ת (haedut) = het getuigenis | בְּקֹ֖דֶשׁ (beqodesh) = in het heilige van | הַקֳּדָשִֽׁים (haqodashim) = de heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:21; Ex 40:20; Heb 9:5 **26:35** **Zet de tafel buiten de voorhang en de kandelaar tegenover de tafel, aan de zuidzijde van de tabernakel. De tafel zet je aan de noordzijde.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֤ (vesamta) = en zet | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָן֙ (hashulchan) = de tafel | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לַפָּרֹ֔כֶת (laparokhet) = de voorhang | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּנֹרָה֙ (hamenora) = de kandelaar | נֹ֣כַח (nokhach) = tegenover | הַשֻּׁלְחָ֔ן (hashulchan) = de tafel | עַ֛ל (al) = aan | צֶ֥לַע (tsela) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | תֵּימָ֑נָה (teimana) = zuidwaarts | וְהַ֨שֻּׁלְחָ֔ן (vehashulchan) = en de tafel | תִּתֵּ֖ן (titen) = zul je plaatsen | עַל (al) = aan | צֶ֥לַע (tsela) = zijde van | צָפֽוֹן (tsafon) = noord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tafel (met het toonbrood) staat aan de noordzijde en de kandelaar aan de zuidzijde, in het heilige, buiten de voorhang. Zie ook: Ex 25:31–37; Ex 40:22; Ex 40:24; Heb 9:2; Heb 9:8–9 **26:36** **Maak voor de ingang van de tent een gordijn van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen, als werk van een borduurder.** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en maak | מָסָךְ֙ (masakh) = een gordijn | לְפֶ֣תַח (lefetach) = voor de ingang van | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en fijn linnen | מָשְׁזָ֑ר (mashezar) = getweernd | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | רֹקֵֽם (roqem) = een borduurder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂה רֹקֵם (ma‘aseh roqem), ‘werk van een borduurder’, is gekleurd borduurwerk (anders dan het geweven werk van vers 1 en 31). Zie ook: Ex 26:1; Ex 26:31; Ex 36:37; Ex 40:28–29; Num 3:25; Num 9:15; Ps 78:60 **26:37** **Maak voor het gordijn vijf pilaren van acaciahout, bekleed ze met goud, met gouden haken, en giet voor hen vijf koperen voetstukken.** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | לַמָּסָ֗ךְ (lamasakh) = voor het gordijn | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַמּוּדֵ֣י (amudei) = pilaren van | שִׁטִּ֔ים (shitim) = acacia | וְצִפִּיתָ֤ (vetsipita) = en bekleed | אֹתָם֙ (otam) = ze | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וָוֵיהֶ֖ם (vaveihem) = hun haken | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְיָצַקְתָּ֣ (veyatsaqta) = en giet | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | חֲמִשָּׁ֖ה (chamisha) = vijf | אַדְנֵ֥י (adnei) = voetstukken van | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 36:38 ## Exodus 27 _Het brandofferaltaar, het voorhof en de olie voor de lamp_ ### Het brandofferaltaar **27:1** **Maak het altaar van acaciahout, vijf el lang en vijf el breed; het altaar moet vierkant zijn, en drie el hoog.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | חָמֵשׁ֩ (chamesh) = vijf | אַמּ֨וֹת (amot) = el | אֹ֜רֶךְ (orekh) = lengte | וְחָמֵ֧שׁ (vechamesh) = en vijf | אַמּ֣וֹת (amot) = el | רֹ֗חַב (rochav) = breedte | רָב֤וּעַ (ravua) = vierkant | יִהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וְשָׁלֹ֥שׁ (veshalosh) = en drie | אַמּ֖וֹת (amot) = el | קֹמָתֽוֹ (qomato) = zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het brandofferaltaar in het voorhof. Het meet 5 bij 5 el en is 3 el hoog, ongeveer 2,25 bij 2,25 meter en 1,35 meter hoog. Zie ook 38:1–7. Zie ook: Ex 20:24–26; Ex 38:1–7; 2 Sam 24:18; Ezech 43:13–17; Heb 13:10 **27:2** **Maak zijn hoorns op de vier hoeken; de hoorns moeten er één geheel mee vormen. Bekleed het met koper.** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | קַרְנֹתָ֗יו (qarnotav) = zijn hoorns | עַ֚ל (al) = op | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | פִּנֹּתָ֔יו (pinotav) = zijn hoeken | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = uit hem | תִּהְיֶ֣יןָ (tihyeina) = zullen zijn | קַרְנֹתָ֑יו (qarnotav) = zijn hoorns | וְצִפִּיתָ֥ (vetsipita) = en bekleed | אֹת֖וֹ (oto) = hem | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַרְנוֹת (qarnot), ‘hoorns’, zijn de uitsteeksels op de vier hoeken, die uit hetzelfde stuk bestaan. Zie ook: Ex 29:12; Lev 4:7; Lev 16:18; Ps 118:27; 1 Kon 1:50 **27:3** **Maak potten om de as weg te halen, scheppen, sprengschalen, vorken en vuurpannen; al zijn voorwerpen moet je van koper maken.** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en maak | סִּֽירֹתָיו֙ (sirotav) = zijn potten | לְדַשְּׁנ֔וֹ (ledasheno) = om zijn as weg te halen | וְיָעָיו֙ (veyaav) = en zijn scheppen | וּמִזְרְקֹתָ֔יו (umizreqotav) = en zijn sprengschalen | וּמִזְלְגֹתָ֖יו (umizlegotav) = en zijn vorken | וּמַחְתֹּתָ֑יו (umachtotav) = en zijn vuurpannen | לְכָל (lekhal) = voor al | כֵּלָ֖יו (kelav) = zijn voorwerpen | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:14; 1 Kon 7:40; 1 Kon 7:45; 2 Kron 4:11; 2 Kron 4:16 **27:4** **Maak voor hem een rooster in de vorm van een net van koper, en maak vier koperen ringen aan het net, aan zijn vier hoeken.** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en maak | לּוֹ֙ (lo) = voor hem | מִכְבָּ֔ר (mikhbar) = een rooster | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | רֶ֣שֶׁת (reshet) = netwerk | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | עַל (al) = op | הָרֶ֗שֶׁת (hareshet) = het netwerk | אַרְבַּע֙ (arba) = vier | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | עַ֖ל (al) = aan | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | קְצוֹתָֽיו (qetsotav) = zijn hoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het rooster is een net van koper binnen de wand van het altaar. Zie ook: Ex 25:12; Ex 35:16; Ex 38:4–5 **27:5** **Leg het onder de rand van het altaar, van beneden, zodat het net tot halverwege het altaar reikt.** Brontekst: וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en leg | אֹתָ֗הּ (otah) = het | תַּ֛חַת (tachat) = onder | כַּרְכֹּ֥ב (karkov) = de rand van | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | מִלְּמָ֑טָּה (milemata) = van beneden | וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en zal reiken | הָרֶ֔שֶׁת (hareshet) = het net | עַ֖ד (ad) = tot | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 38:4 **27:6** **Maak draagstokken voor het altaar, draagstokken van acaciahout, en bekleed ze met koper.** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en maak | בַדִּים֙ (badim) = draagstokken | לַמִּזְבֵּ֔חַ (lamizbeach) = voor het altaar | בַּדֵּ֖י (badei) = draagstokken van | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | וְצִפִּיתָ֥ (vetsipita) = en bekleed | אֹתָ֖ם (otam) = ze | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:4; Ex 35:13–15; Num 4:44 **27:7** **De draagstokken worden in de ringen gestoken, zodat ze aan de beide zijden van het altaar zitten wanneer het gedragen wordt.** Brontekst: וְהוּבָ֥א (vehuva) = en worden gestoken | אֶת (et) = (obj.) | בַּדָּ֖יו (badav) = zijn draagstokken | בַּטַּבָּעֹ֑ת (batabaot) = in de ringen | וְהָי֣וּ (vehayu) = en zullen zijn | הַבַּדִּ֗ים (habadim) = de draagstokken | עַל (al) = aan | שְׁתֵּ֛י (shetei) = twee | צַלְעֹ֥ת (tsalot) = zijden van | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | בִּשְׂאֵ֥ת (biset) = bij het dragen | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:28; Ex 30:4; Num 4:13–14 **27:8** **Maak het hol, van planken; zoals het je op de berg is getoond, zo moeten zij het maken.** Brontekst: נְב֥וּב (nevuv) = hol | לֻחֹ֖ת (luchot) = van platen | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je maken | אֹת֑וֹ (oto) = het | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | הֶרְאָ֥ה (hera) = getoond werd | אֹתְךָ֛ (otekha) = aan jou | בָּהָ֖ר (bahar) = op de berg | כֵּ֥ן (ken) = zo | יַעֲשֽׂוּ (yaasu) = zullen zij maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het altaar is hol: een kist van planken die met aarde of stenen gevuld kon worden (vergelijk 20:24–25). Zie ook: Ex 25:9; Ex 25:40; 1 Kron 28:11; Kol 2:20–23; Heb 8:5 ### Het voorhof **27:9** **Maak het voorhof van de tabernakel: aan de zuidzijde komen voor het voorhof omhangsels van getweernd fijn linnen, honderd el lang voor die ene zijde.** Brontekst: וְעָשִׂ֕יתָ (veasita) = en maak | אֵ֖ת (et) = (obj.) | חֲצַ֣ר (chatsar) = het voorhof van | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | לִפְאַ֣ת (lifat) = aan de kant van | נֶֽגֶב (negev) = zuid | תֵּ֠ימָנָה (teimana) = rechts | קְלָעִ֨ים (qelaim) = omhangsels | לֶחָצֵ֜ר (lechatser) = voor het voorhof | שֵׁ֣שׁ (shesh) = fijn linnen | מָשְׁזָ֗ר (mashezar) = getweernd | מֵאָ֤ה (mea) = honderd | בָֽאַמָּה֙ (baama) = in el | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | לַפֵּאָ֖ה (lapea) = voor de zijde | הָאֶחָֽת (haechat) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het voorhof is 100 bij 50 el, ongeveer 45 bij 22,5 meter, en wordt omsloten door omhangsels (קְלָעִים, qela‘im) van fijn linnen. Zie ook: Ex 36:17; Ex 38:9–20; Ps 116:19; 1 Kon 6:36; Ezech 40:14 **27:10** **Daarbij horen twintig pilaren met twintig koperen voetstukken. De haken van de pilaren en hun staven zijn van zilver.** Brontekst: וְעַמֻּדָ֣יו (veamudav) = en zijn pilaren | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וְאַדְנֵיהֶ֥ם (veadneihem) = en hun voetstukken | עֶשְׂרִ֖ים (esrim) = twintig | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וָוֵ֧י (vavei) = haken van | הָעַמֻּדִ֛ים (haamudim) = de pilaren | וַחֲשֻׁקֵיהֶ֖ם (vachashuqeihem) = en hun staven | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:19–21; Ex 36:38; Jer 52:21 **27:11** **Zo ook aan de noordzijde, in de lengte: omhangsels, honderd el lang, met twintig pilaren en twintig koperen voetstukken. De haken van de pilaren en hun staven zijn van zilver.** Brontekst: וְכֵ֨ן (vekhen) = en zo | לִפְאַ֤ת (lifat) = aan de kant van | צָפוֹן֙ (tsafon) = noord | בָּאֹ֔רֶךְ (baorekh) = in de lengte | קְלָעִ֖ים (qelaim) = omhangsels | מֵ֣אָה (mea) = honderd | אֹ֑רֶךְ (orekh) = lengte | וְעַמּוּדָ֣יו (veamudav) = en zijn pilaren | עֶשְׂרִ֗ים (esrim) = twintig | וְאַדְנֵיהֶ֤ם (veadneihem) = en hun voetstukken | עֶשְׂרִים֙ (esrim) = twintig | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | וָוֵ֧י (vavei) = haken van | הָֽעַמֻּדִ֛ים (haamudim) = de pilaren | וַחֲשֻׁקֵיהֶ֖ם (vachashuqeihem) = en hun staven | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:12** **De breedte van het voorhof aan de westzijde: omhangsels van vijftig el, met tien pilaren en tien voetstukken.** Brontekst: וְרֹ֤חַב (verochav) = en breedte van | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = het voorhof | לִפְאַת (lifat) = aan de kant van | יָ֔ם (yam) = zee | קְלָעִ֖ים (qelaim) = omhangsels | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אַמָּ֑ה (ama) = el | עַמֻּדֵיהֶ֣ם (amudeihem) = hun pilaren | עֲשָׂרָ֔ה (asara) = tien | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | עֲשָׂרָֽה (asara) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָם (yam), ‘zee’, betekent hier ‘westen’, de richting van de Middellandse Zee. **27:13** **De breedte van het voorhof aan de oostzijde, naar het oosten, is vijftig el.** Brontekst: וְרֹ֣חַב (verochav) = en breedte van | הֶֽחָצֵ֗ר (hechatser) = het voorhof | לִפְאַ֛ת (lifat) = aan de kant van | קֵ֥דְמָה (qedema) = voor | מִזְרָ֖חָה (mizracha) = oostwaarts | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:14** **Vijftien el omhangsels voor de ene zijde van de ingang, met drie pilaren en drie voetstukken,** Brontekst: וַחֲמֵ֨שׁ (vachamesh) = en vijf | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | אַמָּ֛ה (ama) = el | קְלָעִ֖ים (qelaim) = omhangsels | לַכָּתֵ֑ף (lakatef) = voor de zijde | עַמֻּדֵיהֶ֣ם (amudeihem) = hun pilaren | שְׁלֹשָׁ֔ה (shelosha) = drie | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:36; Ex 27:9 **27:15** **en voor de andere zijde vijftien el omhangsels, met drie pilaren en drie voetstukken.** Brontekst: וְלַכָּתֵף֙ (velakatef) = en voor de zijde | הַשֵּׁנִ֔ית (hashenit) = de tweede | חְמֵ֥שׁ (chemesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | קְלָעִ֑ים (qelaim) = omhangsels | עַמֻּדֵיהֶ֣ם (amudeihem) = hun pilaren | שְׁלֹשָׁ֔ה (shelosha) = drie | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:16** **Voor de poort van het voorhof een gordijn van twintig el, van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen, als werk van een borduurder, met vier pilaren en vier voetstukken.** Brontekst: וּלְשַׁ֨עַר (uleshaar) = en voor de poort van | הֶֽחָצֵ֜ר (hechatser) = het voorhof | מָסָ֣ךְ (masakh) = een gordijn | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | אַמָּ֗ה (ama) = el | תְּכֵ֨לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֜ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֧עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֛י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en fijn linnen | מָשְׁזָ֖ר (mashezar) = getweernd | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | רֹקֵ֑ם (roqem) = een borduurder | עַמֻּֽדֵיהֶם֙ (amudeihem) = hun pilaren | אַרְבָּעָ֔ה (arbaa) = vier | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | אַרְבָּעָֽה (arbaa) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De poort van het voorhof is 20 el breed en aan de oostzijde. Zie ook: Ex 26:31; Ex 26:36; Ex 36:37; Re 5:30; Ps 45:15 **27:17** **Alle pilaren rondom het voorhof moeten met zilveren staven verbonden zijn, met zilveren haken en koperen voetstukken.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | עַמּוּדֵ֨י (amudei) = pilaren van | הֶֽחָצֵ֤ר (hechatser) = het voorhof | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | מְחֻשָּׁקִ֣ים (mechushaqim) = verbonden | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וָוֵיהֶ֖ם (vaveihem) = en hun haken | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:18** **De lengte van het voorhof is honderd el, de breedte overal vijftig, en de hoogte vijf el, van getweernd fijn linnen, met koperen voetstukken.** Brontekst: אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הֶֽחָצֵר֩ (hechatser) = het voorhof | מֵאָ֨ה (mea) = honderd | בָֽאַמָּ֜ה (baama) = in el | וְרֹ֣חַב (verochav) = en breedte | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | בַּחֲמִשִּׁ֗ים (bachamishim) = bij vijftig | וְקֹמָ֛ה (veqoma) = en hoogte | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | אַמּ֖וֹת (amot) = el | שֵׁ֣שׁ (shesh) = fijn linnen | מָשְׁזָ֑ר (mashezar) = getweernd | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De uitdrukking ‘vijftig bij vijftig’ betekent: de breedte is overal vijftig el. **27:19** **Alle voorwerpen van de tabernakel voor al zijn diensten, en al zijn tentpinnen en alle tentpinnen van het voorhof, moeten van koper zijn.** Brontekst: לְכֹל֙ (lekhol) = voor alle | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | בְּכֹ֖ל (bekhol) = bij al | עֲבֹדָת֑וֹ (avodato) = zijn dienst | וְכָל (vekhal) = en alle | יְתֵדֹתָ֛יו (yetedotav) = zijn pinnen | וְכָל (vekhal) = en alle | יִתְדֹ֥ת (yitdot) = pinnen van | הֶחָצֵ֖ר (hechatser) = het voorhof | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:3; Ex 38:20; Ex 39:40; Num 4:32; Ezra 9:8 ### De olie voor de lamp **27:20** **Gebied de zonen van Israël dat zij je zuivere, gestampte olijfolie brengen voor het licht, om een lamp voortdurend te laten branden.** Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | תְּצַוֶּ֣ה (tetsave) = zult gebieden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְיִקְח֨וּ (veyiqchu) = dat zij brengen | אֵלֶ֜יךָ (eleikha) = tot jou | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | זַ֥יִת (zayit) = olijf | זָ֛ךְ (zakh) = zuivere | כָּתִ֖ית (katit) = gestampte | לַמָּא֑וֹר (lamaor) = voor het licht | לְהַעֲלֹ֥ת (lehaalot) = om te laten branden | נֵ֖ר (ner) = een lamp | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gestampte (כָּתִית, katit) olie komt van olijven die zijn fijngestampt in plaats van geperst; zij is daardoor het zuiverst. Zie ook Lev. 24:2. Zie ook: Ex 39:37; Lev 24:1–4; Lev 24:2; Re 9:9; Ps 23:5; Zach 4:11–14 **27:21** **In de tent van samenkomst, buiten de voorhang die voor het getuigenis hangt, moeten Aäron en zijn zonen hem verzorgen van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van Yahweh. Dit is een eeuwig voorschrift voor hun generaties, vanwege de zonen van Israël.** Brontekst: בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵד֩ (moed) = samenkomst | מִח֨וּץ (michuts) = buiten | לַפָּרֹ֜כֶת (laparokhet) = de voorhang | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = voor | הָעֵדֻ֗ת (haedut) = het getuigenis | יַעֲרֹךְ֩ (yaarokh) = zal toerichten | אֹת֨וֹ (oto) = het | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | מֵעֶ֥רֶב (meerev) = van avond | עַד (ad) = tot | בֹּ֖קֶר (boqer) = morgen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | חֻקַּ֤ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹ֣רֹתָ֔ם (ledorotam) = voor hun generaties | מֵאֵ֖ת (meet) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹהֶל מוֹעֵד (ohel mo‘ed) is ‘tent van samenkomst’: de plaats waar Yahweh Zich met Israël ontmoet. Zie ook Lev. 24:1–4. Zie ook: Lev 3:17; Lev 16:34; Lev 24:1–4; Num 18:23; Num 19:21; 2 Kron 13:11 ## Exodus 28 _De kleding van de priesters_ ### Aäron en zijn zonen tot priesters **28:1** **Laat Aäron, je broer, tot je naderen, en zijn zonen met hem, uit de zonen van Israël, om Mij als priesters te dienen: Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron.** Brontekst: וְאַתָּ֡ה (veata) = en jij | הַקְרֵ֣ב (haqrev) = laat naderen | אֵלֶיךָ֩ (eleikha) = tot jou | אֶת (et) = (obj.) | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | אָחִ֜יךָ (achikha) = je broer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | מִתּ֛וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְכַהֲנוֹ (lekhahano) = om priester te zijn | לִ֑י (li) = voor Mij | אַהֲרֹ֕ן (aharon) = Aäron | נָדָ֧ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֛וּא (vaavihu) = en Abihu | אֶלְעָזָ֥ר (elazar) = Eleazar | וְאִיתָמָ֖ר (veitamar) = en Itamar | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אַהֲרֹֽן (aharon) = Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron en zijn zonen worden uit het volk genomen als priesters. Nadab en Abihu sterven later (Lev. 10:1–2); Eleazar en Itamar volgen hen op (Num. 3:4). Zie ook: Lev 10:1–2; Num 3:4; Num 17:17–24; Num 18:7; Num 26:61; Deut 10:6; Heb 5:1–5 **28:2** **Maak heilige kleren voor Aäron, je broer, tot eer en tot sieraad.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | בִגְדֵי (bigdei) = kleren van | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | לְאַהֲרֹ֣ן (leaharon) = voor Aäron | אָחִ֑יךָ (achikha) = je broer | לְכָב֖וֹד (lekhavod) = tot eer | וּלְתִפְאָֽרֶת (uletifaret) = en tot sieraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:10; Ex 31:10; Lev 8:30; Heb 7:26; Openb 19:8 **28:3** **Spreek tot alle vakkundige mensen die Ik met een geest van wijsheid heb vervuld. Laat hen de kleren van Aäron maken om hem te heiligen, zodat hij Mij als priester dient.** Brontekst: וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | תְּדַבֵּר֙ (tedaber) = zult spreken | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = alle | חַכְמֵי (chakhmei) = wijzen van | לֵ֔ב (lev) = hart | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מִלֵּאתִ֖יו (miletiv) = Ik heb vervuld | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְעָשׂ֞וּ (veasu) = en zij zullen maken | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֧י (bigdei) = kleren van | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | לְקַדְּשׁ֖וֹ (leqadesho) = om hem te heiligen | לְכַהֲנוֹ (lekhahano) = om priester te zijn | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַכְמֵי־לֵב (chakme-lev), ‘wijzen van hart’, zijn vakkundige mensen, met inzicht en vaardigheid. Zie ook 31:1–6; 35:30–36:1. Zie ook: Ex 31:3–6; Ex 35:35–36:2; Jes 11:2; 1 Kor 12:7–11; Ef 1:17 **28:4** **Dit zijn de kleren die zij moeten maken: een borstplaat, een efod, een mantel, een geruit onderkleed, een tulband en een gordel. Zij moeten heilige kleren maken voor Aäron, je broer, en voor zijn zonen, zodat hij Mij als priester dient.** Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dit zijn | הַבְּגָדִ֜ים (habegadim) = de kleren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יַעֲשׂ֗וּ (yaasu) = zij zullen maken | חֹ֤שֶׁן (choshen) = borstplaat | וְאֵפוֹד֙ (veefod) = en efod | וּמְעִ֔יל (umeil) = en mantel | וּכְתֹ֥נֶת (ukhetonet) = en onderkleed van | תַּשְׁבֵּ֖ץ (tashbets) = geruit weefsel | מִצְנֶ֣פֶת (mitsnefet) = tulband | וְאַבְנֵ֑ט (veavnet) = en gordel | וְעָשׂ֨וּ (veasu) = en zij zullen maken | בִגְדֵי (bigdei) = kleren van | קֹ֜דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | לְאַהֲרֹ֥ן (leaharon) = voor Aäron | אָחִ֛יךָ (achikha) = je broer | וּלְבָנָ֖יו (ulevanav) = en voor zijn zonen | לְכַהֲנוֹ (lekhahano) = om priester te zijn | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹשֶׁן (choshen) is de borstplaat; אֵפוֹד (efod) een schort- of schouderkleed; מְעִיל (me‘il) een mantel; כְּתֹנֶת תַּשְׁבֵּץ (ketonet tashbets) een geruit of geweven onderkleed; מִצְנֶפֶת (mitsnefet) een tulband; אַבְנֵט (avnet) een gordel. Zie ook: Ex 28:39–40; Jes 59:17; 1 Tess 5:8; Ef 6:14; Openb 9:17 **28:5** **Zij moeten goud, blauwpurper, roodpurper, karmozijnrood garen en fijn linnen nemen.** Brontekst: וְהֵם֙ (vehem) = en zij | יִקְח֣וּ (yiqchu) = zullen nemen | אֶת (et) = (obj.) | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתְּכֵ֖לֶת (hatekhelet) = het blauwpurper | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽאַרְגָּמָ֑ן (haargaman) = het roodpurper | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תּוֹלַ֥עַת (tolaat) = de worm van | הַשָּׁנִ֖י (hashani) = het scharlaken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשֵּֽׁשׁ (hashesh) = het fijn linnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:3–4; Ex 39:2–3 ### De efod **28:6** **Zij moeten de efod maken van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen, als werk van een vakman.** Brontekst: וְעָשׂ֖וּ (veasu) = en zij zullen maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵפֹ֑ד (haefod) = de efod | זָ֠הָב (zahav) = goud | תְּכֵ֨לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֜ן (veargaman) = en roodpurper | תּוֹלַ֧עַת (tolaat) = karmozijn | שָׁנִ֛י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en fijn linnen | מָשְׁזָ֖ר (mashezar) = getweernd | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חֹשֵֽׁב (choshev) = een vakman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:1; Ex 39:2–7 **28:7** **Hij krijgt twee schouderstukken die aan zijn beide uiteinden vastzitten, zodat hij verbonden wordt.** Brontekst: שְׁתֵּ֧י (shetei) = twee | כְתֵפֹ֣ת (ketefot) = schouderstukken | חֹֽבְרֹ֗ת (choverot) = verbonden | יִֽהְיֶה (yihye) = zullen zijn | לּ֛וֹ (lo) = aan hem | אֶל (el) = aan | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | קְצוֹתָ֖יו (qetsotav) = zijn uiteinden | וְחֻבָּֽר (vechubar) = zodat hij wordt verbonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 39:4 **28:8** **De kunstig geweven band van zijn efod, die erop zit, moet van hetzelfde werk zijn en eruit voortkomen: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen.** Brontekst: וְחֵ֤שֶׁב (vecheshev) = en de kunstig geweven band van | אֲפֻדָּתוֹ֙ (afudato) = zijn efod | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָלָ֔יו (alav) = op hem | כְּמַעֲשֵׂ֖הוּ (kemaasehu) = gelijk aan zijn werk | מִמֶּ֣נּוּ (mimenu) = uit hem | יִהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | זָהָ֗ב (zahav) = goud | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en fijn linnen | מָשְׁזָֽר (mashezar) = getweernd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵשֶׁב (cheshev) is de kunstig geweven band van de efod. Zie ook: Ex 28:27–28; Ex 29:5; Lev 8:7; 1 Petr 1:13; Openb 1:13 **28:9** **Neem twee onyxstenen en graveer daarin de namen van de zonen van Israël:** Brontekst: וְלָ֣קַחְתָּ֔ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּ֖י (shetei) = twee | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | שֹׁ֑הַם (shoham) = onyx | וּפִתַּחְתָּ֣ (ufitachta) = en graveer | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = op hen | שְׁמ֖וֹת (shemot) = namen van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁהַם (shoham) is een edelsteen, meestal vertaald als ‘onyx’; de zekere betekenis is onbekend. Zie ook: Gen 2:12; Ex 39:6; 2 Kron 2:6; Jes 49:16; Ezech 28:13 **28:10** **zes van hun namen op de ene steen en de namen van de zes overige op de andere steen, in de volgorde van hun geboorte.** Brontekst: שִׁשָּׁה֙ (shisha) = zes | מִשְּׁמֹתָ֔ם (mishemotam) = van hun namen | עַ֖ל (al) = op | הָאֶ֣בֶן (haeven) = de steen | הָאֶחָ֑ת (haechat) = de ene | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁמ֞וֹת (shemot) = namen van | הַשִּׁשָּׁ֧ה (hashisha) = de zes | הַנּוֹתָרִ֛ים (hanotarim) = overgeblevenen | עַל (al) = op | הָאֶ֥בֶן (haeven) = de steen | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | כְּתוֹלְדֹתָֽם (ketoledotam) = volgens hun geboorte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:33; Ex 1:1–4 **28:11** **Als werk van een steensnijder, als gravures van een zegel, moet je de twee stenen graveren met de namen van de zonen van Israël. Zet ze vast in gouden kassen.** Brontekst: מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | חָרַשׁ֮ (charash) = een bewerker van | אֶבֶן֒ (even) = steen | פִּתּוּחֵ֣י (pituchei) = gravures van | חֹתָ֗ם (chotam) = zegel | תְּפַתַּח֙ (tefatach) = zul je graveren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = de twee | הָאֲבָנִ֔ים (haavanim) = stenen | עַל (al) = over | שְׁמֹ֖ת (shemot) = namen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מֻסַבֹּ֛ת (musabot) = omgeven | מִשְׁבְּצ֥וֹת (mishbetsot) = met kassen van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:13–14; Ex 28:21; Ex 39:6; Zach 3:9; Openb 7:2 **28:12** **Zet de twee stenen op de schouderstukken van de efod als gedachtenisstenen voor de zonen van Israël. Aäron draagt hun namen voor het aangezicht van Yahweh op zijn twee schouders, tot gedachtenis.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֞ (vesamta) = en zet | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = de twee | הָאֲבָנִ֗ים (haavanim) = stenen | עַ֚ל (al) = op | כִּתְפֹ֣ת (kitfot) = schouderstukken van | הָֽאֵפֹ֔ד (haefod) = de efod | אַבְנֵ֥י (avnei) = stenen van | זִכָּרֹ֖ן (zikaron) = gedachtenis | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְנָשָׂא֩ (venasa) = en zal dragen | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמוֹתָ֜ם (shemotam) = hun namen | לִפְנֵ֧י (lifnei) = voor | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | כְתֵפָ֖יו (ketefav) = zijn schouders | לְזִכָּרֹֽן (lezikaron) = tot gedachtenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de stammen worden op de schouders van de priester gedragen: Aäron draagt Israël voor Yahweh. Zie ook: Ex 28:29; Ex 39:6–7; Num 31:54; Joz 4:7; Jes 9:5 **28:13** **Maak ook gouden kassen** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | מִשְׁבְּצֹ֖ת (mishbetsot) = kassen van | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:14** **en twee kettingen van zuiver goud; als gevlochten koordwerk moet je ze maken, en bevestig de gevlochten kettingen aan de kassen.** Brontekst: וּשְׁתֵּ֤י (ushtei) = en twee | שַׁרְשְׁרֹת֙ (sharsherot) = kettingen van | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֔וֹר (tahor) = zuiver | מִגְבָּלֹ֛ת (migbalot) = gevlochten | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתָ֖ם (otam) = ze | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | עֲבֹ֑ת (avot) = koord | וְנָתַתָּ֛ה (venatata) = en bevestig | אֶת (et) = (obj.) | שַׁרְשְׁרֹ֥ת (sharsherot) = kettingen | הָעֲבֹתֹ֖ת (haavotot) = de gevlochten | עַל (al) = aan | הַֽמִּשְׁבְּצֹֽת (hamishbetsot) = de kassen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:22–25; Ex 39:17–18; 1 Kon 7:17; 2 Kon 25:17; 2 Kron 4:12–13 ### De borstplaat van het oordeel **28:15** **Maak de borstplaat van het oordeel, als werk van een vakman. Maak hem zoals het werk van de efod: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen.** Brontekst: וְעָשִׂ֜יתָ (veasita) = en maak | חֹ֤שֶׁן (choshen) = borstplaat van | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = oordeel | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | חֹשֵׁ֔ב (choshev) = een vakman | כְּמַעֲשֵׂ֥ה (kemaase) = zoals het werk van | אֵפֹ֖ד (efod) = efod | תַּעֲשֶׂ֑נּוּ (taasenu) = zul je hem maken | זָ֠הָב (zahav) = goud | תְּכֵ֨לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֜ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֧עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֛י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en fijn linnen | מָשְׁזָ֖ר (mashezar) = getweernd | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹשֶׁן מִשְׁפָּט (choshen mishpat), ‘borstplaat van het oordeel’: de plaats waarin de Urim en Tummim liggen (vers 30). Zie ook: Ex 26:1; Ex 28:6; Ex 28:30; Ex 39:8–21; Lev 8:8 **28:16** **Hij moet vierkant zijn, dubbelgevouwen, een span lang en een span breed.** Brontekst: רָב֥וּעַ (ravua) = vierkant | יִֽהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | כָּפ֑וּל (kaful) = dubbelgevouwen | זֶ֥רֶת (zeret) = een span | אָרְכּ֖וֹ (arko) = zijn lengte | וְזֶ֥רֶת (vezeret) = en een span | רָחְבּֽוֹ (rachbo) = zijn breedte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een span (זֶרֶת, zeret) is de afstand van duim tot pink, ongeveer 22 cm. **28:17** **Bezet hem met vier rijen stenen: de eerste rij een karneool, een topaas en een smaragd;** Brontekst: וּמִלֵּאתָ֥ (umileta) = en bezet | בוֹ֙ (bo) = daarin | מִלֻּ֣אַת (miluat) = bezetting van | אֶ֔בֶן (even) = steen | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | טוּרִ֣ים (turim) = rijen | אָ֑בֶן (aven) = steen | ט֗וּר (tur) = rij | אֹ֤דֶם (odem) = karneool | פִּטְדָה֙ (pitda) = topaas | וּבָרֶ֔קֶת (uvareqet) = en smaragd | הַטּ֖וּר (hatur) = de rij | הָאֶחָֽד (haechad) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de twaalf stenen zijn niet allemaal zeker te herkennen. Wij geven de gangbare vertaling: אֹדֶם (odem) karneool, פִּטְדָה (pitdah) topaas, בָּרֶקֶת (bareqet) smaragd; נֹפֶךְ (nofek) turkoois, סַפִּיר (sappir) saffier, יָהֲלֹם (yahalom) diamant; לֶשֶׁם (leshem) hyacint, שְׁבוֹ (shevo) agaat, אַחְלָמָה (achlamah) amethist; תַּרְשִׁישׁ (tarshish) chrysoliet, שֹׁהַם (shoham) onyx, יָשְׁפֵה (yashpeh) jaspis. Openb. 21:19–20 noemt een verwante reeks edelstenen als funderingen van het nieuwe Jeruzalem. Zie ook: Ex 39:10–21; Spr 8:11; Klaagl 4:7; Ezech 28:13; Openb 21:19–21 **28:18** **de tweede rij een turkoois, een saffier en een diamant;** Brontekst: וְהַטּ֖וּר (vehatur) = en de rij | הַשֵּׁנִ֑י (hasheni) = de tweede | נֹ֥פֶךְ (nofekh) = turkoois | סַפִּ֖יר (sapir) = saffier | וְיָהֲלֹֽם (veyahalom) = en diamant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:16; Ex 24:10; Ex 39:11; Jer 17:1; Ezech 27:16 **28:19** **de derde rij een hyacint, een agaat en een amethist;** Brontekst: וְהַטּ֖וּר (vehatur) = en de rij | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = de derde | לֶ֥שֶׁם (leshem) = hyacint | שְׁב֖וֹ (shevo) = agaat | וְאַחְלָֽמָה (veachlama) = en amethist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 39:12; Jes 54:12 **28:20** **de vierde rij een chrysoliet, een onyx en een jaspis; ze moeten in gouden kassen gezet worden.** Brontekst: וְהַטּוּר֙ (vehatur) = en de rij | הָרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | תַּרְשִׁ֥ישׁ (tarshish) = chrysoliet | וְשֹׁ֖הַם (veshoham) = en onyx | וְיָשְׁפֵ֑ה (veyashefe) = en jaspis | מְשֻׁבָּצִ֥ים (meshubatsim) = omgeven door kassen | זָהָ֛ב (zahav) = goud | יִהְי֖וּ (yihyu) = zullen zijn | בְּמִלּוּאֹתָֽם (bemiluotam) = in hun inzetting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 10:9; Dan 10:6; Openb 4:3; Openb 21:11; Openb 21:18–20 **28:21** **De stenen moeten overeenkomen met de namen van de zonen van Israël, twaalf, naar hun namen; als zegelgravures, ieder met zijn eigen naam, voor de twaalf stammen.** Brontekst: וְ֠הָאֲבָנִים (vehaavanim) = en de stenen | תִּֽהְיֶ֜יןָ (tihyeina) = zullen zijn | עַל (al) = volgens | שְׁמֹ֧ת (shemot) = namen van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | עַל (al) = volgens | שְׁמֹתָ֑ם (shemotam) = hun namen | פִּתּוּחֵ֤י (pituchei) = gravures van | חוֹתָם֙ (chotam) = zegel | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | עַל (al) = volgens | שְׁמ֔וֹ (shemo) = zijn naam | תִּֽהְיֶ֕יןָ (tihyeina) = zullen zijn | לִשְׁנֵ֥י (lishnei) = voor twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | שָֽׁבֶט (shavet) = stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 18:31; Luc 22:30; Jak 1:1; Openb 7:4–8; Openb 21:12 **28:22** **Maak op de borstplaat kettingen van gevlochten koordwerk van zuiver goud.** Brontekst: וְעָשִׂ֧יתָ (veasita) = en maak | עַל (al) = op | הַחֹ֛שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | שַֽׁרְשֹׁ֥ת (sharshot) = kettingen | גַּבְלֻ֖ת (gavlut) = gevlochten | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | עֲבֹ֑ת (avot) = koord | זָהָ֖ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:23** **Maak op de borstplaat twee gouden ringen en bevestig de twee ringen aan de twee uiteinden van de borstplaat.** Brontekst: וְעָשִׂ֨יתָ֙ (veasita) = en maak | עַל (al) = op | הַחֹ֔שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | שְׁתֵּ֖י (shetei) = twee | טַבְּע֣וֹת (tabeot) = ringen van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְנָתַתָּ֗ (venatata) = en bevestig | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | הַטַּבָּע֔וֹת (hatabaot) = de ringen | עַל (al) = aan | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | קְצ֥וֹת (qetsot) = uiteinden van | הַחֹֽשֶׁן (hachoshen) = de borstplaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:11–15 **28:24** **Bevestig de twee gouden koorden aan de twee ringen aan de uiteinden van de borstplaat.** Brontekst: וְנָתַתָּ֗ה (venatata) = en bevestig | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | עֲבֹתֹ֣ת (avotot) = koorden van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | עַל (al) = aan | שְׁתֵּ֖י (shetei) = twee | הַטַּבָּעֹ֑ת (hatabaot) = de ringen | אֶל (el) = aan | קְצ֖וֹת (qetsot) = uiteinden van | הַחֹֽשֶׁן (hachoshen) = de borstplaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:25** **De twee uiteinden van de twee koorden bevestig je aan de twee kassen, en zo bevestig je ze aan de schouderstukken van de efod, aan de voorkant.** Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֤י (shetei) = twee | קְצוֹת֙ (qetsot) = uiteinden van | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הָעֲבֹתֹ֔ת (haavotot) = de koorden | תִּתֵּ֖ן (titen) = zul je bevestigen | עַל (al) = aan | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַֽמִּשְׁבְּצ֑וֹת (hamishbetsot) = de kassen | וְנָתַתָּ֛ה (venatata) = en bevestig | עַל (al) = aan | כִּתְפ֥וֹת (kitfot) = schouderstukken van | הָאֵפֹ֖ד (haefod) = de efod | אֶל (el) = naar | מ֥וּל (mul) = de voorkant van | פָּנָֽיו (panav) = zijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:14; Ex 39:4; Ex 39:15 **28:26** **Maak twee gouden ringen en zet ze aan de twee uiteinden van de borstplaat, aan de binnenrand die naar de efod gekeerd is.** Brontekst: וְעָשִׂ֗יתָ (veasita) = en maak | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | טַבְּע֣וֹת (tabeot) = ringen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וְשַׂמְתָּ֣ (vesamta) = en zet | אֹתָ֔ם (otam) = ze | עַל (al) = aan | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | קְצ֣וֹת (qetsot) = uiteinden van | הַחֹ֑שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | עַל (al) = aan | שְׂפָת֕וֹ (sefato) = zijn rand | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אֶל (el) = naar | עֵ֥בֶר (ever) = de kant van | הָאֵפֹ֖ד (haefod) = de efod | בָּֽיְתָה (bayeta) = naar binnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:27** **Maak nog twee gouden ringen en bevestig ze aan de twee schouderstukken van de efod, onderaan, aan de voorkant, bij zijn verbinding, boven de kunstig geweven band van de efod.** Brontekst: וְעָשִׂיתָ֮ (veasita) = en maak | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | טַבְּע֣וֹת (tabeot) = ringen van | זָהָב֒ (zahav) = goud | וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en bevestig | אֹתָ֡ם (otam) = ze | עַל (al) = aan | שְׁתֵּי֩ (shetei) = twee | כִתְפ֨וֹת (kitfot) = schouderstukken van | הָאֵפ֤וֹד (haefod) = de efod | מִלְּמַ֨טָּה֙ (milemata) = van beneden | מִמּ֣וּל (mimul) = tegenover | פָּנָ֔יו (panav) = zijn voorkant | לְעֻמַּ֖ת (leumat) = tegenover | מֶחְבַּרְתּ֑וֹ (mechbarto) = zijn verbinding | מִמַּ֕עַל (mimaal) = van boven | לְחֵ֖שֶׁב (lecheshev) = de band van | הָאֵפֽוֹד (haefod) = de efod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:28** **Zij moeten de borstplaat met zijn ringen vastbinden aan de ringen van de efod met een koord van blauwpurper, zodat hij boven op de kunstig geweven band van de efod blijft en niet van de efod losraakt.** Brontekst: וְיִרְכְּס֣וּ (veyirkesu) = en zij zullen binden | אֶת (et) = (obj.) | הַ֠חֹשֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | מִֽטַּבְּעֹתָ֞יו (mitabeotav) = met zijn ringen | אֶל (el) = aan | טַבְּעֹ֤ת (tabeot) = ringen van | הָאֵפֹד֙ (haefod) = de efod | בִּפְתִ֣יל (biftil) = met een koord van | תְּכֵ֔לֶת (tekhelet) = blauwpurper | לִֽהְי֖וֹת (lihyot) = zodat hij blijft | עַל (al) = op | חֵ֣שֶׁב (cheshev) = de band van | הָאֵפ֑וֹד (haefod) = de efod | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִזַּ֣ח (yizach) = losraakt | הַחֹ֔שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | מֵעַ֖ל (meal) = van op | הָאֵפֽוֹד (haefod) = de efod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:31; Ex 28:37; Ex 39:30–31; Num 15:38 **28:29** **Aäron draagt de namen van de zonen van Israël op de borstplaat van het oordeel, op zijn hart, wanneer hij het heiligdom binnengaat, tot gedachtenis voor het aangezicht van Yahweh, voortdurend.** Brontekst: וְנָשָׂ֣א (venasa) = en zal dragen | אַ֠הֲרֹן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֨וֹת (shemot) = namen van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | בְּחֹ֧שֶׁן (bechoshen) = op de borstplaat van | הַמִּשְׁפָּ֛ט (hamishpat) = het oordeel | עַל (al) = op | לִבּ֖וֹ (libo) = zijn hart | בְּבֹא֣וֹ (bevoo) = bij zijn binnenkomen | אֶל (el) = in | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | לְזִכָּרֹ֥ן (lezikaron) = tot gedachtenis | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:12; Ex 28:30; Jes 49:15–16; Jer 30:21; Rom 10:1 **28:30** **Doe in de borstplaat van het oordeel de Urim en de Tummim; ze zullen op het hart van Aäron zijn wanneer hij voor het aangezicht van Yahweh komt. Zo draagt Aäron het oordeel over de zonen van Israël voortdurend op zijn hart voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְנָתַתָּ֞ (venatata) = en doe | אֶל (el) = in | חֹ֣שֶׁן (choshen) = de borstplaat van | הַמִּשְׁפָּ֗ט (hamishpat) = het oordeel | אֶת (et) = (obj.) | הָאוּרִים֙ (haurim) = de Urim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתֻּמִּ֔ים (hatumim) = de Tummim | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zij zullen zijn | עַל (al) = op | לֵ֣ב (lev) = het hart van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | בְּבֹא֖וֹ (bevoo) = bij zijn binnenkomen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָשָׂ֣א (venasa) = en zal dragen | אַ֠הֲרֹן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֨ט (mishpat) = het oordeel van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | עַל (al) = op | לִבּ֛וֹ (libo) = zijn hart | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאוּרִים וְהַתֻּמִּים (ha'urim wehatummim), ‘de Urim en de Tummim’, zijn voorwerpen waarmee de wil van Yahweh werd gevraagd. Hoe ze eruitzagen, wordt niet gezegd. Zie ook Num. 27:21; 1 Sam. 28:6. Zie ook: Lev 8:8; Num 27:21; Deut 33:8; 1 Sam 28:6; Ezra 2:63; Neh 7:65 ### De mantel **28:31** **Maak de mantel van de efod geheel van blauwpurper.** Brontekst: וְעָשִׂ֛יתָ (veasita) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | מְעִ֥יל (meil) = mantel van | הָאֵפ֖וֹד (haefod) = de efod | כְּלִ֥יל (kelil) = geheel | תְּכֵֽלֶת (tekhelet) = blauwpurper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:4; Ex 28:28; Ex 39:22–26; Lev 8:7 **28:32** **In het midden moet een hoofdopening zijn, met rondom die opening een geweven rand, als de opening van een pantserhemd, zodat hij niet scheurt.** Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | פִֽי (pi) = opening van | רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn hoofd | בְּתוֹכ֑וֹ (betokho) = in zijn midden | שָׂפָ֡ה (safa) = een rand | יִֽהְיֶה֩ (yihye) = zal zijn | לְפִ֨יו (lefiv) = om zijn opening | סָבִ֜יב (saviv) = rondom | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | אֹרֵ֗ג (oreg) = een wever | כְּפִ֥י (kefi) = als de opening van | תַחְרָ֛א (tachra) = een pantser | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לּ֖וֹ (lo) = voor hem | לֹ֥א (lo) = niet | יִקָּרֵֽעַ (yiqarea) = zal scheuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְרָא (tachra) is waarschijnlijk een pantserhemd of een soort lijfkleed; de betekenis is niet zeker. Zie ook: Job 41:18; Ex 39:28; 2 Kron 26:14; Neh 4:10; Joh 19:23–24 **28:33** **Maak aan zijn zoom granaatappels van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen, rondom aan zijn zoom, en gouden belletjes daartussen, rondom:** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | עַל (al) = op | שׁוּלָ֗יו (shulav) = zijn zomen | רִמֹּנֵי֙ (rimonei) = granaatappels van | תְּכֵ֤לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָן֙ (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֣עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֔י (shani) = scharlaken | עַל (al) = op | שׁוּלָ֖יו (shulav) = zijn zomen | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וּפַעֲמֹנֵ֥י (ufaamonei) = en belletjes van | זָהָ֛ב (zahav) = goud | בְּתוֹכָ֖ם (betokham) = tussen hen | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Granaatappels en belletjes rondom de zoom: de belletjes laten horen dat de priester binnengaat (vers 35). Zie ook: Ex 28:35; Ex 39:24–26; 1 Kon 7:18; 2 Kon 25:17; Zach 14:20 **28:34** **een gouden belletje en een granaatappel, een gouden belletje en een granaatappel, rondom aan de zoom van de mantel.