# Ester (אסתר, Ester) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Ester 1 _Het feest van Ahasveros en de weigering van Vasti_ ### Het grote feest van koning Ahasveros **1:1** Het was in de dagen van Ahasveros. Dit is de Ahasveros die regeerde van India tot Kush, over 127 provincies. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | ה֣וּא (hu) = hij | אֲחַשְׁוֵר֗וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | הַמֹּלֵךְ֙ (hamolekh) = die regeerde | מֵהֹ֣דּוּ (mehodu) = van India | וְעַד (vead) = en tot | כּ֔וּשׁ (kush) = Kush | שֶׁ֛בַע (sheva) = zeven | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | וּמֵאָ֖ה (umea) = en honderd | מְדִינָֽה (medina) = provincie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ (Achasjverosj), ‘Ahasveros’: de Hebreeuwse vorm van de naam van een Perzische koning. Hij wordt meestal verbonden met Xerxes I. In dit boek komt de naam Yahweh of Elohim niet voor. Voetnoot : הֹדּוּ (Hodu), ‘India’: het oostelijke deel van het Perzische rijk, meestal gelezen als het gebied rond de Indus. כּוּשׁ (Kush) ligt ten zuiden van Egypte. Samen noemen zij de uiterste grenzen van het rijk. Voetnoot : מְדִינָה (medinah), ‘provincie’: een bestuursgebied van het rijk. Het getal 127 staat ook in 8:9 en 9:30. Zie ook: Dan 6:2; Dan 9:1; Ezra 4:6; Est 8:9; Est 9:30 **1:2** In die dagen zat koning Ahasveros op de troon van zijn koningschap, in Sjoesjan, de burcht. Brontekst: בַּיָּמִ֖ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֑ם (hahem) = die | כְּשֶׁ֣בֶת (keshevet) = toen zat | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֗וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | עַ֚ל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | מַלְכוּת֔וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּשׁוּשַׁ֥ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָֽה (habira) = de burcht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: בִּירָה (birah), ‘burcht’: een versterkte stad of paleiswijk. שׁוּשָׁן (Sjoesjan) is de stad die ook Susa wordt genoemd, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: 2 Sam 7:1; 1 Kon 1:46; Dan 8:2; Est 9:12–15; Neh 1:1 **1:3** In het derde jaar van zijn regering gaf hij een feestmaal voor al zijn oversten en dienaren. Het leger van Perzië en Medië, de edelen en de oversten van de provincies waren bij hem. Brontekst: בִּשְׁנַ֤ת (bishnat) = in het jaar | שָׁלוֹשׁ֙ (shalosh) = drie | לְמָלְכ֔וֹ (lemalekho) = van zijn regering | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte hij | מִשְׁתֶּ֔ה (mishte) = een feestmaal | לְכָל (lekhal) = voor al | שָׂרָ֖יו (sarav) = zijn oversten | וַעֲבָדָ֑יו (vaavadav) = en zijn dienaren | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | פָּרַ֣ס (paras) = Perzië | וּמָדַ֗י (umaday) = en Medië | הַֽפַּרְתְּמִ֛ים (hapartemim) = de edelen | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en oversten van | הַמְּדִינ֖וֹת (hamedinot) = de provincies | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feestmaal’: een maaltijd waarbij gedronken wordt; het woord komt in dit boek vaak voor. Voetnoot : פַּרְתְּמִים (partemim), ‘edelen’: een leenwoord uit het Perzisch voor hooggeplaatste mannen. Zie ook: 1 Kon 3:15; Jer 51:11; Dan 5:1; Est 2:18; Mar 6:21 **1:4** Zo liet hij vele dagen lang de rijkdom van zijn koningschap zien, de pracht van zijn grootheid en zijn glorie: 180 dagen. Brontekst: בְּהַרְאֹת֗וֹ (beharoto) = bij zijn tonen | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֨שֶׁר֙ (osher) = rijkdom van | כְּב֣וֹד (kevod) = de glorie van | מַלְכוּת֔וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | יְקָ֔ר (yeqar) = kostbaarheid van | תִּפְאֶ֖רֶת (tiferet) = pracht van | גְּדוּלָּת֑וֹ (gedulato) = zijn grootheid | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | שְׁמוֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd van | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 180 dagen zijn ongeveer zes maanden. Daarna volgt het feestmaal van zeven dagen (vers 5). Zie ook: Job 40:10; Ps 21:6; Ps 76:2–5; Ps 145:5; Est 1:5; 2 Petr 1:16–17 **1:5** Toen die dagen voorbij waren, gaf de koning een feestmaal. Het duurde zeven dagen en was voor heel het volk dat in Sjoesjan, de burcht, was, van groot tot klein. Het was in de voorhof van de tuin van het paleis van de koning. Brontekst: וּבִמְל֣וֹאת (uvimlot) = en bij het voltooien van | הַיָּמִ֣ים (hayamim) = de dagen | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte | הַמֶּ֡לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְכָל (lekhal) = voor al | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַנִּמְצְאִים֩ (hanimtseim) = dat zich bevond | בְּשׁוּשַׁ֨ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָ֜ה (habira) = de burcht | לְמִגָּ֧דוֹל (lemigadol) = van groot | וְעַד (vead) = en tot | קָטָ֛ן (qatan) = klein | מִשְׁתֶּ֖ה (mishte) = een feestmaal | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven van | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | בַּחֲצַ֕ר (bachatsar) = in de voorhof van | גִּנַּ֥ת (ginat) = de tuin van | בִּיתַ֖ן (bitan) = het paleis van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: 2 Kron 7:8–9; 2 Kron 30:21–25; Est 7:7–8 **1:6** Er hingen witte stof, katoen en blauwe stof, vastgemaakt met koorden van fijn linnen en purper aan zilveren ringen en marmeren zuilen. Er stonden rustbedden van goud en zilver op een plaveisel van bahat-steen, marmer, parelmoer en zwarte steen. Brontekst: ח֣וּר (chur) = witte stof | כַּרְפַּ֣ס (karpas) = katoen | וּתְכֵ֗לֶת (utekhelet) = en blauwe stof | אָחוּז֙ (achuz) = vastgemaakt | בְּחַבְלֵי (bechavlei) = met koorden van | ב֣וּץ (buts) = fijn linnen | וְאַרְגָּמָ֔ן (veargaman) = en purper | עַל (al) = aan | גְּלִ֥ילֵי (gelilei) = ringen van | כֶ֖סֶף (kesef) = zilver | וְעַמּ֣וּדֵי (veamudei) = en zuilen van | שֵׁ֑שׁ (shesh) = marmer | מִטּ֣וֹת (mitot) = rustbedden | זָהָ֣ב (zahav) = goud | וָכֶ֗סֶף (vakhesef) = en zilver | עַ֛ל (al) = op | רִֽצְפַ֥ת (ritsfat) = een plaveisel van | בַּהַט (bahat) = bahat-steen | וָשֵׁ֖שׁ (vashesh) = en marmer | וְדַ֥ר (vedar) = en parelmoer | וְסֹחָֽרֶת (vesocharet) = en zwarte steen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de materialen in dit vers zijn gedeeltelijk onzeker: חוּר (chur), ‘witte stof’; כַּרְפַּס (karpas), ‘katoen’; בַּהַט (bahat), ‘bahat-steen’; שֵׁשׁ (shesh), ‘marmer’ (elders ook ‘fijn linnen’); דַּר (dar), ‘parelmoer’; סֹחֶרֶת (socheret), ‘zwarte steen’. Wij geven de meest gangbare betekenissen. Zie ook: Ex 26:1; Amos 2:8; Amos 6:4; Ezech 23:41; Est 7:8 **1:7** Men schonk de drank in gouden bekers, elke beker anders. Er was koninklijke wijn in overvloed, naar de mildheid van de koning. Brontekst: וְהַשְׁקוֹת֙ (vehashqot) = en het schenken | בִּכְלֵ֣י (bikhlei) = in vaten van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וְכֵלִ֖ים (vekhelim) = en vaten | מִכֵּלִ֣ים (mikelim) = van vaten | שׁוֹנִ֑ים (shonim) = verschillend | וְיֵ֥ין (veyein) = en wijn van | מַלְכ֛וּת (malkhut) = koninkrijk | רָ֖ב (rav) = veel | כְּיַ֥ד (keyad) = naar de hand van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘naar de hand van de koning’: zoals de koning kon en wilde geven. Zie ook: 1 Kon 10:21; 2 Kron 9:20; Dan 5:2–4; Est 2:18 **1:8** Het drinken ging volgens de regel: niemand werd gedwongen. Want zo had de koning het bevolen aan alle bestuurders van zijn huis: ieder mocht doen wat hij wilde. Brontekst: וְהַשְּׁתִיָּ֥ה (vehashetiya) = en het drinken | כַדָּ֖ת (kadat) = volgens de regel | אֵ֣ין (ein) = niemand | אֹנֵ֑ס (ones) = dwingt | כִּי (ki) = want | כֵ֣ן (ken) = zo | יִסַּ֣ד (yisad) = had vastgesteld | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַ֚ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | רַ֣ב (rav) = bestuurders van | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | כִּרְצ֥וֹן (kirtson) = naar de wil van | אִישׁ (ish) = man | וָאִֽישׁ (vaish) = en man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt dat het drinken ‘volgens de regel’ (כַּדָּת, kadat) ging. Het vervolg van het vers zegt wat die regel was: niemand werd gedwongen te drinken. Zie ook: Jer 35:8; Jer 51:7; Hab 2:15–16; Joh 2:8 ### Het feest van koningin Vasti **1:9** Ook koningin Vasti gaf een feestmaal voor de vrouwen, in het koninklijk huis van koning Ahasveros. Brontekst: גַּ֚ם (gam) = ook | וַשְׁתִּ֣י (vashti) = Vasti | הַמַּלְכָּ֔ה (hamalka) = de koningin | עָשְׂתָ֖ה (aseta) = maakte | מִשְׁתֵּ֣ה (mishte) = een feestmaal | נָשִׁ֑ים (nashim) = van vrouwen | בֵּ֚ית (beit) = in het huis van | הַמַּלְכ֔וּת (hamalkhut) = het koningschap | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = van de koning | אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 5:4; Est 5:8 ### Vasti weigert te komen **1:10** Op de zevende dag, toen het hart van de koning vrolijk was van de wijn, zei hij tegen Mehuman, Bizta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas. Dit waren de zeven hovelingen die het gezicht van koning Ahasveros dienden. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | כְּט֥וֹב (ketov) = als vrolijk was | לֵב (lev) = het hart van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בַּיָּ֑יִן (bayayin) = van de wijn | אָמַ֡ר (amar) = zei hij | לִ֠מְהוּמָן (limhuman) = tegen Mehuman | בִּזְּתָ֨א (bizeta) = Bizta | חַרְבוֹנָ֜א (charvona) = Charbona | בִּגְתָ֤א (bigta) = Bigta | וַאֲבַגְתָא֙ (vaavagta) = en Abagta | זֵתַ֣ר (zetar) = Zetar | וְכַרְכַּ֔ס (vekharkas) = en Karkas | שִׁבְעַת֙ (shivat) = zeven | הַסָּ֣רִיסִ֔ים (hasarisim) = de hovelingen | הַמְשָׁ֣רְתִ֔ים (hamsharetim) = die dienden | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֖י (penei) = het gezicht van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hoveling’: een ambtenaar aan het hof. Het woord kan een gesneden man aanduiden, maar niet altijd. Voetnoot : Het is niet duidelijk of Mehuman (hier) dezelfde man is als Memuchan (vers 14, 16 en 21). Zie ook: Re 16:25; 2 Sam 13:28; Spr 20:1; Pred 7:2–4; Est 1:14; Est 1:16; Est 1:21; Est 7:9 **1:11** Zij moesten koningin Vasti met de koninklijke kroon bij de koning brengen. Hij wilde de volken en de oversten haar schoonheid laten zien. Want zij was mooi om te zien. Brontekst: לְ֠הָבִיא (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | וַשְׁתִּ֧י (vashti) = Vasti | הַמַּלְכָּ֛ה (hamalka) = de koningin | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּכֶ֣תֶר (bekheter) = met de kroon van | מַלְכ֑וּת (malkhut) = koningschap | לְהַרְא֨וֹת (leharot) = om te tonen | הָֽעַמִּ֤ים (haamim) = aan de volken | וְהַשָּׂרִים֙ (vehasarim) = en de oversten | אֶת (et) = (obj.) | יָפְיָ֔הּ (yafeyah) = haar schoonheid | כִּֽי (ki) = want | טוֹבַ֥ת (tovat) = mooi van | מַרְאֶ֖ה (mare) = uiterlijk | הִֽיא (hi) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:3; Spr 16:9; Spr 31:30; Est 6:8; Mar 6:21–22 **1:12** Maar koningin Vasti weigerde te komen op het woord van de koning, dat de hovelingen haar brachten. De koning werd zeer kwaad en zijn woede brandde in hem. Brontekst: וַתְּמָאֵ֞ן (vatemaen) = en weigerde | הַמַּלְכָּ֣ה (hamalka) = de koningin | וַשְׁתִּ֗י (vashti) = Vasti | לָבוֹא֙ (lavo) = te komen | בִּדְבַ֣ר (bidvar) = op het woord van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | הַסָּרִיסִ֑ים (hasarisim) = de hovelingen | וַיִּקְצֹ֤ף (vayiqtsof) = en werd kwaad | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַחֲמָת֖וֹ (vachamato) = en zijn woede | בָּעֲרָ֥ה (baara) = brandde | בֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst geeft niet aan waarom Vasti weigerde. Hij zegt alleen dat zij niet wilde komen. Zie ook: Ex 32:22; Spr 19:12; Spr 20:2; Ef 5:22; 1 Petr 3:1 ### De koning raadpleegt zijn wijzen **1:13** De koning sprak met de wijzen, de kenners van de tijden. Zo bracht de koning zijn zaak altijd voor allen die wet en recht kennen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | לַחֲכָמִ֖ים (lachakhamim) = tot de wijzen | יֹדְעֵ֣י (yodeei) = kenners van | הָֽעִתִּ֑ים (haitim) = de tijden | כִּי (ki) = want | כֵן֙ (ken) = zo | דְּבַ֣ר (devar) = de zaak van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | לִפְנֵ֕י (lifnei) = voor het aangezicht van | כָּל (kal) = allen | יֹדְעֵ֖י (yodeei) = kenners van | דָּ֥ת (dat) = wet | וָדִֽין (vadin) = en recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹדְעֵי הָעִתִּים (yod'ei ha'ittim), ‘kenners van de tijden’: mannen die verstand hadden van tijden en gebeurtenissen. Het is niet zeker of zij sterrenkundigen waren of mannen die de geschiedenis kenden. Zie ook: 1 Kron 12:33; Jer 10:7; Dan 2:2; Dan 2:12; Dan 5:7 **1:14** Het dichtst bij hem waren Karsjena, Sjetar, Admata, Tarsjisj, Meres, Marsena en Memuchan. Dit waren de zeven oversten van Perzië en Medië, die het gezicht van de koning mochten zien en de eerste plaats in het koninkrijk hadden. Brontekst: וְהַקָּרֹ֣ב (vehaqarov) = en dichtbij | אֵלָ֗יו (elav) = hem | כַּרְשְׁנָ֤א (karshena) = Karsjena | שֵׁתָר֙ (shetar) = Sjetar | אַדְמָ֣תָא (admata) = Admata | תַרְשִׁ֔ישׁ (tarshish) = Tarsjisj | מֶ֥רֶס (meres) = Meres | מַרְסְנָ֖א (marsena) = Marsena | מְמוּכָ֑ן (memukhan) = Memuchan | שִׁבְעַ֞ת (shivat) = zeven | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | פָּרַ֣ס (paras) = Perzië | וּמָדַ֗י (umaday) = en Medië | רֹאֵי֙ (roei) = zienden van | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַיֹּשְׁבִ֥ים (hayoshevim) = die zaten | רִאשֹׁנָ֖ה (rishona) = eerste | בַּמַּלְכֽוּת (bamalkhut) = in het koninkrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Zie ook: 2 Kon 25:19; Ezra 7:14; Mat 18:10; Openb 22:4 **1:15** Hij vroeg: „Wat moet men volgens de wet doen met koningin Vasti? Want zij heeft het bevel van koning Ahasveros, dat de hovelingen haar brachten, niet uitgevoerd.” Brontekst: כְּדָת֙ (kedat) = volgens wet | מַֽה (ma) = wat | לַּעֲשׂ֔וֹת (laasot) = te doen | בַּמַּלְכָּ֖ה (bamalka) = met de koningin | וַשְׁתִּ֑י (vashti) = Vasti | עַ֣ל (al) = over | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | עָשְׂתָ֗ה (aseta) = zij deed | אֶֽת (et) = (obj.) | מַאֲמַר֙ (maamar) = het bevel van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | הַסָּרִיסִֽים (hasarisim) = de hovelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 6:6 ### Het advies van Memuchan **1:16** Memuchan zei voor het aangezicht van de koning en de oversten: „Koningin Vasti heeft niet alleen tegen de koning verkeerd gehandeld. Zij deed het tegen alle oversten en tegen alle volken in alle provincies van koning Ahasveros. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מְמוּכָ֗ן (memukhan) = Memuchan | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְהַשָּׂרִ֔ים (vehasarim) = en de oversten | לֹ֤א (lo) = niet | עַל (al) = tegen | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לְבַדּ֔וֹ (levado) = alleen | עָוְתָ֖ה (aveta) = heeft verkeerd gehandeld | וַשְׁתִּ֣י (vashti) = Vasti | הַמַּלְכָּ֑ה (hamalka) = de koningin | כִּ֤י (ki) = want | עַל (al) = tegen | כָּל (kal) = alle | הַשָּׂרִים֙ (hasarim) = de oversten | וְעַל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֕ר (asher) = die | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְדִינ֖וֹת (medinot) = provincies van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft מוּמְכָן (Mumchan). De mondelinge lezing (qere) is מְמוּכָן (Memuchan). Wij volgen de qere. Zie ook: Hand 18:14; Hand 25:10; 1 Kor 6:7–8 **1:17** Want wat de koningin heeft gedaan, zal bij alle vrouwen bekend worden. Zij zullen hun heren verachten, als zij zeggen: ‘Koning Ahasveros zei dat men koningin Vasti bij hem moest brengen, maar zij kwam niet.’ Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יֵצֵ֤א (yetse) = gaat uit | דְבַר (devar) = het woord van | הַמַּלְכָּה֙ (hamalka) = de koningin | עַל (al) = naar | כָּל (kal) = alle | הַנָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | לְהַבְז֥וֹת (lehavzot) = om te verachten | בַּעְלֵיהֶ֖ן (baleihen) = hun heren | בְּעֵינֵיהֶ֑ן (beeineihen) = in hun ogen | בְּאָמְרָ֗ם (beameram) = bij hun zeggen | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֡וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | אָמַ֞ר (amar) = zei | לְהָבִ֨יא (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | וַשְׁתִּ֧י (vashti) = Vasti | הַמַּלְכָּ֛ה (hamalka) = de koningin | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | וְלֹא (velo) = en niet | בָֽאָה (baa) = zij kwam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 6:16; Ef 5:33 **1:18** Vandaag nog zullen de vorstinnen van Perzië en Medië, die gehoord hebben wat de koningin deed, het zeggen tegen alle oversten van de koning. Dan komt er genoeg verachting en woede. Brontekst: וְֽהַיּ֨וֹם (vehayom) = en deze dag | הַזֶּ֜ה (haze) = die | תֹּאמַ֣רְנָה (tomarna) = zullen zeggen | שָׂר֣וֹת (sarot) = vorstinnen van | פָּֽרַס (paras) = Perzië | וּמָדַ֗י (umaday) = en Medië | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | שָֽׁמְעוּ֙ (shameu) = hebben gehoord | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | הַמַּלְכָּ֔ה (hamalka) = de koningin | לְכֹ֖ל (lekhol) = tegen alle | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּכְדַ֖י (ukheday) = en genoeg | בִּזָּי֥וֹן (bizayon) = verachting | וָקָֽצֶף (vaqatsef) = en woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Zie ook: Re 5:29; 1 Kon 11:3 **1:19** Als het de koning goed lijkt, laat dan een koninklijk woord van hem uitgaan. Laat het worden opgeschreven in de wetten van Perzië en Medië, zodat het niet vervalt: Vasti mag niet meer voor koning Ahasveros komen. Haar koninklijke waardigheid geeft de koning aan een ander, die beter is dan zij. Brontekst: אִם (im) = als | עַל (al) = over | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֗וֹב (tov) = goed | יֵצֵ֤א (yetse) = laat uitgaan | דְבַר (devar) = een woord van | מַלְכוּת֙ (malkhut) = koningschap | מִלְּפָנָ֔יו (milefanav) = van voor hem | וְיִכָּתֵ֛ב (veyikatev) = en laat het worden geschreven | בְּדָתֵ֥י (bedatei) = in de wetten van | פָֽרַס (paras) = Perzië | וּמָדַ֖י (umaday) = en Medië | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲב֑וֹר (yaavor) = zal voorbijgaan | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | תָב֜וֹא (tavo) = zal komen | וַשְׁתִּ֗י (vashti) = Vasti | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | וּמַלְכוּתָהּ֙ (umalkhutah) = en haar koningschap | יִתֵּ֣ן (yiten) = laat geven | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | לִרְעוּתָ֖הּ (lirutah) = aan haar naaste | הַטּוֹבָ֥ה (hatova) = die beter is | מִמֶּֽנָּה (mimena) = dan zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: De ‘wetten van Perzië en Medië’ konden niet worden herroepen. Zie ook 8:8 en Dan. 6:9 (NL 6:8). Voetnoot : לְרְעוּתָהּ (lere'utah), ‘aan haar naaste’: een andere vrouw, die haar plaats inneemt. Zie ook: 1 Sam 15:28; Dan 6:9–16; Est 3:9; Est 8:5; Est 8:8 **1:20** Laat het besluit van de koning, dat hij neemt, in heel zijn koninkrijk worden gehoord, hoe groot het ook is. Dan zullen alle vrouwen hun heren eer geven, van groot tot klein.” Brontekst: וְנִשְׁמַע֩ (venishma) = en laat worden gehoord | פִּתְגָ֨ם (pitgam) = het besluit van | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶֽׁר (asher) = dat | יַעֲשֶׂה֙ (yaase) = hij zal doen | בְּכָל (bekhal) = in heel | מַלְכוּת֔וֹ (malkhuto) = zijn koninkrijk | כִּ֥י (ki) = want | רַבָּ֖ה (raba) = groot | הִ֑יא (hi) = het is | וְכָל (vekhal) = en alle | הַנָּשִׁ֗ים (hanashim) = de vrouwen | יִתְּנ֤וּ (yitenu) = zullen geven | יְקָר֙ (yeqar) = eer | לְבַעְלֵיהֶ֔ן (levaleihen) = aan hun heren | לְמִגָּד֖וֹל (lemigadol) = van groot | וְעַד (vead) = en tot | קָטָֽן (qatan) = klein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 21:21; Ef 5:22; Ef 5:33; Kol 3:18; 1 Petr 3:1–7 ### Het besluit en de brieven **1:21** Het woord was goed in de ogen van de koning en van de oversten. De koning deed naar het woord van Memuchan. Brontekst: וַיִּיטַב֙ (vayitav) = en was goed | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשָּׂרִ֑ים (vehasarim) = en de oversten | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | מְמוּכָֽן (memukhan) = Memuchan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:37; Est 1:19; Est 2:4 **1:22** Hij stuurde brieven naar alle provincies van de koning, naar elke provincie in haar eigen schrift en naar elk volk in zijn eigen taal. Iedere man moest heer zijn in zijn huis en spreken in de taal van zijn volk. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | סְפָרִים֙ (sefarim) = brieven | אֶל (el) = naar | כָּל (kal) = alle | מְדִינ֣וֹת (medinot) = provincies van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | מְדִינָ֤ה (medina) = provincie | וּמְדִינָה֙ (umedina) = en provincie | כִּכְתָבָ֔הּ (kikhtavah) = naar haar schrift | וְאֶל (veel) = en naar | עַ֥ם (am) = volk | וָעָ֖ם (vaam) = en volk | כִּלְשׁוֹנ֑וֹ (kilshono) = naar zijn taal | לִהְי֤וֹת (lihyot) = om te zijn | כָּל (kal) = iedere | אִישׁ֙ (ish) = man | שֹׂרֵ֣ר (sorer) = heerser | בְּבֵית֔וֹ (beveito) = in zijn huis | וּמְדַבֵּ֖ר (umedaber) = en sprekend | כִּלְשׁ֥וֹן (kilshon) = naar de taal van | עַמּֽוֹ (amo) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De laatste woorden van het vers zijn moeilijk. Letterlijk staat er: ‘dat iedere man heerser zou zijn in zijn huis en sprekend naar de taal van zijn volk’. Onzeker is of het gaat om de taal van de man of om een bepaalde taal die in huis gesproken moest worden. Zie ook: Est 3:12; Est 8:9; Ef 5:22–24; 1 Tim 2:12; Tit 2:4–5 ## Ester 2 _Ester wordt koningin; Mordechai redt de koning_ ### De koning zoekt een nieuwe koningin **2:1** Na deze gebeurtenissen was de woede van koning Ahasveros gaan liggen. Hij dacht aan Vasti, aan wat zij had gedaan en aan wat over haar was besloten. Brontekst: אַחַר֙ (achar) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de zaken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | כְּשֹׁ֕ךְ (keshokh) = als bedaarde | חֲמַ֖ת (chamat) = de woede van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | זָכַ֤ר (zakhar) = hij dacht aan | אֶת (et) = (obj.) | וַשְׁתִּי֙ (vashti) = Vasti | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֔תָה (asata) = zij deed | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | נִגְזַ֖ר (nigzar) = was besloten | עָלֶֽיהָ (aleiha) = over haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet hoeveel tijd er verstreken is. Uit 1:3 en 2:16 blijkt dat er ongeveer vier jaar tussen het feestmaal van Vasti en de komst van Ester bij de koning liggen. Zie ook: Dan 6:15–19; Est 1:12–21; Est 7:10 **2:2** De jongens van de koning, zijn dienaren, zeiden: „Laat men voor de koning meisjes zoeken, maagden die mooi zijn om te zien. Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | נַעֲרֵֽי (naarei) = jongens van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מְשָׁרְתָ֑יו (mesharetav) = zijn dienaren | יְבַקְשׁ֥וּ (yevaqshu) = laat zoeken | לַמֶּ֛לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | נְעָר֥וֹת (nearot) = meisjes | בְּתוּל֖וֹת (betulot) = maagden | טוֹב֥וֹת (tovot) = mooi van | מַרְאֶֽה (mare) = uiterlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:14; 1 Kon 1:2; Est 1:10; Est 1:14; Est 6:14 **2:3** Laat de koning in alle provincies van zijn koninkrijk opzichters aanstellen. Laat hen elke mooie maagd verzamelen in Sjoesjan, de burcht, in het huis van de vrouwen. Zij komen onder de hand van Hegai, de hoveling van de koning en bewaker van de vrouwen. Laat hun schoonheidsmiddelen aan hen worden gegeven. Brontekst: וְיַפְקֵ֨ד (veyafqed) = en laat aanstellen | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | פְּקִידִים֮ (peqidim) = opzichters | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְדִינ֣וֹת (medinot) = provincies van | מַלְכוּתוֹ֒ (malkhuto) = zijn koninkrijk | וְיִקְבְּצ֣וּ (veyiqbetsu) = en laat verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = elk | נַעֲרָֽה (naara) = meisje | בְ֠תוּלָה (betula) = maagd | טוֹבַ֨ת (tovat) = mooi van | מַרְאֶ֜ה (mare) = uiterlijk | אֶל (el) = naar | שׁוּשַׁ֤ן (shushan) = Sjoesjan | הַבִּירָה֙ (habira) = de burcht | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַנָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | אֶל (el) = naar | יַ֥ד (yad) = de hand van | הֵגֶ֛א (hege) = Hegai | סְרִ֥יס (seris) = hoveling van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | שֹׁמֵ֣ר (shomer) = bewaker van | הַנָּשִׁ֑ים (hanashim) = de vrouwen | וְנָת֖וֹן (venaton) = en laat worden gegeven | תַּמְרוּקֵיהֶֽן (tamruqeihen) = hun schoonheidsmiddelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hoveling’: zie de voetnoot bij 1:10. תַּמְרוּקִים (tamruqim), ‘schoonheidsmiddelen’: olie en zalf voor de verzorging van de huid (vergelijk vers 12). Voetnoot Lezing: De naam van de bewaker staat in dit vers als הֵגֵא (Hege) en in vers 8 en 15 als הֵגַי (Hegai). Het is dezelfde man; wij schrijven overal Hegai. Zie ook: Jes 3:18–23; Est 1:1–2; Est 2:8–9; Est 2:12–15; Est 2:15 **2:4** Het meisje dat goed is in de ogen van de koning, wordt koningin in plaats van Vasti.” Het woord was goed in de ogen van de koning en hij deed zo. Brontekst: וְהַֽנַּעֲרָ֗ה (vehanaara) = en het meisje | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | תִּיטַב֙ (titav) = goed zal zijn | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | תִּמְלֹ֖ךְ (timlokh) = zal koningin zijn | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | וַשְׁתִּ֑י (vashti) = Vasti | וַיִּיטַ֧ב (vayitav) = en was goed | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 1:21; Est 3:9–10; Mat 14:6; Mat 20:16; Mat 22:14 ### Mordechai en Ester **2:5** In Sjoesjan, de burcht, was een Joodse man. Hij heette Mordechai, zoon van Jaïr, zoon van Simeï, zoon van Kis, een Benjaminiet. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = man | יְהוּדִ֔י (yehudi) = Joods | הָיָ֖ה (haya) = was | בְּשׁוּשַׁ֣ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָ֑ה (habira) = de burcht | וּשְׁמ֣וֹ (ushemo) = en zijn naam | מָרְדֳּכַ֗י (mardokhay) = Mordechai | בֶּ֣ן (ben) = zoon van | יָאִ֧יר (yair) = Jaïr | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁמְעִ֛י (shimi) = Simeï | בֶּן (ben) = zoon van | קִ֖ישׁ (qish) = Kis | אִ֥ישׁ (ish) = man | יְמִינִֽי (yemini) = Benjaminiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: יְהוּדִי (yehudi), ‘Joodse man’: oorspronkelijk een man uit Juda; hier wordt het woord gebruikt voor een Israëliet in ballingschap. Het woord komt in dit boek vaak voor. Voetnoot : De namen Kis (vergelijk 1 Sam. 9:1) en Simeï (vergelijk 2 Sam. 16:5) komen ook elders voor bij mannen uit Benjamin. De tekst zegt niet of het dezelfde mannen zijn. Zie ook: 1 Sam 9:1; 2 Sam 16:5; Est 2:3; Est 3:2–6; Est 5:1 **2:6** Hij was weggevoerd uit Jeruzalem met de ballingen die waren weggevoerd met Jojachin, de koning van Juda. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen weggevoerd. Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הָגְלָה֙ (hagela) = was weggevoerd | מִיר֣וּשָׁלַ֔יִם (mirushalayim) = uit Jeruzalem | עִם (im) = met | הַגֹּלָה֙ (hagola) = de ballingschap | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָגְלְתָ֔ה (hageleta) = was weggevoerd | עִ֖ם (im) = met | יְכָנְיָ֣ה (yekhaneya) = Jojachin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֶגְלָ֔ה (hegla) = had weggevoerd | נְבוּכַדְנֶאצַּ֖ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘die was weggevoerd’. Het kan Mordechai zijn of zijn voorvader Kis. Over de wegvoering met Jojachin: 2 Kon. 24:14–16. In het Hebreeuws heet de koning Jechonja (יְכָנְיָה); wij schrijven Jojachin, zoals in 2 Kon. 24. Zie ook: 2 Kon 24:6; 2 Kon 24:14–15; 2 Kron 36:9–10; 2 Kron 36:20; Jer 24:1 **2:7** Hij voedde Hadassa op, dat is Ester, de dochter van zijn oom. Want zij had geen vader en moeder. Het meisje was mooi van gestalte en mooi om te zien. Toen haar vader en moeder stierven, nam Mordechai haar als dochter aan. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en hij was | אֹמֵ֜ן (omen) = opvoeder van | אֶת (et) = (obj.) | הֲדַסָּ֗ה (hadasa) = Hadassa | הִ֤יא (hi) = zij | אֶסְתֵּר֙ (ester) = Ester | בַּת (bat) = dochter van | דֹּד֔וֹ (dodo) = zijn oom | כִּ֛י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet | לָ֖הּ (lah) = voor haar | אָ֣ב (av) = vader | וָאֵ֑ם (vaem) = en moeder | וְהַנַּעֲרָ֤ה (vehanaara) = en het meisje | יְפַת (yefat) = mooi van | תֹּ֨אַר֙ (toar) = gestalte | וְטוֹבַ֣ת (vetovat) = en mooi van | מַרְאֶ֔ה (mare) = uiterlijk | וּבְמ֤וֹת (uvemot) = en bij het sterven van | אָבִ֨יהָ֙ (aviha) = haar vader | וְאִמָּ֔הּ (veimah) = en haar moeder | לְקָחָ֧הּ (leqachah) = nam haar | מָרְדֳּכַ֛י (mardokhay) = Mordechai | ל֖וֹ (lo) = voor zich | לְבַֽת (levat) = tot dochter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲדַסָּה (Hadassa) betekent waarschijnlijk ‘mirte’. אֶסְתֵּר (Ester) is een tweede naam; de betekenis ervan is onzeker. Voetnoot : אֹמֵן (omen), ‘opvoeder’: iemand die een kind verzorgt en grootbrengt. דּוֹד (dod), ‘oom’: een broer van haar vader. Zie ook: Jer 32:7–12; Est 1:11; Est 2:15; 2 Kor 6:18; Ef 6:4 ### Ester in het huis van de vrouwen **2:8** Toen het woord van de koning en zijn bevel werden gehoord, werden veel meisjes verzameld in Sjoesjan, de burcht, onder de hand van Hegai. Ook Ester werd genomen en naar het huis van de koning gebracht, onder de hand van Hegai, de bewaker van de vrouwen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בְּהִשָּׁמַ֤ע (behishama) = bij het horen van | דְּבַר (devar) = het woord van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְדָת֔וֹ (vedato) = en zijn bevel | וּֽבְהִקָּבֵ֞ץ (uvehiqavets) = en bij het verzamelen | נְעָר֥וֹת (nearot) = meisjes | רַבּ֛וֹת (rabot) = vele | אֶל (el) = naar | שׁוּשַׁ֥ן (shushan) = Sjoesjan | הַבִּירָ֖ה (habira) = de burcht | אֶל (el) = naar | יַ֣ד (yad) = de hand van | הֵגָ֑י (hegay) = Hegai | וַתִּלָּקַ֤ח (vatilaqach) = en werd genomen | אֶסְתֵּר֙ (ester) = Ester | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | יַ֥ד (yad) = de hand van | הֵגַ֖י (hegay) = Hegai | שֹׁמֵ֥ר (shomer) = bewaker van | הַנָּשִֽׁים (hanashim) = de vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: Est 2:3; Est 2:15 **2:9** Het meisje beviel hem en zij vond gunst bij hem. Hij haastte zich om haar schoonheidsmiddelen en haar porties aan haar te geven. Ook gaf hij haar de zeven uitgekozen meisjes uit het huis van de koning. Hij bracht haar en haar meisjes naar het beste deel van het huis van de vrouwen. Brontekst: וַתִּיטַ֨ב (vatitav) = en beviel | הַנַּעֲרָ֣ה (hanaara) = het meisje | בְעֵינָיו֮ (beeinav) = in zijn ogen | וַתִּשָּׂ֣א (vatisa) = en vond | חֶ֣סֶד (chesed) = gunst | לְפָנָיו֒ (lefanav) = voor zijn aangezicht | וַ֠יְבַהֵל (vayvahel) = en haastte | אֶת (et) = (obj.) | תַּמְרוּקֶ֤יהָ (tamruqeiha) = haar schoonheidsmiddelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מָנוֹתֶ֨הָ֙ (manoteha) = haar porties | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לָ֔הּ (lah) = aan haar | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | הַנְּעָר֔וֹת (hanearot) = de meisjes | הָרְאֻי֥וֹת (hareuyot) = de uitgekozen | לָֽתֶת (latet) = om te geven | לָ֖הּ (lah) = aan haar | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיְשַׁנֶּ֧הָ (vayshaneha) = en veranderde haar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נַעֲרוֹתֶ֛יהָ (naaroteiha) = haar meisjes | לְט֖וֹב (letov) = naar het beste van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַנָּשִֽׁים (hanashim) = de vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָנוֹת (manot), ‘porties’: het eten dat haar werd toegewezen. Voetnoot : וַיְשַׁנֶּהָ (vayeshanneha), ‘hij bracht haar’: letterlijk ‘hij veranderde haar’; hier bedoeld als ‘hij verplaatste haar naar’. Zie ook: Gen 39:21; Spr 16:7; Dan 1:9; Est 2:3; Est 2:12 **2:10** Ester maakte haar volk en haar familie niet bekend, want Mordechai had haar bevolen het niet te zeggen. Brontekst: לֹא (lo) = niet | הִגִּ֣ידָה (higida) = maakte bekend | אֶסְתֵּ֔ר (ester) = Ester | אֶת (et) = (obj.) | עַמָּ֖הּ (amah) = haar volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֽוֹלַדְתָּ֑הּ (moladtah) = haar familie | כִּ֧י (ki) = want | מָרְדֳּכַ֛י (mardokhay) = Mordechai | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = over haar | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | תַגִּֽיד (tagid) = zij zou bekendmaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet waarom Mordechai haar dit beval. Hij vermeldt het alleen. Zie ook: Est 2:20; Est 3:8; Est 4:13–14; Mat 10:16; Ef 6:1 **2:11** Elke dag liep Mordechai heen en weer voor de voorhof van het huis van de vrouwen. Hij wilde weten hoe het met Ester ging en wat er met haar zou gebeuren. Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en elke | י֣וֹם (yom) = dag | וָי֔וֹם (vayom) = en dag | מָרְדֳּכַי֙ (mardokhay) = Mordechai | מִתְהַלֵּ֔ךְ (mithalekh) = liep heen en weer | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | חֲצַ֣ר (chatsar) = de voorhof van | בֵּית (beit) = het huis van | הַנָּשִׁ֑ים (hanashim) = de vrouwen | לָדַ֨עַת֙ (ladaat) = om te weten | אֶת (et) = (obj.) | שְׁל֣וֹם (shelom) = het welzijn van | אֶסְתֵּ֔ר (ester) = Ester | וּמַה (uma) = en wat | יֵּעָשֶׂ֖ה (yease) = zou worden gedaan | בָּֽהּ (bah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:14; 1 Sam 17:18; Est 2:13–14; Hand 15:36 ### Hoe de meisjes bij de koning kwamen **2:12** Elk meisje kreeg de beurt om bij koning Ahasveros te komen, nadat zij 12 maanden volgens de regel voor de vrouwen had gehad. Zo lang duurden de dagen van hun verzorging: 6 maanden met mirreolie en 6 maanden met balsems en met schoonheidsmiddelen voor de vrouwen. Brontekst: וּבְהַגִּ֡יעַ (uvehagia) = en bij het komen van | תֹּר֩ (tor) = beurt | נַעֲרָ֨ה (naara) = meisje | וְנַעֲרָ֜ה (venaara) = en meisje | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֗וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | מִקֵּץ֩ (miqets) = na | הֱי֨וֹת (heyot) = het zijn | לָ֜הּ (lah) = aan haar | כְּדָ֤ת (kedat) = volgens de regel van | הַנָּשִׁים֙ (hanashim) = de vrouwen | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֣ר (asar) = tien | חֹ֔דֶשׁ (chodesh) = maand | כִּ֛י (ki) = want | כֵּ֥ן (ken) = zo | יִמְלְא֖וּ (yimleu) = worden vervuld | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | מְרוּקֵיהֶ֑ן (meruqeihen) = hun verzorging | שִׁשָּׁ֤ה (shisha) = zes | חֳדָשִׁים֙ (chodashim) = maanden | בְּשֶׁ֣מֶן (beshemen) = met olie van | הַמֹּ֔ר (hamor) = mirre | וְשִׁשָּׁ֤ה (veshisha) = en zes | חֳדָשִׁים֙ (chodashim) = maanden | בַּבְּשָׂמִ֔ים (babesamim) = met balsems | וּבְתַמְרוּקֵ֖י (uvetamruqei) = en met verzorgingsmiddelen van | הַנָּשִֽׁים (hanashim) = de vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzorging duurde in totaal een jaar. Mirreolie (מֹר, mor) en balsems zijn welriekende middelen. Zie ook: Hoogl 3:6; Spr 7:17; Jes 57:9; Luc 7:37–38; 1 Tess 4:4–5 **2:13** Zo kwam het meisje bij de koning. Alles wat zij vroeg, werd haar gegeven om mee te nemen uit het huis van de vrouwen naar het huis van de koning. Brontekst: וּבָזֶ֕ה (uvaze) = en hiermee | הַֽנַּעֲרָ֖ה (hanaara) = het meisje | בָּאָ֣ה (baa) = kwam | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | תֹּאמַ֜ר (tomar) = zij zou zeggen | יִנָּ֤תֵֽן (yinaten) = wordt gegeven | לָהּ֙ (lah) = aan haar | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | עִמָּ֔הּ (imah) = met haar | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | הַנָּשִׁ֖ים (hanashim) = de vrouwen | עַד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:14** In de avond ging zij erheen. In de ochtend keerde zij terug naar het tweede huis van de vrouwen. Het stond onder de hand van Sjaäsjgaz, de hoveling van de koning en bewaker van de bijvrouwen. Zij kwam niet meer bij de koning, tenzij de koning behagen in haar had en zij bij naam werd geroepen. Brontekst: בָּעֶ֣רֶב (baerev) = in de avond | הִ֣יא (hi) = zij | בָאָ֗ה (baa) = kwam | וּ֠בַבֹּקֶר (uvaboqer) = en in de ochtend | הִ֣יא (hi) = zij | שָׁבָ֞ה (shava) = keerde terug | אֶל (el) = naar | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | הַנָּשִׁים֙ (hanashim) = de vrouwen | שֵׁנִ֔י (sheni) = tweede | אֶל (el) = naar | יַ֧ד (yad) = de hand van | שַֽׁעֲשְׁגַ֛ז (shaashgaz) = Sjaäsjgaz | סְרִ֥יס (seris) = hoveling van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | שֹׁמֵ֣ר (shomer) = bewaker van | הַפִּֽילַגְשִׁ֑ים (hapilagshim) = de bijvrouwen | לֹא (lo) = niet | תָב֥וֹא (tavo) = zou komen | עוֹד֙ (od) = meer | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּ֣י (ki) = tenzij | אִם (im) = als | חָפֵ֥ץ (chafets) = behaagde | בָּ֛הּ (bah) = in haar | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְנִקְרְאָ֥ה (veniqrea) = en zij werd geroepen | בְשֵֽׁם (beshem) = bij naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּילֶגֶשׁ (pilegesh), ‘bijvrouw’: een vrouw met een lagere rang dan de koningin. Zie ook: Gen 34:19; Deut 21:14; Jes 43:1; Jes 62:4–5; Est 4:11 ### Ester wordt koningin **2:15** Ester was de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai, die haar als dochter had aangenomen. Toen haar beurt kwam om bij de koning te komen, vroeg zij niets. Zij vroeg alleen wat Hegai zei, de hoveling van de koning en bewaker van de vrouwen. En Ester vond gunst in de ogen van allen die haar zagen. Brontekst: וּבְהַגִּ֣יעַ (uvehagia) = en bij het komen van | תֹּר (tor) = beurt | אֶסְתֵּ֣ר (ester) = Ester | בַּת (bat) = dochter van | אֲבִיחַ֣יִל (avichayil) = Abichaïl | דֹּ֣ד (dod) = oom van | מָרְדֳּכַ֡י (mardokhay) = Mordechai | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | לָקַֽח (laqach) = had genomen | ל֨וֹ (lo) = voor zich | לְבַ֜ת (levat) = tot dochter | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֹ֤א (lo) = niet | בִקְשָׁה֙ (biqsha) = vroeg | דָּבָ֔ר (davar) = iets | כִּ֠י (ki) = maar | אִ֣ם (im) = indien | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יֹאמַ֛ר (yomar) = zou zeggen | הֵגַ֥י (hegay) = Hegai | סְרִיס (seris) = hoveling van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | שֹׁמֵ֣ר (shomer) = bewaker van | הַנָּשִׁ֑ים (hanashim) = de vrouwen | וַתְּהִ֤י (vatehi) = en was | אֶסְתֵּר֙ (ester) = Ester | נֹשֵׂ֣את (noset) = dragend | חֵ֔ן (chen) = gunst | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | כָּל (kal) = alle | רֹאֶֽיהָ (roeiha) = die haar zagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hoogl 6:9; Hoogl 8:10; Est 2:3; Est 9:29; Hand 7:10 **2:16** Ester werd naar koning Ahasveros gebracht, naar zijn koninklijk huis. Het was in de tiende maand, dat is de maand Tebet, in het zevende jaar van zijn regering. Brontekst: וַתִּלָּקַ֨ח (vatilaqach) = en werd genomen | אֶסְתֵּ֜ר (ester) = Ester | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ֙ (achashverosh) = Ahasveros | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מַלְכוּת֔וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָעֲשִׂירִ֖י (haasiri) = de tiende | הוּא (hu) = dat | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = de maand | טֵבֵ֑ת (tevet) = Tebet | בִּשְׁנַת (bishnat) = in het jaar | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | לְמַלְכוּתֽוֹ (lemalkhuto) = van zijn koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De maand Tebet (טֵבֵת) is de tiende maand; zij valt ongeveer in december en januari. Het zevende jaar is vier jaar na het feestmaal in 1:3. Zie ook: Ezra 7:8; Est 2:1; Est 2:3; Est 8:9 **2:17** De koning hield van Ester, meer dan van alle vrouwen. Zij vond gunst en trouw bij hem, meer dan alle maagden. Hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd en maakte haar koningin in plaats van Vasti. Brontekst: וַיֶּאֱהַ֨ב (vayeehav) = en hield van | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | אֶסְתֵּר֙ (ester) = Ester | מִכָּל (mikal) = meer dan alle | הַנָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | וַתִּשָּׂא (vatisa) = en zij droeg | חֵ֥ן (chen) = gunst | וָחֶ֛סֶד (vachesed) = en trouw | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | מִכָּל (mikal) = meer dan alle | הַבְּתוּלֹ֑ת (habetulot) = de maagden | וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en zette | כֶּֽתֶר (keter) = kroon van | מַלְכוּת֙ (malkhut) = koningschap | בְּרֹאשָׁ֔הּ (beroshah) = op haar hoofd | וַיַּמְלִיכֶ֖הָ (vayamlikheha) = en maakte haar koningin | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | וַשְׁתִּֽי (vashti) = Vasti Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: hier de toegenegenheid die de koning haar toonde. Het woord staat bij ‘gunst’ (חֵן, chen). Zie ook: 1 Sam 2:8; Ps 75:7–8; Ps 113:7–8; Ezech 17:24; Luc 1:48–52 **2:18** De koning gaf een groot feestmaal voor al zijn oversten en dienaren: het feestmaal van Ester. Hij kondigde voor de provincies een verlichting af en gaf geschenken, naar de mildheid van de koning. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en maakte | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִשְׁתֶּ֣ה (mishte) = een feestmaal | גָד֗וֹל (gadol) = groot | לְכָל (lekhal) = voor al | שָׂרָיו֙ (sarav) = zijn oversten | וַעֲבָדָ֔יו (vaavadav) = en zijn dienaren | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִשְׁתֵּ֣ה (mishte) = het feestmaal van | אֶסְתֵּ֑ר (ester) = Ester | וַהֲנָחָ֤ה (vahanacha) = en verlichting | לַמְּדִינוֹת֙ (lamedinot) = voor de provincies | עָשָׂ֔ה (asa) = maakte hij | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en gaf | מַשְׂאֵ֖ת (maset) = geschenken | כְּיַ֥ד (keyad) = naar de hand van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲנָחָה (hanachah), ‘verlichting’: waarschijnlijk een vrijstelling van belasting of dienst; de betekenis is onzeker. Zie ook: Gen 29:22; Re 14:10–17; 1 Sam 25:8; Est 1:3–5; Luc 14:8 ### Mordechai ontdekt een aanslag **2:19** Toen de maagden voor de tweede keer werden verzameld, zat Mordechai in de poort van de koning. Brontekst: וּבְהִקָּבֵ֥ץ (uvehiqavets) = en bij het verzamelen van | בְּתוּל֖וֹת (betulot) = maagden | שֵׁנִ֑ית (shenit) = tweede keer | וּמָרְדֳּכַ֖י (umardokhay) = en Mordechai | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = zat | בְּשַֽׁעַר (beshaar) = in de poort van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 2:3–4; Est 2:21; Est 3:2–3; Est 5:13 **2:20** Ester maakte haar familie en haar volk niet bekend, zoals Mordechai haar had bevolen. Ester deed wat Mordechai zei, zoals toen zij onder zijn zorg stond. Brontekst: אֵ֣ין (ein) = niet | אֶסְתֵּ֗ר (ester) = Ester | מַגֶּ֤דֶת (magedet) = maakte bekend | מֽוֹלַדְתָּהּ֙ (moladtah) = haar familie | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמָּ֔הּ (amah) = haar volk | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = over haar | מָרְדֳּכָ֑י (mardokhay) = Mordechai | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַאֲמַ֤ר (maamar) = het woord van | מָרְדֳּכַי֙ (mardokhay) = Mordechai | אֶסְתֵּ֣ר (ester) = Ester | עֹשָׂ֔ה (osa) = deed | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | הָיְתָ֥ה (hayeta) = zij was | בְאָמְנָ֖ה (beamena) = in zorg | אִתּֽוֹ (ito) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 2:7; Est 2:10; Ef 6:1–3 **2:21** In die dagen, toen Mordechai in de poort van de koning zat, werden Bigtan en Teresj kwaad. Zij waren twee hovelingen van de koning, bewakers van de drempel. Zij zochten een gelegenheid om de hand te slaan aan koning Ahasveros. Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | וּמָרְדֳּכַ֖י (umardokhay) = en Mordechai | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zat | בְּשַֽׁעַר (beshaar) = in de poort van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | קָצַף֩ (qatsaf) = werden kwaad | בִּגְתָ֨ן (bigtan) = Bigtan | וָתֶ֜רֶשׁ (vateresh) = en Teresj | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | סָרִיסֵ֤י (sarisei) = hovelingen van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | מִשֹּׁמְרֵ֣י (mishomerei) = bewakers van | הַסַּ֔ף (hasaf) = de drempel | וַיְבַקְשׁוּ֙ (vayvaqshu) = en zochten | לִשְׁלֹ֣חַ (lishloach) = om uit te steken | יָ֔ד (yad) = hand | בַּמֶּ֖לֶךְ (bamelekh) = tegen de koning | אֲחַשְׁוֵֽרֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws schrijft de naam hier als בִּגְתָן (Bigtan) en in 6:2 als בִּגְתָנָא (Bigtana). Het is dezelfde man; wij schrijven overal Bigtan. Zie ook: 2 Sam 16:11; 1 Kon 16:9; 2 Kon 12:21; 2 Kon 21:23; Est 6:2 **2:22** Het woord werd bekend bij Mordechai en hij vertelde het aan koningin Ester. Ester zei het tegen de koning, in naam van Mordechai. Brontekst: וַיִּוָּדַ֤ע (vayivada) = en werd bekend | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | לְמָרְדֳּכַ֔י (lemardokhay) = aan Mordechai | וַיַּגֵּ֖ד (vayaged) = en vertelde het | לְאֶסְתֵּ֣ר (leester) = aan Ester | הַמַּלְכָּ֑ה (hamalka) = de koningin | וַתֹּ֧אמֶר (vatomer) = en zei | אֶסְתֵּ֛ר (ester) = Ester | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = in naam van | מָרְדֳּכָֽי (mardokhay) = Mordechai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 10:20; Est 6:1–2; Hand 23:12–22; Rom 11:33; Fil 2:4 **2:23** Het werd onderzocht en gevonden. De twee werden aan een paal gehangen. Het werd opgeschreven in het dagboek, voor het aangezicht van de koning. Brontekst: וַיְבֻקַּ֤שׁ (vayvuqash) = en werd onderzocht | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | וַיִּמָּצֵ֔א (vayimatse) = en werd gevonden | וַיִּתָּל֥וּ (vayitalu) = en zij werden gehangen | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = beiden | עַל (al) = aan | עֵ֑ץ (ets) = een paal | וַיִּכָּתֵ֗ב (vayikatev) = en werd geschreven | בְּסֵ֛פֶר (besefer) = in het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ (etz), ‘paal’: letterlijk ‘hout’. Het kan gaan om ophangen of om spietsen op een paal. Zie ook 5:14 en 7:9–10. Voetnoot : סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayamim), ‘dagboek’: letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’, het koninklijk dagboek. Zie ook 6:1. Zie ook: Gen 40:19; Gen 40:22; Deut 21:22–23; Est 10:2; Mal 3:16 ## Ester 3 _Haman en het besluit om de Joden te vernietigen_ ### Haman wordt verheven **3:1** Na deze gebeurtenissen verhief koning Ahasveros Haman, de zoon van Hammedata, de Agagiet. Hij verhoogde hem en zette zijn zetel boven alle oversten die bij hem waren. Brontekst: אַחַ֣ר (achar) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de zaken | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | גִּדַּל֩ (gidal) = verhief | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֜וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | אֶת (et) = (obj.) | הָמָ֧ן (haman) = Haman | בֶּֽן (ben) = zoon van | הַמְּדָ֛תָא (hamedata) = Hammedata | הָאֲגָגִ֖י (haagagi) = de Agagiet | וַֽיְנַשְּׂאֵ֑הוּ (vaynaseehu) = en verhoogde hem | וַיָּ֨שֶׂם֙ (vayasem) = en plaatste | אֶת (et) = (obj.) | כִּסְא֔וֹ (kiso) = zijn zetel | מֵעַ֕ל (meal) = boven | כָּל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֖ים (hasarim) = de oversten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִתּֽוֹ (ito) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲגָגִי (Agagi), ‘Agagiet’: iemand die verbonden is met Agag. Agag was een koning van de Amalekieten (1 Sam. 15:8). De tekst zegt niet of Haman van hem afstamt of uit een volk of plaats met die naam komt. Zie ook: Num 24:7; 1 Sam 15:8; 1 Sam 15:33; Dan 6:3; Est 3:10; Est 5:11 **3:2** Alle dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, knielden en wierpen zich neer voor Haman. Want zo had de koning het over hem bevolen. Maar Mordechai knielde niet en wierp zich niet neer. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | עַבְדֵ֨י (avdei) = dienaren van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = in de poort van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | כֹּרְעִ֤ים (koreim) = knielden | וּמִֽשְׁתַּחֲוִים֙ (umishtachavim) = en wierpen zich neer | לְהָמָ֔ן (lehaman) = voor Haman | כִּי (ki) = want | כֵ֖ן (ken) = zo | צִוָּה (tsiva) = had geboden | ל֣וֹ (lo) = over hem | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּמָ֨רְדֳּכַ֔י (umardokhay) = en Mordechai | לֹ֥א (lo) = niet | יִכְרַ֖ע (yikhra) = knielde | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִֽשְׁתַּחֲוֶֽה (yishtachave) = wierp zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּרַע (kara), ‘knielen’, en הִשְׁתַּחֲוָה (hishtachavah), ‘zich neerwerpen’: de twee houdingen van eerbetoon aan een hoge. Mordechai doet geen van beide. De tekst zegt hier niet waarom; zie vers 4 en 5. Zie ook: Ex 17:16; Ps 15:4; Est 2:21; Est 3:4; Est 3:5; Est 5:9 ### Mordechai buigt niet **3:3** De dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, zeiden tegen Mordechai: „Waarom overtreed je het gebod van de koning?” Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = in de poort van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְמָרְדֳּכָ֑י (lemardokhay) = tot Mordechai | מַדּ֨וּעַ֙ (madua) = waarom | אַתָּ֣ה (ata) = jij | עוֹבֵ֔ר (over) = overtreedt | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִצְוַ֥ת (mitsvat) = het gebod van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 1:17; Est 2:19; Est 3:2; Mat 15:2–3 **3:4** Zij zeiden het dag na dag tegen hem, maar hij luisterde niet naar hen. Toen vertelden zij het aan Haman, om te zien of de woorden van Mordechai stand zouden houden. Want hij had hun verteld dat hij een Jood was. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּאָמְרָ֤ם (keameram) = bij hun zeggen | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | י֣וֹם (yom) = dag | וָי֔וֹם (vayom) = en dag | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖ע (shama) = luisterde | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = naar hen | וַיַּגִּ֣ידוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לְהָמָ֗ן (lehaman) = aan Haman | לִרְאוֹת֙ (lirot) = om te zien | הֲיַֽעַמְדוּ֙ (hayaamdu) = of zouden standhouden | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | מָרְדֳּכַ֔י (mardokhay) = Mordechai | כִּֽי (ki) = want | הִגִּ֥יד (higid) = had verteld | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | אֲשֶׁר (asher) = dat | ה֥וּא (hu) = hij | יְהוּדִֽי (yehudi) = Jood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet wat Mordechai de dienaren had verteld behalve dat hij een Jood was. Voetnoot Lezing: Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft בְּאָמְרָם (be’amram), ‘in hun zeggen’; de mondelinge lezing (qere) is כְּאָמְרָם (ke’amram), ‘toen zij zeiden’. De betekenis blijft gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Gen 39:10; Jona 1:9; Dan 6:14; Dan 6:21–29; Ezra 1:3 **3:5** Haman zag dat Mordechai niet knielde en zich niet voor hem neerwierp. Haman werd vol woede. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | הָמָ֔ן (haman) = Haman | כִּי (ki) = dat | אֵ֣ין (ein) = niet | מָרְדֳּכַ֔י (mardokhay) = Mordechai | כֹּרֵ֥עַ (korea) = knielde | וּמִֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה (umishtachave) = en zich neerwierp | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וַיִּמָּלֵ֥א (vayimale) = en werd vervuld | הָמָ֖ן (haman) = Haman | חֵמָֽה (chema) = van woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:2; Spr 21:24; Dan 3:19; Est 3:2; Est 5:9 **3:6** Het was in zijn ogen te gering om alleen de hand aan Mordechai te slaan, want zij hadden hem het volk van Mordechai bekendgemaakt. Haman zocht naar een manier om alle Joden die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, te vernietigen. Brontekst: וַיִּ֣בֶז (vayivez) = en het was verachtelijk | בְּעֵינָ֗יו (beeinav) = in zijn ogen | לִשְׁלֹ֤ח (lishloch) = om uit te steken | יָד֙ (yad) = hand | בְּמָרְדֳּכַ֣י (bemardokhay) = tegen Mordechai | לְבַדּ֔וֹ (levado) = alleen | כִּֽי (ki) = want | הִגִּ֥ידוּ (higidu) = hadden verteld | ל֖וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | עַ֣ם (am) = het volk van | מָרְדֳּכָ֑י (mardokhay) = Mordechai | וַיְבַקֵּ֣שׁ (vayvaqesh) = en zocht | הָמָ֗ן (haman) = Haman | לְהַשְׁמִ֧יד (lehashmid) = om te vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֛ים (hayehudim) = de Joden | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | בְּכָל (bekhal) = in heel | מַלְכ֥וּת (malkhut) = het koninkrijk van | אֲחַשְׁוֵר֖וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | עַ֥ם (am) = het volk van | מָרְדֳּכָֽי (mardokhay) = Mordechai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 83:5; Openb 12:12 ### Het lot wordt geworpen **3:7** In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men de pur, dat is het lot, voor Haman. Men deed het van dag tot dag en van maand tot maand, tot de twaalfde maand, dat is de maand Adar. Brontekst: בַּחֹ֤דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרִאשׁוֹן֙ (harishon) = de eerste | הוּא (hu) = dat | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = de maand | נִיסָ֔ן (nisan) = Nisan | בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar | שְׁתֵּ֣ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֔ה (esre) = tien | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = van koning | אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | הִפִּ֣יל (hipil) = wierp men | פּוּר֩ (pur) = pur | ה֨וּא (hu) = dat | הַגּוֹרָ֜ל (hagoral) = het lot | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הָמָ֗ן (haman) = Haman | מִיּ֧וֹם (miyom) = van dag | לְי֛וֹם (leyom) = tot dag | וּמֵחֹ֛דֶשׁ (umechodesh) = en van maand | לְחֹ֥דֶשׁ (lechodesh) = tot maand | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | הוּא (hu) = dat | חֹ֥דֶשׁ (chodesh) = de maand | אֲדָֽר (adar) = Adar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוּר (pur), ‘lot’: het woord wordt in 9:26 verklaard bij de naam van het feest Purim. De maand Nisan valt ongeveer in maart en april; Adar, de twaalfde maand, ongeveer in februari en maart. Het twaalfde jaar is vijf jaar na het zevende jaar van 2:16. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft ‘hij wierp’ zonder naam. Wij schrijven ‘men wierp’. Zie ook: Spr 16:33; Ezech 21:26–27; Ezra 6:15; Est 2:16; Est 9:24–26 ### Haman bij de koning **3:8** Haman zei tegen koning Ahasveros: „Er is één volk, verspreid en afgezonderd onder de volken in alle provincies van uw koninkrijk. Hun wetten verschillen van die van alle volken. De wetten van de koning houden zij niet. Het is voor de koning niet gepast hen te laten blijven. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | הָמָן֙ (haman) = Haman | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = tot de koning | אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | יֶשְׁנ֣וֹ (yeshno) = er is | עַם (am) = volk | אֶחָ֗ד (echad) = één | מְפֻזָּ֤ר (mefuzar) = verspreid | וּמְפֹרָד֙ (umeforad) = en afgezonderd | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in alle | מְדִינ֣וֹת (medinot) = provincies van | מַלְכוּתֶ֑ךָ (malkhutekha) = uw koninkrijk | וְדָתֵיהֶ֞ם (vedateihem) = en hun wetten | שֹׁנ֣וֹת (shonot) = verschillend | מִכָּל (mikal) = van alle | עָ֗ם (am) = volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דָּתֵ֤י (datei) = de wetten van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֵינָ֣ם (einam) = niet | עֹשִׂ֔ים (osim) = doende | וְלַמֶּ֥לֶךְ (velamelekh) = en voor de koning | אֵין (ein) = niet | שֹׁוֶ֖ה (shove) = gepast | לְהַנִּיחָֽם (lehanicham) = om hen te laten blijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Haman noemt het volk niet bij naam. Hij beschrijft het als ‘één volk, verspreid en afgezonderd’. Zie ook: Lev 26:33; Ezra 4:12–15; Zach 7:14; Joh 7:35; Hand 16:20–21 **3:9** Als het de koning goed lijkt, laat dan worden geschreven dat zij vernietigd moeten worden. Dan zal ik 10.000 talenten zilver wegen in de handen van wie het werk doen, om het in de schatkamers van de koning te brengen.” Brontekst: אִם (im) = als | עַל (al) = over | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֔וֹב (tov) = goed | יִכָּתֵ֖ב (yikatev) = laat worden geschreven | לְאַבְּדָ֑ם (leabedam) = om hen te vernietigen | וַעֲשֶׂ֨רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֜ים (alafim) = duizend | כִּכַּר (kikar) = talent | כֶּ֗סֶף (kesef) = zilver | אֶשְׁקוֹל֙ (eshqol) = zal ik wegen | עַל (al) = op | יְדֵי֙ (yedei) = de handen van | עֹשֵׂ֣י (osei) = doeners van | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | לְהָבִ֖יא (lehavi) = om te brengen | אֶל (el) = naar | גִּנְזֵ֥י (ginzei) = de schatkamers van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: een groot gewicht, ongeveer 34 kilogram. 10.000 talenten zijn dus ongeveer 340.000 kilogram (340 ton) zilver. Zie ook: Gen 23:16; Mat 18:24 **3:10** De koning nam zijn ring van zijn hand en gaf hem aan Haman, de zoon van Hammedata, de Agagiet, de vijand van de Joden. Brontekst: וַיָּ֧סַר (vayasar) = en nam weg | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | טַבַּעְתּ֖וֹ (tabato) = zijn ring | מֵעַ֣ל (meal) = van | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | וַֽיִּתְּנָ֗הּ (vayitenah) = en gaf hem | לְהָמָ֧ן (lehaman) = aan Haman | בֶּֽן (ben) = zoon van | הַמְּדָ֛תָא (hamedata) = Hammedata | הָאֲגָגִ֖י (haagagi) = de Agagiet | צֹרֵ֥ר (tsorer) = vijand van | הַיְּהוּדִֽים (hayehudim) = de Joden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַבַּעַת (tabbaat), ‘ring’: de zegelring waarmee brieven werden verzegeld. De koning geeft Haman zijn macht om namens hem te besluiten. Zie ook: Gen 41:42; Est 3:1; Est 7:6; Est 8:2; Est 8:8 **3:11** De koning zei tegen Haman: „Het zilver is aan jou gegeven, en ook het volk, om ermee te doen wat goed is in jouw ogen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לְהָמָ֔ן (lehaman) = aan Haman | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | נָת֣וּן (natun) = is gegeven | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | וְהָעָ֕ם (vehaam) = en het volk | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | בּ֖וֹ (bo) = ermee | כַּטּ֥וֹב (katov) = zoals goed is | בְּעֵינֶֽיךָ (beeineikha) = in jouw ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 73:7; Jer 26:14; Jer 40:4; Luc 23:25 ### De brieven worden verstuurd **3:12** Op de dertiende dag van de eerste maand werden de schrijvers van de koning geroepen. Er werd geschreven naar alles wat Haman beval: aan de satrapen van de koning, aan de landvoogden over elke provincie en aan de oversten van elk volk. Het ging naar elke provincie in haar eigen schrift en naar elk volk in zijn eigen taal. Het werd geschreven in naam van koning Ahasveros en verzegeld met de ring van de koning. Brontekst: וַיִּקָּרְאוּ֩ (vayiqareu) = en werden geroepen | סֹפְרֵ֨י (soferei) = schrijvers van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרִאשׁ֗וֹן (harishon) = de eerste | בִּשְׁלוֹשָׁ֨ה (bishlosha) = op drie | עָשָׂ֣ר (asar) = tien | יוֹם֮ (yom) = dag | בּוֹ֒ (bo) = ervan | וַיִּכָּתֵ֣ב (vayikatev) = en werd geschreven | כְּֽכָל (kekhal) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֣ה (tsiva) = had geboden | הָמָ֡ן (haman) = Haman | אֶ֣ל (el) = aan | אֲחַשְׁדַּרְפְּנֵֽי (achashdarpenei) = satrapen van | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | וְֽאֶל (veel) = en aan | הַפַּח֞וֹת (hapachot) = de landvoogden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = over | מְדִינָ֣ה (medina) = provincie | וּמְדִינָ֗ה (umedina) = en provincie | וְאֶל (veel) = en aan | שָׂ֤רֵי (sarei) = oversten van | עַם֙ (am) = volk | וָעָ֔ם (vaam) = en volk | מְדִינָ֤ה (medina) = provincie | וּמְדִינָה֙ (umedina) = en provincie | כִּכְתָבָ֔הּ (kikhtavah) = naar haar schrift | וְעַ֥ם (veam) = en volk | וָעָ֖ם (vaam) = en volk | כִּלְשׁוֹנ֑וֹ (kilshono) = naar zijn taal | בְּשֵׁ֨ם (beshem) = in naam van | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵרֹשׁ֙ (achashverosh) = Ahasveros | נִכְתָּ֔ב (nikhtav) = is geschreven | וְנֶחְתָּ֖ם (venechtam) = en verzegeld | בְּטַבַּ֥עַת (betabaat) = met de ring van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחַשְׁדַּרְפְּנִים (achashdarpenim), ‘satrapen’: de hoogste bestuurders over een groot gebied van het rijk. פַּחוֹת (pachot), ‘landvoogden’: bestuurders van een kleiner gebied. Beide woorden komen uit het Perzisch of het Akkadisch. Voetnoot : De brieven worden geschreven op de dertiende dag van de eerste maand. Zij noemen de dertiende dag van de twaalfde maand (vers 13), dus ongeveer 11 maanden later. Zie ook: 1 Kon 21:8; Dan 6:13; Ezra 8:36; Est 1:22; Est 3:13; Est 8:8–17 **3:13** Door de boden werden brieven gestuurd naar alle provincies van de koning. Men moest alle Joden vernietigen, doden en laten omkomen, van jongen tot oude, kleine kinderen en vrouwen. Het moest op één dag gebeuren: de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar. Hun bezit moest worden geplunderd. Brontekst: וְנִשְׁל֨וֹחַ (venishloach) = en werden gestuurd | סְפָרִ֜ים (sefarim) = brieven | בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | הָרָצִים֮ (haratsim) = de boden | אֶל (el) = naar | כָּל (kal) = alle | מְדִינ֣וֹת (medinot) = provincies van | הַמֶּלֶךְ֒ (hamelekh) = de koning | לְהַשְׁמִ֡יד (lehashmid) = om te vernietigen | לַהֲרֹ֣ג (laharog) = te doden | וּלְאַבֵּ֣ד (uleabed) = en te laten omkomen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַ֠יְּהוּדִים (hayehudim) = de Joden | מִנַּ֨עַר (minaar) = van jongen | וְעַד (vead) = tot | זָקֵ֜ן (zaqen) = oude | טַ֤ף (taf) = kleine kinderen | וְנָשִׁים֙ (venashim) = en vrouwen | בְּי֣וֹם (beyom) = op dag | אֶחָ֔ד (echad) = één | בִּשְׁלוֹשָׁ֥ה (bishlosha) = op drie | עָשָׂ֛ר (asar) = tien | לְחֹ֥דֶשׁ (lechodesh) = van de maand | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | הוּא (hu) = dat | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = de maand | אֲדָ֑ר (adar) = Adar | וּשְׁלָלָ֖ם (ushelalam) = en hun buit | לָבֽוֹז (lavoz) = te plunderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַף (taf), ‘kleine kinderen’: de jongste kinderen. De drie werkwoorden ‘vernietigen, doden en laten omkomen’ staan ook samen in 7:4 en 8:11. Zie ook: 1 Sam 15:3; 1 Sam 22:19; 2 Kron 30:6; Est 8:10–14; Est 9:10 **3:14** Een afschrift van het geschrift moest als besluit in elke provincie worden gegeven, bekend aan alle volken, zodat zij op die dag gereed zouden zijn. Brontekst: פַּתְשֶׁ֣גֶן (patshegen) = afschrift van | הַכְּתָ֗ב (haketav) = het geschrift | לְהִנָּ֤תֵֽן (lehinaten) = om gegeven te worden | דָּת֙ (dat) = als besluit | בְּכָל (bekhal) = in elke | מְדִינָ֣ה (medina) = provincie | וּמְדִינָ֔ה (umedina) = en provincie | גָּל֖וּי (galuy) = bekend | לְכָל (lekhal) = aan alle | הָֽעַמִּ֑ים (haamim) = de volken | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | עֲתִדִ֖ים (atidim) = gereed | לַיּ֥וֹם (layom) = voor de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 8:13–14 **3:15** De boden gingen haastig uit, op het woord van de koning. Het besluit werd gegeven in Sjoesjan, de burcht. De koning en Haman gingen zitten om te drinken, maar de stad Sjoesjan was in verwarring. Brontekst: הָֽרָצִ֞ים (haratsim) = de boden | יָצְא֤וּ (yatseu) = gingen uit | דְחוּפִים֙ (dechufim) = haastig | בִּדְבַ֣ר (bidvar) = op het woord van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַדָּ֥ת (vehadat) = en het besluit | נִתְּנָ֖ה (nitena) = werd gegeven | בְּשׁוּשַׁ֣ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָ֑ה (habira) = de burcht | וְהַמֶּ֤לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | וְהָמָן֙ (vehaman) = en Haman | יָשְׁב֣וּ (yashevu) = zaten | לִשְׁתּ֔וֹת (lishtot) = om te drinken | וְהָעִ֥יר (vehair) = en de stad | שׁוּשָׁ֖ן (shushan) = Sjoesjan | נָבֽוֹכָה (navokha) = was verward Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: נָבוֹכָה (navochah), ‘in verwarring’: de stad weet niet wat zij moet denken van het besluit, terwijl de koning en Haman drinken. Zie ook: Amos 6:6; Hos 7:5; Est 4:16; Est 8:15; Joh 16:20 ## Ester 4 _Mordechai en Ester: „voor een tijd als deze”_ ### Rouw onder de Joden **4:1** Mordechai wist alles wat er was gedaan. Mordechai scheurde zijn kleren, trok rouwkleed en as aan en ging in het midden van de stad. Hij schreeuwde luid en bitter. Brontekst: וּמָרְדֳּכַ֗י (umardokhay) = en Mordechai | יָדַע֙ (yada) = wist | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | נַעֲשָׂ֔ה (naasa) = was gedaan | וַיִּקְרַ֤ע (vayiqra) = en scheurde | מָרְדֳּכַי֙ (mardokhay) = Mordechai | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וַיִּלְבַּ֥שׁ (vayilbash) = en trok aan | שַׂ֖ק (saq) = rouwkleed | וָאֵ֑פֶר (vaefer) = en as | וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיִּזְעַ֛ק (vayizaq) = en schreeuwde | זְעָקָ֥ה (zeaqa) = een kreet | גְדֹלָ֖ה (gedola) = groot | וּמָרָֽה (umara) = en bitter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof kleed van geitenhaar dat bij rouw of boete werd gedragen, samen met as. Zo ook in Gen. 37:34 en Jona 3:6. Zie ook: Gen 37:34; Job 42:6; 2 Sam 1:11; 2 Sam 13:19; Jona 3:6; Ezech 27:30–31; Dan 9:3 **4:2** Hij kwam tot vlak voor de poort van de koning. Want niemand mocht in een rouwkleed de poort van de koning binnengaan. Brontekst: וַיָּב֕וֹא (vayavo) = en kwam | עַ֖ד (ad) = tot | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שַֽׁעַר (shaar) = de poort van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet | לָב֛וֹא (lavo) = te komen | אֶל (el) = naar | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בִּלְב֥וּשׁ (bilvush) = in kleding van | שָֽׂק (saq) = rouwkleed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt dat niemand in rouwkleed de poort van de koning mocht binnengaan. Mordechai blijft daarom buiten de poort. **4:3** In elke provincie, overal waar het woord van de koning en zijn besluit aankwamen, was grote rouw bij de Joden. Er was vasten, wenen en klagen. Velen lagen in rouwkleed en as. Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en in elke | מְדִינָ֣ה (medina) = provincie | וּמְדִינָ֗ה (umedina) = en provincie | מְקוֹם֙ (meqom) = plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | דְּבַר (devar) = het woord van | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְדָתוֹ֙ (vedato) = en zijn besluit | מַגִּ֔יעַ (magia) = aankwam | אֵ֤בֶל (evel) = rouw | גָּדוֹל֙ (gadol) = groot | לַיְּהוּדִ֔ים (layehudim) = bij de Joden | וְצ֥וֹם (vetsom) = en vasten | וּבְכִ֖י (uvekhi) = en wenen | וּמִסְפֵּ֑ד (umisped) = en klagen | שַׂ֣ק (saq) = rouwkleed | וָאֵ֔פֶר (vaefer) = en as | יֻצַּ֖ע (yutsa) = lag | לָֽרַבִּֽים (larabim) = voor velen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst noemt het vasten van de Joden hier zonder Yahweh of Elohim te noemen. Zie ook vers 16. Zie ook: Jes 22:4; Jes 22:12; Jes 58:5; Dan 9:3; Est 4:16 ### Ester stuurt Hatach naar Mordechai **4:4** De meisjes van Ester en haar hovelingen kwamen en vertelden het haar. De koningin schrok zeer. Zij stuurde kleren om Mordechai te kleden en zijn rouwkleed van hem weg te nemen, maar hij nam ze niet aan. Brontekst: וַ֠תָּבוֹאינָה (vatavoyna) = en kwamen | נַעֲר֨וֹת (naarot) = meisjes van | אֶסְתֵּ֤ר (ester) = Ester | וְסָרִיסֶ֨יהָ֙ (vesariseiha) = en haar hovelingen | וַיַּגִּ֣ידוּ (vayagidu) = en vertelden | לָ֔הּ (lah) = haar | וַתִּתְחַלְחַ֥ל (vatitchalchal) = en werd zeer bang | הַמַּלְכָּ֖ה (hamalka) = de koningin | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַתִּשְׁלַ֨ח (vatishlach) = en zond | בְּגָדִ֜ים (begadim) = kleren | לְהַלְבִּ֣ישׁ (lehalbish) = om te kleden | אֶֽת (et) = (obj.) | מָרְדֳּכַ֗י (mardokhay) = Mordechai | וּלְהָסִ֥יר (ulehasir) = en om weg te nemen | שַׂקּ֛וֹ (saqo) = zijn rouwkleed | מֵעָלָ֖יו (mealav) = van hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | קִבֵּֽל (qibel) = nam aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hoveling’: zie de voetnoot bij 1:10. Zie ook: Gen 37:35; 1 Sam 8:15; Ps 77:3; Jes 56:3; Est 1:12 **4:5** Ester riep Hatach, een van de hovelingen van de koning, die hij voor haar had aangesteld. Zij gaf hem bevel naar Mordechai te gaan, om te weten wat dit was en waarom. Brontekst: וַתִּקְרָא֩ (vatiqra) = en riep | אֶסְתֵּ֨ר (ester) = Ester | לַהֲתָ֜ךְ (lahatakh) = Hatach | מִסָּרִיסֵ֤י (misarisei) = van de hovelingen van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֶעֱמִ֣יד (heemid) = had aangesteld | לְפָנֶ֔יהָ (lefaneiha) = voor haar | וַתְּצַוֵּ֖הוּ (vatetsavehu) = en gaf hem bevel | עַֽל (al) = over | מָרְדֳּכָ֑י (mardokhay) = Mordechai | לָדַ֥עַת (ladaat) = om te weten | מַה (ma) = wat | זֶּ֖ה (ze) = dit | וְעַל (veal) = en over | מַה (ma) = wat | זֶּֽה (ze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hatach (הֲתָךְ) is een hoveling van de koning. Hij wordt alleen in dit hoofdstuk genoemd (vers 5, 6, 9 en 10). Zie ook: Est 1:10; Est 4:6; Est 4:9; Est 4:10; 1 Kor 12:26; Rom 12:15; Fil 2:4; Heb 4:15 **4:6** Hatach ging naar Mordechai, naar het plein van de stad voor de poort van de koning. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | הֲתָ֖ךְ (hatakh) = Hatach | אֶֽל (el) = naar | מָרְדֳּכָ֑י (mardokhay) = Mordechai | אֶל (el) = naar | רְח֣וֹב (rechov) = het plein van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | שַֽׁעַר (shaar) = de poort van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 4:3; Est 7:2; Est 9:12 **4:7** Mordechai vertelde hem alles wat hem was overkomen. Hij vertelde ook het bedrag aan zilver dat Haman had beloofd te wegen in de schatkamers van de koning. Dat was voor de Joden, om hen te vernietigen. Brontekst: וַיַּגֶּד (vayaged) = en vertelde | ל֣וֹ (lo) = hem | מָרְדֳּכַ֔י (mardokhay) = Mordechai | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | קָרָ֑הוּ (qarahu) = hem was overkomen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | פָּרָשַׁ֣ת (parashat) = het bedrag van | הַכֶּ֗סֶף (hakesef) = het zilver | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אָמַ֤ר (amar) = zei | הָמָן֙ (haman) = Haman | לִ֠שְׁקוֹל (lishqol) = te wegen | עַל (al) = op | גִּנְזֵ֥י (ginzei) = de schatkamers van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | בַּיְּהוּדִ֖ים (bayehudim) = voor de Joden | לְאַבְּדָֽם (leabedam) = om hen te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרָשַׁת הַכֶּסֶף (parashat hakesef), ‘het bedrag van het zilver’: de precieze som die Haman had genoemd (3:9). Zie ook: Est 3:2–15 **4:8** Ook gaf hij hem een afschrift van het geschreven besluit dat in Sjoesjan was gegeven om hen te vernietigen. Hatach moest het aan Ester laten zien en haar alles vertellen. Hij moest haar bevelen naar de koning te gaan, hem om genade te smeken en bij hem te pleiten voor haar volk. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | פַּתְשֶׁ֣גֶן (patshegen) = afschrift van | כְּתָֽב (ketav) = geschrift | הַ֠דָּת (hadat) = het besluit | אֲשֶׁר (asher) = die | נִתַּ֨ן (nitan) = was gegeven | בְּשׁוּשָׁ֤ן (beshushan) = in Sjoesjan | לְהַשְׁמִידָם֙ (lehashmidam) = om hen te vernietigen | נָ֣תַן (natan) = gaf | ל֔וֹ (lo) = hem | לְהַרְא֥וֹת (leharot) = om te laten zien | אֶת (et) = (obj.) | אֶסְתֵּ֖ר (ester) = Ester | וּלְהַגִּ֣יד (ulehagid) = en om te vertellen | לָ֑הּ (lah) = haar | וּלְצַוּ֣וֹת (uletsauot) = en om te bevelen | עָלֶ֗יהָ (aleiha) = haar | לָב֨וֹא (lavo) = om te komen | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְהִֽתְחַנֶּן (lehitchanen) = om genade te smeken | ל֛וֹ (lo) = hem | וּלְבַקֵּ֥שׁ (ulevaqesh) = en om te vragen | מִלְּפָנָ֖יו (milefanav) = van voor hem | עַל (al) = voor | עַמָּֽהּ (amah) = haar volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: Het ‘besluit’ (דָּת, dat) is het geschrift van 3:12–14, dat in Sjoesjan was gegeven. Zie ook: Job 9:15; Pred 10:4; Est 2:20; Est 3:14–15; 1 Tim 6:13 **4:9** Hatach kwam en vertelde Ester de woorden van Mordechai. Brontekst: וַיָּב֖וֹא (vayavo) = en kwam | הֲתָ֑ךְ (hatakh) = Hatach | וַיַּגֵּ֣ד (vayaged) = en vertelde | לְאֶסְתֵּ֔ר (leester) = aan Ester | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | מָרְדֳּכָֽי (mardokhay) = Mordechai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Ester aarzelt **4:10** Ester zei tegen Hatach en gaf hem een boodschap voor Mordechai: Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | אֶסְתֵּר֙ (ester) = Ester | לַהֲתָ֔ךְ (lahatakh) = tegen Hatach | וַתְּצַוֵּ֖הוּ (vatetsavehu) = en gaf hem bevel | אֶֽל (el) = naar | מָרְדֳּכָֽי (mardokhay) = Mordechai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:11** „Alle dienaren van de koning en het volk van de provincies van de koning weten dit. Voor elke man of vrouw die ongeroepen bij de koning komt in de binnenste voorhof, geldt één wet: de dood. Alleen wie de koning de gouden scepter toesteekt, blijft leven. Ik ben al dertig dagen niet geroepen om bij de koning te komen.” Brontekst: כָּל (kal) = alle | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | הַמֶּ֡לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְעַם (veam) = en het volk van | מְדִינ֨וֹת (medinot) = provincies van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | יֽוֹדְעִ֗ים (yodeim) = weten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | כָּל (kal) = elke | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאִשָּׁ֡ה (veisha) = en vrouw | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָבֽוֹא (yavo) = komt | אֶל (el) = naar | הַמֶּלֶךְ֩ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֨ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִ֜ית (hapenimit) = de binnenste | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יִקָּרֵ֗א (yiqare) = wordt geroepen | אַחַ֤ת (achat) = één | דָּתוֹ֙ (dato) = is zijn wet | לְהָמִ֔ית (lehamit) = om te doden | לְ֠בַד (levad) = behalve | מֵאֲשֶׁ֨ר (measher) = van wie | יֽוֹשִׁיט (yoshit) = uitsteekt | ל֥וֹ (lo) = naar hem | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | שַׁרְבִ֥יט (sharvit) = scepter van | הַזָּהָ֖ב (hazahav) = het goud | וְחָיָ֑ה (vechaya) = dat hij leeft | וַאֲנִ֗י (vaani) = en ik | לֹ֤א (lo) = niet | נִקְרֵ֨אתי֙ (niqrety) = ben geroepen | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | זֶ֖ה (ze) = dit | שְׁלוֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘gouden scepter’ (שַׁרְבִיט הַזָּהָב) is het teken dat de koning iemand ontvangt. Zie 5:2. Voetnoot : De ‘binnenste voorhof’ is het deel van het paleis waar de koning zit. De tekst zegt niet waarom Ester dertig dagen niet was geroepen. Zie ook: Dan 2:9; Est 1:19; Est 2:14; Est 5:1–2; Est 8:4 **4:12** Zij vertelden Mordechai de woorden van Ester. Brontekst: וַיַּגִּ֣ידוּ (vayagidu) = en vertelden | לְמָרְדֳּכָ֔י (lemardokhay) = aan Mordechai | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | אֶסְתֵּֽר (ester) = Ester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Mordechai antwoordt Ester **4:13** Mordechai zei dat zij Ester moesten antwoorden: „Denk niet bij jezelf dat jij in het huis van de koning zult ontkomen, meer dan alle Joden. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מָרְדֳּכַ֖י (mardokhay) = Mordechai | לְהָשִׁ֣יב (lehashiv) = om terug te laten antwoorden | אֶל (el) = aan | אֶסְתֵּ֑ר (ester) = Ester | אַל (al) = niet | תְּדַמִּ֣י (tedami) = stel je voor | בְנַפְשֵׁ֔ךְ (benafshekh) = in jezelf | לְהִמָּלֵ֥ט (lehimalet) = om te ontkomen | בֵּית (beit) = het huis van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִכָּל (mikal) = meer dan alle | הַיְּהוּדִֽים (hayehudim) = de Joden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘om terug te laten antwoorden aan Ester’. Het gaat om een boodschap die door Hatach wordt overgebracht; vergelijk vers 15. Zie ook: Spr 24:10–12; Est 4:15; Mat 16:24–25; Joh 12:25; Fil 2:30; Heb 12:3 **4:14** Want als je in deze tijd volkomen zwijgt, zal er van een andere plaats verlichting en redding voor de Joden opstaan. Maar jij en het huis van je vader zullen omkomen. Wie weet of je niet voor een tijd als deze tot het koningschap bent gekomen?” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = indien | הַחֲרֵ֣שׁ (hacharesh) = zwijgen | תַּחֲרִישִׁי֮ (tacharishi) = je zwijgt | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַזֹּאת֒ (hazot) = deze | רֶ֣וַח (revach) = verlichting | וְהַצָּלָ֞ה (vehatsala) = en redding | יַעֲמ֤וֹד (yaamod) = zal opstaan | לַיְּהוּדִים֙ (layehudim) = voor de Joden | מִמָּק֣וֹם (mimaqom) = van plaats | אַחֵ֔ר (acher) = andere | וְאַ֥תְּ (veat) = en jij | וּבֵית (uveit) = en het huis van | אָבִ֖יךְ (avikh) = je vader | תֹּאבֵ֑דוּ (tovedu) = zullen omkomen | וּמִ֣י (umi) = en wie | יוֹדֵ֔עַ (yodea) = weet | אִם (im) = of | לְעֵ֣ת (leet) = voor tijd | כָּזֹ֔את (kazot) = zoals deze | הִגַּ֖עַתְּ (higaat) = je bent gekomen | לַמַּלְכֽוּת (lamalkhut) = tot het koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶוַח (revach), ‘verlichting’: letterlijk ‘ruimte’, het opluchten van de nood. Voetnoot : מִמָּקוֹם אַחֵר (mimmakom acher), ‘van een andere plaats’: de tekst zegt niet van welke plaats of van wie. Voetnoot : לְעֵת כָּזֹאת (le'et kazot), ‘voor een tijd als deze’: voor deze tijd van nood. Zie ook: Gen 45:4–8; Deut 32:36; 1 Sam 12:22; Jes 54:17; Jer 30:11 ### Ester besluit **4:15** Ester zei dat zij Mordechai moesten antwoorden: Brontekst: וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en zei | אֶסְתֵּ֖ר (ester) = Ester | לְהָשִׁ֥יב (lehashiv) = om terug te laten antwoorden | אֶֽל (el) = aan | מָרְדֳּכָֽי (mardokhay) = Mordechai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:16** „Ga, verzamel alle Joden die in Sjoesjan zijn, en vast voor mij. Eet niet en drink niet, drie dagen lang, nacht en dag. Ook ik en mijn meisjes zullen zo vasten. Daarna ga ik naar de koning, hoewel het niet volgens de wet is. En als ik omkom, dan kom ik om.” Brontekst: לֵךְ֩ (lekh) = ga | כְּנ֨וֹס (kenos) = verzamel | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֜ים (hayehudim) = de Joden | הַֽנִּמְצְאִ֣ים (hanimtseim) = die zich bevinden | בְּשׁוּשָׁ֗ן (beshushan) = in Sjoesjan | וְצ֣וּמוּ (vetsumu) = en vast | עָ֠לַי (alay) = voor mij | וְאַל (veal) = en niet | תֹּאכְל֨וּ (tokhlu) = eet | וְאַל (veal) = en niet | תִּשְׁתּ֜וּ (tishtu) = drink | שְׁלֹ֤שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִים֙ (yamim) = dagen | לַ֣יְלָה (layla) = nacht | וָי֔וֹם (vayom) = en dag | גַּם (gam) = ook | אֲנִ֥י (ani) = ik | וְנַעֲרֹתַ֖י (venaarotay) = en mijn meisjes | אָצ֣וּם (atsum) = zal vasten | כֵּ֑ן (ken) = zo | וּבְכֵ֞ן (uvekhen) = en dan | אָב֤וֹא (avo) = zal ik komen | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | כַדָּ֔ת (kadat) = volgens de wet | וְכַאֲשֶׁ֥ר (vekhaasher) = en zoals | אָבַ֖דְתִּי (avadti) = ik ben omgekomen | אָבָֽדְתִּי (avadti) = ik ben omgekomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: שְׁלֹשֶׁת יָמִים לַיְלָה וָיוֹם (sheloshet yamim laylah vayom), ‘drie dagen, nacht en dag’: drie dagen en drie nachten. Het vasten betekent hier niet eten en niet drinken. Voetnoot : אָבַדְתִּי אָבַדְתִּי (avadti avadti), ‘als ik omkom, dan kom ik om’: Ester aanvaardt het gevaar. Zie ook: Gen 18:19; 2 Kron 20:3; Joël 2:12–17; Luc 9:24; Hand 20:24 **4:17** Mordechai ging weg en deed alles wat Ester hem had bevolen. Brontekst: וַֽיַּעֲבֹ֖ר (vayaavor) = en ging voorbij | מָרְדֳּכָ֑י (mardokhay) = Mordechai | וַיַּ֕עַשׂ (vayaas) = en deed | כְּכֹ֛ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוְּתָ֥ה (tsiveta) = had bevolen | עָלָ֖יו (alav) = over hem | אֶסְתֵּֽר (ester) = Ester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Ester 5 _Ester bij de koning en de paal van Haman_ ### Ester gaat naar de koning **5:1** Op de derde dag trok Ester koninklijke kleding aan. Zij ging in de binnenste voorhof van het huis van de koning staan, tegenover het huis van de koning. De koning zat op zijn koningstroon in het koninklijk huis, tegenover de ingang van het huis. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֗י (hashelishi) = de derde | וַתִּלְבַּ֤שׁ (vatilbash) = en trok aan | אֶסְתֵּר֙ (ester) = Ester | מַלְכ֔וּת (malkhut) = koninklijke kleding | וַֽתַּעֲמֹ֞ד (vataamod) = en stond | בַּחֲצַ֤ר (bachatsar) = in de voorhof van | בֵּית (beit) = huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַפְּנִימִ֔ית (hapenimit) = de binnenste | נֹ֖כַח (nokhach) = tegenover | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְ֠הַמֶּלֶךְ (vehamelekh) = en de koning | יוֹשֵׁ֞ב (yoshev) = zittend | עַל (al) = op | כִּסֵּ֤א (kise) = troon van | מַלְכוּתוֹ֙ (malkhuto) = zijn koningschap | בְּבֵ֣ית (beveit) = in huis van | הַמַּלְכ֔וּת (hamalkhut) = het koninkrijk | נֹ֖כַח (nokhach) = tegenover | פֶּ֥תַח (petach) = ingang van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘derde dag’ is de derde dag nadat Ester en de Joden zijn gaan vasten (4:16). Wie ongevraagd bij de koning kwam, riskeerde de dood (4:11). Voetnoot : מַלְכוּת (malkhut), ‘koninklijke kleding’: letterlijk ‘koningschap’. Het woord staat hier voor het koninklijk gewaad dat bij haar rang hoort. Zie ook: Est 4:11; Est 4:16; Est 6:4; 1 Petr 3:3–5; Openb 3:21 **5:2** Toen de koning koningin Ester in de voorhof zag staan, vond zij gunst in zijn ogen. De koning stak Ester de gouden scepter toe die in zijn hand was. Ester kwam dichterbij en raakte de top van de scepter aan. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כִרְא֨וֹת (kirot) = bij het zien van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | אֶסְתֵּ֣ר (ester) = Ester | הַמַּלְכָּ֗ה (hamalka) = de koningin | עֹמֶ֨דֶת֙ (omedet) = staande | בֶּֽחָצֵ֔ר (bechatser) = in de voorhof | נָשְׂאָ֥ה (nasea) = zij vond | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | וַיּ֨וֹשֶׁט (vayoshet) = en strekte uit | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְאֶסְתֵּ֗ר (leester) = aan Ester | אֶת (et) = (obj.) | שַׁרְבִ֤יט (sharvit) = scepter van | הַזָּהָב֙ (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וַתִּקְרַ֣ב (vatiqrav) = en zij kwam nabij | אֶסְתֵּ֔ר (ester) = Ester | וַתִּגַּ֖ע (vatiga) = en raakte aan | בְּרֹ֥אשׁ (berosh) = de top van | הַשַּׁרְבִֽיט (hasharvit) = de scepter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De koning stak de gouden scepter toe als teken dat zij mocht naderen en leven (zie 4:11). Ester raakt de top van de scepter aan. Zie ook: Ps 116:1; Spr 21:1; Est 4:11; Est 8:4; Hand 10:4 **5:3** De koning zei tegen haar: „Wat is er met je, koningin Ester? En wat is je verzoek? Tot de helft van het koninkrijk toe, het zal je gegeven worden.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהּ֙ (lah) = tot haar | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | מַה (ma) = wat | לָּ֖ךְ (lakh) = aan jou | אֶסְתֵּ֣ר (ester) = Ester | הַמַּלְכָּ֑ה (hamalka) = de koningin | וּמַה (uma) = en wat | בַּקָּשָׁתֵ֛ךְ (baqashatekh) = je verzoek | עַד (ad) = tot | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | הַמַּלְכ֖וּת (hamalkhut) = het koninkrijk | וְיִנָּ֥תֵֽן (veyinaten) = en het zal gegeven worden | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 3:5; Est 5:6; Est 7:2; Est 9:12; Mar 6:23 ### De uitnodiging voor Haman **5:4** Ester zei: „Als het de koning goeddunkt, laat de koning dan vandaag met Haman komen naar het feestmaal dat ik voor hem heb bereid.” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֶסְתֵּ֔ר (ester) = Ester | אִם (im) = als | עַל (al) = bij | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֑וֹב (tov) = goed | יָב֨וֹא (yavo) = laat komen | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהָמָן֙ (vehaman) = en Haman | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | אֶל (el) = naar | הַמִּשְׁתֶּ֖ה (hamishte) = het feestmaal | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = ik heb bereid | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּשְׁתֶּה (mishteh), ‘feestmaal’: een maaltijd met veel drank. Het woord staat in dit boek vaak; wij vertalen het steeds met ‘feestmaal’, en ‘wijnfeest’ waar ‘van de wijn’ erbij staat (zoals in vers 6). Zie ook: Ps 112:5; Spr 29:11; Est 3:15; Est 5:6; Est 5:8; 1 Kor 14:20 **5:5** De koning zei: „Haal Haman snel, om te doen wat Ester heeft gezegd.” De koning kwam met Haman naar het feestmaal dat Ester had bereid. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | מַהֲרוּ֙ (maharu) = haast | אֶת (et) = (obj.) | הָמָ֔ן (haman) = Haman | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֣ר (devar) = woord van | אֶסְתֵּ֑ר (ester) = Ester | וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְהָמָ֔ן (vehaman) = en Haman | אֶל (el) = naar | הַמִּשְׁתֶּ֖ה (hamishte) = het feestmaal | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשְׂתָ֥ה (aseta) = had bereid | אֶסְתֵּֽר (ester) = Ester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 6:14 **5:6** Bij het wijnfeest zei de koning tegen Ester: „Wat is je vraag? Het zal je gegeven worden. En wat is je verzoek? Tot de helft van het koninkrijk toe, het zal gedaan worden.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְאֶסְתֵּר֙ (leester) = aan Ester | בְּמִשְׁתֵּ֣ה (bemishte) = bij het feestmaal van | הַיַּ֔יִן (hayayin) = de wijn | מַה (ma) = wat | שְּׁאֵלָתֵ֖ךְ (sheelatekh) = je vraag | וְיִנָּ֣תֵֽן (veyinaten) = en het zal gegeven worden | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | וּמַה (uma) = en wat | בַּקָּשָׁתֵ֛ךְ (baqashatekh) = je verzoek | עַד (ad) = tot | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | הַמַּלְכ֖וּת (hamalkhut) = het koninkrijk | וְתֵעָֽשׂ (veteas) = en het zal gedaan worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמִשְׁתֵּה הַיַּיִן (mishteh hayayin), ‘feestmaal van de wijn’: het gedeelte van het feest waarbij wijn wordt gedronken. Wij vertalen ‘wijnfeest’. Zie ook: Est 5:3; Est 7:2; Est 9:12 **5:7** Ester antwoordde en zei: „Dit is mijn vraag en mijn verzoek. Brontekst: וַתַּ֥עַן (vataan) = en antwoordde | אֶסְתֵּ֖ר (ester) = Ester | וַתֹּאמַ֑ר (vatomar) = en zei | שְׁאֵלָתִ֖י (sheelati) = mijn vraag | וּבַקָּשָׁתִֽי (uvaqashati) = en mijn verzoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:8** Als ik gunst heb gevonden in de ogen van de koning, en als het de koning goeddunkt mijn vraag te geven en mijn verzoek te doen, laat de koning dan met Haman komen naar het feestmaal dat ik voor hen zal bereiden. Morgen zal ik doen wat de koning heeft gezegd.” Brontekst: אִם (im) = als | מָצָ֨אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֜ן (chen) = gunst | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאִם (veim) = en als | עַל (al) = bij | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | ט֔וֹב (tov) = goed | לָתֵת֙ (latet) = om te geven | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵ֣לָתִ֔י (sheelati) = mijn vraag | וְלַעֲשׂ֖וֹת (velaasot) = en om te doen | אֶת (et) = (obj.) | בַּקָּשָׁתִ֑י (baqashati) = mijn verzoek | יָב֧וֹא (yavo) = laat komen | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהָמָ֗ן (vehaman) = en Haman | אֶל (el) = naar | הַמִּשְׁתֶּה֙ (hamishte) = het feestmaal | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֶֽעֱשֶׂ֣ה (eese) = ik zal bereiden | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | וּמָחָ֥ר (umachar) = en morgen | אֶֽעֱשֶׂ֖ה (eese) = ik zal doen | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ester stelt haar werkelijke verzoek nog uit en nodigt de koning en Haman voor de volgende dag opnieuw uit. Waarom zij wacht, vertelt de tekst niet. Zie ook: Spr 16:9; Est 6:1–14; Est 7:3; Est 8:5 ### Hamans woede en de paal **5:9** Haman ging die dag blij en vrolijk van hart weg. Maar Haman zag Mordechai in de poort van de koning. Mordechai stond niet op en ging niet voor hem opzij. Toen werd Haman vol woede op Mordechai. Brontekst: וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en ging uit | הָמָן֙ (haman) = Haman | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | שָׂמֵ֖חַ (sameach) = blij | וְט֣וֹב (vetov) = en goed van | לֵ֑ב (lev) = hart | וְכִרְאוֹת֩ (vekhirot) = en bij het zien van | הָמָ֨ן (haman) = Haman | אֶֽת (et) = (obj.) | מָרְדֳּכַ֜י (mardokhay) = Mordechai | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = in de poort van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְלֹא (velo) = en niet | קָם֙ (qam) = stond op | וְלֹא (velo) = en niet | זָ֣ע (za) = week | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = van hem | וַיִּמָּלֵ֥א (vayimale) = en werd vol | הָמָ֛ן (haman) = Haman | עַֽל (al) = over | מָרְדֳּכַ֖י (mardokhay) = Mordechai | חֵמָֽה (chema) = woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 15:4; Ps 27:3; 1 Kon 21:4; Est 3:5; Mat 2:16 **5:10** Haman bedwong zich en ging naar zijn huis. Hij liet zijn vrienden en zijn vrouw Zeresj komen. Brontekst: וַיִּתְאַפַּ֣ק (vayitapaq) = en bedwong zich | הָמָ֔ן (haman) = Haman | וַיָּב֖וֹא (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = naar | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וַיִּשְׁלַ֛ח (vayishlach) = en zond | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en liet komen | אֶת (et) = (obj.) | אֹהֲבָ֖יו (ohavav) = zijn vrienden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זֶ֥רֶשׁ (zeresh) = Zeresj | אִשְׁתּֽוֹ (ishto) = zijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹהֲבָיו (ohavav), ‘zijn vrienden’: letterlijk ‘zijn liefhebbers’, mensen die hem na staan. Zij treden hier op als zijn raadgevers. Zie ook: Gen 43:30–31; Gen 45:1; 2 Sam 13:22–23; Pred 7:9; Est 6:13 **5:11** Haman vertelde hun over de pracht van zijn rijkdom en over zijn vele zonen. Hij vertelde over alles waarmee de koning hem groot had gemaakt. Hij vertelde ook hoe hij hem boven de vorsten en de dienaren van de koning had verheven. Brontekst: וַיְסַפֵּ֨ר (vaysaper) = en vertelde | לָהֶ֥ם (lahem) = aan hen | הָמָ֛ן (haman) = Haman | אֶת (et) = (obj.) | כְּב֥וֹד (kevod) = pracht van | עָשְׁר֖וֹ (ashero) = zijn rijkdom | וְרֹ֣ב (verov) = en menigte van | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | גִּדְּל֤וֹ (gidelo) = had groot gemaakt | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | נִשְּׂא֔וֹ (niseo) = had verheven hem | עַל (al) = boven | הַשָּׂרִ֖ים (hasarim) = de vorsten | וְעַבְדֵ֥י (veavdei) = en dienaren van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְרֹב בָּנָיו (rov banav), ‘de menigte van zijn zonen’: volgens 9:7–10 waren het er tien. Zie ook: Gen 31:1; Est 3:1; Est 9:7–10; Luc 12:19–20; 1 Tim 6:17 **5:12** Haman zei: „Zelfs koningin Ester heeft niemand anders dan mij met de koning laten komen naar het feestmaal dat zij had bereid. Ook voor morgen ben ik door haar uitgenodigd, samen met de koning. Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en zei | הָמָן֒ (haman) = Haman | אַ֣ף (af) = zelfs | לֹא (lo) = niet | הֵבִיאָה֩ (hevia) = heeft laten komen | אֶסְתֵּ֨ר (ester) = Ester | הַמַּלְכָּ֧ה (hamalka) = de koningin | עִם (im) = met | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | הַמִּשְׁתֶּ֥ה (hamishte) = het feestmaal | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשָׂ֖תָה (asata) = zij had bereid | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = tenzij | אוֹתִ֑י (oti) = mij | וְגַם (vegam) = en ook | לְמָחָ֛ר (lemachar) = voor morgen | אֲנִ֥י (ani) = ik | קָֽרוּא (qaru) = uitgenodigd | לָ֖הּ (lah) = door haar | עִם (im) = met | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:12–13; Job 20:5–8; Ps 37:35–36; Spr 7:22–23; Spr 27:1 **5:13** Maar dit alles is voor mij niets waard, zolang ik Mordechai, de Jood, in de poort van de koning zie zitten.” Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alles | זֶ֕ה (ze) = dit | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = niet | שֹׁוֶ֖ה (shove) = waard | לִ֑י (li) = voor mij | בְּכָל (bekhal) = in elke | עֵ֗ת (et) = tijd | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אֲנִ֤י (ani) = ik | רֹאֶה֙ (roe) = ziend | אֶת (et) = (obj.) | מָרְדֳּכַ֣י (mardokhay) = Mordechai | הַיְּהוּדִ֔י (hayehudi) = de Jood | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = zittend | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = in de poort van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:20; Job 18:4; Pred 1:14; Est 5:9; Fil 4:11–12 **5:14** Zijn vrouw Zeresj en al zijn vrienden zeiden tegen hem: „Laat een paal maken, vijftig el hoog. Zeg morgenochtend tegen de koning dat men Mordechai eraan moet ophangen. Ga dan blij met de koning naar het feestmaal.” Dit woord beviel Haman goed en hij liet de paal maken. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | לוֹ֩ (lo) = tot hem | זֶ֨רֶשׁ (zeresh) = Zeresj | אִשְׁתּ֜וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְכָל (vekhal) = en alle | אֹֽהֲבָ֗יו (ohavav) = zijn vrienden | יַֽעֲשׂוּ (yaasu) = laat maken | עֵץ֮ (ets) = hout | גָּבֹ֣הַּ (gavoha) = hoog | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אַמָּה֒ (ama) = el | וּבַבֹּ֣קֶר (uvaboqer) = en in de ochtend | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | לַמֶּ֗לֶךְ (lamelekh) = tegen de koning | וְיִתְל֤וּ (veyitlu) = en laat ophangen | אֶֽת (et) = (obj.) | מָרְדֳּכַי֙ (mardokhay) = Mordechai | עָלָ֔יו (alav) = eraan | וּבֹֽא (uvo) = en ga | עִם (im) = met | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | הַמִּשְׁתֶּ֖ה (hamishte) = het feestmaal | שָׂמֵ֑חַ (sameach) = blij | וַיִּיטַ֧ב (vayitav) = en goed was | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָמָ֖ן (haman) = Haman | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij liet maken | הָעֵֽץ (haets) = het hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ (ets), ‘hout’: een houten paal of boom, hier voor het ophangen van een man. Het woord wordt in vers 14 en in 6:4, 7:9 en 7:10 gebruikt. Wij vertalen ‘paal’. Voetnoot : אַמָּה (ammah), ‘el’: een el is ongeveer 45–52 centimeter. Vijftig el is dus ruim twintig meter hoog. Verderop in dit boek rekenen wij niet meer om. Zie ook: Ps 37:14; Ps 37:32; 1 Kon 21:7; Est 6:4; Est 7:9–10 ## Ester 6 _De slapeloze nacht van de koning en de eer voor Mordechai_ ### De slapeloze nacht **6:1** Die nacht kon de koning niet slapen. Hij zei dat men het gedenkboek, de dagboeken, moest brengen. Het werd de koning voorgelezen. Brontekst: בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֔וּא (hahu) = die | נָדְדָ֖ה (nadeda) = week | שְׁנַ֣ת (shenat) = slaap van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְהָבִ֞יא (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | סֵ֤פֶר (sefer) = boek van | הַזִּכְרֹנוֹת֙ (hazikhronot) = de gedenkwaardigheden | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en zij waren | נִקְרָאִ֖ים (niqraim) = voorgelezen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָדְדָה שְׁנַת הַמֶּלֶךְ (naddah shenat hammelekh), ‘de slaap van de koning week’: letterlijk ‘vluchtte’. De tekst zegt niet waarom hij niet kon slapen. Voetnoot : סֵפֶר הַזִּכְרֹנוֹת דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer hazzikhronot divrei hayyamim), ‘het boek van de gedenkwaardigheden, de woorden van de dagen’: het koninklijk dagboek. Zo noemen wij ook ‘het dagboek van de koningen’ in Koningen en Kronieken. Zie ook: Jes 41:17; Dan 2:1; Dan 6:19; Est 2:23; Est 5:8 **6:2** Daarin vond men opgeschreven wat Mordechai had aangegeven over Bigtan en Teresj, twee hovelingen van de koning, bewakers van de drempel. Zij hadden gezocht de hand aan koning Ahasveros te slaan. Brontekst: וַיִּמָּצֵ֣א (vayimatse) = en men vond | כָת֗וּב (katuv) = geschreven | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | הִגִּ֨יד (higid) = had aangegeven | מָרְדֳּכַ֜י (mardokhay) = Mordechai | עַל (al) = over | בִּגְתָ֣נָא (bigtana) = Bigtan | וָתֶ֗רֶשׁ (vateresh) = en Teresj | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee van | סָרִיסֵ֣י (sarisei) = hovelingen van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִשֹּׁמְרֵ֖י (mishomerei) = bewakers van | הַסַּ֑ף (hasaf) = de drempel | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בִּקְשׁוּ֙ (biqshu) = zochten | לִשְׁלֹ֣חַ (lishloach) = om uit te steken | יָ֔ד (yad) = hand | בַּמֶּ֖לֶךְ (bamelekh) = tegen de koning | אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ (Achashverosh), ‘Ahasveros’: de Perzische koning Xerxes I, die vaak met deze naam wordt verbonden. Voetnoot : Het Hebreeuws schrijft de naam hier als בִּגְתָנָא (Bigtana) en in 2:21 als בִּגְתָן (Bigtan). Het is dezelfde man; wij schrijven overal Bigtan. Voetnoot : סָרִיסֵי (sarisei), ‘hovelingen’: zie de voetnoot bij 1:10. Zie ook: Est 2:21–22 **6:3** De koning zei: „Welke eer en welke grootheid is Mordechai hiervoor bewezen?” De jongens van de koning, zijn dienaren, zeiden: „Er is niets voor hem gedaan.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | מַֽה (ma) = wat | נַּעֲשָׂ֞ה (naasa) = is gedaan | יְקָ֧ר (yeqar) = eer | וּגְדוּלָּ֛ה (ugedula) = en grootheid | לְמָרְדֳּכַ֖י (lemardokhay) = aan Mordechai | עַל (al) = voor | זֶ֑ה (ze) = dit | וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | נַעֲרֵ֤י (naarei) = jongens van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | מְשָׁ֣רְתָ֔יו (mesharetav) = zijn dienaren | לֹא (lo) = niet | נַעֲשָׂ֥ה (naasa) = is gedaan | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | דָּבָֽר (davar) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De koning stelt vast dat niets van Mordechai’s daad is beloond. Zijn aangifte is van lang geleden (2:21–23). Zie ook: Gen 40:23; 1 Kron 11:6; Pred 9:15; Dan 5:7; Dan 5:16 ### Haman moet Mordechai eren **6:4** De koning zei: „Wie is er in de voorhof?” Haman was juist gekomen in de buitenste voorhof van het huis van de koning. Hij wilde de koning vragen Mordechai op te hangen aan de paal die hij voor hem had klaargemaakt. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִ֣י (mi) = wie | בֶחָצֵ֑ר (bechatser) = in de voorhof | וְהָמָ֣ן (vehaman) = en Haman | בָּ֗א (ba) = was gekomen | לַחֲצַ֤ר (lachatsar) = naar de voorhof van | בֵּית (beit) = huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַחִ֣יצוֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | לֵאמֹ֣ר (lemor) = om te zeggen | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = tegen de koning | לִתְלוֹת֙ (litlot) = om op te hangen | אֶֽת (et) = (obj.) | מָרְדֳּכַ֔י (mardokhay) = Mordechai | עַל (al) = aan | הָעֵ֖ץ (haets) = de paal | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵכִ֥ין (hekhin) = had klaargemaakt | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 2:4; Spr 3:27–28; Est 4:11; Est 5:1; Est 5:14 **6:5** De jongens van de koning zeiden tegen hem: „Zie, Haman staat in de voorhof.” De koning zei: „Laat hem binnenkomen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | נַעֲרֵ֤י (naarei) = jongens van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הָמָ֖ן (haman) = Haman | עֹמֵ֣ד (omed) = staat | בֶּחָצֵ֑ר (bechatser) = in de voorhof | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | יָבֽוֹא (yavo) = laat hem komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:6** Haman kwam binnen. De koning zei tegen hem: „Wat moet men doen met de man in wiens eer de koning behagen heeft?” Haman zei in zijn hart: „Aan wie anders zou de koning eer willen bewijzen dan aan mij?” Brontekst: וַיָּבוֹא֮ (vayavo) = en kwam | הָמָן֒ (haman) = Haman | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | מַה (ma) = wat | לַעֲשׂ֕וֹת (laasot) = te doen | בָּאִ֕ישׁ (baish) = met de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חָפֵ֣ץ (chafets) = behagen heeft | בִּיקָר֑וֹ (biqaro) = in zijn eer | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | הָמָן֙ (haman) = Haman | בְּלִבּ֔וֹ (belibo) = in zijn hart | לְמִ֞י (lemi) = aan wie | יַחְפֹּ֥ץ (yachpots) = zal behagen hebben | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te doen | יְקָ֖ר (yeqar) = eer | יוֹתֵ֥ר (yoter) = meer | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = dan ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַה לַעֲשׂוֹת בָּאִישׁ אֲשֶׁר הַמֶּלֶךְ חָפֵץ בִּיקָרוֹ (mah la'asot ba'ish asher hammelekh chafets bikaro), ‘wat te doen met de man in wiens eer de koning behagen heeft’: letterlijk ‘wiens eer de koning wenst’. Haman denkt dat de koning hem bedoelt. Zie ook: Spr 16:18; Spr 18:12; Jes 62:4–5; Ob 1:3; Mat 3:17 **6:7** Haman zei tegen de koning: „Voor de man in wiens eer de koning behagen heeft, Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | הָמָ֖ן (haman) = Haman | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | אִ֕ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חָפֵ֥ץ (chafets) = behagen heeft | בִּיקָרֽוֹ (biqaro) = in zijn eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 6:9; Est 6:11 **6:8** laat men een koninklijk gewaad brengen dat de koning droeg. Laat men ook een paard brengen waarop de koning reed. Op zijn hoofd is een koninklijke kroon gezet. Brontekst: יָבִ֨יאוּ֙ (yaviu) = laat hen brengen | לְב֣וּשׁ (levush) = gewaad van | מַלְכ֔וּת (malkhut) = koningschap | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לָֽבַשׁ (lavash) = droeg | בּ֖וֹ (bo) = daarin | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְס֗וּס (vesus) = en paard | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | רָכַ֤ב (rakhav) = reed | עָלָיו֙ (alav) = daarop | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en dat | נִתַּ֛ן (nitan) = is gezet | כֶּ֥תֶר (keter) = kroon van | מַלְכ֖וּת (malkhut) = koningschap | בְּרֹאשֽׁוֹ (berosho) = op zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt dat een koninklijke kroon ‘op zijn hoofd’ is gezet. Het is niet duidelijk of ‘zijn hoofd’ het hoofd van het paard of dat van de man is. Wij laten de onduidelijkheid van het Hebreeuws staan. Zie ook: 1 Sam 18:4; 1 Kon 1:33; Est 1:11; Est 2:17; Luc 15:22 **6:9** Laat men het gewaad en het paard geven in de hand van een man uit de vorsten van de koning, de edelen. Laat men de man in wiens eer de koning behagen heeft, daarmee kleden. Laat men hem op het paard over het plein van de stad laten rijden. Laat men voor hem uitroepen: ‘Zo wordt gedaan met de man in wiens eer de koning behagen heeft.’” Brontekst: וְנָת֨וֹן (venaton) = en laat gegeven worden | הַלְּב֜וּשׁ (halevush) = het gewaad | וְהַסּ֗וּס (vehasus) = en het paard | עַל (al) = in | יַד (yad) = de hand van | אִ֞ישׁ (ish) = een man | מִשָּׂרֵ֤י (misarei) = uit de vorsten van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַֽפַּרְתְּמִ֔ים (hapartemim) = de edelen | וְהִלְבִּ֨ישׁוּ֙ (vehilbishu) = en laat hen kleden | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חָפֵ֣ץ (chafets) = behagen heeft | בִּֽיקָר֑וֹ (biqaro) = in zijn eer | וְהִרְכִּיבֻ֤הוּ (vehirkivuhu) = en laat hen rijden hem | עַל (al) = op | הַסּוּס֙ (hasus) = het paard | בִּרְח֣וֹב (birchov) = op het plein van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְקָרְא֣וּ (veqareu) = en laat hen roepen | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor hem | כָּ֚כָה (kakha) = zo | יֵעָשֶׂ֣ה (yease) = wordt gedaan | לָאִ֔ישׁ (laish) = aan de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חָפֵ֥ץ (chafets) = behagen heeft | בִּיקָרֽוֹ (biqaro) = in zijn eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפַּרְתְּמִים (happartemim), ‘de edelen’: een Perzisch leenwoord voor de hoogste edelen van het rijk. Het komt ook voor in 1:3 en in Dan. 1:3. Voetnoot : בִּרְחוֹב (rechov), ‘plein’: de open plaats in de stad, meestal bij de poort. Zie ook: Gen 41:43; 1 Kon 1:33–34; Dan 1:3; Zach 9:9 **6:10** De koning zei tegen Haman: „Haast je, neem het gewaad en het paard, zoals je hebt gesproken. Doe zo met Mordechai, de Jood, die in de poort van de koning zit. Laat niets vallen van alles wat je hebt gesproken.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְהָמָ֗ן (lehaman) = aan Haman | מַ֠הֵר (maher) = haast je | קַ֣ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַלְּב֤וּשׁ (halevush) = het gewaad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסּוּס֙ (hasus) = het paard | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | דִּבַּ֔רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | וַֽעֲשֵׂה (vaase) = en doe | כֵן֙ (ken) = zo | לְמָרְדֳּכַ֣י (lemardokhay) = aan Mordechai | הַיְּהוּדִ֔י (hayehudi) = de Jood | הַיּוֹשֵׁ֖ב (hayoshev) = die zit | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = in de poort van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַל (al) = niet | תַּפֵּ֣ל (tapel) = laat vallen | דָּבָ֔ר (davar) = woord | מִכֹּ֖ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | דִּבַּֽרְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיְּהוּדִי (hayehudi), ‘de Jood’: De koning noemt Mordechai ‘de Jood’. Haman had juist dit volk willen vernietigen (3:6). Zie ook: 2 Kon 10:10; Dan 4:34; Luc 14:11; Openb 18:7 **6:11** Haman nam het gewaad en het paard en kleedde Mordechai. Hij liet hem over het plein van de stad rijden. Hij riep voor hem uit: „Zo wordt gedaan met de man in wiens eer de koning behagen heeft.” Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | הָמָן֙ (haman) = Haman | אֶת (et) = (obj.) | הַלְּב֣וּשׁ (halevush) = het gewaad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסּ֔וּס (hasus) = het paard | וַיַּלְבֵּ֖שׁ (vayalbesh) = en kleedde | אֶֽת (et) = (obj.) | מָרְדֳּכָ֑י (mardokhay) = Mordechai | וַיַּרְכִּיבֵ֨הוּ֙ (vayarkivehu) = en liet hem rijden | בִּרְח֣וֹב (birchov) = op het plein van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor hem | כָּ֚כָה (kakha) = zo | יֵעָשֶׂ֣ה (yease) = wordt gedaan | לָאִ֔ישׁ (laish) = aan de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חָפֵ֥ץ (chafets) = behagen heeft | בִּיקָרֽוֹ (biqaro) = in zijn eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 6:13; Est 8:15; Est 9:3; Luc 1:52; Openb 3:9 ### Haman keert terug in rouw **6:12** Mordechai keerde terug naar de poort van de koning. Haman haastte zich naar zijn huis, in rouw en met bedekt hoofd. Brontekst: וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en keerde terug | מָרְדֳּכַ֖י (mardokhay) = Mordechai | אֶל (el) = naar | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהָמָן֙ (vehaman) = en Haman | נִדְחַ֣ף (nidchaf) = haastte zich | אֶל (el) = naar | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | אָבֵ֖ל (avel) = rouwend | וַחֲפ֥וּי (vachafuy) = en bedekt van | רֹֽאשׁ (rosh) = hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבֵל וַחֲפוּי רֹאשׁ (avel vachafui rosh), ‘in rouw en met bedekt hoofd’: een teken van rouw en schaamte. Vergelijk 2 Sam. 15:30 en Jer. 14:3–4. Zie ook: Job 20:5; 2 Sam 15:30; 1 Kon 20:43; 1 Kon 21:4; Jer 14:3–4 **6:13** Haman vertelde zijn vrouw Zeresj en al zijn vrienden alles wat hem was overkomen. Zijn wijzen en zijn vrouw Zeresj zeiden tegen hem: „Als Mordechai, voor wie je begonnen bent te vallen, van het zaad van de Joden is, dan zul je hem niet aankunnen. Je zult zeker voor hem vallen.” Brontekst: וַיְסַפֵּ֨ר (vaysaper) = en vertelde | הָמָ֜ן (haman) = Haman | לְזֶ֤רֶשׁ (lezeresh) = aan Zeresj | אִשְׁתּוֹ֙ (ishto) = zijn vrouw | וּלְכָל (ulekhal) = en aan al | אֹ֣הֲבָ֔יו (ohavav) = zijn vrienden | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | קָרָ֑הוּ (qarahu) = hem overkwam | וַיֹּ֩אמְרוּ֩ (vayomru) = en zeiden | ל֨וֹ (lo) = tot hem | חֲכָמָ֜יו (chakhamav) = zijn wijzen | וְזֶ֣רֶשׁ (vezeresh) = en Zeresj | אִשְׁתּ֗וֹ (ishto) = zijn vrouw | אִ֣ם (im) = als | מִזֶּ֣רַע (mizera) = van het zaad van | הַיְּהוּדִ֡ים (hayehudim) = de Joden | מָרְדֳּכַ֞י (mardokhay) = Mordechai | אֲשֶׁר֩ (asher) = voor wie | הַחִלּ֨וֹתָ (hachilota) = je bent begonnen | לִנְפֹּ֤ל (linpol) = te vallen | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | לֹא (lo) = niet | תוּכַ֣ל (tukhal) = zul je kunnen | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | כִּֽי (ki) = maar | נָפ֥וֹל (nafol) = vallend | תִּפּ֖וֹל (tipol) = zul je vallen | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזֶּרַע הַיְּהוּדִים (mizera hayehudim), ‘van het zaad van de Joden’: van de nakomelingen van het Joodse volk. Zijn wijzen en zijn vrouw zien dat de tegenspoed niet meer te keren is. Zie ook: Gen 40:19; Spr 28:18; Hos 14:10; Dan 2:12; Dan 5:26–28 **6:14** Terwijl zij nog met hem spraken, kwamen de hovelingen van de koning. Zij haastten zich om Haman naar het feestmaal te brengen dat Ester had bereid. Brontekst: עוֹדָם֙ (odam) = nog zij | מְדַבְּרִ֣ים (medaberim) = sprekend | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וְסָרִיסֵ֥י (vesarisei) = en hovelingen van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | הִגִּ֑יעוּ (higiu) = bereikten | וַיַּבְהִ֨לוּ֙ (vayavhilu) = en haastten zich | לְהָבִ֣יא (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | הָמָ֔ן (haman) = Haman | אֶל (el) = naar | הַמִּשְׁתֶּ֖ה (hamishte) = het feestmaal | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשְׂתָ֥ה (aseta) = had bereid | אֶסְתֵּֽר (ester) = Ester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De hovelingen halen Haman op voor het tweede feestmaal van Ester (zie 5:8). Zie ook: Deut 32:35–36; Est 5:8; Est 5:14 ## Ester 7 _Ester onthult Haman en Haman wordt opgehangen_ ### Het tweede feestmaal **7:1** De koning en Haman kwamen om te drinken met koningin Ester. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְהָמָ֔ן (vehaman) = en Haman | לִשְׁתּ֖וֹת (lishtot) = om te drinken | עִם (im) = met | אֶסְתֵּ֥ר (ester) = Ester | הַמַּלְכָּֽה (hamalka) = de koningin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Est 3:15; Est 5:8 **7:2** Ook op de tweede dag zei de koning bij het wijnfeest tegen Ester: „Wat is je vraag, koningin Ester? Het zal je gegeven worden. En wat is je verzoek? Tot de helft van het koninkrijk toe, het zal gedaan worden.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְאֶסְתֵּ֜ר (leester) = aan Ester | גַּ֣ם (gam) = ook | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִי֙ (hasheni) = de tweede | בְּמִשְׁתֵּ֣ה (bemishte) = bij het feestmaal van | הַיַּ֔יִן (hayayin) = de wijn | מַה (ma) = wat | שְּׁאֵלָתֵ֛ךְ (sheelatekh) = je vraag | אֶסְתֵּ֥ר (ester) = Ester | הַמַּלְכָּ֖ה (hamalka) = de koningin | וְתִנָּ֣תֵֽן (vetinaten) = en het zal gegeven worden | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | וּמַה (uma) = en wat | בַּקָּשָׁתֵ֛ךְ (baqashatekh) = je verzoek | עַד (ad) = tot | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | הַמַּלְכ֖וּת (hamalkhut) = het koninkrijk | וְתֵעָֽשׂ (veteas) = en het zal gedaan worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De koning stelt zijn vraag voor de derde keer (zie 5:3 en 5:6). Pas nu antwoordt Ester. Zie ook: Est 5:3; Est 5:6; Est 9:12; Joh 16:24 ### Esters vraag **7:3** Koningin Ester antwoordde en zei: „Als ik gunst heb gevonden in uw ogen, o koning, en als het de koning goeddunkt, laat mij dan het leven behouden op mijn vraag, en mijn volk op mijn verzoek. Brontekst: וַתַּ֨עַן (vataan) = en antwoordde | אֶסְתֵּ֤ר (ester) = Ester | הַמַּלְכָּה֙ (hamalka) = de koningin | וַתֹּאמַ֔ר (vatomar) = en zei | אִם (im) = als | מָצָ֨אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֤ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֨יךָ֙ (beeineikha) = in uw ogen | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = koning | וְאִם (veim) = en als | עַל (al) = bij | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֑וֹב (tov) = goed | תִּנָּֽתֶן (tinaten) = laat gegeven worden | לִ֤י (li) = aan mij | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn leven | בִּשְׁאֵ֣לָתִ֔י (bishelati) = op mijn vraag | וְעַמִּ֖י (veami) = en mijn volk | בְּבַקָּשָׁתִֽי (bevaqashati) = op mijn verzoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn leven’: het woord nefesh betekent ‘ziel’, ‘leven’ en ‘persoon’. Hier gaat het om haar leven. Zie ook: Job 2:4; Ps 122:6–9; Jer 38:26; Est 4:8; Est 7:7 **7:4** Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om te vernietigen, te doden en te laten omkomen. Als wij als slaven en slavinnen verkocht waren, had ik gezwegen. Want de tegenstander weegt niet op tegen de schade voor de koning.” Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | נִמְכַּ֨רְנוּ֙ (nimkarnu) = wij zijn verkocht | אֲנִ֣י (ani) = ik | וְעַמִּ֔י (veami) = en mijn volk | לְהַשְׁמִ֖יד (lehashmid) = om te vernietigen | לַהֲר֣וֹג (laharog) = om te doden | וּלְאַבֵּ֑ד (uleabed) = en om te laten omkomen | וְ֠אִלּוּ (veilu) = en als | לַעֲבָדִ֨ים (laavadim) = tot slaven | וְלִשְׁפָח֤וֹת (velishfachot) = en slavinnen | נִמְכַּ֨רְנוּ֙ (nimkarnu) = wij waren verkocht | הֶחֱרַ֔שְׁתִּי (hecherashti) = ik zou zwijgen | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet | הַצָּ֛ר (hatsar) = de tegenstander | שֹׁוֶ֖ה (shove) = gelijk | בְּנֵ֥זֶק (benezeq) = aan de schade van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt dezelfde drie werkwoorden als in 3:13: ‘vernietigen, doden en laten omkomen’. Ester verwijst zo naar het besluit tegen haar volk. Voetnoot : כִּי אֵין הַצָּר שֹׁוֶה בְּנֵזֶק הַמֶּלֶךְ (ki ein hatsar shoveh benezek hammelekh), ‘want de tegenstander weegt niet op tegen de schade voor de koning’: de zin is moeilijk. Sommigen verstaan: de tegenstander zou de schade voor de koning niet kunnen vergoeden. Anderen verstaan: de nood van het volk is niet te vergelijken met het verlies voor de koning. Onze vertaling laat beide lezingen open. Zie ook: Deut 28:68; Amos 2:6; Est 3:9; Est 3:13; Est 8:11 **7:5** Koning Ahasveros zei tegen koningin Ester: „Wie is hij, en waar is hij, die het in zijn hart heeft gehad zo te handelen?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | לְאֶסְתֵּ֣ר (leester) = aan Ester | הַמַּלְכָּ֑ה (hamalka) = de koningin | מִ֣י (mi) = wie | ה֥וּא (hu) = is | זֶה֙ (ze) = deze | וְאֵֽי (veei) = en waar | זֶ֣ה (ze) = deze | ה֔וּא (hu) = is hij | אֲשֶׁר (asher) = die | מְלָא֥וֹ (melao) = hebben gevuld | לִבּ֖וֹ (libo) = zijn hart | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֶׁר מְלָאוֹ לִבּוֹ (asher mela'o libbo), ‘die het in zijn hart heeft gehad’: letterlijk ‘wiens hart hem heeft gevuld’, dat wil zeggen: wie zich dit heeft aangematigd. Zie ook: Gen 27:33; Job 9:24; Hand 5:3 **7:6** Ester zei: „Een tegenstander en vijand: die slechte Haman!” Haman schrok voor het aangezicht van de koning en de koningin. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֶסְתֵּ֔ר (ester) = Ester | אִ֚ישׁ (ish) = man van | צַ֣ר (tsar) = tegenstander | וְאוֹיֵ֔ב (veoyev) = en vijand | הָמָ֥ן (haman) = Haman | הָרָ֖ע (hara) = de slechte | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְהָמָ֣ן (vehaman) = en Haman | נִבְעַ֔ת (nivat) = schrok | מִלִּפְנֵ֥י (milifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַמַּלְכָּֽה (vehamalka) = en de koningin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:5–12; Ps 27:2; Ps 139:19–22; 2 Tess 2:8; 1 Kor 5:13 ### De woede van de koning **7:7** De koning stond in zijn woede op van het wijnfeest en ging naar de tuin van het paviljoen. Haman bleef staan om bij koningin Ester om zijn leven te smeken. Want hij zag dat het onheil door de koning tegen hem was besloten. Brontekst: וְהַמֶּ֜לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | קָ֤ם (qam) = stond op | בַּחֲמָתוֹ֙ (bachamato) = in zijn woede | מִמִּשְׁתֵּ֣ה (mimishte) = van het feestmaal van | הַיַּ֔יִן (hayayin) = de wijn | אֶל (el) = naar | גִּנַּ֖ת (ginat) = tuin van | הַבִּיתָ֑ן (habitan) = het paviljoen | וְהָמָ֣ן (vehaman) = en Haman | עָמַ֗ד (amad) = bleef staan | לְבַקֵּ֤שׁ (levaqesh) = om te smeken | עַל (al) = om | נַפְשׁוֹ֙ (nafsho) = zijn leven | מֵֽאֶסְתֵּ֣ר (meester) = bij Ester | הַמַּלְכָּ֔ה (hamalka) = de koningin | כִּ֣י (ki) = want | רָאָ֔ה (raa) = hij zag | כִּֽי (ki) = dat | כָלְתָ֥ה (kaleta) = is besloten | אֵלָ֛יו (elav) = tegen hem | הָרָעָ֖ה (haraa) = het onheil | מֵאֵ֥ת (meet) = van bij | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּנַּת הַבִּיתָן (ginnat habitan), ‘de tuin van het paviljoen’: een tuin bij het paleis. De betekenis van het woord bitan is onzeker; het kan een paviljoen of een paleisgebouw zijn. Voetnoot : כָלְתָה אֵלָיו הָרָעָה (kaltah elav hara'ah), ‘het onheil was tegen hem besloten’: letterlijk ‘het onheil was voor hem voleindigd’. Zie ook: 1 Sam 20:7; 1 Sam 20:9; Dan 3:19; Est 1:12; Openb 3:9 **7:8** De koning kwam terug uit de tuin van het paviljoen naar de zaal van het wijnfeest. Haman was neergevallen op het bed waarop Ester zat. De koning zei: „Wil hij zelfs de koningin geweld aandoen, bij mij in huis?” Het woord ging uit de mond van de koning, en men bedekte het gezicht van Haman. Brontekst: וְהַמֶּ֡לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | שָׁב֩ (shav) = keerde terug | מִגִּנַּ֨ת (miginat) = uit tuin van | הַבִּיתָ֜ן (habitan) = het paviljoen | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = huis van | מִשְׁתֵּ֣ה (mishte) = feestmaal van | הַיַּ֗יִן (hayayin) = de wijn | וְהָמָן֙ (vehaman) = en Haman | נֹפֵ֔ל (nofel) = was gevallen | עַל (al) = op | הַמִּטָּה֙ (hamita) = het bed | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | אֶסְתֵּ֣ר (ester) = Ester | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = daarop | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | הֲ֠גַם (hagam) = zelfs | לִכְבּ֧וֹשׁ (likhbosh) = om geweld aan te doen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּלְכָּ֛ה (hamalka) = de koningin | עִמִּ֖י (imi) = bij mij | בַּבָּ֑יִת (babayit) = in het huis | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | יָצָא֙ (yatsa) = ging uit | מִפִּ֣י (mipi) = uit de mond van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּפְנֵ֥י (ufenei) = en het gezicht van | הָמָ֖ן (haman) = Haman | חָפֽוּ (chafu) = bedekten zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִכְבּוֹשׁ (likhbosh), ‘geweld aandoen’: letterlijk ‘onderwerpen’, hetzelfde werkwoord als in Gen. 1:28. De koning beschuldigt Haman van aanranding van de koningin; de tekst zegt niet of Haman dat bedoelde. Voetnoot : וּפְנֵי הָמָן חָפוּ (ufnei Haman chafu), ‘men bedekte het gezicht van Haman’: een teken dat hij ten dode was gedoemd. De tekst zegt niet wie het deed. Zie ook: Gen 1:28; Job 9:24; Jes 22:17; Jes 49:23; Est 1:6; Est 6:12 ### Haman wordt opgehangen **7:9** Charbona, een van de hovelingen die bij de koning stonden, zei: „Zie, ook staat in het huis van Haman de paal die Haman voor Mordechai heeft gemaakt. Mordechai heeft ten goede voor de koning gesproken. De paal is vijftig el hoog.” De koning zei: „Hang hem daaraan op.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חַ֠רְבוֹנָה (charvona) = Charbona | אֶחָ֨ד (echad) = een | מִן (min) = van de | הַסָּרִיסִ֜ים (hasarisim) = hovelingen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | גַּ֣ם (gam) = ook | הִנֵּה (hine) = zie | הָעֵ֣ץ (haets) = de paal | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֪ה (asa) = maakte | הָמָ֟ן (haman) = Haman | לְֽמָרְדֳּכַ֞י (lemardokhay) = voor Mordechai | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | דִּבֶּר (diber) = sprak | ט֣וֹב (tov) = ten goede | עַל (al) = over | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | עֹמֵד֙ (omed) = staat | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הָמָ֔ן (haman) = Haman | גָּבֹ֖הַּ (gavoha) = hoog | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אַמָּ֑ה (ama) = el | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | תְּלֻ֥הוּ (teluhu) = hang hem op | עָלָֽיו (alav) = daaraan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַרְבוֹנָה (Charvonah), ‘Charbona’: een van de hovelingen. Hij komt ook voor in 1:10. Voetnoot : De paal en de vijftig el: zie 5:14. Voetnoot : De woorden ‘Mordechai heeft ten goede voor de koning gesproken’ verwijzen naar de aangifte van Mordechai (zie 2:21–23). Zie ook: Ps 7:16–17; Ps 141:10; Spr 11:5–6; Est 1:10; Est 5:14 **7:10** Men hing Haman op aan de paal die hij voor Mordechai had klaargemaakt. Toen bedaarde de woede van de koning. Brontekst: וַיִּתְלוּ֙ (vayitlu) = en zij hingen op | אֶת (et) = (obj.) | הָמָ֔ן (haman) = Haman | עַל (al) = aan | הָעֵ֖ץ (haets) = de paal | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵכִ֣ין (hekhin) = had klaargemaakt | לְמָרְדֳּכָ֑י (lemardokhay) = voor Mordechai | וַחֲמַ֥ת (vachamat) = en de woede van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | שָׁכָֽכָה (shakhakha) = bedaarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Haman wordt opgehangen aan dezelfde paal die hij voor Mordechai had laten maken. Zo komt het kwaad dat hij Mordechai toedacht, op hemzelf terecht. Zie ook: Re 15:7; Ps 7:17; Ezech 5:13; Dan 6:25; Zach 6:8 ## Ester 8 _Mordechai krijgt de ring, en het tweede besluit voor de Joden_ ### Mordechai krijgt het huis van Haman **8:1** Op die dag gaf koning Ahasveros het huis van Haman, de vijand van de Joden, aan koningin Ester. Mordechai kwam voor het aangezicht van de koning, want Ester had verteld wat hij voor haar was. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | נָתַ֞ן (natan) = gaf | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ֙ (achashverosh) = Ahasveros | לְאֶסְתֵּ֣ר (leester) = aan Ester | הַמַּלְכָּ֔ה (hamalka) = de koningin | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הָמָ֖ן (haman) = Haman | צֹרֵ֣ר (tsorer) = vijand van | הַיְּהוּדִ֑ים (hayehudim) = de Joden | וּמָרְדֳּכַ֗י (umardokhay) = en Mordechai | בָּ֚א (ba) = kwam | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּֽי (ki) = want | הִגִּ֥ידָה (higida) = had verteld | אֶסְתֵּ֖ר (ester) = Ester | מַ֥ה (ma) = wat | הוּא (hu) = hij | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹרֵר (tsorer), ‘vijand’: iemand die een ander benauwt. Zo wordt Haman ook genoemd in 3:10, 9:10 en 9:24. Voetnoot : Mordechai was familie van Ester en haar voogd (2:7). Daarop wijst ‘wat hij voor haar was’. Zie ook: Job 27:16–17; Ps 39:7; Spr 13:22; Est 2:7; Est 2:15 **8:2** De koning nam zijn ring, die hij Haman had afgenomen, en gaf hem aan Mordechai. Ester stelde Mordechai aan over het huis van Haman. Brontekst: וַיָּ֨סַר (vayasar) = en nam weg | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | טַבַּעְתּ֗וֹ (tabato) = zijn ring | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הֶֽעֱבִיר֙ (heevir) = hij had laten overgaan | מֵֽהָמָ֔ן (mehaman) = van Haman | וַֽיִּתְּנָ֖הּ (vayitenah) = en gaf hem | לְמָרְדֳּכָ֑י (lemardokhay) = aan Mordechai | וַתָּ֧שֶׂם (vatasem) = en zette aan | אֶסְתֵּ֛ר (ester) = Ester | אֶֽת (et) = (obj.) | מָרְדֳּכַ֖י (mardokhay) = Mordechai | עַל (al) = over | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הָמָֽן (haman) = Haman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַבַּעְתּוֹ (tabbaat), ‘ring’: de zegelring waarmee brieven namens de koning werden verzegeld. De koning had hem aan Haman gegeven (3:10). Zie ook: Gen 41:42; Ps 37:34; Dan 2:48; Est 3:10; Luc 15:22 ### Ester smeekt de koning **8:3** Ester sprak opnieuw voor het aangezicht van de koning. Zij viel voor zijn voeten neer en huilde. Zij smeekte hem het kwaad van Haman de Agagiet weg te nemen, en zijn plan dat hij tegen de Joden had bedacht. Brontekst: וַתּ֣וֹסֶף (vatosef) = en ging voort | אֶסְתֵּ֗ר (ester) = Ester | וַתְּדַבֵּר֙ (vatedaber) = en sprak | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַתִּפֹּ֖ל (vatipol) = en viel | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | רַגְלָ֑יו (raglav) = zijn voeten | וַתֵּ֣בְךְּ (vatevek) = en huilde | וַתִּתְחַנֶּן (vatitchanen) = en smeekte | ל֗וֹ (lo) = hem | לְהַֽעֲבִיר֙ (lehaavir) = om weg te nemen | אֶת (et) = (obj.) | רָעַת֙ (raat) = het kwaad van | הָמָ֣ן (haman) = Haman | הָֽאֲגָגִ֔י (haagagi) = de Agagiet | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מַֽחֲשַׁבְתּ֔וֹ (machashavto) = zijn plan | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | חָשַׁ֖ב (chashav) = hij had bedacht | עַל (al) = tegen | הַיְּהוּדִֽים (hayehudim) = de Joden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֲגָגִי (ha'agagi), ‘de Agagiet’: iemand uit het volk of de lijn van Agag, de koning van Amalek (1 Sam. 15:8; Num. 24:7). Zie ook: Num 24:7; 1 Sam 15:8; 1 Sam 25:24; 2 Kon 4:27; Hos 12:5; Est 3:8–15; Heb 5:7 **8:4** De koning stak Ester de gouden scepter toe. Ester stond op en ging voor het aangezicht van de koning staan. Brontekst: וַיּ֤וֹשֶׁט (vayoshet) = en stak uit | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לְאֶסְתֵּ֔ר (leester) = aan Ester | אֵ֖ת (et) = (obj.) | שַׁרְבִ֣ט (sharvit) = de scepter | הַזָּהָ֑ב (hazahav) = van goud | וַתָּ֣קָם (vataqam) = en stond op | אֶסְתֵּ֔ר (ester) = Ester | וַֽתַּעֲמֹ֖ד (vataamod) = en ging staan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁרְבִט (sharvit), ‘scepter’: de gouden staf van de koning. Door hem toe te steken liet de koning zien dat hij iemand ontving (zie ook 5:2). Zie ook: Est 4:11; Est 5:2 **8:5** Zij zei: „Als het de koning goeddunkt, als ik gunst bij hem heb gevonden, als de zaak juist is voor het aangezicht van de koning en ik goed ben in zijn ogen, laat dan worden geschreven om de brieven terug te brengen, het plan van Haman, de zoon van Hammedata, de Agagiet. Hij heeft ze geschreven om de Joden te laten omkomen die in alle provincies van de koning zijn. Brontekst: וַ֠תֹּאמֶר (vatomer) = en zei | אִם (im) = als | עַל (al) = op | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֜וֹב (tov) = goed | וְאִם (veim) = en als | מָצָ֧אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֣ן (chen) = gunst | לְפָנָ֗יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | וְכָשֵׁ֤ר (vekhasher) = en juist is | הַדָּבָר֙ (hadavar) = de zaak | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְטוֹבָ֥ה (vetova) = en goed | אֲנִ֖י (ani) = ik | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | יִכָּתֵ֞ב (yikatev) = laat worden geschreven | לְהָשִׁ֣יב (lehashiv) = om terug te brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַסְּפָרִ֗ים (hasefarim) = de brieven | מַחֲשֶׁ֜בֶת (machashevet) = het plan van | הָמָ֤ן (haman) = Haman | בֶּֽן (ben) = zoon van | הַמְּדָ֨תָא֙ (hamedata) = Hammedata | הָאֲגָגִ֔י (haagagi) = de Agagiet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | כָּתַ֗ב (katav) = hij heeft geschreven | לְאַבֵּד֙ (leabed) = om te laten omkomen | אֶת (et) = (obj.) | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = de Joden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְדִינ֥וֹת (medinot) = provincies van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם עַל הַמֶּלֶךְ טוֹב (im al hamelech tov), ‘als het de koning goeddunkt’: letterlijk ‘als het bij de koning goed is’. Dezelfde zin staat in 1:19, 3:9, 5:4, 5:8, 7:3 en 9:13. Voetnoot : לְהָשִׁיב (lehashiv), ‘terugbrengen’: Ester vraagt de brieven van Haman (3:13) terug te laten brengen. De koning zegt in vers 8 dat een verzegeld schrift niet kan worden teruggedraaid. Zie ook: Ex 33:16; Est 2:17; Est 3:12–13; Est 5:8; Est 7:3; Est 8:8 **8:6** Want hoe kan ik het onheil aanzien dat mijn volk treft? En hoe kan ik de ondergang van mijn familie aanzien?” Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | אֵיכָכָ֤ה (eikhakha) = hoe | אוּכַל֙ (ukhal) = kan ik | וְֽרָאִ֔יתִי (veraiti) = en aanzien | בָּרָעָ֖ה (baraa) = het kwaad | אֲשֶׁר (asher) = dat | יִמְצָ֣א (yimtsa) = zal treffen | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | וְאֵֽיכָכָ֤ה (veeikhakha) = en hoe | אוּכַל֙ (ukhal) = kan ik | וְֽרָאִ֔יתִי (veraiti) = en aanzien | בְּאָבְדַ֖ן (beavedan) = de ondergang van | מוֹלַדְתִּֽי (moladti) = mijn familie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹלַדְתִּי (moledet), ‘familie’: het woord betekent letterlijk ‘geboorte’ en staat voor wie je door geboorte toebehoort, ook ‘afkomst’. Zie ook 2:10 en 2:20. Zie ook: Est 7:4; Neh 2:3; Luc 19:41–42; Rom 9:2–3; Rom 10:1 ### Het antwoord van de koning **8:7** Koning Ahasveros zei tegen koningin Ester en tegen Mordechai de Jood: „Zie, het huis van Haman heb ik aan Ester gegeven. Hem hebben zij aan de paal gehangen, omdat hij zijn hand tegen de Joden had uitgestrekt. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵרֹשׁ֙ (achashverosh) = Ahasveros | לְאֶסְתֵּ֣ר (leester) = aan Ester | הַמַּלְכָּ֔ה (hamalka) = de koningin | וּֽלְמָרְדֳּכַ֖י (ulemardokhay) = en aan Mordechai | הַיְּהוּדִ֑י (hayehudi) = de Jood | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | בֵית (beit) = huis van | הָמָ֜ן (haman) = Haman | נָתַ֣תִּי (natati) = heb ik gegeven | לְאֶסְתֵּ֗ר (leester) = aan Ester | וְאֹתוֹ֙ (veoto) = en hem | תָּל֣וּ (talu) = hebben zij gehangen | עַל (al) = aan | הָעֵ֔ץ (haets) = de paal | עַ֛ל (al) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij had uitgestrekt | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | בַּיְּהוּדִֽים (bayehudim) = tegen de Joden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֵץ (ets), ‘paal’: letterlijk ‘hout’ of ‘boom’. Hier is het de hoge houten paal waaraan Haman is gehangen (5:14; 7:9–10). Zie ook: Spr 13:22; Est 7:10–8:1; Gal 3:13 **8:8** En jullie, schrijf over de Joden wat jullie goed vinden, in de naam van de koning. Verzegel het met de ring van de koning. Want een schrift dat in de naam van de koning is geschreven en met de ring van de koning is verzegeld, kan niet worden teruggedraaid.” Brontekst: וְ֠אַתֶּם (veatem) = en jullie | כִּתְב֨וּ (kitvu) = schrijf | עַל (al) = over | הַיְּהוּדִ֜ים (hayehudim) = de Joden | כַּטּ֤וֹב (katov) = zoals goed is | בְּעֵֽינֵיכֶם֙ (beeineikhem) = in jullie ogen | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְחִתְמ֖וּ (vechitmu) = en verzegel | בְּטַבַּ֣עַת (betabaat) = met de ring van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּֽי (ki) = want | כְתָ֞ב (ketav) = een schrift | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִכְתָּ֣ב (nikhtav) = is geschreven | בְּשֵׁם (beshem) = in de naam van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְנַחְתּ֛וֹם (venachtom) = en is verzegeld | בְּטַבַּ֥עַת (betabaat) = met de ring van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵ֥ין (ein) = er is niet | לְהָשִֽׁיב (lehashiv) = om terug te brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een schrift dat de koning had verzegeld, kon niet worden ingetrokken (vergelijk 1:19). Daarom wordt het eerste schrift niet herroepen, maar komt er een tweede schrift naast. Zie ook: 1 Kon 21:8; Dan 6:13–16; Est 1:19; Est 3:12; Est 8:5 ### De brieven aan de provincies **8:9** In die tijd werden de schrijvers van de koning geroepen, in de derde maand, dat is de maand Sivan, op de drieëntwintigste daarvan. Er werd geschreven, geheel zoals Mordechai gebood. Het ging aan de Joden, aan de satrapen, de landvoogden en de bestuurders van de provincies, van India tot Kush: 127 provincies. Elke provincie kreeg het in haar eigen schrift, elk volk in zijn eigen taal, en de Joden in hun eigen schrift en hun eigen taal. Brontekst: וַיִּקָּרְא֣וּ (vayiqareu) = en werden geroepen | סֹפְרֵֽי (soferei) = schrijvers van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | בָּֽעֵת (baet) = in de tijd | הַ֠הִיא (hahi) = die | בַּחֹ֨דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁלִישִׁ֜י (hashelishi) = de derde | הוּא (hu) = dat is | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = de maand | סִיוָ֗ן (sivan) = Sivan | בִּשְׁלוֹשָׁ֣ה (bishlosha) = op drieën | וְעֶשְׂרִים֮ (veesrim) = en twintig | בּוֹ֒ (bo) = daarvan | וַיִּכָּתֵ֣ב (vayikatev) = en er werd geschreven | כְּֽכָל (kekhal) = geheel zoals | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | מָרְדֳּכַ֣י (mardokhay) = Mordechai | אֶל (el) = aan | הַיְּהוּדִ֡ים (hayehudim) = de Joden | וְאֶ֣ל (veel) = en aan | הָאֲחַשְׁדַּרְפְּנִֽים (haachashdarpenim) = de satrapen | וְהַפַּחוֹת֩ (vehapachot) = en de landvoogden | וְשָׂרֵ֨י (vesarei) = en de bestuurders van | הַמְּדִינ֜וֹת (hamedinot) = de provincies | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מֵהֹ֣דּוּ (mehodu) = van India | וְעַד (vead) = en tot | כּ֗וּשׁ (kush) = Kush | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | וְעֶשְׂרִ֤ים (veesrim) = en twintig | וּמֵאָה֙ (umea) = en honderd | מְדִינָ֔ה (medina) = provincies | מְדִינָ֤ה (medina) = provincie | וּמְדִינָה֙ (umedina) = en provincie | כִּכְתָבָ֔הּ (kikhtavah) = volgens zijn schrift | וְעַ֥ם (veam) = en volk | וָעָ֖ם (vaam) = en volk | כִּלְשֹׁנ֑וֹ (kilshono) = volgens zijn taal | וְאֶ֨ל (veel) = en aan | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = de Joden | כִּכְתָבָ֖ם (kikhtavam) = volgens hun schrift | וְכִלְשׁוֹנָֽם (vekhilshonam) = en volgens hun taal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: סִיוָן (Sivan): de derde maand van het Joodse jaar, ongeveer mei–juni. Voetnoot : מֵהֹדּוּ (Hodu), ‘India’: het gebied rond de Indus, in het huidige Pakistan en het noordwesten van India. Kush ligt ten zuiden van Egypte (Nubië). Voetnoot : הַמְּדִינוֹת (medinot), ‘provincies’: bestuursgebieden van het Perzische rijk. Het getal 127 staat ook in 1:1. Zie ook: 2 Kon 18:26; Dan 3:31; Dan 6:2; Est 1:1; Est 1:22 **8:10** Hij schreef in de naam van koning Ahasveros en verzegelde met de ring van de koning. Hij stuurde brieven door de boden te paard, rijders op rijdieren, de koninklijke paarden, gefokt in de stoeterij. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֗ב (vayikhtov) = en hij schreef | בְּשֵׁם֙ (beshem) = in de naam van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵרֹ֔שׁ (achashverosh) = Ahasveros | וַיַּחְתֹּ֖ם (vayachtom) = en verzegelde | בְּטַבַּ֣עַת (betabaat) = met de ring van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | סְפָרִ֡ים (sefarim) = brieven | בְּיַד֩ (beyad) = door de hand van | הָרָצִ֨ים (haratsim) = de boden | בַּסּוּסִ֜ים (basusim) = op paarden | רֹכְבֵ֤י (rokhevei) = rijders op | הָרֶ֨כֶשׁ֙ (harekhesh) = de rijdieren | הָֽאֲחַשְׁתְּרָנִ֔ים (haachashteranim) = de koninklijke paarden | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | הָֽרַמָּכִֽים (haramakhim) = de stoeterij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֶכֶשׁ (harekesh), ‘de rijdieren’: zo vertalen wij het woord ook in 1 Kon. 5:8. Voetnoot : הָאֲחַשְׁתְּרָנִים (ha'achashteranim), ‘de koninklijke paarden’, en הָרַמָּכִים (haramakkim), ‘de stoeterij’: de betekenis van deze twee zeldzame woorden is onzeker. Wij vertalen naar de samenhang. Zie ook: Pred 8:4; 1 Kon 5:8; Jes 60:6; Jes 66:20; Jer 2:23; Dan 3:31 **8:11** Daarin gaf de koning de Joden die in elke stad waren het recht om zich te verzamelen en op te komen voor hun leven. Zij mochten elke strijdmacht van een volk of provincie die hen benauwde vernietigen, doden en laten omkomen, met kinderen en vrouwen, en hun buit plunderen. Brontekst: אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | נָתַ֨ן (natan) = gaf | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לַיְּהוּדִ֣ים (layehudim) = aan de Joden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּכָל (bekhal) = in elke | עִיר (ir) = stad | וָעִ֗יר (vair) = en stad | לְהִקָּהֵל֮ (lehiqahel) = om zich te verzamelen | וְלַעֲמֹ֣ד (velaamod) = en op te komen | עַל (al) = voor | נַפְשָׁם֒ (nafsham) = hun leven | לְהַשְׁמִיד֩ (lehashmid) = om te vernietigen | וְלַהֲרֹ֨ג (velaharog) = en te doden | וּלְאַבֵּ֜ד (uleabed) = en te laten omkomen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | חֵ֨יל (cheil) = strijdmacht van | עַ֧ם (am) = volk | וּמְדִינָ֛ה (umedina) = en provincie | הַצָּרִ֥ים (hatsarim) = die benauwen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | טַ֣ף (taf) = kinderen | וְנָשִׁ֑ים (venashim) = en vrouwen | וּשְׁלָלָ֖ם (ushelalam) = en hun buit | לָבֽוֹז (lavoz) = om te plunderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers spiegelt 3:13. Daar stond in bijna dezelfde woorden dat men de Joden zou vernietigen, doden en laten omkomen, met kinderen en vrouwen, en dat hun buit zou worden geplunderd. Voetnoot : נַפְשָׁם (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘leven’. Voetnoot : טַף (taf), ‘kinderen’: de zin is kort. Hij lijkt te verwijzen naar de kinderen en vrouwen van de aanvallers, maar het Hebreeuws zegt dat niet uitdrukkelijk. Wij laten de zin zoals hij staat. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘gaf aan de Joden … om zich te verzamelen’. Wij vullen ‘het recht’ aan, omdat het Nederlands anders niet loopt. Zie ook: Ps 37:14–15; Ps 137:8; Ps 146:6–9; Ezech 39:10; Est 3:13 **8:12** Dat mocht op één dag, in alle provincies van koning Ahasveros: op de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar. Brontekst: בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag | אֶחָ֔ד (echad) = één | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְדִינ֖וֹת (medinot) = provincies van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | בִּשְׁלוֹשָׁ֥ה (bishlosha) = op drie | עָשָׂ֛ר (asar) = tien | לְחֹ֥דֶשׁ (lechodesh) = van de maand | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | הוּא (hu) = dat is | חֹ֥דֶשׁ (chodesh) = de maand | אֲדָֽר (adar) = Adar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדָר (Adar): de twaalfde maand, ongeveer februari–maart. Het is dezelfde dag als in 3:13. Zie ook: Ex 15:9–10; Re 1:6–7; Est 3:13–15; Est 9:1 **8:13** Een afschrift van het schrift moest als besluit worden gegeven in elke provincie. Het werd bekendgemaakt aan alle volken, zodat de Joden op die dag gereed zouden zijn om zich te wreken op hun vijanden. Brontekst: פַּתְשֶׁ֣גֶן (patshegen) = een afschrift van | הַכְּתָ֗ב (haketav) = het schrift | לְהִנָּ֤תֵֽן (lehinaten) = om te worden gegeven | דָּת֙ (dat) = als besluit | בְּכָל (bekhal) = in elke | מְדִינָ֣ה (medina) = provincie | וּמְדִינָ֔ה (umedina) = en provincie | גָּל֖וּי (galuy) = bekendgemaakt | לְכָל (lekhal) = aan alle | הָעַמִּ֑ים (haamim) = volken | וְלִהְי֨וֹת (velihyot) = en zodat zouden zijn | הַיְּהוּדִ֤ים (hayehudim) = de Joden | עֲתִידִים֙ (atidim) = gereed | לַיּ֣וֹם (layom) = voor de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | לְהִנָּקֵ֖ם (lehinaqem) = om zich te wreken | מֵאֹיְבֵיהֶֽם (meoyeveihem) = op hun vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּתְשֶׁגֶן (patshegen), ‘afschrift’, en דָּת (dat), ‘besluit’: dit zijn leenwoorden uit het Perzisch. Ze staan ook in 3:14 en 4:8. Zie ook: Ps 37:14–15; Ps 68:24; Ps 149:6–9; Est 3:14; Openb 6:10 **8:14** De boden, rijders op rijdieren, de koninklijke paarden, trokken haastig en gejaagd uit op het woord van de koning. Het besluit werd gegeven in Sjoesjan, de burcht. Brontekst: הָרָצִ֞ים (haratsim) = de boden | רֹכְבֵ֤י (rokhevei) = rijders op | הָרֶ֨כֶשׁ֙ (harekhesh) = de rijdieren | הָֽאֲחַשְׁתְּרָנִ֔ים (haachashteranim) = de koninklijke paarden | יָֽצְא֛וּ (yatseu) = trokken uit | מְבֹהָלִ֥ים (mevohalim) = haastig | וּדְחוּפִ֖ים (udechufim) = en gejaagd | בִּדְבַ֣ר (bidvar) = op het woord van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַדָּ֥ת (vehadat) = en het besluit | נִתְּנָ֖ה (nitena) = werd gegeven | בְּשׁוּשַׁ֥ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָֽה (habira) = de burcht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: הַבִּירָה (habirah), ‘de burcht’: de ommuurde koninklijke stad van Sjoesjan, zoals in 1:2. Sjoesjan is het Susa van de Griekse bronnen, in het huidige zuidwesten van Iran. Zie ook: 1 Sam 21:9; Pred 9:10; Dan 8:2; Est 2:3; Est 3:15 ### Vreugde onder de Joden **8:15** Mordechai ging weg van het aangezicht van de koning. Hij was gekleed in een koninklijk gewaad van blauwpurper en wit, met een grote gouden kroon en een mantel van fijn linnen en roodpurper. De stad Sjoesjan juichte en was verheugd. Brontekst: וּמָרְדֳּכַ֞י (umardokhay) = en Mordechai | יָצָ֣א (yatsa) = ging uit | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor het aangezicht van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | בִּלְב֤וּשׁ (bilvush) = in een gewaad van | מַלְכוּת֙ (malkhut) = koninklijk | תְּכֵ֣לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וָח֔וּר (vachur) = en wit | וַעֲטֶ֤רֶת (vaateret) = en een kroon van | זָהָב֙ (zahav) = goud | גְּדוֹלָ֔ה (gedola) = grote | וְתַכְרִ֥יךְ (vetakhrikh) = en een mantel van | בּ֖וּץ (buts) = fijn linnen | וְאַרְגָּמָ֑ן (veargaman) = en roodpurper | וְהָעִ֣יר (vehair) = en de stad | שׁוּשָׁ֔ן (shushan) = Sjoesjan | צָהֲלָ֖ה (tsahala) = juichte | וְשָׂמֵֽחָה (vesamecha) = en was verheugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: תְּכֵלֶת (tekhelet), ‘blauwpurper’, en וָחוּר (chur), ‘wit’: dezelfde kleuren als in 1:6. וְאַרְגָּמָן (argaman), ‘roodpurper’. Voetnoot : וְתַכְרִיךְ (takhrikh), ‘mantel’: dit woord komt alleen hier voor. Zie ook: Gen 41:42; Est 3:15; Est 6:8; Mat 6:29; Luc 16:19 **8:16** Voor de Joden was er licht en vreugde, blijdschap en eer. Brontekst: לַיְּהוּדִ֕ים (layehudim) = voor de Joden | הָֽיְתָ֥ה (hayeta) = was | אוֹרָ֖ה (ora) = licht | וְשִׂמְחָ֑ה (vesimcha) = en vreugde | וְשָׂשֹׂ֖ן (vesason) = en blijdschap | וִיקָֽר (viqar) = en eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹרָה (orah), ‘licht’: een beeld voor redding en geluk, na de duisternis van de dreiging in 3:13. Zie ook: Ps 18:29; Ps 30:6–12; Ps 97:11; Spr 11:10; Est 4:1–3 **8:17** In elke provincie en in elke stad, overal waar het woord en besluit van de koning aankwam, was er vreugde en blijdschap voor de Joden. Er was een feestmaal en een feestdag. Velen van de volken van het land werden Jood, want de schrik voor de Joden was over hen gevallen. Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en in elke | מְדִינָ֨ה (medina) = provincie | וּמְדִינָ֜ה (umedina) = en provincie | וּבְכָל (uvekhal) = en in elke | עִ֣יר (ir) = stad | וָעִ֗יר (vair) = en stad | מְקוֹם֙ (meqom) = plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | דְּבַר (devar) = het woord van | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְדָתוֹ֙ (vedato) = en zijn besluit | מַגִּ֔יעַ (magia) = aankwam | שִׂמְחָ֤ה (simcha) = vreugde | וְשָׂשׂוֹן֙ (vesason) = en blijdschap | לַיְּהוּדִ֔ים (layehudim) = voor de Joden | מִשְׁתֶּ֖ה (mishte) = feestmaal | וְי֣וֹם (veyom) = en dag | ט֑וֹב (tov) = goed | וְרַבִּ֞ים (verabim) = en velen | מֵֽעַמֵּ֤י (meamei) = van de volken van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | מִֽתְיַהֲדִ֔ים (mityahadim) = maakten zich Jood | כִּֽי (ki) = want | נָפַ֥ל (nafal) = was gevallen | פַּֽחַד (pachad) = de schrik van | הַיְּהוּדִ֖ים (hayehudim) = de Joden | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִתְיַהֲדִים (mityahadim), ‘werden Jood’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het betekent dat zij zich bij de Joden voegden. Voetnoot : וְיוֹם טוֹב (yom tov), ‘feestdag’: letterlijk ‘goede dag’. Zie ook: Deut 11:25; 1 Sam 25:8; Ps 18:44; Est 9:2; Est 9:19 ## Ester 9 _De omkering: de Joden overwinnen hun vijanden, en Purim wordt ingesteld_ ### De dertiende van Adar **9:1** In de twaalfde maand, dat is de maand Adar, op de dertiende daarvan, kwam het woord van de koning en zijn besluit om uitgevoerd te worden. Op die dag hoopten de vijanden van de Joden over hen te heersen. Maar het werd omgekeerd: de Joden zelf zouden over hun haters heersen. Brontekst: וּבִשְׁנֵים֩ (uvishneim) = en in twee | עָשָׂ֨ר (asar) = tien | חֹ֜דֶשׁ (chodesh) = maand | הוּא (hu) = dat is | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = de maand | אֲדָ֗ר (adar) = Adar | בִּשְׁלוֹשָׁ֨ה (bishlosha) = op drie | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | יוֹם֙ (yom) = dag | בּ֔וֹ (bo) = daarvan | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | הִגִּ֧יעַ (higia) = kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְדָת֖וֹ (vedato) = en zijn besluit | לְהֵעָשׂ֑וֹת (leheasot) = om uitgevoerd te worden | בַּיּ֗וֹם (bayom) = op de dag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | שִׂבְּר֜וּ (siberu) = hoopten | אֹיְבֵ֤י (oyevei) = de vijanden van | הַיְּהוּדִים֙ (hayehudim) = de Joden | לִשְׁל֣וֹט (lishlot) = te heersen | בָּהֶ֔ם (bahem) = over hen | וְנַהֲפ֣וֹךְ (venahafokh) = en het werd omgekeerd | ה֔וּא (hu) = dat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִשְׁלְט֧וּ (yishletu) = zouden heersen | הַיְּהוּדִ֛ים (hayehudim) = de Joden | הֵ֖מָּה (hema) = zij | בְּשֹׂנְאֵיהֶֽם (besoneeihem) = over hun haters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂבְּרוּ (sibberu), ‘hoopten’: het werkwoord betekent ‘uitzien naar’, ‘verwachten’. Zo ook in Ps. 119:166. De dag is de dag uit het besluit van Haman (3:13) en uit het tweede besluit (8:12). Voetnoot : וְנַהֲפוֹךְ (venahafokh), ‘het werd omgekeerd’: de omkering is het kernthema van het hoofdstuk. Zie ook vers 22. Zie ook: 2 Sam 22:41; Ps 30:12; Ps 119:166; Est 3:13; Est 8:12; Est 9:22; Openb 11:18 **9:2** De Joden verzamelden zich in hun steden, in alle provincies van koning Ahasveros, om de hand uit te steken tegen wie hun kwaad zochten. Niemand hield stand tegenover hen, want de schrik voor hen was gevallen over alle volken. Brontekst: נִקְהֲל֨וּ (niqhalu) = verzamelden zich | הַיְּהוּדִ֜ים (hayehudim) = de Joden | בְּעָרֵיהֶ֗ם (beareihem) = in hun steden | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְדִינוֹת֙ (medinot) = provincies van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֳחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (ochashverosh) = Ahasveros | לִשְׁלֹ֣חַ (lishloach) = om uit te strekken | יָ֔ד (yad) = de hand | בִּמְבַקְשֵׁ֖י (bimvaqshei) = tegen hen die zochten | רָֽעָתָ֑ם (raatam) = hun kwaad | וְאִישׁ֙ (veish) = en niemand | לֹא (lo) = niet | עָמַ֣ד (amad) = stond | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | כִּֽי (ki) = want | נָפַ֥ל (nafal) = was gevallen | פַּחְדָּ֖ם (pachdam) = hun schrik | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | הָעַמִּֽים (haamim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִשְׁלֹחַ יָד (lishloach yad), ‘de hand uitsteken’: letterlijk ‘de hand uitzenden’, dat wil zeggen: de hand slaan aan, aanvallen. Zo ook in vers 10, 15 en 16 (‘naar de buit staken zij hun hand niet uit’). Zie ook: Ex 23:27; Ps 71:13; Ps 71:24; Est 8:11; Est 8:17; Est 9:10; Est 9:15; Est 9:16 **9:3** Alle bestuurders van de provincies, de satrapen, de landvoogden en wie het werk van de koning deden, steunden de Joden. Want de schrik voor Mordechai was over hen gevallen. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | שָׂרֵ֨י (sarei) = bestuurders van | הַמְּדִינ֜וֹת (hamedinot) = de provincies | וְהָאֲחַשְׁדַּרְפְּנִ֣ים (vehaachashdarpenim) = en de satrapen | וְהַפַּח֗וֹת (vehapachot) = en de landvoogden | וְעֹשֵׂ֤י (veosei) = en wie deden | הַמְּלָאכָה֙ (hamelakha) = het werk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | מְנַשְּׂאִ֖ים (menaseim) = steunden | אֶת (et) = (obj.) | הַיְּהוּדִ֑ים (hayehudim) = de Joden | כִּֽי (ki) = want | נָפַ֥ל (nafal) = was gevallen | פַּֽחַד (pachad) = de schrik van | מָרְדֳּכַ֖י (mardokhay) = Mordechai | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנַשְּׂאִים (mena'se'im), ‘steunden’: letterlijk ‘hielpen omhoog’. De ambtenaren kozen de kant van de Joden. Zie ook: Dan 6:2–3; Ezra 8:36; Est 3:2–6; Est 8:5; Est 8:9 **9:4** Want Mordechai was groot in het huis van de koning. Zijn faam ging door alle provincies, want de man Mordechai werd steeds groter. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | גָ֤דוֹל (gadol) = groot | מָרְדֳּכַי֙ (mardokhay) = Mordechai | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְשָׁמְע֖וֹ (veshameo) = en zijn faam | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = ging | בְּכָל (bekhal) = door alle | הַמְּדִינ֑וֹת (hamedinot) = provincies | כִּֽי (ki) = want | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | מָרְדֳּכַ֖י (mardokhay) = Mordechai | הוֹלֵ֥ךְ (holekh) = ging voort | וְגָדֽוֹל (vegadol) = en groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 6:27; 2 Sam 3:1; 1 Kron 11:9; Spr 4:18; Sef 3:19 **9:5** De Joden sloegen al hun vijanden, met slagen van het zwaard, met doden en ondergang. Zij deden met hun haters wat zij wilden. Brontekst: וַיַּכּ֤וּ (vayaku) = en sloegen | הַיְּהוּדִים֙ (hayehudim) = de Joden | בְּכָל (bekhal) = alle | אֹ֣יְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | מַכַּת (makat) = met een slag van | חֶ֥רֶב (cherev) = het zwaard | וְהֶ֖רֶג (vehereg) = en doden | וְאַבְדָ֑ן (veavdan) = en ondergang | וַיַּֽעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en zij deden | בְשֹׂנְאֵיהֶ֖ם (besoneeihem) = met hun haters | כִּרְצוֹנָֽם (kirtsonam) = zoals zij wilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:35–41; Ps 18:48–49; Ps 20:8–9; Ps 149:6–9; Jer 18:21 ### De strijd in Sjoesjan **9:6** In Sjoesjan, de burcht, doodden de Joden 500 man en lieten hen omkomen, Brontekst: וּבְשׁוּשַׁ֣ן (uveshushan) = en in Sjoesjan | הַבִּירָ֗ה (habira) = de burcht | הָרְג֤וּ (haregu) = doodden | הַיְּהוּדִים֙ (hayehudim) = de Joden | וְאַבֵּ֔ד (veabed) = en lieten omkomen | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: De Joden doodden 500 man in Sjoesjan. Het Hebreeuws heeft twee werkwoorden: הָרְגוּ (harag), ‘doden’, en וְאַבֵּד (abbed), ‘laten omkomen’, zoals ook in 8:11. Zie ook: Est 3:15 **9:7** ook Parsjandata, Dalfon en Aspata, Brontekst: וְאֵ֧ת (veet) = en (obj.) | פַּרְשַׁנְדָּ֛תָא (parshandata) = Parsjandata | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | דַּֽלְפ֖וֹן (dalfon) = Dalfon | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | אַסְפָּֽתָא (aspata) = Aspata Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de tien zonen van Haman (vers 7–10) zijn Perzisch. De Nederlandse spelling volgt de Hebreeuwse klanken. **9:8** Porata, Adalja en Aridata, Brontekst: וְאֵ֧ת (veet) = en (obj.) | פּוֹרָ֛תָא (porata) = Porata | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | אֲדַלְיָ֖א (adalya) = Adalja | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | אֲרִידָֽתָא (aridata) = Aridata Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:9** Parmasjta, Arisai, Aridai en Wajezata, Brontekst: וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | פַּרְמַ֨שְׁתָּא֙ (parmashta) = Parmasjta | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | אֲרִיסַ֔י (arisay) = Arisai | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | אֲרִדַ֖י (ariday) = Aridai | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | וַיְזָֽתָא (vayzata) = Wajezata Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:10** de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedata, de vijand van de Joden, doodden zij. Maar naar de buit staken zij hun hand niet uit. Brontekst: עֲ֠שֶׂרֶת (aseret) = tien van | בְּנֵ֨י (benei) = zonen van | הָמָ֧ן (haman) = Haman | בֶּֽן (ben) = zoon van | הַמְּדָ֛תָא (hamedata) = Hammedata | צֹרֵ֥ר (tsorer) = vijand van | הַיְּהוּדִ֖ים (hayehudim) = de Joden | הָרָ֑גוּ (haragu) = zij doodden | וּבַ֨בִּזָּ֔ה (uvabiza) = en naar de buit | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁלְח֖וּ (shalechu) = zij strekten uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדָֽם (yadam) = hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Joden mochten de buit nemen (8:11), maar zij deden het niet. Dat wordt in vers 15 en 16 herhaald. Zie ook: Gen 14:23; Job 18:18–19; Job 27:13–15; Est 5:11; Est 8:11; Est 9:15; Est 9:16 ### Esters tweede verzoek **9:11** Op die dag werd het aantal van de gedoden in Sjoesjan, de burcht, voor het aangezicht van de koning gebracht. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | בָּ֣א (ba) = kwam | מִסְפַּ֧ר (mispar) = het aantal van | הַֽהֲרוּגִ֛ים (haharugim) = de gedoden | בְּשׁוּשַׁ֥ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָ֖ה (habira) = de burcht | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. **9:12** De koning zei tegen koningin Ester: „In Sjoesjan, de burcht, hebben de Joden 500 man gedood en laten omkomen, en de tien zonen van Haman. Wat hebben zij gedaan in de overige provincies van de koning? Wat is je vraag? Het zal je worden gegeven. En wat is nog je verzoek? Het zal worden gedaan.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְאֶסְתֵּ֣ר (leester) = aan Ester | הַמַּלְכָּ֗ה (hamalka) = de koningin | בְּשׁוּשַׁ֣ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָ֡ה (habira) = de burcht | הָרְגוּ֩ (haregu) = hebben gedood | הַיְּהוּדִ֨ים (hayehudim) = de Joden | וְאַבֵּ֜ד (veabed) = en laten omkomen | חֲמֵ֧שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אִ֗ישׁ (ish) = man | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | הָמָ֔ן (haman) = Haman | בִּשְׁאָ֛ר (bishar) = in de overige | מְדִינ֥וֹת (medinot) = provincies van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מֶ֣ה (me) = wat | עָשׂ֑וּ (asu) = hebben zij gedaan | וּמַה (uma) = en wat | שְּׁאֵֽלָתֵךְ֙ (sheelatekh) = is je verzoek | וְיִנָּ֣תֵֽן (veyinaten) = en het zal worden gegeven | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | וּמַה (uma) = en wat | בַּקָּשָׁתֵ֥ךְ (baqashatekh) = is je wens | ע֖וֹד (od) = nog | וְתֵעָֽשׂ (veteas) = en het zal worden gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: שְּׁאֵלָתֵךְ (she'elatech), ‘je vraag’, en בַּקָּשָׁתֵךְ (baqqashatech), ‘je verzoek’: de twee woorden staan ook samen in 5:6 en 7:2. Zie ook: Est 5:6; Est 7:2 **9:13** Ester zei: „Als het de koning goeddunkt, laat het dan morgen ook aan de Joden in Sjoesjan worden gegeven om te doen volgens het besluit van vandaag. En laat men de tien zonen van Haman aan de paal hangen.” Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | אֶסְתֵּר֙ (ester) = Ester | אִם (im) = als | עַל (al) = op | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֔וֹב (tov) = goed | יִנָּתֵ֣ן (yinaten) = laat worden gegeven | גַּם (gam) = ook | מָחָ֗ר (machar) = morgen | לַיְּהוּדִים֙ (layehudim) = aan de Joden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּשׁוּשָׁ֔ן (beshushan) = in Sjoesjan | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | כְּדָ֣ת (kedat) = volgens het besluit van | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | הָמָ֖ן (haman) = Haman | יִתְל֥וּ (yitlu) = laat hangen | עַל (al) = aan | הָעֵֽץ (haets) = de paal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: הָעֵץ (ha'ets), ‘de paal’: zie ook 5:14, 7:9–10 en 8:7. De zonen van Haman waren al gedood (vers 10). Het gaat hier dus waarschijnlijk om het ophangen van hun lichamen. Vergelijk Deut. 21:22–23. Zie ook: Deut 21:22–23; Deut 21:23; 2 Sam 21:6; 2 Sam 21:9; Est 8:11; Est 9:10; Gal 3:13 **9:14** De koning zei dat het zo gedaan moest worden. In Sjoesjan werd een besluit gegeven, en zij hingen de tien zonen van Haman op. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לְהֵֽעָשׂ֣וֹת (leheasot) = dat het gedaan werd | כֵּ֔ן (ken) = zo | וַתִּנָּתֵ֥ן (vatinaten) = en werd gegeven | דָּ֖ת (dat) = een besluit | בְּשׁוּשָׁ֑ן (beshushan) = in Sjoesjan | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | הָמָ֖ן (haman) = Haman | תָּלֽוּ (talu) = zij hingen op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. **9:15** De Joden die in Sjoesjan waren, verzamelden zich ook op de veertiende van de maand Adar. Zij doodden in Sjoesjan 300 man, maar naar de buit staken zij hun hand niet uit. Brontekst: וַיִּֽקָּהֲל֞וּ (vayiqahalu) = en verzamelden zich | הַיְּהוּדִ֣ים (hayehudim) = de Joden | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּשׁוּשָׁ֗ן (beshushan) = in Sjoesjan | גַּ֠ם (gam) = ook | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag | אַרְבָּעָ֤ה (arbaa) = vier | עָשָׂר֙ (asar) = tien | לְחֹ֣דֶשׁ (lechodesh) = van de maand | אֲדָ֔ר (adar) = Adar | וַיַּֽהַרְג֣וּ (vayahargu) = en doodden | בְשׁוּשָׁ֔ן (beshushan) = in Sjoesjan | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִ֑ישׁ (ish) = man | וּבַ֨בִּזָּ֔ה (uvabiza) = en naar de buit | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁלְח֖וּ (shalechu) = zij strekten uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדָֽם (yadam) = hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: Est 8:11; Est 9:2; Est 9:10; 1 Tess 5:22; Heb 13:5 ### De strijd in de provincies **9:16** De overige Joden, die in de provincies van de koning waren, verzamelden zich en kwamen op voor hun leven. Zij kregen rust van hun vijanden en doodden 75.000 van hun haters. Maar naar de buit staken zij hun hand niet uit. Brontekst: וּשְׁאָ֣ר (ushear) = en de overige | הַיְּהוּדִ֡ים (hayehudim) = de Joden | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | בִּמְדִינ֨וֹת (bimdinot) = in de provincies van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | נִקְהֲל֣וּ (niqhalu) = verzamelden zich | וְעָמֹ֣ד (veamod) = en kwamen op | עַל (al) = voor | נַפְשָׁ֗ם (nafsham) = hun leven | וְנ֨וֹחַ֙ (venoach) = en kregen rust | מֵאֹ֣יְבֵיהֶ֔ם (meoyeveihem) = van hun vijanden | וְהָרֹג֙ (veharog) = en doodden | בְּשֹׂ֣נְאֵיהֶ֔ם (besoneeihem) = van hun haters | חֲמִשָּׁ֥ה (chamisha) = vijf | וְשִׁבְעִ֖ים (veshivim) = en zeventig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וּבַ֨בִּזָּ֔ה (uvabiza) = en naar de buit | לֹ֥א (lo) = niet | שָֽׁלְח֖וּ (shalechu) = zij strekten uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדָֽם (yadam) = hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשָׁם (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘leven’. Zie ook: Lev 26:7–8; Est 8:11; Est 9:2 ### Rust en feestmaal **9:17** Dit was op de dertiende van de maand Adar. Op de veertiende rustten zij en maakten er een dag van feestmaal en vreugde van. Brontekst: בְּיוֹם (beyom) = op de dag | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | לְחֹ֣דֶשׁ (lechodesh) = van de maand | אֲדָ֑ר (adar) = Adar | וְנ֗וֹחַ (venoach) = en rust | בְּאַרְבָּעָ֤ה (bearbaa) = op vier | עָשָׂר֙ (asar) = tien | בּ֔וֹ (bo) = daarvan | וְעָשֹׂ֣ה (veaso) = en maakten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | י֖וֹם (yom) = een dag van | מִשְׁתֶּ֥ה (mishte) = feestmaal | וְשִׂמְחָֽה (vesimcha) = en vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier alleen de tijdsbepaling ‘op de dag, de dertiende van de maand Adar’. Wij vullen ‘Dit was’ aan. Zie ook: Est 3:12; Est 8:9; Est 9:1; Est 9:18; Est 9:21 **9:18** De Joden die in Sjoesjan waren, hadden zich verzameld op de dertiende en de veertiende daarvan. Op de vijftiende daarvan rustten zij en maakten er een dag van feestmaal en vreugde van. Brontekst: וְהַיְּהוּדִ֣ים (vehayehudim) = en de Joden | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּשׁוּשָׁ֗ן (beshushan) = in Sjoesjan | נִקְהֲלוּ֙ (niqhalu) = hadden zich verzameld | בִּשְׁלֹשָׁ֤ה (bishlosha) = op drie | עָשָׂר֙ (asar) = tien | בּ֔וֹ (bo) = daarvan | וּבְאַרְבָּעָ֥ה (uvearbaa) = en op vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | בּ֑וֹ (bo) = daarvan | וְנ֗וֹחַ (venoach) = en rust | בַּחֲמִשָּׁ֤ה (bachamisha) = op vijf | עָשָׂר֙ (asar) = tien | בּ֔וֹ (bo) = daarvan | וְעָשֹׂ֣ה (veaso) = en maakten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | י֖וֹם (yom) = een dag van | מִשְׁתֶּ֥ה (mishte) = feestmaal | וְשִׂמְחָֽה (vesimcha) = en vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: De Joden in Sjoesjan streden twee dagen (de dertiende en de veertiende, vers 15) en rustten daarom op de vijftiende. De Joden in de provincies streden één dag en rustten op de veertiende (vers 16–17). Zo verklaart de tekst het verschil in de feestdag. Zie ook: Est 9:1; Est 9:11; Est 9:13; Est 9:15; Est 9:16–17; Est 9:21 **9:19** Daarom vieren de Joden van het platteland, die in de steden zonder muren wonen, de veertiende van de maand Adar. Het is een dag van vreugde en feestmaal, een feestdag en het sturen van porties, ieder aan zijn naaste. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֞ן (ken) = (daarom) | הַיְּהוּדִ֣ים (hayehudim) = de Joden | הַפְּרָזִ֗ים (haperazim) = van het platteland | הַיֹּשְׁבִים֮ (hayoshevim) = die wonen | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | הַפְּרָזוֹת֒ (haperazot) = de dorpen zonder muren | עֹשִׂ֗ים (osim) = vieren | אֵ֠ת (et) = (obj.) | י֣וֹם (yom) = de dag van | אַרְבָּעָ֤ה (arbaa) = vier | עָשָׂר֙ (asar) = tien | לְחֹ֣דֶשׁ (lechodesh) = van de maand | אֲדָ֔ר (adar) = Adar | שִׂמְחָ֥ה (simcha) = als vreugde | וּמִשְׁתֶּ֖ה (umishte) = en feestmaal | וְי֣וֹם (veyom) = en een dag | ט֑וֹב (tov) = goed | וּמִשְׁל֥וֹחַ (umishloach) = en het sturen van | מָנ֖וֹת (manot) = porties | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְרֵעֵֽהוּ (lereehu) = aan zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפְּרָזִים (happerazim), ‘van het platteland’: letterlijk ‘de bewoners van open dorpen’. הַפְּרָזוֹת (perazot), ‘zonder muren’: open plaatsen zonder stadsmuur. Het woord staat ook in Ezech. 38:11 en Zach. 2:8 (‘open dorpen’). Voetnoot : מָנוֹת (manot), ‘porties’: delen eten die men elkaar stuurt. Zie ook vers 22 en Neh. 8:10–12. Zie ook: Deut 16:14; Ezech 38:11; Zach 2:8; Est 8:17; Est 9:22; Neh 8:10–12; Openb 11:10 ### Mordechai stelt de feestdagen in **9:20** Mordechai schreef deze gebeurtenissen op en stuurde brieven naar alle Joden die in alle provincies van koning Ahasveros waren, dichtbij en veraf. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֣ב (vayikhtov) = en schreef | מָרְדֳּכַ֔י (mardokhay) = Mordechai | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de gebeurtenissen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en stuurde | סְפָרִ֜ים (sefarim) = brieven | אֶל (el) = naar | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֗ים (hayehudim) = de Joden | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּכָל (bekhal) = in alle | מְדִינוֹת֙ (medinot) = provincies van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | הַקְּרוֹבִ֖ים (haqerovim) = de dichtbije | וְהָרְחוֹקִֽים (veharechoqim) = en de veraf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַדְּבָרִים (haddevarim), ‘de gebeurtenissen’: het Hebreeuwse woord betekent ‘woorden’ of ‘zaken’. Hier gaat het om wat er is gebeurd. Zie ook: Ex 17:14; Deut 31:19–22; Ps 124:1–3; Est 3:12; 2 Kor 1:10–11 **9:21** Hij stelde onder hen vast dat zij elk jaar de veertiende en de vijftiende van de maand Adar zouden vieren. Brontekst: לְקַיֵּם֮ (leqayem) = om vast te stellen | עֲלֵיהֶם֒ (aleihem) = voor hen | לִהְי֣וֹת (lihyot) = dat zij zouden | עֹשִׂ֗ים (osim) = vieren | אֵ֠ת (et) = (obj.) | י֣וֹם (yom) = de dag van | אַרְבָּעָ֤ה (arbaa) = vier | עָשָׂר֙ (asar) = tien | לְחֹ֣דֶשׁ (lechodesh) = van de maand | אֲדָ֔ר (adar) = Adar | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | יוֹם (yom) = de dag van | חֲמִשָּׁ֥ה (chamisha) = vijf | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | בּ֑וֹ (bo) = daarvan | בְּכָל (bekhal) = in elk | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וְשָׁנָֽה (veshana) = en jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְקַיֵּם (leqayyem), ‘vaststellen’: het werkwoord betekent letterlijk ‘laten opstaan’, dus ‘bevestigen’. Wij gebruiken ‘vaststellen’ ook in vers 27, 29, 31 en 32. Zie ook: Est 9:27; Est 9:29; Est 9:31; Est 9:32 **9:22** Dat waren de dagen waarop de Joden rust kregen van hun vijanden. Het was de maand die voor hen was omgekeerd van verdriet in vreugde en van rouw in een feestdag. Zij moesten er dagen van feestmaal en vreugde van maken. Dat moest met het sturen van porties, ieder aan zijn naaste, en met geschenken aan de armen. Brontekst: כַּיָּמִ֗ים (kayamim) = als de dagen | אֲשֶׁר (asher) = waarop | נָ֨חוּ (nachu) = rust kregen | בָהֶ֤ם (bahem) = daarin | הַיְּהוּדִים֙ (hayehudim) = de Joden | מֵא֣וֹיְבֵיהֶ֔ם (meoyeveihem) = van hun vijanden | וְהַחֹ֗דֶשׁ (vehachodesh) = en de maand | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | נֶהְפַּ֨ךְ (nehpakh) = was omgekeerd | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | מִיָּגוֹן֙ (miyagon) = van verdriet | לְשִׂמְחָ֔ה (lesimcha) = tot vreugde | וּמֵאֵ֖בֶל (umeevel) = en van rouw | לְי֣וֹם (leyom) = tot een dag | ט֑וֹב (tov) = goed | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te maken | אוֹתָ֗ם (otam) = hen | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | מִשְׁתֶּ֣ה (mishte) = feestmaal | וְשִׂמְחָ֔ה (vesimcha) = en vreugde | וּמִשְׁל֤וֹחַ (umishloach) = en het sturen van | מָנוֹת֙ (manot) = porties | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְרֵעֵ֔הוּ (lereehu) = aan zijn naaste | וּמַתָּנ֖וֹת (umatanot) = en geschenken | לָֽאֶבְיוֹנִֽים (laevyonim) = aan de armen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִיָּגוֹן (yagon), ‘verdriet’, en וּמֵאֵבֶל (evel), ‘rouw’: de maand heeft zich omgekeerd van verdriet in vreugde. Dit is dezelfde omkering als in vers 1. Voetnoot : לָאֶבְיוֹנִים (evyonim), ‘armen’: mensen die gebrek hebben. Zie ook: Ps 30:12; Jes 12:1–2; Jes 14:3; Est 3:12–13; Est 9:1; Est 9:19 **9:23** De Joden namen aan wat zij waren begonnen te doen en wat Mordechai aan hen had geschreven. Brontekst: וְקִבֵּל֙ (veqibel) = en nam aan | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = de Joden | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | הֵחֵ֖לּוּ (hechelu) = zij waren begonnen | לַעֲשׂ֑וֹת (laasot) = te doen | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | כָּתַ֥ב (katav) = had geschreven | מָרְדֳּכַ֖י (mardokhay) = Mordechai | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Waarom het Purim heet **9:24** Want Haman, de zoon van Hammedata, de Agagiet, de vijand van alle Joden, had tegen de Joden een plan bedacht om hen te laten omkomen. Hij had de pur geworpen, dat is het lot, om hen in verwarring te brengen en te laten omkomen. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | הָמָ֨ן (haman) = Haman | בֶּֽן (ben) = zoon van | הַמְּדָ֜תָא (hamedata) = Hammedata | הָֽאֲגָגִ֗י (haagagi) = de Agagiet | צֹרֵר֙ (tsorer) = vijand van | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = de Joden | חָשַׁ֥ב (chashav) = had bedacht | עַל (al) = tegen | הַיְּהוּדִ֖ים (hayehudim) = de Joden | לְאַבְּדָ֑ם (leabedam) = om hen te laten omkomen | וְהִפִּ֥יל (vehipil) = en hij wierp | פּוּר֙ (pur) = de pur | ה֣וּא (hu) = dat is | הַגּוֹרָ֔ל (hagoral) = het lot | לְהֻמָּ֖ם (lehumam) = om hen in verwarring te brengen | וּֽלְאַבְּדָֽם (uleabedam) = en hen te laten omkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוּר (pur), ‘lot’: een vreemd woord, dat de tekst zelf uitlegt. Zie ook 3:7. Voetnoot : לְהֻמָּם (lehummam), ‘in verwarring brengen’: het werkwoord kan ook ‘verpletteren’ betekenen. In Deut. 2:15 vertalen wij hetzelfde woord als ‘verdelgen’. Zie ook: Deut 2:15; Est 3:5–13; Est 9:10 **9:25** Toen zij voor het aangezicht van de koning kwam, zei hij met de brief dat zijn boze plan op zijn hoofd moest terugkeren. Dat plan had hij tegen de Joden bedacht. Zij hingen hem en zijn zonen aan de paal. Brontekst: וּבְבֹאָהּ֮ (uvevoah) = en toen zij kwam | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּלֶךְ֒ (hamelekh) = de koning | אָמַ֣ר (amar) = zei hij | עִם (im) = met | הַסֵּ֔פֶר (hasefer) = de brief | יָשׁ֞וּב (yashuv) = zou terugkeren | מַחֲשַׁבְתּ֧וֹ (machashavto) = zijn plan | הָרָעָ֛ה (haraa) = het boze | אֲשֶׁר (asher) = dat | חָשַׁ֥ב (chashav) = hij had bedacht | עַל (al) = tegen | הַיְּהוּדִ֖ים (hayehudim) = de Joden | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְתָל֥וּ (vetalu) = en zij hingen | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | עַל (al) = aan | הָעֵֽץ (haets) = de paal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּבְבֹאָהּ (uvevo'ah), ‘en toen zij kwam’: het werkwoord is vrouwelijk enkelvoud en een onderwerp ontbreekt. Waarschijnlijk is Ester bedoeld (zie 7:1–6 en 8:3). Het kan ook ‘de zaak’ zijn. Voetnoot : עִם הַסֵּפֶר (im hasefer), ‘met de brief’: onzeker. Het kan betekenen dat de koning zijn bevel schriftelijk gaf, zoals in 8:5–10. Zie ook: Ps 7:17; Ps 109:17–18; Ps 141:10; Est 7:5–8:14; Est 9:13–14 **9:26** Daarom noemden zij deze dagen Purim, naar de naam van de pur. Dit was vanwege alle woorden van deze brief en vanwege wat zij hierover hadden gezien en wat hen was overkomen. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֡ן (ken) = (daarom) | קָֽרְאוּ֩ (qareu) = noemden zij | לַיָּמִ֨ים (layamim) = deze | הָאֵ֤לֶּה (haele) = dagen | פוּרִים֙ (purim) = Purim | עַל (al) = naar | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | הַפּ֔וּר (hapur) = de pur | עַל (al) = daarom | כֵּ֕ן (ken) = (daarom) | עַל (al) = om | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | הָאִגֶּ֣רֶת (haigeret) = de brief | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וּמָֽה (uma) = en wat | רָא֣וּ (rau) = zij hadden gezien | עַל (al) = over | כָּ֔כָה (kakha) = dit | וּמָ֥ה (uma) = en wat | הִגִּ֖יעַ (higia) = kwam | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = bij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פוּרִים (Purim), ‘Purim’: het meervoud van pur, ‘lot’. הָאִגֶּרֶת (ha'iggeret), ‘de brief’: de brief van Mordechai (vers 20). Zie ook: Num 17:5; Ezech 39:11; Est 9:20 **9:27** De Joden stelden vast en namen het op zich, voor zichzelf, voor hun nageslacht en voor allen die zich bij hen aansloten. Het zou niet voorbijgaan. Zij zouden deze twee dagen vieren, volgens wat daarover geschreven stond en op hun tijd, elk jaar. Brontekst: קִיְּמ֣וּ (qiyemu) = stelden vast | וְקִבְּל֣וּ (veqibelu) = en namen op zich | הַיְּהוּדִים֩ (hayehudim) = de Joden | עֲלֵיהֶ֨ם (aleihem) = voor zich | וְעַל (veal) = en voor | זַרְעָ֜ם (zaram) = hun nageslacht | וְעַ֨ל (veal) = en voor | כָּל (kal) = allen | הַנִּלְוִ֤ים (hanilvim) = die zich aansloten | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = bij hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲב֔וֹר (yaavor) = zal voorbijgaan | לִהְי֣וֹת (lihyot) = dat zij zouden | עֹשִׂ֗ים (osim) = vieren | אֵ֣ת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | הַיָּמִים֙ (hayamim) = dagen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | כִּכְתָבָ֖ם (kikhtavam) = volgens hun schrift | וְכִזְמַנָּ֑ם (vekhizmanam) = en volgens hun tijd | בְּכָל (bekhal) = in elk | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וְשָׁנָֽה (veshana) = en jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּלְוִים (hannilvim), ‘die zich aansloten’: mensen die zich bij de Joden voegden. Vergelijk 8:17. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וְקִבְּלוּ (veqibbelu), ‘en zij namen op zich’. De geschreven tekst (ketiv) heeft het werkwoord in het enkelvoud (‘hij nam op zich’), met dezelfde betekenis: de Joden als één geheel. Zie ook: Deut 5:3; Jes 56:3; Jes 56:6; Zach 2:15; Est 8:17 **9:28** Deze dagen worden herdacht en gevierd, in elke generatie, in elke familie, in elke provincie en in elke stad. Deze dagen van Purim zullen niet voorbijgaan uit het midden van de Joden, en de herinnering eraan zal niet ophouden bij hun nageslacht. Brontekst: וְהַיָּמִ֣ים (vehayamim) = en de dagen | הָ֠אֵלֶּה (haele) = deze | נִזְכָּרִ֨ים (nizkarim) = worden herdacht | וְנַעֲשִׂ֜ים (venaasim) = en gevierd | בְּכָל (bekhal) = in elke | דּ֣וֹר (dor) = generatie | וָד֗וֹר (vador) = en generatie | מִשְׁפָּחָה֙ (mishpacha) = familie | וּמִשְׁפָּחָ֔ה (umishpacha) = en familie | מְדִינָ֥ה (medina) = provincie | וּמְדִינָ֖ה (umedina) = en provincie | וְעִ֣יר (veir) = en stad | וָעִ֑יר (vair) = en stad | וִימֵ֞י (vimei) = en de dagen van | הַפּוּרִ֣ים (hapurim) = Purim | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | לֹ֤א (lo) = niet | יַֽעַבְרוּ֙ (yaavru) = zullen voorbijgaan | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = de Joden | וְזִכְרָ֖ם (vezikhram) = en hun herinnering | לֹא (lo) = niet | יָס֥וּף (yasuf) = zal ophouden | מִזַּרְעָֽם (mizaram) = bij hun nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:17; Ex 13:8–9; Joz 4:7; Ps 78:5–7; Ps 103:2 ### De tweede brief van Ester en Mordechai **9:29** Koningin Ester, de dochter van Abichaïl, en Mordechai de Jood schreven met alle gezag om deze tweede brief over Purim vast te stellen. Brontekst: וַ֠תִּכְתֹּב (vatikhtov) = en schreef | אֶסְתֵּ֨ר (ester) = Ester | הַמַּלְכָּ֧ה (hamalka) = de koningin | בַת (bat) = dochter van | אֲבִיחַ֛יִל (avichayil) = Abichaïl | וּמָרְדֳּכַ֥י (umardokhay) = en Mordechai | הַיְּהוּדִ֖י (hayehudi) = de Jood | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | תֹּ֑קֶף (toqef) = kracht | לְקַיֵּ֗ם (leqayem) = om vast te stellen | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אִגֶּ֧רֶת (igeret) = brief van | הַפּוּרִ֛ים (hapurim) = Purim | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | הַשֵּׁנִֽית (hashenit) = tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּקֶף (toqef), ‘gezag’: letterlijk ‘kracht’. Zie ook 10:2. Voetnoot : אֲבִיחַיִל (Avichayil), ‘Abichaïl’: de vader van Ester (2:15). Voetnoot : Het werkwoord ‘schreef’ staat in het enkelvoud (vrouwelijk), hoewel Mordechai erbij wordt genoemd. Zie ook: Est 2:15; Est 3:15; Est 8:10; Est 9:20 **9:30** Hij stuurde brieven naar alle Joden, naar de 127 provincies van het koninkrijk van Ahasveros. Het waren woorden van vrede en waarheid. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij stuurde | סְפָרִ֜ים (sefarim) = brieven | אֶל (el) = naar | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֗ים (hayehudim) = de Joden | אֶל (el) = naar | שֶׁ֨בַע (sheva) = zeven | וְעֶשְׂרִ֤ים (veesrim) = en twintig | וּמֵאָה֙ (umea) = en honderd | מְדִינָ֔ה (medina) = provincies | מַלְכ֖וּת (malkhut) = het koninkrijk van | אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | וֶאֱמֶֽת (veemet) = en waarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘stuurde’ is enkelvoud. Het gaat waarschijnlijk om Mordechai. Het getal 127 staat ook in 1:1 en 8:9. Zie ook: Jes 39:8; Zach 8:19; Est 1:1; Est 8:9 **9:31** Zo moesten deze dagen van Purim worden vastgesteld op hun tijden, zoals Mordechai de Jood en koningin Ester voor hen hadden vastgesteld. Ook hadden zij voor zichzelf en voor hun nageslacht vastgesteld: de woorden over de vastendagen en hun noodkreet. Brontekst: לְקַיֵּ֡ם (leqayem) = om vast te stellen | אֵת (et) = (obj.) | יְמֵי֩ (yemei) = dagen van | הַפֻּרִ֨ים (hapurim) = Purim | הָאֵ֜לֶּה (haele) = deze | בִּזְמַנֵּיהֶ֗ם (bizmaneihem) = op hun tijden | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | קִיַּ֨ם (qiyam) = had vastgesteld | עֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = voor hen | מָרְדֳּכַ֤י (mardokhay) = Mordechai | הַיְּהוּדִי֙ (hayehudi) = de Jood | וְאֶסְתֵּ֣ר (veester) = en Ester | הַמַּלְכָּ֔ה (hamalka) = de koningin | וְכַאֲשֶׁ֛ר (vekhaasher) = en zoals | קִיְּמ֥וּ (qiyemu) = zij hadden vastgesteld | עַל (al) = voor | נַפְשָׁ֖ם (nafsham) = zichzelf | וְעַל (veal) = en voor | זַרְעָ֑ם (zaram) = hun nageslacht | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַצֹּמ֖וֹת (hatsomot) = de vastendagen | וְזַעֲקָתָֽם (vezaaqatam) = en hun noodkreet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי הַצֹּמוֹת וְזַעֲקָתָם (divrei hatsomot vezaaqatam), ‘de woorden over de vastendagen en hun noodkreet’: de zin is kort en niet eenduidig. Het kan betekenen dat ook het vasten en de noodkreet (4:3, 4:16) bij de gedenkdagen horen. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : In vers 31 en 32 staat de naam ‘Purim’ in een kortere spelling (הַפֻּרִים). Het is dezelfde naam. Zie ook: Jona 3:2–9; Est 4:3; Est 4:16; Est 9:32 **9:32** Het bevel van Ester stelde deze woorden over Purim vast, en het werd in het boek geschreven. Brontekst: וּמַאֲמַ֣ר (umaamar) = en het bevel van | אֶסְתֵּ֔ר (ester) = Ester | קִיַּ֕ם (qiyam) = stelde vast | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַפֻּרִ֖ים (hapurim) = Purim | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְנִכְתָּ֖ב (venikhtav) = en het werd geschreven | בַּסֵּֽפֶר (basefer) = in het boek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמַאֲמַר (ma'amar), ‘bevel’: zo ook in 1:15 en 2:20. Voetnoot : בַּסֵּפֶר (basefer), ‘in het boek’: de tekst zegt niet welk boek bedoeld is. Zie ook: Est 9:26 ## Ester 10 _De grootheid van koning Ahasveros en van Mordechai_ ### De grootheid van Ahasveros en Mordechai **10:1** Koning Ahasveros legde dwangarbeid op het land en op de eilanden van de zee. Brontekst: וַיָּשֶׂם֩ (vayasem) = en legde | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲחַשְׁוֵר֧וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | מַ֛ס (mas) = dwangarbeid | עַל (al) = op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | וְאִיֵּ֥י (veiyei) = en de eilanden van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַס (mas), ‘dwangarbeid’: zo vertalen wij het woord ook in 1 Kon. 9:15. Hier gaat het waarschijnlijk om een heffing of belasting. Wat de koning precies oplegde, is onzeker. Voetnoot : וְאִיֵּי הַיָּם (iyyei hayyam), ‘de eilanden van de zee’: de kust- en eilandlanden aan de rand van het rijk. Zie ook: Ps 72:10; 1 Kon 9:15; Jes 11:11; Jes 24:15; Est 1:1; Luc 2:1 **10:2** Staan niet al de daden van zijn kracht en macht geschreven in het dagboek van de koningen van Medië en Perzië? Dat geldt ook voor het verslag van de grootheid van Mordechai, waartoe de koning hem verhief. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en al | מַעֲשֵׂ֤ה (maase) = de daden van | תָקְפּוֹ֙ (taqpo) = zijn kracht | וּגְב֣וּרָת֔וֹ (ugevurato) = en zijn macht | וּפָרָשַׁת֙ (ufarashat) = en het verslag van | גְּדֻלַּ֣ת (gedulat) = de grootheid van | מָרְדֳּכַ֔י (mardokhay) = Mordechai | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waartoe | גִּדְּל֖וֹ (gidelo) = verhief hem | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | הֲלוֹא (halo) = niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֨פֶר֙ (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֖י (lemalkhei) = voor de koningen van | מָדַ֥י (maday) = Medië | וּפָרָֽס (ufaras) = en Perzië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayamim), ‘dagboek’: letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’, de hofkroniek. Zie ook 2:23, 6:1 en 1 Kon. 14:19. Het is niet het bijbelboek Kronieken. Voetnoot : תָקְפּוֹ (toqpo), ‘zijn kracht’: hetzelfde woord als ‘gezag’ in 9:29. Zie ook: 1 Kon 14:19; Est 2:23; Est 6:1; Est 8:15; Est 9:4 **10:3** Want Mordechai de Jood was de tweede na koning Ahasveros. Hij was groot voor de Joden en geliefd bij het merendeel van zijn broeders. Hij zocht het goede voor zijn volk en sprak vrede voor heel zijn nageslacht. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מָרְדֳּכַ֣י (mardokhay) = Mordechai | הַיְּהוּדִ֗י (hayehudi) = de Jood | מִשְׁנֶה֙ (mishne) = de tweede | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = na de koning | אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | וְגָדוֹל֙ (vegadol) = en groot | לַיְּהוּדִ֔ים (layehudim) = voor de Joden | וְרָצ֖וּי (veratsuy) = en geliefd | לְרֹ֣ב (lerov) = bij de meerderheid van | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broeders | דֹּרֵ֥שׁ (doresh) = zocht | טוֹב֙ (tov) = het goede | לְעַמּ֔וֹ (leamo) = voor zijn volk | וְדֹבֵ֥ר (vedover) = en sprak | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | לְכָל (lekhal) = voor heel | זַרְעֽוֹ (zaro) = zijn nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁנֶה לַמֶּלֶךְ (mishneh lammelech), ‘de tweede na de koning’: vergelijk 2 Kron. 28:7. Voetnoot : לְרֹב אֶחָיו (lerov echav), ‘bij het merendeel van zijn broeders’: het woord rov kan ‘menigte’ of ‘meerderheid’ betekenen. Zie ook: Gen 41:40; 2 Kron 28:7; Dan 5:29; Neh 2:10; Rom 10:1; Rom 14:18