# Handelingen (Πράξεις, Praxeis) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Handelingen 1 _De Hemelvaart en de keuze van Matthias_ ### Het voorwoord **1:1** Het eerste boek heb ik geschreven, Theofilus, over alles wat Yeshua begon te doen en te onderwijzen, Brontekst: Τὸν (Ton) = de | μὲν (men) = wel | πρῶτον (proton) = eerste | λόγον (logon) = boek | ἐποιησάμην (epoiesamen) = heb gemaakt | περὶ (peri) = over | πάντων (panton) = alles | ὦ (o) = o | Θεόφιλε (Theophile) = Theofilus | ὧν (hon) = wat | ἤρξατο (erxato) = begon | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ποιεῖν (poiein) = te doen | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λόγος (logos), ‘woord’: hier het eerste boek van Lucas, ons Lucasevangelie (Luc. 1:1–4). Theofilus is dezelfde man aan wie dat boek gericht was. Voetnoot : De schrijver spreekt hier zelf in de eerste persoon; daarom staat er ‘ik’. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:1–4. Zie ook: Luc 1:1–4 **1:2** tot de dag waarop Hij werd opgenomen, nadat Hij door de Heilige Geest opdracht had gegeven aan de apostelen die Hij had uitgekozen. Brontekst: ἄχρι (achri) = tot | ἧς (hes) = welke | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐντειλάμενος (enteilamenos) = opdracht gegeven hebbend | τοῖς (tois) = aan de | ἀποστόλοις (apostolois) = apostelen | διὰ (dia) = door | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = Heilige | οὓς (hous) = die | ἐξελέξατο (exelexato) = had uitgekozen | ἀνελήμφθη (anelemphthe) = werd opgenomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνελήμφθη (anelemphthe), ‘werd opgenomen’, van ἀναλαμβάνω (analambano), ‘omhoog nemen’: de Hemelvaart (zie vers 9–11 en 22). De woorden ‘door de Heilige Geest’ kunnen bij ‘opdracht gegeven’ of bij ‘uitgekozen’ horen. Wij volgen de woordvolgorde van het Grieks. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:50–51. Zie ook: Luc 24:50–51; Hand 1:9–11; Hand 1:22 **1:3** Aan hen had Hij Zich na Zijn lijden ook levend getoond, met vele bewijzen. 40 dagen lang liet Hij Zich door hen zien en sprak Hij over het koninkrijk van Elohim. Brontekst: οἷς (hois) = aan wie | καὶ (kai) = ook | παρέστησεν (parestesen) = toonde | ἑαυτὸν (heauton) = Zichzelf | ζῶντα (zonta) = levend | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | παθεῖν (pathein) = hebben geleden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | πολλοῖς (pollois) = vele | τεκμηρίοις (tekmeriois) = bewijzen | δι’ (di’) = gedurende | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = veertig | ὀπτανόμενος (optanomenos) = zich latend zien | αὐτοῖς (autois) = aan hen | καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = sprekend | τὰ (ta) = de | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τεκμήριον (tekmerion), ‘bewijs’: een zeker teken waaraan men iets kan vaststellen. ὀπτάνομαι (optanomai), ‘Zich laten zien’. Het getal 40 komt in de Bijbel vaak voor als een tijd van voorbereiding (Exod. 24:18; Matt. 4:2). Voetnoot : Zie ook Luc. 24:36–49; Joh. 20:19–21:14. Zie ook: Ex 24:18; Mat 4:2; Luc 24:36–49; Joh 20:19–21:14 ### De belofte van de Heilige Geest **1:4** Toen Hij met hen samen was, gaf Hij hun het bevel Jeruzalem niet te verlaten, maar te wachten op de belofte van de Vader. **„Die hebben jullie van Mij gehoord:** Brontekst: καὶ (kai) = en | συναλιζόμενος (synalizomenos) = samen zijnd met | παρήγγειλεν (parengeilen) = gebood | αὐτοῖς (autois) = aan hen | ἀπὸ (apo) = van | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | μὴ (me) = niet | χωρίζεσθαι (chorizesthai) = zich te verwijderen | ἀλλὰ (alla) = maar | περιμένειν (perimenein) = te wachten op | τὴν (ten) = de | ἐπαγγελίαν (epangelian) = belofte | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | ἣν (hen) = welke | ἠκούσατέ (ekousate) = hebt gehoord | μου (mou) = van Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: συναλιζόμενος (synalizomenos), ‘samen zijnd met’: het woord kan ook ‘samen eten’ of ‘samen verblijven’ betekenen. Wij kiezen de brede betekenis ‘samen zijn’. Voetnoot : Vanaf ‘Die hebben jullie van Mij gehoord’ gaat het Grieks over in rechtstreekse rede van Yeshua; daarom begint hier het rood. ἐπαγγελία (epangelia), ‘belofte’: de Heilige Geest (zie vers 5 en 8). Voetnoot : Zie ook Luc. 24:49; Joh. 14:26; Joël 3:1–5 (in de Nederlandse telling is dit 2:28–32). Zie ook: Joël 3:1–5; Luc 24:49; Joh 14:26; Hand 1:5; Hand 1:8 **1:5** **Johannes doopte wel met water, maar jullie zullen binnen niet veel dagen gedoopt worden met de Heilige Geest.”** Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | μὲν (men) = wel | ἐβάπτισεν (ebaptisen) = doopte | ὕδατι (hydati) = met water | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = Geest | βαπτισθήσεσθε (baptisthesesthe) = zullen worden gedoopt | ἁγίῳ (hagio) = Heilige | οὐ (ou) = niet | μετὰ (meta) = na | πολλὰς (pollas) = vele | ταύτας (tautas) = deze | ἡμέρας (hemeras) = dagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen. De uitdrukking ‘gedoopt met de Heilige Geest’ is letterlijk ‘gedoopt in Geest’. οὐ μετὰ πολλὰς ταύτας ἡμέρας (ou meta pollas tautas hemeras) is letterlijk ‘niet na veel van deze dagen’: binnen enkele dagen. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:8; Luc. 3:16; Joh. 1:33. Zie ook: Mat 3:11; Mar 1:8; Luc 3:16; Joh 1:33 **1:6** Zij die bijeengekomen waren, vroegen Hem: „Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dan | συνελθόντες (synelthontes) = bijeengekomen | ἠρώτων (eroton) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | εἰ (ei) = of | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | χρόνῳ (chrono) = tijd | τούτῳ (touto) = deze | ἀποκαθιστάνεις (apokathistaneis) = herstelt U | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τῷ (to) = aan de | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποκαθιστάνω (apokathistano), ‘herstellen’: iets terugbrengen in zijn vroegere toestand. De leerlingen vragen of Yeshua het koninkrijk van Israël nu herstelt. Zie ook Luc. 24:21. Voetnoot : κύριε (kyrie), ‘Heer’: zie vers 21. Zie ook: Luc 24:21; Hand 1:21 **1:7** Hij zei tegen hen: **„Het is niet aan jullie om tijden of tijdstippen te weten, die de Vader met Zijn eigen gezag heeft vastgesteld.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Οὐχ (Ouch) = niet | ὑμῶν (hymon) = van jullie | ἐστιν (estin) = is | γνῶναι (gnonai) = te weten | χρόνους (chronous) = tijden | ἢ (e) = of | καιροὺς (kairous) = tijdstippen | οὓς (hous) = welke | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἔθετο (etheto) = heeft gesteld | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | ἰδίᾳ (idia) = eigen | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χρόνος (chronos), ‘tijd’, en καιρός (kairos), ‘tijdstip’: een bepaald, geschikt moment. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: de Vader beslist Zelf over de tijd. Zie ook Matt. 24:36; Mark. 13:32. Zie ook: Mat 24:36; Mar 13:32 **1:8** **Maar jullie zullen kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over jullie is gekomen. Jullie zullen Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.”** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | λήμψεσθε (lempsesthe) = zullen ontvangen | δύναμιν (dynamin) = kracht | ἐπελθόντος (epelthontos) = gekomen zijnde | τοῦ (tou) = de | ἁγίου (hagiou) = Heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἐφ’ (eph’) = over | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | ἔσεσθέ (esesthe) = zult zijn | μου (mou) = Mijn | μάρτυρες (martyres) = getuigen | ἔν (en) = zowel | τε (te) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | πάσῃ (pase) = heel | τῇ (te) = de | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Judea | καὶ (kai) = en | Σαμαρείᾳ (Samareia) = Samaria | καὶ (kai) = en | ἕως (heos) = tot | ἐσχάτου (eschatou) = uiterste | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: μάρτυς (martys), ‘getuige’: iemand die verklaart wat hij gezien en gehoord heeft. Deze zin geeft de opbouw van het boek: Jeruzalem, Judea en Samaria, en de uiteinden van de aarde. Vergelijk de woorden over de Knecht van Yahweh in Jes. 49:6. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:48–49; Jes. 49:6. Zie ook: Jes 49:6; Luc 24:48–49 ### Yeshua wordt opgenomen in de hemel **1:9** Nadat Hij dit had gezegd, werd Hij opgetild terwijl zij het zagen, en een wolk nam Hem op, weg uit hun ogen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | βλεπόντων (bleponton) = terwijl zagen | αὐτῶν (auton) = zij | ἐπήρθη (eperthe) = werd opgetild | καὶ (kai) = en | νεφέλη (nephele) = wolk | ὑπέλαβεν (hypelaben) = nam op | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ὀφθαλμῶν (ophthalmon) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπήρθη (eperthe), ‘werd opgetild’. νεφέλη (nephele), ‘wolk’: in de Bijbel een teken van de nabijheid van Elohim (Exod. 40:34–35). Vergelijk ook Dan. 7:13, waar iemand als een mensenzoon met de wolken van de hemel komt. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:50–51; Mark. 16:19; Exod. 40:34–35; Dan. 7:13. Zie ook: Ex 40:34–35; Dan 7:13; Mar 16:19; Luc 24:50–51 **1:10** Zij keken nog strak naar de hemel terwijl Hij wegging. En zie, twee mannen in witte kleren stonden bij hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = terwijl | ἀτενίζοντες (atenizontes) = strak kijkend | ἦσαν (esan) = waren | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | πορευομένου (poreuomenou) = gaande | αὐτοῦ (autou) = Hij | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄνδρες (andres) = mannen | δύο (dyo) = twee | παρειστήκεισαν (pareistekeisan) = stonden | αὐτοῖς (autois) = bij hen | ἐν (en) = in | ἐσθήσεσι (esthesesi) = kleren | λευκαῖς (leukais) = witte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐσθῆσι λευκαῖς (esthesi leukais), ‘witte kleren’: zo worden engelen vaker beschreven (Luc. 24:4; Joh. 20:12). Het Grieks noemt hen ‘mannen’. Wij schrijven hun woorden zwart, zoals die van andere engelen. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:4; Joh. 20:12. Zie ook: Luc 24:4; Joh 20:12 **1:11** Zij zeiden: „Mannen, Galileeërs, waarom staan jullie naar de hemel te kijken? Deze Yeshua is van jullie weg in de hemel opgenomen. Hij zal zo komen, op dezelfde manier als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan.” Brontekst: οἳ (hoi) = die | καὶ (kai) = ook | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Γαλιλαῖοι (Galilaioi) = Galileeërs | τί (ti) = waarom | ἑστήκατε (hestekate) = staan jullie | βλέποντες (blepontes) = kijkend | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανόν (ouranon) = hemel | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | ἀναλημφθεὶς (analemphtheis) = die is opgenomen | ἀφ’ (aph’) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | οὕτως (houtos) = zo | ἐλεύσεται (eleusetai) = zal komen | ὃν (hon) = op welke | τρόπον (tropon) = wijze | ἐθεάσασθε (etheasasthe) = hebt aanschouwd | αὐτὸν (auton) = Hem | πορευόμενον (poreuomenon) = gaande | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανόν (ouranon) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Γαλιλαῖοι (Galilaioi), ‘Galileeërs’: mensen uit Galilea, het gebied waar Yeshua en veel van Zijn leerlingen vandaan kwamen. ‘Zo zal Hij komen’ verwijst naar de komst van Yeshua. Vergelijk Zach. 14:4, waar de voeten van Yahweh op de Olijfberg staan. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:30; Zach. 14:4. Zie ook: Zach 14:4; Mat 24:30 ### De terugkeer naar Jeruzalem **1:12** Toen keerden zij terug naar Jeruzalem, van de berg die Olijfberg genoemd wordt. Die ligt dicht bij Jeruzalem, op een sabbatsreis. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἀπὸ (apo) = van | ὄρους (orous) = berg | τοῦ (tou) = de | καλουμένου (kaloumenou) = genoemd | Ἐλαιῶνος (Elaionos) = Olijfberg | ὅ (ho) = die | ἐστιν (estin) = is | ἐγγὺς (engys) = dicht bij | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | σαββάτου (sabbatou) = sabbatsreis | ἔχον (echon) = hebbend | ὁδόν (hodon) = weg Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: Ἐλαιών (Elaion), ‘Olijfberg’: de heuvelrug ten oosten van Jeruzalem (Luc. 24:50 noemt Betanië). σαββάτου ὁδός (sabbatou hodos), ‘sabbatsreis’: de afstand die men op sabbat mocht lopen. Volgens de overlevering was dat ongeveer 2000 el, dus ongeveer 900 meter; vergelijk Num. 35:5. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:50; Zach. 14:4. Zie ook: Num 35:5; Zach 14:4; Luc 24:50 **1:13** Toen zij binnengekomen waren, gingen zij omhoog naar de bovenzaal waar zij verbleven. Dat waren Petrus en Johannes en Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | εἰσῆλθον (eiselthon) = waren binnengekomen | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὑπερῷον (hyperoon) = bovenzaal | ἀνέβησαν (anebesan) = gingen omhoog | οὗ (hou) = waar | ἦσαν (esan) = waren | καταμένοντες (katamenontes) = verblijvend | ὅ (ho) = de | τε (te) = en | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἀνδρέας (Andreas) = Andreas | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | καὶ (kai) = en | Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | Βαρθολομαῖος (Bartholomaios) = Bartolomeüs | καὶ (kai) = en | Μαθθαῖος (Maththaios) = Matteüs | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | Ἁλφαίου (Halphaiou) = van Alfeüs | καὶ (kai) = en | Σίμων (Simon) = Simon | ὁ (ho) = de | ζηλωτὴς (zelotes) = Zeloot | καὶ (kai) = en | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | Ἰακώβου (Iakobou) = van Jakobus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπερῷον (hyperoon), ‘bovenzaal’: een kamer op de verdieping. In Mark. 14:15 en Luc. 22:12 staat een ander Grieks woord, ἀνάγαιον (anagaion), dat wij ook met ‘bovenzaal’ vertalen. Het Grieks zegt niet dat het dezelfde kamer is. Voetnoot : De lijst van de apostelen lijkt op Luc. 6:14–16; Judas Iskariot ontbreekt. Het Grieks heeft bij ‘Jakobus’ en ‘Judas’ alleen ‘van Alfeüs’ en ‘van Jakobus’. Wij vullen ‘zoon’ aan, zoals in Luc. 6:15–16. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:14–16; Matt. 10:2–4; Mark. 3:16–19. Zie ook: Mat 10:2–4; Mar 3:16–19; Mar 14:15; Luc 6:14–16; Luc 6:15–16; Luc 22:12 **1:14** Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Yeshua, en met Zijn broers. Brontekst: οὗτοι (houtoi) = deze | πάντες (pantes) = allen | ἦσαν (esan) = waren | προσκαρτεροῦντες (proskarterountes) = volhardend | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | τῇ (te) = in het | προσευχῇ (proseuche) = gebed | σὺν (syn) = met | γυναιξὶν (gynaixin) = vrouwen | καὶ (kai) = en | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | τῇ (te) = de | μητρὶ (metri) = moeder | τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’: letterlijk ‘met één gemoed’. Dit woord komt in dit boek vaker voor (2:46; 4:24). προσκαρτερέω (proskartereo), ‘volharden’: ergens vasthoudend bij blijven; wij vertalen het overal zo (ook 2:42, 2:46). Zie ook Luc. 8:2–3; Luc. 24:10; Mark. 6:3. Zie ook: Mar 6:3; Luc 8:2–3; Luc 24:10 ### Een opvolger voor Judas **1:15** In die dagen stond Petrus op te midden van de broers. Er was een menigte van ongeveer 120 personen bij elkaar. Hij zei: Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ταύταις (tautais) = deze | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | τῶν (ton) = van de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | εἶπεν (eipen) = zei | ἦν (en) = was | τε (te) = en | ὄχλος (ochlos) = menigte | ὀνομάτων (onomaton) = van namen | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | αὐτὸ (auto) = zelfde | ὡς (hos) = ongeveer | ἑκατὸν (hekaton) = honderd | εἴκοσι (eikosi) = twintig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: een gewone aanspreking onder volksgenoten en gelovigen. Het Grieks woord kan ook een groep van mannen en vrouwen aanduiden. Wij vertalen het overal met ‘broers’. ὄχλος ὀνομάτων (ochlos onomaton), ‘menigte van namen’: ‘namen’ staat hier voor personen. **1:16** „Mannen, broers, de Schrift moest vervuld worden. De Heilige Geest heeft die van tevoren gesproken door de mond van David, over Judas, die de gids werd van hen die Yeshua grepen. Brontekst: Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἔδει (edei) = het was nodig | πληρωθῆναι (plerothenai) = te worden vervuld | τὴν (ten) = de | γραφὴν (graphen) = Schrift | ἣν (hen) = welke | προεῖπε (proeipe) = zei van tevoren | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | διὰ (dia) = door | στόματος (stomatos) = mond | Δαυὶδ (Dauid) = David | περὶ (peri) = over | Ἰούδα (Iouda) = Judas | τοῦ (tou) = de | γενομένου (genomenou) = geworden | ὁδηγοῦ (hodegou) = gids | τοῖς (tois) = aan hen | συλλαβοῦσιν (syllabousin) = die grepen | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁδηγός (hodegos), ‘gids’: iemand die de weg wijst. Het Grieks zegt dat de Schrift ‘moest’ (ἔδει, edei) vervuld worden: Elohim had dit voorzien. Voor de Schriftplaatsen, zie vers 20. De Heilige Geest sprak ‘door de mond van David’: de psalmen die in vers 20 worden aangehaald, worden hier aan David toegeschreven. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:47–48; Joh. 18:2–3. Zie ook: Luc 22:47–48; Joh 18:2–3; Hand 1:20 **1:17** Judas was tot ons gerekend en had zijn aandeel gekregen in deze dienst. Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | κατηριθμημένος (katerithmemenos) = gerekend | ἦν (en) = was | ἐν (en) = onder | ἡμῖν (hemin) = ons | καὶ (kai) = en | ἔλαχεν (elachen) = kreeg | τὸν (ton) = de | κλῆρον (kleron) = aandeel | τῆς (tes) = van de | διακονίας (diakonias) = dienst | ταύτης (tautes) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κλῆρος (kleros), ‘aandeel’: eigenlijk ‘lot’; wat iemand bij loting ontvangt. διακονία (diakonia), ‘dienst’: het werk van de apostelen. **1:18** Deze man heeft dus een stuk land gekocht met het loon van zijn onrecht. Hij viel voorover, barstte middendoor open en al zijn ingewanden stroomden eruit. Brontekst: Οὗτος (Houtos) = deze | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dan | ἐκτήσατο (ektesato) = verwierf | χωρίον (chorion) = stuk land | ἐκ (ek) = uit | μισθοῦ (misthou) = loon | τῆς (tes) = van het | ἀδικίας (adikias) = onrecht | καὶ (kai) = en | πρηνὴς (prenes) = voorover | γενόμενος (genomenos) = geworden | ἐλάκησεν (elakesen) = barstte open | μέσος (mesos) = middendoor | καὶ (kai) = en | ἐξεχύθη (exechythe) = werden uitgestort | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | σπλάγχνα (splanchna) = ingewanden | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Matteüs vertelt dat Judas zich verhing en dat de hogepriesters de akker kochten (Matt. 27:5–8). Hier is Judas zelf de koper. Of vers 18–19 woorden van Petrus zijn of een opmerking van de schrijver, zegt het Grieks niet; wij houden ze binnen de aanhalingstekens van Petrus. Wij vertalen beide verhalen letterlijk. πρηνὴς γενόμενος (prenes genomenos), ‘voorover geworden’: het woord is zeldzaam; wij vertalen ‘hij viel voorover’. ἐλάκησεν (elakesen), ‘barstte open’. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:3–10. Zie ook: Mat 27:3–10; Mat 27:5–8 **1:19** Dit werd bekend aan alle inwoners van Jeruzalem, zodat die akker in hun eigen taal Akeldama genoemd werd, dat is Akker van Bloed. Brontekst: καὶ (kai) = en | γνωστὸν (gnoston) = bekend | ἐγένετο (egeneto) = werd | πᾶσι (pasi) = aan allen | τοῖς (tois) = de | κατοικοῦσιν (katoikousin) = bewoners | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ὥστε (hoste) = zodat | κληθῆναι (klethenai) = genoemd te worden | τὸ (to) = de | χωρίον (chorion) = stuk land | ἐκεῖνο (ekeino) = dat | τῇ (te) = in het | ἰδίᾳ (idia) = eigen | διαλέκτῳ (dialekto) = taal | αὐτῶν (auton) = hun | Ἁκελδαμάχ (Hakeldamach) = Akeldama | τοῦτ’ (tout’) = dat | ἔστιν (estin) = is | Χωρίον (Chorion) = Akker | Αἵματος (Haimatos) = van Bloed Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Akker van Bloed (Hakeldama; ligging onzeker): De Akker van de Pottenbakker, later Akker van Bloed (Hakeldama), wordt van oudsher gezocht aan de zuidkant van het dal van Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ‘In hun eigen taal’ is het Aramees. Ἁκελδαμάχ (Hakeldamach) is de Griekse schrijfwijze van het Aramese ‘akker van bloed’. In Matt. 27:8 heet de akker ‘Akker van Bloed’. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:8. Zie ook: Mat 27:8 **1:20** Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen: ‘Laat zijn verblijf een woestenij worden. Laat er niemand in wonen.’ En: ‘Laat een ander zijn ambt als opziener nemen.’ Brontekst: γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | γὰρ (gar) = want | ἐν (en) = in | βίβλῳ (biblo) = boek | ψαλμῶν (psalmon) = van Psalmen | Γενηθήτω (Genetheto) = laat worden | ἡ (he) = de | ἔπαυλις (epaulis) = verblijf | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἔρημος (eremos) = woest | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἔστω (esto) = laat zijn | ὁ (ho) = de | κατοικῶν (katoikon) = wonende | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = het | καί (kai) = en | Τὴν (Ten) = de | ἐπισκοπὴν (episkopen) = ambt als opziener | αὐτοῦ (autou) = zijn | λαβέτω (labeto) = laat nemen | ἕτερος (heteros) = een ander Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het eerste citaat is Ps. 69:26 (in de Nederlandse telling is dit 69:25), het tweede Ps. 109:8. Het Hebreeuws heeft in Ps. 69:26 ‘hun kamp’ en ‘hun tenten’ (meervoud); de Griekse tekst heeft ‘zijn verblijf’ en ‘erin’ (enkelvoud), zodat het op één man past. ἔπαυλις (epaulis), ‘verblijf’: hoeve of landgoed. ἐπισκοπή (episkope), ‘ambt als opziener’: het Hebreeuwse פְּקֻדָּה (pequddah) betekent ‘toezicht, ambt’. Vergelijk ἐπίσκοπος (episkopos), ‘opziener’, in 20:28. Voetnoot : Zie ook Ps. 69:26; Ps. 109:8. Zie ook: Ps 69:26; Ps 109:8 **1:21** Daarom moet er, uit de mannen die met ons zijn meegegaan in heel de tijd waarin de Heer Yeshua bij ons in en uit ging, Brontekst: δεῖ (dei) = het is nodig | οὖν (oun) = dus | τῶν (ton) = van de | συνελθόντων (synelthonton) = samengegaan zijnden | ἡμῖν (hemin) = met ons | ἀνδρῶν (andron) = mannen | ἐν (en) = in | παντὶ (panti) = alle | χρόνῳ (chrono) = tijd | ᾧ (ho) = waarin | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging in | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἐφ’ (eph’) = bij | ἡμᾶς (hemas) = ons | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: Yeshua wordt in de verteltekst en in de woorden van de leerlingen ‘de Heer’ genoemd (met hoofdletter). Het is een titel van eerbied. Waar het Oude Testament wordt geciteerd of een formule uit het Oude Testament wordt gebruikt, staat Yahweh. Zie Luc. 1:43 en 7:13. Voetnoot : ‘In en uit gaan’ is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘onder mensen leven en werken’. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:43; Luc. 7:13. Zie ook: Luc 1:43; Luc 7:13 **1:22** te beginnen bij de doop van Johannes tot de dag waarop Hij van ons werd opgenomen, een van hen samen met ons getuige worden van Zijn opstanding.” Brontekst: ἀρξάμενος (arxamenos) = beginnend | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | βαπτίσματος (baptismatos) = doop | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἧς (hes) = waarop | ἀνελήμφθη (anelemphthe) = werd opgenomen | ἀφ’ (aph’) = van | ἡμῶν (hemon) = ons | μάρτυρα (martyra) = getuige | τῆς (tes) = van de | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | αὐτοῦ (autou) = Zijn | σὺν (syn) = met | ἡμῖν (hemin) = ons | γενέσθαι (genesthai) = te worden | ἕνα (hena) = een | τούτων (touton) = van deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een apostel moest dus iemand zijn die Yeshua vanaf Zijn doop tot Zijn opneming had meegemaakt en die de opstanding kon bevestigen. Zie ook Mark. 1:9; Luc. 24:48. Zie ook: Mar 1:9; Luc 24:48 ### Matthias wordt gekozen **1:23** Zij stelden er twee voor: Jozef, die Barsabbas genoemd werd en de bijnaam Justus kreeg, en Matthias. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔστησαν (estesan) = stelden | δύο (dyo) = twee | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | τὸν (ton) = die | καλούμενον (kaloumenon) = genoemde | Βαρσαββᾶν (Barsabban) = Barsabbas | ὃς (hos) = die | ἐπεκλήθη (epeklethe) = de bijnaam kreeg | Ἰοῦστος (Ioustos) = Justus | καὶ (kai) = en | Μαθθίαν (Maththian) = Matthias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βαρσαββᾶς (Barsabbas) is een Aramese bijnaam (‘zoon van …’); de precieze betekenis is onzeker. Ἰοῦστος (Ioustos), ‘Justus’, is een Latijnse bijnaam die ‘rechtvaardige’ betekent. Μαθθίας (Matthias) is een andere naam dan Μαθθαῖος (Matthaios), ‘Matteüs’, in vers 13; hij is de Griekse vorm van Mattitja, ‘gave van Yahweh’ (1 Kron. 15:18). Zie ook: 1 Kron 15:18; Hand 1:13 **1:24** Zij baden en zeiden: „U, Heer, die de harten van allen kent, wijs de ene aan die U uit deze twee hebt uitgekozen, Brontekst: καὶ (kai) = en | προσευξάμενοι (proseuxamenoi) = biddend | εἶπαν (eipan) = zeiden | Σὺ (Sy) = U | κύριε (kyrie) = Heer | καρδιογνῶστα (kardiognosta) = hartenkenner | πάντων (panton) = van allen | ἀνάδειξον (anadeixon) = wijs aan | ὃν (hon) = die | ἐξελέξω (exelexo) = hebt uitgekozen | ἐκ (ek) = uit | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | δύο (dyo) = twee | ἕνα (hena) = een Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καρδιογνώστης (kardiognostes), ‘hartenkenner’: iemand die de harten van mensen kent. Dit woord komt in het Nieuwe Testament alleen in Handelingen voor. Het sluit aan bij 1 Sam. 16:7 en 1 Kon. 8:39. Het woord staat ook in Hand. 15:8. Het is onzeker of dit gebed zich richt tot de Heer Yeshua, die de apostelen koos (Luc. 6:13), of tot Elohim. Wij vertalen ‘Heer’, zoals in vers 6 en 21. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 16:7; 1 Kon. 8:39; Luc. 6:13; Hand. 15:8. Zie ook: 1 Sam 16:7; 1 Kon 8:39; Luc 6:13; Hand 1:6; Hand 1:21; Hand 15:8 **1:25** om de plaats in te nemen in deze dienst en dit apostelschap, waarvan Judas is afgeweken om naar zijn eigen plaats te gaan.” Brontekst: λαβεῖν (labein) = te nemen | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | τῆς (tes) = van de | διακονίας (diakonias) = dienst | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | ἀποστολῆς (apostoles) = apostelschap | ἀφ’ (aph’) = van | ἧς (hes) = welke | παρέβη (parebe) = is afgeweken | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | πορευθῆναι (poreuthenai) = te gaan | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | τὸν (ton) = de | ἴδιον (idion) = eigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρέβη (parebe), ‘is afgeweken’: letterlijk ‘is ernaast gegaan’; ook ‘een overtreding begaan’. ἀποστολή (apostole), ‘apostelschap’. ‘Zijn eigen plaats’: het Grieks zegt niet welke plaats; vergelijk vers 18. Zie ook: Hand 1:18 **1:26** Zij wierpen het lot over hen, en het lot viel op Matthias. Hij werd bij de elf apostelen gerekend. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔδωκαν (edokan) = gaven | κλήρους (klerous) = loten | αὐτοῖς (autois) = aan hen | καὶ (kai) = en | ἔπεσεν (epesen) = viel | ὁ (ho) = de | κλῆρος (kleros) = lot | ἐπὶ (epi) = op | Μαθθίαν (Maththian) = Matthias | καὶ (kai) = en | συγκατεψηφίσθη (synkatepsephisthe) = werd meegeteld | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἕνδεκα (hendeka) = elf | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔδωκαν κλήρους (edokan klerous), ‘zij gaven loten’: zij wierpen het lot. Dit past bij Spr. 16:33. συγκατεψηφίσθη (synkatepsephisthe), ‘werd meegeteld’: hij werd bij de elf gerekend, zodat er weer twaalf apostelen waren. Voetnoot : Zie ook Spr. 16:33. Zie ook: Spr 16:33 ## Handelingen 2 _Pinksteren: de uitstorting van de Geest en de toespraak van Petrus_ ### Pinksteren: de Geest wordt uitgestort **2:1** Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren zij allen samen op dezelfde plaats. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | συμπληροῦσθαι (symplerousthai) = vervuld worden | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | τῆς (tes) = van het | πεντηκοστῆς (pentekostes) = Pinksteren | ἦσαν (esan) = waren | πάντες (pantes) = allen | ὁμοῦ (homou) = samen | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | αὐτό (auto) = zelfde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πεντηκοστή (pentekoste), ‘Pinksteren’: letterlijk ‘de vijftigste (dag)’. Het is het Joodse feest van de weken (Hebreeuws shavu’ot), vijftig dagen na het Pesach (Lev. 23:15–21). Het wordt ook beschreven in Deut. 16:9–12 en Exod. 34:22. συμπληροῦσθαι (sympleroustai), ‘aanbrak’: letterlijk ‘vervuld werd’; de dag was gekomen. ἐπὶ τὸ αὐτό (epi to auto), ‘op dezelfde plaats’: letterlijk ‘op hetzelfde’. De tekst zegt niet precies wie ‘zij allen’ zijn; vergelijk 1:13–15. Voetnoot : Zie ook Lev. 23:15–21; Deut. 16:9–12. Zie ook: Ex 34:22; Lev 23:15–21; Deut 16:9–12 **2:2** Plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een hevige wind die aanwaait, en het vulde het hele huis waar zij zaten. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἄφνω (aphno) = plotseling | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἦχος (echos) = geluid | ὥσπερ (hosper) = zoals | φερομένης (pheromenes) = aanwaaiende | πνοῆς (pnoes) = wind | βιαίας (biaias) = hevige | καὶ (kai) = en | ἐπλήρωσεν (eplerosen) = vulde | ὅλον (holon) = heel | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | οὗ (hou) = waar | ἦσαν (esan) = waren | καθήμενοι (kathemenoi) = zittend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἦχος (echos), ‘geluid’. πνοή (pnoe), ‘wind’: ook ‘adem’. In het Hebreeuws en het Grieks betekent hetzelfde woord (ruach, pneuma) zowel ‘wind’ als ‘Geest’. De tekst noemt ‘het huis’ en zegt niet welk huis; vergelijk 1:13. **2:3** Aan hen verschenen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en op ieder van hen ging er een zitten. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὤφθησαν (ophthesan) = verschenen | αὐτοῖς (autois) = aan hen | διαμεριζόμεναι (diamerizomenai) = zich verdelend | γλῶσσαι (glossai) = tongen | ὡσεὶ (hosei) = als | πυρός (pyros) = van vuur | καὶ (kai) = en | ἐκάθισεν (ekathisen) = zat | ἐφ’ (eph’) = op | ἕνα (hena) = een | ἕκαστον (hekaston) = ieder | αὐτῶν (auton) = van hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γλῶσσα (glossa), ‘tong’ en ‘taal’: hetzelfde woord, zie vers 4. ἐκάθισεν (ekathisen), ‘ging zitten’, staat in het enkelvoud: op ieder van hen ging er een zitten. De vuurtongen herinneren aan de verschijning van Yahweh in vuur (Exod. 19:18). Zie ook: Ex 19:18; Hand 2:4 **2:4** Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | πάντες (pantes) = allen | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = Heilige | καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | λαλεῖν (lalein) = te spreken | ἑτέραις (heterais) = andere | γλώσσαις (glossais) = talen | καθὼς (kathos) = zoals | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἐδίδου (edidou) = gaf | ἀποφθέγγεσθαι (apophthengesthai) = uit te spreken | αὐτοῖς (autois) = aan hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑτέραις γλώσσαις (heterais glossais), ‘andere talen’: de Griekse tekst zegt dat zij in talen spraken die zij niet geleerd hadden; de menigte hoort dit in vers 6–11 als hun eigen taal. ἀποφθέγγεσθαι (apophthengesthai), ‘uitspreken’: indrukwekkend, vervuld spreken. Zie ook Joël 3:1–5 (in de Nederlandse telling is dit 2:28–32); Luc. 24:49; Hand. 1:5. Zie ook: Joël 3:1–5; Luc 24:49; Hand 1:5; Hand 2:6–11 ### De menigte is verbaasd **2:5** In Jeruzalem woonden Joden, vrome mannen, uit alle volken onder de hemel. Brontekst: Ἦσαν (Esan) = waren | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | κατοικοῦντες (katoikountes) = wonend | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἄνδρες (andres) = mannen | εὐλαβεῖς (eulabeis) = vrome | ἀπὸ (apo) = uit | παντὸς (pantos) = elk | ἔθνους (ethnous) = volk | τῶν (ton) = van degenen | ὑπὸ (hypo) = onder | τὸν (ton) = de | οὐρανόν (ouranon) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: εὐλαβής (eulabes), ‘vroom’: iemand die Elohim met eerbied dient. Het zijn Joden die in Jeruzalem wonen maar uit alle landen afkomstig zijn; zie de lijst in vers 9–11. ἔθνος (ethnos), ‘volk’. Zie ook: Hand 2:9–11 **2:6** Toen dit geluid klonk, kwam de menigte bijeen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. Brontekst: γενομένης (genomenes) = toen was gekomen | δὲ (de) = nu | τῆς (tes) = de | φωνῆς (phones) = geluid | ταύτης (tautes) = dit | συνῆλθε (synelthe) = kwam samen | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | καὶ (kai) = en | συνεχύθη (synechythe) = raakte in verwarring | ὅτι (hoti) = omdat | ἤκουον (ekouon) = hoorden | εἷς (heis) = een | ἕκαστος (hekastos) = ieder | τῇ (te) = in de | ἰδίᾳ (idia) = eigen | διαλέκτῳ (dialekto) = taal | λαλούντων (lalounton) = sprekend | αὐτῶν (auton) = zij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φωνή (phone), ‘geluid’: ook ‘stem’. Hier gaat het om het geluid uit vers 2 of om het spreken van de leerlingen. πλῆθος (plethos), ‘menigte’. συνεχύθη (synechythe), ‘raakte in verwarring’. Zie ook: Hand 2:2 **2:7** Zij waren buiten zichzelf en verwonderden zich. Zij zeiden: „Zie, zijn al deze sprekers niet Galileeërs? Brontekst: ἐξίσταντο (existanto) = waren buiten zichzelf | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = en | ἐθαύμαζον (ethaumazon) = verwonderden zich | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὐχ (Ouch) = niet | ἰδοὺ (idou) = zie | πάντες (pantes) = allen | οὗτοί (houtoi) = deze | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = die | λαλοῦντες (lalountes) = sprekend | Γαλιλαῖοι (Galilaioi) = Galileeërs Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Γαλιλαῖοι (Galilaioi), ‘Galileeërs’: mensen uit Galilea, een streek waar men een eigen uitspraak had (vergelijk Matt. 26:73). Zij verwonderen zich dat Galileeërs zoveel talen spreken. Zie ook: Mat 26:73 **2:8** En hoe horen wij het dan ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Brontekst: καὶ (kai) = en | πῶς (pos) = hoe | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἀκούομεν (akouomen) = horen | ἕκαστος (hekastos) = ieder | τῇ (te) = in de | ἰδίᾳ (idia) = eigen | διαλέκτῳ (dialekto) = taal | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐν (en) = in | ᾗ (he) = welke | ἐγεννήθημεν (egennethemen) = zijn geboren Bron: SBLGNT **2:9** Parthen en Meden en Elamieten, en de bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia, Brontekst: Πάρθοι (Parthoi) = Parthen | καὶ (kai) = en | Μῆδοι (Medoi) = Meden | καὶ (kai) = en | Ἐλαμῖται (Elamitai) = Elamieten | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | κατοικοῦντες (katoikountes) = wonen in | τὴν (ten) = de | Μεσοποταμίαν (Mesopotamian) = Mesopotamië | Ἰουδαίαν (Ioudaian) = Judea | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | Καππαδοκίαν (Kappadokian) = Kappadocië | Πόντον (Ponton) = Pontus | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | Ἀσίαν (Asian) = Asia Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Parthië (ongeveer): Parthië was het rijk van de Parthen, dat in die tijd Iran en Irak besloeg; het oorspronkelijke Parthië lag ten zuidoosten van de Kaspische Zee. De grenzen zijn niet scherp; dit punt is bij benadering. Zie Medië (de Meden): Medië lag in het noordwesten van het huidige Iran. De Meden zijn de bewoners van dat land. Zie Elam (de Elamieten): Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. De Elamieten zijn de bewoners van dat land. Zie Mesopotamië (ongeveer): Mesopotamië is het land tussen de Eufraat en de Tigris, nu vooral Irak, met delen van Syrië en Turkije. De grenzen zijn bij benadering. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Kappadocië (ongeveer): Kappadocië was het hoogland in het midden van het huidige Turkije. De grenzen zijn bij benadering. Zie Pontus (ongeveer): Pontus was de kuststreek aan de zuidkant van de Zwarte Zee, in het noorden van het huidige Turkije. De grenzen zijn bij benadering. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: De lijst van volken in vers 9–11 loopt van oost naar west: Parthen, Meden en Elamieten wonen oostelijk van het Romeinse rijk. Het Grieks noemt ook Ἰουδαία (Ioudaia), ‘Judea’, tussen Mesopotamië en Kappadocië, wat opvallend is omdat Judea hun eigen land is; wij vertalen het zoals het staat. Ἀσία (Asia) is hier de Romeinse provincie Asia in het westen van het huidige Turkije. **2:10** Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en de Romeinen die hier verblijven, Brontekst: Φρυγίαν (Phrygian) = Frygië | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | Παμφυλίαν (Pamphylian) = Pamfylië | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | μέρη (mere) = streken | τῆς (tes) = van | Λιβύης (Libyes) = Libië | τῆς (tes) = die | κατὰ (kata) = bij | Κυρήνην (Kyrenen) = Cyrene | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | ἐπιδημοῦντες (epidemountes) = verblijven | Ῥωμαῖοι (Rhomaioi) = Romeinen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Frygië (ongeveer): Frygië was een streek in het westen en midden van het huidige Turkije. De grenzen wisselden en zijn niet scherp. Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya. De grenzen zijn bij benadering. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Libië (Cyrenaica; ongeveer): Met Libië bedoelt de tekst het gebied rond Cyrene, in het noordoosten van het huidige Libië. De grenzen zijn bij benadering. Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië. Er woonde een grote Joodse gemeenschap. Voetnoot Uitleg: De streken van Libië bij Cyrene liggen ten westen van Egypte. ἐπιδημοῦντες (epidemountes), ‘verblijven’: mensen die in Jeruzalem op bezoek of tijdelijk gevestigd zijn. **2:11** Joden en proselieten, Kretenzers en Arabieren: wij horen hen in onze eigen talen spreken over de grote daden van Elohim.” Brontekst: Ἰουδαῖοί (Ioudaioi) = Joden | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | προσήλυτοι (proselytoi) = proselieten | Κρῆτες (Kretes) = Kretenzers | καὶ (kai) = en | Ἄραβες (Arabes) = Arabieren | ἀκούομεν (akouomen) = horen wij | λαλούντων (lalounton) = sprekend | αὐτῶν (auton) = hen | ταῖς (tais) = in de | ἡμετέραις (hemeterais) = onze | γλώσσαις (glossais) = talen | τὰ (ta) = de | μεγαλεῖα (megaleia) = grote daden | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang. Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27). Zie Arabië (de Arabieren; ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël. Wat de tekst met de Arabieren precies bedoelt, is niet te zeggen; de grenzen zijn niet scherp. Voetnoot Uitleg: προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’: iemand die uit de volken tot het jodendom is overgegaan. Joden en proselieten staan hier bij elkaar. μεγαλεῖα (megaleia), ‘grote daden’: de machtige werken van Elohim; vergelijk Luc. 1:49, ‘de Machtige heeft grote dingen voor mij gedaan’. Zie ook: Luc 1:49 **2:12** Zij waren allen buiten zichzelf en wisten geen raad. Zij zeiden tegen elkaar: „Wat betekent dit?” Brontekst: ἐξίσταντο (existanto) = waren buiten zichzelf | δὲ (de) = nu | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | διηπόρουν (dieporoun) = wisten geen raad | ἄλλος (allos) = de een | πρὸς (pros) = tot | ἄλλον (allon) = de ander | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | θέλει (thelei) = wil | τοῦτο (touto) = dit | εἶναι (einai) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαπορέω (diaporeo), ‘geen raad weten’: niet weten wat men moet denken. τί θέλει τοῦτο εἶναι (ti thelei touto einai) is letterlijk ‘wat wil dit zijn’; wij schrijven ‘wat betekent dit’. **2:13** Anderen zeiden spottend: „Zij zijn vol van zoete wijn.” Brontekst: ἕτεροι (heteroi) = anderen | δὲ (de) = maar | διαχλευάζοντες (diachleuazontes) = spottend | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Γλεύκους (Gleukous) = van zoete wijn | μεμεστωμένοι (memestomenoi) = vol | εἰσίν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γλεῦκος (gleukos) is ‘most’ of jonge, zoete wijn; die kon nog sterk werken. De spotters zeggen dat de leerlingen dronken zijn. ### De toespraak van Petrus **2:14** Petrus stond op met de elf, verhief zijn stem en sprak hen toe: „Mannen, Joden en alle bewoners van Jeruzalem, dit moet jullie bekend zijn. Luister goed naar mijn woorden. Brontekst: Σταθεὶς (Statheis) = opgestaan | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | ἕνδεκα (hendeka) = elf | ἐπῆρεν (eperen) = verhief | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀπεφθέγξατο (apephthenxato) = sprak uit | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | κατοικοῦντες (katoikountes) = wonen in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | πάντες (pantes) = allen | τοῦτο (touto) = dit | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | γνωστὸν (gnoston) = bekend | ἔστω (esto) = laat zijn | καὶ (kai) = en | ἐνωτίσασθε (enotisasthe) = luister goed | τὰ (ta) = de | ῥήματά (rhemata) = woorden | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De ‘elf’ zijn de apostelen met Matthias (1:26). ἀπεφθέγξατο (apephthenxato), ‘sprak uit’, is hetzelfde werkwoord als ‘uitspreken’ in vers 4: Petrus spreekt onder leiding van de Geest. ἐνωτίσασθε (enotisasthe), ‘luister goed’: letterlijk ‘neem in het oor’. Zie ook: Hand 2:4 **2:15** Deze mensen zijn niet dronken, zoals jullie denken, want het is het derde uur van de dag. Brontekst: οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ὡς (hos) = zoals | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὑπολαμβάνετε (hypolambanete) = veronderstellen | οὗτοι (houtoi) = deze | μεθύουσιν (methyousin) = zijn dronken | ἔστιν (estin) = is | γὰρ (gar) = want | ὥρα (hora) = uur | τρίτη (trite) = derde | τῆς (tes) = van de | ἡμέρας (hemeras) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὥρα τρίτη (hora trite), ‘het derde uur’: de uren van de dag werden geteld vanaf zonsopgang. Het derde uur is dus ongeveer 9 uur ’s ochtends. **2:16** Maar dit is wat gezegd is door de profeet Joël: Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | τοῦτό (touto) = dit | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | εἰρημένον (eiremenon) = gezegde | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | Ἰωήλ (Ioel) = Joël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De profeet Joël: het citaat in vers 17–21 is Joël 3:1–5 (in de Nederlandse telling is dit 2:28–32). Zie ook Joël 3:1–5. Zie ook: Joël 3:1–5; Hand 2:17–21 **2:17** ‘Het zal gebeuren in de laatste dagen, zegt Elohim: Ik zal van Mijn Geest uitstorten over alle vlees. Jullie zonen en jullie dochters zullen profeteren, jullie jonge mannen zullen visioenen zien en jullie oude mannen zullen dromen hebben. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἐσχάταις (eschatais) = laatste | ἡμέραις (hemerais) = dagen | λέγει (legei) = zegt | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | ἐκχεῶ (ekcheo) = zal uitstorten | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | πνεύματός (pneumatos) = Geest | μου (mou) = Mijn | ἐπὶ (epi) = op | πᾶσαν (pasan) = alle | σάρκα (sarka) = vlees | καὶ (kai) = en | προφητεύσουσιν (propheteusousin) = zullen profeteren | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | θυγατέρες (thygateres) = dochters | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | νεανίσκοι (neaniskoi) = jonge mannen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁράσεις (horaseis) = visioenen | ὄψονται (opsontai) = zullen zien | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oude mannen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐνυπνίοις (enypniois) = met dromen | ἐνυπνιασθήσονται (enypniasthesontai) = zullen dromen hebben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘daarna’ (אַחֲרֵי־כֵן, acharei-chen); de Griekse tekst heeft ‘in de laatste dagen’ en voegt ‘zegt Elohim’ toe. Het Hebreeuws noemt eerst de oude mannen en dan de jonge mannen; de Griekse tekst heeft de omgekeerde volgorde. πρεσβύτεροι (presbyteroi) is hier ‘oude mannen’, tegenover ‘jonge mannen’; elders in dit boek ‘ouderlingen’ (bijv. 11:30). σάρξ (sarx), ‘vlees’: alle mensen. De uitstorting van de Geest over ‘alle vlees’ sluit aan bij de wens van Mozes in Num. 11:29. Voetnoot : Zie ook Joël 3:1–5; Num. 11:29. Zie ook: Num 11:29; Joël 