** Brontekst: פַּעֲמֹ֤ן (paamon) = belletje | זָהָב֙ (zahav) = goud | וְרִמּ֔וֹן (verimon) = en granaatappel | פַּֽעֲמֹ֥ן (paamon) = belletje | זָהָ֖ב (zahav) = goud | וְרִמּ֑וֹן (verimon) = en granaatappel | עַל (al) = op | שׁוּלֵ֥י (shulei) = zomen van | הַמְּעִ֖יל (hameil) = de mantel | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hoogl 4:3; Hoogl 6:11; Joh 15:4–8; Joh 15:16; Kol 1:5–6 **28:35** **Aäron moet hem dragen wanneer hij dient. Dan wordt zijn geluid gehoord wanneer hij het heiligdom binnengaat voor het aangezicht van Yahweh en wanneer hij naar buiten komt, zodat hij niet sterft.** Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | עַֽל (al) = op | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לְשָׁרֵ֑ת (lesharet) = om te dienen | וְנִשְׁמַ֣ע (venishma) = en gehoord wordt | ק֠וֹלוֹ (qolo) = zijn geluid | בְּבֹא֨וֹ (bevoo) = bij zijn binnenkomen | אֶל (el) = in | הַקֹּ֜דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | לִפְנֵ֧י (lifnei) = voor | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְצֵאת֖וֹ (uvetseto) = en bij zijn uitgaan | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָמֽוּת (yamut) = sterft hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:2; Heb 9:12 ### De gouden plaat **28:36** **Maak een plaat van zuiver goud en graveer daarin, als zegelgravure: ‘Heilig voor Yahweh.’** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | צִּ֖יץ (tsits) = plaat van | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | וּפִתַּחְתָּ֤ (ufitachta) = en graveer | עָלָיו֙ (alav) = op haar | פִּתּוּחֵ֣י (pituchei) = gravures van | חֹתָ֔ם (chotam) = zegel | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִיץ (tsits) is een gouden plaat of diadeem; het opschrift ‘Heilig voor Yahweh’ staat op het voorhoofd van de hogepriester. Zie ook: Ex 39:30; Lev 8:9; Lev 19:2; Zach 14:20; 1 Petr 2:9 **28:37** **Bevestig hem aan een koord van blauwpurper; het moet op de tulband zitten, aan de voorkant van de tulband.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֤ (vesamta) = en zet | אֹתוֹ֙ (oto) = haar | עַל (al) = aan | פְּתִ֣יל (petil) = koord van | תְּכֵ֔לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en zal zijn | עַל (al) = op | הַמִּצְנָ֑פֶת (hamitsnafet) = de tulband | אֶל (el) = naar | מ֥וּל (mul) = de voorkant van | פְּנֵֽי (penei) = gezicht van | הַמִּצְנֶ֖פֶת (hamitsnefet) = de tulband | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:4; Ex 28:31; Ex 29:6; Ex 39:30–31; Lev 8:9 **28:38** **Hij moet op het voorhoofd van Aäron zitten. Aäron draagt de schuld die aan de heilige gaven kleeft die de zonen van Israël heiligen, bij al hun heilige geschenken. Hij moet voortdurend op zijn voorhoofd zijn, tot welgevallen voor hen voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְהָיָה֮ (vehaya) = en zal zijn | עַל (al) = op | מֵ֣צַח (metsach) = het voorhoofd van | אַהֲרֹן֒ (aharon) = Aäron | וְנָשָׂ֨א (venasa) = en zal dragen | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | הַקֳּדָשִׁ֗ים (haqodashim) = de heilige gaven | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יַקְדִּ֨ישׁוּ֙ (yaqdishu) = heiligen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְכָֽל (lekhal) = bij alle | מַתְּנֹ֖ת (matenot) = gaven van | קָדְשֵׁיהֶ֑ם (qadesheihem) = hun heilige dingen | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | עַל (al) = op | מִצְחוֹ֙ (mitscho) = zijn voorhoofd | תָּמִ֔יד (tamid) = voortdurend | לְרָצ֥וֹן (leratson) = tot welgevallen | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De plaat op het voorhoofd draagt de schuld die bij de heilige gaven kan ontstaan, zodat de gaven aanvaard worden. Zie ook: Lev 10:17; Num 18:1; Joh 1:29; 1 Petr 2:24; Heb 9:28 ### Onderkleed, tulband en gordel **28:39** **Weef het onderkleed geruit van fijn linnen, maak een tulband van fijn linnen, en maak een gordel als werk van een borduurder.** Brontekst: וְשִׁבַּצְתָּ֙ (veshibatsta) = en weef geruit | הַכְּתֹ֣נֶת (haketonet) = het onderkleed | שֵׁ֔שׁ (shesh) = fijn linnen | וְעָשִׂ֖יתָ (veasita) = en maak | מִצְנֶ֣פֶת (mitsnefet) = een tulband | שֵׁ֑שׁ (shesh) = fijn linnen | וְאַבְנֵ֥ט (veavnet) = en een gordel | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je maken | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | רֹקֵֽם (roqem) = een borduurder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 45:15 **28:40** **Voor de zonen van Aäron moet je onderkleden maken, en gordels en hoofdbanden voor hen maken, tot eer en tot sieraad.** Brontekst: וְלִבְנֵ֤י (velivnei) = en voor de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je maken | כֻתֳּנֹ֔ת (kutonot) = onderkleden | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | אַבְנֵטִ֑ים (avnetim) = gordels | וּמִגְבָּעוֹת֙ (umigbaot) = en hoofdbanden | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je maken | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | לְכָב֖וֹד (lekhavod) = tot eer | וּלְתִפְאָֽרֶת (uletifaret) = en tot sieraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:2; Ex 28:4; Ex 29:9; Ex 39:41; Ezech 44:17–18 **28:41** **Kleed daarmee Aäron, je broer, en zijn zonen met hem. Zalf hen, wijd hen in en heilig hen, zodat zij Mij als priesters dienen.** Brontekst: וְהִלְבַּשְׁתָּ֤ (vehilbashta) = en kleed | אֹתָם֙ (otam) = hen | אֶת (et) = (obj.) | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | אָחִ֔יךָ (achikha) = je broer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וּמָשַׁחְתָּ֨ (umashachta) = en zalf | אֹתָ֜ם (otam) = hen | וּמִלֵּאתָ֧ (umileta) = en vul | אֶת (et) = (obj.) | יָדָ֛ם (yadam) = hun hand | וְקִדַּשְׁתָּ֥ (veqidashta) = en heilig | אֹתָ֖ם (otam) = hen | וְכִהֲנ֥וּ (vekhihanu) = en zij zullen priester zijn | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמִלֵּאתָ אֶת־יָדָם (umillita et-yadam), letterlijk ‘vul hun hand’, betekent ‘wijd hen in’: het ambt wordt hun in de hand gelegd. Zie Lev. 8. Zie ook: Ex 29:7; Ex 29:9; Ex 40:15; Lev 8:1–36; Lev 10:7 ### Onderbroeken **28:42** **Maak voor hen linnen onderbroeken om hun naaktheid te bedekken; ze moeten reiken van de heupen tot de dijen.** Brontekst: וַעֲשֵׂ֤ה (vaase) = en maak | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | מִכְנְסֵי (mikhnesei) = onderbroeken van | בָ֔ד (bad) = linnen | לְכַסּ֖וֹת (lekhasot) = om te bedekken | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | עֶרְוָ֑ה (erva) = naaktheid | מִמָּתְנַ֥יִם (mimatenayim) = van de heupen | וְעַד (vead) = en tot | יְרֵכַ֖יִם (yerekhayim) = dijen | יִהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Linnen onderbroeken: zie ook 20:26, waar naaktheid bij het altaar wordt vermeden. Zie ook: Ex 39:28; Lev 6:3; Lev 16:4; Ezech 44:18; Openb 3:18 **28:43** **Aäron en zijn zonen moeten ze dragen wanneer zij de tent van samenkomst binnengaan of het altaar naderen om in het heiligdom te dienen, zodat zij geen schuld op zich laden en sterven. Dit is een eeuwig voorschrift voor hem en voor zijn nageslacht na hem.** Brontekst: וְהָיוּ֩ (vehayu) = en zullen zijn | עַל (al) = op | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | וְעַל (veal) = en op | בָּנָ֜יו (banav) = zijn zonen | בְּבֹאָ֣ם (bevoam) = bij hun binnenkomen | אֶל (el) = in | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֗ד (moed) = samenkomst | א֣וֹ (o) = of | בְגִשְׁתָּ֤ם (begishtam) = bij hun naderen | אֶל (el) = tot | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | לְשָׁרֵ֣ת (lesharet) = om te dienen | בַּקֹּ֔דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | וְלֹא (velo) = en niet | יִשְׂא֥וּ (yisu) = dragen zij | עָוֺ֖ן (avon) = schuld | וָמֵ֑תוּ (vametu) = en sterven zij | חֻקַּ֥ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָ֛ם (olam) = eeuwigheid | ל֖וֹ (lo) = voor hem | וּלְזַרְע֥וֹ (ulezaro) = en voor zijn nageslacht | אַחֲרָֽיו (acharav) = na hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Lev. 8; 16:4. Zie ook: Ex 20:26; Ex 27:21; Lev 5:17; Lev 22:9; Num 18:22 ## Exodus 29 _De wijding van de priesters en het dagelijkse offer_ ### De wijding van Aäron en zijn zonen **29:1** **Dit moet je met hen doen om hen te heiligen, zodat zij Mij als priesters dienen: neem één jonge stier en twee rammen, zonder gebrek,** Brontekst: וְזֶ֨ה (veze) = en dit is | הַדָּבָ֜ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶֽׁר (asher) = die | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult doen | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | לְקַדֵּ֥שׁ (leqadesh) = om te heiligen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | לְכַהֵ֣ן (lekhahen) = om priester te zijn | לִ֑י (li) = voor Mij | לְ֠קַח (leqach) = neem | פַּ֣ר (par) = een stier | אֶחָ֧ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֛ר (baqar) = rund | וְאֵילִ֥ם (veeilim) = en rammen | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wijding duurt zeven dagen (vers 35; zie ook Lev. 8). De priesters worden gewassen, gekleed, gezalfd en ingewijd met offers. Zie ook: Ex 29:21; Ex 29:35; Lev 5:15–16; Lev 5:25; Mat 6:9; 1 Petr 1:19 **29:2** **en ongezuurd brood, ongezuurde koeken, met olie gekneed, en ongezuurde wafels, met olie bestreken; van fijn tarwemeel moet je ze maken.** Brontekst: וְלֶ֣חֶם (velechem) = en brood van | מַצּ֗וֹת (matsot) = ongezuurd | וְחַלֹּ֤ת (vechalot) = en koeken van | מַצֹּת֙ (matsot) = ongezuurd | בְּלוּלֹ֣ת (belulot) = gekneed | בַּשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | וּרְקִיקֵ֥י (ureqiqei) = en wafels van | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurd | מְשֻׁחִ֣ים (meshuchim) = bestreken | בַּשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | סֹ֥לֶת (solet) = meel van | חִטִּ֖ים (chitim) = tarwe | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:8; Lev 2:4–5; Lev 7:10; Num 6:15; 1 Kor 5:7 **29:3** **Leg ze in één mand en breng ze in de mand voor, samen met de stier en de twee rammen.** Brontekst: וְנָתַתָּ֤ (venatata) = en leg | אוֹתָם֙ (otam) = ze | עַל (al) = in | סַ֣ל (sal) = een mand | אֶחָ֔ד (echad) = één | וְהִקְרַבְתָּ֥ (vehiqravta) = en breng voor | אֹתָ֖ם (otam) = ze | בַּסָּ֑ל (basal) = in de mand | וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | הַפָּ֔ר (hapar) = de stier | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הָאֵילִֽם (haeilim) = de rammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:2; Lev 8:26; Lev 8:31; Num 6:17 **29:4** **Aäron en zijn zonen moet je bij de ingang van de tent van samenkomst laten komen, en je moet hen met water wassen.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | תַּקְרִ֔יב (taqriv) = zul je laten naderen | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְרָחַצְתָּ֥ (verachatsta) = en was | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בַּמָּֽיִם (bamayim) = met water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:12; Lev 14:8; Ezech 36:25; 1 Petr 3:21; Heb 10:22 **29:5** **Neem de kleren en kleed Aäron met het onderkleed, de mantel van de efod, de efod en de borstplaat, en omgord hem met de kunstig geweven band van de efod.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּגָדִ֗ים (habegadim) = de kleren | וְהִלְבַּשְׁתָּ֤ (vehilbashta) = en kleed | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַכֻּתֹּ֔נֶת (hakutonet) = het onderkleed | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מְעִ֣יל (meil) = mantel van | הָאֵפֹ֔ד (haefod) = de efod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֵפֹ֖ד (haefod) = de efod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֹ֑שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | וְאָפַדְתָּ֣ (veafadta) = en omgord | ל֔וֹ (lo) = hem | בְּחֵ֖שֶׁב (becheshev) = met de band van | הָאֵפֹֽד (haefod) = de efod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָפַדְתָּ (we'afadta), ‘en omgord hem’: de efod wordt als een schort om het lichaam gebonden. Zie ook: Ex 28:2–8; Lev 8:7–8 **29:6** **Zet de tulband op zijn hoofd en doe de heilige kroon op de tulband.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֥ (vesamta) = en zet | הַמִּצְנֶ֖פֶת (hamitsnefet) = de tulband | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְנָתַתָּ֛ (venatata) = en doe | אֶת (et) = (obj.) | נֵ֥זֶר (nezer) = kroon van | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | עַל (al) = op | הַמִּצְנָֽפֶת (hamitsnafet) = de tulband Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵזֶר הַקֹּדֶשׁ (nezer haqodesh), ‘heilige kroon’, is de gouden plaat uit 28:36–38 die op de tulband zit. Zie ook: Ex 28:36–39; Lev 8:9 **29:7** **Neem de zalfolie, giet haar op zijn hoofd en zalf hem.** Brontekst: וְלָֽקַחְתָּ֙ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וְיָצַקְתָּ֖ (veyatsaqta) = en giet | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וּמָשַׁחְתָּ֖ (umashachta) = en zalf | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:41; Lev 21:10; Num 35:25; Ps 89:21; Ps 133:2 **29:8** **Zijn zonen moet je laten naderen en met onderkleden kleden.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | תַּקְרִ֑יב (taqriv) = zul je laten naderen | וְהִלְבַּשְׁתָּ֖ם (vehilbashtam) = en kleed hen | כֻּתֳּנֹֽת (kutonot) = onderkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:40; Lev 8:13 **29:9** **Omgord Aäron en zijn zonen met een gordel en bind hun hoofdbanden om; dan hebben zij het priesterschap als eeuwig voorschrift. Zo wijd je Aäron en zijn zonen in.** Brontekst: וְחָגַרְתָּ֩ (vechagarta) = en omgord | אֹתָ֨ם (otam) = hen | אַבְנֵ֜ט (avnet) = gordel | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֗יו (uvanav) = en zijn zonen | וְחָבַשְׁתָּ֤ (vechavashta) = en bind om | לָהֶם֙ (lahem) = hen | מִגְבָּעֹ֔ת (migbaot) = hoofdband | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal zijn | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | כְּהֻנָּ֖ה (kehuna) = het priesterschap | לְחֻקַּ֣ת (lechuqat) = tot een voorschrift van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | וּמִלֵּאתָ֥ (umileta) = en vul | יַֽד (yad) = hand van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְיַד (veyad) = en hand van | בָּנָֽיו (banav) = zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֵּאתָ יָד (mille yad), ‘de hand vullen’, betekent ‘inwijden’; zie 28:41. Zie ook: Lev 8:22–28; Lev 8:33; Num 16:10; Num 18:7; Deut 18:5 ### De stier als zondoffer **29:10** **Breng de stier voor de tent van samenkomst, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de stier leggen.** Brontekst: וְהִקְרַבְתָּ֙ (vehiqravta) = en breng | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֔ר (hapar) = de stier | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְסָמַ֨ךְ (vesamakh) = en leg | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = kop van | הַפָּֽר (hapar) = de stier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:15; Ex 29:19; Lev 1:4; Lev 8:14; Lev 16:21 **29:11** **Slacht de stier voor het aangezicht van Yahweh, bij de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וְשָׁחַטְתָּ֥ (veshachatta) = en slacht | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֖ר (hapar) = de stier | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:4; Lev 1:3–5; Lev 8:15; Lev 9:8; Lev 9:12 **29:12** **Neem van het bloed van de stier en doe het met je vinger op de hoorns van het altaar. Al het overige bloed giet je uit aan de voet van het altaar.** Brontekst: וְלָֽקַחְתָּ֙ (velaqachta) = en neem | מִדַּ֣ם (midam) = van het bloed van | הַפָּ֔ר (hapar) = de stier | וְנָתַתָּ֛ה (venatata) = en doe | עַל (al) = op | קַרְנֹ֥ת (qarnot) = hoorns van | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | בְּאֶצְבָּעֶ֑ךָ (beetsbaekha) = met je vinger | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדָּ֣ם (hadam) = het bloed | תִּשְׁפֹּ֔ךְ (tishpokh) = giet uit | אֶל (el) = aan | יְס֖וֹד (yesod) = voet van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:2; Ex 30:2; Lev 4:25; Lev 8:15; Lev 9:9 **29:13** **Neem al het vet dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel van de lever, de twee nieren en het vet daaromheen, en laat dat op het altaar in rook opgaan.** Brontekst: וְלָֽקַחְתָּ֗ (velaqachta) = en neem | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֵלֶב֮ (hachelev) = het vet | הַֽמְכַסֶּ֣ה (hamkhase) = dat bedekt | אֶת (et) = (obj.) | הַקֶּרֶב֒ (haqerev) = de ingewanden | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | הַיֹּתֶ֨רֶת֙ (hayoteret) = het aanhangsel | עַל (al) = op | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֔ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֖לֶב (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲלֵיהֶ֑ן (aleihen) = op hen | וְהִקְטַרְתָּ֖ (vehiqtarta) = en laat in rook opgaan | הַמִּזְבֵּֽחָה (hamizbecha) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיֹּתֶרֶת עַל־הַכָּבֵד (hayoteret al-hakaved) is het aanhangsel of de lap van de lever; de precieze betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 3:3–4; Lev 8:16; 1 Sam 2:16; Jes 1:11; Jes 43:24 **29:14** **Het vlees van de stier, zijn huid en zijn mest moet je buiten het kamp met vuur verbranden; het is een zondoffer.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּשַׂ֤ר (besar) = vlees van | הַפָּר֙ (hapar) = de stier | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֹר֣וֹ (oro) = zijn huid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּרְשׁ֔וֹ (pirsho) = zijn mest | תִּשְׂרֹ֣ף (tisrof) = verbrand | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het zondoffer wordt buiten het kamp verbrand. Zie ook Lev. 4:11–12; Hebr. 13:11–12. Zie ook: Ex 30:10; Lev 4:11–12; Lev 4:21; Ezra 8:35; Heb 13:11–13 ### De eerste ram: het brandoffer **29:15** **Neem dan de ene ram, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de ram leggen.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַ֥יִל (haayil) = de ram | הָאֶחָ֖ד (haechad) = de ene | תִּקָּ֑ח (tiqach) = neem | וְסָ֨מְכ֜וּ (vesamekhu) = en leggen | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = kop van | הָאָֽיִל (haayil) = de ram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:3; Ex 29:10; Ex 29:19; Lev 1:4–9; Lev 8:18–21 **29:16** **Slacht de ram, neem zijn bloed en sprenkel het rondom op het altaar.** Brontekst: וְשָׁחַטְתָּ֖ (veshachatta) = en slacht | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑יִל (haayil) = de ram | וְלָֽקַחְתָּ֙ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֔וֹ (damo) = zijn bloed | וְזָרַקְתָּ֥ (vezaraqta) = en sprenkel | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:11–12 **29:17** **Snijd de ram in stukken, was zijn ingewanden en zijn poten, en leg ze bij zijn stukken en bij zijn kop.** Brontekst: וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | הָאַ֔יִל (haayil) = de ram | תְּנַתֵּ֖חַ (tenateach) = snijd in stukken | לִנְתָחָ֑יו (lintachav) = in zijn stukken | וְרָחַצְתָּ֤ (verachatsta) = en was | קִרְבּוֹ֙ (qirbo) = zijn ingewanden | וּכְרָעָ֔יו (ukheraav) = en zijn poten | וְנָתַתָּ֥ (venatata) = en leg | עַל (al) = bij | נְתָחָ֖יו (netachav) = zijn stukken | וְעַל (veal) = en bij | רֹאשֽׁוֹ (rosho) = zijn kop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:13; Lev 8:21; Lev 9:14; Jer 4:14; Mat 23:26 **29:18** **Laat de hele ram op het altaar in rook opgaan: het is een brandoffer voor Yahweh, een aangename geur, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: וְהִקְטַרְתָּ֤ (vehiqtarta) = en laat in rook opgaan | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאַ֨יִל֙ (haayil) = de ram | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = op het altaar | עֹלָ֥ה (ola) = brandoffer | ה֖וּא (hu) = het is | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | רֵ֣יחַ (reiach) = geur van | נִיח֔וֹחַ (nichoach) = aangenaamheid | אִשֶּׁ֥ה (ishe) = vuuroffer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:21; Gen 22:7; Ex 29:25; 1 Kon 3:4; Jer 6:20 ### De tweede ram: de inwijding **29:19** **Neem dan de tweede ram, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de ram leggen.** Brontekst: וְלָ֣קַחְתָּ֔ (velaqachta) = en neem | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הָאַ֣יִל (haayil) = de ram | הַשֵּׁנִ֑י (hasheni) = de tweede | וְסָמַ֨ךְ (vesamakh) = en leggen | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = kop van | הָאָֽיִל (haayil) = de ram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:3; Lev 8:22–29 **29:20** **Slacht de ram, neem van zijn bloed en doe het op de rechteroorlel van Aäron en op de rechteroorlel van zijn zonen, op de rechterduim van hun hand en op de rechter grote teen van hun voet. Sprenkel het bloed rondom op het altaar.** Brontekst: וְשָׁחַטְתָּ֣ (veshachatta) = en slacht | אֶת (et) = (obj.) | הָאַ֗יִל (haayil) = de ram | וְלָקַחְתָּ֤ (velaqachta) = en neem | מִדָּמוֹ֙ (midamo) = van zijn bloed | וְנָֽתַתָּ֡ה (venatata) = en doe | עַל (al) = op | תְּנוּךְ֩ (tenukh) = lel van | אֹ֨זֶן (ozen) = oor van | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | וְעַל (veal) = en op | תְּנ֨וּךְ (tenukh) = lel van | אֹ֤זֶן (ozen) = oor van | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֤הֶן (bohen) = duim van | יָדָם֙ (yadam) = hun hand | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֥הֶן (bohen) = grote teen van | רַגְלָ֖ם (raglam) = hun voet | הַיְמָנִ֑ית (haymanit) = de rechter | וְזָרַקְתָּ֧ (vezaraqta) = en sprenkel | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֛ם (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed op oor, hand en voet wijdt de gehele persoon: wat hij hoort, doet en loopt. Zie ook: Lev 14:16; Jes 50:5; 1 Petr 1:2; Heb 9:19–23; Heb 10:22 **29:21** **Neem van het bloed dat op het altaar is en van de zalfolie, en sprenkel het op Aäron en op zijn kleren, en op zijn zonen en op de kleren van zijn zonen met hem. Zo worden hij en zijn kleren geheiligd, en zijn zonen en de kleren van zijn zonen met hem.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֞ (velaqachta) = en neem | מִן (min) = van | הַדָּ֨ם (hadam) = het bloed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַֽל (al) = op | הַמִּזְבֵּחַ֮ (hamizbeach) = het altaar | וּמִשֶּׁ֣מֶן (umishemen) = en van olie van | הַמִּשְׁחָה֒ (hamishcha) = de zalving | וְהִזֵּיתָ֤ (vehizeita) = en sprenkel | עַֽל (al) = op | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְעַל (veal) = en op | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְעַל (veal) = en op | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | וְעַל (veal) = en op | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וְקָדַ֥שׁ (veqadash) = en zal geheiligd worden | הוּא֙ (hu) = hij | וּבְגָדָ֔יו (uvegadav) = en zijn kleren | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | וּבִגְדֵ֥י (uvigdei) = en kleren van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:1; Ex 29:7; Ex 30:25–31; Lev 8:30; Heb 9:22 **29:22** **Neem van de ram het vet, de vette staart, het vet dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel van de lever, de twee nieren, het vet daaromheen en de rechterdij, want het is een ram van de inwijding.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en neem | מִן (min) = van | הָ֠אַיִל (haayil) = de ram | הַחֵ֨לֶב (hachelev) = het vet | וְהָֽאַלְיָ֜ה (vehaalya) = en de vette staart | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֣לֶב (hachelev) = het vet | הַֽמְכַסֶּ֣ה (hamkhase) = dat bedekt | אֶת (et) = (obj.) | הַקֶּ֗רֶב (haqerev) = de ingewanden | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | יֹתֶ֤רֶת (yoteret) = aanhangsel van | הַכָּבֵד֙ (hakaved) = de lever | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֗ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲלֵהֶ֔ן (alehen) = op hen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שׁ֣וֹק (shoq) = dij van | הַיָּמִ֑ין (hayamin) = de rechterkant | כִּ֛י (ki) = want | אֵ֥יל (eil) = ram van | מִלֻּאִ֖ים (miluim) = de inwijding | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיל מִלֻּאִים (ayil millu'im), ‘ram van de inwijding’: letterlijk ‘ram van de vulling’ (zie vers 9). Zie ook: Ex 29:9; Ex 29:13; Lev 3:9; Lev 7:32–33; Lev 8:25–27; Num 18:18 **29:23** **Ook één brood, één broodkoek met olie en één wafel uit de mand met de ongezuurde broden die voor het aangezicht van Yahweh staat.** Brontekst: וְכִכַּ֨ר (vekhikar) = en een brood | לֶ֜חֶם (lechem) = brood | אַחַ֗ת (achat) = één | וַֽחַלַּ֨ת (vachalat) = en koek van | לֶ֥חֶם (lechem) = brood | שֶׁ֛מֶן (shemen) = olie | אַחַ֖ת (achat) = één | וְרָקִ֣יק (veraqiq) = en wafel | אֶחָ֑ד (echad) = één | מִסַּל֙ (misal) = uit de mand van | הַמַּצּ֔וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:2–3; Lev 8:26 **29:24** **Leg dat alles op de handen van Aäron en op de handen van zijn zonen en zwaai het als een beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֣ (vesamta) = en leg | הַכֹּ֔ל (hakol) = alles | עַ֚ל (al) = op | כַּפֵּ֣י (kapei) = handen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וְעַ֖ל (veal) = en op | כַּפֵּ֣י (kapei) = handen van | בָנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וְהֵנַפְתָּ֥ (vehenafta) = en zwaai | אֹתָ֛ם (otam) = ze | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּנוּפָה (tenufah), ‘beweegoffer’: een offer dat voor Yahweh heen en weer wordt bewogen. Zie ook: Ex 29:26–27; Lev 7:30; Lev 8:27; Lev 9:21; Lev 10:14 **29:25** **Neem het dan van hun handen en laat het op het altaar in rook opgaan, boven op het brandoffer, tot een aangename geur voor het aangezicht van Yahweh. Het is een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֤ (velaqachta) = en neem | אֹתָם֙ (otam) = ze | מִיָּדָ֔ם (miyadam) = van hun handen | וְהִקְטַרְתָּ֥ (vehiqtarta) = en laat in rook opgaan | הַמִּזְבֵּ֖חָה (hamizbecha) = op het altaar | עַל (al) = op | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | לְרֵ֤יחַ (lereiach) = tot geur van | נִיח֨וֹחַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִשֶּׁ֥ה (ishe) = vuuroffer | ה֖וּא (hu) = het is | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:41; Lev 2:9; Lev 3:9; Lev 7:25; Lev 8:28 **29:26** **Neem de borst van de ram van de inwijding die voor Aäron is en zwaai hem als een beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh. Dat is jouw deel.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | הֶֽחָזֶ֗ה (hechaze) = de borst | מֵאֵ֤יל (meeil) = van de ram van | הַמִּלֻּאִים֙ (hamiluim) = de inwijding | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְאַהֲרֹ֔ן (leaharon) = voor Aäron | וְהֵנַפְתָּ֥ (vehenafta) = en zwaai | אֹת֛וֹ (oto) = hem | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | לְמָנָֽה (lemana) = tot deel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 7:31; Lev 7:34; Lev 8:29; Ps 99:6 **29:27** **Heilig de borst van het beweegoffer en de dij van de heffing, die bewogen en opgeheven zijn van de ram van de inwijding, van wat voor Aäron en van wat voor zijn zonen is.** Brontekst: וְקִדַּשְׁתָּ֞ (veqidashta) = en heilig | אֵ֣ת (et) = (obj.) | חֲזֵ֣ה (chaze) = borst van | הַתְּנוּפָ֗ה (hatenufa) = het beweegoffer | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שׁ֣וֹק (shoq) = dij van | הַתְּרוּמָ֔ה (hateruma) = de heffing | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הוּנַ֖ף (hunaf) = bewogen werd | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | הוּרָ֑ם (huram) = opgeheven werd | מֵאֵיל֙ (meeil) = van de ram van | הַמִּלֻּאִ֔ים (hamiluim) = de inwijding | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = van wat | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = voor Aäron | וּמֵאֲשֶׁ֥ר (umeasher) = en van wat | לְבָנָֽיו (levanav) = voor zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah) is een ‘heffing’, hier de dij die voor de priester wordt opgeheven. In 25:2 vertalen wij hetzelfde woord met ‘bijdrage’. Zie ook: Lev 10:15; Num 6:20; Num 18:11; Num 18:18–19; Deut 18:3 **29:28** **Het is voor Aäron en zijn zonen een eeuwig voorschrift vanwege de zonen van Israël. Want het is een heffing. Een heffing moet het zijn van de zonen van Israël, van hun vredeoffers, hun heffing voor Yahweh.** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en zal zijn | לְאַהֲרֹ֨ן (leaharon) = voor Aäron | וּלְבָנָ֜יו (ulevanav) = en voor zijn zonen | לְחָק (lechaq) = tot een voorschrift van | עוֹלָ֗ם (olam) = eeuwigheid | מֵאֵת֙ (meet) = vanwege | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֥י (ki) = want | תְרוּמָ֖ה (teruma) = heffing | ה֑וּא (hu) = het is | וּתְרוּמָ֞ה (uteruma) = en heffing | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | מֵאֵ֤ת (meet) = vanwege | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִזִּבְחֵ֣י (mizivchei) = van de slachtoffers van | שַׁלְמֵיהֶ֔ם (shalmeihem) = hun vredeoffers | תְּרוּמָתָ֖ם (terumatam) = hun heffing | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 7:11–38; Num 15:19–20; Num 18:29; Num 31:41; Deut 18:3 **29:29** **De heilige kleren van Aäron zullen na hem voor zijn zonen zijn, om erin gezalfd en ingewijd te worden.** Brontekst: וּבִגְדֵ֤י (uvigdei) = en kleren van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heiligdom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְאַהֲרֹ֔ן (leaharon) = voor Aäron | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | לְבָנָ֖יו (levanav) = voor zijn zonen | אַחֲרָ֑יו (acharav) = na hem | לְמָשְׁחָ֣ה (lemashecha) = om gezalfd te worden | בָהֶ֔ם (bahem) = in hen | וּלְמַלֵּא (ulemale) = en om te vullen | בָ֖ם (bam) = in hen | אֶת (et) = (obj.) | יָדָֽם (yadam) = hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:3–4; Ex 40:15; Num 18:8; Num 20:26–28; Num 35:25 **29:30** **Zeven dagen moet de priester die uit zijn zonen in zijn plaats komt en die de tent van samenkomst binnengaat om in het heiligdom te dienen, ze dragen.** Brontekst: שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | יִלְבָּשָׁ֧ם (yilbasham) = zal ze dragen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | תַּחְתָּ֖יו (tachtav) = in zijn plaats | מִבָּנָ֑יו (mibanav) = uit zijn zonen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָבֹ֛א (yavo) = zal komen | אֶל (el) = naar | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | לְשָׁרֵ֥ת (lesharet) = om te dienen | בַּקֹּֽדֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:10; Gen 8:12; Lev 9:1; Num 20:28; Heb 7:26 ### De maaltijd van de inwijding **29:31** **De ram van de inwijding moet je nemen en zijn vlees op een heilige plaats koken.** Brontekst: וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | אֵ֥יל (eil) = ram van | הַמִּלֻּאִ֖ים (hamiluim) = de inwijding | תִּקָּ֑ח (tiqach) = zul je nemen | וּבִשַּׁלְתָּ֥ (uvishalta) = en kook | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn vlees | בְּמָקֹ֥ם (bemaqom) = op een plaats | קָדֹֽשׁ (qadosh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:31; 1 Sam 2:13; 1 Sam 2:15; Ezech 46:20–24 **29:32** **Aäron en zijn zonen moeten het vlees van de ram eten, en het brood dat in de mand is, bij de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וְאָכַ֨ל (veakhal) = en eten | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | וּבָנָיו֙ (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | הָאַ֔יִל (haayil) = de ram | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַלֶּ֖חֶם (halechem) = het brood | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בַּסָּ֑ל (basal) = in de mand | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:9–11; Ex 29:2–3; Ex 29:23; Lev 10:12–14; Mat 12:4 **29:33** **Zij moeten eten waarmee verzoening is gedaan, om hen in te wijden en te heiligen. Een vreemde mag het niet eten, want het is heilig.** Brontekst: וְאָכְל֤וּ (veakhelu) = en zij eten | אֹתָם֙ (otam) = ze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | כֻּפַּ֣ר (kupar) = verzoening gedaan werd | בָּהֶ֔ם (bahem) = met hen | לְמַלֵּ֥א (lemale) = om te vullen | אֶת (et) = (obj.) | יָדָ֖ם (yadam) = hun hand | לְקַדֵּ֣שׁ (leqadesh) = om te heiligen | אֹתָ֑ם (otam) = hen | וְזָ֥ר (vezar) = en een vreemde | לֹא (lo) = niet | יֹאכַ֖ל (yokhal) = eet | כִּי (ki) = want | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Alleen de priesters mogen van de inwijdingsoffers eten; een ‘vreemde’ is iemand die niet tot het priestergeslacht behoort. Zie ook: Num 1:51; Num 3:10; Num 16:5; Num 18:4; Joh 6:53–55 **29:34** **En als er van het vlees van de inwijding of van het brood iets overblijft tot de morgen, verbrand dan wat is overgebleven met vuur. Het mag niet gegeten worden, want het is heilig.** Brontekst: וְֽאִם (veim) = en als | יִוָּתֵ֞ר (yivater) = overblijft | מִבְּשַׂ֧ר (mibesar) = van het vlees van | הַמִּלֻּאִ֛ים (hamiluim) = de inwijding | וּמִן (umin) = en van | הַלֶּ֖חֶם (halechem) = het brood | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֑קֶר (haboqer) = de morgen | וְשָׂרַפְתָּ֤ (vesarafta) = en verbrand | אֶת (et) = (obj.) | הַנּוֹתָר֙ (hanotar) = het overgebleven | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | לֹ֥א (lo) = niet | יֵאָכֵ֖ל (yeakhel) = wordt gegeten | כִּי (ki) = want | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:10; Ex 16:19; Ex 29:28; Lev 8:32; Lev 10:16 **29:35** **Zo moet je het doen voor Aäron en zijn zonen, helemaal zoals Ik je geboden heb; zeven dagen lang moet je hen inwijden.** Brontekst: וְעָשִׂ֜יתָ (veasita) = en doe | לְאַהֲרֹ֤ן (leaharon) = voor Aäron | וּלְבָנָיו֙ (ulevanav) = en voor zijn zonen | כָּ֔כָה (kakha) = zo | כְּכֹ֥ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = Ik gebood | אֹתָ֑כָה (otakha) = je | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | תְּמַלֵּ֥א (temale) = zul je vullen | יָדָֽם (yadam) = hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:30; Ex 29:37; Ex 40:12–16; Lev 8:4–36; Joh 16:14 ### De wijding van het altaar **29:36** **Elke dag moet je een stier als zondoffer brengen voor de verzoening. Ontzondig het altaar door er verzoening voor te doen, en zalf het om het te heiligen.** Brontekst: וּפַ֨ר (ufar) = en een stier van | חַטָּ֜את (chatat) = zondoffer | תַּעֲשֶׂ֤ה (taase) = zul je maken | לַיּוֹם֙ (layom) = voor de dag | עַל (al) = voor | הַכִּפֻּרִ֔ים (hakipurim) = de verzoeningen | וְחִטֵּאתָ֙ (vechiteta) = en ontzondig | עַל (al) = over | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | בְּכַפֶּרְךָ֖ (bekhaperkha) = wanneer je verzoening doet | עָלָ֑יו (alav) = erover | וּמָֽשַׁחְתָּ֥ (umashachta) = en zalf | אֹת֖וֹ (oto) = het | לְקַדְּשֽׁוֹ (leqadesho) = om het te heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְחִטֵּאתָ (wechitte'ta) betekent ‘ontzondig’ of ‘reinig van zonde’. Zie ook: Ex 30:28–29; Ex 40:9–11; Ezech 48:18–20; Heb 9:22–23; Heb 10:11 **29:37** **Zeven dagen lang moet je voor het altaar verzoening doen en het heiligen. Dan is het altaar hoogheilig: al wat het altaar aanraakt, wordt heilig.** Brontekst: שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | תְּכַפֵּר֙ (tekhaper) = zul je verzoening doen | עַל (al) = voor | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וְקִדַּשְׁתָּ֖ (veqidashta) = en heilig | אֹת֑וֹ (oto) = het | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig van | קָֽדָשִׁ֔ים (qadashim) = heiligheden | כָּל (kal) = alles | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = wat raakt aan | בַּמִּזְבֵּ֖חַ (bamizbeach) = het altaar | יִקְדָּֽשׁ (yiqdash) = zal heilig zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ קָדָשִׁים (qodesh qodashim), ‘hoogheilig’: het heiligste. Zie ook: Ex 30:28–29; Ex 40:10; Dan 9:24; Mat 23:17; Mat 23:19 ### Het dagelijkse offer **29:38** **Dit moet je op het altaar brengen: elke dag voortdurend twee lammeren van een jaar.** Brontekst: וְזֶ֕ה (veze) = en dit is | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = je zult brengen | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | לַיּ֖וֹם (layom) = per dag | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:3–8; 1 Kron 16:40; 2 Kron 2:3; 2 Kron 31:3; Dan 12:11 **29:39** **Het ene lam moet je in de morgen brengen en het andere lam tussen de twee avonden.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֥בֶשׂ (hakeves) = het lam | הָאֶחָ֖ד (haechad) = het ene | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je brengen | בַבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de morgen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַכֶּ֣בֶשׂ (hakeves) = het lam | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = het tweede | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je brengen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָעַרְבָּֽיִם (haarbayim) = de twee avonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּין הָעַרְבַּיִם (bein ha‘arbayim), ‘tussen de twee avonden’, is de tijd tussen zonsondergang en het donker (of tussen het middaguur en de schemering). Zie 12:6. Zie ook: Ps 5:4; 2 Kon 16:15; 2 Kron 13:11; Ezech 46:13–15; Hand 26:7 **29:40** **Bij het ene lam een tiende efa fijn meel, gekneed met een kwart hin gestampte olie, en als plengoffer een kwart hin wijn.** Brontekst: וְעִשָּׂרֹ֨ן (veisaron) = en een tiende | סֹ֜לֶת (solet) = meel | בָּל֨וּל (balul) = gekneed | בְּשֶׁ֤מֶן (beshemen) = met olie | כָּתִית֙ (katit) = gestampt | רֶ֣בַע (reva) = een kwart van | הַהִ֔ין (hahin) = de hin | וְנֵ֕סֶךְ (venesekh) = en plengoffer | רְבִעִ֥ית (reviit) = een kwart van | הַהִ֖ין (hahin) = de hin | יָ֑יִן (yayin) = wijn | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = voor het lam | הָאֶחָֽד (haechad) = het ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een tiende efa is ongeveer 2,2 liter, een hin ongeveer 3,7 liter, een kwart hin dus ongeveer 0,9 liter. Zie ook Num. 28:1–8. Zie ook: Lev 23:13; Num 28:1–8; Joël 2:14; Jes 57:6; Ezech 46:14; Fil 2:17 **29:41** **Het andere lam moet je tussen de twee avonden brengen, met hetzelfde graanoffer als in de morgen en hetzelfde plengoffer. Dat is een aangename geur, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַכֶּ֣בֶשׂ (hakeves) = het lam | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = het tweede | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je brengen | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הָעַרְבָּ֑יִם (haarbayim) = de twee avonden | כְּמִנְחַ֨ת (keminchat) = zoals het graanoffer van | הַבֹּ֤קֶר (haboqer) = de morgen | וּכְנִסְכָּהּ֙ (ukheniskah) = en zoals zijn plengoffer | תַּֽעֲשֶׂה (taase) = zul je brengen | לָּ֔הּ (lah) = voor het | לְרֵ֣יחַ (lereiach) = tot geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = aangenaamheid | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 141:2; 1 Kon 18:29; 1 Kon 18:36; Ezech 46:13–15; Ezra 9:4–5 **29:42** **Dit is het voortdurende brandoffer voor al jullie generaties, bij de ingang van de tent van samenkomst, voor het aangezicht van Yahweh, waar Ik jullie ontmoet om daar met je te spreken.** Brontekst: עֹלַ֤ת (olat) = brandoffer van | תָּמִיד֙ (tamid) = voortdurend | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | פֶּ֥תַח (petach) = ingang van | אֹֽהֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | אִוָּעֵ֤ד (ivaed) = Ik ontmoet | לָכֶם֙ (lakhem) = jullie | שָׁ֔מָּה (shama) = daar | לְדַבֵּ֥ר (ledaber) = om te spreken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = met jou | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het dagelijkse offer (תָּמִיד, tamid), ochtend en avond. Zie ook: Ex 25:22 ### Yahweh woont onder Zijn volk **29:43** **Daar zal Ik de zonen van Israël ontmoeten, en de plek zal door Mijn heerlijkheid geheiligd worden.** Brontekst: וְנֹעַדְתִּ֥י (venoadti) = en Ik zal ontmoeten | שָׁ֖מָּה (shama) = daar | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְנִקְדַּ֖שׁ (veniqdash) = en zal geheiligd worden | בִּכְבֹדִֽי (bikhvodi) = door Mijn heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:34; 1 Kon 8:11; 2 Kron 5:14; 2 Kron 7:1–3; Ezech 43:5 **29:44** **Ik zal de tent van samenkomst en het altaar heiligen, en Aäron en zijn zonen zal Ik heiligen om Mij als priesters te dienen.** Brontekst: וְקִדַּשְׁתִּ֛י (veqidashti) = en Ik zal heiligen | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | אֲקַדֵּ֖שׁ (aqadesh) = zal Ik heiligen | לְכַהֵ֥ן (lekhahen) = om priester te zijn | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:15; Lev 22:9; Lev 22:16; Joh 10:36; Openb 1:5–6 **29:45** **Ik zal in het midden van de zonen van Israël wonen en hun tot Elohim zijn.** Brontekst: וְשָׁ֣כַנְתִּ֔י (veshakhanti) = en Ik zal wonen | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהָיִ֥יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De kern van de tabernakel: Yahweh woont onder Zijn volk. Zie 25:8; Lev. 26:11–12. Zie ook: Ex 25:8; Lev 26:11–12; Lev 26:12; Zach 2:14; 2 Kor 6:16; Openb 21:3 **29:46** **Zij zullen weten dat Ik Yahweh ben, hun Elohim, die hen uit het land Egypte heb geleid om in hun midden te wonen. Ik ben Yahweh, hun Elohim.** Brontekst: וְיָדְע֗וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הוֹצֵ֧אתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אֹתָ֛ם (otam) = hen | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לְשָׁכְנִ֣י (leshakheni) = om te wonen | בְתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 20:2; Lev 18:30; Lev 19:2; Jer 31:33; Ezech 20:5 ## Exodus 30 _Het wierookaltaar, het verzoengeld, het wasbekken, de zalfolie en de wierook_ ### Het wierookaltaar **30:1** **Maak een altaar om wierook op te laten opgaan; van acaciahout moet je het maken.