# Deuteronomium (דברים, Devarim) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Deuteronomium 1 _Mozes kijkt terug: van Horeb naar Kades-Barnea_ ### Mozes begint te spreken **1:1** Dit zijn de woorden die Mozes tot heel Israël sprak, aan de overkant van de Jordaan. Het was in de woestijn, in de Araba, tegenover Suf, tussen Paran en Tofel, Laban, Hazerot en Di-Zahab. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | הַדְּבָרִ֗ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | דִּבֶּ֤ר (diber) = sprak | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּעֵ֖בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | בַּמִּדְבָּ֡ר (bamidbar) = in de woestijn | בָּֽעֲרָבָה֩ (baarava) = in de Araba | מ֨וֹל (mol) = tegenover | ס֜וּף (suf) = Suf | בֵּֽין (bein) = tussen | פָּארָ֧ן (paran) = Paran | וּבֵֽין (uvein) = en tussen | תֹּ֛פֶל (tofel) = Tofel | וְלָבָ֥ן (velavan) = en Laban | וַחֲצֵרֹ֖ת (vachatserot) = en Hazerot | וְדִ֥י (vedi) = en Di | זָהָֽב (zahav) = Zahab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mozes spreekt ‘aan de overkant van de Jordaan’, dus ten oosten van de rivier, in de vlakte tegenover het beloofde land. De Araba is de diepe vallei van de Jordaan en de Dode Zee, die zich naar het zuiden voortzet tot de Golf van Akaba. Suf, Tofel, Laban, Hazerot en Di-Zahab zijn plaatsnamen waarvan wij de ligging niet kennen; Paran is de woestijn in het zuiden van het Sinaïschiereiland. Zie Chaserot: Chaserot wordt voorgesteld bij Ain Chudra, ten noordoosten van de Sinaï. Dit is een voorstel; de plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עֵבֶר (ever), ‘overkant’: de plek van waaruit je spreekt bepaalt welke kant het is. Hier is dat de oostkant van de Jordaan. Zie ook: Gen 21:21; Num 32:32; Deut 33:2; Joz 22:7; 1 Sam 25:1 **1:2** Het is elf dagen van Horeb naar Kades-Barnea, langs de weg van het bergland Seïr. Brontekst: אַחַ֨ד (achad) = één | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | יוֹם֙ (yom) = dagen | מֵֽחֹרֵ֔ב (mechorev) = vanaf Horeb | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = de weg van | הַר (har) = het bergland van | שֵׂעִ֑יר (seir) = Seïr | עַ֖ד (ad) = tot | קָדֵ֥שׁ (qadesh) = Kades | בַּרְנֵֽעַ (barnea) = Barnea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Horeb is de berg waar Yahweh sprak en het verbond sloot. In Exodus heet die berg Sinaï (Exod. 19:1–2); Horeb komt voor in Exod. 3:1 en 17:6. De traditionele berg is de Jebel Musa op het zuiden van het Sinaïschiereiland, maar zeker is dat niet. Kades-Barnea ligt waarschijnlijk bij Ain el-Qudeirat, in het noorden van het Sinaïschiereiland (Egypte), vlak bij de grens met Israël. Elf dagreizen is ongeveer 250 kilometer. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: חֹרֵב (Choreb), ‘Horeb’: in Deuteronomium noemt Mozes de berg steeds zo. Wij houden de naam zoals hij in het Hebreeuws staat. Zie ook: Ex 3:1; Ex 17:6; Ex 19:1–2; Lev 9:23; Num 13:26; Num 32:8; Deut 9:23 **1:3** In het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste dag van de maand, sprak Mozes tot de zonen van Israël. Hij sprak precies zoals Yahweh hem over hen had geboden. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בְּאַרְבָּעִ֣ים (bearbaim) = in veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בְּעַשְׁתֵּֽי (beashtei) = in één | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = maand | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op de eerste | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | דִּבֶּ֤ר (diber) = sprak | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כְּ֠כֹל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֧ה (tsiva) = geboden had | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֲלֵהֶֽם (alehem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘in veertig jaar, in elf tien maand’. Wij schrijven ‘het veertigste jaar’ en ‘de elfde maand’; de elfde maand valt ongeveer in januari–februari. Dit is vlak voor Mozes’ dood en de oversteek van de Jordaan (Deut. 34:5). Zie ook: Num 20:1; Num 33:38; Deut 4:1–2; Deut 34:5 **1:4** Dit was nadat hij Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde, had verslagen. Ook had hij Og verslagen, de koning van Basan die in Astarot woonde, bij Edrei. Brontekst: אַחֲרֵ֣י (acharei) = nadat | הַכֹּת֗וֹ (hakoto) = hij verslagen had | אֵ֚ת (et) = (obj.) | סִיחֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woonde | בְּחֶשְׁבּ֑וֹן (becheshbon) = in Chesbon | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | ע֚וֹג (og) = Og | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֔ן (habashan) = Basan | אֲשֶׁר (asher) = die | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = woonde | בְּעַשְׁתָּרֹ֖ת (beashtarot) = in Astarot | בְּאֶדְרֶֽעִי (beedrei) = in Edrei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon ligt bij het huidige Tell Hesban in Jordanië. Astarot is waarschijnlijk Tell Ashtara in het zuiden van Syrië. Edrei is waarschijnlijk het huidige Daraa, aan de grens van Syrië en Jordanië. Alle drie zijn waarschijnlijk, niet zeker. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt niet wie Sichon en Og versloeg; het gaat om Mozes en het volk (Num. 21:21–35). Zie ook: Num 21:21–35; Deut 2:26–3:11; Joz 12:2–6; Joz 13:10–12; Neh 9:22 **1:5** Aan de overkant van de Jordaan, in het land Moab, begon Mozes deze wet uit te leggen: Brontekst: בְּעֵ֥בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | הוֹאִ֣יל (hoil) = begon | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בֵּאֵ֛ר (beer) = uit te leggen | אֶת (et) = (obj.) | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht dat Yahweh geeft. Hier is het de uitleg van wat Yahweh bij Horeb en daarna gebood. Voetnoot : בֵּאֵר (be’er), ‘uitleggen’: letterlijk ‘duidelijk maken’. Zie ook Deut. 27:8. Voetnoot : הוֹאִיל (hoil), ‘begon’: ook te verstaan als ‘besloot’ of ‘nam het op zich’. Zie ook: Deut 4:8; Deut 17:18–19; Deut 27:8; Deut 31:9; Deut 32:46 ### Het bevel om op te breken van Horeb **1:6** Yahweh, onze Elohim, sprak bij Horeb tot ons: **„Jullie hebben lang genoeg bij deze berg gewoond.** Brontekst: יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֛ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | אֵלֵ֖ינוּ (eleinu) = tot ons | בְּחֹרֵ֣ב (bechorev) = in Horeb | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | רַב (rav) = genoeg | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | שֶׁ֖בֶת (shevet) = te blijven | בָּהָ֥ר (bahar) = bij de berg | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Mozes zelf. Zijn lange toespraak loopt door tot Deut. 30:20. Wij zetten die toespraak niet tussen aanhalingstekens. Wat Yahweh, Mozes of het volk daarin aanhalen, staat tussen „ ”; de woorden van Yahweh staan daarbij rood. Een aanhaling binnen een aanhaling staat tussen ‘ ’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws wisselt in de toespraak van Mozes vaak tussen ‘je’ (enkelvoud) en ‘jullie’ (meervoud) voor hetzelfde volk. Wij houden binnen een tekstdeel één vorm aan. De woord-voor-woordweergave laat het Hebreeuwse getal zien. Zie ook: Ex 3:1; Ex 17:6; Ex 19:1–2; Num 10:11–13; Deut 5:2; Deut 30:20 **1:7** **Keer om en breek op. Trek naar het bergland van de Amorieten en naar al hun buren. Zij wonen in de Araba, in het bergland, in de Sefela, in de Negev en aan de kust van de zee. Trek naar het land van de Kanaänieten en de Libanon, tot aan de grote rivier, de rivier Eufraat.** Brontekst: פְּנ֣וּ (penu) = keer om | וּסְע֣וּ (useu) = en breek op | לָכֶ֗ם (lakhem) = voor jullie | וּבֹ֨אוּ (uvou) = en ga | הַ֥ר (har) = naar het bergland van | הָֽאֱמֹרִי֮ (haemori) = de Amorieten | וְאֶל (veel) = en naar | כָּל (kal) = al | שְׁכֵנָיו֒ (shekhenav) = zijn buren | בָּעֲרָבָ֥ה (baarava) = in de Araba | בָהָ֛ר (bahar) = in het bergland | וּבַשְּׁפֵלָ֥ה (uvashefela) = en in de Sefela | וּבַנֶּ֖גֶב (uvanegev) = en in de Negev | וּבְח֣וֹף (uvechof) = en aan de kust van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | וְהַלְּבָנ֔וֹן (vehalevanon) = en de Libanon | עַד (ad) = tot | הַנָּהָ֥ר (hanahar) = de rivier | הַגָּדֹ֖ל (hagadol) = de grote | נְהַר (nehar) = de rivier | פְּרָֽת (perat) = Eufraat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Araba is de vallei van de Jordaan en de Dode Zee. De Sefela is het heuvelland tussen het bergland en de kust. De Negev is het droge zuiden van Kanaän. De kustvlakte ligt langs de Middellandse Zee. De Libanon ligt in het noorden. De Eufraat is de grote rivier in het noordoosten (nu in Syrië en Irak). Voetnoot Uitleg: שְׁפֵלָה (Sjefela), ‘laagland’: wij houden de naam. נֶגֶב (Negev) betekent ook ‘zuiden’. Zie ook: Deut 11:24; Joz 10:40; 2 Sam 8:3; 1 Kron 5:9; Amos 2:9 **1:8** **Zie, Ik heb het land voor jullie neergelegd. Ga erheen en neem het land in bezit. Yahweh heeft gezworen aan jullie vaders, aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob, dat Hij het hun zou geven. Hij zou het ook geven aan hun nageslacht na hen.”** Brontekst: רְאֵ֛ה (ree) = zie | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie uit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | בֹּ֚אוּ (bou) = ga binnen | וּרְשׁ֣וּ (ureshu) = en neem in bezit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֣ע (nishba) = heeft gezworen | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹ֨תֵיכֶ֜ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | לְאַבְרָהָ֨ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֤ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹב֙ (uleyaaqov) = en aan Jakob | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | וּלְזַרְעָ֖ם (ulezaram) = en aan hun nageslacht | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = na hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשְׁבַּע (nishba), ‘zweren’: Yahweh beloofde het land onder ede aan de vaders (Gen. 15:18; 26:3; 35:12). Zie ook: Gen 12:7; Gen 13:14–15; Gen 15:18; Gen 17:7–8; Gen 26:3–4; Gen 35:12 ### Hoofden en rechters over het volk **1:9** In die tijd zei ik tegen jullie: „Ik kan jullie niet alleen dragen. Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | אֲלֵכֶ֔ם (alekhem) = tot jullie | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִ֖וא (hahi) = die | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹא (lo) = niet | אוּכַ֥ל (ukhal) = kan ik | לְבַדִּ֖י (levadi) = alleen | שְׂאֵ֥ת (seet) = dragen | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:18; Num 11:11–14; Num 11:17 **1:10** Yahweh, jullie Elohim, heeft jullie talrijk gemaakt. Kijk, vandaag zijn jullie zo talrijk als de sterren van de hemel. Brontekst: יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | הִרְבָּ֣ה (hirba) = heeft talrijk gemaakt | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וְהִנְּכֶ֣ם (vehinekhem) = en zie jullie | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | כְּכוֹכְבֵ֥י (kekhokhevei) = als de sterren van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De belofte dat het nageslacht zo talrijk zou zijn als de sterren komt uit Gen. 15:5 en Exod. 32:13. Zie ook: Gen 15:5; Gen 22:17; Ex 32:13; Deut 10:22; Deut 28:62 **1:11** Moge Yahweh, de Elohim van jullie vaders, jullie nog duizend keer zo talrijk maken als jullie nu zijn. Moge Hij jullie zegenen, zoals Hij tot jullie heeft gesproken. Brontekst: יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבֽוֹתֵכֶ֗ם (avotekhem) = jullie vaders | יֹסֵ֧ף (yosef) = moge Hij toevoegen | עֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = aan jullie | כָּכֶ֖ם (kakhem) = zoals jullie | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וִיבָרֵ֣ךְ (vivarekh) = en moge Hij zegenen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij heeft gesproken | לָכֶֽם (lakhem) = tot jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:5; Gen 22:17; Gen 26:4; Num 6:27; Ps 115:14 **1:12** Hoe kan ik jullie last, jullie vracht en jullie geschillen alleen dragen? Brontekst: אֵיכָ֥ה (eikha) = hoe | אֶשָּׂ֖א (esa) = kan ik dragen | לְבַדִּ֑י (levadi) = alleen | טָרְחֲכֶ֥ם (tarechakhem) = jullie last | וּמַֽשַּׂאֲכֶ֖ם (umasaakhem) = en jullie vracht | וְרִֽיבְכֶֽם (verivekhem) = en jullie geschillen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֹרַח (torach), ‘last’, en מַשָּׂא (massa), ‘vracht’, zijn twee woorden voor wat je moet dragen. רִיב (riv) is ‘geschil’ of ‘rechtszaak’. Zie ook: Num 11:11–15; Deut 1:9; Ps 89:20; 1 Kon 3:7–9; 2 Kor 3:5 **1:13** Draag per stam wijze, verstandige en ervaren mannen voor. Dan stel ik hen aan als hoofden over jullie.” Brontekst: הָב֣וּ (havu) = geef | לָ֠כֶם (lakhem) = voor jullie | אֲנָשִׁ֨ים (anashim) = mannen | חֲכָמִ֧ים (chakhamim) = wijze | וּנְבֹנִ֛ים (unevonim) = en verstandige | וִידֻעִ֖ים (viduim) = en ervaren | לְשִׁבְטֵיכֶ֑ם (leshivteikhem) = per jullie stammen | וַאֲשִׂימֵ֖ם (vaasimem) = en ik zal hen aanstellen | בְּרָאשֵׁיכֶֽם (berasheikhem) = als jullie hoofden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָבוּ (havu), ‘geef’: wij vertalen ‘draag voor’, zodat het volk de mannen kiest. Voetnoot : יְדֻעִים (yedu’im), ‘ervaren’: letterlijk ‘bekende’ mannen, mannen met een naam en aanzien. Wij vertalen ‘ervaren’. Vergelijk Exod. 18:21. Zie ook: Ex 18:21; Num 11:16–17; Hand 1:21–23; Hand 6:2–6 **1:14** Jullie antwoordden mij en zeiden: „Het is goed om te doen wat je hebt gezegd.” Brontekst: וַֽתַּעֲנ֖וּ (vataanu) = en jullie antwoordden | אֹתִ֑י (oti) = mij | וַתֹּ֣אמְר֔וּ (vatomru) = en jullie zeiden | טֽוֹב (tov) = goed | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:15** Ik nam de hoofden van jullie stammen, wijze en ervaren mannen. Ik stelde hen als hoofden over jullie aan: oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig, oversten van tien en opzichters voor jullie stammen. Brontekst: וָאֶקַּ֞ח (vaeqach) = en ik nam | אֶת (et) = (obj.) | רָאשֵׁ֣י (rashei) = de hoofden van | שִׁבְטֵיכֶ֗ם (shivteikhem) = jullie stammen | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | חֲכָמִים֙ (chakhamim) = wijze | וִֽידֻעִ֔ים (viduim) = en ervaren | וָאֶתֵּ֥ן (vaeten) = en ik stelde | אֹתָ֛ם (otam) = hen | רָאשִׁ֖ים (rashim) = als hoofden | עֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = over jullie | שָׂרֵ֨י (sarei) = oversten van | אֲלָפִ֜ים (alafim) = duizend | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en oversten van | מֵא֗וֹת (meot) = honderd | וְשָׂרֵ֤י (vesarei) = en oversten van | חֲמִשִּׁים֙ (chamishim) = vijftig | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en oversten van | עֲשָׂרֹ֔ת (asarot) = tien | וְשֹׁטְרִ֖ים (veshoterim) = en opzichters | לְשִׁבְטֵיכֶֽם (leshivteikhem) = voor jullie stammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: ambtenaren die orde houden en bevelen uitvoeren. Zie Exod. 5:6. De indeling in oversten van duizend, honderd, vijftig en tien staat ook in Exod. 18:21–25. Zie ook: Ex 5:6; Ex 18:21–25; Ex 18:25–26; Num 31:14; Deut 16:18; 1 Sam 8:12; Ef 4:11 **1:16** In die tijd gaf ik jullie rechters dit bevel: „Hoor de zaken tussen jullie broeders aan. Spreek recht met gerechtigheid, tussen een man en zijn broeder of de vreemdeling bij hem. Brontekst: וָאֲצַוֶּה֙ (vaatsave) = en ik gebood | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁ֣פְטֵיכֶ֔ם (shofeteikhem) = jullie rechters | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִ֖וא (hahi) = die | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | שָׁמֹ֤עַ (shamoa) = hoor | בֵּין (bein) = tussen | אֲחֵיכֶם֙ (acheikhem) = jullie broeders | וּשְׁפַטְתֶּ֣ם (ushefattem) = en spreek recht | צֶ֔דֶק (tsedeq) = met gerechtigheid | בֵּֽין (bein) = tussen | אִ֥ישׁ (ish) = een man | וּבֵין (uvein) = en tussen | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broeder | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | גֵּרֽוֹ (gero) = zijn vreemdeling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘hoor tussen jullie broeders’. Wij vullen ‘de zaken … aan’ aan, omdat het Nederlands anders niet loopt. Zie Exod. 18:16. Zie ook: Ex 18:16; Ex 22:20; Ex 23:2–3; 2 Kron 19:6–10; Joh 7:24; 1 Tim 5:21 **1:17** Jullie mogen in het recht niemand voortrekken. Jullie moeten de kleine net zo aanhoren als de grote. Jullie mogen voor niemand bang zijn, want het recht is van Elohim. De zaak die te zwaar voor jullie is, moeten jullie bij mij brengen. Dan zal ik ernaar luisteren.” Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תַכִּ֨ירוּ (takiru) = zullen jullie herkennen | פָנִ֜ים (panim) = gezichten | בַּמִּשְׁפָּ֗ט (bamishpat) = in het recht | כַּקָּטֹ֤ן (kaqaton) = de kleine | כַּגָּדֹל֙ (kagadol) = zoals de grote | תִּשְׁמָע֔וּן (tishmaun) = zullen jullie horen | לֹ֤א (lo) = niet | תָג֨וּרוּ֙ (taguru) = zullen jullie vrezen | מִפְּנֵי (mipenei) = voor het aangezicht van | אִ֔ישׁ (ish) = een man | כִּ֥י (ki) = want | הַמִּשְׁפָּ֖ט (hamishpat) = het recht | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = van Elohim | ה֑וּא (hu) = is het | וְהַדָּבָר֙ (vehadavar) = en de zaak | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִקְשֶׁ֣ה (yiqshe) = te zwaar is | מִכֶּ֔ם (mikem) = voor jullie | תַּקְרִב֥וּן (taqrivun) = zullen jullie brengen | אֵלַ֖י (elay) = bij mij | וּשְׁמַעְתִּֽיו (ushemativ) = en ik zal het horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא תַכִּירוּ פָנִים (lo takkiru panim), ‘niet de gezichten herkennen’: iemand voortrekken omdat je zijn gezicht kent of omdat hij belangrijk is. Zie ook: Ex 18:26; Deut 16:19; Spr 24:23; 2 Kron 19:6; Jak 2:9 **1:18** In die tijd gebood ik jullie alles wat jullie moesten doen. Brontekst: וָאֲצַוֶּ֥ה (vaatsave) = en ik gebood | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֑וא (hahi) = die | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de dingen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תַּעֲשֽׂוּן (taasun) = jullie zouden doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:5; Deut 4:40; Deut 12:28; Deut 13:1; Hand 20:20 ### Van Horeb naar Kades-Barnea **1:19** Wij braken op van Horeb en trokken door heel die grote, ontzagwekkende woestijn die jullie hebben gezien. Wij gingen op de weg naar het bergland van de Amorieten, zoals Yahweh, onze Elohim, ons had geboden. Wij kwamen bij Kades-Barnea. Brontekst: וַנִּסַּ֣ע (vanisa) = en wij braken op | מֵחֹרֵ֗ב (mechorev) = vanaf Horeb | וַנֵּ֡לֶךְ (vanelekh) = en wij gingen | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּדְבָּ֣ר (hamidbar) = de woestijn | הַגָּדוֹל֩ (hagadol) = grote | וְהַנּוֹרָ֨א (vehanora) = en ontzagwekkende | הַה֜וּא (hahu) = die | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | רְאִיתֶ֗ם (reitem) = jullie hebben gezien | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = op de weg naar | הַ֣ר (har) = het bergland van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֛ה (tsiva) = geboden had | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אֹתָ֑נוּ (otanu) = ons | וַנָּבֹ֕א (vanavo) = en wij kwamen | עַ֖ד (ad) = tot | קָדֵ֥שׁ (qadesh) = Kades | בַּרְנֵֽעַ (barnea) = Barnea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Voetnoot Uitleg: נוֹרָא (nora), ‘ontzagwekkend’: iets wat ontzag of angst wekt. Dezelfde term gebruiken wij ook voor Elohim (Deut. 7:21; 10:17). Zie ook: Num 13:26; Deut 1:2; Deut 7:21; Deut 8:15; Deut 10:17; Deut 32:10; Jer 2:6 **1:20** Ik zei tegen jullie: „Jullie zijn gekomen bij het bergland van de Amorieten, dat Yahweh, onze Elohim, ons geeft. Brontekst: וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | אֲלֵכֶ֑ם (alekhem) = tot jullie | בָּאתֶם֙ (batem) = jullie zijn gekomen | עַד (ad) = tot | הַ֣ר (har) = het bergland van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽנוּ (lanu) = aan ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:7–8 **1:21** Kijk, Yahweh, jullie Elohim, heeft het land voor jullie neergelegd. Trek op en neem het in bezit, zoals Yahweh, de Elohim van jullie vaders, tot jullie heeft gesproken. Wees niet bang en raak niet ontmoedigd.” Brontekst: רְ֠אֵה (ree) = zie | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor jou uit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | עֲלֵ֣ה (ale) = trek op | רֵ֗שׁ (resh) = neem in bezit | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֨ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתֶ֨יךָ֙ (avoteikha) = je vaders | לָ֔ךְ (lakh) = tot jou | אַל (al) = niet | תִּירָ֖א (tira) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחָֽת (techat) = wees ontmoedigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:30; Num 14:8–9; Joz 1:9; Ps 46:2; Heb 13:6 ### De verspieders **1:22** Toen kwamen jullie allemaal naar mij toe en zeiden: „Laten wij mannen vooruit sturen. Zij moeten het land voor ons verkennen. Zij moeten ons bericht brengen over de weg waarlangs wij moeten optrekken en over de steden waar wij naartoe moeten gaan.” Brontekst: וַתִּקְרְב֣וּן (vatiqrevun) = en jullie kwamen dichtbij | אֵלַי֮ (elay) = tot mij | כֻּלְּכֶם֒ (kulekhem) = jullie allemaal | וַתֹּאמְר֗וּ (vatomru) = en jullie zeiden | נִשְׁלְחָ֤ה (nishlecha) = laten wij sturen | אֲנָשִׁים֙ (anashim) = mannen | לְפָנֵ֔ינוּ (lefaneinu) = voor ons uit | וְיַחְפְּרוּ (veyachperu) = en laten zij verkennen | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְיָשִׁ֤בוּ (veyashivu) = en laten zij terugbrengen | אֹתָ֨נוּ֙ (otanu) = aan ons | דָּבָ֔ר (davar) = bericht | אֶת (et) = (obj.) | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarlangs | נַעֲלֶה (naale) = wij zullen optrekken | בָּ֔הּ (bah) = erop | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הֶֽעָרִ֔ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | נָבֹ֖א (navo) = wij zullen binnengaan | אֲלֵיהֶֽן (aleihen) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:1–20 **1:23** Dat voorstel vond ik goed. Ik nam twaalf mannen uit jullie midden, één man per stam. Brontekst: וַיִּיטַ֥ב (vayitav) = en het was goed | בְּעֵינַ֖י (beeinay) = in mijn ogen | הַדָּבָ֑ר (hadavar) = het woord | וָאֶקַּ֤ח (vaeqach) = en ik nam | מִכֶּם֙ (mikem) = van jullie | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֣ר (asar) = tien | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אֶחָ֖ד (echad) = één | לַשָּֽׁבֶט (lashavet) = per stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘twee tien’ voor twaalf. De twaalf verspieders worden genoemd in Num. 13:4–16. Zie ook: Num 13:3–33; Num 13:4–16 **1:24** Zij keerden zich om, trokken het bergland in en kwamen bij het dal van Eskol. Daar verkenden zij het land. Brontekst: וַיִּפְנוּ֙ (vayifnu) = en zij keerden zich om | וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en zij trokken op | הָהָ֔רָה (hahara) = naar het bergland | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | נַ֣חַל (nachal) = het dal van | אֶשְׁכֹּ֑ל (eshkol) = Eskol | וַֽיְרַגְּל֖וּ (vayragelu) = en zij verkenden | אֹתָֽהּ (otah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Eskol (‘druiventros’) lag bij Hebron in het bergland van Juda (Num. 13:23–24). De precieze plek is niet bekend. Zie ook: Num 13:21–27; Num 13:23–24; Joz 2:1–2 **1:25** Zij namen wat vruchten van het land in hun hand mee, brachten het naar ons en brachten ons bericht. Zij zeiden: „Het land dat Yahweh, onze Elohim, ons geeft, is goed.” Brontekst: וַיִּקְח֤וּ (vayiqchu) = en zij namen | בְיָדָם֙ (beyadam) = in hun hand | מִפְּרִ֣י (miperi) = van de vrucht van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וַיּוֹרִ֖דוּ (vayoridu) = en zij brachten naar beneden | אֵלֵ֑ינוּ (eleinu) = naar ons | וַיָּשִׁ֨בוּ (vayashivu) = en zij brachten terug | אֹתָ֤נוּ (otanu) = aan ons | דָבָר֙ (davar) = bericht | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | טוֹבָ֣ה (tova) = goed | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽנוּ (lanu) = aan ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:26** Maar jullie wilden niet optrekken. Jullie verzetten je tegen het bevel van Yahweh, jullie Elohim. Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֲבִיתֶ֖ם (avitem) = jullie wilden | לַעֲלֹ֑ת (laalot) = op te trekken | וַתַּמְר֕וּ (vatamru) = en jullie waren opstandig tegen | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:1–4; Ps 106:24–25; Jes 63:10; Hand 7:51 **1:27** Jullie mopperden in jullie tenten en zeiden: „Omdat Yahweh ons haat, heeft Hij ons uit het land Egypte geleid. Hij deed dat om ons in de hand van de Amorieten te geven en ons te vernietigen. Brontekst: וַתֵּרָגְנ֤וּ (vateragenu) = en jullie mopperden | בְאָהֳלֵיכֶם֙ (beaholeikhem) = in jullie tenten | וַתֹּ֣אמְר֔וּ (vatomru) = en jullie zeiden | בְּשִׂנְאַ֤ת (besinat) = omdat Yahweh ons haat | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֹתָ֔נוּ (otanu) = ons | הוֹצִיאָ֖נוּ (hotsianu) = heeft Hij uitgeleid | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אֹתָ֛נוּ (otanu) = ons | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amoriet | לְהַשְׁמִידֵֽנוּ (lehashmidenu) = om ons te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 16:8; Num 14:3; Num 21:5; Deut 9:28; Ps 106:25 **1:28** Waar gaan wij heen? Onze broeders hebben ons moedeloos gemaakt. Zij zeiden: ‘Dat volk is groter en langer dan wij. De steden zijn groot en versterkt tot aan de hemel. En wij hebben daar ook de zonen van de Anakieten gezien.’” Brontekst: אָנָ֣ה (ana) = waarheen | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | עֹלִ֗ים (olim) = gaan op | אַחֵינוּ֩ (acheinu) = onze broeders | הֵמַ֨סּוּ (hemasu) = hebben doen smelten | אֶת (et) = (obj.) | לְבָבֵ֜נוּ (levavenu) = ons hart | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | עַ֣ם (am) = een volk | גָּד֤וֹל (gadol) = groter | וָרָם֙ (varam) = en hoger | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = dan wij | עָרִ֛ים (arim) = steden | גְּדֹלֹ֥ת (gedolot) = groot | וּבְצוּרֹ֖ת (uvetsurot) = en versterkt | בַּשָּׁמָ֑יִם (bashamayim) = tot in de hemel | וְגַם (vegam) = en ook | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עֲנָקִ֖ים (anaqim) = de Anakieten | רָאִ֥ינוּ (rainu) = wij hebben gezien | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִמַּסּוּ (himmasu), ‘doen smelten’: wij vertalen ‘moedeloos gemaakt’; vergelijk Jozua 2:11. Voetnoot : ענקים (Anakim), ‘Anakieten’: een volk van grote mensen in het bergland rond Hebron (Num. 13:22, 28, 33). Zie ook: Num 13:22; Num 13:28–33; Deut 9:1–2; Joz 2:11; Joz 14:8; Joz 15:14; Re 1:20 **1:29** Ik zei tegen jullie: „Schrik niet en wees niet bang voor hen. Brontekst: וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | אֲלֵכֶ֑ם (alekhem) = tot jullie | לֹא (lo) = niet | תַֽעַרְצ֥וּן (taartsun) = schrik | וְֽלֹא (velo) = en niet | תִֽירְא֖וּן (tireun) = wees bang | מֵהֶֽם (mehem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:30** Yahweh, jullie Elohim, gaat voor jullie uit. Hij zal voor jullie strijden, zoals Hij alles voor jullie heeft gedaan in Egypte, voor jullie ogen, Brontekst: יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | הַהֹלֵ֣ךְ (haholekh) = die gaat | לִפְנֵיכֶ֔ם (lifneikhem) = voor jullie uit | ה֖וּא (hu) = Hij | יִלָּחֵ֣ם (yilachem) = zal strijden | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כְּ֠כֹל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשָׂ֧ה (asa) = Hij heeft gedaan | אִתְּכֶ֛ם (itekhem) = voor jullie | בְּמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | לְעֵינֵיכֶֽם (leeineikhem) = voor jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 14:14; Deut 3:22; Neh 4:14; Rom 8:31; Rom 8:37 **1:31** en in de woestijn. Daar hebben jullie gezien hoe Yahweh, jullie Elohim, jullie droeg zoals een man zijn zoon draagt. Dat deed Hij op heel de weg die jullie hebben afgelegd, totdat jullie op deze plaats kwamen.” Brontekst: וּבַמִּדְבָּר֙ (uvamidbar) = en in de woestijn | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | רָאִ֔יתָ (raita) = heb je gezien | אֲשֶׁ֤ר (asher) = hoe | נְשָׂאֲךָ֙ (nesaakha) = droeg je | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | יִשָּׂא (yisa) = draagt | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | בְּכָל (bekhal) = op heel | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֲלַכְתֶּ֔ם (halakhtem) = jullie zijn gegaan | עַד (ad) = totdat | בֹּאֲכֶ֖ם (boakhem) = jullie kwamen | עַד (ad) = tot | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws schakelt in deze zin van ‘je’ (enkelvoud) naar ‘jullie’ (meervoud): Mozes spreekt zowel het hele volk aan als elke Israëliet apart. Wij schrijven overal ‘jullie’. Zie ook: Deut 32:10–12; Hos 11:3–4; Jes 46:3–4; Jes 63:9; Hand 13:18 **1:32** Maar in deze zaak geloofden jullie niet in Yahweh, jullie Elohim. Brontekst: וּבַדָּבָ֖ר (uvadavar) = en in de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | אֵֽינְכֶם֙ (einekhem) = zijn jullie niet | מַאֲמִינִ֔ם (maaminim) = gelovend | בַּיהוָ֖ה (baYahweh) = in Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 78:22; Ps 106:24; Heb 3:12; Heb 3:18–19; Jud 1:5 **1:33** Hij ging voor jullie uit op de weg om een plaats te zoeken waar jullie je kamp konden opslaan. Hij ging in een vuur 's nachts, om jullie de weg te laten zien waarop jullie moesten gaan, en overdag in een wolk. Brontekst: הַהֹלֵ֨ךְ (haholekh) = die gaat | לִפְנֵיכֶ֜ם (lifneikhem) = voor jullie uit | בַּדֶּ֗רֶךְ (baderekh) = op de weg | לָת֥וּר (latur) = om te zoeken | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | לַֽחֲנֹֽתְכֶ֑ם (lachanotekhem) = voor jullie kamp | בָּאֵ֣שׁ (baesh) = in vuur | לַ֗יְלָה (layla) = 's nachts | לַרְאֹֽתְכֶם֙ (larotekhem) = om jullie te laten zien | בַּדֶּ֨רֶךְ֙ (baderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | תֵּֽלְכוּ (telekhu) = jullie zouden gaan | בָ֔הּ (bah) = erop | וּבֶעָנָ֖ן (uveanan) = en in een wolk | יוֹמָֽם (yomam) = overdag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wolk- en vuurkolom: Exod. 13:21–22; 40:36–38. Zie ook: Ex 13:21–22; Ex 40:36; Num 9:15–22; Num 10:33; Ps 78:14; Ezech 20:6; Neh 9:12 ### Het vonnis over dat geslacht **1:34** Yahweh hoorde de stem van jullie woorden. Hij werd woedend en zwoer: Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en hoorde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = de stem van | דִּבְרֵיכֶ֑ם (divreikhem) = jullie woorden | וַיִּקְצֹ֖ף (vayiqtsof) = en Hij werd woedend | וַיִּשָּׁבַ֥ע (vayishava) = en Hij zwoer | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָצַף (qatsaf), ‘woedend worden’, is een ander woord dan אָנַף (anaf), ‘toornig worden’, in vers 37. Zie ook: Num 14:22–30; Num 32:8–13; Deut 1:37; Ps 95:11; Ezech 20:15; Heb 3:8–11 **1:35** **„Niet één van deze mannen, van dit slechte geslacht, zal het goede land zien dat Ik aan jullie vaders te geven heb gezworen,** Brontekst: אִם (im) = voorwaar niet | יִרְאֶ֥ה (yire) = zal zien | אִישׁ֙ (ish) = een man | בָּאֲנָשִׁ֣ים (baanashim) = onder de mannen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | הַדּ֥וֹר (hador) = het geslacht | הָרָ֖ע (hara) = slechte | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = goede | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֔עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לָתֵ֖ת (latet) = om te geven | לַאֲבֹתֵיכֶֽם (laavoteikhem) = aan jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 95:11 **1:36** **behalve Kaleb, de zoon van Jefunne. Hij zal het zien. Hem en zijn zonen zal Ik het land geven waarop hij heeft gelopen, omdat hij Yahweh volledig is gevolgd.”** Brontekst: זֽוּלָתִ֞י (zulati) = behalve | כָּלֵ֤ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = de zoon van | יְפֻנֶּה֙ (yefune) = Jefunne | ה֣וּא (hu) = hij | יִרְאֶ֔נָּה (yirena) = zal het zien | וְלֽוֹ (velo) = en aan hem | אֶתֵּ֧ן (eten) = zal Ik geven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | דָּֽרַךְ (darakh) = hij heeft gelopen | בָּ֖הּ (bah) = erop | וּלְבָנָ֑יו (ulevanav) = en aan zijn zonen | יַ֕עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | מִלֵּ֖א (mile) = hij volledig heeft gevolgd | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֵּא אַחֲרֵי (mille acharei), ‘volledig volgen’: letterlijk ‘achter Yahweh aan vol maken’. Kaleb en Jozua waren de enige twee verspieders die het land goed noemden (Num. 14:6–9, 24, 30). Zie ook: Num 13:6; Num 13:30; Num 14:6–9; Num 14:24; Num 32:12; Joz 14:6–14 **1:37** Ook tegen mij werd Yahweh toornig, vanwege jullie. Hij zei: **„Ook jij zult daar niet binnengaan.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | בִּי֙ (bi) = tegen mij | הִתְאַנַּ֣ף (hitanaf) = werd toornig | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּגְלַלְכֶ֖ם (biglalkhem) = vanwege jullie | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | גַּם (gam) = ook | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לֹא (lo) = niet | תָבֹ֥א (tavo) = zult binnengaan | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes mag het land niet in, vanwege wat bij Meriba gebeurde (Num. 20:12). Hier zegt hij dat het ook ‘vanwege jullie’ is: de last van het volk is er de aanleiding van. Zie ook: Num 20:12; Num 27:13–14; Deut 4:21; Deut 34:4; Ps 106:32–33 **1:38** **Jozua, de zoon van Nun, die voor je staat, hij zal daar binnengaan. Maak hem sterk, want hij zal het aan Israël als erfdeel geven.** Brontekst: יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = de zoon van | נוּן֙ (nun) = Nun | הָעֹמֵ֣ד (haomed) = die staat | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor jou | ה֖וּא (hu) = hij | יָ֣בֹא (yavo) = zal binnengaan | שָׁ֑מָּה (shama) = erheen | אֹת֣וֹ (oto) = hem | חַזֵּ֔ק (chazeq) = maak sterk | כִּי (ki) = want | ה֖וּא (hu) = hij | יַנְחִלֶ֥נָּה (yanchilena) = zal het laten erven | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:30; Deut 3:28; Deut 31:7–8; Deut 31:23; 1 Sam 16:22 **1:39** **Jullie kleine kinderen, van wie jullie zeiden dat zij tot buit zouden worden, zullen daar binnengaan. Ook jullie zonen, die vandaag nog geen goed en kwaad kennen, zullen daar binnengaan. Hun zal Ik het land geven en zij zullen het in bezit nemen.** Brontekst: וְטַפְּכֶם֩ (vetapekhem) = en jullie kleine kinderen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אֲמַרְתֶּ֜ם (amartem) = jullie zeiden | לָבַ֣ז (lavaz) = tot buit | יִהְיֶ֗ה (yihye) = zullen worden | וּ֠בְנֵיכֶם (uveneikhem) = en jullie zonen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יָדְע֤וּ (yadeu) = kennen | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | ט֣וֹב (tov) = goed | וָרָ֔ע (vara) = en kwaad | הֵ֖מָּה (hema) = zij | יָבֹ֣אוּ (yavou) = zullen binnengaan | שָׁ֑מָּה (shama) = erheen | וְלָהֶ֣ם (velahem) = en aan hen | אֶתְּנֶ֔נָּה (etenena) = zal Ik het geven | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | יִירָשֽׁוּהָּ (yirashuha) = zullen het in bezit nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:3; Num 14:31; Jona 4:11; Jes 7:15–16; Rom 9:11 **1:40** **Maar jullie moeten omkeren, opbreken en de woestijn intrekken, de weg naar de Rietzee.”** Brontekst: וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | פְּנ֣וּ (penu) = keer om | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | וּסְע֥וּ (useu) = en breek op | הַמִּדְבָּ֖רָה (hamidbara) = naar de woestijn | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = de weg naar | יַם (yam) = de zee van | סֽוּף (suf) = Suf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Zie ook: Num 14:25 ### De poging om toch op te trekken **1:41** Jullie antwoordden en zeiden tegen mij: „Wij hebben tegen Yahweh gezondigd. Wij zullen zelf optrekken en strijden, precies zoals Yahweh, onze Elohim, ons heeft geboden.” Ieder van jullie omgordde zijn wapens en jullie waren bereid om het bergland in te trekken. Brontekst: וַֽתַּעֲנ֣וּ (vataanu) = en jullie antwoordden | וַתֹּאמְר֣וּ (vatomru) = en jullie zeiden | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | חָטָאנוּ֮ (chatanu) = wij hebben gezondigd | לַֽיהוָה֒ (laYahweh) = tegen Yahweh | אֲנַ֤חְנוּ (anachnu) = wij | נַעֲלֶה֙ (naale) = zullen optrekken | וְנִלְחַ֔מְנוּ (venilchamnu) = en wij zullen strijden | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖נוּ (tsivanu) = heeft geboden | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַֽתַּחְגְּר֗וּ (vatachgeru) = en jullie omgordden | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | כְּלֵ֣י (kelei) = de wapens van | מִלְחַמְתּ֔וֹ (milchamto) = zijn oorlog | וַתָּהִ֖ינוּ (vatahinu) = en jullie waren bereid | לַעֲלֹ֥ת (laalot) = om op te trekken | הָהָֽרָה (hahara) = naar het bergland Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַתָּהִינוּ (watahinu) komt maar één keer voor, dus de betekenis is niet zeker. Wij vertalen ‘jullie waren bereid’. Ook mogelijk: ‘jullie vonden het gemakkelijk’ of ‘jullie waren vermetel’. Zie ook: Num 14:39–45; Num 22:34; Spr 19:3 **1:42** Yahweh zei tegen mij: **„Zeg tegen hen: Trek niet op en strijd niet, zodat jullie niet verslagen worden door jullie vijanden. Want Ik ben niet in jullie midden.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | אֱמֹ֤ר (emor) = zeg | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | לֹ֤א (lo) = niet | תַֽעֲלוּ֙ (taalu) = trek op | וְלֹא (velo) = en niet | תִלָּ֣חֲמ֔וּ (tilachamu) = strijd | כִּ֥י (ki) = want | אֵינֶ֖נִּי (eineni) = Ik ben niet | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie midden | וְלֹא֙ (velo) = en niet | תִּנָּֽגְפ֔וּ (tinagefu) = zodat jullie verslagen worden | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֹיְבֵיכֶֽם (oyeveikhem) = jullie vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:41–43; Joz 7:8–13; 1 Sam 4:2; Hos 9:12; Jes 59:1–2 **1:43** Ik sprak tot jullie, maar jullie luisterden niet. Jullie verzetten je tegen het bevel van Yahweh, waren overmoedig en trokken het bergland in. Brontekst: וָאֲדַבֵּ֥ר (vaadaber) = en ik sprak | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tot jullie | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֑ם (shematem) = jullie luisterden | וַתַּמְרוּ֙ (vatamru) = en jullie waren opstandig tegen | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣י (pi) = de mond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַתָּזִ֖דוּ (vatazidu) = en jullie waren overmoedig | וַתַּעֲל֥וּ (vataalu) = en jullie trokken op | הָהָֽרָה (hahara) = naar het bergland Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:44; Jes 63:10; Hand 7:51; Rom 8:7–8 **1:44** Toen kwamen de Amorieten die in dat bergland woonden jullie tegemoet. Zij achtervolgden jullie zoals bijen dat doen en versloegen jullie in Seïr, tot aan Chorma. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en trok uit | הָאֱמֹרִ֜י (haemori) = de Amoriet | הַיֹּשֵׁ֨ב (hayoshev) = die woonde | בָּהָ֤ר (bahar) = in het bergland | הַהוּא֙ (hahu) = dat | לִקְרַאתְכֶ֔ם (liqratkhem) = jullie tegemoet | וַיִּרְדְּפ֣וּ (vayirdefu) = en zij achtervolgden | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | תַּעֲשֶׂ֖ינָה (taaseina) = doen | הַדְּבֹרִ֑ים (hadevorim) = de bijen | וַֽיַּכְּת֥וּ (vayaketu) = en zij versloegen | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | בְּשֵׂעִ֖יר (beseir) = in Seïr | עַד (ad) = tot | חָרְמָֽה (charema) = Chorma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chorma ligt in het zuiden van Kanaän, in de Negev. De juiste plek is niet bekend. Zie ook Num. 14:45; 21:3. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Bijen zijn hier een beeld van een zwerm die je achtervolgt en steekt. Zie ook: Num 14:45; Num 21:3; Deut 32:30; Ps 118:12; Jes 7:18 **1:45** Jullie keerden terug en huilden voor het aangezicht van Yahweh. Maar Yahweh luisterde niet naar jullie stem en schonk jullie geen gehoor. Brontekst: וַתָּשֻׁ֥בוּ (vatashuvu) = en jullie keerden terug | וַתִּבְכּ֖וּ (vativku) = en jullie huilden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁמַ֤ע (shama) = luisterde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּקֹ֣לְכֶ֔ם (beqolekhem) = naar jullie stem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֶאֱזִ֖ין (heezin) = gaf gehoor | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 78:34; Heb 12:17 **1:46** Jullie bleven lange tijd in Kades, zo lang als jullie er gebleven zijn. Brontekst: וַתֵּשְׁב֥וּ (vateshevu) = en jullie bleven | בְקָדֵ֖שׁ (beqadesh) = in Kades | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | כַּיָּמִ֖ים (kayamim) = zoals de dagen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יְשַׁבְתֶּֽם (yeshavtem) = jullie bleven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Voetnoot Lezing: ‘Zo lang als jullie er gebleven zijn’ klinkt vaag. Het Hebreeuws wil zeggen: zo lang als jullie weten dat jullie er gebleven zijn. Het ging om vele jaren (Num. 20:1). Zie ook: Num 14:25; Num 14:34; Num 20:1; Num 20:22; Re 11:16–17 ## Deuteronomium 2 _Langs Ezau, Moab en Ammon naar Sichon_ ### Rond het bergland Seïr **2:1** Toen keerden wij om en braken op naar de woestijn, de weg naar de Rietzee, zoals Yahweh tot mij had gesproken. Wij trokken lange tijd rond het bergland Seïr. Brontekst: וַנֵּ֜פֶן (vanefen) = en wij keerden om | וַנִּסַּ֤ע (vanisa) = en wij braken op | הַמִּדְבָּ֨רָה֙ (hamidbara) = naar de woestijn | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg naar | יַם (yam) = de zee van | ס֔וּף (suf) = Suf | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = had gesproken | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וַנָּ֥סָב (vanasav) = en wij trokken rond | אֶת (et) = (obj.) | הַר (har) = het bergland van | שֵׂעִ֖יר (seir) = Seïr | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Rietzee: zie Exod. 13:18. De tocht omlaag langs de Rietzee is de omweg waartoe Israël na de opstand werd veroordeeld (Num. 14:25). Zie ook: Ex 13:18; Num 14:25; Num 21:4; Deut 1:2; Deut 1:40; Re 11:18 **2:2** Yahweh zei tegen mij: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:3** **„Jullie zijn lang genoeg rond dit bergland getrokken. Draai naar het noorden.** Brontekst: רַב (rav) = genoeg | לָכֶ֕ם (lakhem) = voor jullie | סֹ֖ב (sov) = rond te trekken | אֶת (et) = (obj.) | הָהָ֣ר (hahar) = het bergland | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | פְּנ֥וּ (penu) = draai | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | צָפֹֽנָה (tsafona) = naar het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:6; Deut 2:7; Deut 2:14 **2:4** **Geef het volk dit bevel: Jullie trekken door het gebied van jullie broeders, de zonen van Ezau, die in Seïr wonen. Zij zullen bang voor jullie zijn, maar wees heel voorzichtig.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָם֮ (haam) = het volk | צַ֣ו (tsav) = geef bevel | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | עֹֽבְרִ֗ים (overim) = trekken door | בִּגְבוּל֙ (bigvul) = het gebied van | אֲחֵיכֶ֣ם (acheikhem) = jullie broeders | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die wonen | בְּשֵׂעִ֑יר (beseir) = in Seïr | וְיִֽירְא֣וּ (veyireu) = en zij zullen bang zijn | מִכֶּ֔ם (mikem) = voor jullie | וְנִשְׁמַרְתֶּ֖ם (venishmartem) = en wees voorzichtig | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Seïr is het bergland ten oosten van de Araba, in het zuiden van het huidige Jordanië. Daar woonden de nakomelingen van Ezau, ook Edom genoemd (Gen. 36:8). Voetnoot Uitleg: Ezau is de broer van Jakob; daarom heten de Edomieten ‘jullie broeders’. Zie ook: Gen 36:8; Ex 15:15; Num 20:14–21; Num 22:3–4; Deut 23:8; Ob 1:10–13 **2:5** **Begin geen strijd met hen. Want Ik zal jullie niets van hun land geven, zelfs geen voetbreed. Want Ik heb het bergland Seïr aan Ezau als bezit gegeven.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּתְגָּר֣וּ (titgaru) = begin strijd | בָ֔ם (bam) = met hen | כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | אֶתֵּ֤ן (eten) = zal Ik geven | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | מֵֽאַרְצָ֔ם (meartsam) = van hun land | עַ֖ד (ad) = tot | מִדְרַ֣ךְ (midrakh) = de tred van | כַּף (kaf) = de voetzool van | רָ֑גֶל (ragel) = voet | כִּֽי (ki) = want | יְרֻשָּׁ֣ה (yerusha) = bezit | לְעֵשָׂ֔ו (leesav) = aan Ezau | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | הַ֥ר (har) = het bergland van | שֵׂעִֽיר (seir) = Seïr Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מִדְרַךְ כַּף־רָגֶל (midrakh kaf-regel), ‘voetbreed’: letterlijk ‘de tred van een voetzool’, dus zelfs zo weinig als een voet beslaat. Vergelijk Jozua 24:4. Zie ook: Gen 36:8; Deut 32:8; Joz 24:4; 2 Kron 20:10–12; Hand 7:5 **2:6** **Voedsel moeten jullie van hen kopen voor geld, dan kunnen jullie eten. Ook water moeten jullie van hen kopen voor geld, dan kunnen jullie drinken.”** Brontekst: אֹ֣כֶל (okhel) = voedsel | תִּשְׁבְּר֧וּ (tishberu) = zullen jullie kopen | מֵֽאִתָּ֛ם (meitam) = van hen | בַּכֶּ֖סֶף (bakesef) = voor geld | וַאֲכַלְתֶּ֑ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | וְגַם (vegam) = en ook | מַ֜יִם (mayim) = water | תִּכְר֧וּ (tikhru) = zullen jullie kopen | מֵאִתָּ֛ם (meitam) = van hen | בַּכֶּ֖סֶף (bakesef) = voor geld | וּשְׁתִיתֶֽם (ushetitem) = en jullie zullen drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Twee zeldzame werkwoorden: שָׁבַר (shavar), ‘koopwaar kopen’ (vooral graan), en כָּרָה (karah), ‘kopen’; in Hos. 3:2 betekent hetzelfde woord ‘kopen’. Beide hebben hier de betekenis ‘kopen’. Zie ook: Num 20:19; Deut 2:28–29; Hos 3:2; Mat 7:12; 2 Tess 3:7–8; Rom 12:17 **2:7** Want Yahweh, jullie Elohim, heeft jullie gezegend in al het werk van jullie hand. Hij heeft jullie tocht door deze grote woestijn gekend. Veertig jaar al is Yahweh, jullie Elohim, met jullie. Jullie hebben aan niets gebrek gehad. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | בֵּֽרַכְךָ֗ (berakhkha) = heeft gezegend | בְּכֹל֙ (bekhol) = in al | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = het werk van | יָדֶ֔ךָ (yadekha) = je hand | יָדַ֣ע (yada) = heeft gekend | לֶכְתְּךָ֔ (lekhtekha) = je gaan | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּדְבָּ֥ר (hamidbar) = de woestijn | הַגָּדֹ֖ל (hagadol) = grote | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | זֶ֣ה (ze) = deze | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | לֹ֥א (lo) = niet | חָסַ֖רְתָּ (chasarta) = heb je gemist | דָּבָֽר (davar) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij lezen dit vers als woorden van Mozes tot het volk, niet als woorden van Yahweh: ‘veertig jaar al’ klopt met het moment waarop Mozes spreekt, niet met het moment van de tocht rond Seïr. Zie ook: Deut 8:2–4; Deut 29:4; Ps 90:17; Neh 9:21; Luc 22:35 **2:8** Wij trokken langs onze broeders, de zonen van Ezau, die in Seïr wonen, weg van de weg van de Araba, van Elat en van Ezjon-Geber. Wij keerden om en trokken over de weg van de woestijn van Moab. Brontekst: וַֽנַּעֲבֹ֞ר (vanaavor) = en wij trokken langs | מֵאֵ֧ת (meet) = weg van | אַחֵ֣ינוּ (acheinu) = onze broeders | בְנֵי (benei) = de zonen van | עֵשָׂ֗ו (esav) = Ezau | הַיֹּֽשְׁבִים֙ (hayoshevim) = die wonen | בְּשֵׂעִ֔יר (beseir) = in Seïr | מִדֶּ֨רֶךְ֙ (miderekh) = weg van de weg van | הָֽעֲרָבָ֔ה (haarava) = de Araba | מֵאֵילַ֖ת (meeilat) = van Elat | וּמֵעֶצְיֹ֣ן (umeetsyon) = en van Ezjon | גָּ֑בֶר (gaver) = Geber | וַנֵּ֨פֶן֙ (vanefen) = en wij keerden om | וַֽנַּעֲבֹ֔ר (vanaavor) = en wij trokken | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = de weg van | מִדְבַּ֥ר (midbar) = de woestijn van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elat ligt aan de noordpunt van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba (Jordanië) en Eilat (Israël). Ezjon-Geber lag daar vlakbij; de juiste plek is niet bekend. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 20:20–21; Re 11:18; 1 Kon 9:26; 2 Kon 14:22; 2 Kon 16:6 ### Moab en Ammon blijven ongemoeid **2:9** Yahweh zei tegen mij: **„Bedreig Moab niet en begin geen oorlog met hen. Want Ik zal je niets van zijn land als bezit geven. Want Ar heb Ik aan de zonen van Lot als bezit gegeven.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | אֶל (el) = niet | תָּ֨צַר֙ (tatsar) = bedreig | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְאַל (veal) = en niet | תִּתְגָּ֥ר (titgar) = begin strijd | בָּ֖ם (bam) = met hen | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | אֶתֵּ֨ן (eten) = zal Ik geven | לְךָ֤ (lekha) = aan jou | מֵֽאַרְצוֹ֙ (meartso) = van zijn land | יְרֻשָּׁ֔ה (yerusha) = bezit | כִּ֣י (ki) = want | לִבְנֵי (livnei) = aan de zonen van | ל֔וֹט (lot) = Lot | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | עָ֖ר (ar) = Ar | יְרֻשָּֽׁה (yerusha) = bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ar is een stad of gebied in Moab, ten oosten van de Dode Zee; de juiste plek is onzeker (Num. 21:15, 28). Voetnoot Uitleg: Moab en Ammon stammen af van Lot (Gen. 19:36–38). Zie ook: Gen 19:36–37; Num 21:15; Num 21:28; Num 22:4; Deut 2:29 **2:10** De Emieten woonden er vroeger, een groot, talrijk en lang volk, zoals de Anakieten. Brontekst: הָאֵמִ֥ים (haemim) = de Emieten | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | יָ֣שְׁבוּ (yashevu) = woonden | בָ֑הּ (bah) = daarin | עַ֣ם (am) = een volk | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | וְרַ֛ב (verav) = en talrijk | וָרָ֖ם (varam) = en lang | כָּעֲנָקִֽים (kaanaqim) = als de Anakieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Emieten (אֵמִים, emim), ‘schrikwekkenden’: een volk van grote mensen dat vroeger in Moab woonde. Zie ook Gen. 14:5. Zie ook: Gen 14:5; Num 13:22; Deut 2:11 **2:11** Ook zij worden als Refaïeten beschouwd, net als de Anakieten, maar de Moabieten noemen hen Emieten. Brontekst: רְפָאִ֛ים (refaim) = Refaïeten | יֵחָשְׁב֥וּ (yechashevu) = worden beschouwd | אַף (af) = ook | הֵ֖ם (hem) = zij | כָּעֲנָקִ֑ים (kaanaqim) = als de Anakieten | וְהַמֹּ֣אָבִ֔ים (vehamoavim) = en de Moabieten | יִקְרְא֥וּ (yiqreu) = noemen | לָהֶ֖ם (lahem) = hen | אֵמִֽים (emim) = Emieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Refaïeten (רְפָאִים, refaim): een volk van grote mensen (Gen. 14:5; 15:20). Anakieten (עֲנָקִים, anaqim) zijn verwant (Deut. 1:28). Zie ook: Gen 14:5; Gen 15:20; Num 13:22; Num 13:28; Num 13:33; Deut 1:28; Deut 9:2 **2:12** In Seïr woonden vroeger de Chorieten. De zonen van Ezau namen hun land in bezit, vernietigden hen voor hun ogen en gingen in hun plaats wonen. Zo deed Israël met het land dat het in bezit kreeg, dat Yahweh hun gaf. Brontekst: וּבְשֵׂעִ֞יר (uveseir) = en in Seïr | יָשְׁב֣וּ (yashevu) = woonden | הַחֹרִים֮ (hachorim) = de Chorieten | לְפָנִים֒ (lefanim) = vroeger | וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | עֵשָׂ֣ו (esav) = Ezau | יִֽירָשׁ֗וּם (yirashum) = namen hen in bezit | וַיַּשְׁמִידוּם֙ (vayashmidum) = en vernietigden hen | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = voor hun aangezicht | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en gingen wonen | תַּחְתָּ֑ם (tachtam) = in hun plaats | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֣ה (asa) = deed | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לְאֶ֨רֶץ֙ (leerets) = met het land van | יְרֻשָּׁת֔וֹ (yerushato) = zijn bezit | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = gaf | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Chorieten (חֹרִים, chorim): de oorspronkelijke bewoners van Seïr (Gen. 14:6; 36:20). Zie ook: Gen 14:6; Gen 36:20–43; Deut 2:22; Deut 2:32–3:11; 1 Kron 1:38–54 **2:13** **„Sta nu op en steek de beek Zered over.”** Wij staken de beek Zered over. Brontekst: עַתָּ֗ה (ata) = nu | קֻ֛מוּ (qumu) = sta op | וְעִבְר֥וּ (veivru) = en steek over | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | אֶת (et) = (obj.) | נַ֣חַל (nachal) = de beek | זָ֑רֶד (zared) = Zered | וַֽנַּעֲבֹ֖ר (vanaavor) = en wij staken over | אֶת (et) = (obj.) | נַ֥חַל (nachal) = de beek | זָֽרֶד (zared) = Zered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek Zered ligt waarschijnlijk bij het huidige Wadi al-Hasa in Jordanië, de zuidgrens van Moab. Zie ook: Num 13:23; Num 21:12 **2:14** De tijd dat wij liepen van Kades-Barnea tot wij de beek Zered overstaken, was 38 jaar. Toen was heel het geslacht van de krijgers uit het kamp verdwenen, zoals Yahweh hun gezworen had. Brontekst: וְהַיָּמִ֞ים (vehayamim) = en de dagen | אֲשֶׁר (asher) = die | הָלַ֣כְנוּ (halakhnu) = wij liepen | מִקָּדֵ֣שׁ (miqadesh) = van Kades | בַּרְנֵ֗עַ (barnea) = Barnea | עַ֤ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָבַ֨רְנוּ֙ (avarnu) = wij overstaken | אֶת (et) = (obj.) | נַ֣חַל (nachal) = de beek | זֶ֔רֶד (zered) = Zered | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁמֹנֶ֖ה (ushemone) = en acht | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | עַד (ad) = tot | תֹּ֨ם (tom) = verdween | כָּל (kal) = heel | הַדּ֜וֹר (hador) = het geslacht | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de krijgers van | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de oorlog | מִקֶּ֣רֶב (miqerev) = uit het midden van | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = had gezworen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Zered: De Zered is de beek die waarschijnlijk het Wadi al-Hasa is. Zij stroomt naar het zuidoostelijke deel van de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Van Kades-Barnea tot de Zered is 38 jaar. Samen met de tijd daarvoor komt dat op ongeveer veertig jaar sinds de uittocht (vergelijk Num. 14:33–34). Zie ook: Num 14:28–35; Num 14:33–34; Num 26:64–65; Deut 1:34–35; Ps 95:11; Ezech 20:15 **2:15** Ook was de hand van Yahweh tegen hen, om hen uit het kamp te verdelgen, tot zij allemaal verdwenen waren. Brontekst: וְגַ֤ם (vegam) = en ook | יַד (yad) = de hand van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הָ֣יְתָה (hayeta) = was | בָּ֔ם (bam) = tegen hen | לְהֻמָּ֖ם (lehumam) = om hen te verdelgen | מִקֶּ֣רֶב (miqerev) = uit het midden van | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | עַ֖ד (ad) = tot | תֻּמָּֽם (tumam) = hun verdwijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 5:6; 1 Sam 7:13; Ps 90:7–9; Ps 106:26; 1 Kor 10:5 ### De beek Zered en het einde van het oude geslacht **2:16** Toen al de krijgers uit het volk waren gestorven, Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | כַאֲשֶׁר (kaasher) = toen | תַּ֜מּוּ (tamu) = waren verdwenen | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֧י (anshei) = de krijgers van | הַמִּלְחָמָ֛ה (hamilchama) = de oorlog | לָמ֖וּת (lamut) = om te sterven | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:17** sprak Yahweh tot mij: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:18** **„Jij trekt vandaag door het gebied van Moab, door Ar.** Brontekst: אַתָּ֨ה (ata) = jij | עֹבֵ֥ר (over) = trekt door | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | גְּב֥וּל (gevul) = het gebied van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | אֶת (et) = (obj.) | עָֽר (ar) = Ar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 21:15; Num 21:23; Jes 15:1 **2:19** **Je komt dicht bij de zonen van Ammon. Bedreig hen niet en begin geen strijd met hen. Want Ik zal je niets van het land van de zonen van Ammon als bezit geven. Want Ik heb het aan de zonen van Lot als bezit gegeven.”** Brontekst: וְקָרַבְתָּ֗ (veqaravta) = en je zult dichtbij komen | מ֚וּל (mul) = tegenover | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | אַל (al) = niet | תְּצֻרֵ֖ם (tetsurem) = bedreig hen | וְאַל (veal) = en niet | תִּתְגָּ֣ר (titgar) = begin strijd | בָּ֑ם (bam) = met hen | כִּ֣י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | אֶ֠תֵּן (eten) = zal Ik geven | מֵאֶ֨רֶץ (meerets) = van het land van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עַמּ֤וֹן (amon) = Ammon | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | יְרֻשָּׁ֔ה (yerusha) = bezit | כִּ֥י (ki) = want | לִבְנֵי (livnei) = aan de zonen van | ל֖וֹט (lot) = Lot | נְתַתִּ֥יהָ (netatiha) = Ik heb het gegeven | יְרֻשָּֽׁה (yerusha) = bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Gen 19:36–38; Deut 2:5; Deut 2:9; Re 11:13–27; 2 Kron 20:10 **2:20** Ook dat land geldt als land van de Refaïeten. Refaïeten woonden er vroeger, maar de Ammonieten noemen hen Zamzummieten. Brontekst: אֶֽרֶץ (erets) = het land van | רְפָאִ֥ים (refaim) = Refaïeten | תֵּחָשֵׁ֖ב (techashev) = wordt beschouwd | אַף (af) = ook | הִ֑וא (hi) = het | רְפָאִ֤ים (refaim) = Refaïeten | יָֽשְׁבוּ (yashevu) = woonden | בָהּ֙ (bah) = daarin | לְפָנִ֔ים (lefanim) = vroeger | וְהָֽעַמֹּנִ֔ים (vehaamonim) = en de Ammonieten | יִקְרְא֥וּ (yiqreu) = noemen | לָהֶ֖ם (lahem) = hen | זַמְזֻמִּֽים (zamzumim) = Zamzummieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Zamzummieten (זַמְזֻמִּים, zamzummim): de naam die de Ammonieten gaven aan de Refaïeten in hun land. Mogelijk zijn dit de Zuzieten uit Gen. 14:5. Zie ook: Gen 14:5 **2:21** Het was een groot, talrijk en lang volk, zoals de Anakieten. Maar Yahweh vernietigde hen voor hun ogen. De Ammonieten namen hun land in bezit en gingen in hun plaats wonen, Brontekst: עַ֣ם (am) = een volk | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | וְרַ֛ב (verav) = en talrijk | וָרָ֖ם (varam) = en lang | כָּעֲנָקִ֑ים (kaanaqim) = als de Anakieten | וַיַּשְׁמִידֵ֤ם (vayashmidem) = en vernietigde hen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = voor hun aangezicht | וַיִּירָשֻׁ֖ם (vayirashum) = en zij namen hen in bezit | וַיֵּשְׁב֥וּ (vayeshevu) = en gingen wonen | תַחְתָּֽם (tachtam) = in hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Deut 2:22; Deut 3:11; Re 11:24; Jer 27:7–8; Hab 1:10–11 **2:22** zoals Hij deed voor de zonen van Ezau die in Seïr wonen, toen Hij de Chorieten voor hun ogen vernietigde. Zij namen hun land in bezit en gingen in hun plaats wonen, tot op deze dag. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | עָשָׂה֙ (asa) = deed | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die wonen | בְּשֵׂעִ֑יר (beseir) = in Seïr | אֲשֶׁ֨ר (asher) = toen | הִשְׁמִ֤יד (hishmid) = Hij vernietigde | אֶת (et) = (obj.) | הַחֹרִי֙ (hachori) = de Choriet | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = voor hun aangezicht | וַיִּֽירָשֻׁם֙ (vayirashum) = en zij namen hen in bezit | וַיֵּשְׁב֣וּ (vayeshevu) = en gingen wonen | תַחְתָּ֔ם (tachtam) = in hun plaats | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 14:6; Gen 36:8; Gen 36:20–30; Deut 2:12; 1 Kron 1:38–42 **2:23** Ook de Awwieten, die in dorpen woonden tot aan Gaza, werden vernietigd door de Kaftorim, die uit Kaftor kwamen. Zij gingen in hun plaats wonen. Brontekst: וְהָֽעַוִּ֛ים (vehaavim) = en de Awwieten | הַיֹּשְׁבִ֥ים (hayoshevim) = die wonen | בַּחֲצֵרִ֖ים (bachatserim) = in dorpen | עַד (ad) = tot | עַזָּ֑ה (aza) = Gaza | כַּפְתֹּרִים֙ (kaftorim) = de Kaftorim | הַיֹּצְאִ֣ים (hayotseim) = die uitgaan | מִכַּפְתּ֔וֹר (mikaftor) = uit Kaftor | הִשְׁמִידֻ֖ם (hishmidum) = vernietigden hen | וַיֵּשְׁב֥וּ (vayeshevu) = en gingen wonen | תַחְתָּֽם (tachtam) = in hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Awwieten woonden in het zuiden van Kanaän, bij Gaza (Gaza-stad, nu in de Gazastrook). Kaftor is waarschijnlijk Kreta; de Kaftorim zijn verbonden met de Filistijnen (Gen. 10:14; Jer. 47:4; Amos 9:7). Zie ook: Gen 10:14; Joz 13:3; Amos 9:7; Jer 25:20; Jer 47:4 ### Sichon, de koning van Chesbon **2:24** **„Sta op, breek op en steek de beek Arnon over. Zie, Ik heb Sichon, de koning van Chesbon, de Amoriet, en zijn land in je hand gegeven. Begin het in bezit te nemen en begin de strijd tegen hem.** Brontekst: ק֣וּמוּ (qumu) = sta op | סְּע֗וּ (seu) = breek op | וְעִבְרוּ֮ (veivru) = en steek over | אֶת (et) = (obj.) | נַ֣חַל (nachal) = de beek | אַרְנֹן֒ (arnon) = Arnon | רְאֵ֣ה (ree) = zie | נָתַ֣תִּי (natati) = Ik heb gegeven | בְ֠יָדְךָ (beyadekha) = in je hand | אֶת (et) = (obj.) | סִיחֹ֨ן (sichon) = Sichon | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּ֧וֹן (cheshbon) = Chesbon | הָֽאֱמֹרִ֛י (haemori) = de Amoriet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצ֖וֹ (artso) = zijn land | הָחֵ֣ל (hachel) = begin | רָ֑שׁ (rash) = neem in bezit | וְהִתְגָּ֥ר (vehitgar) = en begin strijd | בּ֖וֹ (bo) = tegen hem | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek Arnon is nu de Wadi Mujib in Jordanië; zij mondt uit in de Dode Zee en vormde de grens van Moab met de Amorieten. Chesbon: zie 1:4. Voetnoot Uitleg: Sichon: zie Num. 21:21–31. Zie ook: Num 21:21–31; Re 11:18–21; 2 Kron 36:23; Jer 27:5; Ezech 29:20; Dan 4:14 **2:25** **Vandaag begin Ik de schrik en de angst voor jou te leggen op de volken onder heel de hemel. Wanneer zij van je horen, zullen zij beven en sidderen voor je.”** Brontekst: הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | אָחֵל֙ (achel) = begin Ik | תֵּ֤ת (tet) = te leggen | פַּחְדְּךָ֙ (pachdekha) = je schrik | וְיִרְאָ֣תְךָ֔ (veyiratekha) = en je angst | עַל (al) = op | פְּנֵי֙ (penei) = het aangezicht van | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = heel | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִשְׁמְעוּן֙ (yishmeun) = zullen horen | שִׁמְעֲךָ֔ (shimakha) = je bericht | וְרָגְז֥וּ (veragezu) = en zullen beven | וְחָל֖וּ (vechalu) = en zullen sidderen | מִפָּנֶֽיךָ (mipaneikha) = voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:14–16; Ex 23:27; Deut 11:25; Deut 28:10; Joz 9:24 **2:26** Ik stuurde boden uit de woestijn Kedemot naar Sichon, de koning van Chesbon, met woorden van vrede: Brontekst: וָאֶשְׁלַ֤ח (vaeshlach) = en ik zond | מַלְאָכִים֙ (malakhim) = boden | מִמִּדְבַּ֣ר (mimidbar) = uit de woestijn van | קְדֵמ֔וֹת (qedemot) = Kedemot | אֶל (el) = naar | סִיח֖וֹן (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּ֑וֹן (cheshbon) = Chesbon | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedemot ligt ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. De juiste plek is niet bekend. Zie ook Jozua 13:18. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie ook: Joz 13:18; Joz 21:37; Mat 10:12–15; Luc 10:5–6; Luc 10:10–12 **2:27** „Laat mij door uw land trekken. Ik zal alleen over de weg gaan, over de weg. Ik wijk niet af naar rechts of naar links. Brontekst: אֶעְבְּרָ֣ה (ebera) = laat mij trekken | בְאַרְצֶ֔ךָ (beartsekha) = door uw land | בַּדֶּ֥רֶךְ (baderekh) = op de weg | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֵלֵ֑ךְ (elekh) = zal ik gaan | לֹ֥א (lo) = niet | אָס֖וּר (asur) = zal ik afwijken | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹֽאול (usemovl) = en links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 21:21–23; Deut 2:6; Re 11:19 **2:28** Voedsel zult u mij voor geld verkopen, dan eet ik. Water zult u mij voor geld geven, dan drink ik. Laat mij alleen te voet doortrekken, Brontekst: אֹ֣כֶל (okhel) = voedsel | בַּכֶּ֤סֶף (bakesef) = voor geld | תַּשְׁבִּרֵ֨נִי֙ (tashbireni) = zult u mij verkopen | וְאָכַ֔לְתִּי (veakhalti) = en ik zal eten | וּמַ֛יִם (umayim) = en water | בַּכֶּ֥סֶף (bakesef) = voor geld | תִּתֶּן (titen) = zult u geven | לִ֖י (li) = aan mij | וְשָׁתִ֑יתִי (veshatiti) = en ik zal drinken | רַ֖ק (raq) = alleen | אֶעְבְּרָ֥ה (ebera) = laat mij trekken | בְרַגְלָֽי (beraglay) = te voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 20:19 **2:29** zoals de zonen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, voor mij hebben gedaan. Dat blijft zo, totdat ik de Jordaan oversteek naar het land dat Yahweh, onze Elohim, ons geeft.” Brontekst: כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | עָֽשׂוּ (asu) = deden | לִ֜י (li) = voor mij | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עֵשָׂ֗ו (esav) = Ezau | הַיֹּֽשְׁבִים֙ (hayoshevim) = die wonen | בְּשֵׂעִ֔יר (beseir) = in Seïr | וְהַמּ֣וֹאָבִ֔ים (vehamoavim) = en de Moabieten | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die wonen | בְּעָ֑ר (bear) = in Ar | עַ֤ד (ad) = tot | אֲשֶֽׁר (asher) = dat | אֶֽעֱבֹר֙ (eevor) = ik overstek | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽנוּ (lanu) = aan ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Volgens Num. 20:14–21 weigerde Edom Israël de doortocht; Israël ging om Edom heen (Num. 21:4). Hier gaat het erom dat Edom en Moab Israël voedsel en water verkochten. Zie ook: Num 20:14–21; Num 20:18; Num 21:4; Deut 5:16; Deut 9:6; Deut 23:4–5; Re 11:17–18 **2:30** Maar Sichon, de koning van Chesbon, wilde ons niet laten doortrekken. Want Yahweh, jullie Elohim, had zijn geest verhard en zijn hart koppig gemaakt, om hem in jullie hand te geven, zoals het vandaag is. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָבָ֗ה (ava) = wilde | סִיחֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּ֔וֹן (cheshbon) = Chesbon | הַעֲבִרֵ֖נוּ (haavirenu) = ons laten doortrekken | בּ֑וֹ (bo) = door hem | כִּֽי (ki) = want | הִקְשָׁה֩ (hiqsha) = had verhard | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶת (et) = (obj.) | רוּח֗וֹ (rucho) = zijn geest | וְאִמֵּץ֙ (veimets) = en maakte koppig | אֶת (et) = (obj.) | לְבָב֔וֹ (levavo) = zijn hart | לְמַ֛עַן (lemaan) = opdat | תִּתּ֥וֹ (tito) = Hij hem zou geven | בְיָדְךָ֖ (beyadekha) = in je hand | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Uitleg: Het ‘verharden’ van Sichons geest en hart is hetzelfde woord als bij de farao: zie Exod. 7:3. Hier staat het in een oorlog die Yahweh zelf wil. Zie ook: Ex 4:21; Ex 7:3; Ex 11:10; Num 21:23; Joz 11:19–20; Rom 9:17–23 **2:31** Yahweh zei tegen mij: **„Zie, Ik ben begonnen Sichon en zijn land aan je over te geven. Begin het in bezit te nemen, om zijn land te erven.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | רְאֵ֗ה (ree) = zie | הַֽחִלֹּ֨תִי֙ (hachiloti) = Ik ben begonnen | תֵּ֣ת (tet) = te geven | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je uit | אֶת (et) = (obj.) | סִיחֹ֖ן (sichon) = Sichon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצ֑וֹ (artso) = zijn land | הָחֵ֣ל (hachel) = begin | רָ֔שׁ (rash) = neem in bezit | לָרֶ֖שֶׁת (lareshet) = om te erven | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצֽוֹ (artso) = zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:8; Deut 2:24 **2:32** Sichon trok ons tegemoet, hij en heel zijn volk, om te strijden bij Jahaz. Brontekst: וַיֵּצֵא֩ (vayetse) = en trok uit | סִיחֹ֨ן (sichon) = Sichon | לִקְרָאתֵ֜נוּ (liqratenu) = ons tegemoet | ה֧וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | עַמּ֛וֹ (amo) = zijn volk | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = ter oorlog | יָֽהְצָה (yahetsa) = naar Jahaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jahaz lag in Moab, bij de Arnon. De precieze plek is onzeker (Num. 21:23). Zie ook: Num 21:23–30; Re 11:20–23; Ps 135:11; Ps 136:19; Neh 9:22 **2:33** Yahweh, onze Elohim, gaf hem aan ons over. Wij versloegen hem, zijn zonen en heel zijn volk. Brontekst: וַֽיִּתְּנֵ֛הוּ (vayitenehu) = en gaf hem | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְפָנֵ֑ינוּ (lefaneinu) = voor ons uit | וַנַּ֥ךְ (vanakh) = en wij sloegen | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּֽוֹ (amo) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 3:2–3; Deut 7:2; Deut 29:6–7; Joz 10:30–42; Joz 21:44 **2:34** Wij namen toen al zijn steden in en legden elke stad onder de ban: de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen. Wij lieten niemand over. Brontekst: וַנִּלְכֹּ֤ד (vanilkod) = en wij namen in | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עָרָיו֙ (arav) = zijn steden | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֔וא (hahi) = die | וַֽנַּחֲרֵם֙ (vanacharem) = en wij legden onder de ban | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = elke | עִ֣יר (ir) = stad | מְתִ֔ם (metim) = van mannen | וְהַנָּשִׁ֖ים (vehanashim) = en de vrouwen | וְהַטָּ֑ף (vehataf) = en de kleine kinderen | לֹ֥א (lo) = niet | הִשְׁאַ֖רְנוּ (hisharnu) = wij lieten over | שָׂרִֽיד (sarid) = overlevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: iets wordt aan Yahweh gewijd door het geheel te vernietigen. Zie ook Deut. 7:2 en 20:16–18. Zie ook: Deut 3:6; Deut 7:2; Deut 20:16–18; 1 Sam 15:3; 1 Sam 15:8–9 **2:35** Alleen het vee roofden wij voor onszelf, met de buit van de steden die wij hadden ingenomen. Brontekst: רַ֥ק (raq) = alleen | הַבְּהֵמָ֖ה (habehema) = het vee | בָּזַ֣זְנוּ (bazaznu) = roofden wij | לָ֑נוּ (lanu) = voor ons | וּשְׁלַ֥ל (ushelal) = en de buit van | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לָכָֽדְנוּ (lakhadenu) = wij hadden ingenomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 31:9–11; Deut 20:14; Joz 8:27 **2:36** Aroër ligt aan de oever van de beek Arnon. Van Aroër en van de stad in het dal tot aan Gilead was er geen stad die te sterk voor ons was. Yahweh, onze Elohim, gaf alles aan ons over. Brontekst: מֵֽעֲרֹעֵ֡ר (mearoer) = van Aroër | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַת (sefat) = de oever van | נַ֨חַל (nachal) = de beek | אַרְנֹ֜ן (arnon) = Arnon | וְהָעִ֨יר (vehair) = en de stad | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בַּנַּ֨חַל֙ (banachal) = in het dal | וְעַד (vead) = en tot | הַגִּלְעָ֔ד (hagilad) = Gilead | לֹ֤א (lo) = niet | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = was | קִרְיָ֔ה (qirya) = stad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׂגְבָ֖ה (sageva) = te hoog was | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = voor ons | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּ֕ל (hakol) = alles | נָתַ֛ן (natan) = gaf | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְפָנֵֽינוּ (lefaneinu) = voor ons uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aroër lag aan de noordrand van de kloof van de Arnon, bij het huidige Aroer, Jordanië. Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, ten noorden van de Arnon. Zie ook: Deut 3:12; Deut 4:48; Joz 13:9; Ps 44:4; Jes 17:2 **2:37** Alleen het land van de zonen van Ammon hebben jullie niet genaderd: heel de oever van de beek Jabbok en de steden van het bergland. Dat was alles wat Yahweh, onze Elohim, had geboden. Brontekst: רַ֛ק (raq) = alleen | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | לֹ֣א (lo) = niet | קָרָ֑בְתָּ (qaravta) = heb je genaderd | כָּל (kal) = heel | יַ֞ד (yad) = de zijde van | נַ֤חַל (nachal) = de beek | יַבֹּק֙ (yaboq) = Jabbok | וְעָרֵ֣י (vearei) = en de steden van | הָהָ֔ר (hahar) = het bergland | וְכֹ֥ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Jabbok is nu de Zarqa-rivier in Jordanië. Hij vormde de grens van het land van Ammon. Zie ook: Gen 32:22; Num 21:24; Deut 2:19; Deut 3:16; Joz 12:2 ## Deuteronomium 3 _Og van Basan, het land oost van de Jordaan en Mozes' gebed_ ### De overwinning op Og, de koning van Basan **3:1** Wij keerden om en trokken op over de weg naar Basan. Og, de koning van Basan, trok ons tegemoet, hij en heel zijn volk, om te strijden bij Edrei. Brontekst: וַנֵּ֣פֶן (vanefen) = en wij keerden om | וַנַּ֔עַל (vanaal) = en wij trokken op | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = de weg naar | הַבָּשָׁ֑ן (habashan) = Basan | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en trok uit | עוֹג֩ (og) = Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֨ן (habashan) = Basan | לִקְרָאתֵ֜נוּ (liqratenu) = ons tegemoet | ה֧וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | עַמּ֛וֹ (amo) = zijn volk | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = ter oorlog | אֶדְרֶֽעִי (edrei) = bij Edrei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Basan is het vruchtbare gebied ten oosten van het meer van Galilea (nu de Golanhoogten en de Hauran, in het zuiden van Syrië en het noorden van Jordanië). Edrei: zie 1:4. Zie ook: Num 21:33–35; Deut 1:4; Deut 29:6; Ps 135:10–11; Ps 136:20 **3:2** Yahweh zei tegen mij: **„Wees niet bang voor hem. Want Ik heb hem, heel zijn volk en zijn land in je hand gegeven. Je zult met hem doen zoals je gedaan hebt met Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | אַל (al) = niet | תִּירָ֣א (tira) = wees bang | אֹת֔וֹ (oto) = voor hem | כִּ֣י (ki) = want | בְיָדְךָ֞ (beyadekha) = in je hand | נָתַ֧תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצ֑וֹ (artso) = zijn land | וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en je zult doen | לּ֔וֹ (lo) = met hem | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֗יתָ (asita) = je hebt gedaan | לְסִיחֹן֙ (lesichon) = met Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woonde | בְּחֶשְׁבּֽוֹן (becheshbon) = in Chesbon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie ook: Num 21:23–25; Num 21:34; 2 Kron 20:17; Hand 27:24; Openb 2:10 **3:3** Yahweh, onze Elohim, gaf ook Og, de koning van Basan, en heel zijn volk in onze hand. Wij versloegen hem, totdat er niemand van hem over was. Brontekst: וַיִּתֵּן֩ (vayiten) = en gaf | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֜ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | בְּיָדֵ֗נוּ (beyadenu) = in onze hand | גַּ֛ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | ע֥וֹג (og) = Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֖ן (habashan) = Basan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּ֑וֹ (amo) = zijn volk | וַנַּכֵּ֕הוּ (vanakehu) = en wij sloegen hem | עַד (ad) = tot | בִּלְתִּ֥י (bilti) = niet | הִשְׁאִֽיר (hishir) = was overgelaten | ל֖וֹ (lo) = aan hem | שָׂרִֽיד (sarid) = overlevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie ook: Num 21:35; Deut 2:33–34; Joz 13:12; Joz 13:30 **3:4** Wij namen toen al zijn steden in. Er was geen stad die wij niet van hen namen: 60 steden, heel het gebied van Argob, het koninkrijk van Og in Basan. Brontekst: וַנִּלְכֹּ֤ד (vanilkod) = en wij namen in | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עָרָיו֙ (arav) = zijn steden | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֔וא (hahi) = die | לֹ֤א (lo) = niet | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = was | קִרְיָ֔ה (qirya) = stad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | לָקַ֖חְנוּ (laqachnu) = wij namen | מֵֽאִתָּ֑ם (meitam) = van hen | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | עִיר֙ (ir) = steden | כָּל (kal) = heel | חֶ֣בֶל (chevel) = het gebied van | אַרְגֹּ֔ב (argov) = Argob | מַמְלֶ֥כֶת (mamlekhet) = het koninkrijk van | ע֖וֹג (og) = Og | בַּבָּשָֽׁן (babashan) = in Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Argob is het gebied in Basan met veel basaltrotsen, waarschijnlijk de Lejah in het zuiden van Syrië. De ligging is waarschijnlijk, niet zeker. Zie ook: Num 32:33–42; Joz 12:4; Joz 13:30–31; 1 Kon 4:13 **3:5** Al die steden waren versterkt met een hoge muur, met deuren en grendel. Daarnaast waren er heel veel dorpen zonder muren. Brontekst: כָּל (kal) = al | אֵ֜לֶּה (ele) = deze | עָרִ֧ים (arim) = steden | בְּצֻר֛וֹת (betsurot) = versterkt | חוֹמָ֥ה (choma) = muur | גְבֹהָ֖ה (gevoha) = hoge | דְּלָתַ֣יִם (delatayim) = deuren | וּבְרִ֑יחַ (uveriach) = en grendel | לְבַ֛ד (levad) = afgezien van | מֵעָרֵ֥י (mearei) = de steden van | הַפְּרָזִ֖י (haperazi) = de open dorpen | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = vele | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרָזִי (perazi), ‘open dorp’: een dorp zonder stadsmuur. Zie ook: Num 13:28; Deut 1:28; Heb 11:30 **3:6** Wij legden ze onder de ban: elke stad, de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen. Zo hadden wij ook gedaan met Sichon, de koning van Chesbon. Brontekst: וַנַּחֲרֵ֣ם (vanacharem) = en wij legden onder de ban | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֔ינוּ (asinu) = wij deden | לְסִיחֹ֖ן (lesichon) = met Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּ֑וֹן (cheshbon) = Chesbon | הַחֲרֵם֙ (hacharem) = het onder de ban leggen van | כָּל (kal) = elke | עִ֣יר (ir) = stad | מְתִ֔ם (metim) = van mannen | הַנָּשִׁ֖ים (hanashim) = de vrouwen | וְהַטָּֽף (vehataf) = en de kleine kinderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Uitleg: Zie de voetnoot bij 2:34 over de ban. Zie ook: Deut 2:24; Deut 2:34; Deut 3:2; Deut 20:16–18; Ps 135:10–12 **3:7** Maar al het vee en de buit van de steden roofden wij voor onszelf. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en al | הַבְּהֵמָ֛ה (habehema) = het vee | וּשְׁלַ֥ל (ushelal) = en de buit van | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | בַּזּ֥וֹנוּ (bazonu) = roofden wij | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 2:35; Joz 8:27; Joz 11:11–14 ### Het land oost van de Jordaan **3:8** Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten. Dat lag aan de overkant van de Jordaan, van de beek Arnon tot de berg Hermon. Brontekst: וַנִּקַּ֞ח (vaniqach) = en wij namen | בָּעֵ֤ת (baet) = in tijd | הַהִוא֙ (hahi) = die | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מִיַּ֗ד (miyad) = uit de hand van | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | מִנַּ֥חַל (minachal) = van de beek | אַרְנֹ֖ן (arnon) = Arnon | עַד (ad) = tot | הַ֥ר (har) = de berg | חֶרְמֽוֹן (chermon) = Hermon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie Hermon: De Hermon is de hoogste berg van het gebied, op de grens van het huidige Libanon en Syrië. Zie ook: Num 32:33–42; Joz 12:2–6; Joz 13:9–12 **3:9** De Sidoniërs noemen de Hermon Sirjon, en de Amorieten noemen hem Senir. Brontekst: צִידֹנִ֛ים (tsidonim) = Sidoniërs | יִקְרְא֥וּ (yiqreu) = noemen | לְחֶרְמ֖וֹן (lechermon) = de Hermon | שִׂרְיֹ֑ן (siryon) = Sirjon | וְהָ֣אֱמֹרִ֔י (vehaemori) = en de Amoriet | יִקְרְאוּ (yiqreu) = noemt | ל֖וֹ (lo) = hem | שְׂנִֽיר (senir) = Senir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Hermon is de hoge berg op de grens van Libanon en Syrië. De Sidoniërs zijn de bewoners van Sidon in Libanon. Zie ook: 1 Kron 5:23; Ps 29:6; Ps 133:3; Hoogl 4:8; Ezech 27:5 **3:10** Het waren alle steden van het plateau, heel Gilead en heel Basan, tot Salka en Edrei, steden van het koninkrijk van Og in Basan. Brontekst: כֹּ֣ל (kol) = alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַמִּישֹׁ֗ר (hamishor) = het plateau | וְכָל (vekhal) = en heel | הַגִּלְעָד֙ (hagilad) = Gilead | וְכָל (vekhal) = en heel | הַבָּשָׁ֔ן (habashan) = Basan | עַד (ad) = tot | סַלְכָ֖ה (salkha) = Salka | וְאֶדְרֶ֑עִי (veedrei) = en Edrei | עָרֵ֛י (arei) = steden van | מַמְלֶ֥כֶת (mamlekhet) = het koninkrijk van | ע֖וֹג (og) = Og | בַּבָּשָֽׁן (babashan) = in Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Salka lag in het oosten van Basan, bij het huidige Salkhad in Syrië (waarschijnlijk). Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Edrei: Edrei is het huidige Daraa, in het zuiden van Syrië. Zie ook: Num 21:33; Deut 4:49; Joz 12:4–5; Joz 13:11–12; Joz 13:31 **3:11** Want alleen Og, de koning van Basan, was nog over van de rest van de Refaïeten. Zie, zijn bed was een bed van ijzer. Staat het niet in Rabba van de zonen van Ammon? Het is 9 el lang en 4 el breed, naar de el van een man. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | רַק (raq) = alleen | ע֞וֹג (og) = Og | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֗ן (habashan) = Basan | נִשְׁאַר֮ (nishar) = was overgebleven | מִיֶּ֣תֶר (miyeter) = van de rest van | הָרְפָאִים֒ (harefaim) = de Refaïeten | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | עַרְשׂוֹ֙ (arso) = zijn bed | עֶ֣רֶשׂ (eres) = bed van | בַּרְזֶ֔ל (barzel) = ijzer | הֲלֹ֣ה (halo) = is het niet | הִ֔וא (hi) = het | בְּרַבַּ֖ת (berabat) = in Rabba van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | תֵּ֧שַׁע (tesha) = negen | אַמּ֣וֹת (amot) = el | אָרְכָּ֗הּ (arkah) = zijn lengte | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | אַמּ֛וֹת (amot) = el | רָחְבָּ֖הּ (rachbah) = zijn breedte | בְּאַמַּת (beamat) = naar de el van | אִֽישׁ (ish) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rabba is de hoofdstad van Ammon, het huidige Amman in Jordanië. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: אַמָּה (amah), ‘el’: ongeveer 45 centimeter. Een bed van 9 bij 4 el is ongeveer 4 meter lang en 1,8 meter breed. Voetnoot : עֶרֶשׂ (eres), ‘bed’: het kan ook een rustbed of een kist zijn. Het is ‘van ijzer’; sommigen denken aan een hard zwart gesteente. Zie ook: Gen 14:5; Deut 2:11; 2 Sam 12:26; Amos 1:14; Jer 49:2 ### De verdeling over Ruben, Gad en de helft van Manasse **3:12** Dit land namen wij in die tijd in bezit. Vanaf Aroër, dat aan de beek Arnon ligt, gaf ik aan de Rubenieten en de Gadieten. Ook de helft van het bergland Gilead met zijn steden gaf ik aan hen. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | יָרַ֖שְׁנוּ (yarashnu) = namen wij in bezit | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֑וא (hahi) = die | מֵעֲרֹעֵ֞ר (mearoer) = vanaf Aroër | אֲשֶׁר (asher) = dat | עַל (al) = aan | נַ֣חַל (nachal) = de beek | אַרְנֹ֗ן (arnon) = Arnon | וַחֲצִ֤י (vachatsi) = en de helft van | הַֽר (har) = het bergland | הַגִּלְעָד֙ (hagilad) = Gilead | וְעָרָ֔יו (vearav) = en zijn steden | נָתַ֕תִּי (natati) = gaf ik | לָרֻֽאוּבֵנִ֖י (laruuveni) = aan de Rubeniet | וְלַגָּדִֽי (velagadi) = en aan de Gadiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aroër: Aroër lag aan de rand van de Arnonkloof, bij het huidige Khirbet Arair in Jordanië. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Num 32:32–38; Deut 2:36; Deut 4:48; Joz 12:2–6; 2 Kon 10:33 **3:13** De rest van Gilead en heel Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse. Heel het gebied van Argob, heel dat Basan, wordt het land van de Refaïeten genoemd. Brontekst: וְיֶ֨תֶר (veyeter) = en de rest van | הַגִּלְעָ֤ד (hagilad) = Gilead | וְכָל (vekhal) = en heel | הַבָּשָׁן֙ (habashan) = Basan | מַמְלֶ֣כֶת (mamlekhet) = het koninkrijk van | ע֔וֹג (og) = Og | נָתַ֕תִּי (natati) = gaf ik | לַחֲצִ֖י (lachatsi) = aan de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam | הַֽמְנַשֶּׁ֑ה (hamnashe) = Manasse | כֹּ֣ל (kol) = heel | חֶ֤בֶל (chevel) = het gebied van | הָֽאַרְגֹּב֙ (haargov) = Argob | לְכָל (lekhal) = heel | הַבָּשָׁ֔ן (habashan) = Basan | הַה֥וּא (hahu) = dat | יִקָּרֵ֖א (yiqare) = wordt genoemd | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | רְפָאִֽים (refaim) = Refaïeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Argob: Argob is een steenachtig gebied in Basan, de huidige Lejah in het zuiden van Syrië. Voetnoot Uitleg: Manasse is een zoon van Jozef (Gen. 41:51). Zijn stam is verdeeld: de helft woont ten oosten, de helft ten westen van de Jordaan (Num. 32:33). Zie ook: Gen 41:51; Num 32:33; Num 32:39–42; Joz 13:29–32; 1 Kron 5:23–26 **3:14** Jaïr, de zoon van Manasse, nam heel het gebied van Argob, tot aan de grens van de Gesurieten en de Maächatieten. Hij noemde Basan naar zichzelf: Chavvot-Jaïr, tot op deze dag. Brontekst: יָאִ֣יר (yair) = Jaïr | בֶּן (ben) = de zoon van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | לָקַח֙ (laqach) = nam | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | חֶ֣בֶל (chevel) = het gebied van | אַרְגֹּ֔ב (argov) = Argob | עַד (ad) = tot | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | הַגְּשׁוּרִ֖י (hageshuri) = de Gesuriet | וְהַמַּֽעֲכָתִ֑י (vehamaakhati) = en de Maächatiet | וַיִּקְרָא֩ (vayiqra) = en hij noemde | אֹתָ֨ם (otam) = hen | עַל (al) = naar | שְׁמ֤וֹ (shemo) = zijn naam | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּשָׁן֙ (habashan) = Basan | חַוֺּ֣ת (chavot) = Havvot | יָאִ֔יר (yair) = Jaïr | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Gesurieten en Maächatieten woonden in het noordwesten van Basan, nabij de Hermon en het meer van Galilea. Zie Argob: Argob is een steenachtig gebied in Basan, de huidige Lejah in het zuiden van Syrië. Voetnoot Uitleg: חַוֺּת יָאִיר (Chavvot Jair), ‘tentdorpen van Jaïr’. Zie Num. 32:41. Zie ook: Num 32:41; Joz 13:13; 2 Sam 3:3; 2 Sam 10:6; 2 Sam 13:37 **3:15** Aan Machir gaf ik Gilead. Brontekst: וּלְמָכִ֖יר (ulemakhir) = en aan Machir | נָתַ֥תִּי (natati) = gaf ik | אֶת (et) = (obj.) | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Machir is een zoon van Manasse (Num. 26:29; 32:39–40). Zie ook: Gen 50:23; Num 26:29; Num 32:39–40; Joz 17:1–3; Joz 22:7 **3:16** Aan de Rubenieten en de Gadieten gaf ik het gebied van Gilead tot de beek Arnon. Het midden van de beek was de grens. Ook gaf ik hun het gebied tot de beek Jabbok, de grens van de zonen van Ammon, Brontekst: וְלָרֻאוּבֵנִ֨י (velaruuveni) = en aan de Rubeniet | וְלַגָּדִ֜י (velagadi) = en aan de Gadiet | נָתַ֤תִּי (natati) = gaf ik | מִן (min) = van | הַגִּלְעָד֙ (hagilad) = Gilead | וְעַד (vead) = en tot | נַ֣חַל (nachal) = de beek | אַרְנֹ֔ן (arnon) = Arnon | תּ֥וֹךְ (tokh) = het midden van | הַנַּ֖חַל (hanachal) = de beek | וּגְבֻ֑ל (ugevul) = en grens | וְעַד֙ (vead) = en tot | יַבֹּ֣ק (yaboq) = Jabbok | הַנַּ֔חַל (hanachal) = de beek | גְּב֖וּל (gevul) = grens van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie Jabbok: De Jabbok is een zijrivier van de Jordaan, ten oosten van de rivier. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Gen 32:22; Num 21:24; Deut 2:37; Joz 12:2–3; 2 Sam 24:5 **3:17** En ik gaf hun de Araba met de Jordaan als grens, van Kinneret tot de zee van de Araba, de Zoutzee. Dat is onder de hellingen van de Pisga, in het oosten. Brontekst: וְהָֽעֲרָבָ֖ה (vehaarava) = en de Araba | וְהַיַּרְדֵּ֣ן (vehayarden) = en de Jordaan | וּגְבֻ֑ל (ugevul) = en grens | מִכִּנֶּ֗רֶת (mikineret) = van Kinneret | וְעַ֨ד (vead) = en tot | יָ֤ם (yam) = de zee van | הָֽעֲרָבָה֙ (haarava) = de Araba | יָ֣ם (yam) = de zee | הַמֶּ֔לַח (hamelach) = de Zoutzee | תַּ֛חַת (tachat) = onder | אַשְׁדֹּ֥ת (ashdot) = de hellingen van | הַפִּסְגָּ֖ה (hapisga) = de Pisga | מִזְרָֽחָה (mizracha) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kinneret is het meer van Galilea in het noorden van Israël. De Zoutzee is de Dode Zee. De Pisga is een bergrug ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Zie ook: Gen 14:3; Deut 4:49; Joz 3:16; Joz 12:3; Joz 13:27 ### Het bevel aan de stammen oost van de Jordaan **3:18** In die tijd gaf ik jullie dit bevel: „Yahweh, jullie Elohim, heeft jullie dit land gegeven om het in bezit te nemen. Gewapend moeten jullie oversteken voor jullie broeders, de zonen van Israël, alle strijdbare mannen. Brontekst: וָאֲצַ֣ו (vaatsav) = en ik gebood | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | בָּעֵ֥ת (baet) = in tijd | הַהִ֖וא (hahi) = die | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֜ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּאת֙ (hazot) = dit | לְרִשְׁתָּ֔הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | חֲלוּצִ֣ים (chalutsim) = gewapend | תַּֽעַבְר֗וּ (taavru) = zullen jullie oversteken | לִפְנֵ֛י (lifnei) = voor | אֲחֵיכֶ֥ם (acheikhem) = jullie broeders | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כָּל (kal) = alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:20–24; Joz 1:12–15; Joz 4:12–13; Joz 22:1–9 **3:19** Alleen jullie vrouwen, jullie kleine kinderen en jullie vee moeten blijven in de steden die ik jullie gegeven heb. Ik weet dat jullie veel vee hebben. Brontekst: רַ֠ק (raq) = alleen | נְשֵׁיכֶ֣ם (nesheikhem) = jullie vrouwen | וְטַפְּכֶם֮ (vetapekhem) = en jullie kleine kinderen | וּמִקְנֵכֶם֒ (umiqnekhem) = en jullie vee | יָדַ֕עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּֽי (ki) = dat | מִקְנֶ֥ה (miqne) = vee | רַ֖ב (rav) = veel | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | יֵֽשְׁבוּ֙ (yeshevu) = zullen blijven | בְּעָ֣רֵיכֶ֔ם (beareikhem) = in jullie steden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:20** Dat moet duren totdat Yahweh jullie broeders rust geeft, zoals jullie. Dat duurt totdat ook zij het land in bezit nemen dat Yahweh, jullie Elohim, hun geeft aan de overkant van de Jordaan. Daarna mag ieder van jullie terugkeren naar zijn bezit dat ik jullie gegeven heb.” Brontekst: עַ֠ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָנִ֨יחַ (yaniach) = rust geeft | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לַֽאֲחֵיכֶם֮ (laacheikhem) = aan jullie broeders | כָּכֶם֒ (kakhem) = zoals jullie | וְיָרְשׁ֣וּ (veyareshu) = en zij zullen in bezit nemen | גַם (gam) = ook | הֵ֔ם (hem) = zij | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֛ם (eloheikhem) = jullie Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְשַׁבְתֶּ֗ם (veshavtem) = en jullie zullen terugkeren | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | לִֽירֻשָּׁת֔וֹ (lirushato) = naar zijn bezit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֖תִּי (natati) = ik heb gegeven | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Joz 22:4; Joz 22:8 **3:21** Ook aan Jozua gaf ik in die tijd dit bevel: „Je eigen ogen hebben alles gezien. Dat is wat Yahweh, jullie Elohim, met deze twee koningen gedaan heeft. Zo zal Yahweh doen met alle koninkrijken waar jij heen trekt. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוֹשׁ֣וּעַ (yehoshua) = Jozua | צִוֵּ֔יתִי (tsiveiti) = gebood ik | בָּעֵ֥ת (baet) = in tijd | הַהִ֖וא (hahi) = die | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | עֵינֶ֣יךָ (eineikha) = je ogen | הָרֹאֹ֗ת (haroot) = die zagen | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשָׂ֜ה (asa) = heeft gedaan | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | לִשְׁנֵי֙ (lishnei) = aan twee | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | כֵּֽן (ken) = zo | יַעֲשֶׂ֤ה (yaase) = zal doen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְכָל (lekhal) = aan alle | הַמַּמְלָכ֔וֹת (hamamlakhot) = de koninkrijken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אַתָּ֖ה (ata) = jij | עֹבֵ֥ר (over) = trekt | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 27:18–23; Joz 10:25; 1 Sam 17:36–37; Ps 9:11; 2 Tim 4:17–18 **3:22** Wees niet bang voor hen, want Yahweh, jullie Elohim, is het die voor jullie strijdt.” Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תְִּירָא֑וּם (tieraum) = wees bang voor hen | כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | ה֖וּא (hu) = Hij | הַנִּלְחָ֥ם (hanilcham) = is die strijdt | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:14; Deut 1:30; Deut 20:4; 2 Kron 20:17; 2 Kron 20:29 ### Mozes smeekt om het land in te mogen **3:23** In die tijd smeekte ik Yahweh om gunst: Brontekst: וָאֶתְחַנַּ֖ן (vaetchanan) = en ik smeekte om gunst | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בָּעֵ֥ת (baet) = in tijd | הַהִ֖וא (hahi) = die | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאֶתְחַנַּן (waetchannan), ‘ik smeekte om gunst’: van חֵן (chen), ‘gunst’. Een smeekbede om genade. Zie ook: 2 Kor 12:8–9 **3:24** „Mijn Heer Yahweh, U bent begonnen Uw dienaar Uw grootheid en Uw sterke hand te laten zien. Want welke god is er in de hemel en op de aarde die zulke werken doet als U, en zulke machtige daden? Brontekst: אֲדֹנָ֣י (adonay) = mijn Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּ֤ה (ata) = U | הַֽחִלּ֨וֹתָ֙ (hachilota) = bent begonnen | לְהַרְא֣וֹת (leharot) = te laten zien | אֶֽת (et) = (obj.) | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | אֶ֨ת (et) = (obj.) | גָּדְלְךָ֔ (gadelekha) = Uw grootheid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יָדְךָ֖ (yadekha) = Uw hand | הַחֲזָקָ֑ה (hachazaqa) = de sterke | אֲשֶׁ֤ר (asher) = want | מִי (mi) = wie | אֵל֙ (el) = god | בַּשָּׁמַ֣יִם (bashamayim) = in de hemel | וּבָאָ֔רֶץ (uvaarets) = en op de aarde | אֲשֶׁר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = zou doen | כְמַעֲשֶׂ֖יךָ (kemaaseikha) = zoals Uw werken | וְכִגְבוּרֹתֶֽךָ (vekhigvurotekha) = en zoals Uw machtige daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’. Adonai is hier de aanspreekvorm voor Yahweh. Zie ook: Ex 15:11; Deut 11:2; 2 Sam 7:22; Ps 71:19; Jer 32:18–21 **3:25** Laat mij toch oversteken en het goede land zien dat aan de overkant van de Jordaan ligt, dit goede bergland en de Libanon.” Brontekst: אֶעְבְּרָה (ebera) = laat mij oversteken | נָּ֗א (na) = toch | וְאֶרְאֶה֙ (veere) = en laat mij zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = goede | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | הָהָ֥ר (hahar) = het bergland | הַטּ֛וֹב (hatov) = goede | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | וְהַלְּבָנֽוֹן (vehalevanon) = en de Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 3:8; Num 32:5; Deut 4:21–22; Deut 11:11–12; Ezech 20:6 **3:26** Maar Yahweh was verbolgen op mij, om jullie, en Hij luisterde niet naar mij. Yahweh zei tegen mij: **„Het is genoeg voor je. Spreek Mij hierover niet meer aan.** Brontekst: וַיִּתְעַבֵּ֨ר (vayitaber) = en was verbolgen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | בִּי֙ (bi) = op mij | לְמַ֣עַנְכֶ֔ם (lemaankhem) = om jullie | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖ע (shama) = luisterde | אֵלָ֑י (elay) = naar mij | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | רַב (rav) = genoeg | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | אַל (al) = niet | תּ֗וֹסֶף (tosef) = voeg toe | דַּבֵּ֥ר (daber) = te spreken | אֵלַ֛י (elay) = tot Mij | ע֖וֹד (od) = nog | בַּדָּבָ֥ר (badavar) = over de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes mag het land niet in: zie ook 1:37 en Num. 20:12; 27:12–14. Zie ook: Num 20:12; Num 27:12; Deut 1:37; Deut 31:2; 1 Kron 22:7–9; Jes 53:5–6; 2 Kor 12:8 **3:27** **Ga naar de top van de Pisga en sla je ogen op naar het westen, het noorden, het zuiden en het oosten. Kijk met je eigen ogen, want je zult deze Jordaan niet oversteken.** Brontekst: עֲלֵ֣ה (ale) = ga op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de top van | הַפִּסְגָּ֗ה (hapisga) = de Pisga | וְשָׂ֥א (vesa) = en sla op | עֵינֶ֛יךָ (eineikha) = je ogen | יָ֧מָּה (yama) = naar het westen | וְצָפֹ֛נָה (vetsafona) = en noordwaarts | וְתֵימָ֥נָה (veteimana) = en zuidwaarts | וּמִזְרָ֖חָה (umizracha) = en oostwaarts | וּרְאֵ֣ה (uree) = en zie | בְעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = met je ogen | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲבֹ֖ר (taavor) = zul je oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֥ן (hayarden) = de Jordaan | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De top van de Pisga ligt ten oosten van de Dode Zee. Vanaf Nebo zag Mozes het land (Deut. 34:1). Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Gen 13:14–15; Num 27:12; Deut 34:1–4 **3:28** **Geef Jozua opdracht, maak hem sterk en geef hem moed. Want hij zal voor dit volk uit oversteken en hij zal hun het land als erfdeel geven dat je zult zien.”** Brontekst: וְצַ֥ו (vetsav) = en geef opdracht | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | וְחַזְּקֵ֣הוּ (vechazeqehu) = en maak hem sterk | וְאַמְּצֵ֑הוּ (veametsehu) = en maak hem moedig | כִּי (ki) = want | ה֣וּא (hu) = hij | יַעֲבֹ֗ר (yaavor) = zal oversteken | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | יַנְחִ֣יל (yanchil) = zal laten erven | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תִּרְאֶֽה (tire) = je zult zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:38; Deut 31:3; Deut 31:7; Deut 31:23; Hand 7:45 **3:29** Wij bleven in het dal, tegenover Bet-Peor. Brontekst: וַנֵּ֣שֶׁב (vaneshev) = en wij bleven | בַּגָּ֔יְא (bagaye) = in het dal | מ֖וּל (mul) = tegenover | בֵּ֥ית (beit) = Bet | פְּעֽוֹר (peor) = Peor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Peor (‘huis van Peor’) lag in het dal ten oosten van de Jordaan, in Moab, tegenover Jericho. De juiste plek is onzeker. Zie Num. 25:3. Zie ook: Num 25:3; Num 33:48–49; Deut 4:3; Deut 4:46; Deut 34:6 ## Deuteronomium 4 _Houd je aan Yahweh: geen beelden, wel de wet_ ### Luister naar de voorschriften en rechtsregels **4:1** En nu, Israël, luister naar de voorschriften en de rechtsregels die ik jullie leer om te doen, zodat jullie leven. Zo kunnen jullie het land binnengaan en in bezit nemen dat Yahweh, de Elohim van jullie vaders, jullie geeft. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | שְׁמַ֤ע (shema) = luister | אֶל (el) = naar | הַֽחֻקִּים֙ (hachuqim) = de voorschriften | וְאֶל (veel) = en naar | הַמִּשְׁפָּטִ֔ים (hamishpatim) = de rechtsregels | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָֽנֹכִ֛י (anokhi) = ik | מְלַמֵּ֥ד (melamed) = leer | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | לַעֲשׂ֑וֹת (laasot) = om te doen | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תִּֽחְי֗וּ (tichyu) = jullie leven | וּבָאתֶם֙ (uvatem) = en jullie zullen binnengaan | וִֽירִשְׁתֶּ֣ם (virishtem) = en jullie zullen in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaders | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקִּים (chuqqim), ‘voorschriften’, en מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’: de vaste regels en de rechtsuitspraken die Yahweh gaf. Samen met de ‘geboden’ (מִצְוֹת, mitsvot) vormen ze de inhoud van de wet. Zie ook: Lev 18:5; Deut 8:1; Deut 30:16; Ezech 20:11; Rom 10:5 **4:2** Jullie mogen niets toevoegen aan het woord dat ik jullie gebied, en jullie mogen er niets van afnemen. Zo houden jullie de geboden van Yahweh, jullie Elohim, houden die ik jullie gebied. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תֹסִ֗פוּ (tosifu) = zullen jullie toevoegen | עַל (al) = aan | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֣ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִגְרְע֖וּ (tigreu) = zullen jullie afnemen | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = ervan | לִשְׁמֹ֗ר (lishmor) = om te houden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺת֙ (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Niets toevoegen en niets afnemen: de tekst van de wet blijft zoals Mozes hem gaf. Zie ook Deut. 13:1. Zie ook: Deut 13:1; Joz 1:7; Spr 30:6; Mat 5:18; Openb 22:18–19 **4:3** Jullie eigen ogen hebben gezien wat Yahweh bij Baäl-Peor heeft gedaan. Want Yahweh, jullie Elohim, heeft iedere man die Baäl-Peor volgde uit jullie midden vernietigd. Brontekst: עֵֽינֵיכֶם֙ (eineikhem) = jullie ogen | הָֽרֹאֹ֔ת (haroot) = die zagen | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֥ה (asa) = deed | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּבַ֣עַל (bevaal) = bij Baäl | פְּע֑וֹר (peor) = Peor | כִּ֣י (ki) = want | כָל (kal) = elke | הָאִ֗ישׁ (haish) = man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הָלַךְ֙ (halakh) = liep | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | בַֽעַל (baal) = Baäl | פְּע֔וֹר (peor) = Peor | הִשְׁמִיד֛וֹ (hishmido) = vernietigde hem | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Baäl-Peor: zie Num. 25:1–9. De mannen die de Baäl van Peor volgden, kwamen om. Zie ook: Num 25:1–9; Num 26:64; Joz 22:17; Ps 106:28–29; Hos 9:10 **4:4** Maar jullie die zich aan Yahweh, jullie Elohim, vasthielden, zijn vandaag allemaal in leven. Brontekst: וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | הַדְּבֵקִ֔ים (hadeveqim) = die zich vastklampen | בַּיהוָ֖ה (baYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | חַיִּ֥ים (chayim) = levend | כֻּלְּכֶ֖ם (kulekhem) = jullie allemaal | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּבַק (davaq), ‘zich vastklampen’: je zo aan Yahweh hechten dat je niet loskomt. Vergelijk Deut. 10:20; 11:22; 13:5. Zie ook: Deut 10:20; Deut 11:22; Deut 13:5; Joz 23:8; Joh 6:67–69; Rom 12:9; Openb 14:4 **4:5** Zie, ik heb jullie voorschriften en rechtsregels geleerd, zoals Yahweh, mijn Elohim, mij gebood. Doe zo in het land waar jullie naartoe gaan om het in bezit te nemen. Brontekst: רְאֵ֣ה (ree) = zie | לִמַּ֣דְתִּי (limadti) = ik heb geleerd | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = jullie | חֻקִּים֙ (chuqim) = voorschriften | וּמִשְׁפָּטִ֔ים (umishpatim) = en rechtsregels | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוַּ֖נִי (tsivani) = gebood mij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑י (elohay) = mijn Elohim | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | כֵּ֔ן (ken) = zo | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = in het midden van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | בָּאִ֥ים (baim) = binnengaan | שָׁ֖מָּה (shama) = erheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:1; Spr 22:19–20; Mat 28:20; 1 Tess 4:1–2; Heb 3:5 **4:6** Houd ze en doe ze. Want dat is jullie wijsheid en jullie inzicht in de ogen van de volken. Als zij al deze voorschriften horen, zullen zij zeggen: „Dit grote volk is zeker een wijs en verstandig volk.” Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּם֮ (ushemartem) = en houd ze | וַעֲשִׂיתֶם֒ (vaasitem) = en doe ze | כִּ֣י (ki) = want | הִ֤וא (hi) = dat | חָכְמַתְכֶם֙ (chakhematkhem) = jullie wijsheid | וּבִ֣ינַתְכֶ֔ם (uvinatkhem) = en jullie inzicht | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = in de ogen van | הָעַמִּ֑ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִשְׁמְע֗וּן (yishmeun) = zullen horen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַחֻקִּ֣ים (hachuqim) = de voorschriften | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וְאָמְר֗וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | רַ֚ק (raq) = zeker | עַם (am) = een volk | חָכָ֣ם (chakham) = wijs | וְנָב֔וֹן (venavon) = en verstandig | הַגּ֥וֹי (hagoy) = het volk | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = grote | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמָה (chokhmah), ‘wijsheid’, en בִּינָה (binah), ‘inzicht’: de volken zullen aan de wetten zien dat Israël wijs en verstandig is. Zie ook: Job 28:28; Ps 19:8; Ps 111:10; Spr 1:7; 2 Tim 3:15 **4:7** Want welk groot volk heeft goden die zo dichtbij zijn als Yahweh, onze Elohim, bij ons is, telkens wanneer wij tot Hem roepen? Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | מִי (mi) = wie | ג֣וֹי (goy) = een volk | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֥וֹ (lo) = voor hem | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = goden | קְרֹבִ֣ים (qerovim) = dichtbij | אֵלָ֑יו (elav) = bij hem | כַּיהוָ֣ה (kaYahweh) = zoals Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | בְּכָּל (bekal) = bij al | קָרְאֵ֖נוּ (qareenu) = wanneer wij roepen | אֵלָֽיו (elav) = tot Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier אֱלֹהִים (Elohim) met een meervoud van het werkwoord: ‘goden … die nabij zijn’. Wij vertalen ‘goden’, omdat het over de goden van de volken gaat. Yahweh, onze Elohim, is dichtbij wanneer het volk roept. Zie ook: 2 Sam 7:23; Ps 34:19; Ps 73:28; Ps 145:18; Jes 55:6 **4:8** En welk groot volk heeft voorschriften en rechtsregels die zo rechtvaardig zijn als heel deze wet, die ik jullie vandaag voorleg? Brontekst: וּמִי֙ (umi) = en wie | גּ֣וֹי (goy) = een volk | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֛וֹ (lo) = voor hem | חֻקִּ֥ים (chuqim) = voorschriften | וּמִשְׁפָּטִ֖ים (umishpatim) = en rechtsregels | צַדִּיקִ֑ם (tsadiqim) = rechtvaardige | כְּכֹל֙ (kekhol) = zoals heel | הַתּוֹרָ֣ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | נֹתֵ֥ן (noten) = geef | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie uit | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:12–13; Ps 19:8–12; Ps 147:19–20; Rom 7:12–14; 2 Tim 3:16–17 ### Wat jullie bij Horeb hebben gehoord **4:9** Pas alleen op jezelf en bewaak jullie ziel goed, zodat jullie de dingen niet vergeten die jullie ogen hebben gezien. Laat ze al de dagen van jullie leven niet uit jullie hart wegglippen. Maak ze bekend aan jullie zonen en aan jullie kleinzonen. Brontekst: רַ֡ק (raq) = alleen | הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֩ (lekha) = jezelf | וּשְׁמֹ֨ר (ushemor) = en bewaak | נַפְשְׁךָ֜ (nafshekha) = je ziel | מְאֹ֗ד (meod) = goed | פֶּן (pen) = opdat niet | תִּשְׁכַּ֨ח (tishkach) = je vergeet | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֜ים (hadevarim) = de dingen | אֲשֶׁר (asher) = die | רָא֣וּ (rau) = zagen | עֵינֶ֗יךָ (eineikha) = je ogen | וּפֶן (ufen) = en opdat niet | יָס֨וּרוּ֙ (yasuru) = zij wegwijken | מִלְּבָ֣בְךָ֔ (milevavekha) = uit je hart | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | חַיֶּ֑יךָ (chayeikha) = je leven | וְהוֹדַעְתָּ֥ם (vehodatam) = en maak ze bekend | לְבָנֶ֖יךָ (levaneikha) = aan je zonen | וְלִבְנֵ֥י (velivnei) = en aan de zonen van | בָנֶֽיךָ (baneikha) = je zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:19; Deut 6:7; Deut 11:19; Deut 32:46; Ps 78:3–8 **4:10** Denk aan de dag dat jullie bij Horeb voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim, stonden. Toen zei Yahweh tegen mij: **„Roep het volk voor Mij bijeen. Dan laat Ik hun Mijn woorden horen. Zo leren zij Mij te vrezen al de dagen dat zij op de grond leven, en leren zij het hun kinderen.”