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = een altaar | מִקְטַ֣ר (miqtar) = om te laten opgaan | קְטֹ֑רֶת (qetoret) = wierook | עֲצֵ֥י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֖ים (shitim) = acacia | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit wierookaltaar staat in het heilige, voor de voorhang (vers 6). Het is een el lang en breed en twee el hoog, ongeveer 45 bij 45 bij 90 cm. Zie ook: Ex 30:6; Ex 37:25–28; Ex 40:5; Lev 4:7; 1 Kon 6:20; Openb 8:3 **30:2** **Het is een el lang en een el breed, vierkant, en twee el hoog; zijn hoorns moeten er één geheel mee vormen.** Brontekst: אַמָּ֨ה (ama) = een el | אָרְכּ֜וֹ (arko) = zijn lengte | וְאַמָּ֤ה (veama) = en een el | רָחְבּוֹ֙ (rachbo) = zijn breedte | רָב֣וּעַ (ravua) = vierkant | יִהְיֶ֔ה (yihye) = zal zijn | וְאַמָּתַ֖יִם (veamatayim) = en twee el | קֹמָת֑וֹ (qomato) = zijn hoogte | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = uit hem | קַרְנֹתָֽיו (qarnotav) = zijn hoorns Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:2 **30:3** **Bekleed het met zuiver goud: zijn bovenvlak, zijn wanden rondom en zijn hoorns, en maak er rondom een gouden rand aan.** Brontekst: וְצִפִּיתָ֨ (vetsipita) = en bekleed | אֹת֜וֹ (oto) = het | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֗וֹר (tahor) = zuiver | אֶת (et) = (obj.) | גַּגּ֧וֹ (gago) = zijn bovenvlak | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קִירֹתָ֛יו (qirotav) = zijn wanden | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קַרְנֹתָ֑יו (qarnotav) = zijn hoorns | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | לּ֛וֹ (lo) = voor het | זֵ֥ר (zer) = een rand | זָהָ֖ב (zahav) = goud | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:11; Ex 25:24 **30:4** **Maak er twee gouden ringen voor, onder zijn rand, aan zijn twee zijden. Aan beide kanten moet je ze maken, als houders voor de draagstokken waarmee men het draagt.** Brontekst: וּשְׁתֵּי֩ (ushtei) = en twee | טַבְּעֹ֨ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֜ב (zahav) = goud | תַּֽעֲשֶׂה (taase) = zul je maken | לּ֣וֹ (lo) = voor het | מִתַּ֣חַת (mitachat) = onder | לְזֵר֗וֹ (lezero) = zijn rand | עַ֚ל (al) = aan | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | צַלְעֹתָ֔יו (tsalotav) = zijn zijden | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je maken | עַל (al) = aan | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | צִדָּ֑יו (tsidav) = zijn kanten | וְהָיָה֙ (vehaya) = en zal zijn | לְבָתִּ֣ים (levatim) = als houders | לְבַדִּ֔ים (levadim) = voor draagstokken | לָשֵׂ֥את (laset) = om te dragen | אֹת֖וֹ (oto) = het | בָּהֵֽמָּה (bahema) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:12; Ex 25:27; Ex 26:29; Ex 27:4; Ex 27:7 **30:5** **Maak de draagstokken van acaciahout en bekleed ze met goud.** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּ֖ים (habadim) = de draagstokken | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | וְצִפִּיתָ֥ (vetsipita) = en bekleed | אֹתָ֖ם (otam) = ze | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:13; Ex 25:27 **30:6** **Zet het voor de voorhang die voor de ark van het getuigenis hangt, voor het verzoendeksel dat boven het getuigenis ligt, waar Ik je zal ontmoeten.** Brontekst: וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en zet | אֹתוֹ֙ (oto) = het | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הַפָּרֹ֔כֶת (haparokhet) = de voorhang | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = voor | אֲרֹ֣ן (aron) = ark van | הָעֵדֻ֑ת (haedut) = het getuigenis | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הַכַּפֹּ֗רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | עַל (al) = op | הָ֣עֵדֻ֔ת (haedut) = het getuigenis | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waar | אִוָּעֵ֥ד (ivaed) = Ik ontmoet | לְךָ֖ (lekha) = jou | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:21–22; Ex 26:31–35; Ex 40:5; 1 Kron 28:11; Heb 9:3–5 **30:7** **Aäron moet daarop elke morgen welriekende wierook laten opgaan, wanneer hij de lampen in orde brengt.** Brontekst: וְהִקְטִ֥יר (vehiqtir) = en laat opgaan | עָלָ֛יו (alav) = erop | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | קְטֹ֣רֶת (qetoret) = wierook van | סַמִּ֑ים (samim) = specerijen | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = elke morgen | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = elke morgen | בְּהֵיטִיב֛וֹ (beheitivo) = wanneer hij in orde brengt | אֶת (et) = (obj.) | הַנֵּרֹ֖ת (hanerot) = de lampen | יַקְטִירֶֽנָּה (yaqtirena) = zal hij ze laten opgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wierook gaat elke morgen en elke avond op, bij het in orde brengen van de lampen (27:20–21). Zie ook: Ex 27:20–21; 1 Sam 2:28; 1 Kron 23:13; Luc 1:9; Hand 6:4 **30:8** **En wanneer Aäron de lampen tussen de twee avonden aansteekt, moet hij het ook laten opgaan: een voortdurende wierook voor het aangezicht van Yahweh voor al jullie generaties.** Brontekst: וּבְהַעֲלֹ֨ת (uvehaalot) = en wanneer hij aansteekt | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַנֵּרֹ֛ת (hanerot) = de lampen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָעֲרְבַּ֖יִם (haarbayim) = de twee avonden | יַקְטִירֶ֑נָּה (yaqtirena) = zal hij ze laten opgaan | קְטֹ֧רֶת (qetoret) = wierook | תָּמִ֛יד (tamid) = voortdurend | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְדֹרֹתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:6; 1 Tess 5:17; Rom 8:34; Heb 7:25; Heb 9:24 **30:9** **Jullie mogen er geen vreemde wierook op laten opgaan, geen brandoffer en geen graanoffer, en jullie mogen er geen plengoffer op uitgieten.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַעֲל֥וּ (taalu) = zullen jullie laten opgaan | עָלָ֛יו (alav) = erop | קְטֹ֥רֶת (qetoret) = wierook | זָרָ֖ה (zara) = vreemde | וְעֹלָ֣ה (veola) = en brandoffer | וּמִנְחָ֑ה (umincha) = en graanoffer | וְנֵ֕סֶךְ (venesekh) = en plengoffer | לֹ֥א (lo) = niet | תִסְּכ֖וּ (tisekhu) = zullen jullie uitgieten | עָלָֽיו (alav) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 10:1 **30:10** **Eenmaal per jaar moet Aäron verzoening doen op zijn hoorns. Met het bloed van het zondoffer van de verzoening moet hij eenmaal per jaar verzoening doen voor al jullie generaties. Het is hoogheilig voor Yahweh.”** Brontekst: וְכִפֶּ֤ר (vekhiper) = en zal verzoening doen | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | עַל (al) = op | קַרְנֹתָ֔יו (qarnotav) = zijn hoorns | אַחַ֖ת (achat) = eenmaal | בַּשָּׁנָ֑ה (bashana) = in het jaar | מִדַּ֞ם (midam) = met bloed van | חַטַּ֣את (chatat) = zondoffer | הַכִּפֻּרִ֗ים (hakipurim) = de verzoeningen | אַחַ֤ת (achat) = eenmaal | בַּשָּׁנָה֙ (bashana) = in het jaar | יְכַפֵּ֤ר (yekhaper) = zal hij verzoening doen | עָלָיו֙ (alav) = erop | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heilig van | קָֽדָשִׁ֥ים (qadashim) = heiligheden | ה֖וּא (hu) = het is | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eenmaal per jaar doet de hogepriester verzoening op de hoorns van dit altaar. Zie Lev. 16:18–19 (de verzoendag). Zie ook: Ex 29:36–37; Lev 16:18; Lev 23:27; Heb 9:22–23; Heb 9:25 ### Het verzoengeld **30:11** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:12** **„Wanneer je de som opneemt van de zonen van Israël, naar hun getelden, dan moet ieder voor zijn leven een losgeld aan Yahweh betalen als je hen telt. Zo komt er geen plaag onder hen wanneer je hen telt.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | תִשָּׂ֞א (tisa) = je opneemt | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֥אשׁ (rosh) = de som van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | לִפְקֻדֵיהֶם֒ (lifqudeihem) = volgens hun getelden | וְנָ֨תְנ֜וּ (venatenu) = en zij zullen geven | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | כֹּ֧פֶר (kofer) = losgeld van | נַפְשׁ֛וֹ (nafsho) = zijn leven | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | בִּפְקֹ֣ד (bifqod) = bij het tellen | אֹתָ֑ם (otam) = hen | וְלֹא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | בָהֶ֛ם (bahem) = onder hen | נֶ֖גֶף (negef) = plaag | בִּפְקֹ֥ד (bifqod) = bij het tellen | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’, is de betaling waarmee men zijn leven vrijkoopt. Bij het tellen van het volk betaalt ieder een gelijke bijdrage, zodat er geen plaag komt. Zie ook Num. 1:2–3; 2 Kron. 24:6. Zie ook: Ex 38:25–26; Num 1:2–3; Num 31:50; 1 Kron 27:24; 2 Kron 24:6; Mat 20:28; 1 Petr 1:18–19 **30:13** **Dit moet ieder geven die onder de getelden komt: een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom; een sikkel is twintig gera. Een halve sikkel is de heffing voor Yahweh.** Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | יִתְּנ֗וּ (yitenu) = zullen zij geven | כָּל (kal) = ieder | הָעֹבֵר֙ (haover) = die gaat | עַל (al) = over | הַפְּקֻדִ֔ים (hapequdim) = de getelden | מַחֲצִ֥ית (machatsit) = de helft van | הַשֶּׁ֖קֶל (hasheqel) = de sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | גֵּרָה֙ (gera) = gera | הַשֶּׁ֔קֶל (hasheqel) = de sikkel | מַחֲצִ֣ית (machatsit) = de helft van | הַשֶּׁ֔קֶל (hasheqel) = de sikkel | תְּרוּמָ֖ה (teruma) = heffing | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een sikkel (שֶׁקֶל, sheqel) weegt ongeveer 11,4 gram, een gera (גֵּרָה) ongeveer 0,57 gram. De halve sikkel is dus ongeveer 5,7 gram zilver. Zie ook: Ex 38:26; Lev 27:25; Num 3:47; Ezech 45:12; Mat 17:24 **30:14** **Ieder die onder de getelden komt, van twintig jaar en ouder, moet de heffing voor Yahweh geven.** Brontekst: כֹּ֗ל (kol) = ieder | הָעֹבֵר֙ (haover) = die gaat | עַל (al) = over | הַפְּקֻדִ֔ים (hapequdim) = de getelden | מִבֶּ֛ן (miben) = van zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en ouder | יִתֵּ֖ן (yiten) = zal geven | תְּרוּמַ֥ת (terumat) = heffing van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:3; Num 1:20; Num 14:29; Num 26:2; Num 32:11 **30:15** **De rijke mag niet meer geven en de arme niet minder dan een halve sikkel, wanneer jullie de heffing voor Yahweh geven om voor jullie leven verzoening te doen.** Brontekst: הֶֽעָשִׁ֣יר (heashir) = de rijke | לֹֽא (lo) = niet | יַרְבֶּ֗ה (yarbe) = zal meer geven | וְהַדַּל֙ (vehadal) = en de arme | לֹ֣א (lo) = niet | יַמְעִ֔יט (yamit) = zal minder geven | מִֽמַּחֲצִ֖ית (mimachatsit) = dan de helft van | הַשָּׁ֑קֶל (hashaqel) = de sikkel | לָתֵת֙ (latet) = om te geven | אֶת (et) = (obj.) | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = voor | נַפְשֹׁתֵיכֶֽם (nafshoteikhem) = jullie levens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Rijk en arm betalen hetzelfde: voor Yahweh is het leven van ieder evenveel waard. Zie ook: Job 34:19; Ex 30:12; Lev 17:11; Num 31:50; Ef 6:9 **30:16** **Neem het verzoengeld van de zonen van Israël aan en besteed het aan de dienst van de tent van samenkomst. Het zal voor de zonen van Israël een gedachtenis zijn voor het aangezicht van Yahweh, om voor jullie leven verzoening te doen.”** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֞ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | כֶּ֣סֶף (kesef) = geld van | הַכִּפֻּרִ֗ים (hakipurim) = de verzoeningen | מֵאֵת֙ (meet) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְנָתַתָּ֣ (venatata) = en geef | אֹת֔וֹ (oto) = het | עַל (al) = voor | עֲבֹדַ֖ת (avodat) = dienst van | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | לִבְנֵ֨י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | לְזִכָּרוֹן֙ (lezikaron) = tot gedachtenis | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = voor | נַפְשֹׁתֵיכֶֽם (nafshoteikhem) = jullie levens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het zilver dient voor de dienst van de tent (zie 38:25–28). Zie ook: Ex 12:14; Ex 38:25–31; Num 17:5; Neh 10:33–34; Luc 22:19 ### Het wasbekken **30:17** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:18** **„Maak een wasbekken van koper met een koperen voetstuk, om je in te wassen. Zet het tussen de tent van samenkomst en het altaar en doe er water in.** Brontekst: וְעָשִׂ֜יתָ (veasita) = en maak | כִּיּ֥וֹר (kiyor) = een wasbekken van | נְחֹ֛שֶׁת (nechoshet) = koper | וְכַנּ֥וֹ (vekhano) = en zijn voetstuk | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = koper | לְרָחְצָ֑ה (lerachetsa) = om te wassen | וְנָתַתָּ֣ (venatata) = en zet | אֹת֗וֹ (oto) = het | בֵּֽין (bein) = tussen | אֹ֤הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵד֙ (moed) = samenkomst | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וְנָתַתָּ֥ (venatata) = en doe | שָׁ֖מָּה (shama) = daarin | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּיּוֹר (kiyyor) is een wasbekken of -bak van koper, bij het heiligdom. Zie ook: Ex 38:8; Ex 40:7; Ex 40:30–32; 1 Kon 7:38; 2 Kron 4:14–15 **30:19** **Aäron en zijn zonen moeten daaruit hun handen en voeten wassen.** Brontekst: וְרָחֲצ֛וּ (verachatsu) = en wassen | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֖יו (uvanav) = en zijn zonen | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = daaruit | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רַגְלֵיהֶֽם (ragleihem) = hun voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:31–32; Ps 26:6; Jes 52:11; Heb 9:10; Heb 10:22 **30:20** **Wanneer zij de tent van samenkomst binnengaan, moeten zij zich met water wassen, zodat zij niet sterven; of wanneer zij het altaar naderen om te dienen en een vuuroffer voor Yahweh in rook te laten opgaan.** Brontekst: בְּבֹאָ֞ם (bevoam) = bij hun binnenkomen | אֶל (el) = in | אֹ֧הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֛ד (moed) = samenkomst | יִרְחֲצוּ (yirchatsu) = zullen zij wassen | מַ֖יִם (mayim) = water | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָמֻ֑תוּ (yamutu) = sterven zij | א֣וֹ (o) = of | בְגִשְׁתָּ֤ם (begishtam) = bij hun naderen | אֶל (el) = tot | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | לְשָׁרֵ֔ת (lesharet) = om te dienen | לְהַקְטִ֥יר (lehaqtir) = om in rook te laten opgaan | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = vuuroffer | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De priesters wassen handen en voeten voordat zij naderen, ‘zodat zij niet sterven’. Zie ook: Ex 12:15; Lev 16:1–2; 1 Kron 13:10; Hand 5:5; Heb 12:28–29 **30:21** **Zij moeten hun handen en voeten wassen, zodat zij niet sterven. Dit is een eeuwig voorschrift voor hem en voor zijn nageslacht, voor hun generaties.”** Brontekst: וְרָחֲצ֛וּ (verachatsu) = en zij zullen wassen | יְדֵיהֶ֥ם (yedeihem) = hun handen | וְרַגְלֵיהֶ֖ם (veragleihem) = en hun voeten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָמֻ֑תוּ (yamutu) = sterven zij | וְהָיְתָ֨ה (vehayeta) = en het zal zijn | לָהֶ֧ם (lahem) = voor hen | חָק (chaq) = een voorschrift van | עוֹלָ֛ם (olam) = eeuwigheid | ל֥וֹ (lo) = voor hem | וּלְזַרְע֖וֹ (ulezaro) = en voor zijn nageslacht | לְדֹרֹתָֽם (ledorotam) = voor hun generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:21; Ex 28:43 ### De heilige zalfolie **30:22** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:23** **„Neem voor jezelf de beste specerijen: vijfhonderd van vloeibare mirre, de helft daarvan, tweehonderdvijftig, van welriekende kaneel, en tweehonderdvijftig van welriekende kalmoes,** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | קַח (qach) = neem | לְךָ֮ (lekha) = voor jezelf | בְּשָׂמִ֣ים (besamim) = specerijen van | רֹאשׁ֒ (rosh) = beste | מָר (mar) = mirre van | דְּרוֹר֙ (deror) = vloeiende | חֲמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | וְקִנְּמָן (veqineman) = en kaneel | בֶּ֥שֶׂם (besem) = welriekend | מַחֲצִית֖וֹ (machatsito) = de helft ervan | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתָ֑יִם (umatayim) = en tweehonderd | וּקְנֵה (uqene) = en kalmoes | בֹ֖שֶׂם (bosem) = welriekend | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָר דְּרוֹר (mor deror), ‘vloeibare mirre’, is de beste soort mirre. קִנָּמוֹן (qinnamon) is kaneel, קְנֵה־בֹשֶׂם (qeneh-bosem) is een soort riet of kalmoes, קִדָּה (qiddah) is kassia (kaneelbast). De tekst noemt hier geen maat. Uit vers 24 (‘naar de sikkel van het heiligdom’) volgt dat het sikkels zijn: 500 sikkels is ongeveer 5,7 kilo en 250 sikkels ongeveer 2,85 kilo. Zie ook: Ex 30:24; Ps 45:9; Hoogl 4:14; Jer 6:20; Ezech 27:19; Ezech 27:22 **30:24** **vijfhonderd van kassia, naar de sikkel van het heiligdom, en een hin olijfolie.** Brontekst: וְקִדָּ֕ה (veqida) = en kassia | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְשֶׁ֥מֶן (veshemen) = en olie van | זַ֖יִת (zayit) = olijf | הִֽין (hin) = een hin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een hin is ongeveer 3,7 liter. Zie ook: Ex 29:40; Lev 19:36; Num 3:47; Ps 45:9; Ezech 45:12 **30:25** **Maak daarvan een heilige zalfolie, een mengsel gemaakt door een zalfbereider; een heilige zalfolie zal het zijn.** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | אֹת֗וֹ (oto) = het | שֶׁ֚מֶן (shemen) = olie van | מִשְׁחַת (mishchat) = zalving | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = heilig | רֹ֥קַח (roqach) = mengsel | מִרְקַ֖חַת (mirqachat) = gemaakt door een bereider | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | רֹקֵ֑חַ (roqeach) = een zalfbereider | שֶׁ֥מֶן (shemen) = olie van | מִשְׁחַת (mishchat) = zalving | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹקֵחַ (roqeach) is een bereider van zalven en parfums. Zie ook: Ex 37:29; Ex 40:9; 1 Kron 9:30; Ps 89:21; Ps 133:2 **30:26** **Zalf daarmee de tent van samenkomst en de ark van het getuigenis,** Brontekst: וּמָשַׁחְתָּ֥ (umashachta) = en zalf | ב֖וֹ (bo) = daarmee | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = ark van | הָעֵדֻֽת (haedut) = het getuigenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:9–15; Lev 8:10–12; Num 7:1; Num 7:10; Hand 10:38 **30:27** **de tafel met al zijn voorwerpen, de kandelaar met haar voorwerpen, het wierookaltaar,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשֻּׁלְחָן֙ (hashulchan) = de tafel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּנֹרָ֖ה (hamenora) = de kandelaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כֵּלֶ֑יהָ (keleiha) = haar voorwerpen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הַקְּטֹֽרֶת (haqetoret) = het wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:28** **het brandofferaltaar met al zijn voorwerpen, en het wasbekken met zijn voetstuk.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכִּיֹּ֖ר (hakiyor) = het wasbekken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּנּֽוֹ (kano) = zijn voetstuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:29** **Heilig ze, dan zullen ze hoogheilig zijn; al wat ze aanraakt, wordt heilig.** Brontekst: וְקִדַּשְׁתָּ֣ (veqidashta) = en heilig | אֹתָ֔ם (otam) = ze | וְהָי֖וּ (vehayu) = en zullen zijn | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig van | קָֽדָשִׁ֑ים (qadashim) = heiligheden | כָּל (kal) = alles | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = wat aanraakt | בָּהֶ֖ם (bahem) = hen | יִקְדָּֽשׁ (yiqdash) = zal heilig zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:37; Lev 6:11; Mat 23:17; Mat 23:19 **30:30** **Aäron en zijn zonen moet je zalven en heiligen, zodat zij Mij als priesters dienen.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | תִּמְשָׁ֑ח (timshach) = zalf | וְקִדַּשְׁתָּ֥ (veqidashta) = en heilig | אֹתָ֖ם (otam) = hen | לְכַהֵ֥ן (lekhahen) = om priester te zijn | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:3; Ex 29:7–37; Ex 40:15; Lev 8:12; Num 3:3 **30:31** **Tot de zonen van Israël moet je zeggen: ‘Dit zal voor al jullie generaties Mijn heilige zalfolie zijn.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תְּדַבֵּ֣ר (tedaber) = zul je spreken | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | שֶׁ֠מֶן (shemen) = olie van | מִשְׁחַת (mishchat) = zalving | קֹ֨דֶשׁ (qodesh) = heilig | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | זֶ֛ה (ze) = deze | לִ֖י (li) = voor Mij | לְדֹרֹתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 37:29; Lev 8:12; Lev 21:10; Ps 89:21 **30:32** **Op het lichaam van een mens mag ze niet worden uitgegoten, en naar haar samenstelling mogen jullie niets maken wat op haar lijkt. Zij is heilig, heilig moet zij voor jullie zijn.** Brontekst: עַל (al) = op | בְּשַׂ֤ר (besar) = vlees van | אָדָם֙ (adam) = mens | לֹ֣א (lo) = niet | יִיסָ֔ךְ (yisakh) = wordt uitgegoten | וּבְמַ֨תְכֻּנְתּ֔וֹ (uvematkunto) = en naar haar samenstelling | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשׂ֖וּ (taasu) = zullen jullie maken | כָּמֹ֑הוּ (kamohu) = zoals zij | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig | ה֔וּא (hu) = zij is | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zalfolie is alleen voor de heilige dienst; ze mag niet voor gewoon gebruik worden gemaakt. Zie ook: Ex 30:25; Ex 30:37–38; Lev 21:10; Mat 7:6 **30:33** **Wie iets zoals zij samenstelt of ervan op een vreemde doet, wordt uit zijn volk uitgeroeid.’”** Brontekst: אִ֚ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִרְקַ֣ח (yirqach) = samenstelt | כָּמֹ֔הוּ (kamohu) = zoals zij | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en die | יִתֵּ֛ן (yiten) = doet | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | עַל (al) = op | זָ֑ר (zar) = een vreemde | וְנִכְרַ֖ת (venikhrat) = en wordt uitgeroeid | מֵעַמָּֽיו (meamav) = uit zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:14; Ex 12:15; Ex 30:38; Lev 7:20–21; Luc 12:1–2 ### De heilige wierook **30:34** Yahweh zei tot Mozes: **„Neem specerijen: balsemhars, onyx-schelp, galbanum, specerijen, en zuivere wierook, van elk evenveel.** Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | קַח (qach) = neem | לְךָ֣ (lekha) = voor jezelf | סַמִּ֗ים (samim) = specerijen | נָטָ֤ף (nataf) = druppel | וּשְׁחֵ֨לֶת֙ (ushechelet) = en onychesschelp | וְחֶלְבְּנָ֔ה (vechelbena) = en galbanum | סַמִּ֖ים (samim) = specerijen | וּלְבֹנָ֣ה (ulevona) = en wierook | זַכָּ֑ה (zaka) = zuivere | בַּ֥ד (bad) = afzonderlijk | בְּבַ֖ד (bevad) = afzonderlijk | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de specerijen zijn lastig te herkennen: נָטָף (nataf) is balsemhars of storax, שְׁחֵלֶת (shecheleth) waarschijnlijk de ‘onyxschelp’ (een geurig stuk van een zeeslak) en חֶלְבְּנָה (chelbenah) galbanum. Zie ook: Ex 25:6; Ex 30:23; Ex 37:29; Lev 2:1; Lev 2:15 **30:35** **Maak daarvan een wierookmengsel, bereid door een zalfbereider, gezouten, zuiver en heilig.** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en maak | אֹתָהּ֙ (otah) = het | קְטֹ֔רֶת (qetoret) = wierook | רֹ֖קַח (roqach) = mengsel | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | רוֹקֵ֑חַ (roqeach) = een zalfbereider | מְמֻלָּ֖ח (memulach) = gezouten | טָה֥וֹר (tahor) = zuiver | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wierook is ‘gezouten’ (מְמֻלָּח, memullach): met zout vermengd, naar het zout van het verbond (Lev. 2:13). Zie ook: Ex 30:25; Lev 2:13; Hoogl 3:6; Spr 27:9; Joh 12:3 **30:36** **Maal een deel ervan fijn en leg het voor het getuigenis in de tent van samenkomst, waar Ik je zal ontmoeten. Hoogheilig moet het voor jullie zijn.** Brontekst: וְשָֽׁחַקְתָּ֣ (veshachaqta) = en maal | מִמֶּנָּה֮ (mimena) = ervan | הָדֵק֒ (hadeq) = fijn | וְנָתַתָּ֨ה (venatata) = en leg | מִמֶּ֜נָּה (mimena) = ervan | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | הָעֵדֻת֙ (haedut) = het getuigenis | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waar | אִוָּעֵ֥ד (ivaed) = Ik ontmoet | לְךָ֖ (lekha) = jou | שָׁ֑מָּה (shama) = daar | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig van | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = heiligheden | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:34; Ex 25:22; Ex 29:42–43; Ex 30:6; Lev 16:2 **30:37** **De wierook die je maakt, mogen jullie niet voor jezelf maken met dezelfde samenstelling; heilig moet ze voor je zijn, voor Yahweh.** Brontekst: וְהַקְּטֹ֨רֶת֙ (vehaqetoret) = en de wierook | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = je zult maken | בְּמַ֨תְכֻּנְתָּ֔הּ (bematkuntah) = naar haar samenstelling | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשׂ֖וּ (taasu) = zullen jullie maken | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jezelf | קֹ֛דֶשׁ (qodesh) = heilig | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:37; Ex 30:32–33; Lev 2:3 **30:38** **Wie zoiets maakt om eraan te ruiken, wordt uit zijn volk uitgeroeid.”** Brontekst: אִ֛ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = maakt | כָמ֖וֹהָ (kamoha) = zoals zij | לְהָרִ֣יחַ (lehariach) = om te ruiken | בָּ֑הּ (bah) = eraan | וְנִכְרַ֖ת (venikhrat) = en wordt uitgeroeid | מֵעַמָּֽיו (meamav) = uit zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De heilige wierook is voor Yahweh alleen en mag niet voor privégebruik worden nagemaakt. Zie ook: Ex 30:33 ## Exodus 31 _Bezaleël en Oholiab, de sabbat en de tafelen_ ### Bezaleël en Oholiab **31:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:2** **„Zie, Ik heb Bezaleël bij naam geroepen, de zoon van Uri, de zoon van Chur, van de stam Juda.** Brontekst: רְאֵ֖ה (ree) = zie | קָרָ֣אתִֽי (qarati) = Ik heb geroepen | בְשֵׁ֑ם (beshem) = bij naam | בְּצַלְאֵ֛ל (betsalel) = Bezaleël | בֶּן (ben) = zoon van | אוּרִ֥י (uri) = Uri | בֶן (ben) = zoon van | ח֖וּר (chur) = Chur | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = van de stam | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bezaleël (בְּצַלְאֵל, Betsal'el) betekent ‘in de schaduw van El’ (El is een korte vorm van Elohim). Hij is van de stam Juda; Oholiab (אׇהֳלִיאָב, Oholi'av, ‘vader is mijn tent’) van de stam Dan. Zie ook Exod. 35:30–36:2. Zie ook: Ex 33:17; Ex 35:30; Ex 36:1; Jes 45:3–4; Joh 3:27 **31:3** **Ik heb hem met de Geest van Elohim vervuld, met wijsheid, inzicht en kennis, en met allerlei vakmanschap,** Brontekst: וָאֲמַלֵּ֥א (vaamale) = en Ik heb vervuld | אֹת֖וֹ (oto) = hem | ר֣וּחַ (ruach) = de geest van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | בְּחָכְמָ֛ה (bechakhema) = met wijsheid | וּבִתְבוּנָ֥ה (uvitvuna) = en met inzicht | וּבְדַ֖עַת (uvedaat) = en met kennis | וּבְכָל (uvekhal) = en met alle | מְלָאכָֽה (melakha) = vakmanschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de eerste plaats in de Bijbel waar iemand ‘met de Geest van Elohim vervuld’ wordt: voor vakmanschap, niet voor profetie. Zie ook: Ex 35:31; 1 Kon 7:14; Jes 28:6; Jes 28:26; 1 Kor 12:4–11 **31:4** **om kunstige ontwerpen te bedenken en uit te voeren in goud, zilver en koper,** Brontekst: לַחְשֹׁ֖ב (lachshov) = om te bedenken | מַחֲשָׁבֹ֑ת (machashavot) = ontwerpen | לַעֲשׂ֛וֹת (laasot) = om te maken | בַּזָּהָ֥ב (bazahav) = in goud | וּבַכֶּ֖סֶף (uvakesef) = en in zilver | וּבַנְּחֹֽשֶׁת (uvanechoshet) = en in koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:32–35; Ex 26:1; Ex 28:15; 1 Kon 7:14; 2 Kron 2:12–13 **31:5** **in het snijden van stenen om ze in te zetten, in het bewerken van hout, om allerlei werk uit te voeren.** Brontekst: וּבַחֲרֹ֥שֶׁת (uvacharoshet) = en in het snijden van | אֶ֛בֶן (even) = steen | לְמַלֹּ֖את (lemalot) = om in te zetten | וּבַחֲרֹ֣שֶׁת (uvacharoshet) = en in het snijden van | עֵ֑ץ (ets) = hout | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te maken | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְלָאכָֽה (melakha) = vakmanschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:9–21 **31:6** **En zie, Ik heb Oholiab, de zoon van Achisamach, van de stam Dan, naast hem gegeven. In het hart van allen die wijs van hart zijn, heb Ik wijsheid gegeven. Zij zullen alles maken wat Ik je geboden heb:** Brontekst: וַאֲנִ֞י (vaani) = en Ik | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | נָתַ֣תִּי (natati) = heb gegeven | אִתּ֗וֹ (ito) = met hem | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אָהֳלִיאָ֞ב (aholiav) = Oholiab | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִֽיסָמָךְ֙ (achisamakh) = Achisamach | לְמַטֵּה (lemate) = van de stam | דָ֔ן (dan) = Dan | וּבְלֵ֥ב (uvelev) = en in het hart van | כָּל (kal) = alle | חֲכַם (chakham) = wijze van | לֵ֖ב (lev) = hart | נָתַ֣תִּי (natati) = heb Ik gegeven | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְעָשׂ֕וּ (veasu) = en zij zullen maken | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | צִוִּיתִֽךָ (tsivitikha) = Ik je geboden heb Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלֵב כָּל־חֲכַם־לֵב (belev kol-chakam-lev), ‘in het hart van allen die wijs van hart zijn’: Yahweh geeft aan alle bekwame mensen de wijsheid voor het werk. Zie ook: Ex 28:3; Ex 35:10; Ex 35:34–36:1; Luc 10:1; Hand 13:2 **31:7** **de tent van samenkomst, de ark voor het getuigenis, het verzoendeksel dat erop ligt, en alle voorwerpen van de tent,** Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֗ד (moed) = samenkomst | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽאָרֹן֙ (haaron) = de ark | לָֽעֵדֻ֔ת (laedut) = voor het getuigenis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּפֹּ֖רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָלָ֑יו (alav) = erop | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֥י (kelei) = voorwerpen van | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:10–22; Ex 26:1–37; Ex 27:9–19; Ex 36:8–37:9 **31:8** **de tafel met zijn voorwerpen, de zuivere kandelaar met al zijn voorwerpen, het wierookaltaar,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשֻּׁלְחָן֙ (hashulchan) = de tafel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּנֹרָ֥ה (hamenora) = de kandelaar | הַטְּהֹרָ֖ה (hatehora) = de zuivere | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלֶ֑יהָ (keleiha) = haar voorwerpen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הַקְּטֹֽרֶת (haqetoret) = de wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:23–40; Ex 30:1–10; Ex 37:10–28 **31:9** **het brandofferaltaar met al zijn voorwerpen, het wasbekken met zijn voetstuk,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכִּיּ֖וֹר (hakiyor) = het wasbekken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּנּֽוֹ (kano) = zijn voetstuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:1–8; Ex 30:18–21; Ex 38:1–8; Ex 40:11 **31:10** **de ambtskleren, de heilige kleren voor Aäron, de priester, en de kleren van zijn zonen om als priesters te dienen,** Brontekst: וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | בִּגְדֵ֣י (bigdei) = kleren van | הַשְּׂרָ֑ד (haserad) = de dienst | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּגְדֵ֤י (bigdei) = kleren van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heiligdom | לְאַהֲרֹ֣ן (leaharon) = voor Aäron | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | לְכַהֵֽן (lekhahen) = om priester te zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּגְדֵי הַשְּׂרָד (bigde hasrad) zijn ‘ambtskleren’ of ‘geweven kleren’; de betekenis van שְׂרָד (serad) is niet zeker. Zie ook: Ex 28:1–43; Ex 39:1–43; Lev 8:7–8; Lev 8:13; Num 4:5–14 **31:11** **de zalfolie en de welriekende wierook voor het heiligdom: alles wat Ik je geboden heb, zullen zij maken.”** Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | שֶׁ֧מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָ֛ה (hamishcha) = de zalving | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קְטֹ֥רֶת (qetoret) = wierook van | הַסַּמִּ֖ים (hasamim) = de specerijen | לַקֹּ֑דֶשׁ (laqodesh) = voor het heiligdom | כְּכֹ֥ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוִּיתִ֖ךָ (tsivitikha) = Ik je geboden heb | יַעֲשֽׂוּ (yaasu) = zullen zij maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:23–38; Ex 37:29 ### De sabbat als teken **31:12** Yahweh zei tot Mozes: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:13** **„Spreek jij tot de zonen van Israël en zeg: ‘Mijn sabbatten moeten jullie zeker houden. Want dat is een teken tussen Mij en jullie, voor al jullie generaties, zodat jullie weten dat Ik, Yahweh, jullie heilig.** Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | דַּבֵּ֨ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | אַ֥ךְ (akh) = zeker | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | תִּשְׁמֹ֑רוּ (tishmoru) = moeten jullie houden | כִּי֩ (ki) = want | א֨וֹת (ot) = teken | הִ֜וא (hi) = het is | בֵּינִ֤י (beini) = tussen Mij | וּבֵֽינֵיכֶם֙ (uveineikhem) = en tussen jullie | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | לָדַ֕עַת (ladaat) = om te weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדִּשְׁכֶֽם (meqadishkhem) = die jullie heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sabbat is een teken van het verbond tussen Yahweh en Israël. Zie ook Ezech. 20:12, Gen. 2:2–3 en Exod. 20:8–11. Zie ook: Gen 2:2–3; Ex 20:8–11; Ex 31:17; Lev 19:30; Ezech 20:12; Ezech 20:20; 1 Tess 5:23 **31:14** **Houd de sabbat, want hij is heilig voor jullie. Wie hem ontheiligt, moet zeker gedood worden. Want ieder die er werk op doet, die persoon wordt uit het midden van zijn volk uitgeroeid.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּם֙ (ushemartem) = en houd | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | כִּ֛י (ki) = want | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | הִ֖וא (hi) = hij is | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | מְחַֽלְלֶ֨יהָ֙ (mechalleiha) = wie hem ontheiligt | מ֣וֹת (mot) = doden | יוּמָ֔ת (yumat) = zal gedood worden | כִּ֗י (ki) = want | כָּל (kal) = ieder | הָעֹשֶׂ֥ה (haose) = die doet | בָהּ֙ (bah) = erop | מְלָאכָ֔ה (melakha) = werk | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = en wordt uitgeroeid | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = die persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמֶּֽיהָ (ameiha) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹות יוּמָת (mot yumat), ‘zeker gedood worden’: de zwaarst mogelijke straf voor het ontheiligen van de sabbat. Zie ook Num. 15:32–36. Zie ook: Ex 20:8; Ex 35:2–3; Num 15:32–36; Jes 58:13–14; Ezech 20:24 **31:15** **Zes dagen mag men werk doen, maar de zevende dag is een sabbat van volledige rust, heilig voor Yahweh. Ieder die op de sabbatdag werk doet, moet zeker gedood worden.** Brontekst: שֵׁ֣שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֮ (yamim) = dagen | יֵעָשֶׂ֣ה (yease) = zal men doen | מְלָאכָה֒ (melakha) = werk | וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | שַׁבַּ֧ת (shabat) = sabbat van | שַׁבָּת֛וֹן (shabaton) = volledige rust | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | כָּל (kal) = ieder | הָעֹשֶׂ֧ה (haose) = die doet | מְלָאכָ֛ה (melakha) = werk | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֖ת (hashabat) = de sabbat | מ֥וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:2; Ex 16:23; Ex 34:21; Ex 35:2; Lev 23:3 **31:16** **De zonen van Israël moeten de sabbat houden, door de sabbat te vieren voor hun generaties, als een eeuwig verbond.** Brontekst: וְשָׁמְר֥וּ (veshameru) = en zij zullen houden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | לַעֲשׂ֧וֹת (laasot) = om te vieren | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁבָּ֛ת (hashabat) = de sabbat | לְדֹרֹתָ֖ם (ledorotam) = voor hun generaties | בְּרִ֥ית (berit) = verbond van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:13; Gen 17:11; Jer 50:5 **31:17** **Tussen Mij en de zonen van Israël is hij een teken voor altijd. Want in zes dagen heeft Yahweh de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.’”** Brontekst: בֵּינִ֗י (beini) = tussen Mij | וּבֵין֙ (uvein) = en tussen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | א֥וֹת (ot) = teken | הִ֖וא (hi) = het is | לְעֹלָ֑ם (leolam) = voor altijd | כִּי (ki) = want | שֵׁ֣שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | עָשָׂ֤ה (asa) = maakte | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וּבַיּוֹם֙ (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | שָׁבַ֖ת (shavat) = rustte | וַיִּנָּפַֽשׁ (vayinafash) = en schepte adem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּפַשׁ (wayyinnafash), ‘en schepte adem’: Yahweh rustte als een mens die ademhaalt na zijn werk. Zie ook: Gen 1:31; Gen 2:2–3; Ex 31:13; Ezech 20:12; Heb 4:10 ### De twee tafelen van het getuigenis **31:18** Toen Hij klaar was met Mozes te spreken op de berg Sinaï, gaf Hij hem de twee tafelen van het getuigenis, stenen tafelen, beschreven met de vinger van Elohim. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | אֶל (el) = aan | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | כְּכַלֹּתוֹ֙ (kekhaloto) = toen Hij klaar was | לְדַבֵּ֤ר (ledaber) = om te spreken | אִתּוֹ֙ (ito) = met hem | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | לֻחֹ֣ת (luchot) = tafelen van | הָעֵדֻ֑ת (haedut) = het getuigenis | לֻחֹ֣ת (luchot) = tafelen van | אֶ֔בֶן (even) = steen | כְּתֻבִ֖ים (ketuvim) = beschreven | בְּאֶצְבַּ֥ע (beetsba) = met de vinger van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: ‘De vinger van Elohim’ (אֶצְבַּע אֱלֹהִים) is een beeld voor Yahwehs eigen werk; zie ook Deut. 9:10, Exod. 24:12 en 32:15–16. Zie ook: Ex 8:15; Ex 24:12; Ex 32:15–16; Deut 4:13; Deut 5:22; Deut 9:10 ## Exodus 32 _Het gouden kalf_ ### Het volk maakt een gouden kalf **32:1** Toen het volk zag dat Mozes talmde om van de berg af te dalen, verzamelde het zich rond Aäron en zij zeiden tot hem: „Kom, maak ons goden die voor ons uit gaan, want we weten niet wat er met Mozes, die man die ons uit het land Egypte heeft geleid, is gebeurd.” Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כִּֽי (ki) = dat | בֹשֵׁ֥שׁ (boshesh) = talmde | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לָרֶ֣דֶת (laredet) = om af te dalen | מִן (min) = van | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וַיִּקָּהֵ֨ל (vayiqahel) = en verzamelde zich | הָעָ֜ם (haam) = het volk | עַֽל (al) = bij | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | ק֣וּם (qum) = sta op | עֲשֵׂה (ase) = maak | לָ֣נוּ (lanu) = voor ons | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = goden | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יֵֽלְכוּ֙ (yelekhu) = zullen gaan | לְפָנֵ֔ינוּ (lefaneinu) = voor ons uit | כִּי (ki) = want | זֶ֣ה (ze) = deze | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | הָאִ֗ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הֶֽעֱלָ֨נוּ֙ (heelanu) = ons liet opgaan | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לֹ֥א (lo) = niet | יָדַ֖עְנוּ (yadanu) = we weten | מֶה (me) = wat | הָ֥יָה (haya) = geworden is | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (elohim) staat hier in het meervoud met een meervoudig werkwoord (‘die voor ons uit gaan’): het volk vraagt om goden, niet om een afbeelding van Yahweh. In vers 4 staat ‘Dit zijn jullie goden’ in het meervoud, naar de vorm van de tekst. Vergelijk 1 Kon. 12:28. Zie ook Deut. 9:7–21; Neh. 9:18; Ps. 106:19–23; Hand. 7:39–41 en 1 Kor. 10:7. Zie ook: Ex 24:18; Ex 32:4; Deut 9:7–21; Deut 9:9; Ps 106:19–23; 1 Kon 12:28; Neh 9:18; Mat 24:48; Hand 7:39–41; Hand 7:40; 1 Kor 10:7; 2 Petr 3:4 **32:2** Aäron zei tot hen: „Haal de gouden oorringen af die in de oren van jullie vrouwen, jullie zonen en jullie dochters zitten, en breng ze bij mij.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | פָּֽרְקוּ֙ (parequ) = haal af | נִזְמֵ֣י (nizmei) = ringen van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | נְשֵׁיכֶ֔ם (nesheikhem) = jullie vrouwen | בְּנֵיכֶ֖ם (beneikhem) = jullie zonen | וּבְנֹתֵיכֶ֑ם (uvenoteikhem) = en jullie dochters | וְהָבִ֖יאוּ (vehaviu) = en breng | אֵלָֽי (elay) = bij mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:35–36; Re 8:24–27; Hos 2:10; Ezech 16:11–12; Ezech 16:17 **32:3** Heel het volk haalde de gouden oorringen af die in hun oren zaten en bracht ze bij Aäron. Brontekst: וַיִּתְפָּֽרְקוּ֙ (vayitparequ) = en haalden af | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | נִזְמֵ֥י (nizmei) = ringen van | הַזָּהָ֖ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּאָזְנֵיהֶ֑ם (beazeneihem) = in hun oren | וַיָּבִ֖יאוּ (vayaviu) = en brachten | אֶֽל (el) = naar | אַהֲרֹֽן (aharon) = Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 17:3–4; Jes 40:19–20; Jes 46:6; Jer 10:9 **32:4** Hij nam het van hun hand, vormde het met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Zij zeiden: „Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.” Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | מִיָּדָ֗ם (miyadam) = van hun hand | וַיָּ֤צַר (vayatsar) = en vormde | אֹתוֹ֙ (oto) = het | בַּחֶ֔רֶט (bacheret) = met een stift | וַֽיַּעֲשֵׂ֖הוּ (vayaasehu) = en maakte het | עֵ֣גֶל (egel) = een kalf | מַסֵּכָ֑ה (masekha) = gegoten | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | אֵ֤לֶּה (ele) = dit zijn | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je goden | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶעֱל֖וּךָ (heelukha) = je lieten opgaan | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חֶרֶט (cheret) is een graveerstift of een zak; de zin is moeilijk. Wij kiezen ‘graveerstift’, waarmee Aäron het goud in vorm bracht. Het gouden kalf (עֵגֶל, ‘egel) is een stierbeeld. In Egypte en Kanaän stond de stier voor kracht en vruchtbaarheid. Zie ook: Ex 32:8; Deut 9:16; 1 Kon 12:28; Neh 9:18; Hand 7:41 **32:5** Toen Aäron dat zag, bouwde hij er een altaar voor en riep uit: „Morgen is er een feest voor Yahweh.” Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en bouwde | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = een altaar | לְפָנָ֑יו (lefanav) = voor het | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | אַֽהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | חַ֥ג (chag) = feest | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | מָחָֽר (machar) = morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron noemt het feest ‘voor Yahweh’: het volk wil Yahweh dienen via het beeld, wat Yahweh verbood (Exod. 20:4–5). Zie ook: Ex 20:4–5; Lev 23:2; Lev 23:4; Lev 23:37; 2 Kon 10:20; Hos 8:14 **32:6** De volgende dag stonden zij vroeg op, offerden brandoffers en brachten vredeoffers. Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om zich te vermaken. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֨ימוּ֙ (vayashkimu) = en stonden vroeg op | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en offerden | עֹלֹ֔ת (olot) = brandoffers | וַיַּגִּ֖שׁוּ (vayagishu) = en brachten | שְׁלָמִ֑ים (shelamim) = vredeoffers | וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en ging zitten | הָעָם֙ (haam) = het volk | לֶֽאֱכֹ֣ל (leekhol) = om te eten | וְשָׁת֔וֹ (veshato) = en dronken | וַיָּקֻ֖מוּ (vayaqumu) = en stonden op | לְצַחֵֽק (letsacheq) = om te spelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְצַחֵק (letsacheq), ‘om te spelen’, kan ook ‘uitgelaten feestvieren’ betekenen, soms met een seksuele ondertoon (vergelijk Gen. 26:8; 1 Kor. 10:7). Zie ook: Gen 26:8; Ex 24:4–5; Ex 32:17–19; Num 25:2; Hand 7:41–42; 1 Kor 10:7 ### Yahweh wil het volk verdelgen **32:7** Yahweh sprak tot Mozes: **„Ga, daal af, want je volk, dat je uit het land Egypte hebt geleid, heeft zich bedorven.** Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | לֶךְ (lekh) = ga | רֵ֕ד (red) = daal af | כִּ֚י (ki) = want | שִׁחֵ֣ת (shichet) = heeft bedorven | עַמְּךָ֔ (amekha) = je volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הֶעֱלֵ֖יתָ (heeleita) = je liet opgaan | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 6:11–12; Ex 32:11; Deut 9:12; Re 2:19; Hos 9:9 **32:8** **Snel zijn zij afgeweken van de weg die Ik hun geboden heb: zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, zij hebben zich ervoor neergebogen, hebben er offers aan gebracht en gezegd: ‘Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.’”** Brontekst: סָ֣רוּ (saru) = zij zijn afgeweken | מַהֵ֗ר (maher) = snel | מִן (min) = van | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | צִוִּיתִ֔ם (tsivitim) = Ik gebood hen | עָשׂ֣וּ (asu) = zij maakten | לָהֶ֔ם (lahem) = zich | עֵ֖גֶל (egel) = een kalf | מַסֵּכָ֑ה (masekha) = gegoten | וַיִּשְׁתַּֽחֲווּ (vayishtachavu) = en bogen zich neer | לוֹ֙ (lo) = voor het | וַיִּזְבְּחוּ (vayizbechu) = en offerden | ל֔וֹ (lo) = aan het | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | אֵ֤לֶּה (ele) = dit zijn | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je goden | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶֽעֱל֖וּךָ (heelukha) = je lieten opgaan | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 20:3–4; Ex 20:23; Ex 22:19; Deut 9:16; 1 Kon 12:28 **32:9** Yahweh zei tot Mozes: **„Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = Ik heb gezien | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | עַם (am) = een volk | קְשֵׁה (qeshe) = hard van | עֹ֖רֶף (oref) = nek | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Halsstarrig’ is letterlijk ‘hard van nek’: een volk dat zijn nek niet buigt. Zie ook Exod. 33:3, 5; 34:9. Zie ook: Ex 33:3; Ex 34:9; Deut 9:13; Jes 48:4; Hand 7:51 **32:10** **Laat Mij nu begaan, opdat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen verteer; dan maak Ik jou tot een groot volk.”** Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הַנִּ֣יחָה (hanicha) = laat rusten | לִּ֔י (li) = Mij | וְיִֽחַר (veyichar) = en ontbrande | אַפִּ֥י (api) = Mijn toorn | בָהֶ֖ם (bahem) = tegen hen | וַאֲכַלֵּ֑ם (vaakhalem) = en Ik verteer hen | וְאֶֽעֱשֶׂ֥ה (veeese) = en Ik maak | אוֹתְךָ֖ (otekha) = jou | לְג֥וֹי (legoy) = tot een volk | גָּדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Laat Mij begaan’: Yahweh nodigt Mozes uit om te pleiten; Mozes grijpt die kans aan (vers 11–13). Zie ook: Ex 22:23; Ex 32:11–13; Num 14:12; Num 17:10–13; Deut 9:14; Deut 9:19 ### Mozes pleit voor het volk **32:11** Mozes smeekte Yahweh, zijn Elohim, en zei: „Waarom, Yahweh, ontbrandt Uw toorn tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte hebt geleid? Brontekst: וַיְחַ֣ל (vaychal) = en smeekte | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֖י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | לָמָ֤ה (lama) = waarom | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יֶחֱרֶ֤ה (yechere) = ontbrandt | אַפְּךָ֙ (apekha) = Uw toorn | בְּעַמֶּ֔ךָ (beamekha) = tegen Uw volk | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | הוֹצֵ֨אתָ֙ (hotseta) = U uitleidde | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּכֹ֥חַ (bekhoach) = met kracht | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | וּבְיָ֥ד (uveyad) = en met hand | חֲזָקָֽה (chazaqa) = sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וַיְחַל (wayechal), ‘hij smeekte’, is letterlijk ‘hij maakte het aangezicht van Yahweh zacht’. Zie ook: Num 11:11; Deut 9:18–20; Deut 9:26–29; Ps 106:23; Jes 63:17 **32:12** Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: ‘Met kwade bedoeling heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van het oppervlak van de grond te vernietigen’? Keer terug van Uw hevige toorn en laat U het kwaad rouwen dat U Uw volk wilt aandoen. Brontekst: לָמָּה֩ (lama) = waarom | יֹאמְר֨וּ (yomru) = zouden zeggen | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | לֵאמֹ֗ר (lemor) = om te zeggen | בְּרָעָ֤ה (beraa) = met kwaad | הֽוֹצִיאָם֙ (hotsiam) = leidde Hij hen uit | לַהֲרֹ֤ג (laharog) = om te doden | אֹתָם֙ (otam) = hen | בֶּֽהָרִ֔ים (beharim) = in de bergen | וּ֨לְכַלֹּתָ֔ם (ulekhalotam) = en om hen te vernietigen | מֵעַ֖ל (meal) = van op | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הָֽאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | שׁ֚וּב (shuv) = keer terug | מֵחֲר֣וֹן (mecharon) = van de hitte van | אַפֶּ֔ךָ (apekha) = Uw toorn | וְהִנָּחֵ֥ם (vehinachem) = en laat U rouwen | עַל (al) = over | הָרָעָ֖ה (haraa) = het kwaad | לְעַמֶּֽךָ (leamekha) = tegen Uw volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:14; Num 14:13–16; Deut 9:28; Deut 32:36; Joz 7:9 **32:13** Gedenk Abraham, Isaak en Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf gezworen hebt en tot wie U gezegd hebt: ‘Ik zal jullie nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan jullie nageslacht geven, en zij zullen het voor altijd bezitten.’” Brontekst: זְכֹ֡ר (zekhor) = gedenk | לְאַבְרָהָם֩ (leavraham) = Abraham | לְיִצְחָ֨ק (leyitschaq) = Isaak | וּלְיִשְׂרָאֵ֜ל (uleyisrael) = en Israël | עֲבָדֶ֗יךָ (avadeikha) = Uw dienaren | אֲשֶׁ֨ר (asher) = aan wie | נִשְׁבַּ֣עְתָּ (nishbata) = U zwoer | לָהֶם֮ (lahem) = hen | בָּךְ֒ (bakh) = bij Uzelf | וַתְּדַבֵּ֣ר (vatedaber) = en U sprak | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אַרְבֶּה֙ (arbe) = Ik zal talrijk maken | אֶֽת (et) = (obj.) | זַרְעֲכֶ֔ם (zarakhem) = jullie nageslacht | כְּכוֹכְבֵ֖י (kekhokhevei) = als de sterren van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְכָל (vekhal) = en heel | הָאָ֨רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֜את (hazot) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אָמַ֗רְתִּי (amarti) = Ik gesproken heb | אֶתֵּן֙ (eten) = zal Ik geven | לְזַרְעֲכֶ֔ם (lezarakhem) = aan jullie nageslacht | וְנָחֲל֖וּ (venachalu) = en zij zullen bezitten | לְעֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes beroept zich op wat Yahweh Zelf aan de aartsvaders heeft gezworen (Gen. 12:2; 15:5; 22:16–17; 26:4; 35:11). Zie ook: Gen 12:2; Gen 12:7; Gen 15:5; Gen 15:18; Gen 22:16; Heb 6:13 **32:14** Toen liet Yahweh Zich het kwaad rouwen dat Hij had gezegd Zijn volk te zullen aandoen. Brontekst: וַיִּנָּ֖חֶם (vayinachem) = en liet Zich rouwen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֶּ֖ר (diber) = Hij sprak | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | לְעַמּֽוֹ (leamo) = aan Zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּחֶם (wayyinnachem) betekent ‘Hij liet Zich het kwaad rouwen’, een bewogenheid over wat Hij had aangekondigd. Zie ook Jona 3:10. Zie ook: 1 Kron 21:15; Ps 106:45; Jona 3:10; Jer 18:8; Jer 26:13 ### Mozes daalt af en breekt de tafelen **32:15** Mozes keerde zich om en daalde van de berg af, met de twee tafelen van het getuigenis in zijn hand, tafelen die aan twee kanten beschreven waren: aan beide zijden waren ze beschreven. Brontekst: וַיִּ֜פֶן (vayifen) = en keerde zich om | וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en daalde af | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | מִן (min) = van | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וּשְׁנֵ֛י (ushenei) = en twee | לֻחֹ֥ת (luchot) = tafelen van | הָעֵדֻ֖ת (haedut) = het getuigenis | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | לֻחֹ֗ת (luchot) = tafelen | כְּתֻבִים֙ (ketuvim) = beschreven | מִשְּׁנֵ֣י (mishenei) = aan hun twee | עֶבְרֵיהֶ֔ם (evreihem) = kanten | מִזֶּ֥ה (mize) = aan deze kant | וּמִזֶּ֖ה (umize) = en aan die kant | הֵ֥ם (hem) = zij | כְּתֻבִֽים (ketuvim) = beschreven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tafelen waren aan beide zijden beschreven (zie Exod. 31:18; Deut. 9:10). Zie ook: Ex 24:18; Ex 31:18; Ex 40:20; Deut 5:22; Deut 9:10; Deut 9:15; Ps 19:8 **32:16** De tafelen waren het werk van Elohim, en het schrift was het schrift van Elohim, gegraveerd op de tafelen. Brontekst: וְהַ֨לֻּחֹ֔ת (vehaluchot) = en de tafelen | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | הֵ֑מָּה (hema) = zij | וְהַמִּכְתָּ֗ב (vehamikhtav) = en het schrift | מִכְתַּ֤ב (mikhtav) = schrift van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | ה֔וּא (hu) = het | חָר֖וּת (charut) = gegraveerd | עַל (al) = op | הַלֻּחֹֽת (haluchot) = de tafelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:18; Ex 34:4; Deut 9:15; 2 Kor 3:3; Heb 8:10 **32:17** Toen Jozua het geluid van het volk hoorde, terwijl het juichte, zei hij tot Mozes: „Er is oorlogsgeschreeuw in het kamp.” Brontekst: וַיִּשְׁמַ֧ע (vayishma) = en hoorde | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | ק֥וֹל (qol) = geluid van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּרֵעֹ֑ה (bereo) = in zijn gejuich | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | ק֥וֹל (qol) = geluid van | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | בַּֽמַּחֲנֶה (bamachane) = in het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jozua was bij Mozes op de berg (Exod. 24:13) en hoort hier het lawaai uit het kamp. Zie ook: Job 39:25; Ex 17:9; Ex 24:13; Joz 6:20; Re 15:14 **32:18** Hij zei: „Dit is geen geluid van een zegezang en geen geluid van een nederlaagzang; het geluid van zingen hoor ik.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אֵ֥ין (ein) = niet | קוֹל֙ (qol) = geluid van | עֲנ֣וֹת (anot) = antwoord van | גְּבוּרָ֔ה (gevura) = overwinning | וְאֵ֥ין (veein) = en niet | ק֖וֹל (qol) = geluid van | עֲנ֣וֹת (anot) = antwoord van | חֲלוּשָׁ֑ה (chalusha) = nederlaag | ק֣וֹל (qol) = geluid van | עַנּ֔וֹת (anot) = zingen | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | שֹׁמֵֽעַ (shomea) = hoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse zin gebruikt hier de uitdrukking ‘antwoord geven’ (עֲנוֹת, ‘anot) voor zingen of roepen. De tekst speelt met de klank van het woord. Zie ook: Ex 15:1–18; Dan 5:4; Dan 5:23 **32:19** Toen hij het kamp naderde en het kalf en de dansende mensen zag, ontbrandde Mozes' toorn; hij wierp de tafelen uit zijn handen en brak ze in stukken onder aan de berg. Brontekst: וַֽיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = toen | קָרַב֙ (qarav) = hij naderde | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵ֖גֶל (haegel) = het kalf | וּמְחֹלֹ֑ת (umecholot) = en dansen | וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֣ף (af) = toorn van | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיַּשְׁלֵ֤ךְ (vayashlekh) = en wierp | מִיָּדָיו֙ (miyadav) = uit zijn handen | אֶת (et) = (obj.) | הַלֻּחֹ֔ת (haluchot) = de tafelen | וַיְשַׁבֵּ֥ר (vayshaber) = en brak | אֹתָ֖ם (otam) = ze | תַּ֥חַת (tachat) = onder | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes breekt de tafelen: het verbond is door het volk verbroken. Zie Deut. 9:17. Zie ook: Ex 32:4–6; Num 12:3; Deut 9:16–17; Deut 9:17; Jer 31:32; Mat 5:22 **32:20** Hij nam het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het met vuur, maalde het tot het fijn was, strooide het op het water en liet de zonen van Israël ervan drinken. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵ֨גֶל (haegel) = het kalf | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עָשׂוּ֙ (asu) = zij maakten | וַיִּשְׂרֹ֣ף (vayisrof) = en verbrandde | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | וַיִּטְחַ֖ן (vayitchan) = en maalde | עַ֣ד (ad) = totdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | דָּ֑ק (daq) = fijn | וַיִּ֨זֶר֙ (vayizer) = en strooide | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וַיַּ֖שְׁקְ (vayashq) = en liet drinken | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk moet van het water drinken: de afgod wordt letterlijk in hen opgenomen en onschadelijk gemaakt. Vergelijk Num. 5:11–31. Zie ook: Num 5:11–31; Deut 7:25; Deut 9:21; Spr 1:31; Spr 14:14; 2 Kon 23:6 ### Aäron legt rekenschap af **32:21** Mozes zei tot Aäron: „Wat heeft dit volk je aangedaan, dat je een grote zonde over hen hebt gebracht?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | מֶֽה (me) = wat | עָשָׂ֥ה (asa) = heeft gedaan | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | כִּֽי (ki) = dat | הֵבֵ֥אתָ (heveta) = je hebt gebracht | עָלָ֖יו (alav) = over hen | חֲטָאָ֥ה (chataa) = zonde | גְדֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:9; Joz 7:19–26; 1 Sam 26:19; 1 Kon 14:16; 1 Kon 21:22 **32:22** Aäron zei: „Laat de toorn van mijn heer niet ontbranden; u kent het volk, dat het tot het kwade geneigd is. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | אַל (al) = niet | יִ֥חַר (yichar) = laat ontbranden | אַ֖ף (af) = toorn van | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | אַתָּה֙ (ata) = u | יָדַ֣עְתָּ (yadata) = kent | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כִּ֥י (ki) = dat | בְרָ֖ע (bera) = tot het kwaad | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:11; Ex 15:24; Ex 16:20; Deut 9:24; Ps 36:5 **32:23** Zij zeiden tot mij: ‘Maak ons goden die voor ons uit gaan, want we weten niet wat er met Mozes, die man die ons uit het land Egypte heeft geleid, is gebeurd.’ Brontekst: וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | לִ֔י (li) = tegen mij | עֲשֵׂה (ase) = maak | לָ֣נוּ (lanu) = voor ons | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = goden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֵלְכ֖וּ (yelekhu) = zullen gaan | לְפָנֵ֑ינוּ (lefaneinu) = voor ons uit | כִּי (ki) = want | זֶ֣ה (ze) = deze | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | הָאִ֗ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הֶֽעֱלָ֨נוּ֙ (heelanu) = ons liet opgaan | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לֹ֥א (lo) = niet | יָדַ֖עְנוּ (yadanu) = we weten | מֶה (me) = wat | הָ֥יָה (haya) = geworden is | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 32:1–4; Ex 32:8 **32:24** Ik zei tot hen: ‘Wie goud heeft, haal het af.’ Zij gaven het mij, ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam eruit.” Brontekst: וָאֹמַ֤ר (vaomar) = en ik zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | לְמִ֣י (lemi) = wie | זָהָ֔ב (zahav) = goud | הִתְפָּרָ֖קוּ (hitparaqu) = haal af | וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en zij gaven | לִ֑י (li) = mij | וָאַשְׁלִכֵ֣הוּ (vaashlikhehu) = en ik wierp het | בָאֵ֔שׁ (baesh) = in het vuur | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en kwam uit | הָעֵ֥גֶל (haegel) = het kalf | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:12–13; Ex 32:4; Luc 10:29; Rom 3:10 ### De Levieten kiezen de zijde van Yahweh **32:25** Mozes zag dat het volk ontketend was, want Aäron had hen ontketend, tot schande onder hun tegenstanders. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en zag | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כִּ֥י (ki) = dat | פָרֻ֖עַ (parua) = ontketend | ה֑וּא (hu) = het was | כִּֽי (ki) = want | פְרָעֹ֣ה (perao) = had ontketend | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | לְשִׁמְצָ֖ה (leshimtsa) = tot schande | בְּקָמֵיהֶֽם (beqameihem) = onder hun tegenstanders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרֻעַ (para‘) is ‘ontketend’ of ‘losgeslagen’, letterlijk ‘met ongekamd haar’. De zin houdt in dat het volk zijn tucht had verloren. Zie ook: Jes 47:3; Mi 1:11; Ezech 16:63; Dan 12:2; Openb 16:15 **32:26** Mozes ging in de poort van het kamp staan en zei: „Wie voor Yahweh is, kom hier bij mij!” Alle Levieten verzamelden zich bij hem. Brontekst: וַיַּעֲמֹ֤ד (vayaamod) = en stond | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = in de poort van | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מִ֥י (mi) = wie | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וַיֵּאָסְפ֥וּ (vayeasefu) = en verzamelden zich | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Over de trouw van de Levieten, zie ook Deut. 33:8–11. Zie ook: Deut 33:8–11; Joz 5:13; 2 Sam 20:11; 2 Kon 9:32; Mat 12:30 **32:27** Hij zei tot hen: „Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: **‘Ieder moet zijn zwaard aan zijn heup gorden. Ga van poort naar poort door het kamp heen en weer, en dood ieder zijn broer, ieder zijn vriend en ieder zijn verwant.’**” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שִׂ֥ימוּ (simu) = leg | אִישׁ (ish) = ieder | חַרְבּ֖וֹ (charbo) = zijn zwaard | עַל (al) = aan | יְרֵכ֑וֹ (yerekho) = zijn heup | עִבְר֨וּ (ivru) = ga heen | וָשׁ֜וּבוּ (vashuvu) = en keer terug | מִשַּׁ֤עַר (mishaar) = van poort | לָשַׁ֨עַר֙ (lashaar) = naar poort | בַּֽמַּחֲנֶ֔ה (bamachane) = in het kamp | וְהִרְג֧וּ (vehirgu) = en dood | אִֽישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אָחִ֛יו (achiv) = zijn broer | וְאִ֥ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn vriend | וְאִ֥ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | קְרֹבֽוֹ (qerovo) = zijn verwant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten krijgen hun taak omdat zij als eersten aan de zijde van Yahweh staan. Het doden gaat om de schuldigen, niet om de familieband. Zie ook: Ex 32:26; Ex 32:29; Num 25:5; Deut 33:8–9; Luc 14:26 **32:28** De Levieten deden wat Mozes gezegd had; op die dag vielen er ongeveer drieduizend man van het volk. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en deden | בְנֵֽי (benei) = zonen van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = naar het woord van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיִּפֹּ֤ל (vayipol) = en vielen | מִן (min) = van | הָעָם֙ (haam) = het volk | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֔וּא (hahu) = die | כִּשְׁלֹ֥שֶׁת (kishloshet) = ongeveer drie | אַלְפֵ֖י (alfei) = duizend van | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het aantal van ongeveer drieduizend gaat over de mensen die op die dag vielen. Zie ook: Num 16:32–35; Num 17:6; Deut 33:9; Mal 2:4–6; 1 Kor 10:8 **32:29** Mozes zei: „Wijd jullie vandaag aan Yahweh, ieder ten koste van zijn zoon en zijn broer, zodat Hij jullie vandaag een zegen schenkt.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | מִלְא֨וּ (milu) = vul | יֶדְכֶ֤ם (yedkhem) = jullie hand | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | כִּ֛י (ki) = want | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | בִּבְנ֖וֹ (bivno) = tegen zijn zoon | וּבְאָחִ֑יו (uveachiv) = en tegen zijn broer | וְלָתֵ֧ת (velatet) = en om te geven | עֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = aan jullie | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | בְּרָכָֽה (berakha) = een zegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 25:11–13; Deut 13:7–12; Spr 21:3; Zach 13:3; Mat 10:37 ### Mozes pleit opnieuw **32:30** De volgende dag zei Mozes tot het volk: „Jullie hebben een grote zonde begaan. Nu ga ik op naar Yahweh; misschien kan ik verzoening doen voor jullie zonde.” Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het geschiedde | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | חֲטָאתֶ֖ם (chatatem) = hebben gezondigd | חֲטָאָ֣ה (chataa) = zonde | גְדֹלָ֑ה (gedola) = grote | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | אֶֽעֱלֶ֣ה (eele) = ik ga op | אֶל (el) = naar | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אוּלַ֥י (ulay) = misschien | אֲכַפְּרָ֖ה (akhapera) = kan ik verzoenen | בְּעַ֥ד (bead) = voor | חַטַּאתְכֶֽם (chatatkhem) = jullie zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 25:13; 1 Sam 12:20; 1 Sam 12:23; 2 Sam 16:12; Jona 3:9 **32:31** Mozes keerde terug naar Yahweh en zei: „Ach, dit volk heeft een grote zonde begaan: zij hebben zich goden van goud gemaakt. Brontekst: וַיָּ֧שָׁב (vayashav) = en keerde terug | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אָ֣נָּ֗א (ana) = ach | חָטָ֞א (chata) = heeft gezondigd | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | חֲטָאָ֣ה (chataa) = zonde | גְדֹלָ֔ה (gedola) = grote | וַיַּֽעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en zij maakten | לָהֶ֖ם (lahem) = zich | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = goden van | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:23; Ex 32:30; Deut 9:18–19; Dan 9:8; Dan 9:11 **32:32** Vergeef hun nu hun zonde — en zo niet, wis mij dan uit het boek dat U geschreven hebt.” Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | אִם (im) = als | תִּשָּׂ֣א (tisa) = U vergeeft | חַטָּאתָ֑ם (chatatam) = hun zonde | וְאִם (veim) = en als | אַ֕יִן (ayin) = niet | מְחֵ֣נִי (mecheni) = wis mij uit | נָ֔א (na) = toch | מִֽסִּפְרְךָ֖ (misifrekha) = uit Uw boek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּתָֽבְתָּ (katavta) = U geschreven hebt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin breekt in het Hebreeuws af: ‘als U hun zonde vergeeft — ’. De rest van de zin ontbreekt, en dan volgt ‘en zo niet, wis mij toch uit’. Voetnoot : De vorm תִּשָּׂא (tissa) betekent letterlijk ‘dragen’; bij schuld vertalen wij ‘vergeven’. Voetnoot Uitleg: ‘Het boek dat U geschreven hebt’ is het boek van het leven; zie ook Ps. 69:29; Fil. 4:3; Openb. 3:5 en Rom. 9:3. Zie ook: Ps 69:29; Dan 12:1; Rom 9:3; Fil 4:3; Openb 3:5; Openb 21:27 **32:33** Yahweh zei tot Mozes: **„Wie tegen Mij gezondigd heeft, hem zal Ik uit Mijn boek wissen.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | מִ֚י (mi) = wie | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָֽטָא (chata) = gezondigd heeft | לִ֔י (li) = tegen Mij | אֶמְחֶ֖נּוּ (emchenu) = zal Ik hem uitwissen | מִסִּפְרִֽי (misifri) = uit Mijn boek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:30; Deut 29:19; Ps 69:29; Ezech 18:4; Openb 20:12 **32:34** **Ga nu, leid het volk naar de plaats waarover Ik tot je gesproken heb. Zie, Mijn engel zal voor je uit gaan; maar op de dag dat Ik straf, zal Ik hun zonde over hen brengen.”** Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | נְחֵ֣ה (neche) = leid | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֗ם (haam) = het volk | אֶ֤ל (el) = naar | אֲשֶׁר (asher) = waar | דִּבַּ֨רְתִּי֙ (dibarti) = Ik sprak | לָ֔ךְ (lakh) = tot jou | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | מַלְאָכִ֖י (malakhi) = Mijn engel | יֵלֵ֣ךְ (yelekh) = zal gaan | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je uit | וּבְי֣וֹם (uveyom) = en op de dag van | פָּקְדִ֔י (paqedi) = Mijn bezoeking | וּפָקַדְתִּ֥י (ufaqadti) = zal Ik bezoeken | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | חַטָּאתָֽם (chatatam) = hun zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh stelt Zijn engel aan voor de reis; in Exod. 33:2–3 zegt Hij dat Hij Zelf niet mee zal gaan. Zie ook: Ex 23:20; Ex 33:2; Ex 33:14–15; Deut 32:35; Mat 23:35 **32:35** Yahweh trof het volk met een plaag, omdat zij het kalf gemaakt hadden dat Aäron gemaakt had. Brontekst: וַיִּגֹּ֥ף (vayigof) = en trof | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑ם (haam) = het volk | עַ֚ל (al) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשׂ֣וּ (asu) = zij maakten | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵ֔גֶל (haegel) = het kalf | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte | אַהֲרֹֽן (aharon) = Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De plaag onder het volk wordt hier kort genoemd; wat precies gebeurde, wordt niet verteld. Zie ook: Ex 32:25; 2 Sam 12:9–10; Mat 27:3–7; Hand 1:18; Hand 7:41 ## Exodus 33 _De tent van samenkomst en Yahweh's aangezicht_ ### Yahweh zal niet meegaan **33:1** Yahweh sprak tot Mozes: **„Ga, trek op van hier, jij en het volk dat je uit het land Egypte hebt geleid, naar het land waarover Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb: ‘Aan jouw nageslacht zal Ik het geven.’** Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | עֲלֵ֣ה (ale) = trek op | מִזֶּ֔ה (mize) = van hier | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וְהָעָ֔ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הֶֽעֱלִ֖יתָ (heelita) = je liet opgaan | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶל (el) = naar | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נִ֠שְׁבַּעְתִּי (nishbati) = Ik zwoer | לְאַבְרָהָ֨ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֤ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹב֙ (uleyaaqov) = en aan Jakob | לֵאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | לְזַרְעֲךָ֖ (lezarakha) = aan je nageslacht | אֶתְּנֶֽנָּה (etenena) = zal Ik het geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Na het kalf zegt Yahweh dat Hij Zelf niet met het volk meegaat, maar een engel zal sturen (vergelijk Exod. 23:20–23; 32:34). Zie ook: Gen 12:7; Gen 22:16–18; Gen 26:3; Ex 23:20–23; Ex 32:7; Ex 32:13; Ex 32:34 **33:2** **Ik zal een engel voor je uit zenden en de Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten verdrijven,** Brontekst: וְשָׁלַחְתִּ֥י (veshalachti) = en Ik zal zenden | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor je uit | מַלְאָ֑ךְ (malakh) = een engel | וְגֵֽרַשְׁתִּ֗י (vegerashti) = en Ik zal verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaänieten | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | וְהַֽחִתִּי֙ (vehachiti) = en de Hethieten | וְהַפְּרִזִּ֔י (vehaperizi) = en de Perizzieten | הַחִוִּ֖י (hachivi) = de Chiwwieten | וְהַיְבוּסִֽי (vehayvusi) = en de Jebusieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Ex 23:20; Ex 23:27–31; Ex 32:34; Joz 24:11 **33:3** **naar een land dat overvloeit van melk en honing; maar Ik zal niet in je midden optrekken, want je bent een halsstarrig volk. Anders verteer Ik je onderweg.”** Brontekst: אֶל (el) = naar | אֶ֛רֶץ (erets) = een land van | זָבַ֥ת (zavat) = vloeiend van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָ֑שׁ (udevash) = en honing | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | אֶֽעֱלֶ֜ה (eele) = zal Ik optrekken | בְּקִרְבְּךָ֗ (beqirbekha) = in je midden | כִּ֤י (ki) = want | עַם (am) = een volk | קְשֵׁה (qeshe) = hard van | עֹ֨רֶף֙ (oref) = nek | אַ֔תָּה (ata) = jij | פֶּן (pen) = opdat niet | אֲכֶלְךָ֖ (akhelkha) = Ik je verteer | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = onderweg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Halsstarrig’ is letterlijk ‘hard van nek’; zie Exod. 32:9. Zie ook: Ex 3:8; Ex 32:9–10; Ex 33:15–17; Deut 9:6–13; Hand 7:51 **33:4** Toen het volk dit slechte nieuws hoorde, rouwden zij, en niemand deed zijn sieraden om. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | הָעָ֗ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | הָרָ֛ע (hara) = slechte | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | וַיִּתְאַבָּ֑לוּ (vayitabalu) = en rouwden | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁ֛תוּ (shatu) = deed om | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | עֶדְי֖וֹ (edyo) = zijn sieraad | עָלָֽיו (alav) = op zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk rouwt en doet geen sieraden om. Het is een teken van berouw. Zie ook: Lev 10:6; Num 14:1; Num 14:39; Ezech 24:23; Ezech 26:16 **33:5** Yahweh had tot Mozes gezegd: **„Zeg tot de zonen van Israël: ‘Jullie zijn een halsstarrig volk. Als Ik één ogenblik in je midden optrok, zou Ik je verteren. Doe nu je sieraden af, dan zal Ik weten wat Ik met je zal doen.’”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֱמֹ֤ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | עַם (am) = een volk | קְשֵׁה (qeshe) = hard van | עֹ֔רֶף (oref) = nek | רֶ֧גַע (rega) = een ogenblik | אֶחָ֛ד (echad) = één | אֶֽעֱלֶ֥ה (eele) = zou Ik optrekken | בְקִרְבְּךָ֖ (beqirbekha) = in je midden | וְכִלִּיתִ֑יךָ (vekhilitikha) = en Ik zou je verteren | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הוֹרֵ֤ד (hored) = doe af | עֶדְיְךָ֙ (edyekha) = je sieraden | מֵֽעָלֶ֔יךָ (mealeikha) = van op je | וְאֵדְעָ֖ה (veedea) = en Ik zal weten | מָ֥ה (ma) = wat | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = Ik zal doen | לָּֽךְ (lakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sieraden gingen mee naar het kalf (Exod. 32:2–3); nu legt het volk ze af. Zie ook: Ex 32:2–3; Ex 33:3–4; Num 16:21; Num 17:10–11; Deut 8:2; Ps 139:23 **33:6** Vanaf de berg Horeb namen de zonen van Israël hun sieraden af. Brontekst: וַיִּֽתְנַצְּל֧וּ (vayitnatselu) = en rukten af | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | עֶדְיָ֖ם (edyam) = hun sieraden | מֵהַ֥ר (mehar) = van de berg | חוֹרֵֽב (chorev) = Horeb Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Horeb is de berg Sinaï; zie Exod. 3:1; 17:6; 19:2. Zie ook: Ex 3:1; Ex 17:6; Ex 19:2; Ex 32:3; Ex 33:4; Jer 2:19 ### De tent van samenkomst **33:7** Mozes nam de tent en sloeg die buiten het kamp op, ver van het kamp, en noemde hem tent van samenkomst. Ieder die Yahweh zocht, ging naar de tent van samenkomst buiten het kamp. Brontekst: וּמֹשֶׁה֩ (umoshe) = en Mozes | יִקַּ֨ח (yiqach) = nam | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹ֜הֶל (haohel) = de tent | וְנָֽטָה (venata) = en sloeg op | ל֣וֹ (lo) = voor zich | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֗ה (lamachane) = het kamp | הַרְחֵק֙ (harcheq) = ver | מִן (min) = van | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וְקָ֥רָא (veqara) = en noemde | ל֖וֹ (lo) = haar | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כָּל (kal) = ieder | מְבַקֵּ֣שׁ (mevaqesh) = die zocht | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יֵצֵא֙ (yetse) = ging uit | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶֽה (lamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze tent van samenkomst is nog niet de tabernakel (die nog moet worden gebouwd); zij is een tent die Mozes zelf buiten het kamp opzet, als plaats waar iedereen Yahweh kan raadplegen. Zie ook: Ex 29:42–43; Deut 4:29; Spr 15:29; Jes 55:6–7; Jes 59:2 **33:8** Telkens als Mozes naar de tent ging, stond heel het volk op en ging ieder bij de ingang van zijn tent staan; zij keken Mozes na tot hij de tent was binnengegaan. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het was | כְּצֵ֤את (ketset) = toen uitging | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | יָק֨וּמוּ֙ (yaqumu) = stonden op | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְנִ֨צְּב֔וּ (venitsevu) = en stonden | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | פֶּ֣תַח (petach) = de ingang van | אָהֳל֑וֹ (aholo) = zijn tent | וְהִבִּ֨יטוּ֙ (vehibitu) = en keken | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | עַד (ad) = totdat | בֹּא֖וֹ (boo) = hij binnenging | הָאֹֽהֱלָה (haohela) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:27 **33:9** Zodra Mozes de tent binnenging, daalde de wolkkolom neer en bleef bij de ingang van de tent staan, en Hij sprak met Mozes. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het was | כְּבֹ֤א (kevo) = toen binnenging | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | הָאֹ֔הֱלָה (haohela) = de tent | יֵרֵד֙ (yered) = daalde neer | עַמּ֣וּד (amud) = kolom van | הֶֽעָנָ֔ן (heanan) = de wolk | וְעָמַ֖ד (veamad) = en bleef staan | פֶּ֣תַח (petach) = de ingang van | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | וְדִבֶּ֖ר (vediber) = en sprak | עִם (im) = met | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wolkkolom komt bij de ingang van de tent staan als teken van Yahweh's aanwezigheid; zie ook Exod. 13:21–22; Num. 12:5. Zie ook: Gen 18:33; Ex 13:21–22; Ex 31:18; Ex 34:9; Num 12:5; Ps 99:7; Ezech 3:22 **33:10** Als heel het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, stond het op en boog zich ieder neer bij de ingang van zijn tent. Brontekst: וְרָאָ֤ה (veraa) = en zag | כָל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֣וּד (amud) = kolom van | הֶֽעָנָ֔ן (heanan) = de wolk | עֹמֵ֖ד (omed) = staan | פֶּ֣תַח (petach) = de ingang van | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | וְקָ֤ם (veqam) = en stond op | כָּל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | וְהִֽשְׁתַּחֲוּ֔וּ (vehishtachauu) = en bogen zich neer | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | אָהֳלֽוֹ (aholo) = zijn tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:31; 1 Kon 8:14; 1 Kon 8:22; Luc 18:13 **33:11** Yahweh sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand met zijn vriend spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongen, week niet uit de tent. Brontekst: וְדִבֶּ֨ר (vediber) = en sprak | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | פָּנִ֣ים (panim) = aangezicht | אֶל (el) = tot | פָּנִ֔ים (panim) = aangezicht | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = spreekt | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn vriend | וְשָׁב֙ (veshav) = en keerde terug | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וּמְשָׁ֨רְת֜וֹ (umeshareto) = en zijn dienaar | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נוּן֙ (nun) = Nun | נַ֔עַר (naar) = jongen | לֹ֥א (lo) = niet | יָמִ֖ישׁ (yamish) = week | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Van aangezicht tot aangezicht’ drukt de nabijheid uit van Yahweh en Mozes; zie ook Num. 12:6–8; Deut. 34:10. Zie ook: Ex 24:13; Ex 33:9; Num 12:6–8; Num 12:8; Deut 34:10; Joh 15:14–15 ### Mozes pleit dat Yahweh meegaat **33:12** Mozes zei tot Yahweh: „Zie, U zegt tot mij: ‘Leid dit volk op’, maar U hebt mij niet laten weten wie U met mij zult zenden. En U hebt gezegd: ‘Ik ken je bij naam, en je hebt ook gunst gevonden in Mijn ogen.’ Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | רְ֠אֵה (ree) = zie | אַתָּ֞ה (ata) = U | אֹמֵ֤ר (omer) = zegt | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | הַ֚עַל (haal) = leid op | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְאַתָּה֙ (veata) = en U | לֹ֣א (lo) = niet | הֽוֹדַעְתַּ֔נִי (hodatani) = hebt mij laten weten | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | תִּשְׁלַ֖ח (tishlach) = U zult zenden | עִמִּ֑י (imi) = met mij | וְאַתָּ֤ה (veata) = en U | אָמַ֨רְתָּ֙ (amarta) = hebt gezegd | יְדַעְתִּ֣יךָֽ (yedatikha) = ik ken je | בְשֵׁ֔ם (beshem) = bij naam | וְגַם (vegam) = en ook | מָצָ֥אתָ (matsata) = je hebt gevonden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינָֽי (beeinay) = in Mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes pleit nu voor Yahweh's aanwezigheid bij het volk (vers 12–16). Zie ook: Ex 32:34; Ex 33:17; Jer 1:5; Joh 10:14–15; 2 Tim 2:19 **33:13** Als ik nu gunst gevonden heb in Uw ogen, laat mij dan Uw weg kennen, zodat ik U ken en gunst vind in Uw ogen. Bedenk ook dat dit volk Uw volk is.” Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | אִם (im) = als | נָא֩ (na) = toch | מָצָ֨אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֜ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֗יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | הוֹדִעֵ֤נִי (hodieni) = laat mij kennen | נָא֙ (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | דְּרָכֶ֔ךָ (derakhekha) = Uw weg | וְאֵדָ֣עֲךָ֔ (veedaakha) = opdat ik U ken | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | אֶמְצָא (emtsa) = ik vind | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | וּרְאֵ֕ה (uree) = en zie | כִּ֥י (ki) = dat | עַמְּךָ֖ (amekha) = Uw volk | הַגּ֥וֹי (hagoy) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 25:4; Ps 27:11; Ps 86:11; Ps 119:33; Joh 17:3 **33:14** Hij zei: **„Mijn aangezicht zal meegaan, en Ik zal je rust geven.”** Brontekst: וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | פָּנַ֥י (panay) = Mijn aangezicht | יֵלֵ֖כוּ (yelekhu) = zal gaan | וַהֲנִחֹ֥תִי (vahanichoti) = en Ik zal rust geven | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּנַי (panai), ‘Mijn aangezicht’, betekent hier Yahweh's eigen tegenwoordigheid. נוּחַ (nuach) is ‘rust’ geven, de rust van het beloofde land. Zie ook: Joz 1:5; Joz 21:44; Jes 63:9; Mat 11:28; Heb 4:8–9 **33:15** Hij zei tot Hem: „Als Uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan niet van hier optrekken. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֑יו (elav) = tot Hem | אִם (im) = als | אֵ֤ין (ein) = niet | פָּנֶ֨יךָ֙ (paneikha) = Uw aangezicht | הֹלְכִ֔ים (holekhim) = gaan | אַֽל (al) = niet | תַּעֲלֵ֖נוּ (taalenu) = laat ons optrekken | מִזֶּֽה (mize) = van hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 33:3; Ex 34:9; Ps 4:7 **33:16** Waaraan zal dan blijken dat ik en Uw volk gunst hebben gevonden in Uw ogen? Is het niet doordat U met ons meegaat? Zo worden ik en Uw volk onderscheiden van alle volken op het oppervlak van de grond.” Brontekst: וּבַמֶּ֣ה (uvame) = en waaraan | יִוָּדַ֣ע (yivada) = wordt bekend | אֵפ֗וֹא (efo) = dan | כִּֽי (ki) = dat | מָצָ֨אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֤ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֨יךָ֙ (beeineikha) = in Uw ogen | אֲנִ֣י (ani) = ik | וְעַמֶּ֔ךָ (veamekha) = en Uw volk | הֲל֖וֹא (halo) = is het niet | בְּלֶכְתְּךָ֣ (belekhtekha) = doordat U gaat | עִמָּ֑נוּ (imanu) = met ons | וְנִפְלֵ֨ינוּ֙ (venifleinu) = en worden onderscheiden | אֲנִ֣י (ani) = ik | וְעַמְּךָ֔ (veamekha) = en Uw volk | מִכָּ֨ל (mikal) = van alle | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:10; Num 14:14; Deut 4:7; 1 Kon 8:53; Mat 1:23 **33:17** Yahweh zei tot Mozes: **„Ook dit woord dat je gesproken hebt, zal Ik doen, want je hebt gunst gevonden in Mijn ogen en Ik ken je bij naam.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | גַּ֣ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = je gesproken hebt | אֶֽעֱשֶׂ֑ה (eese) = zal Ik doen | כִּֽי (ki) = want | מָצָ֤אתָ (matsata) = je hebt gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינַ֔י (beeinay) = in Mijn ogen | וָאֵדָעֲךָ֖ (vaedaakha) = en Ik ken je | בְּשֵֽׁם (beshem) = bij naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:8; Gen 19:21; Ex 33:12; Jes 65:24; 1 Joh 5:14–15 ### Mozes vraagt Yahweh's heerlijkheid te zien **33:18** Hij zei: „Laat mij toch Uw heerlijkheid zien.” Brontekst: וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | הַרְאֵ֥נִי (hareni) = laat mij zien | נָ֖א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | כְּבֹדֶֽךָ (kevodekha) = Uw heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 33:20; 2 Kor 4:6; 1 Tim 6:16; Tit 2:13; Openb 21:23 **33:19** Hij zei: **„Ik zal al Mijn goedheid voor je aangezicht laten voorbijgaan en de naam Yahweh voor je uitroepen; Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig ben, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm.”** Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אֲנִ֨י (ani) = Ik | אַעֲבִ֤יר (aavir) = zal laten voorbijgaan | כָּל (kal) = al | טוּבִי֙ (tuvi) = Mijn goedheid | עַל (al) = voor | פָּנֶ֔יךָ (paneikha) = je aangezicht | וְקָרָ֧אתִֽי (veqarati) = en Ik zal uitroepen | בְשֵׁ֛ם (beshem) = de naam | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je aangezicht | וְחַנֹּתִי֙ (vechanoti) = en Ik zal genadig zijn | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wie | אָחֹ֔ן (achon) = Ik genadig ben | וְרִחַמְתִּ֖י (verichamti) = en Ik zal Mij ontfermen | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wie | אֲרַחֵֽם (arachem) = Ik Mij ontferm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam Yahweh wordt uitgeroepen: Yahweh maakt Zichzelf bekend door wie Hij is. Vergelijk Exod. 34:5–7. Paulus citeert dit vers in Rom. 9:15. Zie ook: Ex 34:5–7; Jes 7:14; Jer 31:12; Jer 31:14; Rom 9:15–18; Ef 1:6–8 **33:20** Hij zei: **„Je kunt Mijn aangezicht niet zien, want geen mens kan Mij zien en blijven leven.”** Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | לֹ֥א (lo) = niet | תוּכַ֖ל (tukhal) = je kunt | לִרְאֹ֣ת (lirot) = zien | אֶת (et) = (obj.) | פָּנָ֑י (panay) = Mijn aangezicht | כִּ֛י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | יִרְאַ֥נִי (yirani) = zal Mij zien | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | וָחָֽי (vachay) = en blijven leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Geen mens kan Yahweh in Zijn volle heerlijkheid zien en blijven leven; zie ook Gen. 32:30; Deut. 5:24. Zie ook: Gen 32:30; Deut 5:24; Re 13:22; Jes 6:5; Joh 1:18; 1 Tim 6:16 **33:21** Yahweh zei: **„Zie, er is een plaats bij Mij; ga op de rots staan.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | אִתִּ֑י (iti) = bij Mij | וְנִצַּבְתָּ֖ (venitsavta) = en ga staan | עַל (al) = op | הַצּֽוּר (hatsur) = de rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Op de berg Horeb (vers 6), in een spleet van de rots. Zie ook 1 Kon. 19:8–13. Zie ook: Ex 33:6; Deut 5:31; Joz 20:4; 1 Kon 19:8–13; Jes 56:5; Zach 3:7; Luc 15:1 **33:22** **Wanneer Mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik je in een rotsspleet zetten en Mijn hand over je heen houden totdat Ik voorbij ben.** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּעֲבֹ֣ר (baavor) = wanneer voorbijgaat | כְּבֹדִ֔י (kevodi) = Mijn heerlijkheid | וְשַׂמְתִּ֖יךָ (vesamtikha) = en Ik zal je zetten | בְּנִקְרַ֣ת (beniqrat) = in een spleet van | הַצּ֑וּר (hatsur) = de rots | וְשַׂכֹּתִ֥י (vesakoti) = en Ik zal bedekken | כַפִּ֛י (kapi) = Mijn hand | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = over je | עַד (ad) = totdat | עָבְרִֽי (averi) = Ik voorbij ben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:3; Ps 91:1; Ps 91:4; Jes 2:21; 1 Kor 10:4 **33:23** **Dan zal Ik Mijn hand wegnemen en zul je Mij van achteren zien; maar Mijn aangezicht kan niet gezien worden.”