** Brontekst: י֗וֹם (yom) = de dag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָמַ֜דְתָּ (amadta) = je stond | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶיךָ֮ (eloheikha) = je Elohim | בְּחֹרֵב֒ (bechorev) = bij Horeb | בֶּאֱמֹ֨ר (beemor) = toen zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | הַקְהֶל (haqhel) = roep bijeen | לִי֙ (li) = voor Mij | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְאַשְׁמִעֵ֖ם (veashmiem) = en laat Mij ze horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרָ֑י (devaray) = Mijn woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = opdat | יִלְמְד֜וּן (yilmedun) = zij leren | לְיִרְאָ֣ה (leyira) = om te vrezen | אֹתִ֗י (oti) = Mij | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִים֙ (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הֵ֤ם (hem) = zij | חַיִּים֙ (chayim) = levend zijn | עַל (al) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵיהֶ֖ם (beneihem) = hun zonen | יְלַמֵּדֽוּן (yelamedun) = zij leren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: הַקְהֵל (haqhel), ‘roep bijeen’: van קָהָל (qahal), ‘vergadering’. Zie Exod. 19:9–19; 20:18–21. Zie ook: Ex 19:9; Ex 19:16; Ex 20:18; Ex 20:20; Deut 17:19; Heb 12:18–19 **4:11** Jullie kwamen dichterbij en stonden onder de berg. De berg brandde in vuur tot in het hart van de hemel, met duisternis, wolk en donkere wolk. Brontekst: וַתִּקְרְב֥וּן (vatiqrevun) = en jullie kwamen dichtbij | וַתַּֽעַמְד֖וּן (vataamdun) = en jullie stonden | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וְהָהָ֞ר (vehahar) = en de berg | בֹּעֵ֤ר (boer) = brandde | בָּאֵשׁ֙ (baesh) = in vuur | עַד (ad) = tot | לֵ֣ב (lev) = het hart van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | חֹ֖שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | עָנָ֥ן (anan) = wolk | וַעֲרָפֶֽל (vaarafel) = en donkere wolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Tot in het hart van de hemel’: het vuur brandde hoog op, tot midden in de hemel. Zie Exod. 19:16–18; 20:21. Zie ook: Ex 19:16–18; Ex 20:18–19; Ex 20:21; Deut 5:23; Heb 12:18–19 **4:12** Yahweh sprak tot jullie uit het midden van het vuur. Jullie hoorden het geluid van woorden, maar een gedaante zagen jullie niet. Er was alleen een stem. Brontekst: וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tot jullie | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵ֑שׁ (haesh) = het vuur | ק֤וֹל (qol) = de stem van | דְּבָרִים֙ (devarim) = woorden | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | שֹׁמְעִ֔ים (shomeim) = horend | וּתְמוּנָ֛ה (utemuna) = en een gedaante | אֵינְכֶ֥ם (einekhem) = niet | רֹאִ֖ים (roim) = zagen jullie | זוּלָתִ֥י (zulati) = behalve | קֽוֹל (qol) = een stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er was alleen een stem, geen gedaante. Daarom mogen er geen beelden worden gemaakt (verzen 15–19). Zie ook: Deut 4:15; Deut 4:36; Deut 5:4; Deut 5:22; 2 Petr 1:17–18 **4:13** Hij maakte Zijn verbond aan jullie bekend, dat Hij jullie gebood te houden: de tien woorden. Hij schreef ze op twee stenen tafelen. Brontekst: וַיַּגֵּ֨ד (vayaged) = en maakte bekend | לָכֶ֜ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִית֗וֹ (berito) = Zijn verbond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | צִוָּ֤ה (tsiva) = Hij gebood | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | עֲשֶׂ֖רֶת (aseret) = tien | הַדְּבָרִ֑ים (hadevarim) = de woorden | וַֽיִּכְתְּבֵ֔ם (vayikhtevem) = en Hij schreef ze | עַל (al) = op | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | לֻח֥וֹת (luchot) = tafelen van | אֲבָנִֽים (avanim) = steen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tien woorden: Exod. 20:2–17 en Deut. 5:6–18. Zie ook Exod. 34:28. Zie ook: Ex 19:5; Ex 20:2–17; Ex 24:12; Ex 31:18; Ex 34:28; Deut 5:6–18; Deut 9:9–11 **4:14** Mij gebood Yahweh in die tijd jullie voorschriften en rechtsregels te leren. Zo doen jullie ze in het land waar jullie naartoe gaan om het in bezit te nemen. Brontekst: וְאֹתִ֞י (veoti) = en mij | צִוָּ֤ה (tsiva) = gebood | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֔וא (hahi) = die | לְלַמֵּ֣ד (lelamed) = om te leren | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | חֻקִּ֖ים (chuqim) = voorschriften | וּמִשְׁפָּטִ֑ים (umishpatim) = en rechtsregels | לַעֲשֹׂתְכֶ֣ם (laasotekhem) = opdat jullie ze doen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֥ים (overim) = gaan over | שָׁ֖מָּה (shama) = erheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 105:44–45; Ezech 21:6–28 ### Geen enkel beeld **4:15** Pas dus goed op jezelf. Want jullie hebben geen enkele gedaante gezien op de dag dat Yahweh bij Horeb tot jullie sprak uit het midden van het vuur. Brontekst: וְנִשְׁמַרְתֶּ֥ם (venishmartem) = en pas op | מְאֹ֖ד (meod) = goed | לְנַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם (lenafshoteikhem) = voor jullie zielen | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | רְאִיתֶם֙ (reitem) = zagen jullie | כָּל (kal) = enige | תְּמוּנָ֔ה (temuna) = gedaante | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag | דִּבֶּ֨ר (diber) = sprak | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = tot jullie | בְּחֹרֵ֖ב (bechorev) = bij Horeb | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵֽשׁ (haesh) = het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Deut 4:12; Spr 4:27; Jes 40:18; Mal 2:15; 2 Kor 4:4–6 **4:16** Pas op dat jullie niet verdorven handelen. Maak voor jezelf geen gesneden beeld: een afbeelding van welk standbeeld ook, de gedaante van een man of een vrouw, Brontekst: פֶּ֨ן (pen) = opdat niet | תַּשְׁחִת֔וּן (tashchitun) = jullie verdorven handelen | וַעֲשִׂיתֶ֥ם (vaasitem) = en jullie maken | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | פֶּ֖סֶל (pesel) = een gesneden beeld | תְּמוּנַ֣ת (temunat) = afbeelding van | כָּל (kal) = elk | סָ֑מֶל (samel) = standbeeld | תַּבְנִ֥ית (tavnit) = gedaante van | זָכָ֖ר (zakhar) = man | א֥וֹ (o) = of | נְקֵבָֽה (neqeva) = vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁחַת (shachat), ‘verdorven handelen’: iets doen wat de goede orde bederft. Voetnoot : סֶמֶל (semel), ‘standbeeld’: een beeld; het woord is zeldzaam (ook Ezech. 8:3, 5). De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : תַּבְנִית (tavnit), ‘gedaante’: de vorm waarop iets is nagemaakt. Zie ook: Ex 20:4–5; Deut 4:23; Deut 5:8; Ezech 8:3; Hand 17:29; Rom 1:22–24 **4:17** de gedaante van enig dier op de aarde, de gedaante van enige gevleugelde vogel die in de hemel vliegt, Brontekst: תַּבְנִ֕ית (tavnit) = gedaante van | כָּל (kal) = elk | בְּהֵמָ֖ה (behema) = dier | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = op de aarde | תַּבְנִית֙ (tavnit) = gedaante van | כָּל (kal) = elke | צִפּ֣וֹר (tsipor) = vogel | כָּנָ֔ף (kanaf) = gevleugelde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תָּע֖וּף (tauf) = vliegt | בַּשָּׁמָֽיִם (bashamayim) = in de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Rom 1:23 **4:18** de gedaante van enig kruipend dier op de grond, de gedaante van enige vis in het water onder de aarde. Brontekst: תַּבְנִ֕ית (tavnit) = gedaante van | כָּל (kal) = elk | רֹמֵ֖שׂ (romes) = kruipend dier | בָּאֲדָמָ֑ה (baadama) = op de grond | תַּבְנִ֛ית (tavnit) = gedaante van | כָּל (kal) = elke | דָּגָ֥ה (daga) = vis | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = in het water | מִתַּ֥חַת (mitachat) = onder | לָאָֽרֶץ (laarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:19** Pas ook op dat jullie je ogen niet opslaan naar de hemel en de zon, de maan en de sterren zien. Dat is heel het leger van de hemel. Pas op dat jullie je niet laten meetrekken om je voor hen neer te buigen en hen te dienen. Yahweh, jullie Elohim, heeft die toegewezen aan alle volken onder heel de hemel. Brontekst: וּפֶן (ufen) = en opdat niet | תִּשָּׂ֨א (tisa) = je opheft | עֵינֶ֜יךָ (eineikha) = je ogen | הַשָּׁמַ֗יְמָה (hashamayma) = naar de hemel | וְֽ֠רָאִיתָ (veraita) = en je ziet | אֶת (et) = (obj.) | הַשֶּׁ֨מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּרֵ֜חַ (hayareach) = de maan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכּֽוֹכָבִ֗ים (hakokhavim) = de sterren | כֹּ֚ל (kol) = heel | צְבָ֣א (tseva) = het leger van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְנִדַּחְתָּ֛ (venidachta) = en je laat meetrekken | וְהִשְׁתַּחֲוִ֥יתָ (vehishtachavita) = en je buigt neer | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וַעֲבַדְתָּ֑ם (vaavadtam) = en je dient hen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | חָלַ֜ק (chalaq) = heeft toegewezen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | אֹתָ֔ם (otam) = hen | לְכֹל֙ (lekhol) = aan alle | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = heel | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדַּחְתָּ (niddachta), ‘je laat meetrekken’: letterlijk ‘je wordt weggedreven’, dus verleid. Voetnoot : חָלַק (chalaq), ‘toewijzen’: de zon, maan en sterren zijn aan de volken gegeven om het licht te hebben. Het kan ook betekenen dat Yahweh de volken aan hun eigen weg overliet. Beide lezingen zijn mogelijk. Zie ook: Gen 2:1; Deut 17:3; 2 Kon 17:16; 2 Kon 21:3; Rom 1:25 **4:20** Maar jullie heeft Yahweh genomen en uit de smeltoven van ijzer, uit Egypte, geleid. Hij deed dat, zodat jullie voor Hem een volk zijn dat Zijn erfdeel is, zoals het vandaag is. Brontekst: וְאֶתְכֶם֙ (veetkhem) = en jullie | לָקַ֣ח (laqach) = nam | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיּוֹצִ֥א (vayotsi) = en leidde uit | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | מִכּ֥וּר (mikur) = uit de smeltoven van | הַבַּרְזֶ֖ל (habarzel) = het ijzer | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | ל֛וֹ (lo) = voor Hem | לְעַ֥ם (leam) = tot een volk | נַחֲלָ֖ה (nachala) = erfdeel | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כּוּר הַבַּרְזֶל (kur habarzel), ‘smeltoven van ijzer’: een beeld voor het zware werk in Egypte. Zie ook 1 Kon. 8:51; Jer. 11:4. Zie ook: Ex 19:5–6; Deut 9:29; Ps 135:4; 1 Kon 8:51; Jer 11:4 ### Mozes zal het land niet in **4:21** Yahweh was toornig op mij vanwege jullie woorden. Hij zwoer dat ik de Jordaan niet zou oversteken en niet in het goede land zou komen dat Yahweh, jullie Elohim, jullie als erfdeel geeft. Brontekst: וַֽיהוָ֥ה (vaYahweh) = en Yahweh | הִתְאַנֶּף (hitanef) = was toornig | בִּ֖י (bi) = op mij | עַל (al) = over | דִּבְרֵיכֶ֑ם (divreikhem) = jullie woorden | וַיִּשָּׁבַ֗ע (vayishava) = en Hij zwoer | לְבִלְתִּ֤י (levilti) = dat niet | עָבְרִי֙ (averi) = ik overstak | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | וּלְבִלְתִּי (ulevilti) = en dat niet | בֹא֙ (bo) = ik binnenkwam | אֶל (el) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = goede | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | נַחֲלָֽה (nachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Zie ook 1:37 en 3:26. Zie ook: Num 20:12; Deut 1:37; Deut 3:26; Deut 31:2; Ps 106:32–33 **4:22** Want ik sterf in dit land. Ik steek de Jordaan niet over, maar jullie steken over en nemen dat goede land in bezit. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מֵת֙ (met) = sterf | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֵינֶ֥נִּי (eineni) = ik ben niet | עֹבֵ֖ר (over) = overstekend | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | עֹֽבְרִ֔ים (overim) = zijn overstekend | וִֽירִשְׁתֶּ֕ם (virishtem) = en jullie zullen in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַטּוֹבָ֖ה (hatova) = goede | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 3:25; Deut 3:27; 1 Kon 13:21–22; 2 Petr 1:13–15; Heb 12:6–10 **4:23** Pas op dat jullie het verbond van Yahweh, jullie Elohim, dat Hij met jullie gesloten heeft, niet vergeten. Pas op dat jullie voor jezelf geen gesneden beeld maken, een afbeelding van wat Yahweh, jullie Elohim, jullie verboden heeft. Brontekst: הִשָּׁמְר֣וּ (hishameru) = pas op | לָכֶ֗ם (lakhem) = voor jullie | פֶּֽן (pen) = opdat niet | תִּשְׁכְּחוּ֙ (tishkechu) = jullie vergeten | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִ֤ית (berit) = het verbond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּרַ֖ת (karat) = sloot | עִמָּכֶ֑ם (imakhem) = met jullie | וַעֲשִׂיתֶ֨ם (vaasitem) = en jullie maken | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | פֶּ֨סֶל֙ (pesel) = een gesneden beeld | תְּמ֣וּנַת (temunat) = afbeelding van | כֹּ֔ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | צִוְּךָ֖ (tsivekha) = heeft je geboden | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier צִוְּךָ (tsivvekha), ‘heeft je geboden’. Het gaat om het gebod dat Yahweh gaf, namelijk om geen beeld te maken (Exod. 20:4). Wij vertalen ‘verboden heeft’. Zie ook: Ex 20:4; Deut 4:9; Jes 24:5; Ezech 16:59; Mat 24:4; Heb 3:12 **4:24** Want Yahweh, jullie Elohim, is een verterend vuur, een na-ijverige El. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֵ֥שׁ (esh) = vuur | אֹכְלָ֖ה (okhela) = verterend | ה֑וּא (hu) = Hij is | אֵ֖ל (el) = El | קַנָּֽא (qana) = na-ijverig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵשׁ אֹכְלָה (esh okhelah), ‘verterend vuur’: Yahweh verteert alles wat Hem tegenstaat. Zie Exod. 24:17. Voetnoot : קַנָּא (qanna), ‘na-ijverig’: zie Exod. 20:5. Zie ook: Ex 20:5; Ex 24:17; Deut 9:3; Jes 33:14; Nah 1:6; Heb 12:29 ### Waarschuwing: verstrooiing, maar ook terugkeer **4:25** Stel dat jullie zonen en kleinzonen krijgen en lang in het land hebben gewoond. Stel dat jullie verdorven handelen en een gesneden beeld maken, een afbeelding van wat ook. Stel dat jullie doen wat kwaad is in de ogen van Yahweh, jullie Elohim, om Hem te tergen. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תוֹלִ֤יד (tolid) = je krijgt | בָּנִים֙ (banim) = zonen | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | בָנִ֔ים (banim) = zonen | וְנוֹשַׁנְתֶּ֖ם (venoshantem) = en jullie oud geworden zijn | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | וְהִשְׁחַתֶּ֗ם (vehishchatem) = en jullie handelen verdorven | וַעֲשִׂ֤יתֶם (vaasitem) = en jullie maken | פֶּ֨סֶל֙ (pesel) = een gesneden beeld | תְּמ֣וּנַת (temunat) = afbeelding van | כֹּ֔ל (kol) = alles | וַעֲשִׂיתֶ֥ם (vaasitem) = en jullie doen | הָרַ֛ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְהַכְעִיסֽוֹ (lehakhiso) = om Hem te tergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוֹשַׁנְתֶּם (noshantem), ‘jullie oud geworden zijn’: letterlijk ‘oud worden’, dus lang in het land wonen. Zie ook: Deut 4:16; Deut 31:29; 2 Kron 36:12–16; Hos 9:9; 1 Kor 10:22 **4:26** Dan neem ik vandaag de hemel en de aarde als getuigen tegen jullie. Jullie zullen snel helemaal verdwijnen uit het land waar jullie naartoe gaan, over de Jordaan, om het in bezit te nemen. Jullie zullen er niet lang leven, want jullie zullen volledig worden vernietigd. Brontekst: הַעִידֹתִי֩ (haidoti) = ik roep als getuigen aan | בָכֶ֨ם (bakhem) = tegen jullie | הַיּ֜וֹם (hayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | כִּֽי (ki) = dat | אָבֹ֣ד (avod) = zeker vergaan | תֹּאבֵדוּן֮ (tovedun) = jullie zullen vergaan | מַהֵר֒ (maher) = snel | מֵעַ֣ל (meal) = van op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֧ים (overim) = gaan over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֛ן (hayarden) = de Jordaan | שָׁ֖מָּה (shama) = erheen | לְרִשְׁתָּ֑הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | לֹֽא (lo) = niet | תַאֲרִיכֻ֤ן (taarikhun) = jullie zullen verlengen | יָמִים֙ (yamim) = dagen | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erop | כִּ֥י (ki) = want | הִשָּׁמֵ֖ד (hishamed) = zeker vernietigd | תִּשָּׁמֵדֽוּן (tishamedun) = jullie zullen vernietigd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De hemel en de aarde als getuigen: zie ook Deut. 30:19; 31:28; 32:1. Zie ook: Deut 30:18–19; Deut 30:19; Deut 31:28; Deut 32:1; Jes 1:2; Mi 6:2; Jer 22:29 **4:27** Yahweh zal jullie verstrooien onder de volken. Met een klein aantal zullen jullie overblijven onder de volken waarheen Yahweh jullie voert. Brontekst: וְהֵפִ֧יץ (vehefits) = en zal verstrooien | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בָּעַמִּ֑ים (baamim) = onder de volken | וְנִשְׁאַרְתֶּם֙ (venishartem) = en jullie zullen overblijven | מְתֵ֣י (metei) = mannen van | מִסְפָּ֔ר (mispar) = getal | בַּגּוֹיִ֕ם (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | יְנַהֵ֧ג (yenaheg) = zal voeren | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | שָֽׁמָּה (shama) = erheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Een klein aantal’ is letterlijk ‘mannen van getal’: weinig mensen, zo weinig dat je ze kunt tellen. Zie ook: Lev 26:33; Deut 28:62–64; Ezech 12:15; Ezech 32:26; Neh 1:8–9 **4:28** Daar zullen jullie goden dienen, het werk van mensenhanden, hout en steen, die niet zien, niet horen, niet eten en niet ruiken. Brontekst: וַעֲבַדְתֶּם (vaavadtem) = en jullie zullen dienen | שָׁ֣ם (sham) = daar | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = goden | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | יְדֵ֣י (yedei) = handen van | אָדָ֑ם (adam) = mensen | עֵ֣ץ (ets) = hout | וָאֶ֔בֶן (vaeven) = en steen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יִרְאוּן֙ (yirun) = zien | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִשְׁמְע֔וּן (yishmeun) = horen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יֹֽאכְל֖וּן (yokhlun) = eten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְרִיחֻֽן (yerichun) = ruiken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:36; Deut 28:64; 1 Sam 26:19; Jes 46:7; Jer 16:13 **4:29** Van daaruit zul je Yahweh, je Elohim, zoeken. Je zult Hem vinden, wanneer je Hem zoekt met heel je hart en met heel je ziel. Brontekst: וּבִקַּשְׁתֶּ֥ם (uviqashtem) = en jullie zullen zoeken | מִשָּׁ֛ם (misham) = vanaf daar | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | וּמָצָ֑אתָ (umatsata) = en je zult vinden | כִּ֣י (ki) = als | תִדְרְשֶׁ֔נּוּ (tidreshenu) = je zult zoeken Hem | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:2; Ps 119:10; 2 Kron 15:4; Jes 55:6–7; Jer 29:12–14 **4:30** In je nood, wanneer al deze dingen je overkomen in het laatste van de dagen, zul je terugkeren tot Yahweh, je Elohim. Je zult naar Zijn stem luisteren. Brontekst: בַּצַּ֣ר (batsar) = in nood | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | וּמְצָא֕וּךָ (umetsaukha) = en zullen je vinden | כֹּ֖ל (kol) = alle | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de dingen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | בְּאַחֲרִית֙ (beacharit) = in het laatste van | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וְשַׁבְתָּ֙ (veshavta) = en je zult terugkeren | עַד (ad) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְשָׁמַעְתָּ֖ (veshamata) = en je zult luisteren | בְּקֹלֽוֹ (beqolo) = naar Zijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרִית הַיָּמִים (acharit hayamim), ‘het laatste van de dagen’: de latere tijd, wanneer dit alles is gebeurd. Zie ook Gen. 49:1. Zie ook: Gen 49:1; Deut 31:29; Joël 2:12–13; Hos 3:5; Jer 23:20 **4:31** Want Yahweh, je Elohim, is een barmhartige El. Hij zal je niet loslaten en je niet vernietigen. Hij zal het verbond met je vaders, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ל (el) = El | רַחוּם֙ (rachum) = barmhartig | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹ֥א (lo) = niet | יַרְפְּךָ֖ (yarpekha) = zal Hij je loslaten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַשְׁחִיתֶ֑ךָ (yashchitekha) = zal Hij je vernietigen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִשְׁכַּח֙ (yishkach) = zal Hij vergeten | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | אֲבֹתֶ֔יךָ (avoteikha) = je vaders | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֖ע (nishba) = Hij zwoer | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:8; Ps 116:5; 2 Kron 30:9; Jona 4:2; Neh 9:31 ### Yahweh is de Elohim **4:32** Vraag toch naar de vroegere dagen, die voor jou zijn geweest, vanaf de dag dat Elohim de mens op de aarde schiep. Vraag het ook van het ene einde van de hemel tot het andere einde van de hemel. Is er ooit iets zo groots gebeurd, of is ooit iets zoals dat gehoord? Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שְׁאַל (sheal) = vraag | נָא֩ (na) = toch | לְיָמִ֨ים (leyamim) = naar de dagen | רִֽאשֹׁנִ֜ים (rishonim) = vroegere | אֲשֶׁר (asher) = die | הָי֣וּ (hayu) = waren | לְפָנֶ֗יךָ (lefaneikha) = voor jou | לְמִן (lemin) = vanaf | הַיּוֹם֙ (hayom) = de dag | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | בָּרָ֨א (bara) = schiep | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | אָדָם֙ (adam) = mens | עַל (al) = op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וּלְמִקְצֵ֥ה (ulemiqtse) = en van het uiteinde van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְעַד (vead) = en tot | קְצֵ֣ה (qetse) = het uiteinde van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | הֲנִֽהְיָ֗ה (hanihya) = is er gebeurd | כַּדָּבָ֤ר (kadavar) = zoals dit woord | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = grote | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | א֖וֹ (o) = of | הֲנִשְׁמַ֥ע (hanishma) = is er gehoord | כָּמֹֽהוּ (kamohu) = zoals het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אָדָם (adam) staat hier zonder lidwoord. Wij vertalen ‘de mens’, omdat het gaat om de schepping van de mensheid. Zie Gen. 1:27. Zie ook: Gen 1:27; Job 8:8; Deut 32:7; Ps 44:2; Joël 1:2; Mat 24:31 **4:33** Heeft ooit een volk de stem van Elohim midden uit het vuur horen spreken, zoals jij gehoord hebt, en bleef het in leven? Brontekst: הֲשָׁ֣מַֽע (hashama) = heeft gehoord | עָם֩ (am) = een volk | ק֨וֹל (qol) = de stem van | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | מְדַבֵּ֧ר (medaber) = sprekend | מִתּוֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵ֛שׁ (haesh) = het vuur | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | שָׁמַ֥עְתָּ (shamata) = heb gehoord | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וַיֶּֽחִי (vayechi) = en bleef leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:11; Ex 33:20; Deut 5:24; Deut 5:26; Re 6:22 **4:34** Of heeft Elohim ooit geprobeerd te komen om voor Zich een volk te nemen uit het midden van een ander volk? Heeft Hij dat ooit gedaan met beproevingen, met tekenen en wonderen, met oorlog? Of met een sterke hand en een uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden? Is dat ooit gebeurd zoals alles wat Yahweh, je Elohim, voor je in Egypte gedaan heeft, voor jouw ogen? Brontekst: א֣וֹ (o) = of | הֲנִסָּ֣ה (hanisa) = heeft geprobeerd | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | לָ֠בוֹא (lavo) = om te komen | לָקַ֨חַת (laqachat) = om te nemen | ל֣וֹ (lo) = voor Zich | גוֹי֮ (goy) = een volk | מִקֶּ֣רֶב (miqerev) = uit het midden van | גּוֹי֒ (goy) = een volk | בְּמַסֹּת֩ (bemasot) = met beproevingen | בְּאֹתֹ֨ת (beotot) = met tekenen | וּבְמוֹפְתִ֜ים (uvemofetim) = en met wonderen | וּבְמִלְחָמָ֗ה (uvemilchama) = en met oorlog | וּבְיָ֤ד (uveyad) = en met hand | חֲזָקָה֙ (chazaqa) = sterke | וּבִזְר֣וֹעַ (uvizroa) = en met arm | נְטוּיָ֔ה (netuya) = uitgestrekte | וּבְמוֹרָאִ֖ים (uvemoraim) = en met ontzagwekkende daden | גְּדֹלִ֑ים (gedolim) = grote | כְּ֠כֹל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֨ה (asa) = deed | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֛ם (eloheikhem) = jullie Elohim | בְּמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | לְעֵינֶֽיךָ (leeineikha) = voor je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַסּוֹת (massot), ‘beproevingen’: de plagen en andere zware tekenen waarmee Egypte op de proef werd gesteld. Zie Exod. 7–12. Voetnoot : מוֹרָאִים (mora’im), ‘ontzagwekkende daden’: afgeleid van נוֹרָא (nora), ‘ontzagwekkend’. Zie ook: Ex 6:6; Deut 5:15; Deut 7:8–9; Deut 7:19; Deut 26:8 **4:35** Jij hebt het te zien gekregen, zodat je zou weten dat Yahweh de Elohim is. Er is geen ander naast Hem. Brontekst: אַתָּה֙ (ata) = jij | הָרְאֵ֣תָ (hareeta) = is laten zien | לָדַ֔עַת (ladaat) = om te weten | כִּ֥י (ki) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = Hij is | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | אֵ֥ין (ein) = er is niet | ע֖וֹד (od) = nog een | מִלְבַדּֽוֹ (milvado) = behalve Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:39; 1 Sam 2:2; Jes 44:8; Jes 45:5; Jes 45:18 **4:36** Vanuit de hemel liet Hij je Zijn stem horen om je te onderwijzen, en op de aarde liet Hij je Zijn grote vuur zien. Zijn woorden hoorde je midden uit het vuur. Brontekst: מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | הִשְׁמִֽיעֲךָ֥ (hishmiakha) = liet Hij je horen | אֶת (et) = (obj.) | קֹל֖וֹ (qolo) = Zijn stem | לְיַסְּרֶ֑ךָּ (leyasereka) = om je te onderwijzen | וְעַל (veal) = en op | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | הֶרְאֲךָ֙ (herakha) = liet Hij je zien | אֶת (et) = (obj.) | אִשּׁ֣וֹ (isho) = Zijn vuur | הַגְּדוֹלָ֔ה (hagedola) = het grote | וּדְבָרָ֥יו (udevarav) = en Zijn woorden | שָׁמַ֖עְתָּ (shamata) = hoorde je | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵֽשׁ (haesh) = het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַסֵּר (yasser), ‘onderwijzen’: ook ‘opvoeden’ of ‘tuchtigen’. Yahweh liet Zijn stem horen om het volk Zijn weg te leren. Zie ook: Ex 19:9; Ex 19:19; Deut 4:33; Neh 9:13; Heb 12:25 **4:37** Omdat Hij van je vaders hield, koos Hij hun nageslacht na hen. Hij leidde jou zelf uit Egypte, met Zijn aanwezigheid en met Zijn grote kracht, Brontekst: וְתַ֗חַת (vetachat) = en omdat | כִּ֤י (ki) = dat | אָהַב֙ (ahav) = Hij hield van | אֶת (et) = (obj.) | אֲבֹתֶ֔יךָ (avoteikha) = je vaders | וַיִּבְחַ֥ר (vayivchar) = en Hij koos | בְּזַרְע֖וֹ (bezaro) = hun nageslacht | אַחֲרָ֑יו (acharav) = na hem | וַיּוֹצִֽאֲךָ֧ (vayotsiakha) = en leidde je uit | בְּפָנָ֛יו (befanav) = met Zijn aangezicht | בְּכֹח֥וֹ (bekhocho) = met Zijn kracht | הַגָּדֹ֖ל (hagadol) = de grote | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בְּפָנָיו (befanav), ‘met Zijn aangezicht’: dat wil zeggen met Zijn eigen aanwezigheid. Vergelijk Exod. 33:14. Zie ook: Ex 13:3; Ex 13:9; Ex 33:14; Deut 10:15; Jes 63:11–12 **4:38** om volken die groter en machtiger zijn dan jij, voor je uit te verdrijven. Hij deed dat om je binnen te brengen en je hun land als erfdeel te geven, zoals het vandaag is. Brontekst: לְהוֹרִ֗ישׁ (lehorish) = om te verdrijven | גּוֹיִ֛ם (goyim) = volken | גְּדֹלִ֧ים (gedolim) = groot | וַעֲצֻמִ֛ים (vaatsumim) = en machtig | מִמְּךָ֖ (mimekha) = meer dan jij | מִפָּנֶ֑יךָ (mipaneikha) = voor je uit | לַהֲבִֽיאֲךָ֗ (lahaviakha) = om je binnen te brengen | לָֽתֶת (latet) = om te geven | לְךָ֧ (lekha) = aan jou | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֛ם (artsam) = hun land | נַחֲלָ֖ה (nachala) = als erfdeel | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 2:31–3:16; Deut 7:1; Deut 9:1–5; Deut 11:23; Ps 44:3–4 **4:39** Weet daarom vandaag en neem het ter harte dat Yahweh de Elohim is, boven in de hemel en beneden op de aarde. Er is geen ander. Brontekst: וְיָדַעְתָּ֣ (veyadata) = en weet | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | וַהֲשֵׁבֹתָ֮ (vahashevota) = en neem ter harte | אֶל (el) = naar | לְבָבֶךָ֒ (levavekha) = je hart | כִּ֤י (ki) = dat | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = Hij is | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | בַּשָּׁמַ֣יִם (bashamayim) = in de hemel | מִמַּ֔עַל (mimaal) = boven | וְעַל (veal) = en op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | מִתָּ֑חַת (mitachat) = beneden | אֵ֖ין (ein) = er is niet | עֽוֹד (od) = nog een Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:35; Joz 2:11; 1 Kron 28:9; 1 Kron 29:11; Hos 7:2 **4:40** Houd Zijn voorschriften en Zijn geboden, die ik je vandaag gebied. Dan gaat het goed met je en met je kinderen na je. Zo leef je lang in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft, al de dagen. Brontekst: וְשָׁמַרְתָּ֞ (veshamarta) = en houd | אֶת (et) = (obj.) | חֻקָּ֣יו (chuqav) = Zijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִצְוֺתָ֗יו (mitsvotav) = Zijn geboden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֙ (metsavekha) = gebied je | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | אֲשֶׁר֙ (asher) = opdat | יִיטַ֣ב (yitav) = het goed gaat | לְךָ֔ (lekha) = met jou | וּלְבָנֶ֖יךָ (ulevaneikha) = en met je zonen | אַחֲרֶ֑יךָ (achareikha) = na je | וּלְמַ֨עַן (ulemaan) = en opdat | תַּאֲרִ֤יךְ (taarikh) = je lang leeft | יָמִים֙ (yamim) = dagen | עַל (al) = op | הַ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֲדָמָה (ha’adamah) is ‘de grond’; hier is het beloofde land bedoeld, zoals in Exod. 20:12 en Deut. 5:16. Zie ook: Ex 20:12; Lev 22:31; Deut 5:16; Deut 6:3; Deut 12:28; Ef 6:3 ### Drie steden aan de oostkant van de Jordaan **4:41** Toen zonderde Mozes drie steden af, aan de overkant van de Jordaan, aan de oostkant, Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יַבְדִּ֤יל (yavdil) = zonderde af | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | עָרִ֔ים (arim) = steden | בְּעֵ֖בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְרְחָ֖ה (mizrecha) = oostwaarts | שָֽׁמֶשׁ (shamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De drie steden zijn toevluchtssteden voor wie iemand per ongeluk doodt. Zie Num. 35:9–34; Deut. 19:1–13. Zie ook: Num 35:6; Num 35:9–34; Num 35:14–15; Deut 19:1–13; Joz 20:2–9 **4:42** als toevluchtsplaats voor wie iemand doodt: wie zijn naaste zonder opzet doodt en hem niet eerder gehaat heeft. Hij mag naar een van die steden vluchten en blijft dan in leven: Brontekst: לָנֻ֨ס (lanus) = om te vluchten | שָׁ֜מָּה (shama) = erheen | רוֹצֵ֗חַ (rotseach) = wie doodt | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִרְצַ֤ח (yirtsach) = doodt | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | בִּבְלִי (bivli) = zonder | דַ֔עַת (daat) = kennis | וְה֛וּא (vehu) = en hij | לֹא (lo) = niet | שֹׂנֵ֥א (sone) = haatte | ל֖וֹ (lo) = hem | מִתְּמ֣וֹל (mitemol) = van gisteren | שִׁלְשׁ֑וֹם (shilshom) = eergisteren | וְנָ֗ס (venas) = en hij zal vluchten | אֶל (el) = naar | אַחַ֛ת (achat) = een | מִן (min) = van | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖ל (hael) = deze | וָחָֽי (vachay) = en blijft leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצַח (ratsach), ‘doden’: hetzelfde werkwoord als in het zesde woord (Deut. 5:17). Hier gaat het om doden zonder opzet. Zie ook: Num 35:6; Num 35:11–12; Num 35:15–28; Deut 5:17; Deut 19:1–10; Heb 6:18 **4:43** Betser in de woestijn, in het land van het plateau, voor de Rubenieten. Ramot in Gilead voor de Gadieten. En Golan in Basan voor de Manassieten. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֧צֶר (betser) = Betser | בַּמִּדְבָּ֛ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | הַמִּישֹׁ֖ר (hamishor) = het plateau | לָרֻֽאוּבֵנִ֑י (laruuveni) = voor de Rubeniet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רָאמֹ֤ת (ramot) = Ramot | בַּגִּלְעָד֙ (bagilad) = in Gilead | לַגָּדִ֔י (lagadi) = voor de Gadiet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גּוֹלָ֥ן (golan) = Golan | בַּבָּשָׁ֖ן (babashan) = in Basan | לַֽמְנַשִּֽׁי (lamnashi) = voor de Manassiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betser lag in het plateau ten oosten van de Dode Zee (Jordanië); de plek is onzeker. Ramot in Gilead is waarschijnlijk Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Golan lag in Basan, in het zuiden van Syrië; de plek is onzeker. Zie ook: Joz 20:8; Joz 21:38; 1 Kron 6:56; 1 Kron 6:65; 1 Kon 22:3–4 ### Het begin van de wet van Mozes **4:44** Dit is de wet die Mozes de zonen van Israël voorlegde. Brontekst: וְזֹ֖את (vezot) = en dit | הַתּוֹרָ֑ה (hatora) = de wet | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֣ם (sam) = legde voor | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht dat Yahweh geeft. Vanaf hier opent een tweede deel: de verzen 44–49 vormen de inleiding op de volgende toespraak. Zie ook: Lev 27:34; Deut 1:5; Deut 27:3; Deut 27:26; Deut 33:4 **4:45** Dit zijn de getuigenissen, de voorschriften en de rechtsregels die Mozes tot de zonen van Israël sprak, toen zij uit Egypte kwamen, Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | הָֽעֵדֹ֔ת (haedot) = de getuigenissen | וְהַֽחֻקִּ֖ים (vehachuqim) = en de voorschriften | וְהַמִּשְׁפָּטִ֑ים (vehamishpatim) = en de rechtsregels | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | דִּבֶּ֤ר (diber) = sprak | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּצֵאתָ֖ם (betsetam) = bij hun uittocht | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 6:17; Ps 119:5; Ps 119:14; Ps 119:22; 1 Kon 2:3 **4:46** aan de overkant van de Jordaan, in het dal tegenover Bet-Peor, in het land van Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde. Mozes en de zonen van Israël hadden hem verslagen toen zij uit Egypte kwamen. Brontekst: בְּעֵ֨בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֜ן (hayarden) = de Jordaan | בַּגַּ֗יְא (bagay) = in het dal | מ֚וּל (mul) = tegenover | בֵּ֣ית (beit) = Bet | פְּע֔וֹר (peor) = Peor | בְּאֶ֗רֶץ (beerets) = in het land van | סִיחֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woonde | בְּחֶשְׁבּ֑וֹן (becheshbon) = in Chesbon | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִכָּ֤ה (hika) = versloeg | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וּבְנֵֽי (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּצֵאתָ֖ם (betsetam) = bij hun uittocht | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Bet-Peor: Bet-Peor lag in Moab, in het dal tegenover Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Num 21:21–32; Deut 1:4–5; Deut 3:8; Deut 3:29; Deut 4:47 **4:47** Zij namen zijn land in bezit en het land van Og, de koning van Basan. Dat waren de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, in het oosten, Brontekst: וַיִּֽירְשׁ֨וּ (vayireshu) = en zij namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצ֜וֹ (artso) = zijn land | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | ע֣וֹג (og) = Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֗ן (habashan) = Basan | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְרַ֖ח (mizrach) = oosten | שָֽׁמֶשׁ (shamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Num 21:33–35; Deut 3:1–14; Deut 29:6–7 **4:48** van Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, tot de berg Sion, dat is de Hermon, Brontekst: מֵעֲרֹעֵ֞ר (mearoer) = van Aroër | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַת (sefat) = de oever van | נַ֧חַל (nachal) = de beek | אַרְנֹ֛ן (arnon) = Arnon | וְעַד (vead) = en tot | הַ֥ר (har) = de berg | שִׂיאֹ֖ן (sion) = Sion | ה֥וּא (hu) = dat is | חֶרְמֽוֹן (chermon) = Hermon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Hermon is de hoge berg op de grens van Libanon en Syrië. Zie Aroër: Aroër lag aan de rand van de Arnonkloof, bij het huidige Khirbet Arair in Jordanië. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Voetnoot Uitleg: שִׂיאֹן (Sjion), ‘Sion’: een andere naam voor de Hermon. Het is niet dezelfde naam als Sion (צִיּוֹן, Tsion) in Jeruzalem. Zie ook: Deut 2:36; Deut 3:9; Deut 3:12; Joz 13:24–33; Ps 133:3 **4:49** en heel de Araba aan de overkant van de Jordaan, in het oosten, tot de zee van de Araba, onder de hellingen van de Pisga. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הָ֨עֲרָבָ֜ה (haarava) = de Araba | עֵ֤בֶר (ever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = oostwaarts | וְעַ֖ד (vead) = en tot | יָ֣ם (yam) = de zee van | הָעֲרָבָ֑ה (haarava) = de Araba | תַּ֖חַת (tachat) = onder | אַשְׁדֹּ֥ת (ashdot) = de hellingen van | הַפִּסְגָּֽה (hapisga) = de Pisga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Zie ook: Deut 3:17; Deut 34:1; Joz 13:20 ## Deuteronomium 5 _De tien woorden bij Horeb_ ### Mozes roept Israël op te luisteren **5:1** Mozes riep heel Israël bijeen en zei tegen hen: Luister, Israël, naar de voorschriften en de rechtsregels die ik jullie vandaag laat horen. Leer ze en let erop dat jullie ze doen. Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | מֹשֶׁה֮ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | שְׁמַ֤ע (shema) = luister | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַחֻקִּ֣ים (hachuqim) = de voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִ֔ים (hamishpatim) = de rechtsregels | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | דֹּבֵ֥ר (dover) = spreek | בְּאָזְנֵיכֶ֖ם (beazeneikhem) = in jullie oren | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וּלְמַדְתֶּ֣ם (ulemadtem) = en leer | אֹתָ֔ם (otam) = ze | וּשְׁמַרְתֶּ֖ם (ushemartem) = en houd | לַעֲשֹׂתָֽם (laasotam) = om ze te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:1; Deut 4:1; Deut 29:1; Deut 29:9; Mat 23:3 **5:2** Yahweh, onze Elohim, sloot bij Horeb een verbond met ons. Brontekst: יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | כָּרַ֥ת (karat) = sloot | עִמָּ֛נוּ (imanu) = met ons | בְּרִ֖ית (berit) = een verbond | בְּחֹרֵֽב (bechorev) = bij Horeb Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Horeb is de berg waar Yahweh sprak. In Exodus heet die berg Sinaï (Exod. 19:1–2). Zie ook de voetnoot bij Deut. 1:2. Voetnoot Uitleg: Het verbond bij Horeb: Exod. 19–24. Zie ook: Ex 19:1–2; Ex 19:5–8; Ex 24:8; Deut 1:2; Deut 4:23; Heb 8:6–13; Heb 9:19–23 **5:3** Niet met onze vaders heeft Yahweh dit verbond gesloten, maar met ons, wij die hier vandaag allemaal in leven zijn. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | אֶת (et) = (obj.) | אֲבֹתֵ֔ינוּ (avoteinu) = onze vaders | כָּרַ֥ת (karat) = sloot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | כִּ֣י (ki) = maar | אִתָּ֗נוּ (itanu) = met ons | אֲנַ֨חְנוּ (anachnu) = wij | אֵ֥לֶּה (ele) = deze | פֹ֛ה (po) = hier | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | כֻּלָּ֥נוּ (kulanu) = wij allemaal | חַיִּֽים (chayim) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbond met Abraham, Isaak en Jakob (Gen. 15:18; 17:7) blijft bestaan. Mozes bedoelt dat het verbond van Horeb nu met de generatie wordt gesloten die er stond en die nu in het land gaat. Zie ook Deut. 29:13–14. Zie ook: Gen 15:18; Gen 17:7; Deut 29:9–14; Deut 29:13–14; Ps 105:8–10; Mat 13:17; Heb 8:8–9 **5:4** Van aangezicht tot aangezicht sprak Yahweh met jullie op de berg, uit het midden van het vuur. Brontekst: פָּנִ֣ים (panim) = aangezicht | בְּפָנִ֗ים (befanim) = tot aangezicht | דִּבֶּ֨ר (diber) = sprak | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶ֛ם (imakhem) = met jullie | בָּהָ֖ר (bahar) = op de berg | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵֽשׁ (haesh) = het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּנִים בְּפָנִים (panim bepanim), ‘van aangezicht tot aangezicht’: rechtstreeks. Zie ook Exod. 33:11. Zie ook: Ex 19:9; Ex 19:18–19; Ex 33:11; Deut 4:33; Deut 4:36; Deut 34:10 **5:5** Ik stond in die tijd tussen Yahweh en jullie, om jullie het woord van Yahweh door te geven. Want jullie waren bang voor het vuur en gingen niet de berg op. Hij zei: Brontekst: אָ֠נֹכִי (anokhi) = ik | עֹמֵ֨ד (omed) = stond | בֵּין (bein) = tussen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | וּבֵֽינֵיכֶם֙ (uveineikhem) = en tussen jullie | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֔וא (hahi) = die | לְהַגִּ֥יד (lehagid) = om te vertellen | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | יְרֵאתֶם֙ (yeretem) = jullie waren bang | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | וְלֹֽא (velo) = en niet | עֲלִיתֶ֥ם (alitem) = jullie gingen op | בָּהָ֖ר (bahar) = de berg | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes stond tussen Yahweh en het volk; het volk was bang en wilde dat niet Elohim maar Mozes zou spreken (Exod. 20:18–21; Deut. 5:23–27). Zie ook: Ex 19:16; Ex 20:18–21; Deut 5:23–27; Gal 3:19; Heb 9:24; Heb 12:18–24 ### De tien woorden **5:6** **„Ik ben Yahweh, je Elohim, die jou uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heb geleid.** Brontekst: אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | הוֹצֵאתִ֛יךָ (hotsetikha) = heb uitgeleid jou | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִֽים (avadim) = slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De tien woorden. Dit gedeelte staat ook in Exod. 20:2–17; hieronder noemen wij de verschillen. Zie ook: Ex 20:2–17; Lev 26:1–2; Deut 4:4; Ps 81:6–11 **5:7** **Je zult geen andere goden hebben voor Mijn aangezicht.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zullen zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | עַל (al) = voor | פָּנָֽיַ (panaya) = Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:3; Mat 4:10; Joh 5:23; 1 Joh 5:21 **5:8** **Je zult voor jezelf geen gesneden beeld maken. Maak geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel is, of op de aarde beneden, of in het water onder de aarde.** Brontekst: לֹֽ֣א (lo) = niet | תַעֲשֶׂ֥ה (taase) = zul je maken | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | פֶ֨סֶל֙ (pesel) = gesneden beeld | כָּל (kal) = elke | תְּמוּנָ֔ה (temuna) = afbeelding | אֲשֶׁ֤ר (asher) = van wat | בַּשָּׁמַ֨יִם֙ (bashamayim) = in de hemel | מִמַּ֔עַל (mimaal) = boven | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en van wat | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = op de aarde | מִתָּ֑חַת (mitachat) = beneden | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en van wat | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = in het water | מִתַּ֥חַת (mitachat) = onder | לָאָֽרֶץ (laarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:4; Deut 4:15–19 **5:9** **Je zult je niet voor hen neerbuigen en hen niet dienen. Want Ik, Yahweh, je Elohim, ben een na-ijverige El. Ik bezoek de schuld van de vaderen aan de kinderen en aan het derde en het vierde geslacht van hen die Mij haten,** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִשְׁתַּחֲוֶ֥ה (tishtachave) = zul je buigen | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָעָבְדֵ֑ם (taavedem) = dien hen | כִּ֣י (ki) = want | אָנֹכִ֞י (anokhi) = Ik | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | אֵ֣ל (el) = El | קַנָּ֔א (qana) = na-ijverig | פֹּ֠קֵד (poqed) = bezoekend | עֲוֺ֨ן (avon) = schuld van | אָב֧וֹת (avot) = vaderen | עַל (al) = over | בָּנִ֛ים (banim) = kinderen | וְעַל (veal) = en over | שִׁלֵּשִׁ֥ים (shileshim) = derden | וְעַל (veal) = en over | רִבֵּעִ֖ים (ribeim) = vierden | לְשֹׂנְאָֽי (lesoneay) = die Mij haten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:4–6; Ex 34:7; Num 14:18; Dan 9:4–9; Mat 23:35–36 **5:10** **maar Ik bewijs trouw aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden houden.** Brontekst: וְעֹ֥שֶׂה (veose) = en bewijzend | חֶ֖סֶד (chesed) = trouw | לַֽאֲלָפִ֑ים (laalafim) = aan duizenden | לְאֹהֲבַ֖י (leohavay) = aan wie Mij liefhebben | וּלְשֹׁמְרֵ֥י (uleshomerei) = en aan wie houden | מִצְוֺתָֽי (mitsvotay) = Mijn geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:5–6; Jer 32:18; Dan 9:4; Rom 8:28; 1 Joh 1:7 **5:11** **Je zult de naam van Yahweh, je Elohim, niet ijdel gebruiken, want Yahweh laat niet ongestraft wie Zijn naam ijdel gebruikt.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׂ֛א (tisa) = zul je dragen | אֶת (et) = (obj.) | שֵֽׁם (shem) = de naam van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לַשָּׁ֑וְא (lashave) = tot ijdelheid | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יְנַקֶּה֙ (yenaqe) = laat ongestraft | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | יִשָּׂ֥א (yisa) = draagt | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = Zijn naam | לַשָּֽׁוְא (lashave) = tot ijdelheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:7; Lev 19:12; Deut 6:13; Mat 5:33–34; Jak 5:12 **5:12** **Houd de sabbatdag, om die te heiligen, zoals Yahweh, je Elohim, je geboden heeft.** Brontekst: שָׁמ֛וֹר (shamor) = houd | אֶת (et) = (obj.) | י֥וֹם (yom) = de dag van | הַשַׁבָּ֖ת (hashabat) = de sabbat | לְקַדְּשׁ֑וֹ (leqadesho) = om hem te heiligen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוְּךָ֖ (tsivekha) = heeft je geboden | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁמוֹר (shamor), ‘houd’: in Exod. 20:8 staat זָכוֹר (zakhor), ‘gedenk’. De woorden ‘zoals Yahweh, je Elohim, je geboden heeft’ staan alleen hier. Zie ook: Ex 20:8–11; Jes 56:6; Jes 58:13 **5:13** **Zes dagen mag je werken en al je werk doen,** Brontekst: שֵׁ֤שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֙ (yamim) = dagen | תַּֽעֲבֹ֔ד (taavod) = zul je werken | וְעָשִׂ֖יתָ (veasita) = en doen | כָּל (kal) = al | מְלַאכְתֶּֽךָ (melakhtekha) = je werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:12; Ex 35:2–3; Ezech 20:12; Luc 13:14–16; Luc 23:56 **5:14** **maar de zevende dag is een sabbat voor Yahweh, je Elohim. Dan mag je geen enkel werk doen. Jij niet, je zoon niet, je dochter niet, je dienaar niet, je dienares niet. Je os niet, je ezel niet, geen enkel van je vee en de vreemdeling die binnen je poorten is niet. Zo kunnen je dienaar en je dienares rusten, net als jij.** Brontekst: וְי֨וֹם֙ (veyom) = en dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | שַׁבָּ֖ת (shabat) = sabbat | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je doen | כָל (kal) = enig | מְלָאכָ֡ה (melakha) = werk | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וּבִנְךָֽ (uvinkha) = en je zoon | וּבִתֶּ֣ךָ (uvitekha) = en je dochter | וְעַבְדְּךָֽ (veavdekha) = en je dienaar | וַ֠אֲמָתֶךָ (vaamatekha) = en je dienares | וְשׁוֹרְךָ֨ (veshorekha) = en je os | וַחֲמֹֽרְךָ֜ (vachamorekha) = en je ezel | וְכָל (vekhal) = en al | בְּהֶמְתֶּ֗ךָ (behemtekha) = je vee | וְגֵֽרְךָ֙ (vegerekha) = en je vreemdeling | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶ֔יךָ (bishareikha) = binnen je poorten | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | יָנ֛וּחַ (yanuach) = rust | עַבְדְּךָ֥ (avdekha) = je dienaar | וַאֲמָתְךָ֖ (vaamatekha) = en je dienares | כָּמֽוֹךָ (kamokha) = zoals jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Exod. 20:10 staan niet ‘je os’ en ‘je ezel’; daar staat alleen ‘je vee’. Hier staan ze erbij. Ook de slotzin ‘zodat je dienaar en je dienares kunnen rusten, net als jij’ staat alleen hier. Zie ook: Gen 2:2; Ex 16:29–30; Ex 20:10; Ex 23:12; Neh 5:5; Heb 4:4 **5:15** **Je moet bedenken dat je zelf dienaar bent geweest in het land Egypte. Bedenk ook dat Yahweh, je Elohim, je daar met een sterke hand en een uitgestrekte arm heeft weggeleid. Daarom heeft Yahweh, je Elohim, je geboden de sabbatdag te vieren.** Brontekst: וְזָכַרְתָּ֗ (vezakharta) = en gedenk | כִּ֣י (ki) = dat | עֶ֤בֶד (eved) = dienaar | הָיִ֨יתָ֙ (hayita) = je was | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיֹּצִ֨אֲךָ֜ (vayotsiakha) = en leidde je uit | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | בְּיָ֥ד (beyad) = met hand | חֲזָקָ֖ה (chazaqa) = sterke | וּבִזְרֹ֣עַ (uvizroa) = en met arm | נְטוּיָ֑ה (netuya) = uitgestrekte | עַל (al) = op grond | כֵּ֗ן (ken) = hiervan | צִוְּךָ֙ (tsivekha) = heeft je geboden | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | י֥וֹם (yom) = de dag van | הַשַׁבָּֽת (hashabat) = de sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Exod. 20:11 grondt de sabbat in de schepping. Hier grondt Mozes hem in de uittocht uit Egypte. Voetnoot : לַעֲשׂוֹת (la’asot), ‘te doen’: dit werkwoord betekent hier ‘vieren’, ‘houden’. Zie ook: Ex 20:11; Deut 5:6; Deut 15:15; Deut 16:12; Deut 24:18–22; Ef 2:11–12 **5:16** **Eer je vader en je moeder, zoals Yahweh, je Elohim, je geboden heeft. Zo leef je lang en gaat het goed met je in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft.** Brontekst: כַּבֵּ֤ד (kabed) = eer | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמֶּ֔ךָ (imekha) = je moeder | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוְּךָ֖ (tsivekha) = heeft je geboden | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יַאֲרִיכֻ֣ן (yaarikhun) = lang worden | יָמֶ֗יךָ (yameikha) = je dagen | וּלְמַ֨עַן֙ (ulemaan) = en opdat | יִ֣יטַב (yitav) = het goed gaat | לָ֔ךְ (lakh) = met jou | עַ֚ל (al) = op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden ‘zoals Yahweh, je Elohim, je geboden heeft’ en ‘opdat het goed met je gaat’ staan niet in Exod. 20:12. Voetnoot : הָאֲדָמָה (ha’adamah) is ‘de grond’; hier is het beloofde land bedoeld, zoals in Exod. 20:12. Zie ook: Ex 20:12; Deut 4:40; Deut 27:16; Ef 6:1–3; Kol 3:20 **5:17** **Je zult niet moorden.** Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תִּרְצָֽח (tirtsach) = zul je moorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצַח (ratsach), ‘moorden’: het onrechtmatig doden van een mens. Zie Exod. 20:13. Vanaf hier staat voor elk volgend gebod ‘en’, wat in Exod. 20:14–16 niet staat. Zie ook: Gen 9:6; Ex 20:13; Ex 20:14–16; Mat 5:21–22; Jak 2:11; Rom 13:9 **5:18** **En je zult geen overspel plegen.** Brontekst: וְלֹ֖א (velo) = en niet | תִּנְאָֽף (tinaf) = zul je overspel plegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:14; Lev 20:10; Mat 5:27–28; Luc 18:20; Jak 2:10–11 **5:19** **En je zult niet stelen.** Brontekst: וְלֹ֖א (velo) = en niet | תִּגְנֹֽב (tignov) = zul je stelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:15; Rom 13:9; Ef 4:28 **5:20** **En je zult tegen je naaste geen ijdel getuigenis afleggen.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תַעֲנֶ֥ה (taane) = zul je getuigen | בְרֵֽעֲךָ֖ (bereakha) = tegen je naaste | עֵ֥ד (ed) = getuige van | שָֽׁוְא (shave) = ijdelheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵד שָׁוְא (ed shaw’), ‘ijdele getuige’: in Exod. 20:16 staat עֵד שָׁקֶר (ed sheqer), ‘valse getuige’. Het woord שָׁוְא (shaw’) is hetzelfde als ‘ijdel’ in vers 11. Zie ook: Ex 20:16; Ex 23:1; Deut 5:11; Spr 19:5; Spr 19:9; 1 Kon 21:13 **5:21** **En je zult de vrouw van je naaste niet begeren. En je zult niet verlangen naar het huis van je naaste. Ook niet naar zijn veld, zijn dienaar, zijn dienares, zijn os, zijn ezel of iets wat van je naaste is.”** Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַחְמֹ֖ד (tachmod) = zul je begeren | אֵ֣שֶׁת (eshet) = de vrouw van | רֵעֶ֑ךָ (reekha) = je naaste | וְלֹ֨א (velo) = en niet | תִתְאַוֶּ֜ה (titave) = zul je verlangen | בֵּ֣ית (beit) = naar het huis van | רֵעֶ֗ךָ (reekha) = je naaste | שָׂדֵ֜הוּ (sadehu) = zijn veld | וְעַבְדּ֤וֹ (veavdo) = en zijn dienaar | וַאֲמָתוֹ֙ (vaamato) = en zijn dienares | שׁוֹר֣וֹ (shoro) = zijn os | וַחֲמֹר֔וֹ (vachamoro) = en zijn ezel | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לְרֵעֶֽךָ (lereekha) = van je naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Exod. 20:17 komt het huis eerst en staat er twee keer ‘begeren’ (חָמַד, chamad). Hier staat eerst de vrouw, met ‘begeren’, en daarna ‘verlangen naar’ (תִּתְאַוֶּה, titaweh) het huis en de rest. ‘Zijn veld’ staat alleen hier. Zie ook: Ex 20:17; 1 Kon 21:1–4; Luc 12:15; Rom 13:9; 1 Tim 6:9–10 ### Het volk is bang voor Elohim en kiest Mozes als tussenpersoon **5:22** Deze woorden sprak Yahweh met een luide stem tot heel jullie vergadering, op de berg. Hij sprak uit het midden van het vuur, de wolk en de donkere wolk. Hij voegde er niets aan toe. Hij schreef ze op twee stenen tafelen en gaf ze aan mij. Brontekst: אֶֽת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֡לֶּה (haele) = deze | דִּבֶּר֩ (diber) = sprak | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | קְהַלְכֶ֜ם (qehalkhem) = jullie vergadering | בָּהָ֗ר (bahar) = op de berg | מִתּ֤וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵשׁ֙ (haesh) = het vuur | הֶֽעָנָ֣ן (heanan) = de wolk | וְהָֽעֲרָפֶ֔ל (vehaarafel) = en de donkere wolk | ק֥וֹל (qol) = stem | גָּד֖וֹל (gadol) = luide | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָסָ֑ף (yasaf) = voegde toe | וַֽיִּכְתְּבֵ֗ם (vayikhtevem) = en Hij schreef ze | עַל (al) = op | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | לֻחֹ֣ת (luchot) = tafelen van | אֲבָנִ֔ים (avanim) = steen | וַֽיִּתְּנֵ֖ם (vayitenem) = en gaf ze | אֵלָֽי (elay) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְלֹא יָסָף (welo yasaf) kan ‘en Hij voegde er niets aan toe’ betekenen, maar ook ‘en Hij hield niet op’. Wij vertalen ‘voegde er niets aan toe’. Zie ook: Ex 24:12; Ex 31:18; Deut 4:12–15; Deut 4:36; Deut 5:4 **5:23** Toen jullie de stem uit de duisternis hoorden, terwijl de berg in vuur brandde, kwamen jullie allemaal naar mij toe. Het waren de hoofden van jullie stammen en jullie oudsten. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּשָׁמְעֲכֶ֤ם (keshameakhem) = toen jullie hoorden | אֶת (et) = (obj.) | הַקּוֹל֙ (haqol) = de stem | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַחֹ֔שֶׁךְ (hachoshekh) = de duisternis | וְהָהָ֖ר (vehahar) = en de berg | בֹּעֵ֣ר (boer) = brandde | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = in vuur | וַתִּקְרְב֣וּן (vatiqrevun) = en jullie kwamen dichtbij | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | כָּל (kal) = alle | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | שִׁבְטֵיכֶ֖ם (shivteikhem) = jullie stammen | וְזִקְנֵיכֶֽם (veziqneikhem) = en jullie oudsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:18–19; Heb 12:18–21 **5:24** Jullie zeiden: „Zie, Yahweh, onze Elohim, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien. Wij hebben Zijn stem uit het midden van het vuur gehoord. Vandaag hebben wij gezien dat Elohim met een mens spreekt en dat hij in leven blijft. Brontekst: וַתֹּאמְר֗וּ (vatomru) = en jullie zeiden | הֵ֣ן (hen) = zie | הֶרְאָ֜נוּ (heranu) = heeft laten zien | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | אֶת (et) = (obj.) | כְּבֹד֣וֹ (kevodo) = Zijn heerlijkheid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גָּדְל֔וֹ (gadelo) = Zijn grootheid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קֹל֥וֹ (qolo) = Zijn stem | שָׁמַ֖עְנוּ (shamanu) = hebben wij gehoord | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵ֑שׁ (haesh) = het vuur | הַיּ֤וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּה֙ (haze) = deze | רָאִ֔ינוּ (rainu) = wij hebben gezien | כִּֽי (ki) = dat | יְדַבֵּ֧ר (yedaber) = spreekt | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = met | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = de mens | וָחָֽי (vachay) = en hij blijft leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: Yahweh die zich zichtbaar maakt. Zie Exod. 24:16–17. Zie ook: Gen 32:30; Ex 19:19; Ex 24:16–17; Ex 33:20; Deut 4:33; Re 13:22 **5:25** Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zal ons verteren. Als wij de stem van Yahweh, onze Elohim, nog langer horen, zullen wij sterven. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | לָ֣מָּה (lama) = waarom | נָמ֔וּת (namut) = zouden wij sterven | כִּ֣י (ki) = want | תֹֽאכְלֵ֔נוּ (tokhlenu) = zal ons verteren | הָאֵ֥שׁ (haesh) = het vuur | הַגְּדֹלָ֖ה (hagedola) = grote | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | אִם (im) = als | יֹסְפִ֣ים (yosefim) = wij blijven | אֲנַ֗חְנוּ (anachnu) = wij | לִ֠שְׁמֹעַ (lishmoa) = om te horen | אֶת (et) = (obj.) | ק֨וֹל (qol) = de stem van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֛ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | ע֖וֹד (od) = nog | וָמָֽתְנוּ (vamatenu) = dan zullen wij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 18:16; Deut 33:2; Gal 3:21–22; 2 Kor 3:7–9; Heb 12:29 **5:26** Want wie van alle vlees heeft ooit de stem van de levende Elohim uit het midden van het vuur horen spreken zoals wij? En is hij in leven gebleven? Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מִ֣י (mi) = wie | כָל (kal) = alle | בָּשָׂ֡ר (basar) = vlees | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | שָׁמַ֣ע (shama) = heeft gehoord | קוֹל֩ (qol) = de stem van | אֱלֹהִ֨ים (Elohim) = Elohim | חַיִּ֜ים (chayim) = levende | מְדַבֵּ֧ר (medaber) = sprekend | מִתּוֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵ֛שׁ (haesh) = het vuur | כָּמֹ֖נוּ (kamonu) = zoals wij | וַיֶּֽחִי (vayechi) = en bleef leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: een mens, een sterfelijk wezen. Zie ook: Deut 4:33; Ps 42:3; Dan 6:27; Mat 26:63; Rom 3:20 **5:27** Kom jij dichterbij en luister naar alles wat Yahweh, onze Elohim, zegt. Jij zult dan tot ons spreken alles wat Yahweh, onze Elohim, tot jou zegt. Dan zullen wij luisteren en het doen.” Brontekst: קְרַ֤ב (qerav) = kom dichtbij | אַתָּה֙ (ata) = jij | וּֽשֲׁמָ֔ע (ushama) = en luister | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יֹאמַ֖ר (yomar) = zal zeggen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וְאַ֣תְּ (veat) = en jij | תְּדַבֵּ֣ר (tedaber) = zult spreken | אֵלֵ֗ינוּ (eleinu) = tot ons | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יְדַבֵּ֜ר (yedaber) = zal spreken | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֛ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | וְשָׁמַ֥עְנוּ (veshamanu) = en wij zullen luisteren | וְעָשִֽׂינוּ (veasinu) = en wij zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:19; Heb 12:19 ### Yahweh antwoordt **5:28** Yahweh hoorde de stem van jullie woorden toen jullie tot mij spraken. Yahweh zei tegen mij: **„Ik heb de stem van de woorden van dit volk gehoord, die zij tot jou gesproken hebben. Alles wat zij gesproken hebben, is goed.** Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = de stem van | דִּבְרֵיכֶ֔ם (divreikhem) = jullie woorden | בְּדַבֶּרְכֶ֖ם (bedaberkhem) = bij jullie spreken | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | שָׁ֠מַעְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | אֶת (et) = (obj.) | ק֨וֹל (qol) = de stem van | דִּבְרֵ֜י (divrei) = de woorden van | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבְּר֣וּ (diberu) = zij spraken | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot jou | הֵיטִ֖יבוּ (heitivu) = goed | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | דִּבֵּֽרוּ (diberu) = zij spraken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 27:7; Num 36:5; Deut 18:17 **5:29** **Mochten zij toch altijd zo’n hart hebben om Mij te vrezen en al Mijn geboden te houden! Dan gaat het goed met hen en met hun kinderen, voor altijd!** Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֡ן (yiten) = geeft | וְהָיָה֩ (vehaya) = en zou zijn | לְבָבָ֨ם (levavam) = hun hart | זֶ֜ה (ze) = dit | לָהֶ֗ם (lahem) = aan hen | לְיִרְאָ֥ה (leyira) = om te vrezen | אֹתִ֛י (oti) = Mij | וְלִשְׁמֹ֥ר (velishmor) = en om te houden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מִצְוֺתַ֖י (mitsvotay) = Mijn geboden | כָּל (kal) = al | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | יִיטַ֥ב (yitav) = het goed gaat | לָהֶ֛ם (lahem) = met hen | וְלִבְנֵיהֶ֖ם (velivneihem) = en met hun zonen | לְעֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי־יִתֵּן (mi yitten), ‘wie geeft’: een wens, hier ‘mochten zij toch’. Zie ook: Deut 11:1; Jes 48:18; Ezech 33:31–32; Mat 23:37; Luc 19:42 **5:30** **Ga en zeg tegen hen: Keer terug naar jullie tenten.** Brontekst: לֵ֖ךְ (lekh) = ga | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | לָהֶ֑ם (lahem) = tot hen | שׁ֥וּבוּ (shuvu) = keer terug | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְאָהֳלֵיכֶֽם (leaholeikhem) = naar jullie tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:31** **Maar jij, blijf hier bij Mij staan. Ik zal tot jou het hele gebod spreken, met de voorschriften en de rechtsregels die je hun moet leren. Zij moeten ze doen in het land dat Ik hun geef om het in bezit te nemen.”** Brontekst: וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | פֹּה֮ (po) = hier | עֲמֹ֣ד (amod) = blijf staan | עִמָּדִי֒ (imadi) = bij Mij | וַאֲדַבְּרָ֣ה (vaadabera) = en Ik zal spreken | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot jou | אֵ֧ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֛ה (hamitsva) = het gebod | וְהַחֻקִּ֥ים (vehachuqim) = en de voorschriften | וְהַמִּשְׁפָּטִ֖ים (vehamishpatim) = en de rechtsregels | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תְּלַמְּדֵ֑ם (telamedem) = je hen zult leren | וְעָשׂ֣וּ (veasu) = en zij zullen doen | בָאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | נֹתֵ֥ן (noten) = geef | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּצְוָה (hammitswah), ‘het gebod’: in het enkelvoud, als geheel. Wat hier volgt in Deut. 6–26 is de uitleg ervan. Zie ook: Ex 24:12; Deut 5:1; Deut 11:1; Ezech 20:11; Gal 3:19 ### Houd je aan alles wat Yahweh gebiedt **5:32** Houd je eraan te doen zoals Yahweh, jullie Elohim, jullie geboden heeft. Wijk niet af naar rechts of naar links. Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֣ם (ushemartem) = en houd | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֛ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | לֹ֥א (lo) = niet | תָסֻ֖רוּ (tasuru) = wijk af | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹֽאל (usemol) = en links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 17:20; Deut 28:14; Joz 1:7; Joz 23:6; Spr 4:27 **5:33** Loop op heel de weg die Yahweh, jullie Elohim, jullie geboden heeft. Dan leven jullie en gaat het goed met jullie, en leven jullie lang in het land dat jullie in bezit zullen nemen. Brontekst: בְּכָל (bekhal) = op heel | הַדֶּ֗רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | צִוָּ֜ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֛ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | תֵּלֵ֑כוּ (telekhu) = loop | לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | תִּֽחְיוּן֙ (tichyun) = jullie leven | וְט֣וֹב (vetov) = en goed | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְהַאֲרַכְתֶּ֣ם (vehaarakhtem) = en jullie lang leven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תִּֽירָשֽׁוּן (tirashun) = jullie in bezit zullen nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:40; Deut 10:12; Jer 7:23; Luc 1:6; 1 Tim 4:8 ## Deuteronomium 6 _Luister, Israël: Yahweh is één_ ### Het doel van het gebod **6:1** Dit is het gebod, met de voorschriften en de rechtsregels, dat Yahweh, je Elohim, gebood om je te leren. Doe ze in het land waar je naartoe gaat om het in bezit te nemen, Brontekst: וְזֹ֣את (vezot) = en dit | הַמִּצְוָ֗ה (hamitsva) = het gebod | הַֽחֻקִּים֙ (hachuqim) = de voorschriften | וְהַמִּשְׁפָּטִ֔ים (vehamishpatim) = en de rechtsregels | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּ֛ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לְלַמֵּ֣ד (lelamed) = om te leren | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֥ים (overim) = gaan over | שָׁ֖מָּה (shama) = erheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּצְוָה (hammitswah), ‘het gebod’, staat in het enkelvoud: heel de wet als één gebod. Daarna volgen de ‘voorschriften’ (חֻקִּים, chuqqim) en de ‘rechtsregels’ (מִשְׁפָּטִים, mishpatim). Zie ook: Lev 27:34; Deut 4:1; Deut 4:45; Deut 5:31; Deut 12:1 **6:2** zodat je Yahweh, je Elohim, vreest en al Zijn voorschriften en geboden houdt die ik je gebied. Dat geldt voor jou, je zoon en de zoon van je zoon, al de dagen van je leven. Zo leef je lang. Brontekst: לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | תִּירָ֜א (tira) = je vreest | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִ֠שְׁמֹר (lishmor) = om te houden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | חֻקֹּתָ֣יו (chuqotav) = Zijn voorschriften | וּמִצְוֺתָיו֮ (umitsvotav) = en Zijn geboden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | מְצַוֶּךָ֒ (metsavekha) = gebied je | אַתָּה֙ (ata) = jij | וּבִנְךָ֣ (uvinkha) = en je zoon | וּבֶן (uven) = en de zoon van | בִּנְךָ֔ (binkha) = je zoon | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | חַיֶּ֑יךָ (chayeikha) = je leven | וּלְמַ֖עַן (ulemaan) = en opdat | יַאֲרִכֻ֥ן (yaarikhun) = lang worden | יָמֶֽיךָ (yameikha) = je dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:20; Deut 4:40; Deut 13:5; Spr 3:1–2; Pred 12:13 **6:3** Luister dus, Israël, en houd je eraan ze te doen, zodat het goed met je gaat en je zeer talrijk wordt. Zo heeft Yahweh, de Elohim van je vaders, tot je gesproken, in een land dat overvloeit van melk en honing. Brontekst: וְשָׁמַעְתָּ֤ (veshamata) = en luister | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְשָׁמַרְתָּ֣ (veshamarta) = en houd je eraan | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | אֲשֶׁר֙ (asher) = opdat | יִיטַ֣ב (yitav) = het goed gaat | לְךָ֔ (lekha) = met jou | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en opdat | תִּרְבּ֖וּן (tirbun) = jullie talrijk worden | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֨ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתֶ֨יךָ֙ (avoteikha) = je vaders | לָ֔ךְ (lakh) = tot jou | אֶ֛רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = vloeiend van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:5; Gen 22:17; Gen 26:4; Gen 28:14; Ex 3:8 ### Luister, Israël **6:4** Luister, Israël: Yahweh, onze Elohim, Yahweh is één. Brontekst: שְׁמַ֖ע (shema) = luister | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמַע (Sjema), ‘Luister’: naar dit eerste woord heet dit vers het Sjema. Zie ook Mark. 12:29–30. Voetnoot Lezing: יְהוָה אֱלֹהֵינוּ יְהוָה אֶחָד (Yahweh eloheinu Yahweh echad) kan op meer manieren worden gelezen: ‘Yahweh, onze Elohim, Yahweh is één’; ‘Yahweh is onze Elohim, Yahweh alleen’; ‘Yahweh onze Elohim is één Yahweh’. Wij houden de woorden in de volgorde van het Hebreeuws. אֶחָד (echad) betekent ‘één’. Zie ook: Jes 44:6; Jes 45:5–6; Mar 12:29–32; Joh 17:3; 1 Tim 2:5 **6:5** Je moet Yahweh, je Elohim, liefhebben met heel je hart, met heel je ziel en met heel je kracht. Brontekst: וְאָ֣הַבְתָּ֔ (veahavta) = en je zult liefhebben | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבְךָ֥ (levavekha) = je hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = je ziel | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | מְאֹדֶֽךָ (meodekha) = je kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָהַבְתָּ (we’ahavta), ‘en je zult liefhebben’: liefde die trouw en gehoorzaamheid insluit. Zie ook Matt. 22:37. Voetnoot : מְאֹדֶךָ (me’odekha), ‘je kracht’: letterlijk ‘je veel’, dus alles wat je hebt en bent. Zie ook: Deut 10:12; Deut 30:6; Mat 22:37; Mar 12:30; Luc 10:27 **6:6** Deze woorden die ik je vandaag gebied, moeten op je hart zijn. Brontekst: וְהָי֞וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָנֹכִ֧י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֛ (metsavekha) = gebied je | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | עַל (al) = op | לְבָבֶֽךָ (levavekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:18; Ps 37:31; Spr 7:3; Jer 31:33; Kol 3:16 **6:7** Prent ze je zonen in. Spreek erover wanneer je in je huis zit, wanneer je onderweg bent, wanneer je gaat liggen en wanneer je opstaat. Brontekst: וְשִׁנַּנְתָּ֣ם (veshinantam) = en prent ze in | לְבָנֶ֔יךָ (levaneikha) = aan je zonen | וְדִבַּרְתָּ֖ (vedibarta) = en spreek | בָּ֑ם (bam) = erover | בְּשִׁבְתְּךָ֤ (beshivtekha) = bij je zitten | בְּבֵיתֶ֨ךָ֙ (beveitekha) = in je huis | וּבְלֶכְתְּךָ֣ (uvelekhtekha) = en bij je gaan | בַדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = op de weg | וּֽבְשָׁכְבְּךָ֖ (uveshakhbekha) = en bij je liggen | וּבְקוּמֶֽךָ (uvequmekha) = en bij je opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁנַּנְתָּם (shinnantam), ‘inprenten’: letterlijk ‘scherp maken’, dus de woorden steeds herhalen, zodat ze blijven hangen. Zie ook: Deut 4:9–10; Deut 11:19; Ps 78:4–6; Ef 6:4; 1 Petr 3:15 **6:8** Bind ze als teken op je hand. Ze moeten een band tussen je ogen zijn. Brontekst: וּקְשַׁרְתָּ֥ם (uqeshartam) = en bind ze | לְא֖וֹת (leot) = als teken | עַל (al) = op | יָדֶ֑ךָ (yadekha) = je hand | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לְטֹטָפֹ֖ת (letotafot) = als band | בֵּ֥ין (bein) = tussen | עֵינֶֽיךָ (eineikha) = je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טוֹטָפֹת (totafot), ‘band tussen je ogen’: de betekenis van het woord is niet zeker. Het gaat om een teken aan het voorhoofd. Zie ook Exod. 13:9, 16; Deut. 11:18. Zie ook: Ex 13:9; Deut 11:18; Spr 3:3; Spr 6:21; Spr 7:3 **6:9** Schrijf ze op de deurposten van je huis en op je poorten. Brontekst: וּכְתַבְתָּ֛ם (ukhetavtam) = en schrijf ze | עַל (al) = op | מְזוּזֹ֥ת (mezuzot) = de deurposten van | בֵּיתֶ֖ךָ (beitekha) = je huis | וּבִשְׁעָרֶֽיךָ (uvishareikha) = en op je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְזוּזוֹת (mezuzot), ‘deurposten’: de zijposten van de deur. Zie Exod. 12:7. Zie ook: Ex 12:7; Deut 11:20; Jes 30:8; Jes 57:8; Hab 2:2 ### Vergeet Yahweh niet in het land **6:10** Wanneer Yahweh, je Elohim, je binnenbrengt in het land. Dat land heeft Hij aan je vaders, aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob, gezworen je te geven. Het is een land met grote en goede steden die je niet gebouwd hebt, Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֥י (ki) = wanneer | יְבִיאֲךָ֣ (yeviakha) = zal binnenbrengen je | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶל (el) = naar | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֧ע (nishba) = heeft gezworen | לַאֲבֹתֶ֛יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | לְאַבְרָהָ֛ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֥ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹ֖ב (uleyaaqov) = en aan Jakob | לָ֣תֶת (latet) = om te geven | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | עָרִ֛ים (arim) = steden | גְּדֹלֹ֥ת (gedolot) = grote | וְטֹבֹ֖ת (vetovot) = en goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | בָנִֽיתָ (banita) = je bouwde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:3; Joz 24:13; Ps 78:55; Ps 105:44; Neh 9:25 **6:11** met huizen vol van al het goede die je niet gevuld hebt, met uitgehouwen waterputten die je niet hebt uitgehouwen. Ook zijn er wijngaarden en olijfbomen die je niet geplant hebt. En wanneer je dan eet en verzadigd bent, Brontekst: וּבָ֨תִּ֜ים (uvatim) = en huizen | מְלֵאִ֣ים (meleim) = vol | כָּל (kal) = alle | טוּב֮ (tuv) = goeds | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | מִלֵּאתָ֒ (mileta) = je vulde | וּבֹרֹ֤ת (uvorot) = en waterputten | חֲצוּבִים֙ (chatsuvim) = uitgehouwen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | חָצַ֔בְתָּ (chatsavta) = je hieuw | כְּרָמִ֥ים (keramim) = wijngaarden | וְזֵיתִ֖ים (vezeitim) = en olijfbomen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | נָטָ֑עְתָּ (natata) = je plantte | וְאָכַלְתָּ֖ (veakhalta) = en je zult eten | וְשָׂבָֽעְתָּ (vesavata) = en je zult verzadigd zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּרוֹת חֲצוּבִים (borot chatsuvim), ‘uitgehouwen waterputten’: ondergrondse waterreservoirs in de rots, zoals in het droge heuvelland. Zie ook: Deut 7:12–18; Deut 8:10–20; Deut 32:15; Jer 2:31–32; Ezech 16:10–20 **6:12** pas dan op dat je Yahweh niet vergeet, die je uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft geleid. Brontekst: הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | פֶּן (pen) = opdat niet | תִּשְׁכַּ֖ח (tishkach) = je vergeet | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | הוֹצִֽיאֲךָ֛ (hotsiakha) = heeft uitgeleid je | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִֽים (avadim) = slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **6:13** Yahweh, je Elohim, moet je vrezen. Hem moet je dienen en bij Zijn naam moet je zweren. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | תִּירָ֖א (tira) = zul je vrezen | וְאֹת֣וֹ (veoto) = en Hem | תַעֲבֹ֑ד (taavod) = zul je dienen | וּבִשְׁמ֖וֹ (uvishmo) = en bij Zijn naam | תִּשָּׁבֵֽעַ (tishavea) = zul je zweren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:12; Deut 10:20; Deut 13:5; Mat 4:10; Luc 4:8 **6:14** Je mag niet achter andere goden aan lopen, de goden van de volken om je heen, Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תֵֽלְכ֔וּן (telekhun) = zullen jullie lopen | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | מֵאֱלֹהֵי֙ (meelohei) = van de goden van | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | סְבִיבוֹתֵיכֶֽם (sevivoteikhem) = om jullie heen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:19; Deut 11:28; Deut 13:8; Jer 25:6; 1 Joh 5:21 **6:15** want Yahweh, je Elohim, is een na-ijverige El in je midden. Anders ontbrandt de toorn van Yahweh, je Elohim, tegen je en vernietigt Hij je van het oppervlak van de grond. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ל (el) = El | קַנָּ֛א (qana) = na-ijverig | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּקִרְבֶּ֑ךָ (beqirbekha) = in je midden | פֶּן (pen) = opdat niet | יֶ֠חֱרֶה (yechere) = ontbrandt | אַף (af) = de toorn van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | בָּ֔ךְ (bakh) = tegen je | וְהִשְׁמִ֣ידְךָ֔ (vehishmidekha) = en Hij je vernietigt | מֵעַ֖ל (meal) = van op | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:5; Deut 4:24; Deut 7:4; Deut 11:17; 1 Kon 13:34 **6:16** Je mag Yahweh, je Elohim, niet op de proef stellen, zoals je Hem bij Massa op de proef hebt gesteld. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תְנַסּ֔וּ (tenasu) = zullen jullie op de proef stellen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | נִסִּיתֶ֖ם (nisitem) = jullie op de proef stelden | בַּמַּסָּֽה (bamasa) = bij Massa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Massa (‘beproeving’) lag bij Refidim, in de woestijn van het Sinaïschiereiland. De juiste plek is onzeker (Exod. 17:1–7). Zie ook: Ex 17:1–7; Ex 17:7; Ps 95:8–9; Mat 4:7; Luc 4:12; Heb 3:8–9 **6:17** Houd de geboden van Yahweh, je Elohim, zorgvuldig, en Zijn getuigenissen en Zijn voorschriften die Hij je geboden heeft. Brontekst: שָׁמ֣וֹר (shamor) = houd | תִּשְׁמְר֔וּן (tishmerun) = zul je houden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺ֖ת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְעֵדֹתָ֥יו (veedotav) = en Zijn getuigenissen | וְחֻקָּ֖יו (vechuqav) = en Zijn voorschriften | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּֽךְ (tsivakh) = heeft je geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵדֹת (edot), ‘getuigenissen’: de bepalingen die getuigen van het verbond. Zie Exod. 31:18. Zie ook: Ex 31:18; Deut 11:22; Ps 119:4; 1 Kor 15:58; 2 Petr 1:5–10; 2 Petr 3:14 **6:18** Doe wat recht en goed is in de ogen van Yahweh, zodat het goed met je gaat. Dan ga je het goede land binnen en neem je het in bezit, dat Yahweh aan je vaders gezworen heeft, Brontekst: וְעָשִׂ֛יתָ (veasita) = en je zult doen | הַיָּשָׁ֥ר (hayashar) = het rechte | וְהַטּ֖וֹב (vehatov) = en het goede | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | יִ֣יטַב (yitav) = het goed gaat | לָ֔ךְ (lakh) = met jou | וּבָ֗אתָ (uvata) = en je zult binnengaan | וְיָֽרַשְׁתָּ֙ (veyarashta) = en je zult in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַטֹּבָ֔ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = heeft gezworen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֶֽיךָ (laavoteikha) = aan je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:40; Deut 5:29; Deut 12:25; Joh 8:29; Rom 12:2 **6:19** door al je vijanden voor je uit weg te stoten, zoals Yahweh gesproken heeft. Brontekst: לַהֲדֹ֥ף (lahadof) = om weg te stoten | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֹיְבֶ֖יךָ (oyeveikha) = je vijanden | מִפָּנֶ֑יךָ (mipaneikha) = voor je uit | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:28–30; Num 33:52–53; Re 2:1–3; Re 3:1–4 ### Wat je je zoon moet vertellen **6:20** Wanneer je zoon je morgen vraagt: „Wat zijn de getuigenissen, de voorschriften en de rechtsregels die Yahweh, onze Elohim, jullie geboden heeft?” Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִשְׁאָלְךָ֥ (yishalekha) = zal vragen je | בִנְךָ֛ (binkha) = je zoon | מָחָ֖ר (machar) = morgen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מָ֣ה (ma) = wat | הָעֵדֹ֗ת (haedot) = de getuigenissen | וְהַֽחֻקִּים֙ (vehachuqim) = en de voorschriften | וְהַמִּשְׁפָּטִ֔ים (vehamishpatim) = en de rechtsregels | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּ֛ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:26; Ex 13:14; Deut 6:7; Joz 4:6–7; Joz 4:21–24 **6:21** Dan moet je tegen je zoon zeggen: „Wij waren dienaren van de farao in Egypte. Yahweh heeft ons met een sterke hand uit Egypte geleid. Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | לְבִנְךָ֔ (levinkha) = aan je zoon | עֲבָדִ֛ים (avadim) = dienaren | הָיִ֥ינוּ (hayinu) = wij waren | לְפַרְעֹ֖ה (lefaro) = van de farao | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וַיּוֹצִיאֵ֧נוּ (vayotsienu) = en leidde ons uit | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מִמִּצְרַ֖יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | בְּיָ֥ד (beyad) = met hand | חֲזָקָֽה (chazaqa) = sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 20:2; Deut 5:6; Deut 15:15; Rom 6:17–18; Ef 2:11–12 **6:22** Yahweh deed grote en zware tekenen en wonderen in Egypte, tegen de farao en heel zijn huis, voor onze ogen. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹתֹ֣ת (otot) = tekenen | וּ֠מֹפְתִים (umofetim) = en wonderen | גְּדֹלִ֨ים (gedolim) = grote | וְרָעִ֧ים (veraim) = en zware | בְּמִצְרַ֛יִם (bemitsrayim) = in Egypte | בְּפַרְעֹ֥ה (befaro) = tegen de farao | וּבְכָל (uvekhal) = en tegen heel | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | לְעֵינֵֽינוּ (leeineinu) = voor onze ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:1–12; Deut 4:34; Deut 7:19; Ps 58:11–12; Ps 91:8 **6:23** Maar ons leidde Hij vandaar weg, om ons binnen te brengen en ons het land te geven dat Hij aan onze vaders gezworen had. Brontekst: וְאוֹתָ֖נוּ (veotanu) = en ons | הוֹצִ֣יא (hotsi) = leidde Hij uit | מִשָּׁ֑ם (misham) = vandaar | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | הָבִ֣יא (havi) = Hij zou binnenbrengen | אֹתָ֔נוּ (otanu) = ons | לָ֤תֶת (latet) = om te geven | לָ֨נוּ֙ (lanu) = aan ons | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֖ע (nishba) = heeft gezworen | לַאֲבֹתֵֽינוּ (laavoteinu) = aan onze vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:5; Deut 1:8; Deut 1:35; Deut 6:10; Deut 6:18 **6:24** Yahweh gebood ons al deze voorschriften te doen en Yahweh, onze Elohim, te vrezen, ten goede voor ons, al de dagen. Dat deed Hij om ons in leven te houden, zoals het vandaag is. Brontekst: וַיְצַוֵּ֣נוּ (vaytsavenu) = en gebood ons | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֻקִּ֣ים (hachuqim) = de voorschriften | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | לְיִרְאָ֖ה (leyira) = om te vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְט֥וֹב (letov) = ten goede | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | לְחַיֹּתֵ֖נוּ (lechayotenu) = om ons in leven te houden | כְּהַיּ֥וֹם (kehayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:1; Deut 10:12–13; Ps 41:3; Jes 3:10; Jer 32:39 **6:25** Het zal gerechtigheid voor ons zijn als wij erop letten heel dit gebod te doen voor het aangezicht van Yahweh, onze Elohim. Dat is zoals Hij ons geboden heeft.” Brontekst: וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | תִּֽהְיֶה (tihye) = zal zijn | לָּ֑נוּ (lanu) = voor ons | כִּֽי (ki) = als | נִשְׁמֹ֨ר (nishmor) = wij erop letten | לַעֲשׂ֜וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֣ה (hamitsva) = het gebod | הַזֹּ֗את (hazot) = dit | לִפְנֵ֛י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוָּֽנוּ (tsivanu) = heeft ons geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: dat wat in orde is voor het aangezicht van Yahweh. Vergelijk Gen. 15:6. Zie ook: Gen 15:6; Lev 18:5; Deut 24:13; Jak 2:10; Rom 10:3; Rom 10:5–6 ## Deuteronomium 7 _De volken van het land en het heilige volk van Yahweh_ ### De volken van het land **7:1** Stel dat Yahweh, je Elohim, je brengt in het land waar je naartoe gaat om het in bezit te nemen. Stel dat Hij vele volken voor je uit wegjaagt. Dat zijn de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken, talrijker en sterker dan jij. Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | יְבִֽיאֲךָ֙ (yeviakha) = Hij brengt je | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = waar | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָא (ba) = binnengaat | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּ֑הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | וְנָשַׁ֣ל (venashal) = en Hij jaagt weg | גּֽוֹיִם (goyim) = volken | רַבִּ֣ים (rabim) = vele | מִפָּנֶ֡יךָ (mipaneikha) = voor je uit | הַֽחִתִּי֩ (hachiti) = de Hethieten | וְהַגִּרְגָּשִׁ֨י (vehagirgashi) = en de Girgasieten | וְהָאֱמֹרִ֜י (vehaemori) = en de Amorieten | וְהַכְּנַעֲנִ֣י (vehakenaani) = en de Kanaänieten | וְהַפְּרִזִּ֗י (vehaperizi) = en de Perizzieten | וְהַֽחִוִּי֙ (vehachivi) = en de Chiwwieten | וְהַיְבוּסִ֔י (vehayvusi) = en de Jebusieten | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = zeven | גוֹיִ֔ם (goyim) = volken | רַבִּ֥ים (rabim) = talrijker | וַעֲצוּמִ֖ים (vaatsumim) = en sterker | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = dan jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:18–21; Deut 4:38; Deut 20:1; Deut 31:3; Hand 13:19 **7:2** Stel dat Yahweh, je Elohim, hen aan je overgeeft en jij hen verslaat, dan moet je hen volledig met de ban slaan. Sluit geen verbond met hen en wees hun niet genadig. Brontekst: וּנְתָנָ֞ם (unetanam) = en Hij geeft hen | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = aan je over | וְהִכִּיתָ֑ם (vehikitam) = en jij verslaat hen | הַחֲרֵ֤ם (hacharem) = volledig | תַּחֲרִים֙ (tacharim) = je moet met de ban slaan | אֹתָ֔ם (otam) = hen | לֹא (lo) = niet | תִכְרֹ֥ת (tikhrot) = je zult sluiten | לָהֶ֛ם (lahem) = met hen | בְּרִ֖ית (berit) = een verbond | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תְחָנֵּֽם (techanem) = je zult genadig zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרֶם (cherem), ‘ban’, en הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: iets of iemand wordt volledig aan Yahweh toegewijd. Het mag niet gebruikt of gespaard worden. Zie ook Exod. 22:19. Voetnoot : De verboden om een verbond te sluiten staan ook in Exod. 23:32 en 34:12. Zie ook: Ex 22:19; Ex 23:32–33; Ex 34:12; Deut 20:16–17; Joz 2:14; Joz 10:30; Re 2:2 **7:3** Je mag je niet door huwelijk met hen verbinden. Je mag je dochter niet aan hun zoon geven en hun dochter niet voor je zoon nemen. Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִתְחַתֵּ֖ן (titchaten) = je zult je door huwelijk verbinden | בָּ֑ם (bam) = met hen | בִּתְּךָ֙ (bitekha) = je dochter | לֹא (lo) = niet | תִתֵּ֣ן (titen) = je zult geven | לִבְנ֔וֹ (livno) = aan zijn zoon | וּבִתּ֖וֹ (uvito) = en zijn dochter | לֹא (lo) = niet | תִקַּ֥ח (tiqach) = je zult nemen | לִבְנֶֽךָ (livnekha) = voor je zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier het enkelvoud: ‘zijn zoon’ en ‘zijn dochter’, bedoeld voor ieder van die volken. Wij schrijven ‘hun’. Zie ook: Ex 34:15–16; Joz 23:12–13; Re 3:6–7; 1 Kon 11:2; Neh 13:23–27 **7:4** Want hij brengt je zoon ervan af Mij te volgen, en dan dienen zij andere goden. Dan ontbrandt de toorn van Yahweh tegen je en vernietigt Hij je snel. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יָסִ֤יר (yasir) = hij zal afbrengen | אֶת (et) = (obj.) | בִּנְךָ֙ (binkha) = je zoon | מֵֽאַחֲרַ֔י (meacharay) = van achter Mij | וְעָבְד֖וּ (veavedu) = en zij zullen dienen | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וְחָרָ֤ה (vechara) = en zal ontbranden | אַף (af) = de toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶ֔ם (bakhem) = tegen jullie | וְהִשְׁמִידְךָ֖ (vehishmidekha) = en Hij zal je vernietigen | מַהֵֽר (maher) = snel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מֵאַחֲרַי (me’acharai) is letterlijk ‘van achter Mij’. In de Masoretische tekst spreekt hier Yahweh zelf in de ik-vorm, midden in de woorden van Mozes. Wij volgen dat en schrijven ‘Mij’ met hoofdletter. ‘Hij’ is degene met wie de zoon of dochter trouwt. Zie ook: Ex 20:5; Deut 4:26; Deut 6:15; Deut 32:16–17; Re 2:20 **7:5** Maar zo moet je met hen doen: je moet hun altaren afbreken en hun gewijde stenen stukslaan. Je moet hun heilige palen omhakken en hun gesneden beelden met vuur verbranden. Brontekst: כִּֽי (ki) = maar | אִם (im) = als | כֹּ֤ה (ko) = zo | תַעֲשׂוּ֙ (taasu) = jullie zullen doen | לָהֶ֔ם (lahem) = met hen | מִזְבְּחֹתֵיהֶ֣ם (mizbechoteihem) = hun altaren | תִּתֹּ֔צוּ (titotsu) = jullie zullen afbreken | וּמַצֵּבֹתָ֖ם (umatsevotam) = en hun gewijde stenen | תְּשַׁבֵּ֑רוּ (teshaberu) = jullie zullen stukslaan | וַאֲשֵֽׁירֵהֶם֙ (vaasheirehem) = en hun heilige palen | תְּגַדֵּע֔וּן (tegadeun) = jullie zullen omhakken | וּפְסִילֵיהֶ֖ם (ufesileihem) = en hun gesneden beelden | תִּשְׂרְפ֥וּן (tisrefun) = jullie zullen verbranden | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:24; Ex 34:13; Lev 26:1; Deut 12:2–3; Re 6:25–26 ### Een heilig volk, door Yahweh gekozen **7:6** Want jij bent een heilig volk voor Yahweh, je Elohim. Jou heeft Yahweh, je Elohim, gekozen om voor Hem een volk te zijn, een eigen bezit, uit alle volken op het oppervlak van de grond. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עַ֤ם (am) = volk | קָדוֹשׁ֙ (qadosh) = heilig | אַתָּ֔ה (ata) = jij | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּךָ֞ (bekha) = in jou | בָּחַ֣ר (bachar) = koos | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לוֹ֙ (lo) = voor Hem | לְעַ֣ם (leam) = als volk | סְגֻלָּ֔ה (segula) = eigen bezit | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: wat een koning als kostbare schat voor zichzelf bewaart. Zie Exod. 19:5. Zie ook: Ex 19:5–6; Deut 14:2; Mal 3:17; 1 Kor 6:19–20; 1 Petr 2:9 **7:7** Yahweh heeft Zich niet aan je gehecht en je niet gekozen omdat je talrijker bent dan alle volken. Je bent immers het kleinste van alle volken. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | מֵֽרֻבְּכֶ֞ם (merubekhem) = omdat jullie talrijker zijn | מִכָּל (mikal) = dan alle | הָֽעַמִּ֗ים (haamim) = de volken | חָשַׁ֧ק (chashaq) = Hij hechtte Zich | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶ֖ם (bakhem) = aan jullie | וַיִּבְחַ֣ר (vayivchar) = en Hij koos | בָּכֶ֑ם (bakhem) = jullie | כִּֽי (ki) = want | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | הַמְעַ֖ט (hamat) = de kleinste | מִכָּל (mikal) = van alle | הָעַמִּֽים (haamim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:22; Ps 115:1; Rom 9:11–15; Rom 9:21; 1 Joh 4:10 **7:8** Maar omdat Yahweh je liefheeft en de eed bewaart die Hij aan je vaders gezworen heeft, heeft Yahweh je met sterke hand uitgeleid. Hij heeft je vrijgekocht uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte. Brontekst: כִּי֩ (ki) = maar | מֵֽאַהֲבַ֨ת (meahavat) = uit liefde van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = voor jullie | וּמִשָּׁמְר֤וּ (umishameru) = en uit het bewaren door Hem van | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׁבֻעָה֙ (hashevua) = de eed | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נִשְׁבַּע֙ (nishba) = Hij zwoer | לַאֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | הוֹצִ֧יא (hotsi) = heeft uitgeleid | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּיָ֣ד (beyad) = met een hand | חֲזָקָ֑ה (chazaqa) = sterke | וַֽיִּפְדְּךָ֙ (vayifdekha) = en Hij kocht je vrij | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִ֔ים (avadim) = dienaren | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | פַּרְעֹ֥ה (paro) = de farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בֵּית עֲבָדִים (beit avadim) is letterlijk ‘huis van dienaren’. Wij schrijven ‘slavenhuis’, zoals in Exod. 13:3. Voetnoot : פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: iemand losmaken door een prijs te betalen. Zie ook: Ex 13:3; Ex 20:2; Ex 32:13; Deut 10:15; Jer 31:3; Ef 2:4–5 **7:9** Je moet weten dat Yahweh, je Elohim, de Elohim is, de betrouwbare El. Hij bewaart het verbond en de trouw voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden bewaren, tot duizend generaties. Brontekst: וְיָ֣דַעְתָּ֔ (veyadata) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | ה֣וּא (hu) = Hij | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | הָאֵל֙ (hael) = de El | הַֽנֶּאֱמָ֔ן (haneeman) = de betrouwbare | שֹׁמֵ֧ר (shomer) = die bewaart | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | וְהַחֶ֗סֶד (vehachesed) = en de trouw | לְאֹהֲבָ֛יו (leohavav) = aan wie Hem liefhebben | וּלְשֹׁמְרֵ֥י (uleshomerei) = en aan wie bewaren | מִצְוֺתָ֖יו (mitsvotav) = Zijn geboden | לְאֶ֥לֶף (leelef) = tot duizend | דּֽוֹר (dor) = generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Dan 9:4; 2 Tess 3:3; 1 Kor 1:9; 2 Tim 2:13; Heb 10:23 **7:10** Maar wie Hem haten, vergeldt Hij recht in het gezicht door hen te laten omkomen. Hij draalt niet met wie Hem haat; recht in het gezicht vergeldt Hij hem. Brontekst: וּמְשַׁלֵּ֧ם (umeshalem) = en die vergeldt | לְשֹׂנְאָ֛יו (lesoneav) = aan wie Hem haten | אֶל (el) = in | פָּנָ֖יו (panav) = hun gezicht | לְהַאֲבִיד֑וֹ (lehaavido) = om hen te laten omkomen | לֹ֤א (lo) = niet | יְאַחֵר֙ (yeacher) = Hij draalt | לְשֹׂ֣נְא֔וֹ (lesoneo) = met wie Hem haat | אֶל (el) = in | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | יְשַׁלֶּם (yeshalem) = Hij vergeldt | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶל־פָּנָיו (el panav) is letterlijk ‘naar zijn aangezicht’. Wij vertalen ‘recht in het gezicht’: openlijk en zonder uitstel. Zie ook: Deut 7:9; Deut 32:35; Jes 59:18; Nah 1:2; Rom 12:19 **7:11** Bewaar het gebod, de voorschriften en de rechtsregels die ik je vandaag gebied, en doe ze. Brontekst: וְשָׁמַרְתָּ֨ (veshamarta) = en je zult bewaren | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּצְוָ֜ה (hamitsva) = het gebod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽחֻקִּ֣ים (hachuqim) = de voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִ֗ים (hamishpatim) = de rechtsregels | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָנֹכִ֧י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֛ (metsavekha) = je gebied | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | לַעֲשׂוֹתָֽם (laasotam) = om ze te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:1; Deut 5:32; Joh 14:15 ### De zegen voor wie luistert **7:12** Als je naar deze rechtsregels luistert, ze bewaart en ze doet, dan zal Yahweh, je Elohim, voor jou het verbond en de trouw bewaren. Dat zijn het verbond en de trouw die Hij aan je vaders gezworen heeft. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | עֵ֣קֶב (eqev) = als gevolg van | תִּשְׁמְע֗וּן (tishmeun) = jullie zullen luisteren | אֵ֤ת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִים֙ (hamishpatim) = de rechtsregels | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וּשְׁמַרְתֶּ֥ם (ushemartem) = en jullie zullen bewaren | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וְשָׁמַר֩ (veshamar) = dan zal bewaren | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְךָ֗ (lekha) = voor jou | אֶֽת (et) = (obj.) | הַבְּרִית֙ (haberit) = het verbond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֶ֔סֶד (hachesed) = de trouw | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִשְׁבַּ֖ע (nishba) = Hij zwoer | לַאֲבֹתֶֽיךָ (laavoteikha) = aan je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵקֶב (eqev), ‘als gevolg van’: letterlijk ‘hiel’, het woord voor wat erop volgt. Zie ook: Lev 26:3–13; Deut 7:9; Deut 28:1–14; Ps 105:8–10; Luc 1:72–73 **7:13** Hij zal je liefhebben, je zegenen en je talrijk maken. Hij zal de vrucht van je schoot zegenen en de vrucht van je grond: je graan, je most en je olie. Ook zegent Hij de worp van je runderen en de jongen van je kleinvee. Dat doet Hij op de grond die Hij aan je vaders gezworen heeft je te geven. Brontekst: וַאֲהֵ֣בְךָ֔ (vaahevekha) = en Hij zal je liefhebben | וּבֵרַכְךָ֖ (uverakhkha) = en Hij zal je zegenen | וְהִרְבֶּ֑ךָ (vehirbekha) = en Hij zal je talrijk maken | וּבֵרַ֣ךְ (uverakh) = en Hij zal zegenen | פְּרִֽי (peri) = de vrucht van | בִטְנְךָ֣ (bitnekha) = je schoot | וּפְרִֽי (uferi) = en de vrucht van | אַ֠דְמָתֶךָ (admatekha) = je grond | דְּגָ֨נְךָ֜ (deganekha) = je graan | וְתִֽירֹשְׁךָ֣ (vetiroshekha) = en je most | וְיִצְהָרֶ֗ךָ (veyitsharekha) = en je olie | שְׁגַר (shegar) = de worp van | אֲלָפֶ֨יךָ֙ (alafeikha) = je runderen | וְעַשְׁתְּרֹ֣ת (veashterot) = en de jongen van | צֹאנֶ֔ךָ (tsonekha) = je kleinvee | עַ֚ל (al) = op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = Hij zwoer | לַאֲבֹתֶ֖יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | לָ֥תֶת (latet) = om te geven | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:25; Deut 28:3–5; Joh 14:21; Joh 15:10; Joh 16:27 **7:14** Je zult gezegend zijn boven alle volken. Er zal onder jou geen onvruchtbare man of vrouw zijn, en ook niet onder je vee. Brontekst: בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | תִּֽהְיֶ֖ה (tihye) = je zult zijn | מִכָּל (mikal) = boven alle | הָעַמִּ֑ים (haamim) = de volken | לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er zal zijn | בְךָ֛ (bekha) = onder jou | עָקָ֥ר (aqar) = een onvruchtbare man | וַֽעֲקָרָ֖ה (vaaqara) = en een onvruchtbare vrouw | וּבִבְהֶמְתֶּֽךָ (uvivhemtekha) = en onder je vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:26–33; Lev 26:9; Deut 28:4; Deut 28:11; Ps 127:3 **7:15** Yahweh neemt elke ziekte van je weg. Geen van de kwade kwalen van Egypte, die je kent, legt Hij op jou. Hij geeft ze aan al wie je haat. Brontekst: וְהֵסִ֧יר (vehesir) = en Hij zal wegnemen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מִמְּךָ֖ (mimekha) = van jou | כָּל (kal) = alle | חֹ֑לִי (choli) = ziekte | וְכָל (vekhal) = en alle | מַדְוֵי֩ (madvei) = kwalen van | מִצְרַ֨יִם (mitsrayim) = Egypte | הָרָעִ֜ים (haraim) = de kwade | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָדַ֗עְתָּ (yadata) = je kende | לֹ֤א (lo) = niet | יְשִׂימָם֙ (yesimam) = Hij zal ze leggen | בָּ֔ךְ (bakh) = op jou | וּנְתָנָ֖ם (unetanam) = maar Hij zal ze geven | בְּכָל (bekhal) = aan alle | שֹׂנְאֶֽיךָ (soneeikha) = die je haten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 15:26; Lev 26:3–4; Deut 28:27; Deut 28:60; Ps 105:36–37 **7:16** Je moet alle volken verslinden die Yahweh, je Elohim, je geeft. Je oog mag geen medelijden met hen hebben. Je mag hun goden niet dienen, want dat is een valstrik voor je. Brontekst: וְאָכַלְתָּ֣ (veakhalta) = en je zult verslinden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָֽעַמִּ֗ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | לֹא (lo) = niet | תָחֹ֥ס (tachos) = zal medelijden hebben | עֵֽינְךָ֖ (einekha) = je oog | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = met hen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תַעֲבֹד֙ (taavod) = je zult dienen | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun goden | כִּֽי (ki) = want | מוֹקֵ֥שׁ (moqesh) = een valstrik | ה֖וּא (hu) = het | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:33; Deut 19:13; Deut 19:21; Deut 25:12; Re 8:27 ### Wees niet bang voor de volken **7:17** Als je in je hart zegt: „Deze volken zijn talrijker dan ik. Hoe zal ik hen kunnen verdrijven?”, Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תֹאמַר֙ (tomar) = je zegt | בִּלְבָ֣בְךָ֔ (bilvavekha) = in je hart | רַבִּ֛ים (rabim) = talrijker | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = dan ik | אֵיכָ֥ה (eikha) = hoe | אוּכַ֖ל (ukhal) = zal ik kunnen | לְהוֹרִישָֽׁם (lehorisham) = om hen te verdrijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:32; Num 33:53; Jes 14:13; Jes 47:8; Luc 9:47 **7:18** wees dan niet bang voor hen. Denk goed terug aan wat Yahweh, je Elohim, met de farao en met heel Egypte gedaan heeft: Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תִירָ֖א (tira) = je zult vrezen | מֵהֶ֑ם (mehem) = voor hen | זָכֹ֣ר (zakhor) = gedenken | תִּזְכֹּ֗ר (tizkor) = je zult gedenken | אֵ֤ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂה֙ (asa) = deed | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְפַרְעֹ֖ה (lefaro) = aan de farao | וּלְכָל (ulekhal) = en aan heel | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 1:29; Deut 31:6; Ps 77:12; Ps 105:5; Jes 51:9–10 **7:19** de grote beproevingen die je ogen gezien hebben, de tekenen en de wonderen. Ook de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee Yahweh, je Elohim, je heeft uitgeleid. Zo zal Yahweh, je Elohim, doen met alle volken voor wie jij bang bent. Brontekst: הַמַּסֹּ֨ת (hamasot) = de beproevingen | הַגְּדֹלֹ֜ת (hagedolot) = de grote | אֲשֶׁר (asher) = die | רָא֣וּ (rau) = zagen | עֵינֶ֗יךָ (eineikha) = je ogen | וְהָאֹתֹ֤ת (vehaotot) = en de tekenen | וְהַמֹּֽפְתִים֙ (vehamofetim) = en de wonderen | וְהַיָּ֤ד (vehayad) = en de hand | הַחֲזָקָה֙ (hachazaqa) = de sterke | וְהַזְּרֹ֣עַ (vehazeroa) = en de arm | הַנְּטוּיָ֔ה (hanetuya) = de uitgestrekte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | הוֹצִֽאֲךָ֖ (hotsiakha) = Hij leidde je uit | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | כֵּֽן (ken) = zo | יַעֲשֶׂ֞ה (yaase) = Hij zal doen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | לְכָל (lekhal) = met alle | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = voor wie | אַתָּ֥ה (ata) = jij | יָרֵ֖א (yare) = bang bent | מִפְּנֵיהֶֽם (mipeneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַסּוֹת (massot), ‘beproevingen’: de rampen waarmee Yahweh Egypte trof (Exod. 7–12). Zie ook: Deut 4:34; Joz 3:10; Jer 32:20–21; Ezech 20:6–9; Neh 9:10–11 **7:20** Ook de horzel zal Yahweh, je Elohim, onder hen zenden, totdat de overlevenden en zij die zich voor je verbergen, omgekomen zijn. Brontekst: וְגַם֙ (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | הַצִּרְעָ֔ה (hatsira) = de horzel | יְשַׁלַּ֛ח (yeshalach) = Hij zal zenden | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בָּ֑ם (bam) = onder hen | עַד (ad) = totdat | אֲבֹ֗ד (avod) = omkomen | הַנִּשְׁאָרִ֛ים (hanisharim) = de overgeblevenen | וְהַנִּסְתָּרִ֖ים (vehanistarim) = en de verborgenen | מִפָּנֶֽיךָ (mipaneikha) = voor je uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַצִּרְעָה (hatsir’ah), ‘de horzel’: letterlijk het insect, of een beeld voor schrik die de vijand opjaagt. Zie Exod. 23:28. Zie ook: Ex 23:28–30; Joz 24:12 **7:21** Schrik niet van hen, want Yahweh, je Elohim, is in je midden, een grote en ontzagwekkende El. Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲרֹ֖ץ (taarots) = je zult schrikken | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen | כִּֽי (ki) = want | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | בְּקִרְבֶּ֔ךָ (beqirbekha) = in je midden | אֵ֥ל (el) = El | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | וְנוֹרָֽא (venora) = en ontzagwekkende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:17; Joz 3:10; Neh 1:5; Neh 4:8; Neh 9:32 **7:22** Yahweh, je Elohim, jaagt die volken beetje bij beetje voor je uit weg. Je kunt hen niet snel een einde maken, anders worden de wilde dieren te talrijk voor je. Brontekst: וְנָשַׁל֩ (venashal) = en Hij zal wegjagen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֛ל (hael) = deze | מִפָּנֶ֖יךָ (mipaneikha) = voor je uit | מְעַ֣ט (meat) = beetje | מְעָ֑ט (meat) = bij beetje | לֹ֤א (lo) = niet | תוּכַל֙ (tukhal) = je zult kunnen | כַּלֹּתָ֣ם (kalotam) = hen een einde maken | מַהֵ֔ר (maher) = snel | פֶּן (pen) = anders | תִּרְבֶּ֥ה (tirbe) = zullen talrijk worden | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = tegen je | חַיַּ֥ת (chayat) = de dieren van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:29–30; Joz 15:63 **7:23** Yahweh, je Elohim, geeft hen aan je over. Hij brengt hen in grote verwarring, totdat zij vernietigd zijn. Brontekst: וּנְתָנָ֛ם (unetanam) = en Hij zal hen geven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = aan je over | וְהָמָם֙ (vehamam) = en Hij zal hen verwarren | מְהוּמָ֣ה (mehuma) = verwarring | גְדֹלָ֔ה (gedola) = grote | עַ֖ד (ad) = totdat | הִשָּׁמְדָֽם (hishamedam) = hun vernietiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:3; Joël 1:15; Jes 13:6; Jer 17:18; 2 Tess 1:9 **7:24** Hij geeft hun koningen in je hand en jij laat hun naam onder de hemel omkomen. Niemand zal tegen je standhouden, totdat je hen vernietigd hebt. Brontekst: וְנָתַ֤ן (venatan) = en Hij zal geven | מַלְכֵיהֶם֙ (malkheihem) = hun koningen | בְּיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in je hand | וְהַאֲבַדְתָּ֣ (vehaavadta) = en je zult laten omkomen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמָ֔ם (shemam) = hun naam | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | לֹֽא (lo) = niet | יִתְיַצֵּ֥ב (yityatsev) = zal standhouden | אִישׁ֙ (ish) = een man | בְּפָנֶ֔יךָ (befaneikha) = voor je | עַ֥ד (ad) = totdat | הִשְׁמִֽדְךָ֖ (hishmidkha) = je vernietigt | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:14; Joz 1:5; Joz 10:8; Joz 10:42; Joz 23:9 ### De beelden van de volken **7:25** De gesneden beelden van hun goden moet je met vuur verbranden. Begeer het zilver en goud dat erop zit niet en neem het niet voor jezelf, anders raak je erin verstrikt. Want het is een gruwel voor Yahweh, je Elohim. Brontekst: פְּסִילֵ֥י (pesilei) = de gesneden beelden van | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun goden | תִּשְׂרְפ֣וּן (tisrefun) = jullie zullen verbranden | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | לֹֽא (lo) = niet | תַחְמֹד֩ (tachmod) = je zult begeren | כֶּ֨סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֤ב (vezahav) = en goud | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = dat erop zit | וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en je zult nemen | לָ֔ךְ (lakh) = voor jezelf | פֶּ֚ן (pen) = anders | תִּוָּקֵ֣שׁ (tivaqesh) = je zult verstrikt raken | בּ֔וֹ (bo) = erin | כִּ֧י (ki) = want | תוֹעֲבַ֛ת (toavat) = een gruwel van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | הֽוּא (hu) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:20; Deut 12:3; Deut 17:1; Joz 7:21; 1 Kron 14:12 **7:26** Breng geen gruwel in je huis, anders word je zelf aan de ban gewijd, net als het. Je moet het diep verafschuwen en er diep van walgen, want het is aan de ban gewijd. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | תָבִ֤יא (tavi) = je zult brengen | תֽוֹעֵבָה֙ (toeva) = een gruwel | אֶל (el) = naar | בֵּיתֶ֔ךָ (beitekha) = je huis | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = en je zou worden | חֵ֖רֶם (cherem) = een ban | כָּמֹ֑הוּ (kamohu) = zoals het | שַׁקֵּ֧ץ (shaqets) = afschuw | תְּשַׁקְּצֶ֛נּוּ (teshaqetsenu) = je zult verafschuwen | וְתַעֵ֥ב (vetaev) = en walging | תְּֽתַעֲבֶ֖נּוּ (tetaavenu) = je zult walgen | כִּי (ki) = want | חֵ֥רֶם (cherem) = een ban | הֽוּא (hu) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wat aan de ban is gewijd, mag niet in huis komen. Wie het toch neemt, valt zelf onder de ban (vergelijk vers 2 en Exod. 22:19). Zie ook: Ex 22:19; Deut 7:2; Deut 13:18; Hos 14:9; Jes 30:22; Ezech 11:18; Rom 2:22 ## Deuteronomium 8 _Veertig jaar in de woestijn: Yahweh vernedert, beproeft en voedt Zijn volk_ ### Denk aan de weg door de woestijn **8:1** Het hele gebod dat ik je vandaag gebied, moet je bewaren om het te doen. Dan zul je leven en talrijk worden, het land binnengaan en in bezit nemen dat Yahweh aan je vaders gezworen heeft. Brontekst: כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֗ה (hamitsva) = het gebod | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אָנֹכִ֧י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֛ (metsavekha) = je gebied | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | תִּשְׁמְר֣וּן (tishmerun) = jullie zullen bewaren | לַעֲשׂ֑וֹת (laasot) = om te doen | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | תִּֽחְי֜וּן (tichyun) = jullie zullen leven | וּרְבִיתֶ֗ם (urevitem) = en jullie zullen talrijk worden | וּבָאתֶם֙ (uvatem) = en jullie zullen binnengaan | וִֽירִשְׁתֶּ֣ם (virishtem) = en jullie zullen in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = Hij zwoer | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֵיכֶֽם (laavoteikhem) = aan jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:1; Deut 5:32–6:3; Ps 119:4–6; 1 Tess 4:1–2 **8:2** Denk aan heel de weg die Yahweh, je Elohim, je deze 40 jaar door de woestijn geleid heeft. Hij deed dat om je te vernederen en op de proef te stellen, om te weten wat er in je hart was. Zou je Zijn geboden bewaren of niet? Brontekst: וְזָכַרְתָּ֣ (vezakharta) = en je zult gedenken | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַדֶּ֗רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֹלִֽיכֲךָ֜ (holikhakha) = Hij je liet gaan | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | זֶ֛ה (ze) = deze | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = 40 | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | עַנֹּֽתְךָ֜ (anotekha) = Hij je vernederde | לְנַסֹּֽתְךָ֗ (lenasotekha) = om je op de proef te stellen | לָדַ֜עַת (ladaat) = om te weten | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | בִּֽלְבָבְךָ֛ (bilvavekha) = in je hart | הֲתִשְׁמֹ֥ר (hatishmor) = of je zult bewaren | מִצְוֺתָ֖יו (mitsvotav) = Zijn geboden | אִם (im) = of | לֹֽא (lo) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָנָה (anah), ‘vernederen’: klein en afhankelijk maken. Yahweh liet Israël honger lijden om te laten zien dat Zijn volk van Hem leeft (vers 3). Hetzelfde woord staat in Exod. 10:3. Voetnoot : נִסָּה (nissah), ‘op de proef stellen’: zie Exod. 15:25 en 16:4. Zie ook: Ex 10:3; Ex 15:25; Ex 16:4; Deut 2:7; Deut 8:3; Deut 8:16; Jak 1:3; 1 Petr 1:7 **8:3** Hij vernederde je, liet je honger lijden en gaf je het manna te eten, dat je niet kende en je vaders niet kenden. Zo liet Hij je weten: de mens leeft niet van brood alleen. Maar de mens leeft van alles wat uit de mond van Yahweh komt. Brontekst: וַֽיְעַנְּךָ֮ (vayanekha) = en Hij vernederde je | וַיַּרְעִבֶךָ֒ (vayarivekha) = en Hij liet je honger lijden | וַיַּֽאֲכִֽלְךָ֤ (vayaakhilkha) = en Hij liet je eten | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּן֙ (haman) = het manna | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = je kende | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָדְע֖וּן (yadeun) = kenden | אֲבֹתֶ֑יךָ (avoteikha) = je vaders | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | הוֹדִֽעֲךָ֗ (hodiakha) = Hij je liet weten | כִּ֠י (ki) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | עַל (al) = van | הַלֶּ֤חֶם (halechem) = het brood | לְבַדּוֹ֙ (levado) = alleen | יִחְיֶ֣ה (yichye) = zal leven | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | כִּ֛י (ki) = maar | עַל (al) = van | כָּל (kal) = alles | מוֹצָ֥א (motsa) = wat uitgaat van | פִֽי (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִחְיֶ֥ה (yichye) = zal leven | הָאָדָֽם (haadam) = de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָן (man), ‘manna’: het brood uit de hemel in de woestijn (Exod. 16:31–35). Mozes herinnert eraan dat het volk hiervan 40 jaar leefde. Voetnoot : De Heer Yeshua haalt dit vers aan in Matt. 4:4. Zie ook: Ex 16:2–3; Ex 16:31–35; Ps 78:23–25; Mat 4:4; Luc 4:4; Heb 13:5–6 **8:4** Je kleren zijn niet van je lijf versleten en je voeten zijn niet gezwollen, deze 40 jaar. Brontekst: שִׂמְלָ֨תְךָ֜ (simlatekha) = je kleed | לֹ֤א (lo) = niet | בָֽלְתָה֙ (baleta) = is versleten | מֵֽעָלֶ֔יךָ (mealeikha) = van op je | וְרַגְלְךָ֖ (veraglekha) = en je voet | לֹ֣א (lo) = niet | בָצֵ֑קָה (batseqa) = is gezwollen | זֶ֖ה (ze) = deze | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = 40 | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 29:4; Neh 9:21; Mat 26:25–30 **8:5** Weet in je hart dat Yahweh, je Elohim, jou opvoedt zoals een man zijn zoon opvoedt. Brontekst: וְיָדַעְתָּ֖ (veyadata) = en je zult weten | עִם (im) = met | לְבָבֶ֑ךָ (levavekha) = je hart | כִּ֗י (ki) = dat | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יְיַסֵּ֥ר (yeyaser) = opvoedt | אִישׁ֙ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | מְיַסְּרֶֽךָּ (meyasereka) = Hij voedt jou op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִסֵּר (yisser), ‘opvoeden’: leiden, corrigeren en onderwijzen, zoals een vader zijn zoon. Het gaat om opvoeding, niet om straf alleen. Zie ook: Job 5:17–18; 2 Sam 7:14; Spr 3:12; Heb 12:5–11; Openb 3:19 **8:6** Bewaar de geboden van Yahweh, je Elohim, door op Zijn wegen te gaan en ontzag voor Hem te hebben. Brontekst: וְשָׁ֣מַרְתָּ֔ (veshamarta) = en je zult bewaren | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺ֖ת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = om te gaan | בִּדְרָכָ֖יו (bidrakhav) = op Zijn wegen | וּלְיִרְאָ֥ה (uleyira) = en om ontzag te hebben | אֹתֽוֹ (oto) = voor Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:20; Deut 5:33; 1 Sam 12:24; Ps 128:1; 2 Kron 6:31 ### Het goede land **8:7** Want Yahweh, je Elohim, brengt je naar een goed land. Een land met beken vol water, met bronnen en diepe wateren die in het dal en op de berg ontspringen, Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | מְבִֽיאֲךָ֖ (meviakha) = brengt je | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | טוֹבָ֑ה (tova) = goed | אֶ֚רֶץ (erets) = een land van | נַ֣חֲלֵי (nachalei) = beken van | מָ֔יִם (mayim) = water | עֲיָנֹת֙ (ayanot) = bronnen | וּתְהֹמֹ֔ת (utehomot) = en diepe wateren | יֹצְאִ֥ים (yotseim) = die uitkomen | בַּבִּקְעָ֖ה (babiqa) = in het dal | וּבָהָֽר (uvahar) = en op de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּהֹמֹת (tehomot), ‘diepe wateren’: water uit de diepte van de aarde, dat als bron omhoog komt. Zie ook: Ex 3:8; Deut 6:10–11; Deut 11:9–12; Ps 65:10–14; Ezech 20:6 **8:8** een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelbomen, een land van olijfolie en honing, Brontekst: אֶ֤רֶץ (erets) = een land van | חִטָּה֙ (chita) = tarwe | וּשְׂעֹרָ֔ה (useora) = en gerst | וְגֶ֥פֶן (vegefen) = en wijnstok | וּתְאֵנָ֖ה (uteena) = en vijgenboom | וְרִמּ֑וֹן (verimon) = en granaatappelboom | אֶֽרֶץ (erets) = een land van | זֵ֥ית (zeit) = olijf | שֶׁ֖מֶן (shemen) = olie | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:14; Ps 147:14; Hos 2:24; Joh 6:9; Joh 6:13 **8:9** een land waar je brood eet zonder gebrek, waar het je aan niets ontbreekt. Een land waarvan de stenen ijzer zijn en waar je koper uit de bergen kunt delven. Brontekst: אֶ֗רֶץ (erets) = een land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | לֹ֤א (lo) = niet | בְמִסְכֵּנֻת֙ (bemiskenut) = in gebrek | תֹּֽאכַל (tokhal) = je zult eten | בָּ֣הּ (bah) = daarin | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | לֹֽא (lo) = niet | תֶחְסַ֥ר (techsar) = het zal ontbreken | כֹּ֖ל (kol) = alles | בָּ֑הּ (bah) = daarin | אֶ֚רֶץ (erets) = een land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarvan | אֲבָנֶ֣יהָ (avaneiha) = haar stenen | בַרְזֶ֔ל (barzel) = ijzer | וּמֵהֲרָרֶ֖יהָ (umeharareiha) = en uit haar bergen | תַּחְצֹ֥ב (tachtsov) = je zult delven | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’, zoals in Exodus. Zie ook: Job 28:2; Deut 33:25; Joz 22:8; 1 Kron 22:14 **8:10** Je zult eten en verzadigd worden, en je zult Yahweh, je Elohim, zegenen voor het goede land dat Hij je gegeven heeft. Brontekst: וְאָכַלְתָּ֖ (veakhalta) = en je zult eten | וְשָׂבָ֑עְתָּ (vesavata) = en je zult verzadigd worden | וּבֵֽרַכְתָּ֙ (uverakhta) = en je zult zegenen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | עַל (al) = voor | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַטֹּבָ֖ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָֽתַן (natan) = Hij gaf | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:11–12; Ps 103:2; Spr 3:9; Mat 14:19; Rom 14:6 ### Vergeet Yahweh niet in de overvloed **8:11** Pas op dat je Yahweh, je Elohim, niet vergeet door Zijn geboden, Zijn rechtsregels en Zijn voorschriften, die ik je vandaag gebied, niet te bewaren. Brontekst: הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | פֶּן (pen) = anders | תִּשְׁכַּ֖ח (tishkach) = je zult vergeten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְבִלְתִּ֨י (levilti) = door niet | שְׁמֹ֤ר (shemor) = te bewaren | מִצְוֺתָיו֙ (mitsvotav) = Zijn geboden | וּמִשְׁפָּטָ֣יו (umishpatav) = en Zijn rechtsregels | וְחֻקֹּתָ֔יו (vechuqotav) = en Zijn voorschriften | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = je gebied | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 106:21; Spr 1:32; Spr 30:9; Hos 2:10–11; Ezech 16:10–15 **8:12** Anders eet je en word je verzadigd, bouw je goede huizen en ga je daarin wonen, Brontekst: פֶּן (pen) = anders | תֹּאכַ֖ל (tokhal) = je zult eten | וְשָׂבָ֑עְתָּ (vesavata) = en je zult verzadigd worden | וּבָתִּ֥ים (uvatim) = en huizen | טוֹבִ֛ים (tovim) = goede | תִּבְנֶ֖ה (tivne) = je zult bouwen | וְיָשָֽׁבְתָּ (veyashavta) = en je zult wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:47; Deut 32:15; Spr 30:9; Hos 13:5–6; Jer 22:14–15 **8:13** worden je runderen en je kleinvee talrijk, wordt je zilver en goud meer en wordt alles wat je hebt meer, Brontekst: וּבְקָֽרְךָ֤ (uveqarekha) = en je runderen | וְצֹֽאנְךָ֙ (vetsonkha) = en je kleinvee | יִרְבְּיֻ֔ן (yirbeyun) = zullen talrijk worden | וְכֶ֥סֶף (vekhesef) = en zilver | וְזָהָ֖ב (vezahav) = en goud | יִרְבֶּה (yirbe) = zal talrijk worden | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jou | וְכֹ֥ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לְךָ֖ (lekha) = van jou | יִרְבֶּֽה (yirbe) = zal talrijk worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:1–5; Job 1:3; Ps 39:7; Luc 12:13–21 **8:14** en wordt je hart hoogmoedig en vergeet je Yahweh, je Elohim, die je uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft geleid, Brontekst: וְרָ֖ם (veram) = en zal zich verheffen | לְבָבֶ֑ךָ (levavekha) = je hart | וְשָֽׁכַחְתָּ֙ (veshakhachta) = en je zult vergeten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | הַמּוֹצִיאֲךָ֛ (hamotsiakha) = die je uitleidde | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִֽים (avadim) = dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וְרָם לְבָבֶךָ (veram levavekha) is letterlijk ‘en je hart wordt hoog’: hoogmoed. Het ‘slavenhuis’ is in het Hebreeuws het ‘huis van dienaren’ (Deut. 7:8). Zie ook: Deut 7:8; Deut 8:11; Ps 106:21; 2 Kron 26:16; 2 Kron 32:25; 1 Kor 4:7–8 **8:15** die je geleid heeft door de grote en ontzagwekkende woestijn, met vurige slangen en schorpioenen, door dorstig land waar geen water is. Hij liet water voor je komen uit de harde rots, Brontekst: הַמּוֹלִ֨יכֲךָ֜ (hamolikhakha) = die je liet gaan | בַּמִּדְבָּ֣ר (bamidbar) = door de woestijn | הַגָּדֹ֣ל (hagadol) = de grote | וְהַנּוֹרָ֗א (vehanora) = en de ontzagwekkende | נָחָ֤שׁ (nachash) = slang | שָׂרָף֙ (saraf) = vurige | וְעַקְרָ֔ב (veaqrav) = en schorpioen | וְצִמָּא֖וֹן (vetsimaon) = en dorst | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | אֵֽין (ein) = niet is | מָ֑יִם (mayim) = water | הַמּוֹצִ֤יא (hamotsi) = die uitbracht | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | מַ֔יִם (mayim) = water | מִצּ֖וּר (mitsur) = uit de rots van | הַֽחַלָּמִֽישׁ (hachalamish) = de harde rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרָף (saraf), ‘vurig’: een slang waarvan de beet als vuur brandt. Voetnoot : צִמָּאוֹן (tsimmaon), ‘dorst’: een uitgedroogd land. Het water uit de rots staat in Exod. 17:6. Voetnoot : חַלָּמִישׁ (challamish), ‘harde rots’: een zeer harde steen. Zie ook: Ex 17:6; Num 20:11; Num 21:6; Deut 1:19; Hos 13:5; Jer 2:6 **8:16** Hij gaf je in de woestijn manna te eten, dat je vaders niet kenden. Dat deed Hij om je te vernederen en op de proef te stellen, om het uiteindelijk goed met je te maken, Brontekst: הַמַּֽאֲכִ֨לְךָ֥ (hamaakhilkha) = die je liet eten | מָן֙ (man) = manna | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָדְע֖וּן (yadeun) = kenden | אֲבֹתֶ֑יךָ (avoteikha) = je vaders | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | עַנֹּֽתְךָ֗ (anotekha) = Hij je vernederde | וּלְמַ֨עַן֙ (ulemaan) = en opdat | נַסֹּתֶ֔ךָ (nasotekha) = Hij je op de proef stelde | לְהֵיטִֽבְךָ֖ (leheitivkha) = om het goed met je te maken | בְּאַחֲרִיתֶֽךָ (beacharitekha) = aan je einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het manna staat in Exod. 16. Zie ook: Ex 16:15; Deut 8:3; Jer 24:5–6; Jak 1:12; Heb 12:10–11 **8:17** en zeg je in je hart: „Mijn kracht en de sterkte van mijn hand hebben mij deze rijkdom gebracht.” Brontekst: וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en je zult zeggen | בִּלְבָבֶ֑ךָ (bilvavekha) = in je hart | כֹּחִי֙ (kochi) = mijn kracht | וְעֹ֣צֶם (veotsem) = en de sterkte van | יָדִ֔י (yadi) = mijn hand | עָ֥שָׂה (asa) = heeft gemaakt | לִ֖י (li) = voor mij | אֶת (et) = (obj.) | הַחַ֥יִל (hachayil) = de rijkdom | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:17; Deut 9:4; Jes 10:8–14; Dan 4:27; 1 Kor 4:7 **8:18** Denk aan Yahweh, je Elohim, want Hij is het die je kracht geeft om rijkdom te verwerven. Zo houdt Hij Zijn verbond dat Hij aan je vaders gezworen heeft, zoals het vandaag is. Brontekst: וְזָֽכַרְתָּ֙ (vezakharta) = en je zult gedenken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | כִּ֣י (ki) = want | ה֗וּא (hu) = Hij | הַנֹּתֵ֥ן (hanoten) = die geeft | לְךָ֛ (lekha) = aan jou | כֹּ֖חַ (koach) = kracht | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te maken | חָ֑יִל (chayil) = rijkdom | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | הָקִ֧ים (haqim) = Hij bevestigt | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִית֛וֹ (berito) = Zijn verbond | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = Hij zwoer | לַאֲבֹתֶ֖יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals op de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het is Yahweh die de kracht geeft om rijkdom te verwerven. Zo houdt Hij Zijn verbond met de vaders (Gen. 15:18; 17:7). Zie ook: Gen 15:18; Gen 17:7; Deut 7:8; Deut 7:12; Ps 127:1–2; Spr 10:22; Hos 2:10 ### De waarschuwing **8:19** Maar als je Yahweh, je Elohim, toch vergeet en andere goden achternagaat, ze dient en je voor hen neerbuigt, dan getuig ik vandaag tegen je. Je zult zeker omkomen. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | שָׁכֹ֤חַ (shakhoach) = volkomen | תִּשְׁכַּח֙ (tishkach) = je vergeet | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהָֽלַכְתָּ֗ (vehalakhta) = en je gaat | אַחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַעֲבַדְתָּ֖ם (vaavadtam) = en je dient hen | וְהִשְׁתַּחֲוִ֣יתָ (vehishtachavita) = en je buigt je neer | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | הַעִדֹ֤תִי (haidoti) = ik getuig | בָכֶם֙ (bakhem) = tegen jullie | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | כִּ֥י (ki) = dat | אָבֹ֖ד (avod) = omkomen | תֹּאבֵדֽוּן (tovedun) = jullie zullen omkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַעִדֹתִי (ha’edoti), ‘ik getuig’: Mozes roept getuigen op, zoals in een rechtszaak. Zie Deut. 4:26. Zie ook: Deut 4:26; Deut 29:24–27; Deut 30:18–19; Amos 3:2; Luc 12:47–48 **8:20** Zoals de volken die Yahweh voor je laat omkomen, zo zul ook jij omkomen. Want je hebt niet naar de stem van Yahweh, je Elohim, geluisterd. Brontekst: כַּגּוֹיִ֗ם (kagoyim) = zoals de volken | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מַאֲבִ֣יד (maavid) = die laat omkomen | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = voor jullie | כֵּ֖ן (ken) = zo | תֹאבֵד֑וּן (tovedun) = jullie zullen omkomen | עֵ֚קֶב (eqev) = omdat | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׁמְע֔וּן (tishmeun) = jullie luisteren | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 36:16–17; Dan 9:11–12 ## Deuteronomium 9 _Niet om jullie gerechtigheid: het gouden kalf en de tafelen_ ### Het land wordt niet verdiend **9:1** Hoor, Israël: jij steekt vandaag de Jordaan over om volken in bezit te nemen die groter en sterker zijn dan jij. Grote steden met muren tot aan de hemel, Brontekst: שְׁמַ֣ע (shema) = hoor | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אַתָּ֨ה (ata) = jij | עֹבֵ֤ר (over) = oversteekt | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | לָבֹא֙ (lavo) = om binnen te gaan | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | גְּדֹלִ֥ים (gedolim) = groter | וַעֲצֻמִ֖ים (vaatsumim) = en sterker | מִמֶּ֑ךָּ (mimeka) = dan jij | עָרִ֛ים (arim) = steden | גְּדֹלֹ֥ת (gedolot) = grote | וּבְצֻרֹ֖ת (uvetsurot) = en versterkte | בַּשָּׁמָֽיִם (bashamayim) = tot in de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 1:28; Deut 3:18; Deut 4:38; Deut 7:1; Deut 11:31 **9:2** Een groot en lang volk, de zonen van de Anakieten. Jij kent hen en hebt van hen horen zeggen: „Wie kan standhouden tegenover de zonen van Anak?” Brontekst: עַֽם (am) = volk | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | וָרָ֖ם (varam) = en lang | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עֲנָקִ֑ים (anaqim) = de Anakieten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אַתָּ֤ה (ata) = jij | יָדַ֨עְתָּ֙ (yadata) = kent | וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | שָׁמַ֔עְתָּ (shamata) = hebt gehoord | מִ֣י (mi) = wie | יִתְיַצֵּ֔ב (yityatsev) = kan standhouden | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עֲנָֽק (anaq) = Anak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲנָקִים (anaqim), ‘Anakieten’: een volk van grote mensen in het zuiden van Kanaän, bij Hebron (zie Num. 13:22, 28, 33). Zie ook: Job 11:10; Num 13:22; Deut 7:24; Dan 8:4; Dan 11:16 **9:3** Weet vandaag dat Yahweh, je Elohim, voor je uit oversteekt als een verterend vuur. Hij zal hen vernietigen en Hij zal hen voor je onderwerpen. Jij zult hen verdrijven en snel laten omkomen, zoals Yahweh tegen je gesproken heeft. Brontekst: וְיָדַעְתָּ֣ (veyadata) = en je zult weten | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | כִּי֩ (ki) = dat | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | הֽוּא (hu) = Hij | הָעֹבֵ֤ר (haover) = die oversteekt | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor je uit | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | אֹֽכְלָ֔ה (okhela) = verterend | ה֧וּא (hu) = Hij | יַשְׁמִידֵ֛ם (yashmidem) = Hij zal hen vernietigen | וְה֥וּא (vehu) = en Hij | יַכְנִיעֵ֖ם (yakhniem) = Hij zal hen onderwerpen | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je uit | וְהֽוֹרַשְׁתָּ֤ם (vehorashtam) = en je zult hen verdrijven | וְהַֽאַבַדְתָּם֙ (vehaavadtam) = en je zult hen laten omkomen | מַהֵ֔ר (maher) = snel | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָֽךְ (lakh) = tegen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh gaat als ‘verterend vuur’ voor Israël uit; vergelijk Exod. 24:17. Zie ook: Ex 24:17; Deut 4:24; Deut 7:23–24; Deut 20:4; Rom 8:31; Heb 12:29 **9:4** Yahweh, je Elohim, drijft hen voor je uit weg. Zeg dan niet in je hart: „Vanwege mijn gerechtigheid heeft Yahweh mij gebracht om dit land in bezit te nemen.” Het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat Yahweh hen voor je uit verdrijft. Brontekst: אַל (al) = niet | תֹּאמַ֣ר (tomar) = zeg | בִּלְבָבְךָ֗ (bilvavekha) = in je hart | בַּהֲדֹ֣ף (bahadof) = wanneer Hij wegdrijft | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֹתָ֥ם (otam) = hen | מִלְּפָנֶיךָ֮ (milefaneikha) = voor je uit | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | בְּצִדְקָתִי֙ (betsidqati) = vanwege mijn gerechtigheid | הֱבִיאַ֣נִי (heviani) = heeft mij gebracht | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָרֶ֖שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | וּבְרִשְׁעַת֙ (uverishat) = en vanwege de goddeloosheid van | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מוֹרִישָׁ֥ם (morisham) = verdrijft hen | מִפָּנֶֽיךָ (mipaneikha) = voor je uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: wat recht en goed is voor Yahweh. Het volk krijgt het land niet omdat het zo goed zou zijn. Voetnoot : רִשְׁעָה (rish’ah), ‘goddeloosheid’: het kwaad van de volken van Kanaän. Zie ook Gen. 15:16. Zie ook: Gen 15:16; Deut 8:17; Deut 9:5; Deut 18:9–14; 1 Kor 4:7; 2 Tim 1:9 **9:5** Niet vanwege je gerechtigheid en de oprechtheid van je hart ga jij hun land in bezit nemen. Het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat Yahweh, je Elohim, hen voor je uit verdrijft. En om het woord te laten standhouden dat Yahweh aan je vaders gezworen heeft, aan Abraham, Isaak en Jakob. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | בְצִדְקָתְךָ֗ (betsidqatekha) = vanwege je gerechtigheid | וּבְיֹ֨שֶׁר֙ (uveyosher) = en de oprechtheid van | לְבָ֣בְךָ֔ (levavekha) = je hart | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָ֖א (ba) = binnengaat | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֑ם (artsam) = hun land | כִּ֞י (ki) = maar | בְּרִשְׁעַ֣ת (berishat) = vanwege de goddeloosheid van | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | מוֹרִישָׁ֣ם (morisham) = verdrijft hen | מִפָּנֶ֔יךָ (mipaneikha) = voor je uit | וּלְמַ֜עַן (ulemaan) = en opdat | הָקִ֣ים (haqim) = Hij laat standhouden | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֤ע (nishba) = Hij zwoer | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֶ֔יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֖ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹֽב (uleyaaqov) = en aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:7; Gen 13:15; Gen 17:8; Gen 26:4; Tit 3:5 **9:6** Weet dus dat Yahweh, je Elohim, je dit goede land niet vanwege je gerechtigheid geeft om het in bezit te nemen. Want jij bent een halsstarrig volk. Brontekst: וְיָדַעְתָּ֗ (veyadata) = en je zult weten | כִּ֠י (ki) = dat | לֹ֤א (lo) = niet | בְצִדְקָֽתְךָ֙ (betsidqatekha) = vanwege je gerechtigheid | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱ֠לֹהֶיךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֨ן (noten) = geeft | לְךָ֜ (lekha) = aan jou | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | הַטּוֹבָ֛ה (hatova) = het goede | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לְרִשְׁתָּ֑הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | כִּ֥י (ki) = want | עַם (am) = volk | קְשֵׁה (qeshe) = hard van | עֹ֖רֶף (oref) = nek | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְשֵׁה־עֹרֶף (qesheh oref), ‘halsstarrig’: letterlijk ‘hard van nek’, zoals een dier dat zich niet laat leiden. Zo noemt Yahweh het volk ook in Exod. 32:9 en 33:3. Zie ook: Ex 32:9; Ex 33:3; Deut 9:13; Deut 10:16; Deut 31:27; Hand 7:51 ### Een weerspannig volk **9:7** Denk eraan, vergeet het niet: hoe jullie Yahweh, jullie Elohim, in de woestijn tot toorn hebben geprikkeld. Vanaf de dag dat jullie uit het land Egypte vertrokken tot jullie op deze plaats kwamen, zijn jullie weerspannig tegen Yahweh geweest. Brontekst: זְכֹר֙ (zekhor) = denk eraan | אַל (al) = niet | תִּשְׁכַּ֔ח (tishkach) = vergeet | אֵ֧ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = hoe | הִקְצַ֛פְתָּ (hiqtsafta) = je tot toorn prikkelde | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | לְמִן (lemin) = vanaf | הַיּ֞וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָצָ֣אתָ (yatsata) = je uittrok | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | עַד (ad) = tot | בֹּֽאֲכֶם֙ (boakhem) = jullie kwamen | עַד (ad) = tot | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | מַמְרִ֥ים (mamrim) = weerspannig | הֱיִיתֶ֖ם (heyitem) = jullie zijn geweest | עִם (im) = tegen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 14:11; Ex 16:2; Num 11:4; Num 21:5; Num 25:2 **9:8** Ook bij Horeb hebben jullie Yahweh tot toorn geprikkeld, en Yahweh werd zo kwaad op jullie dat Hij jullie wilde vernietigen. Brontekst: וּבְחֹרֵ֥ב (uvechorev) = en bij Horeb | הִקְצַפְתֶּ֖ם (hiqtsaftem) = jullie prikkelden tot toorn | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתְאַנַּ֧ף (vayitanaf) = en werd verbolgen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶ֖ם (bakhem) = tegen jullie | לְהַשְׁמִ֥יד (lehashmid) = om te vernietigen | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Horeb is een andere naam voor de berg waar Yahweh Zijn volk de wet gaf, de Sinaï (Exod. 19–20). De ligging is niet zeker; de traditionele berg is de Jebel Musa op het zuiden van het Sinaïschiereiland. Zie ook: Ex 32:7–10; Ex 32:16; Ps 106:19–22 ### Mozes op de berg **9:9** Ik ging de berg op om de stenen tafelen te ontvangen, de tafelen van het verbond dat Yahweh met jullie gesloten had. Ik bleef op de berg 40 dagen en 40 nachten. Ik at geen brood en dronk geen water. Brontekst: בַּעֲלֹתִ֣י (baaloti) = toen ik opging | הָהָ֗רָה (hahara) = naar de berg | לָקַ֜חַת (laqachat) = om te ontvangen | לוּחֹ֤ת (luchot) = tafelen van | הָֽאֲבָנִים֙ (haavanim) = de stenen | לוּחֹ֣ת (luchot) = tafelen van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּרַ֥ת (karat) = Hij sloot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶ֑ם (imakhem) = met jullie | וָאֵשֵׁ֣ב (vaeshev) = en ik bleef | בָּהָ֗ר (bahar) = op de berg | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = 40 | יוֹם֙ (yom) = dagen | וְאַרְבָּעִ֣ים (vearbaim) = en 40 | לַ֔יְלָה (layla) = nachten | לֶ֚חֶם (lechem) = brood | לֹ֣א (lo) = niet | אָכַ֔לְתִּי (akhalti) = at ik | וּמַ֖יִם (umayim) = en water | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁתִֽיתִי (shatiti) = dronk ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes bleef 40 dagen en 40 nachten op de berg om de tafelen te ontvangen (Exod. 24:18; 34:28). Zie ook: Ex 24:12; Ex 24:15; Ex 24:18; Ex 34:28; 1 Kon 19:8 **9:10** Yahweh gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven met de vinger van Elohim. Daarop stonden alle woorden die Yahweh op de berg uit het vuur tot jullie gesproken had, op de dag van de vergadering. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en Hij gaf | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = aan mij | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | לוּחֹ֣ת (luchot) = tafelen van | הָֽאֲבָנִ֔ים (haavanim) = de stenen | כְּתֻבִ֖ים (ketuvim) = beschreven | בְּאֶצְבַּ֣ע (beetsba) = met de vinger van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַעֲלֵיהֶ֗ם (vaaleihem) = en daarop | כְּֽכָל (kekhal) = overeenkomstig alle | הַדְּבָרִ֡ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | דִּבֶּר֩ (diber) = Hij sprak | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶ֥ם (imakhem) = met jullie | בָּהָ֛ר (bahar) = op de berg | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הַקָּהָֽל (haqahal) = de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tafelen waren beschreven met de vinger van Elohim (Exod. 31:18). De woorden zijn de Tien Woorden die het volk uit het vuur hoorde (Exod. 20:1–17; Deut. 5:6–21). Zie ook: Ex 20:1–17; Ex 31:18; Deut 5:6–21; Deut 10:4; Deut 18:16; Mat 12:28; Heb 8:10 **9:11** Na 40 dagen en 40 nachten gaf Yahweh mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | מִקֵּץ֙ (miqets) = na het einde van | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = 40 | י֔וֹם (yom) = dagen | וְאַרְבָּעִ֖ים (vearbaim) = en 40 | לָ֑יְלָה (layela) = nachten | נָתַ֨ן (natan) = gaf | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = aan mij | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֛י (shenei) = twee | לֻחֹ֥ת (luchot) = tafelen van | הָאֲבָנִ֖ים (haavanim) = de stenen | לֻח֥וֹת (luchot) = tafelen van | הַבְּרִֽית (haberit) = het verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 10:33; Deut 9:9; Heb 8:6–10; Heb 9:4 ### Yahweh meldt het kalf **9:12** Yahweh zei tot mij: **„Sta op, daal snel hiervandaan af, want je volk dat je uit Egypte hebt geleid, heeft zich bedorven. Snel zijn zij afgeweken van de weg die Ik hun geboden heb: zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | ק֣וּם (qum) = sta op | רֵ֤ד (red) = daal af | מַהֵר֙ (maher) = snel | מִזֶּ֔ה (mize) = van hier | כִּ֚י (ki) = want | שִׁחֵ֣ת (shichet) = heeft zich bedorven | עַמְּךָ֔ (amekha) = je volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הוֹצֵ֖אתָ (hotseta) = je uitleidde | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | סָ֣רוּ (saru) = zij zijn afgeweken | מַהֵ֗ר (maher) = snel | מִן (min) = van | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | צִוִּיתִ֔ם (tsivitim) = Ik gebood hen | עָשׂ֥וּ (asu) = zij hebben gemaakt | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zich | מַסֵּכָֽה (masekha) = een gegoten beeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit herhaalt wat Yahweh bij het gouden kalf tegen Mozes zei (Exod. 32:7–8). Daar staat ook ‘je volk’ en ‘gegoten kalf’. Voetnoot : מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’: een beeld van gegoten metaal. Zie ook: Ex 32:7–8; Deut 31:29; Re 2:17; Hos 6:4; Gal 1:6 **9:13** Yahweh zei tot mij: **„Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֣י (elay) = tot mij | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = Ik heb gezien | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | עַם (am) = volk | קְשֵׁה (qeshe) = hard van | עֹ֖רֶף (oref) = nek | הֽוּא (hu) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:9–10; Deut 9:6; Deut 10:16; Deut 31:27; 2 Kon 17:14 **9:14** **Laat Mij begaan, dan vernietig Ik hen en wis Ik hun naam onder de hemel uit. Dan maak Ik van jou een volk dat sterker en talrijker is dan zij.”** Brontekst: הֶ֤רֶף (heref) = laat begaan | מִמֶּ֨נִּי֙ (mimeni) = van Mij | וְאַשְׁמִידֵ֔ם (veashmidem) = dan zal Ik hen vernietigen | וְאֶמְחֶ֣ה (veemche) = en Ik zal uitwissen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמָ֔ם (shemam) = hun naam | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶֽעֱשֶׂה֙ (veeese) = en Ik zal maken | אֽוֹתְךָ֔ (otekha) = jou | לְגוֹי (legoy) = tot een volk | עָצ֥וּם (atsum) = sterker | וָרָ֖ב (varav) = en talrijker | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = dan het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 32:10: ‘Laat Mij nu begaan.’ Zie ook: Ex 32:10–13; Deut 29:19; Ps 9:6; Ps 109:13; Luc 11:7–10 **9:15** Ik keerde mij om en daalde van de berg af, terwijl de berg in vuur brandde. De twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen. Brontekst: וָאֵ֗פֶן (vaefen) = en ik keerde mij om | וָֽאֵרֵד֙ (vaered) = en ik daalde af | מִן (min) = van | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וְהָהָ֖ר (vehahar) = en de berg | בֹּעֵ֣ר (boer) = brandde | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = in vuur | וּשְׁנֵי֙ (ushenei) = en twee | לֻחֹ֣ת (luchot) = tafelen van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | עַ֖ל (al) = op | שְׁתֵּ֥י (shetei) = mijn twee | יָדָֽי (yaday) = handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 9:23; Ex 19:18; Ex 32:14–35; Deut 4:11; Deut 5:23 ### Mozes breekt de tafelen **9:16** Ik keek, en zie, jullie hadden gezondigd tegen Yahweh, jullie Elohim: jullie hadden voor jezelf een gegoten kalf gemaakt. Snel waren jullie afgeweken van de weg die Yahweh jullie geboden had. Brontekst: וָאֵ֗רֶא (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | חֲטָאתֶם֙ (chatatem) = jullie hadden gezondigd | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | עֲשִׂיתֶ֣ם (asitem) = jullie hadden gemaakt | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jezelf | עֵ֖גֶל (egel) = een kalf | מַסֵּכָ֑ה (masekha) = gegoten | סַרְתֶּ֣ם (sartem) = jullie waren afgeweken | מַהֵ֔ר (maher) = snel | מִן (min) = van | הַדֶּ֕רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = Hij gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:19; Hand 7:40–41 **9:17** Ik greep de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen en brak ze voor jullie ogen. Brontekst: וָאֶתְפֹּשׂ֙ (vaetpos) = en ik greep | בִּשְׁנֵ֣י (bishnei) = de twee | הַלֻּחֹ֔ת (haluchot) = tafelen | וָֽאַשְׁלִכֵ֔ם (vaashlikhem) = en ik wierp ze | מֵעַ֖ל (meal) = van op | שְׁתֵּ֣י (shetei) = mijn twee | יָדָ֑י (yaday) = handen | וָאֲשַׁבְּרֵ֖ם (vaashaberem) = en ik brak ze | לְעֵינֵיכֶֽם (leeineikhem) = voor jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes breekt de tafelen onder aan de berg (Exod. 32:19). Zie ook: Ex 32:19 ### Mozes werpt zich neer **9:18** Daarna wierp ik mij neer voor het aangezicht van Yahweh, zoals de eerste keer, 40 dagen en 40 nachten. Ik at geen brood en dronk geen water vanwege al jullie zonde. Die hadden jullie begaan door te doen wat kwaad is in de ogen van Yahweh, om Hem te tergen. Brontekst: וָֽאֶתְנַפַּל֩ (vaetnapal) = en ik wierp mij neer | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | כָּרִאשֹׁנָ֗ה (karishona) = zoals de eerste keer | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = 40 | יוֹם֙ (yom) = dagen | וְאַרְבָּעִ֣ים (vearbaim) = en 40 | לַ֔יְלָה (layla) = nachten | לֶ֚חֶם (lechem) = brood | לֹ֣א (lo) = niet | אָכַ֔לְתִּי (akhalti) = at ik | וּמַ֖יִם (umayim) = en water | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁתִ֑יתִי (shatiti) = dronk ik | עַ֤ל (al) = vanwege | כָּל (kal) = al | חַטַּאתְכֶם֙ (chatatkhem) = jullie zonde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חֲטָאתֶ֔ם (chatatem) = jullie hadden gezondigd | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = door te doen | הָרַ֛ע (hara) = wat kwaad is | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַכְעִיסֽוֹ (lehakhiso) = om Hem te tergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een tweede verblijf van 40 dagen en 40 nachten, na het breken van de tafelen (Exod. 34:28). Zie ook: Ex 32:10–14; Ex 34:28; Deut 9:9; Deut 10:10; Ps 106:23 **9:19** Want ik was bang voor de toorn en de woede waarmee Yahweh zich tegen jullie verbolgen had om jullie te vernietigen. Ook die keer luisterde Yahweh naar mij. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יָגֹ֗רְתִּי (yagorti) = ik was bang | מִפְּנֵ֤י (mipenei) = voor | הָאַף֙ (haaf) = de toorn | וְהַ֣חֵמָ֔ה (vehachema) = en de woede | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | קָצַ֧ף (qatsaf) = Hij was verbolgen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tegen jullie | לְהַשְׁמִ֣יד (lehashmid) = om te vernietigen | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en Hij luisterde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | גַּ֖ם (gam) = ook | בַּפַּ֥עַם (bapaam) = die keer | הַהִֽוא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:14; Ex 33:17; Deut 10:10; Ps 99:6; Jak 5:16–17 **9:20** Op Aäron was Yahweh zeer toornig, zodat Hij hem wilde vernietigen. Toen bad ik ook voor Aäron, op dat moment. Brontekst: וּֽבְאַהֲרֹ֗ן (uveaharon) = en op Aäron | הִתְאַנַּ֧ף (hitanaf) = werd toornig | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | לְהַשְׁמִיד֑וֹ (lehashmido) = om hem te vernietigen | וָֽאֶתְפַּלֵּ֛ל (vaetpalel) = en ik bad | גַּם (gam) = ook | בְּעַ֥ד (bead) = voor | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | בָּעֵ֥ת (baet) = op dat | הַהִֽוא (hahi) = moment Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat Aäron het kalf had laten maken, staat in Exod. 32:1–6, 21–24. Zie ook: Ex 32:1–6; Ex 32:2–5; Ex 32:21; Ex 32:35; Heb 7:26–28 **9:21** Jullie zonde, het kalf dat jullie gemaakt hadden, nam ik en verbrandde ik met vuur. Ik sloeg het stuk en maalde het goed, tot het zo fijn was als stof. Het stof gooide ik in de beek die van de berg afdaalt. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | חַטַּאתְכֶ֞ם (chatatkhem) = jullie zonde | אֲשֶׁר (asher) = die | עֲשִׂיתֶ֣ם (asitem) = jullie hadden gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵ֗גֶל (haegel) = het kalf | לָקַחְתִּי֮ (laqachti) = nam ik | וָאֶשְׂרֹ֣ף (vaesrof) = en ik verbrandde | אֹת֣וֹ (oto) = het | בָּאֵשׁ֒ (baesh) = met vuur | וָאֶכֹּ֨ת (vaekot) = en ik sloeg | אֹת֤וֹ (oto) = het | טָחוֹן֙ (tachon) = malend | הֵיטֵ֔ב (heitev) = goed | עַ֥ד (ad) = totdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | דַּ֖ק (daq) = het fijn was | לְעָפָ֑ר (leafar) = tot stof | וָֽאַשְׁלִךְ֙ (vaashlikh) = en ik wierp | אֶת (et) = (obj.) | עֲפָר֔וֹ (afaro) = zijn stof | אֶל (el) = in | הַנַּ֖חַל (hanachal) = de beek | הַיֹּרֵ֥ד (hayored) = die afdaalt | מִן (min) = van | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 32:20. Daar maalde Mozes het kalf ook fijn en liet de zonen van Israël ervan drinken. Zie ook: Ex 32:20; Hos 8:11; Jes 2:18–21; Jes 30:22; Jes 31:7 ### Andere opstanden **9:22** Ook bij Tabera, bij Massa en bij Kibrot-Hattaava hebben jullie Yahweh tot toorn geprikkeld. Brontekst: וּבְתַבְעֵרָה֙ (uvetavera) = en bij Tabera | וּבְמַסָּ֔ה (uvemasa) = en bij Massa | וּבְקִבְרֹ֖ת (uveqivrot) = en bij Kibrot | הַֽתַּאֲוָ֑ה (hataava) = Hattaava | מַקְצִפִ֥ים (maqtsifim) = jullie prikkelden tot toorn | הֱיִיתֶ֖ם (heyitem) = jullie waren | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tabera en Kibrot-Hattaava liggen in de woestijn op de tocht van de Sinaï naar Kades; de precieze ligging is onbekend (Num. 11:3, 34). Massa is de plaats bij Refidim (Exod. 17:7), vermoedelijk in het zuiden van het Sinaïschiereiland. Zie ook: Ex 17:7; Num 11:1–5; Num 11:3; Num 11:34 **9:23** Yahweh zond jullie uit Kades-Barnea met de woorden: **„Trek op en neem het land in bezit dat Ik jullie gegeven heb.”** En jullie waren weerspannig tegen het woord van Yahweh, jullie Elohim. Jullie geloofden Hem niet en luisterden niet naar Zijn stem. Brontekst: וּבִשְׁלֹ֨חַ (uvishloach) = en toen Hij zond | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = jullie | מִקָּדֵ֤שׁ (miqadesh) = vanuit Kades | בַּרְנֵ֨עַ֙ (barnea) = Barnea | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | עֲלוּ֙ (alu) = trek op | וּרְשׁ֣וּ (ureshu) = en neem in bezit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik gaf | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | וַתַּמְר֗וּ (vatamru) = en jullie waren weerspannig | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֤י (pi) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הֶֽאֱמַנְתֶּם֙ (heemantem) = jullie geloofden | ל֔וֹ (lo) = Hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = jullie luisterden | בְּקֹלֽוֹ (beqolo) = naar Zijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades-Barnea ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, vermoedelijk bij Ain el-Qudeirat (Egypte, bij de grens met Israël). Het verhaal van de verspieders staat in Num. 13–14. Voetnoot Lezing: Het bevel dat Yahweh bij Kades-Barnea gaf, staat rood: het zijn Zijn eigen woorden, aangehaald door Mozes. Zie ook: Deut 1:19–33; Ps 78:22; Ps 106:24–25; Jes 63:10; Heb 4:2 **9:24** Weerspannig zijn jullie tegen Yahweh geweest vanaf de dag dat ik jullie ken. Brontekst: מַמְרִ֥ים (mamrim) = weerspannig | הֱיִיתֶ֖ם (heyitem) = jullie zijn geweest | עִם (im) = tegen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִיּ֖וֹם (miyom) = vanaf de dag | דַּעְתִּ֥י (dati) = dat ik kende | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:6–7; Deut 31:27; Hand 7:51 **9:25** Ik wierp mij neer voor het aangezicht van Yahweh, die 40 dagen en 40 nachten dat ik mij neerwierp. Want Yahweh had gezegd jullie te willen vernietigen. Brontekst: וָֽאֶתְנַפַּ֞ל (vaetnapal) = en ik wierp mij neer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = de 40 | הַיּ֛וֹם (hayom) = dagen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = de 40 | הַלַּ֖יְלָה (halayla) = nachten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִתְנַפָּ֑לְתִּי (hitnapalti) = ik mij neerwierp | כִּֽי (ki) = want | אָמַ֥ר (amar) = Hij had gezegd | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַשְׁמִ֥יד (lehashmid) = om te vernietigen | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:16; Deut 9:18 ### Het gebed van Mozes **9:26** Ik bad tot Yahweh en zei: „Mijn Heer Yahweh, vernietig Uw volk en Uw erfdeel niet. Dat hebt U door Uw grootheid vrijgekocht, dat hebt U met sterke hand uit Egypte geleid. Brontekst: וָאֶתְפַּלֵּ֣ל (vaetpalel) = en ik bad | אֶל (el) = tot | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | וָאֹמַר֒ (vaomar) = en ik zei | אֲדֹנָ֣י (adonay) = mijn Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | תַּשְׁחֵ֤ת (tashchet) = vernietig | עַמְּךָ֙ (amekha) = Uw volk | וְנַחֲלָ֣תְךָ֔ (venachalatekha) = en Uw erfdeel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | פָּדִ֖יתָ (padita) = U hebt vrijgekocht | בְּגָדְלֶ֑ךָ (begadelekha) = door Uw grootheid | אֲשֶׁר (asher) = dat | הוֹצֵ֥אתָ (hotseta) = U hebt uitgeleid | מִמִּצְרַ֖יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | בְּיָ֥ד (beyad) = met een hand | חֲזָקָֽה (chazaqa) = sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: Mozes spreekt Yahweh zo aan. Zie ook: Ex 15:13; Ex 32:11–13; Ps 107:2; Jer 14:21; Tit 2:14 **9:27** Denk aan Uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. Kijk niet naar de hardnekkigheid van dit volk, noch naar zijn goddeloosheid, noch naar zijn zonde, Brontekst: זְכֹר֙ (zekhor) = denk aan | לַעֲבָדֶ֔יךָ (laavadeikha) = Uw dienaren | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = Abraham | לְיִצְחָ֖ק (leyitschaq) = Isaak | וּֽלְיַעֲקֹ֑ב (uleyaaqov) = en Jakob | אַל (al) = niet | תֵּ֗פֶן (tefen) = keer U | אֶל (el) = tot | קְשִׁי֙ (qeshi) = de hardnekkigheid van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְאֶל (veel) = en tot | רִשְׁע֖וֹ (risho) = zijn goddeloosheid | וְאֶל (veel) = en tot | חַטָּאתֽוֹ (chatato) = zijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:13; Ex 32:31–32; Jes 43:24–25; Mi 7:18–19; Jer 14:21 **9:28** anders zeggen de bewoners van het land waaruit U ons hebt geleid dat Yahweh niet in staat was hen te brengen naar het land. Dat land had Hij hun beloofd. Ze zeggen ook dat Hij hen uitgeleid heeft omdat Hij hen haat, om hen in de woestijn te doden. Brontekst: פֶּן (pen) = anders | יֹאמְר֗וּ (yomru) = zeggen zij | הָאָרֶץ֮ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waaruit | הוֹצֵאתָ֣נוּ (hotsetanu) = U ons hebt uitgeleid | מִשָּׁם֒ (misham) = vandaar | מִבְּלִי֙ (mibeli) = omdat niet | יְכֹ֣לֶת (yekholet) = in staat | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַהֲבִיאָ֕ם (lahaviam) = om hen te brengen | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij beloofde | לָהֶ֑ם (lahem) = hun | וּמִשִּׂנְאָת֣וֹ (umisinato) = en omdat Hij hen haat | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | הוֹצִיאָ֖ם (hotsiam) = heeft Hij uitgeleid | לַהֲמִתָ֥ם (lahamitam) = om hen te doden | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:12; Num 14:16 **9:29** Zij zijn immers Uw volk en Uw erfdeel, dat U met Uw grote kracht en Uw uitgestrekte arm uitgeleid hebt.” Brontekst: וְהֵ֥ם (vehem) = en zij | עַמְּךָ֖ (amekha) = Uw volk | וְנַחֲלָתֶ֑ךָ (venachalatekha) = en Uw erfdeel | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הוֹצֵ֨אתָ֙ (hotseta) = U hebt uitgeleid | בְּכֹחֲךָ֣ (bekhochakha) = met Uw kracht | הַגָּדֹ֔ל (hagadol) = de grote | וּבִֽזְרֹעֲךָ֖ (uvizroakha) = en met Uw arm | הַנְּטוּיָֽה (hanetuya) = de uitgestrekte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:20; Deut 4:34; Deut 9:26; 1 Kon 8:51; Neh 1:10 ## Deuteronomium 10 _De nieuwe tafelen, de ark, Levi en wat Yahweh van Israël vraagt_ ### De nieuwe tafelen en de ark **10:1** In die tijd zei Yahweh tot mij: **„Houw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste, en kom naar Mij op de berg. Maak ook een houten ark.** Brontekst: בָּעֵ֨ת (baet) = in die | הַהִ֜וא (hahi) = tijd | אָמַ֧ר (amar) = zei | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | פְּסָל (pesal) = houw uit | לְךָ֞ (lekha) = voor jou | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | לֻוחֹ֤ת (luvchot) = tafelen van | אֲבָנִים֙ (avanim) = stenen | כָּרִ֣אשֹׁנִ֔ים (karishonim) = zoals de eerste | וַעֲלֵ֥ה (vaale) = en klim | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | הָהָ֑רָה (hahara) = naar de berg | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en maak | לְּךָ֖ (lekha) = voor jou | אֲר֥וֹן (aron) = ark van | עֵֽץ (ets) = hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit herhaalt Exod. 34:1. De nieuwe tafelen komen na het breken van de eerste (Deut. 9:17). Voetnoot : De ark die Mozes hier laat maken, is vermoedelijk de ark van het getuigenis (Exod. 25:10–22; 37:1–9). Het Hebreeuws zegt dat niet uitdrukkelijk. Zie ook: Ex 25:10–15; Ex 34:1–2; Ex 34:4; Ex 37:1; Deut 9:17; Deut 10:3–4; Heb 9:4 **10:2** **Ik zal op de tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die je gebroken hebt. Leg ze in de ark.”** Brontekst: וְאֶכְתֹּב֙ (veekhtov) = en Ik zal schrijven | עַל (al) = op | הַלֻּחֹ֔ת (haluchot) = de tafelen | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָי֛וּ (hayu) = waren | עַל (al) = op | הַלֻּחֹ֥ת (haluchot) = de tafelen | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שִׁבַּ֑רְתָּ (shibarta) = je brak | וְשַׂמְתָּ֖ם (vesamtam) = en je zult ze leggen | בָּאָרֽוֹן (baaron) = in de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:16–22; Deut 4:13; Deut 10:5; 1 Kon 8:9; Heb 9:4 **10:3** Ik maakte een ark van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste. Ik ging de berg op met de twee tafelen in mijn hand. Brontekst: וָאַ֤עַשׂ (vaaas) = en ik maakte | אֲרוֹן֙ (aron) = ark van | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | שִׁטִּ֔ים (shitim) = acacia | וָאֶפְסֹ֛ל (vaefsol) = en ik hieuw uit | שְׁנֵי (shenei) = twee | לֻחֹ֥ת (luchot) = tafelen van | אֲבָנִ֖ים (avanim) = stenen | כָּרִאשֹׁנִ֑ים (karishonim) = zoals de eerste | וָאַ֣עַל (vaaal) = en ik ging op | הָהָ֔רָה (hahara) = naar de berg | וּשְׁנֵ֥י (ushenei) = en de twee | הַלֻּחֹ֖ת (haluchot) = tafelen | בְּיָדִֽי (beyadi) = in mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:5; Ex 25:10; Ex 34:4; Ex 37:1–9; Deut 10:1 **10:4** Hij schreef op de tafelen, zoals de eerste keer geschreven was, de Tien Woorden. Yahweh had ze op de berg uit het vuur tot jullie gesproken, op de dag van de vergadering. En Yahweh gaf ze aan mij. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֨ב (vayikhtov) = en Hij schreef | עַֽל (al) = op | הַלֻּחֹ֜ת (haluchot) = de tafelen | כַּמִּכְתָּ֣ב (kamikhtav) = zoals het schrift van | הָרִאשׁ֗וֹן (harishon) = de eerste | אֵ֚ת (et) = (obj.) | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = de Tien | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | דִּבֶּר֩ (diber) = sprak | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיכֶ֥ם (aleikhem) = tot jullie | בָּהָ֛ר (bahar) = op de berg | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַקָּהָ֑ל (haqahal) = de vergadering | וַיִּתְּנֵ֥ם (vayitenem) = en Hij gaf ze | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָֽי (elay) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים (aseret hadevarim), ‘de Tien Woorden’: zie Exod. 34:28 en Deut. 9:10. Zie ook: Ex 34:28; Deut 4:11–15; Deut 9:10; Deut 18:16; Heb 12:18–19 **10:5** Ik keerde mij om en daalde van de berg af. Ik legde de tafelen in de ark die ik gemaakt had, en daar bleven zij, zoals Yahweh mij geboden had. Brontekst: וָאֵ֗פֶן (vaefen) = en ik keerde mij om | וָֽאֵרֵד֙ (vaered) = en ik daalde af | מִן (min) = van | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וָֽאָשִׂם֙ (vaasim) = en ik legde | אֶת (et) = (obj.) | הַלֻּחֹ֔ת (haluchot) = de tafelen | בָּאָר֖וֹן (baaron) = in de ark | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשִׂ֑יתִי (asiti) = ik had gemaakt | וַיִּ֣הְיוּ (vayihyu) = en zij waren | שָׁ֔ם (sham) = daar | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוַּ֖נִי (tsivani) = Hij had geboden mij | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:16; Ex 32:15; Ex 34:29; Ex 40:20; Deut 10:2 ### Aärons dood en de reis **10:6** De zonen van Israël trokken van Beërot-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar stierf Aäron en daar werd hij begraven. Zijn zoon Eleazar werd priester in zijn plaats. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | נָֽסְע֛וּ (naseu) = trokken | מִבְּאֵרֹ֥ת (mibeerot) = van Beërot | בְּנֵי (benei) = Bene | יַעֲקָ֖ן (yaaqan) = Jaäkan | מוֹסֵרָ֑ה (mosera) = naar Mosera | שָׁ֣ם (sham) = daar | מֵ֤ת (met) = stierf | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וַיִּקָּבֵ֣ר (vayiqaver) = en werd begraven | שָׁ֔ם (sham) = daar | וַיְכַהֵ֛ן (vaykhahen) = en diende als priester | אֶלְעָזָ֥ר (elazar) = Eleazar | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beërot-Bene-Jaäkan, Mosera, Gudgoda en Jotbata zijn halteplaatsen van de tocht door de woestijn, ten zuiden en zuidoosten van het land (Num. 33:30–34). De precieze ligging is onbekend. Voetnoot Uitleg: Aäron stierf volgens Num. 20:22–29 en 33:38 op de berg Hor. Hier staat Mosera als plaats waar hij stierf; wij laten beide staan en maken geen keuze. Zie ook: Num 10:6; Num 20:22–29; Num 20:23–28; Num 33:1–2; Num 33:30–33; Num 33:38 **10:7** Vandaar trokken zij naar Gudgoda en van Gudgoda naar Jotbata, een land met beken vol water. Brontekst: מִשָּׁ֥ם (misham) = vandaar | נָסְע֖וּ (naseu) = trokken zij | הַגֻּדְגֹּ֑דָה (hagudgoda) = naar Gudgoda | וּמִן (umin) = en van | הַגֻּדְגֹּ֣דָה (hagudgoda) = Gudgoda | יָטְבָ֔תָה (yatevata) = naar Jotbata | אֶ֖רֶץ (erets) = een land van | נַ֥חֲלֵי (nachalei) = beken van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 33:32–34 ### Levi wordt afgezonderd **10:8** In die tijd zonderde Yahweh de stam Levi af om de ark van het verbond van Yahweh te dragen. En om voor het aangezicht van Yahweh te staan, Hem te dienen en in Zijn naam te zegenen, tot op deze dag. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in die | הַהִ֗וא (hahi) = tijd | הִבְדִּ֤יל (hivdil) = zonderde af | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam van | הַלֵּוִ֔י (halevi) = Levi | לָשֵׂ֖את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲמֹד֩ (laamod) = om te staan | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לְשָֽׁרְתוֹ֙ (leshareto) = om Hem te dienen | וּלְבָרֵ֣ךְ (ulevarekh) = en om te zegenen | בִּשְׁמ֔וֹ (bishmo) = in Zijn naam | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: de Levieten dragen de ark (Num. 3:31; 4:15). Zie ook: Num 3:6; Num 3:31; Num 4:15; Num 6:23–26; Deut 18:5; Deut 21:5 **10:9** Daarom heeft Levi geen deel of erfdeel met zijn broers. Yahweh is zijn erfdeel, zoals Yahweh, je Elohim, tegen hem gesproken heeft. Brontekst: עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֧ה (haya) = is geweest | לְלֵוִ֛י (lelevi) = voor Levi | חֵ֥לֶק (cheleq) = deel | וְנַחֲלָ֖ה (venachala) = en erfdeel | עִם (im) = met | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = Hij | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֛ר (diber) = Hij sprak | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֽוֹ (lo) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh zelf is het erfdeel van Levi (Num. 18:20). Zie ook: Num 18:20–24; Num 26:62; Deut 18:1–2; Joz 14:3; Ezech 44:28 ### Yahweh luistert naar Mozes **10:10** Ik zelf bleef op de berg, zoals de eerste keer, 40 dagen en 40 nachten. Ook die keer luisterde Yahweh naar mij: Yahweh wilde je niet verderven. Brontekst: וְאָנֹכִ֞י (veanokhi) = en ik | עָמַ֣דְתִּי (amadti) = ik stond | בָהָ֗ר (bahar) = op de berg | כַּיָּמִים֙ (kayamim) = zoals de dagen | הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים (harishonim) = de eerste | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = 40 | י֔וֹם (yom) = dagen | וְאַרְבָּעִ֖ים (vearbaim) = en 40 | לָ֑יְלָה (layela) = nachten | וַיִּשְׁמַ֨ע (vayishma) = en luisterde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = naar mij | גַּ֚ם (gam) = ook | בַּפַּ֣עַם (bapaam) = die keer | הַהִ֔וא (hahi) = die | לֹא (lo) = niet | אָבָ֥ה (ava) = wilde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַשְׁחִיתֶֽךָ (hashchitekha) = je te verderven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:33–34; Ex 33:17; Ex 34:28; Deut 9:18–19; Deut 9:25 **10:11** Yahweh zei tot mij: **„Sta op, ga voor het volk uit op reis. Dan zullen zij het land binnengaan en in bezit nemen dat Ik hun vaders gezworen heb hun te geven.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | ק֛וּם (qum) = sta op | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | לְמַסַּ֖ע (lemasa) = op reis | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְיָבֹ֨אוּ֙ (veyavou) = en zij zullen binnengaan | וְיִֽרְשׁ֣וּ (veyirshu) = en zij zullen in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֥עְתִּי (nishbati) = Ik zwoer | לַאֲבֹתָ֖ם (laavotam) = aan hun vaders | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:34; Ex 33:1 ### Wat Yahweh van je vraagt **10:12** En nu, Israël, wat vraagt Yahweh, je Elohim, van je? Alleen dat je ontzag hebt voor Yahweh, je Elohim, op al Zijn wegen gaat en Hem liefhebt. En dat je Yahweh, je Elohim, dient met heel je hart en heel je ziel, Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מָ֚ה (ma) = wat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | שֹׁאֵ֖ל (shoel) = vraagt | מֵעִמָּ֑ךְ (meimakh) = van jou | כִּ֣י (ki) = tenzij | אִם (im) = ontzag hebben voor | לְ֠יִרְאָה (leyira) = (obj.) | אֶת (et) = Yahweh | יְהוָ֨ה (Yahweh) = je Elohim | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = om te gaan | לָלֶ֤כֶת (lalekhet) = op al | בְּכָל (bekhal) = Zijn wegen | דְּרָכָיו֙ (derakhav) = en Hem lief te hebben | וּלְאַהֲבָ֣ה (uleahava) = (obj.) | אֹת֔וֹ (oto) = Hem | וְלַֽעֲבֹד֙ (velaavod) = en te dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרֵא (yare), ‘ontzag hebben voor’: eerbied voor Yahweh. Het is hetzelfde woord als ‘bang zijn’ in Deut. 7:18; hier gaat het om eerbied. Zie ook: Deut 5:33; Deut 6:5; Deut 7:18; Deut 11:13; Mi 6:8; Luc 10:27 **10:13** door de geboden van Yahweh en Zijn voorschriften te bewaren, die ik je vandaag gebied, tot je eigen bestwil. Brontekst: לִשְׁמֹ֞ר (lishmor) = om te bewaren | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺ֤ת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֻקֹּתָ֔יו (chuqotav) = Zijn voorschriften | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = je gebied | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | לְט֖וֹב (letov) = tot het goede | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:24; Spr 9:12; Jer 32:39; Jak 1:25 **10:14** Zie, van Yahweh, je Elohim, zijn de hemel en de hemel van de hemelen, de aarde en alles wat erin is. Brontekst: הֵ֚ן (hen) = zie | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = van Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּשְׁמֵ֣י (ushemei) = en de hemel van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemelen | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּֽהּ (bah) = daarin is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמֵי הַשָּׁמָיִם (shemei hashamayim), ‘de hemel van de hemelen’: de hoogste hemel. Zie ook: Ex 19:5; Ps 24:1; Ps 115:16; 1 Kon 8:27; Neh 9:6 **10:15** Alleen aan je vaders heeft Yahweh Zich gehecht door hen lief te hebben. En hun nageslacht na hen, jullie, heeft Hij gekozen uit alle volken, zoals het vandaag is. Brontekst: רַ֧ק (raq) = alleen | בַּאֲבֹתֶ֛יךָ (baavoteikha) = aan je vaders | חָשַׁ֥ק (chashaq) = hechtte Zich | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְאַהֲבָ֣ה (leahava) = om lief te hebben | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וַיִּבְחַ֞ר (vayivchar) = en Hij koos | בְּזַרְעָ֣ם (bezaram) = hun nageslacht | אַחֲרֵיהֶ֗ם (achareihem) = na hen | בָּכֶ֛ם (bakhem) = jullie | מִכָּל (mikal) = uit alle | הָעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals op de dag | הַזֶּה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:8; Deut 4:37; Deut 7:7–8; Rom 9:13–23 **10:16** Besnijd de voorhuid van jullie hart en wees niet langer halsstarrig. Brontekst: וּמַלְתֶּ֕ם (umaltem) = en jullie zullen besnijden | אֵ֖ת (et) = (obj.) | עָרְלַ֣ת (arelat) = de voorhuid van | לְבַבְכֶ֑ם (levavkhem) = jullie hart | וְעָ֨רְפְּכֶ֔ם (vearpekhem) = en jullie nek | לֹ֥א (lo) = niet | תַקְשׁ֖וּ (taqshu) = jullie zullen hard maken | עֽוֹד (od) = nog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De voorhuid van het hart besnijden’ is een beeld: het hart moet open en gehoorzaam worden. Hetzelfde beeld staat in Lev. 26:41. ‘Halsstarrig’ is letterlijk ‘maak jullie nek niet langer hard’ (Deut. 9:6). Zie ook: Lev 26:41; Deut 9:6; Deut 30:6; Jer 4:4; Rom 2:28–29; Kol 2:11 **10:17** Want Yahweh, jullie Elohim, is de Elohim van de goden en de Heer van de heren. Hij is de grote, sterke en ontzagwekkende El, die niemand voortrekt en geen steekpenning aanneemt. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | ה֚וּא (hu) = Hij | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de goden | וַאֲדֹנֵ֖י (vaadonei) = en Heer van | הָאֲדֹנִ֑ים (haadonim) = de heren | הָאֵ֨ל (hael) = de El | הַגָּדֹ֤ל (hagadol) = de grote | הַגִּבֹּר֙ (hagibor) = de sterke | וְהַנּוֹרָ֔א (vehanora) = en de ontzagwekkende | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יִשָּׂ֣א (yisa) = opheft | פָנִ֔ים (panim) = het gezicht | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִקַּ֖ח (yiqach) = neemt | שֹֽׁחַד (shochad) = steekpenning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Elohim van de goden’ betekent: de hoogste boven alles wat men god noemt. Voetnoot : נָשָׂא פָנִים (nasa panim) is letterlijk ‘het gezicht opheffen’: iemand voortrekken. Wij schrijven ‘niemand voortrekken’. Zie ook: Job 34:19; Dan 2:47; Hand 10:34; Gal 2:6; Rom 2:11 **10:18** Hij schaft recht voor de wees en de weduwe en heeft de vreemdeling lief, door hem brood en kleding te geven. Brontekst: עֹשֶׂ֛ה (ose) = die doet | מִשְׁפַּ֥ט (mishpat) = recht voor | יָת֖וֹם (yatom) = wees | וְאַלְמָנָ֑ה (vealmana) = en weduwe | וְאֹהֵ֣ב (veohev) = en liefheeft | גֵּ֔ר (ger) = de vreemdeling | לָ֥תֶת (latet) = door te geven | ל֖וֹ (lo) = hem | לֶ֥חֶם (lechem) = brood | וְשִׂמְלָֽה (vesimla) = en kleding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּר (ger), ‘vreemdeling’: iemand die als gast onder het volk woont. Zie Exod. 22:20 en 23:9. Zie ook: Ex 22:20; Ex 23:9; Ps 68:6; Ps 145:9; Ps 146:9; Jes 1:17; Jer 49:11 **10:19** Heb dus de vreemdeling lief, want jullie zijn vreemdelingen geweest in het land Egypte. Brontekst: וַאֲהַבְתֶּ֖ם (vaahavtem) = en jullie zullen liefhebben | אֶת (et) = (obj.) | הַגֵּ֑ר (hager) = de vreemdeling | כִּֽי (ki) = want | גֵרִ֥ים (gerim) = vreemdelingen | הֱיִיתֶ֖ם (heyitem) = jullie waren | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 22:20; Lev 19:33–34; Luc 17:18; Jak 2:15–16; Gal 6:10 **10:20** Voor Yahweh, je Elohim, moet je ontzag hebben. Hem moet je dienen, aan Hem moet je vasthouden en bij Zijn naam moet je zweren. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | תִּירָ֖א (tira) = je zult ontzag hebben voor | אֹת֣וֹ (oto) = Hem | תַעֲבֹ֑ד (taavod) = je zult dienen | וּב֣וֹ (uvo) = en aan Hem | תִדְבָּ֔ק (tidbaq) = je zult vasthouden | וּבִשְׁמ֖וֹ (uvishmo) = en bij Zijn naam | תִּשָּׁבֵֽעַ (tishavea) = je zult zweren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:13; Deut 11:22; Deut 13:5; Mat 4:10; Luc 4:8 **10:21** Hij is je lofzang en Hij is je Elohim, die voor jou deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft die je ogen gezien hebben. Brontekst: ה֥וּא (hu) = Hij | תְהִלָּתְךָ֖ (tehilatekha) = je lofzang | וְה֣וּא (vehu) = en Hij | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֣ה (asa) = deed | אִתְּךָ֗ (itekha) = met jou | אֶת (et) = (obj.) | הַגְּדֹלֹ֤ת (hagedolot) = de grote dingen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנּֽוֹרָאֹת֙ (hanoraot) = de ontzagwekkende dingen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | רָא֖וּ (rau) = zagen | עֵינֶֽיךָ (eineikha) = je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּהִלָּה (tehillah), ‘lofzang’: Yahweh is degene die Israël prijst en over wie het zingt. Zie ook: Ex 15:2; Deut 4:32–35; Ps 22:4; Jer 17:14; Openb 21:23 **10:22** Met 70 personen zijn je vaders naar Egypte afgedaald, en nu heeft Yahweh, je Elohim, je zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. Brontekst: בְּשִׁבְעִ֣ים (beshivim) = met zeventig | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = personen | יָרְד֥וּ (yaredu) = daalden af | אֲבֹתֶ֖יךָ (avoteikha) = je vaders | מִצְרָ֑יְמָהּ (mitsrayemah) = naar Egypte | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שָֽׂמְךָ֙ (samekha) = heeft jou gesteld | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | כְּכוֹכְבֵ֥י (kekhokhevei) = als de sterren van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Zeventig personen: Gen. 46:27 en Exod. 1:5. Zie ook: Gen 15:5; Gen 46:27; Ex 1:5; Deut 1:10; Deut 28:62 ## Deuteronomium 11 _Zegen en vloek: het land van de regen en de keuze voor Israël_ ### Denk aan de daden van Yahweh **11:1** Heb Yahweh, je Elohim, lief en bewaar altijd Zijn opdracht, Zijn voorschriften, Zijn rechtsregels en Zijn geboden. Brontekst: וְאָ֣הַבְתָּ֔ (veahavta) = en je zult liefhebben | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְשָׁמַרְתָּ֣ (veshamarta) = en je zult bewaren | מִשְׁמַרְתּ֗וֹ (mishmarto) = Zijn opdracht | וְחֻקֹּתָ֧יו (vechuqotav) = en Zijn voorschriften | וּמִשְׁפָּטָ֛יו (umishpatav) = en Zijn rechtsregels | וּמִצְוֺתָ֖יו (umitsvotav) = en Zijn geboden | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘opdracht’: wat Israël te bewaren heeft, de dienst en het gebod van Yahweh. Zie ook: Deut 4:40; Deut 6:5; Deut 10:12; Deut 30:16–20; Luc 1:74–75 **11:2** Besef vandaag, want het gaat niet om jullie zonen, die het niet gekend en niet gezien hebben. De tucht van Yahweh, jullie Elohim, Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm, Brontekst: וִֽידַעְתֶּם֮ (vidatem) = en jullie zullen weten | הַיּוֹם֒ (hayom) = vandaag | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיכֶ֗ם (beneikhem) = jullie zonen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדְעוּ֙ (yadeu) = kenden | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | לֹא (lo) = niet | רָא֔וּ (rau) = zagen | אֶת (et) = (obj.) | מוּסַ֖ר (musar) = de tucht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֶת (et) = (obj.) | גָּדְל֕וֹ (gadelo) = Zijn grootheid | אֶת (et) = (obj.) | יָדוֹ֙ (yado) = Zijn hand | הַחֲזָקָ֔ה (hachazaqa) = de sterke | וּזְרֹע֖וֹ (uzeroo) = en Zijn arm | הַנְּטוּיָֽה (hanetuya) = de uitgestrekte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is hier kort: ‘en jullie zullen vandaag weten dat niet jullie zonen, die niet kenden en niet zagen, de tucht van Yahweh …’. Het werkwoord bij ‘de tucht’ ontbreekt. Wij lezen: het gaat om wat de ouderen zelf gezien hebben, en niet om hun zonen. Vers 7 bevestigt dat. Voetnoot : מוּסָר (musar), ‘tucht’: de opvoeding door Yahweh, vergelijk Deut. 8:5. Zie ook: Deut 4:34; Deut 5:24; Deut 8:2–5; Deut 8:5; Deut 11:7; Deut 29:9; Hand 26:22 **11:3** Zijn tekenen en Zijn daden die Hij midden in Egypte gedaan heeft aan de farao, de koning van Egypte, en aan heel zijn land, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹֽתֹתָיו֙ (ototav) = Zijn tekenen | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | מַעֲשָׂ֔יו (maasav) = Zijn daden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֖ה (asa) = Hij deed | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לְפַרְעֹ֥ה (lefaro) = aan de farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וּלְכָל (ulekhal) = en aan heel | אַרְצֽוֹ (artso) = zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 4:34; Deut 7:19; Ps 78:12–13; Ps 135:9; Jer 32:20–21 **11:4** en wat Hij gedaan heeft aan het leger van Egypte, aan zijn paarden en zijn strijdwagens. Hij liet het water van de Rietzee over hen heen stromen toen zij jullie achtervolgden. En Yahweh heeft hen laten omkomen tot op deze dag, Brontekst: וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en wat | עָשָׂה֩ (asa) = Hij deed | לְחֵ֨יל (lecheil) = aan het leger van | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | לְסוּסָ֣יו (lesusav) = aan zijn paarden | וּלְרִכְבּ֗וֹ (ulerikhbo) = en aan zijn strijdwagens | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הֵצִ֜יף (hetsif) = Hij liet overstromen | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֤י (mei) = het water van | יַם (yam) = de zee van | סוּף֙ (suf) = Suf | עַל (al) = over | פְּנֵיהֶ֔ם (peneihem) = hun gezicht | בְּרָדְפָ֖ם (beradefam) = toen zij achtervolgden | אַחֲרֵיכֶ֑ם (achareikhem) = jullie | וַיְאַבְּדֵ֣ם (vayabedem) = en liet hen omkomen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De Rietzee: zie Exod. 14:26–28 en 15:4. Het Hebreeuws is ‘zee van Suf’ (יַם־סוּף, yam suf). Zie ook: Ex 14:23–31; Ex 14:26–28; Ex 15:4; Ex 15:9–10; Ex 15:19; Ps 106:11 **11:5** en wat Hij voor jullie gedaan heeft in de woestijn, totdat jullie op deze plaats kwamen, Brontekst: וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | עָשָׂ֛ה (asa) = Hij deed | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | עַד (ad) = totdat | בֹּאֲכֶ֖ם (boakhem) = jullie kwamen | עַד (ad) = tot | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 77:21; Ps 78:14–72; Ps 105:39–41; Ps 106:12–48 **11:6** en wat Hij gedaan heeft aan Datan en Abiram, de zonen van Eliab, de zoon van Ruben. De aarde opende haar mond en verslond hen, met hun huizen, hun tenten en alles wat bij hen bestond, te midden van heel Israël. Brontekst: וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en wat | עָשָׂ֜ה (asa) = Hij deed | לְדָתָ֣ן (ledatan) = aan Datan | וְלַאֲבִירָ֗ם (velaaviram) = en aan Abiram | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אֱלִיאָב֮ (eliav) = Eliab | בֶּן (ben) = zoon van | רְאוּבֵן֒ (reuven) = Ruben | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | פָּצְתָ֤ה (patseta) = opende | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֔יהָ (piha) = haar mond | וַתִּבְלָעֵ֥ם (vativlaem) = en verslond hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּתֵּיהֶ֖ם (bateihem) = hun huizen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אָהֳלֵיהֶ֑ם (aholeihem) = hun tenten | וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | הַיְקוּם֙ (hayqum) = wat bestond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּרַגְלֵיהֶ֔ם (beragleihem) = aan hun voeten | בְּקֶ֖רֶב (beqerev) = te midden van | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Datan en Abiram kwamen in opstand tegen Mozes, samen met Korach (Num. 16:1–33). Voetnoot : יְקוּם (yequm), ‘wat bestond’: alles wat leefde en bij hen hoorde. Zie ook: Num 16:1–35; Num 26:9–10; Num 27:3; Ps 106:17 **11:7** Want het waren jullie ogen die al het grote werk van Yahweh gezien hebben dat Hij gedaan heeft. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עֵֽינֵיכֶם֙ (eineikhem) = jullie ogen | הָֽרֹאֹ֔ת (haroot) = die zagen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = het werk van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַגָּדֹ֑ל (hagadol) = het grote | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עָשָֽׂה (asa) = Hij deed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:3; Deut 7:19; Ps 145:4–6; Ps 145:12; Ps 150:2 ### Het land dat Yahweh verzorgt **11:8** Bewaar het hele gebod dat ik jullie vandaag gebied. Zo worden jullie sterk, gaan jullie het land binnen en nemen jullie het in bezit. Daar trekken jullie heen om het in bezit te nemen, Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּם֙ (ushemartem) = en jullie zullen bewaren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֔ה (hamitsva) = het gebod | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = je gebied | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תֶּחֶזְק֗וּ (techezqu) = jullie sterk worden | וּבָאתֶם֙ (uvatem) = en jullie zullen binnengaan | וִֽירִשְׁתֶּ֣ם (virishtem) = en jullie zullen in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarheen | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֥ים (overim) = oversteken | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:6–7; 2 Kor 12:9–10; Ef 3:16; Ef 6:10; Fil 4:13 **11:9** en zodat jullie lang leven op de grond die Yahweh aan jullie vaders gezworen heeft hun en hun nageslacht te geven. Een land dat overvloeit van melk en honing. Brontekst: וּלְמַ֨עַן (ulemaan) = en opdat | תַּאֲרִ֤יכוּ (taarikhu) = jullie lang leven | יָמִים֙ (yamim) = dagen | עַל (al) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | נִשְׁבַּ֨ע (nishba) = Hij zwoer | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֵיכֶ֛ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | וּלְזַרְעָ֑ם (ulezaram) = en aan hun nageslacht | אֶ֛רֶץ (erets) = land dat | זָבַ֥ת (zavat) = overvloeit van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Deut 4:40; Deut 5:16; Deut 6:2; Ezech 20:6 **11:10** Want het land waar jullie naartoe gaan om het in bezit te nemen, is niet zoals het land Egypte, waaruit jullie vertrokken zijn. Daar zaaiden jullie je zaad en gaven jullie het met de voet water, als een groentetuin. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | אַתָּ֤ה (ata) = jij | בָא (ba) = binnengaat | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּ֔הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | לֹ֣א (lo) = niet | כְאֶ֤רֶץ (keerets) = zoals het land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | הִ֔וא (hi) = het is | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waaruit | יְצָאתֶ֖ם (yetsatem) = jullie vertrokken | מִשָּׁ֑ם (misham) = vandaar | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | תִּזְרַע֙ (tizra) = je zaaide | אֶֽת (et) = (obj.) | זַרְעֲךָ֔ (zarakha) = je zaad | וְהִשְׁקִ֥יתָ (vehishqita) = en bewaterde | בְרַגְלְךָ֖ (beraglekha) = met je voet | כְּגַ֥ן (kegan) = als een tuin van | הַיָּרָֽק (hayaraq) = de groenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Zach 14:18 **11:11** Maar het land waar jullie heen trekken om het in bezit te nemen, is een land van bergen en dalen. Het drinkt water uit de regen van de hemel. Brontekst: וְהָאָ֗רֶץ (vehaarets) = en het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֥ים (overim) = oversteken | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּ֔הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | אֶ֥רֶץ (erets) = een land van | הָרִ֖ים (harim) = bergen | וּבְקָעֹ֑ת (uveqaot) = en dalen | לִמְטַ֥ר (limtar) = van de regen van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | תִּשְׁתֶּה (tishte) = het drinkt | מָּֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:28; Deut 8:7–9; Ps 65:13–14; Ps 104:10–13; Heb 6:7 **11:12** Het is een land waar Yahweh, jullie Elohim, voor zorgt. De ogen van Yahweh, jullie Elohim, rusten er altijd op, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. Brontekst: אֶ֕רֶץ (erets) = een land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | דֹּרֵ֣שׁ (doresh) = zorgt voor | אֹתָ֑הּ (otah) = het | תָּמִ֗יד (tamid) = altijd | עֵינֵ֨י (einei) = de ogen van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | בָּ֔הּ (bah) = erop | מֵֽרֵשִׁית֙ (mereshit) = vanaf het begin van | הַשָּׁנָ֔ה (hashana) = het jaar | וְעַ֖ד (vead) = en tot | אַחֲרִ֥ית (acharit) = het einde van | שָׁנָֽה (shana) = het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּרֵשׁ (doresh), ‘zorgen voor’: letterlijk ‘zoeken’, ‘ernaar vragen’. Yahweh let het hele jaar op het land. Anders dan in Egypte hangt Israël af van de regen. Zie ook: Ps 33:18; Ps 34:16; 1 Kon 9:3; Jer 24:6; Ezra 5:5 ### Regen voor wie luistert **11:13** Als jullie goed luisteren naar mijn geboden die ik jullie vandaag gebied. Doe dat om Yahweh, jullie Elohim, lief te hebben en Hem te dienen met heel jullie hart en heel jullie ziel. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | שָׁמֹ֤עַ (shamoa) = goed | תִּשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = jullie zullen luisteren | אֶל (el) = naar | מִצְוֺתַ֔י (mitsvotay) = mijn geboden | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | לְאַהֲבָ֞ה (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | וּלְעָבְד֔וֹ (uleavedo) = en om Hem te dienen | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶ֖ם (levavkhem) = jullie hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשְׁכֶֽם (nafshekhem) = jullie ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:29; Deut 6:5–6; Deut 6:17; Deut 10:12; Deut 11:8 **11:14** Dan geef Ik de regen voor jullie land op zijn tijd, de vroege en de late regen. En jullie zullen jullie graan, jullie most en jullie olie binnenhalen. Brontekst: וְנָתַתִּ֧י (venatati) = en Ik zal geven | מְטַֽר (metar) = regen van | אַרְצְכֶ֛ם (artsekhem) = jullie land | בְּעִתּ֖וֹ (beito) = op zijn tijd | יוֹרֶ֣ה (yore) = de vroege regen | וּמַלְק֑וֹשׁ (umalqosh) = en de late regen | וְאָסַפְתָּ֣ (veasafta) = en je zult binnenhalen | דְגָנֶ֔ךָ (deganekha) = je graan | וְתִֽירֹשְׁךָ֖ (vetiroshekha) = en je most | וְיִצְהָרֶֽךָ (veyitsharekha) = en je olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de Masoretische tekst spreekt Yahweh hier in de ik-vorm midden in de woorden van Mozes. Wij volgen dat en schrijven ‘Ik’ met hoofdletter. Vers 14–15 laten wij zwart, omdat Mozes spreekt en geen aanhef zegt dat Yahweh het zegt. Voetnoot : יוֹרֶה (yoreh), ‘vroege regen’, in het najaar, en מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘late regen’, in het voorjaar. Zie ook: Lev 26:4; Deut 28:12; Joël 2:22–23; Ezech 34:26; Jak 5:7 **11:15** Ik geef gras in jullie veld voor jullie vee, en jullie zullen eten en verzadigd worden. Brontekst: וְנָתַתִּ֛י (venatati) = en Ik zal geven | עֵ֥שֶׂב (esev) = gras | בְּשָׂדְךָ֖ (besadekha) = in je veld | לִבְהֶמְתֶּ֑ךָ (livhemtekha) = voor je vee | וְאָכַלְתָּ֖ (veakhalta) = en je zult eten | וְשָׂבָֽעְתָּ (vesavata) = en je zult verzadigd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:11; Ps 104:14; Joël 2:19; Joël 2:22; Mal 3:10–11 **11:16** Pas op dat jullie hart niet wordt verleid en jullie afwijken, andere goden dienen en je voor hen neerbuigen. Brontekst: הִשָּֽׁמְר֣וּ (hishameru) = pas op | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | פֶּ֥ן (pen) = anders | יִפְתֶּ֖ה (yifte) = wordt verleid | לְבַבְכֶ֑ם (levavkhem) = jullie hart | וְסַרְתֶּ֗ם (vesartem) = en jullie wijken af | וַעֲבַדְתֶּם֙ (vaavadtem) = en jullie dienen | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶ֖ם (vehishtachavitem) = en jullie buigen jullie neer | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:27; Deut 29:17; Jak 1:26; Heb 2:1; Heb 3:12 **11:17** Dan ontbrandt de toorn van Yahweh tegen jullie. Hij sluit de hemel af, zodat er geen regen komt en de grond haar opbrengst niet geeft. Dan zullen jullie snel omkomen uit het goede land dat Yahweh jullie geeft. Brontekst: וְחָרָ֨ה (vechara) = en zal ontbranden | אַף (af) = de toorn van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶ֗ם (bakhem) = tegen jullie | וְעָצַ֤ר (veatsar) = en Hij sluit af | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = er zal zijn | מָטָ֔ר (matar) = regen | וְהָ֣אֲדָמָ֔ה (vehaadama) = en de grond | לֹ֥א (lo) = niet | תִתֵּ֖ן (titen) = zal geven | אֶת (et) = (obj.) | יְבוּלָ֑הּ (yevulah) = haar opbrengst | וַאֲבַדְתֶּ֣ם (vaavadtem) = en jullie zullen omkomen | מְהֵרָ֗ה (mehera) = snel | מֵעַל֙ (meal) = van op | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַטֹּבָ֔ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:15; 1 Kon 8:35; 1 Kon 17:1; 2 Kron 6:26; Amos 4:7 ### De woorden in hart en huis **11:18** Leg deze woorden van mij in jullie hart en in jullie ziel. Bind ze als teken op jullie hand en laat ze een voorhoofdsband tussen jullie ogen zijn. Brontekst: וְשַׂמְתֶּם֙ (vesamtem) = en jullie zullen leggen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרַ֣י (devaray) = woorden van mij | אֵ֔לֶּה (ele) = deze | עַל (al) = op | לְבַבְכֶ֖ם (levavkhem) = jullie hart | וְעַֽל (veal) = en op | נַפְשְׁכֶ֑ם (nafshekhem) = jullie ziel | וּקְשַׁרְתֶּ֨ם (uqeshartem) = en jullie zullen binden | אֹתָ֤ם (otam) = ze | לְאוֹת֙ (leot) = tot een teken | עַל (al) = op | יֶדְכֶ֔ם (yedkhem) = jullie hand | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לְטוֹטָפֹ֖ת (letotafot) = tot een voorhoofdsband | בֵּ֥ין (bein) = tussen | עֵינֵיכֶֽם (eineikhem) = jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 6:6–9 en Exod. 13:9, 16. Later is dit letterlijk opgevat in de gebedsriemen (tefillin). Zie ook: Ex 13:9; Deut 6:6–9; Ps 119:11; Spr 3:1; Kol 3:16; 2 Petr 3:1–2 **11:19** Leer ze aan jullie zonen, door erover te spreken wanneer jullie thuis zitten, wanneer jullie onderweg zijn, wanneer jullie gaan liggen en wanneer jullie opstaan. Brontekst: וְלִמַּדְתֶּ֥ם (velimadtem) = en jullie zullen onderwijzen | אֹתָ֛ם (otam) = ze | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיכֶ֖ם (beneikhem) = jullie zonen | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = door te spreken | בָּ֑ם (bam) = erover | בְּשִׁבְתְּךָ֤ (beshivtekha) = als je zit | בְּבֵיתֶ֨ךָ֙ (beveitekha) = in je huis | וּבְלֶכְתְּךָ֣ (uvelekhtekha) = en als je gaat | בַדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = op de weg | וּֽבְשָׁכְבְּךָ֖ (uveshakhbekha) = en als je gaat liggen | וּבְקוּמֶֽךָ (uvequmekha) = en als je opstaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden zijn voor het gezin: thuis en onderweg, ’s avonds en ’s morgens. Zie Deut. 6:7. Zie ook: Deut 4:9–10; Deut 6:7; Ps 34:12; Spr 2:1; Jes 38:19 **11:20** Schrijf ze op de deurposten van jullie huis en op jullie poorten, Brontekst: וּכְתַבְתָּ֛ם (ukhetavtam) = en jullie zullen schrijven | עַל (al) = op | מְזוּז֥וֹת (mezuzot) = de deurposten van | בֵּיתֶ֖ךָ (beitekha) = je huis | וּבִשְׁעָרֶֽיךָ (uvishareikha) = en op je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:9 **11:21** zodat jullie dagen en de dagen van jullie zonen talrijk worden op de grond die Yahweh aan jullie vaders gezworen heeft hun te geven. Zolang de hemel boven de aarde is. Brontekst: לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | יִרְבּ֤וּ (yirbu) = talrijk worden | יְמֵיכֶם֙ (yemeikhem) = jullie dagen | וִימֵ֣י (vimei) = en de dagen van | בְנֵיכֶ֔ם (beneikhem) = jullie zonen | עַ֚ל (al) = op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נִשְׁבַּ֧ע (nishba) = Hij zwoer | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֵיכֶ֖ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | כִּימֵ֥י (kimei) = als de dagen van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:40; Ps 72:5; Spr 3:2; Spr 4:10; Spr 9:11 ### Het land wordt jullie gebied **11:22** Want als jullie dit hele gebod dat ik jullie gebied zorgvuldig bewaren om het te doen. Als jullie Yahweh, jullie Elohim, liefhebben, op al Zijn wegen gaan en aan Hem vasthouden, Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | אִם (im) = als | שָׁמֹ֨ר (shamor) = zorgvuldig | תִּשְׁמְר֜וּן (tishmerun) = jullie zullen bewaren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֣ה (hamitsva) = het gebod | הַזֹּ֗את (hazot) = dit | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | לַעֲשֹׂתָ֑הּ (laasotah) = om het te doen | לְאַהֲבָ֞ה (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֛ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = om te gaan | בְּכָל (bekhal) = op al | דְּרָכָ֖יו (derakhav) = Zijn wegen | וּלְדָבְקָה (uledaveqa) = en om aan Hem vast te houden | בֽוֹ (bo) = aan Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:17; Deut 10:20; Deut 11:13; Deut 30:20; 2 Tim 4:8 **11:23** Dan zal Yahweh al deze volken voor jullie uit verdrijven en zullen jullie volken in bezit nemen die groter en sterker zijn dan jullie. Brontekst: וְהוֹרִ֧ישׁ (vehorish) = en Hij zal verdrijven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִלִּפְנֵיכֶ֑ם (milifneikhem) = van voor jullie | וִֽירִשְׁתֶּ֣ם (virishtem) = en jullie zullen in bezit nemen | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | גְּדֹלִ֥ים (gedolim) = groter | וַעֲצֻמִ֖ים (vaatsumim) = en sterker | מִכֶּֽם (mikem) = dan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:27–30; Deut 4:38; Deut 7:1–2; Deut 7:22–23; Deut 9:1 **11:24** Elke plaats waar de zool van jullie voet op treedt, zal van jullie zijn. Van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier de Eufraat, tot aan de westelijke zee zal jullie gebied zijn. Brontekst: כָּל (kal) = elke | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | תִּדְרֹ֧ךְ (tidrokh) = zal treden | כַּֽף (kaf) = de zool van | רַגְלְכֶ֛ם (raglekhem) = jullie voet | בּ֖וֹ (bo) = op | לָכֶ֣ם (lakhem) = voor jullie | יִהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | מִן (min) = van | הַמִּדְבָּ֨ר (hamidbar) = de woestijn | וְהַלְּבָנ֜וֹן (vehalevanon) = en de Libanon | מִן (min) = van | הַנָּהָ֣ר (hanahar) = de rivier | נְהַר (nehar) = de rivier van | פְּרָ֗ת (perat) = de Eufraat | וְעַד֙ (vead) = en tot | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | הָֽאַחֲר֔וֹן (haacharon) = de achterste | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | גְּבֻלְכֶֽם (gevulkhem) = jullie gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ‘rivier de Eufraat’ is de noordoostelijke grens. ‘De achterste zee’ is de Middellandse Zee in het westen; ‘achterste’ betekent ‘westelijke’ omdat men naar het oosten kijkt. De Libanon is het bergland in het noorden (nu Libanon). Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Zie ook: Gen 15:18–21; Ex 23:31; Joz 14:9; 1 Kon 5:1; 2 Kron 9:26 **11:25** Niemand zal tegen jullie standhouden. Yahweh, jullie Elohim, legt de schrik en de angst voor jullie over het hele land waar jullie op treden, zoals Hij tegen jullie gesproken heeft. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִתְיַצֵּ֥ב (yityatsev) = zal standhouden | אִ֖ישׁ (ish) = een man | בִּפְנֵיכֶ֑ם (bifneikhem) = voor jullie | פַּחְדְּכֶ֨ם (pachdekhem) = jullie schrik | וּמֽוֹרַאֲכֶ֜ם (umoraakhem) = en jullie angst | יִתֵּ֣ן (yiten) = zal leggen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | עַל (al) = op | פְּנֵ֤י (penei) = het gezicht van | כָל (kal) = heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | תִּדְרְכוּ (tidrekhu) = jullie zullen treden | בָ֔הּ (bah) = daarop | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij sprak | לָכֶֽם (lakhem) = tot jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:27; Deut 2:25; Deut 7:24; Joz 1:5; Joz 5:1 ### Zegen en vloek **11:26** Zie, ik leg jullie vandaag een zegen en een vloek voor. Brontekst: רְאֵ֗ה (ree) = zie | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | נֹתֵ֥ן (noten) = leg | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | בְּרָכָ֖ה (berakha) = zegen | וּקְלָלָֽה (uqelala) = en vloek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 30:1; Deut 30:15–20; Gal 3:10; Gal 3:13–14 **11:27** De zegen, als jullie luisteren naar de geboden van Yahweh, jullie Elohim, die ik jullie vandaag gebied, Brontekst: אֶֽת (et) = (obj.) | הַבְּרָכָ֑ה (haberakha) = de zegen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = als | תִּשְׁמְע֗וּ (tishmeu) = jullie zullen luisteren | אֶל (el) = naar | מִצְוֺת֙ (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:3–13; Deut 28:1–14; Jes 1:19; Jes 3:10; Luc 11:28 **11:28** en de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van Yahweh, jullie Elohim. En als jullie afwijken van de weg die ik jullie vandaag gebied, om andere goden achterna te gaan die jullie niet gekend hebben. Brontekst: וְהַקְּלָלָ֗ה (vehaqelala) = en de vloek | אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | תִשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = jullie luisteren | אֶל (el) = naar | מִצְוֺת֙ (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְסַרְתֶּ֣ם (vesartem) = en jullie wijken af | מִן (min) = van | הַדֶּ֔רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | לָלֶ֗כֶת (lalekhet) = om te gaan | אַחֲרֵ֛י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדַעְתֶּֽם (yedatem) = jullie kenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:14–32; Deut 28:15–68; Deut 29:18–27; Gal 3:10; Rom 2:8–9 **11:29** Yahweh, jullie Elohim, brengt jullie in het land waar jullie naartoe gaan om het in bezit te nemen. Dan moeten jullie de zegen op de berg Gerizim plaatsen en de vloek op de berg Ebal. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֤י (ki) = wanneer | יְבִֽיאֲךָ֙ (yeviakha) = Hij brengt je | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = waar | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָא (ba) = binnengaat | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּ֑הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = dan zul je leggen | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרָכָה֙ (haberakha) = de zegen | עַל (al) = op | הַ֣ר (har) = de berg | גְּרִזִ֔ים (gerizim) = Gerizim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַקְּלָלָ֖ה (haqelala) = de vloek | עַל (al) = op | הַ֥ר (har) = de berg | עֵיבָֽל (eival) = Ebal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Gerizim en de berg Ebal liggen bij Sichem in het midden van het land (nu bij Nabloes, Westelijke Jordaanoever). Zie Deut. 27:11–13 voor de plechtigheid daar. Zie ook: Deut 27:11–13; Deut 27:12–26; Joz 8:30–35 **11:30** Liggen die bergen niet aan de overkant van de Jordaan, achter de weg naar het westen? In het land van de Kanaänieten die in de Araba wonen, tegenover Gilgal, bij de eiken van More? Brontekst: הֲלֹא (halo) = toch niet | הֵ֜מָּה (hema) = zij | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֗ן (hayarden) = de Jordaan | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = de weg van | מְב֣וֹא (mevo) = het ondergaan van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | בְּאֶ֨רֶץ֙ (beerets) = in het land van | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaänieten | הַיֹּשֵׁ֖ב (hayoshev) = die wonen | בָּעֲרָבָ֑ה (baarava) = in de Araba | מ֚וּל (mul) = tegenover | הַגִּלְגָּ֔ל (hagilgal) = Gilgal | אֵ֖צֶל (etsel) = naast | אֵלוֹנֵ֥י (elonei) = de eiken van | מֹרֶֽה (more) = More Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal ligt bij de Jordaan bij Jericho, vermoedelijk ten oosten van de stad; de ligging is niet precies bekend. De eiken van More liggen bij Sichem (Gen. 12:6). De Araba is de diepe vallei langs de Jordaan, van het Meer van Galilea tot de Dode Zee en verder zuidwaarts. Zie Eiken van More: De eiken van More stonden waarschijnlijk bij Sichem, in het bergland van Samaria. Zie ook: Gen 12:6; Joz 4:19; Joz 5:9; Re 7:1 **11:31** Want jullie steken de Jordaan over om het land in bezit te nemen dat Yahweh, jullie Elohim, jullie geeft. Jullie zullen het in bezit nemen en erin wonen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | עֹבְרִ֣ים (overim) = oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | לָבֹא֙ (lavo) = om binnen te gaan | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | וִֽירִשְׁתֶּ֥ם (virishtem) = en jullie zullen in bezit nemen | אֹתָ֖הּ (otah) = het | וִֽישַׁבְתֶּם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 9:1; Joz 1:11; Joz 3:13–17 **11:32** Bewaar alle voorschriften en rechtsregels die ik jullie vandaag voorleg, en doe ze. Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֣ם (ushemartem) = en jullie zullen bewaren | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַֽחֻקִּ֖ים (hachuqim) = de voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִ֑ים (hamishpatim) = de rechtsregels | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | נֹתֵ֥ן (noten) = geef | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 13:1; Ps 119:6; Mat 28:20; Joh 15:14; 1 Tess 4:1–2 ## Deuteronomium 12 _Eén plaats voor de eredienst: geen afgoden en wat Yahweh kiest_ ### Geen afgodsplaatsen in het land **12:1** Dit zijn de voorschriften en rechtsregels die jullie moeten bewaren om te doen. In het land dat Yahweh, de Elohim van jullie vaders, jullie gegeven heeft om het in bezit te nemen. Alle dagen dat jullie op de grond leven. Brontekst: אֵ֠לֶּה (ele) = dit zijn | הַֽחֻקִּ֣ים (hachuqim) = de voorschriften | וְהַמִּשְׁפָּטִים֮ (vehamishpatim) = en de rechtsregels | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּשְׁמְר֣וּן (tishmerun) = jullie zullen bewaren | לַעֲשׂוֹת֒ (laasot) = om te doen | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | נָתַ֨ן (natan) = gaf | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֧י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתֶ֛יךָ (avoteikha) = je vaders | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | לְרִשְׁתָּ֑הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | חַיִּ֖ים (chayim) = levend zijn | עַל (al) = op | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:1; Deut 4:19; Deut 6:1–2; Ps 104:33; 1 Kon 8:40 **12:2** Jullie moeten alle plaatsen volledig te gronde richten waar de volken, van wie jullie het land in bezit nemen, hun goden gediend hebben. Op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke groene boom. Brontekst: אַבֵּ֣ד (abed) = volledig | תְּ֠אַבְּדוּן (teabedun) = jullie zullen te gronde richten | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמְּקֹמ֞וֹת (hameqomot) = de plaatsen | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waar | עָֽבְדוּ (avedu) = dienden | שָׁ֣ם (sham) = daar | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | יֹרְשִׁ֥ים (yoreshim) = in bezit nemen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun goden | עַל (al) = op | הֶהָרִ֤ים (heharim) = de bergen | הָֽרָמִים֙ (haramim) = de hoge | וְעַל (veal) = en op | הַגְּבָע֔וֹת (hagevaot) = de heuvels | וְתַ֖חַת (vetachat) = en onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֥ץ (ets) = boom | רַעֲנָן (raanan) = groene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De volken dienden hun goden op hoogten, heuvels en onder groene bomen. Wij laten die plaatsen volledig te gronde richten, zoals het bevel van Exod. 34:13 voor hun altaren en beelden. Zie ook: Ex 34:12–17; Ex 34:13; Num 33:51–52; Deut 7:5; 2 Kon 16:4; 2 Kon 17:10–11 **12:3** Breek hun altaren af, sla hun gewijde stenen stuk, verbrand hun heilige palen met vuur. Hak de gesneden beelden van hun goden om en laat hun naam op die plaats omkomen. Brontekst: וְנִתַּצְתֶּ֣ם (venitatstem) = en jullie zullen afbreken | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבּחֹתָ֗ם (mizbchotam) = hun altaren | וְשִׁבַּרְתֶּם֙ (veshibartem) = en jullie zullen stukslaan | אֶת (et) = (obj.) | מַצֵּ֣בֹתָ֔ם (matsevotam) = hun gewijde stenen | וַאֲשֵֽׁרֵיהֶם֙ (vaashereihem) = en hun heilige palen | תִּשְׂרְפ֣וּן (tisrefun) = jullie zullen verbranden | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | וּפְסִילֵ֥י (ufesilei) = en de gesneden beelden van | אֱלֹֽהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun goden | תְּגַדֵּע֑וּן (tegadeun) = jullie zullen omhakken | וְאִבַּדְתֶּ֣ם (veibadtem) = en jullie zullen laten omkomen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמָ֔ם (shemam) = hun naam | מִן (min) = van | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 7:5 en Exod. 34:13. ‘Hun naam laten omkomen’: zie Deut. 7:24. Zie ook: Ex 23:13; Ex 34:13; Num 33:52; Deut 7:5; Deut 7:24; Re 2:2; Ps 16:4; Zach 13:2 **12:4** Zo mogen jullie niet doen voor Yahweh, jullie Elohim. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תַעֲשׂ֣וּן (taasun) = jullie zullen doen | כֵּ֔ן (ken) = zo | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 20:23; Deut 12:30–31; Deut 16:21–22; Deut 20:18 ### De plaats die Yahweh kiest **12:5** Maar naar de plaats die Yahweh, jullie Elohim, uit al jullie stammen kiest, moeten jullie zoeken. Hij kiest die om daar Zijn naam te plaatsen en daar te wonen. En daarheen moeten jullie gaan. Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | אִֽם (im) = als | אֶל (el) = naar | הַמָּק֞וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֨ר (yivchar) = zal kiezen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | מִכָּל (mikal) = uit al | שִׁבְטֵיכֶ֔ם (shivteikhem) = jullie stammen | לָשׂ֥וּם (lasum) = om te plaatsen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = Zijn naam | שָׁ֑ם (sham) = daar | לְשִׁכְנ֥וֹ (leshikhno) = om daar te wonen | תִדְרְשׁ֖וּ (tidreshu) = jullie zullen zoeken | וּבָ֥אתָ (uvata) = en je zult gaan | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁכֵן (shakhen), ‘wonen’: Yahweh laat Zijn naam daar wonen. Hetzelfde woord zit in מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’ (Exod. 25:8–9). De plaats wordt hier niet genoemd; ze is de plaats van de eredienst voor heel Israël. Zie ook: Ex 25:8–9; Deut 12:11; Deut 16:2; Deut 26:2; 1 Kon 8:29; 2 Kron 7:12 **12:6** Daarheen moeten jullie jullie brandoffers en jullie slachtoffers brengen. Jullie tienden en wat jullie met jullie hand heffen, jullie geloften en jullie vrijwillige gaven, en de eerstgeborenen van jullie runderen en jullie kleinvee. Brontekst: וַהֲבֵאתֶ֣ם (vahavetem) = en jullie zullen brengen | שָׁ֗מָּה (shama) = daarheen | עֹלֹֽתֵיכֶם֙ (oloteikhem) = jullie brandoffers | וְזִבְחֵיכֶ֔ם (vezivcheikhem) = en jullie slachtoffers | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מַעְשְׂרֹ֣תֵיכֶ֔ם (maseroteikhem) = jullie tienden | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = de heffing van | יֶדְכֶ֑ם (yedkhem) = jullie hand | וְנִדְרֵיכֶם֙ (venidreikhem) = en jullie geloften | וְנִדְבֹ֣תֵיכֶ֔ם (venidvoteikhem) = en jullie vrijwillige gaven | וּבְכֹרֹ֥ת (uvekhorot) = en de eerstgeborenen van | בְּקַרְכֶ֖ם (beqarkhem) = jullie runderen | וְצֹאנְכֶֽם (vetsonkhem) = en jullie kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעְשְׂרֹת (ma’asrot), ‘tienden’: het tiende deel van de opbrengst, zie Lev. 27:30–32. Voetnoot : תְּרוּמַת יָד (terumat yad), ‘wat je met je hand heft’: de heffing, zie Deut. 12:11. Voetnoot : נֶדֶר (neder), ‘gelofte’, en נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: zie Lev. 7:16. Zie ook: Lev 7:16; Lev 17:3–9; Lev 27:30–32; Num 18:15–17; Deut 12:11; Deut 15:19–20; Deut 26:2; Mal 3:10 **12:7** Daar moeten jullie eten voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim. En jullie moeten jullie verblijden over alles wat jullie ondernemen, jullie en jullie huizen, waarin Yahweh, jullie Elohim, jullie gezegend heeft. Brontekst: וַאֲכַלְתֶּם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | שָׁ֗ם (sham) = daar | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וּשְׂמַחְתֶּ֗ם (usemachtem) = en jullie zullen blij zijn | בְּכֹל֙ (bekhol) = over alles waaraan | מִשְׁלַ֣ח (mishlach) = het uitsteken van | יֶדְכֶ֔ם (yedkhem) = jullie hand | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | וּבָתֵּיכֶ֑ם (uvateikhem) = en jullie huizen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | בֵּֽרַכְךָ֖ (berakhkha) = Hij zegende je | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:40; Deut 12:12; Deut 12:18; Deut 14:26; Ps 128:1–2 **12:8** Jullie mogen niet doen zoals wij hier vandaag allemaal doen, ieder wat goed is in zijn eigen ogen, Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֔וּן (taasun) = jullie zullen doen | כְּ֠כֹל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | אֲנַ֧חְנוּ (anachnu) = wij | עֹשִׂ֛ים (osim) = doen | פֹּ֖ה (po) = hier | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | אִ֖ישׁ (ish) = een ieder | כָּל (kal) = alles | הַיָּשָׁ֥ר (hayashar) = wat goed is | בְּעֵינָֽיו (beeinav) = in zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes zegt ‘wij’ en rekent zichzelf bij het volk dat nu nog zonder vaste plaats voor de eredienst leeft. Zie ook: Num 15:39; Re 17:6; Re 21:25; Spr 21:2; Hand 7:42 **12:9** want tot nu toe zijn jullie nog niet gekomen in de rust en het erfdeel dat Yahweh, jullie Elohim, jullie geeft. Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | בָּאתֶ֖ם (batem) = jullie zijn gekomen | עַד (ad) = tot | עָ֑תָּה (ata) = nu | אֶל (el) = naar | הַמְּנוּחָה֙ (hamenucha) = de rust | וְאֶל (veel) = en naar | הַֽנַּחֲלָ֔ה (hanachala) = het erfdeel | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 25:19; Ps 95:11; 1 Kon 8:56; Mi 2:10; Heb 4:8–9 **12:10** Jullie gaan de Jordaan over en wonen in het land dat Yahweh, jullie Elohim, jullie als erfdeel geeft. Hij geeft jullie rust van al jullie vijanden rondom, en jullie wonen in veiligheid. Brontekst: וַעֲבַרְתֶּם֮ (vaavartem) = en jullie zullen oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּן֒ (hayarden) = de Jordaan | וִֽישַׁבְתֶּ֣ם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | מַנְחִ֣יל (manchil) = als erfdeel geeft | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וְהֵנִ֨יחַ (veheniach) = en Hij geeft rust | לָכֶ֧ם (lakhem) = aan jullie | מִכָּל (mikal) = van al | אֹיְבֵיכֶ֛ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | מִסָּבִ֖יב (misaviv) = rondom | וִֽישַׁבְתֶּם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | בֶּֽטַח (betach) = in veiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 3:27; Deut 4:22; Deut 11:31; Jer 33:11; Ezech 34:28 **12:11** Dan zal er een plaats zijn die Yahweh, jullie Elohim, kiest om daar Zijn naam te laten wonen. Daarheen moeten jullie alles brengen wat ik jullie gebied. Jullie brandoffers, jullie slachtoffers, jullie tienden, wat jullie met jullie hand heffen en het beste van al jullie geloften die jullie aan Yahweh beloven. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַר֩ (yivchar) = zal kiezen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֥ם (eloheikhem) = jullie Elohim | בּוֹ֙ (bo) = daarin | לְשַׁכֵּ֤ן (leshaken) = om te laten wonen | שְׁמוֹ֙ (shemo) = Zijn naam | שָׁ֔ם (sham) = daar | שָׁ֣מָּה (shama) = daarheen | תָבִ֔יאוּ (taviu) = jullie zullen brengen | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֣ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | עוֹלֹתֵיכֶ֣ם (oloteikhem) = jullie brandoffers | וְזִבְחֵיכֶ֗ם (vezivcheikhem) = en jullie slachtoffers | מַעְשְׂרֹֽתֵיכֶם֙ (maseroteikhem) = jullie tienden | וּתְרֻמַ֣ת (uterumat) = en de heffing van | יֶדְכֶ֔ם (yedkhem) = jullie hand | וְכֹל֙ (vekhol) = en alles | מִבְחַ֣ר (mivchar) = het beste van | נִדְרֵיכֶ֔ם (nidreikhem) = jullie geloften | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּדְּר֖וּ (tideru) = jullie zullen beloven | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:5; Deut 15:20; Deut 16:2–8; Deut 17:8; Deut 18:6 **12:12** Jullie verblijden je voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim. Jullie, jullie zonen en dochters, jullie dienaren en dienaressen, en de Leviet die in jullie poorten woont. Want hij heeft geen deel of erfdeel met jullie. Brontekst: וּשְׂמַחְתֶּ֗ם (usemachtem) = en jullie zullen blij zijn | לִפְנֵי֮ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֒ (eloheikhem) = jullie Elohim | אַתֶּ֗ם (atem) = jullie | וּבְנֵיכֶם֙ (uveneikhem) = en jullie zonen | וּבְנֹ֣תֵיכֶ֔ם (uvenoteikhem) = en jullie dochters | וְעַבְדֵיכֶ֖ם (veavdeikhem) = en jullie dienaren | וְאַמְהֹתֵיכֶ֑ם (veamhoteikhem) = en jullie dienaressen | וְהַלֵּוִי֙ (vehalevi) = en de Leviet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּשַֽׁעֲרֵיכֶ֔ם (beshaareikhem) = in jullie poorten | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet is | ל֛וֹ (lo) = aan hem | חֵ֥לֶק (cheleq) = deel | וְנַחֲלָ֖ה (venachala) = en erfdeel | אִתְּכֶֽם (itekhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁעָרִים (she’arim), ‘poorten’: de stadspoorten, dus de steden waar men woont. Zie ook Exod. 20:10. Voetnoot : De Leviet heeft geen erfdeel; Yahweh is zijn erfdeel (Deut. 10:9). Daarom zorgt het volk voor hem (vers 19). Zie ook: Ex 20:10; Deut 10:9; Deut 12:7; Deut 12:19; Deut 14:29; Deut 26:12 ### Brandoffers alleen op die plaats **12:13** Pas op dat je je brandoffers niet brengt op elke plaats die je ziet, Brontekst: הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | פֶּֽן (pen) = anders | תַּעֲלֶ֖ה (taale) = je brengt op | עֹלֹתֶ֑יךָ (oloteikha) = je brandoffers | בְּכָל (bekhal) = op elke | מָק֖וֹם (maqom) = plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּרְאֶֽה (tire) = je ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 17:2–5; Deut 12:6; 1 Kon 12:28–32; 1 Kon 15:34; 2 Kron 15:17 **12:14** maar op de plaats die Yahweh kiest in een van je stammen, daar moet je je brandoffers brengen. En daar moet je alles doen wat ik je gebied. Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | בַּמָּק֞וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֤ר (yivchar) = zal kiezen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּאַחַ֣ד (beachad) = in een van | שְׁבָטֶ֔יךָ (shevateikha) = je stammen | שָׁ֖ם (sham) = daar | תַּעֲלֶ֣ה (taale) = je zult brengen op | עֹלֹתֶ֑יךָ (oloteikha) = je brandoffers | וְשָׁ֣ם (vesham) = en daar | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = je zult doen | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מְצַוֶּֽךָּ (metsaveka) = gebied je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:5; Deut 12:11; Ps 9:12; 2 Kor 5:19; Heb 13:15 ### Vlees eten in je poorten **12:15** Maar naar alle begeerte van je ziel mag je slachten en vlees eten in al je poorten. Naar de zegen die Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft. De onreine en de reine mag ervan eten, als van de gazelle en het hert. Brontekst: רַק֩ (raq) = alleen | בְּכָל (bekhal) = in elke | אַוַּ֨ת (avat) = begeerte van | נַפְשְׁךָ֜ (nafshekha) = je ziel | תִּזְבַּ֣ח (tizbach) = je mag slachten | וְאָכַלְתָּ֣ (veakhalta) = en eten | בָשָׂ֗ר (basar) = vlees | כְּבִרְכַּ֨ת (kevirkat) = volgens de zegen van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָֽתַן (natan) = Hij gaf | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | בְּכָל (bekhal) = in al | שְׁעָרֶ֑יךָ (sheareikha) = je poorten | הַטָּמֵ֤א (hatame) = de onreine | וְהַטָּהוֹר֙ (vehatahor) = en de reine | יֹאכְלֶ֔נּוּ (yokhlenu) = zal het eten | כַּצְּבִ֖י (katsevi) = als de gazelle | וְכָאַיָּֽל (vekhaayal) = en als het hert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבִי (tsevi), ‘gazelle’, en אַיָּל (ayyal), ‘hert’: dieren die men at, maar niet bracht als offer. Wie onrein is, mag daarom ook van dit vlees eten omdat het geen heilig offervlees is. Zie ook: Lev 17:3–5; Deut 12:20–23; Deut 14:5; Deut 14:26; Deut 15:22–23 **12:16** Alleen het bloed mag je niet eten: je moet het op de grond uitgieten als water. Brontekst: רַ֥ק (raq) = alleen | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֑לוּ (tokhelu) = jullie zullen eten | עַל (al) = op | הָאָ֥רֶץ (haarets) = de grond | תִּשְׁפְּכֶ֖נּוּ (tishpekhenu) = je zult het uitgieten | כַּמָּֽיִם (kamayim) = als water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed wordt niet gegeten, maar uitgegoten (Gen. 9:4; Lev. 17:10–14). Zie ook: Gen 9:4; Lev 17:10–14; Deut 12:23–24; Deut 15:23; Hand 15:29; 1 Tim 4:4 **12:17** Je mag in je poorten niet eten: de tiende van je graan, je most en je olie. De eerstgeborenen van je runderen en je kleinvee, al je geloften die je aflegt, je vrijwillige gaven en wat je met je hand heft. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תוּכַ֞ל (tukhal) = je zult kunnen | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = eten | בִּשְׁעָרֶ֗יךָ (bishareikha) = in je poorten | מַעְשַׂ֤ר (masar) = de tiende van | דְּגָֽנְךָ֙ (deganekha) = je graan | וְתִֽירֹשְׁךָ֣ (vetiroshekha) = en je most | וְיִצְהָרֶ֔ךָ (veyitsharekha) = en je olie | וּבְכֹרֹ֥ת (uvekhorot) = en de eerstgeborenen van | בְּקָרְךָ֖ (beqarekha) = je runderen | וְצֹאנֶ֑ךָ (vetsonekha) = en je kleinvee | וְכָל (vekhal) = en alle | נְדָרֶ֨יךָ֙ (nedareikha) = je geloften | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּדֹּ֔ר (tidor) = je zult beloven | וְנִדְבֹתֶ֖יךָ (venidvoteikha) = en je vrijwillige gaven | וּתְרוּמַ֥ת (uterumat) = en de heffing van | יָדֶֽךָ (yadekha) = je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:6; Deut 12:26; Deut 14:22–29; Deut 26:12; Deut 26:14 **12:18** Maar voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, moet je het eten, op de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest. Jij, je zoon en je dochter, je dienaar en je dienares en de Leviet die in je poorten woont. Je moet je verblijden voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, over alles wat je onderneemt. Brontekst: כִּ֡י (ki) = maar | אִם (im) = als | לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | תֹּאכְלֶ֗נּוּ (tokhlenu) = je zult het eten | בַּמָּקוֹם֙ (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִבְחַ֜ר (yivchar) = zal kiezen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶיךָ֮ (eloheikha) = je Elohim | בּוֹ֒ (bo) = daarin | אַתָּ֨ה (ata) = jij | וּבִנְךָ֤ (uvinkha) = en je zoon | וּבִתֶּ֨ךָ֙ (uvitekha) = en je dochter | וְעַבְדְּךָ֣ (veavdekha) = en je dienaar | וַאֲמָתֶ֔ךָ (vaamatekha) = en je dienares | וְהַלֵּוִ֖י (vehalevi) = en de Leviet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶ֑יךָ (bishareikha) = in je poorten | וְשָׂמַחְתָּ֗ (vesamachta) = en je zult blij zijn | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכֹ֖ל (bekhol) = over alles waaraan | מִשְׁלַ֥ח (mishlach) = het uitsteken van | יָדֶֽךָ (yadekha) = je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Leviet hoort bij het offermaal: Yahweh heeft Levi een eigen deel gegeven (Num. 18:21–24). Zie ook: Num 18:21–24; Deut 12:5; Deut 12:7; Deut 14:23; Jes 12:3; Hand 16:34 **12:19** Pas op dat je de Leviet niet in de steek laat, al je dagen op je grond. Brontekst: הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | פֶּֽן (pen) = anders | תַּעֲזֹ֖ב (taazov) = je verlaat | אֶת (et) = (obj.) | הַלֵּוִ֑י (halevi) = de Leviet | כָּל (kal) = alle | יָמֶ֖יךָ (yameikha) = je dagen | עַל (al) = op | אַדְמָתֶֽךָ (admatekha) = je grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 14:27–29; 2 Kron 11:13–14; 2 Kron 31:4–21; Neh 10:35–40; 1 Kor 9:10–14 **12:20** Wanneer Yahweh, je Elohim, je gebied vergroot, zoals Hij tegen je gesproken heeft, en je zegt: „Ik wil vlees eten.” Omdat je ziel naar vlees verlangt, mag je vlees eten naar alle begeerte van je ziel. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יַרְחִיב֩ (yarchiv) = zal verruimen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֥יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶֽת (et) = (obj.) | גְּבֽוּלְךָ֮ (gevulekha) = je gebied | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּר (diber) = Hij sprak | לָךְ֒ (lakh) = tot jou | וְאָמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zegt | אֹכְלָ֣ה (okhela) = laat mij eten | בָשָׂ֔ר (basar) = vlees | כִּֽי (ki) = omdat | תְאַוֶּ֥ה (teave) = verlangt | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = je ziel | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = om te eten | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | בְּכָל (bekhal) = in elke | אַוַּ֥ת (avat) = begeerte van | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = je ziel | תֹּאכַ֥ל (tokhal) = je mag eten | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Je gebied vergroot’ zegt dezelfde belofte als Exod. 34:24. Zie ook: Gen 28:14; Ex 34:24; Deut 11:24; Deut 19:8; 1 Kron 4:10 **12:21** Als de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest om daar Zijn naam te plaatsen te ver van je ligt, dan mag je slachten. Dat mag van je runderen en je kleinvee dat Yahweh je gegeven heeft, zoals ik je geboden heb. En je mag in je poorten eten naar alle begeerte van je ziel. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִרְחַ֨ק (yirchaq) = te ver is | מִמְּךָ֜ (mimekha) = van jou | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִבְחַ֜ר (yivchar) = zal kiezen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶיךָ֮ (eloheikha) = je Elohim | לָשׂ֣וּם (lasum) = om te plaatsen | שְׁמ֣וֹ (shemo) = Zijn naam | שָׁם֒ (sham) = daar | וְזָבַחְתָּ֞ (vezavachta) = dan zul je slachten | מִבְּקָרְךָ֣ (mibeqarekha) = van je runderen | וּמִצֹּֽאנְךָ֗ (umitsonkha) = en van je kleinvee | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נָתַ֤ן (natan) = gaf | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְךָ֔ (lekha) = aan jou | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוִּיתִ֑ךָ (tsivitikha) = ik gebood je | וְאָֽכַלְתָּ֙ (veakhalta) = en je zult eten | בִּשְׁעָרֶ֔יךָ (bishareikha) = in je poorten | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in elke | אַוַּ֥ת (avat) = begeerte van | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:24; Deut 12:5; Deut 12:15; Deut 14:23–24; Deut 26:2 **12:22** Zoals de gazelle en het hert gegeten worden, zo mag je het eten: de onreine en de reine mogen er samen van eten. Brontekst: אַ֗ךְ (akh) = maar | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יֵאָכֵ֤ל (yeakhel) = wordt gegeten | אֶֽת (et) = (obj.) | הַצְּבִי֙ (hatsevi) = de gazelle | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָ֣אַיָּ֔ל (haayal) = het hert | כֵּ֖ן (ken) = zo | תֹּאכְלֶ֑נּוּ (tokhlenu) = je zult het eten | הַטָּמֵא֙ (hatame) = de onreine | וְהַטָּה֔וֹר (vehatahor) = en de reine | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | יֹאכְלֶֽנּוּ (yokhlenu) = zal het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:15–16 **12:23** Alleen moet je er vast op letten dat je het bloed niet eet. Want het bloed is het leven, en het leven mag je niet met het vlees eten. Brontekst: רַ֣ק (raq) = alleen | חֲזַ֗ק (chazaq) = wees vastberaden | לְבִלְתִּי֙ (levilti) = om niet | אֲכֹ֣ל (akhol) = te eten | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | כִּ֥י (ki) = want | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | ה֣וּא (hu) = het | הַנָּ֑פֶשׁ (hanafesh) = het leven | וְלֹא (velo) = en niet | תֹאכַ֥ל (tokhal) = je zult eten | הַנֶּ֖פֶשׁ (hanefesh) = het leven | עִם (im) = met | הַבָּשָֽׂר (habasar) = het vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven’: het woord betekent ook ‘ziel’. Het bloed is het leven; daarom mag men het niet eten (Lev. 17:11, 14). Zie ook: Gen 9:4; Lev 3:16–17; Lev 17:11; Lev 17:13–14; Deut 12:16 **12:24** Je mag het niet eten; je moet het op de grond uitgieten als water. Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תֹּאכְלֶ֑נּוּ (tokhlenu) = je zult het eten | עַל (al) = op | הָאָ֥רֶץ (haarets) = de grond | תִּשְׁפְּכֶ֖נּוּ (tishpekhenu) = je zult het uitgieten | כַּמָּֽיִם (kamayim) = als water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:16; Deut 15:23 **12:25** Je mag het niet eten, zodat het goed gaat met jou en met je zonen na je. Want je doet wat goed is in de ogen van Yahweh. Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תֹּאכְלֶ֑נּוּ (tokhlenu) = je zult het eten | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | יִיטַ֤ב (yitav) = het goed gaat | לְךָ֙ (lekha) = met jou | וּלְבָנֶ֣יךָ (ulevaneikha) = en met je zonen | אַחֲרֶ֔יךָ (achareikha) = na je | כִּֽי (ki) = want | תַעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult doen | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = wat goed is | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:26; Deut 4:40; Deut 13:19; 1 Kon 11:38; Jes 3:10 ### De heilige gaven en de offers **12:26** Alleen je heilige gaven, die je zult hebben, en je geloften moet je dragen en brengen naar de plaats die Yahweh kiest. Brontekst: רַ֧ק (raq) = alleen | קָֽדָשֶׁ֛יךָ (qadasheikha) = je heilige gaven | אֲשֶׁר (asher) = die | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | וּנְדָרֶ֑יךָ (unedareikha) = en je geloften | תִּשָּׂ֣א (tisa) = je zult dragen | וּבָ֔אתָ (uvata) = en je zult gaan | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֥ר (yivchar) = zal kiezen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 28:20; Num 5:9–10; Num 18:19; Deut 12:6; Deut 12:11 **12:27** Draag je brandoffers op, het vlees en het bloed, op het altaar van Yahweh, je Elohim. Het bloed van je slachtoffers moet over het altaar van Yahweh, je Elohim, worden uitgegoten, en het vlees mag je eten. Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en je zult opdragen | עֹלֹתֶ֨יךָ֙ (oloteikha) = je brandoffers | הַבָּשָׂ֣ר (habasar) = het vlees | וְהַדָּ֔ם (vehadam) = en het bloed | עַל (al) = op | מִזְבַּ֖ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְדַם (vedam) = en het bloed van | זְבָחֶ֗יךָ (zevacheikha) = je slachtoffers | יִשָּׁפֵךְ֙ (yishafekh) = zal worden uitgegoten | עַל (al) = op | מִזְבַּח֙ (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהַבָּשָׂ֖ר (vehabasar) = en het vlees | תֹּאכֵֽל (tokhel) = je mag eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשָׂה (asah), ‘opdragen’: een brandoffer wordt ‘gemaakt’, dat wil zeggen op het altaar opgedragen (Lev. 1:5–9). Zie ook: Lev 1:5; Lev 1:9; Lev 1:13; Lev 4:30; Lev 17:11 **12:28** Bewaar en hoor al deze woorden die ik je gebied, zodat het goed gaat met jou en met je zonen na je, voor altijd. Want je doet wat goed en juist is in de ogen van Yahweh, je Elohim. Brontekst: שְׁמֹ֣ר (shemor) = bewaar | וְשָׁמַעְתָּ֗ (veshamata) = en luister | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֑ךָּ (metsaveka) = gebied je | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | יִיטַ֨ב (yitav) = het goed gaat | לְךָ֜ (lekha) = met jou | וּלְבָנֶ֤יךָ (ulevaneikha) = en met je zonen | אַחֲרֶ֨יךָ֙ (achareikha) = na je | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | כִּ֤י (ki) = want | תַעֲשֶׂה֙ (taase) = je zult doen | הַטּ֣וֹב (hatov) = wat goed is | וְהַיָּשָׁ֔ר (vehayashar) = en wat juist is | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:11; Deut 4:40; Deut 12:25; Joh 15:10; Joh 15:14 ### Volg de volken niet na **12:29** Wanneer Yahweh, je Elohim, de volken afsnijdt waar je naartoe gaat om hen voor je uit te verdrijven. En wanneer jij hen in bezit neemt en in hun land woont, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יַכְרִית֩ (yakhrit) = zal afsnijden | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָא (ba) = binnengaat | שָׁ֛מָּה (shama) = daarheen | לָרֶ֥שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מִפָּנֶ֑יךָ (mipaneikha) = voor je uit | וְיָרַשְׁתָּ֣ (veyarashta) = en je zult in bezit nemen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וְיָשַׁבְתָּ֖ (veyashavta) = en je zult wonen | בְּאַרְצָֽם (beartsam) = in hun land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּרַת (karat), ‘afsnijden’: de volken worden van het land weggenomen. Het woord staat ook in ‘een verbond sluiten’ (Deut. 7:2). Zie ook: Ex 23:23; Deut 7:2; Deut 9:3; Deut 19:1; Joz 23:4; Ps 78:55 **12:30** Pas dan op dat je niet verstrikt raakt door hen te volgen nadat zij voor je uit vernietigd zijn. En pas op dat je niet naar hun goden vraagt: „Hoe dienden deze volken hun goden? Dan zal ik hetzelfde doen.” Brontekst: הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֗ (lekha) = voor jezelf | פֶּן (pen) = anders | תִּנָּקֵשׁ֙ (tinaqesh) = je raakt verstrikt | אַחֲרֵיהֶ֔ם (achareihem) = achter hen | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | הִשָּׁמְדָ֣ם (hishamedam) = hun vernietiging | מִפָּנֶ֑יךָ (mipaneikha) = voor je uit | וּפֶן (ufen) = en anders | תִּדְרֹ֨שׁ (tidrosh) = je vraagt | לֵֽאלֹהֵיהֶ֜ם (leloheihem) = naar hun goden | לֵאמֹ֨ר (lemor) = zeggende | אֵיכָ֨ה (eikha) = hoe | יַעַבְד֜וּ (yaavdu) = dienden | הַגּוֹיִ֤ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun goden | וְאֶעֱשֶׂה (veeese) = en ik zal doen | כֵּ֖ן (ken) = zo | גַּם (gam) = ook | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie de goden van de volken navolgt, raakt verstrikt (vergelijk Exod. 23:33 en 34:12). Zie ook: Ex 23:31–33; Ex 23:33; Ex 34:12; Deut 7:16; Jer 10:2; Ezech 20:32; Ef 4:17 **12:31** Zo mag je niet doen voor Yahweh, je Elohim. Want alles wat een gruwel is voor Yahweh en wat Hij haat, hebben zij voor hun goden gedaan. Zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij met vuur voor hun goden. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַעֲשֶׂ֣ה (taase) = je zult doen | כֵ֔ן (ken) = zo | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | כִּי֩ (ki) = want | כָּל (kal) = alle | תּוֹעֲבַ֨ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׂנֵ֗א (sane) = Hij haat | עָשׂוּ֙ (asu) = hebben zij gedaan | לֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם (leloheihem) = voor hun goden | כִּ֣י (ki) = want | גַ֤ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹ֣תֵיהֶ֔ם (benoteihem) = hun dochters | יִשְׂרְפ֥וּ (yisrefu) = zij verbranden | בָאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | לֵֽאלֹהֵיהֶֽם (leloheihem) = voor hun goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbranden van kinderen voor goden is een gruwel, zie Lev. 18:21 en 20:2–5. Zie ook: Lev 18:21; Lev 20:2; Deut 18:9–10; 2 Kon 17:15–17; 2 Kon 21:2; Jer 7:31; Jer 32:35 ## Deuteronomium 13 _Waarschuwing tegen verleiding tot andere goden_ ### Niets toevoegen en niets afnemen **13:1** Het hele woord dat ik jullie gebied, moeten jullie houden en doen. Jullie mogen er niets aan toevoegen en er niets van afnemen. Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֣ה (metsave) = gebiedend | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֹת֥וֹ (oto) = het | תִשְׁמְר֖וּ (tishmeru) = jullie zullen houden | לַעֲשׂ֑וֹת (laasot) = om te doen | לֹא (lo) = niet | תֹסֵ֣ף (tosef) = je zult toevoegen | עָלָ֔יו (alav) = eraan | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִגְרַ֖ע (tigra) = je zult afnemen | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Engelse Bijbels is dit vers 12:32; het hoofdstuk heeft daar 18 verzen. Wij volgen de Hebreeuwse nummering. Voetnoot : תֹסֵף (tosef), ‘toevoegen’, en תִּגְרַע (tigra), ‘afnemen’: dezelfde twee werkwoorden staan in Deut. 4:2. Zie ook: Deut 4:2; Deut 13:12; Deut 13:19; Joz 1:7; Spr 30:6; Openb 22:18–19 ### De valse profeet of dromer **13:2** Wanneer er in je midden een profeet of een dromer opstaat en hij je een teken of een wonder geeft, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יָק֤וּם (yaqum) = hij zal opstaan | בְּקִרְבְּךָ֙ (beqirbekha) = in je midden | נָבִ֔יא (navi) = een profeet | א֖וֹ (o) = of | חֹלֵ֣ם (cholem) = dromer van | חֲל֑וֹם (chalom) = een droom | וְנָתַ֥ן (venatan) = en hij geeft | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = aan jou | א֖וֹת (ot) = een teken | א֥וֹ (o) = of | מוֹפֵֽת (mofet) = een wonder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹלֵם חֲלוֹם (cholem chalom), letterlijk ‘dromer van een droom’: iemand die door dromen een boodschap zegt te ontvangen. אוֹת (ot), ‘teken’, en מוֹפֵת (mofet), ‘wonder’, staan ook samen in Deut. 4:34 en 6:22. Zie ook: Deut 4:34; Deut 6:22; Jes 9:14; Jer 23:25–28; Jer 27:9; Jer 29:8; 1 Joh 4:1 **13:3** en het teken en het wonder waarover hij tot je sprak komen uit. En hij zegt: „Laten wij andere goden achternagaan, goden die jullie niet kennen, en hen dienen,” Brontekst: וּבָ֤א (uva) = en het komt uit | הָאוֹת֙ (haot) = het teken | וְהַמּוֹפֵ֔ת (vehamofet) = en het wonder | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֥ר (diber) = hij sprak | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | נֵֽלְכָ֞ה (nelekha) = laten wij gaan | אַחֲרֵ֨י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֧ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֛ים (acherim) = andere | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדַעְתָּ֖ם (yedatam) = jullie kennen | וְנָֽעָבְדֵֽם (venaavedem) = en laten wij hen dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים אֲחֵרִים (elohim acherim), ‘andere goden’, zoals in Exod. 20:3. Het teken van de profeet komt uit, maar zijn boodschap is toch verkeerd: een teken bewijst niet dat een profeet van Yahweh komt. Zie ook: Ex 20:3; Deut 18:22; Jer 28:9; Mat 7:22–23; 2 Tess 2:9–11; 2 Kor 11:13–15 **13:4** dan mag je niet luisteren naar de woorden van die profeet of van die dromer. Want Yahweh, je Elohim, stelt je op de proef. Hij doet dat om te weten of je Yahweh, je Elohim, liefhebt met heel je hart en met heel je ziel. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׁמַ֗ע (tishma) = je zult luisteren | אֶל (el) = naar | דִּבְרֵי֙ (divrei) = de woorden van | הַנָּבִ֣יא (hanavi) = de profeet | הַה֔וּא (hahu) = die | א֛וֹ (o) = of | אֶל (el) = naar | חוֹלֵ֥ם (cholem) = dromer van | הַחֲל֖וֹם (hachalom) = de droom | הַה֑וּא (hahu) = die | כִּ֣י (ki) = want | מְנַסֶּ֞ה (menase) = die op de proef stelt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | לָדַ֗עַת (ladaat) = om te weten | הֲיִשְׁכֶ֤ם (hayishkhem) = of jullie | אֹֽהֲבִים֙ (ohavim) = liefhebbend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶ֖ם (levavkhem) = jullie hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשְׁכֶֽם (nafshekhem) = jullie ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִסָּה (nissah), ‘op de proef stellen’, zoals in Exod. 20:20. נֶפֶשׁ (nefesh) vertalen wij hier met ‘ziel’, zoals in de gebedsformule van Deut. 6:5. Zie ook: Ex 20:20; Deut 6:5; Deut 8:2; Ps 66:10; 1 Kor 11:19; 1 Joh 4:1 **13:5** Je moet Yahweh, je Elohim, achternagaan en Hem vrezen. Je moet Zijn geboden houden en naar Zijn stem luisteren. Je moet Hem dienen en je aan Hem hechten. Brontekst: אַחֲרֵ֨י (acharei) = achter | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֛ם (eloheikhem) = jullie Elohim | תֵּלֵ֖כוּ (telekhu) = jullie zullen gaan | וְאֹת֣וֹ (veoto) = en Hem | תִירָ֑אוּ (tirau) = jullie zullen vrezen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִצְוֺתָ֤יו (mitsvotav) = Zijn geboden | תִּשְׁמֹ֨רוּ֙ (tishmoru) = jullie zullen houden | וּבְקֹל֣וֹ (uveqolo) = en naar Zijn stem | תִשְׁמָ֔עוּ (tishmau) = jullie zullen luisteren | וְאֹת֥וֹ (veoto) = en Hem | תַעֲבֹ֖דוּ (taavodu) = jullie zullen dienen | וּב֥וֹ (uvo) = en aan Hem | תִדְבָּקֽוּן (tidbaqun) = jullie zullen u hechten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּבַק (davaq), ‘zich hechten’: vastzitten aan iemand, zoals een man aan zijn vrouw in Gen. 2:24. Deze zin heeft zes werkwoorden voor de trouw aan Yahweh: achternagaan, vrezen, houden, luisteren, dienen, zich hechten. Zie ook: Gen 2:24; Deut 10:20; 2 Kon 23:3; Jer 7:23; 1 Kor 6:17; Kol 1:10 **13:6** Die profeet of die dromer moet gedood worden. Want hij heeft tot opstand opgeroepen tegen Yahweh, je Elohim, die je uit het land Egypte heeft geleid en je uit het slavenhuis heeft vrijgekocht. Om je af te brengen van de weg die Yahweh, je Elohim, je geboden heeft te gaan. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. Brontekst: וְהַנָּבִ֣יא (vehanavi) = en de profeet | הַה֡וּא (hahu) = die | א֣וֹ (o) = of | חֹלֵם֩ (cholem) = dromer van | הַחֲל֨וֹם (hachalom) = de droom | הַה֜וּא (hahu) = die | יוּמָ֗ת (yumat) = hij zal gedood worden | כִּ֣י (ki) = want | דִבֶּר (diber) = hij heeft gesproken | סָ֠רָה (sara) = afval | עַל (al) = tegen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֜ם (eloheikhem) = jullie Elohim | הַמּוֹצִ֥יא (hamotsi) = die laat uittrekken | אֶתְכֶ֣ם (etkhem) = jullie | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהַפֹּֽדְךָ֙ (vehapodekha) = en die jou vrijkocht | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִ֔ים (avadim) = slaven | לְהַדִּֽיחֲךָ֙ (lehadichakha) = om jou af te brengen | מִן (min) = van | הַדֶּ֔רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | צִוְּךָ֛ (tsivekha) = gebood jou | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | בָּ֑הּ (bah) = daarop | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: דִּבֶּר סָרָה (dibber sarah), letterlijk ‘afwijking spreken’: oproepen tot opstand tegen Yahweh. Voetnoot : פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: iemand door betaling of ingrijpen bevrijden. Wij gebruiken dit woord voor Israëls bevrijding uit Egypte (ook Deut. 15:15). Voetnoot : וּבִעַרְתָּ הָרָע מִקִּרְבֶּךָ (uvi’arta hara mikirbekha), ‘zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen’: deze zin keert vaak terug in Deuteronomium (17:7, 19:19). Wij gebruiken steeds ‘wegdoen’. Zie ook: Deut 13:11; Deut 15:15; Deut 18:20; Deut 19:19; Deut 24:7; 1 Kor 5:13 ### De verleider uit je eigen familie **13:7** Wanneer je broer, de zoon van je moeder, of je zoon of je dochter of de vrouw aan je borst of je naaste, die voor je is als jezelf, je in het geheim verleidt en zegt: „Laten wij gaan en andere goden dienen.” Goden die jij niet kent, jij en je vaders, Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | יְסִֽיתְךָ֡ (yesitekha) = verleidt jou | אָחִ֣יךָ (achikha) = je broer | בֶן (ben) = zoon van | אִ֠מֶּךָ (imekha) = je moeder | אֽוֹ (o) = of | בִנְךָ֨ (binkha) = je zoon | אֽוֹ (o) = of | בִתְּךָ֜ (bitekha) = je dochter | א֣וֹ (o) = of | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | חֵיקֶ֗ךָ (cheiqekha) = je boezem | א֧וֹ (o) = of | רֵֽעֲךָ֛ (reakha) = je naaste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | כְּנַפְשְׁךָ֖ (kenafshekha) = als jezelf | בַּסֵּ֣תֶר (baseter) = in het geheim | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | נֵֽלְכָ֗ה (nelekha) = laten wij gaan | וְנַֽעַבְדָה֙ (venaavda) = en laten wij dienen | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = je kent | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וַאֲבֹתֶֽיךָ (vaavoteikha) = en je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵשֶׁת חֵיקֶךָ (eshet cheiqekha), letterlijk ‘vrouw van je boezem’: de vrouw die aan je borst ligt, dus je eigen vrouw. Voetnoot : הִסִּית (hesit), ‘verleiden’: iemand aanzetten tot iets. In de lijst staan zes personen, van dichtbij naar vriend; wat ze gemeen hebben is dat je ze liefhebt. Zie ook: Deut 17:2–7; Spr 18:24; Ef 4:14; 2 Petr 2:1; 1 Joh 2:26–27 **13:8** van de goden van de volken rondom je, dichtbij of ver van je. Van het ene einde van de aarde tot het andere einde van de aarde, Brontekst: מֵאֱלֹהֵ֣י (meelohei) = van de goden van | הָֽעַמִּ֗ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | סְבִיבֹ֣תֵיכֶ֔ם (sevivoteikhem) = rondom jullie | הַקְּרֹבִ֣ים (haqerovim) = de dichtbijzijnden | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = bij jou | א֖וֹ (o) = of | הָרְחֹקִ֣ים (harechoqim) = de veraf zijnden | מִמֶּ֑ךָּ (mimeka) = van jou | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = van het einde van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְעַד (vead) = en tot | קְצֵ֥ה (qetse) = het einde van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De goden van de omringende volken zijn dichtbij en ver weg: het gevaar komt van overal. **13:9** dan mag je niet met hem instemmen en niet naar hem luisteren. Je oog mag geen medelijden met hem hebben. Je mag hem niet sparen en niets voor hem toedekken. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תֹאבֶ֣ה (tove) = je zult willen | ל֔וֹ (lo) = hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִשְׁמַ֖ע (tishma) = je zult luisteren | אֵלָ֑יו (elav) = naar hem | וְלֹא (velo) = en niet | תָח֤וֹס (tachos) = zal medelijden hebben | עֵֽינְךָ֙ (einekha) = je oog | עָלָ֔יו (alav) = met hem | וְלֹֽא (velo) = en niet | תַחְמֹ֥ל (tachmol) = je zult sparen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תְכַסֶּ֖ה (tekhase) = je zult toedekken | עָלָֽיו (alav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:16; Deut 19:13; Spr 1:10; Ezech 9:5–6; 1 Joh 5:21 **13:10** Maar je moet hem zeker doden. Jouw hand moet als eerste tegen hem zijn om hem te doden, en daarna de hand van heel het volk. Brontekst: כִּ֤י (ki) = maar | הָרֹג֙ (harog) = doden | תַּֽהַרְגֶ֔נּוּ (tahargenu) = je zult hem doden | יָֽדְךָ֛ (yadekha) = je hand | תִּֽהְיֶה (tihye) = zal zijn | בּ֥וֹ (bo) = tegen hem | בָרִֽאשׁוֹנָ֖ה (barishona) = als eerste | לַהֲמִית֑וֹ (lahamito) = om hem te doden | וְיַ֥ד (veyad) = en de hand van | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בָּאַחֲרֹנָֽה (baacharona) = als laatste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat de getuige als eerste de hand moet opheffen, staat ook in Deut. 17:7. Zie ook: Deut 17:2–7; Deut 17:7; Mat 10:37; Luc 14:26; Joh 8:7; Hand 7:58 **13:11** Je moet hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Want hij heeft geprobeerd je af te brengen van Yahweh, je Elohim, die je uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft geleid. Brontekst: וּסְקַלְתּ֥וֹ (useqalto) = en je zult hem stenigen | בָאֲבָנִ֖ים (baavanim) = met stenen | וָמֵ֑ת (vamet) = en hij zal sterven | כִּ֣י (ki) = want | בִקֵּ֗שׁ (biqesh) = hij heeft gezocht | לְהַדִּֽיחֲךָ֙ (lehadichakha) = om jou af te brengen | מֵעַל֙ (meal) = van af | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | הַמּוֹצִיאֲךָ֛ (hamotsiakha) = die jou laat uittrekken | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִֽים (avadim) = slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Voor stenigen als straf zie ook Lev. 20:27 en Lev. 24:16. Het doel van de straf is in vers 12 te lezen: heel Israël moet het horen en vrezen. Zie ook: Lev 20:27; Lev 24:16; Lev 24:23; Num 15:35–36; Deut 13:12; Deut 21:21; Joz 7:25 **13:12** Heel Israël zal het horen en vrezen, en niemand zal nog zo’n kwaad doen in je midden. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יִשְׁמְע֖וּ (yishmeu) = zal horen | וְיִֽרָא֑וּן (veyiraun) = en zal vrezen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יוֹסִ֣פוּ (yosifu) = zij zullen voortgaan | לַעֲשׂ֗וֹת (laasot) = om te doen | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = zoals het woord | הָרָ֛ע (hara) = het kwade | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בְּקִרְבֶּֽךָ (beqirbekha) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 17:13; Deut 19:20; Spr 19:25; Spr 21:11; 1 Tim 5:20 ### Een stad die tot afgoderij is verleid **13:13** Wanneer je in een van je steden, die Yahweh, je Elohim, je geeft om er te wonen, hoort zeggen: Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תִשְׁמַ֞ע (tishma) = je hoort | בְּאַחַ֣ת (beachat) = in een van | עָרֶ֗יךָ (areikha) = je steden | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לְךָ֛ (lekha) = aan jou | לָשֶׁ֥בֶת (lashevet) = om te wonen | שָׁ֖ם (sham) = daar | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 22:11–34; Re 20:1–17 **13:14** Mannen, zonen van Belial, zijn uit je midden vertrokken. Zij hebben de inwoners van hun stad afgebracht door te zeggen: „Laten wij gaan en andere goden dienen.” Goden die jullie niet kennen, Brontekst: יָצְא֞וּ (yatseu) = zijn uitgegaan | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | בְלִיַּ֨עַל֙ (beliyaal) = Belial | מִקִּרְבֶּ֔ךָ (miqirbekha) = uit je midden | וַיַּדִּ֛יחוּ (vayadichu) = en zij hebben afgebracht | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = de inwoners van | עִירָ֖ם (iram) = hun stad | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | נֵלְכָ֗ה (nelekha) = laten wij gaan | וְנַעַבְדָ֛ה (venaavda) = en laten wij dienen | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יְדַעְתֶּֽם (yedatem) = jullie kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’ of ‘zonder nut’. ‘Zonen van Belial’ zijn mannen die kwaad doen. Dit woord werd later een naam voor de macht van het kwaad (2 Kor. 6:15). Voetnoot : הִדִּיחַ (hiddiach), ‘afbrengen’: iemand van de weg afdrijven. Zo ook vers 6 en 11. Zie ook: Deut 13:3; Deut 13:6; Deut 13:7; Deut 13:11; 2 Sam 16:7; 2 Kor 6:15; 1 Joh 2:19 **13:15** dan moet je zoeken, onderzoeken en goed navragen. En blijkt het waar en staat het vast dat deze gruwel in je midden gedaan is, Brontekst: וְדָרַשְׁתָּ֧ (vedarashta) = en je zult zoeken | וְחָקַרְתָּ֧ (vechaqarta) = en je zult onderzoeken | וְשָׁאַלְתָּ֖ (veshaalta) = en je zult vragen | הֵיטֵ֑ב (heitev) = goed | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֱמֶת֙ (emet) = waar | נָכ֣וֹן (nakhon) = vaststaand | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | נֶעֶשְׂתָ֛ה (neesta) = is gedaan | הַתּוֹעֵבָ֥ה (hatoeva) = de gruwel | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | בְּקִרְבֶּֽךָ (beqirbekha) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: iets wat Yahweh verafschuwt. Wij gebruiken ‘gruwel’ voor toevah en ‘afschuwelijk’ voor sheqets (Lev. 11:10). De procedure bestaat uit drie werkwoorden: zoeken, onderzoeken en vragen. Zie ook: Lev 11:10; Num 35:30; Deut 17:4; Jes 11:3–4; Joh 7:24; 1 Tim 5:19 **13:16** dan moet je de inwoners van die stad zeker neerslaan met het zwaard. Je moet haar bannen, en alles wat erin is, en haar vee, met het zwaard. Brontekst: הַכֵּ֣ה (hake) = slaan | תַכֶּ֗ה (take) = je zult slaan | אֶת (et) = (obj.) | יֹֽשְׁבֵ֛י (yoshevei) = de inwoners van | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַהִ֖יא (hahi) = die | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | הַחֲרֵ֨ם (hacharem) = bannen | אֹתָ֧הּ (otah) = haar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּ֛הּ (bah) = daarin | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּהֶמְתָּ֖הּ (behemtah) = haar vee | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’, en הֶחֱרִים (hecherim), ‘bannen’: iets of iemand volledig aan Yahweh toewijden, in de praktijk door vernietiging; vergelijk Exod. 22:19. Het geldt hier voor een hele stad, ook voor het vee. Zie ook: Ex 22:19; Lev 27:28; Deut 2:34; Deut 7:2; Joz 6:24 **13:17** Al haar buit moet je midden op haar plein bijeenbrengen. Dan moet je de stad en al haar buit met vuur verbranden, geheel voor Yahweh, je Elohim. Zij moet voor altijd een puinheuvel blijven en mag nooit meer worden opgebouwd. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | שְׁלָלָ֗הּ (shelalah) = haar buit | תִּקְבֹּץ֮ (tiqbots) = je zult verzamelen | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | רְחֹבָהּ֒ (rechovah) = haar plein | וְשָׂרַפְתָּ֨ (vesarafta) = en je zult verbranden | בָאֵ֜שׁ (baesh) = met vuur | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֤יר (hair) = de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | שְׁלָלָהּ֙ (shelalah) = haar buit | כָּלִ֔יל (kalil) = geheel | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהָיְתָה֙ (vehayeta) = en zij zal zijn | תֵּ֣ל (tel) = heuvel van | עוֹלָ֔ם (olam) = altijd | לֹ֥א (lo) = niet | תִבָּנֶ֖ה (tibane) = zij zal worden opgebouwd | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּלִיל (kalil), ‘geheel’: wat helemaal verbrand wordt (zie ook Lev. 6:15–16). תֵּל (tel), ‘puinheuvel’: een heuvel van de resten van een verwoeste stad. Zie ook: Lev 6:15–16; Joz 6:24; Joz 8:28; Jes 17:1; Jes 25:2; Jer 49:2 **13:18** Niets van wat gebannen is, mag aan je hand blijven kleven. Zo keert Yahweh terug van Zijn gloeiende toorn. Hij geeft je ontferming, ontfermt Zich over je en maakt je talrijk, zoals Hij je vaders gezworen heeft, Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִדְבַּ֧ק (yidbaq) = zal kleven | בְּיָדְךָ֛ (beyadekha) = aan je hand | מְא֖וּמָה (meuma) = iets | מִן (min) = van | הַחֵ֑רֶם (hacherem) = het gebande | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | יָשׁ֨וּב (yashuv) = Hij zal terugkeren | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | מֵחֲר֣וֹן (mecharon) = van de gloed van | אַפּ֗וֹ (apo) = Zijn toorn | וְנָֽתַן (venatan) = en Hij zal geven | לְךָ֤ (lekha) = aan jou | רַחֲמִים֙ (rachamim) = ontferming | וְרִֽחַמְךָ֣ (verichamkha) = en Hij zal Zich over je ontfermen | וְהִרְבֶּ֔ךָ (vehirbekha) = en Hij zal je talrijk maken | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | נִשְׁבַּ֖ע (nishba) = Hij zwoer | לַאֲבֹתֶֽיךָ (laavoteikha) = aan je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲרוֹן אַף (charon af), ‘gloeiende toorn’, zoals in Exod. 15:7. רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’, hoort bij רֶחֶם (rechem), ‘moederschoot’: de liefde van een moeder. Zie ook: Gen 26:4; Gen 26:24; Gen 28:14; Ex 15:7; Deut 7:26; Joz 7:26 **13:19** als je luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim, door al Zijn geboden te houden die ik je vandaag gebied. En door te doen wat juist is in de ogen van Yahweh, je Elohim. Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | תִשְׁמַ֗ע (tishma) = je luistert | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹר֙ (lishmor) = door te houden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מִצְוֺתָ֔יו (mitsvotav) = Zijn geboden | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied jou | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = door te doen | הַיָּשָׁ֔ר (hayashar) = wat juist is | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:25; Deut 12:28; Mat 6:33; Mat 7:21; Mat 7:24 ## Deuteronomium 14 _Een heilig volk: rouw, reine en onreine dieren, de tiende_ ### Zonen van Yahweh: geen rouwgebruiken **14:1** Jullie zijn zonen van Yahweh, jullie Elohim. Jullie mogen jezelf geen sneden toebrengen en geen kale plek tussen jullie ogen maken voor een dode. Brontekst: בָּנִ֣ים (banim) = zonen | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = van Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לֹ֣א (lo) = niet | תִתְגֹּֽדְד֗וּ (titgodedu) = jullie zullen u insnijden | וְלֹֽא (velo) = en niet | תָשִׂ֧ימוּ (tasimu) = jullie zullen maken | קָרְחָ֛ה (qarecha) = kale plek | בֵּ֥ין (bein) = tussen | עֵינֵיכֶ֖ם (eineikhem) = jullie ogen | לָמֵֽת (lamet) = voor een dode Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּנִים (banim), ‘zonen’: Israël is zoon van Yahweh (Exod. 4:22). הִתְגֹּדֵד (hitgoded), ‘zich insnijden’, en een kale plek tussen de ogen (op het voorhoofd) zijn rouwgebruiken van andere volken. Zie ook Lev. 21:5. Zie ook: Ex 4:22; Lev 21:5; Joh 1:12; Gal 3:26; Rom 9:8; Rom 9:26 **14:2** Want jullie zijn een heilig volk voor Yahweh, jullie Elohim. En jullie heeft Yahweh gekozen om een volk te zijn dat Hem toebehoort, een eigen bezit, uit alle volken op het oppervlak van de grond. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עַ֤ם (am) = volk | קָדוֹשׁ֙ (qadosh) = heilig | אַתָּ֔ה (ata) = jij | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | וּבְךָ֞ (uvekha) = en jou | בָּחַ֣ר (bachar) = heeft gekozen | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לִֽהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לוֹ֙ (lo) = voor Hem | לְעַ֣ם (leam) = tot volk van | סְגֻלָּ֔ה (segula) = eigen bezit | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: zoals in Exod. 19:5, de kostbare schat van een koning. Zie ook: Ex 19:5–6; Lev 20:26; Deut 7:6; Deut 26:18–19; 1 Petr 2:9 ### Reine en onreine dieren **14:3** Jullie mogen geen enkele gruwel eten. Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכַ֖ל (tokhal) = je zult eten | כָּל (kal) = elke | תּוֹעֵבָֽה (toeva) = gruwel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’, zoals in Deut. 13:15. Wat hierna volgt, zijn de dieren die Yahweh onrein noemt. Zie ook: Lev 11:43; Lev 20:25; Deut 13:15; Jes 65:4; Ezech 4:14; Rom 14:14 **14:4** Dit zijn de landdieren die jullie mogen eten: de stier, het schaap en de geit, Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit is | הַבְּהֵמָ֖ה (habehema) = het landdier | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תֹּאכֵ֑לוּ (tokhelu) = jullie mogen eten | שׁ֕וֹר (shor) = stier | שֵׂ֥ה (se) = schaap van | כְשָׂבִ֖ים (kesavim) = de schapen | וְשֵׂ֥ה (vese) = en schaap van | עִזִּֽים (izim) = geiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze lijst loopt parallel aan Lev. 11:2–23; wij gebruiken dezelfde dierennamen. בְּהֵמָה (behemah), ‘landdier’, zoals in Lev. 11:2. שֶׂה (seh) is een stuk kleinvee: ‘een van de schapen’ en ‘een van de geiten’. Zie ook: Lev 11:2–45; 1 Kon 5:3; Hand 10:14 **14:5** het hert, de gazelle, het damhert, de steenbok, de antilope, de wilde os en de berggeit. Brontekst: אַיָּ֥ל (ayal) = hert | וּצְבִ֖י (utsevi) = en gazelle | וְיַחְמ֑וּר (veyachmur) = en damhert | וְאַקּ֥וֹ (veaqo) = en steenbok | וְדִישֹׁ֖ן (vedishon) = en antilope | וּתְא֥וֹ (uteo) = en wilde os | וָזָֽמֶר (vazamer) = en berggeit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan zeven wilde dieren die in Leviticus niet genoemd worden: אַיָּל (ayyal), ‘hert’; צְבִי (tsevi), ‘gazelle’; יַחְמוּר (yachmur), ‘damhert’; אַקּוֹ (akko), ‘steenbok’; דִּישֹׁן (dishon), ‘antilope’; תְּאוֹ (te’o), ‘wilde os’; זֶמֶר (zemer), ‘berggeit’. De weergave van deze namen is onzeker. **14:6** Elk landdier dat gespleten hoeven heeft, twee geheel gespleten hoeven, en dat herkauwt: dat mogen jullie eten. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | בְּהֵמָ֞ה (behema) = landdier | מַפְרֶ֣סֶת (mafreset) = dat splijt | פַּרְסָ֗ה (parsa) = een hoef | וְשֹׁסַ֤עַת (veshosaat) = en dat splitst | שֶׁ֨סַע֙ (shesa) = een spleet | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | פְרָס֔וֹת (perasot) = hoeven | מַעֲלַ֥ת (maalat) = dat opbrengt | גֵּרָ֖ה (gera) = herkauwing | בַּבְּהֵמָ֑ה (babehema) = onder het landdier | אֹתָ֖הּ (otah) = het | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie mogen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 1:1–2; Spr 18:1; 2 Kor 6:17 **14:7** Maar van de dieren die herkauwen of een gespleten hoef hebben, mogen jullie deze niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Want zij herkauwen wel, maar hun hoef is niet gespleten; zij zijn onrein voor jullie. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֞ה (ze) = dit | לֹ֤א (lo) = niet | תֹֽאכְלוּ֙ (tokhlu) = jullie mogen eten | מִמַּֽעֲלֵ֣י (mimaalei) = van hen die opbrengen | הַגֵּרָ֔ה (hagera) = de herkauwing | וּמִמַּפְרִיסֵ֥י (umimafrisei) = en van hen die splijten | הַפַּרְסָ֖ה (haparsa) = de hoef | הַשְּׁסוּעָ֑ה (hashesua) = de gespleten | אֶֽת (et) = (obj.) | הַ֠גָּמָל (hagamal) = de kameel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַרְנֶ֨בֶת (haarnevet) = de haas | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁפָ֜ן (hashafan) = de klipdas | כִּֽי (ki) = want | מַעֲלֵ֧ה (maale) = opbrengend | גֵרָ֣ה (gera) = herkauwing | הֵ֗מָּה (hema) = zij | וּפַרְסָה֙ (ufarsa) = en hoef | לֹ֣א (lo) = niet | הִפְרִ֔יסוּ (hifrisu) = zij splijten | טְמֵאִ֥ים (temeim) = onrein | הֵ֖ם (hem) = zij | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan de drie dieren die één kenmerk hebben (herkauwen, geen gespleten hoef) in andere volgorde dan in Lev. 11:4–6: kameel, haas, klipdas. Wij vertalen zoals in Leviticus: גָּמָל (gamal), ‘kameel’; אַרְנֶבֶת (arnevet), ‘haas’; שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’. Zie ook: Lev 11:4–6; Lev 11:5; Mat 7:22–23; Mat 7:26; Tit 1:16; 2 Petr 2:18–22 **14:8** Ook het varken, want het heeft wel een gespleten hoef, maar het herkauwt niet; het is onrein voor jullie. Van hun vlees mogen jullie niet eten en hun kadaver mogen jullie niet aanraken. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֠חֲזִיר (hachazir) = het varken | כִּֽי (ki) = want | מַפְרִ֨יס (mafris) = splijtend | פַּרְסָ֥ה (parsa) = hoef | הוּא֙ (hu) = het | וְלֹ֣א (velo) = en niet | גֵרָ֔ה (gera) = herkauwing | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = het | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | מִבְּשָׂרָם֙ (mibesaram) = van hun vlees | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֔לוּ (tokhelu) = jullie zullen eten | וּבְנִבְלָתָ֖ם (uvenivlatam) = en hun kadaver | לֹ֥א (lo) = niet | תִגָּֽעוּ (tigau) = jullie zullen aanraken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het varken heeft het andere kenmerk: wel een gespleten hoef, niet herkauwen (Lev. 11:7–8). נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’. Zie ook: Lev 11:7–8; Lev 11:26–27; Jes 66:3; Jes 66:17; Luc 15:15–16; 2 Petr 2:22 **14:9** Dit mogen jullie eten van alles wat in het water is: alles wat vinnen en schubben heeft, dat mogen jullie eten. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | זֶה֙ (ze) = dit | תֹּֽאכְל֔וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | מִכֹּ֖ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = in het water | כֹּ֧ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֛וֹ (lo) = aan hem | סְנַפִּ֥יר (senapir) = vin | וְקַשְׂקֶ֖שֶׂת (veqasqeset) = en schub | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie mogen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:9–12 **14:10** Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mogen jullie niet eten; het is onrein voor jullie. Brontekst: וְכֹ֨ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | אֵֽין (ein) = niet is | ל֛וֹ (lo) = aan hem | סְנַפִּ֥יר (senapir) = vin | וְקַשְׂקֶ֖שֶׂת (veqasqeset) = en schub | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֑לוּ (tokhelu) = jullie mogen eten | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = het | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Lev. 11:10–12 heten de dieren zonder vinnen en schubben ‘afschuwelijk’ (sheqets); hier staat alleen ‘onrein’. Zie ook: Lev 11:10–12 **14:11** Elke reine vogel mogen jullie eten. Brontekst: כָּל (kal) = elke | צִפּ֥וֹר (tsipor) = vogel | טְהֹרָ֖ה (tehora) = rein | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie mogen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:12** Dit zijn degenen onder hen die jullie niet mogen eten: de arend, de lammergier en de zwarte gier, Brontekst: וְזֶ֕ה (veze) = en dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | תֹאכְל֖וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | מֵהֶ֑ם (mehem) = van hen | הַנֶּ֥שֶׁר (hanesher) = de arend | וְהַפֶּ֖רֶס (vehaperes) = en de lammergier | וְהָֽעָזְנִיָּֽה (vehaazeniya) = en de zwarte gier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de vogels (vers 12–18) zijn deels onzeker; wij volgen de weergave van Lev. 11:13–19. נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’; פֶּרֶס (peres), ‘lammergier’; עָזְנִיָּה (ozniyyah), ‘zwarte gier’. Zie ook: Lev 11:13–19 **14:13** de wouw, de valk en de zwarte wouw naar hun soort, Brontekst: וְהָרָאָה֙ (veharaa) = en de wouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָ֣אַיָּ֔ה (haaya) = de valk | וְהַדַּיָּ֖ה (vehadaya) = en de zwarte wouw | לְמִינָֽהּ (leminah) = naar haar soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers heeft drie namen: רָאָה (ra’ah), ‘wouw’; אַיָּה (ayyah), ‘valk’; דַּיָּה (dayyah), ‘zwarte wouw’. In Lev. 11:14 staan alleen דָּאָה (da’ah), ‘wouw’, en ayyah. Wij nemen aan dat ra’ah en da’ah dezelfde vogel zijn. De weergave van dayyah is onzeker. Zie ook: Lev 11:14 **14:14** elke raaf naar zijn soort, Brontekst: וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = elke | עֹרֵ֖ב (orev) = raaf | לְמִינֽוֹ (lemino) = naar zijn soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:15** de struisvogel, de nachtzwaluw, de meeuw en de havik naar zijn soort, Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | בַּ֣ת (bat) = dochter van | הַֽיַּעֲנָ֔ה (hayaana) = de struis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתַּחְמָ֖ס (hatachmas) = de nachtzwaluw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁ֑חַף (hashachaf) = de meeuw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנֵּ֖ץ (hanets) = de havik | לְמִינֵֽהוּ (leminehu) = naar zijn soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:29 **14:16** het steenuiltje, de ooruil en de purperkoet, Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַכּ֥וֹס (hakos) = het steenuiltje | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיַּנְשׁ֖וּף (hayanshuf) = de ooruil | וְהַתִּנְשָֽׁמֶת (vehatinshamet) = en de purperkoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּנְשֶׁמֶת (tinshemet), ‘purperkoet’, zoals in Lev. 11:18. Hier staat deze vogel naast het steenuiltje en de ooruil. Zie ook: Lev 11:18 **14:17** de pelikaan, de aasgier en de aalscholver, Brontekst: וְהַקָּאָ֥ת (vehaqaat) = en de pelikaan | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | הָרָחָ֖מָה (harachama) = de aasgier | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁלָֽךְ (hashalakh) = de aalscholver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָאָת (qa’at), ‘pelikaan’; רָחָם (racham), ‘aasgier’; שָׁלָךְ (shalakh), ‘aalscholver’. In Lev. 11:17–18 staat dezelfde groep in andere volgorde. Zie ook: Lev 11:17–18 **14:18** de ooievaar, de reiger naar zijn soort, de hop en de vleermuis. Brontekst: וְהַ֣חֲסִידָ֔ה (vehachasida) = en de ooievaar | וְהָאֲנָפָ֖ה (vehaanafa) = en de reiger | לְמִינָ֑הּ (leminah) = naar haar soort | וְהַדּוּכִיפַ֖ת (vehadukhifat) = en de hop | וְהָעֲטַלֵּֽף (vehaatalef) = en de vleermuis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:19** Alle gevleugelde wemelende dieren zijn onrein voor jullie; ze mogen niet gegeten worden. Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | שֶׁ֣רֶץ (sherets) = wemelend dier van | הָע֔וֹף (haof) = het gevleugelde | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = het is | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | לֹ֖א (lo) = niet | יֵאָכֵֽלוּ (yeakhelu) = zij mogen gegeten worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁרֶץ הָעוֹף (sheretz ha’of), ‘gevleugelde wemelende dieren’: zoals in Lev. 11:20–23. Anders dan in Leviticus wordt hier de uitzondering van de sprinkhanen niet genoemd. Zie ook: Lev 11:20–23; Fil 3:19 **14:20** Elke reine vogel mogen jullie eten. Brontekst: כָּל (kal) = elke | ע֥וֹף (of) = vogel | טָה֖וֹר (tahor) = rein | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie mogen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:21** Je mag geen kadaver eten. Je mag het geven aan de vreemdeling die binnen je poorten is, zodat hij het eet, of je mag het verkopen aan een buitenlander. Want jij bent een heilig volk voor Yahweh, je Elohim. Je mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכְל֣וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | כָל (kal) = elk | נְ֠בֵלָה (nevela) = kadaver | לַגֵּ֨ר (lager) = aan de vreemdeling | אֲשֶׁר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶ֜יךָ (bishareikha) = binnen je poorten | תִּתְּנֶ֣נָּה (titenena) = je mag het geven | וַאֲכָלָ֗הּ (vaakhalah) = en hij zal het eten | א֤וֹ (o) = of | מָכֹר֙ (makhor) = verkoop | לְנָכְרִ֔י (lenakheri) = aan een buitenlander | כִּ֣י (ki) = want | עַ֤ם (am) = volk | קָדוֹשׁ֙ (qadosh) = heilig | אַתָּ֔ה (ata) = jij | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹֽא (lo) = niet | תְבַשֵּׁ֥ל (tevashel) = je zult koken | גְּדִ֖י (gedi) = een bokje | בַּחֲלֵ֥ב (bachalev) = in de melk van | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dier dat uit zichzelf gestorven is. Voor Israël zelf maakt het eten ervan onrein (Lev. 11:39–40; Lev. 17:15); hier mag het aan een vreemdeling gegeven worden. נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand die niet bij het volk hoort en er niet woont. Voetnoot : Het verbod ‘een bokje niet koken in de melk van zijn moeder’ staat ook in Exod. 23:19 en Exod. 34:26. Zie ook: Ex 23:19; Ex 34:26; Lev 11:39–40; Lev 17:15; Lev 22:8; Deut 14:2; Rom 12:2 ### De tiende **14:22** Je moet zeker de tiende geven van heel de opbrengst van wat je zaait, wat jaar na jaar uit het veld komt. Brontekst: עַשֵּׂ֣ר (aser) = tienden geven | תְּעַשֵּׂ֔ר (teaser) = je zult tienden geven | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | תְּבוּאַ֣ת (tevuat) = de opbrengst van | זַרְעֶ֑ךָ (zarekha) = je zaad | הַיֹּצֵ֥א (hayotse) = wat uitkomt | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | שָׁנָ֥ה (shana) = jaar | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’: een tiende deel van de opbrengst. עַשֵּׂר תְּעַשֵּׂר (asser te’asser), ‘je moet zeker de tiende geven’. Zie ook: Num 18:21; Deut 12:6; Deut 12:17; Deut 26:12–15; Neh 10:38 **14:23** Je moet eten voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, op de plaats die Hij kiest om Zijn naam daar te laten wonen. De tiende van je graan, je nieuwe wijn en je olie, en de eerstgeborenen van je runderen en je kleinvee. Zo leer je alle dagen Yahweh, je Elohim, te vrezen. Brontekst: וְאָכַלְתָּ֞ (veakhalta) = en je zult eten | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | בַּמָּק֣וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַר֮ (yivchar) = Hij zal kiezen | לְשַׁכֵּ֣ן (leshaken) = om te laten wonen | שְׁמ֣וֹ (shemo) = Zijn naam | שָׁם֒ (sham) = daar | מַעְשַׂ֤ר (masar) = de tiende van | דְּגָֽנְךָ֙ (deganekha) = je graan | תִּֽירֹשְׁךָ֣ (tiroshekha) = je nieuwe wijn | וְיִצְהָרֶ֔ךָ (veyitsharekha) = en je olie | וּבְכֹרֹ֥ת (uvekhorot) = en de eerstgeborenen van | בְּקָרְךָ֖ (beqarekha) = je runderen | וְצֹאנֶ֑ךָ (vetsonekha) = en je kleinvee | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תִּלְמַ֗ד (tilmad) = je leert | לְיִרְאָ֛ה (leyira) = te vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘nieuwe wijn’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’ (vers gewonnen olijfolie). לְשַׁכֵּן שְׁמוֹ (leshakken shemo), ‘Zijn naam laten wonen’: Yahweh woont met Zijn naam op de plaats die Hij kiest. Zie ook: Deut 4:10; Deut 12:5–7; Deut 12:17–18; Deut 15:19–20 **14:24** Als de weg te lang voor je is en je het niet kunt dragen. Omdat de plaats ver van je is die Yahweh, je Elohim, kiest om Zijn naam daar te stellen, wanneer Yahweh, je Elohim, je zegent, Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִרְבֶּ֨ה (yirbe) = zal groot zijn | מִמְּךָ֜ (mimekha) = voor jou | הַדֶּ֗רֶךְ (haderekh) = de weg | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | תוּכַ֘ל (tukhal) = je kunt | שְׂאֵתוֹ֒ (seeto) = het dragen | כִּֽי (ki) = wanneer | יִרְחַ֤ק (yirchaq) = het ver is | מִמְּךָ֙ (mimekha) = van jou | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִבְחַר֙ (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לָשׂ֥וּם (lasum) = om te stellen | שְׁמ֖וֹ (shemo) = Zijn naam | שָׁ֑ם (sham) = daar | כִּ֥י (ki) = wanneer | יְבָרֶכְךָ֖ (yevarekhkha) = Hij zegent jou | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: de oogst naar de plaats brengen. לָשׂוּם שְׁמוֹ (lasum shemo), ‘Zijn naam stellen’: dezelfde gedachte als ‘laten wonen’ in vers 23. Zie ook: Ex 23:31; Deut 11:24; Deut 12:5; Deut 12:21; Deut 14:23 **14:25** Dan moet je het voor geld ruilen, het geld in je hand vastbinden en gaan naar de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest. Brontekst: וְנָתַתָּ֖ה (venatata) = dan zul je geven | בַּכָּ֑סֶף (bakasef) = voor geld | וְצַרְתָּ֤ (vetsarta) = en je zult binden | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het geld | בְּיָ֣דְךָ֔ (beyadekha) = in je hand | וְהָֽלַכְתָּ֙ (vehalakhta) = en je zult gaan | אֶל (el) = naar | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִבְחַ֛ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בּֽוֹ (bo) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנָתַתָּ בַּכָּסֶף (venatatta bakesef), letterlijk ‘geef het voor geld’: de oogst wordt voor geld ingeruild. צָרַר (tsarar), ‘vastbinden’: het geld wordt in een doek of zak gebonden en in de hand gehouden. **14:26** Geef het geld uit aan alles waar je naar verlangt: runderen, kleinvee, wijn, sterke drank en alles wat je maar vraagt. Eet daar voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, en verheug je, jij en je huishouden. Brontekst: וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en je zult geven | הַכֶּ֡סֶף (hakesef) = het geld | בְּכֹל֩ (bekhol) = voor alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | תְּאַוֶּ֨ה (teave) = verlangt | נַפְשְׁךָ֜ (nafshekha) = je ziel | בַּבָּקָ֣ר (babaqar) = voor runderen | וּבַצֹּ֗אן (uvatson) = en voor kleinvee | וּבַיַּ֨יִן֙ (uvayayin) = en voor wijn | וּבַשֵּׁכָ֔ר (uvashekhar) = en voor sterke drank | וּבְכֹ֛ל (uvekhol) = en voor alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תִּֽשְׁאָלְךָ֖ (tishalekha) = zal vragen van jou | נַפְשֶׁ֑ךָ (nafshekha) = je ziel | וְאָכַ֣לְתָּ (veakhalta) = en je zult eten | שָּׁ֗ם (sham) = daar | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְשָׂמַחְתָּ֖ (vesamachta) = en je zult je verheugen | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וּבֵיתֶֽךָ (uveitekha) = en je huishouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּאַוֶּה נַפְשֶׁךָ (te’aweh nafshekha), letterlijk ‘wat je ziel verlangt’. שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’, zoals in Lev. 10:9. Zie ook: Lev 10:9; Deut 12:7; Deut 12:20–21; Deut 26:11; Pred 9:7; 1 Kor 6:12–13 **14:27** De Leviet die binnen je poorten is, mag je niet verlaten, want hij heeft geen deel en geen erfdeel bij je. Brontekst: וְהַלֵּוִ֥י (vehalevi) = en de Leviet | אֲשֶׁר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶ֖יךָ (bishareikha) = binnen je poorten | לֹ֣א (lo) = niet | תַֽעַזְבֶ֑נּוּ (taazvenu) = je zult hem verlaten | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet is | ל֛וֹ (lo) = aan hem | חֵ֥לֶק (cheleq) = deel | וְנַחֲלָ֖ה (venachala) = en erfdeel | עִמָּֽךְ (imakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: een stuk land als bezit. De Levieten krijgen geen eigen land; zij leven van de tienden en de offers. Zie ook: Num 18:20; Deut 12:12; Deut 14:29; Deut 18:1–2; Gal 6:6 ### De tiende in het derde jaar **14:28** Aan het einde van drie jaar moet je de hele tiende van je opbrengst van dat jaar naar buiten brengen. En je moet die neerleggen binnen je poorten. Brontekst: מִקְצֵ֣ה (miqtse) = aan het einde van | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֗ים (shanim) = jaren | תּוֹצִיא֙ (totsi) = je zult brengen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | מַעְשַׂר֙ (masar) = de tiende van | תְּבוּאָ֣תְךָ֔ (tevuatekha) = je opbrengst | בַּשָּׁנָ֖ה (bashana) = in het jaar | הַהִ֑וא (hahi) = dat | וְהִנַּחְתָּ֖ (vehinachta) = en je zult neerleggen | בִּשְׁעָרֶֽיךָ (bishareikha) = binnen je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het derde jaar blijft de tiende in de eigen stad; hij is dan voor de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe (vers 29). Zie ook: Deut 14:22; Deut 14:29; Deut 26:12–15; Amos 4:4 **14:29** Dan komt de Leviet, die geen deel en geen erfdeel bij je heeft. En ook de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen je poorten zijn. Zij eten en worden verzadigd, zodat Yahweh, je Elohim, je zegent in al het werk van je hand dat je doet. Brontekst: וּבָ֣א (uva) = en hij zal komen | הַלֵּוִ֡י (halevi) = de Leviet | כִּ֣י (ki) = want | אֵֽין (ein) = niet is | לוֹ֩ (lo) = aan hem | חֵ֨לֶק (cheleq) = deel | וְנַחֲלָ֜ה (venachala) = en erfdeel | עִמָּ֗ךְ (imakh) = met jou | וְ֠הַגֵּר (vehager) = en de vreemdeling | וְהַיָּת֤וֹם (vehayatom) = en de wees | וְהָֽאַלְמָנָה֙ (vehaalmana) = en de weduwe | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶ֔יךָ (bishareikha) = binnen je poorten | וְאָכְל֖וּ (veakhelu) = en zij zullen eten | וְשָׂבֵ֑עוּ (vesaveu) = en zij zullen verzadigd worden | לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | יְבָרֶכְךָ֙ (yevarekhkha) = Hij zegent jou | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכָל (bekhal) = in alle | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תַּעֲשֶֽׂה (taase) = je doet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 14:27; Deut 15:10; Deut 16:11; Spr 19:17; Mal 3:10–11 ## Deuteronomium 15 _Kwijtschelding in het zevende jaar, vrijlating van slaven, eerstgeborenen_ ### De kwijtschelding in het zevende jaar **15:1** Aan het einde van zeven jaar moet je een kwijtschelding houden. Brontekst: מִקֵּ֥ץ (miqets) = aan het einde van | שֶֽׁבַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult doen | שְׁמִטָּֽה (shemita) = kwijtschelding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמִטָּה (shemittah), ‘kwijtschelding’: letterlijk ‘loslaten’. Het zevende jaar laat schulden los, zoals het zevende jaar het land laat rusten (Exod. 23:10–11; Lev. 25:2–7). Zie ook: Ex 21:2; Ex 23:10–11; Lev 25:2–4; Deut 31:10; Luc 4:18–19 **15:2** Dit is de regel van de kwijtschelding: iedere schuldeiser moet de lening kwijtschelden die hij zijn naaste heeft gegeven. Hij mag het niet opeisen van zijn naaste en van zijn broer, want er is een kwijtschelding voor Yahweh uitgeroepen. Brontekst: וְזֶה֮ (veze) = en dit is | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | הַשְּׁמִטָּה֒ (hashemita) = de kwijtschelding | שָׁמ֗וֹט (shamot) = kwijtschelden | כָּל (kal) = elke | בַּ֨עַל֙ (baal) = meester van | מַשֵּׁ֣ה (mashe) = lening van | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יַשֶּׁ֖ה (yashe) = hij heeft geleend | בְּרֵעֵ֑הוּ (bereehu) = aan zijn naaste | לֹֽא (lo) = niet | יִגֹּ֤שׂ (yigos) = hij zal opeisen | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | כִּֽי (ki) = want | קָרָ֥א (qara) = is uitgeroepen | שְׁמִטָּ֖ה (shemita) = kwijtschelding | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַל מַשֵּׁה יָדוֹ (ba’al masheh yado), letterlijk ‘meester van de lening van zijn hand’: de schuldeiser. Het verbod betreft het opeisen van de schuld in dit jaar; wij vertalen ‘kwijtschelden’. Zie ook: Mat 6:12; Mat 18:25–35; Luc 6:34–38; Luc 7:42; Jak 2:13 **15:3** Van de buitenlander mag je het opeisen, maar wat je van je broer te vorderen hebt, moet je kwijtschelden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַנָּכְרִ֖י (hanakheri) = de buitenlander | תִּגֹּ֑שׂ (tigos) = je mag opeisen | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en wat | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | אֶת (et) = bij | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | תַּשְׁמֵ֥ט (tashmet) = zal kwijtschelden | יָדֶֽךָ (yadekha) = je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand die niet bij het volk hoort, zoals in Deut. 14:21. Voor hem geldt de kwijtschelding niet. Zie ook: Ex 22:24; Deut 14:21; Deut 23:21; Mat 17:25–26; Joh 8:35; 1 Kor 6:6–7 **15:4** Er zal echter geen arme onder jou zijn. Want Yahweh zal je zeker zegenen in het land dat Yahweh, je Elohim, je als erfdeel geeft om het in bezit te nemen. Brontekst: אֶ֕פֶס (efes) = tenzij | כִּ֛י (ki) = dat | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | בְּךָ֖ (bekha) = onder jou | אֶבְי֑וֹן (evyon) = arme | כִּֽי (ki) = want | בָרֵ֤ךְ (barekh) = zegenend | יְבָֽרֶכְךָ֙ (yevarekhkha) = Hij zal je zegenen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹֽתֵן (noten) = geeft | לְךָ֥ (lekha) = aan jou | נַחֲלָ֖ה (nachala) = als erfdeel | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפֶס כִּי (efes ki) kan ‘echter’ betekenen. Wij lezen het zo: er hoort geen arme te zijn, want Yahweh zegent. Dat het in vers 11 toch zo is dat er altijd armen zijn, hoort bij de menselijke ongehoorzaamheid van vers 5. Zie ook: Deut 14:29; Deut 15:5; Deut 15:11; Deut 28:11; Spr 11:24–25; Spr 28:27; Jes 58:10–11 **15:5** Dit geldt alleen als je goed luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim. Je moet heel dit gebod houden en doen dat ik je vandaag gebied. Brontekst: רַ֚ק (raq) = alleen | אִם (im) = als | שָׁמ֣וֹעַ (shamoa) = luisterend | תִּשְׁמַ֔ע (tishma) = je luistert | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹ֤ר (lishmor) = om te houden | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֣ה (hamitsva) = het gebod | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied jou | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het eerste woord is רַק (raq), ‘alleen’. Wij voegen ‘Dit geldt’ toe om de zin aan te laten sluiten op vers 4. Zie ook: Lev 26:3–14; Deut 11:13–15; Deut 15:4; Deut 28:1–15; Ps 19:12; Jes 1:19–20 **15:6** Want Yahweh, je Elohim, heeft je gezegend, zoals Hij tot je gesproken heeft. Je zult aan veel volken lenen, maar zelf niet lenen. Je zult over veel volken heersen, maar over jou zullen zij niet heersen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | בֵּֽרַכְךָ֔ (berakhkha) = heeft je gezegend | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּר (diber) = Hij sprak | לָ֑ךְ (lakh) = tot jou | וְהַֽעֲבַטְתָּ֞ (vehaavatta) = en je zult lenen geven | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲבֹ֔ט (taavot) = zul lenen | וּמָֽשַׁלְתָּ֙ (umashalta) = en je zult heersen | בְּגוֹיִ֣ם (begoyim) = over volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | וּבְךָ֖ (uvekha) = en over jou | לֹ֥א (lo) = niet | יִמְשֹֽׁלוּ (yimsholu) = zullen zij heersen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:12–13; Spr 22:7; 1 Kon 5:1; Neh 9:27; Luc 6:35 ### Geef de arme met open hand **15:7** Wanneer er onder jou een arme is, een van je broers, binnen een van je poorten, in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft. Dan mag je je hart niet hard maken. Je mag je hand niet sluiten voor je broer, de arme. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶה֩ (yihye) = zal zijn | בְךָ֨ (bekha) = onder jou | אֶבְי֜וֹן (evyon) = arme | מֵאַחַ֤ד (meachad) = van een | אַחֶ֨יךָ֙ (acheikha) = van je broers | בְּאַחַ֣ד (beachad) = binnen een van | שְׁעָרֶ֔יךָ (sheareikha) = je poorten | בְּאַ֨רְצְךָ֔ (beartsekha) = in je land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | לֹ֧א (lo) = niet | תְאַמֵּ֣ץ (teamets) = je zult hard maken | אֶת (et) = (obj.) | לְבָבְךָ֗ (levavekha) = je hart | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִקְפֹּץ֙ (tiqpots) = je zult sluiten | אֶת (et) = (obj.) | יָ֣דְךָ֔ (yadekha) = je hand | מֵאָחִ֖יךָ (meachikha) = voor je broer | הָאֶבְיֽוֹן (haevyon) = de arme Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶבְיוֹן (evyon), ‘arme’: wie echt gebrek heeft. Wij gebruiken ‘arme’ voor evyon; עָנִי (ani) in vers 11 vertalen wij met ‘behoeftige’, zodat de twee woorden te onderscheiden blijven. In Exod. 22:24 staat ani en in Exod. 23:6 evyon, beide vertaald met ‘arme’. Zie ook: Ex 22:24; Ex 23:6; Deut 15:9; Deut 15:11; Spr 21:13; Mat 18:30; Jak 2:15–16; 1 Joh 3:16–17 **15:8** Maar je moet je hand zeker voor hem openen en hem zeker lenen, genoeg voor het gebrek dat hij heeft. Brontekst: כִּֽי (ki) = maar | פָתֹ֧חַ (patoach) = openen | תִּפְתַּ֛ח (tiftach) = je zult openen | אֶת (et) = (obj.) | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וְהַעֲבֵט֙ (vehaavet) = en lenen | תַּעֲבִיטֶ֔נּוּ (taavitenu) = je zult hem lenen | דֵּ֚י (dei) = genoeg | מַחְסֹר֔וֹ (machsoro) = voor zijn gebrek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יֶחְסַ֖ר (yechsar) = hij mist | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 5:42; Luc 6:34 **15:9** Pas op dat er in je hart geen gedachte van Belial opkomt: „Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, is nabij.” Pas op dat je oog niet kwaad kijkt naar je broer, de arme, en dat je hem niets geeft. Dan roept hij over jou tot Yahweh en wordt het zonde voor je. Brontekst: הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = neem je in acht | לְךָ֡ (lekha) = voor jou | פֶּן (pen) = dat niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = er zal zijn | דָבָר֩ (davar) = een woord | עִם (im) = in | לְבָבְךָ֨ (levavekha) = je hart | בְלִיַּ֜עַל (beliyaal) = Belial | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | קָֽרְבָ֣ה (qareva) = is nabij | שְׁנַֽת (shenat) = het jaar van | הַשֶּׁבַע֮ (hasheva) = de zeven | שְׁנַ֣ת (shenat) = het jaar van | הַשְּׁמִטָּה֒ (hashemita) = de kwijtschelding | וְרָעָ֣ה (veraa) = en kwaad is | עֵֽינְךָ֗ (einekha) = je oog | בְּאָחִ֨יךָ֙ (beachikha) = tegen je broer | הָֽאֶבְי֔וֹן (haevyon) = de arme | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִתֵּ֖ן (titen) = je zult geven | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וְקָרָ֤א (veqara) = en hij roept | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | בְךָ֖ (bekha) = bij jou | חֵֽטְא (chete) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’, zoals in Deut. 13:14. ‘Een gedachte van Belial’ is een snode, nietswaardige gedachte. Zie ook: Ex 22:22; Deut 13:14; Deut 24:15; Jer 17:10; Mat 20:15; Jak 5:9 **15:10** Je moet hem zeker geven, en je hart mag er niet kwaad over zijn als je hem geeft. Want vanwege dit woord zal Yahweh, je Elohim, je zegenen in al je werk en in alles wat je hand onderneemt. Brontekst: נָת֤וֹן (naton) = geven | תִּתֵּן֙ (titen) = je zult geven | ל֔וֹ (lo) = aan hem | וְלֹא (velo) = en niet | יֵרַ֥ע (yera) = het zal kwaad zijn | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | בְּתִתְּךָ֣ (betitekha) = als je geeft | ל֑וֹ (lo) = aan hem | כִּ֞י (ki) = want | בִּגְלַ֣ל (biglal) = vanwege | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | יְבָרֶכְךָ֙ (yevarekhkha) = Hij zal je zegenen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכָֽל (bekhal) = in al | מַעֲשֶׂ֔ךָ (maasekha) = je werk | וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en in alles | מִשְׁלַ֥ח (mishlach) = het uitstrekken van | יָדֶֽךָ (yadekha) = je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 14:29; Spr 22:9; Jes 58:10; 1 Tim 6:18–19; Heb 13:16 **15:11** Want de arme zal nooit verdwijnen uit het midden van het land. Daarom gebied ik je: Je moet je hand zeker openen voor je broer, voor je behoeftige en voor je arme in je land. Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | יֶחְדַּ֥ל (yechdal) = zal ophouden | אֶבְי֖וֹן (evyon) = arme | מִקֶּ֣רֶב (miqerev) = uit het midden van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֙ (metsavekha) = gebied jou | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | פָּ֠תֹחַ (patoach) = openen | תִּפְתַּ֨ח (tiftach) = je zult openen | אֶת (et) = (obj.) | יָדְךָ֜ (yadekha) = je hand | לְאָחִ֧יךָ (leachikha) = voor je broer | לַעֲנִיֶּ֛ךָ (laaniyekha) = voor je behoeftige | וּלְאֶבְיֹנְךָ֖ (uleevyonekha) = en voor je arme | בְּאַרְצֶֽךָ (beartsekha) = in je land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers lijkt vers 4 tegen te spreken. Vers 4 zegt wat Yahweh wil: geen armen in het land. Vers 11 zegt wat er zal gebeuren zolang het volk zich niet aan het gebod houdt. Zie ook: Deut 15:4; Deut 15:8; Spr 22:2; Mat 26:11; Mar 14:7; Joh 12:8 ### De Hebreeuwse slaaf gaat in het zevende jaar vrij **15:12** Wanneer je broer, een Hebreeër of een Hebreeuwse, aan jou verkocht wordt, dan moet hij je zes jaar dienen. In het zevende jaar moet je hem vrij van je laten gaan. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִמָּכֵ֨ר (yimakher) = hij wordt verkocht | לְךָ֜ (lekha) = aan jou | אָחִ֣יךָ (achikha) = je broer | הָֽעִבְרִ֗י (haivri) = de Hebreeër | א֚וֹ (o) = of | הָֽעִבְרִיָּ֔ה (haivriya) = de Hebreeuwse | וַעֲבָֽדְךָ֖ (vaavadekha) = en hij zal je dienen | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaren | וּבַשָּׁנָה֙ (uvashana) = en in het jaar | הַשְּׁבִיעִ֔ת (hasheviit) = het zevende | תְּשַׁלְּחֶ֥נּוּ (teshalechenu) = je zult hem wegsturen | חָפְשִׁ֖י (chafeshi) = vrij | מֵעִמָּֽךְ (meimakh) = van bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִבְרִי (ivri), ‘Hebreeër’, zoals in Exod. 21:2; het is een volksgenoot die zich als slaaf heeft laten verkopen. Wij houden ‘slaaf’ aan zoals in Exod. 21:2; in Lev. 25:39–42 staat een soortgelijke regel, waar wij ‘dienaar’ lezen. Zie ook Exod. 21:2–6. Zie ook: Ex 21:2–6; Lev 25:39–41; Deut 15:1; Jer 34:14; Joh 8:35–36 **15:13** En wanneer je hem vrij van je laat gaan, mag je hem niet met lege handen laten gaan. Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | תְשַׁלְּחֶ֥נּוּ (teshalechenu) = je hem wegstuurt | חָפְשִׁ֖י (chafeshi) = vrij | מֵֽעִמָּ֑ךְ (meimakh) = van bij jou | לֹ֥א (lo) = niet | תְשַׁלְּחֶ֖נּוּ (teshalechenu) = je zult hem wegsturen | רֵיקָֽם (reiqam) = met lege handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:42–44; Spr 3:27–28; Jer 22:13; Mal 3:5; Kol 4:1 **15:14** Je moet hem rijkelijk meegeven van je kleinvee, van je dorsvloer en van je wijnpers. Geef hem van wat Yahweh, je Elohim, je gezegend heeft. Brontekst: הַעֲנֵ֤יק (haaneiq) = rijkelijk geven | תַּעֲנִיק֙ (taaniq) = je zult rijkelijk geven | ל֔וֹ (lo) = aan hem | מִצֹּ֣אנְךָ֔ (mitsonkha) = van je kleinvee | וּמִֽגָּרְנְךָ֖ (umigarenekha) = en van je dorsvloer | וּמִיִּקְבֶ֑ךָ (umiyiqvekha) = en van je wijnpers | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | בֵּרַכְךָ֛ (berakhkha) = heeft gezegend jou | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | תִּתֶּן (titen) = je zult geven | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶעֱנִיק (he’eniq), ‘rijkelijk meegeven’: letterlijk ‘als een halsketting omhangen’. Het gaat om een gift die ruim genoeg is om een nieuw begin te maken. Zie ook: Ps 68:11; Spr 10:22; Neh 8:10; Hand 20:35; 1 Kor 16:2 **15:15** Denk eraan dat je een slaaf was in het land Egypte en dat Yahweh, je Elohim, je heeft vrijgekocht. Daarom gebied ik je dit vandaag. Brontekst: וְזָכַרְתָּ֗ (vezakharta) = en je zult gedenken | כִּ֣י (ki) = dat | עֶ֤בֶד (eved) = slaaf | הָיִ֨יתָ֙ (hayita) = je was | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַֽיִּפְדְּךָ֖ (vayifdekha) = en vrijkocht jou | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | אָנֹכִ֧י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֛ (metsavekha) = gebied jou | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 13:6. Zie ook: Deut 13:6; Deut 16:12; Jes 51:1; Mat 18:32–33; 1 Joh 3:16; 1 Joh 4:9–11 **15:16** Maar als hij tegen je zegt: „Ik wil niet bij je weggaan,” omdat hij van jou en je huishouden houdt. Want het is goed voor hem bij jou, Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יֹאמַ֣ר (yomar) = hij zegt | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tegen jou | לֹ֥א (lo) = niet | אֵצֵ֖א (etse) = ik zal weggaan | מֵעִמָּ֑ךְ (meimakh) = van bij jou | כִּ֤י (ki) = want | אֲהֵֽבְךָ֙ (ahevekha) = hij heeft lief jou | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּיתֶ֔ךָ (beitekha) = je huishouden | כִּי (ki) = want | ט֥וֹב (tov) = goed is | ל֖וֹ (lo) = voor hem | עִמָּֽךְ (imakh) = bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Exod. 21:5–6: ook daar kiest de slaaf voor zijn heer. Zie ook: Ex 21:5–6; Ps 40:7; Ps 40:9 **15:17** dan moet je de els nemen en die door zijn oor in de deur steken, en hij zal je voor altijd slaaf zijn. Ook met je slavin moet je zo doen. Brontekst: וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en je zult nemen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּרְצֵ֗עַ (hamartsea) = de els | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en je zult steken | בְאָזְנוֹ֙ (beazeno) = in zijn oor | וּבַדֶּ֔לֶת (uvadelet) = en in de deur | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en hij zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | עֶ֣בֶד (eved) = slaaf van | עוֹלָ֑ם (olam) = altijd | וְאַ֥ף (veaf) = en ook | לַאֲמָתְךָ֖ (laamatekha) = voor je slavin | תַּעֲשֶׂה (taase) = je zult doen | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְצֵעַ (martsea), ‘els’: een scherp gereedschap om te doorboren. Het oor wordt door de deur vastgezet; zie Exod. 21:6. Zie ook: Ex 21:6; Lev 25:39–42; 1 Sam 1:22 **15:18** Het mag je niet zwaar vallen als je hem vrij van je laat gaan. Want hij heeft je zes jaar gediend voor het dubbele loon van een loonarbeider. Dan zal Yahweh, je Elohim, je zegenen in alles wat je doet. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִקְשֶׁ֣ה (yiqshe) = het zal hard zijn | בְעֵינֶ֗ךָ (beeinekha) = in je oog | בְּשַׁלֵּֽחֲךָ֙ (beshalechakha) = als je wegstuurt | אֹת֤וֹ (oto) = hem | חָפְשִׁי֙ (chafeshi) = vrij | מֵֽעִמָּ֔ךְ (meimakh) = van bij jou | כִּ֗י (ki) = want | מִשְׁנֶה֙ (mishne) = dubbel | שְׂכַ֣ר (sekhar) = het loon van | שָׂכִ֔יר (sakhir) = een loonarbeider | עֲבָֽדְךָ֖ (avadekha) = heeft hij je gediend | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaren | וּבֵֽרַכְךָ֙ (uverakhkha) = en Hij zal je zegenen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תַּעֲשֶֽׂה (taase) = je doet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁנֶה שְׂכַר שָׂכִיר (mishneh sekhar sakhir), ‘het dubbele loon van een loonarbeider’: de zes jaar dienst waren evenveel waard als twaalf jaar loon, of: hij heeft meer voor je gedaan dan een loonarbeider. Wij laten de zin zoals hij staat. Zie ook: Jes 16:14; Jes 21:16; Luc 17:7–8 ### De eerstgeborenen van het vee **15:19** Elk mannelijk eerstgeborene dat onder je runderen en je kleinvee geboren wordt, moet je aan Yahweh, je Elohim, heiligen. Je mag het eerstgeborene van je rund niet voor werk gebruiken en het eerstgeborene van je kleinvee niet scheren. Brontekst: כָּֽל (kal) = elk | הַבְּכ֡וֹר (habekhor) = eerstgeborene | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | יִוָּלֵ֨ד (yivaled) = geboren wordt | בִּבְקָרְךָ֤ (bivqarekha) = onder je runderen | וּבְצֹֽאנְךָ֙ (uvetsonkha) = en onder je kleinvee | הַזָּכָ֔ר (hazakhar) = het mannelijke | תַּקְדִּ֖ישׁ (taqdish) = je zult heiligen | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹ֤א (lo) = niet | תַעֲבֹד֙ (taavod) = je zult laten werken | בִּבְכֹ֣ר (bivkhor) = met de eerstgeborene van | שׁוֹרֶ֔ךָ (shorekha) = je rund | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תָגֹ֖ז (tagoz) = je zult scheren | בְּכ֥וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | צֹאנֶֽךָ (tsonekha) = je kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכוֹר (bekhor), ‘eerstgeborene’. Zie ook Exod. 13:2, 13:12 en Exod. 34:19–20. Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12; Ex 34:19–20; Lev 27:26; Num 18:17; Deut 12:17 **15:20** Voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, moet je het eten, jaar na jaar, op de plaats die Yahweh kiest, jij en je huishouden. Brontekst: לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֤יךָ (eloheikha) = je Elohim | תֹאכֲלֶ֨נּוּ֙ (tokhalenu) = je zult het eten | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | בְשָׁנָ֔ה (beshana) = in het jaar | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֣ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וּבֵיתֶֽךָ (uveitekha) = en je huishouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:5–7; Deut 12:17; Deut 14:23 **15:21** Maar als het een gebrek heeft, kreupel of blind, of welk ernstig gebrek ook, mag je het niet slachten voor Yahweh, je Elohim. Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | ב֜וֹ (bo) = aan hem | מ֗וּם (mum) = gebrek | פִּסֵּ֨חַ֙ (piseach) = kreupel | א֣וֹ (o) = of | עִוֵּ֔ר (iver) = blind | כֹּ֖ל (kol) = elk | מ֣וּם (mum) = gebrek van | רָ֑ע (ra) = kwaad | לֹ֣א (lo) = niet | תִזְבָּחֶ֔נּוּ (tizbachenu) = je zult het slachten | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָבַח (zavach), ‘slachten’: een dier slachten, ook als offer. Een dier met een gebrek is niet geschikt voor Yahweh, zoals ook Lev. 22:20–21 zegt. Zie ook: Lev 22:19–25; Lev 22:20–21; Deut 17:1; Mal 1:7–8 **15:22** Binnen je poorten mag je het eten, de onreine en de reine samen, zoals je een gazelle of een hert eet. Brontekst: בִּשְׁעָרֶ֖יךָ (bishareikha) = binnen je poorten | תֹּאכֲלֶ֑נּוּ (tokhalenu) = je zult het eten | הַטָּמֵ֤א (hatame) = de onreine | וְהַטָּהוֹר֙ (vehatahor) = en de reine | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | כַּצְּבִ֖י (katsevi) = als een gazelle | וְכָאַיָּֽל (vekhaayal) = en als een hert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een dier met een gebrek mag wel thuis gegeten worden, door reine en onreine mensen. Het wordt behandeld als wild, zoals gazelle en hert (Deut. 12:15–16). Zie ook: Deut 12:15–16; Deut 12:21–22 **15:23** Alleen zijn bloed mag je niet eten; op de aarde moet je het uitgieten als water. Brontekst: רַ֥ק (raq) = alleen | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֖וֹ (damo) = zijn bloed | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֑ל (tokhel) = je zult eten | עַל (al) = op | הָאָ֥רֶץ (haarets) = de aarde | תִּשְׁפְּכֶ֖נּוּ (tishpekhenu) = je zult het uitgieten | כַּמָּֽיִם (kamayim) = als water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed wordt niet gegeten; zie Lev. 17:10–14 en Gen. 9:4. Zie ook: Gen 9:4; Lev 7:26; Lev 17:10–14; Deut 12:16; Deut 12:23; 1 Sam 14:32; Ezech 33:25 ## Deuteronomium 16 _De drie feesten, rechters en verboden zuilen_ ### Het Pesach en de ongezuurde broden **16:1** Houd de maand Abib in acht en vier het Pesach voor Yahweh, je Elohim. Want in de maand Abib heeft Yahweh, je Elohim, je ’s nachts uit Egypte geleid. Brontekst: שָׁמוֹר֙ (shamor) = houd | אֶת (et) = (obj.) | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = de maand | הָאָבִ֔יב (haaviv) = Abib | וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en je zult vieren | פֶּ֔סַח (pesach) = Pesach | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | כִּ֞י (ki) = want | בְּחֹ֣דֶשׁ (bechodesh) = in de maand | הָֽאָבִ֗יב (haaviv) = Abib | הוֹצִ֨יאֲךָ֜ (hotsiakha) = leidde jou uit | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | מִמִּצְרַ֖יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לָֽיְלָה (layela) = 's nachts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אָבִיב (aviv), ‘Abib’: de lente- en graanmaand, zoals in Exod. 13:4 en Exod. 34:18. פֶּסַח (pesach), ‘Pesach’: zie Exod. 12 en Lev. 23:5. Zie ook: Ex 12:2–20; Ex 13:4; Ex 34:18; Lev 23:5; Num 28:16 **16:2** Je moet het Pesach slachten voor Yahweh, je Elohim, van het kleinvee en de runderen. Dat moet je doen op de plaats die Yahweh kiest om Zijn naam daar te laten wonen. Brontekst: וְזָבַ֥חְתָּ (vezavachta) = en je zult slachten | פֶּ֛סַח (pesach) = Pesach | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | צֹ֣אן (tson) = kleinvee | וּבָקָ֑ר (uvaqar) = en rundvee | בַּמָּקוֹם֙ (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֣ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְשַׁכֵּ֥ן (leshaken) = om te laten wonen | שְׁמ֖וֹ (shemo) = Zijn naam | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Pesach wordt hier genoemd ‘van het kleinvee en de runderen’; in Exod. 12:5 is het een lam of een geitenbok. Hier gaat het om het hele feest, ook de offers van de feestweek. Voetnoot : לְשַׁכֵּן שְׁמוֹ (leshakken shemo), ‘Zijn naam laten wonen’, zoals in Deut. 14:23. Zie ook: Ex 12:5; Num 28:16–19; Deut 12:5; Deut 12:26; Deut 14:23; Mat 26:17; 1 Kor 5:7 **16:3** Je mag er niets gezuurds bij eten. Zeven dagen lang moet je er ongezuurde broden bij eten, brood van ellende, want je bent in haast uit het land Egypte getrokken. Zo gedenk je alle dagen van je leven de dag van je uittocht uit het land Egypte. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תֹאכַ֤ל (tokhal) = je zult eten | עָלָיו֙ (alav) = erbij | חָמֵ֔ץ (chamets) = gezuurd | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֛ים (yamim) = dagen | תֹּֽאכַל (tokhal) = je zult eten | עָלָ֥יו (alav) = erbij | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurde broden | לֶ֣חֶם (lechem) = brood van | עֹ֑נִי (oni) = ellende | כִּ֣י (ki) = want | בְחִפָּז֗וֹן (bechipazon) = in haast | יָצָ֨אתָ֙ (yatsata) = je trok uit | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תִּזְכֹּר֔ (tizkor) = je gedenkt | אֶת (et) = (obj.) | י֤וֹם (yom) = de dag van | צֵֽאתְךָ֙ (tsetkha) = je uittocht | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיֶּֽיךָ (chayeikha) = je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לֶחֶם עֹנִי (lechem oni), ‘brood van ellende’: het brood dat herinnert aan de nood in Egypte. Zie ook Exod. 12:34 en Exod. 12:39. Wij vertalen עֲלֵיהּ (alav) met ‘erbij’: het brood wordt bij het Pesachoffer gegeten. Zie ook: Ex 12:14–15; Ex 12:19–20; Ex 12:34; Ex 12:39; Ex 13:3–9; Ex 34:18 **16:4** Zeven dagen lang mag er bij jou in heel je gebied geen zuurdeeg gezien worden. Ook mag van het vlees dat je op de avond van de eerste dag slacht, niets overnachten tot de morgen. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵרָאֶ֨ה (yerae) = zal gezien worden | לְךָ֥ (lekha) = bij jou | שְׂאֹ֛ר (seor) = zuurdeeg | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּבֻלְךָ֖ (gevulkha) = je gebied | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וְלֹא (velo) = en niet | יָלִ֣ין (yalin) = zal overnachten | מִן (min) = van | הַבָּשָׂ֗ר (habasar) = het vlees | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | תִּזְבַּ֥ח (tizbach) = je slacht | בָּעֶ֛רֶב (baerev) = 's avonds | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | לַבֹּֽקֶר (laboqer) = tot de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂאֹר (se’or), ‘zuurdeeg’, zoals in Exod. 12:15 en Exod. 12:19. Zie ook: Ex 12:8; Ex 12:10; Ex 12:15; Ex 12:19; Ex 13:7; Ex 34:25 **16:5** Je mag het Pesach niet slachten in een van je poorten die Yahweh, je Elohim, je geeft, Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תוּכַ֖ל (tukhal) = je kunt | לִזְבֹּ֣חַ (lizboach) = om te slachten | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֑סַח (hapasach) = het Pesach | בְּאַחַ֣ד (beachad) = in een van | שְׁעָרֶ֔יךָ (sheareikha) = je poorten | אֲשֶׁר (asher) = die | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:5–6; Deut 16:2 **16:6** maar op de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest om Zijn naam daar te laten wonen. Daar moet je het Pesach slachten, ’s avonds bij zonsondergang, op de tijd dat je uit Egypte trok. Brontekst: כִּ֠י (ki) = maar | אִֽם (im) = als | אֶל (el) = naar | הַמָּק֞וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֨ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | לְשַׁכֵּ֣ן (leshaken) = om te laten wonen | שְׁמ֔וֹ (shemo) = Zijn naam | שָׁ֛ם (sham) = daar | תִּזְבַּ֥ח (tizbach) = je zult slachten | אֶת (et) = (obj.) | הַפֶּ֖סַח (hapesach) = het Pesach | בָּעָ֑רֶב (baarev) = 's avonds | כְּב֣וֹא (kevo) = bij het ondergaan van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | מוֹעֵ֖ד (moed) = tijd van | צֵֽאתְךָ֥ (tsetkha) = je uittocht | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De tijd van het Pesach wordt hier aangegeven met ‘bij zonsondergang’, zoals Exod. 12:6 ‘tussen de twee avonden’. Zie ook: Ex 12:6–9; Deut 12:5; Mat 26:20; 1 Petr 1:19–20; Heb 9:26 **16:7** Je moet het koken en eten op de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest. ’s Morgens moet je je omkeren en naar je tenten teruggaan. Brontekst: וּבִשַּׁלְתָּ֙ (uvishalta) = en je zult koken | וְאָ֣כַלְתָּ֔ (veakhalta) = en je zult eten | בַּמָּק֕וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִבְחַ֛ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בּ֑וֹ (bo) = daarin | וּפָנִ֣יתָ (ufanita) = en je zult je keren | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = 's morgens | וְהָלַכְתָּ֖ (vehalakhta) = en je zult gaan | לְאֹהָלֶֽיךָ (leohaleikha) = naar je tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 16:2; Deut 16:6; 2 Kon 23:23; 2 Kron 35:13; Joh 2:13 **16:8** Zes dagen lang moet je ongezuurde broden eten. Op de zevende dag is er een slotsamenkomst voor Yahweh, je Elohim. Dan mag je geen werk doen. Brontekst: שֵׁ֥שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | תֹּאכַ֣ל (tokhal) = je zult eten | מַצּ֑וֹת (matsot) = ongezuurde broden | וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | עֲצֶ֨רֶת֙ (atseret) = slotsamenkomst | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֶׂ֖ה (taase) = je zult doen | מְלָאכָֽה (melakha) = werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצֶרֶת (atseret), ‘slotsamenkomst’, zoals in Lev. 23:36. Zie ook: Ex 12:15–16; Ex 13:6–8; Lev 23:6–8; Lev 23:36; Num 28:17–19 ### Het feest van de weken **16:9** Zeven weken moet je voor jezelf tellen. Vanaf het moment dat de sikkel in het staande koren komt, moet je beginnen met het tellen van zeven weken. Brontekst: שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | שָׁבֻעֹ֖ת (shavuot) = weken | תִּסְפָּר (tispar) = je zult tellen | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | מֵהָחֵ֤ל (mehachel) = vanaf het beginnen van | חֶרְמֵשׁ֙ (chermesh) = sikkel | בַּקָּמָ֔ה (baqama) = aan het staande koren | תָּחֵ֣ל (tachel) = je zult beginnen | לִסְפֹּ֔ר (lispor) = te tellen | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | שָׁבֻעֽוֹת (shavuot) = weken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרְמֵשׁ (chermesh), ‘sikkel’. Het tellen begint bij het begin van de graanoogst. Zie Lev. 23:15–16. Zie ook: Ex 23:16; Ex 34:22; Lev 23:15–16; Deut 16:10; Hand 2:1 **16:10** Dan moet je het feest van de weken vieren voor Yahweh, je Elohim, met een vrijwillige gave naar wat je hand kan geven. Geef dat zoals Yahweh, je Elohim, je zegent. Brontekst: וְעָשִׂ֜יתָ (veasita) = en je zult vieren | חַ֤ג (chag) = feest van | שָׁבֻעוֹת֙ (shavuot) = weken | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | מִסַּ֛ת (misat) = zoveel als | נִדְבַ֥ת (nidvat) = vrijwillige gave van | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּתֵּ֑ן (titen) = je zult geven | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | יְבָרֶכְךָ֖ (yevarekhkha) = Hij zegent jou | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַג שָׁבֻעוֹת (chag shavuot), ‘feest van de weken’, zoals in Exod. 34:22. Voetnoot Lezing: מִסַּת (missat) komt alleen hier voor. Wij vertalen de zin vrij: een vrijwillige gave naar het vermogen van je hand. De betekenis van het woord is onzeker. Zie ook: Ex 34:22; Hag 2:15–19; Mal 3:10–11; 1 Kor 16:2; 2 Kor 8:10; 2 Kor 9:5–11 **16:11** Je moet je verheugen voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim. Dat moet je doen op de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest om Zijn naam daar te laten wonen. Dit geldt voor jou, je zoon, je dochter, je dienaar, je dienares. Ook de Leviet binnen je poorten, de vreemdeling, de wees en de weduwe die in je midden zijn, moeten zich verheugen. Brontekst: וְשָׂמַחְתָּ֞ (vesamachta) = en je zult je verheugen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | אַתָּ֨ה (ata) = jij | וּבִנְךָ֣ (uvinkha) = en je zoon | וּבִתֶּךָ֮ (uvitekha) = en je dochter | וְעַבְדְּךָ֣ (veavdekha) = en je dienaar | וַאֲמָתֶךָ֒ (vaamatekha) = en je dienares | וְהַלֵּוִי֙ (vehalevi) = en de Leviet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶ֔יךָ (bishareikha) = binnen je poorten | וְהַגֵּ֛ר (vehager) = en de vreemdeling | וְהַיָּת֥וֹם (vehayatom) = en de wees | וְהָאַלְמָנָ֖ה (vehaalmana) = en de weduwe | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּקִרְבֶּ֑ךָ (beqirbekha) = in je midden | בַּמָּק֗וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִבְחַר֙ (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְשַׁכֵּ֥ן (leshaken) = om te laten wonen | שְׁמ֖וֹ (shemo) = Zijn naam | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד (eved) en אָמָה (amah) vertalen wij in opsommingen met ‘dienaar’ en ‘dienares’, zoals in Exod. 20:10 en Lev. 25:6. In Deut. 15 gaat het om gekochte mensen en vertalen wij ‘slaaf’ en ‘slavin’, zoals in Exod. 21. Zie ook: Ex 20:10; Lev 25:6; Deut 12:7; Deut 12:12; Deut 12:18; Jes 64:4; 2 Kor 1:24 **16:12** Denk eraan dat je een slaaf was in Egypte. Houd deze voorschriften en doe ze. Brontekst: וְזָ֣כַרְתָּ֔ (vezakharta) = en je zult gedenken | כִּי (ki) = dat | עֶ֥בֶד (eved) = slaaf | הָיִ֖יתָ (hayita) = je was | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְשָׁמַרְתָּ֣ (veshamarta) = en je zult houden | וְעָשִׂ֔יתָ (veasita) = en je zult doen | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחֻקִּ֖ים (hachuqim) = de voorschriften | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 15:15; Deut 16:15; Klaagl 3:19–20; Ef 2:1–3; Ef 2:11 ### Het feest van de hutten **16:13** Het feest van de hutten moet je zeven dagen lang voor jezelf vieren, wanneer je de oogst van je dorsvloer en je wijnpers binnenhaalt. Brontekst: חַ֧ג (chag) = feest van | הַסֻּכֹּ֛ת (hasukot) = de hutten | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult vieren | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | בְּאָ֨סְפְּךָ֔ (beaspekha) = als je binnenhaalt | מִֽגָּרְנְךָ֖ (migarenekha) = van je dorsvloer | וּמִיִּקְבֶֽךָ (umiyiqvekha) = en van je wijnpers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַג הַסֻּכּוֹת (chag hassukkot), ‘feest van de hutten’, zoals in Lev. 23:34. Zie ook: Ex 23:16; Ex 34:22; Lev 23:34–36; 2 Kron 5:3; Joh 7:2 **16:14** Je moet je verheugen op je feest, jij, je zoon, je dochter, je dienaar, je dienares. Ook de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen je poorten zijn, moeten zich verheugen. Brontekst: וְשָׂמַחְתָּ֖ (vesamachta) = en je zult je verheugen | בְּחַגֶּ֑ךָ (bechagekha) = op je feest | אַתָּ֨ה (ata) = jij | וּבִנְךָ֤ (uvinkha) = en je zoon | וּבִתֶּ֨ךָ֙ (uvitekha) = en je dochter | וְעַבְדְּךָ֣ (veavdekha) = en je dienaar | וַאֲמָתֶ֔ךָ (vaamatekha) = en je dienares | וְהַלֵּוִ֗י (vehalevi) = en de Leviet | וְהַגֵּ֛ר (vehager) = en de vreemdeling | וְהַיָּת֥וֹם (vehayatom) = en de wees | וְהָאַלְמָנָ֖ה (vehaalmana) = en de weduwe | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶֽיךָ (bishareikha) = binnen je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 16:11; Deut 26:11; Pred 9:7; Jes 12:1–6; Neh 8:9–12 **16:15** Zeven dagen lang moet je feest vieren voor Yahweh, je Elohim, op de plaats die Yahweh kiest. Want Yahweh, je Elohim, zal je zegenen in heel je opbrengst en in al het werk van je handen, en je zult louter vreugde hebben. Brontekst: שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | תָּחֹג֙ (tachog) = je zult feest vieren | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֣ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | יְבָרֶכְךָ֞ (yevarekhkha) = Hij zal je zegenen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכֹ֤ל (bekhol) = in heel | תְּבוּאָֽתְךָ֙ (tevuatekha) = je opbrengst | וּבְכֹל֙ (uvekhol) = en in alle | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | יָדֶ֔יךָ (yadeikha) = je handen | וְהָיִ֖יתָ (vehayita) = en je zult zijn | אַ֥ךְ (akh) = slechts | שָׂמֵֽחַ (sameach) = verheugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַךְ שָׂמֵחַ (akh sameach), letterlijk ‘slechts verheugd’: niets dan vreugde. Zie ook: Lev 23:36–42; Deut 7:13; Deut 16:10; Deut 28:8–12; Deut 30:16 ### Drie keer per jaar voor het aangezicht van Yahweh **16:16** Drie keer per jaar moet al je mannelijk volk voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, verschijnen op de plaats die Hij kiest. Op het feest van de ongezuurde broden, op het feest van de weken en op het feest van de hutten. Niemand mag met lege handen voor het aangezicht van Yahweh verschijnen, Brontekst: שָׁל֣וֹשׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֣ים (peamim) = keer | בַּשָּׁנָ֡ה (bashana) = per jaar | יֵרָאֶ֨ה (yerae) = zal verschijnen | כָל (kal) = al | זְכוּרְךָ֜ (zekhurekha) = je mannelijke volk | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | בַּמָּקוֹם֙ (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִבְחָ֔ר (yivchar) = Hij zal kiezen | בְּחַ֧ג (bechag) = op het feest van | הַמַּצּ֛וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | וּבְחַ֥ג (uvechag) = en op het feest van | הַשָּׁבֻע֖וֹת (hashavuot) = de weken | וּבְחַ֣ג (uvechag) = en op het feest van | הַסֻּכּ֑וֹת (hasukot) = de hutten | וְלֹ֧א (velo) = en niet | יֵרָאֶ֛ה (yerae) = zal hij verschijnen | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | רֵיקָֽם (reiqam) = met lege handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְכוּרְךָ (zekhurkha), ‘je mannelijke volk’, zoals in Exod. 23:17. De drie feesten zijn ook die van Exod. 23:14–17 en Exod. 34:18–23; in Exodus heet het feest van de hutten ‘feest van de inzameling’. Zie ook: Ex 23:14–17; Ex 23:17; Ex 34:18–23; Ps 96:8; Spr 3:9–10; Hag 1:9; Mat 2:11 **16:17** ieder met een gave van zijn hand, naar de zegen die Yahweh, je Elohim, je heeft gegeven. Brontekst: אִ֖ישׁ (ish) = ieder | כְּמַתְּנַ֣ת (kematenat) = naar de gave van | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | כְּבִרְכַּ֛ת (kevirkat) = naar de zegen van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָֽתַן (natan) = Hij heeft gegeven | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 27:8; Deut 16:10; Mar 12:41–44; 2 Kor 8:12; 2 Kor 9:6–7 ### Rechters en opzichters **16:18** Rechters en opzichters moet je voor jezelf aanstellen in al je poorten die Yahweh, je Elohim, je geeft, per stam. Zij moeten het volk recht spreken met rechtvaardig recht. Brontekst: שֹׁפְטִ֣ים (shofetim) = rechters | וְשֹֽׁטְרִ֗ים (veshoterim) = en opzichters | תִּֽתֶּן (titen) = je zult aanstellen | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | בְּכָל (bekhal) = in al | שְׁעָרֶ֔יךָ (sheareikha) = je poorten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | לִשְׁבָטֶ֑יךָ (lishvateikha) = volgens je stammen | וְשָׁפְט֥וּ (veshafetu) = en zij zullen oordelen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מִשְׁפַּט (mishpat) = met recht van | צֶֽדֶק (tsedeq) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁפְטִים (shofetim), ‘rechters’, en שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: ambtenaren die het recht uitvoeren. מִשְׁפָּט צֶדֶק (mishpat tsedeq), letterlijk ‘recht van gerechtigheid’: wij vertalen ‘rechtvaardig recht’. Zie ook: Ex 18:25–26; Deut 17:9; Deut 17:12; 1 Kron 23:4; 2 Kron 19:5–11 **16:19** Je mag het recht niet verdraaien. Je mag niemand voortrekken en je mag geen steekpenning aannemen, want een steekpenning maakt de ogen van wijzen blind en verdraait de woorden van rechtvaardigen. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַטֶּ֣ה (tate) = je zult verdraaien | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | לֹ֥א (lo) = niet | תַכִּ֖יר (takir) = je zult erkennen | פָּנִ֑ים (panim) = gezichten | וְלֹא (velo) = en niet | תִקַּ֣ח (tiqach) = je zult nemen | שֹׁ֔חַד (shochad) = steekpenning | כִּ֣י (ki) = want | הַשֹּׁ֗חַד (hashochad) = de steekpenning | יְעַוֵּר֙ (yeaver) = maakt blind | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | חֲכָמִ֔ים (chakhamim) = wijzen | וִֽיסַלֵּ֖ף (visalef) = en verdraait | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | צַדִּיקִֽם (tsadiqim) = rechtvaardigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא תַכִּיר פָּנִים (lo takir panim), letterlijk ‘gezichten niet erkennen’: iemand voortrekken om wie hij is. שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’, zoals in Exod. 23:8, waar dezelfde woorden staan. Zie ook: Ex 23:2; Ex 23:8; Lev 19:15; Deut 10:17; Spr 17:23; Hab 1:4 **16:20** Gerechtigheid, gerechtigheid moet je nastreven, zodat je leeft en het land in bezit neemt dat Yahweh, je Elohim, je geeft. Brontekst: צֶ֥דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | צֶ֖דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | תִּרְדֹּ֑ף (tirdof) = je zult nastreven | לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | תִּֽחְיֶה֙ (tichye) = je leeft | וְיָרַשְׁתָּ֣ (veyarashta) = en je zult in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶדֶק צֶדֶק (tsedeq tsedeq), ‘gerechtigheid, gerechtigheid’: de herhaling benadrukt dat gerechtigheid ook met rechtvaardige middelen moet worden nagestreefd. Zie ook: Mi 6:8; Ezech 18:5; Ezech 18:9; Rom 10:5; Fil 4:8 ### Geen heilige paal en geen gewijde zuil **16:21** Je mag voor jezelf geen heilige paal planten, van welke boom ook, naast het altaar van Yahweh, je Elohim, dat je voor jezelf maakt. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִטַּ֥ע (tita) = je zult planten | לְךָ֛ (lekha) = voor jezelf | אֲשֵׁרָ֖ה (ashera) = heilige paal | כָּל (kal) = elke | עֵ֑ץ (ets) = boom | אֵ֗צֶל (etsel) = naast | מִזְבַּ֛ח (mizbach) = altaar van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תַּעֲשֶׂה (taase) = je zult maken | לָּֽךְ (lakh) = voor jezelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: een paal of boom bij een heiligdom van de Kanaänitische godin Asjera; zie Exod. 34:13. Zie ook: Ex 34:13; Re 3:7; 2 Kon 17:16; 2 Kon 21:3; 2 Kron 33:3 **16:22** Je mag ook geen gewijde zuil voor jezelf oprichten, want Yahweh, je Elohim, haat die. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תָקִ֥ים (taqim) = je zult oprichten | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | מַצֵּבָ֑ה (matseva) = gewijde zuil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׂנֵ֖א (sane) = haat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde zuil’, zoals in Lev. 26:1. Eerder verbood Yahweh dit, zie Exod. 34:13. Zie ook: Ex 20:4; Ex 34:13; Lev 26:1; Jer 44:4; Zach 8:17; Openb 2:6 ## Deuteronomium 17 _Afgoderij, het hoogste gerecht en de koning_ ### Een dier met een gebrek **17:1** Je mag voor Yahweh, je Elohim, geen stier of schaap slachten waaraan een gebrek zit, iets ernstigs. Want dat is een gruwel voor Yahweh, je Elohim. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִזְבַּח֩ (tizbach) = je zult slachten | לַיהוָ֨ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | שׁ֣וֹר (shor) = stier | וָשֶׂ֗ה (vase) = en schaap | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | בוֹ֙ (bo) = aan hem | מ֔וּם (mum) = gebrek | כֹּ֖ל (kol) = elk | דָּבָ֣ר (davar) = ding van | רָ֑ע (ra) = kwaad | כִּ֧י (ki) = want | תוֹעֲבַ֛ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 15:21 en Lev. 22:20–21. תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’, zoals in Deut. 13:15. Zie ook: Lev 22:20–25; Deut 13:15; Deut 15:21; Deut 23:19; Mal 1:8; Mal 1:13–14 ### Afgoderij wordt bestraft **17:2** Wanneer er in je midden, binnen een van je poorten die Yahweh, je Elohim, je geeft, een man of een vrouw wordt gevonden. Die doet wat kwaad is in de ogen van Yahweh, je Elohim, door Zijn verbond te overtreden. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִמָּצֵ֤א (yimatse) = hij wordt gevonden | בְקִרְבְּךָ֙ (beqirbekha) = in je midden | בְּאַחַ֣ד (beachad) = in een van | שְׁעָרֶ֔יךָ (sheareikha) = je poorten | אֲשֶׁר (asher) = die | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | אִ֣ישׁ (ish) = man | אוֹ (o) = of | אִשָּׁ֗ה (isha) = vrouw | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֧ה (yaase) = zal doen | אֶת (et) = (obj.) | הָרַ֛ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לַעֲבֹ֥ר (laavor) = door te overtreden | בְּרִיתֽוֹ (berito) = Zijn verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 13:7–19; Re 2:20; 2 Kon 18:12; Hos 6:7; Hos 8:1 **17:3** Die gaat heen, dient andere goden en buigt zich voor hen neer, of voor de zon, de maan of heel het leger van de hemel. Dat heb Ik niet geboden, Brontekst: וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַֽיַּעֲבֹד֙ (vayaavod) = en hij diende | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיִּשְׁתַּ֖חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וְלַשֶּׁ֣מֶשׁ (velashemesh) = en voor de zon | א֣וֹ (o) = of | לַיָּרֵ֗חַ (layareach) = voor de maan | א֛וֹ (o) = of | לְכָל (lekhal) = voor heel | צְבָ֥א (tseva) = het leger van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לֹא (lo) = niet | צִוִּֽיתִי (tsiviti) = Ik heb geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de sterren, de zon en de maan, die door andere volken als goden werden aanbeden. Voetnoot Lezing: De medeklinkertekst heeft צִוִּיתִי (tsivviti), ‘Ik heb geboden’: Yahweh spreekt zelf, binnen de woorden van Mozes. Wij schrijven ‘Ik’ met een hoofdletter en laten dit stukje zwart, omdat het midden in een zin van Mozes staat. Zie ook: Job 31:26–27; Deut 4:19; Jer 7:31; Jer 19:5; Jer 32:35 **17:4** en het wordt je gemeld en je hoort het, dan moet je het goed onderzoeken. En blijkt het waar en staat het vast dat deze gruwel in Israël gedaan is, Brontekst: וְהֻֽגַּד (vehugad) = en het is gemeld | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | וְשָׁמָ֑עְתָּ (veshamata) = en je hebt gehoord | וְדָרַשְׁתָּ֣ (vedarashta) = en je zult onderzoeken | הֵיטֵ֔ב (heitev) = goed | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֱמֶת֙ (emet) = waar | נָכ֣וֹן (nakhon) = vaststaand | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | נֶעֶשְׂתָ֛ה (neesta) = is gedaan | הַתּוֹעֵבָ֥ה (hatoeva) = de gruwel | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor de procedure van onderzoeken zie Deut. 13:15. Zie ook: Deut 13:13–15; Deut 13:15; Deut 19:18; Spr 25:2; Joh 7:51 **17:5** dan moet je die man of die vrouw, die dit kwade gedaan hebben, naar buiten brengen, naar je poorten, de man of de vrouw. Je moet hen met stenen stenigen, zodat zij sterven. Brontekst: וְהֽוֹצֵאתָ֣ (vehotseta) = dan zul je naar buiten brengen | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַה֡וּא (hahu) = die | אוֹ֩ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | הָאִשָּׁ֨ה (haisha) = de vrouw | הַהִ֜וא (hahi) = die | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָ֠שׂוּ (asu) = zij hebben gedaan | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֨ר (hadavar) = het ding | הָרָ֤ע (hara) = het kwade | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֶל (el) = naar | שְׁעָרֶ֔יךָ (sheareikha) = je poorten | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֕ישׁ (haish) = de man | א֖וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | הָאִשָּׁ֑ה (haisha) = de vrouw | וּסְקַלְתָּ֥ם (useqaltam) = en je zult hen stenigen | בָּאֲבָנִ֖ים (baavanim) = met stenen | וָמֵֽתוּ (vametu) = en zij zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 24:14; Lev 24:16; Deut 22:21; Deut 22:24; Joz 7:25 **17:6** Op het woord van twee getuigen of drie getuigen moet hij gedood worden die sterven moet. Op het woord van één getuige mag hij niet gedood worden. Brontekst: עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = mond van | שְׁנַ֣יִם (shenayim) = twee | עֵדִ֗ים (edim) = getuigen | א֛וֹ (o) = of | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | עֵדִ֖ים (edim) = getuigen | יוּמַ֣ת (yumat) = hij zal gedood worden | הַמֵּ֑ת (hamet) = die moet sterven | לֹ֣א (lo) = niet | יוּמַ֔ת (yumat) = hij zal gedood worden | עַל (al) = op | פִּ֖י (pi) = mond van | עֵ֥ד (ed) = getuige | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor de eis van twee of drie getuigen zie ook Num. 35:30 en Deut. 19:15. Zie ook: Num 35:30; Deut 19:15; Mat 18:16; 1 Tim 5:19; Heb 10:28 **17:7** De hand van de getuigen moet als eerste tegen hem zijn om hem te doden, en daarna de hand van heel het volk. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. Brontekst: יַ֣ד (yad) = hand van | הָעֵדִ֞ים (haedim) = de getuigen | תִּֽהְיֶה (tihye) = zal zijn | בּ֤וֹ (bo) = tegen hem | בָרִאשֹׁנָה֙ (barishona) = als eerste | לַהֲמִית֔וֹ (lahamito) = om hem te doden | וְיַ֥ד (veyad) = en de hand van | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בָּאַחֲרֹנָ֑ה (baacharona) = als laatste | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getuigen moeten als eerste de hand opheffen: wie beschuldigt, draagt de eerste verantwoordelijkheid voor de straf (zie Deut. 13:10). Voor de zin ‘het kwaad wegdoen’ zie Deut. 13:6. Zie ook: Deut 13:6; Deut 13:10; Deut 17:12; Re 20:13; 1 Kor 5:13 ### Het hoogste gerecht bij de plaats van Yahweh **17:8** Wanneer een zaak voor je te moeilijk is om te beoordelen, of het nu gaat om het ene bloedvergieten of het andere. De ene rechtszaak of de andere, het ene letsel of het andere, zaken van twist binnen je poorten. Dan moet je opstaan en optrekken naar de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest. Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | יִפָּלֵא֩ (yipale) = te moeilijk is | מִמְּךָ֨ (mimekha) = voor jou | דָבָ֜ר (davar) = een zaak | לַמִּשְׁפָּ֗ט (lamishpat) = voor het oordeel | בֵּֽין (bein) = tussen | דָּ֨ם (dam) = bloed | לְדָ֜ם (ledam) = en bloed | בֵּֽין (bein) = tussen | דִּ֣ין (din) = rechtszaak | לְדִ֗ין (ledin) = en rechtszaak | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | נֶ֨גַע֙ (nega) = slag | לָנֶ֔גַע (lanega) = en slag | דִּבְרֵ֥י (divrei) = zaken van | רִיבֹ֖ת (rivot) = twist | בִּשְׁעָרֶ֑יךָ (bishareikha) = binnen je poorten | וְקַמְתָּ֣ (veqamta) = dan zul je opstaan | וְעָלִ֔יתָ (vealita) = en je zult optrekken | אֶל (el) = naar | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִבְחַ֛ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בּֽוֹ (bo) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶגַע (nega), ‘letsel’: letterlijk ‘slag’, een verwonding. De drie paren in dit vers staan voor de zaken van leven en dood, van geschil en van lichamelijk letsel. De moeilijke zaak wordt voorgelegd aan de plaats die Yahweh kiest. Zie ook: Deut 1:17; Deut 12:5; 2 Kron 19:8–10; Hag 2:11; Mal 2:7 **17:9** Je moet gaan naar de priesters, de Levieten, en naar de rechter die er in die dagen is. Vraag het hun, dan zullen zij je de uitspraak van het oordeel meedelen. Brontekst: וּבָאתָ֗ (uvata) = en je zult komen | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | וְאֶל (veel) = en naar | הַשֹּׁפֵ֔ט (hashofet) = de rechter | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in dagen | הָהֵ֑ם (hahem) = die | וְדָרַשְׁתָּ֙ (vedarashta) = en je zult vragen | וְהִגִּ֣ידוּ (vehigidu) = en zij zullen meedelen | לְךָ֔ (lekha) = aan jou | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דְּבַ֥ר (devar) = het woord van | הַמִּשְׁפָּֽט (hamishpat) = het oordeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), letterlijk ‘de priesters, de Levieten’: de priesters uit de stam Levi. Zie ook: Deut 19:17–21; Jer 18:18; Ezech 44:24; Hag 2:11; Mal 2:7 **17:10** Je moet doen volgens wat zij je meedelen vanaf die plaats die Yahweh kiest. Zorg ervoor te doen volgens alles wat zij je onderwijzen. Brontekst: וְעָשִׂ֗יתָ (veasita) = en je zult doen | עַל (al) = op | פִּ֤י (pi) = mond van | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יַגִּ֣ידֽוּ (yagidu) = zij zullen meedelen | לְךָ֔ (lekha) = aan jou | מִן (min) = van | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֔וּא (hahu) = die | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | יִבְחַ֣ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְשָׁמַרְתָּ֣ (veshamarta) = en je zult zorgen | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | כְּכֹ֖ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יוֹרֽוּךָ (yorukha) = zij zullen onderwijzen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 22:2–3 **17:11** Volgens de wet die zij je onderwijzen en volgens het oordeel dat zij je zeggen, moet je doen. Je mag van het woord dat zij je meedelen niet afwijken, naar rechts of naar links. Brontekst: עַל (al) = op | פִּ֨י (pi) = mond van | הַתּוֹרָ֜ה (hatora) = de wet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יוֹר֗וּךָ (yorukha) = zij zullen onderwijzen jou | וְעַל (veal) = en volgens | הַמִּשְׁפָּ֛ט (hamishpat) = het oordeel | אֲשֶׁר (asher) = dat | יֹאמְר֥וּ (yomru) = zij zullen zeggen | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | תַּעֲשֶׂ֑ה (taase) = je zult doen | לֹ֣א (lo) = niet | תָס֗וּר (tasur) = je zult afwijken | מִן (min) = van | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | יַגִּ֥ידֽוּ (yagidu) = zij zullen meedelen | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹֽאל (usemol) = en links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht. Zij onderwijzen (יוֹרוּךָ, yorukha) de wet; het woord torah hoort bij het werkwoord jarah, ‘onderwijzen’. Zie ook: Deut 5:32; Deut 25:1; Deut 28:14; Joz 1:7; 2 Petr 2:10 **17:12** De man die uit overmoed handelt, wil niet luisteren naar de priester die daar staat om Yahweh, je Elohim, te dienen, of naar de rechter. Die man moet sterven. Zo moet je het kwaad uit Israël wegdoen. Brontekst: וְהָאִ֞ישׁ (vehaish) = en de man | אֲשֶׁר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = zal doen | בְזָד֗וֹן (bezadon) = in overmoed | לְבִלְתִּ֨י (levilti) = zodat hij niet | שְׁמֹ֤עַ (shemoa) = luistert | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | הָעֹמֵ֞ד (haomed) = die staat | לְשָׁ֤רֶת (lesharet) = om te dienen | שָׁם֙ (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | א֖וֹ (o) = of | אֶל (el) = naar | הַשֹּׁפֵ֑ט (hashofet) = de rechter | וּמֵת֙ (umet) = en hij zal sterven | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַה֔וּא (hahu) = die | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = uit Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּזָדוֹן (bezadon), ‘uit overmoed’: bewust, zonder zich iets van het gezag aan te trekken. In Lev. 4:2 en Lev. 4:13 gaat het om zonde ‘bij vergissing’; dit is het tegenovergestelde. Zie ook: Lev 4:2; Lev 4:13; Num 15:30; Deut 13:6; Deut 18:5; 1 Tess 4:8; 1 Tim 5:20 **17:13** Heel het volk zal het horen en vrezen, en niet meer overmoedig handelen. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | יִשְׁמְע֣וּ (yishmeu) = zal horen | וְיִרָ֑אוּ (veyirau) = en zal vrezen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְזִיד֖וּן (yezidun) = zij zullen overmoedig zijn | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 15:30–31; Deut 13:12; Deut 19:20 ### De koning **17:14** Wanneer je in het land komt dat Yahweh, je Elohim, je geeft, en je neemt het in bezit en woont erin. En je zegt: „Laat ik een koning over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij,” Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תָבֹ֣א (tavo) = je komt | אֶל (el) = in | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | וִֽירִשְׁתָּ֖הּ (virishtah) = en je het in bezit neemt | וְיָשַׁ֣בְתָּה (veyashavta) = en je woont | בָּ֑הּ (bah) = daarin | וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en je zegt | אָשִׂ֤ימָה (asima) = laat ik aanstellen | עָלַי֙ (alay) = over mij | מֶ֔לֶךְ (melekh) = een koning | כְּכָל (kekhal) = zoals alle | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | סְבִיבֹתָֽי (sevivotay) = rondom mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vraag naar een koning is hier een verzoek van het volk, ‘zoals alle volken rondom’. De wet staat het toe, maar stelt voorwaarden (vers 15–20). Zie ook: Deut 11:31; Deut 17:15–20; Joz 1:13; 1 Sam 8:5–7; 1 Sam 8:19–20; 1 Sam 12:19 **17:15** dan moet je een koning over je aanstellen die Yahweh, je Elohim, kiest. Uit het midden van je broers moet je een koning over je aanstellen. Je mag geen buitenlander over je zetten die niet je broer is. Brontekst: שׂ֣וֹם (som) = aanstellen | תָּשִׂ֤ים (tasim) = je zult aanstellen | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | מֶ֔לֶךְ (melekh) = koning | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִבְחַ֛ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בּ֑וֹ (bo) = daarin | מִקֶּ֣רֶב (miqerev) = uit het midden van | אַחֶ֗יךָ (acheikha) = je broers | תָּשִׂ֤ים (tasim) = je zult aanstellen | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | מֶ֔לֶךְ (melekh) = koning | לֹ֣א (lo) = niet | תוּכַ֗ל (tukhal) = je kunt | לָתֵ֤ת (latet) = om te zetten | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | אִ֣ישׁ (ish) = man | נָכְרִ֔י (nakheri) = buitenlandse | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 9:15–17; 1 Sam 10:24; 1 Sam 16:12–13; 1 Kron 22:10; Jer 30:21 **17:16** Alleen mag hij zich niet veel paarden aanschaffen en het volk niet naar Egypte terugbrengen om veel paarden te krijgen. Yahweh heeft tot jullie gezegd: **„Jullie mogen niet meer terugkeren op deze weg.”** Brontekst: רַק֮ (raq) = alleen | לֹא (lo) = niet | יַרְבֶּה (yarbe) = hij zal vermenigvuldigen | לּ֣וֹ (lo) = voor zich | סוּסִים֒ (susim) = paarden | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָשִׁ֤יב (yashiv) = hij zal terugbrengen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | מִצְרַ֔יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | הַרְבּ֣וֹת (harbot) = hij vermenigvuldigt | ס֑וּס (sus) = paard | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | אָמַ֣ר (amar) = heeft gezegd | לָכֶ֔ם (lakhem) = tot jullie | לֹ֣א (lo) = niet | תֹסִפ֗וּן (tosifun) = jullie zult doorgaan | לָשׁ֛וּב (lashuv) = om terug te keren | בַּדֶּ֥רֶךְ (baderekh) = op de weg | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: סוּסִים (susim), ‘paarden’: een teken van militaire macht en van afhankelijkheid van Egypte. Voetnoot Lezing: Wij zetten het woord ‘Jullie mogen niet meer terugkeren op deze weg’ rood, omdat het als woord van Yahweh wordt aangehaald. Waar Yahweh dit gezegd heeft, staat niet vast; vergelijk Exod. 14:13. Zie ook: Ex 14:13; Deut 28:68; Ps 20:8; Hos 11:5; Jes 31:1–3; Ezech 17:15 **17:17** Hij mag zich ook niet veel vrouwen nemen, zodat zijn hart niet afwijkt. Ook zilver en goud mag hij zich niet in grote hoeveelheid verzamelen. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | יַרְבֶּה (yarbe) = hij zal vermenigvuldigen | לּוֹ֙ (lo) = voor zich | נָשִׁ֔ים (nashim) = vrouwen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָס֖וּר (yasur) = zal afwijken | לְבָב֑וֹ (levavo) = zijn hart | וְכֶ֣סֶף (vekhesef) = en zilver | וְזָהָ֔ב (vezahav) = en goud | לֹ֥א (lo) = niet | יַרְבֶּה (yarbe) = hij zal vermenigvuldigen | לּ֖וֹ (lo) = voor zich | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:24; Spr 30:8–9; 1 Kon 11:1–4; Neh 13:26; Mat 19:5 **17:18** Als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, moet hij voor zichzelf een afschrift van deze wet op een boekrol schrijven. Dat moet hij doen van het exemplaar bij de priesters, de Levieten. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | כְשִׁבְתּ֔וֹ (keshivto) = als hij zit | עַ֖ל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = troon van | מַמְלַכְתּ֑וֹ (mamlakhto) = zijn koninkrijk | וְכָ֨תַב (vekhatav) = dan zal hij schrijven | ל֜וֹ (lo) = voor zich | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁנֵ֨ה (mishne) = afschrift van | הַתּוֹרָ֤ה (hatora) = de wet | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | עַל (al) = op | סֵ֔פֶר (sefer) = boekrol | מִלִּפְנֵ֥י (milifnei) = van voor | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁנֵה הַתּוֹרָה (mishneh hatorah), ‘afschrift van de wet’: ook te lezen als ‘herhaling van de wet’. Van deze woorden komt de naam Deuteronomium (‘tweede wet’) in de Griekse vertaling. Zie ook: Deut 31:9; Deut 31:24–26; 2 Kon 11:12; 2 Kon 22:8; 2 Kron 34:15 **17:19** Ze moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen. Zo leert hij Yahweh, zijn Elohim, te vrezen, door alle woorden van deze wet en deze voorschriften te houden en te doen. Brontekst: וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en zij zal zijn | עִמּ֔וֹ (imo) = bij hem | וְקָ֥רָא (veqara) = en hij zal lezen | ב֖וֹ (bo) = daarin | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | חַיָּ֑יו (chayav) = zijn leven | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יִלְמַ֗ד (yilmad) = hij leert | לְיִרְאָה֙ (leyira) = te vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֔יו (elohav) = zijn Elohim | לִ֠שְׁמֹר (lishmor) = om te houden | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֞י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֻקִּ֥ים (hachuqim) = de voorschriften | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לַעֲשֹׂתָֽם (laasotam) = om ze te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:8; Ps 1:2; Ps 119:97–100; Joh 5:39; 2 Tim 3:15–17 **17:20** Zo verheft zijn hart zich niet boven zijn broers en wijkt hij niet af van het gebod, naar rechts of naar links. Daardoor blijven hij en zijn zonen lang over zijn koninkrijk regeren in het midden van Israël. Brontekst: לְבִלְתִּ֤י (levilti) = zodat niet | רוּם (rum) = verheft | לְבָבוֹ֙ (levavo) = zijn hart | מֵֽאֶחָ֔יו (meechav) = boven zijn broers | וּלְבִלְתִּ֛י (ulevilti) = en zodat niet | ס֥וּר (sur) = hij afwijkt | מִן (min) = van | הַמִּצְוָ֖ה (hamitsva) = het gebod | יָמִ֣ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹ֑אול (usemovl) = en links | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | יַאֲרִ֨יךְ (yaarikh) = hij lang maakt | יָמִ֧ים (yamim) = dagen | עַל (al) = over | מַמְלַכְתּ֛וֹ (mamlakhto) = zijn koninkrijk | ה֥וּא (hu) = hij | וּבָנָ֖יו (uvanav) = en zijn zonen | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = in het midden van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De koning blijft een van de broers (‘zijn broers’): hij staat niet boven het volk, maar onder de wet. Zie ook: Deut 5:32; Ps 131:1–2; 1 Kon 15:5; Jes 2:12; Dan 5:20–23 ## Deuteronomium 18 _Het deel van de Levieten, toverij verboden en de profeet zoals Mozes_ ### Het deel van de priesters en Levieten **18:1** De priesters, de Levieten, de hele stam Levi, zullen geen deel en geen erfdeel hebben met Israël. Van de vuuroffers van Yahweh en van Zijn erfdeel zullen zij eten. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִ֠הְיֶה (yihye) = zal zijn | לַכֹּהֲנִ֨ים (lakohanim) = voor de priesters | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | כָּל (kal) = heel | שֵׁ֧בֶט (shevet) = stam van | לֵוִ֛י (levi) = Levi | חֵ֥לֶק (cheleq) = deel | וְנַחֲלָ֖ה (venachala) = en erfdeel | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אִשֵּׁ֧י (ishei) = vuuroffers van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וְנַחֲלָת֖וֹ (venachalato) = en Zijn erfdeel | יֹאכֵלֽוּן (yokhelun) = zij zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: de Levieten krijgen geen eigen land (Deut. 14:27); Yahweh zelf en Zijn offers zijn hun deel. Zie ook Joz. 13:14 en Joz. 13:33. Zie ook: Num 18:8–9; Num 18:20; Deut 10:9; Deut 12:19; Deut 14:27; Joz 13:14; Joz 13:33; 1 Kor 9:13–14 **18:2** Hij zal geen erfdeel hebben te midden van zijn broers. Yahweh is zijn erfdeel, zoals Hij tot hem gesproken heeft. Brontekst: וְנַחֲלָ֥ה (venachala) = en erfdeel | לֹא (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לּ֖וֹ (lo) = aan hem | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = onder | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = Hij | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּר (diber) = Hij sprak | לֽוֹ (lo) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:1; Ps 73:24–26; Ps 119:57; Jes 61:6; Klaagl 3:24 **18:3** Dit is het recht van de priesters op wat van het volk komt, van hen die een slachtoffer slachten, een stier of een schaap. Hij moet de priester de schouder, de kaken en de maag geven. Brontekst: וְזֶ֡ה (veze) = en dit | יִהְיֶה֩ (yihye) = zal zijn | מִשְׁפַּ֨ט (mishpat) = het recht van | הַכֹּהֲנִ֜ים (hakohanim) = de priesters | מֵאֵ֣ת (meet) = van | הָעָ֗ם (haam) = het volk | מֵאֵ֛ת (meet) = van | זֹבְחֵ֥י (zovechei) = wie slachten | הַזֶּ֖בַח (hazevach) = het slachtoffer | אִם (im) = of | שׁ֣וֹר (shor) = stier | אִם (im) = of | שֶׂ֑ה (se) = schaap | וְנָתַן֙ (venatan) = en hij zal geven | לַכֹּהֵ֔ן (lakohen) = aan de priester | הַזְּרֹ֥עַ (hazeroa) = de schouder | וְהַלְּחָיַ֖יִם (vehalechayayim) = en de kaken | וְהַקֵּבָֽה (vehaqeva) = en de maag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het deel van de priesters bij vredeoffers en slachtingen: זְרֹעַ (zeroa), ‘schouder’, לְחָיַיִם (lechayayim), ‘kaken’, en קֵבָה (qevah), ‘maag’. In Lev. 7:32–34 krijgen de priesters bij het vredeoffer de borst en de rechterschenkel. Zie ook: Lev 7:30–34; Lev 7:32–34; Deut 12:27 **18:4** Het eerste van je graan, je nieuwe wijn en je olie, en het eerste van de wol van je kleinvee moet je hem geven. Brontekst: רֵאשִׁ֨ית (reshit) = het eerste van | דְּגָֽנְךָ֜ (deganekha) = je graan | תִּֽירֹשְׁךָ֣ (tiroshekha) = je nieuwe wijn | וְיִצְהָרֶ֗ךָ (veyitsharekha) = en je olie | וְרֵאשִׁ֛ית (vereshit) = en het eerste van | גֵּ֥ז (gez) = de wol van | צֹאנְךָ֖ (tsonkha) = je kleinvee | תִּתֶּן (titen) = je zult geven | לּֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerstelingen van graan, nieuwe wijn, olie en wol. Voor tirosh en yitshar zie Deut. 14:23. Zie ook: Ex 22:28; Ex 23:19; Num 18:12–24; Deut 14:23; 2 Kron 31:4–10; Neh 12:44–47 **18:5** Want hem heeft Yahweh, je Elohim, uit al je stammen gekozen. Dat is om te staan en te dienen in de naam van Yahweh, hij en zijn zonen, alle dagen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | ב֗וֹ (bo) = hem | בָּחַ֛ר (bachar) = heeft gekozen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | מִכָּל (mikal) = uit al | שְׁבָטֶ֑יךָ (shevateikha) = je stammen | לַעֲמֹ֨ד (laamod) = om te staan | לְשָׁרֵ֧ת (lesharet) = om te dienen | בְּשֵׁם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | ה֥וּא (hu) = hij | וּבָנָ֖יו (uvanav) = en zijn zonen | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:1–14; Num 3:10; Num 16:5; Num 17:20–24; Deut 10:8 **18:6** Wanneer een Leviet uit een van je poorten, uit heel Israël, waar hij als vreemdeling verblijft, komt. En hij komt met al het verlangen van zijn ziel naar de plaats die Yahweh kiest, Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָבֹ֨א (yavo) = hij komt | הַלֵּוִ֜י (halevi) = de Leviet | מֵאַחַ֤ד (meachad) = uit een van | שְׁעָרֶ֨יךָ֙ (sheareikha) = je poorten | מִכָּל (mikal) = uit heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = waar | ה֖וּא (hu) = hij | גָּ֣ר (gar) = verblijft als vreemdeling | שָׁ֑ם (sham) = daar | וּבָא֙ (uva) = en hij komt | בְּכָל (bekhal) = met heel | אַוַּ֣ת (avat) = verlangen van | נַפְשׁ֔וֹ (nafsho) = zijn ziel | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֥ר (yivchar) = Hij zal kiezen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een Leviet die uit een andere stad naar de plaats van Yahweh komt, mag daar dienen. נֶפֶשׁ (nefesh) vertalen wij hier met ‘ziel’, zoals in Deut. 13:4. Zie ook: Num 35:2–3; Deut 12:5; Deut 13:4; Ps 26:8; Ps 27:4; 1 Petr 5:2 **18:7** dan mag hij dienen in de naam van Yahweh, zijn Elohim, zoals al zijn broers, de Levieten, die daar voor het aangezicht van Yahweh staan. Brontekst: וְשֵׁרֵ֕ת (vesheret) = dan zal hij dienen | בְּשֵׁ֖ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | כְּכָל (kekhal) = zoals al | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | הָעֹמְדִ֥ים (haomedim) = die staan | שָׁ֖ם (sham) = daar | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 31:2–4 **18:8** Zij zullen een gelijk deel eten, afgezien van wat hij uit de verkoop van zijn vaderlijk bezit heeft. Brontekst: חֵ֥לֶק (cheleq) = deel | כְּחֵ֖לֶק (kecheleq) = als een deel | יֹאכֵ֑לוּ (yokhelu) = zij zullen eten | לְבַ֥ד (levad) = afgezien van | מִמְכָּרָ֖יו (mimkarav) = zijn verkoop | עַל (al) = over | הָאָבֽוֹת (haavot) = de vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De laatste woorden, לְבַד מִמְכָרָיו עַל הָאָבוֹת (levad mimkarav al ha’avot), zijn moeilijk. Wij lezen: ‘afgezien van wat hij uit de verkoop van zijn vaderlijk bezit heeft’. Andere mogelijkheden zijn: ‘afgezien van wat hij van de verkoop van zijn bezit krijgt’ of ‘afgezien van zijn bezit bij de families’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Lev 7:14; 2 Kron 31:4; Neh 12:44; Neh 12:47; Luc 10:7 ### Geen toverij en waarzeggerij **18:9** Wanneer je het land binnengaat dat Yahweh, je Elohim, je geeft, moet je niet leren de gruwelen van die volken te doen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | אַתָּה֙ (ata) = jij | בָּ֣א (ba) = komend | אֶל (el) = in | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | לֹֽא (lo) = niet | תִלְמַ֣ד (tilmad) = je zult leren | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | כְּתוֹעֲבֹ֖ת (ketoavot) = naar de gruwelen van | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָהֵֽם (hahem) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’, zoals in Deut. 13:15 en Deut. 14:3. Zie ook: Lev 18:26–27; Lev 18:30; Deut 12:29–31; Deut 13:15; Deut 14:3 **18:10** Onder jou mag niemand gevonden worden die zijn zoon of dochter door het vuur laat gaan. Er mag geen voorspeller van voorspellingen onder jou gevonden worden, geen tekenduider, geen voortekenzoeker, geen tovenaar, Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִמָּצֵ֣א (yimatse) = mag gevonden worden | בְךָ֔ (bekha) = onder jou | מַעֲבִ֥יר (maavir) = wie laat doorgaan | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon | וּבִתּ֖וֹ (uvito) = en zijn dochter | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = door het vuur | קֹסֵ֣ם (qosem) = voorspeller | קְסָמִ֔ים (qesamim) = voorspellingen | מְעוֹנֵ֥ן (meonen) = tekenduider | וּמְנַחֵ֖שׁ (umenachesh) = en voortekenzoeker | וּמְכַשֵּֽׁף (umekhashef) = en tovenaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 10–11 noemen negen soorten mensen die contact zoeken met de onzichtbare wereld. De namen zijn deels onzeker. Voetnoot : מַעֲבִיר בְּאֵשׁ (ma’avir be’esh), ‘door het vuur laten gaan’: kinderen aan Molech geven (Lev. 20:2–5). Voetnoot : קֹסֵם קְסָמִים (qosem qesamim), ‘voorspeller van voorspellingen’; מְעוֹנֵן (me’onen), ‘tekenduider’ (iemand die tekens in wolken of hemel duidt); מְנַחֵשׁ (menachesh), ‘voortekenzoeker’; מְכַשֵּׁף (mekhashef), ‘tovenaar’, zoals in Exod. 22:17. Zie ook: Ex 22:17; Lev 19:26; Lev 19:31; Lev 20:2–5; Deut 12:31; 2 Kron 33:6 **18:11** geen bezweerder van bezweringen, niemand die een dodengeest ondervraagt, geen waarzegger en niemand die de doden raadpleegt. Brontekst: וְחֹבֵ֖ר (vechover) = en bezweerder | חָ֑בֶר (chaver) = bezwering | וְשֹׁאֵ֥ל (veshoel) = en wie ondervraagt | אוֹב֙ (ov) = dodengeest | וְיִדְּעֹנִ֔י (veyideoni) = en waarzegger | וְדֹרֵ֖שׁ (vedoresh) = en wie raadpleegt | אֶל (el) = bij | הַמֵּתִֽים (hametim) = de doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹבֵר חָבֶר (chover chaver), ‘bezweerder van bezweringen’; שֹׁאֵל אוֹב (shoel ov), ‘iemand die een dodengeest ondervraagt’ en יִדְּעֹנִי (yidde’oni), ‘waarzegger’: zie Lev. 20:6 en Lev. 20:27, waar hetzelfde paar staat; דֹּרֵשׁ אֶל הַמֵּתִים (doresh el hametim), ‘iemand die de doden raadpleegt’. Zie ook: Lev 19:31; Lev 20:6; Lev 20:27; 1 Sam 28:11–14 **18:12** Want ieder die deze dingen doet, is een gruwel voor Yahweh. Vanwege deze gruwelen verdrijft Yahweh, je Elohim, hen voor je uit. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תוֹעֲבַ֥ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = ieder | עֹ֣שֵׂה (ose) = die doet | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | וּבִגְלַל֙ (uviglal) = en vanwege | הַתּוֹעֵבֹ֣ת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | מוֹרִ֥ישׁ (morish) = verdrijft | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מִפָּנֶֽיךָ (mipaneikha) = voor jou uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanwege deze gruwelen verdrijft Yahweh de volken van Kanaän. Zie ook Lev. 18:24–28. Zie ook: Lev 18:24; Lev 18:27; Deut 9:4 **18:13** Je moet onberispelijk zijn bij Yahweh, je Elohim. Brontekst: תָּמִ֣ים (tamim) = onberispelijk | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = je zult zijn | עִ֖ם (im) = bij | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּמִים (tamim), ‘onberispelijk’: heel en oprecht, zoals Noach in Gen. 6:9. Zie ook: Gen 6:9; Gen 17:1; Job 1:1; Mat 5:48; Fil 3:12 **18:14** Want deze volken, die jij uit hun bezit verdrijft, luisteren naar tekenduiders en voorspellers. Maar aan jou heeft Yahweh, je Elohim, niet zoiets gegeven. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אַתָּה֙ (ata) = jij | יוֹרֵ֣שׁ (yoresh) = in bezit neemt | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | אֶל (el) = naar | מְעֹנְנִ֥ים (meonenim) = tekenduiders | וְאֶל (veel) = en naar | קֹסְמִ֖ים (qosemim) = voorspellers | יִשְׁמָ֑עוּ (yishmau) = zij luisteren | וְאַתָּ֕ה (veata) = en jij | לֹ֣א (lo) = niet | כֵ֔ן (ken) = zo | נָ֛תַן (natan) = heeft gegeven | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Anders dan de volken, die waarzeggers raadplegen, heeft Israël een profeet van Yahweh. Het volgende vers zegt welke. Zie ook: Gen 20:6; Deut 18:10; Ps 147:19–20; Hand 14:16 ### Een profeet zoals Mozes **18:15** Een profeet uit je midden, uit je broers, zoals ik, zal Yahweh, je Elohim, voor je laten opstaan. Naar hem moet je luisteren, Brontekst: נָבִ֨יא (navi) = profeet | מִקִּרְבְּךָ֤ (miqirbekha) = uit je midden | מֵאַחֶ֨יךָ֙ (meacheikha) = uit je broers | כָּמֹ֔נִי (kamoni) = zoals ik | יָקִ֥ים (yaqim) = zal doen opstaan | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | תִּשְׁמָעֽוּן (tishmaun) = jullie zullen luisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Een profeet zoals ik’: Mozes spreekt over zichzelf. Dit vers wordt in Hand. 3:22–23 en Hand. 7:37 aangehaald. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘profeet’ in het enkelvoud. Of daarmee één profeet of een reeks profeten bedoeld is, laat de tekst open; vers 18 gebruikt hetzelfde enkelvoud. In ‘Naar hem moet je luisteren’ staat in het Hebreeuws het meervoud (‘jullie’); wij schrijven ‘je’, zoals in de verzen eromheen. Zie ook: Deut 18:18–19; Joh 1:45; Hand 3:22–23; Hand 7:37; Heb 1:1–2 **18:16** overeenkomstig alles wat je van Yahweh, je Elohim, gevraagd hebt bij Horeb, op de dag van de vergadering. Toen zei je: „Ik wil de stem van Yahweh, mijn Elohim, niet meer horen en dit grote vuur niet meer zien, zodat ik niet sterf.” Brontekst: כְּכֹ֨ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | שָׁאַ֜לְתָּ (shaalta) = je vroeg | מֵעִ֨ם (meim) = van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | בְּחֹרֵ֔ב (bechorev) = bij Horeb | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹ֣א (lo) = niet | אֹסֵ֗ף (osef) = ik zal voortgaan | לִשְׁמֹ֨עַ֙ (lishmoa) = om te horen | אֶת (et) = (obj.) | קוֹל֙ (qol) = de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֔י (elohay) = mijn Elohim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֵ֨שׁ (haesh) = het vuur | הַגְּדֹלָ֥ה (hagedola) = het grote | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | לֹֽא (lo) = niet | אֶרְאֶ֥ה (ere) = ik zal zien | ע֖וֹד (od) = meer | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָמֽוּת (amut) = ik zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: חֹרֵב (Horeb), de berg van Sinaï. De ‘dag van de vergadering’ is de dag van de wetgeving; zie Exod. 20:18–19. Zie ook: Ex 20:18–19; Ex 20:19; Deut 5:23–28; Deut 9:10; Heb 12:19 **18:17** Yahweh zei tegen mij: **„Het is goed wat zij gesproken hebben.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | הֵיטִ֖יבוּ (heitivu) = zij hebben goed gedaan | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | דִּבֵּֽרוּ (diberu) = zij hebben gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij zetten de woorden van Yahweh in vers 17–20 rood. Zij worden door Mozes aangehaald; waar Yahweh ze sprak, is dezelfde gebeurtenis bij de Horeb (Exod. 20:19). Zie ook: Ex 20:19; Deut 5:28 **18:18** **Een profeet zal Ik voor hen laten opstaan uit hun broers, zoals jij. Ik zal Mijn woorden in zijn mond leggen en hij zal tot hen spreken alles wat Ik hem gebied.** Brontekst: נָבִ֨יא (navi) = profeet | אָקִ֥ים (aqim) = Ik zal doen opstaan | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | אֲחֵיהֶ֖ם (acheihem) = hun broers | כָּמ֑וֹךָ (kamokha) = zoals jij | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal leggen | דְבָרַי֙ (devaray) = Mijn woorden | בְּפִ֔יו (befiv) = in zijn mond | וְדִבֶּ֣ר (vediber) = en hij zal spreken | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אֲצַוֶּֽנּוּ (atsavenu) = Ik hem zal gebieden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבָרַי בְּפִיו (devarai befiv), ‘Mijn woorden in zijn mond’: de profeet geeft door wat Yahweh hem gebiedt. Vergelijk Jer. 1:9. Zie ook: Deut 18:15; Jer 1:9; Joh 4:25; Joh 8:28; Joh 12:49–50; Joh 17:8 **18:19** **De man die niet luistert naar Mijn woorden die hij in Mijn naam spreekt, van hem zal Ik het opeisen.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יִשְׁמַע֙ (yishma) = luistert | אֶל (el) = naar | דְּבָרַ֔י (devaray) = Mijn woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יְדַבֵּ֖ר (yedaber) = hij zal spreken | בִּשְׁמִ֑י (bishmi) = in Mijn naam | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | אֶדְרֹ֥שׁ (edrosh) = zal opeisen | מֵעִמּֽוֹ (meimo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶדְרֹשׁ (edrosh), ‘Ik zal het opeisen’: Yahweh zelf eist rekenschap van wie niet luistert. Zie ook: Hand 3:22–23; Heb 2:3; Heb 3:7; Heb 10:26; Heb 12:25–26 ### De valse profeet **18:20** **Maar de profeet die overmoedig wordt en in Mijn naam een woord spreekt dat Ik hem niet geboden heb te spreken, die profeet moet sterven. Dat geldt ook voor de profeet die in de naam van andere goden spreekt.”** Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | הַנָּבִ֡יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָזִיד֩ (yazid) = overmoedig is | לְדַבֵּ֨ר (ledaber) = om te spreken | דָּבָ֜ר (davar) = een woord | בִּשְׁמִ֗י (bishmi) = in Mijn naam | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | צִוִּיתִיו֙ (tsivitiv) = Ik hem gebood | לְדַבֵּ֔ר (ledaber) = om te spreken | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | יְדַבֵּ֔ר (yedaber) = zal spreken | בְּשֵׁ֖ם (beshem) = in de naam van | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וּמֵ֖ת (umet) = en hij zal sterven | הַנָּבִ֥יא (hanavi) = de profeet | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָזִיד (yazid), ‘overmoedig zijn’, zoals in Deut. 17:12. Zie ook: Deut 13:2–6; Deut 17:12; Jer 23:13–15; Jer 23:31; Jer 27:15; Ezech 13:6 **18:21** Wanneer je in je hart zegt: „Hoe zullen wij het woord herkennen dat Yahweh niet gesproken heeft?” Brontekst: וְכִ֥י (vekhi) = en wanneer | תֹאמַ֖ר (tomar) = je zegt | בִּלְבָבֶ֑ךָ (bilvavekha) = in je hart | אֵיכָה֙ (eikha) = hoe | נֵדַ֣ע (neda) = zullen wij weten | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | דִבְּר֖וֹ (dibero) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Tess 5:24; 1 Joh 4:1–3; Openb 2:2 **18:22** Wat een profeet in de naam van Yahweh spreekt, en het woord gebeurt niet en komt niet uit. Dat is het woord dat Yahweh niet gesproken heeft. Uit overmoed heeft de profeet het gesproken. Wees niet bang voor hem. Brontekst: אֲשֶׁר֩ (asher) = wat | יְדַבֵּ֨ר (yedaber) = zal spreken | הַנָּבִ֜יא (hanavi) = de profeet | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָב֔וֹא (yavo) = zal komen | ה֣וּא (hu) = het | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | דִבְּר֖וֹ (dibero) = heeft gesproken | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּזָדוֹן֙ (bezadon) = in overmoed | דִּבְּר֣וֹ (dibero) = heeft het gesproken | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | לֹ֥א (lo) = niet | תָג֖וּר (tagur) = je zult vrezen | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de toets voor een profeet: wat hij in de naam van Yahweh zegt, moet uitkomen. In Deut. 13:2–6 is die toets niet genoeg: ook als het teken uitkomt, wijst een profeet die tot andere goden oproept, Yahweh af. Beide toetsen gelden samen. Zie ook: Deut 13:2–6; Deut 18:20; 2 Kon 20:1; Jona 4:2; Jer 28:1–17; Zach 1:5–6 ## Deuteronomium 19 _Vrijsteden, grenzen en getuigen_ ### Drie steden voor wie moet vluchten **19:1** Wanneer Yahweh, je Elohim, de volken uitroeit wier land Yahweh, je Elohim, je geeft, en je hen verdrijft en in hun steden en huizen woont, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יַכְרִ֞ית (yakhrit) = zal uitroeien | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = wier | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֑ם (artsam) = hun land | וִֽירִשְׁתָּ֕ם (virishtam) = en je verdrijft hen | וְיָשַׁבְתָּ֥ (veyashavta) = en je woont | בְעָרֵיהֶ֖ם (beareihem) = in hun steden | וּבְבָתֵּיהֶֽם (uvevateihem) = en in hun huizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’: met de volken als voorwerp betekent het hun plaats overnemen en hen verdrijven. Voetnoot : De steden van de volken worden steden van Israël; zie ook Deut. 6:10–11. Zie ook: Deut 6:10; Deut 7:1–2; Deut 12:1; Deut 12:29; Deut 17:14 **19:2** dan moet je drie steden voor jezelf afzonderen, midden in je land dat Yahweh, je Elohim, je geeft om in bezit te nemen. Brontekst: שָׁל֥וֹשׁ (shalosh) = drie | עָרִ֖ים (arim) = steden | תַּבְדִּ֣יל (tavdil) = zul je afzonderen | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | אַרְצְךָ֔ (artsekha) = je land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Drie steden aan de westkant van de Jordaan. Mozes had al drie steden aan de oostkant afgezonderd (Deut. 4:41–43). De regeling voor de zes steden staat in Num. 35:9–34; zie ook Exod. 21:13 en Joz. 20. Zie ook: Ex 21:13; Num 35:9–34; Num 35:10–15; Deut 4:41–43; Joz 20:2–7; Heb 6:18 **19:3** Maak de weg ernaartoe gereed. Verdeel het gebied van je land, dat Yahweh, je Elohim, je laat erven, in drie delen. Zo kan elke doodslager daarheen vluchten. Brontekst: תָּכִ֣ין (takhin) = zul je gereedmaken | לְךָ֮ (lekha) = voor jezelf | הַדֶּרֶךְ֒ (haderekh) = de weg | וְשִׁלַּשְׁתָּ֙ (veshilashta) = en je zult in drieën delen | אֶת (et) = (obj.) | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | אַרְצְךָ֔ (artsekha) = je land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יַנְחִֽילְךָ֖ (yanchilekha) = laat je erven | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het zal zijn | לָנ֥וּס (lanus) = om te vluchten | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | כָּל (kal) = elke | רֹצֵֽחַ (rotseach) = doodslager Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 35:8; Jes 57:14; Jes 62:10; Heb 12:13 ### Wie in de stad mag blijven **19:4** Dit is de zaak van de doodslager die daarheen vlucht en in leven blijft. Wie zijn naaste slaat zonder het te weten, terwijl hij hem vroeger niet haatte. Brontekst: וְזֶה֙ (veze) = en dit | דְּבַ֣ר (devar) = zaak van | הָרֹצֵ֔חַ (harotseach) = de doodslager | אֲשֶׁר (asher) = die | יָנ֥וּס (yanus) = zal vluchten | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | וָחָ֑י (vachay) = en zal leven | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַכֶּ֤ה (yake) = slaat | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | בִּבְלִי (bivli) = zonder | דַ֔עַת (daat) = weten | וְה֛וּא (vehu) = en hij | לֹא (lo) = niet | שֹׂנֵ֥א (sone) = haatte | ל֖וֹ (lo) = hem | מִתְּמֹ֥ל (mitemol) = van gisteren | שִׁלְשֹֽׁם (shilshom) = van eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹצֵחַ (rotseach), ‘doodslager’: iemand die een ander doodt. In Exod. 20:13 vertalen wij het werkwoord met ‘moorden’; hier gaat het ook om wie het zonder opzet doet, en dan past ‘doodslager’ beter. Voetnoot : נָכָה (nakah), ‘slaan’: in vers 5 en 6 blijkt dat de ander sterft. Voetnoot : מִתְּמֹל שִׁלְשֹׁם (mitmol shilshom), letterlijk ‘van gisteren en eergisteren’: vroeger, in het verleden. Zie ook: Gen 31:2; Ex 20:13; Num 35:15–24; Deut 4:42; Deut 19:5; Deut 19:6; Joz 3:4; 1 Kron 11:2 **19:5** Of wie met zijn naaste het bos in gaat om hout te hakken. Zijn hand haalt uit met de bijl om de boom om te hakken. Maar het ijzer schiet los van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft. Hij mag vluchten naar een van deze steden en blijft in leven. Brontekst: וַאֲשֶׁר֩ (vaasher) = en wie | יָבֹ֨א (yavo) = komt | אֶת (et) = met | רֵעֵ֥הוּ (reehu) = zijn naaste | בַיַּעַר֮ (bayaar) = in het bos | לַחְטֹ֣ב (lachtov) = om te hakken | עֵצִים֒ (etsim) = hout | וְנִדְּחָ֨ה (venidecha) = en uithaalt | יָד֤וֹ (yado) = zijn hand | בַגַּרְזֶן֙ (bagarzen) = met de bijl | לִכְרֹ֣ת (likhrot) = om om te hakken | הָעֵ֔ץ (haets) = de boom | וְנָשַׁ֤ל (venashal) = en losschiet | הַבַּרְזֶל֙ (habarzel) = het ijzer | מִן (min) = van | הָעֵ֔ץ (haets) = het hout | וּמָצָ֥א (umatsa) = en treft | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | וָמֵ֑ת (vamet) = en hij sterft | ה֗וּא (hu) = hij | יָנ֛וּס (yanus) = zal vluchten | אֶל (el) = naar | אַחַ֥ת (achat) = een van | הֶעָרִים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וָחָֽי (vachay) = en zal leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ (ets) betekent ‘hout’ en ‘boom’. Het ijzer schiet los van het hout: van de steel van de bijl. Zie ook: Num 35:25; Spr 27:12; 2 Kon 6:5–7; Jes 32:2 **19:6** Anders zou de losser van het bloed de doodslager achternazitten, omdat zijn hart kookt. Hij zou hem inhalen, omdat de weg lang is, en hem zo slaan dat hij sterft. Hij verdient volgens het recht de dood niet, want hij haatte hem vroeger niet. Brontekst: פֶּן (pen) = opdat niet | יִרְדֹּף֩ (yirdof) = najaagt | גֹּאֵ֨ל (goel) = losser van | הַדָּ֜ם (hadam) = het bloed | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הָרֹצֵ֗חַ (harotseach) = de doodslager | כִּי (ki) = omdat | יֵחַם֮ (yecham) = heet wordt | לְבָבוֹ֒ (levavo) = zijn hart | וְהִשִּׂיג֛וֹ (vehisigo) = en hem inhaalt | כִּֽי (ki) = omdat | יִרְבֶּ֥ה (yirbe) = lang is | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | וְהִכָּ֣הוּ (vehikahu) = en hem slaat | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = naar het leven | וְלוֹ֙ (velo) = en voor hem | אֵ֣ין (ein) = is niet | מִשְׁפַּט (mishpat) = recht van | מָ֔וֶת (mavet) = de dood | כִּ֠י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | שֹׂנֵ֥א (sone) = haatte | ה֛וּא (hu) = hij | ל֖וֹ (lo) = hem | מִתְּמ֥וֹל (mitemol) = van gisteren | שִׁלְשֽׁוֹם (shilshom) = van eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֵל הַדָּם (goel hadam), letterlijk ‘losser van het bloed’: de naaste verwant die het bloed van de gedode moest opeisen (Num. 35:19–21). Hetzelfde woord ‘losser’ staat in Lev. 25:25. Voetnoot : מִשְׁפַּט מָוֶת (mishpat mavet), letterlijk ‘recht van de dood’: het doodvonnis dat bij moord hoort. Zie ook: Lev 25:25; Num 35:12; Num 35:19–21; Deut 21:22; Joz 20:5; 2 Sam 14:7; Jer 26:15–16 **19:7** Daarom gebied ik je: Drie steden moet je voor jezelf afzonderen. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֛ן (ken) = zo | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied je | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | עָרִ֖ים (arim) = steden | תַּבְדִּ֥יל (tavdil) = zul je afzonderen | לָֽךְ (lakh) = voor jezelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:8** Wanneer Yahweh, je Elohim, je grens verruimt, zoals Hij aan je vaders gezworen heeft, en Hij je het hele land geeft. Dat is het land dat Hij je vaders beloofd heeft te geven, Brontekst: וְאִם (veim) = en wanneer | יַרְחִ֞יב (yarchiv) = verruimt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | אֶת (et) = (obj.) | גְּבֻ֣לְךָ֔ (gevulkha) = je grens | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | נִשְׁבַּ֖ע (nishba) = hij zwoer | לַאֲבֹתֶ֑יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | וְנָ֤תַן (venatan) = en geeft | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֶּ֖ר (diber) = hij beloofde | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לַאֲבֹתֶֽיךָ (laavoteikha) = aan je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:18–21; Ex 23:31; Ex 34:24; Deut 12:20; Ezra 4:20 **19:9** als je heel dit gebod bewaart door het te doen. Dat gebied ik je vandaag: Yahweh, je Elohim, liefhebben en alle dagen in Zijn wegen gaan. Dan moet je voor jezelf nog drie steden toevoegen aan deze drie. Brontekst: כִּֽי (ki) = als | תִשְׁמֹר֩ (tishmor) = je bewaart | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֨ה (hamitsva) = het gebod | הַזֹּ֜את (hazot) = dit | לַעֲשֹׂתָ֗הּ (laasotah) = om het te doen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֮ (metsavekha) = gebied je | הַיּוֹם֒ (hayom) = vandaag | לְאַהֲבָ֞ה (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְלָלֶ֥כֶת (velalekhet) = en om te gaan | בִּדְרָכָ֖יו (bidrakhav) = in Zijn wegen | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | וְיָסַפְתָּ֨ (veyasafta) = en je zult toevoegen | לְךָ֥ (lekha) = voor jezelf | עוֹד֙ (od) = nog | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | עָרִ֔ים (arim) = steden | עַ֖ל (al) = bij | הַשָּׁלֹ֥שׁ (hashalosh) = de drie | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze drie steden komen bij de eerste drie (vers 2). Samen zijn het er zes (Num. 35:13–14). Zie ook: Num 35:13–14; Deut 11:22–25; Deut 13:1; Deut 19:2; Joz 20:7–8 **19:10** Zo wordt er geen onschuldig bloed vergoten midden in je land dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel. En er komt geen bloedschuld op je. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִשָּׁפֵךְ֙ (yishafekh) = wordt vergoten | דָּ֣ם (dam) = bloed | נָקִ֔י (naqi) = onschuldig | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = in het midden van | אַרְצְךָ֔ (artsekha) = je land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | נַחֲלָ֑ה (nachala) = als erfdeel | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = op jou | דָּמִֽים (damim) = bloedschuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּמִים (damim), ‘bloedschuld’: het meervoud van ‘bloed’ betekent hier vergoten bloed en de schuld die ervan komt (zoals in Exod. 22:1). Zie ook: Ex 22:1; Deut 21:1–9; Spr 6:17; Joël 4:19; Jes 59:7; Mat 27:4–5 ### Wie niet beschermd wordt **19:11** Maar wanneer iemand zijn naaste haat, voor hem op de loer ligt, tegen hem opstaat en hem zo slaat dat hij sterft. En hij vlucht naar een van deze steden, Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = is | אִישׁ֙ (ish) = man | שֹׂנֵ֣א (sone) = haatter | לְרֵעֵ֔הוּ (lereehu) = van zijn naaste | וְאָ֤רַב (vearav) = en ligt op de loer | לוֹ֙ (lo) = voor hem | וְקָ֣ם (veqam) = en staat op | עָלָ֔יו (alav) = tegen hem | וְהִכָּ֥הוּ (vehikahu) = en slaat hem | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = naar het leven | וָמֵ֑ת (vamet) = en hij sterft | וְנָ֕ס (venas) = en vlucht | אֶל (el) = naar | אַחַ֖ת (achat) = een van | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵֽל (hael) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:6; Ex 21:12–14; Num 35:16–21; Deut 27:24; Spr 28:17 **19:12** dan laten de oudsten van zijn stad hem daar weghalen. Ze geven hem over in de hand van de losser van het bloed en hij moet sterven. Brontekst: וְשָֽׁלְחוּ֙ (veshalechu) = en zullen sturen | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | עִיר֔וֹ (iro) = zijn stad | וְלָקְח֥וּ (velaqechu) = en zullen halen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | מִשָּׁ֑ם (misham) = vandaar | וְנָתְנ֣וּ (venatenu) = en zullen geven | אֹת֗וֹ (oto) = hem | בְּיַ֛ד (beyad) = in de hand van | גֹּאֵ֥ל (goel) = losser van | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | וָמֵֽת (vamet) = en hij sterft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 2:5–6; 1 Kon 2:28–34 **19:13** Je oog mag hem niet sparen. Doe het onschuldige bloed uit Israël weg, dan gaat het je goed. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תָח֥וֹס (tachos) = zal sparen | עֵֽינְךָ֖ (einekha) = je oog | עָלָ֑יו (alav) = hem | וּבִֽעַרְתָּ֧ (uviarta) = en je zult wegdoen | דַֽם (dam) = bloed | הַנָּקִ֛י (hanaqi) = het onschuldige | מִיִּשְׂרָאֵ֖ל (miyisrael) = uit Israël | וְט֥וֹב (vetov) = en goed | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּעֵר (bi’er), ‘wegdoen’: letterlijk ‘wegvegen’ of ‘uitbranden’. Dezelfde uitdrukking, ‘doe het kwaad uit je midden weg’, komt terug in Deut. 19:19; 21:21; 22:21–22, 24 en 24:7. Zie ook: Num 35:33–34; Deut 7:2; Deut 7:16; Deut 19:19; Deut 21:9; Deut 21:21; Deut 22:21; 1 Kon 2:31 ### De grens van je naaste **19:14** Je mag de grens van je naaste niet verleggen. De eersten hebben die afgebakend in je erfdeel. Dat erfdeel zul je erven in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft om in bezit te nemen. Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | תַסִּיג֙ (tasig) = je zult verleggen | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | רֵֽעֲךָ֔ (reakha) = je naaste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | גָּבְל֖וּ (gavelu) = afbakenden | רִאשֹׁנִ֑ים (rishonim) = de eersten | בְּנַחֲלָֽתְךָ֙ (benachalatekha) = in je erfdeel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תִּנְחַ֔ל (tinchal) = je zult erven | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּבוּל (gevul), ‘grens’. רִאשֹׁנִים (rishonim), ‘de eersten’: de mensen van vroeger die de grens hebben vastgelegd. Zie ook Deut. 27:17 en Spr. 22:28. Zie ook: Job 24:2; Deut 27:17; Spr 22:28; Spr 23:10; Hos 5:10 ### Getuigen **19:15** Eén getuige mag niet tegen iemand opstaan bij enige schuld, enige zonde of enige misstap die hij begaat. Op het woord van twee getuigen of op het woord van drie getuigen staat de zaak vast. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָקוּם֩ (yaqum) = zal opstaan | עֵ֨ד (ed) = getuige | אֶחָ֜ד (echad) = een | בְּאִ֗ישׁ (beish) = tegen een man | לְכָל (lekhal) = bij elke | עָוֺן֙ (avon) = schuld | וּלְכָל (ulekhal) = en bij elke | חַטָּ֔את (chatat) = zonde | בְּכָל (bekhal) = bij elke | חֵ֖טְא (chete) = misstap | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יֶֽחֱטָ֑א (yecheta) = hij begaat | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = mond van | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | עֵדִ֗ים (edim) = getuigen | א֛וֹ (o) = of | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = mond van | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie | עֵדִ֖ים (edim) = getuigen | יָק֥וּם (yaqum) = zal opstaan | דָּבָֽר (davar) = zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor een veroordeling zijn minstens twee getuigen nodig, zoals ook in Num. 35:30 en Deut. 17:6. Voetnoot : עָוֹן (avon), ‘schuld’; חַטָּאת (chatat), ‘zonde’; חֵטְא (chet), ‘misstap’: drie woorden voor alle soorten fouten. Zie ook: Num 35:30; Deut 17:6; Mat 18:16; 2 Kor 13:1; Heb 10:28 ### De valse getuige **19:16** Wanneer een getuige van onrecht tegen iemand opstaat om hem van afvalligheid te beschuldigen, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יָק֥וּם (yaqum) = zal opstaan | עֵד (ed) = getuige van | חָמָ֖ס (chamas) = onrecht | בְּאִ֑ישׁ (beish) = tegen een man | לַעֲנ֥וֹת (laanot) = om te getuigen | בּ֖וֹ (bo) = tegen hem | סָרָֽה (sara) = afvalligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵד חָמָס (ed chamas), ‘getuige van onrecht’: iemand die onrecht doet door zijn getuigenis. In Exod. 23:1 vertalen wij hetzelfde woord met ‘valse getuige’. Voetnoot : סָרָה (sarah), ‘afvalligheid’: letterlijk ‘afwijking’. Hier is het een beschuldiging van een ernstige misdaad. Zie ook: Ex 23:1–7; Ps 27:12; Ps 35:11; Mar 14:55–59; Hand 6:13 **19:17** dan moeten de twee mannen die de rechtszaak hebben, voor het aangezicht van Yahweh gaan staan. Dat is voor de priesters en de rechters die er in die dagen zijn. Brontekst: וְעָמְד֧וּ (veamedu) = en zullen staan | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | הָאֲנָשִׁ֛ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | לָהֶ֥ם (lahem) = zij hebben | הָרִ֖יב (hariv) = de rechtszaak | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | וְהַשֹּׁ֣פְטִ֔ים (vehashofetim) = en de rechters | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִהְי֖וּ (yihyu) = zullen zijn | בַּיָּמִ֥ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵֽם (hahem) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Voor het aangezicht van Yahweh’ betekent: bij het heiligdom, waar de priesters en rechters recht spreken (Deut. 17:8–12). Zie ook: Deut 17:8–12; Deut 17:9; Deut 21:5; Mal 2:7; Mat 23:2–3 **19:18** De rechters moeten het goed onderzoeken. En zie: als de getuige een valse getuige is en zijn broer vals heeft beschuldigd, Brontekst: וְדָרְשׁ֥וּ (vedareshu) = en zullen onderzoeken | הַשֹּׁפְטִ֖ים (hashofetim) = de rechters | הֵיטֵ֑ב (heitev) = goed | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | עֵֽד (ed) = getuige van | שֶׁ֨קֶר֙ (sheqer) = leugen | הָעֵ֔ד (haed) = de getuige | שֶׁ֖קֶר (sheqer) = leugen | עָנָ֥ה (ana) = getuigde | בְאָחִֽיו (beachiv) = tegen zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:16; Deut 13:15; Deut 17:4; 2 Kron 19:6–7 **19:19** dan moet je met hem doen wat hij van plan was zijn broer aan te doen. Zo doe je het kwaad uit je midden weg. Brontekst: וַעֲשִׂ֣יתֶם (vaasitem) = en jullie zullen doen | ל֔וֹ (lo) = hem | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | זָמַ֖ם (zamam) = hij van plan was | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | לְאָחִ֑יו (leachiv) = aan zijn broer | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De straf voor de valse getuige is dezelfde als de straf die hij voor de ander wilde. Het Hebreeuws spreekt hier eerst de rechters aan (meervoud), daarna weer Israël (enkelvoud). Wij schrijven overal ‘je’. Zie ook: Deut 17:7; Deut 22:24; Spr 19:5; Spr 19:9; Dan 6:25 **19:20** De overgeblevenen zullen het horen en bang worden, en ze zullen nooit meer zoiets kwaads in je midden doen. Brontekst: וְהַנִּשְׁאָרִ֖ים (vehanisharim) = en de overgeblevenen | יִשְׁמְע֣וּ (yishmeu) = zullen horen | וְיִרָ֑אוּ (veyirau) = en zullen vrezen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֹסִ֨פוּ (yosifu) = zullen toevoegen | לַעֲשׂ֜וֹת (laasot) = om te doen | ע֗וֹד (od) = nog | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = zoals het ding | הָרָ֛ע (hara) = het kwade | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בְּקִרְבֶּֽךָ (beqirbekha) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 13:12; Deut 17:7; Deut 17:13; Deut 21:21; Rom 13:3–4 **19:21** Je oog mag geen medelijden hebben: leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet. Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | תָח֖וֹס (tachos) = zal sparen | עֵינֶ֑ךָ (einekha) = je oog | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = leven | בְּנֶ֗פֶשׁ (benefesh) = voor leven | עַ֤יִן (ayin) = oog | בְּעַ֨יִן֙ (beayin) = voor oog | שֵׁ֣ן (shen) = tand | בְּשֵׁ֔ן (beshen) = voor tand | יָ֥ד (yad) = hand | בְּיָ֖ד (beyad) = voor hand | רֶ֥גֶל (regel) = voet | בְּרָֽגֶל (beragel) = voor voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde regel staat in Exod. 21:23–25 en Lev. 24:19–20. Het gaat om een gelijke vergelding in de rechtszaak, niet om wraak van een persoon. Zie ook: Ex 21:23–25; Lev 24:17–21; Lev 24:19–20; Deut 19:13; Mat 5:38–39 ## Deuteronomium 20 _Regels voor de oorlog_ ### Wees niet bang **20:1** Wanneer je ten strijde trekt tegen je vijanden en je ziet paarden en wagens, een volk dat groter is dan jij. Wees dan niet bang voor hen. Want Yahweh, je Elohim, is met je, Hij die je uit het land Egypte heeft laten optrekken. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תֵצֵ֨א (tetse) = je uittrekt | לַמִּלְחָמָ֜ה (lamilchama) = ten strijde | עַל (al) = tegen | אֹיְבֶ֗יךָ (oyeveikha) = je vijanden | וְֽרָאִ֜יתָ (veraita) = en je ziet | ס֤וּס (sus) = paard | וָרֶ֨כֶב֙ (varekhev) = en wagen | עַ֚ם (am) = een volk | רַ֣ב (rav) = groter | מִמְּךָ֔ (mimekha) = dan jij | לֹ֥א (lo) = niet | תִירָ֖א (tira) = zul je vrezen | מֵהֶ֑ם (mehem) = voor hen | כִּֽי (ki) = want | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met jou | הַמַּֽעַלְךָ֖ (hamaalkha) = die je liet optrekken | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Paarden en wagens waren de sterkste wapens van die tijd. Yahweh heeft Israël uit Egypte laten optrekken (Exod. 14:23–28); dat is de reden dat Israël niet bang hoeft te zijn. Zie ook: Ex 14:23–28; Deut 31:6; Deut 31:8; Ps 20:8; 2 Kron 32:7–8; Jes 43:2 **20:2** Als jullie de strijd naderen, moet de priester naar voren komen en tot het volk spreken. Brontekst: וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het zal zijn | כְּקָֽרָבְכֶ֖ם (keqaravekhem) = als jullie naderen | אֶל (el) = tot | הַמִּלְחָמָ֑ה (hamilchama) = de strijd | וְנִגַּ֥שׁ (venigash) = en komt naderbij | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | וְדִבֶּ֥ר (vediber) = en spreekt | אֶל (el) = tot | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 10:8–9; Num 31:6; Re 20:27–28; 1 Sam 14:18; 2 Kron 13:12 **20:3** Hij moet tegen hen zeggen: „Luister, Israël, jullie gaan vandaag de strijd in tegen jullie vijanden. Laat jullie hart niet week worden. Wees niet bang, raak niet in paniek en beef niet voor hen. Brontekst: וְאָמַ֤ר (veamar) = en hij zal zeggen | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | שְׁמַ֣ע (shema) = luister | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַתֶּ֨ם (atem) = jullie | קְרֵבִ֥ים (qerevim) = zijn dicht bij | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = de strijd | עַל (al) = tegen | אֹיְבֵיכֶ֑ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | אַל (al) = niet | יֵרַ֣ךְ (yerakh) = laat week worden | לְבַבְכֶ֗ם (levavkhem) = jullie hart | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֧וּ (tireu) = vrees | וְאַֽל (veal) = en niet | תַּחְפְּז֛וּ (tachpezu) = raak in paniek | וְאַל (veal) = en niet | תַּֽעַרְצ֖וּ (taartsu) = beef | מִפְּנֵיהֶֽם (mipeneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 23:10; Ps 3:7; Ps 27:1–3; Heb 13:6; Openb 2:10 **20:4** Want Yahweh, jullie Elohim, gaat met jullie mee om voor jullie te strijden tegen jullie vijanden, om jullie te redden.” Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | הַהֹלֵ֖ךְ (haholekh) = die gaat | עִמָּכֶ֑ם (imakhem) = met jullie | לְהִלָּחֵ֥ם (lehilachem) = om te strijden | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | עִם (im) = met | אֹיְבֵיכֶ֖ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | לְהוֹשִׁ֥יעַ (lehoshia) = om te redden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:14; Deut 1:30; Deut 3:22; Deut 11:25; Joz 23:10 ### Wie naar huis mag gaan **20:5** De opzichters moeten tot het volk zeggen: „Wie heeft een nieuw huis gebouwd en het nog niet ingewijd? Hij mag teruggaan naar zijn huis, anders sterft hij in de strijd en wijdt een ander man het in. Brontekst: וְדִבְּר֣וּ (vediberu) = en zullen spreken | הַשֹּֽׁטְרִים֮ (hashoterim) = de opzichters | אֶל (el) = tot | הָעָ֣ם (haam) = het volk | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | מִֽי (mi) = wie | הָאִ֞ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | בָּנָ֤ה (bana) = bouwde | בַֽיִת (bayit) = een huis | חָדָשׁ֙ (chadash) = nieuw | וְלֹ֣א (velo) = en niet | חֲנָכ֔וֹ (chanakho) = inwijdde het | יֵלֵ֖ךְ (yelekh) = hij moet gaan | וְיָשֹׁ֣ב (veyashov) = en terugkeren | לְבֵית֑וֹ (leveito) = naar zijn huis | פֶּן (pen) = anders | יָמוּת֙ (yamut) = sterft hij | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de strijd | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | אַחֵ֖ר (acher) = ander | יַחְנְכֶֽנּוּ (yachnekhenu) = wijdt het in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: mannen met een leidende taak in het volk; hetzelfde woord staat in Exod. 5:14. חָנַךְ (chanak), ‘inwijden’: een huis voor het eerst in gebruik nemen. Zie ook: Ex 5:14; Num 31:48; Deut 1:15; Deut 16:18; 1 Sam 17:18; Neh 12:27 **20:6** En wie heeft een wijngaard geplant en hem nog niet in gebruik genomen? Hij mag teruggaan naar zijn huis, anders sterft hij in de strijd en neemt een ander man hem in gebruik. Brontekst: וּמִֽי (umi) = en wie | הָאִ֞ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | נָטַ֥ע (nata) = plantte | כֶּ֨רֶם֙ (kerem) = een wijngaard | וְלֹ֣א (velo) = en niet | חִלְּל֔וֹ (chilelo) = in gebruik nam hem | יֵלֵ֖ךְ (yelekh) = hij moet gaan | וְיָשֹׁ֣ב (veyashov) = en terugkeren | לְבֵית֑וֹ (leveito) = naar zijn huis | פֶּן (pen) = anders | יָמוּת֙ (yamut) = sterft hij | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de strijd | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | אַחֵ֖ר (acher) = ander | יְחַלְּלֶֽנּוּ (yechalelenu) = neemt hem in gebruik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִלֵּל (chillel), ‘in gebruik nemen’: de eerste vruchten van een nieuwe wijngaard werden pas na enkele jaren gegeten (Lev. 19:23–25). Zie ook: Lev 19:23–25; Deut 28:1–30; Jes 65:22; Sef 1:13; Jer 31:5 **20:7** En wie heeft zich verloofd met een vrouw en haar nog niet genomen? Hij mag teruggaan naar zijn huis, anders sterft hij in de strijd en neemt een ander man haar.” Brontekst: וּמִֽי (umi) = en wie | הָאִ֞ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | אֵרַ֤שׂ (eras) = zich verloofde met | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לְקָחָ֔הּ (leqachah) = nam haar | יֵלֵ֖ךְ (yelekh) = hij moet gaan | וְיָשֹׁ֣ב (veyashov) = en terugkeren | לְבֵית֑וֹ (leveito) = naar zijn huis | פֶּן (pen) = anders | יָמוּת֙ (yamut) = sterft hij | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de strijd | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | אַחֵ֖ר (acher) = ander | יִקָּחֶֽנָּה (yiqachena) = neemt haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verloofde man is vrijgesteld. Een pasgetrouwde man was een jaar vrijgesteld (Deut. 24:5). Zie ook: Deut 24:5; Deut 28:30; Mat 1:18; Luc 14:18–20; 2 Tim 2:4 **20:8** De opzichters moeten verder tot het volk spreken en zeggen: „Wie is bang en week van hart? Hij mag teruggaan naar zijn huis, zodat hij het hart van zijn broers niet doet smelten zoals zijn eigen hart.” Brontekst: וְיָסְפ֣וּ (veyasefu) = en zullen verder gaan | הַשֹּׁטְרִים֮ (hashoterim) = de opzichters | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = te spreken | אֶל (el) = tot | הָעָם֒ (haam) = het volk | וְאָמְר֗וּ (veameru) = en zullen zeggen | מִי (mi) = wie | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הַיָּרֵא֙ (hayare) = de bange | וְרַ֣ךְ (verakh) = en week van | הַלֵּבָ֔ב (halevav) = hart | יֵלֵ֖ךְ (yelekh) = hij moet gaan | וְיָשֹׁ֣ב (veyashov) = en terugkeren | לְבֵית֑וֹ (leveito) = naar zijn huis | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִמַּ֛ס (yimas) = doet smelten | אֶת (et) = (obj.) | לְבַ֥ב (levav) = hart van | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | כִּלְבָבֽוֹ (kilvavo) = zoals zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַךְ הַלֵּבָב (rach halevav), ‘week van hart’: bang, zonder moed. Zo iemand steekt anderen aan met zijn angst. Zie ook: Deut 1:28; Re 7:3; Luc 9:62; Hand 15:37–38; Openb 21:8 **20:9** Als de opzichters klaar zijn met spreken tot het volk, stellen zij legeraanvoerders aan het hoofd van het volk. Brontekst: וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | כְּכַלֹּ֥ת (kekhalot) = als ze klaar zijn | הַשֹּׁטְרִ֖ים (hashoterim) = de opzichters | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = met spreken | אֶל (el) = tot | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וּפָֽקְד֛וּ (ufaqedu) = en zullen aanstellen | שָׂרֵ֥י (sarei) = aanvoerders van | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = legers | בְּרֹ֥אשׁ (berosh) = aan het hoofd van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Een stad belegeren **20:10** Wanneer je een stad nadert om tegen haar te strijden, bied haar dan vrede aan. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תִקְרַ֣ב (tiqrav) = je nadert | אֶל (el) = tot | עִ֔יר (ir) = een stad | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = tegen haar | וְקָרָ֥אתָ (veqarata) = en je roept | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = haar toe | לְשָׁלֽוֹם (leshalom) = tot vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרָא לְשָׁלוֹם (qara leshalom), letterlijk ‘tot vrede roepen’: een stad vrede aanbieden voordat men haar aanvalt. Zie ook: 2 Sam 20:18–22; Luc 10:5–6; Hand 10:36; 2 Kor 5:18–6:1; Ef 2:17 **20:11** Als zij je vrede antwoordt en voor je opent, dan moet heel het volk dat erin gevonden wordt, dwangarbeiders voor je zijn en je dienen. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | תַּֽעַנְךָ֔ (taankha) = zij antwoordt je | וּפָתְחָ֖ה (ufatecha) = en voor je opent | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כָּל (kal) = heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַנִּמְצָא (hanimtsa) = dat gevonden wordt | בָ֗הּ (bah) = in haar | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | לָמַ֖ס (lamas) = tot dwangarbeid | וַעֲבָדֽוּךָ (vaavadukha) = en je dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplicht werk voor een heerser (Exod. 1:11). Zie ook: Ex 1:11; Lev 25:42–46; Joz 9:27; Ps 120:7; 1 Kon 9:21–22; Luc 19:14 **20:12** Maar als zij geen vrede met je sluit en oorlog met je voert, dan moet je haar belegeren. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | תַשְׁלִים֙ (tashlim) = zij vrede sluit | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met jou | וְעָשְׂתָ֥ה (veaseta) = en zij voert | עִמְּךָ֖ (imekha) = met jou | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | וְצַרְתָּ֖ (vetsarta) = en je belegert | עָלֶֽיהָּ (aleiha) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:13** Wanneer Yahweh, je Elohim, haar in je hand geeft, sla dan al haar mannen met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וּנְתָנָ֛הּ (unetanah) = en geeft haar | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in je hand | וְהִכִּיתָ֥ (vehikita) = en je slaat | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | זְכוּרָ֖הּ (zekhurah) = haar mannen | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְכוּרָהּ (zekhurah), ‘haar mannen’: de mannelijke inwoners van de stad. Zie ook: Num 31:7–9; Ps 2:6–12; Ps 110:1; 1 Kon 11:15–16; 2 Tess 1:7–9 **20:14** Alleen de vrouwen, de kleintjes, het vee en alles wat in de stad is, al haar buit, mag je voor jezelf als buit nemen. Je mag de buit van je vijanden eten die Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft. Brontekst: רַ֣ק (raq) = alleen | הַ֠נָּשִׁים (hanashim) = de vrouwen | וְהַטַּ֨ף (vehataf) = en de kleintjes | וְהַבְּהֵמָ֜ה (vehabehema) = en het vee | וְכֹל֩ (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | בָעִ֛יר (bair) = in de stad | כָּל (kal) = al | שְׁלָלָ֖הּ (shelalah) = haar buit | תָּבֹ֣ז (tavoz) = zul je als buit nemen | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | וְאָֽכַלְתָּ֙ (veakhalta) = en je zult eten | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלַ֣ל (shelal) = buit van | אֹיְבֶ֔יךָ (oyeveikha) = je vijanden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֛ן (natan) = gaf | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָכַלְתָּ (ve’akhalta), letterlijk ‘en je zult eten’: de buit gebruiken en ervan leven. Zie ook: Num 31:9; Num 31:35–54; Joz 8:2; Joz 22:8; 2 Kron 14:12–14 **20:15** Zo moet je doen met alle steden die heel ver van je liggen, die niet bij de steden van deze volken horen. Brontekst: כֵּ֤ן (ken) = zo | תַּעֲשֶׂה֙ (taase) = zul je doen | לְכָל (lekhal) = met alle | הֶ֣עָרִ֔ים (hearim) = de steden | הָרְחֹקֹ֥ת (harechoqot) = de verre | מִמְּךָ֖ (mimekha) = van jou | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | מֵעָרֵ֥י (mearei) = van de steden van | הַגּֽוֹיִם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | הֵֽנָּה (hena) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor verre steden gelden andere regels dan voor de steden in het land zelf (vers 16–18). Zie ook: Deut 20:16–18 ### De steden van de volken in het land **20:16** Maar van de steden van deze volken, die Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel, mag je niets laten leven wat adem heeft. Brontekst: רַ֗ק (raq) = alleen | מֵעָרֵ֤י (mearei) = van de steden van | הָֽעַמִּים֙ (haamim) = de volken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | נַחֲלָ֑ה (nachala) = als erfdeel | לֹ֥א (lo) = niet | תְחַיֶּ֖ה (techaye) = zul je laten leven | כָּל (kal) = alles | נְשָׁמָֽה (neshama) = wat adem heeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשָׁמָה (neshamah), ‘wat adem heeft’: alles wat leeft. Zie ook: Num 21:2–3; Deut 7:1–4; Deut 7:16; Joz 6:17–21; Joz 11:14 **20:17** Want je moet hen zeker bannen: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Dat is zoals Yahweh, je Elohim, je geboden heeft, Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הַחֲרֵ֣ם (hacharem) = volledig | תַּחֲרִימֵ֗ם (tacharimem) = zul je hen bannen | הַחִתִּ֤י (hachiti) = de Hethiet | וְהָאֱמֹרִי֙ (vehaemori) = en de Amoriet | הַכְּנַעֲנִ֣י (hakenaani) = de Kanaäniet | וְהַפְּרִזִּ֔י (vehaperizi) = en de Perizziet | הַחִוִּ֖י (hachivi) = de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִ֑י (vehayvusi) = en de Jebusiet | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוְּךָ֖ (tsivekha) = gebood je | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרַם (charam), ‘bannen’: iets of iemand geheel aan Yahweh toewijden, zodat het volledig vernietigd wordt (zie Exod. 22:19). Zie ook Deut. 7:1–2 en Exod. 23:23. Zie ook: Ex 22:19; Ex 23:23; Deut 7:1–2; Jes 34:5–6; Jer 48:10; Jer 50:35–40; Ezech 38:21–23 **20:18** zodat ze je niet leren te doen naar al hun gruwelen die ze voor hun goden hebben gedaan, en je tegen Yahweh, je Elohim, zondigt. Brontekst: לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יְלַמְּד֤וּ (yelamedu) = ze leren | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | כְּכֹל֙ (kekhol) = naar al | תּֽוֹעֲבֹתָ֔ם (toavotam) = hun gruwelen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשׂ֖וּ (asu) = ze deden | לֵֽאלֹהֵיהֶ֑ם (leloheihem) = voor hun goden | וַחֲטָאתֶ֖ם (vachatatem) = en jullie zondigen | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (toevah), ‘gruwel’: wat Yahweh verafschuwt, vooral afgoderij. Hetzelfde woord staat in Deut. 22:5, 23:19 en 24:4. Zie ook: Ex 23:33; Deut 7:4–5; Deut 12:30–31; Deut 22:5; Deut 23:19; Deut 24:4; Joz 23:13; Ef 5:11 ### Spaar de vruchtbomen **20:19** Wanneer je lange tijd een stad belegert om tegen haar te strijden en haar in te nemen: dan mag je haar bomen niet vernietigen. Je mag er geen bijl tegen zwaaien. Want je kunt ervan eten, dus je mag ze niet omhakken. Want is de boom van het veld een mens, dat hij vanwege jou in de belegering zou komen? Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תָצ֣וּר (tatsur) = je belegert | אֶל (el) = een | עִיר֩ (ir) = stad | יָמִ֨ים (yamim) = dagen | רַבִּ֜ים (rabim) = vele | לְֽהִלָּחֵ֧ם (lehilachem) = om te strijden | עָלֶ֣יהָ (aleiha) = tegen haar | לְתָפְשָׂ֗הּ (letafesah) = om haar in te nemen | לֹֽא (lo) = niet | תַשְׁחִ֤ית (tashchit) = zul je vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | עֵצָהּ֙ (etsah) = haar bomen | לִנְדֹּ֤חַ (lindoach) = door te zwaaien | עָלָיו֙ (alav) = tegen hen | גַּרְזֶ֔ן (garzen) = een bijl | כִּ֚י (ki) = want | מִמֶּ֣נּוּ (mimenu) = van hen | תֹאכֵ֔ל (tokhel) = zul je eten | וְאֹת֖וֹ (veoto) = en hen | לֹ֣א (lo) = niet | תִכְרֹ֑ת (tikhrot) = zul je omhakken | כִּ֤י (ki) = want | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | עֵ֣ץ (ets) = boom van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | לָבֹ֥א (lavo) = om te komen | מִפָּנֶ֖יךָ (mipaneikha) = vanwege jou | בַּמָּצֽוֹר (bamatsor) = in de belegering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De tekst heeft een moeilijke zin aan het eind: כִּי הָאָדָם עֵץ הַשָּׂדֶה (ki haadam ets hasadeh), letterlijk ‘want de mens is een boom van het veld’. Wij lezen dit als een vraag: ‘Want is de boom van het veld een mens?’ Een boom kan zich niet verdedigen en hoort dus niet bij de strijd. Een andere lezing is: ‘de mens leeft van de bomen van het veld’. Zie ook: Mat 3:10; Mat 7:15–20; Mat 21:19; Luc 13:7–9; Joh 15:2–8 **20:20** Alleen een boom waarvan je weet dat het geen vruchtboom is, mag je vernietigen en omhakken. Bouw er een belegeringswal van tegen de stad die oorlog met je voert, totdat ze valt. Brontekst: רַ֞ק (raq) = alleen | עֵ֣ץ (ets) = boom | אֲשֶׁר (asher) = waarvan | תֵּדַ֗ע (teda) = je weet | כִּֽי (ki) = dat | לֹא (lo) = niet | עֵ֤ץ (ets) = boom van | מַאֲכָל֙ (maakhal) = voedsel | ה֔וּא (hu) = hij is | אֹת֥וֹ (oto) = hem | תַשְׁחִ֖ית (tashchit) = zul je vernietigen | וְכָרָ֑תָּ (vekharata) = en omhakken | וּבָנִ֣יתָ (uvanita) = en bouwen | מָצ֗וֹר (matsor) = een belegeringswal | עַל (al) = tegen | הָעִיר֙ (hair) = de stad | אֲשֶׁר (asher) = die | הִ֨וא (hi) = zij | עֹשָׂ֧ה (osa) = voert | עִמְּךָ֛ (imekha) = met jou | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | עַ֥ד (ad) = totdat | רִדְתָּֽהּ (ridtah) = haar val Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָצוֹר (matsor), ‘belegeringswal’: een wal of toren die tegen de muur van een stad gebouwd wordt. Zie ook: Deut 1:28; Pred 9:14; 2 Kron 26:15; Jes 37:33; Jer 6:6 ## Deuteronomium 21 _Onopgeloste moord, gevangen vrouw, erfrecht en opstandige zoon_ ### Een onopgeloste moord **21:1** Wanneer op de grond die Yahweh, je Elohim, je geeft om in bezit te nemen, een gedode wordt gevonden die in het veld ligt. En men weet niet wie hem heeft geslagen, Brontekst: כִּי (ki) = wanneer | יִמָּצֵ֣א (yimatse) = gevonden wordt | חָלָ֗ל (chalal) = een gedode | בָּאֲדָמָה֙ (baadama) = op de grond | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֤ן (noten) = die geeft | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | לְרִשְׁתָּ֔הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | נֹפֵ֖ל (nofel) = liggend | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | לֹ֥א (lo) = niet | נוֹדַ֖ע (noda) = is bekend | מִ֥י (mi) = wie | הִכָּֽהוּ (hikahu) = hem sloeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלָל (chalal), ‘gedode’: iemand die door geweld is omgekomen. Zie ook Num. 35:33–34, waar bloed het land onrein maakt. Zie ook: Num 35:33–34; Ps 5:7; Ps 9:13; Spr 28:17; Jes 26:21; Hand 28:4 **21:2** dan moeten je oudsten en je rechters uitgaan en de afstand meten tot de steden rondom de gedode. Brontekst: וְיָצְא֥וּ (veyatseu) = en zullen uitgaan | זְקֵנֶ֖יךָ (zeqeneikha) = je oudsten | וְשֹׁפְטֶ֑יךָ (veshofeteikha) = en je rechters | וּמָדְדוּ֙ (umadedu) = en zullen meten | אֶל (el) = naar | הֶ֣עָרִ֔ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | סְבִיבֹ֥ת (sevivot) = rondom | הֶחָלָֽל (hechalal) = de gedode Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 16:18–19; Rom 13:3–4 **21:3** De stad die het dichtst bij de gedode ligt. De oudsten van die stad moeten een jonge koe nemen waarmee nog niet gewerkt is en die nog niet onder een juk heeft getrokken. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | הָעִ֔יר (hair) = de stad | הַקְּרֹבָ֖ה (haqerova) = die dichtbij is | אֶל (el) = bij | הֶחָלָ֑ל (hechalal) = de gedode | וְלָֽקְח֡וּ (velaqechu) = en zullen nemen | זִקְנֵי֩ (ziqnei) = oudsten van | הָעִ֨יר (hair) = de stad | הַהִ֜וא (hahi) = die | עֶגְלַ֣ת (eglat) = jonge koe van | בָּקָ֗ר (baqar) = rund | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarmee | לֹֽא (lo) = niet | עֻבַּד֙ (ubad) = gewerkt is | בָּ֔הּ (bah) = met haar | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | מָשְׁכָ֖ה (mashekha) = zij trok | בְּעֹֽל (beol) = in een juk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶגְלַת בָּקָר (eglat baqar), ‘jonge koe’. Een dier waarmee nog niet gewerkt is, wordt gebruikt omdat het nog niet voor een mens heeft gewerkt. Zie ook: Num 19:2; Jer 31:18; Mat 11:28–30; Fil 2:8 **21:4** De oudsten van die stad moeten de koe naar een beek met altijd stromend water brengen, waar niet gewerkt en niet gezaaid wordt. Daar, in de beek, moeten zij de nek van de koe breken. Brontekst: וְהוֹרִ֡דוּ (vehoridu) = en zullen laten afdalen | זִקְנֵי֩ (ziqnei) = oudsten van | הָעִ֨יר (hair) = de stad | הַהִ֤וא (hahi) = die | אֶת (et) = (obj.) | הָֽעֶגְלָה֙ (haegla) = de koe | אֶל (el) = naar | נַ֣חַל (nachal) = beek | אֵיתָ֔ן (eitan) = altijd stromend | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waar | לֹא (lo) = niet | יֵעָבֵ֥ד (yeaved) = wordt gewerkt | בּ֖וֹ (bo) = in haar | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִזָּרֵ֑עַ (yizarea) = wordt gezaaid | וְעָֽרְפוּ (vearefu) = en zullen breken de nek | שָׁ֥ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | הָעֶגְלָ֖ה (haegla) = de koe | בַּנָּֽחַל (banachal) = in de beek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחַל אֵיתָן (nachal eitan), ‘beek met altijd stromend water’: een beek die nooit droogvalt. Het land bij de beek wordt niet bewerkt, dus de plek is niet in gebruik. Voetnoot : עָרַף (araf), ‘de nek breken’. Zie ook: 1 Petr 2:21–24; 1 Petr 3:18 **21:5** Dan moeten de priesters, de zonen van Levi, naderen. Want hen heeft Yahweh, je Elohim, uitgekozen om Hem te dienen en te zegenen in de naam van Yahweh. Op hun woord hangt elke rechtszaak en elke slag af. Brontekst: וְנִגְּשׁ֣וּ (venigeshu) = en zullen naderen | הַכֹּהֲנִים֮ (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | לֵוִי֒ (levi) = Levi | כִּ֣י (ki) = want | בָ֗ם (bam) = hen | בָּחַ֞ר (bachar) = koos | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | לְשָׁ֣רְת֔וֹ (leshareto) = om Hem te dienen | וּלְבָרֵ֖ךְ (ulevarekh) = en om te zegenen | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְעַל (veal) = en op | פִּיהֶ֥ם (pihem) = hun mond | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | כָּל (kal) = elke | רִ֥יב (riv) = rechtszaak | וְכָל (vekhal) = en elke | נָֽגַע (naga) = slag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De priesters spreken recht in de zaak: zij zijn door Yahweh uitgekozen (zie ook Deut. 10:8 en 17:8–9). נֶגַע (nega), ‘slag’: een verwonding of geweldpleging. Zie ook: Deut 10:8; Deut 17:8; Deut 18:5; Deut 19:17; 1 Kron 23:13; Mal 2:7 **21:6** Alle oudsten van die stad, die het dichtst bij de gedode zijn, moeten hun handen wassen boven de koe. Dat is de koe wier nek in de beek is gebroken. Brontekst: וְכֹ֗ל (vekhol) = en alle | זִקְנֵי֙ (ziqnei) = oudsten van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַהִ֔וא (hahi) = die | הַקְּרֹבִ֖ים (haqerovim) = die dichtbij zijn | אֶל (el) = bij | הֶחָלָ֑ל (hechalal) = de gedode | יִרְחֲצוּ֙ (yirchatsu) = zullen wassen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֔ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = boven | הָעֶגְלָ֖ה (haegla) = de koe | הָעֲרוּפָ֥ה (haarufa) = die haar nek gebroken is | בַנָּֽחַל (banachal) = in de beek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 26:6; Ps 51:16; Ps 73:13; Jer 2:22; Mat 27:24–25 **21:7** Zij moeten antwoorden en zeggen: „Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien. Brontekst: וְעָנ֖וּ (veanu) = en zullen antwoorden | וְאָמְר֑וּ (veameru) = en zeggen | יָדֵ֗ינוּ (yadeinu) = onze handen | לֹ֤א (lo) = niet | שָֽׁפְכוּ֙ (shafekhu) = vergoten | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֣ם (hadam) = het bloed | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְעֵינֵ֖ינוּ (veeineinu) = en onze ogen | לֹ֥א (lo) = niet | רָאֽוּ (rau) = zagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:21–23; Job 21:31–34; Num 5:19–28; 2 Sam 16:8; Ps 7:4–5 **21:8** Doe verzoening voor Uw volk Israël, dat U vrijgekocht hebt, Yahweh. Laat geen onschuldig bloed komen in het midden van Uw volk Israël.” Zo wordt het bloed voor hen verzoend. Brontekst: כַּפֵּר֩ (kaper) = doe verzoening | לְעַמְּךָ֨ (leamekha) = voor Uw volk | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = dat | פָּדִ֨יתָ֙ (padita) = U kocht vrij | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאַל (veal) = en niet | תִּתֵּן֙ (titen) = laat komen | דָּ֣ם (dam) = bloed | נָקִ֔י (naqi) = onschuldig | בְּקֶ֖רֶב (beqerev) = in het midden van | עַמְּךָ֣ (amekha) = Uw volk | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְנִכַּפֵּ֥ר (venikaper) = en zal verzoend worden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | הַדָּֽם (hadam) = het bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oudsten spreken Yahweh rechtstreeks aan, dus met ‘U’ en ‘Uw’. כַּפֵּר (kapper), ‘verzoening doen’. Het slot, ‘Zo wordt het bloed voor hen verzoend’, is de vertelling en geen deel van het gebed. Zie ook: 2 Kon 24:4; Jona 1:14; Jer 26:15; Mat 23:35; 1 Tess 2:15–16 **21:9** Jij moet het onschuldige bloed uit je midden wegdoen. Dan doe je wat recht is in de ogen van Yahweh. Brontekst: וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | תְּבַעֵ֛ר (tevaer) = zul wegdoen | הַדָּ֥ם (hadam) = het bloed | הַנָּקִ֖י (hanaqi) = het onschuldige | מִקִּרְבֶּ֑ךָ (miqirbekha) = uit je midden | כִּֽי (ki) = want | תַעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult doen | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = wat recht is | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor ‘wegdoen’ (בִּעֵר, bi’er) zie de voetnoot bij Deut. 19:13. Zie ook: Deut 13:19; Deut 19:12–13; Deut 19:13; 2 Kon 10:30–31 ### Een gevangen vrouw **21:10** Wanneer je ten strijde trekt tegen je vijanden, Yahweh, je Elohim, hen in je hand geeft en je gevangenen meevoert, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תֵצֵ֥א (tetse) = je uittrekt | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = ten strijde | עַל (al) = tegen | אֹיְבֶ֑יךָ (oyeveikha) = je vijanden | וּנְתָנ֞וֹ (unetano) = en geeft hem | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּיָדֶ֖ךָ (beyadekha) = in je hand | וְשָׁבִ֥יתָ (veshavita) = en je voert weg | שִׁבְיֽוֹ (shivyo) = zijn gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 20:10–16; Joz 21:44 **21:11** en je ziet onder de gevangenen een vrouw met een mooi uiterlijk, je raakt aan haar gehecht en je neemt haar tot vrouw, Brontekst: וְרָאִיתָ֙ (veraita) = en je ziet | בַּשִּׁבְיָ֔ה (bashivya) = onder de gevangenen | אֵ֖שֶׁת (eshet) = een vrouw van | יְפַת (yefat) = mooi van | תֹּ֑אַר (toar) = uiterlijk | וְחָשַׁקְתָּ֣ (vechashaqta) = en je raakt gehecht | בָ֔הּ (bah) = aan haar | וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en je neemt | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָשַׁק (chashaq), ‘gehecht raken’: verlangen naar iets. De wet beschermt de gevangen vrouw: ze krijgt tijd om te rouwen en wordt niet verkocht. Zie ook: Gen 12:14–15; Gen 34:3; Num 31:18; Spr 31:10; Spr 31:30 **21:12** dan breng je haar in je huis. Zij moet haar hoofd kaalscheren en haar nagels verzorgen. Brontekst: וַהֲבֵאתָ֖הּ (vahavetah) = en je brengt haar | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | בֵּיתֶ֑ךָ (beitekha) = je huis | וְגִלְּחָה֙ (vegilecha) = en ze scheert kaal | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשָׁ֔הּ (roshah) = haar hoofd | וְעָשְׂתָ֖ה (veaseta) = en ze verzorgt | אֶת (et) = (obj.) | צִפָּרְנֶֽיהָ (tsipareneiha) = haar nagels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְעָשְׂתָה (ve’asetah), letterlijk ‘en zij maakt’. Dat kan ‘knippen’ betekenen, maar ook ‘verzorgen’ of ‘laten groeien’. Wij vertalen ‘verzorgen’. Kaalscheren en nagels verzorgen kunnen tekenen van rouw of van een nieuw begin zijn. Zie ook: Lev 14:9; Num 6:9; 1 Kor 11:6; Ef 4:22 **21:13** Zij moet de kleren van haar gevangenschap uittrekken en in je huis blijven wonen. Een hele maand moet ze haar vader en moeder bewenen. Daarna mag je bij haar komen en haar man zijn, en ze wordt je vrouw. Brontekst: וְהֵסִ֩ירָה֩ (vehesira) = en ze trekt uit | אֶת (et) = (obj.) | שִׂמְלַ֨ת (simlat) = kleed van | שִׁבְיָ֜הּ (shivyah) = haar gevangenschap | מֵעָלֶ֗יהָ (mealeiha) = van haar | וְיָֽשְׁבָה֙ (veyasheva) = en ze blijft wonen | בְּבֵיתֶ֔ךָ (beveitekha) = in je huis | וּבָֽכְתָ֛ה (uvakheta) = en ze beweent | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֥יהָ (aviha) = haar vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמָּ֖הּ (imah) = haar moeder | יֶ֣רַח (yerach) = maand van | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וְאַ֨חַר (veachar) = en daarna | כֵּ֜ן (ken) = zo | תָּב֤וֹא (tavo) = zul je komen | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = tot haar | וּבְעַלְתָּ֔הּ (uvealtah) = en je wordt haar man | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en ze wordt | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶרַח יָמִים (yerach yamim), letterlijk ‘een maand van dagen’: een volle maand. Voetnoot : בָּעַל (ba’al), ‘iemands man zijn’. Zie ook: Ps 45:11–12; Luc 14:26–27 **21:14** Als je geen behagen meer in haar hebt, dan moet je haar laten gaan waarheen zij wil. Je mag haar zeker niet voor geld verkopen en haar niet als koopwaar behandelen, omdat je haar vernederd hebt. Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | לֹ֧א (lo) = niet | חָפַ֣צְתָּ (chafatsta) = je behagen hebt | בָּ֗הּ (bah) = in haar | וְשִׁלַּחְתָּהּ֙ (veshilachtah) = en je laat haar gaan | לְנַפְשָׁ֔הּ (lenafshah) = naar haar wens | וּמָכֹ֥ר (umakhor) = en verkopen | לֹא (lo) = niet | תִמְכְּרֶ֖נָּה (timkerena) = zul je haar verkopen | בַּכָּ֑סֶף (bakasef) = voor zilver | לֹא (lo) = niet | תִתְעַמֵּ֣ר (titamer) = zul je behandelen als koopwaar | בָּ֔הּ (bah) = haar | תַּ֖חַת (tachat) = in ruil voor | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עִנִּיתָֽהּ (initah) = je haar vernederd hebt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְעַמֵּר (hit’ammer), ‘als koopwaar behandelen’: de betekenis is onzeker. Hetzelfde woord staat in Deut. 24:7 bij iemand die een broer steelt en verkoopt. עִנָּה (innah), ‘vernederen’: zoals in Gen. 34:2. Zie ook: Gen 34:2; Deut 22:19; Deut 22:24; Deut 22:29; Deut 24:7; Re 19:24 ### Het recht van de eerstgeborene **21:15** Wanneer een man twee vrouwen heeft, de ene bemind en de andere gehaat. En zowel de beminde als de gehate baren hem zonen, en de eerstgeboren zoon is van de gehate, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תִהְיֶ֨יןָ (tihyeina) = zijn | לְאִ֜ישׁ (leish) = voor een man | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | נָשִׁ֗ים (nashim) = vrouwen | הָאַחַ֤ת (haachat) = de ene | אֲהוּבָה֙ (ahuva) = bemind | וְהָאַחַ֣ת (vehaachat) = en de ene | שְׂנוּאָ֔ה (senua) = gehaat | וְיָֽלְדוּ (veyaledu) = en baren | ל֣וֹ (lo) = hem | בָנִ֔ים (banim) = zonen | הָאֲהוּבָ֖ה (haahuva) = de beminde | וְהַשְּׂנוּאָ֑ה (vehasenua) = en de gehate | וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | הַבֵּ֥ן (haben) = de zoon | הַבְּכ֖וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | לַשְּׂנִיאָֽה (lasenia) = van de gehate Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Gen. 29:30–33, waar Jakob Lea ‘gehaat’ noemt: het woord kan ook ‘minder geliefd’ betekenen. Zie ook: Gen 29:18; Gen 29:20; Gen 29:30–31; Gen 29:33; 1 Sam 1:4–5 **21:16** dan mag hij, op de dag dat hij zijn zonen laat erven wat hij bezit, de zoon van de beminde niet tot eerstgeborene maken. Dat mag niet ten koste gaan van de zoon van de gehate. Die is de eerstgeborene. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | הַנְחִיל֣וֹ (hanchilo) = dat hij laat erven | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | ל֑וֹ (lo) = voor hem | לֹ֣א (lo) = niet | יוּכַ֗ל (yukhal) = zal hij mogen | לְבַכֵּר֙ (levaker) = tot eerstgeborene maken | אֶת (et) = (obj.) | בֶּן (ben) = de zoon van | הָ֣אֲהוּבָ֔ה (haahuva) = de beminde | עַל (al) = ten koste van | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | בֶן (ben) = de zoon van | הַשְּׂנוּאָ֖ה (hasenua) = de gehate | הַבְּכֹֽר (habekhor) = de eerstgeborene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 5:2; 1 Kron 26:10; 2 Kron 21:3; Rom 8:29; Fil 4:8 **21:17** Hij moet de eerstgeborene, de zoon van de gehate, erkennen door hem een dubbel deel te geven van alles wat hij bezit. Want hij is de eerste van zijn kracht; het recht van de eerstgeboorte is van hem. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּכֹ֨ר (habekhor) = de eerstgeborene | בֶּן (ben) = zoon van | הַשְּׂנוּאָ֜ה (hasenua) = de gehate | יַכִּ֗יר (yakir) = zal hij erkennen | לָ֤תֶת (latet) = om te geven | לוֹ֙ (lo) = aan hem | פִּ֣י (pi) = mond van | שְׁנַ֔יִם (shenayim) = twee | בְּכֹ֥ל (bekhol) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִמָּצֵ֖א (yimatse) = gevonden wordt | ל֑וֹ (lo) = bij hem | כִּי (ki) = want | הוּא֙ (hu) = hij | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = eerste van | אֹנ֔וֹ (ono) = zijn kracht | ל֖וֹ (lo) = aan hem | מִשְׁפַּ֥ט (mishpat) = recht van | הַבְּכֹרָֽה (habekhora) = de eerstgeboorte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּי שְׁנַיִם (pi shenayim), letterlijk ‘mond van twee’: een dubbel deel. De eerstgeborene krijgt twee delen. רֵאשִׁית אוֹן (reshit on), ‘eerste van zijn kracht’: het eerste teken van zijn kracht als vader. Zie ook: Gen 25:5–6; Gen 25:31–34; Gen 49:3; 1 Kron 5:1–2; Ps 105:36 ### Een opstandige zoon **21:18** Wanneer een man een koppige en opstandige zoon heeft. Die luistert niet naar de stem van zijn vader en de stem van zijn moeder. En ook als zij hem tuchtigen, luistert hij niet naar hen, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֣ה (yihye) = is | לְאִ֗ישׁ (leish) = voor een man | בֵּ֚ן (ben) = zoon | סוֹרֵ֣ר (sorer) = koppig | וּמוֹרֶ֔ה (umore) = en opstandig | אֵינֶ֣נּוּ (einenu) = niet is hij | שֹׁמֵ֔עַ (shomea) = luisterend | בְּק֥וֹל (beqol) = naar de stem van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וּבְק֣וֹל (uveqol) = en naar de stem van | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וְיסְּר֣וּ (veysru) = en zij tuchtigen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִשְׁמַ֖ע (yishma) = luistert hij | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוֹרֵר וּמוֹרֶה (sorer umoreh), ‘koppig en opstandig’: een zoon die zijn ouders openlijk blijft weerstaan, ook na straf. Het gaat niet om een kind. Zie ook: Ex 20:12; Lev 19:3; Spr 20:20; Amos 4:11–12; Heb 12:9–11 **21:19** dan moeten zijn vader en zijn moeder hem vastgrijpen en hem naar de oudsten van zijn stad brengen, naar de poort van zijn woonplaats. Brontekst: וְתָ֥פְשׂוּ (vetafesu) = en zullen vastgrijpen | ב֖וֹ (bo) = hem | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֑וֹ (veimo) = en zijn moeder | וְהוֹצִ֧יאוּ (vehotsiu) = en zullen brengen | אֹת֛וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | וְאֶל (veel) = en naar | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | מְקֹמֽוֹ (meqomo) = zijn woonplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 16:18; Deut 21:2; Deut 25:7; Zach 13:3 **21:20** Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen: „Deze zoon van ons is koppig en opstandig. Hij luistert niet naar onze stem. Hij is een veelvraat en een dronkaard.” Brontekst: וְאָמְר֞וּ (veameru) = en zullen zeggen | אֶל (el) = tot | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | עִיר֗וֹ (iro) = zijn stad | בְּנֵ֤נוּ (benenu) = onze zoon | זֶה֙ (ze) = deze | סוֹרֵ֣ר (sorer) = koppig | וּמֹרֶ֔ה (umore) = en opstandig | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = niet is hij | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = luisterend | בְּקֹלֵ֑נוּ (beqolenu) = naar onze stem | זוֹלֵ֖ל (zolel) = veelvraat | וְסֹבֵֽא (vesove) = en dronkaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זוֹלֵל וְסֹבֵא (zolel vesove), ‘veelvraat en dronkaard’. Zie ook Spr. 23:20–21. Zie ook: Spr 19:26; Spr 20:1; Spr 23:19–21; Spr 23:20–21; Spr 23:29–35; Spr 29:17 **21:21** Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Zo doe je het kwaad uit je midden weg. Heel Israël zal het horen en bang worden. Brontekst: וּ֠רְגָמֻהוּ (uregamuhu) = en zullen stenigen hem | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | עִיר֤וֹ (iro) = zijn stad | בָֽאֲבָנִים֙ (baavanim) = met stenen | וָמֵ֔ת (vamet) = en hij sterft | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִקִּרְבֶּ֑ךָ (miqirbekha) = uit je midden | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יִשְׁמְע֥וּ (yishmeu) = zullen horen | וְיִרָֽאוּ (veyirau) = en zullen vrezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ouders moeten de zaak zelf aanbrengen; de stad voert het vonnis uit. Voor ‘wegdoen’ zie Deut. 19:13. Zie ook: Lev 24:16; Deut 13:6; Deut 13:11–12; Deut 19:13; Deut 19:19–20; Deut 22:24 ### Een gehangene **21:22** Wanneer een man een zonde begaat waarop volgens het recht de dood staat, en hij gedood wordt, en je hangt hem aan een boom, Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִהְיֶ֣ה (yihye) = is | בְאִ֗ישׁ (beish) = bij een man | חֵ֛טְא (chete) = zonde van | מִשְׁפַּט (mishpat) = recht van | מָ֖וֶת (mavet) = de dood | וְהוּמָ֑ת (vehumat) = en hij wordt gedood | וְתָלִ֥יתָ (vetalita) = en je hangt | אֹת֖וֹ (oto) = hem | עַל (al) = aan | עֵֽץ (ets) = een boom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּלָה עַל עֵץ (talah al ets), ‘aan een boom hangen’: het lijk van een gedode wordt ter waarschuwing zichtbaar opgehangen. Zie ook: Deut 22:26; Luc 23:33; Joh 19:31–38; Hand 23:29; Hand 26:31 **21:23** dan mag zijn lijk de nacht niet doorbrengen aan de boom. Je moet hem op diezelfde dag begraven, want een gehangene is een vervloeking van Elohim. Zo maak je je grond niet onrein, die Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תָלִ֨ין (talin) = zal overnachten | נִבְלָת֜וֹ (nivlato) = zijn lijk | עַל (al) = aan | הָעֵ֗ץ (haets) = de boom | כִּֽי (ki) = want | קָב֤וֹר (qavor) = begraven | תִּקְבְּרֶ֨נּוּ֙ (tiqberenu) = zul je hem begraven | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | כִּֽי (ki) = want | קִלְלַ֥ת (qillat) = vervloeking van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | תָּל֑וּי (taluy) = een gehangene | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תְטַמֵּא֙ (tetame) = zul je onrein maken | אֶת (et) = (obj.) | אַדְמָ֣תְךָ֔ (admatekha) = je grond | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | נַחֲלָֽה (nachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִלְלַת אֱלֹהִים (qilelat Elohim), ‘een vervloeking van Elohim’: de gehangene staat onder de vloek van Elohim. Paulus verwijst hiernaar in Gal. 3:13. Zie ook: Lev 18:25; Joh 19:31; Gal 3:13; 2 Kor 5:21; Rom 9:3 ## Deuteronomium 22 _Hulp aan je broer, verboden mengingen en seksuele wetten_ ### Verdwaalde en verloren dieren **22:1** Je mag de stier of het schaap van je broer niet zien dwalen en je er dan aan onttrekken. Je moet ze zeker bij je broer terugbrengen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִרְאֶה֩ (tire) = zul je zien | אֶת (et) = (obj.) | שׁ֨וֹר (shor) = stier van | אָחִ֜יךָ (achikha) = je broer | א֤וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | שֵׂיוֹ֙ (seio) = zijn schaap | נִדָּחִ֔ים (nidachim) = verdwaald | וְהִתְעַלַּמְתָּ֖ (vehitalamta) = en je onttrekt je | מֵהֶ֑ם (mehem) = aan hen | הָשֵׁ֥ב (hashev) = terugbrengen | תְּשִׁיבֵ֖ם (teshivem) = zul je hen terugbrengen | לְאָחִֽיךָ (leachikha) = aan je broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 23:4–5. הִתְעַלֵּם (hit’allem), ‘zich onttrekken’: je ogen sluiten voor wat je ziet. Het gaat om dieren en bezittingen van je ‘broer’, een volksgenoot. Zie ook: Ex 23:4–5; Deut 22:3–4; Spr 24:11; Jes 58:7; Ezech 34:16 **22:2** Als je broer niet dicht bij je woont en je hem niet kent, dan moet je het dier in je huis opnemen. Het blijft bij je totdat je broer ernaar zoekt. Dan geef je het hem terug. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | קָר֥וֹב (qarov) = dichtbij | אָחִ֛יךָ (achikha) = je broer | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = bij jou | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְדַעְתּ֑וֹ (yedato) = je kent hem | וַאֲסַפְתּוֹ֙ (vaasafto) = dan neem je het op | אֶל (el) = in | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | בֵּיתֶ֔ךָ (beitekha) = je huis | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | עִמְּךָ֗ (imekha) = bij jou | עַ֣ד (ad) = totdat | דְּרֹ֤שׁ (derosh) = zoekt | אָחִ֨יךָ֙ (achikha) = je broer | אֹת֔וֹ (oto) = het | וַהֲשֵׁבֹת֖וֹ (vahashevoto) = en je geeft het terug | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 7:12; 1 Tess 4:6 **22:3** Zo moet je doen met zijn ezel, zo met zijn kleed en zo met elk verloren voorwerp van je broer. Hij raakt het kwijt en jij vindt het. Je kunt je er niet aan onttrekken. Brontekst: וְכֵ֧ן (vekhen) = en zo | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je doen | לַחֲמֹר֗וֹ (lachamoro) = met zijn ezel | וְכֵ֣ן (vekhen) = en zo | תַּעֲשֶׂה֮ (taase) = zul je doen | לְשִׂמְלָתוֹ֒ (lesimlato) = met zijn kleed | וְכֵ֣ן (vekhen) = en zo | תַּעֲשֶׂ֜ה (taase) = zul je doen | לְכָל (lekhal) = met elk | אֲבֵדַ֥ת (avedat) = verloren voorwerp van | אָחִ֛יךָ (achikha) = je broer | אֲשֶׁר (asher) = dat | תֹּאבַ֥ד (tovad) = verloren raakt | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hem | וּמְצָאתָ֑הּ (umetsatah) = en je vindt het | לֹ֥א (lo) = niet | תוּכַ֖ל (tukhal) = kun je | לְהִתְעַלֵּֽם (lehitalem) = je onttrekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:4** Je mag de ezel of de stier van je broer niet op de weg zien vallen en je er dan aan onttrekken. Je moet hen zeker laten opstaan, samen met hem. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִרְאֶה֩ (tire) = zul je zien | אֶת (et) = (obj.) | חֲמ֨וֹר (chamor) = ezel van | אָחִ֜יךָ (achikha) = je broer | א֤וֹ (o) = of | שׁוֹרוֹ֙ (shoro) = zijn stier | נֹפְלִ֣ים (nofelim) = vallend | בַּדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = op de weg | וְהִתְעַלַּמְתָּ֖ (vehitalamta) = en je onttrekt je | מֵהֶ֑ם (mehem) = aan hen | הָקֵ֥ם (haqem) = doen opstaan | תָּקִ֖ים (taqim) = zul je laten opstaan | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָקֵם תָּקִים (haqem taqim), ‘je moet zeker laten opstaan’: je helpt het dier overeind samen met zijn eigenaar (‘met hem’). Zie ook: Ex 23:4–5; Mat 5:44; 1 Tess 5:14; Rom 15:1; Heb 12:12–13 ### Kleding **22:5** Een voorwerp van een man mag niet op een vrouw zijn, en een man mag geen kleed van een vrouw dragen. Want ieder die dit doet, is een gruwel voor Yahweh, je Elohim. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | כְלִי (keli) = voorwerp van | גֶ֨בֶר֙ (gever) = een man | עַל (al) = op | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | וְלֹא (velo) = en niet | יִלְבַּ֥שׁ (yilbash) = zal dragen | גֶּ֖בֶר (gever) = een man | שִׂמְלַ֣ת (simlat) = kleed van | אִשָּׁ֑ה (isha) = een vrouw | כִּ֧י (ki) = want | תוֹעֲבַ֛ת (toavat) = gruwel voor | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | כָּל (kal) = ieder | עֹ֥שֵׂה (ose) = die doet | אֵֽלֶּה (ele) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלִי (keli), ‘voorwerp’: kleding, gereedschap of wapen. Wat er precies bedoeld wordt, is onzeker. תּוֹעֵבָה (toevah), ‘gruwel’: zie ook Lev. 18:22. Zie ook: Lev 18:22; Deut 18:12; 1 Kor 11:4–15 ### Het vogelnest **22:6** Wanneer je onderweg een vogelnest voor je vindt, in een of andere boom of op de grond, met jongen of eieren. De moeder zit op de jongen of op de eieren. Dan mag je de moeder niet samen met de jongen nemen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | יִקָּרֵ֣א (yiqare) = zich voordoet | קַן (qan) = nest van | צִפּ֣וֹר (tsipor) = een vogel | לְפָנֶ֡יךָ (lefaneikha) = voor je | בַּדֶּ֜רֶךְ (baderekh) = op de weg | בְּכָל (bekhal) = in elke | עֵ֣ץ (ets) = boom | א֣וֹ (o) = of | עַל (al) = op | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | אֶפְרֹחִים֙ (efrochim) = jongen | א֣וֹ (o) = of | בֵיצִ֔ים (beitsim) = eieren | וְהָאֵ֤ם (vehaem) = en de moeder | רֹבֶ֨צֶת֙ (rovetset) = zittend | עַל (al) = op | הָֽאֶפְרֹחִ֔ים (haefrochim) = de jongen | א֖וֹ (o) = of | עַל (al) = op | הַבֵּיצִ֑ים (habeitsim) = de eieren | לֹא (lo) = niet | תִקַּ֥ח (tiqach) = zul je nemen | הָאֵ֖ם (haem) = de moeder | עַל (al) = met | הַבָּנִֽים (habanim) = de jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het nest vind je ‘voor je’, onderweg. Het jong mag je nemen, de moeder laat je gaan. Zo blijft er een bron van nieuwe jongen. Zie ook: Gen 8:17; Lev 22:28; Spr 12:10; Hos 10:14; Luc 12:6 **22:7** Je moet de moeder zeker laten gaan. De jongen mag je voor jezelf nemen, zodat het je goed gaat en je lang leeft. Brontekst: שַׁלֵּ֤חַ (shaleach) = laten gaan | תְּשַׁלַּח֙ (teshalach) = zul je laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵ֔ם (haem) = de moeder | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבָּנִ֖ים (habanim) = de jongen | תִּֽקַּֽח (tiqach) = zul je nemen | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | יִ֣יטַב (yitav) = het goed gaat | לָ֔ךְ (lakh) = met jou | וְהַאֲרַכְתָּ֖ (vehaarakhta) = en je verlengt | יָמִֽים (yamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde belofte, ‘zodat het je goed gaat en je lang leeft’, staat bij het gebod om je vader en moeder te eren (Exod. 20:12; Deut. 5:16). Zie ook: Ex 20:12; Deut 4:40; Deut 5:16; Spr 22:4 ### Een borstwering op het dak **22:8** Wanneer je een nieuw huis bouwt, moet je een borstwering om je dak maken. Zo breng je geen bloedschuld op je huis als iemand eraf valt. Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תִבְנֶה֙ (tivne) = je bouwt | בַּ֣יִת (bayit) = een huis | חָדָ֔שׁ (chadash) = nieuw | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = dan maak je | מַעֲקֶ֖ה (maaqe) = een borstwering | לְגַגֶּ֑ךָ (legagekha) = voor je dak | וְלֹֽא (velo) = en niet | תָשִׂ֤ים (tasim) = zul je brengen | דָּמִים֙ (damim) = bloedschuld | בְּבֵיתֶ֔ךָ (beveitekha) = op je huis | כִּֽי (ki) = als | יִפֹּ֥ל (yipol) = valt | הַנֹּפֵ֖ל (hanofel) = de vallende | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲקֶה (ma’aqeh), ‘borstwering’: een muurtje rond het platte dak, waar mensen verbleven. דָּמִים (damim), ‘bloedschuld’: zie de voetnoot bij Deut. 19:10. Zie ook: Ex 21:28–36; Deut 19:10; 2 Sam 11:2; Jes 22:1; Jer 19:13; Mar 2:4 ### Verboden mengingen **22:9** Je mag je wijngaard niet met twee soorten zaad bezaaien. Anders wordt het geheel heilig: het zaad dat je zaait en de opbrengst van de wijngaard. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִזְרַ֥ע (tizra) = zul je bezaaien | כַּרְמְךָ֖ (karmekha) = je wijngaard | כִּלְאָ֑יִם (kilayim) = met twee soorten | פֶּן (pen) = anders | תִּקְדַּ֗שׁ (tiqdash) = wordt heilig | הַֽמְלֵאָ֤ה (hamlea) = het geheel | הַזֶּ֨רַע֙ (hazera) = het zaad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תִּזְרָ֔ע (tizra) = je zaait | וּתְבוּאַ֖ת (utevuat) = en de opbrengst van | הַכָּֽרֶם (hakarem) = de wijngaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּלְאַיִם (kil’ayim), ‘twee soorten’. Wat bij elkaar hoort, mag niet gemengd worden. Zie ook Lev. 19:19. תִּקְדַּשׁ (tiqdash), ‘wordt heilig’: het gaat naar het heiligdom en de eigenaar mag er niets mee doen. Zie ook: Lev 19:19; Mat 9:16; Jak 1:6–8; 2 Kor 11:3; Rom 11:6 **22:10** Je mag niet ploegen met een stier en een ezel samen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תַחֲרֹ֥שׁ (tacharosh) = zul je ploegen | בְּשׁוֹר (beshor) = met een stier | וּבַחֲמֹ֖ר (uvachamor) = en met een ezel | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een stier en een ezel zijn ongelijk in kracht en pas. Het gebod beschermt vooral de zwakkere dieren. Zie ook: 2 Kor 6:14–16 **22:11** Je mag geen kleed van mengstof dragen: wol en linnen samen. Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | תִלְבַּשׁ֙ (tilbash) = zul je dragen | שַֽׁעַטְנֵ֔ז (shaatnez) = mengstof | צֶ֥מֶר (tsemer) = wol | וּפִשְׁתִּ֖ים (ufishtim) = en linnen | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַטְנֵז (shaatnez), ‘mengstof’: een kleed waarin wol en linnen zijn geweven. Zie ook Lev. 19:19. Zie ook: Lev 19:19 ### Kwasten aan je kleed **22:12** Maak kwasten aan de vier hoeken van je bovenkleed waarmee je jezelf bedekt. Brontekst: גְּדִלִ֖ים (gedilim) = kwasten | תַּעֲשֶׂה (taase) = zul je maken | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | עַל (al) = aan | אַרְבַּ֛ע (arba) = vier | כַּנְפ֥וֹת (kanfot) = hoeken van | כְּסוּתְךָ֖ (kesutekha) = je bovenkleed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תְּכַסֶּה (tekhase) = je jezelf bedekt | בָּֽהּ (bah) = ermee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּדִלִים (gedilim), ‘kwasten’: gedraaide koorden. Het gebod staat uitgebreider in Num. 15:37–41. כְּנָפוֹת (kanafot), ‘hoeken’: letterlijk ‘vleugels’. Zie ook: Num 15:37–41; Mat 23:5 ### De beschuldiging tegen een jonge vrouw **22:13** Wanneer een man een vrouw neemt, bij haar komt en haar gaat haten, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִקַּ֥ח (yiqach) = neemt | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אִשָּׁ֑ה (isha) = een vrouw | וּבָ֥א (uva) = en komt | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = tot haar | וּשְׂנֵאָֽהּ (useneah) = en haat haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂנֵא (sane), ‘haten’: de man heeft een afkeer van zijn vrouw gekregen. Het woord staat ook in Deut. 21:15. Zie ook: Gen 29:21; Gen 29:23; Gen 29:31; Deut 21:15; Deut 24:1; Re 15:1–2 **22:14** en hij legt haar beschuldigingen ten laste, brengt een slechte naam over haar en zegt: „Deze vrouw heb ik genomen. Maar toen ik bij haar kwam, vond ik bij haar geen maagdelijkheid.” Brontekst: וְשָׂ֥ם (vesam) = en legt | לָהּ֙ (lah) = haar | עֲלִילֹ֣ת (alilot) = beschuldigingen van | דְּבָרִ֔ים (devarim) = dingen | וְהוֹצִ֥יא (vehotsi) = en brengt | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = over haar | שֵׁ֣ם (shem) = een naam | רָ֑ע (ra) = slechte | וְאָמַ֗ר (veamar) = en zegt | אֶת (et) = (obj.) | הָאִשָּׁ֤ה (haisha) = de vrouw | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | לָקַ֔חְתִּי (laqachti) = ik nam | וָאֶקְרַ֣ב (vaeqrav) = en ik kwam dicht | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = bij haar | וְלֹא (velo) = en niet | מָצָ֥אתִי (matsati) = vond ik | לָ֖הּ (lah) = bij haar | בְּתוּלִֽים (betulim) = maagdelijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲלִילֹת דְּבָרִים (alilot devarim), ‘beschuldigingen’: letterlijk ‘daden van woorden’. בְּתוּלִים (betulim), ‘maagdelijkheid’. Zie ook: Ex 20:16; Ex 23:1; Spr 18:8; Spr 18:21; 1 Tim 5:14 **22:15** dan moeten de vader en de moeder van het meisje de bewijzen van haar maagdelijkheid nemen. Zij moeten ze naar de oudsten van de stad brengen, naar de poort. Brontekst: וְלָקַ֛ח (velaqach) = en zullen nemen | אֲבִ֥י (avi) = vader van | הַֽנַּעֲרָ֖ה (hanaara) = het meisje | וְאִמָּ֑הּ (veimah) = en haar moeder | וְהוֹצִ֜יאוּ (vehotsiu) = en brengen | אֶת (et) = (obj.) | בְּתוּלֵ֧י (betulei) = bewijzen van maagdelijkheid van | הַֽנַּעֲרָ֛ה (hanaara) = het meisje | אֶל (el) = naar | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | הַשָּֽׁעְרָה (hashaera) = naar de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:16** De vader van het meisje moet tegen de oudsten zeggen: „Ik heb mijn dochter aan deze man gegeven als vrouw, maar hij haat haar. Brontekst: וְאָמַ֛ר (veamar) = en zegt | אֲבִ֥י (avi) = vader van | הַֽנַּעַרָ֖ה (hanaara) = het meisje | אֶל (el) = tot | הַזְּקֵנִ֑ים (hazeqenim) = de oudsten | אֶת (et) = (obj.) | בִּתִּ֗י (biti) = mijn dochter | נָתַ֜תִּי (natati) = ik gaf | לָאִ֥ישׁ (laish) = aan de man | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | לְאִשָּׁ֖ה (leisha) = tot vrouw | וַיִּשְׂנָאֶֽהָ (vayisnaeha) = en hij haat haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:17** En zie, hij legt haar beschuldigingen ten laste en zegt: ‘Ik heb bij je dochter geen maagdelijkheid gevonden.’ Maar dit zijn de bewijzen van de maagdelijkheid van mijn dochter.” Dan spreiden zij het kleed uit voor de oudsten van de stad. Brontekst: וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ה֡וּא (hu) = hij | שָׂם֩ (sam) = legt | עֲלִילֹ֨ת (alilot) = beschuldigingen van | דְּבָרִ֜ים (devarim) = dingen | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לֹֽא (lo) = niet | מָצָ֤אתִי (matsati) = vond ik | לְבִתְּךָ֙ (levitekha) = bij je dochter | בְּתוּלִ֔ים (betulim) = maagdelijkheid | וְאֵ֖לֶּה (veele) = maar dit | בְּתוּלֵ֣י (betulei) = bewijzen van maagdelijkheid van | בִתִּ֑י (biti) = mijn dochter | וּפָֽרְשׂוּ֙ (ufaresu) = en zij spreiden | הַשִּׂמְלָ֔ה (hasimla) = het kleed | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ouders van het meisje bewaarden een bewijs van haar maagdelijkheid, hier ‘het kleed’. Wat dat bewijs precies was, zegt de tekst niet. **22:18** De oudsten van die stad moeten de man nemen en hem tuchtigen. Brontekst: וְלָֽקְח֛וּ (velaqechu) = en zullen nemen | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | הָֽעִיר (hair) = de stad | הַהִ֖וא (hahi) = die | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וְיִסְּר֖וּ (veyiseru) = en tuchtigen | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:21 **22:19** Zij moeten hem honderd sikkels zilver als boete opleggen en dat aan de vader van het meisje geven. Want hij een slechte naam heeft gebracht over een maagd van Israël. Zij blijft zijn vrouw. Hij mag haar al zijn dagen niet wegsturen. Brontekst: וְעָנְשׁ֨וּ (veaneshu) = en zullen straffen | אֹת֜וֹ (oto) = hem | מֵ֣אָה (mea) = honderd | כֶ֗סֶף (kesef) = zilver | וְנָתְנוּ֙ (venatenu) = en geven | לַאֲבִ֣י (laavi) = aan de vader van | הַֽנַּעֲרָ֔ה (hanaara) = het meisje | כִּ֤י (ki) = omdat | הוֹצִיא֙ (hotsi) = hij bracht | שֵׁ֣ם (shem) = een naam | רָ֔ע (ra) = slechte | עַ֖ל (al) = over | בְּתוּלַ֣ת (betulat) = een maagd van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֽוֹ (velo) = en bij hem | תִהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לְאִשָּׁ֔ה (leisha) = tot vrouw | לֹא (lo) = niet | יוּכַ֥ל (yukhal) = mag hij | לְשַּׁלְּחָ֖הּ (leshalechah) = haar wegsturen | כָּל (kal) = al | יָמָֽיו (yamav) = zijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst heeft alleen ‘honderd zilver’. Wij vullen ‘sikkels’ aan, zoals in Deut. 22:29. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus honderd sikkels is ongeveer 1,14 kilo. Het bedrag is het dubbele van dat in vers 29. Zie ook: Deut 22:29; Deut 24:1–4; Mat 19:8–9 **22:20** Maar als dit woord waar is en er bij het meisje geen maagdelijkheid is gevonden, Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אֱמֶ֣ת (emet) = waarheid | הָיָ֔ה (haya) = was | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | לֹא (lo) = niet | נִמְצְא֥וּ (nimtseu) = gevonden werd | בְתוּלִ֖ים (betulim) = maagdelijkheid | לַֽנַּעֲרָֽה (lanaara) = bij het meisje Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:21** dan moeten ze het meisje naar de ingang van het huis van haar vader brengen. De mannen van haar stad moeten haar met stenen stenigen, zodat ze sterft. Want ze heeft een schanddaad in Israël begaan door te hoereren in het huis van haar vader. Zo doe je het kwaad uit je midden weg. Brontekst: וְהוֹצִ֨יאוּ (vehotsiu) = en zullen brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַֽנַּעֲרָ֜ה (hanaara) = het meisje | אֶל (el) = naar | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | בֵּית (beit) = huis van | אָבִ֗יהָ (aviha) = haar vader | וּסְקָלוּהָ֩ (useqaluha) = en zullen stenigen haar | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | עִירָ֤הּ (irah) = haar stad | בָּאֲבָנִים֙ (baavanim) = met stenen | וָמֵ֔תָה (vameta) = en ze sterft | כִּֽי (ki) = omdat | עָשְׂתָ֤ה (aseta) = ze deed | נְבָלָה֙ (nevala) = schanddaad | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | לִזְנ֖וֹת (liznot) = door te hoereren | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אָבִ֑יהָ (aviha) = haar vader | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבָלָה (nevalah), ‘schanddaad’: zoals in Gen. 34:7. לִזְנוֹת (liznot), ‘hoereren’: zie ook Lev. 20:5. Zie ook: Gen 34:7; Lev 20:5; Deut 13:6; Deut 21:21; Re 20:6; 2 Sam 13:12–13 ### Overspel en geweld tegen een verloofd meisje **22:22** Wanneer een man gevonden wordt die slaapt met een getrouwde vrouw, dan moeten ze allebei sterven. Dit geldt dan voor de man die met de vrouw sliep en voor de vrouw. Zo doe je het kwaad uit Israël weg. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִמָּצֵ֨א (yimatse) = gevonden wordt | אִ֜ישׁ (ish) = een man | שֹׁכֵ֣ב (shokhev) = liggend | עִם (im) = met | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | בְעֻֽלַת (beulat) = bezeten door | בַּ֗עַל (baal) = een man | וּמֵ֨תוּ֙ (umetu) = en zullen sterven | גַּם (gam) = ook | שְׁנֵיהֶ֔ם (sheneihem) = beiden | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | הַשֹּׁכֵ֥ב (hashokhev) = die ligt | עִם (im) = met | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | וְהָאִשָּׁ֑ה (vehaisha) = en de vrouw | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = uit Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעֻלַת בַּעַל (be’ulat ba’al), letterlijk ‘in het bezit van een heer’: een getrouwde vrouw. De straf is dezelfde als in Lev. 20:10. Zie ook: Lev 20:10; Num 5:22–27; Ezech 23:45–47; Joh 8:4–5; Heb 13:4 **22:23** Wanneer er een meisje is, een maagd, dat verloofd is met een man. En een andere man vindt haar in de stad en slaapt met haar, Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | יִהְיֶה֙ (yihye) = is | נַעֲרָ֣ה (naara) = een meisje | בְתוּלָ֔ה (betula) = een maagd | מְאֹרָשָׂ֖ה (meorasa) = verloofd | לְאִ֑ישׁ (leish) = met een man | וּמְצָאָ֥הּ (umetsaah) = en vindt haar | אִ֛ישׁ (ish) = een man | בָּעִ֖יר (bair) = in de stad | וְשָׁכַ֥ב (veshakhav) = en ligt | עִמָּֽהּ (imah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 20:7; Mat 1:18–19 **22:24** Dan moet je hen allebei naar de poort van die stad brengen. Je moet hen met stenen stenigen, zodat ze sterven: het meisje, omdat ze in de stad niet om hulp heeft geroepen. En de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste heeft vernederd. Zo doe je het kwaad uit je midden weg. Brontekst: וְהוֹצֵאתֶ֨ם (vehotsetem) = en jullie zullen brengen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵיהֶ֜ם (sheneihem) = beiden | אֶל (el) = naar | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַהִ֗וא (hahi) = die | וּסְקַלְתֶּ֨ם (useqaltem) = en jullie zullen stenigen | אֹתָ֥ם (otam) = hen | בָּאֲבָנִים֮ (baavanim) = met stenen | וָמֵתוּ֒ (vametu) = en ze sterven | אֶת (et) = (obj.) | הַֽנַּעֲרָ֗ה (hanaara) = het meisje | עַל (al) = om | דְּבַר֙ (devar) = woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | צָעֲקָ֣ה (tsaaqa) = ze riep | בָעִ֔יר (bair) = in de stad | וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | עַל (al) = om | דְּבַ֥ר (devar) = woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | עִנָּ֖ה (ina) = hij vernederde | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws spreekt hier de rechters aan (meervoud); wij schrijven ‘je’, zoals in de verzen eromheen. עִנָּה (innah), ‘vernederen’: zoals in Deut. 21:14. Vers 23–24 gaan over een verloofd meisje: de verloving geldt al als een huwelijk. Zie ook: Deut 13:6; Deut 21:14; Deut 22:21–22; Deut 22:23–24; Mat 1:20; 1 Kor 5:13 **22:25** Maar als de man het verloofde meisje in het veld vindt, haar vastgrijpt en met haar slaapt, dan moet alleen de man sterven. Dat is de man die met haar geslapen heeft. Brontekst: וְֽאִם (veim) = en als | בַּשָּׂדֶ֞ה (basade) = in het veld | יִמְצָ֣א (yimtsa) = vindt | הָאִ֗ישׁ (haish) = de man | אֶת (et) = (obj.) | הַֽנַּעֲרָה֙ (hanaara) = het meisje | הַמְאֹ֣רָשָׂ֔ה (hamorasa) = het verloofde | וְהֶחֱזִֽיק (vehecheziq) = en grijpt vast | בָּ֥הּ (bah) = haar | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | וְשָׁכַ֣ב (veshakhav) = en ligt | עִמָּ֑הּ (imah) = met haar | וּמֵ֗ת (umet) = en sterft | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁכַ֥ב (shakhav) = lag | עִמָּ֖הּ (imah) = met haar | לְבַדּֽוֹ (levado) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 13:14 **22:26** Het meisje mag je niets aandoen. Het meisje heeft geen zonde waarop de dood staat. Want het is met deze zaak als wanneer iemand tegen zijn naaste opstaat en hem doodslaat. Brontekst: וְלַֽנַּעֲרָה֙ (velanaara) = en aan het meisje | לֹא (lo) = niet | תַעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je doen | דָבָ֔ר (davar) = iets | אֵ֥ין (ein) = is niet | לַֽנַּעֲרָ֖ה (lanaara) = bij het meisje | חֵ֣טְא (chete) = zonde van | מָ֑וֶת (mavet) = de dood | כִּ֡י (ki) = want | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | יָק֨וּם (yaqum) = opstaat | אִ֤ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = tegen | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | וּרְצָח֣וֹ (uretsacho) = en hem doodslaat | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = het leven | כֵּ֖ן (ken) = zo | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצַח (ratsach), ‘doodslaan’: zie de voetnoot bij Deut. 19:4. De vergelijking maakt duidelijk dat het meisje het slachtoffer is. Zie ook: Deut 19:4; Deut 21:22 **22:27** Want hij vond haar in het veld. Het verloofde meisje riep om hulp, maar er was niemand om haar te redden. Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | בַשָּׂדֶ֖ה (basade) = in het veld | מְצָאָ֑הּ (metsaah) = hij vond haar | צָעֲקָ֗ה (tsaaqa) = riep om hulp | הַֽנַּעֲרָה֙ (hanaara) = het meisje | הַמְאֹ֣רָשָׂ֔ה (hamorasa) = het verloofde | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מוֹשִׁ֖יעַ (moshia) = een redder | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 13:7 ### Een meisje dat niet verloofd is **22:28** Wanneer een man een meisje vindt, een maagd die niet verloofd is, haar vastgrijpt en met haar slaapt, en zij worden gevonden, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִמְצָ֣א (yimtsa) = vindt | אִ֗ישׁ (ish) = een man | נַעֲרָ֤ה (naara) = een meisje | בְתוּלָה֙ (betula) = een maagd | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | אֹרָ֔שָׂה (orasa) = verloofd is | וּתְפָשָׂ֖הּ (utefasah) = en grijpt haar | וְשָׁכַ֣ב (veshakhav) = en ligt | עִמָּ֑הּ (imah) = met haar | וְנִמְצָֽאוּ (venimtsau) = en zij worden gevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:15–16 **22:29** dan moet de man die met haar geslapen heeft, vijftig sikkels zilver aan de vader van het meisje geven. Zij wordt zijn vrouw, omdat hij haar vernederd heeft. Hij mag haar al zijn dagen niet wegsturen. Brontekst: וְ֠נָתַן (venatan) = en geeft | הָאִ֨ישׁ (haish) = de man | הַשֹּׁכֵ֥ב (hashokhev) = die ligt | עִמָּ֛הּ (imah) = met haar | לַאֲבִ֥י (laavi) = aan de vader van | הַֽנַּעֲרָ֖ה (hanaara) = het meisje | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְלֽוֹ (velo) = en bij hem | תִהְיֶ֣ה (tihye) = zal zij zijn | לְאִשָּׁ֗ה (leisha) = tot vrouw | תַּ֚חַת (tachat) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עִנָּ֔הּ (inah) = hij haar vernederde | לֹא (lo) = niet | יוּכַ֥ל (yukhal) = mag hij | שַׁלְּחָ֖ה (shalecha) = haar wegsturen | כָּל (kal) = al | יָמָֽיו (yamav) = zijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vijftig sikkels is ongeveer 570 gram zilver. Vergelijk Exod. 22:15–16, waar de man de bruidsprijs betaalt. Zie ook: Ex 22:15–16; Deut 21:14; Deut 22:19; Deut 22:24 ## Deuteronomium 23 _De vergadering van Yahweh, het kamp, de gelofte en rente_ ### Wie niet in de vergadering van Yahweh mag komen **23:1** Een man mag de vrouw van zijn vader niet nemen en de rand van het kleed van zijn vader niet ontbloten. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִקַּ֥ח (yiqach) = zal nemen | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְגַלֶּ֖ה (yegale) = zal ontbloten | כְּנַ֥ף (kenaf) = rand van het kleed van | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Engelse telling is dit vers 22:30. גִּלָּה כְּנַף (gillah kenaf), ‘de rand van het kleed ontbloten’: letterlijk ‘de vleugel ontbloten’. Het is een beeld voor het huwelijk met de vrouw van je vader. Zie ook Deut. 27:20 en Lev. 18:8. Zie ook: Lev 18:8; Lev 20:11; Deut 23:22; Deut 27:20; Ruth 3:9; 1 Kor 5:1 **23:2** Wie door verbrijzeling gewond is of wiens geslachtsdeel is afgesneden, mag niet komen in de vergadering van Yahweh. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָבֹ֧א (yavo) = zal komen | פְצֽוּעַ (petsua) = gewond | דַּכָּ֛א (daka) = door verbrijzeling | וּכְר֥וּת (ukherut) = en afgesneden | שָׁפְכָ֖ה (shafekha) = geslachtsdeel | בִּקְהַ֥ל (biqhal) = in de vergadering van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּצוּעַ דַּכָּא (petsua dakka), ‘gewond door verbrijzeling’, en כְּרוּת שָׁפְכָה (krut shofkhah), letterlijk ‘afgesneden van de uitstorting’: mannen wier geslachtsdeel verminkt is. קְהַל יְהוָה (qehal Yahweh), ‘de vergadering van Yahweh’: de samenkomst van het volk voor Yahweh. Zie ook Num. 16:3 en Lev. 4:13. Zie ook: Lev 4:13; Lev 21:17–21; Num 16:3; Deut 23:3–4; Jes 56:3–4; Neh 13:1–3; Gal 3:28 **23:3** Een kind van een verboden verbintenis mag niet komen in de vergadering van Yahweh. Ook zijn tiende geslacht mag niet komen in de vergadering van Yahweh. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יָבֹ֥א (yavo) = zal komen | מַמְזֵ֖ר (mamzer) = kind van een verboden verbintenis | בִּקְהַ֣ל (biqhal) = in de vergadering van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גַּ֚ם (gam) = ook | דּ֣וֹר (dor) = geslacht | עֲשִׂירִ֔י (asiri) = tiende | לֹא (lo) = niet | יָ֥בֹא (yavo) = zal komen | ל֖וֹ (lo) = voor hem | בִּקְהַ֥ל (biqhal) = in de vergadering van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַמְזֵר (mamzer), ‘kind van een verboden verbintenis’: de betekenis van het woord is niet helemaal zeker. Het staat verder alleen in Zach. 9:6. Het gaat vermoedelijk om een kind uit een verbintenis die de wet verbiedt, zoals in Lev. 18. Voetnoot : דּוֹר (dor), ‘geslacht’: een generatie. Zie ook: Jes 57:3; Zach 9:6; Joh 8:41; Heb 12:8 **23:4** Een Ammoniet of Moabiet mag niet komen in de vergadering van Yahweh. Ook hun tiende geslacht mag niet komen in de vergadering van Yahweh, tot in eeuwigheid. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָבֹ֧א (yavo) = zal komen | עַמּוֹנִ֛י (amoni) = Ammoniet | וּמוֹאָבִ֖י (umoavi) = en Moabiet | בִּקְהַ֣ל (biqhal) = in de vergadering van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גַּ֚ם (gam) = ook | דּ֣וֹר (dor) = geslacht | עֲשִׂירִ֔י (asiri) = tiende | לֹא (lo) = niet | יָבֹ֥א (yavo) = zal komen | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | בִּקְהַ֥ל (biqhal) = in de vergadering van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ammon lag ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman (Jordanië). Moab lag ten oosten van de Dode Zee (Jordanië). Voetnoot Uitleg: Ammon en Moab stammen af van Lot (Gen. 19:36–38). Zij horen niet bij de vergadering, maar worden niet vernietigd. Zie ook: Gen 19:36–38; Ruth 4:6; Ruth 4:10–22; Jes 56:3; Neh 13:1–2; Neh 13:23 **23:5** Zij zijn je namelijk niet met brood en water tegemoetgekomen op de weg, toen je uit Egypte trok. En hij heeft Bileam, de zoon van Beor, uit Petor in Aram-Naharaim tegen je ingehuurd om je te vervloeken. Brontekst: עַל (al) = wegens | דְּבַ֞ר (devar) = zaak | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | קִדְּמ֤וּ (qidemu) = zij kwamen tegemoet | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | בַּלֶּ֣חֶם (balechem) = met brood | וּבַמַּ֔יִם (uvamayim) = en met water | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | בְּצֵאתְכֶ֣ם (betsetkhem) = bij jullie uittocht | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַאֲשֶׁר֩ (vaasher) = en dat | שָׂכַ֨ר (sakhar) = hij huurde in | עָלֶ֜יךָ (aleikha) = tegen je | אֶת (et) = (obj.) | בִּלְעָ֣ם (bilam) = Bileam | בֶּן (ben) = zoon van | בְּע֗וֹר (beor) = Beor | מִפְּת֛וֹר (mipetor) = uit Petor | אֲרַ֥ם (aram) = Aram | נַהֲרַ֖יִם (naharayim) = Naharaim | לְקַֽלְלֶֽךָּ (leqalleka) = om je te vervloeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Petor, aan de Eufraat in Aram-Naharaim (noordwesten van Mesopotamië). Aram-Naharaim betekent ‘Aram van de twee rivieren’; het ligt in het huidige Syrië en Irak. De ligging van Petor is waarschijnlijk, niet zeker. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Jullie’ en ‘je’ wisselen in dit vers, zoals in de Hebreeuwse tekst. Het verhaal van Bileam staat in Num. 22–24; de Moabieten zochten hem op. Zie ook: Deut 2:28–29; 1 Kon 18:4; Zach 2:12; Neh 13:2; 2 Petr 2:15 **23:6** Maar Yahweh, je Elohim, wilde niet naar Bileam luisteren. Yahweh, je Elohim, veranderde voor jou de vloek in een zegen, omdat Yahweh, je Elohim, van je hield. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | אָבָ֞ה (ava) = wilde | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹ֣עַ (lishmoa) = luisteren | אֶל (el) = naar | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַיַּהֲפֹךְ֩ (vayahafokh) = en veranderde | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֧יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְּךָ֛ (lekha) = voor jou | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּלָלָ֖ה (haqelala) = de vloek | לִבְרָכָ֑ה (livrakha) = in een zegen | כִּ֥י (ki) = omdat | אֲהֵֽבְךָ֖ (ahevekha) = Hij hield van je | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Num. 23:11–12 en Neh. 13:2. Zie ook: Num 23:11–12; Num 24:9; Deut 7:7–8; Neh 13:2; 2 Kor 4:17; Rom 8:31; Ef 2:4–5 **23:7** Je mag hun vrede en hun welzijn nooit zoeken, al je dagen, tot in eeuwigheid. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִדְרֹ֥שׁ (tidrosh) = zul je zoeken | שְׁלֹמָ֖ם (shelomam) = hun vrede | וְטֹבָתָ֑ם (vetovatam) = en hun welzijn | כָּל (kal) = al | יָמֶ֖יךָ (yameikha) = je dagen | לְעוֹלָֽם (leolam) = tot eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹמָם וְטֹבָתָם (shelomam vetovatam), ‘hun vrede en hun welzijn’: het gaat om het sluiten van verdragen en het zoeken van hun voordeel, niet om haat. Zie ook Ezra 9:12. Zie ook: 2 Sam 8:2; 2 Sam 12:31; Ezra 9:12; Neh 13:23–25 **23:8** Je mag een Edomiet niet als gruwel beschouwen, want hij is je broer. Je mag een Egyptenaar niet als gruwel beschouwen, want je was een vreemdeling in zijn land. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תְתַעֵ֣ב (tetaev) = zul je als gruwel beschouwen | אֲדֹמִ֔י (adomi) = Edomiet | כִּ֥י (ki) = want | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | ה֑וּא (hu) = hij | לֹא (lo) = niet | תְתַעֵ֣ב (tetaev) = zul je als gruwel beschouwen | מִצְרִ֔י (mitsri) = Egyptenaar | כִּי (ki) = want | גֵ֖ר (ger) = vreemdeling | הָיִ֥יתָ (hayita) = je was | בְאַרְצֽוֹ (beartso) = in zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Edom lag ten zuiden van de Dode Zee (zuiden van Jordanië). Egypte ligt in het noordoosten van Afrika. Voetnoot Uitleg: תִּתְעֵב (tit’ev), ‘als gruwel beschouwen’: van hetzelfde grondwoord als תּוֹעֵבָה (toevah), ‘gruwel’. Edom stamt af van Ezau, de broer van Jakob. Israël was vreemdeling in Egypte (Gen. 47:4). Zie ook: Gen 25:24–26; Gen 47:4; Ex 22:20; Ex 23:9; Lev 19:34; Deut 10:19 **23:9** De zonen die hun geboren worden: het derde geslacht mag voor hen in de vergadering van Yahweh komen. Brontekst: בָּנִ֛ים (banim) = zonen | אֲשֶׁר (asher) = die | יִוָּלְד֥וּ (yivaledu) = geboren worden | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | דּ֣וֹר (dor) = geslacht | שְׁלִישִׁ֑י (shelishi) = derde | יָבֹ֥א (yavo) = zal komen | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בִּקְהַ֥ל (biqhal) = in de vergadering van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Na drie geslachten mogen nakomelingen van Edomieten en Egyptenaren in de vergadering komen. Zie ook: Ex 20:5–6; Deut 23:2–4; Rom 3:29–30; Ef 2:12–13 ### Een rein kamp **23:10** Wanneer je met je kamp tegen je vijanden uittrekt, moet je je hoeden voor alles wat slecht is. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תֵצֵ֥א (tetse) = je uittrekt | מַחֲנֶ֖ה (machane) = als kamp | עַל (al) = tegen | אֹיְבֶ֑יךָ (oyeveikha) = je vijanden | וְנִ֨שְׁמַרְתָּ֔ (venishmarta) = en je zult je hoeden | מִכֹּ֖ל (mikol) = voor alles | דָּבָ֥ר (davar) = ding | רָֽע (ra) = slecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחֲנֶה (machaneh), ‘kamp’: het legerkamp van Israël, waar Yahweh midden in woont (vers 15). Zie ook: Deut 23:15; Joz 6:18; Re 20:26; 2 Kron 19:4; 2 Kron 20:3–13; Openb 19:11–14 **23:11** Wanneer er onder jou een man is die niet rein is door wat er 's nachts gebeurd is. Dan moet hij naar buiten het kamp gaan. Hij mag niet in het kamp komen. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֤ה (yihye) = is | בְךָ֙ (bekha) = onder jullie | אִ֔ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = is | טָה֖וֹר (tahor) = rein | מִקְּרֵה (miqere) = door voorval van | לָ֑יְלָה (layela) = nacht | וְיָצָא֙ (veyatsa) = en gaat | אֶל (el) = naar | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | לֹ֥א (lo) = niet | יָבֹ֖א (yavo) = zal komen | אֶל (el) = in | תּ֥וֹךְ (tokh) = het midden van | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְרֵה לָיְלָה (miqre layla), ‘wat er ’s nachts gebeurd is’: een zaadlozing, zie Lev. 15:16. Zie ook: Lev 15:16; Num 5:2–3; 1 Kor 5:11–13 **23:12** Tegen de avond moet hij zich met water wassen. Als de zon ondergaat, mag hij in het kamp komen. Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | לִפְנֽוֹת (lifnot) = tegen | עֶ֖רֶב (erev) = avond | יִרְחַ֣ץ (yirchats) = zal hij zich wassen | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וּכְבֹ֣א (ukhevo) = en bij het ondergaan van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | יָבֹ֖א (yavo) = zal hij komen | אֶל (el) = in | תּ֥וֹךְ (tokh) = het midden van | הַֽמַּחֲנֶה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:9; Lev 15:5; Luc 11:38–39; Ef 5:26–27; Heb 10:22 **23:13** Je moet buiten het kamp een plaats hebben, waar je naartoe naar buiten kunt gaan. Brontekst: וְיָד֙ (veyad) = en een plaats | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | וְיָצָ֥אתָ (veyatsata) = en je gaat uit | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | חֽוּץ (chuts) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָד (yad), letterlijk ‘hand’: een plaats, een afgezonderde hoek buiten het kamp. **23:14** Je moet een schopje bij je gereedschap hebben. Wanneer je buiten gaat zitten, graaf je er een gat mee, draai je je om en bedek je je uitwerpselen. Brontekst: וְיָתֵ֛ד (veyated) = en een schopje | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | עַל (al) = bij | אֲזֵנֶ֑ךָ (azenekha) = je gereedschap | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בְּשִׁבְתְּךָ֣ (beshivtekha) = bij je zitten | ח֔וּץ (chuts) = buiten | וְחָפַרְתָּ֣ה (vechafarta) = en je graaft | בָ֔הּ (bah) = ermee | וְשַׁבְתָּ֖ (veshavta) = en je draait je om | וְכִסִּ֥יתָ (vekhisita) = en je bedekt | אֶת (et) = (obj.) | צֵאָתֶֽךָ (tseatekha) = je uitwerpselen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָתֵד (yated), ‘schopje’: letterlijk ‘pin’. אָזֵן (azen), ‘gereedschap’: het woord komt verder niet voor en de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘wapen’ of ‘gordel’ betekenen. Zie ook: Ezech 24:6–8 **23:15** Want Yahweh, je Elohim, loopt midden in je kamp om je te redden en je vijanden aan je over te geven. Daarom moet je kamp heilig zijn. Hij mag niets onbehoorlijks bij je zien en zich van je afkeren. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | מִתְהַלֵּ֣ךְ (mithalekh) = loopt rond | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = in het midden van | מַחֲנֶ֗ךָ (machanekha) = je kamp | לְהַצִּֽילְךָ֙ (lehatsilekha) = om je te redden | וְלָתֵ֤ת (velatet) = en om te geven | אֹיְבֶ֨יךָ֙ (oyeveikha) = je vijanden | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | מַחֲנֶ֖יךָ (machaneikha) = je kamp | קָד֑וֹשׁ (qadosh) = heilig | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִרְאֶ֤ה (yire) = zal hij zien | בְךָ֙ (bekha) = bij jou | עֶרְוַ֣ת (ervat) = naaktheid van | דָּבָ֔ר (davar) = iets | וְשָׁ֖ב (veshav) = en zich keren | מֵאַחֲרֶֽיךָ (meachareikha) = van achter je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh loopt midden in het kamp (zie ook Lev. 26:12). עֶרְוַת דָּבָר (ervat davar), letterlijk ‘naaktheid van iets’: iets onbehoorlijks. Het woord ‘naaktheid’ is dezelfde als in Lev. 18. Zie ook: Gen 17:1; Ex 3:5; Lev 26:12; 2 Kor 6:16 ### Een gevluchte slaaf **23:16** Je mag een slaaf niet uitleveren aan zijn heer, als hij van zijn heer naar jou is gevlucht. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַסְגִּ֥יר (tasgir) = zul je uitleveren | עֶ֖בֶד (eved) = slaaf | אֶל (el) = aan | אֲדֹנָ֑יו (adonav) = zijn heer | אֲשֶׁר (asher) = die | יִנָּצֵ֥ל (yinatsel) = gered is | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar jou | מֵעִ֥ם (meim) = van bij | אֲדֹנָֽיו (adonav) = zijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד (eved), ‘slaaf’: zoals in Exod. 21:26. Het gaat om een slaaf van een vreemde heer die naar Israël vlucht. Hij wordt niet teruggestuurd. Zie ook: Ex 21:26; 1 Sam 30:15; Ob 1:14 **23:17** Hij blijft bij je wonen, in je midden, op de plaats die hij kiest in een van je steden, waar het goed voor hem is. Je mag hem niet slecht behandelen. Brontekst: עִמְּךָ֞ (imekha) = bij jou | יֵשֵׁ֣ב (yeshev) = blijft hij wonen | בְּקִרְבְּךָ֗ (beqirbekha) = in je midden | בַּמָּק֧וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֛ר (yivchar) = hij kiest | בְּאַחַ֥ד (beachad) = in een van | שְׁעָרֶ֖יךָ (sheareikha) = je poorten | בַּטּ֣וֹב (batov) = waar het goed is | ל֑וֹ (lo) = voor hem | לֹ֖א (lo) = niet | תּוֹנֶֽנּוּ (tonenu) = zul je hem slecht behandelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹנֶנּוּ (tonennu), ‘slecht behandelen’: zoals in Exod. 22:20. Zie ook: Ex 22:20; Ex 23:9; Jes 16:3–4; Jer 7:6; Tit 3:2–3 ### Tempelhoeren **23:18** Onder de dochters van Israël mag geen tempelhoer zijn en onder de zonen van Israël mag geen mannelijke tempelhoer zijn. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | קְדֵשָׁ֖ה (qedesha) = tempelhoer | מִבְּנ֣וֹת (mibenot) = van de dochters van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | קָדֵ֖שׁ (qadesh) = mannelijke tempelhoer | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְדֵשָׁה (qedeshah) en קָדֵשׁ (qadesh), ‘tempelhoer’ en ‘mannelijke tempelhoer’: van het woord ‘heilig’; mensen die aan een god gewijd zijn en zich in zijn dienst prostitueren. Zie ook: Lev 19:29; 1 Kon 14:24; 1 Kon 15:12; 1 Kon 22:47; 2 Kon 23:7 **23:19** Je mag het loon van een hoer en de prijs van een hond niet in het huis van Yahweh, je Elohim, brengen. Dit geldt voor welke gelofte ook. Want beide zijn een gruwel voor Yahweh, je Elohim. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תָבִיא֩ (tavi) = zul je brengen | אֶתְנַ֨ן (etnan) = loon van | זוֹנָ֜ה (zona) = een hoer | וּמְחִ֣יר (umechir) = en prijs van | כֶּ֗לֶב (kelev) = een hond | בֵּ֛ית (beit) = huis van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְכָל (lekhal) = voor elke | נֶ֑דֶר (neder) = gelofte | כִּ֧י (ki) = want | תוֹעֲבַ֛ת (toavat) = gruwel voor | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | גַּם (gam) = ook | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = beide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶתְנַן (etnan), ‘loon’; מְחִיר כֶּלֶב (mechir kelev), ‘prijs van een hond’: waarschijnlijk wat een mannelijke prostituee verdiend heeft. תּוֹעֵבָה (toevah), ‘gruwel’. Zie ook: Ps 5:5–7; Ezech 16:33; Mat 7:6; Fil 3:2; Openb 22:15 ### Rente **23:20** Je mag je broer geen rente laten betalen: rente op geld, rente op voedsel, rente op alles waarop rente gevraagd kan worden. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַשִּׁ֣יךְ (tashikh) = zul je laten betalen | לְאָחִ֔יךָ (leachikha) = aan je broer | נֶ֥שֶׁךְ (neshekh) = rente | כֶּ֖סֶף (kesef) = geld | נֶ֣שֶׁךְ (neshekh) = rente | אֹ֑כֶל (okhel) = voedsel | נֶ֕שֶׁךְ (neshekh) = rente | כָּל (kal) = van elk | דָּבָ֖ר (davar) = ding | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יִשָּֽׁךְ (yishakh) = rente gevraagd wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁךְ (neshekh), ‘rente’: zoals in Exod. 22:24 en Lev. 25:36–37. Zie ook: Ex 22:24; Lev 25:35–37; Lev 25:36–37; Ps 15:5; Ezech 18:16–18; Luc 6:34–35 **23:21** Een buitenlander mag je wel rente laten betalen. Maar je broer mag je geen rente laten betalen. Dan zal Yahweh, je Elohim, je zegenen in alles wat je hand onderneemt. Dat geldt in het land waar je naartoe gaat om het in bezit te nemen. Brontekst: לַנָּכְרִ֣י (lanakheri) = aan de buitenlander | תַשִּׁ֔יךְ (tashikh) = mag je laten betalen | וּלְאָחִ֖יךָ (uleachikha) = maar aan je broer | לֹ֣א (lo) = niet | תַשִּׁ֑יךְ (tashikh) = zul je laten betalen | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | יְבָרֶכְךָ֜ (yevarekhkha) = zegent je | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכֹל֙ (bekhol) = in alles | מִשְׁלַ֣ח (mishlach) = onderneming van | יָדֶ֔ךָ (yadekha) = je hand | עַל (al) = op | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָא (ba) = gaat | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand van een ander volk, zoals in Lev. 22:25. Hij mag wel rente laten betalen; de verbonden broeder niet. Zie ook: Lev 22:25; Deut 14:21; Deut 15:3; Deut 15:10; Luc 14:14; 1 Kor 15:58 ### Een gelofte **23:22** Wanneer je een gelofte aflegt aan Yahweh, je Elohim, moet je niet talmen om haar in te lossen. Want Yahweh, je Elohim, zal haar zeker van je eisen en dan rust er zonde op je. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תִדֹּ֥ר (tidor) = je aflegt | נֶ֨דֶר֙ (neder) = gelofte | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לֹ֥א (lo) = niet | תְאַחֵ֖ר (teacher) = zul je talmen | לְשַׁלְּמ֑וֹ (leshalemo) = om haar in te lossen | כִּֽי (ki) = want | דָּרֹ֨שׁ (darosh) = eisen | יִדְרְשֶׁ֜נּוּ (yidreshenu) = zal Hij haar eisen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | מֵֽעִמָּ֔ךְ (meimakh) = van je | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | בְךָ֖ (bekha) = op jou | חֵֽטְא (chete) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’: een belofte aan Yahweh. Zie ook Num. 30:3 en Pred. 5:3–4. Zie ook: Num 30:2–17; Num 30:3; Ps 56:13; Ps 66:13–14; Ps 116:18; Pred 5:3–4 **23:23** Maar als je ervan afziet een gelofte af te leggen, rust er geen zonde op je. Brontekst: וְכִ֥י (vekhi) = en wanneer | תֶחְדַּ֖ל (techdal) = je afziet | לִנְדֹּ֑ר (lindor) = van een gelofte | לֹֽא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | בְךָ֖ (bekha) = op jou | חֵֽטְא (chete) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **23:24** Wat over je lippen is gekomen, moet je bewaren en doen. Zo heb je Yahweh, je Elohim, een vrijwillige gave beloofd, wat je met je mond hebt gesproken. Brontekst: מוֹצָ֥א (motsa) = wat uitgaat van | שְׂפָתֶ֖יךָ (sefateikha) = je lippen | תִּשְׁמֹ֣ר (tishmor) = zul je bewaren | וְעָשִׂ֑יתָ (veasita) = en je zult doen | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | נָדַ֜רְתָּ (nadarta) = je beloofde | לַיהוָ֤ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | נְדָבָ֔ה (nedava) = vrijwillige gave | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = je sprak | בְּפִֽיךָ (befikha) = met je mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: een gave die men uit zichzelf brengt, zie Lev. 22:18. Zie ook: Lev 22:18; Num 30:3; Re 11:30–31; Spr 20:25; Pred 5:3–4; Hand 23:12 ### In de wijngaard en het graan van je naaste **23:25** Wanneer je in de wijngaard van je naaste komt, mag je druiven eten tot je verzadigd bent, maar in je vat mag je niets doen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תָבֹא֙ (tavo) = je komt | בְּכֶ֣רֶם (bekherem) = in de wijngaard van | רֵעֶ֔ךָ (reekha) = je naaste | וְאָכַלְתָּ֧ (veakhalta) = en je eet | עֲנָבִ֛ים (anavim) = druiven | כְּנַפְשְׁךָ֖ (kenafshekha) = naar je verlangen | שָׂבְעֶ֑ךָ (saveekha) = tot je verzadigd bent | וְאֶֽל (veel) = maar in | כֶּלְיְךָ֖ (kelyekha) = je vat | לֹ֥א (lo) = niet | תִתֵּֽן (titen) = zul je doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie honger heeft, mag eten van de druiven. Hij mag er niets van meenemen. Zie ook: 1 Kor 10:26; Rom 12:13; Heb 13:5 **23:26** Wanneer je in het graan van je naaste komt, mag je met je hand aren plukken. Maar de sikkel mag je niet zwaaien over het graan van je naaste. Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תָבֹא֙ (tavo) = je komt | בְּקָמַ֣ת (beqamat) = in het graan van | רֵעֶ֔ךָ (reekha) = je naaste | וְקָטַפְתָּ֥ (veqatafta) = en je plukt | מְלִילֹ֖ת (melilot) = aren | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = met je hand | וְחֶרְמֵשׁ֙ (vechermesh) = maar een sikkel | לֹ֣א (lo) = niet | תָנִ֔יף (tanif) = zul je zwaaien | עַ֖ל (al) = over | קָמַ֥ת (qamat) = het graan van | רֵעֶֽךָ (reekha) = je naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aren plukken met de hand is toegestaan. De sikkel zou de oogst van een ander afnemen. Vergelijk Matt. 12:1. Zie ook: Mat 12:1–2; Mar 2:23; Luc 6:1–2 ## Deuteronomium 24 _Echtscheiding, pand, loon en hulp aan de zwakken_ ### Scheiding en hertrouwen **24:1** Wanneer een man een vrouw neemt en haar man wordt, en zij geen gunst vindt in zijn ogen. Want hij heeft iets schaamtevols bij haar gevonden. En hij schrijft haar een scheidingsbrief, geeft die in haar hand en stuurt haar uit zijn huis weg. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִקַּ֥ח (yiqach) = neemt | אִ֛ישׁ (ish) = een man | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | וּבְעָלָ֑הּ (uvealah) = en haar man wordt | וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | לֹ֧א (lo) = niet | תִמְצָא (timtsa) = zij vindt | חֵ֣ן (chen) = gunst | בְּעֵינָ֗יו (beeinav) = in zijn ogen | כִּי (ki) = omdat | מָ֤צָא (matsa) = hij vond | בָהּ֙ (bah) = bij haar | עֶרְוַ֣ת (ervat) = naaktheid van | דָּבָ֔ר (davar) = iets | וְכָ֨תַב (vekhatav) = en schrijft | לָ֜הּ (lah) = haar | סֵ֤פֶר (sefer) = een brief van | כְּרִיתֻת֙ (keritut) = scheiding | וְנָתַ֣ן (venatan) = en geeft | בְּיָדָ֔הּ (beyadah) = in haar hand | וְשִׁלְּחָ֖הּ (veshilechah) = en stuurt haar weg | מִבֵּיתֽוֹ (mibeito) = uit zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶרְוַת דָּבָר (ervat davar), letterlijk ‘naaktheid van iets’: iets onbehoorlijks of schaamtevols. Wat er precies bedoeld wordt, zegt de tekst niet. Het woord ‘naaktheid’ is hetzelfde als in Lev. 18. סֵפֶר כְּרִיתֻת (sefer keritut), ‘scheidingsbrief’: letterlijk ‘brief van afsnijding’. Zie ook Jes. 50:1 en Matt. 19:7–8. Voetnoot : De tekst beschrijft in vers 1–3 een geval en geeft in vers 4 pas de regel. Zie ook: Deut 22:13; Deut 22:29; Deut 24:4; Jes 50:1; Mat 19:7–9; Mar 10:4–12 **24:2** En zij gaat uit zijn huis, gaat heen en wordt de vrouw van een andere man. Brontekst: וְיָצְאָ֖ה (veyatsea) = en zij gaat uit | מִבֵּית֑וֹ (mibeito) = zijn huis | וְהָלְכָ֖ה (vehalekha) = en gaat heen | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en wordt | לְאִישׁ (leish) = van een man | אַחֵֽר (acher) = ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:7; Num 30:10; Ezech 44:22; Mar 10:11; 1 Kor 7:15 **24:3** En de laatste man haat haar, schrijft haar een scheidingsbrief, geeft die in haar hand en stuurt haar uit zijn huis weg. Of de laatste man die haar tot vrouw nam, sterft, Brontekst: וּשְׂנֵאָהּ֮ (useneah) = en haat haar | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הָאַחֲרוֹן֒ (haacharon) = de laatste | וְכָ֨תַב (vekhatav) = en schrijft | לָ֜הּ (lah) = haar | סֵ֤פֶר (sefer) = een brief van | כְּרִיתֻת֙ (keritut) = scheiding | וְנָתַ֣ן (venatan) = en geeft | בְּיָדָ֔הּ (beyadah) = in haar hand | וְשִׁלְּחָ֖הּ (veshilechah) = en stuurt haar weg | מִבֵּית֑וֹ (mibeito) = uit zijn huis | א֣וֹ (o) = of | כִ֤י (ki) = als | יָמוּת֙ (yamut) = sterft | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הָאַחֲר֔וֹן (haacharon) = de laatste | אֲשֶׁר (asher) = die | לְקָחָ֥הּ (leqachah) = haar nam | ל֖וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:4** Dan mag haar eerste man, die haar wegstuurde, haar niet opnieuw nemen om zijn vrouw te zijn, nadat zij onrein is gemaakt. Want dat is een gruwel voor het aangezicht van Yahweh. Je mag het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel, niet tot zonde brengen. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יוּכַ֣ל (yukhal) = mag | בַּעְלָ֣הּ (balah) = haar man | הָרִאשׁ֣וֹן (harishon) = de eerste | אֲשֶֽׁר (asher) = die | שִׁ֠לְּחָהּ (shilechah) = haar wegstuurde | לָשׁ֨וּב (lashuv) = om terug te keren | לְקַחְתָּ֜הּ (leqachtah) = haar te nemen | לִהְי֧וֹת (lihyot) = om te zijn | ל֣וֹ (lo) = voor hem | לְאִשָּׁ֗ה (leisha) = tot vrouw | אַחֲרֵי֙ (acharei) = nadat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = zij | הֻטַּמָּ֔אָה (hutamaa) = onrein gemaakt is | כִּֽי (ki) = want | תוֹעֵבָ֥ה (toeva) = gruwel | הִ֖וא (hi) = het is | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תַחֲטִיא֙ (tachati) = zul je tot zonde brengen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | נַחֲלָֽה (nachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֻטַּמָּאָה (huttammaah), ‘onrein gemaakt’: de vrouw is door het tweede huwelijk voor haar eerste man onrein geworden. תַחֲטִיא (tachtia), ‘tot zonde brengen’: het land wordt door zo’n handeling ontheiligd, vergelijk Lev. 18:25. Zie ook: Lev 18:24–28; Lev 18:25; Joz 22:17–18; Jer 3:1 ### Een nieuwe echtgenoot **24:5** Wanneer een man een nieuwe vrouw neemt, mag hij niet met het leger uittrekken en mag hem geen enkele taak worden opgelegd. Een jaar lang is hij vrij voor zijn huis. Hij moet zijn vrouw blij maken, die hij genomen heeft. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִקַּ֥ח (yiqach) = neemt | אִישׁ֙ (ish) = een man | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | חֲדָשָׁ֔ה (chadasha) = nieuwe | לֹ֤א (lo) = niet | יֵצֵא֙ (yetse) = zal uittrekken | בַּצָּבָ֔א (batsava) = met het leger | וְלֹא (velo) = en niet | יַעֲבֹ֥ר (yaavor) = zal komen | עָלָ֖יו (alav) = over hem | לְכָל (lekhal) = voor enige | דָּבָ֑ר (davar) = zaak | נָקִ֞י (naqi) = vrij | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal hij zijn | לְבֵיתוֹ֙ (leveito) = voor zijn huis | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | אֶחָ֔ת (echat) = één | וְשִׂמַּ֖ח (vesimach) = en hij zal blij maken | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּ֥וֹ (ishto) = zijn vrouw | אֲשֶׁר (asher) = die | לָקָֽח (laqach) = hij nam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָקִי (naqi), ‘vrij’: vrij van legerdienst en andere taken. Vergelijk Deut. 20:7. Zie ook: Gen 2:24; Deut 20:7; Spr 5:18; Mar 10:6–9; Tit 2:4–5 ### Een molen in pand **24:6** Men mag geen molen of bovenste molensteen in pand nemen, want dan neemt men een leven in pand. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יַחֲבֹ֥ל (yachavol) = zal men in pand nemen | רֵחַ֖יִם (rechayim) = molen | וָרָ֑כֶב (varakhev) = en bovenste molensteen | כִּי (ki) = want | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = een leven | ה֥וּא (hu) = hij | חֹבֵֽל (chovel) = neemt in pand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵחַיִם (rechayim), ‘molen’, en רֶכֶב (rekhev), ‘bovenste molensteen’. Met een molen maakte een gezin elke dag zijn brood; wie hem in pand neemt, neemt het levensonderhoud van de ander (‘een leven’) in pand. Zie ook: Gen 44:30; Ex 22:25–26; Deut 20:19; Luc 12:15; Openb 18:22 ### Mensenroof **24:7** Wanneer een man wordt gevonden die iemand steelt van zijn broers, van de zonen van Israël, en hem als koopwaar behandelt en verkoopt. Dan moet die dief sterven. Zo doe je het kwaad uit je midden weg. Brontekst: כִּי (ki) = wanneer | יִמָּצֵ֣א (yimatse) = gevonden wordt | אִ֗ישׁ (ish) = een man | גֹּנֵ֨ב (gonev) = die steelt | נֶ֤פֶשׁ (nefesh) = een mens | מֵאֶחָיו֙ (meechav) = van zijn broers | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהִתְעַמֶּר (vehitamer) = en hem behandelt als koopwaar | בּ֖וֹ (bo) = met hem | וּמְכָר֑וֹ (umekharo) = en hem verkoopt | וּמֵת֙ (umet) = en sterft | הַגַּנָּ֣ב (haganav) = de dief | הַה֔וּא (hahu) = die | וּבִֽעַרְתָּ֥ (uviarta) = en je zult wegdoen | הָרָ֖ע (hara) = het kwaad | מִקִּרְבֶּֽךָ (miqirbekha) = uit je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּנֵב נֶפֶשׁ (goneb nefesh), ‘iemand stelen’: mensenroof. Zie Exod. 21:16. הִתְעַמֵּר (hit’ammer), ‘als koopwaar behandelen’: zie de voetnoot bij Deut. 21:14. Voor ‘wegdoen’ zie Deut. 19:13. Zie ook: Ex 21:16; Ex 21:37–22:3; Deut 19:13; Deut 21:14; Ezech 27:13; 1 Tim 1:10; Openb 18:13 ### Melaatsheid **24:8** Wees op je hoede bij de plaag van melaatsheid: bewaar heel zorgvuldig en doe alles wat de priesters, de Levieten, je leren. Zoals ik hun geboden heb, zo moet je het bewaren en doen. Brontekst: הִשָּׁ֧מֶר (hishamer) = wees op je hoede | בְּנֶֽגַע (benega) = bij de plaag van | הַצָּרַ֛עַת (hatsaraat) = de melaatsheid | לִשְׁמֹ֥ר (lishmor) = om te bewaren | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | וְלַעֲשׂ֑וֹת (velaasot) = en om te doen | כְּכֹל֩ (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יוֹר֨וּ (yoru) = zullen onderrichten | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּ֛ם (halviyim) = de Levieten | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוִּיתִ֖ם (tsivitim) = ik gebood hen | תִּשְׁמְר֥וּ (tishmeru) = zullen jullie bewaren | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרַעַת (tsara’at), ‘melaatsheid’: zoals in Lev. 13 en 14. De priesters, de Levieten, onderwijzen daarover. Zie ook: Lev 13:1–46; Lev 14:2; Lev 14:9–10; Luc 5:14; Luc 17:14 **24:9** Denk eraan wat Yahweh, je Elohim, met Mirjam heeft gedaan op de weg, toen je uit Egypte trok. Brontekst: זָכ֕וֹר (zakhor) = denk eraan | אֵ֧ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֛ה (asa) = deed | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְמִרְיָ֑ם (lemiryam) = met Mirjam | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | בְּצֵאתְכֶ֥ם (betsetkhem) = bij jullie uittocht | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Mirjam werd melaats nadat zij tegen Mozes had gesproken (Num. 12:10–15). Zie ook: Num 12:10–15; 2 Kon 7:3; 2 Kron 26:20–21; 1 Kor 10:6; 1 Kor 10:11 ### Het pand van een arme **24:10** Wanneer je je naaste iets leent, mag je niet zijn huis binnengaan om zijn pand te nemen. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תַשֶּׁ֥ה (tashe) = je leent | בְרֵֽעֲךָ (bereakha) = aan je naaste | מַשַּׁ֣את (mashat) = een lening van | מְא֑וּמָה (meuma) = iets | לֹא (lo) = niet | תָבֹ֥א (tavo) = zul je binnengaan | אֶל (el) = in | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | לַעֲבֹ֥ט (laavot) = om te nemen | עֲבֹטֽוֹ (avoto) = zijn pand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבוֹט (avot), ‘pand’: een voorwerp dat de lener als zekerheid geeft. Vergelijk Exod. 22:25–26. Zie ook: Ex 22:25–26; Ex 22:26; Deut 15:8 **24:11** Je moet buiten blijven staan. De man aan wie je leent, brengt het pand naar buiten tot bij jou. Brontekst: בַּח֖וּץ (bachuts) = buiten | תַּעֲמֹ֑ד (taamod) = zul je blijven staan | וְהָאִ֗ישׁ (vehaish) = en de man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = aan wie | אַתָּה֙ (ata) = jij | נֹשֶׁ֣ה (noshe) = leent | ב֔וֹ (bo) = hem | יוֹצִ֥יא (yotsi) = zal naar buiten brengen | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = naar jou | אֶֽת (et) = (obj.) | הַעֲב֖וֹט (haavot) = het pand | הַחֽוּצָה (hachutsa) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:12** Als hij een arm man is, mag je niet gaan slapen met zijn pand. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אִ֥ישׁ (ish) = een man | עָנִ֖י (ani) = arm | ה֑וּא (hu) = hij is | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁכַּ֖ב (tishkav) = zul je gaan slapen | בַּעֲבֹטֽוֹ (baavoto) = met zijn pand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:6; Job 24:3; Job 24:9; Deut 24:17 **24:13** Je moet hem het pand zeker teruggeven bij zonsondergang. Dan slaapt hij in zijn mantel en zegent hij je. Het zal voor jou gerechtigheid zijn voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim. Brontekst: הָשֵׁב֩ (hashev) = teruggeven | תָּשִׁ֨יב (tashiv) = zul je teruggeven | ל֤וֹ (lo) = aan hem | אֶֽת (et) = (obj.) | הַעֲבוֹט֙ (haavot) = het pand | כְּבֹ֣א (kevo) = bij het ondergaan van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וְשָׁכַ֥ב (veshakhav) = en hij slaapt | בְּשַׂלְמָת֖וֹ (besalmato) = in zijn mantel | וּבֵֽרֲכֶ֑ךָּ (uverakheka) = en zegent je | וּלְךָ֙ (ulekha) = en voor jou | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | צְדָקָ֔ה (tsedaqa) = gerechtigheid | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’. Wie de armen zijn pand teruggeeft, doet wat gerecht is voor Yahweh. Zie ook: Job 31:16–20; Ex 22:25–26; Deut 6:25; Deut 24:15; Dan 4:24 ### Het loon van een arme **24:14** Je mag een arme en behoeftige loonarbeider niet uitbuiten. Of hij nu een van je broers is of een vreemdeling die in je land, in je poorten, woont. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַעֲשֹׁ֥ק (taashoq) = zul je uitbuiten | שָׂכִ֖יר (sakhir) = loonarbeider | עָנִ֣י (ani) = arm | וְאֶבְי֑וֹן (veevyon) = en behoeftig | מֵאַחֶ֕יךָ (meacheikha) = van je broers | א֧וֹ (o) = of | מִגֵּרְךָ֛ (migerekha) = van je vreemdeling | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּאַרְצְךָ֖ (beartsekha) = in je land | בִּשְׁעָרֶֽיךָ (bishareikha) = in je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשַׁק (ashaq), ‘uitbuiten’: iemand zijn recht onthouden. שָׂכִיר (sakhir), ‘loonarbeider’: zie ook Lev. 19:13. Zie ook: Job 24:10–11; Lev 19:13; Spr 14:31; Spr 22:16; Amos 4:1; Mal 3:5 **24:15** Op zijn dag moet je hem zijn loon geven; de zon mag er niet over ondergaan. Want hij is arm en zijn leven hangt ervan af. Anders roept hij over jou tot Yahweh en dan rust er zonde op je. Brontekst: בְּיוֹמוֹ֩ (beyomo) = op zijn dag | תִתֵּ֨ן (titen) = zul je geven | שְׂכָר֜וֹ (sekharo) = zijn loon | וְֽלֹא (velo) = en niet | תָב֧וֹא (tavo) = zal komen | עָלָ֣יו (alav) = over hem | הַשֶּׁ֗מֶשׁ (hashemesh) = de zon | כִּ֤י (ki) = want | עָנִי֙ (ani) = arm | ה֔וּא (hu) = hij is | וְאֵלָ֕יו (veelav) = en naar het | ה֥וּא (hu) = hij | נֹשֵׂ֖א (nose) = tilt | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn leven | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִקְרָ֤א (yiqra) = roept hij | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | בְךָ֖ (bekha) = bij jou | חֵֽטְא (chete) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹשֵׂא אֶת נַפְשׁוֹ (nose et nafsho), letterlijk ‘hij tilt zijn leven ernaartoe’: hij verlangt ernaar en leeft ervan. Vergelijk Lev. 19:13. Zie ook: Lev 19:13; Deut 15:9; Spr 3:27–28; Jer 22:13; Jak 5:4 ### Eigen schuld **24:16** Vaders mogen niet gedood worden voor hun zonen en zonen mogen niet gedood worden voor hun vaders. Ieder moet gedood worden voor zijn eigen zonde. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יוּמְת֤וּ (yumetu) = zullen gedood worden | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | עַל (al) = voor | בָּנִ֔ים (banim) = zonen | וּבָנִ֖ים (uvanim) = en zonen | לֹא (lo) = niet | יוּמְת֣וּ (yumetu) = zullen gedood worden | עַל (al) = voor | אָב֑וֹת (avot) = vaders | אִ֥יש (ish) = ieder | בְּחֶטְא֖וֹ (becheto) = voor zijn zonde | יוּמָֽתוּ (yumatu) = zullen gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elke persoon draagt zijn eigen schuld. Zie ook Jer. 31:30 en Ezech. 18:20. Dit sluit niet uit dat Yahweh de schuld van vaders bezoekt aan kinderen (Exod. 34:7). Zie ook: Ex 34:7; 2 Kon 14:5–6; 2 Kron 25:4; Jer 31:29–30; Jer 31:30; Ezech 18:20 ### Vreemdeling, wees en weduwe **24:17** Je mag het recht van een vreemdeling en een wees niet verdraaien en je mag het kleed van een weduwe niet in pand nemen. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תַטֶּ֔ה (tate) = zul je verdraaien | מִשְׁפַּ֖ט (mishpat) = recht van | גֵּ֣ר (ger) = een vreemdeling | יָת֑וֹם (yatom) = een wees | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַחֲבֹ֔ל (tachavol) = zul je in pand nemen | בֶּ֖גֶד (beged) = kleed van | אַלְמָנָֽה (almana) = een weduwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 22:20–21 en Exod. 23:6, 9. Zie ook: Job 29:11–17; Ex 22:20–21; Ex 23:6; Deut 16:19; Deut 27:19 **24:18** Denk eraan dat je een slaaf was in Egypte en dat Yahweh, je Elohim, je daar vrijgekocht heeft. Daarom gebied ik je dit woord te doen. Brontekst: וְזָכַרְתָּ֗ (vezakharta) = en je zult denken | כִּ֣י (ki) = dat | עֶ֤בֶד (eved) = slaaf | הָיִ֨יתָ֙ (hayita) = je was | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וַֽיִּפְדְּךָ֛ (vayifdekha) = en kocht je vrij | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | מִשָּׁ֑ם (misham) = vandaar | עַל (al) = daarom | כֵּ֞ן (ken) = zo | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֙ (metsavekha) = gebied je | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 13:6 en 15:15. Israël moet zich herinneren dat het zelf slaaf was. Zie ook: Deut 5:15; Deut 13:6; Deut 15:15; Deut 16:12; Deut 24:22 ### Het nalezen voor de zwakken **24:19** Wanneer je je oogst in je veld maait en je vergeet een schoof in het veld, dan mag je niet teruggaan om hem te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe, zodat Yahweh, je Elohim, je zegent in al het werk van je handen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | תִקְצֹר֩ (tiqtsor) = je maait | קְצִֽירְךָ֨ (qetsirekha) = je oogst | בְשָׂדֶ֜ךָ (besadekha) = in je veld | וְשָֽׁכַחְתָּ֧ (veshakhachta) = en je vergeet | עֹ֣מֶר (omer) = een schoof | בַּשָּׂדֶ֗ה (basade) = in het veld | לֹ֤א (lo) = niet | תָשׁוּב֙ (tashuv) = zul je teruggaan | לְקַחְתּ֔וֹ (leqachto) = om hem te nemen | לַגֵּ֛ר (lager) = voor de vreemdeling | לַיָּת֥וֹם (layatom) = voor de wees | וְלָאַלְמָנָ֖ה (velaalmana) = en voor de weduwe | יִהְיֶ֑ה (yihye) = zal het zijn | לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | יְבָרֶכְךָ֙ (yevarekhkha) = zegent je | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | יָדֶֽיךָ (yadeikha) = je handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹמֶר (omer), ‘schoof’: een bos graan. Zie ook Lev. 23:10. De regel past bij Lev. 19:9–10 en Lev. 23:22. Zie ook: Lev 19:9–10; Lev 23:10; Lev 23:22; Deut 14:29; Spr 19:17; Luc 14:13–14 **24:20** Wanneer je je olijfbomen afslaat, mag je daarna de takken niet nog eens nalopen. Wat overblijft is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תַחְבֹּט֙ (tachbot) = je afslaat | זֵֽיתְךָ֔ (zeitekha) = je olijfboom | לֹ֥א (lo) = niet | תְפָאֵ֖ר (tefaer) = zul je nalopen | אַחֲרֶ֑יךָ (achareikha) = achter je | לַגֵּ֛ר (lager) = voor de vreemdeling | לַיָּת֥וֹם (layatom) = voor de wees | וְלָאַלְמָנָ֖ה (velaalmana) = en voor de weduwe | יִהְיֶֽה (yihye) = zal het zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָבַט (chavat), ‘afslaan’: de olijven met een stok van de boom slaan. תְּפָאֵר (tefa’er), ‘nalopen’: de takken nog eens afzoeken; betekenis niet geheel zeker. Zie ook: Lev 19:10 **24:21** Wanneer je de druiven van je wijngaard plukt, mag je niet nalezen. Wat overblijft is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תִבְצֹר֙ (tivtsor) = je plukt | כַּרְמְךָ֔ (karmekha) = je wijngaard | לֹ֥א (lo) = niet | תְעוֹלֵ֖ל (teolel) = zul je nalezen | אַחֲרֶ֑יךָ (achareikha) = achter je | לַגֵּ֛ר (lager) = voor de vreemdeling | לַיָּת֥וֹם (layatom) = voor de wees | וְלָאַלְמָנָ֖ה (velaalmana) = en voor de weduwe | יִהְיֶֽה (yihye) = zal het zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלֵל (olel), ‘nalezen’: de overgebleven druiven plukken. Zie ook: Lev 19:9–10; Deut 24:19 **24:22** Denk eraan dat je een slaaf was in het land Egypte. Daarom gebied ik je dit woord te doen. Brontekst: וְזָ֣כַרְתָּ֔ (vezakharta) = en je zult denken | כִּי (ki) = dat | עֶ֥בֶד (eved) = slaaf | הָיִ֖יתָ (hayita) = je was | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = daarom | כֵּ֞ן (ken) = zo | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֙ (metsavekha) = gebied je | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 7:8; Deut 24:18; 2 Kor 8:8–9; Ef 5:1–2; 1 Joh 4:10–11 ## Deuteronomium 25 _Slagen, zwagerhuwelijk, eerlijke maten en Amalek_ ### De geselslag **25:1** Als twee mannen een geschil hebben en zij naar het recht gaan en men over hen recht spreekt, dan moet men de rechtvaardige vrijspreken. En men moet de goddeloze schuldig verklaren. Brontekst: כִּֽי (ki) = als | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er is | רִיב֙ (riv) = geschil | בֵּ֣ין (bein) = tussen | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | וְנִגְּשׁ֥וּ (venigeshu) = en zij komen naderbij | אֶל (el) = tot | הַמִּשְׁפָּ֖ט (hamishpat) = het recht | וּשְׁפָט֑וּם (ushefatum) = en men oordeelt over hen | וְהִצְדִּ֨יקוּ֙ (vehitsdiqu) = en zij spreken vrij | אֶת (et) = (obj.) | הַצַּדִּ֔יק (hatsadiq) = de rechtvaardige | וְהִרְשִׁ֖יעוּ (vehirshiu) = en zij verklaren schuldig | אֶת (et) = (obj.) | הָרָשָֽׁע (harasha) = de goddeloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִצְדִּיק (hitsdiq), ‘vrijspreken’: iemand rechtvaardig verklaren. הִרְשִׁיעַ (hirshia), ‘schuldig verklaren’: iemand goddeloos verklaren. Het zijn twee woorden van dezelfde familie als ‘rechtvaardige’ (צַדִּיק, tsaddiq) en ‘goddeloze’ (רָשָׁע, rasha). Zie ook: Deut 1:16–17; Deut 17:8–9; Spr 17:15; Spr 31:8–9; Jes 32:1–2 **25:2** Als de goddeloze slaag verdient, moet de rechter hem laten neerliggen en hem in zijn bijzijn laten slaan, volgens zijn goddeloosheid, naar een vast aantal. Brontekst: וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | בִּ֥ן (bin) = zoon van | הַכּ֖וֹת (hakot) = slaan | הָרָשָׁ֑ע (harasha) = de goddeloze | וְהִפִּיל֤וֹ (vehipilo) = en laat neervallen hem | הַשֹּׁפֵט֙ (hashofet) = de rechter | וְהִכָּ֣הוּ (vehikahu) = en laat slaan hem | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | כְּדֵ֥י (kedei) = volgens | רִשְׁעָת֖וֹ (rishato) = zijn goddeloosheid | בְּמִסְפָּֽר (bemispar) = naar een aantal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִפִּיל (hippil), letterlijk ‘laten vallen’: de veroordeelde wordt op de grond gelegd om de slagen te ontvangen. Zie ook: Mat 27:26; Luc 12:47–48; Hand 5:40; Hand 16:22–24; 1 Petr 2:20 **25:3** Veertig slagen mag hij hem geven, niet meer. Anders gaat hij door en slaat hij hem met nog veel meer slagen, en wordt je broer onteerd in je ogen. Brontekst: אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | יַכֶּ֖נּוּ (yakenu) = hij zal hem slaan | לֹ֣א (lo) = niet | יֹסִ֑יף (yosif) = hij zal doorgaan | פֶּן (pen) = opdat niet | יֹסִ֨יף (yosif) = hij doorgaat | לְהַכֹּת֤וֹ (lehakoto) = om hem te slaan | עַל (al) = boven | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze | מַכָּ֣ה (maka) = slag | רַבָּ֔ה (raba) = groot | וְנִקְלָ֥ה (veniqla) = en onteerd wordt | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | לְעֵינֶֽיךָ (leeineikha) = voor je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Veertig is het hoogste aantal slagen. De straf mag niet zo ver gaan dat de mens als een dier wordt behandeld: hij blijft ‘je broer’. Zie ook: Job 18:3; Luc 15:30; Luc 18:9–12; Jak 2:2–3; 2 Kor 11:24–25 ### De dorsende stier **25:4** Je mag een stier niet muilbanden als hij aan het dorsen is. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַחְסֹ֥ם (tachsom) = zul je muilbanden | שׁ֖וֹר (shor) = stier | בְּדִישֽׁוֹ (bedisho) = bij zijn dorsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een stier die graan dorst, mag tijdens het werk van het graan eten. Paulus past deze wet toe op het loon van wie werkt: 1 Kor. 9:9 en 1 Tim. 5:18. Zie ook: Spr 12:10; Hos 10:11; Jes 28:27; 1 Kor 9:9–10; 1 Tim 5:17–18; 1 Tim 5:18 ### Het zwagerhuwelijk **25:5** Als broers samen wonen en één van hen sterft en hij heeft geen zoon. Dan mag de vrouw van de gestorvene niet buiten de familie de vrouw van een vreemde man worden. Haar zwager moet naar haar toe gaan, haar tot vrouw nemen en zijn plicht als zwager aan haar vervullen. Brontekst: כִּֽי (ki) = als | יֵשְׁב֨וּ (yeshevu) = wonen | אַחִ֜ים (achim) = broers | יַחְדָּ֗ו (yachdav) = samen | וּמֵ֨ת (umet) = en sterft | אַחַ֤ד (achad) = één | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | וּבֵ֣ן (uven) = en zoon | אֵֽין (ein) = niet is | ל֔וֹ (lo) = voor hem | לֹֽא (lo) = niet | תִהְיֶ֧ה (tihye) = zal zijn | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | הַמֵּ֛ת (hamet) = de gestorvene | הַח֖וּצָה (hachutsa) = naar buiten | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan een man | זָ֑ר (zar) = vreemd | יְבָמָהּ֙ (yevamah) = haar zwager | יָבֹ֣א (yavo) = zal ingaan | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tot haar | וּלְקָחָ֥הּ (uleqachah) = en zal haar nemen | ל֛וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּׁ֖ה (leisha) = tot vrouw | וְיִבְּמָֽהּ (veyibemah) = en zal de zwagerplicht vervullen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָבָם (yavam), ‘zwager’: de broer van de gestorven man. יִבֵּם (yibbem), ‘de plicht van een zwager vervullen’: het woord komt alleen in deze wet voor. Het gaat om het zwagerhuwelijk, ook in Gen. 38:8 en Ruth 4:5–10. Voetnoot : בֵּן (ben), ‘zoon’: het woord kan ook ‘kind’ betekenen. Wij vertalen ‘zoon’; zo gaat het ook om de opvolging van de naam. Zie ook: Gen 38:8–9; Ruth 1:12–13; Ruth 4:5–10; Mat 22:24; Mar 12:19; Luc 20:28 **25:6** De eerstgeborene die zij baart, zal de naam van zijn gestorven broer dragen. Zo wordt zijn naam niet uitgewist uit Israël. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | הַבְּכוֹר֙ (habekhor) = de eerstgeborene | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תֵּלֵ֔ד (teled) = zij baart | יָק֕וּם (yaqum) = zal opstaan | עַל (al) = op | שֵׁ֥ם (shem) = naam van | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | הַמֵּ֑ת (hamet) = de gestorvene | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִמָּחֶ֥ה (yimache) = zal uitgewist worden | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = uit Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָקוּם עַל שֵׁם (yaqum al shem), letterlijk ‘zal opstaan op de naam’: hij komt in de plaats van de gestorven broer en zet diens naam voort. Wij vertalen ‘de naam dragen’. Zie ook: Deut 9:14; Deut 21:19; Ruth 4:10–12; Ps 9:6; Ps 109:13 **25:7** Als de man zijn schoonzus niet wil nemen, dan moet zijn schoonzus naar de poort gaan, naar de oudsten. Zij moet zeggen: „Mijn zwager weigert een naam in Israël te laten voortbestaan voor zijn broer. Hij wil de plicht van een zwager aan mij niet vervullen.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | יַחְפֹּץ֙ (yachpots) = hij wil | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | לָקַ֖חַת (laqachat) = om te nemen | אֶת (et) = (obj.) | יְבִמְתּ֑וֹ (yevimto) = zijn schoonzus | וְעָלְתָה֩ (vealeta) = en gaat op | יְבִמְתּ֨וֹ (yevimto) = zijn schoonzus | הַשַּׁ֜עְרָה (hashara) = naar de poort | אֶל (el) = tot | הַזְּקֵנִ֗ים (hazeqenim) = de oudsten | וְאָֽמְרָה֙ (veamera) = en zegt | מֵאֵ֨ין (meein) = weigert | יְבָמִ֜י (yevami) = mijn zwager | לְהָקִ֨ים (lehaqim) = om op te richten | לְאָחִ֥יו (leachiv) = voor zijn broer | שֵׁם֙ (shem) = naam | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | לֹ֥א (lo) = niet | אָבָ֖ה (ava) = wil | יַבְּמִֽי (yabemi) = mijn zwagerplicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר (sha’ar), ‘poort’: bij de stadspoort zaten de oudsten en spraken recht. Zie ook Deut. 21:19 en Ruth 4:1–2. Zie ook: Deut 21:19; Ruth 4:1–2; Ruth 4:5–6 **25:8** De oudsten van zijn stad moeten hem roepen en met hem spreken. Als hij blijft staan en zegt: „Ik wil haar niet nemen,” Brontekst: וְקָֽרְאוּ (veqareu) = en zij roepen | ל֥וֹ (lo) = hem | זִקְנֵי (ziqnei) = oudsten van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | וְדִבְּר֣וּ (vediberu) = en spreken | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | וְעָמַ֣ד (veamad) = en hij blijft staan | וְאָמַ֔ר (veamar) = en zegt | לֹ֥א (lo) = niet | חָפַ֖צְתִּי (chafatsti) = ik wil | לְקַחְתָּֽהּ (leqachtah) = haar te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ruth 4:6 **25:9** dan moet zijn schoonzus voor de ogen van de oudsten naar hem toe komen. Zij moet zijn sandaal van zijn voet trekken en in zijn gezicht spugen. Zij moet antwoorden en zeggen: „Zo moet gedaan worden met de man die het huis van zijn broer niet bouwt.” Brontekst: וְנִגְּשָׁ֨ה (venigesha) = en komt naderbij | יְבִמְתּ֣וֹ (yevimto) = zijn schoonzus | אֵלָיו֮ (elav) = tot hem | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | הַזְּקֵנִים֒ (hazeqenim) = de oudsten | וְחָלְצָ֤ה (vechaletsa) = en trekt uit | נַעֲלוֹ֙ (naalo) = zijn sandaal | מֵעַ֣ל (meal) = van op | רַגְל֔וֹ (raglo) = zijn voet | וְיָרְקָ֖ה (veyareqa) = en spuugt | בְּפָנָ֑יו (befanav) = in zijn gezicht | וְעָֽנְתָה֙ (veaneta) = en antwoordt | וְאָ֣מְרָ֔ה (veamera) = en zegt | כָּ֚כָה (kakha) = zo | יֵעָשֶׂ֣ה (yease) = zal gedaan worden | לָאִ֔ישׁ (laish) = aan de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יִבְנֶ֖ה (yivne) = bouwt | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = huis van | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het uittrekken van de sandaal en het spugen zijn tekens van schande. Het uittrekken van de sandaal was ook een teken bij de overdracht van recht (Ruth 4:7–8). Zie ook: Gen 38:8–10; Num 12:14; Ruth 4:7–8; Ruth 4:10–11; Jes 50:6 **25:10** Zijn naam zal in Israël genoemd worden: Huis van de uitgetrokken sandaal. Brontekst: וְנִקְרָ֥א (veniqra) = en zal genoemd worden | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | בֵּ֖ית (beit) = huis van | חֲל֥וּץ (chaluts) = de uitgetrokkene | הַנָּֽעַל (hanaal) = de sandaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלוּץ הַנָּעַל (chalutz hanna’al), letterlijk ‘de uitgetrokkene van de sandaal’: het huis van de man van wie de sandaal is uitgetrokken. Het is een naam van schande. ### Een vrouw die ingrijpt in een gevecht **25:11** Als mannen met elkaar vechten, een man en zijn broer. En de vrouw van de een komt dichterbij om haar man te redden uit de hand van wie hem slaat. En zij steekt haar hand uit en grijpt hem bij zijn schaamdelen, Brontekst: כִּֽי (ki) = als | יִנָּצ֨וּ (yinatsu) = vechten | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | יַחְדָּו֙ (yachdav) = samen | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאָחִ֔יו (veachiv) = en zijn broer | וְקָֽרְבָה֙ (veqareva) = en komt dichterbij | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = om te redden | אֶת (et) = (obj.) | אִישָׁ֖הּ (ishah) = haar man | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | מַכֵּ֑הוּ (makehu) = wie hem slaat | וְשָׁלְחָ֣ה (veshalecha) = en steekt uit | יָדָ֔הּ (yadah) = haar hand | וְהֶחֱזִ֖יקָה (vehecheziqa) = en grijpt | בִּמְבֻשָֽׁיו (bimvushav) = bij zijn schaamdelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְבוּשִׁים (mevushim), ‘schaamdelen’: letterlijk ‘wat schaamte oproept’. Zie ook: Rom 3:8; 1 Tim 2:9 **25:12** Dan moet je haar hand afhakken. Je oog mag geen medelijden hebben. Brontekst: וְקַצֹּתָ֖ה (veqatsota) = en je zult afhakken | אֶת (et) = (obj.) | כַּפָּ֑הּ (kapah) = haar hand | לֹ֥א (lo) = niet | תָח֖וֹס (tachos) = zal medelijden hebben | עֵינֶֽךָ (einekha) = je oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָצַץ (qatsats), ‘afhakken’. Het is een van de weinige wetten waar een lichaamsdeel wordt afgenomen. Het Hebreeuws zegt ‘je oog mag geen medelijden hebben’; wij houden dat beeld. Zie ook: Deut 7:2; Deut 19:13; Deut 19:21 ### Eerlijke gewichten en maten **25:13** In je buidel mag je geen twee gewichten hebben, een groot en een klein. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor je | בְּכִֽיסְךָ֖ (bekhisekha) = in je buidel | אֶ֣בֶן (even) = steen | וָאָ֑בֶן (vaaven) = en steen | גְּדוֹלָ֖ה (gedola) = groot | וּקְטַנָּֽה (uqetana) = en klein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:35–37; Spr 11:1; Spr 16:11; Amos 8:5; Ezech 45:10–11 **25:14** In je huis mag je geen twee efa’s hebben, een grote en een kleine. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor je | בְּבֵיתְךָ֖ (beveitekha) = in je huis | אֵיפָ֣ה (eifa) = efa | וְאֵיפָ֑ה (veeifa) = en efa | גְּדוֹלָ֖ה (gedola) = groot | וּקְטַנָּֽה (uqetana) = en klein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיפָה (efa), ‘ongeveer 22 liter’: de maat voor droge waren zoals graan. In vers 13 staat ‘steen’ (אֶבֶן, even): een gewicht in de vorm van een steen, dat op een weegschaal werd gebruikt. Zie ook Lev. 19:35–36. Zie ook: Lev 19:35–36; Deut 25:13 **25:15** Een vol en rechtvaardig gewicht moet je hebben. Een volle en rechtvaardige efa moet je hebben, zodat je dagen lang worden op de grond die Yahweh, je Elohim, je geeft. Brontekst: אֶ֣בֶן (even) = steen | שְׁלֵמָ֤ה (shelema) = vol | וָצֶ֨דֶק֙ (vatsedeq) = en rechtvaardig | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּ֔ךְ (lakh) = voor je | אֵיפָ֧ה (eifa) = efa | שְׁלֵמָ֛ה (shelema) = vol | וָצֶ֖דֶק (vatsedeq) = en rechtvaardig | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּ֑ךְ (lakh) = voor je | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | יַאֲרִ֣יכוּ (yaarikhu) = lang worden | יָמֶ֔יךָ (yameikha) = je dagen | עַ֚ל (al) = op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽךְ (lakh) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֵמָה (shelemah), ‘vol’: volledig, zonder iets weg te laten. צֶדֶק (tsedeq), ‘rechtvaardig’: eerlijk. ‘Zodat je dagen lang worden’ staat ook in Exod. 20:12 en Deut. 5:16. Zie ook: Ex 20:12; Deut 4:40; Deut 5:16; Deut 6:18; Ps 34:13 **25:16** Want een gruwel voor Yahweh, je Elohim, is ieder die dit doet, ieder die onrecht doet. Brontekst: כִּ֧י (ki) = want | תוֹעֲבַ֛ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | כָּל (kal) = ieder | עֹ֣שֵׂה (ose) = die doet | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | כֹּ֖ל (kol) = ieder | עֹ֥שֵׂה (ose) = die doet | עָֽוֶל (avel) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 22:5; Spr 11:1; 1 Tess 4:6; 1 Kor 6:9–11; Openb 21:27 ### Gedenk wat Amalek deed **25:17** Gedenk wat Amalek je heeft aangedaan onderweg, toen je uit Egypte trok: Brontekst: זָכ֕וֹר (zakhor) = gedenk | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֥ה (asa) = deed | לְךָ֖ (lekha) = aan je | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = onderweg | בְּצֵאתְכֶ֥ם (betsetkhem) = bij jullie uittocht | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Refidim lag op de weg van Egypte naar de Sinaï; de ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עֲמָלֵק (Amalek) is het volk dat Israël aanviel bij Refidim: Exod. 17:8–16. Daar zei Yahweh dat Hij de herinnering aan Amalek zou uitwissen (Exod. 17:14). Zie ook 1 Sam. 15:2–3. Zie ook: Ex 17:8–16; Ex 17:14; Num 24:20; Num 25:17–18; 1 Sam 15:2–3 **25:18** hoe hij je onderweg tegenkwam en achter je aan alle zwakken aanviel, terwijl jij moe en uitgeput was. Hij vreesde Elohim niet. Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | קָֽרְךָ֜ (qarekha) = hij trof je | בַּדֶּ֗רֶךְ (baderekh) = onderweg | וַיְזַנֵּ֤ב (vayzanev) = en viel aan | בְּךָ֙ (bekha) = bij je | כָּל (kal) = alle | הַנֶּחֱשָׁלִ֣ים (hanecheshalim) = de achterblijvers | אַֽחַרֶ֔יךָ (achareikha) = achter je | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | עָיֵ֣ף (ayef) = moe | וְיָגֵ֑עַ (veyagea) = en uitgeput | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָרֵ֖א (yare) = vreesde | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָנַב (zanav), ‘aanvallen’: letterlijk ‘de staart afsnijden’; hier worden de achterblijvers aan het eind van de stoet aangevallen. נֶחֱשָׁלִים (nechshalim), ‘zwakken’: zij die zwak zijn en achterblijven. Zie ook: Ps 36:2; Spr 16:6; Neh 5:9; Neh 5:15; Rom 3:18 **25:19** Wanneer Yahweh, je Elohim, je rust geeft van al je vijanden rondom. Dat gebeurt in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel om het in bezit te nemen. Dan moet je de herinnering aan Amalek uitwissen van onder de hemel. Vergeet het niet. Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּהָנִ֣יחַ (behaniach) = bij geven van rust | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֣יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְ֠ךָ (lekha) = aan je | מִכָּל (mikal) = van al | אֹ֨יְבֶ֜יךָ (oyeveikha) = je vijanden | מִסָּבִ֗יב (misaviv) = rondom | בָּאָ֨רֶץ֙ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh | אֱ֠לֹהֶיךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֨ן (noten) = geeft | לְךָ֤ (lekha) = aan je | נַחֲלָה֙ (nachala) = erfdeel | לְרִשְׁתָּ֔הּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen | תִּמְחֶה֙ (timche) = zul je uitwissen | אֶת (et) = (obj.) | זֵ֣כֶר (zekher) = herinnering aan | עֲמָלֵ֔ק (amaleq) = Amalek | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | לֹ֖א (lo) = niet | תִּשְׁכָּֽח (tishkach) = zul je vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’. תִּמְחֶה (timcheh), ‘uitwissen’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 17:14. ‘Vergeet het niet’ sluit aan op ‘gedenk’ in vers 17: Israël moet onthouden wat Amalek deed. Zie ook: Ex 17:14; Ex 17:16; Deut 9:14; Deut 25:17; 1 Sam 14:48; Est 9:7–10 ## Deuteronomium 26 _De eerstelingen, de tiende en het verbond met Yahweh_ ### De eerstelingen **26:1** Wanneer je in het land komt dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel, en je neemt het in bezit en gaat erin wonen, Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | תָב֣וֹא (tavo) = je komt | אֶל (el) = in | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לְךָ֖ (lekha) = aan je | נַחֲלָ֑ה (nachala) = erfdeel | וִֽירִשְׁתָּ֖הּ (virishtah) = en je neemt het in bezit | וְיָשַׁ֥בְתָּ (veyashavta) = en je gaat wonen | בָּֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:31; Deut 6:1–10; Deut 7:1; Deut 13:2; Deut 17:14 **26:2** Dan moet je een deel van de eerstelingen van alle vrucht van de grond nemen. Die breng je binnen uit je land, het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft. Leg ze in een mand en ga naar de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest om Zijn naam daar te laten wonen. Brontekst: וְלָקַחְתָּ֞ (velaqachta) = en je zult nemen | מֵרֵאשִׁ֣ית (mereshit) = van eerstelingen van | כָּל (kal) = alle | פְּרִ֣י (peri) = vrucht van | הָאֲדָמָ֗ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | תָּבִ֧יא (tavi) = je zult brengen | מֵֽאַרְצְךָ֛ (meartsekha) = uit je land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָ֖ךְ (lakh) = aan je | וְשַׂמְתָּ֣ (vesamta) = en je zult zetten | בַטֶּ֑נֶא (batene) = in de mand | וְהָֽלַכְתָּ֙ (vehalakhta) = en je zult gaan | אֶל (el) = naar | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִבְחַר֙ (yivchar) = zal kiezen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְשַׁכֵּ֥ן (leshaken) = om te laten wonen | שְׁמ֖וֹ (shemo) = Zijn naam | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשִׁית (reshit), ‘eerstelingen’: het eerste en beste van de oogst, dat aan Yahweh wordt gegeven (Exod. 23:19). טֶנֶא (tene), ‘mand’. De plaats die Yahweh kiest, is de plaats van het heiligdom (Deut. 12:5). Zie ook: Ex 23:16; Ex 23:19; Ex 34:26; Deut 12:5; Deut 16:10; 1 Kor 15:20 **26:3** Ga naar de priester die in die dagen dienst heeft. Zeg tegen hem: „Ik verklaar vandaag aan Yahweh, uw Elohim, dat ik gekomen ben in het land. Yahweh heeft onze vaders gezworen dat Hij het ons zou geven.” Brontekst: וּבָאתָ֙ (uvata) = en je zult komen | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֑ם (hahem) = die | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | הִגַּ֤דְתִּי (higadti) = ik verklaar | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = uw Elohim | כִּי (ki) = dat | בָ֨אתִי֙ (bati) = ik ben gekomen | אֶל (el) = in | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֧ע (nishba) = gezworen heeft | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֵ֖ינוּ (laavoteinu) = aan onze vaders | לָ֥תֶת (latet) = om te geven | לָֽנוּ (lanu) = aan ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De man spreekt tot de priester en noemt Yahweh ‘uw Elohim’. Wij vertalen met ‘u’, omdat hij de priester aanspreekt. Zie ook: Gen 17:8; Luc 1:72–73; 1 Petr 2:5; Heb 7:26; Heb 13:15 **26:4** De priester moet de mand uit je hand nemen en voor het altaar van Yahweh, je Elohim, neerzetten. Brontekst: וְלָקַ֧ח (velaqach) = en zal nemen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | הַטֶּ֖נֶא (hatene) = de mand | מִיָּדֶ֑ךָ (miyadekha) = uit je hand | וְהִ֨נִּיח֔וֹ (vehinicho) = en zal hem zetten | לִפְנֵ֕י (lifnei) = voor | מִזְבַּ֖ח (mizbach) = altaar van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 5:23–24; Mat 23:19; Heb 13:10–12 ### De belijdenis bij de eerstelingen **26:5** Dan moet je antwoorden en zeggen voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim: „Een rondtrekkende Arameeër was mijn vader. Hij daalde af naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling met maar weinig mannen. Daar werd hij een groot, machtig en talrijk volk. Brontekst: וְעָנִ֨יתָ (veanita) = en je zult antwoorden | וְאָמַרְתָּ֜ (veamarta) = en je zult zeggen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲרַמִּי֙ (arami) = Arameeër | אֹבֵ֣ד (oved) = rondtrekkend | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וַיֵּ֣רֶד (vayered) = en hij daalde af | מִצְרַ֔יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | וַיָּ֥גָר (vayagar) = en verbleef | שָׁ֖ם (sham) = daar | בִּמְתֵ֣י (bimtei) = met mannen van | מְעָ֑ט (meat) = weinig | וַֽיְהִי (vayhi) = en hij werd | שָׁ֕ם (sham) = daar | לְג֥וֹי (legoy) = tot volk | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | עָצ֥וּם (atsum) = machtig | וָרָֽב (varav) = en talrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֹבֵד (oved), ‘rondtrekkend’: het woord betekent letterlijk ‘verloren gaand’ of ‘omkomend’. Het gaat om een man zonder vaste woonplaats die zwerft, of om een man die bijna verloren ging. Het beeld past bij Jakob, die uit Aram kwam (Gen. 28:5) en naar Egypte afdaalde (Gen. 46:1–7). Wij houden ‘rondtrekkend’. Voetnoot : גּוּר (gur), ‘als vreemdeling verblijven’. Het Hebreeuws zegt ‘met mannen van weinig’: een kleine groep (Gen. 46:27). Voetnoot : Dit is de oudste belijdenis van Israël: een korte geschiedenis van de uittocht. Vers 5–10 staat tussen aanhalingstekens, omdat de man deze woorden uitspreekt. Zie ook: Gen 28:5; Gen 31:20; Gen 43:1–2; Gen 45:7; Gen 46:1–7; Gen 46:27; Deut 10:22 **26:6** De Egyptenaren deden ons kwaad en onderdrukten ons, en legden ons zware dienst op. Brontekst: וַיָּרֵ֧עוּ (vayareu) = en deden kwaad | אֹתָ֛נוּ (otanu) = ons | הַמִּצְרִ֖ים (hamitsrim) = de Egyptenaren | וַיְעַנּ֑וּנוּ (vayanunu) = en onderdrukten ons | וַיִּתְּנ֥וּ (vayitenu) = en legden | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = op ons | עֲבֹדָ֥ה (avoda) = dienst | קָשָֽׁה (qasha) = zware Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 1:11; Ex 1:14; Ex 1:16; Ex 5:23; Deut 4:20 **26:7** Toen riepen wij om hulp tot Yahweh, de Elohim van onze vaders. Yahweh hoorde onze stem en zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking. Brontekst: וַנִּצְעַ֕ק (vanitsaq) = en wij riepen om hulp | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתֵ֑ינוּ (avoteinu) = onze vaders | וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | קֹלֵ֔נוּ (qolenu) = onze stem | וַיַּ֧רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | עָנְיֵ֛נוּ (aneyenu) = onze ellende | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲמָלֵ֖נוּ (amalenu) = onze moeite | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לַחֲצֵֽנוּ (lachatsenu) = onze onderdrukking Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 2:23–25 en Exod. 3:7–9. Zie ook: Ex 2:23–3:4; Ex 3:7–9; Ex 3:9; Ps 103:1–2; Ps 116:1–4; Ef 3:20–21 **26:8** Yahweh leidde ons uit Egypte met sterke hand en uitgestrekte arm, met groot ontzag, met tekenen en met wonderen. Brontekst: וַיּוֹצִאֵ֤נוּ (vayotsienu) = en leidde ons uit | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | בְּיָ֤ד (beyad) = met hand | חֲזָקָה֙ (chazaqa) = sterke | וּבִזְרֹ֣עַ (uvizroa) = en met arm | נְטוּיָ֔ה (netuya) = uitgestrekte | וּבְמֹרָ֖א (uvemora) = en met ontzag | גָּדֹ֑ל (gadol) = groot | וּבְאֹת֖וֹת (uveotot) = en met tekenen | וּבְמֹפְתִֽים (uvemofetim) = en met wonderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מוֹרָא (mora), ‘ontzag’: wat ontzag opwekt, zoals de plagen. Zie Deut. 4:34. Zie ook: Ex 13:3; Ex 14:16–31; Deut 4:34; Deut 5:15; Ps 105:27–38 **26:9** Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing. Brontekst: וַיְבִאֵ֖נוּ (vayvienu) = en bracht ons | אֶל (el) = naar | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | לָ֨נוּ֙ (lanu) = aan ons | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֶ֛רֶץ (erets) = land | זָבַ֥ת (zavat) = dat overvloeit van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Joz 23:14; Ps 107:7–8; Ezech 20:15; Hand 26:22 **26:10** Nu, zie, ik heb de eerstelingen van de vrucht van de grond gebracht die U mij gegeven hebt, Yahweh.” Dan moet je ze neerzetten voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, en je neerbuigen voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הֵבֵ֨אתִי֙ (heveti) = ik heb gebracht | אֶת (et) = (obj.) | רֵאשִׁית֙ (reshit) = eerstelingen van | פְּרִ֣י (peri) = vrucht van | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥תָּה (natata) = U hebt gegeven | לִּ֖י (li) = aan mij | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִנַּחְתּ֗וֹ (vehinachto) = en je zult het neerzetten | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהִֽשְׁתַּחֲוִ֔יתָ (vehishtachavita) = en je zult je neerbuigen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 18:4; Deut 26:2; Spr 3:9; Rom 2:1; 1 Petr 4:10–11 **26:11** Je moet je verheugen over al het goede dat Yahweh, je Elohim, aan jou en aan je huis gegeven heeft. Dit geldt voor jou, de Leviet en de vreemdeling in je midden. Brontekst: וְשָׂמַחְתָּ֣ (vesamachta) = en je zult je verheugen | בְכָל (bekhal) = in al | הַטּ֗וֹב (hatov) = het goede | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | נָֽתַן (natan) = gaf | לְךָ֛ (lekha) = aan je | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | וּלְבֵיתֶ֑ךָ (uleveitekha) = en aan je huis | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְהַלֵּוִ֔י (vehalevi) = en de Leviet | וְהַגֵּ֖ר (vehager) = en de vreemdeling | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּקִרְבֶּֽךָ (beqirbekha) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:7; Deut 16:11; Deut 28:47; Jes 65:14; Fil 4:4 ### De tiende van het derde jaar **26:12** Wanneer je klaar bent met het afdragen van heel de tiende van je opbrengst, in het derde jaar, het jaar van de tiende. Dan moet je die geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe. Zij zullen binnen je poorten eten en verzadigd worden. Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | תְכַלֶּ֞ה (tekhale) = je klaar bent | לַ֠עְשֵׂר (laser) = om af te dragen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַעְשַׂ֧ר (masar) = tiende van | תְּבוּאָתְךָ֛ (tevuatekha) = je opbrengst | בַּשָּׁנָ֥ה (bashana) = in het jaar | הַשְּׁלִישִׁ֖ת (hashelishit) = het derde | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | הַֽמַּעֲשֵׂ֑ר (hamaaser) = de tiende | וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en je zult geven | לַלֵּוִ֗י (lalevi) = aan de Leviet | לַגֵּר֙ (lager) = aan de vreemdeling | לַיָּת֣וֹם (layatom) = aan de wees | וְלָֽאַלְמָנָ֔ה (velaalmana) = en aan de weduwe | וְאָכְל֥וּ (veakhelu) = en zij zullen eten | בִשְׁעָרֶ֖יךָ (bishareikha) = in je poorten | וְשָׂבֵֽעוּ (vesaveu) = en zullen verzadigd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’. Elk derde jaar wordt de tiende niet naar het heiligdom gebracht maar in de eigen steden gegeven aan wie niets bezit: de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe. Zie ook Deut. 14:28–29. Zie ook: Lev 27:30; Num 18:24; Deut 14:22–29; Deut 14:28–29; Spr 14:21; Fil 4:18–19 **26:13** Zeg dan voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim: „Ik heb het heilige uit het huis weggehaald. Ook heb ik het gegeven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, volgens heel Uw gebod dat U mij geboden hebt. Ik heb Uw geboden niet overtreden en niet vergeten. Brontekst: וְאָמַרְתָּ֡ (veamarta) = en je zult zeggen | לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | בִּעַ֧רְתִּי (biarti) = ik heb weggehaald | הַקֹּ֣דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | מִן (min) = uit | הַבַּ֗יִת (habayit) = het huis | וְגַ֨ם (vegam) = en ook | נְתַתִּ֤יו (netativ) = ik heb het gegeven | לַלֵּוִי֙ (lalevi) = aan de Leviet | וְלַגֵּר֙ (velager) = en aan de vreemdeling | לַיָּת֣וֹם (layatom) = aan de wees | וְלָאַלְמָנָ֔ה (velaalmana) = en aan de weduwe | כְּכָל (kekhal) = volgens al | מִצְוָתְךָ֖ (mitsvatekha) = Uw gebod | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוִּיתָ֑נִי (tsivitani) = U mij geboden hebt | לֹֽא (lo) = niet | עָבַ֥רְתִּי (avarti) = ik heb overtreden | מִמִּצְוֺתֶ֖יךָ (mimitsvoteikha) = van Uw geboden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁכָֽחְתִּי (shakhachti) = ik heb vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ (qodesh), ‘het heilige’: het deel van de tiende dat aan Yahweh toebehoort. Het wordt uit het huis ‘weggehaald’ (בִּעַרְתִּי, bi’arti) en gegeven aan hen die geen eigen erfdeel hebben. Zie ook: Ps 18:22–25; Ps 119:141; Ps 119:153; Ps 119:176; 1 Joh 3:17–22 **26:14** Ik heb er niet van gegeten in mijn rouw. Ik heb er niet van weggehaald toen ik onrein was. Ik heb er niet van gegeven voor een dode. Ik heb geluisterd naar de stem van Yahweh, mijn Elohim. Ik heb gedaan zoals U mij geboden hebt. Brontekst: לֹא (lo) = niet | אָכַ֨לְתִּי (akhalti) = ik heb gegeten | בְאֹנִ֜י (beoni) = in mijn rouw | מִמֶּ֗נּוּ (mimenu) = ervan | וְלֹא (velo) = en niet | בִעַ֤רְתִּי (biarti) = ik heb weggehaald | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = ervan | בְּטָמֵ֔א (betame) = in onreinheid | וְלֹא (velo) = en niet | נָתַ֥תִּי (natati) = ik heb gegeven | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | לְמֵ֑ת (lemet) = voor een dode | שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = ik heb geluisterd | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֔י (elohay) = mijn Elohim | עָשִׂ֕יתִי (asiti) = ik heb gedaan | כְּכֹ֖ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | צִוִּיתָֽנִי (tsivitani) = U mij geboden hebt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: לְמֵת (lemet), ‘voor een dode’: het kan bedoeld zijn voor een rouwmaaltijd of voor een offer aan een overledene. Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor een dode’; wij houden dat. Rouw (אוֹן, on) en onreinheid maken het eten van het heilige onmogelijk (Lev. 7:20–21). Zie ook: Lev 7:20; Lev 21:1; Lev 21:11; Ps 106:28; Hos 9:4 **26:15** Kijk neer vanuit Uw heilige woning, vanuit de hemel, en zegen Uw volk Israël. En zegen de grond die U ons gegeven hebt, zoals U onze vaders gezworen hebt, een land dat overvloeit van melk en honing.” Brontekst: הַשְׁקִיפָה֩ (hashqifa) = kijk neer | מִמְּע֨וֹן (mimeon) = vanuit woning van | קָדְשְׁךָ֜ (qadeshekha) = Uw heiligheid | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | וּבָרֵ֤ךְ (uvarekh) = en zegen | אֶֽת (et) = (obj.) | עַמְּךָ֙ (amekha) = Uw volk | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תָּה (natata) = U hebt gegeven | לָ֑נוּ (lanu) = aan ons | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | נִשְׁבַּ֨עְתָּ֙ (nishbata) = U hebt gezworen | לַאֲבֹתֵ֔ינוּ (laavoteinu) = aan onze vaders | אֶ֛רֶץ (erets) = land | זָבַ֥ת (zavat) = dat overvloeit van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעוֹן קָדְשְׁךָ (me’on qodshekha), ‘Uw heilige woning’: de hemel als woning van Yahweh. Zie ook 1 Kon. 8:30 en Ps. 33:13–14. Zie ook: Ps 33:13–14; 1 Kon 8:30; Jes 63:15; Jes 66:1–2; Jer 31:23; Zach 2:17; Hand 7:49 ### Yahweh en Zijn volk **26:16** Vandaag gebiedt Yahweh, je Elohim, je deze voorschriften en rechtsregels te doen. Je moet ze houden en doen met heel je hart en heel je ziel. Brontekst: הַיּ֣וֹם (hayom) = vandaag | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | מְצַוְּךָ֧ (metsavekha) = gebiedt je | לַעֲשׂ֛וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | הַחֻקִּ֥ים (hachuqim) = de voorschriften | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִ֑ים (hamishpatim) = de rechtsregels | וְשָׁמַרְתָּ֤ (veshamarta) = en je zult houden | וְעָשִׂ֨יתָ֙ (veasita) = en je zult doen | אוֹתָ֔ם (otam) = ze | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:29; Deut 8:2; Deut 12:1; Joh 14:15; 1 Joh 5:2–3 **26:17** Je hebt vandaag van Yahweh verklaard dat Hij je Elohim is, en dat je in Zijn wegen zult wandelen. Je zult Zijn voorschriften, Zijn geboden en Zijn rechtsregels houden en naar Zijn stem luisteren. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | הֶאֱמַ֖רְתָּ (heemarta) = je hebt laten zeggen | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | לִהְיוֹת֩ (lihyot) = om te zijn | לְךָ֨ (lekha) = voor je | לֵֽאלֹהִ֜ים (lElohim) = tot Elohim | וְלָלֶ֣כֶת (velalekhet) = en om te wandelen | בִּדְרָכָ֗יו (bidrakhav) = in Zijn wegen | וְלִשְׁמֹ֨ר (velishmor) = en om te houden | חֻקָּ֧יו (chuqav) = Zijn voorschriften | וּמִצְוֺתָ֛יו (umitsvotav) = en Zijn geboden | וּמִשְׁפָּטָ֖יו (umishpatav) = en Zijn rechtsregels | וְלִשְׁמֹ֥עַ (velishmoa) = en om te luisteren | בְּקֹלֽוֹ (beqolo) = naar Zijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: הֶאֱמַרְתָּ (he’emarta) en הֶאֱמִירְךָ (he’emirekha) in vers 18 komen alleen hier voor. De vorm betekent letterlijk ‘laten zeggen’; wij vertalen ‘verklaren’. Het gaat om een wederzijdse verklaring: Israël verklaart dat Yahweh zijn Elohim is, en Yahweh verklaart dat Israël Zijn volk is. Zie ook: Ex 20:19; Ex 24:7; Deut 26:18; Deut 30:16; Jes 12:2; 1 Kor 6:19–20 **26:18** En Yahweh heeft vandaag van jou verklaard dat je Zijn eigen volk zult zijn, zoals Hij tot je gesproken heeft. En dat je al Zijn geboden zult houden, Brontekst: וַֽיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | הֶאֱמִֽירְךָ֣ (heemirekha) = heeft laten zeggen je | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לוֹ֙ (lo) = voor Hem | לְעַ֣ם (leam) = tot volk van | סְגֻלָּ֔ה (segula) = eigen bezit | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּר (diber) = Hij heeft gesproken | לָ֑ךְ (lakh) = tot je | וְלִשְׁמֹ֖ר (velishmor) = en om te houden | כָּל (kal) = al | מִצְוֺתָֽיו (mitsvotav) = Zijn geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: de kostbare schat van een koning. Zie Exod. 19:5; Deut. 7:6 en 14:2. Zie ook: Ex 6:7; Ex 19:5; Deut 7:6; Deut 14:2; Deut 28:9; Tit 2:14 **26:19** en dat Hij je hoog boven alle volken zal stellen die Hij gemaakt heeft, tot lof, tot naam en tot sieraad. En dat je een heilig volk zult zijn voor Yahweh, je Elohim, zoals Hij gesproken heeft. Brontekst: וּֽלְתִתְּךָ֣ (uletitekha) = en om je te maken | עֶלְי֗וֹן (elyon) = hoog | עַ֤ל (al) = boven | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֔ה (asa) = Hij heeft gemaakt | לִתְהִלָּ֖ה (lithila) = tot lof | וּלְשֵׁ֣ם (uleshem) = en tot naam | וּלְתִפְאָ֑רֶת (uletifaret) = en tot sieraad | וְלִֽהְיֹתְךָ֧ (velihyotekha) = en dat je zult zijn | עַם (am) = volk | קָדֹ֛שׁ (qadosh) = heilig | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבֵּֽר (diber) = Hij heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 19:6. Zie ook: Ex 19:6; Deut 4:7–8; Deut 7:6; Deut 28:1; 1 Petr 2:9 ## Deuteronomium 27 _De stenen op Ebal en de twaalf vervloekingen_ ### De stenen met de wet op de berg Ebal **27:1** Mozes en de oudsten van Israël geboden het volk: „Houd heel het gebod dat ik je vandaag geef. Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en gebood | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְזִקְנֵ֣י (veziqnei) = en de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | שָׁמֹר֙ (shamor) = houd | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַמִּצְוָ֔ה (hamitsva) = het gebod | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes spreekt hier over zichzelf in de derde persoon en noemt de oudsten erbij. De woorden in vers 1b–8 en 9b–10 staan tussen aanhalingstekens, omdat dit korte aparte toespraken zijn; de lange toespraak van Mozes heeft geen aanhalingstekens. Zie ook: Deut 4:1–3; Luc 11:28; Joh 15:14; Jak 2:10; 1 Tess 4:1–2 **27:2** Op de dag dat je de Jordaan oversteekt naar het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft, moet je grote stenen oprichten. Je moet ze met kalk bepleisteren. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּוֹם֮ (bayom) = op de dag | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תַּעַבְר֣וּ (taavru) = jullie oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּן֒ (hayarden) = de Jordaan | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָ֑ךְ (lakh) = aan je | וַהֲקֵמֹתָ֤ (vahaqemota) = en je zult oprichten | לְךָ֙ (lekha) = voor je | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | גְּדֹל֔וֹת (gedolot) = grote | וְשַׂדְתָּ֥ (vesadta) = en je zult bepleisteren | אֹתָ֖ם (otam) = ze | בַּשִּֽׂיד (basid) = met kalk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: שִׂיד (sid), ‘kalk’: een pleisterlaag waarop kon worden geschreven. Zie ook: Deut 6:1; Joz 4:1; Joz 8:31; Ezech 11:19; Ezech 36:26 **27:3** Schrijf er alle woorden van deze wet op wanneer je oversteekt. Dan kom je in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft, een land dat overvloeit van melk en honing. Zo heeft Yahweh, de Elohim van je vaders, tot je gesproken heeft. Brontekst: וְכָתַבְתָּ֣ (vekhatavta) = en je zult schrijven | עֲלֵיהֶ֗ן (aleihen) = op hen | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֛י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | בְּעָבְרֶ֑ךָ (beaverekha) = bij je oversteken | לְמַ֡עַן (lemaan) = opdat | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | תָּבֹ֨א (tavo) = je komt | אֶל (el) = in | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | אֲֽשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֣יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לְךָ֗ (lekha) = aan je | אֶ֣רֶץ (erets) = land | זָבַ֤ת (zavat) = dat overvloeit van | חָלָב֙ (chalav) = melk | וּדְבַ֔שׁ (udevash) = en honing | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֛ר (diber) = sprak | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | אֲבֹתֶ֖יךָ (avoteikha) = je vaders | לָֽךְ (lakh) = tot je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’. Het gaat om de woorden van deze preek en de wetten die erin staan. Zie ook Jozua 8:32. Zie ook: Num 13:27; Num 14:8; Deut 26:9; Joz 8:32; Heb 10:16 **27:4** Wanneer je de Jordaan oversteekt, moet je deze stenen, waarover ik je vandaag gebied, oprichten op de berg Ebal. Bepleister ze met kalk. Brontekst: וְהָיָה֮ (vehaya) = en het zal zijn | בְּעָבְרְכֶ֣ם (beaverekhem) = bij jullie oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּן֒ (hayarden) = de Jordaan | תָּקִ֜ימוּ (taqimu) = jullie zullen oprichten | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲבָנִ֣ים (haavanim) = de stenen | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָנֹכִ֜י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg | עֵיבָ֑ל (eival) = Ebal | וְשַׂדְתָּ֥ (vesadta) = en je zult bepleisteren | אוֹתָ֖ם (otam) = ze | בַּשִּֽׂיד (basid) = met kalk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ebal ligt bij Sichem, het huidige Nabloes, op de Westelijke Jordaanoever. Tegenover de Ebal ligt de berg Gerizim. Zie ook Jozua 8:30–35. Zie ook: Deut 11:29–30; Joz 8:30–33 ### Het altaar van onbewerkte stenen **27:5** Bouw daar een altaar voor Yahweh, je Elohim, een altaar van stenen. Je mag er geen ijzer over zwaaien. Brontekst: וּבָנִ֤יתָ (uvanita) = en je zult bouwen | שָּׁם֙ (sham) = daar | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = een altaar | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | אֲבָנִ֔ים (avanim) = stenen | לֹא (lo) = niet | תָנִ֥יף (tanif) = je zult zwaaien | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | בַּרְזֶֽל (barzel) = ijzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een altaar van stenen die niet met ijzer zijn bewerkt: zie Exod. 20:25. Zie ook: Ex 20:25; Ex 24:4; Joz 8:30–31; 1 Kon 18:31–32 **27:6** Van hele stenen moet je het altaar van Yahweh, je Elohim, bouwen. Breng er brandoffers op voor Yahweh, je Elohim. Brontekst: אֲבָנִ֤ים (avanim) = stenen | שְׁלֵמוֹת֙ (shelemot) = hele | תִּבְנֶ֔ה (tivne) = je zult bouwen | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֖ח (mizbach) = altaar van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהַעֲלִ֤יתָ (vehaalita) = en je zult doen opgaan | עָלָיו֙ (alav) = erop | עוֹלֹ֔ת (olot) = brandoffers | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:1–17; Ef 5:2 **27:7** Slacht vredeoffers, eet daar en verheug je voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim. Brontekst: וְזָבַחְתָּ֥ (vezavachta) = en je zult slachten | שְׁלָמִ֖ים (shelamim) = vredeoffers | וְאָכַ֣לְתָּ (veakhalta) = en je zult eten | שָּׁ֑ם (sham) = daar | וְשָׂ֣מַחְתָּ֔ (vesamachta) = en je zult je verheugen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’: het vlees wordt gegeten door de aanbidders zelf (Lev. 3). Zie ook: Lev 3:1–17; Deut 12:7; Hab 3:18; Hand 10:36; Heb 13:20–21 **27:8** Schrijf op de stenen alle woorden van deze wet, duidelijk en goed.” Brontekst: וְכָתַבְתָּ֣ (vekhatavta) = en je zult schrijven | עַל (al) = op | הָאֲבָנִ֗ים (haavanim) = de stenen | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֛י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | בַּאֵ֥ר (baer) = duidelijk | הֵיטֵֽב (heitev) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hab 2:2; Joh 16:25; 2 Kor 3:12 ### Israël is het volk van Yahweh **27:9** Mozes en de priesters, de Levieten, spraken tot heel Israël: „Wees stil en luister, Israël! Vandaag ben je een volk geworden voor Yahweh, je Elohim. Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְהַכֹּהֲנִ֣ים (vehakohanim) = en de priesters | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | אֶ֥ל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הַסְכֵּ֤ת (hasket) = wees stil | וּשְׁמַע֙ (ushema) = en luister | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַיּ֤וֹם (hayom) = vandaag | הַזֶּה֙ (haze) = deze | נִהְיֵ֣יתָֽ (nihyeita) = je bent geworden | לְעָ֔ם (leam) = tot volk | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסְכֵּת (haskeit), ‘wees stil’: het woord komt alleen hier voor. Zie ook: Deut 26:16–18; 1 Kor 6:9–11; Rom 6:17–18; Ef 5:8–9; 1 Petr 2:10–11 **27:10** Luister naar de stem van Yahweh, je Elohim, en doe Zijn geboden en Zijn voorschriften waarover ik je vandaag gebied.” Brontekst: וְשָׁ֣מַעְתָּ֔ (veshamata) = en je zult luisteren | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en je zult doen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺתָו֙ (mitsvotav) = Zijn geboden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֻקָּ֔יו (chuqav) = Zijn voorschriften | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied je | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:1; Deut 11:7–8; Mi 6:8; Mat 5:48; 1 Petr 1:14–16 ### Gerizim en Ebal **27:11** Mozes gebood het volk op die dag: Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en gebood | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:12** „Deze stammen moeten op de berg Gerizim staan om het volk te zegenen wanneer je de Jordaan oversteekt: Simeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Benjamin. Brontekst: אֵ֠לֶּה (ele) = deze | יַֽעַמְד֞וּ (yaamdu) = zullen staan | לְבָרֵ֤ךְ (levarekh) = om te zegenen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | עַל (al) = op | הַ֣ר (har) = berg | גְּרִזִ֔ים (gerizim) = Gerizim | בְּעָבְרְכֶ֖ם (beaverekhem) = bij jullie oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | שִׁמְעוֹן֙ (shimon) = Simeon | וְלֵוִ֣י (velevi) = en Levi | וִֽיהוּדָ֔ה (vihuda) = en Juda | וְיִשָּׂשכָ֖ר (veyisashkhar) = en Issachar | וְיוֹסֵ֥ף (veyosef) = en Jozef | וּבִנְיָמִֽן (uvinyamin) = en Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gerizim ligt bij het huidige Nabloes (Westelijke Jordaanoever), tegenover de Ebal. De zegen en de vloek worden in dit dal uitgesproken (Deut. 11:29; Jozua 8:33). Zie ook: Gen 29:33–35; Gen 30:18; Gen 35:18; Deut 11:26–29; Deut 11:29; Joz 8:33; Re 9:7 **27:13** En deze stammen moeten op de berg Ebal staan voor de vloek: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.” Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en deze | יַֽעַמְד֥וּ (yaamdu) = zullen staan | עַל (al) = voor | הַקְּלָלָ֖ה (haqelala) = de vloek | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg | עֵיבָ֑ל (eival) = Ebal | רְאוּבֵן֙ (reuven) = Ruben | גָּ֣ד (gad) = Gad | וְאָשֵׁ֔ר (veasher) = en Aser | וּזְבוּלֻ֖ן (uzevulun) = en Zebulon | דָּ֥ן (dan) = Dan | וְנַפְתָּלִֽי (venaftali) = en Naftali Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ebal: De Ebal is een berg bij Sichem, bij het huidige Nablus, tegenover de Gerizim. Hier werd de vloek uitgesproken. Zie ook: Gen 30:6–13; Gen 30:20; Deut 11:29; Deut 27:4; Joz 8:33 ### De vervloekingen van de Levieten **27:14** De Levieten moeten antwoorden en met luide stem zeggen tegen elke man van Israël: Brontekst: וְעָנ֣וּ (veanu) = en zullen antwoorden | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | וְאָֽמְר֛וּ (veameru) = en zeggen | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = elke | אִ֥ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | ק֥וֹל (qol) = stem | רָֽם (ram) = luide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 33:9–10; Joz 8:33; Dan 9:11; Neh 8:7–8; Mal 2:7–9 **27:15** „Vervloekt is de man die een gesneden beeld of een gegoten beeld maakt, een gruwel voor Yahweh, het werk van de handen van een ambachtsman. En hij zet het in het geheim neer.” Heel het volk moet antwoorden en zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֣וּר (arur) = vervloekt | הָאִ֡ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יַעֲשֶׂה֩ (yaase) = zal maken | פֶ֨סֶל (pesel) = gesneden beeld | וּמַסֵּכָ֜ה (umasekha) = en gegoten beeld | תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | מַעֲשֵׂ֛ה (maase) = werk van | יְדֵ֥י (yedei) = de handen van | חָרָ֖שׁ (charash) = een ambachtsman | וְשָׂ֣ם (vesam) = en zet | בַּסָּ֑תֶר (basater) = in het geheim | וְעָנ֧וּ (veanu) = en zullen antwoorden | כָל (kal) = heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | וְאָמְר֖וּ (veameru) = en zeggen | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’, en מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’: Exod. 20:4 en 34:17. Zie ook: Ex 20:4; Ex 34:17; Lev 19:4; Lev 26:1; Deut 5:8 **27:16** „Vervloekt is wie zijn vader en zijn moeder minacht.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֕וּר (arur) = vervloekt | מַקְלֶ֥ה (maqle) = wie minacht | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֑וֹ (veimo) = en zijn moeder | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַקְלֶה (maqleh), ‘minachten’: van het werkwoord ‘licht achten’. In Exod. 21:17 staat het verwante woord ‘vervloeken’. Zie ook: Ex 20:12; Ex 21:17; Lev 19:3; Deut 21:18–21; Mat 15:4–6 **27:17** „Vervloekt is wie de grens van zijn naaste verlegt.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֕וּר (arur) = vervloekt | מַסִּ֖יג (masig) = wie verlegt | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 19:14. Zie ook: Deut 19:14; Spr 22:28; Spr 23:10–11 **27:18** „Vervloekt is wie een blinde laat dwalen op de weg.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֕וּר (arur) = vervloekt | מַשְׁגֶּ֥ה (mashge) = wie laat dwalen | עִוֵּ֖ר (iver) = blinde | בַּדָּ֑רֶךְ (badarekh) = op de weg | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:15; Lev 19:14; Spr 28:10; Jes 56:10; Mat 15:14 **27:19** „Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֗וּר (arur) = vervloekt | מַטֶּ֛ה (mate) = wie buigt | מִשְׁפַּ֥ט (mishpat) = recht van | גֵּר (ger) = vreemdeling | יָת֖וֹם (yatom) = wees | וְאַלְמָנָ֑ה (vealmana) = en weduwe | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 22:20–21 en Deut. 24:17. Zie ook: Ex 22:20–21; Ex 23:2; Deut 10:18; Deut 24:17; Ps 82:2–4; Spr 17:23 **27:20** „Vervloekt is wie ligt met de vrouw van zijn vader, want hij heeft de rand van zijn vader ontbloot.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֗וּר (arur) = vervloekt | שֹׁכֵב֙ (shokhev) = wie ligt | עִם (im) = met | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | כִּ֥י (ki) = want | גִלָּ֖ה (gila) = hij heeft ontbloot | כְּנַ֣ף (kenaf) = rand van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּנָף (kanaf), ‘rand’: letterlijk ‘vleugel’, de rand van het kleed. ‘De rand van zijn vader ontbloten’ betekent dat hij het bed van zijn vader onteert. Zie Lev. 18:8 en 20:11. Zie ook: Gen 49:4; Lev 18:8; Lev 20:11; Deut 23:1; 1 Kor 5:1 **27:21** „Vervloekt is wie ligt met enig dier.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֕וּר (arur) = vervloekt | שֹׁכֵ֖ב (shokhev) = wie ligt | עִם (im) = met | כָּל (kal) = elk | בְּהֵמָ֑ה (behema) = dier | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:18; Lev 18:23; Lev 20:15 **27:22** „Vervloekt is wie ligt met zijn zuster, de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֗וּר (arur) = vervloekt | שֹׁכֵב֙ (shokhev) = wie ligt | עִם (im) = met | אֲחֹת֔וֹ (achoto) = zijn zuster | בַּת (bat) = dochter van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | א֣וֹ (o) = of | בַת (bat) = dochter van | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Lev. 18:9 en 20:17. Zie ook: Lev 18:9; Lev 20:17; 2 Sam 13:1; 2 Sam 13:8–14; Ezech 22:11 **27:23** „Vervloekt is wie ligt met zijn schoonmoeder.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֕וּר (arur) = vervloekt | שֹׁכֵ֖ב (shokhev) = wie ligt | עִם (im) = met | חֹֽתַנְתּ֑וֹ (chotanto) = zijn schoonmoeder | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Lev. 18:17 en 20:14. Zie ook: Lev 18:17; Lev 20:14 **27:24** „Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim slaat.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֕וּר (arur) = vervloekt | מַכֵּ֥ה (make) = wie slaat | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | בַּסָּ֑תֶר (basater) = in het geheim | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 24:17; Num 35:31; 2 Sam 3:27; 2 Sam 12:9–12; 2 Sam 13:28 **27:25** „Vervloekt is wie een steekpenning aanneemt om iemand te doden, onschuldig bloed.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָרוּר֙ (arur) = vervloekt | לֹקֵ֣חַ (loqeach) = wie neemt | שֹׁ֔חַד (shochad) = steekpenning | לְהַכּ֥וֹת (lehakot) = om te slaan | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = leven | דָּ֣ם (dam) = bloed | נָקִ֑י (naqi) = onschuldig | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven’: het woord kan ook ‘mens’ of ‘iemand’ betekenen. Zie ook Exod. 23:7–8. Zie ook: Ex 23:7–8; Deut 10:17; Deut 16:19; Ps 15:5; Spr 1:11–29 **27:26** „Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet laat standhouden door ze te doen.” Heel het volk moet zeggen: „Amen.” Brontekst: אָר֗וּר (arur) = vervloekt | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wie | לֹא (lo) = niet | יָקִ֛ים (yaqim) = zal bevestigen | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָֽה (hatora) = de wet | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | אוֹתָ֑ם (otam) = ze | וְאָמַ֥ר (veamar) = en zal zeggen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de samenvattende vloek: wie de wet niet laat standhouden door ze te doen. Zie ook: Deut 28:15–68; Ps 119:21; Ezech 18:24; Gal 3:10; Rom 10:5 ## Deuteronomium 28 _Zegen en vloek_ ### De zegen bij gehoorzaamheid **28:1** Wanneer je goed luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim, en al Zijn geboden die ik je vandaag geef, houdt en doet. Dan zal Yahweh, je Elohim, je hoger stellen dan alle volken van de aarde. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | שָׁמ֤וֹעַ (shamoa) = goed luisteren | תִּשְׁמַע֙ (tishma) = je zult luisteren | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹ֤ר (lishmor) = om te houden | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִצְוֺתָ֔יו (mitsvotav) = Zijn geboden | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied je | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וּנְתָ֨נְךָ֜ (unetanekha) = en zal je maken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | עֶלְי֔וֹן (elyon) = hoog | עַ֖ל (al) = boven | כָּל (kal) = alle | גּוֹיֵ֥י (goyei) = volken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk is de zegen (vers 1–14) en de vloek (vers 15–68) bij het verbond. Het loopt parallel met Lev. 26:3–45; vergelijk de beelden en woorden daar. Zie ook: Ex 23:22; Lev 26:3–13; Deut 28:15–68; Jes 1:19; Luc 11:28; Joh 15:14 **28:2** Al deze zegeningen zullen over je komen en je inhalen, wanneer je luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim: Brontekst: וּבָ֧אוּ (uvau) = en zullen komen | עָלֶ֛יךָ (aleikha) = over je | כָּל (kal) = alle | הַבְּרָכ֥וֹת (haberakhot) = de zegeningen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְהִשִּׂיגֻ֑ךָ (vehisigukha) = en zullen je inhalen | כִּ֣י (ki) = wanneer | תִשְׁמַ֔ע (tishma) = je luistert | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:15; Deut 28:45; Zach 1:6; 1 Tim 4:8 **28:3** Gezegend ben je in de stad en gezegend ben je op het veld. Brontekst: בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בָּעִ֑יר (bair) = in de stad | וּבָר֥וּךְ (uvarukh) = en gezegend | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = op het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:12; Gen 39:5; Ps 107:36–37; Ps 144:12–15; Hag 2:19 **28:4** Gezegend is de vrucht van je schoot, de vrucht van je grond en de vrucht van je vee. Dit zijn het jong van je runderen en de jongen van je kleinvee. Brontekst: בָּר֧וּךְ (barukh) = gezegend | פְּרִֽי (peri) = vrucht van | בִטְנְךָ֛ (bitnekha) = je schoot | וּפְרִ֥י (uferi) = en vrucht van | אַדְמָתְךָ֖ (admatekha) = je grond | וּפְרִ֣י (uferi) = en vrucht van | בְהֶמְתֶּ֑ךָ (behemtekha) = je vee | שְׁגַ֥ר (shegar) = jong van | אֲלָפֶ֖יךָ (alafeikha) = je runderen | וְעַשְׁתְּר֥וֹת (veashterot) = en jongen van | צֹאנֶֽךָ (tsonekha) = je kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁגַר (sheger), ‘jong’ van de runderen, en עַשְׁתְּרוֹת (ashterot), ‘jongen’ van het kleinvee: beide woorden betekenen de nakomelingen van het vee. Zo ook in vers 18 en 51. Zie ook: Gen 49:25; Deut 7:13; Deut 28:11; Deut 28:18; Deut 28:51; Ps 128:3; Spr 10:22 **28:5** Gezegend zijn je mand en je baktrog. Brontekst: בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | טַנְאֲךָ֖ (tanakha) = je mand | וּמִשְׁאַרְתֶּֽךָ (umishartekha) = en je baktrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁאֶרֶת (mish’eret), ‘baktrog’: waarin het deeg wordt gekneed (Exod. 12:34). Zie ook: Ex 12:34 **28:6** Gezegend ben je wanneer je binnenkomt en gezegend ben je wanneer je uitgaat. Brontekst: בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בְּבֹאֶ֑ךָ (bevoekha) = bij je binnenkomen | וּבָר֥וּךְ (uvarukh) = en gezegend | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בְּצֵאתֶֽךָ (betsetekha) = bij je uitgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 27:17; Deut 31:2; 2 Sam 3:25; Ps 121:8; 2 Kron 1:10 **28:7** Yahweh zal je vijanden die tegen je opstaan, verslagen laten worden voor je. Langs één weg zullen ze naar je uittrekken en langs zeven wegen zullen ze voor je vluchten. Brontekst: יִתֵּ֨ן (yiten) = zal geven | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבֶ֨יךָ֙ (oyeveikha) = je vijanden | הַקָּמִ֣ים (haqamim) = die opstaan | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = tegen je | נִגָּפִ֖ים (nigafim) = verslagen | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je | בְּדֶ֤רֶךְ (bederekh) = langs weg | אֶחָד֙ (echad) = één | יֵצְא֣וּ (yetseu) = zullen uittrekken | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar je | וּבְשִׁבְעָ֥ה (uveshiva) = en langs zeven | דְרָכִ֖ים (derakhim) = wegen | יָנ֥וּסוּ (yanusu) = zullen vluchten | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:7–8; 2 Sam 22:38–41; Ps 89:24; 2 Kron 19:4; 2 Kron 32:21–22 **28:8** Yahweh zal de zegen gebieden om bij je te zijn, in je voorraadschuren en in alles wat je ter hand neemt. Hij zal je zegenen in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft. Brontekst: יְצַ֨ו (yetsav) = zal gebieden | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אִתְּךָ֙ (itekha) = met je | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרָכָ֔ה (haberakha) = de zegen | בַּאֲסָמֶ֕יךָ (baasameikha) = in je voorraadschuren | וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en in alles | מִשְׁלַ֣ח (mishlach) = uitstrekken van | יָדֶ֑ךָ (yadekha) = je hand | וּבֵ֣רַכְךָ֔ (uverakhkha) = en zal je zegenen | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָֽךְ (lakh) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲסָמִים (asamim), ‘voorraadschuren’: plaatsen waar de oogst wordt bewaard. Zie ook: Lev 26:10; Deut 15:10; Ps 133:3; Spr 3:9–10; Luc 12:18 **28:9** Yahweh zal je voor Zich oprichten als een heilig volk, zoals Hij je gezworen heeft. Dat geldt wanneer je de geboden van Yahweh, je Elohim, houdt en in Zijn wegen wandelt. Brontekst: יְקִֽימְךָ֨ (yeqimekha) = zal oprichten je | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לוֹ֙ (lo) = voor Zich | לְעַ֣ם (leam) = tot volk | קָד֔וֹשׁ (qadosh) = heilig | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | נִֽשְׁבַּֽע (nishba) = Hij zwoer | לָ֑ךְ (lakh) = aan je | כִּ֣י (ki) = want | תִשְׁמֹ֗ר (tishmor) = je houdt | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺת֙ (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | וְהָלַכְתָּ֖ (vehalakhta) = en je wandelt | בִּדְרָכָֽיו (bidrakhav) = in Zijn wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 19:5–6 en Deut. 26:18–19. Zie ook: Ex 19:5–6; Deut 7:6; Deut 13:18; Deut 26:18–19; Tit 2:14 **28:10** Alle volken van de aarde zullen zien dat de naam van Yahweh over je is uitgeroepen, en zij zullen bang voor je zijn. Brontekst: וְרָאוּ֙ (verau) = en zullen zien | כָּל (kal) = alle | עַמֵּ֣י (amei) = volken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כִּ֛י (ki) = dat | שֵׁ֥ם (shem) = naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נִקְרָ֣א (niqra) = is uitgeroepen | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = over je | וְיָֽרְא֖וּ (veyareu) = en zullen vrezen | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De naam van Yahweh is over je uitgeroepen’: de naam wordt over het volk uitgesproken, zoals bij de zegen in Num. 6:27. Zie ook: Num 6:27; Deut 11:25; 2 Kron 7:14; Jer 33:9; Dan 9:18–19 **28:11** Yahweh zal je overvloed geven aan het goede: aan de vrucht van je schoot, de vrucht van je vee en de vrucht van je grond. Dat geldt op de grond die Yahweh aan je vaders gezworen heeft je te geven. Brontekst: וְהוֹתִֽרְךָ֤ (vehotirkha) = en zal doen overvloeien je | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְטוֹבָ֔ה (letova) = tot goed | בִּפְרִ֧י (bifri) = in vrucht van | בִטְנְךָ֛ (bitnekha) = je schoot | וּבִפְרִ֥י (uvifri) = en in vrucht van | בְהַמְתְּךָ֖ (behamtekha) = je vee | וּבִפְרִ֣י (uvifri) = en in vrucht van | אַדְמָתֶ֑ךָ (admatekha) = je grond | עַ֚ל (al) = op | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נִשְׁבַּ֧ע (nishba) = zwoer | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֶ֖יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | לָ֥תֶת (latet) = om te geven | לָֽךְ (lakh) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:9; Deut 28:4; Deut 30:9; Ps 132:11; Spr 10:22 **28:12** Yahweh zal de goede schatkamer voor je openen, de hemel. Hij zal de regen van je land op zijn tijd geven en al het werk van je hand zegenen. Je zult aan veel volken lenen, maar zelf zul je niet lenen. Brontekst: יִפְתַּ֣ח (yiftach) = zal openen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | לְ֠ךָ (lekha) = voor je | אֶת (et) = (obj.) | אוֹצָר֨וֹ (otsaro) = Zijn schatkamer | הַטּ֜וֹב (hatov) = de goede | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | לָתֵ֤ת (latet) = om te geven | מְטַֽר (metar) = regen van | אַרְצְךָ֙ (artsekha) = je land | בְּעִתּ֔וֹ (beito) = op zijn tijd | וּלְבָרֵ֕ךְ (ulevarekh) = en om te zegenen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | יָדֶ֑ךָ (yadekha) = je hand | וְהִלְוִ֨יתָ֙ (vehilvita) = en je zult lenen | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | לֹ֥א (lo) = niet | תִלְוֶֽה (tilve) = zult lenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹצָר (otsar), ‘schatkamer’: hier de hemel, waaruit de regen komt. Zie ook Deut. 15:6. Zie ook: Lev 26:4; Deut 11:14; Deut 15:6; Deut 15:10; Joël 2:23–24 **28:13** Yahweh zal je tot het hoofd maken en niet tot de staart. Je zult alleen omhoog zijn en niet omlaag, wanneer je luistert naar de geboden van Yahweh, je Elohim, die ik je vandaag geef. Je moet ze houden en doen. Brontekst: וּנְתָֽנְךָ֨ (unetanekha) = en zal je maken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לְרֹאשׁ֙ (lerosh) = tot hoofd | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לְזָנָ֔ב (lezanav) = tot staart | וְהָיִ֨יתָ֙ (vehayita) = en je zult zijn | רַ֣ק (raq) = alleen | לְמַ֔עְלָה (lemala) = omhoog | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִהְיֶ֖ה (tihye) = je zult zijn | לְמָ֑טָּה (lemata) = omlaag | כִּֽי (ki) = wanneer | תִשְׁמַ֞ע (tishma) = je luistert | אֶל (el) = naar | מִצְוֺ֣ת (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָנֹכִ֧י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֛ (metsavekha) = gebied je | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | לִשְׁמֹ֥ר (lishmor) = om te houden | וְלַעֲשֽׂוֹת (velaasot) = en te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 24:18–19; Deut 4:6–9; Deut 28:1; Jes 9:13–14; Fil 1:27 **28:14** Je mag niet afwijken van alle woorden die ik je vandaag gebied, naar rechts of naar links. Je mag andere goden niet achterna gaan en ze niet dienen. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָס֗וּר (tasur) = je zult afwijken | מִכָּל (mikal) = van alle | הַדְּבָרִים֙ (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָנֹכִ֜י (anokhi) = ik | מְצַוֶּ֥ה (metsave) = gebied | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | יָמִ֣ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹ֑אול (usemovl) = en links | לָלֶ֗כֶת (lalekhet) = om te gaan | אַחֲרֵ֛י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | לְעָבְדָֽם (leavedam) = om hen te dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:32; Deut 11:16; Spr 4:26–27; 2 Kon 22:2; Jes 30:21 ### De vloek bij ongehoorzaamheid **28:15** Maar als je niet luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim. En als je niet al Zijn geboden en voorschriften, die ik je vandaag geef, houdt en doet. Dan zullen al deze vloeken over je komen en je inhalen: Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | תִשְׁמַע֙ (tishma) = je luistert | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹ֤ר (lishmor) = om te houden | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִצְוֺתָ֣יו (mitsvotav) = Zijn geboden | וְחֻקֹּתָ֔יו (vechuqotav) = en Zijn voorschriften | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied je | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וּבָ֧אוּ (uvau) = en zullen komen | עָלֶ֛יךָ (aleikha) = over je | כָּל (kal) = alle | הַקְּלָל֥וֹת (haqelalot) = de vloeken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְהִשִּׂיגֽוּךָ (vehisigukha) = en zullen je inhalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier loopt de vloek parallel met Lev. 26:14–39: tering en koorts (Lev. 26:16), vluchten voor de vijanden (Lev. 26:17), een hemel van ijzer (Lev. 26:19), het zwaard (Lev. 26:25), het eten van het vlees van de zonen (Lev. 26:29) en de verstrooiing onder de volken (Lev. 26:33). Zie ook: Lev 26:14–39; Lev 26:16; Lev 26:17; Lev 26:19; Lev 26:25; Lev 26:29; Lev 26:33; Deut 28:2; Klaagl 2:17; Dan 9:11–13; Mal 2:2; Rom 2:8–9 **28:16** Vervloekt ben je in de stad en vervloekt ben je op het veld. Brontekst: אָר֥וּר (arur) = vervloekt | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בָּעִ֑יר (bair) = in de stad | וְאָר֥וּר (vearur) = en vervloekt | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = op het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joël 1:4; Joël 2:3; Jer 14:2–5; Jer 44:22; Mal 3:9–12 **28:17** Vervloekt zijn je mand en je baktrog. Brontekst: אָר֥וּר (arur) = vervloekt | טַנְאֲךָ֖ (tanakha) = je mand | וּמִשְׁאַרְתֶּֽךָ (umishartekha) = en je baktrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:5; Hag 1:6; Zach 5:3–4; Mal 2:2; Luc 16:25 **28:18** Vervloekt is de vrucht van je schoot en de vrucht van je grond, het jong van je runderen en de jongen van je kleinvee. Brontekst: אָר֥וּר (arur) = vervloekt | פְּרִֽי (peri) = vrucht van | בִטְנְךָ֖ (bitnekha) = je schoot | וּפְרִ֣י (uferi) = en vrucht van | אַדְמָתֶ֑ךָ (admatekha) = je grond | שְׁגַ֥ר (shegar) = jong van | אֲלָפֶ֖יךָ (alafeikha) = je runderen | וְעַשְׁתְּר֥וֹת (veashterot) = en jongen van | צֹאנֶֽךָ (tsonekha) = je kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:26; Deut 5:9; Deut 28:4; Hab 3:17; Klaagl 2:20 **28:19** Vervloekt ben je wanneer je binnenkomt en vervloekt ben je wanneer je uitgaat. Brontekst: אָר֥וּר (arur) = vervloekt | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בְּבֹאֶ֑ךָ (bevoekha) = bij je binnenkomen | וְאָר֥וּר (vearur) = en vervloekt | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בְּצֵאתֶֽךָ (betsetekha) = bij je uitgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:6; Re 5:6–7; 2 Kron 15:5 ### Ziekte, droogte en nederlaag **28:20** Yahweh zal de vloek, de verwarring en de bestraffing op je loslaten, in alles wat je ter hand neemt en doet. Dit duurt tot je verdelgd bent en snel omkomt. Dat komt door de slechtheid van je daden, waarmee je Mij verlaten hebt. Brontekst: יְשַׁלַּ֣ח (yeshalach) = zal zenden | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | בְּ֠ךָ (bekha) = in je | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּאֵרָ֤ה (hameera) = de vloek | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּהוּמָה֙ (hamehuma) = de verwarring | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּגְעֶ֔רֶת (hamigeret) = de bestraffing | בְּכָל (bekhal) = in alles | מִשְׁלַ֥ח (mishlach) = uitstrekken van | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תַּעֲשֶׂ֑ה (taase) = je doet | עַ֣ד (ad) = tot | הִשָּֽׁמֶדְךָ֤ (hishamedkha) = je verdelging | וְעַד (vead) = en tot | אֲבָדְךָ֙ (avadekha) = je ondergang | מַהֵ֔ר (maher) = snel | מִפְּנֵ֛י (mipenei) = vanwege | רֹ֥עַ (roa) = slechtheid van | מַֽעֲלָלֶ֖יךָ (maalaleikha) = je daden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | עֲזַבְתָּֽנִי (azavtani) = je Mij verliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאֵרָה (me’erah), ‘vloek’; מְהוּמָה (mehumah), ‘verwarring’; מִגְעֶרֶת (mig’eret), ‘bestraffing’. Voetnoot Lezing: Hier gaat de spreker over van Mozes naar Yahweh: ‘waarmee je Mij verlaten hebt’ (עֲזַבְתָּנִי, azavtani). Wij volgen de Masoretische tekst en schrijven ‘Mij’ met een hoofdletter. Zie ook: Deut 4:26; Jes 51:20; Jes 66:15; Mal 2:2; Joh 3:36 **28:21** Yahweh zal de pest aan je laten kleven. Dat duurt tot Hij je volledig weggenomen heeft van de grond die je ingaat om hem in bezit te nemen. Brontekst: יַדְבֵּ֧ק (yadbeq) = zal laten kleven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּךָ֖ (bekha) = aan je | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֑בֶר (hadaver) = de pest | עַ֚ד (ad) = tot | כַּלֹּת֣וֹ (kaloto) = zijn volledig wegnemen | אֹֽתְךָ֔ (otekha) = je | מֵעַל֙ (meal) = van op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָא (ba) = komt | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich verspreidt; zie ook Lev. 26:25. Zie ook: Lev 26:25; Num 14:12; Jer 15:2; Jer 16:4; Jer 24:10 **28:22** Yahweh zal je slaan met tering, koorts, ontsteking, gloeiende hitte, zwaard, korenbrand en meeldauw. Zij zullen je achtervolgen tot je omkomt. Brontekst: יַכְּכָ֣ה (yakekha) = zal slaan | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | בַּשַּׁחֶ֨פֶת (bashachefet) = met tering | וּבַקַּדַּ֜חַת (uvaqadachat) = en met koorts | וּבַדַּלֶּ֗קֶת (uvadaleqet) = en met ontsteking | וּבַֽחַרְחֻר֙ (uvacharchur) = en met gloeiende hitte | וּבַחֶ֔רֶב (uvacherev) = en met zwaard | וּבַשִּׁדָּפ֖וֹן (uvashidafon) = en met korenbrand | וּבַיֵּרָק֑וֹן (uvayeraqon) = en met meeldauw | וּרְדָפ֖וּךָ (uredafukha) = en zullen achtervolgen je | עַ֥ד (ad) = tot | אָבְדֶֽךָ (avedekha) = je ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁחֶפֶת (shachefet), ‘tering’, en קַדַּחַת (qaddachat), ‘koorts’: zoals in Lev. 26:16. דַּלֶּקֶת (dalleqet), ‘ontsteking’; חַרְחֻר (charchur), ‘gloeiende hitte’. שִׁדָּפוֹן (shiddafon) is ‘korenbrand’, het verschroeien van het graan, en יֵרָקוֹן (yeraqon) is ‘meeldauw’, de bleke verkleuring van het gewas; de precieze betekenis van beide woorden is niet helemaal zeker. Voetnoot Lezing: בֶּחָרֶב (bechereb) lezen wij als ‘met zwaard’, zoals in Lev. 26:25. Met andere klinkers kan het woord ‘droogte’ betekenen (בֶּחֳרֶב). Zie ook: Lev 26:16; Lev 26:25; 1 Kon 8:37; Amos 4:9; Jer 14:12; Hag 2:17 **28:23** De hemel boven je hoofd zal koper zijn en het land onder je ijzer. Brontekst: וְהָי֥וּ (vehayu) = en zullen zijn | שָׁמֶ֛יךָ (shameikha) = je hemelen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = boven | רֹאשְׁךָ֖ (roshkha) = je hoofd | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | תַּחְתֶּ֖יךָ (tachteikha) = onder je | בַּרְזֶֽל (barzel) = ijzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 26:19: daar is de hemel van ijzer en het land van koper. Hier is het omgekeerd. Zie ook: Lev 26:19; 1 Kon 17:1; 1 Kon 18:2; Amos 4:7; Jer 14:1–6 **28:24** Yahweh zal van de regen van je land stof en zand maken. Uit de hemel zal het op je neerdalen, tot je verdelgd bent. Brontekst: יִתֵּ֧ן (yiten) = zal geven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מְטַ֥ר (metar) = regen van | אַרְצְךָ֖ (artsekha) = je land | אָבָ֣ק (avaq) = stof | וְעָפָ֑ר (veafar) = en zand | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | יֵרֵ֣ד (yered) = zal neerdalen | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = op je | עַ֖ד (ad) = tot | הִשָּׁמְדָֽךְ (hishamedakh) = je verdelging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:24; Job 18:15–21; Deut 28:12; Amos 4:11; Jes 5:24 **28:25** Yahweh zal je verslagen laten worden voor je vijanden. Langs één weg zul je naar hen uittrekken en langs zeven wegen zul je voor hen vluchten. Je zult een schrikbeeld worden voor alle koninkrijken van de aarde. Brontekst: יִתֶּנְךָ֨ (yitenkha) = zal je geven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | נִגָּף֮ (nigaf) = verslagen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אֹיְבֶיךָ֒ (oyeveikha) = je vijanden | בְּדֶ֤רֶךְ (bederekh) = langs weg | אֶחָד֙ (echad) = één | תֵּצֵ֣א (tetse) = je zult uittrekken | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | וּבְשִׁבְעָ֥ה (uveshiva) = en langs zeven | דְרָכִ֖ים (derakhim) = wegen | תָּנ֣וּס (tanus) = je zult vluchten | לְפָנָ֑יו (lefanav) = voor hem | וְהָיִ֣יתָ (vehayita) = en je zult worden | לְזַעֲוָ֔ה (lezaava) = tot schrikbeeld | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | מַמְלְכ֥וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:7; Deut 32:30; Jes 30:17; Jer 24:9; Ezech 23:46 **28:26** Je lijk zal voedsel zijn voor alle vogels van de hemel en voor de dieren van de aarde, en niemand zal ze wegjagen. Brontekst: וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | נִבְלָֽתְךָ֙ (nivlatekha) = je lijk | לְמַאֲכָ֔ל (lemaakhal) = tot voedsel | לְכָל (lekhal) = voor alle | ע֥וֹף (of) = vogels van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְבֶהֱמַ֣ת (ulevehemat) = en voor dier van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְאֵ֖ין (veein) = en niet is | מַחֲרִֽיד (macharid) = wie wegjaagt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 7:33; Jer 8:1; Jer 16:4; Jer 19:7; Jer 34:20 **28:27** Yahweh zal je slaan met de zweer van Egypte, met gezwellen, schurft en jeuk, waarvan je niet genezen kunt worden. Brontekst: יַכְּכָ֨ה (yakekha) = zal slaan | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בִּשְׁחִ֤ין (bishchin) = met zweer van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | וּבַטְּחֹרִ֔ים (uvatechorim) = en met gezwellen | וּבַגָּרָ֖ב (uvagarav) = en met schurft | וּבֶחָ֑רֶס (uvechares) = en met jeuk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תוּכַ֖ל (tukhal) = je kunt | לְהֵרָפֵֽא (leherafe) = genezen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שְׁחִין מִצְרַיִם (shechin mitsrayim), ‘de zweer van Egypte’: de ziekte uit Exod. 9:9–11. טְחֹרִים (techorim) zijn ‘gezwellen’; גָּרָב (garav), ‘schurft’, en חֶרֶס (cheres), ‘jeuk’; de betekenis van enkele van deze woorden is niet helemaal zeker. Zie ook: Ex 9:9; Ex 15:26; Lev 21:20; Deut 28:35; 1 Sam 5:6 **28:28** Yahweh zal je slaan met waanzin, blindheid en verbijstering van het hart. Brontekst: יַכְּכָ֣ה (yakekha) = zal slaan | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשִׁגָּע֖וֹן (beshigaon) = met waanzin | וּבְעִוָּר֑וֹן (uveivaron) = en met blindheid | וּבְתִמְה֖וֹן (uvetimhon) = en met verbijstering van | לֵבָֽב (levav) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 16:14; Jes 6:9–10; Jes 19:11–17; Jer 4:9; 2 Tess 2:9–11 **28:29** Je zult op de middag rondtasten zoals een blinde rondtast in het donker, en je wegen zullen niet slagen. Je zult alle dagen alleen maar onderdrukt en beroofd worden, en er is niemand die redt. Brontekst: וְהָיִ֜יתָ (vehayita) = en je zult zijn | מְמַשֵּׁ֣שׁ (memashesh) = rondtastend | בַּֽצָּהֳרַ֗יִם (batsahorayim) = op de middag | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יְמַשֵּׁ֤שׁ (yemashesh) = rondtast | הָעִוֵּר֙ (haiver) = de blinde | בָּאֲפֵלָ֔ה (baafela) = in het donker | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַצְלִ֖יחַ (tatsliach) = zul je doen slagen | אֶת (et) = (obj.) | דְּרָכֶ֑יךָ (derakheikha) = je wegen | וְהָיִ֜יתָ (vehayita) = en je zult zijn | אַ֣ךְ (akh) = alleen maar | עָשׁ֧וּק (ashuq) = onderdrukt | וְגָז֛וּל (vegazul) = en beroofd | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מוֹשִֽׁיעַ (moshia) = redder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשׁוּק (ashuq), ‘onderdrukt’, en גָּזוּל (gazul), ‘beroofd’. Zie ook: Job 5:14; Re 3:14; Re 6:1–6; Re 13:1; Jes 59:10 ### Verlies van alles wat je opbouwt **28:30** Je zult je verloven met een vrouw, maar een andere man zal bij haar liggen. Je zult een huis bouwen, maar er niet in wonen. Je zult een wijngaard planten, maar hem niet in gebruik nemen. Brontekst: אִשָּׁ֣ה (isha) = vrouw | תְאָרֵ֗שׂ (teares) = je verloft | וְאִ֤ישׁ (veish) = en man | אַחֵר֙ (acher) = andere | יִשְׁכָּבֶ֔נָּה (yishkavena) = zal liggen met haar | בַּ֥יִת (bayit) = huis | תִּבְנֶ֖ה (tivne) = je bouwt | וְלֹא (velo) = en niet | תֵשֵׁ֣ב (teshev) = je zult wonen | בּ֑וֹ (bo) = erin | כֶּ֥רֶם (kerem) = wijngaard | תִּטַּ֖ע (tita) = je plant | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תְחַלְּלֶּֽנּוּ (techalelenu) = je zult het in gebruik nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִלֵּל (chillel), ‘in gebruik nemen’: de vrucht van een nieuwe wijngaard werd pas na enkele jaren vrijgegeven (Deut. 20:6; Lev. 19:23–25). Wie de wijngaard plant, mag er dus niet eens van eten. Zie ook: Job 31:10; Lev 19:23–25; Deut 20:6; Amos 5:11; Jes 5:9–10; Jer 8:10; Klaagl 5:2 **28:31** Je stier wordt voor je ogen geslacht, maar je zult er niet van eten. Je ezel wordt voor je gezicht geroofd en komt niet bij je terug. Je kleinvee wordt aan je vijanden gegeven, en er is niemand die je redt. Brontekst: שׁוֹרְךָ֞ (shorekha) = je stier | טָב֣וּחַ (tavuach) = geslacht | לְעֵינֶ֗יךָ (leeineikha) = voor je ogen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תֹאכַל֮ (tokhal) = je zult eten | מִמֶּנּוּ֒ (mimenu) = ervan | חֲמֹֽרְךָ֙ (chamorekha) = je ezel | גָּז֣וּל (gazul) = geroofd | מִלְּפָנֶ֔יךָ (milefaneikha) = van voor je | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָשׁ֖וּב (yashuv) = zal terugkeren | לָ֑ךְ (lakh) = naar je | צֹֽאנְךָ֙ (tsonkha) = je kleinvee | נְתֻנ֣וֹת (netunot) = gegeven | לְאֹיְבֶ֔יךָ (leoyeveikha) = aan je vijanden | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | לְךָ֖ (lekha) = voor je | מוֹשִֽׁיעַ (moshia) = redder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:14–15; Re 6:1 **28:32** Je zonen en je dochters worden aan een ander volk gegeven. Je ogen zien het en smachten de hele dag naar hen, maar je hand heeft geen kracht. Brontekst: בָּנֶ֨יךָ (baneikha) = je zonen | וּבְנֹתֶ֜יךָ (uvenoteikha) = en je dochters | נְתֻנִ֨ים (netunim) = gegeven | לְעַ֤ם (leam) = aan volk | אַחֵר֙ (acher) = ander | וְעֵינֶ֣יךָ (veeineikha) = en je ogen | רֹא֔וֹת (root) = zien | וְכָל֥וֹת (vekhalot) = en smachten | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = naar hen | כָּל (kal) = alle | הַיּ֑וֹם (hayom) = de dag | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | לְאֵ֖ל (leel) = tot God | יָדֶֽךָ (yadekha) = je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵין לְאֵל יָדֶךָ (ein le’el yadekha), letterlijk ‘er is niet tot God je hand’: een uitdrukking voor ‘je hand heeft geen kracht’. Zie ook Gen. 31:29. Zie ook: Gen 31:29; Job 17:5; Deut 28:41; Deut 28:65; 2 Kron 29:9; Joël 4:6 **28:33** De vrucht van je grond en al je zwoegen zal een volk eten dat je niet kent. Je zult alle dagen alleen maar onderdrukt en verpletterd worden. Brontekst: פְּרִ֤י (peri) = vrucht van | אַדְמָֽתְךָ֙ (admatekha) = je grond | וְכָל (vekhal) = en al | יְגִ֣יעֲךָ֔ (yegiakha) = je zwoegen | יֹאכַ֥ל (yokhal) = zal eten | עַ֖ם (am) = volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָדָ֑עְתָּ (yadata) = je kent | וְהָיִ֗יתָ (vehayita) = en je zult zijn | רַ֛ק (raq) = alleen maar | עָשׁ֥וּק (ashuq) = onderdrukt | וְרָצ֖וּץ (veratsuts) = en verpletterd | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:16; Deut 28:51; Jer 5:17; Jer 8:16; Neh 9:36–37 **28:34** Je zult gek worden van wat je ogen zien. Brontekst: וְהָיִ֖יתָ (vehayita) = en je zult zijn | מְשֻׁגָּ֑ע (meshuga) = waanzinnig | מִמַּרְאֵ֥ה (mimare) = van het zicht van | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תִּרְאֶֽה (tire) = je ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:28; Deut 28:68; Jes 33:14; Jer 25:15–16; Openb 16:10–11 **28:35** Yahweh zal je slaan met een kwaadaardige zweer op je knieën en je schenen, waarvan je niet genezen kunt worden. Dit gaat van je voetzool tot je kruin. Brontekst: יַכְּכָ֨ה (yakekha) = zal slaan | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בִּשְׁחִ֣ין (bishchin) = met zweer | רָ֗ע (ra) = kwaadaardig | עַל (al) = op | הַבִּרְכַּ֨יִם֙ (habirkayim) = de knieën | וְעַל (veal) = en op | הַשֹּׁקַ֔יִם (hashoqayim) = de schenen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תוּכַ֖ל (tukhal) = je kunt | לְהֵרָפֵ֑א (leherafe) = genezen worden | מִכַּ֥ף (mikaf) = van de zool van | רַגְלְךָ֖ (raglekha) = je voet | וְעַ֥ד (vead) = en tot | קָדְקֳדֶֽךָ (qadeqodekha) = je kruin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:6–7; Deut 28:27; Jes 1:6; Jes 3:17; Jes 3:24 ### Ballingschap onder de volken **28:36** Yahweh zal jou en de koning die je over je hebt aangesteld, wegvoeren naar een volk dat jij en je vaders niet gekend hebben. Daar zul je andere goden dienen, van hout en steen. Brontekst: יוֹלֵ֨ךְ (yolekh) = zal leiden | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֹֽתְךָ֗ (otekha) = je | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | מַלְכְּךָ֙ (malkekha) = je koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תָּקִ֣ים (taqim) = je zult aanstellen | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = over je | אֶל (el) = naar | גּ֕וֹי (goy) = volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָדַ֖עְתָּ (yadata) = je kent | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וַאֲבֹתֶ֑יךָ (vaavoteikha) = en je vaders | וְעָבַ֥דְתָּ (veavadta) = en je zult dienen | שָּׁ֛ם (sham) = daar | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | עֵ֥ץ (ets) = hout | וָאָֽבֶן (vaaven) = en steen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook vers 64, waar dezelfde woorden ‘hout en steen’ staan. Zie ook: Deut 4:28; Deut 28:64; 2 Kon 25:11; 2 Kron 36:6; 2 Kron 36:20; Jer 16:13 **28:37** Je zult een ontzetting worden, een spreekwoord en een bijtend woord onder alle volken waarheen Yahweh je drijft. Brontekst: וְהָיִ֣יתָ (vehayita) = en je zult worden | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot ontzetting | לְמָשָׁ֖ל (lemashal) = tot spreekwoord | וְלִשְׁנִינָ֑ה (velishnina) = en tot bijtend woord | בְּכֹל֙ (bekhol) = onder alle | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | יְנַהֶגְךָ֥ (yenahegkha) = drijft je | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’: iets waarvoor men schrikt. שְׁנִינָה (sheninah), ‘bijtend woord’: een scherpe spot. Zie ook: Ps 44:14–15; 1 Kon 9:7–8; 2 Kron 7:20; Jer 24:9; Jer 25:9 **28:38** Veel zaad zul je naar het veld brengen, maar weinig zul je binnenhalen, want de sprinkhaan zal het afvreten. Brontekst: זֶ֥רַע (zera) = zaad | רַ֖ב (rav) = veel | תּוֹצִ֣יא (totsi) = je zult uitbrengen | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = naar het veld | וּמְעַ֣ט (umeat) = en weinig | תֶּאֱסֹ֔ף (teesof) = je zult inzamelen | כִּ֥י (ki) = want | יַחְסְלֶ֖נּוּ (yachselenu) = zal het afvreten | הָאַרְבֶּֽה (haarbe) = de sprinkhaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joël 1:4; Joël 2:25; Amos 4:9; Mi 6:15; Hag 1:6 **28:39** Wijngaarden zul je planten en bewerken, maar wijn zul je niet drinken en niet inzamelen, want de worm zal ze opeten. Brontekst: כְּרָמִ֥ים (keramim) = wijngaarden | תִּטַּ֖ע (tita) = je zult planten | וְעָבָ֑דְתָּ (veavadta) = en bewerken | וְיַ֤יִן (veyayin) = en wijn | לֹֽא (lo) = niet | תִשְׁתֶּה֙ (tishte) = je zult drinken | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תֶאֱגֹ֔ר (teegor) = je zult inzamelen | כִּ֥י (ki) = want | תֹאכְלֶ֖נּוּ (tokhlenu) = zal het eten | הַתֹּלָֽעַת (hatolaat) = de worm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joël 1:4–7; Joël 2:2–4; Jona 4:7; Jes 5:10; Jes 17:10–11 **28:40** Olijfbomen zul je hebben in heel je gebied, maar met olie zul je je niet zalven, want je olijven vallen af. Brontekst: זֵיתִ֛ים (zeitim) = olijfbomen | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor je | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּבוּלֶ֑ךָ (gevulekha) = je gebied | וְשֶׁ֨מֶן֙ (veshemen) = en olie | לֹ֣א (lo) = niet | תָס֔וּךְ (tasukh) = je zult zalven | כִּ֥י (ki) = want | יִשַּׁ֖ל (yishal) = zal afvallen | זֵיתֶֽךָ (zeitekha) = je olijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 23:5; Ps 104:15; Mi 6:15 **28:41** Zonen en dochters zul je krijgen, maar zij zullen niet van jou blijven, want zij gaan in gevangenschap. Brontekst: בָּנִ֥ים (banim) = zonen | וּבָנ֖וֹת (uvanot) = en dochters | תּוֹלִ֑יד (tolid) = je zult krijgen | וְלֹא (velo) = en niet | יִהְי֣וּ (yihyu) = zullen zijn | לָ֔ךְ (lakh) = voor je | כִּ֥י (ki) = want | יֵלְכ֖וּ (yelekhu) = zullen gaan | בַּשֶּֽׁבִי (bashevi) = in gevangenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:32; 2 Kon 24:14; Klaagl 1:5 **28:42** Al je bomen en de vrucht van je grond zal het gonzende ongedierte in bezit nemen. Brontekst: כָּל (kal) = al | עֵצְךָ֖ (etsekha) = je bomen | וּפְרִ֣י (uferi) = en vrucht van | אַדְמָתֶ֑ךָ (admatekha) = je grond | יְיָרֵ֖שׁ (yeyaresh) = zal in bezit nemen | הַצְּלָצַֽל (hatselatsal) = het gonzende ongedierte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְלָצַל (tselatsal), ‘gonzend ongedierte’: een insect dat in zwermen komt, mogelijk een soort sprinkhaan of krekel; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Deut 28:38–39; Amos 7:1–2 **28:43** De vreemdeling in je midden zal steeds hoger boven je komen, en jij zult steeds lager zakken. Brontekst: הַגֵּר֙ (hager) = de vreemdeling | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּקִרְבְּךָ֔ (beqirbekha) = in je midden | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = zal opkomen | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = boven je | מַ֣עְלָה (mala) = omhoog | מָּ֑עְלָה (maela) = omhoog | וְאַתָּ֥ה (veata) = en jij | תֵרֵ֖ד (tered) = zult dalen | מַ֥טָּה (mata) = omlaag | מָּֽטָּה (mata) = omlaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:13; Re 2:11–15; Re 10:7–10; 1 Sam 13:19–23; 2 Kon 17:23 **28:44** Hij zal aan jou lenen, maar jij zult niet aan hem lenen. Hij zal het hoofd zijn en jij de staart. Brontekst: ה֣וּא (hu) = hij | יַלְוְךָ֔ (yalvekha) = zal lenen aan je | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | לֹ֣א (lo) = niet | תַלְוֶ֑נּוּ (talvenu) = zult lenen aan hem | ה֚וּא (hu) = hij | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לְרֹ֔אשׁ (lerosh) = tot hoofd | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | תִּֽהְיֶ֥ה (tihye) = zult zijn | לְזָנָֽב (lezanav) = tot staart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:12–13; Klaagl 1:5 **28:45** Al deze vloeken zullen over je komen, je achtervolgen en je inhalen, tot je verdelgd bent. Want je hebt niet geluisterd naar de stem van Yahweh, je Elohim, om Zijn geboden en voorschriften te houden die Hij je geboden heeft. Brontekst: וּבָ֨אוּ (uvau) = en zullen komen | עָלֶ֜יךָ (aleikha) = over je | כָּל (kal) = alle | הַקְּלָל֣וֹת (haqelalot) = de vloeken | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | וּרְדָפ֨וּךָ֙ (uredafukha) = en zullen je achtervolgen | וְהִשִּׂיג֔וּךָ (vehisigukha) = en zullen je inhalen | עַ֖ד (ad) = tot | הִשָּֽׁמְדָ֑ךְ (hishamedakh) = je verdelging | כִּי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמַ֗עְתָּ (shamata) = je luisterde | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹ֛ר (lishmor) = om te houden | מִצְוֺתָ֥יו (mitsvotav) = Zijn geboden | וְחֻקֹּתָ֖יו (vechuqotav) = en Zijn voorschriften | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּֽךְ (tsivakh) = Hij je gebood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:15; Jes 1:20; Jer 7:22–25; Jer 24:9–10; Klaagl 2:15–17 **28:46** Zij zullen een teken en een wonder zijn aan jou en aan je nageslacht, voor altijd. Brontekst: וְהָי֣וּ (vehayu) = en zullen zijn | בְךָ֔ (bekha) = in je | לְא֖וֹת (leot) = tot teken | וּלְמוֹפֵ֑ת (ulemofet) = en tot wonder | וּֽבְזַרְעֲךָ֖ (uvezarakha) = en in je nageslacht | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:37; Deut 29:27; Jes 8:18; Jer 25:18; Ezech 14:8 ### Een vijand van ver **28:47** Omdat je Yahweh, je Elohim, niet gediend hebt met vreugde en met een blij hart, bij overvloed van alles, Brontekst: תַּ֗חַת (tachat) = in plaats van | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | עָבַ֨דְתָּ֙ (avadta) = je diende | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּשִׂמְחָ֖ה (besimcha) = met vreugde | וּבְט֣וּב (uvetuv) = en met goedheid van | לֵבָ֑ב (levav) = hart | מֵרֹ֖ב (merov) = uit overvloed van | כֹּֽל (kol) = alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:7–12; Deut 16:11; Deut 32:13–15; Neh 9:35–37; 1 Tim 6:17–19 **28:48** zul je je vijanden dienen die Yahweh tegen je zal sturen, in honger, in dorst, in naaktheid en in gebrek aan alles. Hij zal een ijzeren juk op je nek leggen, tot Hij je verdelgd heeft. Brontekst: וְעָבַדְתָּ֣ (veavadta) = en je zult dienen | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבֶ֗יךָ (oyeveikha) = je vijanden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יְשַׁלְּחֶ֤נּוּ (yeshalechenu) = zal zenden hen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּ֔ךְ (bakh) = tegen je | בְּרָעָ֧ב (beraav) = in honger | וּבְצָמָ֛א (uvetsama) = en in dorst | וּבְעֵירֹ֖ם (uveeirom) = en in naaktheid | וּבְחֹ֣סֶר (uvechoser) = en in gebrek aan | כֹּ֑ל (kol) = alles | וְנָתַ֞ן (venatan) = en zal leggen | עֹ֤ל (ol) = juk van | בַּרְזֶל֙ (barzel) = ijzer | עַל (al) = op | צַוָּארֶ֔ךָ (tsavarekha) = je nek | עַ֥ד (ad) = tot | הִשְׁמִיד֖וֹ (hishmido) = zijn verdelgen | אֹתָֽךְ (otakh) = je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 28:13–14; Jer 44:22; Jer 44:27; Ezech 17:12; Neh 9:35–37 **28:49** Yahweh zal van ver een volk tegen je opheffen, van het einde van de aarde, zoals een arend neerstrijkt. Dat is een volk wiens taal je niet verstaat, Brontekst: יִשָּׂ֣א (yisa) = zal opheffen | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | עָלֶ֨יךָ (aleikha) = tegen je | גּ֤וֹי (goy) = volk | מֵרָחוֹק֙ (merachoq) = van ver | מִקְצֵ֣ה (miqtse) = van het einde van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | יִדְאֶ֖ה (yide) = neerstrijkt | הַנָּ֑שֶׁר (hanasher) = de arend | גּ֕וֹי (goy) = volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | תִשְׁמַ֖ע (tishma) = je verstaat | לְשֹׁנֽוֹ (leshono) = zijn taal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 8:1; Jer 5:15–17; Jer 48:40; Jer 49:22; Klaagl 4:19 **28:50** een volk met een onverbiddelijk gezicht, dat geen ontzag heeft voor een oude en geen gunst bewijst aan een jongen. Brontekst: גּ֖וֹי (goy) = volk | עַ֣ז (az) = onverbiddelijk van | פָּנִ֑ים (panim) = gezicht | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יִשָּׂ֤א (yisa) = zal verheffen | פָנִים֙ (panim) = gezicht | לְזָקֵ֔ן (lezaqen) = voor een oude | וְנַ֖עַר (venaar) = en jongen | לֹ֥א (lo) = niet | יָחֹֽן (yachon) = zal gunst bewijzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 7:13; Pred 8:1; 2 Kron 36:17; Jes 47:6; Luc 21:23–24 **28:51** Het zal de vrucht van je vee en de vrucht van je grond opeten, tot je verdelgd bent. Het laat je geen graan, nieuwe wijn of olie over, geen jong van je runderen en geen jongen van je kleinvee. Dat duurt tot het je heeft laten omkomen. Brontekst: וְ֠אָכַל (veakhal) = en zal eten | פְּרִ֨י (peri) = vrucht van | בְהֶמְתְּךָ֥ (behemtekha) = je vee | וּפְרִֽי (uferi) = en vrucht van | אַדְמָתְךָ֮ (admatekha) = je grond | עַ֣ד (ad) = tot | הִשָּֽׁמְדָךְ֒ (hishamedakh) = je verdelging | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יַשְׁאִ֜יר (yashir) = zal overlaten | לְךָ֗ (lekha) = aan je | דָּגָן֙ (dagan) = graan | תִּיר֣וֹשׁ (tirosh) = nieuwe wijn | וְיִצְהָ֔ר (veyitshar) = en olie | שְׁגַ֥ר (shegar) = jong van | אֲלָפֶ֖יךָ (alafeikha) = je runderen | וְעַשְׁתְּרֹ֣ת (veashterot) = en jongen van | צֹאנֶ֑ךָ (tsonekha) = je kleinvee | עַ֥ד (ad) = tot | הַאֲבִיד֖וֹ (haavido) = zijn laten omkomen | אֹתָֽךְ (otakh) = je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:33; Jes 62:8; Jer 15:13; Jer 17:3; Hab 3:16–17 **28:52** Het zal je benauwen in al je poorten, tot je hoge en versterkte muren, waarop je vertrouwt, in heel je land vallen. Het zal je benauwen in al je poorten, in heel het land dat Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft. Brontekst: וְהֵצַ֨ר (vehetsar) = en zal benauwen | לְךָ֜ (lekha) = je | בְּכָל (bekhal) = in al | שְׁעָרֶ֗יךָ (sheareikha) = je poorten | עַ֣ד (ad) = tot | רֶ֤דֶת (redet) = het vallen van | חֹמֹתֶ֨יךָ֙ (chomoteikha) = je muren | הַגְּבֹה֣וֹת (hagevohot) = de hoge | וְהַבְּצֻר֔וֹת (vehabetsurot) = en de versterkte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | אַתָּ֛ה (ata) = jij | בֹּטֵ֥חַ (boteach) = vertrouwt | בָּהֵ֖ן (bahen) = op hen | בְּכָל (bekhal) = in heel | אַרְצֶ֑ךָ (artsekha) = je land | וְהֵצַ֤ר (vehetsar) = en zal benauwen | לְךָ֙ (lekha) = je | בְּכָל (bekhal) = in al | שְׁעָרֶ֔יךָ (sheareikha) = je poorten | בְּכָ֨ל (bekhal) = in heel | אַרְצְךָ֔ (artsekha) = je land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֛ן (natan) = gaf | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לָֽךְ (lakh) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁעָרִים (she’arim), ‘poorten’: de poorten van de steden, dus de steden zelf. Wij houden ‘poorten’ omdat het woord in vers 52–57 steeds terugkomt. Zie ook: 2 Kon 25:1–4; Jes 1:7; Jer 21:4–7; Dan 9:26; Zach 12:2 ### Honger in de belegering **28:53** Je zult de vrucht van je schoot eten, het vlees van je zonen en je dochters die Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft. Dat gebeurt in de belegering en in de benauwdheid waarmee je vijand je benauwt. Brontekst: וְאָכַלְתָּ֣ (veakhalta) = en je zult eten | פְרִֽי (peri) = vrucht van | בִטְנְךָ֗ (bitnekha) = je schoot | בְּשַׂ֤ר (besar) = vlees van | בָּנֶ֨יךָ֙ (baneikha) = je zonen | וּבְנֹתֶ֔יךָ (uvenoteikha) = en je dochters | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָֽתַן (natan) = gaf | לְךָ֖ (lekha) = aan je | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּמָצוֹר֙ (bematsor) = in belegering | וּבְמָצ֔וֹק (uvematsoq) = en in benauwdheid | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | יָצִ֥יק (yatsiq) = benauwt | לְךָ֖ (lekha) = aan je | אֹיְבֶֽךָ (oyevekha) = je vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Lev. 26:29 en 2 Kon. 6:28–29. Zie ook: Lev 26:29; 2 Kon 6:28–29; Jer 19:9; Klaagl 2:20; Klaagl 4:10 **28:54** De man onder jou is zachtaardig en heel verwend. Hij zal zijn broer, de vrouw in zijn armen en de rest van zijn zonen die hij nog heeft, niets gunnen. Brontekst: הָאִישׁ֙ (haish) = de man | הָרַ֣ךְ (harakh) = de zachtaardige | בְּךָ֔ (bekha) = onder je | וְהֶעָנֹ֖ג (veheanog) = en de verwende | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | תֵּרַ֨ע (tera) = zal kwaad zijn | עֵינ֤וֹ (eino) = zijn oog | בְאָחִיו֙ (beachiv) = tegen zijn broer | וּבְאֵ֣שֶׁת (uveeshet) = en tegen de vrouw van | חֵיק֔וֹ (cheiqo) = zijn arm | וּבְיֶ֥תֶר (uveyeter) = en tegen de rest van | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יוֹתִֽיר (yotir) = hij laat overblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּרַע עֵינוֹ (tera eino), letterlijk ‘zijn oog is kwaad’ tegen iemand: hij gunt hem niets. Zo ook in vers 56. Wij vertalen ‘niets gunnen’. Zie ook: Deut 13:7; Deut 15:9; Deut 28:56; Ps 103:13; Spr 23:6; Mat 20:15 **28:55** Hij geeft aan niemand van hen iets van het vlees van zijn zonen dat hij eet. Want hem is niets overgebleven, in de belegering en in de benauwdheid waarmee je vijand je benauwt in al je poorten. Brontekst: מִתֵּ֣ת (mitet) = van geven | לְאַחַ֣ד (leachad) = aan één | מֵהֶ֗ם (mehem) = van hen | מִבְּשַׂ֤ר (mibesar) = van vlees van | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יֹאכֵ֔ל (yokhel) = hij eet | מִבְּלִ֥י (mibeli) = omdat niet | הִשְׁאִֽיר (hishir) = overblijven | ל֖וֹ (lo) = hem | כֹּ֑ל (kol) = alles | בְּמָצוֹר֙ (bematsor) = in belegering | וּבְמָצ֔וֹק (uvematsoq) = en in benauwdheid | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | יָצִ֥יק (yatsiq) = benauwt | לְךָ֛ (lekha) = je | אֹיִבְךָ֖ (oyivkha) = je vijand | בְּכָל (bekhal) = in al | שְׁעָרֶֽיךָ (sheareikha) = je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 5:10; Jer 34:2; Jer 52:6 **28:56** De zachtaardige en verwende vrouw onder jou heeft het niet gewaagd haar voetzool op de grond te zetten uit verwendheid en zachtheid. Zij zal de man in haar armen, haar zoon en haar dochter niets gunnen, Brontekst: הָרַכָּ֨ה (haraka) = de zachtaardige | בְךָ֜ (bekha) = onder je | וְהָעֲנֻגָּ֗ה (vehaanuga) = en de verwende | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | נִסְּתָ֤ה (niseta) = heeft gewaagd | כַף (kaf) = zool van | רַגְלָהּ֙ (raglah) = haar voet | הַצֵּ֣ג (hatseg) = te zetten | עַל (al) = op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de grond | מֵהִתְעַנֵּ֖ג (mehitaneg) = uit verwendheid | וּמֵרֹ֑ךְ (umerokh) = en zachtheid | תֵּרַ֤ע (tera) = zal kwaad zijn | עֵינָהּ֙ (einah) = haar oog | בְּאִ֣ישׁ (beish) = tegen de man van | חֵיקָ֔הּ (cheiqah) = haar arm | וּבִבְנָ֖הּ (uvivnah) = en tegen haar zoon | וּבְבִתָּֽהּ (uvevitah) = en tegen haar dochter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵיק (cheq), ‘arm, schoot’: de vrouw ‘in zijn armen’ is de vrouw van wie hij houdt. Zie ook: Deut 28:54; Jes 3:16; Klaagl 4:3–6 **28:57** ook niet de nageboorte die tussen haar voeten uitkomt, en niet de kinderen die zij baart. Want zij zal ze in het geheim opeten, bij gebrek aan alles. Dat gebeurt in de belegering en in de benauwdheid waarmee je vijand je benauwt in je poorten. Brontekst: וּֽבְשִׁלְיָתָ֞הּ (uveshilyatah) = en tegen haar nageboorte | הַיּוֹצֵ֣ת (hayotset) = die uitkomt | מִבֵּ֣ין (mibein) = van tussen | רַגְלֶ֗יהָ (ragleiha) = haar voeten | וּבְבָנֶ֨יהָ֙ (uvevaneiha) = en tegen haar zonen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תֵּלֵ֔ד (teled) = zij baart | כִּֽי (ki) = want | תֹאכְלֵ֥ם (tokhlem) = zij zal ze eten | בְּחֹֽסֶר (bechoser) = bij gebrek aan | כֹּ֖ל (kol) = alles | בַּסָּ֑תֶר (basater) = in het geheim | בְּמָצוֹר֙ (bematsor) = in belegering | וּבְמָצ֔וֹק (uvematsoq) = en in benauwdheid | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | יָצִ֥יק (yatsiq) = benauwt | לְךָ֛ (lekha) = je | אֹיִבְךָ֖ (oyivkha) = je vijand | בִּשְׁעָרֶֽיךָ (bishareikha) = in je poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:10; Jes 49:15 ### Alle plagen van Egypte **28:58** Als je alle woorden van deze wet, die in dit boek geschreven staan, niet houdt en doet. En deze eerbiedwaardige en ontzagwekkende Naam, Yahweh, je Elohim, niet vreest, Brontekst: אִם (im) = als | לֹ֨א (lo) = niet | תִשְׁמֹ֜ר (tishmor) = je houdt | לַעֲשׂ֗וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֣ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | הַכְּתוּבִ֖ים (haketuvim) = die geschreven zijn | בַּסֵּ֣פֶר (basefer) = in het boek | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | לְ֠יִרְאָה (leyira) = om te vrezen | אֶת (et) = (obj.) | הַשֵּׁ֞ם (hashem) = de Naam | הַנִּכְבָּ֤ד (hanikhbad) = de eerbiedwaardige | וְהַנּוֹרָא֙ (vehanora) = en de ontzagwekkende | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’. Het boek van deze wet is het boek van Mozes (Deut. 31:24–26). Voetnoot : שֵׁם נִכְבָּד (shem nikbad), ‘eerbiedwaardige Naam’: de Naam is Yahweh. Zie ook: Ex 20:2; Deut 6:13; Deut 28:15; Deut 31:24–26; Jes 42:8; Neh 9:5 **28:59** Dan zal Yahweh je plagen en de plagen van je nageslacht buitengewoon zwaar maken: grote en aanhoudende plagen, en kwade en aanhoudende ziekten. Brontekst: וְהִפְלָ֤א (vehifla) = en zal buitengewoon maken | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מַכֹּ֣תְךָ֔ (makotekha) = je plagen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | מַכּ֣וֹת (makot) = plagen van | זַרְעֶ֑ךָ (zarekha) = je nageslacht | מַכּ֤וֹת (makot) = plagen | גְּדֹלוֹת֙ (gedolot) = grote | וְנֶ֣אֱמָנ֔וֹת (veneemanot) = en aanhoudende | וָחֳלָיִ֥ם (vacholayim) = en ziekten | רָעִ֖ים (raim) = kwade | וְנֶאֱמָנִֽים (veneemanim) = en aanhoudende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִפְלִיא (hifli), ‘buitengewoon maken’: iets wonderlijks, uitzonderlijks. נֶאֱמָנוֹת (ne’emanot), ‘aanhoudend’: letterlijk ‘betrouwbaar’, dat wil zeggen: ze blijven. Zie ook: Deut 28:46; Deut 29:19–27; Deut 31:17–18; Dan 9:12; Mar 13:19 **28:60** Hij zal alle ziekten van Egypte, waarvoor je bang was, op je terugbrengen, en ze zullen aan je blijven kleven. Brontekst: וְהֵשִׁ֣יב (veheshiv) = en zal terugbrengen | בְּךָ֗ (bekha) = op je | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַדְוֵ֣ה (madve) = ziekten van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarvoor | יָגֹ֖רְתָּ (yagorta) = je bang was | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = vanwege hen | וְדָבְק֖וּ (vedavequ) = en zullen kleven | בָּֽךְ (bakh) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַדְוֵה (madveh), ‘ziekte’. Vergelijk Exod. 15:26, waar Yahweh belooft dat Hij de ziekten van Egypte niet zal brengen als Israël luistert. Zie ook: Ex 15:26; Deut 7:15; Deut 28:27 **28:61** Ook elke ziekte en elke plaag die niet geschreven staat in het boek van deze wet, zal Yahweh over je brengen, tot je verdelgd bent. Brontekst: גַּ֤ם (gam) = ook | כָּל (kal) = alle | חֳלִי֙ (choli) = ziekte | וְכָל (vekhal) = en alle | מַכָּ֔ה (maka) = plaag | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | כָת֔וּב (katuv) = geschreven is | בְּסֵ֖פֶר (besefer) = in het boek van | הַתּוֹרָ֣ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | יַעְלֵ֤ם (yalem) = zal doen opkomen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = over je | עַ֖ד (ad) = tot | הִשָּׁמְדָֽךְ (hishamedakh) = je verdelging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:25–26 **28:62** Jullie zullen met weinig mannen overblijven, jullie die zo talrijk waren als de sterren van de hemel. Want jullie hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, jullie Elohim. Brontekst: וְנִשְׁאַרְתֶּם֙ (venishartem) = en jullie zullen overblijven | בִּמְתֵ֣י (bimtei) = met mannen van | מְעָ֔ט (meat) = weinig | תַּ֚חַת (tachat) = in plaats van | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הֱיִיתֶ֔ם (heyitem) = jullie waren | כְּכוֹכְבֵ֥י (kekhokhevei) = als sterren van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | לָרֹ֑ב (larov) = in menigte | כִּי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמַ֔עְתָּ (shamata) = je luisterde | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Gen. 22:17 en Deut. 10:22: de sterren van de hemel in menigte. Zie ook: Gen 22:17; Deut 4:27; Deut 10:22; Jer 42:2; Neh 9:23; Rom 9:27–29 ### Verstrooid onder de volken **28:63** Zoals Yahweh zich over jullie verheugde om jullie goed te doen en jullie talrijk te maken. Zo zal Yahweh zich over jullie verheugen om jullie te laten omkomen en jullie te verdelgen. Jullie zullen weggerukt worden van de grond die jullie ingaan om hem in bezit te nemen. Brontekst: וְ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | שָׂ֨שׂ (sas) = zich verheugde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֗ם (aleikhem) = over jullie | לְהֵיטִ֣יב (leheitiv) = om goed te doen aan | אֶתְכֶם֮ (etkhem) = jullie | וּלְהַרְבּ֣וֹת (uleharbot) = en om te vermenigvuldigen | אֶתְכֶם֒ (etkhem) = jullie | כֵּ֣ן (ken) = zo | יָשִׂ֤ישׂ (yasis) = zal zich verheugen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | לְהַאֲבִ֥יד (lehaavid) = om te laten omkomen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | וּלְהַשְׁמִ֣יד (ulehashmid) = en om te verdelgen | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וְנִסַּחְתֶּם֙ (venisachtem) = en jullie zullen weggerukt worden | מֵעַ֣ל (meal) = van op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָא (ba) = komt | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂוּשׂ (sus), ‘zich verheugen’: dezelfde Yahweh die Zich verheugde over het goede, ‘verheugt’ Zich nu over het oordeel. Het Hebreeuws gebruikt hetzelfde werkwoord voor beide. Zie ook: Spr 1:26; Jes 1:24; Jer 18:7; Jer 45:4; Ezech 5:13 **28:64** Yahweh zal je verstrooien onder alle volken, van het ene einde van de aarde tot het andere einde van de aarde. Daar zul je andere goden dienen, die jij en je vaders niet gekend hebben, van hout en steen. Brontekst: וֶהֱפִֽיצְךָ֤ (vehefitsekha) = en zal verstrooien je | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = onder alle | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = van het einde van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְעַד (vead) = en tot | קְצֵ֣ה (qetse) = het einde van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְעָבַ֨דְתָּ (veavadta) = en je zult dienen | שָּׁ֜ם (sham) = daar | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֗ים (acherim) = andere | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יָדַ֛עְתָּ (yadata) = je kende | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וַאֲבֹתֶ֖יךָ (vaavoteikha) = en je vaders | עֵ֥ץ (ets) = hout | וָאָֽבֶן (vaaven) = en steen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 26:33. Zie ook: Lev 26:33; Deut 4:27–28; Deut 28:36; Jer 16:13; Neh 1:8 **28:65** Onder die volken zul je geen rust vinden, en er zal geen rustplaats zijn voor je voetzool. Yahweh zal je daar een bevend hart geven, smachtende ogen en een kwijnende ziel. Brontekst: וּבַגּוֹיִ֤ם (uvagoyim) = en onder de volken | הָהֵם֙ (hahem) = die | לֹ֣א (lo) = niet | תַרְגִּ֔יעַ (targia) = zul je rust vinden | וְלֹא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מָנ֖וֹחַ (manoach) = rustplaats | לְכַף (lekhaf) = voor de zool van | רַגְלֶ֑ךָ (raglekha) = je voet | וְנָתַן֩ (venatan) = en zal geven | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | לְךָ֥ (lekha) = aan je | שָׁם֙ (sham) = daar | לֵ֣ב (lev) = hart | רַגָּ֔ז (ragaz) = bevend | וְכִלְי֥וֹן (vekhilyon) = en smachten van | עֵינַ֖יִם (einayim) = ogen | וְדַֽאֲב֥וֹן (vedaavon) = en kwijnen van | נָֽפֶשׁ (nafesh) = ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:9; Lev 26:16; Lev 26:36; Amos 9:4; Rom 11:10 **28:66** Je leven zal voor je hangen, in het onzekere. Je zult dag en nacht bang zijn en niet zeker zijn van je leven. Brontekst: וְהָי֣וּ (vehayu) = en zullen zijn | חַיֶּ֔יךָ (chayeikha) = je leven | תְּלֻאִ֥ים (teluim) = hangend | לְךָ֖ (lekha) = voor je | מִנֶּ֑גֶד (mineged) = vanuit tegenover | וּפָֽחַדְתָּ֙ (ufachadta) = en je zult vrezen | לַ֣יְלָה (layla) = nacht | וְיוֹמָ֔ם (veyomam) = en dag | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַאֲמִ֖ין (taamin) = je zult zeker zijn | בְּחַיֶּֽיךָ (bechayeikha) = van je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּלֻאִים לְךָ מִנֶּגֶד (tel’uim lekha minneged), letterlijk ‘hangend voor je tegenover’. Het beeld is dat het leven aan een draad hangt. Wij vertalen ‘voor je hangen, in het onzekere’. Zie ook: Deut 28:67; Klaagl 1:13; Heb 10:27; Openb 6:15–17 **28:67** ’s Morgens zul je zeggen: „Was het maar avond!” en ’s avonds zul je zeggen: „Was het maar morgen!” Dat zeg je vanwege de angst van je hart waarmee je bang bent en vanwege wat je ogen zien. Brontekst: בַּבֹּ֤קֶר (baboqer) = in de morgen | תֹּאמַר֙ (tomar) = zul je zeggen | מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | עֶ֔רֶב (erev) = avond | וּבָעֶ֥רֶב (uvaerev) = en in de avond | תֹּאמַ֖ר (tomar) = zul je zeggen | מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | בֹּ֑קֶר (boqer) = morgen | מִפַּ֤חַד (mipachad) = vanwege de angst van | לְבָֽבְךָ֙ (levavekha) = je hart | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תִּפְחָ֔ד (tifchad) = je vreest | וּמִמַּרְאֵ֥ה (umimare) = en vanwege het zicht van | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תִּרְאֶֽה (tire) = je ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:3–4; Deut 28:34; Openb 9:6 **28:68** Yahweh zal je met schepen naar Egypte terugbrengen, op de weg waarover Ik tegen je gezegd heb: **„Je zult hem niet meer zien.”** Daar zul je jezelf aan je vijanden verkopen als slaven en slavinnen, maar er is niemand die koopt. Brontekst: וֶֽהֱשִֽׁיבְךָ֨ (veheshivekha) = en zal terugbrengen je | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | מִצְרַיִם֮ (mitsrayim) = naar Egypte | בָּאֳנִיּוֹת֒ (baoniyot) = in schepen | בַּדֶּ֨רֶךְ֙ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָמַ֣רְתִּֽי (amarti) = Ik zei | לְךָ֔ (lekha) = tot je | לֹא (lo) = niet | תֹסִ֥יף (tosif) = je zult toevoegen | ע֖וֹד (od) = nog | לִרְאֹתָ֑הּ (lirotah) = om hem te zien | וְהִתְמַכַּרְתֶּ֨ם (vehitmakartem) = en jullie zullen jezelf verkopen | שָׁ֧ם (sham) = daar | לְאֹיְבֶ֛יךָ (leoyeveikha) = aan je vijanden | לַעֲבָדִ֥ים (laavadim) = als slaven | וְלִשְׁפָח֖וֹת (velishfachot) = en als slavinnen | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | קֹנֶֽה (qone) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’. Voetnoot Lezing: Hier spreekt Yahweh in de eerste persoon: ‘waarover Ik tegen je gezegd heb’ (Exod. 14:13; Deut. 17:16). De spreker (Mozes) haalt het woord van Yahweh aan. Wij schrijven ‘Ik’ met een hoofdletter. Het aangehaalde woord zelf, ‘Je zult hem niet meer zien’, is een volledige zin van Yahweh en staat rood. Zie ook: Ex 14:13; Deut 17:16; Hos 8:13; Hos 9:3; Jer 43:7; Jer 44:12 ### Het verbond in Moab **28:69** Dit zijn de woorden van het verbond dat Yahweh Mozes gebood te sluiten met de zonen van Israël in het land Moab. Dit komt naast het verbond dat Hij met hen gesloten had in Horeb. Brontekst: אֵלֶּה֩ (ele) = dit zijn | דִבְרֵ֨י (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֜ית (haberit) = het verbond | אֲֽשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | לִכְרֹ֛ת (likhrot) = om te sluiten | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | מִלְּבַ֣ד (milevad) = naast | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּרַ֥ת (karat) = Hij sloot | אִתָּ֖ם (itam) = met hen | בְּחֹרֵֽב (bechorev) = in Horeb Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Moab ligt oostelijk van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Horeb is de berg van de wetgeving (Sinaï); de ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Dit vers is in veel Bijbels het eerste vers van hoofdstuk 29. In de Hebreeuwse tekst hoort het bij hoofdstuk 28. Het verbond in Moab is een aanvulling op het verbond van Horeb (Exod. 24). Zie ook: Ex 24:2–8; Deut 5:2–3; 2 Kon 23:3; Jer 31:32; Heb 8:9 ## Deuteronomium 29 _Het verbond in Moab_ ### Wat Israël heeft gezien **29:1** Mozes riep heel Israël bij zich. Hij zei tot hen: Jullie hebben alles gezien wat Yahweh voor jullie ogen in het land Egypte gedaan heeft met de farao, met al zijn dienaren en met heel zijn land, Brontekst: וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | רְאִיתֶ֗ם (reitem) = hebben gezien | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר֩ (asher) = wat | עָשָׂ֨ה (asa) = deed | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לְעֵֽינֵיכֶם֙ (leeineikhem) = voor jullie ogen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לְפַרְעֹ֥ה (lefaro) = aan farao | וּלְכָל (ulekhal) = en aan al | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | וּלְכָל (ulekhal) = en aan heel | אַרְצֽוֹ (artso) = haar land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk telt in onze Hebreeuwse tekst 28 verzen. In veel Bijbels loopt de telling één vers verder: hun eerste vers van dit hoofdstuk is ons Deut. 28:69, hun tweede is ons eerste, en hun laatste (29) is ons vers 28. Voetnoot : De woorden van Mozes lopen door in hoofdstuk 30; wij zetten daarom geen aanhalingstekens om zijn hele toespraak. Zie ook: Ex 8:8; Ex 19:4; Deut 28:69; Deut 29:28; Joz 24:5–6; Ps 78:43–51; Ps 105:27–36 **29:2** de grote beproevingen die jullie ogen gezien hebben, die tekenen en die grote wonderen. Brontekst: הַמַּסּוֹת֙ (hamasot) = de beproevingen | הַגְּדֹלֹ֔ת (hagedolot) = de grote | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | רָא֖וּ (rau) = zagen | עֵינֶ֑יךָ (eineikha) = je ogen | הָאֹתֹ֧ת (haotot) = de tekenen | וְהַמֹּפְתִ֛ים (vehamofetim) = en de wonderen | הַגְּדֹלִ֖ים (hagedolim) = de grote | הָהֵֽם (hahem) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַסּוֹת (massot), ‘beproevingen’: de plagen en wonderen van Egypte waarmee Yahweh Egypte op de proef stelde en Israël bevrijdde. Zie ook Deut. 4:34 en 7:19. Zie ook: Deut 4:32–35; Deut 4:34; Deut 7:18–19; Deut 7:19; Neh 9:9–11 **29:3** Maar tot op deze dag heeft Yahweh jullie geen hart gegeven om te weten, geen ogen om te zien en geen oren om te horen. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | נָתַן֩ (natan) = gaf | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֥ם (lakhem) = aan jullie | לֵב֙ (lev) = hart | לָדַ֔עַת (ladaat) = om te weten | וְעֵינַ֥יִם (veeinayim) = en ogen | לִרְא֖וֹת (lirot) = om te zien | וְאָזְנַ֣יִם (veazenayim) = en oren | לִשְׁמֹ֑עַ (lishmoa) = om te horen | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘hart om te weten’ is een hart dat begrijpt wat Yahweh doet. Mozes zegt dat het volk de wonderen wel heeft gezien, maar het nog niet heeft begrepen. Zie ook: Spr 20:12; Jes 6:9–10; Jes 63:17; Joh 8:43; Ef 4:18 **29:4** **„Veertig jaar heb Ik jullie door de woestijn geleid. Jullie kleren zijn niet van jullie af versleten, en jullie sandalen zijn niet van jullie voeten versleten.** Brontekst: וָאוֹלֵ֥ךְ (vaolekh) = en Ik leidde | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | לֹֽא (lo) = niet | בָל֤וּ (balu) = zijn versleten | שַׂלְמֹֽתֵיכֶם֙ (salmoteikhem) = jullie kleren | מֵעֲלֵיכֶ֔ם (mealeikhem) = van op jullie | וְנַֽעַלְךָ֥ (venaalkha) = en je sandaal | לֹֽא (lo) = niet | בָלְתָ֖ה (baleta) = is versleten | מֵעַ֥ל (meal) = van op | רַגְלֶֽךָ (raglekha) = je voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Met vers 4 gaat de spreker over van Mozes naar Yahweh: ‘Ik heb jullie geleid’. Vers 4–5 zijn dus woorden van Yahweh, ingevoegd in de toespraak van Mozes, en staan daarom rood en tussen aanhalingstekens. In vers 6 spreekt Mozes weer: ‘ons tegemoet’. Vergelijk Deut. 8:4. Zie ook: Deut 1:3; Deut 8:2; Deut 8:4; Deut 29:6; Neh 9:21; Mat 10:10 **29:5** **Brood hebben jullie niet gegeten, en wijn en sterke drank hebben jullie niet gedronken, zodat jullie weten dat Ik Yahweh ben, jullie Elohim.”** Brontekst: לֶ֚חֶם (lechem) = brood | לֹ֣א (lo) = niet | אֲכַלְתֶּ֔ם (akhaltem) = jullie aten | וְיַ֥יִן (veyayin) = en wijn | וְשֵׁכָ֖ר (veshekhar) = en sterke drank | לֹ֣א (lo) = niet | שְׁתִיתֶ֑ם (shetitem) = jullie dronken | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | תֵּֽדְע֔וּ (tedeu) = jullie weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’: een drank die dronken maakt, naast wijn. Zie ook Deut. 14:26. Zie ook: Ex 16:12; Num 20:8; Deut 8:3; Deut 14:26; 1 Kor 10:4; Ef 5:18 **29:6** Toen jullie op deze plaats kwamen, trokken Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, ons tegemoet om te strijden. Maar wij versloegen hen. Brontekst: וַתָּבֹ֖אוּ (vatavou) = en jullie kwamen | אֶל (el) = naar | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en trok uit | סִיחֹ֣ן (sichon) = Sichon | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | חֶ֠שְׁבּוֹן (cheshbon) = Chesbon | וְע֨וֹג (veog) = en Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֧ן (habashan) = Basan | לִקְרָאתֵ֛נוּ (liqratenu) = ons tegemoet | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = tot de strijd | וַנַּכֵּֽם (vanakem) = en wij versloegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon lag in het huidige Jordanië, bij Tel Hesban, ten zuidwesten van Amman. Basan is het gebied ten noordoosten van het Meer van Galilea (Golan en omgeving, Syrië en Jordanië). Zie ook Num. 21:21–35. Zie ook: Num 21:21–35; Num 32:33–42; Deut 2:24–3:17; Ps 135:10–12; Ps 136:17–22 **29:7** Wij namen hun land in en gaven het als erfdeel aan de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam van de Manassieten. Brontekst: וַנִּקַּח֙ (vaniqach) = en wij namen | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֔ם (artsam) = hun land | וַנִּתְּנָ֣הּ (vanitenah) = en wij gaven het | לְנַחֲלָ֔ה (lenachala) = als erfdeel | לָרֽאוּבֵנִ֖י (laruveni) = aan de Rubeniet | וְלַגָּדִ֑י (velagadi) = en aan de Gadiet | וְלַחֲצִ֖י (velachatsi) = en aan de helft van | שֵׁ֥בֶט (shevet) = stam van | הַֽמְנַשִּֽׁי (hamnashi) = de Manassiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Num. 32:33 en Deut. 3:12–13. Zie ook: Num 32:33; Deut 3:12–13 ### Allen staan voor Yahweh **29:8** Jullie moeten de woorden van dit verbond houden en ze doen, zodat jullie slagen in alles wat jullie doen. Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֗ם (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תַּשְׂכִּ֔ילוּ (taskilu) = jullie slagen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תַּעֲשֽׂוּן (taasun) = jullie doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּשְׂכִּילוּ (taskilu), ‘slagen’: het werkwoord betekent ook ‘verstandig handelen’. Het betekent dat wie het verbond houdt, de weg vindt die werkt. Zie ook Joz. 1:7–8. Zie ook: Deut 4:6; Joz 1:7; 1 Kon 2:3; Luc 11:28; Heb 13:20–21 **29:9** Jullie staan vandaag allemaal voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim: jullie hoofden, jullie stammen, jullie oudsten, jullie opzichters en alle mannen van Israël, Brontekst: אַתֶּ֨ם (atem) = jullie | נִצָּבִ֤ים (nitsavim) = staan | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | כֻּלְּכֶ֔ם (kulekhem) = allen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | רָאשֵׁיכֶ֣ם (rasheikhem) = jullie hoofden | שִׁבְטֵיכֶ֗ם (shivteikhem) = jullie stammen | זִקְנֵיכֶם֙ (ziqneikhem) = jullie oudsten | וְשֹׁ֣טְרֵיכֶ֔ם (veshotereikhem) = en jullie opzichters | כֹּ֖ל (kol) = elke | אִ֥ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: mensen met een ambt in het volk. Zie ook Exod. 5:6. Zie ook: Ex 5:6; 2 Kron 34:29–32; Neh 8:2; Neh 9:1–2; Neh 10:1; Openb 6:15 **29:10** jullie kinderen, jullie vrouwen en de vreemdeling in jullie kamp, van wie voor jullie hout hakt tot wie voor jullie water put, Brontekst: טַפְּכֶ֣ם (tapekhem) = jullie kinderen | נְשֵׁיכֶ֔ם (nesheikhem) = jullie vrouwen | וְגֵ֣רְךָ֔ (vegerekha) = en je vreemdeling | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = in het midden van | מַחֲנֶ֑יךָ (machaneikha) = je kamp | מֵחֹטֵ֣ב (mechotev) = van hakker van | עֵצֶ֔יךָ (etseikha) = je hout | עַ֖ד (ad) = tot | שֹׁאֵ֥ב (shoev) = putter van | מֵימֶֽיךָ (meimeikha) = je water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַף (taf), ‘kinderen’: de kleine kinderen. Zelfs de vreemdeling, van wie hout hakt tot wie water put, staat in het verbond. Zie ook: Ex 12:38; Num 11:4; Deut 5:14; Joz 9:21–27; Gal 3:28 **29:11** zodat jullie overgaan in het verbond van Yahweh, jullie Elohim, en in Zijn eed, die Yahweh, jullie Elohim, vandaag met jullie sluit, Brontekst: לְעָבְרְךָ֗ (leaverekha) = om je over te laten gaan | בִּבְרִ֛ית (bivrit) = in het verbond van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | וּבְאָלָת֑וֹ (uvealato) = en in Zijn eed | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | כֹּרֵ֥ת (koret) = sluit | עִמְּךָ֖ (imekha) = met je | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘eed’: een eed waaraan een vloek verbonden is voor wie hem breekt. Wij gebruiken ‘eed’ in vers 11, 13, 18, 19 en 20. Zie ook: Ex 19:5–6; Deut 5:2–3; Deut 29:13; Deut 29:18; Deut 29:19; Deut 29:20; 2 Kon 11:17; 2 Kron 15:12–15 **29:12** om jullie vandaag voor Zich op te richten als Zijn volk, en om jullie Elohim te zijn, zoals Hij tot jullie gesproken heeft. Zoals Hij aan jullie vaders, aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob, gezworen heeft. Brontekst: לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | הָקִֽים (haqim) = oprichten | אֹתְךָ֩ (otekha) = je | הַיּ֨וֹם (hayom) = vandaag | ל֜וֹ (lo) = voor Zich | לְעָ֗ם (leam) = tot volk | וְה֤וּא (vehu) = en Hij | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לְּךָ֙ (lekha) = voor je | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּר (diber) = Hij sprak | לָ֑ךְ (lakh) = tot je | וְכַאֲשֶׁ֤ר (vekhaasher) = en zoals | נִשְׁבַּע֙ (nishba) = Hij zwoer | לַאֲבֹתֶ֔יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֖ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹֽב (uleyaaqov) = en aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:7; Gen 26:3–4; Ex 6:7; Deut 28:9; Jer 31:31–33 **29:13** Niet alleen met jullie sluit ik dit verbond en deze eed, Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | לְבַדְּכֶ֑ם (levadekhem) = alleen | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | כֹּרֵת֙ (koret) = sluit | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָלָ֖ה (haala) = de eed | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 31:31–34; Heb 8:7–12 **29:14** maar met wie hier vandaag met ons staat voor het aangezicht van Yahweh, onze Elohim, en met wie hier vandaag niet bij ons is. Brontekst: כִּי֩ (ki) = maar | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wie | יֶשְׁנ֜וֹ (yeshno) = er is | פֹּ֗ה (po) = hier | עִמָּ֨נוּ֙ (imanu) = met ons | עֹמֵ֣ד (omed) = staat | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wie | אֵינֶ֛נּוּ (einenu) = er niet is | פֹּ֖ה (po) = hier | עִמָּ֥נוּ (imanu) = met ons | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: ‘Met wie hier vandaag niet bij ons is’ zijn de latere generaties. Het verbond geldt dus ook voor hen die nog geboren moeten worden. Zie ook: Deut 5:3; Jer 32:39; Jer 50:5; Hand 2:39; 1 Kor 7:14 **29:15** Want jullie weten hoe wij in het land Egypte gewoond hebben en hoe wij midden door de volken getrokken zijn, door wie jullie zijn heengetrokken. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | יְדַעְתֶּ֔ם (yedatem) = weten | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = hoe | יָשַׁ֖בְנוּ (yashavnu) = wij woonden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאֵ֧ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = hoe | עָבַ֛רְנוּ (avarnu) = wij doortrokken | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עֲבַרְתֶּֽם (avartem) = jullie doortrokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 2:4; Deut 2:9; Deut 2:19; Deut 2:24; Deut 3:1–2 ### Waarschuwing voor een afvallig hart **29:16** Jullie zagen hun gruwelbeelden en hun afgoden, van hout en steen, van zilver en goud, die bij hen waren. Brontekst: וַתִּרְאוּ֙ (vatiru) = en jullie zagen | אֶת (et) = (obj.) | שִׁקּ֣וּצֵיהֶ֔ם (shiqutseihem) = hun gruwelbeelden | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | גִּלֻּלֵיהֶ֑ם (giluleihem) = hun afgoden | עֵ֣ץ (ets) = hout | וָאֶ֔בֶן (vaeven) = en steen | כֶּ֥סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֖ב (vezahav) = en goud | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עִמָּהֶֽם (imahem) = bij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’: dingen waarvoor Yahweh walgt. גִּלֻּלִים (gillulim), ‘afgoden’: zoals in Lev. 26:30. Zie ook: Lev 26:30; Deut 28:36 **29:17** Zorg dat er onder jullie vandaag geen man of vrouw is, geen familie of stam, wiens hart zich afkeert van Yahweh, onze Elohim, om de goden van die volken te gaan dienen. Zorg dat er onder jullie geen wortel is die gif en alsem voortbrengt. Brontekst: פֶּן (pen) = opdat niet | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | בָּ֠כֶם (bakhem) = onder jullie | אִ֣ישׁ (ish) = man | אוֹ (o) = of | אִשָּׁ֞ה (isha) = vrouw | א֧וֹ (o) = of | מִשְׁפָּחָ֣ה (mishpacha) = familie | אוֹ (o) = of | שֵׁ֗בֶט (shevet) = stam | אֲשֶׁר֩ (asher) = wiens | לְבָב֨וֹ (levavo) = hart | פֹנֶ֤ה (pone) = zich afkeert | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | מֵעִם֙ (meim) = van met | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | לַעֲבֹ֔ד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֖י (elohei) = goden van | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָהֵ֑ם (hahem) = die | פֶּן (pen) = opdat niet | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | בָּכֶ֗ם (bakhem) = onder jullie | שֹׁ֛רֶשׁ (shoresh) = wortel | פֹּרֶ֥ה (pore) = voortbrengend | רֹ֖אשׁ (rosh) = gif | וְלַעֲנָֽה (velaana) = en alsem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאשׁ (rosh), ‘gif’: een bittere, giftige plant. לַעֲנָה (la’anah), ‘alsem’: een bittere plant. Samen zijn ze een beeld van het hart dat zich afkeert en anderen aansteekt. Zie ook Hebr. 12:15. Zie ook: Deut 11:16–17; Deut 13:2–16; Jer 9:14; Hand 8:23; Heb 12:15 **29:18** Wanneer zo iemand de woorden van deze eed hoort, zegent hij zichzelf in zijn hart. Hij zegt: „Het zal goed met mij gaan, ook al wandel ik in de hardheid van mijn hart.” Zodat de verzadigde bij de dorstige gevoegd wordt. Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּשָׁמְעוֹ֩ (beshameo) = bij zijn horen | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֨י (divrei) = woorden van | הָֽאָלָ֜ה (haala) = de eed | הַזֹּ֗את (hazot) = deze | וְהִתְבָּרֵ֨ךְ (vehitbarekh) = en zegent zich | בִּלְבָב֤וֹ (bilvavo) = in zijn hart | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggende | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לִּ֔י (li) = voor mij | כִּ֛י (ki) = want | בִּשְׁרִר֥וּת (bishrirut) = in hardheid van | לִבִּ֖י (libi) = mijn hart | אֵלֵ֑ךְ (elekh) = ik zal wandelen | לְמַ֛עַן (lemaan) = opdat | סְפ֥וֹת (sefot) = voegen | הָרָוָ֖ה (harava) = de verzadigde | אֶת (et) = (obj.) | הַצְּמֵאָֽה (hatsemea) = de dorstige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: hier ‘het zal goed met mij gaan’. שְׁרִרוּת (sherirut), ‘hardheid’: het hart dat zijn eigen weg gaat. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘om de bevochtigde (de verzadigde) bij de dorstige te voegen’. De betekenis is niet helemaal zeker. Wij houden de woorden van het Hebreeuws. Waarschijnlijk betekent het: het ene gaat samen met het andere ten onder, de verzadigde en de dorstige, of alles. Zie ook: Num 15:30; Num 15:39; Pred 11:9; Jer 7:3–11; Jer 7:24 **29:19** Yahweh wil hem niet vergeven. Want dan zal de toorn van Yahweh en Zijn na-ijver tegen die man gaan roken. En heel de eed die in dit boek geschreven staat, zal op hem liggen. En Yahweh zal zijn naam uitwissen van onder de hemel. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יֹאבֶ֣ה (yove) = wil | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | סְלֹ֣חַֽ (seloach) = vergeven | לוֹ֒ (lo) = hem | כִּ֣י (ki) = want | אָ֠ז (az) = dan | יֶעְשַׁ֨ן (yeshan) = zal roken | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | וְקִנְאָתוֹ֙ (veqinato) = en Zijn na-ijver | בָּאִ֣ישׁ (baish) = tegen de man | הַה֔וּא (hahu) = die | וְרָ֤בְצָה (veravetsa) = en zal liggen | בּוֹ֙ (bo) = op hem | כָּל (kal) = heel | הָ֣אָלָ֔ה (haala) = de eed | הַכְּתוּבָ֖ה (haketuva) = die geschreven is | בַּסֵּ֣פֶר (basefer) = in het boek | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וּמָחָ֤ה (umacha) = en zal uitwissen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֔וֹ (shemo) = zijn naam | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָלַח (salach), ‘vergeven’. יֶעְשַׁן (ye’shan), ‘gaan roken’: de toorn die als rook opstijgt. קִנְאָה (qin’ah), ‘na-ijver’: Yahweh duldt geen deling van de trouw (Exod. 20:5). Zie ook: Ex 20:5; Deut 9:14; Ps 74:1; Ps 79:5; Ezech 14:7–8; Ezech 23:25 **29:20** Yahweh zal hem uit alle stammen van Israël afzonderen voor het onheil, volgens alle eden van het verbond die in dit boek van de wet geschreven staan. Brontekst: וְהִבְדִּיל֤וֹ (vehivdilo) = en zal afzonderen hem | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְרָעָ֔ה (leraa) = tot onheil | מִכֹּ֖ל (mikol) = uit alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כְּכֹל֙ (kekhol) = volgens alle | אָל֣וֹת (alot) = eden van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | הַכְּתוּבָ֕ה (haketuva) = dat geschreven is | בְּסֵ֥פֶר (besefer) = in het boek van | הַתּוֹרָ֖ה (hatora) = de wet | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלוֹת (alot), ‘eden’: meervoud van אָלָה (alah). Zie vers 11. Zie ook: Deut 29:11; Mal 3:18; Mat 24:51; Mat 25:32; Mat 25:41; Mat 25:46 ### Het verwoeste land en de vraag van de volken **29:21** De volgende generatie, jullie zonen die na jullie opstaan, en de buitenlander die uit een ver land komt, zullen de plagen van dat land zien en de ziekten waarmee Yahweh het ziek gemaakt heeft. Dan zullen zij zeggen: Brontekst: וְאָמַ֞ר (veamar) = en zal zeggen | הַדּ֣וֹר (hador) = de generatie | הָֽאַחֲר֗וֹן (haacharon) = de laatste | בְּנֵיכֶם֙ (beneikhem) = jullie zonen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יָק֨וּמוּ֙ (yaqumu) = zullen opstaan | מֵאַ֣חֲרֵיכֶ֔ם (meachareikhem) = na jullie | וְהַ֨נָּכְרִ֔י (vehanakheri) = en de buitenlander | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָבֹ֖א (yavo) = zal komen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit land | רְחוֹקָ֑ה (rechoqa) = ver | וְ֠רָאוּ (verau) = en zij zullen zien | אֶת (et) = (obj.) | מַכּ֞וֹת (makot) = plagen van | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | הַהִוא֙ (hahi) = dat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּ֣חֲלֻאֶ֔יהָ (tachalueiha) = zijn ziekten | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | חִלָּ֥ה (chila) = ziek maakte | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּֽהּ (bah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand die niet bij het volk hoort en maar even komt. Het is een ander woord dan ‘vreemdeling’ (גֵּר, ger). Zie ook: Jer 19:8 **29:22** „Zwavel en zout, een brand, is heel zijn land! Het wordt niet bezaaid en laat niets opkomen, er groeit geen enkel gewas in. Het is als de omkering van Sodom en Gomorra, Adma en Zeboïm, die Yahweh omkeerde in Zijn toorn en in Zijn woede.” Brontekst: גָּפְרִ֣ית (gaferit) = zwavel | וָמֶלַח֮ (vamelach) = en zout | שְׂרֵפָ֣ה (serefa) = brand | כָל (kal) = heel | אַרְצָהּ֒ (artsah) = haar land | לֹ֤א (lo) = niet | תִזָּרַע֙ (tizara) = wordt bezaaid | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַצְמִ֔חַ (tatsmiach) = laat opkomen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = komt op | בָ֖הּ (bah) = erin | כָּל (kal) = enig | עֵ֑שֶׂב (esev) = gewas | כְּֽמַהְפֵּכַ֞ת (kemahpekhat) = als omkering van | סְדֹ֤ם (sedom) = Sodom | וַעֲמֹרָה֙ (vaamora) = en Gomorra | אַדְמָ֣ה (adma) = Adma | וּצְבוֹיִ֔ם (utsevoyim) = en Zeboïm | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | הָפַ֣ךְ (hafakh) = omkeerde | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּאַפּ֖וֹ (beapo) = in Zijn toorn | וּבַחֲמָתֽוֹ (uvachamato) = en in Zijn woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm lagen bij de Dode Zee. De precieze ligging is niet zeker; veel onderzoekers zoeken ze ten zuiden van de Dode Zee, anderen in het noorden. Zie Gen. 19:24–25 en Gen. 14:2. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws laat open of ‘Zwavel en zout, een brand: heel zijn land’ een toelichting is of wat de mensen uitroepen. Wij zetten het tussen aanhalingstekens, omdat het bij ‘zullen zeggen’ van vers 21 hoort. Zie ook: Gen 14:2; Gen 19:24–25; Deut 29:21; Jes 34:9; Sef 2:9; Jer 17:6; Jer 20:16 **29:23** Alle volken zullen zeggen: „Waarom heeft Yahweh zo gedaan met dit land? Waarom deze grote gloed van toorn?” Brontekst: וְאָֽמְרוּ֙ (veameru) = en zullen zeggen | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | עַל (al) = op | מֶ֨ה (me) = wat | עָשָׂ֧ה (asa) = deed | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | כָּ֖כָה (kakha) = zo | לָאָ֣רֶץ (laarets) = aan het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | מֶ֥ה (me) = wat | חֳרִ֛י (chori) = gloed van | הָאַ֥ף (haaf) = de toorn | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֳרִי (chori), ‘gloed’: de gloeiende hitte van de toorn. Zie ook: 1 Kon 9:8–9; Jer 22:8–9; Klaagl 2:15–17; Klaagl 4:12; Rom 2:5 **29:24** Dan zullen zij zeggen: „Omdat zij het verbond van Yahweh, de Elohim van hun vaders, verlaten hebben. Hij sloot het met hen toen Hij hen uit het land Egypte leidde. Brontekst: וְאָ֣מְר֔וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | עַ֚ל (al) = om | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָֽזְב֔וּ (azevu) = zij verlieten | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִ֥ית (berit) = verbond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | כָּרַ֣ת (karat) = Hij sloot | עִמָּ֔ם (imam) = met hen | בְּהוֹצִיא֥וֹ (behotsio) = bij Zijn uitleiden | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jes 24:1–6; Jes 47:6; Jer 22:9; Jer 40:2–3; Heb 8:9 **29:25** Zij gingen andere goden dienen en bogen zich voor hen neer, goden die zij niet kenden en die Hij hun niet had toegedeeld. Brontekst: וַיֵּלְכ֗וּ (vayelekhu) = en zij gingen | וַיַּֽעַבְדוּ֙ (vayaavdu) = en dienden | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיִּֽשְׁתַּחֲוּ֖וּ (vayishtachauu) = en bogen zich neer | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = goden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדָע֔וּם (yedaum) = zij kenden hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | חָלַ֖ק (chalaq) = toegedeeld | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלַק (chalaq), ‘toedelen’: de goden waren niet door Yahweh aan hen toegewezen. Zie ook Deut. 4:19. Zie ook: Deut 4:19; Re 2:12–13; Re 5:8; 2 Kon 17:7–18; 2 Kron 36:12–17; Jer 19:3–13 **29:26** Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen dat land, zodat Hij er heel de vloek over bracht die in dit boek geschreven staat. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֥ף (af) = toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = tegen het land | הַהִ֑וא (hahi) = dat | לְהָבִ֤יא (lehavi) = om te brengen | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = over haar | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַקְּלָלָ֔ה (haqelala) = de vloek | הַכְּתוּבָ֖ה (haketuva) = die geschreven is | בַּסֵּ֥פֶר (basefer) = in het boek | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:14–46; Deut 27:15–26; Deut 28:15–68; Deut 29:19–20; Dan 9:11–14 **29:27** Yahweh rukte hen uit hun grond weg in toorn, in woede en in grote gramschap. Hij wierp hen in een ander land, zoals het vandaag is.” Brontekst: וַיִּתְּשֵׁ֤ם (vayiteshem) = en rukte hen uit | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֣ל (meal) = van op | אַדְמָתָ֔ם (admatam) = hun grond | בְּאַ֥ף (beaf) = in toorn | וּבְחֵמָ֖ה (uvechema) = en in woede | וּבְקֶ֣צֶף (uveqetsef) = en in gramschap | גָּד֑וֹל (gadol) = grote | וַיַּשְׁלִכֵ֛ם (vayashlikhem) = en wierp hen | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = land | אַחֶ֖רֶת (acheret) = ander | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתַשׁ (natash), ‘uitrukken’: zoals een plant met wortel en al uit de grond wordt gerukt. Zie ook Lev. 26:33. Zie ook: Lev 26:33; Ps 52:7; Spr 2:22; 1 Kon 14:15; 2 Kron 7:20; Jer 42:10 ### Het verborgene en het geopenbaarde **29:28** Het verborgene is van Yahweh, onze Elohim. Maar het geopenbaarde is voor ons en voor onze zonen, voor altijd, om alle woorden van deze wet te doen. Brontekst: הַ֨נִּסְתָּרֹ֔ת (hanistarot) = het verborgene | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וְהַנִּגְלֹ֞ת (vehaniglot) = en het geopenbaarde | לָ֤ׄנׄוּׄ (lanu) = aan ons | וּׄלְׄבָׄנֵׄ֨יׄנׄוּׄ֙ (ulevaneinu) = en aan onze zonen | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | לַעֲשׂ֕וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’. In de Hebreeuwse tekst staan stippen boven de woorden ‘voor ons en voor onze zonen’. Dat zijn tekens van de overschrijvers. Wij laten ze buiten de vertaling. Zie ook: Job 11:6–7; Dan 2:22; Mat 13:11; Hand 1:7; Rom 11:33–34 ## Deuteronomium 30 _Terugkeer, het gebod dichtbij en de keuze tussen leven en dood_ ### Terugkeer en herstel **30:1** Wanneer al deze woorden over je komen, de zegen en de vloek die ik je heb voorgelegd, en je ze ter harte neemt onder alle volken waarheen Yahweh, je Elohim, je heeft verdreven, Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | כִֽי (ki) = wanneer | יָבֹ֨אוּ (yavou) = zullen komen | עָלֶ֜יךָ (aleikha) = over je | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | הַבְּרָכָה֙ (haberakha) = de zegen | וְהַקְּלָלָ֔ה (vehaqelala) = en de vloek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = ik heb gegeven | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je | וַהֲשֵׁבֹתָ֙ (vahashevota) = en je zult terugbrengen | אֶל (el) = tot | לְבָבֶ֔ךָ (levavekha) = je hart | בְּכָל (bekhal) = onder al | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarheen | הִדִּיחֲךָ֛ (hidichakha) = heeft verdreven jou | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘de zegen en de vloek’ wordt teruggewezen naar Deut. 28:1–14 en 28:15–68. Voetnoot : שׁוּב אֶל־לֵבָב (shuv el levav), letterlijk ‘terugbrengen naar het hart’: erover nadenken en het zich aantrekken. Wij vertalen ‘ter harte nemen’. Zie ook: Deut 4:29–30; Deut 28:1–14; Deut 28:15; Deut 29:27; Deut 30:15; Deut 30:19; 1 Kon 8:47–48 **30:2** en je keert terug tot Yahweh, je Elohim, en je luistert naar Zijn stem in alles wat ik je vandaag gebied, jij en je zonen, met heel je hart en met heel je ziel, Brontekst: וְשַׁבְתָּ֞ (veshavta) = en je zult terugkeren | עַד (ad) = tot | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | וְשָׁמַעְתָּ֣ (veshamata) = en je zult luisteren | בְקֹל֔וֹ (beqolo) = naar Zijn stem | כְּכֹ֛ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied jou | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וּבָנֶ֔יךָ (uvaneikha) = en je zonen | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:28–31; Joël 2:12–13; Klaagl 3:40; Neh 1:9; 2 Kor 3:16 **30:3** dan zal Yahweh, je Elohim, je gevangenschap keren en Zich over je ontfermen. Hij zal terugkeren en je bijeenbrengen uit alle volken waarheen Yahweh, je Elohim, je verstrooid heeft. Brontekst: וְשָׁ֨ב (veshav) = en Hij zal keren | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבוּתְךָ֖ (shevutekha) = je gevangenschap | וְרִחֲמֶ֑ךָ (verichamekha) = en Hij zal Zich ontfermen over jou | וְשָׁ֗ב (veshav) = en Hij zal terugkeren | וְקִבֶּצְךָ֙ (veqibetskha) = en Hij zal je bijeenbrengen | מִכָּל (mikal) = uit al | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarheen | הֱפִֽיצְךָ֛ (hefitsekha) = heeft verstrooid jou | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבוּת (shevut), ‘gevangenschap’. De uitdrukking ‘de gevangenschap keren’ betekent ook: het lot ten goede keren. Het Hebreeuws kan dus gaan over het terugbrengen van de ballingen én over het herstel van hun lot. Wij houden de letterlijke weergave. Voetnoot : שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, staat in de verzen 1–10 zeven keer, waarvan twee keer in vers 3: eerst keert Yahweh de gevangenschap, dan keert Hij terug om hen bijeen te brengen. Het is het sleutelwoord van dit gedeelte. Zie ook: Ps 147:2; Jer 29:14; Klaagl 3:32; Ezech 34:12–13; Ezech 36:24 **30:4** Als je verdrevenen aan het einde van de hemel zijn, vandaar zal Yahweh, je Elohim, je bijeenbrengen en vandaar zal Hij je halen. Brontekst: אִם (im) = als | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | נִֽדַּחֲךָ֖ (nidachakha) = je verdrevene | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan het einde van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | מִשָּׁ֗ם (misham) = vandaar | יְקַבֶּצְךָ֙ (yeqabetskha) = zal bijeenbrengen jou | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | וּמִשָּׁ֖ם (umisham) = en vandaar | יִקָּחֶֽךָ (yiqachekha) = zal nemen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְצֵה הַשָּׁמַיִם (qetseh hashamayim), ‘het einde van de hemel’: de verste uithoek van de wereld, zoals de horizon waar hemel en aarde elkaar lijken te raken (ook Deut. 4:32). Zie ook: Deut 4:32; Deut 28:64; Jes 11:11–16; Jes 43:6; Ezech 39:25–29; Neh 1:9 **30:5** Yahweh, je Elohim, zal je brengen naar het land dat je vaders in bezit hebben gehad, en jij zult het in bezit nemen. Hij zal je goed doen en je talrijker maken dan je vaders. Brontekst: וֶהֱבִֽיאֲךָ֞ (veheviakha) = en zal brengen jou | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶל (el) = naar | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָרְשׁ֥וּ (yareshu) = in bezit namen | אֲבֹתֶ֖יךָ (avoteikha) = je vaders | וִֽירִשְׁתָּ֑הּ (virishtah) = en je zult het in bezit nemen | וְהֵיטִֽבְךָ֥ (veheitivkha) = en Hij zal goed doen aan jou | וְהִרְבְּךָ֖ (vehirbekha) = en Hij zal je talrijk maken | מֵאֲבֹתֶֽיךָ (meavoteikha) = meer dan je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 29:14 **30:6** Yahweh, je Elohim, zal je hart besnijden en het hart van je nageslacht. Zodat je Yahweh, je Elohim, liefhebt met heel je hart en met heel je ziel, opdat je leeft. Brontekst: וּמָ֨ל (umal) = en Hij zal besnijden | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶת (et) = (obj.) | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לְבַ֣ב (levav) = het hart van | זַרְעֶ֑ךָ (zarekha) = je nageslacht | לְאַהֲבָ֞ה (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבְךָ֥ (levavekha) = je hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = je ziel | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | חַיֶּֽיךָ (chayeikha) = je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָל (mal), ‘besnijden’: het hart besnijden betekent dat Yahweh zelf het hart open maakt voor gehoorzaamheid. Eerder moest Israël dit zelf doen (Deut. 10:16); hier belooft Yahweh het te doen. Zie ook Jer. 4:4. Zie ook: Deut 10:16; Jer 4:4; Jer 32:39; Ezech 11:19–20; Ezech 36:26–27; Kol 2:11 **30:7** Yahweh, je Elohim, zal al deze eden leggen op je vijanden en op je haters, die je vervolgd hebben. Brontekst: וְנָתַן֙ (venatan) = en Hij zal leggen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָאָל֖וֹת (haalot) = de eden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | עַל (al) = op | אֹיְבֶ֥יךָ (oyeveikha) = je vijanden | וְעַל (veal) = en op | שֹׂנְאֶ֖יךָ (soneeikha) = je haters | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | רְדָפֽוּךָ (redafukha) = hebben vervolgd jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘eed’: een eed waaraan een vloek verbonden is voor wie hem breekt. Wij gebruiken ‘eed’ zoals in Deut. 29:11 en 29:19–20. De eden zijn hier de vloeken die op Israël zijn uitgesproken; Yahweh legt ze nu op de vijanden. Zie ook: Num 24:14; Deut 7:15; Deut 29:11; Deut 29:19; Jer 51:24–26; Klaagl 4:21–22; Ezech 25:12 **30:8** Jij zult terugkeren, naar de stem van Yahweh luisteren en al Zijn geboden doen die ik je vandaag gebied. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | תָשׁ֔וּב (tashuv) = zult terugkeren | וְשָׁמַעְתָּ֖ (veshamata) = en je zult luisteren | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְעָשִׂ֨יתָ֙ (veasita) = en je zult doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מִצְוֺתָ֔יו (mitsvotav) = Zijn geboden | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied jou | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 31:33; Ezech 36:27; Ezech 37:24; Ef 2:16; Fil 2:13 **30:9** Yahweh, je Elohim, zal je overvloed geven in al het werk van je hand, in de vrucht van je schoot, de vrucht van je vee en de vrucht van je grond, ten goede. Want Yahweh zal Zich weer over je verheugen, ten goede, zoals Hij Zich over je vaders verheugde. Brontekst: וְהוֹתִֽירְךָ֩ (vehotirekha) = en Hij zal overvloed geven aan jou | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכֹ֣ל (bekhol) = in al | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = het werk van | יָדֶ֗ךָ (yadekha) = je hand | בִּפְרִ֨י (bifri) = in de vrucht van | בִטְנְךָ֜ (bitnekha) = je schoot | וּבִפְרִ֧י (uvifri) = en in de vrucht van | בְהֶמְתְּךָ֛ (behemtekha) = je vee | וּבִפְרִ֥י (uvifri) = en in de vrucht van | אַדְמָתְךָ֖ (admatekha) = je grond | לְטוֹבָ֑ה (letova) = ten goede | כִּ֣י (ki) = want | יָשׁ֣וּב (yashuv) = zal terugkeren | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לָשׂ֤וּשׂ (lasus) = om zich te verheugen | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | לְט֔וֹב (letov) = ten goede | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | שָׂ֖שׂ (sas) = Hij zich verheugde | עַל (al) = over | אֲבֹתֶֽיךָ (avoteikha) = je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹתִיר (hotir), ‘overvloed geven’: letterlijk ‘laten overblijven’, dus meer geven dan nodig is. Zie ook: Lev 26:4; Deut 28:4; Deut 28:11–14; Jer 32:41; Jer 33:9 **30:10** Dat zal zijn wanneer je luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim, door Zijn geboden en Zijn voorschriften te houden. Ze staan geschreven in dit boek van de wet. Wanneer je terugkeert tot Yahweh, je Elohim, met heel je hart en met heel je ziel. Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | תִשְׁמַ֗ע (tishma) = je zult luisteren | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹ֤ר (lishmor) = om te houden | מִצְוֺתָיו֙ (mitsvotav) = Zijn geboden | וְחֻקֹּתָ֔יו (vechuqotav) = en Zijn voorschriften | הַכְּתוּבָ֕ה (haketuva) = het geschrevene | בְּסֵ֥פֶר (besefer) = in het boek van | הַתּוֹרָ֖ה (hatora) = de wet | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | כִּ֤י (ki) = wanneer | תָשׁוּב֙ (tashuv) = je zult terugkeren | אֶל (el) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’ of ‘richting’. ‘Dit boek van de wet’ is wat Mozes heeft opgeschreven (Deut. 31:9). Zie ook: Deut 4:29; Deut 30:2; Deut 30:8; Deut 31:9; Klaagl 3:40–41; 1 Kor 7:19 ### Het gebod is dichtbij **30:11** Want dit gebod dat ik je vandaag gebied, is niet te moeilijk voor je en niet ver weg. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | הַמִּצְוָ֣ה (hamitsva) = het gebod | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֖ (metsavekha) = gebied jou | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | לֹֽא (lo) = niet | נִפְלֵ֥את (niflet) = te wonderlijk | הִוא֙ (hi) = het | מִמְּךָ֔ (mimekha) = voor jou | וְלֹ֥א (velo) = en niet | רְחֹקָ֖ה (rechoqa) = veraf | הִֽוא (hi) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִפְלֵאת (niflet), ‘te wonderlijk’: te moeilijk of te hoog om te begrijpen. Het gebod is dat niet. Zie ook: Ps 147:19–20; Jes 45:19; Rom 16:25–26; Kol 1:26–27 **30:12** Het is niet in de hemel, zodat je zou zeggen: „Wie gaat voor ons naar de hemel omhoog om het voor ons te halen? Wie laat het ons horen, zodat wij het doen?” Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | בַשָּׁמַ֖יִם (bashamayim) = in de hemel | הִ֑וא (hi) = het | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | מִ֣י (mi) = wie | יַעֲלֶה (yaale) = zal opstijgen | לָּ֤נוּ (lanu) = voor ons | הַשָּׁמַ֨יְמָה֙ (hashamayma) = naar de hemel | וְיִקָּחֶ֣הָ (veyiqacheha) = en zal het nemen | לָּ֔נוּ (lanu) = voor ons | וְיַשְׁמִעֵ֥נוּ (veyashmienu) = en zal het ons laten horen | אֹתָ֖הּ (otah) = (obj.) het | וְנַעֲשֶֽׂנָּה (venaasena) = en wij zullen het doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Paulus haalt de verzen 12–14 aan in Rom. 10:6–8. Hij volgt daar de Griekse tekst van het Nieuwe Testament; het Hebreeuws van Deuteronomium geeft de woorden zoals wij ze hier vertalen. Zie ook: Spr 30:4; Joh 3:13; Rom 10:6–8 **30:13** Het is ook niet aan de overkant van de zee, zodat je zou zeggen: „Wie steekt voor ons de zee over om het voor ons te halen? Wie laat het ons horen, zodat wij het doen?” Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | מֵעֵ֥בֶר (meever) = aan de overkant van | לַיָּ֖ם (layam) = de zee | הִ֑וא (hi) = het | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | מִ֣י (mi) = wie | יַעֲבָר (yaavar) = zal oversteken | לָ֜נוּ (lanu) = voor ons | אֶל (el) = naar | עֵ֤בֶר (ever) = de overkant van | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | וְיִקָּחֶ֣הָ (veyiqacheha) = en zal het nemen | לָּ֔נוּ (lanu) = voor ons | וְיַשְׁמִעֵ֥נוּ (veyashmienu) = en zal het ons laten horen | אֹתָ֖הּ (otah) = (obj.) het | וְנַעֲשֶֽׂנָּה (venaasena) = en wij zullen het doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 2:1–5; Spr 3:13–18; Spr 8:11; Hand 10:22; Hand 10:33 **30:14** Want het woord is heel dichtbij je, in je mond en in je hart, om het te doen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | קָר֥וֹב (qarov) = dichtbij | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = bij jou | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | בְּפִ֥יךָ (befikha) = in je mond | וּבִֽלְבָבְךָ֖ (uvilvavekha) = en in je hart | לַעֲשֹׂתֽוֹ (laasoto) = om het te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 12:2; Ezech 33:31; Mat 7:21; Joh 5:46; Rom 10:8–10 ### Leven en dood: kies het leven **30:15** Kijk, ik heb je vandaag het leven en het goede voorgelegd, de dood en het kwade. Brontekst: רְאֵ֨ה (ree) = kijk | נָתַ֤תִּי (natati) = ik heb gegeven | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor je | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחַיִּ֖ים (hachayim) = het leven | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַטּ֑וֹב (hatov) = het goede | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמָּ֖וֶת (hamavet) = de dood | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָרָֽע (hara) = het kwade Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het leven en het goede staan tegenover de dood en het kwade. Dezelfde keuze staat in Deut. 11:26–28. Zie ook: Deut 11:26; Deut 30:1; Deut 30:19; Gal 3:13–14; 1 Joh 5:11–12 **30:16** Ik gebied je vandaag om Yahweh, je Elohim, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden, Zijn voorschriften en Zijn rechtsregels te houden. Dan zul je leven en talrijk worden. En Yahweh, je Elohim, zal je zegenen in het land waar je heen gaat om het in bezit te nemen. Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | מְצַוְּךָ֮ (metsavekha) = gebied jou | הַיּוֹם֒ (hayom) = vandaag | לְאַהֲבָ֞ה (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te wandelen | בִּדְרָכָ֔יו (bidrakhav) = in Zijn wegen | וְלִשְׁמֹ֛ר (velishmor) = en om te houden | מִצְוֺתָ֥יו (mitsvotav) = Zijn geboden | וְחֻקֹּתָ֖יו (vechuqotav) = en Zijn voorschriften | וּמִשְׁפָּטָ֑יו (umishpatav) = en Zijn rechtsregels | וְחָיִ֣יתָ (vechayita) = en je zult leven | וְרָבִ֔יתָ (veravita) = en je zult talrijk worden | וּבֵֽרַכְךָ֙ (uverakhkha) = en zal je zegenen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָא (ba) = gaande | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:5; Deut 30:6; Mat 22:37–38; Joh 14:21; 1 Joh 5:2–3 **30:17** Maar als je hart zich afkeert en je niet luistert, en je laat je meetrekken, je buigt je neer voor andere goden en dient hen, Brontekst: וְאִם (veim) = en als | יִפְנֶ֥ה (yifne) = zich afkeert | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִשְׁמָ֑ע (tishma) = je zult luisteren | וְנִדַּחְתָּ֗ (venidachta) = en je wordt meegetrokken | וְהִֽשְׁתַּחֲוִ֛יתָ (vehishtachavita) = en je buigt je neer | לֵאלֹהִ֥ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | וַעֲבַדְתָּֽם (vaavadtam) = en je dient hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִדַּחְתָּ (veniddachta), ‘en je wordt meegetrokken’: je wordt weggedreven van de weg. Het woord is verwant met ‘verdrevene’ in vers 4 (נִדָּחֲךָ, niddachakha), maar daar gaat het om de ballingschap, hier om de verleiding. Zie ook: Deut 17:17; Deut 30:4; Spr 1:32; 2 Tim 4:4; Heb 3:12; Heb 12:25 **30:18** dan maak ik je vandaag bekend dat je zeker zult omkomen. Je zult niet lang leven op de grond waar je naartoe gaat, over de Jordaan, om die in bezit te nemen. Brontekst: הִגַּ֤דְתִּי (higadti) = ik maak bekend | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | כִּ֥י (ki) = dat | אָבֹ֖ד (avod) = omkomen | תֹּאבֵד֑וּן (tovedun) = jullie zullen omkomen | לֹא (lo) = niet | תַאֲרִיכֻ֤ן (taarikhun) = jullie zullen verlengen | יָמִים֙ (yamim) = dagen | עַל (al) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אַתָּ֤ה (ata) = jij | עֹבֵר֙ (over) = overstekend | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | לָבֹ֥א (lavo) = om te komen | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om die in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: תַאֲרִיכֻן יָמִים (ta’arikhun yamim), ‘de dagen verlengen’: lang leven. Wij vertalen ‘lang leven’. Dit is het tegenovergestelde van de belofte in vers 20. Zie ook: Deut 4:26; Deut 8:19–20; Deut 30:20; Deut 31:29; Joz 23:15–16; Jes 63:17–18 **30:19** Ik neem vandaag de hemel en de aarde tot getuigen tegen je. Het leven en de dood heb ik je voorgelegd, de zegen en de vloek. Kies dan het leven, zodat je leeft, jij en je nageslacht, Brontekst: הַעִידֹ֨תִי (haidoti) = ik heb als getuige genomen | בָכֶ֣ם (bakhem) = tegen jullie | הַיּוֹם֮ (hayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָרֶץ֒ (haarets) = de aarde | הַחַיִּ֤ים (hachayim) = het leven | וְהַמָּ֨וֶת֙ (vehamavet) = en de dood | נָתַ֣תִּי (natati) = ik heb gegeven | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je | הַבְּרָכָ֖ה (haberakha) = de zegen | וְהַקְּלָלָ֑ה (vehaqelala) = en de vloek | וּבָֽחַרְתָּ֙ (uvacharta) = en je zult kiezen | בַּֽחַיִּ֔ים (bachayim) = het leven | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | תִּחְיֶ֖ה (tichye) = je leeft | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וְזַרְעֶֽךָ (vezarekha) = en je nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hemel en aarde worden als getuigen genomen, zoals in Deut. 4:26 en 31:28; zie ook Deut. 32:1. Voetnoot : De keuze voor het leven is de keuze voor Yahweh: Hem liefhebben, naar Zijn stem luisteren en je aan Hem hechten (vers 20). Zie ook: Deut 4:26; Deut 11:26; Deut 30:15; Deut 30:20; Deut 31:28; Deut 32:1; Joz 24:15–22; Ps 119:30; Spr 8:36 **30:20** door Yahweh, je Elohim, lief te hebben, naar Zijn stem te luisteren en je aan Hem te hechten. Want Hij is je leven en de lengte van je dagen. Zodat je kunt wonen op de grond die Yahweh aan je vaders, aan Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft hun te geven. Brontekst: לְאַֽהֲבָה֙ (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | לִשְׁמֹ֥עַ (lishmoa) = om te luisteren | בְּקֹל֖וֹ (beqolo) = naar Zijn stem | וּלְדָבְקָה (uledaveqa) = en om je te hechten | ב֑וֹ (bo) = aan Hem | כִּ֣י (ki) = want | ה֤וּא (hu) = Hij | חַיֶּ֨יךָ֙ (chayeikha) = je leven | וְאֹ֣רֶךְ (veorekh) = en de lengte van | יָמֶ֔יךָ (yameikha) = je dagen | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | עַל (al) = op | הָאֲדָמָ֗ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | נִשְׁבַּ֨ע (nishba) = zwoer | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתֶ֛יךָ (laavoteikha) = aan je vaders | לְאַבְרָהָ֛ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֥ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹ֖ב (uleyaaqov) = en aan Jakob | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּבַק (davaq), ‘zich hechten’, zoals in Deut. 13:5 en 10:20. Voetnoot : Het land is gezworen aan Abraham, Isaak en Jakob (Gen. 15:18; 26:3; 35:12). Zie ook: Gen 15:18; Gen 26:3; Gen 35:12; Deut 10:20; Deut 13:5; Joh 11:25–26; Joh 14:6; Joh 17:3; Hand 17:25 ## Deuteronomium 31 _Jozua volgt Mozes op; de wet wordt opgeschreven en het lied wordt gegeven_ ### Mozes' laatste woorden: Yahweh zelf gaat voor hen uit **31:1** Mozes ging en sprak deze woorden tot heel Israël. Brontekst: וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיְדַבֵּ֛ר (vaydaber) = en sprak | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst: ‘Mozes ging’. Enkele oude teksten (waaronder de Septuaginta en handschriften uit Qumran) lezen ‘Mozes voltooide’. Het verschil is klein: in beide gevallen spreekt Mozes de laatste woorden tot het volk. **31:2** Hij zei tegen hen: „Ik ben vandaag 120 jaar oud. Ik kan niet meer uitgaan en inkomen. Yahweh heeft tegen mij gezegd: **‘Je zult deze Jordaan niet oversteken.’** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָה֩ (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֨ים (veesrim) = en twintig | שָׁנָ֤ה (shana) = jaar | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | לֹא (lo) = niet | אוּכַ֥ל (ukhal) = ik kan | ע֖וֹד (od) = meer | לָצֵ֣את (latset) = om uit te gaan | וְלָב֑וֹא (velavo) = en om binnen te komen | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | אָמַ֣ר (amar) = heeft gezegd | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲבֹ֖ר (taavor) = je zult oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֥ן (hayarden) = de Jordaan | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: לָצֵאת וְלָבוֹא (latset velavo), ‘uitgaan en inkomen’: het gewone leven en werk, ook als leider van het volk. Mozes zegt niet dat zijn kracht weg is (Deut. 34:7), maar dat hij niet meer de leider is die hen het land in brengt. Voetnoot : Yahweh heeft dit eerder gezegd: Deut. 3:27 en Num. 20:12. Zie ook: Ex 7:7; Num 20:12; Num 27:17; Deut 3:26–27; Deut 3:27; Deut 34:7; 1 Kon 3:7 **31:3** Yahweh, jullie Elohim, Hij zal voor jullie uit oversteken. Hij zal deze volken voor jullie vernietigen en jullie zullen hen verdrijven. Jozua zal voor jullie uit oversteken, zoals Yahweh gesproken heeft. Brontekst: יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je Elohim | ה֣וּא (hu) = Hij | עֹבֵ֣ר (over) = oversteekt | לְפָנֶ֗יךָ (lefaneikha) = voor je uit | הֽוּא (hu) = Hij | יַשְׁמִ֞יד (yashmid) = zal vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֛לֶּה (haele) = deze | מִלְּפָנֶ֖יךָ (milefaneikha) = voor je | וִֽירִשְׁתָּ֑ם (virishtam) = en jullie zullen hen verdrijven | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | ה֚וּא (hu) = hij | עֹבֵ֣ר (over) = oversteekt | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je uit | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָבַר (avar), ‘oversteken’: het gaat om de overgang over de Jordaan. Wij houden steeds hetzelfde woord, ook in vers 2 en 13. Voetnoot : יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’: met volken als voorwerp betekent het hun plaats innemen. Wij vertalen daarom ‘verdrijven’, zoals in Deut. 7:17. Zie ook: Deut 3:28; Deut 7:17; Deut 9:3; Deut 31:2; Deut 31:13; Deut 31:23; Joz 1:2; Joz 4:14 **31:4** Yahweh zal met hen doen zoals Hij gedaan heeft met Sichon en Og, de koningen van de Amorieten, en met hun land, toen Hij hen vernietigde. Brontekst: וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en Hij zal doen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֔ם (lahem) = met hen | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֗ה (asa) = Hij deed | לְסִיח֥וֹן (lesichon) = met Sichon | וּלְע֛וֹג (uleog) = en met Og | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amorieten | וּלְאַרְצָ֑ם (uleartsam) = en met hun land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הִשְׁמִ֖יד (hishmid) = Hij vernietigde | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sichon en Og: zie Num. 21:21–35. Zie ook: Num 21:21–35; Num 21:24–35; Deut 2:33; Deut 3:3–11; Deut 3:21; Deut 7:16 **31:5** Yahweh zal hen aan jullie overgeven. Dan zullen jullie met hen doen volgens heel het gebod dat ik jullie geboden heb. Brontekst: וּנְתָנָ֥ם (unetanam) = en Hij zal hen geven | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵיכֶ֑ם (lifneikhem) = aan jullie | וַעֲשִׂיתֶ֣ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | לָהֶ֔ם (lahem) = met hen | כְּכָל (kekhal) = volgens heel | הַמִּצְוָ֔ה (hamitsva) = het gebod | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = ik heb geboden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:32–33; Ex 34:12–16; Deut 7:2; Deut 7:23–25; Deut 20:16–17 **31:6** Wees sterk en moedig. Wees niet bang en schrik niet voor hen. Want Yahweh, jullie Elohim, Hij is het die met jullie meegaat. Hij zal jullie niet loslaten en jullie niet verlaten.” Brontekst: חִזְק֣וּ (chizqu) = weest sterk | וְאִמְצ֔וּ (veimtsu) = en weest moedig | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֥וּ (tireu) = jullie zullen vrezen | וְאַל (veal) = en niet | תַּעַרְצ֖וּ (taartsu) = jullie zullen schrikken | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen | כִּ֣י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | ה֚וּא (hu) = Hij | הַהֹלֵ֣ךְ (haholekh) = die gaat | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | לֹ֥א (lo) = niet | יַרְפְּךָ֖ (yarpekha) = Hij zal je loslaten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַעַזְבֶֽךָּ (yaazveka) = Hij zal je verlaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:9; 1 Kron 28:20; Ps 27:14; Jes 41:10; Ef 6:10 ### Mozes geeft Jozua zijn opdracht **31:7** Mozes riep Jozua en zei tegen hem voor de ogen van heel Israël: „Wees sterk en moedig. Want jij zult met dit volk het land binnengaan dat Yahweh hun vaders gezworen heeft hun te geven. En jij zult het hun als erfdeel geven. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en riep | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | לִֽיהוֹשֻׁ֗עַ (lihoshua) = tot Jozua | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | חֲזַ֣ק (chazaq) = wees sterk | וֶאֱמָץ֒ (veemats) = en wees moedig | כִּ֣י (ki) = want | אַתָּ֗ה (ata) = jij | תָּבוֹא֙ (tavo) = zult binnengaan | אֶת (et) = met | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֧ע (nishba) = zwoer | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲבֹתָ֖ם (laavotam) = aan hun vaders | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | תַּנְחִילֶ֥נָּה (tanchilena) = zult het als erfdeel geven | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָחַל (nachal) in de hifil, ‘als erfdeel geven’: het land verdelen als erfdeel. Zie Num. 27:18–23 en Deut. 3:28 voor de opdracht aan Jozua. Zie ook: Num 27:18–23; Deut 1:38; Deut 3:28; Deut 31:6; Joz 1:6; Ef 6:10 **31:8** Yahweh, Hij is het die voor je uit gaat. Hij zal met je zijn. Hij zal je niet loslaten en je niet verlaten. Wees niet bang en word niet ontmoedigd.” Brontekst: וַֽיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | ה֣וּא (hu) = Hij | הַהֹלֵ֣ךְ (haholekh) = die gaat | לְפָנֶ֗יךָ (lefaneikha) = voor je uit | ה֚וּא (hu) = Hij | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | לֹ֥א (lo) = niet | יַרְפְּךָ֖ (yarpekha) = Hij zal je loslaten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַֽעַזְבֶ֑ךָּ (yaazveka) = Hij zal je verlaten | לֹ֥א (lo) = niet | תִירָ֖א (tira) = je zult vrezen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֵחָֽת (techat) = je zult ontmoedigd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 33:14; Deut 31:6; Joz 1:5; Joz 1:9; Rom 8:31 ### De wet wordt opgeschreven en elke zeven jaar voorgelezen **31:9** Mozes schreef deze wet op. Hij gaf haar aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van Yahweh dragen, en aan alle oudsten van Israël. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֣ב (vayikhtov) = en schreef | מֹשֶׁה֮ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַתּוֹרָ֣ה (hatora) = de wet | הַזֹּאת֒ (hazot) = deze | וַֽיִּתְּנָ֗הּ (vayitenah) = en gaf haar | אֶל (el) = aan | הַכֹּהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | לֵוִ֔י (levi) = Levi | הַנֹּ֣שְׂאִ֔ים (hanoseim) = die dragen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֖וֹן (aron) = de ark van | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶל (veel) = en aan | כָּל (kal) = al | זִקְנֵ֖י (ziqnei) = de oudsten van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’. Het is wat Mozes heeft opgeschreven; zie ook Deut. 30:10 en 31:24–26. Zie ook: Num 4:15; Deut 30:10; Deut 31:24; Deut 31:28; Joz 3:3; Luc 20:28; Joh 1:17 **31:10** Mozes gaf hun deze opdracht. „Aan het einde van zeven jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar van de kwijtschelding, bij het feest van de hutten, Brontekst: וַיְצַ֥ו (vaytsav) = en gebood | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אוֹתָ֣ם (otam) = hen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מִקֵּ֣ץ (miqets) = aan het einde van | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֗ים (shanim) = jaren | בְּמֹעֵ֛ד (bemoed) = op de vastgestelde tijd van | שְׁנַ֥ת (shenat) = het jaar van | הַשְּׁמִטָּ֖ה (hashemita) = de kwijtschelding | בְּחַ֥ג (bechag) = op het feest van | הַסֻּכּֽוֹת (hasukot) = de hutten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמִטָּה (shemittah), ‘kwijtschelding’: het zevende jaar waarin schulden worden kwijtgescholden (Deut. 15:1–2). Het feest van de hutten valt in de zevende maand (Lev. 23:34). Zie ook: Lev 23:34–43; Deut 15:1–2 **31:11** wanneer heel Israël komt om het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim, te zien op de plaats die Hij kiest, moeten jullie deze wet hardop lezen voor heel Israël. Brontekst: בְּב֣וֹא (bevo) = wanneer komt | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לֵרָאוֹת֙ (leraot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵי֙ (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִבְחָ֑ר (yivchar) = Hij zal kiezen | תִּקְרָ֞א (tiqra) = je zult lezen | אֶת (et) = (obj.) | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | נֶ֥גֶד (neged) = voor | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּאָזְנֵיהֶֽם (beazeneihem) = in hun oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאָזְנֵיהֶם (be’aznehem), letterlijk ‘in hun oren’: zo dat zij het horen. Wij vertalen ‘hardop’. Voetnoot : לִרְאוֹת אֶת־פְּנֵי יְהוָה (lir’ot et penei Yahweh), ‘het aangezicht van Yahweh zien’: voor Hem verschijnen op de plaats die Hij kiest (Deut. 12:5; 16:16). Zie ook: Ex 34:24; Deut 12:5; Deut 16:16–17; Joz 8:34–35; 2 Kon 23:2; Neh 8:1–8 **31:12** Roep het volk bijeen: de mannen, de vrouwen en de kinderen, en de vreemdeling die in jullie poorten is. Zo zullen zij horen en leren Yahweh, jullie Elohim, te vrezen, en zorgvuldig alle woorden van deze wet te doen. Brontekst: הַקְהֵ֣ל (haqhel) = roep bijeen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֗ם (haam) = het volk | הָֽאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = de mannen | וְהַנָּשִׁים֙ (vehanashim) = en de vrouwen | וְהַטַּ֔ף (vehataf) = en de kinderen | וְגֵרְךָ֖ (vegerekha) = en je vreemdeling | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בִּשְׁעָרֶ֑יךָ (bishareikha) = in je poorten | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | יִשְׁמְע֜וּ (yishmeu) = zij zullen horen | וּלְמַ֣עַן (ulemaan) = en opdat | יִלְמְד֗וּ (yilmedu) = zij zullen leren | וְיָֽרְאוּ֙ (veyareu) = en zullen vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְשָֽׁמְר֣וּ (veshameru) = en zullen houden | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַף (taf), ‘kinderen’: letterlijk de kleine kinderen. Ook de vreemdeling (גֵּר, ger) luistert mee. Zie ook: Deut 4:10; Deut 6:6–7; Ps 19:8–12; Ps 34:12–15; Ezra 10:1 **31:13** Ook hun zonen, die het niet kennen, zullen het horen. Zij zullen leren Yahweh, jullie Elohim, te vrezen, al de dagen dat jullie leven op de grond. Jullie gaan daarheen, over de Jordaan, om die in bezit te nemen.” Brontekst: וּבְנֵיהֶ֞ם (uveneihem) = en hun zonen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדְע֗וּ (yadeu) = kennen | יִשְׁמְעוּ֙ (yishmeu) = zullen horen | וְלָ֣מְד֔וּ (velamedu) = en zullen leren | לְיִרְאָ֖ה (leyira) = om te vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֗ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | חַיִּים֙ (chayim) = levend | עַל (al) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֧ים (overim) = oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֛ן (hayarden) = de Jordaan | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om die in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 6:7; Deut 11:2; Ps 78:4–8; Spr 22:6; Ef 6:4 ### Yahweh roept Mozes en Jozua naar de tent van samenkomst **31:14** Yahweh zei tegen Mozes: **„Zie, je dagen om te sterven zijn nabij. Roep Jozua en stel jullie op in de tent van samenkomst, dan zal Ik hem opdracht geven.”** Mozes en Jozua gingen en stelden zich op in de tent van samenkomst. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | הֵ֣ן (hen) = zie | קָרְב֣וּ (qarevu) = zijn nabij gekomen | יָמֶיךָ֮ (yameikha) = je dagen | לָמוּת֒ (lamut) = om te sterven | קְרָ֣א (qera) = roep | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | וְהִֽתְיַצְּב֛וּ (vehityatsevu) = en stel jullie op | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | וַאֲצַוֶּ֑נּוּ (vaatsavenu) = en Ik zal hem opdracht geven | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וִֽיהוֹשֻׁ֔עַ (vihoshua) = en Jozua | וַיִּֽתְיַצְּב֖וּ (vayityatsevu) = en zij stelden zich op | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹהֶל מוֹעֵד (ohel mo’ed), ‘tent van samenkomst’, zoals in Exod. 33:7. Over de opdracht aan Jozua: Num. 27:18–23. Zie ook: Job 2:1; Ex 33:7; Num 27:13; Num 27:18–23; Deut 31:23; Pred 9:5; Jud 1:24 **31:15** Yahweh verscheen in de tent, in een wolkkolom. De wolkkolom bleef staan bij de ingang van de tent. Brontekst: וַיֵּרָ֧א (vayera) = en verscheen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּאֹ֖הֶל (baohel) = in de tent | בְּעַמּ֣וּד (beamud) = in de kolom van | עָנָ֑ן (anan) = wolk | וַיַּעֲמֹ֛ד (vayaamod) = en bleef staan | עַמּ֥וּד (amud) = de kolom van | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | עַל (al) = boven | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wolkkolom is het teken van Yahwehs tegenwoordigheid; zie Exod. 33:9–10. Zie ook: Ex 33:9–10; Ex 40:38; Ps 99:7 **31:16** Yahweh zei tegen Mozes: **„Zie, jij gaat liggen bij je vaders. Dan zal dit volk opstaan en hoereren achter de vreemde goden van het land waar het naartoe gaat, in zijn midden. Het zal Mij verlaten en Mijn verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | הִנְּךָ֥ (hinekha) = zie jou | שֹׁכֵ֖ב (shokhev) = liggend | עִם (im) = bij | אֲבֹתֶ֑יךָ (avoteikha) = je vaders | וְקָם֩ (veqam) = en zal opstaan | הָעָ֨ם (haam) = het volk | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | וְזָנָ֣ה (vezana) = en zal hoereren | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | נֵֽכַר (nekhar) = vreemde | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | ה֤וּא (hu) = dit volk | בָא (ba) = gaat | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | בְּקִרְבּ֔וֹ (beqirbo) = in zijn midden | וַעֲזָבַ֕נִי (vaazavani) = en zal Mij verlaten | וְהֵפֵר֙ (vehefer) = en zal verbreken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֔י (beriti) = Mijn verbond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּרַ֖תִּי (karati) = Ik sloot | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁכֵב עִם־אֲבֹתֶיךָ (shokhev im avotekha), ‘liggen bij je vaders’: sterven. Zie ook Num. 27:13, waar ‘verzameld worden bij je volk’ staat. Voetnoot : זָנָה (zanah), ‘hoereren’: trouweloos zijn tegenover Yahweh door andere goden te dienen, zoals in Num. 25:1. Voetnoot : הֵפֵר בְּרִית (hefer berit), ‘het verbond verbreken’. Voetnoot Lezing: In dit vers staat het volk eerst in het enkelvoud (‘dit volk’, ‘in zijn midden’, ‘met hem’). Wij vertalen het laatste ‘met hem’ als ‘met hen’, omdat het gaat om het volk als geheel. Zie ook: Ex 34:15; Num 25:1; Num 27:13; Re 2:12; Re 10:6; Re 10:13; Openb 19:2 **31:17** **Op die dag zal Mijn toorn tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen. Zij zullen worden verslonden, en vele rampen en benauwdheden zullen hen treffen. Op die dag zullen zij zeggen: ‘Is het niet omdat mijn Elohim niet in mijn midden is, dat deze rampen mij getroffen hebben?’** Brontekst: וְחָרָ֣ה (vechara) = en zal ontbranden | אַפִּ֣י (api) = Mijn toorn | ב֣וֹ (bo) = tegen hem | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַ֠הוּא (hahu) = die | וַעֲזַבְתִּ֞ים (vaazavtim) = en Ik zal hen verlaten | וְהִסְתַּרְתִּ֨י (vehistarti) = en Ik zal verbergen | פָנַ֤י (panay) = Mijn aangezicht | מֵהֶם֙ (mehem) = voor hen | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en hij zal worden | לֶֽאֱכֹ֔ל (leekhol) = tot verslinden | וּמְצָאֻ֛הוּ (umetsauhu) = en zullen hem treffen | רָע֥וֹת (raot) = rampen | רַבּ֖וֹת (rabot) = vele | וְצָר֑וֹת (vetsarot) = en benauwdheden | וְאָמַר֙ (veamar) = en hij zal zeggen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | הֲלֹ֗א (halo) = is het niet | עַ֣ל (al) = omdat | כִּֽי (ki) = dat | אֵ֤ין (ein) = niet is | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | בְּקִרְבִּ֔י (beqirbi) = in mijn midden | מְצָא֖וּנִי (metsauni) = hebben mij getroffen | הָרָע֥וֹת (haraot) = de rampen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסְתֵּר פָּנִים (haster panim), ‘het aangezicht verbergen’: Yahweh trekt Zich terug uit de nabijheid van het volk. Zie ook vers 18. Voetnoot : De woorden tussen ‘ ’ zijn het citaat van het volk zelf: zij zullen in hun nood de oorzaak herkennen. Zie ook: Num 14:42; Deut 31:18; Re 6:13; Ps 104:29; 2 Kron 15:2; Jes 8:17 **31:18** **Ik zal op die dag Mijn aangezicht zeker verbergen vanwege al het kwaad dat zij gedaan hebben, omdat zij zich tot andere goden gewend hebben.** Brontekst: וְאָנֹכִ֗י (veanokhi) = en Ik | הַסְתֵּ֨ר (haster) = verbergen | אַסְתִּ֤יר (astir) = Ik zal verbergen | פָּנַי֙ (panay) = Mijn aangezicht | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | עַ֥ל (al) = vanwege | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֖ה (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij heeft gedaan | כִּ֣י (ki) = want | פָנָ֔ה (pana) = hij heeft zich gewend | אֶל (el) = tot | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:16–17 ### Het lied als getuige **31:19** **Schrijf nu dit lied voor jullie op en leer het de zonen van Israël. Leg het in hun mond, zodat dit lied voor Mij een getuige is tegen de zonen van Israël.** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | כִּתְב֤וּ (kitvu) = schrijft | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַשִּׁירָ֣ה (hashira) = het lied | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְלַמְּדָ֥הּ (velamedah) = en leer het | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שִׂימָ֣הּ (simah) = leg het | בְּפִיהֶ֑ם (befihem) = in hun mond | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | תִּהְיֶה (tihye) = zal zijn | לִּ֜י (li) = voor Mij | הַשִּׁירָ֥ה (hashira) = het lied | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | לְעֵ֖ד (leed) = tot getuige | בִּבְנֵ֥י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het lied is het Lied van Mozes in Deut. 32. Het moet in de mond van het volk blijven als getuige (vers 21). Zie ook: Deut 6:7; Deut 31:21–22; Deut 31:26; Deut 31:30–32:45; Joh 12:48 **31:20** **Want Ik zal hen brengen naar de grond die Ik hun vaders gezworen heb, overvloeiend van melk en honing. Zij zullen eten, verzadigd en vet worden. Dan keren zij zich tot andere goden, dienen hen, minachten Mij en verbreken Mijn verbond.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֲבִיאֶ֜נּוּ (avienu) = Ik zal hem brengen | אֶֽל (el) = naar | הָאֲדָמָ֣ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | נִשְׁבַּ֣עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לַאֲבֹתָ֗יו (laavotav) = aan zijn vaders | זָבַ֤ת (zavat) = overvloeiend van | חָלָב֙ (chalav) = melk | וּדְבַ֔שׁ (udevash) = en honing | וְאָכַ֥ל (veakhal) = en hij zal eten | וְשָׂבַ֖ע (vesava) = en verzadigd worden | וְדָשֵׁ֑ן (vedashen) = en vet worden | וּפָנָ֞ה (ufana) = en zich wenden | אֶל (el) = tot | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִים֙ (acherim) = andere | וַעֲבָד֔וּם (vaavadum) = en zij zullen hen dienen | וְנִ֣אֲצ֔וּנִי (veniatsuni) = en zij zullen Mij minachten | וְהֵפֵ֖ר (vehefer) = en zij zullen verbreken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִֽי (beriti) = Mijn verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִאֵץ (ni’ets), ‘minachten’: verachten, met minachting behandelen. Zie ook Num. 14:11. Zie ook: Ex 3:8; Num 14:11; Deut 6:10–12; Hos 13:6; Ezech 34:16; Neh 9:25–26 **31:21** **Wanneer vele rampen en benauwdheden hen treffen, zal dit lied voor hen als getuige antwoorden. Want het zal niet vergeten worden uit de mond van hun nageslacht. Want Ik ken hun neiging, wat zij vandaag doen, voordat Ik hen naar het land breng dat Ik gezworen heb.”** Brontekst: וְ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | תִמְצֶ֨אןָ (timtsena) = zullen treffen | אֹת֜וֹ (oto) = hem | רָע֣וֹת (raot) = rampen | רַבּוֹת֮ (rabot) = vele | וְצָרוֹת֒ (vetsarot) = en benauwdheden | וְ֠עָנְתָה (veaneta) = en zal antwoorden | הַשִּׁירָ֨ה (hashira) = het lied | הַזֹּ֤את (hazot) = dit | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | לְעֵ֔ד (leed) = tot getuige | כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׁכַ֖ח (tishakhach) = het zal vergeten worden | מִפִּ֣י (mipi) = uit de mond van | זַרְע֑וֹ (zaro) = zijn nageslacht | כִּ֧י (ki) = want | יָדַ֣עְתִּי (yadati) = Ik ken | אֶת (et) = (obj.) | יִצְר֗וֹ (yitsro) = zijn neiging | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | ה֤וּא (hu) = hij | עֹשֶׂה֙ (ose) = doet | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | אֲבִיאֶ֔נּוּ (avienu) = Ik hem breng | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נִשְׁבָּֽעְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵצֶר (yetser), ‘neiging’: wat iemand van binnen vormt of voor zich ziet; ook ‘wat men bedenkt’ (Gen. 6:5; 8:21). Zie ook: Gen 6:5; Gen 8:21; Ps 139:2; Hos 5:3; Joh 2:24–25; Hand 4:28 **31:22** Mozes schreef dit lied die dag op en leerde het de zonen van Israël. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֥ב (vayikhtov) = en schreef | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַשִּׁירָ֥ה (hashira) = het lied | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op die | הַה֑וּא (hahu) = dag | וַֽיְלַמְּדָ֖הּ (vaylamedah) = en leerde het | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:9; Deut 31:19 **31:23** Yahweh gaf Jozua, de zoon van Nun, opdracht en zei: **„Wees sterk en moedig. Want jij zult de zonen van Israël brengen naar het land dat Ik hun gezworen heb, en Ik zal met je zijn.”** Brontekst: וַיְצַ֞ו (vaytsav) = en gaf opdracht | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֗וּן (nun) = Nun | וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en zei | חֲזַ֣ק (chazaq) = wees sterk | וֶֽאֱמָץ֒ (veemats) = en wees moedig | כִּ֣י (ki) = want | אַתָּ֗ה (ata) = jij | תָּבִיא֙ (tavi) = zult brengen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֣עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en Ik | אֶֽהְיֶ֥ה (ehye) = zal zijn | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt het onderwerp van ‘gaf opdracht’ niet. Wij lezen Yahweh, omdat de woorden ‘het land dat Ik hun gezworen heb’ en ‘Ik zal met je zijn’ uit Yahwehs mond komen (Deut. 31:7–8 en Exod. 3:12). Daarom zetten wij de naam Yahweh in de zin. Zie ook: Ex 3:12; Deut 3:28; Deut 31:7–8; Deut 31:14; Joz 1:5–9; Hand 7:45 ### Het boek van de wet naast de ark **31:24** Toen Mozes klaar was met het opschrijven van de woorden van deze wet in een boek, tot het einde toe, Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְּכַלּ֣וֹת (kekhalot) = toen klaar was | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | לִכְתֹּ֛ב (likhtov) = met het schrijven van | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַתּוֹרָֽה (hatora) = de wet | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | עַל (al) = in | סֵ֑פֶר (sefer) = een boek | עַ֖ד (ad) = tot | תֻּמָּֽם (tumam) = hun einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 17:18; Deut 31:9 **31:25** gaf Mozes de Levieten, die de ark van het verbond van Yahweh droegen, dit bevel: Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en gaf bevel | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | נֹ֥שְׂאֵ֛י (noseei) = dragers van | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:9 **31:26** „Neem dit boek van de wet en leg het naast de ark van het verbond van Yahweh, jullie Elohim. Daar zal het als getuige tegen jullie zijn. Brontekst: לָקֹ֗חַ (laqoach) = neem | אֵ֣ת (et) = (obj.) | סֵ֤פֶר (sefer) = het boek van | הַתּוֹרָה֙ (hatora) = de wet | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְשַׂמְתֶּ֣ם (vesamtem) = en leg | אֹת֔וֹ (oto) = het | מִצַּ֛ד (mitsad) = naast | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְהָֽיָה (vehaya) = en het zal zijn | שָׁ֥ם (sham) = daar | בְּךָ֖ (bekha) = tegen jou | לְעֵֽד (leed) = tot getuige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het boek van de wet naast de ark: de ark bevat de twee tafelen (Exod. 25:16), het boek ligt ernaast. Zo is het ook een getuige tegen het volk (vers 27). Zie ook: Ex 25:16; Deut 31:19; Deut 31:27; 1 Kon 8:9; 2 Kron 34:14–15; Gal 2:19; Rom 3:19–20 **31:27** Want ik ken jullie opstandigheid en jullie harde nek. Zie, nu ik vandaag nog bij jullie leef, zijn jullie opstandig geweest tegen Yahweh. Hoeveel te meer na mijn dood! Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | יָדַ֨עְתִּי֙ (yadati) = ken | אֶֽת (et) = (obj.) | מֶרְיְךָ֔ (meryekha) = je opstandigheid | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | עָרְפְּךָ֖ (arpekha) = je nek | הַקָּשֶׁ֑ה (haqashe) = de harde | הֵ֣ן (hen) = zie | בְּעוֹדֶנִּי֩ (beodeni) = terwijl ik nog | חַ֨י (chay) = leef | עִמָּכֶ֜ם (imakhem) = met jullie | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | מַמְרִ֤ים (mamrim) = opstandig | הֱיִתֶם֙ (heyitem) = zijn jullie geweest | עִם (im) = tegen | יְהֹוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאַ֖ף (veaf) = en hoeveel meer | כִּי (ki) = als | אַחֲרֵ֥י (acharei) = na | מוֹתִֽי (moti) = mijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹרֶף קָשֶׁה (oref qasheh), ‘harde nek’: dat wil zeggen halsstarrig, zoals in Exod. 32:9. Zie ook: Ex 32:8–9; Ex 32:9; Deut 9:6–7; Deut 9:24; Deut 32:20; Ps 78:8 ### Mozes spreekt het lied uit **31:28** Roep alle oudsten van jullie stammen en jullie opzichters bij mij bijeen. Dan zal ik deze woorden voor hun oren spreken en de hemel en de aarde als getuigen tegen hen oproepen. Brontekst: הַקְהִ֧ילוּ (haqhilu) = verzamel | אֵלַ֛י (elay) = bij mij | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | שִׁבְטֵיכֶ֖ם (shivteikhem) = jullie stammen | וְשֹׁטְרֵיכֶ֑ם (veshotereikhem) = en jullie opzichters | וַאֲדַבְּרָ֣ה (vaadabera) = en ik zal spreken | בְאָזְנֵיהֶ֗ם (beazeneihem) = in hun oren | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וְאָעִ֣ידָה (veaida) = en ik zal tot getuige nemen | בָּ֔ם (bam) = tegen hen | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’, zoals in Deut. 1:15. Zie ook: Deut 1:15; Deut 4:26; Deut 29:9; Deut 30:19; Deut 32:1; Luc 19:40 **31:29** Want ik weet dat jullie na mijn dood zeker zullen verderven en afwijken van de weg die ik jullie geboden heb. Dan zal het kwaad jullie treffen in de laatste dagen, omdat jullie doen wat kwaad is in de ogen van Yahweh. Om Hem tot toorn te prikkelen met het werk van jullie handen.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יָדַ֗עְתִּי (yadati) = ik ken | אַחֲרֵ֤י (acharei) = na | מוֹתִי֙ (moti) = mijn dood | כִּֽי (ki) = dat | הַשְׁחֵ֣ת (hashchet) = zeker verderven | תַּשְׁחִת֔וּן (tashchitun) = jullie zullen verderven | וְסַרְתֶּ֣ם (vesartem) = en jullie zullen afwijken | מִן (min) = van | הַדֶּ֔רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = ik heb geboden | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וְקָרָ֨את (veqarat) = en zal treffen | אֶתְכֶ֤ם (etkhem) = jullie | הָֽרָעָה֙ (haraa) = het kwaad | בְּאַחֲרִ֣ית (beacharit) = in het einde van | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | כִּֽי (ki) = omdat | תַעֲשׂ֤וּ (taasu) = jullie zullen doen | אֶת (et) = (obj.) | הָרַע֙ (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַכְעִיס֖וֹ (lehakhiso) = om Hem te prikkelen | בְּמַעֲשֵׂ֥ה (bemaase) = met het werk van | יְדֵיכֶֽם (yedeikhem) = jullie handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de tijd in de toekomst; zie Gen. 49:1. Zie ook: Gen 49:1; Deut 4:30; Deut 32:5; Re 2:19; Hos 9:9; Luc 19:42–44 **31:30** Mozes sprak voor de oren van heel de vergadering van Israël de woorden van dit lied, tot het einde toe. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | בְּאָזְנֵי֙ (beazenei) = in de oren van | כָּל (kal) = heel | קְהַ֣ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַשִּׁירָ֖ה (hashira) = het lied | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | עַ֖ד (ad) = tot | תֻּמָּֽם (tumam) = hun einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:5; Joh 12:49; Hand 20:27; Heb 3:2; Heb 3:5 ## Deuteronomium 32 _Het Lied van Mozes: de Rots en zijn ontrouwe volk_ ### Aanhef van het lied **32:1** Luister, hemel, dan zal ik spreken; aarde, hoor de woorden van mijn mond. Brontekst: הַאֲזִ֥ינוּ (haazinu) = luister | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וַאֲדַבֵּ֑רָה (vaadabera) = en ik zal spreken | וְתִשְׁמַ֥ע (vetishma) = en laat horen | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | פִֽי (pi) = mijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hemel en aarde worden aangeroepen als getuigen, zoals in Deut. 30:19 en 31:28. Dit is het lied dat Yahweh aan Mozes heeft opgedragen op te schrijven (Deut. 31:19–22). Zie ook: Deut 4:26; Deut 30:19; Deut 31:19–22; Deut 31:28; Ps 49:2; Ps 50:4; Jes 1:2; Jer 22:29 **32:2** Moge mijn onderwijs druipen als regen en mijn woord stromen als dauw, als motregen op het jonge gras en als regenbuien op het groen. Brontekst: יַעֲרֹ֤ף (yaarof) = moge druipen | כַּמָּטָר֙ (kamatar) = als regen | לִקְחִ֔י (liqchi) = mijn onderwijs | תִּזַּ֥ל (tizal) = moge stromen | כַּטַּ֖ל (katal) = als dauw | אִמְרָתִ֑י (imrati) = mijn woord | כִּשְׂעִירִ֣ם (kisirim) = als motregen | עֲלֵי (alei) = op | דֶ֔שֶׁא (deshe) = jong gras | וְכִרְבִיבִ֖ים (vekhirvivim) = en als regenbuien | עֲלֵי (alei) = op | עֵֽשֶׂב (esev) = groen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶקַח (leqach), ‘onderwijs’: wat iemand leert en doorgeeft. Regen en dauw zijn het beeld voor woorden die het hart laten groeien. Zie ook: Job 29:22–23; Ps 72:6; Hos 14:6; Jes 55:10–11; Mi 5:6 **32:3** Want de naam van Yahweh roep ik uit. Geef grootheid aan onze Elohim. Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | שֵׁ֥ם (shem) = naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶקְרָ֑א (eqra) = ik roep uit | הָב֥וּ (havu) = geeft | גֹ֖דֶל (godel) = grootheid | לֵאלֹהֵֽינוּ (leloheinu) = aan onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:3; Deut 5:24; Ps 150:2; Jer 10:6; Ef 1:19 ### De Rots is trouw **32:4** De Rots: onberispelijk is Zijn werk, want al Zijn wegen zijn recht. Een El van betrouwbaarheid, zonder onrecht, rechtvaardig en oprecht is Hij. Brontekst: הַצּוּר֙ (hatsur) = de Rots | תָּמִ֣ים (tamim) = onberispelijk | פָּעֳל֔וֹ (paolo) = Zijn werk | כִּ֥י (ki) = want | כָל (kal) = al | דְּרָכָ֖יו (derakhav) = Zijn wegen | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | אֵ֤ל (el) = El van | אֱמוּנָה֙ (emuna) = betrouwbaarheid | וְאֵ֣ין (veein) = en zonder | עָ֔וֶל (avel) = onrecht | צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardig | וְיָשָׁ֖ר (veyashar) = en oprecht | הֽוּא (hu) = Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צוּר (tsur), ‘Rots’: in dit lied een titel van Yahweh (vers 4, 15, 18 en 30). In de verzen 31 en 37 staat hetzelfde woord voor de ‘rots’ van de volken, dat zijn hun afgoden; die schrijven wij met een kleine letter. Voetnoot : אֵל (El): wij laten ‘El’ staan, zoals in Exod. 34:6. Voetnoot : תָּמִים (tamim), ‘onberispelijk’: zonder gebrek, zoals Noach in Gen. 6:9. Zie ook: Gen 6:9; Ex 34:6; Deut 32:15; Deut 32:18; Deut 32:30; 2 Sam 22:31–32; Ps 18:3; Ps 18:31–32; Ps 92:16; Jes 26:4 ### Het verdorven geslacht **32:5** Zij hebben zich tegen Hem verdorven. Zij zijn Zijn zonen niet; dat is hun gebrek: een verdraaid en kronkelig geslacht. Brontekst: שִׁחֵ֥ת (shichet) = zij hebben verdorven | ל֛וֹ (lo) = tegen Hem | לֹ֖א (lo) = niet | בָּנָ֣יו (banav) = Zijn zonen | מוּמָ֑ם (mumam) = hun gebrek | דּ֥וֹר (dor) = geslacht | עִקֵּ֖שׁ (iqesh) = verdraaid | וּפְתַלְתֹּֽל (ufetaltol) = en kronkelig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is in het Hebreeuws moeilijk en kan op meer manieren gelezen worden. Wij lezen: zij hebben zich verdorven, zij zijn niet Zijn zonen, dat is hun gebrek. Een andere lezing is ‘Zijn zonen niet — hun gebrek!’ Het komt op hetzelfde neer: zij zijn niet meer zoals Zijn zonen horen te zijn. Voetnoot : מוּם (mum), ‘gebrek’: een lichamelijke schandvlek (Lev. 21:17), hier een gebrek in het gedrag. Zie ook: Lev 21:17; Deut 31:29; Jes 1:4; Mat 17:17; Luc 9:41; Fil 2:15 **32:6** Is dit wat je Yahweh vergeldt, dwaas en onwijs volk? Is Hij niet je vader, die je verworven heeft? Hij heeft je gemaakt en je gevestigd. Brontekst: הֲ (ha) = of | לַיְהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | תִּגְמְלוּ (tigmelu) = jullie vergelden | זֹ֔את (zot) = dit | עַ֥ם (am) = volk | נָבָ֖ל (naval) = dwaas | וְלֹ֣א (velo) = en niet | חָכָ֑ם (chakham) = wijs | הֲלוֹא (halo) = is niet | הוּא֙ (hu) = Hij | אָבִ֣יךָ (avikha) = je vader | קָּנֶ֔ךָ (qanekha) = die je verworven heeft | ה֥וּא (hu) = Hij | עָֽשְׂךָ֖ (asekha) = die je gemaakt heeft | וַֽיְכֹנְנֶֽךָ (vaykhonenekha) = en je gevestigd heeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָנָה (qanah), ‘verwerven’: Yahweh heeft Israël voor Zich verworven, zoals in Exod. 15:16. De beelden van vader, maker en grondlegger horen bij elkaar; zie ook Deut. 14:1. Zie ook: Ex 15:16; Deut 14:1; Ps 74:2; Jes 44:2; Jes 63:16; Jes 64:7; 1 Joh 3:1 ### Denk aan de dagen van vroeger **32:7** Denk aan de dagen van vroeger, let op de jaren van geslacht na geslacht. Vraag het je vader, dan zal hij het je vertellen, vraag het je oudsten, dan zullen zij het je zeggen. Brontekst: זְכֹר֙ (zekhor) = denk aan | יְמ֣וֹת (yemot) = dagen van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | בִּ֖ינוּ (binu) = let op | שְׁנ֣וֹת (shenot) = jaren van | דּוֹר (dor) = geslacht | וָד֑וֹר (vador) = en geslacht | שְׁאַ֤ל (sheal) = vraag | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | וְיַגֵּ֔דְךָ (veyagedekha) = en hij zal het je vertellen | זְקֵנֶ֖יךָ (zeqeneikha) = je oudsten | וְיֹ֥אמְרוּ (veyomru) = en zij zullen zeggen | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלָם (olam) staat voor een lange tijd; ‘de dagen van olam’ zijn de dagen van vroeger. Het vers vraagt het volk terug te kijken naar zijn eigen geschiedenis. Zie ook: Job 8:8–10; Ps 44:2; Ps 77:6–7; Ps 78:3–4; Jes 46:9 **32:8** Toen de Allerhoogste de volken hun erfdeel gaf, toen Hij de mensen van elkaar scheidde, stelde Hij de grenzen van de volken vast naar het getal van de zonen van Israël. Brontekst: בְּהַנְחֵ֤ל (behanchel) = toen gaf als erfdeel | עֶלְיוֹן֙ (elyon) = de Allerhoogste | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | בְּהַפְרִיד֖וֹ (behafrido) = toen Hij scheidde | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אָדָ֑ם (adam) = mens | יַצֵּב֙ (yatsev) = Hij stelde vast | גְּבֻלֹ֣ת (gevulot) = grenzen van | עַמִּ֔ים (amim) = volken | לְמִסְפַּ֖ר (lemispar) = naar het getal van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶלְיוֹן (Elyon), ‘de Allerhoogste’: een titel van Yahweh, zoals in Num. 24:16. בְּנֵי אָדָם (bnei adam), letterlijk ‘zonen van de mens’: de mensen, zoals bij de verdeling van de volken in Gen. 10–11. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst: ‘naar het getal van de zonen van Israël’. De Septuaginta en een Qumranhandschrift lezen ‘naar het getal van de zonen van Elohim’ (de engelen). Dan sluit het vers aan bij vers 9: de volken zijn aan de zonen van Elohim toegewezen, maar Yahweh houdt Israël voor Zichzelf. Zie ook Deut. 4:19–20 en 29:25. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:30–32 bevestigt dat Yahweh Israël voor Zichzelf koos en er geen engel of geest over aanstelde. Zie ook: Gen 11:8–9; Gen 15:18–21; Jub 15:30–32; Num 24:16; Deut 4:19–20; Deut 29:25; Deut 32:9; Ps 115:16; Dan 4:14; Hand 17:26 **32:9** Want het deel van Yahweh is Zijn volk, Jakob is het toegemeten stuk van Zijn erfdeel. Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | חֵ֥לֶק (cheleq) = deel van | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַמּ֑וֹ (amo) = Zijn volk | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | חֶ֥בֶל (chevel) = toegemeten stuk van | נַחֲלָתֽוֹ (nachalato) = Zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:5–6; 1 Kon 8:51; 1 Kon 8:53; Jer 10:16; 1 Petr 2:9–10 ### Yahweh vindt en draagt Zijn volk **32:10** Hij vond hem in een woestijnland, in de woeste leegte van een huilende wildernis. Hij omringde hem, lette op hem en behoedde hem als Zijn oogappel. Brontekst: יִמְצָאֵ֨הוּ֙ (yimtsaehu) = Hij vond hem | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִדְבָּ֔ר (midbar) = woestijn | וּבְתֹ֖הוּ (uvetohu) = en in de leegte van | יְלֵ֣ל (yelel) = gehuil van | יְשִׁמֹ֑ן (yeshimon) = wildernis | יְסֹֽבְבֶ֨נְהוּ֙ (yesovevenhu) = Hij omringde hem | יְב֣וֹנְנֵ֔הוּ (yevonenehu) = Hij lette op hem | יִצְּרֶ֖נְהוּ (yitserenhu) = Hij behoedde hem | כְּאִישׁ֥וֹן (keishon) = als de oogappel van | עֵינֽוֹ (eino) = Zijn oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּהוּ (tohu), ‘woeste leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2. Hier is het de woestijn waar Israël werd gevonden. Voetnoot : אִישׁוֹן (ishon), ‘oogappel’: letterlijk het ‘mannetje’ in het oog, de pupil. Zie ook Deut. 32:11 voor het beeld van de zorg. Zie ook: Gen 1:2; Deut 8:15–16; Deut 32:11; Ps 17:8; Hos 13:5; Jer 2:6; Zach 2:12 **32:11** Als een arend die zijn nest wakker schudt, boven zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitspreidt, hem opneemt en hem draagt op zijn vleugelpennen, Brontekst: כְּנֶ֨שֶׁר֙ (kenesher) = als een arend | יָעִ֣יר (yair) = hij schudt wakker | קִנּ֔וֹ (qino) = zijn nest | עַל (al) = boven | גּוֹזָלָ֖יו (gozalav) = zijn jongen | יְרַחֵ֑ף (yerachef) = hij zweeft | יִפְרֹ֤שׂ (yifros) = hij spreidt uit | כְּנָפָיו֙ (kenafav) = zijn vleugels | יִקָּחֵ֔הוּ (yiqachehu) = hij neemt hem | יִשָּׂאֵ֖הוּ (yisaehu) = hij draagt hem | עַל (al) = op | אֶבְרָתֽוֹ (evrato) = zijn vleugelpennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld van de arend die zijn jongen draagt staat ook in Exod. 19:4. Zie ook: Ex 19:4; Jes 31:5; Jes 40:31; Jes 46:4; Jes 63:9 **32:12** zo leidde Yahweh alleen hem, en er was geen vreemde El bij Hem. Brontekst: יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּדָ֣ד (badad) = alleen | יַנְחֶ֑נּוּ (yanchenu) = Hij leidde hem | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | עִמּ֖וֹ (imo) = met Hem | אֵ֥ל (el) = El | נֵכָֽר (nekhar) = vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל נֵכָר (El nekar), ‘vreemde El’: een vreemde god. Wij laten ‘El’ staan, zoals in vers 4 en 18. Zie ook: Deut 1:31; Deut 32:4; Deut 32:18; Ps 78:14; Ps 78:52–53; Jes 44:7–8; Jes 46:4 **32:13** Hij liet hem rijden over de hoogten van het land en hij at de opbrengst van het veld. Hij liet hem honing zuigen uit een rotswand en olie uit vuurstenen rots, Brontekst: יַרְכִּבֵ֨הוּ֙ (yarkivehu) = Hij liet hem rijden | עַל (al) = over | בָּ֣מֳתֵי (bamotei) = hoogten van | אָ֔רֶץ (arets) = land | וַיֹּאכַ֖ל (vayokhal) = en hij at | תְּנוּבֹ֣ת (tenuvot) = opbrengst van | שָׂדָ֑י (saday) = veld | וַיֵּנִקֵ֤הֽוּ (vayeniqehu) = en Hij liet hem zuigen | דְבַשׁ֙ (devash) = honing | מִסֶּ֔לַע (misela) = uit rotswand | וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | מֵחַלְמִ֥ישׁ (mechalmish) = uit vuursteen | צֽוּר (tsur) = rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמֳתֵי אָרֶץ (bamotei arets), ‘hoogten van het land’: de bergen van het beloofde land. סֶלַע (sela), ‘rotswand’, en צוּר (tsur), ‘rots’: hier gewone rotsen, geen titel. Zie ook: Job 29:6; Deut 33:26; Ps 81:17; Jes 58:14; Ezech 36:2 **32:14** room van runderen en melk van kleinvee, met het vet van lammeren en rammen uit Basan, en van bokken, met het beste van de tarwe. Het bloed van de druif dronk je: wijn. Brontekst: חֶמְאַ֨ת (chemat) = room van | בָּקָ֜ר (baqar) = runderen | וַחֲלֵ֣ב (vachalev) = en melk van | צֹ֗אן (tson) = kleinvee | עִם (im) = met | חֵ֨לֶב (chelev) = vet van | כָּרִ֜ים (karim) = lammeren | וְאֵילִ֤ים (veeilim) = en rammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | בָשָׁן֙ (bashan) = Basan | וְעַתּוּדִ֔ים (veatudim) = en bokken | עִם (im) = met | חֵ֖לֶב (chelev) = vet van | כִּלְי֣וֹת (kilyot) = nieren van | חִטָּ֑ה (chita) = tarwe | וְדַם (vedam) = en bloed van | עֵנָ֖ב (enav) = druif | תִּשְׁתֶּה (tishte) = je dronk | חָֽמֶר (chamer) = wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: חֶמְאָה (chem’ah), ‘room’: dikke melk of boter. Voetnoot : חֵלֶב כִּלְיוֹת חִטָּה (chelev kilyot chitah), letterlijk ‘nierenvet van tarwe’: het beste van de tarwe, zoals het vet het beste van een offerdier is. Voetnoot : בְּנֵי בָשָׁן (bnei Bashan), ‘zonen van Basan’: schapen uit Basan, een streek die bekend was om zijn kudden. Zie ook: Gen 49:11; Ps 22:13; Ps 81:17; Ps 147:14; Mi 7:14 ### Jesurun wordt vet en vergeet de Rots **32:15** Jesurun werd vet en trapte uit. Je werd vet, dik en glanzend. Hij verliet Eloah, die hem gemaakt had, en verachtte de Rots van zijn redding. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ן (vayishman) = en hij werd vet | יְשֻׁרוּן֙ (yeshurun) = Jesurun | וַיִּבְעָ֔ט (vayivat) = en hij trapte uit | שָׁמַ֖נְתָּ (shamanta) = je werd vet | עָבִ֣יתָ (avita) = je werd dik | כָּשִׂ֑יתָ (kasita) = je werd glanzend | וַיִּטֹּשׁ֙ (vayitosh) = en hij verliet | אֱל֣וֹהַ (eloha) = Eloah | עָשָׂ֔הוּ (asahu) = die hem maakte | וַיְנַבֵּ֖ל (vaynabel) = en hij verachtte | צ֥וּר (tsur) = Rots van | יְשֻׁעָתֽוֹ (yeshuato) = zijn redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְשֻׁרוּן (Jesurun): een dichterlijke naam voor Israël, afgeleid van ‘oprecht’ (יָשָׁר, yashar). Zie ook Deut. 33:5 en 33:26. Voetnoot : אֱלוֹהַּ (Eloah): enkelvoud van Elohim. Wij laten ‘Eloah’ staan, zoals in Job. Voetnoot : נִבֵּל (nibbel), ‘verachten’: letterlijk ‘als een dwaas behandelen’; hetzelfde grondwoord als ‘dwaas’ (נָבָל, naval) in vers 6 en 21. Zie ook: Deut 31:20; Deut 32:6; Deut 32:21; Deut 33:5; Deut 33:26; Ps 89:27; Hos 13:6; Hand 28:27 **32:16** Zij maakten Hem na-ijverig met vreemden, met gruwelen prikkelden zij Hem tot toorn. Brontekst: יַקְנִאֻ֖הוּ (yaqniuhu) = zij maakten Hem na-ijverig | בְּזָרִ֑ים (bezarim) = met vreemden | בְּתוֹעֵבֹ֖ת (betoevot) = met gruwelen | יַכְעִיסֻֽהוּ (yakhisuhu) = zij prikkelden Hem tot toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:9; Deut 7:25; Ps 78:58; 1 Kon 14:22; 1 Kor 10:22 **32:17** Zij offerden aan demonen, die geen Eloah zijn, aan goden die zij niet kenden, nieuwe, van dichtbij gekomen, die jullie vaders niet gevreesd hadden. Brontekst: יִזְבְּח֗וּ (yizbechu) = zij offerden | לַשֵּׁדִים֙ (lashedim) = aan demonen | לֹ֣א (lo) = niet | אֱלֹ֔הַ (eloha) = Eloah | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = goden | לֹ֣א (lo) = niet | יְדָע֑וּם (yedaum) = zij kenden hen | חֲדָשִׁים֙ (chadashim) = nieuwe | מִקָּרֹ֣ב (miqarov) = van dichtbij | בָּ֔אוּ (bau) = zij kwamen | לֹ֥א (lo) = niet | שְׂעָר֖וּם (searum) = zij vreesden hen | אֲבֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁדִים (shedim), ‘demonen’: machten die achter de afgoden staan. לֹא אֱלֹהַּ (lo Eloah), ‘geen Eloah’: wat geen god is. Voetnoot : שְׂעָרוּם (se’arum), ‘gevreesd’: zij hadden er geen ontzag voor. Het woord is zeldzaam en de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 17:7; Deut 28:64; Deut 32:21; Re 5:8; 1 Tim 4:1 **32:18** De Rots die je gebaard heeft, verwaarloosde je, en je vergat de El die je ter wereld bracht. Brontekst: צ֥וּר (tsur) = de Rots | יְלָדְךָ֖ (yeladekha) = die je gebaard heeft | תֶּ֑שִׁי (teshi) = je verwaarloosde | וַתִּשְׁכַּ֖ח (vatishkach) = en je vergat | אֵ֥ל (el) = El | מְחֹלְלֶֽךָ (mecholelekha) = die je ter wereld bracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:11; Deut 32:4; Ps 106:21; Jes 17:10; Jer 2:32 ### Het oordeel van Yahweh **32:19** Yahweh zag het en minachtte hen, geprikkeld tot toorn door Zijn zonen en dochters. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּנְאָ֑ץ (vayinats) = en Hij minachtte | מִכַּ֥עַס (mikaas) = uit de prikkeling tot toorn van | בָּנָ֖יו (banav) = Zijn zonen | וּבְנֹתָֽיו (uvenotav) = en Zijn dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 2:14; Ps 5:5; Ps 78:59; Ps 106:40; Jes 1:2 **32:20** Hij zei: **„Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen, Ik zal zien wat hun einde is. Want zij zijn een geslacht vol verkeerdheid, kinderen in wie geen betrouwbaarheid is.** Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אַסְתִּ֤ירָה (astira) = Ik zal verbergen | פָנַי֙ (panay) = Mijn aangezicht | מֵהֶ֔ם (mehem) = voor hen | אֶרְאֶ֖ה (ere) = Ik zal zien | מָ֣ה (ma) = wat | אַחֲרִיתָ֑ם (acharitam) = hun einde | כִּ֣י (ki) = want | ד֤וֹר (dor) = geslacht van | תַּהְפֻּכֹת֙ (tahpukhot) = verkeerdheden | הֵ֔מָּה (hema) = zij | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | לֹא (lo) = niet | אֵמֻ֥ן (emun) = betrouwbaarheid | בָּֽם (bam) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּהְפֻּכֹת (tahpukhot), ‘verkeerdheid’: alles wat omgedraaid is, het tegendeel van recht. אֱמֻן (emun), ‘betrouwbaarheid’: hetzelfde grondwoord als אֱמוּנָה (emunah) in vers 4. Zie ook: Deut 31:17–18; Deut 32:4; Deut 32:5; Jes 64:6; Mat 17:17; Luc 7:31–32 **32:21** **Zij hebben Mij na-ijverig gemaakt met wat geen El is, Mij tot toorn geprikkeld met hun nietigheden. Daarom zal Ik hen na-ijverig maken met wat geen volk is, met een dwaze natie zal Ik hen tot toorn prikkelen.** Brontekst: הֵ֚ם (hem) = zij | קִנְא֣וּנִי (qinuni) = zij hebben Mij na-ijverig gemaakt | בְלֹא (belo) = met wat niet | אֵ֔ל (el) = El | כִּעֲס֖וּנִי (kiasuni) = zij hebben Mij tot toorn geprikkeld | בְּהַבְלֵיהֶ֑ם (behavleihem) = met hun nietigheden | וַאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | אַקְנִיאֵ֣ם (aqniem) = zal hen na-ijverig maken | בְּלֹא (belo) = met wat niet | עָ֔ם (am) = volk | בְּג֥וֹי (begoy) = met een natie | נָבָ֖ל (naval) = dwaze | אַכְעִיסֵֽם (akhisem) = Ik zal hen tot toorn prikkelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Paulus haalt dit vers aan in Rom. 10:19. הֶבֶל (hevel), ‘nietigheid’: afgoden zijn niets. לֹא־אֵל (lo El), ‘wat geen El is’, en לֹא־עָם (lo am), ‘wat geen volk is’: Yahweh antwoordt in gelijke munt, zoals in vers 16. Zie ook: Deut 32:16; 1 Kon 16:13; 1 Kon 16:26; Rom 9:25; Rom 10:19; Rom 11:11–14 **32:22** **Want een vuur is ontstoken in Mijn toorn. Het brandt tot in het diepste van het dodenrijk, verteert het land en zijn opbrengst en zet de fundamenten van de bergen in brand.** Brontekst: כִּי (ki) = want | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | קָדְחָ֣ה (qadecha) = is ontstoken | בְאַפִּ֔י (beapi) = in Mijn toorn | וַתִּיקַ֖ד (vatiqad) = en het brandt | עַד (ad) = tot | שְׁא֣וֹל (sheol) = dodenrijk | תַּחְתִּ֑ית (tachtit) = onderste | וַתֹּ֤אכַל (vatokhal) = en het verteert | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = land | וִֽיבֻלָ֔הּ (vivulah) = en zijn opbrengst | וַתְּלַהֵ֖ט (vatelahet) = en het zet in brand | מוֹסְדֵ֥י (mosedei) = fundamenten van | הָרִֽים (harim) = bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (She’ol), ‘dodenrijk’: de plaats van de doden; ‘het diepste’ is de laagste plek. Zie ook: Job 9:5–6; Ps 86:13; Mi 1:4; Jer 15:14; Klaagl 4:11 **32:23** **Ik zal rampen over hen opstapelen, Mijn pijlen zal Ik op hen opmaken.** Brontekst: אַסְפֶּ֥ה (aspe) = Ik zal opstapelen | עָלֵ֖ימוֹ (aleimo) = over hen | רָע֑וֹת (raot) = rampen | חִצַּ֖י (chitsay) = Mijn pijlen | אֲכַלֶּה (akhale) = Ik zal opmaken | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:24; Ps 7:13–14; Jes 24:17–18; Ezech 5:16; Ezech 14:21 **32:24** **Uitgeput van honger, verteerd door gloed en bittere pest. De tanden van beesten zal Ik op hen zenden, met het gif van wat in het stof kruipt.** Brontekst: מְזֵ֥י (mezei) = uitgeput van | רָעָ֛ב (raav) = honger | וּלְחֻ֥מֵי (ulechumei) = en verteerd door | רֶ֖שֶׁף (reshef) = gloed | וְקֶ֣טֶב (veqetev) = en pest | מְרִירִ֑י (meriri) = bitter | וְשֶׁן (veshen) = en tand van | בְּהֵמוֹת֙ (behemot) = beesten | אֲשַׁלַּח (ashalach) = Ik zal zenden | בָּ֔ם (bam) = op hen | עִם (im) = met | חֲמַ֖ת (chamat) = gif van | זֹחֲלֵ֥י (zochalei) = wat kruipt | עָפָֽר (afar) = stof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶשֶׁף (reshef), ‘gloed’: koortsachtige hitte of een plaag. קֶטֶב (qeteb), ‘pest’: verderf. De woorden zijn dichterlijk en de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 26:22; Ps 91:6; Jer 14:18; Klaagl 4:4–9; Ezech 5:17 **32:25** **Buiten maakt het zwaard hen kinderloos, en in de binnenkamers is er schrik: zowel de jongeman als de maagd, de zuigeling met de grijsaard.** Brontekst: מִחוּץ֙ (michuts) = van buiten | תְּשַׁכֶּל (teshakel) = zal kinderloos maken | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וּמֵחֲדָרִ֖ים (umechadarim) = en uit de binnenkamers | אֵימָ֑ה (eima) = schrik | גַּם (gam) = zowel | בָּחוּר֙ (bachur) = jongeman | גַּם (gam) = zowel | בְּתוּלָ֔ה (betula) = maagd | יוֹנֵ֖ק (yoneq) = zuigeling | עִם (im) = met | אִ֥ישׁ (ish) = man van | שֵׂיבָֽה (seiva) = grijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 36:17; Jes 30:16; Klaagl 1:20; Klaagl 4:4; Ezech 7:15 **32:26** **Ik zei: ‘Ik zal hen verstrooien, hun gedachtenis uit de mensen doen verdwijnen.’** Brontekst: אָמַ֖רְתִּי (amarti) = Ik zei | אַפְאֵיהֶ֑ם (afeihem) = Ik zal hen verstrooien | אַשְׁבִּ֥יתָה (ashbita) = Ik zal doen verdwijnen | מֵאֱנ֖וֹשׁ (meenosh) = uit de mensen | זִכְרָֽם (zikhram) = hun gedachtenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַפְאֵיהֶם (afeihem), ‘Ik zal hen verstrooien’: een woord dat maar één keer voorkomt, dus de betekenis is niet zeker. Anderen verstaan ‘Ik zal hen wegblazen’. Zie ook: Deut 4:27; Deut 28:25; Deut 28:37; Deut 28:64; Jes 63:16 **32:27** **Ware het niet dat Ik de woede van de vijand vreesde, dat hun tegenstanders het zouden miskennen, dat zij zouden zeggen: ‘Onze hand is hoog, en Yahweh heeft dit alles niet gedaan.’”** Brontekst: לוּלֵ֗י (lulei) = ware het niet | כַּ֤עַס (kaas) = woede van | אוֹיֵב֙ (oyev) = vijand | אָג֔וּר (agur) = Ik zou vrezen | פֶּֽן (pen) = opdat niet | יְנַכְּר֖וּ (yenakeru) = zouden miskennen | צָרֵ֑ימוֹ (tsareimo) = hun tegenstanders | פֶּן (pen) = opdat niet | יֹֽאמְרוּ֙ (yomru) = zouden zeggen | יָדֵ֣ינוּ (yadeinu) = onze hand | רָ֔מָה (rama) = is hoog | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | פָּעַ֥ל (paal) = heeft gedaan | כָּל (kal) = al | זֹֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָגוּר (agur), ‘Ik zou vrezen’: het woord kan ook ‘Ik zou verblijven’ betekenen; wij kiezen ‘vrezen’. De woorden tussen ‘ ’ zijn het citaat van de vijanden: zij zouden de overwinning aan zichzelf toeschrijven in plaats van aan Yahweh. Zie ook: Ex 32:12; Num 14:15–16; Joz 7:9; 1 Sam 12:22; Zach 1:14–15 ### Een volk zonder inzicht **32:28** Want zij zijn een natie die de raad kwijt is, en er is geen inzicht in hen. Brontekst: כִּי (ki) = want | ג֛וֹי (goy) = natie | אֹבַ֥ד (ovad) = verloren van | עֵצ֖וֹת (etsot) = raad | הֵ֑מָּה (hema) = zij | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | בָּהֶ֖ם (bahem) = in hen | תְּבוּנָֽה (tevuna) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt de natie niet. Omdat vers 30 spreekt over ‘hun Rots’ en vers 31 daar de rots van de vijanden tegenover zet, lezen wij Israël. In de verzen 20–27 spreekt Yahweh; vanaf vers 28 spreekt Mozes weer zelf. Zie ook: Job 28:28; Deut 32:30; Deut 32:31; Spr 1:7; Hos 4:6; Jes 27:11; Jer 4:22 **32:29** Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit begrijpen en hun einde inzien. Brontekst: ל֥וּ (lu) = als | חָכְמ֖וּ (chakhemu) = zij wijs waren | יַשְׂכִּ֣ילוּ (yaskilu) = zij zouden inzicht hebben | זֹ֑את (zot) = dit | יָבִ֖ינוּ (yavinu) = zij zouden begrijpen | לְאַחֲרִיתָֽם (leacharitam) = hun einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:29; Ps 81:14; Hos 14:10; Luc 12:20; Luc 19:41–42 **32:30** Hoe kan één er duizend achtervolgen en twee er tienduizend op de vlucht jagen, tenzij hun Rots hen verkocht heeft en Yahweh hen heeft overgeleverd? Brontekst: אֵיכָ֞ה (eikha) = hoe | יִרְדֹּ֤ף (yirdof) = zal achtervolgen | אֶחָד֙ (echad) = één | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וּשְׁנַ֖יִם (ushenayim) = en twee | יָנִ֣יסוּ (yanisu) = zullen op de vlucht jagen | רְבָבָ֑ה (revava) = tienduizend | אִם (im) = tenzij | לֹא֙ (lo) = niet | כִּי (ki) = dat | צוּרָ֣ם (tsuram) = hun Rots | מְכָרָ֔ם (mekharam) = hen verkocht heeft | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | הִסְגִּירָֽם (hisgiram) = hen heeft overgeleverd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְבָבָה (revavah), ‘tienduizend’. Dit vers is het omgekeerde van Lev. 26:8: daar vluchten de vijanden voor Israël, hier gebeurt het tegenovergestelde. Zie ook: Lev 26:8; Joz 23:10; Ps 31:9; Ps 44:13; Jes 30:17 **32:31** Want hun rots is niet zoals onze Rots; onze vijanden zelf zijn daarvan de rechters. Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | כְצוּרֵ֖נוּ (ketsurenu) = als onze Rots | צוּרָ֑ם (tsuram) = hun rots | וְאֹיְבֵ֖ינוּ (veoyeveinu) = en onze vijanden | פְּלִילִֽים (pelilim) = rechters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers staat tweemaal צוּר (tsur). ‘Onze Rots’ is Yahweh; ‘hun rots’ is de god van de volken. פְּלִילִים (pelilim), ‘rechters’: zelfs de vijanden moeten toegeven dat hun god niet te vergelijken is. Zie ook: Ex 14:25; 1 Sam 2:2; 1 Sam 4:8; Jer 40:3; Dan 2:47 **32:32** Want hun wijnstok komt van de wijnstok van Sodom en uit de velden van Gomorra. Hun druiven zijn gifdruiven, hun trossen zijn bitter. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מִגֶּ֤פֶן (migefen) = van de wijnstok van | סְדֹם֙ (sedom) = Sodom | גַּפְנָ֔ם (gafnam) = hun wijnstok | וּמִשַּׁדְמֹ֖ת (umishadmot) = en uit de velden van | עֲמֹרָ֑ה (amora) = Gomorra | עֲנָבֵ֨מוֹ֙ (anavemo) = hun druiven | עִנְּבֵי (inevei) = druiven van | ר֔וֹשׁ (rosh) = gif | אַשְׁכְּלֹ֥ת (ashkelot) = trossen van | מְרֹרֹ֖ת (merorot) = bitter | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Sodom en Gomorra: Gen. 19. Hun wijnstok is het beeld van wat bitter is in wat het voortbrengt. רֹאשׁ (rosh), ‘gif’: een giftige plant of haar vrucht. Zie ook: Deut 29:17; Jes 1:10; Jes 5:4; Jer 2:21; Ezech 16:45–51 **32:33** Hun wijn is het gif van slangen en het wrede gif van adders. Brontekst: חֲמַ֥ת (chamat) = gif van | תַּנִּינִ֖ם (taninim) = slangen | יֵינָ֑ם (yeinam) = hun wijn | וְרֹ֥אשׁ (verosh) = en gif van | פְּתָנִ֖ים (petanim) = adders | אַכְזָֽר (akhzar) = wreed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּנִּין (tannin), hier ‘slang’, zoals in Exod. 7:9–12. פֶּתֶן (peten), ‘adder’. Zie ook: Job 20:14–16; Ex 7:9–12; Ps 58:5; Ps 140:4; Jer 8:14; Rom 3:13 ### Yahweh spreekt over wraak en vergelding **32:34** **„Is dit niet opgeslagen bij Mij, verzegeld in Mijn schatkamers?** Brontekst: הֲלֹא (halo) = is niet | ה֖וּא (hu) = het | כָּמֻ֣ס (kamus) = opgeslagen | עִמָּדִ֑י (imadi) = bij Mij | חָתֻ֖ם (chatum) = verzegeld | בְּאוֹצְרֹתָֽי (beotserotay) = in Mijn schatkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij lezen de verzen 34–35 als woorden van Yahweh: Hij spreekt in de ik-vorm (‘bij Mij’, ‘Mijn schatkamers’, ‘Mij komen wraak en vergelding toe’). Het Hebreeuws geeft geen aanhef. Vers 35 wordt in Rom. 12:19 en Hebr. 10:30 als woord van de Heer aangehaald. Daarom staan zij rood. Zie ook: Job 14:17; Deut 32:35; Hos 13:12; Jer 2:22; 1 Kor 4:5; Rom 2:5; Rom 12:19; Heb 10:30 **32:35** **Mij komen wraak en vergelding toe, voor de tijd dat hun voet wankelt. Want de dag van hun ondergang is nabij, en wat hun te wachten staat, komt snel.”** Brontekst: לִ֤י (li) = voor Mij | נָקָם֙ (naqam) = wraak | וְשִׁלֵּ֔ם (veshilem) = en vergelding | לְעֵ֖ת (leet) = voor de tijd dat | תָּמ֣וּט (tamut) = wankelt | רַגְלָ֑ם (raglam) = hun voet | כִּ֤י (ki) = want | קָרוֹב֙ (qarov) = nabij | י֣וֹם (yom) = dag van | אֵידָ֔ם (eidam) = hun ondergang | וְחָ֖שׁ (vechash) = en snel komt | עֲתִדֹ֥ת (atidot) = wat staat te komen | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָקָם (naqam), ‘wraak’, en שִׁלֵּם (shillem), ‘vergelding’: Yahweh houdt het recht in eigen hand; mensen nemen geen wraak (zie Lev. 19:18). Zie ook: Lev 19:18; Ps 73:17–19; Nah 1:2; Rom 12:19; 2 Petr 2:3; Heb 10:30 ### Yahweh doet recht aan Zijn volk **32:36** Want Yahweh zal recht doen aan Zijn volk en medelijden hebben met Zijn dienaren. Wanneer Hij ziet dat de kracht verdwenen is en dat niemand meer over is, gebonden of vrij. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יָדִ֤ין (yadin) = zal recht doen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | וְעַל (veal) = en over | עֲבָדָ֖יו (avadav) = Zijn dienaren | יִתְנֶחָ֑ם (yitnecham) = Hij zal medelijden hebben | כִּ֤י (ki) = want | יִרְאֶה֙ (yire) = Hij zal zien | כִּי (ki) = dat | אָ֣זְלַת (azelat) = verdwenen is | יָ֔ד (yad) = hand | וְאֶ֖פֶס (veefes) = en niets meer | עָצ֥וּר (atsur) = gebondene | וְעָזֽוּב (veazuv) = en vrije Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּין (din) betekent ‘oordelen’ en ‘recht doen’. Hebr. 10:30 haalt ook dit vers aan. Voetnoot : אֶפֶס עָצוּר וְעָזוּב (efes atsur ve’azuv), ‘gebonden of vrij’: een gezegde voor iedereen, van wie vastzit tot wie vrij is. Zie ook: Ps 106:45; Ps 135:14; 2 Kon 14:26; Joël 2:14; Jer 31:20; Heb 10:30 **32:37** Dan zal Hij zeggen: **„Waar zijn hun goden, de rots waarin zij schuilden,** Brontekst: וְאָמַ֖ר (veamar) = en Hij zal zeggen | אֵ֣י (ei) = waar | אֱלֹהֵ֑ימוֹ (eloheimo) = hun goden | צ֖וּר (tsur) = rots | חָסָ֥יוּ (chasayu) = zij schuilden | בֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Vanaf dit vers spreekt Yahweh weer (‘Dan zal Hij zeggen’), tot en met vers 42. De ‘rots’ is hier de afgod, zoals in vers 31. Zie ook: Deut 32:31; Deut 32:42; Re 10:14; 2 Kon 3:13; Jer 2:28 **32:38** **die het vet van hun slachtoffers aten en de wijn van jullie plengoffers dronken? Laat hen opstaan en jullie helpen, laat er een schuilplaats over jullie zijn.** Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | חֵ֤לֶב (chelev) = vet van | זְבָחֵ֨ימוֹ֙ (zevacheimo) = hun slachtoffers | יֹאכֵ֔לוּ (yokhelu) = zij aten | יִשְׁתּ֖וּ (yishtu) = zij dronken | יֵ֣ין (yein) = wijn van | נְסִיכָ֑ם (nesikham) = jullie plengoffers | יָק֨וּמוּ֙ (yaqumu) = laten opstaan | וְיַעְזְרֻכֶ֔ם (veyazerukhem) = en laten helpen jullie | יְהִ֥י (yehi) = laat zijn | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | סִתְרָֽה (sitra) = schuilplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws wisselt hier van ‘hun slachtoffers’ naar ‘jullie plengoffers’ (נְסִיכֶם, nesikhem), en gaat dan over op ‘jullie’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 21:21; Re 10:14; Ps 50:13; Sef 2:11; Ezech 16:18–19 ### Ik, Ik ben Hij **32:39** **Kijk nu: Ik, Ik ben Hij, en er is geen Elohim naast Mij. Ik doe sterven en Ik maak levend. Ik heb verwond en Ik zal genezen, en niemand redt uit Mijn hand.** Brontekst: רְא֣וּ (reu) = kijk | עַתָּ֗ה (ata) = nu | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | אֲנִי֙ (ani) = Ik | ה֔וּא (hu) = Hij | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | עִמָּדִ֑י (imadi) = naast Mij | אֲנִ֧י (ani) = Ik | אָמִ֣ית (amit) = doe sterven | וַאֲחַיֶּ֗ה (vaachaye) = en Ik maak levend | מָחַ֨צְתִּי֙ (machatsti) = Ik heb verwond | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | אֶרְפָּ֔א (erpa) = zal genezen | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מִיָּדִ֖י (miyadi) = uit Mijn hand | מַצִּֽיל (matsil) = redder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִי אֲנִי הוּא (ani ani hu), ‘Ik, Ik ben Hij’: de formule van de enige Elohim, zoals in Jes. 43:10 en 48:12. ‘Ik doe sterven en Ik maak levend’ staat ook in 1 Sam. 2:6. Zie ook: Job 5:18; 1 Sam 2:6; Hos 6:1; Jes 43:10; Jes 45:5; Jes 45:22; Jes 48:12 **32:40** **Want Ik hef Mijn hand op naar de hemel en zeg: ‘Zo waar Ik leef tot in eeuwigheid,’** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֶשָּׂ֥א (esa) = Ik zal opheffen | אֶל (el) = naar | שָׁמַ֖יִם (shamayim) = hemel | יָדִ֑י (yadi) = Mijn hand | וְאָמַ֕רְתִּי (veamarti) = en Ik zal zeggen | חַ֥י (chay) = levend | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | לְעֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De hand opheffen is het gebaar bij een eed, zoals in Gen. 14:22 en Exod. 6:8. Yahweh zweert bij Zichzelf: ‘Zo waar Ik leef’. Zie ook: Gen 14:22; Ex 6:8; Num 14:28–30; Jer 4:2; Heb 6:17–18; Openb 10:5–6 **32:41** **als Ik Mijn bliksemend zwaard scherp maak en Mijn hand naar het recht grijpt. Dan zal Ik wraak laten terugkeren op Mijn tegenstanders en Mijn haters vergelden.** Brontekst: אִם (im) = als | שַׁנּוֹתִי֙ (shanoti) = Ik scherp maak | בְּרַ֣ק (beraq) = bliksem van | חַרְבִּ֔י (charbi) = Mijn zwaard | וְתֹאחֵ֥ז (vetochez) = en grijpt | בְּמִשְׁפָּ֖ט (bemishpat) = naar het recht | יָדִ֑י (yadi) = Mijn hand | אָשִׁ֤יב (ashiv) = Ik zal doen terugkeren | נָקָם֙ (naqam) = wraak | לְצָרָ֔י (letsaray) = op Mijn tegenstanders | וְלִמְשַׂנְאַ֖י (velimsanay) = en op Mijn haters | אֲשַׁלֵּֽם (ashalem) = Ik zal vergelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרַק חַרְבִּי (berak charbi), ‘bliksem van Mijn zwaard’: het flitsen van het geslepen zwaard. Zie ook: Ex 20:5; Ps 7:13; Jes 27:1; Jes 34:5–6; Jes 66:16 **32:42** **Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed. En Mijn zwaard zal vlees eten: van het bloed van gesneuvelden en gevangenen, van het hoofd van de aanvoerders van de vijand.”** Brontekst: אַשְׁכִּ֤יר (ashkir) = Ik zal dronken maken | חִצַּי֙ (chitsay) = Mijn pijlen | מִדָּ֔ם (midam) = van bloed | וְחַרְבִּ֖י (vecharbi) = en Mijn zwaard | תֹּאכַ֣ל (tokhal) = zal eten | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | מִדַּ֤ם (midam) = van bloed van | חָלָל֙ (chalal) = gesneuvelde | וְשִׁבְיָ֔ה (veshivya) = en gevangene | מֵרֹ֖אשׁ (merosh) = van het hoofd van | פַּרְע֥וֹת (parot) = aanvoerders van | אוֹיֵֽב (oyev) = vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּרְעוֹת (par’ot), ‘aanvoerders’: het woord kan ook ‘loshangend haar’ betekenen; de betekenis is niet zeker. Wij kiezen ‘aanvoerders’. Zie ook: Deut 32:23; Jer 30:14; Jer 46:10; Klaagl 2:5; Ezech 38:21–22 ### Slot van het lied **32:43** Juich, volken, met Zijn volk, want het bloed van Zijn dienaren zal Hij wreken. Hij zal wraak laten terugkeren op Zijn tegenstanders en verzoening doen voor Zijn grond, Zijn volk. Brontekst: הַרְנִ֤ינוּ (harninu) = juicht | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | עַמּ֔וֹ (amo) = met Zijn volk | כִּ֥י (ki) = want | דַם (dam) = bloed van | עֲבָדָ֖יו (avadav) = Zijn dienaren | יִקּ֑וֹם (yiqom) = Hij zal wreken | וְנָקָם֙ (venaqam) = en wraak | יָשִׁ֣יב (yashiv) = Hij zal doen terugkeren | לְצָרָ֔יו (letsarav) = op Zijn tegenstanders | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en Hij zal verzoening doen | אַדְמָת֖וֹ (admato) = voor Zijn grond | עַמּֽוֹ (amo) = Zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: hier voor het land (אֲדָמָה, adamah, ‘grond’) en voor het volk. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst. De Septuaginta en een Qumranhandschrift hebben hier een langere tekst, waarin ook de hemelen juichen en de ‘zonen van Elohim’ zich voor Hem neerbuigen. Paulus haalt in Rom. 15:10 de vorm ‘Juich, volken, met Zijn volk’ aan, en Hebr. 1:6 heeft een regel die hierop lijkt. Zie ook: Deut 32:35; Ps 85:2; Rom 12:19; Rom 15:10; Heb 1:6; Openb 6:10; Openb 19:2 ### Mozes spreekt het lied uit en vermaant het volk **32:44** Mozes kwam en sprak alle woorden van dit lied voor de oren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיְדַבֵּ֛ר (vaydaber) = en sprak | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַשִּׁירָֽה (hashira) = het lied | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | ה֖וּא (hu) = hij | וְהוֹשֵׁ֥עַ (vehoshea) = en Hosea | בִּן (bin) = zoon van | נֽוּן (nun) = Nun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hosea (הוֹשֵׁעַ, Hoshea) is de oorspronkelijke naam van Jozua. Mozes noemde hem Jozua (Num. 13:16). Zie ook: Num 13:8; Num 13:16; Deut 31:22; Deut 31:30 **32:45** Toen Mozes klaar was met het spreken van al deze woorden tot heel Israël, Brontekst: וַיְכַ֣ל (vaykhal) = en hij maakte af | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | לְדַבֵּ֛ר (ledaber) = met spreken | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:46** zei hij tegen hen: „Richt jullie hart op al de woorden die ik vandaag als getuige tegen jullie uitspreek. Jullie moeten ze aan jullie zonen opdragen, om alle woorden van deze wet te houden en te doen. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | שִׂ֣ימוּ (simu) = richt | לְבַבְכֶ֔ם (levavkhem) = jullie hart | לְכָל (lekhal) = op alle | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | מֵעִ֥יד (meid) = getuigend | בָּכֶ֖ם (bakhem) = tegen jullie | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | תְּצַוֻּם֙ (tetsavum) = jullie zullen opdragen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיכֶ֔ם (beneikhem) = jullie zonen | לִשְׁמֹ֣ר (lishmor) = om te houden | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’. Zie Deut. 31:9–12 en 31:24–26. Zie ook: Deut 4:9; Deut 11:18; Deut 31:9–12; Deut 31:24; 1 Kron 22:19; Spr 3:1–4; Ezech 40:4 **32:47** Want het is geen leeg woord voor jullie. Het is juist jullie leven. Door dit woord zullen jullie lang leven op de grond waar jullie de Jordaan voor oversteken om die in bezit te nemen.” Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | דָבָ֨ר (davar) = woord | רֵ֥ק (req) = leeg | הוּא֙ (hu) = het | מִכֶּ֔ם (mikem) = voor jullie | כִּי (ki) = want | ה֖וּא (hu) = het | חַיֵּיכֶ֑ם (chayeikhem) = jullie leven | וּבַדָּבָ֣ר (uvadavar) = en door het woord | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | תַּאֲרִ֤יכוּ (taarikhu) = jullie zullen verlengen | יָמִים֙ (yamim) = dagen | עַל (al) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֧ים (overim) = oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֛ן (hayarden) = de Jordaan | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om die in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: רֵק (req), ‘leeg’: een woord zonder inhoud. In de tekst staat de spelling רַק (raq). ‘Lang leven’ is hetzelfde als in Deut. 30:18 en 30:20. Zie ook: Lev 18:5; Deut 30:18; Deut 30:20; Spr 3:22; Spr 4:22; 1 Petr 3:10–12; 2 Petr 1:16 ### Yahweh beveelt Mozes de berg Nebo te beklimmen **32:48** Op diezelfde dag sprak Yahweh tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בְּעֶ֛צֶם (beetsem) = op de eigenlijke | הַיּ֥וֹם (hayom) = dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה (be’etsem hayom hazeh), ‘op de eigenlijke dag’: op diezelfde dag waarop Mozes het lied sprak (Deut. 31:22 en 31:30). Zie ook Exod. 12:41. Zie ook: Ex 12:41; Num 27:12–13; Deut 31:22; Deut 31:30 **32:49** **„Ga omhoog op dit gebergte van de Abarim, de berg Nebo, in het land Moab, tegenover Jericho. Kijk naar het land Kanaän dat Ik de zonen van Israël als bezit geef.** Brontekst: עֲלֵ֡ה (ale) = ga omhoog | אֶל (el) = naar | הַר֩ (har) = gebergte | הָעֲבָרִ֨ים (haavarim) = van de Abarim | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | הַר (har) = berg | נְב֗וֹ (nevo) = Nebo | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | יְרֵח֑וֹ (yerecho) = Jericho | וּרְאֵה֙ (uree) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אֲנִ֥י (ani) = Ik | נֹתֵ֛ן (noten) = geef | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לַאֲחֻזָּֽה (laachuza) = als bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Nebo ligt in het gebergte van de Abarim, ten oosten van de Dode Zee en tegenover Jericho (Jordanië). Zie ook Num. 27:12, Num. 33:47 en Deut. 34:1. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Mozes krijgt hier hetzelfde bevel als in Num. 27:12–14. Zie ook: Num 27:12; Num 33:47–48; Deut 34:1–5; Jes 33:17; 2 Kor 5:1 **32:50** **Je zult sterven op de berg waar je naartoe opgaat en verzameld worden bij je volken. Zoals Aäron, je broer, stierf op de berg Hor en verzameld werd bij zijn volken,** Brontekst: וּמֻ֗ת (umut) = en sterf | בָּהָר֙ (bahar) = op de berg | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אַתָּה֙ (ata) = jij | עֹלֶ֣ה (ole) = opgaand | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | וְהֵאָסֵ֖ף (veheasef) = en word verzameld | אֶל (el) = bij | עַמֶּ֑יךָ (ameikha) = je volken | כַּֽאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | מֵ֞ת (met) = stierf | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | אָחִ֨יךָ֙ (achikha) = je broer | בְּהֹ֣ר (behor) = op Hor | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וַיֵּאָ֖סֶף (vayeasef) = en werd verzameld | אֶל (el) = bij | עַמָּֽיו (amav) = zijn volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De dood van Aäron op de berg Hor staat in Num. 20:22–29. ‘Verzameld worden bij je volken’ is een uitdrukking voor sterven (Num. 27:13). Zie ook: Gen 15:15; Gen 25:8; Gen 25:17; Num 20:22–29; Num 20:24–29; Num 27:13; Num 33:38 **32:51** **omdat jullie ontrouw tegen Mij zijn geweest te midden van de zonen van Israël, bij het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Zin. Omdat jullie Mij niet heilig gehouden hebben te midden van de zonen van Israël.** Brontekst: עַל֩ (al) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | מְעַלְתֶּ֜ם (mealtem) = jullie waren ontrouw | בִּ֗י (bi) = tegen Mij | בְּתוֹךְ֙ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּמֵֽי (bemei) = bij het water van | מְרִיבַ֥ת (merivat) = Meriba van | קָדֵ֖שׁ (qadesh) = Kades | מִדְבַּר (midbar) = woestijn van | צִ֑ן (tsin) = Zin | עַ֣ל (al) = omdat | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | קִדַּשְׁתֶּם֙ (qidashtem) = jullie hielden heilig | אוֹתִ֔י (oti) = Mij | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades. De grenzen zijn niet precies bekend. Voetnoot Uitleg: מָעַל (ma’al), ‘ontrouw zijn’: ontrouw tegen Yahweh, zoals in Lev. 26:40. De gebeurtenis bij het water van Meriba staat in Num. 20:1–13. קָדַשׁ (qadash), ‘heilig houden’: zoals in Num. 20:12 en 27:14. Zie ook: Lev 26:40; Num 20:1–13; Num 20:11–14; Num 20:12; Num 20:24; Num 27:14; Deut 3:23–27; 1 Kon 13:21–26 **32:52** **Want van een afstand zul je het land zien, maar je zult er niet binnengaan, in het land dat Ik de zonen van Israël geef.”** Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | מִנֶּ֖גֶד (mineged) = van tegenover | תִּרְאֶ֣ה (tire) = je zult zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְשָׁ֨מָּה֙ (veshama) = en daarheen | לֹ֣א (lo) = niet | תָב֔וֹא (tavo) = je zult binnengaan | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | נֹתֵ֖ן (noten) = geef | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes ziet het land van een afstand, maar gaat er niet in; zie Deut. 34:4. Zie ook: Deut 1:37; Deut 3:27; Deut 34:1–4; Deut 34:4; Heb 11:13; Heb 11:39 ## Deuteronomium 33 _De zegen van Mozes over de stammen van Israël_ ### Mozes zegent Israël vóór zijn dood **33:1** Dit is de zegen waarmee Mozes, de man van Elohim, de zonen van Israël zegende vóór zijn dood. Brontekst: וְזֹ֣את (vezot) = en dit | הַבְּרָכָ֗ה (haberakha) = de zegen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | בֵּרַ֥ךְ (berakh) = zegende | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אִ֥ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | מוֹתֽוֹ (moto) = zijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een eretitel voor Mozes. In de Torah staat deze titel alleen hier; later ook in Joz. 14:6. Voetnoot : De stammen volgen hier in een andere volgorde dan in Gen. 49 en Num. 1: Ruben, Juda, Levi, Benjamin, Jozef, Zebulon, Issachar, Gad, Dan, Naftali, Aser. Simeon wordt niet genoemd; zie bij vers 6. Zie ook: Deut 33:6; Joz 14:6; Ps 90:1; 1 Kon 13:1; 1 Kon 13:6; Joh 14:27 ### Yahweh komt van Sinaï **33:2** Hij zei: Yahweh kwam van Sinaï, Hij ging voor hen op uit Seïr, Hij straalde uit het gebergte Paran. Hij kwam uit heilige tienduizenden, uit Zijn rechterhand een vurige wet voor hen. Brontekst: וַיֹּאמַ֗ר (vayomar) = en hij zei | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | מִסִּינַ֥י (misinay) = van Sinaï | בָּא֙ (ba) = kwam | וְזָרַ֤ח (vezarach) = en ging op | מִשֵּׂעִיר֙ (miseir) = uit Seïr | לָ֔מוֹ (lamo) = voor hen | הוֹפִ֨יעַ֙ (hofia) = Hij straalde | מֵהַ֣ר (mehar) = uit het gebergte van | פָּארָ֔ן (paran) = Paran | וְאָתָ֖ה (veata) = en Hij kwam | מֵרִבְבֹ֣ת (merivvot) = uit tienduizenden van | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | מִֽימִינ֕וֹ (mimino) = uit Zijn rechterhand | אֵ֥שׁ (esh) = vuur van | דָּ֖ת (dat) = wet | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sinaï (dezelfde berg als Horeb; de ligging is onzeker, traditioneel Jebel Musa), Seïr (bergland ten oosten van de Araba, Jordanië) en Paran (woestijn en bergland in het noorden van het Sinaïschiereiland, Egypte). Zij liggen als een lijn van zuid naar noord: Yahweh komt als de opkomende zon. Voetnoot Uitleg: רִבְבֹת קֹדֶשׁ (rivevot qodesh), ‘heilige tienduizenden’: de hemelse schare, de engelen. אֵשׁ דָּת (esh dat), letterlijk ‘vuur van wet’: een vurige wet. Het woord דָּת (dat) komt in de Torah verder niet voor, dus de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot Lezing: Sommige lezers verstaan ‘Meribat-Kades’ in plaats van ‘uit tienduizenden’. Wij volgen ‘tienduizenden’, zoals ook de heiligen in vers 3 genoemd worden. Voetnoot Aanvullend: Henoch 1:9 bevestigt dit: Hij komt met tienduizendtallen heiligen. Zie ook: Hen 1:9; Deut 33:3; Re 5:4–5; Ps 68:18; Hab 3:3; Jud 1:14; Openb 5:11 **33:3** Ja, Hij heeft de volken lief. Al Zijn heiligen zijn in Uw hand. Zij hebben zich neergelegd aan Uw voeten, ieder ontvangt van Uw woorden. Brontekst: אַ֚ף (af) = ja | חֹבֵ֣ב (chovev) = liefhebber van | עַמִּ֔ים (amim) = volken | כָּל (kal) = al | קְדֹשָׁ֖יו (qedoshav) = Zijn heiligen | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in Uw hand | וְהֵם֙ (vehem) = en zij | תֻּכּ֣וּ (tuku) = hebben zich neergelegd | לְרַגְלֶ֔ךָ (leraglekha) = aan Uw voeten | יִשָּׂ֖א (yisa) = hij ontvangt | מִדַּבְּרֹתֶֽיךָ (midaberoteikha) = van Uw woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. Het woord תֻּכּוּ (tukku) komt maar één keer voor; wij vertalen ‘zij hebben zich neergelegd’. Het woord עַמִּים (amim) kan ‘volken’ of ‘stammen’ betekenen. Wij volgen ‘volken’. Het voornaamwoord wisselt hier van ‘Hij’ naar ‘U’: de tekst spreekt eerst over Yahweh en dan tot Hem. Zie ook: Deut 7:6–8; Mal 1:2; Luc 8:35; Luc 10:39; Ef 2:4–5 **33:4** Mozes heeft ons een wet geboden, een bezit voor de vergadering van Jakob. Brontekst: תּוֹרָ֥ה (tora) = wet | צִוָּה (tsiva) = gebood | לָ֖נוּ (lanu) = aan ons | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | מוֹרָשָׁ֖ה (morasha) = bezit | קְהִלַּ֥ת (qehilat) = vergadering van | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’. מוֹרָשָׁה (morashah), ‘bezit’: wat wordt overgenomen als erfdeel. Zie ook: Deut 9:26–29; Ps 119:72; Ps 119:111; Joh 1:17; Joh 7:19 **33:5** Er was een koning in Jesurun, toen de hoofden van het volk bijeenkwamen, samen met de stammen van Israël. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en er was | בִישֻׁר֖וּן (bishurun) = in Jesurun | מֶ֑לֶךְ (melekh) = koning | בְּהִתְאַסֵּף֙ (behitasef) = bij het bijeenkomen van | רָ֣אשֵׁי (rashei) = hoofden van | עָ֔ם (am) = volk | יַ֖חַד (yachad) = samen | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie de koning is. Wij lezen Yahweh (Exod. 15:18); anderen lezen Mozes. Wij laten het open. יְשֻׁרוּן (Jesurun), een naam voor Israël, zoals in Deut. 32:15. Zie ook: Gen 36:31; Ex 15:18; Ex 18:19; Num 23:21; Deut 32:15; Re 17:6 ### Ruben **33:6** Moge Ruben leven en niet sterven, en mogen zijn mannen te tellen zijn. Brontekst: יְחִ֥י (yechi) = moge leven | רְאוּבֵ֖ן (reuven) = Ruben | וְאַל (veal) = en niet | יָמֹ֑ת (yamot) = moge sterven | וִיהִ֥י (vihi) = en mogen zijn | מְתָ֖יו (metav) = zijn mannen | מִסְפָּֽר (mispar) = te tellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Simeon wordt in dit hoofdstuk niet genoemd. In Gen. 49:5–7 zegt Jakob over Simeon en Levi dat hij hen zal verdelen in Jakob en verspreiden in Israël. Voetnoot Lezing: מְתָיו מִסְפָּר (metav mispar), ‘zijn mannen te tellen’: in Gen. 34:30 en Deut. 4:27 betekent dezelfde uitdrukking ‘weinig mannen’. Het is dus een zegen voor een stam die klein is geworden. De Septuaginta heeft hier ‘en laat hij talrijk zijn’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 34:30; Gen 49:3–4; Gen 49:5–7; Gen 49:8; Num 32:31–32; Deut 4:27; Joz 22:1–9 ### Juda **33:7** Dit zei hij over Juda: Hoor, Yahweh, de stem van Juda en breng hem naar zijn volk. Zijn handen strijden voor hem; wees een hulp tegen zijn tegenstanders. Brontekst: וְזֹ֣את (vezot) = en dit | לִֽיהוּדָה֮ (lihuda) = voor Juda | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en hij zei | שְׁמַ֤ע (shema) = hoor | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ק֣וֹל (qol) = stem van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְאֶל (veel) = en naar | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | תְּבִיאֶ֑נּוּ (tevienu) = breng hem | יָדָיו֙ (yadav) = zijn handen | רָ֣ב (rav) = strijden | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וְעֵ֥זֶר (veezer) = en hulp | מִצָּרָ֖יו (mitsarav) = tegen zijn tegenstanders | תִּהְיֶֽה (tihye) = wees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Juda trekt als eerste op (Num. 2:9). ‘Breng hem naar zijn volk’: laat hem na de strijd terugkeren. Zie ook: Gen 49:8–12; Num 2:9; Ps 20:3; Ps 21:9; Jes 9:16; Openb 20:10–15 ### Levi **33:8** Over Levi zei hij: Uw Tummim en Uw Urim zijn voor de man die U trouw is. U hebt hem op de proef gesteld bij Massa. U hebt met hem getwist bij het water van Meriba. Brontekst: וּלְלֵוִ֣י (ulelevi) = en voor Levi | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | תֻּמֶּ֥יךָ (tumeikha) = Uw Tummim | וְאוּרֶ֖יךָ (veureikha) = en Uw Urim | לְאִ֣ישׁ (leish) = voor de man | חֲסִידֶ֑ךָ (chasidekha) = die U trouw is | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נִסִּיתוֹ֙ (nisito) = U op de proef stelde | בְּמַסָּ֔ה (bemasa) = bij Massa | תְּרִיבֵ֖הוּ (terivehu) = U twistte met hem | עַל (al) = bij | מֵ֥י (mei) = water van | מְרִיבָֽה (meriva) = Meriba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Massa: Massa lag volgens de overlevering bij Refidim, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: תֻּמִּים (tummim) en אוּרִים (urim): de voorwerpen waarmee Yahwehs oordeel werd gevraagd (Exod. 28:30; Num. 27:21). Hier staat Tummim vóór Urim. Voetnoot : חָסִיד (chasid), ‘trouw’: iemand die trouw is, afgeleid van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Voetnoot : Massa en Meriba: Exod. 17:7 en Num. 20:13. Zie ook: Ex 17:7; Ex 28:30; Lev 8:8; Num 20:13; Num 27:21; Ps 106:16 **33:9** Hij die van zijn vader en zijn moeder zei: „Ik heb hem niet gezien”; zijn broers heeft hij niet erkend en zijn zonen heeft hij niet gekend. Want zij hebben Uw woord gehouden en Uw verbond bewaren zij. Brontekst: הָאֹמֵ֞ר (haomer) = die zegt | לְאָבִ֤יו (leaviv) = tot zijn vader | וּלְאִמּוֹ֙ (uleimo) = en tot zijn moeder | לֹ֣א (lo) = niet | רְאִיתִ֔יו (reitiv) = ik heb hem gezien | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | לֹ֣א (lo) = niet | הִכִּ֔יר (hikir) = hij erkende | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֑ע (yada) = hij kende | כִּ֤י (ki) = want | שָֽׁמְרוּ֙ (shameru) = zij hebben gehouden | אִמְרָתֶ֔ךָ (imratekha) = Uw woord | וּבְרִֽיתְךָ֖ (uveritekha) = en Uw verbond | יִנְצֹֽרוּ (yintsoru) = zij bewaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten stonden aan de kant van Yahweh, ook tegen hun eigen familie (Exod. 32:26–29). Voetnoot Lezing: De woorden ‘Ik heb hem niet gezien’ zijn de woorden van de Leviet over zijn familie. Wij zetten ze tussen aanhalingstekens, zoals andere aanhalingen in de toespraak. Zie ook: Ex 32:25–29; Ex 32:26–29; Jer 18:18; Mat 10:37; Mat 12:48; Luc 14:26 **33:10** Zij onderwijzen Jakob in Uw rechtsregels en Israël in Uw wet. Zij leggen wierook voor Uw neus en een geheel offer op Uw altaar. Brontekst: יוֹר֤וּ (yoru) = zij onderwijzen | מִשְׁפָּטֶ֨יךָ֙ (mishpateikha) = Uw rechtsregels | לְיַעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | וְתוֹרָתְךָ֖ (vetoratekha) = en Uw wet | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = aan Israël | יָשִׂ֤ימוּ (yasimu) = zij leggen | קְטוֹרָה֙ (qetora) = wierook | בְּאַפֶּ֔ךָ (beapekha) = voor Uw neus | וְכָלִ֖יל (vekhalil) = en een geheel offer | עַֽל (al) = op | מִזְבְּחֶֽךָ (mizbechekha) = Uw altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְטוֹרָה (qetorah), ‘wierook’. כָּלִיל (kalil), ‘geheel offer’: het hele offer gaat op in het vuur; zie Lev. 6:15–16. Voetnoot : בְּאַפֶּךָ (be’appekha), letterlijk ‘in Uw neus’: voor Uw aangezicht, zodat Hij de geur ruikt. Zie ook: Ex 30:7–8; Lev 6:15–16; Lev 10:11; Deut 17:9–11; 1 Sam 2:28; Ps 51:21 **33:11** Zegen zijn kracht, Yahweh, en wees tevreden met het werk van zijn handen. Verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan en van zijn haters, zodat zij niet meer opstaan. Brontekst: בָּרֵ֤ךְ (barekh) = zegen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | חֵיל֔וֹ (cheilo) = zijn kracht | וּפֹ֥עַל (ufoal) = en het werk van | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | תִּרְצֶ֑ה (tirtse) = wees tevreden | מְחַ֨ץ (mechats) = verbrijzel | מָתְנַ֧יִם (matenayim) = heupen van | קָמָ֛יו (qamav) = die tegen hem opstaan | וּמְשַׂנְאָ֖יו (umesanav) = en zijn haters | מִן (min) = zodat niet | יְקוּמֽוּן (yequmun) = zij opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָחַץ (machats), ‘verbrijzelen’. De heupen zijn de plaats van kracht; wie ze verliest, kan niet meer opstaan. Zie ook: 2 Sam 24:23; Ps 20:4; Ezech 20:40–41; Ezech 43:27; Luc 10:10–12 ### Benjamin **33:12** Over Benjamin zei hij: De geliefde van Yahweh woont veilig bij Hem. Hij beschermt hem de hele dag en Hij woont tussen zijn schouders. Brontekst: לְבִנְיָמִ֣ן (levinyamin) = voor Benjamin | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | יְדִ֣יד (yedid) = geliefde van | יְהֹוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יִשְׁכֹּ֥ן (yishkon) = hij zal wonen | לָבֶ֖טַח (lavetach) = veilig | עָלָ֑יו (alav) = bij Hem | חֹפֵ֤ף (chofef) = Hij beschermt | עָלָיו֙ (alav) = hem | כָּל (kal) = heel | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | כְּתֵיפָ֖יו (keteifav) = zijn schouders | שָׁכֵֽן (shakhen) = Hij woont Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: עָלָיו (alav) heeft twee mogelijkheden: ‘bij Hem’ of ‘bij hem’. Wij lezen ‘bij Hem’: de geliefde van Yahweh woont veilig bij zijn Beschermer. Het slot, ‘tussen zijn schouders’, spreekt over Yahweh die tussen de schouders van Benjamin woont. Zie ook: Ps 91:4; 2 Kron 15:2; 2 Kron 17:17–19; Jes 51:16; Mat 23:37 ### Jozef **33:13** Over Jozef zei hij: Gezegend door Yahweh zij zijn land, met het kostbaarste van de hemel, met de dauw, en van de watermassa die onderaan ligt, Brontekst: וּלְיוֹסֵ֣ף (uleyosef) = en voor Jozef | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | מְבֹרֶ֥כֶת (mevorekhet) = gezegend van | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אַרְצ֑וֹ (artso) = zijn land | מִמֶּ֤גֶד (mimeged) = met kostbaarheid van | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemel | מִטָּ֔ל (mital) = met dauw | וּמִתְּה֖וֹם (umitehom) = en met watermassa | רֹבֶ֥צֶת (rovetset) = liggend | תָּֽחַת (tachat) = onderaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jozef staat hier voor Efraïm en Manasse (vers 17); zie ook Gen. 49:22–26. תְּהוֹם (tehom), ‘watermassa’: het water onder de aarde, zoals in Gen. 1:2. Zie ook: Gen 1:2; Gen 49:22–26; Deut 33:17; Spr 3:20; Spr 19:12; Jes 18:4; Mi 5:6 **33:14** en met het kostbaarste van de opbrengst van de zon, en met het kostbaarste van wat de maanden voortbrengen, Brontekst: וּמִמֶּ֖גֶד (umimeged) = en met kostbaarheid van | תְּבוּאֹ֣ת (tevuot) = opbrengst van | שָׁ֑מֶשׁ (shamesh) = zon | וּמִמֶּ֖גֶד (umimeged) = en met kostbaarheid van | גֶּ֥רֶשׁ (geresh) = voortbrengsel van | יְרָחִֽים (yerachim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרָחִים (yerachim), ‘maanden’: letterlijk ‘manen’. Zon en maanden samen geven de opbrengst van het jaar. Zie ook: 2 Sam 23:4; Ps 74:16; Ps 104:19; Hand 14:17; 1 Tim 6:17 **33:15** en met het beste van de oeroude bergen, en met het kostbaarste van de eeuwige heuvels, Brontekst: וּמֵרֹ֖אשׁ (umerosh) = en met het beste van | הַרְרֵי (harrei) = bergen van | קֶ֑דֶם (qedem) = oudheid | וּמִמֶּ֖גֶד (umimeged) = en met kostbaarheid van | גִּבְע֥וֹת (givot) = heuvels van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:26; Hab 3:6; Jak 5:7 **33:16** en met het kostbaarste van de aarde en wat haar vult, en met het welbehagen van Hem die in de braamstruik woonde. Moge het komen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de uitverkorene onder zijn broers. Brontekst: וּמִמֶּ֗גֶד (umimeged) = en met kostbaarheid van | אֶ֚רֶץ (erets) = aarde | וּמְלֹאָ֔הּ (umeloah) = en haar volheid | וּרְצ֥וֹן (uretson) = en het welbehagen van | שֹׁכְנִ֖י (shokheni) = Hem die woont | סְנֶ֑ה (sene) = braamstruik | תָּב֨וֹאתָה֙ (tavota) = moge het komen | לְרֹ֣אשׁ (lerosh) = op het hoofd van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וּלְקָדְקֹ֖ד (uleqadeqod) = en op de kruin van | נְזִ֥יר (nezir) = uitverkorene | אֶחָֽיו (echav) = zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְנֶה (seneh), ‘braamstruik’: de struik waarin Yahweh Zich aan Mozes liet zien (Exod. 3:2–4). נָזִיר (nazir), ‘uitverkorene’: letterlijk ‘afgezonderde’, wie apart gezet is. Zo ook voor Jozef onder zijn broers in Gen. 49:26. Zie ook: Gen 49:26; Ex 3:2–4; Ps 24:1; Hand 7:30–33; Hand 7:35 **33:17** De eerstgeborene van zijn stier: pracht is voor hem; en de hoorns van een wilde stier zijn zijn hoorns. Daarmee stoot hij de volken neer, allen samen, tot de uiteinden van de aarde. Dat zijn de tienduizenden van Efraïm, en dat zijn de duizenden van Manasse. Brontekst: בְּכ֨וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | שׁוֹר֜וֹ (shoro) = zijn stier | הָדָ֣ר (hadar) = pracht | ל֗וֹ (lo) = voor hem | וְקַרְנֵ֤י (veqarnei) = en hoorns van | רְאֵם֙ (reem) = wilde stier | קַרְנָ֔יו (qarnav) = zijn hoorns | בָּהֶ֗ם (bahem) = met hen | עַמִּ֛ים (amim) = volken | יְנַגַּ֥ח (yenagach) = hij stoot neer | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | אַפְסֵי (afsei) = uiteinden van | אָ֑רֶץ (arets) = aarde | וְהֵם֙ (vehem) = en zij | רִבְב֣וֹת (rivvot) = tienduizenden van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | אַלְפֵ֥י (alfei) = duizenden van | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Efraïm krijgt de grootste zegen, de ‘tienduizenden’, en Manasse de ‘duizenden’; vergelijk Gen. 48:19. Zie ook: Gen 48:19; Num 23:22; Ps 44:6; Ps 92:11; 1 Kon 22:11 ### Zebulon en Issachar **33:18** Over Zebulon zei hij: Verheug je, Zebulon, wanneer je uittrekt, en Issachar, in je tenten. Brontekst: וְלִזְבוּלֻ֣ן (velizvulun) = en voor Zebulon | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | שְׂמַ֥ח (semach) = verheug je | זְבוּלֻ֖ן (zevulun) = Zebulon | בְּצֵאתֶ֑ךָ (betsetekha) = bij je uittrekken | וְיִשָּׂשכָ֖ר (veyisashkhar) = en Issachar | בְּאֹהָלֶֽיךָ (beohaleikha) = in je tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zebulon is de stam van ‘uittrekken’ (handel en scheepvaart), Issachar die van ‘tenten’; vergelijk Gen. 49:13–15. Zie ook: Gen 49:13–15; Joz 19:11; Re 5:14 **33:19** Zij roepen volken naar de berg; daar brengen zij slachtoffers van gerechtigheid. Want zij zuigen de overvloed van de zeeën en de verborgen schatten van het zand. Brontekst: עַמִּים֙ (amim) = volken | הַר (har) = berg | יִקְרָ֔אוּ (yiqrau) = zij roepen | שָׁ֖ם (sham) = daar | יִזְבְּח֣וּ (yizbechu) = zij brengen als offer | זִבְחֵי (zivchei) = slachtoffers van | צֶ֑דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | כִּ֣י (ki) = want | שֶׁ֤פַע (shefa) = overvloed van | יַמִּים֙ (yamim) = zeeën | יִינָ֔קוּ (yinaqu) = zij zuigen | וּשְׂפוּנֵ֖י (usefunei) = en verborgen dingen van | טְמ֥וּנֵי (temunei) = verborgen | חֽוֹל (chol) = zand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁפַע יַמִּים (shefa yamim), ‘overvloed van de zeeën’: de rijkdom van de zee en de handel. טְמוּנֵי חוֹל (temunei chol), ‘verborgen schatten van het zand’: wat in het zand verborgen ligt. Zie ook: Ex 15:17; Ps 4:6; Ps 50:13–15; Jes 2:3; Jes 60:5 ### Gad **33:20** Over Gad zei hij: Gezegend is Hij die Gad ruimte geeft. Als een leeuwin woont hij, en hij scheurt een arm, ja, een kruin. Brontekst: וּלְגָ֣ד (ulegad) = en voor Gad | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | בָּר֖וּךְ (barukh) = gezegend | מַרְחִ֣יב (marchiv) = Hij die ruimte geeft aan | גָּ֑ד (gad) = Gad | כְּלָבִ֣יא (kelavi) = als een leeuwin | שָׁכֵ֔ן (shakhen) = hij woont | וְטָרַ֥ף (vetaraf) = en hij scheurt | זְר֖וֹעַ (zeroa) = arm | אַף (af) = ja | קָדְקֹֽד (qadeqod) = kruin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gad kreeg zijn gebied ten oosten van de Jordaan, in Gilead (Num. 32). Zie ook Gen. 49:19. Zie ook: Gen 49:19; Joz 13:8; Joz 13:24–28; 1 Kron 12:9–15; Ps 18:37 **33:21** Hij zag het eerste deel voor zich, want daar is het aandeel van de wetgever bewaard. Hij kwam met de hoofden van het volk; hij deed de gerechtigheid van Yahweh en Zijn rechtsregels met Israël. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en hij zag | רֵאשִׁית֙ (reshit) = eerste deel | ל֔וֹ (lo) = voor zich | כִּי (ki) = want | שָׁ֛ם (sham) = daar | חֶלְקַ֥ת (chelqat) = aandeel van | מְחֹקֵ֖ק (mechoqeq) = wetgever | סָפ֑וּן (safun) = bewaard | וַיֵּתֵא֙ (vayete) = en hij kwam | רָ֣אשֵׁי (rashei) = hoofden van | עָ֔ם (am) = volk | צִדְקַ֤ת (tsidqat) = gerechtigheid van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עָשָׂ֔ה (asa) = hij deed | וּמִשְׁפָּטָ֖יו (umishpatav) = en Zijn rechtsregels | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gad koos zijn deel als eerste (Num. 32:1–5, 32–33). מְחֹקֵק (mechoqeq), ‘wetgever’: dat is Mozes, die in dat gebied begraven is (Deut. 34:6). Zie ook: Num 32:1–5; Deut 34:6; Joz 1:14; Joz 4:12–13; Joz 22:1–4; Re 5:2; Re 5:11 ### Dan **33:22** Over Dan zei hij: Dan is een leeuwenwelp, hij springt uit de Basan. Brontekst: וּלְדָ֣ן (uledan) = en voor Dan | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | דָּ֖ן (dan) = Dan | גּ֣וּר (gur) = welp van | אַרְיֵ֑ה (arye) = leeuw | יְזַנֵּ֖ק (yezaneq) = hij springt | מִן (min) = uit | הַבָּשָֽׁן (habashan) = de Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: De Basan ligt ten noorden van Gad. Een deel van Dan trok later naar het noorden van het land. Het Hebreeuws heeft bij Basan het lidwoord (הַבָּשָׁן, habbashan). Zie ook: Gen 49:16–17; Joz 19:47; Re 13:2; Re 16:30; Re 18:27 ### Naftali **33:23** Over Naftali zei hij: Naftali, verzadigd van welbehagen en vol van de zegen van Yahweh, neem het meer en het zuiden in bezit. Brontekst: וּלְנַפְתָּלִ֣י (ulenaftali) = en voor Naftali | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | נַפְתָּלִי֙ (naftali) = Naftali | שְׂבַ֣ע (seva) = verzadigd van | רָצ֔וֹן (ratson) = welbehagen | וּמָלֵ֖א (umale) = en vol van | בִּרְכַּ֣ת (birkat) = zegen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יָ֥ם (yam) = meer | וְדָר֖וֹם (vedarom) = en zuiden | יְרָֽשָׁה (yerasha) = neem in bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָם (yam), ‘zee’: bij Naftali ligt het Meer van Galilea; wij vertalen ‘het meer’. דָּרוֹם (darom), ‘zuiden’. רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: wat Yahweh behaagt; hetzelfde woord als in vers 16. Zie ook: Gen 49:21; Deut 33:16; Ps 36:9; Jer 31:14; Mat 4:13; Mat 4:16 ### Aser **33:24** Over Aser zei hij: Aser is meer gezegend dan de zonen; moge hij geliefd zijn bij zijn broers, en hij doopt zijn voet in olie. Brontekst: וּלְאָשֵׁ֣ר (uleasher) = en voor Aser | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | מִבָּנִ֖ים (mibanim) = boven de zonen | אָשֵׁ֑ר (asher) = Aser | יְהִ֤י (yehi) = moge zijn | רְצוּי֙ (retsuy) = geliefd bij | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וְטֹבֵ֥ל (vetovel) = en hij dompelt | בַּשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = in olie | רַגְלֽוֹ (raglo) = zijn voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֹבֵל בַּשֶּׁמֶן רַגְלוֹ (tovel bashemen raglo), ‘zijn voet in olie dopen’: een beeld van de rijke olijfgaarden van Aser; vergelijk Gen. 49:20. Zie ook: Gen 49:20; Job 29:6; Ps 128:6; Spr 3:3–4; Rom 14:18 **33:25** Ijzer en koper zijn je sloten, en zoals je dagen, zo is je kracht. Brontekst: בַּרְזֶ֥ל (barzel) = ijzer | וּנְחֹ֖שֶׁת (unechoshet) = en koper | מִנְעָלֶ֑יךָ (minaleikha) = je sloten | וּכְיָמֶ֖יךָ (ukheyameikha) = en zoals je dagen | דָּבְאֶֽךָ (daveekha) = je kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִנְעָל (minal), ‘slot’ of ‘sandaal’: het woord komt maar één keer voor en de betekenis is niet zeker. Ook דֹּבְאֶךָ (dove’kha), ‘je kracht’, komt maar één keer voor. Wij kiezen ‘sloten’ en ‘kracht’. Zie ook: Ps 138:3; Jes 40:29; Jes 41:10; Fil 4:13; Kol 1:11 ### Er is niemand als de El van Jesurun **33:26** Niemand is als de El, Jesurun: Hij rijdt op de hemel om je te helpen, in Zijn hoogheid op de wolken. Brontekst: אֵ֥ין (ein) = niet is | כָּאֵ֖ל (kael) = als El | יְשֻׁר֑וּן (yeshurun) = Jesurun | רֹכֵ֤ב (rokhev) = rijder op | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemel | בְעֶזְרֶ֔ךָ (beezrekha) = tot je hulp | וּבְגַאֲוָת֖וֹ (uvegaavato) = en in Zijn hoogheid | שְׁחָקִֽים (shechaqim) = wolken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesurun is hier een aanspreekvorm: ‘Niemand is als de El, Jesurun’. Zie Deut. 32:15 en 33:5. אֵין כָּאֵל (ein ka’El), ‘niemand is als El’, lijkt op Exod. 15:11. Zie ook: Ex 15:11; Deut 32:15; Deut 33:5; Ps 104:3; Jes 43:11–13; Jer 10:6; Hab 3:8 **33:27** Een woonplaats is de Elohim van vroeger, en onder je zijn eeuwige armen. Hij verdreef de vijand voor je uit en zei: **„Vernietig!”** Brontekst: מְעֹנָה֙ (meona) = woonplaats | אֱלֹ֣הֵי (elohei) = Elohim van | קֶ֔דֶם (qedem) = oudheid | וּמִתַּ֖חַת (umitachat) = en onder | זְרֹעֹ֣ת (zeroot) = armen van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | וַיְגָ֧רֶשׁ (vaygaresh) = en Hij verdreef | מִפָּנֶ֛יךָ (mipaneikha) = voor je | אוֹיֵ֖ב (oyev) = vijand | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | הַשְׁמֵֽד (hashmed) = vernietig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעֹנָה (me’onah), ‘woonplaats’: een plek om thuis te zijn. Wij vertalen ‘woonplaats’ en niet ‘schuilplaats’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie ‘Vernietig!’ zegt. Wij lezen het als het bevel van Elohim en zetten het rood. Zie ook: Ps 18:3; Ps 46:2; Ps 90:1–2; Ps 91:1–2; Jes 25:4 **33:28** Zo woont Israël veilig, alleen; de bron van Jakob is in een land van graan en nieuwe wijn. Ook zijn hemel laat dauw druipen. Brontekst: וַיִּשְׁכֹּן֩ (vayishkon) = en woont | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | בֶּ֤טַח (betach) = veilig | בָּדָד֙ (badad) = alleen | עֵ֣ין (ein) = bron van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = in | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | דָּגָ֣ן (dagan) = graan | וְתִיר֑וֹשׁ (vetirosh) = en nieuwe wijn | אַף (af) = ook | שָׁמָ֖יו (shamav) = zijn hemel | יַֽעַרְפוּ (yaarfu) = laat druipen | טָֽל (tal) = dauw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵין יַעֲקֹב (ein Ya’akov), ‘bron van Jakob’: de bron van Jakobs nageslacht, het volk. De dauw sluit aan op vers 13. Zie ook: Gen 27:28; Ex 33:16; Num 23:9; Deut 33:13; Jer 23:6; Openb 21:27 **33:29** Gelukkig ben je, Israël! Wie is als jij, een volk, gered door Yahweh, het schild van je hulp en het zwaard van je hoogheid? Je vijanden zullen voor je kruipen, en jij zult treden op hun hoogten. Brontekst: אַשְׁרֶ֨יךָ (ashreikha) = gelukkig ben je | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | מִ֣י (mi) = wie | כָמ֗וֹךָ (kamokha) = is als jij | עַ֚ם (am) = volk | נוֹשַׁ֣ע (nosha) = gered | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = door Yahweh | מָגֵ֣ן (magen) = schild van | עֶזְרֶ֔ךָ (ezrekha) = je hulp | וַאֲשֶׁר (vaasher) = en dat | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard van | גַּאֲוָתֶ֑ךָ (gaavatekha) = je hoogheid | וְיִכָּֽחֲשׁ֤וּ (veyikachashu) = en zullen kruipen | אֹיְבֶ֨יךָ֙ (oyeveikha) = je vijanden | לָ֔ךְ (lakh) = voor je | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | עַל (al) = op | בָּמוֹתֵ֥ימוֹ (bamoteimo) = hun hoogten | תִדְרֹֽךְ (tidrokh) = zult treden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִכָּחֲשׁוּ (yikkachashu), letterlijk ‘zullen liegen’: zich uit angst onderwerpen en mooi praten. Wij vertalen ‘kruipen’. בָּמוֹתֵימוֹ (bamotemo), ‘hun hoogten’: de offerhoogten van de vijanden. Zie ook: Deut 4:7–8; 2 Sam 7:23; Ps 115:9–11; Jes 12:2; Jes 45:17 ## Deuteronomium 34 _De dood van Mozes op de Nebo_ ### Mozes ziet het beloofde land **34:1** Mozes ging omhoog uit de vlakten van Moab naar de berg Nebo, de top van de Pisga, tegenover Jericho. Yahweh liet hem het hele land zien: Gilead tot aan Dan, Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en ging omhoog | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | מֵֽעַרְבֹ֤ת (mearvot) = uit de vlakten van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = berg | נְב֔וֹ (nevo) = Nebo | רֹ֚אשׁ (rosh) = top van | הַפִּסְגָּ֔ה (hapisga) = de Pisga | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | יְרֵח֑וֹ (yerecho) = Jericho | וַיַּרְאֵ֨הוּ (vayarehu) = en Hij liet hem zien | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | הַגִּלְעָ֖ד (hagilad) = Gilead | עַד (ad) = tot | דָּֽן (dan) = Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Nebo is een top van de Pisga, in het gebergte Abarim ten oosten van de Dode Zee en tegenover Jericho (Jordanië). Zie ook Num. 27:12, Deut. 3:27 en Deut. 32:49. Dan ligt in het uiterste noorden van het land, aan de voet van de Hermon (Israël). Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De opsomming loopt van het noorden (Gilead en Dan) via het midden (Naftali, Efraïm, Manasse, Juda) naar het zuiden (Negev, Zoar): Mozes ziet het hele land. Zie ook: Num 27:12; Deut 3:27; Deut 32:49; Joz 19:47; Ezech 40:2; Openb 21:10 **34:2** heel Naftali, het land van Efraïm en Manasse, heel het land Juda tot aan de westelijke zee, Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | נַפְתָּלִ֔י (naftali) = Naftali | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | וּמְנַשֶּׁ֑ה (umenashe) = en Manasse | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עַ֖ד (ad) = tot | הַיָּ֥ם (hayam) = de zee | הָאַחֲרֽוֹן (haacharon) = de laatste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Voetnoot Uitleg: הַיָּם הָאַחֲרוֹן (hayam ha’acharon), letterlijk ‘de achterste zee’: wie naar het oosten kijkt, heeft het westen achter zich. Het is de Middellandse Zee. Zie ook: Ex 23:31; Num 34:6; Deut 11:24; Joz 15:12 **34:3** de Negev en de Kikkar, het dal van Jericho, de stad van de palmen, tot aan Zoar. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנֶּ֗גֶב (hanegev) = de Negev | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַכִּכָּ֞ר (hakikar) = de Kikkar | בִּקְעַ֧ת (biqat) = dal van | יְרֵח֛וֹ (yerecho) = Jericho | עִ֥יר (ir) = stad van | הַתְּמָרִ֖ים (hatemarim) = de palmen | עַד (ad) = tot | צֹֽעַר (tsoar) = Zoar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zoar ligt bij de zuidkant van de Dode Zee (Jordanië); de ligging is niet zeker. Lot vluchtte erheen (Gen. 19:22–23). Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: כִּכָּר (kikkar), ‘ronde vlakte’: het Jordaandal rond Jericho. עִיר הַתְּמָרִים (ir hatemarim), ‘stad van de palmen’, is een naam van Jericho. Zie ook: Gen 14:2; Gen 19:22; Re 1:16; Re 3:13; 2 Kron 28:15 **34:4** Yahweh zei tegen hem: **„Dit is het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb met de woorden: ‘Aan je nageslacht zal Ik het geven.’ Ik heb het je met je eigen ogen laten zien, maar je zult er niet naartoe oversteken.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | זֹ֤את (zot) = dit | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נִ֠שְׁבַּעְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לְאַבְרָהָ֨ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֤ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹב֙ (uleyaaqov) = en aan Jakob | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לְזַרְעֲךָ֖ (lezarakha) = aan je nageslacht | אֶתְּנֶ֑נָּה (etenena) = Ik zal het geven | הֶרְאִיתִ֣יךָ (heritikha) = Ik heb het je laten zien | בְעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = met je ogen | וְשָׁ֖מָּה (veshama) = en daarheen | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲבֹֽר (taavor) = je zult oversteken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het land is gezworen aan Abraham, Isaak en Jakob: Gen. 12:7; 26:3; 35:12. Dat Mozes het zelf niet in mag, heeft Yahweh gezegd in Num. 20:12 en Deut. 3:27. Zie ook: Gen 12:7; Gen 26:3; Gen 28:13; Gen 35:12; Num 20:12; Deut 3:26–27; Deut 3:27; Deut 32:52 ### De dood en de begrafenis van Mozes **34:5** Mozes, de dienaar van Yahweh, stierf daar, in het land Moab, op bevel van Yahweh. Brontekst: וַיָּ֨מָת (vayamat) = en stierf | שָׁ֜ם (sham) = daar | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = mond van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: עֶבֶד יְהוָה (eved Yahweh), ‘dienaar van Yahweh’: een eretitel voor Mozes, ook in Joz. 1:1. עַל־פִּי יְהוָה (al pi Yahweh), letterlijk ‘op de mond van Yahweh’: op Zijn bevel, zoals bij Aäron in Num. 33:38. Zie ook: Num 33:38; Deut 32:50; Joz 1:1–2; 2 Tim 2:25; Heb 3:3–6; Openb 15:3 **34:6** Hij begroef hem in het dal in het land Moab, tegenover Bet-Peor. Niemand weet waar zijn graf is, tot op deze dag. Brontekst: וַיִּקְבֹּ֨ר (vayiqbor) = en Hij begroef | אֹת֤וֹ (oto) = hem | בַגַּיְ֙ (bagay) = in het dal | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | מ֖וּל (mul) = tegenover | בֵּ֣ית (beit) = Bet | פְּע֑וֹר (peor) = Peor | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָדַ֥ע (yada) = wist | אִישׁ֙ (ish) = iemand | אֶת (et) = (obj.) | קְבֻ֣רָת֔וֹ (qevurato) = zijn graf | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Bet-Peor: Bet-Peor lag in Moab, in het dal tegenover Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עַד הַיּוֹם הַזֶּה (ad hayom hazeh), ‘tot op deze dag’: tot de tijd waarin dit geschreven is weet niemand waar het graf ligt. Bet-Peor is een plaats bij de berg Peor in Moab (Deut. 3:29; 4:46). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet wie begroef. Wij lezen Yahweh (‘Hij begroef hem’), omdat het vorige vers Yahweh noemt. De Septuaginta heeft ‘zij begroeven hem’. Zie ook: Deut 3:29; Deut 4:46; Jud 1:9 **34:7** Mozes was 120 jaar oud toen hij stierf. Zijn oog was niet dof geworden en zijn levenskracht was niet verdwenen. Brontekst: וּמֹשֶׁ֗ה (umoshe) = en Mozes | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָ֧ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֛ים (veesrim) = en twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בְּמֹת֑וֹ (bemoto) = bij zijn sterven | לֹֽא (lo) = niet | כָהֲתָ֥ה (kahata) = was dof geworden | עֵינ֖וֹ (eino) = zijn oog | וְלֹא (velo) = en niet | נָ֥ס (nas) = was gevlucht | לֵחֹֽה (lecho) = zijn levenskracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes was 80 jaar toen hij voor de farao stond (Exod. 7:7) en 120 jaar bij zijn dood; zie ook Deut. 31:2. לֵחֹה (lechoh), ‘levenskracht’: letterlijk ‘frisheid’. Zie ook: Gen 27:1; Gen 48:10; Ex 7:7; Deut 31:2; Joz 14:10–11; Hand 7:36 ### De rouw en de opvolging door Jozua **34:8** De zonen van Israël beweenden Mozes in de vlakten van Moab, 30 dagen lang. Toen waren de dagen van het wenen en van de rouw om Mozes ten einde. Brontekst: וַיִּבְכּוּ֩ (vayivku) = en zij weenden | בְנֵ֨י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | בְּעַֽרְבֹ֥ת (bearvot) = in de vlakten van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | י֑וֹם (yom) = dag | וַֽיִּתְּמ֔וּ (vayitemu) = en waren ten einde | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | בְכִ֖י (bekhi) = wenen van | אֵ֥בֶל (evel) = rouw om | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Voetnoot Uitleg: Ook Aäron werd 30 dagen beweend (Num. 20:29). Zie ook: Gen 50:3; Gen 50:10; Num 20:29; 1 Sam 25:1; Hand 8:2 **34:9** Jozua, de zoon van Nun, was vol van de geest van wijsheid, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. De zonen van Israël luisterden naar hem en deden zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וִֽיהוֹשֻׁ֣עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֗וּן (nun) = Nun | מָלֵא֙ (male) = was vol van | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | חָכְמָ֔ה (chakhema) = wijsheid | כִּֽי (ki) = want | סָמַ֥ךְ (samakh) = had gesteund | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | עָלָ֑יו (alav) = op hem | וַיִּשְׁמְע֨וּ (vayishmeu) = en zij luisterden | אֵלָ֤יו (elav) = naar hem | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַֽיַּעֲשׂ֔וּ (vayaasu) = en zij deden | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ חָכְמָה (ruach chokhmah), ‘geest van wijsheid’. Zie Num. 27:18–23 voor het opleggen van de handen aan Jozua, en Deut. 31:7–8 en 31:23 voor zijn opdracht. Zie ook: Num 27:18–23; Deut 31:7–8; Deut 31:23; Jes 11:2; Dan 6:4; Joh 3:34; Hand 6:6; Hand 8:17–19 ### Geen profeet zoals Mozes **34:10** Er is in Israël nooit meer een profeet opgestaan zoals Mozes, die Yahweh kende van aangezicht tot aangezicht, Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | קָ֨ם (qam) = stond op | נָבִ֥יא (navi) = profeet | ע֛וֹד (od) = nog | בְּיִשְׂרָאֵ֖ל (beyisrael) = in Israël | כְּמֹשֶׁ֑ה (kemoshe) = als Mozes | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | יְדָע֣וֹ (yedao) = kende hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | פָּנִ֖ים (panim) = aangezicht | אֶל (el) = tot | פָּנִֽים (panim) = aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּנִים אֶל־פָּנִים (panim el panim), ‘van aangezicht tot aangezicht’: Yahweh sprak met Mozes zoals een mens met zijn vriend spreekt (Exod. 33:11; Num. 12:6–8). Zie ook: Ex 33:11; Num 12:6–8; Deut 5:4–5; Deut 18:15–18; Heb 3:5–6 **34:11** in al de tekenen en wonderen waarvoor Yahweh hem zond om ze te doen in het land Egypte, aan de farao, aan al zijn dienaren en aan heel zijn land, Brontekst: לְכָל (lekhal) = voor al | הָ֨אֹת֜וֹת (haotot) = de tekenen | וְהַמּוֹפְתִ֗ים (vehamofetim) = en de wonderen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | שְׁלָחוֹ֙ (shelacho) = zond hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לְפַרְעֹ֥ה (lefaro) = aan de farao | וּלְכָל (ulekhal) = en aan al | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | וּלְכָל (ulekhal) = en aan heel | אַרְצֽוֹ (artso) = zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 4:34; Deut 7:19; Ps 78:43–58; Ps 105:26–38 **34:12** en in heel de sterke hand en in al het grote ontzagwekkende dat Mozes voor de ogen van heel Israël gedaan heeft. Brontekst: וּלְכֹל֙ (ulekhol) = en voor heel | הַיָּ֣ד (hayad) = de hand | הַחֲזָקָ֔ה (hachazaqa) = de sterke | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor al | הַמּוֹרָ֣א (hamora) = het ontzag | הַגָּד֑וֹל (hagadol) = het grote | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | עָשָׂ֣ה (asa) = deed | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹרָא (mora), ‘ontzag’: wat ontzag wekt, hier de machtige daden in Egypte en in de woestijn. Vergelijk Deut. 4:34. Zie ook: Deut 4:34