** Brontekst: וַהֲסִרֹתִי֙ (vahasiroti) = en Ik zal wegnemen | אֶת (et) = (obj.) | כַּפִּ֔י (kapi) = Mijn hand | וְרָאִ֖יתָ (veraita) = en je zult zien | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֹרָ֑י (achoray) = Mijn achterkant | וּפָנַ֖י (ufanay) = en Mijn aangezicht | לֹ֥א (lo) = niet | יֵרָאֽוּ (yerau) = kan gezien worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחֹרָי (achorai), ‘Mijn achterkant’, is een beeld voor wat men van Yahweh kan zien nadat Hij is voorbijgegaan. Zie ook: Job 11:7; Ex 33:20; Joh 1:18; 1 Kor 13:12; 1 Tim 6:16 ## Exodus 34 _De nieuwe tafelen en Yahweh's naam_ ### Nieuwe tafelen **34:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Houw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste. En Ik zal op de tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die je hebt gebroken.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | פְּסָל (pesal) = houw uit | לְךָ֛ (lekha) = voor jezelf | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | לֻחֹ֥ת (luchot) = tafelen van | אֲבָנִ֖ים (avanim) = stenen | כָּרִאשֹׁנִ֑ים (karishonim) = zoals de eerste | וְכָתַבְתִּי֙ (vekhatavti) = en Ik zal schrijven | עַל (al) = op | הַלֻּחֹ֔ת (haluchot) = de tafelen | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָי֛וּ (hayu) = waren | עַל (al) = op | הַלֻּחֹ֥ת (haluchot) = de tafelen | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שִׁבַּֽרְתָּ (shibarta) = je brak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de tweede tafelen, nadat Mozes de eerste had gebroken (Exod. 32:19). Deut. 10:1–5 beschrijft dit ook. Zie ook: Ex 31:18; Ex 32:19; Ex 34:28; Deut 10:1–4; Ps 119:89 **34:2** **Wees gereed voor de morgen en ga in de morgen de berg Sinaï op en kom daar voor Mij staan, op de top van de berg.** Brontekst: וֶהְיֵ֥ה (vehye) = en wees | נָכ֖וֹן (nakhon) = gereed | לַבֹּ֑קֶר (laboqer) = voor de morgen | וְעָלִ֤יתָ (vealita) = en ga op | בַבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de morgen | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = berg | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | וְנִצַּבְתָּ֥ (venitsavta) = en sta | לִ֛י (li) = voor Mij | שָׁ֖ם (sham) = daar | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = top van | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 19:11; Ex 19:20; Ex 19:24; Ex 24:12; Deut 9:25 **34:3** **Niemand mag met je opgaan, en nergens op de hele berg mag iemand zich laten zien; ook mogen schapen en runderen niet grazen tegenover die berg.”** Brontekst: וְאִישׁ֙ (veish) = en niemand | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = zal opgaan | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | וְגַם (vegam) = en ook | אִ֥ישׁ (ish) = niemand | אַל (al) = niet | יֵרָ֖א (yera) = zal gezien worden | בְּכָל (bekhal) = op heel | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | גַּם (gam) = ook | הַצֹּ֤אן (hatson) = de schapen | וְהַבָּקָר֙ (vehabaqar) = en de runderen | אַל (al) = niet | יִרְע֔וּ (yiru) = zullen grazen | אֶל (el) = naar | מ֖וּל (mul) = tegenover | הָהָ֥ר (hahar) = de berg | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:12–13; Ex 19:21; Lev 16:17; 1 Tim 2:5; Heb 12:20 **34:4** Mozes hieuw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste. Hij stond in de morgen vroeg op en ging de berg Sinaï op, zoals Yahweh hem geboden had, en nam de twee stenen tafelen in zijn hand. Brontekst: וַיִּפְסֹ֡ל (vayifsol) = en hieuw uit | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | לֻחֹ֨ת (luchot) = tafelen van | אֲבָנִ֜ים (avanim) = stenen | כָּרִאשֹׁנִ֗ים (karishonim) = zoals de eerste | וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en stond vroeg op | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | בַבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de morgen | וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en ging op | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = berg | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | לֻחֹ֥ת (luchot) = tafelen van | אֲבָנִֽים (avanim) = stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. ### Yahweh maakt Zijn naam bekend **34:5** Yahweh daalde neer in de wolk, ging daar bij hem staan en riep de naam Yahweh uit. Brontekst: וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en daalde neer | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בֶּֽעָנָ֔ן (beanan) = in de wolk | וַיִּתְיַצֵּ֥ב (vayityatsev) = en ging staan | עִמּ֖וֹ (imo) = bij hem | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep uit | בְשֵׁ֖ם (beshem) = de naam | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh daalt neer in de wolk en roept Zijn eigen naam uit; vergelijk Exod. 33:19. Zie ook: Ex 33:9; Ex 33:19; Num 11:17; Num 11:25; Luc 9:34–35 **34:6** Yahweh ging aan hem voorbij en riep: **„Yahweh, Yahweh, een barmhartige en genadige El, langzaam tot toorn, rijk aan trouw en betrouwbaarheid,** Brontekst: וַיַּעֲבֹ֨ר (vayaavor) = en ging voorbij | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | פָּנָיו֮ (panav) = zijn aangezicht | וַיִּקְרָא֒ (vayiqra) = en riep | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֥ל (el) = El | רַח֖וּם (rachum) = barmhartig | וְחַנּ֑וּן (vechanun) = en genadig | אֶ֥רֶךְ (erekh) = langzaam van | אַפַּ֖יִם (apayim) = toorn | וְרַב (verav) = en rijk aan | חֶ֥סֶד (chesed) = trouw | וֶאֱמֶֽת (veemet) = en betrouwbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze woorden, ook wel de ‘dertien eigenschappen’ genoemd, worden in de Bijbel vaak herhaald. Zie Num. 14:18; Ps. 86:15; 103:8; Joël 2:13; Jona 4:2. חֶסֶד (chesed) is ‘trouw’ (verbondsliefde) en אֱמֶת (emet) ‘betrouwbaarheid’ of ‘waarheid’. Zie ook: Num 14:18; Ps 86:15; Ps 103:8–13; Ps 145:8; Joël 2:13; Jona 4:2; Neh 9:17 **34:7** **die trouw bewaart voor duizenden, schuld, overtreding en zonde vergeeft, maar de schuldige niet onschuldig houdt; die de schuld van vaders bezoekt aan kinderen en kleinkinderen, aan het derde en het vierde geslacht.”** Brontekst: נֹצֵ֥ר (notser) = bewarend | חֶ֨סֶד֙ (chesed) = trouw | לָאֲלָפִ֔ים (laalafim) = voor duizenden | נֹשֵׂ֥א (nose) = vergevend | עָוֺ֛ן (avon) = schuld | וָפֶ֖שַׁע (vafesha) = en overtreding | וְחַטָּאָ֑ה (vechataa) = en zonde | וְנַקֵּה֙ (venaqe) = maar niet onschuldig houdend | לֹ֣א (lo) = niet | יְנַקֶּ֔ה (yenaqe) = houdt onschuldig | פֹּקֵ֣ד (poqed) = bezoekend | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | אָב֗וֹת (avot) = vaders | עַל (al) = over | בָּנִים֙ (banim) = kinderen | וְעַל (veal) = en over | בְּנֵ֣י (benei) = kinderen van | בָנִ֔ים (banim) = kinderen | עַל (al) = over | שִׁלֵּשִׁ֖ים (shileshim) = derden | וְעַל (veal) = en over | רִבֵּעִֽים (ribeim) = vierden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De schuldige niet onschuldig houden’ betekent: Yahweh laat zonde niet ongestraft. Zie Exod. 20:5–6. נֹשֵׂא (nose), letterlijk ‘dragend’, vertalen wij hier met ‘vergeven’. Zie ook: Ex 20:5–6; Deut 5:9–10; Ps 103:3; Ef 1:7; 1 Joh 1:9 ### Mozes pleit en Yahweh sluit een verbond **34:8** Mozes boog haastig zijn hoofd ter aarde en wierp zich neer. Brontekst: וַיְמַהֵ֖ר (vaymaher) = en haastte zich | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיִּקֹּ֥ד (vayiqod) = en boog | אַ֖רְצָה (artsa) = ter aarde | וַיִּשְׁתָּֽחוּ (vayishtachu) = en wierp zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:3; Ex 4:31; 2 Kron 20:18 **34:9** Hij zei: „Als ik gunst gevonden heb in Uw ogen, mijn Heer, ga dan, mijn Heer, in ons midden, want het is een halsstarrig volk; vergeef onze schuld en onze zonde en neem ons aan als Uw erfdeel.” Brontekst: וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en zei | אִם (im) = als | נָא֩ (na) = toch | מָצָ֨אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֤ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֨יךָ֙ (beeineikha) = in Uw ogen | אֲדֹנָ֔י (adonay) = mijn Heer | יֵֽלֶךְ (yelekh) = ga | נָ֥א (na) = toch | אֲדֹנָ֖י (adonay) = mijn Heer | בְּקִרְבֵּ֑נוּ (beqirbenu) = in ons midden | כִּ֤י (ki) = want | עַם (am) = volk | קְשֵׁה (qeshe) = hard van | עֹ֨רֶף֙ (oref) = nek | ה֔וּא (hu) = het is | וְסָלַחְתָּ֛ (vesalachta) = en vergeef | לַעֲוֺנֵ֥נוּ (laavonenu) = onze schuld | וּלְחַטָּאתֵ֖נוּ (ulechatatenu) = en onze zonde | וּנְחַלְתָּֽנוּ (unechaltanu) = en neem ons aan als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, staat hier in Mozes' aanspraak. נָחַל (nachal) betekent ‘in bezit nemen als erfdeel’. Zie ook: Deut 32:9; Ps 33:12; Ps 94:14; Ps 135:4; Jer 10:16 **34:10** Hij zei: **„Zie, Ik sluit een verbond. Voor het oog van heel je volk zal Ik wonderen doen die nog nooit zijn geschapen op heel de aarde en onder alle volken; heel het volk waaronder je bent, zal het werk van Yahweh zien, want ontzagwekkend is wat Ik met je zal doen.** Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָנֹכִי֮ (anokhi) = Ik | כֹּרֵ֣ת (koret) = sluit | בְּרִית֒ (berit) = verbond | נֶ֤גֶד (neged) = tegenover | כָּֽל (kal) = heel | עַמְּךָ֙ (amekha) = je volk | אֶעֱשֶׂ֣ה (eese) = Ik zal doen | נִפְלָאֹ֔ת (niflaot) = wonderen | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | נִבְרְא֥וּ (nivreu) = zijn geschapen | בְכָל (bekhal) = in heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וּבְכָל (uvekhal) = en in alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וְרָאָ֣ה (veraa) = en zal zien | כָל (kal) = heel | הָ֠עָם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אַתָּ֨ה (ata) = jij | בְקִרְבּ֜וֹ (beqirbo) = in zijn midden | אֶת (et) = (obj.) | מַעֲשֵׂ֤ה (maase) = het werk van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | נוֹרָ֣א (nora) = ontzagwekkend | ה֔וּא (hu) = het is | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | עֹשֶׂ֥ה (ose) = doe | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפְלָאֹת (nifla'ot) zijn ‘wonderen’, daden die buiten het gewone vallen. נִבְרְאוּ (nivre'u), ‘zijn geschapen’, komt van het werkwoord ‘scheppen’ (בָּרָא, bara). Zie ook: Deut 10:21; Ps 66:5; Ps 77:15; Jes 64:2; Jer 32:21 ### De voorwaarden van het verbond **34:11** **Neem in acht wat Ik je vandaag gebied. Zie, Ik verdrijf voor je uit de Amorieten, Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.** Brontekst: שְׁמָ֨ר (shemar) = neem in acht | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | מְצַוְּךָ֣ (metsavekha) = gebied je | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | הִנְנִ֧י (hinni) = zie Mij | גֹרֵ֣שׁ (goresh) = verdrijvend | מִפָּנֶ֗יךָ (mipaneikha) = voor je | אֶת (et) = (obj.) | הָאֱמֹרִי֙ (haemori) = de Amorieten | וְהַֽכְּנַעֲנִ֔י (vehakenaani) = en Kanaänieten | וְהַחִתִּי֙ (vehachiti) = en Hethieten | וְהַפְּרִזִּ֔י (vehaperizi) = en Perizzieten | וְהַחִוִּ֖י (vehachivi) = en Chiwwieten | וְהַיְבוּסִֽי (vehayvusi) = en Jebusieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:18–21; Ex 3:17; Ex 33:2; Deut 6:3; Deut 6:25–7:1 **34:12** **Hoed je ervoor een verbond te sluiten met de inwoners van het land waar je binnengaat, zodat het geen valstrik wordt in je midden.** Brontekst: הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = hoed | לְךָ֗ (lekha) = jezelf | פֶּן (pen) = opdat niet | תִּכְרֹ֤ת (tikhrot) = je sluit | בְּרִית֙ (berit) = verbond | לְיוֹשֵׁ֣ב (leyoshev) = met de inwoner van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בָּ֣א (ba) = binnenkomt | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = erin | פֶּן (pen) = opdat niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = het wordt | לְמוֹקֵ֖שׁ (lemoqesh) = tot een valstrik | בְּקִרְבֶּֽךָ (beqirbekha) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:32–33; Deut 7:2; Deut 7:16; Joz 23:12–13; Re 2:2–3 **34:13** **Maar hun altaren moeten jullie afbreken, hun gewijde stenen stukslaan en hun heilige palen omhakken.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = maar | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבְּחֹתָם֙ (mizbechotam) = hun altaren | תִּתֹּצ֔וּן (titotsun) = zullen jullie afbreken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַצֵּבֹתָ֖ם (matsevotam) = hun gewijde stenen | תְּשַׁבֵּר֑וּן (teshaberun) = zullen jullie stukslaan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲשֵׁרָ֖יו (asherav) = zijn heilige palen | תִּכְרֹתֽוּן (tikhrotun) = zullen jullie omhakken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֵׁרִים (asherim) zijn heilige palen of bomen van de Kanaänitische godin Asjera. Zie ook: Ex 23:24; Deut 7:5; Deut 7:25–26; Deut 16:21; 2 Kon 18:4 **34:14** **Want je mag je niet neerbuigen voor een andere god. Want Yahweh, wiens naam Na-ijverig is, is een na-ijverige El.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | תִֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה (tishtachave) = zul je buigen | לְאֵ֣ל (leel) = voor een god | אַחֵ֑ר (acher) = andere | כִּ֤י (ki) = want | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | קַנָּ֣א (qana) = na-ijverig | שְׁמ֔וֹ (shemo) = Zijn naam | אֵ֥ל (el) = El | קַנָּ֖א (qana) = na-ijverig | הֽוּא (hu) = Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַנָּא (qanna), ‘na-ijverig’: zie Exod. 20:5. Zie ook: Ex 20:5; Deut 4:24; Deut 32:21; Nah 1:2; Mat 4:10; 1 Kor 10:22 **34:15** **Sluit geen verbond met de inwoners van het land; als zij zich aan hun goden overgeven en aan hun goden offeren, nodigen zij je uit en eet je van hun offer.** Brontekst: פֶּן (pen) = opdat niet | תִּכְרֹ֥ת (tikhrot) = je sluit | בְּרִ֖ית (berit) = verbond | לְיוֹשֵׁ֣ב (leyoshev) = met de inwoner van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְזָנ֣וּ (vezanu) = en zij zich overgeven | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | אֱלֹֽהֵיהֶ֗ם (eloheihem) = hun goden | וְזָבְחוּ֙ (vezavechu) = en offeren | לֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם (leloheihem) = aan hun goden | וְקָרָ֣א (veqara) = en hij nodigt | לְךָ֔ (lekha) = je uit | וְאָכַלְתָּ֖ (veakhalta) = en je eet | מִזִּבְחֽוֹ (mizivcho) = van zijn offer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 25:2; Deut 31:16; Re 2:17; Ps 106:28; 1 Kor 8:4 **34:16** **Neem voor je zonen geen vrouwen van hun dochters, want als hun dochters zich aan hun goden overgeven, brengen zij ook je zonen ertoe zich aan hun goden over te geven.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en neem | מִבְּנֹתָ֖יו (mibenotav) = van zijn dochters | לְבָנֶ֑יךָ (levaneikha) = voor je zonen | וְזָנ֣וּ (vezanu) = en zij zich overgeven | בְנֹתָ֗יו (benotav) = zijn dochters | אַחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ן (eloheihen) = hun goden | וְהִזְנוּ֙ (vehiznu) = en laten overgeven | אֶת (et) = (obj.) | בָּנֶ֔יךָ (baneikha) = je zonen | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | אֱלֹהֵיהֶֽן (eloheihen) = hun goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָנָה (zanah) is hier ‘zich overgeven aan’, met de betekenis van geestelijke ontrouw, ook letterlijk als hoererij. Zie ook: Num 25:1–2; Deut 7:3–4; 1 Kon 11:2–4; Ezra 9:2; Neh 13:25 **34:17** **Je mag geen gegoten goden voor jezelf maken.** Brontekst: אֱלֹהֵ֥י (elohei) = goden van | מַסֵּכָ֖ה (masekha) = gegoten | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֶׂה (taase) = zul je maken | לָּֽךְ (lakh) = voor jezelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:8; Lev 19:4; Jes 46:6–7; Hand 17:29; Hand 19:26 **34:18** **Het feest van de ongezuurde broden moet je houden. Zeven dagen lang moet je ongezuurde broden eten, zoals Ik je geboden heb, op de vastgestelde tijd in de maand Abib. Want in de maand Abib ben je uit Egypte getrokken.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | חַ֣ג (chag) = feest van | הַמַּצּוֹת֮ (hamatsot) = de ongezuurde broden | תִּשְׁמֹר֒ (tishmor) = zul je houden | שִׁבְעַ֨ת (shivat) = zeven | יָמִ֜ים (yamim) = dagen | תֹּאכַ֤ל (tokhal) = zul je eten | מַצּוֹת֙ (matsot) = ongezuurde broden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = zoals | צִוִּיתִ֔ךָ (tsivitikha) = Ik gebood je | לְמוֹעֵ֖ד (lemoed) = op de vastgestelde tijd van | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = maand van | הָאָבִ֑יב (haaviv) = de Abib | כִּ֚י (ki) = want | בְּחֹ֣דֶשׁ (bechodesh) = in de maand van | הָֽאָבִ֔יב (haaviv) = de Abib | יָצָ֖אתָ (yatsata) = je trok uit | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Vers 18–26 herhalen veel uit het boek van het verbond, zie Exod. 23:10–19. Zie ook: Ex 13:4; Ex 13:6–7; Ex 23:10–19; Lev 23:6; Deut 16:1–4; Luc 22:1 **34:19** **Alles wat de moederschoot opent, is voor Mij, ook al je mannelijk vee, het eerstgeborene van stier en schaap.** Brontekst: כָּל (kal) = alles | פֶּ֥טֶר (peter) = wat opent | רֶ֖חֶם (rechem) = de moederschoot | לִ֑י (li) = voor Mij | וְכָֽל (vekhal) = en al | מִקְנְךָ֙ (miqnekha) = je vee | תִּזָּכָ֔ר (tizakhar) = je mannelijke | פֶּ֖טֶר (peter) = opening van | שׁ֥וֹר (shor) = stier | וָשֶֽׂה (vase) = en schaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 13:2, 12–13. Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12; Ex 22:28; Num 18:15–17; Ezech 44:30 **34:20** **Het eerstgeborene van een ezel moet je inlossen met een schaap; als je het niet inlost, moet je zijn nek breken. Ieder eerstgeborene van je zonen moet je inlossen. Niemand mag met lege handen voor Mijn aangezicht verschijnen.** Brontekst: וּפֶ֤טֶר (ufeter) = en het eerstgeborene van | חֲמוֹר֙ (chamor) = ezel | תִּפְדֶּ֣ה (tifde) = zul je inlossen | בְשֶׂ֔ה (bese) = met een schaap | וְאִם (veim) = en als | לֹ֥א (lo) = niet | תִפְדֶּ֖ה (tifde) = zul je inlossen | וַעֲרַפְתּ֑וֹ (vaarafto) = dan zul je zijn nek breken | כֹּ֣ל (kol) = alle | בְּכ֤וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | בָּנֶ֨יךָ֙ (baneikha) = je zonen | תִּפְדֶּ֔ה (tifde) = zul je inlossen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵרָא֥וּ (yerau) = zullen verschijnen | פָנַ֖י (panay) = voor Mijn aangezicht | רֵיקָֽם (reiqam) = met lege handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:13; Ex 13:15; Ex 23:15; Num 18:15; Deut 16:16 **34:21** **Zes dagen moet je werken, maar op de zevende dag moet je rusten; ook in de ploegtijd en in de oogsttijd moet je rusten.** Brontekst: שֵׁ֤שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֙ (yamim) = dagen | תַּעֲבֹ֔ד (taavod) = zul je werken | וּבַיּ֥וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | תִּשְׁבֹּ֑ת (tishbot) = zul je rusten | בֶּחָרִ֥ישׁ (becharish) = in de ploegtijd | וּבַקָּצִ֖יר (uvaqatsir) = en in de oogsttijd | תִּשְׁבֹּֽת (tishbot) = zul je rusten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:12; Ex 35:2; Deut 5:12–15; 1 Sam 8:12; Luc 13:14 **34:22** **Het feest van de weken moet je vieren, met de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling bij de wisseling van het jaar.** Brontekst: וְחַ֤ג (vechag) = en feest van | שָׁבֻעֹת֙ (shavuot) = de weken | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je houden | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | בִּכּוּרֵ֖י (bikurei) = eerstelingen van | קְצִ֣יר (qetsir) = oogst van | חִטִּ֑ים (chitim) = tarwe | וְחַג֙ (vechag) = en feest van | הָֽאָסִ֔יף (haasif) = de inzameling | תְּקוּפַ֖ת (tequfat) = wisseling van | הַשָּׁנָֽה (hashana) = het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַג שָׁבֻעֹת (chag shavu'ot), ‘feest van de weken’: vijftig dagen na het Pesach, ook ‘oogstfeest’ genoemd (Exod. 23:16). Zie Lev. 23:15–21. Zie ook: Ex 23:16; Lev 23:15–21; Num 28:16–31; Num 29:12–39; Deut 16:10–15; Joh 7:2 **34:23** **Drie keer per jaar moet al je mannelijk volk voor het aangezicht van de Heer, Yahweh, Elohim van Israël, verschijnen.** Brontekst: שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | בַּשָּׁנָ֑ה (bashana) = in het jaar | יֵרָאֶה֙ (yerae) = zal verschijnen | כָּל (kal) = elke | זְכ֣וּרְךָ֔ (zekhurekha) = mannelijke van jou | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֛י (penei) = het aangezicht van | הָֽאָדֹ֥ן (haadon) = de Heer | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 32:28; Ex 23:14; Ex 23:17; Deut 16:16; Ps 84:8 **34:24** **Want Ik zal volken voor je verdrijven en je gebied vergroten, en niemand zal je land begeren wanneer je drie keer per jaar opgaat om voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, te verschijnen.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אוֹרִ֤ישׁ (orish) = Ik zal verdrijven | גּוֹיִם֙ (goyim) = volken | מִפָּנֶ֔יךָ (mipaneikha) = voor je | וְהִרְחַבְתִּ֖י (vehirchavti) = en Ik zal vergroten | אֶת (et) = (obj.) | גְּבוּלֶ֑ךָ (gevulekha) = je gebied | וְלֹא (velo) = en niet | יַחְמֹ֥ד (yachmod) = zal begeren | אִישׁ֙ (ish) = iemand | אֶֽת (et) = (obj.) | אַרְצְךָ֔ (artsekha) = je land | בַּעֲלֹֽתְךָ֗ (baalotekha) = bij je opgaan | לֵרָאוֹת֙ (leraot) = om te verschijnen | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵי֙ (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | בַּשָּׁנָֽה (bashana) = in het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 33:2; 1 Kron 4:10; Ps 78:55; Spr 16:7; Hand 18:10 **34:25** **Je mag het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren bij gezuurd brood, en het slachtoffer van het Pesachfeest mag niet tot de morgen overnachten.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִשְׁחַ֥ט (tishchat) = zul je slachten | עַל (al) = met | חָמֵ֖ץ (chamets) = gezuurd brood | דַּם (dam) = bloed van | זִבְחִ֑י (zivchi) = Mijn slachtoffer | וְלֹא (velo) = en niet | יָלִ֣ין (yalin) = zal overnachten | לַבֹּ֔קֶר (laboqer) = tot de morgen | זֶ֖בַח (zevach) = slachtoffer van | חַ֥ג (chag) = feest van | הַפָּֽסַח (hapasach) = het Pesach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:8; Ex 12:10; Ex 12:20; Ex 23:18; Num 9:12 **34:26** **Het beste van de eerstelingen van je grond moet je naar het huis van Yahweh, je Elohim, brengen. Je mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.”** Brontekst: רֵאשִׁ֗ית (reshit) = het beste van | בִּכּוּרֵי֙ (bikurei) = de eerstelingen van | אַדְמָ֣תְךָ֔ (admatekha) = je grond | תָּבִ֕יא (tavi) = zul je brengen | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹא (lo) = niet | תְבַשֵּׁ֥ל (tevashel) = zul je koken | גְּדִ֖י (gedi) = een bokje | בַּחֲלֵ֥ב (bachalev) = in de melk van | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 23:19; Deut. 14:21. Zie ook: Ex 23:19; Deut 14:21; Deut 26:2; Mat 6:33; 1 Kor 15:20 ### Mozes schrijft de woorden van het verbond **34:27** Yahweh zei tot Mozes: **„Schrijf deze woorden voor jezelf op, want op grond van deze woorden sluit Ik een verbond met jou en met Israël.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כְּתָב (ketav) = schrijf | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | כִּ֞י (ki) = want | עַל (al) = naar | פִּ֣י (pi) = de mond van | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | כָּרַ֧תִּי (karati) = sloot Ik | אִתְּךָ֛ (itekha) = met jou | בְּרִ֖ית (berit) = een verbond | וְאֶת (veet) = en met | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Deze woorden’ verwijst naar de bepalingen in vers 10–26. Zie ook: Ex 17:14; Ex 24:4; Ex 24:7; Ex 34:10–26; Deut 4:13; Deut 31:9 **34:28** Daar was hij met Yahweh veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood en dronk geen water. Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de Tien Woorden. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en hij was | שָׁ֣ם (sham) = daar | עִם (im) = met | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | יוֹם֙ (yom) = dag | וְאַרְבָּעִ֣ים (vearbaim) = en veertig | לַ֔יְלָה (layla) = nacht | לֶ֚חֶם (lechem) = brood | לֹ֣א (lo) = niet | אָכַ֔ל (akhal) = at hij | וּמַ֖יִם (umayim) = en water | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁתָ֑ה (shata) = dronk hij | וַיִּכְתֹּ֣ב (vayikhtov) = en schreef | עַל (al) = op | הַלֻּחֹ֗ת (haluchot) = de tafelen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | עֲשֶׂ֖רֶת (aseret) = tien van | הַדְּבָרִֽים (hadevarim) = de woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים (aseret hadevarim), ‘de Tien Woorden’; zie Exod. 20:1–17; Deut. 4:13. Zie ook: Ex 20:1–17; Ex 24:18; Ex 34:1; Deut 4:13; Deut 9:18; Deut 9:25 ### Mozes' gezicht straalt **34:29** Toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde, met de twee tafelen van het getuigenis in zijn hand, wist hij niet dat de huid van zijn gezicht straalde doordat hij met Hem gesproken had. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | בְּרֶ֤דֶת (beredet) = bij het afdalen van | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | מֵהַ֣ר (mehar) = van de berg | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | וּשְׁנֵ֨י (ushenei) = en twee | לֻחֹ֤ת (luchot) = tafelen van | הָֽעֵדֻת֙ (haedut) = het getuigenis | בְּיַד (beyad) = in de hand van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בְּרִדְתּ֖וֹ (beridto) = bij zijn afdalen | מִן (min) = van | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וּמֹשֶׁ֣ה (umoshe) = en Mozes | לֹֽא (lo) = niet | יָדַ֗ע (yada) = wist | כִּ֥י (ki) = dat | קָרַ֛ן (qaran) = straalde | ע֥וֹר (or) = huid van | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | בְּדַבְּר֥וֹ (bedabero) = doordat hij sprak | אִתּֽוֹ (ito) = met Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: קָרַן (qaran) betekent ‘stralen’. In de Latijnse Vulgaat werd dit ‘gehoornd’ (cornuta), wat tot het beeld van Mozes met hoorns leidde. Het Hebreeuwse woord voor ‘hoorn’ is קֶרֶן (qeren). Zie ook: Ex 32:15; Mat 17:2; Luc 9:29; 2 Kor 3:7–9; Openb 1:16 **34:30** Aäron en alle zonen van Israël zagen Mozes, en zie, de huid van zijn gezicht straalde; zij waren bang om dicht bij hem te komen. Brontekst: וַיַּ֨רְא (vayar) = en zag | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | וְכָל (vekhal) = en alle | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | קָרַ֖ן (qaran) = straalde | ע֣וֹר (or) = huid van | פָּנָ֑יו (panav) = zijn gezicht | וַיִּֽירְא֖וּ (vayireu) = en ze waren bang | מִגֶּ֥שֶׁת (migeshet) = om te naderen | אֵלָֽיו (elav) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 12:8; Mar 9:3; Mar 9:15; Luc 5:8 **34:31** Mozes riep hen, en Aäron en alle leiders van de gemeenschap kwamen naar hem terug, en Mozes sprak met hen. Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = hen | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַיָּשֻׁ֧בוּ (vayashuvu) = en kwamen terug | אֵלָ֛יו (elav) = tot hem | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | וְכָל (vekhal) = en alle | הַנְּשִׂאִ֖ים (hanesiim) = leiders in | בָּעֵדָ֑ה (baeda) = de gemeenschap | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֲלֵהֶֽם (alehem) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 45:3; Gen 45:15; Ex 3:15; Ex 24:1–3 **34:32** Daarna kwamen alle zonen van Israël dichterbij, en hij gebood hun alles wat Yahweh op de berg Sinaï met hem gesproken had. Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֥ן (ken) = zo | נִגְּשׁ֖וּ (nigeshu) = naderden | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיְצַוֵּ֕ם (vaytsavem) = en hij gebood hun | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | דִּבֶּ֧ר (diber) = sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 21:1; Ex 24:3; Num 15:40; 1 Kon 22:14; Mat 28:20 **34:33** Toen Mozes klaar was met hen te spreken, legde hij een sluier over zijn gezicht. Brontekst: וַיְכַ֣ל (vaykhal) = en maakte een einde | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מִדַּבֵּ֖ר (midaber) = van het spreken | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en legde | עַל (al) = over | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | מַסְוֶֽה (masve) = een sluier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַסְוֶה (masweh) is een sluier. Paulus verwijst hiernaar in 2 Kor. 3:7–18. Zie ook: 2 Kor 3:7–18; 2 Kor 3:13–18; 2 Kor 4:4–6; Rom 10:4 **34:34** Maar telkens als Mozes voor het aangezicht van Yahweh kwam om met Hem te spreken, deed hij de sluier af totdat hij naar buiten kwam. Dan kwam hij naar buiten en sprak tot de zonen van Israël wat hem was opgedragen. Brontekst: וּבְבֹ֨א (uvevo) = en bij het binnengaan van | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = om te spreken | אִתּ֔וֹ (ito) = met Hem | יָסִ֥יר (yasir) = deed hij af | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּסְוֶ֖ה (hamasve) = de sluier | עַד (ad) = tot | צֵאת֑וֹ (tseto) = zijn uitgaan | וְיָצָ֗א (veyatsa) = en ging uit | וְדִבֶּר֙ (vediber) = en sprak | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יְצֻוֶּֽה (yetsuve) = hem werd opgedragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes legt de sluier af wanneer hij met Yahweh spreekt en doet hem weer om wanneer hij het volk toespreekt. Zie ook: 2 Kor 3:16; Heb 4:16; Heb 10:19–22 **34:35** De zonen van Israël zagen het gezicht van Mozes, dat de huid van zijn gezicht straalde; en Mozes deed de sluier weer over zijn gezicht, totdat hij binnenging om met Hem te spreken. Brontekst: וְרָא֤וּ (verau) = en zagen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כִּ֣י (ki) = dat | קָרַ֔ן (qaran) = straalde | ע֖וֹר (or) = huid van | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וְהֵשִׁ֨יב (veheshiv) = en zette terug | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּסְוֶה֙ (hamasve) = de sluier | עַל (al) = over | פָּנָ֔יו (panav) = zijn gezicht | עַד (ad) = totdat | בֹּא֖וֹ (boo) = hij binnenging | לְדַבֵּ֥ר (ledaber) = om te spreken | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:29–30; Dan 12:3; Mat 5:16; Mat 13:43; Joh 5:35 ## Exodus 35 _De sabbat en de vrijwillige gaven voor het heiligdom_ ### De sabbat **35:1** Mozes verzamelde heel de gemeenschap van de zonen van Israël en zei tot hen: „Dit zijn de woorden die Yahweh geboden heeft te doen: Brontekst: וַיַּקְהֵ֣ל (vayaqhel) = en verzamelde | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֛ת (adat) = gemeenschap van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשֹׂ֥ת (laasot) = om te doen | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Na het gouden kalf (Exod. 32–34) begint Mozes nu met de bouw: eerst de sabbat, dan de bijdragen. De opbouw volgt de opdracht van Exod. 25–31, in dezelfde volgorde. Zie ook: Ex 25:1–40; Ex 31:1–11; Ex 34:32; Mat 7:21–27; Jak 1:22 **35:2** Zes dagen mag werk gedaan worden, maar de zevende dag is voor jullie een heilige dag, een sabbat van volledige rust voor Yahweh; ieder die er werk op doet, moet gedood worden. Brontekst: שֵׁ֣שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֮ (yamim) = dagen | תֵּעָשֶׂ֣ה (tease) = zal gedaan worden | מְלָאכָה֒ (melakha) = werk | וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | קֹ֛דֶשׁ (qodesh) = heilig | שַׁבַּ֥ת (shabat) = sabbat van | שַׁבָּת֖וֹן (shabaton) = volledige rust | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | כָּל (kal) = ieder | הָעֹשֶׂ֥ה (haose) = die doet | ב֛וֹ (bo) = erop | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sabbat gaat vóór het werk aan het heiligdom: ook de bouw van de tabernakel mag de sabbat niet verdringen. Zie Exod. 31:12–17. Zie ook: Ex 20:9–10; Ex 31:12–17; Ex 34:21; Lev 23:3; Num 15:32–36; Luc 13:14–15 **35:3** Jullie mogen op de sabbatdag in geen van jullie woonplaatsen vuur aansteken.” Brontekst: לֹא (lo) = niet | תְבַעֲר֣וּ (tevaaru) = zullen jullie aansteken | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in alle | מֹשְׁבֹֽתֵיכֶ֑ם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּֽת (hashabat) = de sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbod van vuur aansteken op de sabbat; vergelijk Num. 15:32–36. Zie ook: Ex 12:16; Ex 16:23; Num 15:32–36; Jes 58:13 ### De vrijwillige bijdragen **35:4** Mozes zei tot heel de gemeenschap van de zonen van Israël: „Dit is wat Yahweh geboden heeft: Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֥ת (adat) = gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:1–2 **35:5** Neem uit jullie midden een bijdrage voor Yahweh; ieder wiens hart gewillig is, moet de bijdrage voor Yahweh brengen: goud, zilver en koper, Brontekst: קְח֨וּ (qechu) = neem | מֵֽאִתְּכֶ֤ם (meitekhem) = van jullie | תְּרוּמָה֙ (teruma) = een bijdrage | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | כֹּ֚ל (kol) = ieder | נְדִ֣יב (nediv) = gewillige van | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | יְבִיאֶ֕הָ (yevieha) = laat brengen haar | אֵ֖ת (et) = (obj.) | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = bijdrage van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | זָהָ֥ב (zahav) = goud | וָכֶ֖סֶף (vakhesef) = en zilver | וּנְחֹֽשֶׁת (unechoshet) = en koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְדִיב לֵב (nedib lev), ‘gewillig van hart’, is iemand die uit eigen beweging geeft. Zie ook: Ex 25:2–7; Re 5:9; Ps 110:3; 2 Kor 8:11–12; 2 Kor 9:7 **35:6** blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen, fijn linnen en geitenhaar, Brontekst: וּתְכֵ֧לֶת (utekhelet) = en blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en fijn linnen | וְעִזִּֽים (veizim) = en geitenhaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:7–14; Ex 26:31; Ex 26:36; Ex 28:15; Ex 28:33 **35:7** roodgeverfde ramsvellen, tachash-huiden en acaciahout, Brontekst: וְעֹרֹ֨ת (veorot) = en huiden van | אֵילִ֧ם (eilim) = rammen | מְאָדָּמִ֛ים (meadamim) = roodgeverfd | וְעֹרֹ֥ת (veorot) = en huiden van | תְּחָשִׁ֖ים (techashim) = tachash | וַעֲצֵ֥י (vaatsei) = en hout van | שִׂטִּֽים (sitim) = acacia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:8** olie voor het licht, specerijen voor de zalfolie en voor de welriekende wierook, Brontekst: וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | לַמָּא֑וֹר (lamaor) = voor het licht | וּבְשָׂמִים֙ (uvesamim) = en specerijen | לְשֶׁ֣מֶן (leshemen) = voor olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וְלִקְטֹ֖רֶת (veliqtoret) = en voor wierook van | הַסַּמִּֽים (hasamim) = de specerijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:1–40; Ex 27:20; Ex 30:23; Ex 30:28 **35:9** onyxstenen en stenen om in te zetten voor de efod en voor de borstplaat. Brontekst: וְאַ֨בְנֵי (veavnei) = en stenen van | שֹׁ֔הַם (shoham) = onyx | וְאַבְנֵ֖י (veavnei) = en stenen van | מִלֻּאִ֑ים (miluim) = inzetting | לָאֵפ֖וֹד (laefod) = voor de efod | וְלַחֹֽשֶׁן (velachoshen) = en voor de borstplaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:5; Ex 28:9; Ex 28:17–21; Ex 39:6–14 **35:10** Laat iedereen die wijs van hart is onder jullie komen en alles maken wat Yahweh geboden heeft: Brontekst: וְכָל (vekhal) = en ieder | חֲכַם (chakham) = wijze van | לֵ֖ב (lev) = hart | בָּכֶ֑ם (bakhem) = onder jullie | יָבֹ֣אוּ (yavou) = laat komen | וְיַעֲשׂ֔וּ (veyaasu) = en laat maken | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | צִוָּ֖ה (tsiva) = gebood | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲכַם־לֵב (chakam-lev), ‘wijs van hart’: zie Exod. 28:3. Zie ook: Ex 28:3; Ex 31:1–6; Ex 36:1–4 **35:11** de tabernakel, zijn tent en zijn dekking, zijn haken, zijn planken, zijn dwarsbalken, zijn pilaren en zijn voetstukken, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַ֨מִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | אֶֽת (et) = (obj.) | אָהֳל֖וֹ (aholo) = zijn tent | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִכְסֵ֑הוּ (mikhsehu) = zijn dekking | אֶת (et) = (obj.) | קְרָסָיו֙ (qerasav) = zijn haken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קְרָשָׁ֔יו (qerashav) = zijn planken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיחָ֕ו (berichav) = zijn dwarsbalken | אֶת (et) = (obj.) | עַמֻּדָ֖יו (amudav) = zijn pilaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲדָנָֽיו (adanav) = zijn voetstukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:1–37; Ex 31:7–9; Ex 36:8–34 **35:12** de ark en zijn draagstokken, het verzoendeksel en de voorhang van het gordijn, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֹ֥ן (haaron) = de ark | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּדָּ֖יו (badav) = zijn draagstokken | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּפֹּ֑רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | פָּרֹ֥כֶת (parokhet) = voorhang van | הַמָּסָֽךְ (hamasakh) = het gordijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:10–22; Ex 26:7; Ex 26:31–33; Ex 36:35–36; Ex 37:1–9 **35:13** de tafel met zijn draagstokken en al zijn voorwerpen, en het toonbrood, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָ֥ן (hashulchan) = de tafel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּדָּ֖יו (badav) = zijn draagstokken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | לֶ֥חֶם (lechem) = brood van | הַפָּנִֽים (hapanim) = het aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:23–30; Ex 37:10–16; Lev 24:5–6 **35:14** de kandelaar voor het licht met zijn voorwerpen, zijn lampen en de olie voor het licht, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מְנֹרַ֧ת (menorat) = kandelaar van | הַמָּא֛וֹר (hamaor) = het licht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כֵּלֶ֖יהָ (keleiha) = haar voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נֵרֹתֶ֑יהָ (neroteiha) = haar lampen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שֶׁ֥מֶן (shemen) = olie van | הַמָּאֽוֹר (hamaor) = het licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:31–39; Ex 37:17–24; Ps 148:3; Mat 5:14–15 **35:15** het wierookaltaar met zijn draagstokken, de zalfolie en de welriekende wierook, het gordijn voor de ingang, voor de ingang van de tabernakel, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = altaar van | הַקְּטֹ֨רֶת֙ (haqetoret) = de wierook | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּדָּ֔יו (badav) = zijn draagstokken | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | קְטֹ֣רֶת (qetoret) = wierook van | הַסַּמִּ֑ים (hasamim) = de specerijen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מָסַ֥ךְ (masakh) = gordijn van | הַפֶּ֖תַח (hapetach) = de ingang | לְפֶ֥תַח (lefetach) = voor de ingang van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:36–37; Ex 30:1–10; Ex 30:22–38; Ex 36:37–38; Ex 37:25–28 **35:16** het brandofferaltaar met zijn koperen rooster, zijn draagstokken en al zijn voorwerpen, het wasbekken met zijn voetstuk, Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָ֗ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִכְבַּ֤ר (mikhbar) = rooster van | הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֔וֹ (lo) = bij hem | אֶת (et) = (obj.) | בַּדָּ֖יו (badav) = zijn draagstokken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּיֹּ֖ר (hakiyor) = het wasbekken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּנּֽוֹ (kano) = zijn voetstuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:1–8; Ex 30:18–21; Ex 38:1–8 **35:17** de omhangsels van het voorhof met zijn pilaren en voetstukken, en het gordijn voor de poort van het voorhof, Brontekst: אֵ֚ת (et) = (obj.) | קַלְעֵ֣י (qalei) = omhangsels van | הֶחָצֵ֔ר (hechatser) = het voorhof | אֶת (et) = (obj.) | עַמֻּדָ֖יו (amudav) = zijn pilaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲדָנֶ֑יהָ (adaneiha) = haar voetstukken | וְאֵ֕ת (veet) = en (obj.) | מָסַ֖ךְ (masakh) = gordijn van | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | הֶחָצֵֽר (hechatser) = het voorhof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:9–19; Ex 38:9–20; 2 Sam 7:2 **35:18** de tentpinnen van de tabernakel en de tentpinnen van het voorhof met hun touwen, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יִתְדֹ֧ת (yitdot) = pinnen van | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יִתְדֹ֥ת (yitdot) = pinnen van | הֶחָצֵ֖ר (hechatser) = het voorhof | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵיתְרֵיהֶֽם (meitereihem) = hun touwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:19 **35:19** de ambtskleren om in het heiligdom te dienen, de heilige kleren voor Aäron, de priester, en de kleren van zijn zonen om als priesters te dienen.” Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | הַשְּׂרָ֖ד (haserad) = de dienst | לְשָׁרֵ֣ת (lesharet) = om te dienen | בַּקֹּ֑דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֤י (bigdei) = kleren van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heiligdom | לְאַהֲרֹ֣ן (leaharon) = voor Aäron | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | לְכַהֵֽן (lekhahen) = om priester te zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:1–43; Ex 31:10; Ex 39:1–31; Ex 39:41; Num 4:5–15 ### Het volk brengt zijn gaven **35:20** Heel de gemeenschap van de zonen van Israël ging weg van Mozes. Brontekst: וַיֵּֽצְא֛וּ (vayetseu) = en gingen weg | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֥ת (adat) = gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִלִּפְנֵ֥י (milifnei) = van voor | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:21** Ieder wiens hart hem ertoe bewoog en ieder wiens geest gewillig was, kwam en bracht de bijdrage voor Yahweh voor het werk aan de tent van samenkomst, voor al zijn dienst en voor de heilige kleren. Brontekst: וַיָּבֹ֕אוּ (vayavou) = en kwamen | כָּל (kal) = ieder | אִ֖ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = wiens | נְשָׂא֣וֹ (nesao) = bewoog hem | לִבּ֑וֹ (libo) = zijn hart | וְכֹ֡ל (vekhol) = en ieder | אֲשֶׁר֩ (asher) = wiens | נָדְבָ֨ה (nadeva) = gewillig was | רוּח֜וֹ (rucho) = zijn geest | אֹת֗וֹ (oto) = hem | הֵ֠בִיאוּ (heviu) = brachten | אֶת (et) = (obj.) | תְּרוּמַ֨ת (terumat) = bijdrage van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לִמְלֶ֨אכֶת (limlekhet) = voor het werk van | אֹ֤הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵד֙ (moed) = samenkomst | וּלְכָל (ulekhal) = en voor al | עֲבֹ֣דָת֔וֹ (avodato) = zijn dienst | וּלְבִגְדֵ֖י (ulevigdei) = en voor de kleren van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשָׂאוֹ לִבּוֹ (nesa'o libbo) is letterlijk ‘zijn hart verhief hem’, dus ‘zijn hart bewoog hem’. Zie ook: Ex 25:2; Ex 35:5; Ex 35:26; Ex 35:29; 1 Kron 29:14 **35:22** Mannen en vrouwen kwamen, ieder met een gewillig hart, en brachten haken, oorringen, zegelringen en halssieraden, allerlei gouden voorwerpen; ieder die een beweegoffer van goud voor Yahweh aanbood. Brontekst: וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | עַל (al) = bij | הַנָּשִׁ֑ים (hanashim) = de vrouwen | כֹּ֣ל (kol) = ieder | נְדִ֣יב (nediv) = gewillig van | לֵ֗ב (lev) = hart | הֵ֠בִיאוּ (heviu) = brachten | חָ֣ח (chach) = haken | וָנֶ֜זֶם (vanezem) = en oorring | וְטַבַּ֤עַת (vetabaat) = en zegelring | וְכוּמָז֙ (vekhumaz) = en halssieraad | כָּל (kal) = alle | כְּלִ֣י (keli) = voorwerpen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וְכָל (vekhal) = en ieder | אִ֕ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֵנִ֛יף (henif) = aanbood | תְּנוּפַ֥ת (tenufat) = beweegoffer van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָח (chach) is een haak of neusring, נֶזֶם (nezem) een oorring, טַבַּעַת (tabba‘at) een zegelring en כּוּמָז (kumaz) een halssieraad of ketting; de laatste betekenis is onzeker. Zie ook: Ex 32:3; 2 Kron 24:9–14; Ezra 2:68–69; Neh 7:70–72; Mat 2:11 **35:23** Ieder bij wie blauwpurper, roodpurper, karmozijnrood garen, fijn linnen, geitenhaar, roodgeverfde ramsvellen of tachash-huiden werden gevonden, bracht die. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en ieder | אִ֞ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = bij wie | נִמְצָ֣א (nimtsa) = gevonden werd | אִתּ֗וֹ (ito) = bij hem | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en fijn linnen | וְעִזִּ֑ים (veizim) = en geitenhaar | וְעֹרֹ֨ת (veorot) = en huiden van | אֵילִ֧ם (eilim) = rammen | מְאָדָּמִ֛ים (meadamim) = roodgeverfd | וְעֹרֹ֥ת (veorot) = en huiden van | תְּחָשִׁ֖ים (techashim) = tachash | הֵבִֽיאוּ (heviu) = brachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:2–7; Ex 35:6–10; 1 Kron 29:8 **35:24** Ieder die een bijdrage van zilver of koper aanbood, bracht de bijdrage voor Yahweh; en ieder bij wie acaciahout werd gevonden voor al het werk van de dienst, bracht dat. Brontekst: כָּל (kal) = ieder | מֵרִ֗ים (merim) = die opheft | תְּר֤וּמַת (terumat) = bijdrage van | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | וּנְחֹ֔שֶׁת (unechoshet) = en koper | הֵבִ֕יאוּ (heviu) = brachten | אֵ֖ת (et) = (obj.) | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = bijdrage van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְכֹ֡ל (vekhol) = en ieder | אֲשֶׁר֩ (asher) = bij wie | נִמְצָ֨א (nimtsa) = gevonden werd | אִתּ֜וֹ (ito) = bij hem | עֲצֵ֥י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֛ים (shitim) = acacia | לְכָל (lekhal) = voor al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | הָעֲבֹדָ֖ה (haavoda) = de dienst | הֵבִֽיאוּ (heviu) = brachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kor 8:12 **35:25** Alle vrouwen die wijs van hart waren, sponnen met hun handen en brachten het gesponnene: het blauwpurper, het roodpurper, het karmozijnrood garen en het fijn linnen. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elke | אִשָּׁ֥ה (isha) = vrouw | חַכְמַת (chakhmat) = wijs van | לֵ֖ב (lev) = hart | בְּיָדֶ֣יהָ (beyadeiha) = met haar handen | טָו֑וּ (tavu) = sponnen | וַיָּבִ֣יאוּ (vayaviu) = en brachten | מַטְוֶ֗ה (matve) = het gesponnene | אֶֽת (et) = (obj.) | הַתְּכֵ֨לֶת֙ (hatekhelet) = het blauwpurper | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽאַרְגָּמָ֔ן (haargaman) = het roodpurper | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹלַ֥עַת (tolaat) = karmozijn van | הַשָּׁנִ֖י (hashani) = het scharlaken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשֵּֽׁשׁ (hashesh) = het fijn linnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:6; Spr 14:1; Luc 8:2–3; Gal 3:28; Rom 16:12 **35:26** Alle vrouwen wier hart hen bewoog, sponnen met vaardigheid het geitenhaar. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | הַ֨נָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wier | נָשָׂ֥א (nasa) = bewoog | לִבָּ֛ן (liban) = hun hart | אֹתָ֖נָה (otana) = hen | בְּחָכְמָ֑ה (bechakhema) = met vaardigheid | טָו֖וּ (tavu) = sponnen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִזִּֽים (haizim) = het geitenhaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 35:21; Ex 35:29; Ex 36:8 **35:27** De leiders brachten de onyxstenen en de stenen om in te zetten voor de efod en voor de borstplaat, Brontekst: וְהַנְּשִׂאִ֣ם (vehanesiim) = en de leiders | הֵבִ֔יאוּ (heviu) = brachten | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | הַשֹּׁ֔הַם (hashoham) = de onyx | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | הַמִּלֻּאִ֑ים (hamiluim) = de inzetting | לָאֵפ֖וֹד (laefod) = voor de efod | וְלַחֹֽשֶׁן (velachoshen) = en voor de borstplaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּשִׂאִם (hannesi'im), ‘de leiders’, zijn de vorsten van de stammen. Zie ook: Ex 35:9; 1 Kron 29:6; Ezra 2:68 **35:28** en de specerijen en de olie voor het licht, voor de zalfolie en voor de welriekende wierook. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבֹּ֖שֶׂם (habosem) = de specerij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁ֑מֶן (hashamen) = de olie | לְמָא֕וֹר (lemaor) = voor het licht | וּלְשֶׁ֨מֶן֙ (uleshemen) = en voor olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וְלִקְטֹ֖רֶת (veliqtoret) = en voor wierook van | הַסַּמִּֽים (hasamim) = de specerijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:23–38; Ex 35:8 **35:29** De zonen van Israël brachten een vrijwillige gave voor Yahweh: alle mannen en vrouwen wier hart hen bewoog om bij te dragen aan al het werk dat Yahweh door Mozes te doen had geboden. Brontekst: כָּל (kal) = ieder | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאִשָּׁ֗ה (veisha) = en vrouw | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wier | נָדַ֣ב (nadav) = gewillig was | לִבָּם֮ (libam) = hun hart | אֹתָם֒ (otam) = hen | לְהָבִיא֙ (lehavi) = om te brengen | לְכָל (lekhal) = voor al | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | הֵבִ֧יאוּ (heviu) = brachten | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | נְדָבָ֖ה (nedava) = een vrijwillige gave | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De gaven zijn vrijwillig (נְדָבָה, nedavah), niet afgedwongen. Zie ook: Ex 35:4; Ex 35:21–22; 1 Kron 29:14; Jes 8:20; 2 Kor 9:7 ### Bezaleël en Oholiab **35:30** Mozes zei tot de zonen van Israël: „Zie, Yahweh heeft Bezaleël bij naam geroepen, de zoon van Uri, de zoon van Chur, van de stam Juda. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | רְא֛וּ (reu) = zie | קָרָ֥א (qara) = heeft geroepen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשֵׁ֑ם (beshem) = bij naam | בְּצַלְאֵ֛ל (betsalel) = Bezaleël | בֶּן (ben) = zoon van | אוּרִ֥י (uri) = Uri | בֶן (ben) = zoon van | ח֖וּר (chur) = Chur | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = van de stam | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bezaleël en Oholiab: zie Exod. 31:1–6. Zie ook: Ex 31:1–6; Jes 28:26; Jak 1:17; 1 Kor 3:10; 1 Kor 12:11 **35:31** Hij heeft hem vervuld met de Geest van Elohim, met wijsheid, inzicht en kennis, en met allerlei vakmanschap, Brontekst: וַיְמַלֵּ֥א (vaymale) = en Hij vervulde | אֹת֖וֹ (oto) = hem | ר֣וּחַ (ruach) = met de geest van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | בְּחָכְמָ֛ה (bechakhema) = met wijsheid | בִּתְבוּנָ֥ה (bitvuna) = met inzicht | וּבְדַ֖עַת (uvedaat) = en met kennis | וּבְכָל (uvekhal) = en met alle | מְלָאכָֽה (melakha) = vakmanschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 2:13; Jes 11:2–5; Jes 61:1–3; Jak 1:17; Kol 2:3 **35:32** om kunstige ontwerpen te bedenken en uit te voeren in goud, zilver en koper, Brontekst: וְלַחְשֹׁ֖ב (velachshov) = en om te bedenken | מַֽחַשָׁבֹ֑ת (machashavot) = ontwerpen | לַעֲשֹׂ֛ת (laasot) = om te maken | בַּזָּהָ֥ב (bazahav) = in goud | וּבַכֶּ֖סֶף (uvakesef) = en in zilver | וּבַנְּחֹֽשֶׁת (uvanechoshet) = en in koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:33** in het snijden van stenen om ze in te zetten, in het bewerken van hout, om allerlei kunstig werk uit te voeren. Brontekst: וּבַחֲרֹ֥שֶׁת (uvacharoshet) = en in het snijden van | אֶ֛בֶן (even) = steen | לְמַלֹּ֖את (lemalot) = om in te zetten | וּבַחֲרֹ֣שֶׁת (uvacharoshet) = en in het snijden van | עֵ֑ץ (ets) = hout | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te maken | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | מַחֲשָֽׁבֶת (machashavet) = ontwerp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:34** Ook heeft Hij hem in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Oholiab, de zoon van Achisamach, van de stam Dan. Brontekst: וּלְהוֹרֹ֖ת (ulehorot) = en om te onderwijzen | נָתַ֣ן (natan) = heeft Hij gegeven | בְּלִבּ֑וֹ (belibo) = in zijn hart | ה֕וּא (hu) = hem | וְאָֽהֳלִיאָ֥ב (veaholiav) = en Oholiab | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיסָמָ֖ךְ (achisamakh) = Achisamach | לְמַטֵּה (lemate) = van de stam | דָֽן (dan) = Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:6; 2 Kron 2:13; Ezra 7:27; 1 Kor 1:5–7; 1 Kor 12:7 **35:35** Hij heeft hen met wijsheid van hart vervuld om allerlei werk te doen van een steensnijder, een vakman en een borduurder, in blauwpurper, roodpurper, karmozijnrood garen en fijn linnen, en van een wever; zij die allerlei werk doen en kunstige ontwerpen bedenken.” Brontekst: מִלֵּ֨א (mile) = Hij vulde | אֹתָ֜ם (otam) = hen | חָכְמַת (chakhemat) = met wijsheid van | לֵ֗ב (lev) = hart | לַעֲשׂוֹת֮ (laasot) = om te maken | כָּל (kal) = alle | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = werk van | חָרָ֣שׁ (charash) = steensnijder | וְחֹשֵׁב֒ (vechoshev) = en vakman | וְרֹקֵ֞ם (veroqem) = en borduurder | בַּתְּכֵ֣לֶת (batekhelet) = in blauwpurper | וּבָֽאַרְגָּמָ֗ן (uvaargaman) = en in roodpurper | בְּתוֹלַ֧עַת (betolaat) = in karmozijn | הַשָּׁנִ֛י (hashani) = scharlaken | וּבַשֵּׁ֖שׁ (uvashesh) = en in fijn linnen | וְאֹרֵ֑ג (veoreg) = en wever | עֹשֵׂי֙ (osei) = makers van | כָּל (kal) = alle | מְלָאכָ֔ה (melakha) = werk | וְחֹשְׁבֵ֖י (vechoshevei) = en bedenkers van | מַחֲשָׁבֹֽת (machashavot) = ontwerpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier worden vier vakmensen genoemd: חָרָשׁ (charash, steensnijder of smid), חֹשֵׁב (choshev, vakman of ontwerper), רֹקֵם (roqem, borduurder) en אֹרֵג (oreg, wever). Zie ook: Ex 31:3; Ex 31:6; Ex 35:31; 1 Kon 7:14; Jes 28:26 ## Exodus 36 _Het werk begint: de tabernakel, de planken en de voorhang_ ### Het werk begint **36:1** Bezaleël, Oholiab en alle wijze mannen in wie Yahweh wijsheid en inzicht had gegeven om al het werk voor de dienst van het heiligdom te kunnen uitvoeren, deden alles zoals Yahweh geboden had. Brontekst: וְעָשָׂה֩ (veasa) = en maakte | בְצַלְאֵ֨ל (betsalel) = Bezaleël | וְאָהֳלִיאָ֜ב (veaholiav) = en Oholiab | וְכֹ֣ל (vekhol) = en ieder | אִ֣ישׁ (ish) = man | חֲכַם (chakham) = wijze van | לֵ֗ב (lev) = hart | אֲשֶׁר֩ (asher) = in wie | נָתַ֨ן (natan) = gaf | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | חָכְמָ֤ה (chakhema) = wijsheid | וּתְבוּנָה֙ (utevuna) = en inzicht | בָּהֵ֔מָּה (bahema) = in hen | לָדַ֣עַת (ladaat) = om te weten | לַעֲשֹׂ֔ת (laasot) = om te doen | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מְלֶ֖אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדַ֣ת (avodat) = dienst van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | לְכֹ֥ל (lekhol) = voor alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖ה (tsiva) = gebood | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier voert Bezaleël uit wat in Exod. 25–31 was opgedragen. De tekst herhaalt bijna woordelijk de eerdere instructies; vergelijk Exod. 26:1–37. Zie ook: Ex 25:8; Ex 26:1–37; Ex 28:3; Ex 31:1–6; Ex 35:30–35; Ex 39:1–40:38 **36:2** Mozes riep Bezaleël, Oholiab en alle wijze mannen in wie Yahweh wijsheid in het hart had gegeven, ieder wiens hart hem bewoog om tot het werk te naderen en het te doen. Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּצַלְאֵ֘ל (betsalel) = Bezaleël | וְאֶל (veel) = en tot | אָֽהֳלִיאָב֒ (aholiav) = Oholiab | וְאֶל֙ (veel) = en tot | כָּל (kal) = al | אִ֣ישׁ (ish) = man | חֲכַם (chakham) = wijze van | לֵ֔ב (lev) = hart | אֲשֶׁ֨ר (asher) = in wie | נָתַ֧ן (natan) = gaf | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | חָכְמָ֖ה (chakhema) = wijsheid | בְּלִבּ֑וֹ (belibo) = in zijn hart | כֹּ֚ל (kol) = ieder | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wiens | נְשָׂא֣וֹ (nesao) = bewoog | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | לְקָרְבָ֥ה (leqareva) = om te naderen | אֶל (el) = tot | הַמְּלָאכָ֖ה (hamelakha) = het werk | לַעֲשֹׂ֥ת (laasot) = om te doen | אֹתָֽהּ (otah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:6; 1 Kron 29:5; Hand 14:23; Kol 4:17; Heb 5:4 **36:3** Zij namen van Mozes de hele bijdrage die de zonen van Israël hadden gebracht voor het werk aan de dienst van het heiligdom, om het uit te voeren. Maar het volk bracht hem nog elke morgen een vrijwillige gave. Brontekst: וַיִּקְח֞וּ (vayiqchu) = en zij namen | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַתְּרוּמָה֙ (hateruma) = de bijdrage | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֵבִ֜יאוּ (heviu) = brachten | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לִמְלֶ֛אכֶת (limlekhet) = voor het werk van | עֲבֹדַ֥ת (avodat) = dienst van | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | לַעֲשֹׂ֣ת (laasot) = om te doen | אֹתָ֑הּ (otah) = het | וְ֠הֵם (vehem) = en zij | הֵבִ֨יאוּ (heviu) = brachten | אֵלָ֥יו (elav) = tot hem | ע֛וֹד (od) = nog | נְדָבָ֖ה (nedava) = vrijwillige gave | בַּבֹּ֥קֶר (baboqer) = elke morgen | בַּבֹּֽקֶר (baboqer) = elke morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk bleef elke morgen gaven brengen, tot er genoeg was (vers 5–7). Zie ook: Ex 35:27; Ex 35:29; Ex 36:5–7; Ps 5:4; Ps 101:8; Jes 50:4 **36:4** Toen kwamen alle wijze mannen die al het werk aan het heiligdom uitvoerden, ieder van het werk waaraan hij bezig was, Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | כָּל (kal) = alle | הַ֣חֲכָמִ֔ים (hachakhamim) = de wijzen | הָעֹשִׂ֕ים (haosim) = die deden | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = werk van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | אִֽישׁ (ish) = ieder | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מִמְּלַאכְתּ֖וֹ (mimelakhto) = van zijn werk | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵ֥מָּה (hema) = zij | עֹשִֽׂים (osim) = doende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 24:13; Mat 24:45; Luc 12:42; 1 Kor 3:10 **36:5** en zeiden tot Mozes: „Het volk brengt meer dan genoeg voor de dienst, voor het werk dat Yahweh te doen heeft geboden.” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | מַרְבִּ֥ים (marbim) = aan het vermeerderen | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לְהָבִ֑יא (lehavi) = om te brengen | מִדֵּ֤י (midei) = meer dan genoeg voor | הָֽעֲבֹדָה֙ (haavoda) = de dienst | לַמְּלָאכָ֔ה (lamelakha) = voor het werk | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשֹׂ֥ת (laasot) = om te doen | אֹתָֽהּ (otah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 24:14; 2 Kron 31:6–10; 2 Kor 8:2–3; Fil 2:21; Fil 4:17–18 **36:6** Mozes gaf bevel en men liet een oproep door het kamp gaan: „Laat geen man of vrouw nog werk doen voor de bijdrage voor het heiligdom.” Zo werd het volk tegengehouden om te brengen. Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gebood | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיַּעֲבִ֨ירוּ (vayaaviru) = en zij lieten doorgaan | ק֥וֹל (qol) = stem | בַּֽמַּחֲנֶה֮ (bamachane) = in het kamp | לֵאמֹר֒ (lemor) = om te zeggen | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאִשָּׁ֗ה (veisha) = en vrouw | אַל (al) = niet | יַעֲשׂוּ (yaasu) = laten zij doen | ע֛וֹד (od) = nog | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | לִתְרוּמַ֣ת (litrumat) = voor de bijdrage van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וַיִּכָּלֵ֥א (vayikale) = en werd tegengehouden | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מֵהָבִֽיא (mehavi) = van het brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:7** Want het materiaal was genoeg voor al het werk dat gedaan moest worden, en meer dan genoeg. Brontekst: וְהַמְּלָאכָ֗ה (vehamelakha) = en het werk | הָיְתָ֥ה (hayeta) = was | דַיָּ֛ם (dayam) = genoeg | לְכָל (lekhal) = voor al | הַמְּלָאכָ֖ה (hamelakha) = het werk | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | אֹתָ֑הּ (otah) = het | וְהוֹתֵֽר (vehoter) = en meer dan genoeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk geeft zoveel dat Mozes moet ingrijpen. Vergelijk 2 Kor. 8:1–5 over gewillig geven. Zie ook: 2 Kron 31:10; 2 Kor 8:1–5 ### De tentkleden van de tabernakel **36:8** Alle wijze mannen onder de werkers maakten de tabernakel: tien tentkleden van getweernd fijn linnen, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen; met cherubs, als werk van een vakman, maakte hij ze. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֨וּ (vayaasu) = en maakten | כָל (kal) = alle | חֲכַם (chakham) = wijze van | לֵ֜ב (lev) = hart | בְּעֹשֵׂ֧י (beosei) = onder de werkers van | הַמְּלָאכָ֛ה (hamelakha) = het werk | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | יְרִיעֹ֑ת (yeriot) = tentkleden | שֵׁ֣שׁ (shesh) = linnen | מָשְׁזָ֗ר (mashezar) = getweernd | וּתְכֵ֤לֶת (utekhelet) = en blauwpurper | וְאַרְגָּמָן֙ (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֣עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֔י (shani) = scharlaken | כְּרֻבִ֛ים (keruvim) = cherubs | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חֹשֵׁ֖ב (choshev) = vakman | עָשָׂ֥ה (asa) = hij maakte | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het werkwoord verandert hier van meervoud (‘zij maakten’) in enkelvoud (‘hij maakte’). Wij nemen aan dat Bezaleël als leider bedoeld is. Zie ook: Ex 25:18; Ex 25:22; Ex 31:6; 1 Kron 15:1; Ezech 10:1–19 **36:9** De lengte van elk tentkleed was achtentwintig el en de breedte vier el; alle tentkleden hadden dezelfde maat. Brontekst: אֹ֜רֶךְ (orekh) = lengte van | הַיְרִיעָ֣ה (hayria) = het tentkleed | הָֽאַחַ֗ת (haachat) = het ene | שְׁמֹנֶ֤ה (shemone) = acht | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | וְרֹ֨חַב֙ (verochav) = en breedte | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | הַיְרִיעָ֖ה (hayria) = het tentkleed | הָאֶחָ֑ת (haechat) = het ene | מִדָּ֥ה (mida) = maat | אַחַ֖ת (achat) = één | לְכָל (lekhal) = voor alle | הַיְרִיעֹֽת (hayriot) = de tentkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:10** Hij verbond vijf tentkleden met elkaar, en ook de andere vijf tentkleden verbond hij met elkaar. Brontekst: וַיְחַבֵּר֙ (vaychaber) = en hij verbond | אֶת (et) = (obj.) | חֲמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | הַיְרִיעֹ֔ת (hayriot) = de tentkleden | אַחַ֖ת (achat) = het ene | אֶל (el) = aan | אֶחָ֑ת (echat) = het andere | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | יְרִיעֹת֙ (yeriot) = tentkleden | חִבַּ֔ר (chibar) = hij verbond | אַחַ֖ת (achat) = het ene | אֶל (el) = aan | אֶחָֽת (echat) = het andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:3; 1 Kor 12:20; 1 Kor 12:27; Ef 1:23; Fil 3:15 **36:11** Hij maakte lussen van blauwpurper aan de rand van het ene tentkleed, aan het uiteinde bij de verbinding. Zo deed hij ook aan de rand van het buitenste tentkleed bij de tweede verbinding. Brontekst: וַיַּ֜עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לֻֽלְאֹ֣ת (lulot) = lussen van | תְּכֵ֗לֶת (tekhelet) = blauwpurper | עַ֣ל (al) = op | שְׂפַ֤ת (sefat) = rand van | הַיְרִיעָה֙ (hayria) = het tentkleed | הָֽאֶחָ֔ת (haechat) = het ene | מִקָּצָ֖ה (miqatsa) = van het uiteinde | בַּמַּחְבָּ֑רֶת (bamachbaret) = in de verbinding | כֵּ֤ן (ken) = zo | עָשָׂה֙ (asa) = deed hij | בִּשְׂפַ֣ת (bisfat) = aan de rand van | הַיְרִיעָ֔ה (hayria) = het tentkleed | הַקִּ֣יצוֹנָ֔ה (haqitsona) = het laatste | בַּמַּחְבֶּ֖רֶת (bamachberet) = in de verbinding | הַשֵּׁנִֽית (hashenit) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:4 **36:12** Vijftig lussen maakte hij aan het ene tentkleed en vijftig lussen maakte hij aan het uiteinde van het tentkleed van de tweede verbinding; de lussen lagen tegenover elkaar. Brontekst: חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | לֻלָאֹ֗ת (lulaot) = lussen | עָשָׂה֮ (asa) = maakte hij | בַּיְרִיעָ֣ה (bayria) = in het tentkleed | הָאֶחָת֒ (haechat) = het ene | וַחֲמִשִּׁ֣ים (vachamishim) = en vijftig | לֻלָאֹ֗ת (lulaot) = lussen | עָשָׂה֙ (asa) = maakte hij | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan het uiteinde van | הַיְרִיעָ֔ה (hayria) = het tentkleed | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בַּמַּחְבֶּ֣רֶת (bamachberet) = in de verbinding | הַשֵּׁנִ֑ית (hashenit) = de tweede | מַקְבִּילֹת֙ (maqbilot) = tegenover elkaar liggend | הַלֻּ֣לָאֹ֔ת (halulaot) = de lussen | אַחַ֖ת (achat) = het ene | אֶל (el) = aan | אֶחָֽת (echat) = het andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:5; Ex 26:10 **36:13** Hij maakte vijftig gouden haken en verbond de tentkleden met de haken met elkaar, zodat de tabernakel één geheel werd. Brontekst: וַיַּ֕עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftig | קַרְסֵ֣י (qarsei) = haken van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וַיְחַבֵּ֨ר (vaychaber) = en verbond | אֶת (et) = (obj.) | הַיְרִעֹ֜ת (hayriot) = de tentkleden | אַחַ֤ת (achat) = het ene | אֶל (el) = aan | אַחַת֙ (achat) = het andere | בַּקְּרָסִ֔ים (baqerasim) = met de haken | וַֽיְהִ֥י (vayhi) = en werd | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 12:20; Ef 2:20–22; 1 Petr 2:4–5 ### De tent van geitenhaar **36:14** Hij maakte tentkleden van geitenhaar als tent over de tabernakel; elf tentkleden maakte hij. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ֙ (vayaas) = en hij maakte | יְרִיעֹ֣ת (yeriot) = tentkleden van | עִזִּ֔ים (izim) = geiten | לְאֹ֖הֶל (leohel) = tot een tent | עַל (al) = over | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | עַשְׁתֵּֽי (ashtei) = één | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | יְרִיעֹ֖ת (yeriot) = tentkleden | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte hij | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elf tentkleden van geitenhaar, tegenover tien van linnen: de tent hangt dus over de tabernakel heen (Exod. 26:7). Zie ook: Ex 26:7–13 **36:15** De lengte van elk tentkleed was dertig el en de breedte vier el; de elf tentkleden hadden dezelfde maat. Brontekst: אֹ֜רֶךְ (orekh) = lengte van | הַיְרִיעָ֣ה (hayria) = het tentkleed | הָאַחַ֗ת (haachat) = het ene | שְׁלֹשִׁים֙ (sheloshim) = dertig | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | וְאַרְבַּ֣ע (vearba) = en vier | אַמּ֔וֹת (amot) = ellen | רֹ֖חַב (rochav) = breedte van | הַיְרִיעָ֣ה (hayria) = het tentkleed | הָאֶחָ֑ת (haechat) = het ene | מִדָּ֣ה (mida) = maat | אַחַ֔ת (achat) = één | לְעַשְׁתֵּ֥י (leashtei) = voor één | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | יְרִיעֹֽת (yeriot) = tentkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:16** Hij verbond vijf tentkleden apart en zes tentkleden apart. Brontekst: וַיְחַבֵּ֛ר (vaychaber) = en hij verbond | אֶת (et) = (obj.) | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | הַיְרִיעֹ֖ת (hayriot) = de tentkleden | לְבָ֑ד (levad) = apart | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | הַיְרִיעֹ֖ת (hayriot) = de tentkleden | לְבָֽד (levad) = apart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:17** Hij maakte vijftig lussen aan de rand van het buitenste tentkleed bij de ene verbinding, en vijftig lussen aan de rand van het tentkleed bij de tweede verbinding. Brontekst: וַיַּ֜עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לֻֽלָאֹ֣ת (lulaot) = lussen | חֲמִשִּׁ֗ים (chamishim) = vijftig | עַ֚ל (al) = op | שְׂפַ֣ת (sefat) = rand van | הַיְרִיעָ֔ה (hayria) = het tentkleed | הַקִּיצֹנָ֖ה (haqitsona) = het laatste | בַּמַּחְבָּ֑רֶת (bamachbaret) = in de verbinding | וַחֲמִשִּׁ֣ים (vachamishim) = en vijftig | לֻלָאֹ֗ת (lulaot) = lussen | עָשָׂה֙ (asa) = maakte hij | עַל (al) = op | שְׂפַ֣ת (sefat) = rand van | הַיְרִיעָ֔ה (hayria) = het tentkleed | הַחֹבֶ֖רֶת (hachoveret) = de verbindende | הַשֵּׁנִֽית (hashenit) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:18** Hij maakte vijftig koperen haken om de tent te verbinden, zodat hij één geheel werd. Brontekst: וַיַּ֛עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | קַרְסֵ֥י (qarsei) = haken van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = koper | חֲמִשִּׁ֑ים (chamishim) = vijftig | לְחַבֵּ֥ר (lechaber) = om te verbinden | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹ֖הֶל (haohel) = de tent | לִֽהְיֹ֥ת (lihyot) = om te zijn | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:19** Hij maakte voor de tent een dekking van roodgeverfde ramsvellen en daarboven een dekking van tachash-huiden. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | מִכְסֶה֙ (mikhse) = dekking | לָאֹ֔הֶל (laohel) = voor de tent | עֹרֹ֥ת (orot) = huiden van | אֵלִ֖ים (elim) = rammen | מְאָדָּמִ֑ים (meadamim) = roodgeverfd | וּמִכְסֵ֛ה (umikhse) = en dekking | עֹרֹ֥ת (orot) = huiden van | תְּחָשִׁ֖ים (techashim) = tachash | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:14 ### De planken **36:20** Hij maakte de planken voor de tabernakel van acaciahout, rechtopstaand. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּרָשִׁ֖ים (haqerashim) = de planken | לַמִּשְׁכָּ֑ן (lamishkan) = voor de tabernakel | עֲצֵ֥י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֖ים (shitim) = acacia | עֹמְדִֽים (omedim) = rechtstaand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:5; Ex 25:10; Ex 26:15–29; Ex 40:18–19; Num 25:1 **36:21** Tien el was de lengte van een plank en anderhalve el de breedte van elke plank. Brontekst: עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | אַמֹּ֖ת (amot) = ellen | אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הַקָּ֑רֶשׁ (haqaresh) = de plank | וְאַמָּה֙ (veama) = en een el | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en half | הָֽאַמָּ֔ה (haama) = de el | רֹ֖חַב (rochav) = breedte van | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:22** Elke plank had twee tappen, met elkaar verbonden; zo deed hij met alle planken van de tabernakel. Brontekst: שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | יָדֹ֗ת (yadot) = tappen | לַקֶּ֨רֶשׁ֙ (laqeresh) = aan de plank | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | מְשֻׁלָּבֹ֔ת (meshulavot) = verbonden | אַחַ֖ת (achat) = het ene | אֶל (el) = aan | אֶחָ֑ת (echat) = het andere | כֵּ֣ן (ken) = zo | עָשָׂ֔ה (asa) = maakte hij | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | קַרְשֵׁ֥י (qarshei) = planken van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:23** Hij maakte de planken voor de tabernakel: twintig planken voor de zuidzijde, naar het zuiden. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּרָשִׁ֖ים (haqerashim) = de planken | לַמִּשְׁכָּ֑ן (lamishkan) = voor de tabernakel | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | קְרָשִׁ֔ים (qerashim) = planken | לִפְאַ֖ת (lifat) = voor de zijde van | נֶ֥גֶב (negev) = zuid | תֵּימָֽנָה (teimana) = zuidwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:24** Hij maakte veertig zilveren voetstukken onder de twintig planken, twee voetstukken onder de ene plank voor zijn twee tappen en twee voetstukken onder de andere plank voor zijn twee tappen. Brontekst: וְאַרְבָּעִים֙ (vearbaim) = en veertig | אַדְנֵי (adnei) = voetstukken van | כֶ֔סֶף (kesef) = zilver | עָשָׂ֕ה (asa) = maakte hij | תַּ֖חַת (tachat) = onder | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | הַקְּרָשִׁ֑ים (haqerashim) = de planken | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee | אֲדָנִ֜ים (adanim) = voetstukken | תַּֽחַת (tachat) = onder | הַקֶּ֤רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָד֙ (haechad) = de ene | לִשְׁתֵּ֣י (lishtei) = voor twee | יְדֹתָ֔יו (yedotav) = zijn tappen | וּשְׁנֵ֧י (ushenei) = en twee | אֲדָנִ֛ים (adanim) = voetstukken | תַּֽחַת (tachat) = onder | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָ֖ד (haechad) = de ene | לִשְׁתֵּ֥י (lishtei) = voor twee | יְדֹתָֽיו (yedotav) = zijn tappen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:25** Ook voor de tweede zijde van de tabernakel, de noordzijde, maakte hij twintig planken, Brontekst: וּלְצֶ֧לַע (uletsela) = en voor de zijde van | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | לִפְאַ֣ת (lifat) = voor de zijde van | צָפ֑וֹן (tsafon) = noord | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte hij | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | קְרָשִֽׁים (qerashim) = planken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:26** en hun veertig zilveren voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank. Brontekst: וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | אַדְנֵיהֶ֖ם (adneihem) = hun voetstukken | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | אֲדָנִ֗ים (adanim) = voetstukken | תַּ֚חַת (tachat) = onder | הַקֶּ֣רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en twee | אֲדָנִ֔ים (adanim) = voetstukken | תַּ֖חַת (tachat) = onder | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:27** Voor de achterzijde van de tabernakel, naar het westen, maakte hij zes planken. Brontekst: וּֽלְיַרְכְּתֵ֥י (uleyarketei) = en aan de achterzijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | יָ֑מָּה (yama) = westwaarts | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte hij | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | קְרָשִֽׁים (qerashim) = planken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:22; Ex 26:27 **36:28** Twee planken maakte hij voor de hoeken van de tabernakel aan de achterzijde. Brontekst: וּשְׁנֵ֤י (ushenei) = en twee | קְרָשִׁים֙ (qerashim) = planken | עָשָׂ֔ה (asa) = maakte hij | לִמְקֻצְעֹ֖ת (limqutsot) = voor de hoeken van | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | בַּיַּרְכָתָֽיִם (bayarkhatayim) = aan de achterzijde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:29** Zij waren van onder dubbel en tezamen volledig tot boven, tot aan de ene ring; zo deed hij met die twee, voor de twee hoeken. Brontekst: וְהָי֣וּ (vehayu) = en zij waren | תוֹאֲמִם֮ (toamim) = dubbel | מִלְּמַטָּה֒ (milemata) = van beneden | וְיַחְדָּ֗ו (veyachdav) = en tezamen | יִהְי֤וּ (yihyu) = waren zij | תַמִּים֙ (tamim) = volledig | אֶל (el) = tot | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn top | אֶל (el) = tot | הַטַּבַּ֖עַת (hatabaat) = de ring | הָאֶחָ֑ת (haechat) = de ene | כֵּ֚ן (ken) = zo | עָשָׂ֣ה (asa) = deed hij | לִשְׁנֵיהֶ֔ם (lishneihem) = voor hen beiden | לִשְׁנֵ֖י (lishnei) = voor de twee | הַמִּקְצֹעֹֽת (hamiqtsoot) = hoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:24; Ps 122:3; Ef 2:21; Ef 3:18–19; Ef 4:2–6 **36:30** Er waren dus acht planken en hun zilveren voetstukken, zestien voetstukken: onder elke plank twee voetstukken. Brontekst: וְהָיוּ֙ (vehayu) = en het waren | שְׁמֹנָ֣ה (shemona) = acht | קְרָשִׁ֔ים (qerashim) = planken | וְאַדְנֵיהֶ֣ם (veadneihem) = en hun voetstukken | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אֲדָנִ֑ים (adanim) = voetstukken | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | אֲדָנִים֙ (adanim) = voetstukken | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | אֲדָנִ֔ים (adanim) = voetstukken | תַּ֖חַת (tachat) = onder | הַקֶּ֥רֶשׁ (haqeresh) = de plank | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:25 ### De dwarsbalken **36:31** Hij maakte dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de planken van de ene zijde van de tabernakel, Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | בְּרִיחֵ֖י (berichei) = dwarsbalken van | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | חֲמִשָּׁ֕ה (chamisha) = vijf | לְקַרְשֵׁ֥י (leqarshei) = voor de planken van | צֶֽלַע (tsela) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | הָאֶחָֽת (haechat) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:28; Ex 26:26–29; Ex 30:5 **36:32** vijf dwarsbalken voor de planken van de tweede zijde van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken van de tabernakel aan de achterzijde, naar het westen. Brontekst: וַחֲמִשָּׁ֣ה (vachamisha) = en vijf | בְרִיחִ֔ם (berichim) = dwarsbalken | לְקַרְשֵׁ֥י (leqarshei) = voor de planken van | צֶֽלַע (tsela) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | הַשֵּׁנִ֑ית (hashenit) = de tweede | וַחֲמִשָּׁ֤ה (vachamisha) = en vijf | בְרִיחִם֙ (berichim) = dwarsbalken | לְקַרְשֵׁ֣י (leqarshei) = voor de planken van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | לַיַּרְכָתַ֖יִם (layarkhatayim) = aan de achterzijde | יָֽמָּה (yama) = westwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:26 **36:33** Hij maakte de middelste dwarsbalk, om midden door de planken te lopen, van het ene uiteinde tot het andere. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרִ֣יחַ (haberiach) = de dwarsbalk | הַתִּיכֹ֑ן (hatikhon) = de middelste | לִבְרֹ֨חַ֙ (livroach) = om door te lopen | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַקְּרָשִׁ֔ים (haqerashim) = de planken | מִן (min) = van | הַקָּצֶ֖ה (haqatse) = het uiteinde | אֶל (el) = tot | הַקָּצֶֽה (haqatse) = het uiteinde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: התיכן (hattichon), ‘de middelste’: een balk die midden door de planken liep. De precieze constructie is onzeker. **36:34** De planken overtrok hij met goud en hun ringen, de houders voor de dwarsbalken, maakte hij van goud; ook de dwarsbalken overtrok hij met goud. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַקְּרָשִׁ֞ים (haqerashim) = de planken | צִפָּ֣ה (tsipa) = overtrok hij | זָהָ֗ב (zahav) = goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | טַבְּעֹתָם֙ (tabeotam) = hun ringen | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte hij | זָהָ֔ב (zahav) = goud | בָּתִּ֖ים (batim) = houders | לַבְּרִיחִ֑ם (laberichim) = voor de dwarsbalken | וַיְצַ֥ף (vaytsaf) = en hij overtrok | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרִיחִ֖ם (haberichim) = de dwarsbalken | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De voorhang en het gordijn **36:35** Hij maakte de voorhang van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen; als werk van een vakman maakte hij die, met cherubs. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ֙ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּרֹ֔כֶת (haparokhet) = de voorhang | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en linnen | מָשְׁזָ֑ר (mashezar) = getweernd | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חֹשֵׁ֛ב (choshev) = vakman | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte hij | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | כְּרֻבִֽים (keruvim) = cherubs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De voorhang (פָּרֹכֶת, paroket) scheidt het Heilige van het Allerheiligste; zie Exod. 26:31–33. Zie ook: Ex 26:31–37; Ex 30:6; Ex 40:21; Mat 27:51; Heb 10:20 **36:36** Hij maakte er vier pilaren van acaciahout voor en overtrok ze met goud; hun haken waren van goud, en hij goot er vier zilveren voetstukken voor. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לָ֗הּ (lah) = voor haar | אַרְבָּעָה֙ (arbaa) = vier | עַמּוּדֵ֣י (amudei) = pilaren van | שִׁטִּ֔ים (shitim) = acacia | וַיְצַפֵּ֣ם (vaytsapem) = en overtrok ze | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וָוֵיהֶ֖ם (vaveihem) = hun haken | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וַיִּצֹ֣ק (vayitsoq) = en goot | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | אַדְנֵי (adnei) = voetstukken van | כָֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:18 **36:37** Hij maakte voor de ingang van de tent een gordijn van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen, als werk van een borduurder, Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | מָסָךְ֙ (masakh) = gordijn | לְפֶ֣תַח (lefetach) = voor de ingang van | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en linnen | מָשְׁזָ֑ר (mashezar) = getweernd | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | רֹקֵֽם (roqem) = borduurder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:36–37; Ex 40:28 **36:38** met vijf pilaren en hun haken; hij overtrok hun koppen en hun staven met goud, maar hun vijf voetstukken waren van koper. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּוּדָ֤יו (amudav) = zijn pilaren | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | וְאֶת (veet) = en (obj.) | וָ֣וֵיהֶ֔ם (vaveihem) = hun haken | וְצִפָּ֧ה (vetsipa) = en hij overtrok | רָאשֵׁיהֶ֛ם (rasheihem) = hun koppen | וַחֲשֻׁקֵיהֶ֖ם (vachashuqeihem) = en hun staven | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְאַדְנֵיהֶ֥ם (veadneihem) = en hun voetstukken | חֲמִשָּׁ֖ה (chamisha) = vijf | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:10 ## Exodus 37 _De ark, de tafel, de kandelaar en het wierookaltaar_ ### De ark **37:1** Bezaleël maakte de ark van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | בְּצַלְאֵ֛ל (betsalel) = Bezaleël | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֹ֖ן (haaron) = de ark | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | אַמָּתַ֨יִם (amatayim) = twee el | וָחֵ֜צִי (vachetsi) = en half | אָרְכּ֗וֹ (arko) = zijn lengte | וְאַמָּ֤ה (veama) = en een el | וָחֵ֨צִי֙ (vachetsi) = en half | רָחְבּ֔וֹ (rachbo) = zijn breedte | וְאַמָּ֥ה (veama) = en een el | וָחֵ֖צִי (vachetsi) = en half | קֹמָתֽוֹ (qomato) = zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bezaleël maakt de ark volgens Exod. 25:10–22. Een el is ongeveer 45 cm; de ark is dus ruim 110 cm lang. Zie ook: Ex 25:10–20; Ex 26:33; Ex 31:7; Ex 40:3; Num 10:33–36 **37:2** Hij overtrok hem met zuiver goud, van binnen en van buiten, en maakte er een gouden rand omheen. Brontekst: וַיְצַפֵּ֛הוּ (vaytsapehu) = en overtrok hem | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָה֖וֹר (tahor) = zuiver | מִבַּ֣יִת (mibayit) = van binnen | וּמִח֑וּץ (umichuts) = en van buiten | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | ל֛וֹ (lo) = voor hem | זֵ֥ר (zer) = rand van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:3 **37:3** Hij goot er vier gouden ringen voor, aan zijn vier onderhoeken: twee ringen aan de ene zijde en twee ringen aan de andere zijde. Brontekst: וַיִּצֹ֣ק (vayitsoq) = en goot | ל֗וֹ (lo) = voor hem | אַרְבַּע֙ (arba) = vier | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | עַ֖ל (al) = op | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | פַּעֲמֹתָ֑יו (paamotav) = zijn onderhoeken | וּשְׁתֵּ֣י (ushtei) = en twee | טַבָּעֹ֗ת (tabaot) = ringen | עַל (al) = op | צַלְעוֹ֙ (tsalo) = zijn zijde | הָֽאֶחָ֔ת (haechat) = de ene | וּשְׁתֵּי֙ (ushtei) = en twee | טַבָּע֔וֹת (tabaot) = ringen | עַל (al) = op | צַלְע֖וֹ (tsalo) = zijn zijde | הַשֵּׁנִֽית (hashenit) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:4** Hij maakte draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | בַּדֵּ֖י (badei) = draagstokken van | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | וַיְצַ֥ף (vaytsaf) = en overtrok | אֹתָ֖ם (otam) = hen | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:14–15; Hand 9:15; 1 Petr 1:7; 1 Petr 1:18–19 **37:5** Hij stak de draagstokken in de ringen aan de zijden van de ark, om de ark te dragen. Brontekst: וַיָּבֵ֤א (vayave) = en hij bracht | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּים֙ (habadim) = de draagstokken | בַּטַּבָּעֹ֔ת (batabaot) = in de ringen | עַ֖ל (al) = aan | צַלְעֹ֣ת (tsalot) = de zijden van | הָאָרֹ֑ן (haaron) = de ark | לָשֵׂ֖את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֹֽן (haaron) = de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:50; Num 4:15; 2 Sam 6:3–7 ### Het verzoendeksel en de cherubs **37:6** Hij maakte een verzoendeksel van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | כַּפֹּ֖רֶת (kaporet) = verzoendeksel van | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | אַמָּתַ֤יִם (amatayim) = twee el | וָחֵ֨צִי֙ (vachetsi) = en half | אָרְכָּ֔הּ (arkah) = zijn lengte | וְאַמָּ֥ה (veama) = en een el | וָחֵ֖צִי (vachetsi) = en half | רָחְבָּֽהּ (rachbah) = zijn breedte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּפֹּרֶת (kapporet), ‘verzoendeksel’, komt van het werkwoord כָּפַר (kafar), ‘bedekken, verzoenen’. Zie ook: Ex 25:17–22; 1 Kron 28:11; Rom 3:25; Heb 9:5; 1 Joh 2:2 **37:7** Hij maakte twee cherubs van goud; hij maakte ze van gedreven werk, aan de twee uiteinden van het verzoendeksel: Brontekst: וַיַּ֛עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | כְרֻבִ֖ים (keruvim) = cherubs | זָהָ֑ב (zahav) = goud | מִקְשָׁה֙ (miqsha) = gedreven werk | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte hij | אֹתָ֔ם (otam) = hen | מִשְּׁנֵ֖י (mishenei) = aan de twee | קְצ֥וֹת (qetsot) = einden van | הַכַּפֹּֽרֶת (hakaporet) = het verzoendeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 80:2; Ps 104:4; 1 Kon 6:23–29; Ezech 10:2 **37:8** één cherub aan het ene uiteinde en één cherub aan het andere uiteinde. Uit het verzoendeksel maakte hij de cherubs, aan zijn beide uiteinden. Brontekst: כְּרוּב (keruv) = cherub | אֶחָ֤ד (echad) = één | מִקָּצָה֙ (miqatsa) = aan het einde | מִזֶּ֔ה (mize) = aan deze kant | וּכְרוּב (ukheruv) = en cherub | אֶחָ֥ד (echad) = één | מִקָּצָ֖ה (miqatsa) = aan het einde | מִזֶּ֑ה (mize) = aan die kant | מִן (min) = uit | הַכַּפֹּ֛רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte hij | אֶת (et) = (obj.) | הַכְּרֻבִ֖ים (hakeruvim) = de cherubs | מִשְּׁנֵ֥י (mishenei) = aan de twee | קְצוֹתָֽיו (qetsotav) = zijn einden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:9** De cherubs spreidden hun vleugels omhoog uit en overdekten met hun vleugels het verzoendeksel; hun gezichten waren naar elkaar gekeerd. De gezichten van de cherubs waren naar het verzoendeksel gericht. Brontekst: וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en zij waren | הַכְּרֻבִים֩ (hakeruvim) = de cherubs | פֹּרְשֵׂ֨י (poresei) = uitspreidend | כְנָפַ֜יִם (kenafayim) = vleugels | לְמַ֗עְלָה (lemala) = omhoog | סֹֽכְכִ֤ים (sokhekhim) = overdekkend | בְּכַנְפֵיהֶם֙ (bekhanfeihem) = met hun vleugels | עַל (al) = over | הַכַּפֹּ֔רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | וּפְנֵיהֶ֖ם (ufeneihem) = en hun gezichten | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = naar | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | אֶל (el) = naar | הַכַּפֹּ֔רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | הָי֖וּ (hayu) = waren | פְּנֵ֥י (penei) = gezichten van | הַכְּרֻבִֽים (hakeruvim) = de cherubs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De cherubs kijken naar elkaar en naar het verzoendeksel, waar de aanwezigheid van Yahweh gesproken heeft (Exod. 25:22). Zie ook: Gen 28:12; Ex 25:22; Ezech 10:1–22; Ef 3:10; Fil 3:8; Heb 1:14 ### De tafel **37:10** Hij maakte de tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָ֖ן (hashulchan) = de tafel | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | אַמָּתַ֤יִם (amatayim) = twee el | אָרְכּוֹ֙ (arko) = zijn lengte | וְאַמָּ֣ה (veama) = en een el | רָחְבּ֔וֹ (rachbo) = zijn breedte | וְאַמָּ֥ה (veama) = en een el | וָחֵ֖צִי (vachetsi) = en half | קֹמָתֽוֹ (qomato) = zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:22–23; Ezech 40:39–42; Mal 1:12; Joh 1:16; Kol 1:27 **37:11** Hij overtrok hem met zuiver goud en maakte er een gouden rand omheen. Brontekst: וַיְצַ֥ף (vaytsaf) = en overtrok | אֹת֖וֹ (oto) = hem | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | ל֛וֹ (lo) = voor hem | זֵ֥ר (zer) = rand van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:12** Hij maakte er een lijst omheen van een handbreedte en maakte een gouden rand rondom die lijst. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | ל֥וֹ (lo) = voor hem | מִסְגֶּ֛רֶת (misgeret) = lijst | טֹ֖פַח (tofach) = handbreedte | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | זֵר (zer) = rand van | זָהָ֛ב (zahav) = goud | לְמִסְגַּרְתּ֖וֹ (lemisgarto) = voor zijn lijst | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:13** Hij goot er vier gouden ringen voor en bracht de ringen aan op de vier hoeken, bij zijn vier poten. Brontekst: וַיִּצֹ֣ק (vayitsoq) = en goot | ל֔וֹ (lo) = voor hem | אַרְבַּ֖ע (arba) = vier | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en plaatste | אֶת (et) = (obj.) | הַטַּבָּעֹ֔ת (hatabaot) = de ringen | עַ֚ל (al) = op | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | הַפֵּאֹ֔ת (hapeot) = de hoeken | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לְאַרְבַּ֥ע (learba) = aan vier | רַגְלָֽיו (raglav) = zijn poten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:14** Vlak bij de lijst zaten de ringen, als houders voor de draagstokken om de tafel te dragen. Brontekst: לְעֻמַּת֙ (leumat) = tegenover | הַמִּסְגֶּ֔רֶת (hamisgeret) = de lijst | הָי֖וּ (hayu) = waren | הַטַּבָּעֹ֑ת (hatabaot) = de ringen | בָּתִּים֙ (batim) = houders | לַבַּדִּ֔ים (labadim) = voor de draagstokken | לָשֵׂ֖את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָֽן (hashulchan) = de tafel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:15** Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud, om de tafel te dragen. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּים֙ (habadim) = de draagstokken | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֔ים (shitim) = acacia | וַיְצַ֥ף (vaytsaf) = en overtrok | אֹתָ֖ם (otam) = hen | זָהָ֑ב (zahav) = goud | לָשֵׂ֖את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָֽן (hashulchan) = de tafel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:16** Hij maakte de voorwerpen die op de tafel stonden: zijn schalen, zijn schotels, zijn offerschalen en de kannen waarmee men plengoffers uitgiet, van zuiver goud. Brontekst: וַיַּ֜עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶֽת (et) = (obj.) | הַכֵּלִ֣ים (hakelim) = de voorwerpen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = op | הַשֻּׁלְחָ֗ן (hashulchan) = de tafel | אֶת (et) = (obj.) | קְעָרֹתָ֤יו (qearotav) = zijn schalen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּפֹּתָיו֙ (kapotav) = zijn schotels | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מְנַקִּיֹּתָ֔יו (menaqiyotav) = zijn offerschalen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַקְּשָׂוֺ֔ת (haqesavot) = de kannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | יֻסַּ֖ךְ (yusakh) = uitgegoten wordt | בָּהֵ֑ן (bahen) = daarmee | זָהָ֖ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:29; 1 Kon 7:50; 2 Kon 12:14; Jer 52:18–19; 2 Tim 2:20 ### De kandelaar **37:17** Hij maakte de kandelaar van zuiver goud; als gedreven werk maakte hij de kandelaar. Haar voet, haar schacht, haar kelken, haar knoppen en haar bloemen waren één geheel met haar. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּנֹרָ֖ה (hamenora) = de kandelaar | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | מִקְשָׁ֞ה (miqsha) = gedreven werk | עָשָׂ֤ה (asa) = maakte hij | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּנֹרָה֙ (hamenora) = de kandelaar | יְרֵכָ֣הּ (yerekhah) = haar voet | וְקָנָ֔הּ (veqanah) = en schacht | גְּבִיעֶ֛יהָ (gevieiha) = haar kelken | כַּפְתֹּרֶ֥יהָ (kaftoreiha) = haar knoppen | וּפְרָחֶ֖יהָ (uferacheiha) = en haar bloemen | מִמֶּ֥נָּה (mimena) = uit haar | הָיֽוּ (hayu) = waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De kandelaar (menora) is uit één stuk goud gedreven; zie Exod. 25:31–40. Zie ook: Ex 25:31–39; Zach 4:11; Joh 1:4–9; Heb 9:2; Openb 1:12–2:5 **37:18** Zes armen gingen uit haar zijden: drie armen van de kandelaar uit de ene zijde en drie armen van de kandelaar uit de andere zijde. Brontekst: וְשִׁשָּׁ֣ה (veshisha) = en zes | קָנִ֔ים (qanim) = armen | יֹצְאִ֖ים (yotseim) = uitgaand | מִצִּדֶּ֑יהָ (mitsideiha) = uit haar zijden | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | קְנֵ֣י (qenei) = armen van | מְנֹרָ֗ה (menora) = kandelaar | מִצִּדָּהּ֙ (mitsidah) = uit haar zijde | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | וּשְׁלֹשָׁה֙ (ushelosha) = en drie | קְנֵ֣י (qenei) = armen van | מְנֹרָ֔ה (menora) = kandelaar | מִצִּדָּ֖הּ (mitsidah) = uit haar zijde | הַשֵּׁנִֽי (hasheni) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:19** Aan de ene arm zaten drie amandelvormige kelken, elk met een knop en een bloem, en aan de andere arm drie amandelvormige kelken, elk met een knop en een bloem. Zo was het bij de zes armen die uit de kandelaar gingen. Brontekst: שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | גְ֠בִעִים (geviim) = kelken | מְֽשֻׁקָּדִ֞ים (meshuqadim) = amandelvormig | בַּקָּנֶ֣ה (baqane) = aan de arm | הָאֶחָד֮ (haechad) = de ene | כַּפְתֹּ֣ר (kaftor) = knop | וָפֶרַח֒ (vaferach) = en bloem | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | גְבִעִ֗ים (geviim) = kelken | מְשֻׁקָּדִ֛ים (meshuqadim) = amandelvormig | בְּקָנֶ֥ה (beqane) = aan de arm | אֶחָ֖ד (echad) = de andere | כַּפְתֹּ֣ר (kaftor) = knop | וָפָ֑רַח (vafarach) = en bloem | כֵּ֚ן (ken) = zo | לְשֵׁ֣שֶׁת (lesheshet) = voor de zes | הַקָּנִ֔ים (haqanim) = armen | הַיֹּצְאִ֖ים (hayotseim) = die uitgaan | מִן (min) = uit | הַמְּנֹרָֽה (hamenora) = de kandelaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:20** Aan de kandelaar zelf zaten vier amandelvormige kelken, met hun knoppen en hun bloemen, Brontekst: וּבַמְּנֹרָ֖ה (uvamenora) = en aan de kandelaar | אַרְבָּעָ֣ה (arbaa) = vier | גְבִעִ֑ים (geviim) = kelken | מְשֻׁ֨קָּדִ֔ים (meshuqadim) = amandelvormig | כַּפְתֹּרֶ֖יהָ (kaftoreiha) = haar knoppen | וּפְרָחֶֽיהָ (uferacheiha) = en haar bloemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:33; Num 17:23; Pred 12:5; Jer 1:11 **37:21** en een knop onder elk paar van de armen die eruit voortkwamen: onder het eerste paar, onder het tweede paar en onder het derde paar, bij de zes armen die eruit gingen. Brontekst: וְכַפְתֹּ֡ר (vekhaftor) = en een knop | תַּחַת֩ (tachat) = onder | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee | הַקָּנִ֜ים (haqanim) = de armen | מִמֶּ֗נָּה (mimena) = uit haar | וְכַפְתֹּר֙ (vekhaftor) = en een knop | תַּ֣חַת (tachat) = onder | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | הַקָּנִים֙ (haqanim) = de armen | מִמֶּ֔נָּה (mimena) = uit haar | וְכַפְתֹּ֕ר (vekhaftor) = en een knop | תַּֽחַת (tachat) = onder | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַקָּנִ֖ים (haqanim) = de armen | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = uit haar | לְשֵׁ֨שֶׁת֙ (lesheshet) = voor de zes | הַקָּנִ֔ים (haqanim) = armen | הַיֹּצְאִ֖ים (hayotseim) = die uitgaan | מִמֶּֽנָּה (mimena) = uit haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:35 **37:22** Hun knoppen en hun armen waren één geheel met haar; alles was één stuk gedreven werk van zuiver goud. Brontekst: כַּפְתֹּרֵיהֶ֥ם (kaftoreihem) = hun knoppen | וּקְנֹתָ֖ם (uqenotam) = en hun armen | מִמֶּ֣נָּה (mimena) = uit haar | הָי֑וּ (hayu) = waren | כֻּלָּ֛הּ (kulah) = geheel | מִקְשָׁ֥ה (miqsha) = gedreven werk | אַחַ֖ת (achat) = één | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 51:19; Jes 5:4–5; Jes 5:10; 1 Kor 9:27; Kol 3:5 **37:23** Hij maakte haar zeven lampen, haar tangen en haar vuurpannen van zuiver goud. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | נֵרֹתֶ֖יהָ (neroteiha) = haar lampen | שִׁבְעָ֑ה (shiva) = zeven | וּמַלְקָחֶ֥יהָ (umalqacheiha) = en haar tangen | וּמַחְתֹּתֶ֖יהָ (umachtoteiha) = en haar vuurpannen | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 8:2; Zach 4:2; Openb 1:12; Openb 1:20–2:1; Openb 5:5 **37:24** Van een talent zuiver goud maakte hij haar en al haar voorwerpen. Brontekst: כִּכָּ֛ר (kikar) = een talent van | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָה֖וֹר (tahor) = zuiver | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte hij | אֹתָ֑הּ (otah) = haar | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כֵּלֶֽיהָ (keleiha) = haar voorwerpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilo; de exacte waarde is onzeker. ### Het wierookaltaar **37:25** Hij maakte het wierookaltaar van acaciahout, een el lang en een el breed, vierkant, en twee el hoog; zijn hoorns waren één geheel met hem. Brontekst: וַיַּ֛עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הַקְּטֹ֖רֶת (haqetoret) = de wierook | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | אַמָּ֣ה (ama) = een el | אָרְכּוֹ֩ (arko) = zijn lengte | וְאַמָּ֨ה (veama) = en een el | רָחְבּ֜וֹ (rachbo) = zijn breedte | רָב֗וּעַ (ravua) = vierkant | וְאַמָּתַ֨יִם֙ (veamatayim) = en twee el | קֹֽמָת֔וֹ (qomato) = zijn hoogte | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = uit hem | הָי֥וּ (hayu) = waren | קַרְנֹתָֽיו (qarnotav) = zijn hoorns Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het wierookaltaar staat voor de voorhang; zie Exod. 30:1–10. Zie ook: Ex 30:1–5; Mat 23:19; 1 Petr 2:5; Heb 7:25; Openb 8:3–4 **37:26** Hij overtrok hem met zuiver goud: zijn bovenvlak, zijn wanden rondom en zijn hoorns; en hij maakte er een gouden rand omheen. Brontekst: וַיְצַ֨ף (vaytsaf) = en overtrok | אֹת֜וֹ (oto) = hem | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֗וֹר (tahor) = zuiver | אֶת (et) = (obj.) | גַּגּ֧וֹ (gago) = zijn bovenvlak | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קִירֹתָ֛יו (qirotav) = zijn wanden | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קַרְנֹתָ֑יו (qarnotav) = zijn hoorns | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | ל֛וֹ (lo) = voor hem | זֵ֥ר (zer) = rand van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:27** Onder zijn rand maakte hij twee gouden ringen aan zijn twee zijkanten, aan beide zijden, als houders voor de draagstokken om hem daarmee te dragen. Brontekst: וּשְׁתֵּי֩ (ushtei) = en twee | טַבְּעֹ֨ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֜ב (zahav) = goud | עָֽשָׂה (asa) = maakte hij | ל֣וֹ (lo) = voor hem | מִתַּ֣חַת (mitachat) = onder | לְזֵר֗וֹ (lezero) = zijn rand | עַ֚ל (al) = aan | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | צַלְעֹתָ֔יו (tsalotav) = zijn zijkanten | עַ֖ל (al) = aan | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | צִדָּ֑יו (tsidav) = zijn zijden | לְבָתִּ֣ים (levatim) = als houders | לְבַדִּ֔ים (levadim) = voor de draagstokken | לָשֵׂ֥את (laset) = om te dragen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בָּהֶֽם (bahem) = daarmee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:28** Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּ֖ים (habadim) = de draagstokken | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | וַיְצַ֥ף (vaytsaf) = en overtrok | אֹתָ֖ם (otam) = hen | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Zalfolie en wierook **37:29** Hij maakte de heilige zalfolie en de zuivere, welriekende wierook, als werk van een zalfbereider. Brontekst: וַיַּ֜עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֤מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָה֙ (hamishcha) = de zalving | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = heilige | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קְטֹ֥רֶת (qetoret) = wierook van | הַסַּמִּ֖ים (hasamim) = de specerijen | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | רֹקֵֽחַ (roqeach) = zalfbereider Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 141:2; Jes 11:2; Jes 61:1; Joh 3:34; Heb 5:7 ## Exodus 38 _Het brandofferaltaar, het voorhof en de telling van het materiaal_ ### Het brandofferaltaar **38:1** Hij maakte het brandofferaltaar van acaciahout, vijf el lang en vijf el breed, vierkant, en drie el hoog. Brontekst: וַיַּ֛עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | חָמֵשׁ֩ (chamesh) = vijf | אַמּ֨וֹת (amot) = ellen | אָרְכּ֜וֹ (arko) = zijn lengte | וְחָֽמֵשׁ (vechamesh) = en vijf | אַמּ֤וֹת (amot) = ellen | רָחְבּוֹ֙ (rachbo) = zijn breedte | רָב֔וּעַ (ravua) = vierkant | וְשָׁלֹ֥שׁ (veshalosh) = en drie | אַמּ֖וֹת (amot) = ellen | קֹמָתֽוֹ (qomato) = zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 cm. Het altaar is dus ongeveer 2,25 bij 2,25 meter en 1,35 meter hoog. Zie ook: Ex 27:1–8; Ex 40:6; Ex 40:29; 2 Kron 4:1; Openb 21:16 **38:2** Hij maakte zijn hoorns op de vier hoeken; de hoorns waren één geheel met het altaar. Hij overtrok het met koper. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | קַרְנֹתָ֗יו (qarnotav) = zijn hoorns | עַ֚ל (al) = op | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | פִּנֹּתָ֔יו (pinotav) = zijn hoeken | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = uit hem | הָי֣וּ (hayu) = waren | קַרְנֹתָ֑יו (qarnotav) = zijn hoorns | וַיְצַ֥ף (vaytsaf) = en overtrok | אֹת֖וֹ (oto) = hem | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:12; Ex 27:2 **38:3** Hij maakte alle voorwerpen van het altaar: de potten, de scheppen, de sprengschalen, de vorken en de vuurpannen; al zijn voorwerpen maakte hij van koper. Brontekst: וַיַּ֜עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | הַמִּזְבֵּ֗חַ (hamizbeach) = het altaar | אֶת (et) = (obj.) | הַסִּירֹ֤ת (hasirot) = de potten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּעִים֙ (hayaim) = de schoppen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְרָקֹ֔ת (hamizraqot) = de sprengschalen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְלָגֹ֖ת (hamizlagot) = de vorken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּחְתֹּ֑ת (hamachtot) = de vuurpannen | כָּל (kal) = alle | כֵּלָ֖יו (kelav) = zijn voorwerpen | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte hij | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:3; 1 Sam 2:13 **38:4** Hij maakte voor het altaar een rooster in de vorm van een net van koper, onder zijn rand, van beneden tot halverwege. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (lamizbeach) = voor het altaar | מִכְבָּ֔ר (mikhbar) = rooster van | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | רֶ֣שֶׁת (reshet) = netwerk | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | תַּ֧חַת (tachat) = onder | כַּרְכֻּבּ֛וֹ (karkubo) = zijn rand | מִלְּמַ֖טָּה (milemata) = van beneden | עַד (ad) = tot | חֶצְיֽוֹ (chetsyo) = zijn helft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:5** Hij goot vier ringen aan de vier hoeken van het koperen rooster, als houders voor de draagstokken. Brontekst: וַיִּצֹ֞ק (vayitsoq) = en goot | אַרְבַּ֧ע (arba) = vier | טַבָּעֹ֛ת (tabaot) = ringen | בְּאַרְבַּ֥ע (bearba) = aan de vier | הַקְּצָוֺ֖ת (haqetsavot) = hoeken | לְמִכְבַּ֣ר (lemikhbar) = voor het rooster van | הַנְּחֹ֑שֶׁת (hanechoshet) = het koper | בָּתִּ֖ים (batim) = houders | לַבַּדִּֽים (labadim) = voor de draagstokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:4 **38:6** Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met koper. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּ֖ים (habadim) = de draagstokken | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֑ים (shitim) = acacia | וַיְצַ֥ף (vaytsaf) = en overtrok | אֹתָ֖ם (otam) = hen | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:6; Deut 10:3 **38:7** Hij stak de draagstokken in de ringen aan de zijden van het altaar om het daarmee te dragen. Hij maakte het hol, van planken. Brontekst: וַיָּבֵ֨א (vayave) = en hij bracht | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּ֜ים (habadim) = de draagstokken | בַּטַּבָּעֹ֗ת (batabaot) = in de ringen | עַ֚ל (al) = aan | צַלְעֹ֣ת (tsalot) = de zijden van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | לָשֵׂ֥את (laset) = om te dragen | אֹת֖וֹ (oto) = het | בָּהֶ֑ם (bahem) = daarmee | נְב֥וּב (nevuv) = hol | לֻחֹ֖ת (luchot) = van planken | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte hij | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hand 9:15; 1 Kor 1:24; 1 Kor 2:2 ### Het wasbekken **38:8** Hij maakte het wasbekken van koper, ook zijn voetstuk van koper, van de spiegels van de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van samenkomst. Brontekst: וַיַּ֗עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הַכִּיּ֣וֹר (hakiyor) = het wasbekken | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כַּנּ֣וֹ (kano) = zijn voetstuk | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | בְּמַרְאֹת֙ (bemarot) = van de spiegels van | הַצֹּ֣בְאֹ֔ת (hatsoveot) = de dienende vrouwen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | צָֽבְא֔וּ (tsaveu) = dienst deden | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַצֹּבְאֹת (hatsov'ot) betekent ‘de vrouwen die dienst deden’; het gaat om een groep die bij de ingang van de tent van samenkomst een taak had. Wij weten niet precies welke. Zie ook: Ex 40:7; 1 Sam 2:22; Luc 2:37; 1 Tim 5:5; Tit 3:5–6 ### Het voorhof **38:9** Hij maakte het voorhof. Aan de zuidzijde, naar het zuiden, waren de omhangsels van het voorhof van getweernd fijn linnen, honderd el lang; Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הֶחָצֵ֑ר (hechatser) = het voorhof | לִפְאַ֣ת (lifat) = aan de zijde van | נֶ֣גֶב (negev) = zuid | תֵּימָ֗נָה (teimana) = zuidwaarts | קַלְעֵ֤י (qalei) = omhangsels van | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = het voorhof | שֵׁ֣שׁ (shesh) = linnen | מָשְׁזָ֔ר (mashezar) = getweernd | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | בָּאַמָּֽה (baama) = in el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:9–19; Ex 40:8; Ex 40:33; Ps 89:8; Ps 92:14 **38:10** hun twintig pilaren en hun twintig voetstukken waren van koper; de haken van de pilaren en hun staven waren van zilver. Brontekst: עַמּוּדֵיהֶ֣ם (amudeihem) = hun pilaren | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וְאַדְנֵיהֶ֥ם (veadneihem) = en hun voetstukken | עֶשְׂרִ֖ים (esrim) = twintig | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וָוֵ֧י (vavei) = haken van | הָעַמֻּדִ֛ים (haamudim) = de pilaren | וַחֲשֻׁקֵיהֶ֖ם (vachashuqeihem) = en hun staven | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:11** Ook aan de noordzijde waren ze honderd el lang, met hun twintig pilaren en hun twintig koperen voetstukken; de haken van de pilaren en hun staven waren van zilver. Brontekst: וְלִפְאַ֤ת (velifat) = en aan de zijde van | צָפוֹן֙ (tsafon) = noord | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | בָֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | עַמּוּדֵיהֶ֣ם (amudeihem) = hun pilaren | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וְאַדְנֵיהֶ֥ם (veadneihem) = en hun voetstukken | עֶשְׂרִ֖ים (esrim) = twintig | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וָוֵ֧י (vavei) = haken van | הָֽעַמּוּדִ֛ים (haamudim) = de pilaren | וַחֲשֻׁקֵיהֶ֖ם (vachashuqeihem) = en hun staven | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:12** Aan de westzijde waren omhangsels van vijftig el, met hun tien pilaren en hun tien voetstukken; de haken van de pilaren en hun staven waren van zilver. Brontekst: וְלִפְאַת (velifat) = en aan de zijde van | יָ֗ם (yam) = zee (west) | קְלָעִים֙ (qelaim) = omhangsels | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | עַמּוּדֵיהֶ֥ם (amudeihem) = hun pilaren | עֲשָׂרָ֔ה (asara) = tien | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | עֲשָׂרָ֑ה (asara) = tien | וָוֵ֧י (vavei) = haken van | הָעַמֻּדִ֛ים (haamudim) = de pilaren | וַחֲשׁוּקֵיהֶ֖ם (vachashuqeihem) = en hun staven | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:13** En aan de oostzijde, naar het oosten, was het vijftig el. Brontekst: וְלִפְאַ֛ת (velifat) = en aan de zijde van | קֵ֥דְמָה (qedema) = oost | מִזְרָ֖חָה (mizracha) = oostwaarts | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:14** Aan de ene kant waren de omhangsels vijftien el, met hun drie pilaren en hun drie voetstukken, Brontekst: קְלָעִ֛ים (qelaim) = omhangsels | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | אַמָּ֖ה (ama) = el | אֶל (el) = aan | הַכָּתֵ֑ף (hakatef) = de zijde | עַמּוּדֵיהֶ֣ם (amudeihem) = hun pilaren | שְׁלֹשָׁ֔ה (shelosha) = drie | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:14 **38:15** en ook aan de andere kant, aan beide zijden van de poort van het voorhof, waren de omhangsels vijftien el, met hun drie pilaren en hun drie voetstukken. Brontekst: וְלַכָּתֵ֣ף (velakatef) = en voor de zijde | הַשֵּׁנִ֗ית (hashenit) = de tweede | מִזֶּ֤ה (mize) = aan deze kant | וּמִזֶּה֙ (umize) = en aan die kant | לְשַׁ֣עַר (leshaar) = bij de poort van | הֶֽחָצֵ֔ר (hechatser) = het voorhof | קְלָעִ֕ים (qelaim) = omhangsels | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | אַמָּ֑ה (ama) = el | עַמֻּדֵיהֶ֣ם (amudeihem) = hun pilaren | שְׁלֹשָׁ֔ה (shelosha) = drie | וְאַדְנֵיהֶ֖ם (veadneihem) = en hun voetstukken | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:16** Alle omhangsels van het voorhof rondom waren van getweernd fijn linnen. Brontekst: כָּל (kal) = alle | קַלְעֵ֧י (qalei) = omhangsels van | הֶחָצֵ֛ר (hechatser) = het voorhof | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | שֵׁ֥שׁ (shesh) = linnen | מָשְׁזָֽר (mashezar) = getweernd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:17** De voetstukken voor de pilaren waren van koper, de haken van de pilaren en hun staven van zilver, en de bovenkant van hun koppen was met zilver overtrokken; alle pilaren van het voorhof waren met zilver verbonden. Brontekst: וְהָאֲדָנִ֣ים (vehaadanim) = en de voetstukken | לָֽעַמֻּדִים֮ (laamudim) = voor de pilaren | נְחֹשֶׁת֒ (nechoshet) = koper | וָוֵ֨י (vavei) = haken van | הָֽעַמּוּדִ֜ים (haamudim) = de pilaren | וַחֲשׁוּקֵיהֶם֙ (vachashuqeihem) = en hun staven | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וְצִפּ֥וּי (vetsipuy) = en overtrekking van | רָאשֵׁיהֶ֖ם (rasheihem) = hun koppen | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְהֵם֙ (vehem) = en zij | מְחֻשָּׁקִ֣ים (mechushaqim) = verbonden | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | כֹּ֖ל (kol) = alle | עַמֻּדֵ֥י (amudei) = pilaren van | הֶחָצֵֽר (hechatser) = het voorhof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:18** Het gordijn voor de poort van het voorhof was het werk van een borduurder, van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen: twintig el lang en vijf el hoog in de breedte, gelijk aan de omhangsels van het voorhof. Brontekst: וּמָסַ֞ךְ (umasakh) = en het gordijn van | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | הֶחָצֵר֙ (hechatser) = het voorhof | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | רֹקֵ֔ם (roqem) = borduurder | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en linnen | מָשְׁזָ֑ר (mashezar) = getweernd | וְעֶשְׂרִ֤ים (veesrim) = en twintig | אַמָּה֙ (ama) = el | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | וְקוֹמָ֤ה (veqoma) = en hoogte | בְרֹ֨חַב֙ (berochav) = in breedte | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | אַמּ֔וֹת (amot) = ellen | לְעֻמַּ֖ת (leumat) = tegenover | קַלְעֵ֥י (qalei) = omhangsels van | הֶחָצֵֽר (hechatser) = het voorhof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 3:14 **38:19** Hun vier pilaren en hun vier voetstukken waren van koper, hun haken van zilver, en de bovenkant van hun koppen en hun staven waren van zilver. Brontekst: וְעַמֻּֽדֵיהֶם֙ (veamudeihem) = en hun pilaren | אַרְבָּעָ֔ה (arbaa) = vier | וְאַדְנֵיהֶ֥ם (veadneihem) = en hun voetstukken | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וָוֵיהֶ֣ם (vaveihem) = en hun haken | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וְצִפּ֧וּי (vetsipuy) = en overtrekking van | רָאשֵׁיהֶ֛ם (rasheihem) = hun koppen | וַחֲשֻׁקֵיהֶ֖ם (vachashuqeihem) = en hun staven | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:20** Alle tentpinnen voor de tabernakel en voor het voorhof rondom waren van koper. Brontekst: וְֽכָל (vekhal) = en alle | הַיְתֵדֹ֞ת (haytedot) = de pinnen | לַמִּשְׁכָּ֧ן (lamishkan) = voor de tabernakel | וְלֶחָצֵ֛ר (velechatser) = en voor het voorhof | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:19; Pred 12:11; 2 Kron 3:9; Jes 22:23; Ezra 9:8 ### De telling van het materiaal **38:21** Dit is de optelling van de tabernakel, de tabernakel van het getuigenis, die op bevel van Mozes werd opgemaakt door de Levieten onder leiding van Itamar, de zoon van Aäron, de priester. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | פְקוּדֵ֤י (pequdei) = tellingen van | הַמִּשְׁכָּן֙ (hamishkan) = de tabernakel | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = tabernakel van | הָעֵדֻ֔ת (haedut) = het getuigenis | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | פֻּקַּ֖ד (puqad) = geteld werd | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = bevel van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | עֲבֹדַת֙ (avodat) = dienst van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | אִֽיתָמָ֔ר (itamar) = Itamar | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers opent de rekenschap van het materiaal (Exod. 38:21–31). Itamar, de vierde zoon van Aäron (Exod. 6:23), leidde de Levieten bij deze telling. Zie ook: Ex 6:23; Num 1:50; Num 1:53; Num 9:15; 2 Kron 24:6; Hand 7:44 **38:22** Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, van de stam Juda, maakte alles wat Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וּבְצַלְאֵ֛ל (uvetsalel) = en Bezaleël | בֶּן (ben) = zoon van | אוּרִ֥י (uri) = Uri | בֶן (ben) = zoon van | ח֖וּר (chur) = Chur | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | עָשָׂ֕ה (asa) = maakte | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:1–5; Ex 35:30–36:3; Ps 119:6; Jer 1:7; Mat 28:20 **38:23** Met hem was Oholiab, de zoon van Achisamach, van de stam Dan, steensnijder, vakman en borduurder in blauwpurper, roodpurper, karmozijnrood garen en fijn linnen. Brontekst: וְאִתּ֗וֹ (veito) = en met hem | אָהֳלִיאָ֞ב (aholiav) = Oholiab | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיסָמָ֛ךְ (achisamakh) = Achisamach | לְמַטֵּה (lemate) = van de stam | דָ֖ן (dan) = Dan | חָרָ֣שׁ (charash) = steensnijder | וְחֹשֵׁ֑ב (vechoshev) = en vakman | וְרֹקֵ֗ם (veroqem) = en borduurder | בַּתְּכֵ֨לֶת֙ (batekhelet) = in blauwpurper | וּבָֽאַרְגָּמָ֔ן (uvaargaman) = en in roodpurper | וּבְתוֹלַ֥עַת (uvetolaat) = en in karmozijn | הַשָּׁנִ֖י (hashani) = het scharlaken | וּבַשֵּֽׁשׁ (uvashesh) = en in linnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:6; Ex 35:34 **38:24** Al het goud dat voor het werk werd gebruikt, bij heel het werk aan het heiligdom, het goud van het beweegoffer, was 29 talent en 730 sikkel, volgens de sikkel van het heiligdom. Brontekst: כָּל (kal) = al | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | הֶֽעָשׂוּי֙ (heasuy) = dat gebruikt werd | לַמְּלָאכָ֔ה (lamelakha) = voor het werk | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = werk van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | זְהַ֣ב (zehav) = goud van | הַתְּנוּפָ֗ה (hatenufa) = het beweegoffer | תֵּ֤שַׁע (tesha) = negen | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | כִּכָּ֔ר (kikar) = talent | וּשְׁבַ֨ע (usheva) = en zeven | מֵא֧וֹת (meot) = honderd | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֥קֶל (besheqel) = volgens sikkel | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = van het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilo en een sikkel ongeveer 11,4 gram; de exacte waarde is onzeker. Het totaal komt dan op ongeveer 1 ton goud. Zie ook: Ex 30:13–14; Lev 27:25; Num 3:47; Num 18:16; Hag 2:8 **38:25** Het zilver van de getelden uit de gemeenschap was 100 talent en 1.775 sikkel, volgens de sikkel van het heiligdom: Brontekst: וְכֶ֛סֶף (vekhesef) = en zilver | פְּקוּדֵ֥י (pequdei) = tellingen van | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | מְאַ֣ת (meat) = honderd | כִּכָּ֑ר (kikar) = talent | וְאֶלֶף֩ (veelef) = en duizend | וּשְׁבַ֨ע (usheva) = en zeven | מֵא֜וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשָּׁ֧ה (vachamisha) = en vijf | וְשִׁבְעִ֛ים (veshivim) = en zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֥קֶל (besheqel) = volgens sikkel | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = van het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:12 **38:26** een beka per man, de helft van een sikkel, volgens de sikkel van het heiligdom, voor ieder die overging naar de getelden, van twintig jaar en ouder: 603.550 man. Brontekst: בֶּ֚קַע (beqa) = beka | לַגֻּלְגֹּ֔לֶת (lagulgolet) = per hoofd | מַחֲצִ֥ית (machatsit) = helft van | הַשֶּׁ֖קֶל (hasheqel) = de sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = volgens sikkel | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = van het heiligdom | לְכֹ֨ל (lekhol) = voor ieder | הָעֹבֵ֜ר (haover) = die overging | עַל (al) = naar | הַפְּקֻדִ֗ים (hapequdim) = de getelden | מִבֶּ֨ן (miben) = van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | לְשֵׁשׁ (leshesh) = voor zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | וּשְׁלֹ֣שֶׁת (usheloshet) = en drie | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּֽׁים (vachamishim) = en vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּקַע (beqa‘) is een halve sikkel. Het getal 603.550 komt ook voor in Num. 1:46. Zie ook: Ex 12:37; Ex 30:13; Ex 30:15–16; Num 1:46 **38:27** De 100 talent zilver dienden om de voetstukken van het heiligdom en de voetstukken van de voorhang te gieten: 100 voetstukken voor 100 talent, een talent per voetstuk. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en was | מְאַת֙ (meat) = honderd | כִּכַּ֣ר (kikar) = talent | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = het zilver | לָצֶ֗קֶת (latseqet) = om te gieten | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אַדְנֵ֣י (adnei) = voetstukken van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | אַדְנֵ֣י (adnei) = voetstukken van | הַפָּרֹ֑כֶת (haparokhet) = de voorhang | מְאַ֧ת (meat) = honderd | אֲדָנִ֛ים (adanim) = voetstukken | לִמְאַ֥ת (limat) = voor honderd | הַכִּכָּ֖ר (hakikar) = het talent | כִּכָּ֥ר (kikar) = talent | לָאָֽדֶן (laaden) = per voetstuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 100 talent zilver geeft 100 voetstukken, één talent per voetstuk, voor de planken van de tabernakel en de pilaren van de voorhang (Exod. 26:19–37). Zie ook: Ex 26:19; Ex 26:21; Ex 26:25; Ex 26:32 **38:28** Van de 1.775 sikkel maakte hij haken voor de pilaren, overtrok hij hun koppen en verbond hij ze. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֶ֜לֶף (haelef) = de duizend | וּשְׁבַ֤ע (usheva) = en zeven | הַמֵּאוֹת֙ (hameot) = de honderd | וַחֲמִשָּׁ֣ה (vachamisha) = en vijf | וְשִׁבְעִ֔ים (veshivim) = en zeventig | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte hij | וָוִ֖ים (vavim) = haken | לָעַמּוּדִ֑ים (laamudim) = voor de pilaren | וְצִפָּ֥ה (vetsipa) = en overtrok | רָאשֵׁיהֶ֖ם (rasheihem) = hun koppen | וְחִשַּׁ֥ק (vechishaq) = en verbond | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:17 **38:29** Het koper van het beweegoffer was 70 talent en 2.400 sikkel. Brontekst: וּנְחֹ֥שֶׁת (unechoshet) = en koper | הַתְּנוּפָ֖ה (hatenufa) = van het beweegoffer | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | כִּכָּ֑ר (kikar) = talent | וְאַלְפַּ֥יִם (vealpayim) = en tweeduizend | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָֽׁקֶל (shaqel) = sikkel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:30** Daarvan maakte hij de voetstukken bij de ingang van de tent van samenkomst, het koperen altaar met het koperen rooster dat erbij hoorde, en alle voorwerpen van het altaar, Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | בָּ֗הּ (bah) = daarvan | אֶת (et) = (obj.) | אַדְנֵי֙ (adnei) = voetstukken van | פֶּ֚תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הַנְּחֹ֔שֶׁת (hanechoshet) = het koper | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִכְבַּ֥ר (mikhbar) = rooster van | הַנְּחֹ֖שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֑וֹ (lo) = bij hem | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֥י (kelei) = voorwerpen van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:37; Ex 27:10; Ex 27:17 **38:31** de voetstukken van het voorhof rondom, de voetstukken van de poort van het voorhof, alle tentpinnen van de tabernakel en alle tentpinnen van het voorhof rondom. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַדְנֵ֤י (adnei) = voetstukken van | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = het voorhof | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַדְנֵ֖י (adnei) = voetstukken van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הֶחָצֵ֑ר (hechatser) = het voorhof | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | יִתְדֹ֧ת (yitdot) = pinnen van | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | יִתְדֹ֥ת (yitdot) = pinnen van | הֶחָצֵ֖ר (hechatser) = het voorhof | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Exodus 39 _De priesterkleren en de oplevering van het werk_ ### De priesterkleren **39:1** Van het blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen maakten zij ambtskleren om in het heiligdom te dienen; ze maakten ook de heilige kleren voor Aäron, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַתְּכֵ֤לֶת (hatekhelet) = het blauwpurper | וְהָֽאַרְגָּמָן֙ (vehaargaman) = en het roodpurper | וְתוֹלַ֣עַת (vetolaat) = en karmozijn | הַשָּׁנִ֔י (hashani) = het scharlaken | עָשׂ֥וּ (asu) = maakten zij | בִגְדֵי (bigdei) = kleren van | שְׂרָ֖ד (serad) = dienst | לְשָׁרֵ֣ת (lesharet) = om te dienen | בַּקֹּ֑דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | וַֽיַּעֲשׂ֞וּ (vayaasu) = en zij maakten | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֤י (bigdei) = kleren van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heiligdom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְאַהֲרֹ֔ן (leaharon) = voor Aäron | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk voert uit wat in Exod. 28 is opgedragen; de volgorde en de woorden komen er bijna letterlijk mee overeen. Telkens staat erbij: ‘zoals Yahweh aan Mozes geboden had’ (vers 1, 5, 7, 21, 26, 29, 31, 32, 42, 43). Zie ook: Ex 31:10; Ex 35:19; Ex 35:23; Ex 39:5; Ex 39:7; Ex 39:21; Ex 39:26; Ex 39:29; Ex 39:31; Ex 39:32; Ex 39:42; Ex 39:43; Heb 9:12; Heb 9:25 ### De efod **39:2** Hij maakte de efod van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵפֹ֑ד (haefod) = de efod | זָהָ֗ב (zahav) = goud | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en linnen | מָשְׁזָֽר (mashezar) = getweernd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:7; Ex 28:6–12; Lev 8:7 **39:3** Zij sloegen het goud uit tot dunne platen en sneden er draden van, om die te verwerken in het blauwpurper, het roodpurper, het karmozijnrood garen en het fijn linnen, als werk van een vakman. Brontekst: וַֽיְרַקְּע֞וּ (vayraqeu) = en zij sloegen uit | אֶת (et) = (obj.) | פַּחֵ֣י (pachei) = platen van | הַזָּהָב֮ (hazahav) = het goud | וְקִצֵּ֣ץ (veqitsets) = en sneden | פְּתִילִם֒ (petilim) = hun draden | לַעֲשׂ֗וֹת (laasot) = om te verwerken | בְּת֤וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַתְּכֵ֨לֶת֙ (hatekhelet) = het blauwpurper | וּבְת֣וֹךְ (uvetokh) = en in het midden van | הָֽאַרְגָּמָ֔ן (haargaman) = het roodpurper | וּבְת֛וֹךְ (uvetokh) = en in het midden van | תּוֹלַ֥עַת (tolaat) = karmozijn | הַשָּׁנִ֖י (hashani) = het scharlaken | וּבְת֣וֹךְ (uvetokh) = en in het midden van | הַשֵּׁ֑שׁ (hashesh) = het linnen | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | חֹשֵֽׁב (choshev) = vakman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het goud wordt tot dunne draden verwerkt en door de stoffen geweven; dit is een bijzonder detail dat in Exod. 28:6 niet genoemd wordt. Zie ook: Ex 26:1; Ex 28:6; Ex 36:8 **39:4** Zij maakten er schouderstukken aan, die aan de twee uiteinden werden verbonden. Brontekst: כְּתֵפֹ֥ת (ketefot) = schouderstukken | עָֽשׂוּ (asu) = maakten zij | ל֖וֹ (lo) = voor hem | חֹבְרֹ֑ת (choverot) = verbindend | עַל (al) = aan | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | קְצוֹתָ֖יו (qetsotav) = zijn uiteinden | חֻבָּֽר (chubar) = werd verbonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:5** De kunstig geweven band van zijn efod, die erop zat, was uit hetzelfde stuk en van dezelfde makelij: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וְחֵ֨שֶׁב (vecheshev) = en de kunstig geweven band van | אֲפֻדָּת֜וֹ (afudato) = zijn efod | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָלָ֗יו (alav) = op hem | מִמֶּ֣נּוּ (mimenu) = uit hem | הוּא֮ (hu) = hij | כְּמַעֲשֵׂהוּ֒ (kemaasehu) = als zijn werk | זָהָ֗ב (zahav) = goud | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en linnen | מָשְׁזָ֑ר (mashezar) = getweernd | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:8; Lev 8:7; Jes 11:5; Mat 28:20; Openb 1:13 **39:6** Zij maakten de onyxstenen, omgeven door gouden kassen en gegraveerd als zegels met de namen van de zonen van Israël. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂוּ֙ (vayaasu) = en zij maakten | אֶת (et) = (obj.) | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | הַשֹּׁ֔הַם (hashoham) = de onyx | מֻֽסַבֹּ֖ת (musabot) = omgeven | מִשְׁבְּצֹ֣ת (mishbetsot) = met kassen van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | מְפֻתָּחֹת֙ (mefutachot) = gegraveerd | פִּתּוּחֵ֣י (pituchei) = gravures van | חוֹתָ֔ם (chotam) = zegel | עַל (al) = op | שְׁמ֖וֹת (shemot) = namen van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:16; Ex 25:7; Ex 28:9; Ex 35:9; Ezech 28:13 **39:7** Hij plaatste ze op de schouderstukken van de efod als gedachtenisstenen voor de zonen van Israël, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en hij plaatste | אֹתָ֗ם (otam) = hen | עַ֚ל (al) = op | כִּתְפֹ֣ת (kitfot) = schouderstukken van | הָאֵפֹ֔ד (haefod) = de efod | אַבְנֵ֥י (avnei) = stenen van | זִכָּר֖וֹן (zikaron) = gedachtenis | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:12; Ex 28:29; Joz 4:7; Mar 14:9; Mar 14:22–25 ### De borstplaat **39:8** Hij maakte de borstplaat, als werk van een vakman, gelijk aan het werk van de efod: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַחֹ֛שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חֹשֵׁ֖ב (choshev) = vakman | כְּמַעֲשֵׂ֣ה (kemaase) = als het werk van | אֵפֹ֑ד (efod) = efod | זָהָ֗ב (zahav) = goud | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en linnen | מָשְׁזָֽר (mashezar) = getweernd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:4; Ex 28:13–29; Lev 8:8–9; Jes 59:17; Ef 6:14 **39:9** De borstplaat was vierkant. Zij maakten hem dubbelgevouwen, een span lang en een span breed, dubbelgevouwen. Brontekst: רָב֧וּעַ (ravua) = vierkant | הָיָ֛ה (haya) = was | כָּפ֖וּל (kaful) = dubbelgevouwen | עָשׂ֣וּ (asu) = zij maakten | אֶת (et) = (obj.) | הַחֹ֑שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | זֶ֧רֶת (zeret) = een span | אָרְכּ֛וֹ (arko) = zijn lengte | וְזֶ֥רֶת (vezeret) = en een span | רָחְבּ֖וֹ (rachbo) = zijn breedte | כָּפֽוּל (kaful) = dubbelgevouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een span (זֶרֶת, zeret) is de afstand van duim tot pink, ongeveer 22 cm. **39:10** Zij zetten daarin vier rijen stenen: de eerste rij een karneool, een topaas en een smaragd; Brontekst: וַיְמַלְאוּ (vaymalu) = en zij vulden | ב֔וֹ (bo) = daarin | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | ט֣וּרֵי (turei) = rijen van | אָ֑בֶן (aven) = steen | ט֗וּר (tur) = rij | אֹ֤דֶם (odem) = karneool | פִּטְדָה֙ (pitda) = topaas | וּבָרֶ֔קֶת (uvareqet) = en smaragd | הַטּ֖וּר (hatur) = de rij | הָאֶחָֽד (haechad) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de twaalf stenen zijn onzeker. Wij kiezen de gangbare namen, maar de identificatie van sommige stenen blijft een vermoeden; zie Exod. 28:17–20. Zie ook: Ex 28:16–17; Ex 28:17–20; Ex 28:21; Openb 21:19–21 **39:11** de tweede rij een turkoois, een saffier en een diamant; Brontekst: וְהַטּ֖וּר (vehatur) = en de rij | הַשֵּׁנִ֑י (hasheni) = de tweede | נֹ֥פֶךְ (nofekh) = turkoois | סַפִּ֖יר (sapir) = saffier | וְיָהֲלֹֽם (veyahalom) = en diamant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:18; Ezech 28:13 **39:12** de derde rij een hyacint, een agaat en een amethist; Brontekst: וְהַטּ֖וּר (vehatur) = en de rij | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = de derde | לֶ֥שֶׁם (leshem) = hyacint | שְׁב֖וֹ (shevo) = agaat | וְאַחְלָֽמָה (veachlama) = en amethist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:13** de vierde rij een chrysoliet, een onyx en een jaspis; ze werden in gouden kassen gezet bij hun inzetting. Brontekst: וְהַטּוּר֙ (vehatur) = en de rij | הָֽרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | תַּרְשִׁ֥ישׁ (tarshish) = chrysoliet | שֹׁ֖הַם (shoham) = onyx | וְיָשְׁפֵ֑ה (veyashefe) = en jaspis | מֽוּסַבֹּ֛ת (musabot) = omgeven | מִשְׁבְּצ֥וֹת (mishbetsot) = kassen van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | בְּמִלֻּאֹתָֽם (bemiluotam) = in hun inzetting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:14** De stenen droegen de namen van de zonen van Israël, twaalf, overeenkomstig hun namen, gegraveerd als een zegel, ieder met zijn naam, voor de twaalf stammen. Brontekst: וְ֠הָאֲבָנִים (vehaavanim) = en de stenen | עַל (al) = op | שְׁמֹ֨ת (shemot) = namen van | בְּנֵי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | הֵ֛נָּה (hena) = zij | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | עַל (al) = volgens | שְׁמֹתָ֑ם (shemotam) = hun namen | פִּתּוּחֵ֤י (pituchei) = gravures van | חֹתָם֙ (chotam) = zegel | אִ֣ישׁ (ish) = man | עַל (al) = volgens | שְׁמ֔וֹ (shemo) = zijn naam | לִשְׁנֵ֥ים (lishneim) = voor twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | שָֽׁבֶט (shavet) = stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Openb 21:12 **39:15** Zij maakten op de borstplaat kettingen van gevlochten koordwerk van zuiver goud. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֧וּ (vayaasu) = en zij maakten | עַל (al) = op | הַחֹ֛שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | שַׁרְשְׁרֹ֥ת (sharsherot) = kettingen | גַּבְלֻ֖ת (gavlut) = gevlochten | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | עֲבֹ֑ת (avot) = koord | זָהָ֖ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 3:5; Joh 10:28; Joh 17:12; 1 Petr 1:5; Jud 1:1 **39:16** Zij maakten twee gouden kassen en twee gouden ringen en plaatsten de twee ringen aan de twee uiteinden van de borstplaat. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֗וּ (vayaasu) = en zij maakten | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | מִשְׁבְּצֹ֣ת (mishbetsot) = kassen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וּשְׁתֵּ֖י (ushtei) = en twee | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וַֽיִּתְּנ֗וּ (vayitenu) = en zij plaatsten | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | הַטַּבָּעֹ֔ת (hatabaot) = de ringen | עַל (al) = op | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | קְצ֥וֹת (qetsot) = uiteinden van | הַחֹֽשֶׁן (hachoshen) = de borstplaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:12 **39:17** Zij bevestigden de twee gouden koorden aan de twee ringen aan de uiteinden van de borstplaat. Brontekst: וַֽיִּתְּנ֗וּ (vayitenu) = en zij plaatsten | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | הָעֲבֹתֹ֣ת (haavotot) = de koorden | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | עַל (al) = op | שְׁתֵּ֖י (shetei) = twee | הַטַּבָּעֹ֑ת (hatabaot) = de ringen | עַל (al) = op | קְצ֖וֹת (qetsot) = uiteinden van | הַחֹֽשֶׁן (hachoshen) = de borstplaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:18** De twee uiteinden van de twee koorden bevestigden zij aan de twee kassen, en zij plaatsten ze op de schouderstukken van de efod, aan de voorkant. Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֤י (shetei) = twee | קְצוֹת֙ (qetsot) = uiteinden van | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הָֽעֲבֹתֹ֔ת (haavotot) = de koorden | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij bevestigden | עַל (al) = aan | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַֽמִּשְׁבְּצֹ֑ת (hamishbetsot) = de kassen | וַֽיִּתְּנֻ֛ם (vayitenum) = en zij plaatsten ze | עַל (al) = op | כִּתְפֹ֥ת (kitfot) = schouderstukken van | הָאֵפֹ֖ד (haefod) = de efod | אֶל (el) = naar | מ֥וּל (mul) = tegenover | פָּנָֽיו (panav) = zijn voorkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:14; Hoogl 1:10 **39:19** Zij maakten twee gouden ringen en plaatsten die aan de twee uiteinden van de borstplaat, aan zijn rand, aan de kant die naar de efod toe lag, naar binnen. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֗וּ (vayaasu) = en zij maakten | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וַיָּשִׂ֕ימוּ (vayasimu) = en zij plaatsten | עַל (al) = op | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | קְצ֣וֹת (qetsot) = uiteinden van | הַחֹ֑שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | עַל (al) = op | שְׂפָת֕וֹ (sefato) = zijn rand | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אֶל (el) = naar | עֵ֥בֶר (ever) = kant van | הָאֵפֹ֖ד (haefod) = de efod | בָּֽיְתָה (bayeta) = binnenwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:20** Zij maakten nog twee gouden ringen en plaatsten die onderaan de twee schouderstukken van de efod, aan de voorkant, vlak bij de verbinding, boven de kunstig geweven band van de efod. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂוּ֮ (vayaasu) = en zij maakten | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | טַבְּעֹ֣ת (tabeot) = ringen van | זָהָב֒ (zahav) = goud | וַֽיִּתְּנֻ֡ם (vayitenum) = en plaatsten ze | עַל (al) = op | שְׁתֵּי֩ (shetei) = twee | כִתְפֹ֨ת (kitfot) = schouderstukken van | הָאֵפֹ֤ד (haefod) = de efod | מִלְמַ֨טָּה֙ (milmata) = van beneden | מִמּ֣וּל (mimul) = tegenover | פָּנָ֔יו (panav) = zijn voorkant | לְעֻמַּ֖ת (leumat) = bij | מֶחְבַּרְתּ֑וֹ (mechbarto) = zijn verbinding | מִמַּ֕עַל (mimaal) = van boven | לְחֵ֖שֶׁב (lecheshev) = aan de kunstig geweven band van | הָאֵפֹֽד (haefod) = de efod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:3 **39:21** Zij bonden de borstplaat met zijn ringen vast aan de ringen van de efod met een koord van blauwpurper, zodat hij op de kunstig geweven band van de efod zat en de borstplaat niet van de efod los kon raken, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיִּרְכְּס֣וּ (vayirkesu) = en zij bonden vast | אֶת (et) = (obj.) | הַחֹ֡שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | מִטַּבְּעֹתָיו֩ (mitabeotav) = met zijn ringen | אֶל (el) = aan | טַבְּעֹ֨ת (tabeot) = ringen van | הָאֵפֹ֜ד (haefod) = de efod | בִּפְתִ֣יל (biftil) = met koord van | תְּכֵ֗לֶת (tekhelet) = blauwpurper | לִֽהְיֹת֙ (lihyot) = om te zijn | עַל (al) = op | חֵ֣שֶׁב (cheshev) = kunstig geweven band van | הָאֵפֹ֔ד (haefod) = de efod | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִזַּ֣ח (yizach) = zou losraken | הַחֹ֔שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | מֵעַ֖ל (meal) = van op | הָאֵפֹ֑ד (haefod) = de efod | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 16:24; 1 Kor 1:25; 1 Kor 1:27 ### De mantel **39:22** Hij maakte de mantel van de efod, door een wever gemaakt, geheel van blauwpurper. Brontekst: וַיַּ֛עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | מְעִ֥יל (meil) = mantel van | הָאֵפֹ֖ד (haefod) = de efod | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | אֹרֵ֑ג (oreg) = wever | כְּלִ֖יל (kelil) = geheel | תְּכֵֽלֶת (tekhelet) = blauwpurper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:31–35 **39:23** De opening van de mantel zat in het midden, als de opening van een pantserhemd, met rondom die opening een rand, zodat hij niet scheurde. Brontekst: וּפִֽי (ufi) = en opening van | הַמְּעִ֥יל (hameil) = de mantel | בְּתוֹכ֖וֹ (betokho) = in zijn midden | כְּפִ֣י (kefi) = als opening van | תַחְרָ֑א (tachra) = pantserhemd | שָׂפָ֥ה (safa) = rand | לְפִ֛יו (lefiv) = voor zijn opening | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לֹ֥א (lo) = niet | יִקָּרֵֽעַ (yiqarea) = zou scheuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:24** Zij maakten aan de zomen van de mantel granaatappels van getweernd blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂוּ֙ (vayaasu) = en zij maakten | עַל (al) = aan | שׁוּלֵ֣י (shulei) = zomen van | הַמְּעִ֔יל (hameil) = de mantel | רִמּוֹנֵ֕י (rimonei) = granaatappels van | תְּכֵ֥לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֖ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֣עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֑י (shani) = scharlaken | מָשְׁזָֽר (mashezar) = getweernd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:33; Gal 5:22 **39:25** Zij maakten belletjes van zuiver goud en plaatsten de belletjes tussen de granaatappels, rondom aan de zomen van de mantel, tussen de granaatappels: Brontekst: וַיַּעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en zij maakten | פַעֲמֹנֵ֖י (paamonei) = belletjes van | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en zij plaatsten | אֶת (et) = (obj.) | הַפַּֽעֲמֹנִ֜ים (hapaamonim) = de belletjes | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָרִמֹּנִ֗ים (harimonim) = de granaatappels | עַל (al) = aan | שׁוּלֵ֤י (shulei) = zomen van | הַמְּעִיל֙ (hameil) = de mantel | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָרִמֹּנִֽים (harimonim) = de granaatappels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:33–34; Ps 89:16; Hoogl 4:13 **39:26** een belletje en een granaatappel, een belletje en een granaatappel, rondom aan de zomen van de mantel, om te dienen, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: פַּעֲמֹ֤ן (paamon) = belletje | וְרִמֹּן֙ (verimon) = en granaatappel | פַּעֲמֹ֣ן (paamon) = belletje | וְרִמֹּ֔ן (verimon) = en granaatappel | עַל (al) = aan | שׁוּלֵ֥י (shulei) = zomen van | הַמְּעִ֖יל (hameil) = de mantel | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | לְשָׁרֵ֕ת (lesharet) = om te dienen | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:34; Hoogl 4:3; Hoogl 4:13; Hoogl 6:7; Mat 9:20 ### Onderkleden, tulband en gordel **39:27** Zij maakten de onderkleden van fijn linnen, door een wever gemaakt, voor Aäron en voor zijn zonen, Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֛וּ (vayaasu) = en zij maakten | אֶת (et) = (obj.) | הַכָּתְנֹ֥ת (hakatenot) = de onderkleden | שֵׁ֖שׁ (shesh) = linnen | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | אֹרֵ֑ג (oreg) = wever | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = voor Aäron | וּלְבָנָֽיו (ulevanav) = en voor zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:13; Ezech 44:18; Gal 3:27; Rom 13:14; Fil 2:6–8 **39:28** de tulband van fijn linnen, de sierlijke hoofdbanden van fijn linnen en de linnen onderbroeken van getweernd fijn linnen, Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַמִּצְנֶ֣פֶת (hamitsnefet) = de tulband | שֵׁ֔שׁ (shesh) = linnen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פַּאֲרֵ֥י (paarei) = sieraden van | הַמִּגְבָּעֹ֖ת (hamigbaot) = de hoofdbanden | שֵׁ֑שׁ (shesh) = linnen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִכְנְסֵ֥י (mikhnesei) = onderbroeken van | הַבָּ֖ד (habad) = het linnen | שֵׁ֥שׁ (shesh) = linnen | מָשְׁזָֽר (mashezar) = getweernd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבָּד (habbad), ‘het linnen’, is een ander woord voor fijn linnen dan שֵׁשׁ (shesh). Zie ook: Ex 28:4; Ex 28:39; Ex 28:42; Ezech 44:18 **39:29** en de gordel van getweernd fijn linnen en van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen, als werk van een borduurder, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַבְנֵ֞ט (haavnet) = de gordel | שֵׁ֣שׁ (shesh) = linnen | מָשְׁזָ֗ר (mashezar) = getweernd | וּתְכֵ֧לֶת (utekhelet) = en blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | וְתוֹלַ֥עַת (vetolaat) = en karmozijn | שָׁנִ֖י (shani) = scharlaken | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | רֹקֵ֑ם (roqem) = borduurder | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:39 ### De gouden plaat **39:30** Zij maakten de plaat van de heilige kroon van zuiver goud en schreven daarop in zegelgravure: ‘Heilig voor Yahweh.’ Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֛וּ (vayaasu) = en zij maakten | אֶת (et) = (obj.) | צִ֥יץ (tsits) = plaat van | נֵֽזֶר (nezer) = kroon van | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | וַיִּכְתְּב֣וּ (vayikhtevu) = en zij schreven | עָלָ֗יו (alav) = daarop | מִכְתַּב֙ (mikhtav) = schrift van | פִּתּוּחֵ֣י (pituchei) = gravures van | חוֹתָ֔ם (chotam) = zegel | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De plaat (ציץ, tsits) draagt de woorden ‘Heilig voor Yahweh’ (Exod. 28:36–38). Zie ook: Ex 28:36–39; 2 Kor 5:21; Heb 1:3; Heb 7:26; Openb 5:10 **39:31** Zij bevestigden daaraan een koord van blauwpurper om het van boven aan de tulband vast te maken, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij plaatsten | עָלָיו֙ (alav) = daaraan | פְּתִ֣יל (petil) = koord van | תְּכֵ֔לֶת (tekhelet) = blauwpurper | לָתֵ֥ת (latet) = om te bevestigen | עַל (al) = op | הַמִּצְנֶ֖פֶת (hamitsnefet) = de tulband | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = van boven | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het werk is voltooid **39:32** Zo werd al het werk aan de tabernakel, de tent van samenkomst, voltooid. De zonen van Israël deden alles zoals Yahweh aan Mozes geboden had; zo deden zij het. Brontekst: וַתֵּ֕כֶל (vatekhel) = en werd voltooid | כָּל (kal) = al | עֲבֹדַ֕ת (avodat) = dienst van | מִשְׁכַּ֖ן (mishkan) = tabernakel van | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַֽיַּעֲשׂוּ֙ (vayaasu) = en zij maakten | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כְּ֠כֹל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשֽׂוּ (asu) = deden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het werk wordt ‘voltooid’ (ותכל, vattichel), met hetzelfde werkwoord (כלה, kalah) als bij de schepping in Gen. 2:1–2, waar de vertaling ‘klaar’ en ‘afmaken’ heeft. Vergelijk ook Exod. 40:33. Zie ook: Gen 2:1–2; Ex 25:1–31; Ex 25:40; Ex 39:42–43; Ex 40:33; 1 Sam 15:22; Mat 28:20 **39:33** Zij brachten de tabernakel naar Mozes: de tent met al zijn voorwerpen, zijn haken, zijn planken, zijn dwarsbalken, zijn pilaren en zijn voetstukken, Brontekst: וַיָּבִ֤יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּן֙ (hamishkan) = de tabernakel | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹ֖הֶל (haohel) = de tent | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | קְרָסָ֣יו (qerasav) = zijn haken | קְרָשָׁ֔יו (qerashav) = zijn planken | בְּרִיחָ֖יו (berichav) = zijn dwarsbalken | וְעַמֻּדָ֥יו (veamudav) = en zijn pilaren | וַאֲדָנָֽיו (vaadanav) = en zijn voetstukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:1–30; Ex 31:7–11; Ex 35:11–19; Ex 36:1–38 **39:34** de dekking van roodgeverfde ramsvellen, de dekking van tachash-huiden en de voorhang van het gordijn, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִכְסֵ֞ה (mikhse) = dekking van | עוֹרֹ֤ת (orot) = huiden van | הָֽאֵילִם֙ (haeilim) = de rammen | הַמְאָדָּמִ֔ים (hamadamim) = de roodgeverfde | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִכְסֵ֖ה (mikhse) = dekking van | עֹרֹ֣ת (orot) = huiden van | הַתְּחָשִׁ֑ים (hatechashim) = de tachash | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | פָּרֹ֥כֶת (parokhet) = voorhang van | הַמָּסָֽךְ (hamasakh) = het gordijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:35** de ark van het getuigenis met zijn draagstokken en het verzoendeksel, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | אֲרֹ֥ן (aron) = ark van | הָעֵדֻ֖ת (haedut) = het getuigenis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּדָּ֑יו (badav) = zijn draagstokken | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הַכַּפֹּֽרֶת (hakaporet) = het verzoendeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:17; Heb 9:5; Heb 9:8 **39:36** de tafel met al zijn voorwerpen en het toonbrood, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָן֙ (hashulchan) = de tafel | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | לֶ֥חֶם (lechem) = brood van | הַפָּנִֽים (hapanim) = het aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:30; 1 Kon 7:48 **39:37** de zuivere kandelaar met zijn lampen, de lampen die in een rij worden gezet, met al zijn voorwerpen en de olie voor het licht, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַמְּנֹרָ֨ה (hamenora) = de kandelaar | הַטְּהֹרָ֜ה (hatehora) = de zuivere | אֶת (et) = (obj.) | נֵרֹתֶ֗יהָ (neroteiha) = zijn lampen | נֵרֹ֛ת (nerot) = lampen van | הַמַּֽעֲרָכָ֖ה (hamaarakha) = de rij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלֶ֑יהָ (keleiha) = zijn voorwerpen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שֶׁ֥מֶן (shemen) = olie van | הַמָּאֽוֹר (hamaor) = het licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:31; Ex 27:21; Mat 5:14–16; Fil 2:15 **39:38** het gouden altaar, de zalfolie, de welriekende wierook en het gordijn voor de ingang van de tent, Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | קְטֹ֣רֶת (qetoret) = wierook van | הַסַּמִּ֑ים (hasamim) = de specerijen | וְאֵ֕ת (veet) = en (obj.) | מָסַ֖ךְ (masakh) = gordijn van | פֶּ֥תַח (petach) = ingang van | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:3; Ex 30:7; Ex 35:8; Ex 37:29; 2 Kron 2:3 **39:39** het koperen altaar met zijn koperen rooster, zijn draagstokken en al zijn voorwerpen, het wasbekken met zijn voetstuk, Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הַנְּחֹ֗שֶׁת (hanechoshet) = het koper | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִכְבַּ֤ר (mikhbar) = rooster van | הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֔וֹ (lo) = bij hem | אֶת (et) = (obj.) | בַּדָּ֖יו (badav) = zijn draagstokken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּיֹּ֖ר (hakiyor) = het wasbekken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּנּֽוֹ (kano) = zijn voetstuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 38:30; 1 Kon 8:64 **39:40** de omhangsels van het voorhof met zijn pilaren en voetstukken, het gordijn voor de poort van het voorhof, zijn touwen en zijn tentpinnen, en alle voorwerpen voor de dienst van de tabernakel, voor de tent van samenkomst, Brontekst: אֵת֩ (et) = (obj.) | קַלְעֵ֨י (qalei) = omhangsels van | הֶחָצֵ֜ר (hechatser) = het voorhof | אֶת (et) = (obj.) | עַמֻּדֶ֣יהָ (amudeiha) = zijn pilaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲדָנֶ֗יהָ (adaneiha) = zijn voetstukken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמָּסָךְ֙ (hamasakh) = het gordijn | לְשַׁ֣עַר (leshaar) = voor de poort van | הֶֽחָצֵ֔ר (hechatser) = het voorhof | אֶת (et) = (obj.) | מֵיתָרָ֖יו (meitarav) = zijn touwen | וִיתֵדֹתֶ֑יהָ (vitedoteiha) = en zijn tentpinnen | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כְּלֵ֛י (kelei) = voorwerpen van | עֲבֹדַ֥ת (avodat) = dienst van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | לְאֹ֥הֶל (leohel) = voor de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:9–16 **39:41** de ambtskleren om in het heiligdom te dienen, de heilige kleren voor Aäron, de priester, en de kleren van zijn zonen om als priesters te dienen. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | הַשְּׂרָ֖ד (haserad) = de dienst | לְשָׁרֵ֣ת (lesharet) = om te dienen | בַּקֹּ֑דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֤י (bigdei) = kleren van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heiligdom | לְאַהֲרֹ֣ן (leaharon) = voor Aäron | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | לְכַהֵֽן (lekhahen) = om priester te zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:2; Ex 31:10; Ex 39:1 **39:42** Zoals Yahweh aan Mozes alles had geboden, zo hadden de zonen van Israël heel het werk gedaan. Brontekst: כְּכֹ֛ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | כֵּ֤ן (ken) = zo | עָשׂוּ֙ (asu) = deden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָעֲבֹדָֽה (haavoda) = het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:21–22; Ex 35:10; Ex 39:32; Deut 13:1; 2 Tim 2:15 **39:43** Mozes zag heel het werk, en zie, zij hadden het gemaakt zoals Yahweh geboden had; zo hadden zij het gedaan. Toen zegende Mozes hen. Brontekst: וַיַּ֨רְא (vayar) = en zag | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַמְּלָאכָ֗ה (hamelakha) = het werk | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | עָשׂ֣וּ (asu) = zij hadden gemaakt | אֹתָ֔הּ (otah) = het | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כֵּ֣ן (ken) = zo | עָשׂ֑וּ (asu) = hadden zij gedaan | וַיְבָ֥רֶךְ (vayvarekh) = en zegende | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes ziet en zegent het werk, zoals Elohim het werk van de schepping zag (Gen. 1:31) en de zevende dag zegende (Gen. 2:3). Zie ook: Gen 1:31; Gen 2:3; Lev 9:22–23; Num 6:23–27; 2 Sam 6:18; 1 Kon 8:14; 2 Kron 30:27 ## Exodus 40 _De tabernakel wordt opgericht en Yahweh vult hem met Zijn heerlijkheid_ ### Het bevel om op te richten **40:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **40:2** **„Op de eerste dag van de eerste maand moet je de tabernakel, de tent van samenkomst, oprichten.** Brontekst: בְּיוֹם (beyom) = op de dag | הַחֹ֥דֶשׁ (hachodesh) = de maand | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op de eerste | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | תָּקִ֕ים (taqim) = zult gij oprichten | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁכַּ֖ן (mishkan) = tabernakel van | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De dag is 1 Nisan (de eerste dag van het jaar, vers 17), bijna een jaar na de uittocht (Exod. 12:2; 19:1). Zie ook: Ex 12:2; Ex 13:4; Ex 19:1; Ex 26:30; Ex 40:17–19; Num 1:1; Num 7:1 **40:3** **Zet daar de ark van het getuigenis neer en schut de ark af met de voorhang.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֣ (vesamta) = en zet | שָׁ֔ם (sham) = daar | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | הָעֵד֑וּת (haedut) = het getuigenis | וְסַכֹּתָ֥ (vesakota) = en schut af | עַל (al) = voor | הָאָרֹ֖ן (haaron) = de ark | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּרֹֽכֶת (haparokhet) = de voorhang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:22; Ex 35:12; Lev 16:14; Num 4:5; Openb 11:19 **40:4** **Breng de tafel binnen en leg zijn rij klaar; breng de kandelaar binnen en steek zijn lampen aan.** Brontekst: וְהֵבֵאתָ֙ (veheveta) = en breng | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָ֔ן (hashulchan) = de tafel | וְעָרַכְתָּ֖ (vearakhta) = en leg klaar | אֶת (et) = (obj.) | עֶרְכּ֑וֹ (erko) = zijn rij | וְהֵבֵאתָ֙ (veheveta) = en breng | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּנֹרָ֔ה (hamenora) = de kandelaar | וְהַעֲלֵיתָ֖ (vehaaleita) = en laat opgaan | אֶת (et) = (obj.) | נֵרֹתֶֽיהָ (neroteiha) = haar lampen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuwse woord עֵרֶךְ (erech) betekent ‘rij’ of ‘schikking’. Bedoeld zijn de rijen toonbrood op de tafel (vers 23; zie ook Exod. 25:30). Zie ook: Ex 25:23–39; Ex 25:30; Ex 26:35–36; Ex 37:10–24; Ex 40:22–25; Ex 40:23; Lev 24:8 **40:5** **Zet het gouden altaar voor de wierook voor de ark van het getuigenis en hang het gordijn voor de ingang van de tabernakel.** Brontekst: וְנָתַתָּ֞ה (venatata) = en plaats | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = altaar van | הַזָּהָב֙ (hazahav) = het goud | לִקְטֹ֔רֶת (liqtoret) = voor de wierook | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | הָעֵדֻ֑ת (haedut) = het getuigenis | וְשַׂמְתָּ֛ (vesamta) = en zet | אֶת (et) = (obj.) | מָסַ֥ךְ (masakh) = gordijn van | הַפֶּ֖תַח (hapetach) = de ingang | לַמִּשְׁכָּֽן (lamishkan) = voor de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 37:25–28; Joh 14:6; Heb 9:24; Heb 10:19–22; 1 Joh 2:1–2 **40:6** **Zet het brandofferaltaar voor de ingang van de tabernakel, de tent van samenkomst.** Brontekst: וְנָ֣תַתָּ֔ה (venatata) = en plaats | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | לִפְנֵ֕י (lifnei) = voor | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | מִשְׁכַּ֥ן (mishkan) = tabernakel van | אֹֽהֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 38:1–7; Ex 40:29; Ef 1:6–7; Heb 13:10; 1 Joh 4:9–10 **40:7** **Zet het wasbekken tussen de tent van samenkomst en het altaar en doe er water in.** Brontekst: וְנָֽתַתָּ֙ (venatata) = en plaats | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּיֹּ֔ר (hakiyor) = het wasbekken | בֵּֽין (bein) = tussen | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְנָתַתָּ֥ (venatata) = en doe | שָׁ֖ם (sham) = daarin | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 26:6; Zach 13:1; Tit 3:5; Heb 10:22; 1 Joh 1:7 **40:8** **Zet het voorhof rondom op en hang het gordijn voor de poort van het voorhof.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֥ (vesamta) = en zet op | אֶת (et) = (obj.) | הֶחָצֵ֖ר (hechatser) = het voorhof | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְנָ֣תַתָּ֔ (venatata) = en hang | אֶת (et) = (obj.) | מָסַ֖ךְ (masakh) = gordijn van | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | הֶחָצֵֽר (hechatser) = het voorhof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:9–19; Ex 38:9–20; Mat 16:18; 1 Kor 12:28; Ef 4:11–12 ### De zalving **40:9** **Neem de zalfolie en zalf de tabernakel en alles wat erin is; heilig hem en al zijn voorwerpen, zodat hij heilig wordt.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֙ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וּמָשַׁחְתָּ֥ (umashachta) = en zalf | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בּ֑וֹ (bo) = daarin | וְקִדַּשְׁתָּ֥ (veqidashta) = en heilig | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֖יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְהָ֥יָה (vehaya) = en het zal zijn | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eerst wordt het heiligdom gezalfd, dan de priesters (vers 12–15); zo is de volgorde ook in Lev. 8:10–12. Zie ook: Ex 40:12–15; Lev 8:10; Num 7:1; Mat 3:16; 2 Kor 1:4; 2 Kor 1:22 **40:10** **Zalf het brandofferaltaar en al zijn voorwerpen; heilig het altaar, zodat het altaar hoogheilig wordt.** Brontekst: וּמָשַׁחְתָּ֛ (umashachta) = en zalf | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְקִדַּשְׁתָּ֙ (veqidashta) = en heilig | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִֽׁים (qadashim) = heiligheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:36–37; Jes 61:1; Luc 1:35; 1 Kor 1:30; Heb 7:26 **40:11** **Zalf het wasbekken en zijn voetstuk en heilig het.** Brontekst: וּמָשַׁחְתָּ֥ (umashachta) = en zalf | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּיֹּ֖ר (hakiyor) = het wasbekken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּנּ֑וֹ (kano) = zijn voetstuk | וְקִדַּשְׁתָּ֖ (veqidashta) = en heilig | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **40:12** **Laat Aäron en zijn zonen naderen tot de ingang van de tent van samenkomst en was hen met water.** Brontekst: וְהִקְרַבְתָּ֤ (vehiqravta) = en laat naderen | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | אֶל (el) = tot | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְרָחַצְתָּ֥ (verachatsta) = en was | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בַּמָּֽיִם (bamayim) = met water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:1–35; Lev 8:1–13; Lev 9:1–24; Mat 3:16; Gal 4:4 **40:13** **Kleed Aäron in de heilige kleren, zalf hem en heilig hem, zodat hij Mij als priester dient.** Brontekst: וְהִלְבַּשְׁתָּ֙ (vehilbashta) = en kleed | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | אֵ֖ת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֣י (bigdei) = kleren van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וּמָשַׁחְתָּ֥ (umashachta) = en zalf | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְקִדַּשְׁתָּ֥ (veqidashta) = en heilig | אֹת֖וֹ (oto) = hem | וְכִהֵ֥ן (vekhihen) = en hij zal priester zijn | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:41; Joh 17:19; Heb 10:29; 1 Joh 2:20; 1 Joh 2:27 **40:14** **Laat ook zijn zonen naderen en kleed hen in onderkleden.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | תַּקְרִ֑יב (taqriv) = laat naderen | וְהִלְבַּשְׁתָּ֥ (vehilbashta) = en kleed | אֹתָ֖ם (otam) = hen | כֻּתֳּנֹֽת (kutonot) = onderkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 44:3–5; Jes 61:10; Joh 1:16; 1 Kor 1:30; Rom 8:30 **40:15** **Zalf hen, zoals je hun vader gezalfd hebt, zodat zij Mij als priesters dienen. Hun zalving zal voor hen een eeuwig priesterschap zijn, voor al hun generaties.”** Brontekst: וּמָשַׁחְתָּ֣ (umashachta) = en zalf | אֹתָ֗ם (otam) = hen | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | מָשַׁ֨חְתָּ֙ (mashachta) = je zalfde | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | וְכִהֲנ֖וּ (vekhihanu) = en zij zullen priester zijn | לִ֑י (li) = voor Mij | וְ֠הָיְתָה (vehayeta) = en het zal zijn | לִהְיֹ֨ת (lihyot) = om te zijn | לָהֶ֧ם (lahem) = voor hen | מָשְׁחָתָ֛ם (mashechatam) = hun zalving | לִכְהֻנַּ֥ת (likhhunat) = tot priesterschap van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹתָֽם (ledorotam) = voor hun generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het priesterschap van Aäron en zijn zonen is ‘eeuwig’ (לְכֹהֲנַת עוֹלָם, lekohanat olam); zie ook Exod. 29:9. Zie ook: Ex 29:9; Num 25:13; Ps 110:4; Heb 5:1–14; Heb 7:17–24; Heb 8:1–10 ### De oprichting **40:16** Mozes deed het; zoals Yahweh hem geboden had, zo deed hij. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en deed | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | כְּ֠כֹל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֖וֹ (oto) = hem | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשָֽׂה (asa) = deed hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:21–22; Ex 40:17–32; Deut 4:1; Deut 13:1; 1 Kor 4:2 **40:17** In de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste dag van de maand, werd de tabernakel opgericht. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | בַּחֹ֧דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרִאשׁ֛וֹן (harishon) = de eerste | בַּשָּׁנָ֥ה (bashana) = in het jaar | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = het tweede | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op de eerste | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הוּקַ֖ם (huqam) = werd opgericht | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:1–2; Num 7:1; Num 9:1 **40:18** Mozes richtte de tabernakel op: hij plaatste zijn voetstukken, zette zijn planken neer, plaatste zijn dwarsbalken en richtte zijn pilaren op. Brontekst: וַיָּ֨קֶם (vayaqem) = en richtte op | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֗ן (hamishkan) = de tabernakel | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en plaatste | אֶת (et) = (obj.) | אֲדָנָ֔יו (adanav) = zijn voetstukken | וַיָּ֨שֶׂם֙ (vayasem) = en zette | אֶת (et) = (obj.) | קְרָשָׁ֔יו (qerashav) = zijn planken | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en plaatste | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיחָ֑יו (berichav) = zijn dwarsbalken | וַיָּ֖קֶם (vayaqem) = en richtte op | אֶת (et) = (obj.) | עַמּוּדָֽיו (amudav) = zijn pilaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:15–30; Ex 36:20–34; Gal 4:4; 1 Tim 3:15; 1 Petr 1:5 **40:19** Hij spreidde de tent uit over de tabernakel en legde de dekking van de tent er van boven overheen, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיִּפְרֹ֤שׂ (vayifros) = en spreidde uit | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹ֨הֶל֙ (haohel) = de tent | עַל (al) = over | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | וַיָּ֜שֶׂם (vayasem) = en legde | אֶת (et) = (obj.) | מִכְסֵ֥ה (mikhse) = dekking van | הָאֹ֛הֶל (haohel) = de tent | עָלָ֖יו (alav) = erop | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = van boven | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:1–14; Ex 36:8–19 **40:20** Hij nam het getuigenis en legde het in de ark, zette de draagstokken aan de ark en legde het verzoendeksel boven op de ark. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en legde | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵדֻת֙ (haedut) = het getuigenis | אֶל (el) = in | הָ֣אָרֹ֔ן (haaron) = de ark | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en zette | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּדִּ֖ים (habadim) = de draagstokken | עַל (al) = op | הָאָרֹ֑ן (haaron) = de ark | וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en legde | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּפֹּ֛רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | עַל (al) = op | הָאָרֹ֖ן (haaron) = de ark | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getuigenis zijn de twee stenen tafelen (Exod. 31:18; 34:29). Zij gaan in de ark, en het verzoendeksel komt erbovenop. Zie ook: Ex 16:34; Ex 31:18; Ex 34:29; Ex 37:6–9; Deut 10:5; 1 Kon 8:9; Heb 9:4 **40:21** Hij bracht de ark in de tabernakel, hing de voorhang van het gordijn op en schutte zo de ark van het getuigenis af, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיָּבֵ֣א (vayave) = en bracht | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֹן֮ (haaron) = de ark | אֶל (el) = naar | הַמִּשְׁכָּן֒ (hamishkan) = de tabernakel | וַיָּ֗שֶׂם (vayasem) = en hing | אֵ֚ת (et) = (obj.) | פָּרֹ֣כֶת (parokhet) = voorhang van | הַמָּסָ֔ךְ (hamasakh) = het gordijn | וַיָּ֕סֶךְ (vayasekh) = en schermde af | עַ֖ל (al) = voor | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | הָעֵד֑וּת (haedut) = het getuigenis | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:33; Ex 35:12; Ex 40:3; Heb 10:19–20 **40:22** Hij zette de tafel in de tent van samenkomst, aan de noordzijde van de tabernakel, buiten de voorhang. Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en plaatste | אֶת (et) = (obj.) | הַשֻּׁלְחָן֙ (hashulchan) = de tafel | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | עַ֛ל (al) = aan | יֶ֥רֶךְ (yerekh) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | צָפֹ֑נָה (tsafona) = noordwaarts | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַפָּרֹֽכֶת (laparokhet) = de voorhang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:35; Ex 40:24; Joh 6:53–57; Ef 3:8 **40:23** Hij legde daarop een rij broden klaar voor Yahweh, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיַּעֲרֹ֥ךְ (vayaarokh) = en legde klaar | עָלָ֛יו (alav) = daarop | עֵ֥רֶךְ (erekh) = een rij | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:30; Ex 40:4; Mat 12:4; Heb 9:2 **40:24** Hij zette de kandelaar in de tent van samenkomst, tegenover de tafel, aan de zuidzijde van de tabernakel. Brontekst: וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en zette | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּנֹרָה֙ (hamenora) = de kandelaar | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | נֹ֖כַח (nokhach) = tegenover | הַשֻּׁלְחָ֑ן (hashulchan) = de tafel | עַ֛ל (al) = aan | יֶ֥רֶךְ (yerekh) = zijde van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | נֶֽגְבָּה (negba) = zuidwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:35; Ex 37:17–24; Joh 1:5; Joh 8:12; Openb 2:5 **40:25** Hij stak de lampen aan voor het aangezicht van Yahweh, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en liet opgaan | הַנֵּרֹ֖ת (hanerot) = de lampen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:37; Ex 40:4; Openb 4:5 **40:26** Hij zette het gouden altaar in de tent van samenkomst, voor de voorhang. Brontekst: וַיָּ֛שֶׂם (vayasem) = en plaatste | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הַזָּהָ֖ב (hazahav) = het goud | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | הַפָּרֹֽכֶת (haparokhet) = de voorhang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:1–10; Ex 40:5; Joh 11:42; Joh 17:1–26; Heb 10:1 **40:27** Hij liet er welriekende wierook op opgaan, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וַיַּקְטֵ֥ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | עָלָ֖יו (alav) = daarop | קְטֹ֣רֶת (qetoret) = wierook van | סַמִּ֑ים (samim) = specerijen | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:7 **40:28** Hij hing het gordijn voor de ingang van de tabernakel. Brontekst: וַיָּ֛שֶׂם (vayasem) = en hing | אֶת (et) = (obj.) | מָסַ֥ךְ (masakh) = gordijn van | הַפֶּ֖תַח (hapetach) = de ingang | לַמִּשְׁכָּֽן (lamishkan) = voor de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:36–37; Ex 40:5; Joh 10:9; Joh 14:6; Ef 2:18 **40:29** Het brandofferaltaar zette hij voor de ingang van de tabernakel, de tent van samenkomst, en hij bracht daarop het brandoffer en het graanoffer, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | שָׂ֕ם (sam) = plaatste hij | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = tabernakel van | אֹֽהֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַיַּ֣עַל (vayaal) = en bracht op | עָלָ֗יו (alav) = daarop | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָה֙ (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het graanoffer | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:38–46; Ex 38:1–7; Ex 40:6; Rom 3:24–26; Heb 13:10 **40:30** Hij zette het wasbekken tussen de tent van samenkomst en het altaar en deed er water in om zich te wassen. Brontekst: וַיָּ֨שֶׂם֙ (vayasem) = en plaatste | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּיֹּ֔ר (hakiyor) = het wasbekken | בֵּֽין (bein) = tussen | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en deed | שָׁ֛מָּה (shama) = daarheen | מַ֖יִם (mayim) = water | לְרָחְצָֽה (lerachetsa) = om te wassen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:18–21; Ex 38:8; Ex 40:7; Ezech 36:25; Heb 10:22 **40:31** Mozes, Aäron en zijn zonen wasten daaruit hun handen en hun voeten. Brontekst: וְרָחֲצ֣וּ (verachatsu) = en wasten | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = daaruit | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֣ן (veaharon) = en Aäron | וּבָנָ֑יו (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רַגְלֵיהֶֽם (ragleihem) = hun voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 26:6; Ps 51:8–9; Joh 13:10; 1 Joh 1:7; 1 Joh 1:9 **40:32** Wanneer zij de tent van samenkomst binnengingen en wanneer zij het altaar naderden, wasten zij zich, zoals Yahweh aan Mozes geboden had. Brontekst: בְּבֹאָ֞ם (bevoam) = bij hun binnenkomen | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֗ד (moed) = samenkomst | וּבְקָרְבָתָ֛ם (uveqarevatam) = en bij hun nadering | אֶל (el) = tot | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | יִרְחָ֑צוּ (yirchatsu) = wasten zij zich | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:19–20; Ex 40:19; Ps 73:19 **40:33** Hij richtte het voorhof op rondom de tabernakel en het altaar en hing het gordijn voor de poort van het voorhof. Zo voltooide Mozes het werk. Brontekst: וַיָּ֣קֶם (vayaqem) = en richtte op | אֶת (et) = (obj.) | הֶחָצֵ֗ר (hechatser) = het voorhof | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | לַמִּשְׁכָּ֣ן (lamishkan) = de tabernakel | וְלַמִּזְבֵּ֔חַ (velamizbeach) = en het altaar | וַיִּתֵּ֕ן (vayiten) = en hing | אֶת (et) = (obj.) | מָסַ֖ךְ (masakh) = gordijn van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הֶחָצֵ֑ר (hechatser) = het voorhof | וַיְכַ֥ל (vaykhal) = en voltooide | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּלָאכָֽה (hamelakha) = het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:9–16; Ex 40:8; 1 Kon 6:9; Zach 4:9; Mat 16:8 ### De heerlijkheid van Yahweh vult de tabernakel **40:34** Toen bedekte de wolk de tent van samenkomst en de heerlijkheid van Yahweh vulde de tabernakel. Brontekst: וַיְכַ֥ס (vaykhas) = en bedekte | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וּכְב֣וֹד (ukhevod) = en heerlijkheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מָלֵ֖א (male) = vulde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De heerlijkheid (כָּבוֹד, kavod) van Yahweh vult de tabernakel, zoals later de tempel (1 Kon. 8:10–11). Zie ook: Ex 14:19–20; Num 9:15–23; 1 Kon 8:10–11; 2 Kron 7:2; Openb 15:8; Openb 21:23–24 **40:35** Mozes kon de tent van samenkomst niet binnengaan, want de wolk rustte erop en de heerlijkheid van Yahweh vulde de tabernakel. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָכֹ֣ל (yakhol) = kon | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | לָבוֹא֙ (lavo) = binnengaan | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | כִּֽי (ki) = want | שָׁכַ֥ן (shakhan) = woonde | עָלָ֖יו (alav) = erop | הֶעָנָ֑ן (heanan) = de wolk | וּכְב֣וֹד (ukhevod) = en heerlijkheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מָלֵ֖א (male) = vulde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zelfs Mozes kan niet binnengaan. Vergelijk Exod. 33:20 en 1 Kon. 8:11, waar de priesters niet kunnen blijven staan. Zie ook: Ex 33:20; Lev 16:2; 1 Kon 8:11; 2 Kron 7:2; Jes 6:4; Openb 15:8 **40:36** Wanneer de wolk van de tabernakel opsteeg, trokken de zonen van Israël verder, bij al hun tochten. Brontekst: וּבְהֵעָל֤וֹת (uvehealot) = en bij het opstijgen van | הֶֽעָנָן֙ (heanan) = de wolk | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | יִסְע֖וּ (yisu) = trokken op | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בְּכֹ֖ל (bekhol) = bij al | מַסְעֵיהֶֽם (maseihem) = hun tochten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wolk geeft het teken voor het vertrek; zie Num. 9:15–23. Zie ook: Ex 13:21–22; Num 9:15–23; Num 9:17; Num 10:11–13; Num 10:33–36; Neh 9:19 **40:37** Maar als de wolk niet opsteeg, trokken zij niet verder, tot de dag dat hij opsteeg. Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | לֹ֥א (lo) = niet | יֵעָלֶ֖ה (yeale) = opsteeg | הֶעָנָ֑ן (heanan) = de wolk | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִסְע֔וּ (yisu) = trokken zij op | עַד (ad) = tot | י֖וֹם (yom) = dag van | הֵעָלֹתֽוֹ (healoto) = haar opstijgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 9:19–22; Ps 31:16 **40:38** Want de wolk van Yahweh was overdag op de tabernakel en ’s nachts was er vuur in, voor de ogen van heel het huis van Israël, bij al hun tochten. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | עֲנַ֨ן (anan) = wolk van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | עַֽל (al) = op | הַמִּשְׁכָּן֙ (hamishkan) = de tabernakel | יוֹמָ֔ם (yomam) = overdag | וְאֵ֕שׁ (veesh) = en vuur | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = was | לַ֖יְלָה (layla) = 's nachts | בּ֑וֹ (bo) = daarin | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = heel | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּכָל (bekhal) = bij al | מַסְעֵיהֶֽם (maseihem) = hun tochten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met deze slotzin eindigt het boek: Yahweh is bij het volk, zichtbaar ‘bij al hun tochten’. Vergelijk Exod. 13:21–22. Zie ook: Ex 13:21; Num 9:15; Ps 78:14; Ps 105:39; Jes 4:5–6