3:1–5 **2:18** Ook over Mijn knechten en over Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. Brontekst: καί (kai) = en | γε (ge) = zelfs | ἐπὶ (epi) = over | τοὺς (tous) = de | δούλους (doulous) = knechten | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = over | τὰς (tas) = de | δούλας (doulas) = dienaressen | μου (mou) = Mijn | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐκείναις (ekeinais) = die | ἐκχεῶ (ekcheo) = zal uitstorten | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | πνεύματός (pneumatos) = Geest | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | προφητεύσουσιν (propheteusousin) = zullen profeteren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘de dienaren’ en ‘de slavinnen’ zonder ‘Mijn’, en heeft niet de woorden ‘en zij zullen profeteren’; de Griekse tekst heeft beide. δοῦλος (doulos) vertalen wij ‘knecht’, δούλη (doule) ‘dienares’. **2:19** Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en damp van rook. Brontekst: καὶ (kai) = en | δώσω (doso) = zal geven | τέρατα (terata) = wonderen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | οὐρανῷ (ourano) = hemel | ἄνω (ano) = boven | καὶ (kai) = en | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | κάτω (kato) = beneden | αἷμα (haima) = bloed | καὶ (kai) = en | πῦρ (pyr) = vuur | καὶ (kai) = en | ἀτμίδα (atmida) = damp | καπνοῦ (kapnou) = van rook Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en zuilen van rook’. De Griekse tekst voegt ‘boven’, ‘beneden’ en ‘tekenen’ toe en heeft ‘damp van rook’ (ἀτμίς, atmis) voor ‘zuilen van rook’. τέρας (teras), ‘wonder’; σημεῖον (semeion), ‘teken’. **2:20** De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de dag van Yahweh komt, de grote en schitterende. Brontekst: ὁ (ho) = de | ἥλιος (helios) = zon | μεταστραφήσεται (metastraphesetai) = zal worden veranderd | εἰς (eis) = in | σκότος (skotos) = duisternis | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | σελήνη (selene) = maan | εἰς (eis) = in | αἷμα (haima) = bloed | πρὶν (prin) = voordat | ἢ (e) = dan | ἐλθεῖν (elthein) = komt | ἡμέραν (hemeran) = dag | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | τὴν (ten) = de | μεγάλην (megalen) = grote | καὶ (kai) = en | ἐπιφανῆ (epiphane) = schitterende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κυρίου (kyriou) is hier vertaald als Yahweh, omdat het Hebreeuwse citaat יהוה heeft. Het Hebreeuws heeft ‘de grote en vreeswekkende’ (נוֹרָא, nora); de Griekse tekst heeft ἐπιφανῆ (epiphane), ‘schitterende, in het oog vallende’. **2:21** Het zal gebeuren: ieder die de naam van Yahweh aanroept, zal gered worden.’ Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔσται (estai) = zal zijn | πᾶς (pas) = ieder | ὃς (hos) = die | ἐὰν (ean) = maar | ἐπικαλέσηται (epikalesetai) = aanroept | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | σωθήσεται (sothesetai) = zal worden gered Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κυρίου is hier vertaald als Yahweh (Hebreeuws יהוה). Het Hebreeuws heeft ‘zal ontkomen’ (יִמָּלֵט, yimmalet); de Griekse tekst heeft σωθήσεται (sothesetai), ‘zal gered worden’. Wij vertalen σῴζω overal met ‘redden’. Het Hebreeuws gaat verder met ‘op de berg Sion en in Jeruzalem zullen er ontkomenen zijn’; Petrus houdt hier op. Voetnoot : Zie ook Joël 3:5; Rom. 10:13. Zie ook: Joël 3:5; Rom 10:13 **2:22** Mannen, Israëlieten, luister naar deze woorden. Yeshua de Nazoreeër was een man die door Elohim bij jullie is aangewezen met krachten, wonderen en tekenen. Elohim heeft die door Hem in jullie midden gedaan, zoals jullie zelf weten. Brontekst: Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἰσραηλῖται (Israelitai) = Israëlieten | ἀκούσατε (akousate) = luister | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = de | Ναζωραῖον (Nazoraion) = Nazoreeër | ἄνδρα (andra) = man | ἀποδεδειγμένον (apodedeigmenon) = aangewezen | ἀπὸ (apo) = door | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰς (eis) = bij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | δυνάμεσι (dynamesi) = met krachten | καὶ (kai) = en | τέρασι (terasi) = wonderen | καὶ (kai) = en | σημείοις (semeiois) = tekenen | οἷς (hois) = die | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | δι’ (di’) = door | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | ὑμῶν (hymon) = van jullie | καθὼς (kathos) = zoals | αὐτοὶ (autoi) = zelf | οἴδατε (oidate) = weten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret (Matt. 2:23). ἀποδεδειγμένον (apodedeigmenon), ‘aangewezen’: openlijk aangetoond. δύναμις (dynamis), ‘kracht’; τέρας, ‘wonder’; σημεῖον, ‘teken’. In het Grieks is Yeshua het voorwerp van ‘luister’; wij maken er een eigen zin van en voegen daarvoor ‘was’ toe. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:19. Zie ook: Mat 2:23; Luc 24:19 **2:23** Hem hebben jullie, overgeleverd volgens het vastgestelde plan en de voorkennis van Elohim, door de hand van wetelozen vastgenageld en gedood. Brontekst: τοῦτον (touton) = Hem | τῇ (te) = door het | ὡρισμένῃ (horismene) = vastgestelde | βουλῇ (boule) = plan | καὶ (kai) = en | προγνώσει (prognosei) = voorkennis | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἔκδοτον (ekdoton) = overgeleverd | διὰ (dia) = door | χειρὸς (cheiros) = hand | ἀνόμων (anomon) = van wetelozen | προσπήξαντες (prospexantes) = vastgenageld hebbend | ἀνείλατε (aneilate) = hebben gedood Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βουλή (boule), ‘plan’: wat Elohim besloten heeft; πρόγνωσις (prognosis), ‘voorkennis’. Zie ook 4:28. ἄνομος (anomos), ‘wetteloze’: iemand zonder de wet van Mozes, dus meestal een niet-Jood; wij vertalen ‘wetelozen’ zoals in Luc. 22:37. προσπήγνυμι (prospegnymi), ‘vastnagelen’: aan het kruis. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:22; Luc. 22:37. Zie ook: Luc 22:22; Luc 22:37 **2:24** Elohim heeft Hem laten opstaan en de weeën van de dood losgemaakt. Want het was niet mogelijk dat Hij door de dood vastgehouden werd. Brontekst: ὃν (hon) = die | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἀνέστησεν (anestesen) = liet opstaan | λύσας (lysas) = losmakend | τὰς (tas) = de | ὠδῖνας (odinas) = weeën | τοῦ (tou) = van de | θανάτου (thanatou) = dood | καθότι (kathoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | δυνατὸν (dynaton) = mogelijk | κρατεῖσθαι (krateisthai) = vastgehouden te worden | αὐτὸν (auton) = Hij | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = de dood Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνέστησεν (anestesen), ‘liet opstaan’; wij vertalen ἀνίστημι zo en ἐγείρω (egeiro) met ‘opwekken’. ὠδῖνες (odines), ‘weeën’: barensweeën. Ps. 18:5–6 (in de Nederlandse telling is dit 18:4–5) heeft in het Hebreeuws ‘touwen van de dood’ (חֶבְלֵי־מָוֶת, chevlei-mavet); het Hebreeuwse woord heeft ook de betekenis ‘weeën’. Voetnoot : Zie ook Ps. 18:5–6. Zie ook: Ps 18:5–6 **2:25** David zegt namelijk over Hem: ‘Ik zag Yahweh altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, zodat ik niet wankel. Brontekst: Δαυὶδ (Dauid) = David | γὰρ (gar) = want | λέγει (legei) = zegt | εἰς (eis) = over | αὐτόν (auton) = Hem | Προορώμην (Prooromen) = zag voor mij | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Yahweh | ἐνώπιόν (enopion) = voor | μου (mou) = mij | διὰ (dia) = door | παντός (pantos) = altijd | ὅτι (hoti) = omdat | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | μού (mou) = mijn | ἐστιν (estin) = is | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | σαλευθῶ (saleutho) = ik wankel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Ps. 16:8–11. κύριον (kyrion) is hier vertaald als Yahweh. Het Hebreeuws heeft ‘Ik heb Yahweh altijd voor mij gesteld’; de Griekse tekst heeft προορώμην (prooromen), ‘ik zag voor mij’. Petrus zegt dat David hier ‘over Hem’ spreekt, over de Messias (vers 31). Voetnoot : Zie ook Ps. 16:8–11. Zie ook: Ps 16:8–11; Hand 2:31 **2:26** Daarom is mijn hart verheugd en jubelt mijn tong. Bovendien zal ook mijn vlees in hoop wonen, Brontekst: διὰ (dia) = wegens | τοῦτο (touto) = dit | ηὐφράνθη (eyphranthe) = was verheugd | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | ἠγαλλιάσατο (egalliasato) = jubelde | ἡ (he) = de | γλῶσσά (glossa) = tong | μου (mou) = mijn | ἔτι (eti) = bovendien | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | ἡ (he) = het | σάρξ (sarx) = vlees | μου (mou) = mijn | κατασκηνώσει (kataskenosei) = zal wonen | ἐπ’ (ep’) = in | ἐλπίδι (elpidi) = hoop Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van Ps. 16:9 heeft ‘mijn eer jubelt’ (כְּבוֹדִי, kevodi); de Griekse tekst heeft ‘mijn tong jubelt’. Het Hebreeuws heeft ‘mijn vlees zal in veiligheid wonen’; de Griekse tekst heeft ἐπ’ ἐλπίδι (ep elpidi), ‘in hoop’. κατασκηνόω (kataskenoo), ‘wonen’: letterlijk ‘een tent opslaan’. Zie ook: Ps 16:9 **2:27** want U zult mijn ziel niet achterlaten in het dodenrijk en U zult niet toestaan dat Uw getrouwe ontbinding ziet. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | οὐκ (ouk) = niet | ἐγκαταλείψεις (enkataleipseis) = zult achterlaten | τὴν (ten) = de | ψυχήν (psychen) = ziel | μου (mou) = mijn | εἰς (eis) = in | ᾅδην (haden) = dodenrijk | οὐδὲ (oude) = en niet | δώσεις (doseis) = zult toestaan | τὸν (ton) = de | ὅσιόν (hosion) = getrouwe | σου (sou) = Uw | ἰδεῖν (idein) = te zien | διαφθοράν (diaphthoran) = ontbinding Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’; het Hebreeuws van Ps. 16:10 heeft ‘Sjeol’ (שְׁאוֹל). ὅσιος (hosios), ‘getrouwe’: het Hebreeuws heeft חָסִיד (chasid), ‘getrouwe’. διαφθορά (diaphthora), ‘ontbinding’, is ook ‘verderf’; het Hebreeuws heeft שַׁחַת (shachat), ‘kuil’. Petrus legt het uit als: het lichaam van de Messias zou niet vergaan (vers 31). Zie ook: Ps 16:10; Hand 2:31 **2:28** U hebt mij de wegen van het leven bekendgemaakt. U zult mij vervullen met blijdschap bij Uw aangezicht.’ Brontekst: ἐγνώρισάς (egnorisas) = hebt bekendgemaakt | μοι (moi) = aan mij | ὁδοὺς (hodous) = wegen | ζωῆς (zoes) = van het leven | πληρώσεις (pleroseis) = zult vervullen | με (me) = mij | εὐφροσύνης (euphrosynes) = met blijdschap | μετὰ (meta) = met | τοῦ (tou) = het | προσώπου (prosopou) = aangezicht | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van Ps. 16:11 heeft ‘het pad van het leven’ (enkelvoud) en ‘verzadiging van vreugde’; de Griekse tekst heeft ‘wegen van het leven’ en ‘vervullen met blijdschap’ (εὐφροσύνη, euphrosyne). De tekst eindigt hier bij het citaat; ‘voor altijd’ uit het Hebreeuws staat niet in de Griekse tekst. Zie ook: Ps 16:11 **2:29** Mannen, broers, ik mag vrijmoedig tegen jullie zeggen over de aartsvader David dat hij gestorven en begraven is. Het graf van David is bij ons tot op deze dag. Brontekst: Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἐξὸν (exon) = geoorloofd | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | μετὰ (meta) = met | παρρησίας (parresias) = vrijmoedigheid | πρὸς (pros) = tot | ὑμᾶς (hymas) = jullie | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | πατριάρχου (patriarchou) = aartsvader | Δαυίδ (Dauid) = David | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = ook | ἐτελεύτησεν (eteleutesen) = stierf | καὶ (kai) = en | ἐτάφη (etaphe) = werd begraven | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | μνῆμα (mnema) = graf | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἔστιν (estin) = is | ἐν (en) = bij | ἡμῖν (hemin) = ons | ἄχρι (achri) = tot | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ταύτης (tautes) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van David (traditioneel; ligging onzeker): Het graf van David wordt van oudsher gezocht op de Sion, de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem. Volgens 1 Koningen 2:10 werd David begraven in de stad van David. De precieze plek is niet zeker. Voetnoot Uitleg: παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: openlijk en zonder angst spreken. Wij vertalen dit woord overal zo (ook 4:13, 4:29, 4:31). πατριάρχης (patriarches), ‘aartsvader’: stamvader. Het graf van David in Jeruzalem wordt genoemd in 1 Kon. 2:10. Voetnoot : Zie ook 1 Kon. 2:10. Zie ook: 1 Kon 2:10 **2:30** David was dus profeet. Hij wist dat Elohim hem onder ede gezworen had dat er iemand uit de vrucht van zijn lendenen op zijn troon zou zitten. Brontekst: προφήτης (prophetes) = profeet | οὖν (oun) = dus | ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | καὶ (kai) = en | εἰδὼς (eidos) = wetend | ὅτι (hoti) = dat | ὅρκῳ (horko) = met een eed | ὤμοσεν (omosen) = zwoer | αὐτῷ (auto) = aan hem | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκ (ek) = uit | καρποῦ (karpou) = vrucht | τῆς (tes) = van de | ὀσφύος (osphyos) = lendenen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καθίσαι (kathisai) = te laten zitten | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | θρόνον (thronon) = troon | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet wie op de troon zou zitten; wij voegen ‘iemand’ toe. Dit gaat terug op Ps. 132:11 (‘Een vrucht van je schoot zal Ik op je troon zetten’) en 2 Sam. 7:12–13. ὀσφύς (osphys), ‘lendenen’: de plaats van de voortplanting; het Hebreeuws van Ps. 132:11 heeft ‘schoot’. Voetnoot : Zie ook Ps. 132:11; 2 Sam. 7:12–13. Zie ook: 2 Sam 7:12–13; Ps 132:11 **2:31** David zag dit vooruit en sprak over de opstanding van de Messias. Hij is niet in het dodenrijk achtergelaten en Zijn vlees heeft de ontbinding niet gezien. Brontekst: προϊδὼν (proidon) = vooruitziend | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | τοῦ (tou) = van de | χριστοῦ (christou) = Messias | ὅτι (hoti) = dat | οὔτε (oute) = noch | ἐγκατελείφθη (enkateleiphthe) = werd achtergelaten | εἰς (eis) = in | ᾅδην (haden) = dodenrijk | οὔτε (oute) = noch | ἡ (he) = het | σὰρξ (sarx) = vlees | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶδεν (eiden) = zag | διαφθοράν (diaphthoran) = ontbinding Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘Messias’: het woord betekent ‘gezalfde’; het is de vertaling van het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach). Wij schrijven overal ‘Messias’. Petrus zegt dat David, doordat hij profeet was, de opstanding van de Messias voorzag. **2:32** Deze Yeshua heeft Elohim laten opstaan. Daarvan zijn wij allen getuigen. Brontekst: τοῦτον (touton) = deze | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀνέστησεν (anestesen) = liet opstaan | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | οὗ (hou) = waarvan | πάντες (pantes) = allen | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἐσμεν (esmen) = zijn | μάρτυρες (martyres) = getuigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μάρτυς (martys), ‘getuige’: zoals in 1:8 en 1:22. **2:33** Hij is dus door de rechterhand van Elohim verhoogd en heeft van de Vader de belofte van de Heilige Geest ontvangen. Hij heeft dit uitgestort, wat jullie zien en horen. Brontekst: τῇ (te) = door de | δεξιᾷ (dexia) = rechterhand | οὖν (oun) = dus | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὑψωθεὶς (hypsotheis) = verhoogd | τήν (ten) = de | τε (te) = en | ἐπαγγελίαν (epangelian) = belofte | τοῦ (tou) = van de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | τοῦ (tou) = de | ἁγίου (hagiou) = Heilige | λαβὼν (labon) = ontvangen hebbend | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = Vader | ἐξέχεεν (execheen) = heeft uitgestort | τοῦτο (touto) = dit | ὃ (ho) = wat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | βλέπετε (blepete) = zien | καὶ (kai) = en | ἀκούετε (akouete) = horen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τῇ δεξιᾷ (te dexia) kan ‘door de rechterhand’ of ‘aan de rechterhand’ betekenen. Wij kiezen ‘door’; in vers 34 staat ‘aan Mijn rechterhand’. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: wij vertalen dit werkwoord overal zo, ook in Joh. 12:32. ἐπαγγελία, ‘belofte’: zie 1:4–5. ἐκχέω (ekcheo), ‘uitstorten’, is hetzelfde werkwoord als in vers 17. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:49; Joh. 14:26. Zie ook: Luc 24:49; Joh 12:32; Joh 14:26; Hand 2:17; Hand 2:34 **2:34** Want David is niet naar de hemel opgestegen, maar hij zelf zegt: ‘Yahweh zei tegen mijn Heer: „Zit aan Mijn rechterhand, Brontekst: οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | Δαυὶδ (Dauid) = David | ἀνέβη (anebe) = steeg op | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | οὐρανούς (ouranous) = hemelen | λέγει (legei) = zegt | δὲ (de) = maar | αὐτός (autos) = hijzelf | Εἶπεν (Eipen) = zei | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Yahweh | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | μου (mou) = mijn | Κάθου (Kathou) = zit | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Ps. 110:1. Het Hebreeuws heeft ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’ (Adonai); de Griekse tekst heeft ὁ κύριος τῷ κυρίῳ μου (ho kyrios to kyrio mou). Wij vertalen het eerste κύριος als Yahweh en het tweede als ‘Heer’, zoals in Luc. 20:42. Petrus zegt dat David niet naar de hemel opgestegen is; de psalm gaat dus niet over David zelf. Voetnoot : Zie ook Ps. 110:1; Matt. 22:44; Mark. 12:36; Luc. 20:42–43. Zie ook: Ps 110:1; Mat 22:44; Mar 12:36; Luc 20:42 **2:35** totdat Ik je vijanden leg als voetbank voor je voeten.”’ Brontekst: ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = maar | θῶ (tho) = Ik leg | τοὺς (tous) = de | ἐχθρούς (echthrous) = vijanden | σου (sou) = je | ὑποπόδιον (hypopodion) = voetbank | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | σου (sou) = je Bron: SBLGNT **2:36** Het hele huis van Israël moet daarom met zekerheid weten dat Elohim Hem zowel tot Heer als tot Messias heeft gemaakt. Dat is deze Yeshua, die jullie gekruisigd hebben.” Brontekst: ἀσφαλῶς (asphalos) = met zekerheid | οὖν (oun) = dus | γινωσκέτω (ginosketo) = laat weten | πᾶς (pas) = heel | οἶκος (oikos) = huis | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = zowel | κύριον (kyrion) = Heer | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = als | χριστὸν (christon) = Messias | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | τοῦτον (touton) = deze | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὃν (hon) = die | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐσταυρώσατε (estaurosate) = hebben gekruisigd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios) is hier de titel ‘Heer’ (met hoofdletter): Elohim heeft de gekruisigde Yeshua tot Heer en Messias gemaakt. Het is geen citaat uit het Oude Testament. Vergelijk Ps. 110:1 in vers 34. ἐσταυρώσατε (estaurosate), ‘gekruisigd hebt’: Petrus spreekt hier tot de bewoners van Jeruzalem. Zie ook: Ps 110:1; Hand 2:34 ### De reactie van de menigte **2:37** Toen zij dit hoorden, werden zij in het hart getroffen. Zij zeiden tegen Petrus en de overige apostelen: „Wat moeten wij doen, mannen, broers?” Brontekst: Ἀκούσαντες (Akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = nu | κατενύγησαν (katenygesan) = werden getroffen | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | εἶπόν (eipon) = zeiden | τε (te) = en | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | λοιποὺς (loipous) = overige | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | Τί (Ti) = wat | ποιήσωμεν (poiesomen) = moeten wij doen | ἄνδρες (andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατενύγησαν (katenygesan), ‘werden getroffen’: letterlijk ‘doorstoken’. Het gaat om diepe ontroering en schuldgevoel. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: zie 1:15. **2:38** Petrus zei tegen hen: „Bekeer jullie en laat ieder van jullie zich dopen in de naam van Yeshua de Messias tot vergeving van jullie zonden. En jullie zullen de gave van de Heilige Geest ontvangen. Brontekst: Πέτρος (Petros) = Petrus | δὲ (de) = nu | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Μετανοήσατε (Metanoesate) = bekeer jullie | καὶ (kai) = en | βαπτισθήτω (baptistheto) = laat zich dopen | ἕκαστος (hekastos) = ieder | ὑμῶν (hymon) = van jullie | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = van de Messias | εἰς (eis) = tot | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | τῶν (ton) = van de | ἁμαρτιῶν (hamartion) = zonden | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | λήμψεσθε (lempsesthe) = zullen ontvangen | τὴν (ten) = de | δωρεὰν (dorean) = gave | τοῦ (tou) = van de | ἁγίου (hagiou) = Heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij Petrus geen werkwoord (‘Petrus … tot hen’); wij schrijven ‘zei’. μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: van denken veranderen (zie Matt. 3:2). βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’; βαπτισθήτω is lijdend: ‘laat zich dopen’. ἐπὶ τῷ ὀνόματι (epi to onomati) is letterlijk ‘op de naam’; elders staat ἐν τῷ ὀνόματι, ‘in de naam’ (bijv. 10:48). δωρεά (dorea), ‘gave’: een geschenk. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:47; Mark. 1:4. Zie ook: Mat 3:2; Mar 1:4; Luc 24:47 **2:39** Want voor jullie is de belofte, voor jullie kinderen en voor allen die ver weg zijn, zovelen als Yahweh, onze Elohim, tot Zich roept.” Brontekst: ὑμῖν (hymin) = voor jullie | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | ἐπαγγελία (epangelia) = belofte | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = voor de | τέκνοις (teknois) = kinderen | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | πᾶσι (pasi) = voor allen | τοῖς (tois) = die | εἰς (eis) = tot | μακρὰν (makran) = ver | ὅσους (hosous) = zovelen | ἂν (an) = maar | προσκαλέσηται (proskalesetai) = tot Zich roept | κύριος (kyrios) = Yahweh | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Allen die ver weg zijn’ (τοῖς εἰς μακράν) kan Joden in andere landen bedoelen of mensen uit de volken; vergelijk Jes. 57:19, ‘vrede voor wie ver is en voor wie dichtbij is’. κύριος ὁ θεὸς ἡμῶν is hier vertaald als ‘Yahweh, onze Elohim’, naar het Hebreeuwse יהוה אלהינו. De woorden doen denken aan Joël 3:5, ‘zij die Yahweh roept’. Voetnoot : Zie ook Jes. 57:19; Joël 3:5. Zie ook: Joël 3:5; Jes 57:19 **2:40** Met nog veel meer andere woorden getuigde hij ernstig en spoorde hij hen aan: „Laat jullie redden van deze kromme generatie.” Brontekst: ἑτέροις (heterois) = met andere | τε (te) = en | λόγοις (logois) = woorden | πλείοσιν (pleiosin) = meer | διεμαρτύρατο (diemartyrato) = getuigde ernstig | καὶ (kai) = en | παρεκάλει (parekalei) = spoorde aan | αὐτοὺς (autous) = hen | λέγων (legon) = zeggend | Σώθητε (Sothete) = laat jullie redden | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | γενεᾶς (geneas) = generatie | τῆς (tes) = de | σκολιᾶς (skolias) = kromme | ταύτης (tautes) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαμαρτύρομαι (diamartyromai), ‘ernstig getuigen’: plechtig verklaren. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘vermanen, troosten’. σκολιός (skolios), ‘krom’: een beeld voor wie van het rechte pad af is; het komt uit Deut. 32:5, ‘een verdraaid en kronkelig geslacht’. γενεά (genea), ‘generatie’. Voetnoot : Zie ook Deut. 32:5. Zie ook: Deut 32:5 ### De eerste gemeente in Jeruzalem **2:41** Zij die zijn woord aanvaardden, werden gedoopt. Op die dag werden er ongeveer 3000 mensen toegevoegd. Brontekst: οἱ (hoi) = die | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dan | ἀποδεξάμενοι (apodexamenoi) = aanvaard hebbend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐβαπτίσθησαν (ebaptisthesan) = werden gedoopt | καὶ (kai) = en | προσετέθησαν (prosetethesan) = werden toegevoegd | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐκείνῃ (ekeine) = die | ψυχαὶ (psychai) = mensen | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | τρισχίλιαι (trischiliai) = drieduizend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘ziel’: hier ‘persoon’, zoals het Hebreeuwse nefesj (Gen. 46:27). Wij schrijven ‘mensen’. Het getal 3000 is ‘ongeveer’ (ὡσεί, hosei). Zie ook: Gen 46:27 **2:42** Zij bleven volharden in het onderwijs van de apostelen, in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = nu | προσκαρτεροῦντες (proskarterountes) = volhardend | τῇ (te) = in het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | τῶν (ton) = van de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = in de | κοινωνίᾳ (koinonia) = gemeenschap | τῇ (te) = in het | κλάσει (klasei) = breken | τοῦ (tou) = van het | ἄρτου (artou) = brood | καὶ (kai) = en | ταῖς (tais) = in de | προσευχαῖς (proseuchais) = gebeden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διδαχή (didache), ‘onderwijs’. κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’: samen delen. κλάσις τοῦ ἄρτου (klasis tou artou), ‘het breken van het brood’: de gewone maaltijd of de maaltijd van de Heer (Luc. 22:19; 24:30, 24:35). Het Grieks zegt niet welke van de twee bedoeld is. Het Grieks kan ook zo gelezen worden dat ‘gemeenschap’ en ‘het breken van het brood’ bij elkaar horen. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:19; Luc. 24:35. Zie ook: Luc 22:19; Luc 24:30; Luc 24:35 **2:43** Vrees kwam over ieder mens, en vele wonderen en tekenen gebeurden door de apostelen. Brontekst: Ἐγίνετο (Egineto) = kwam | δὲ (de) = nu | πάσῃ (pase) = over ieder | ψυχῇ (psyche) = mens | φόβος (phobos) = vrees | πολλά (polla) = vele | τε (te) = en | τέρατα (terata) = wonderen | καὶ (kai) = en | σημεῖα (semeia) = tekenen | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | ἐγίνετο (egineto) = gebeurden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φόβος (phobos), ‘vrees’: eerbied en ontzag. ‘Wonderen en tekenen’ zijn dezelfde woorden als in vers 19 en 22. Zie ook: Hand 2:19; Hand 2:22 **2:44** Allen die geloofden, waren bij elkaar en hadden alles gemeenschappelijk. Brontekst: πάντες (pantes) = allen | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = die | πιστεύοντες (pisteuontes) = geloofden | ἦσαν (esan) = waren | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | αὐτὸ (auto) = zelfde | καὶ (kai) = en | εἶχον (eichon) = hadden | ἅπαντα (hapanta) = alles | κοινά (koina) = gemeenschappelijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπὶ τὸ αὐτό (epi to auto): zie vers 1. Hier ‘bij elkaar’. Zie ook Hand. 4:32–35. Zie ook: Hand 2:1; Hand 4:32–35 **2:45** Zij verkochten hun bezittingen en have en verdeelden dat onder allen, naar wat ieder nodig had. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | κτήματα (ktemata) = bezittingen | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | ὑπάρξεις (hyparxeis) = have | ἐπίπρασκον (epipraskon) = verkochten | καὶ (kai) = en | διεμέριζον (diemerizon) = verdeelden | αὐτὰ (auta) = die | πᾶσιν (pasin) = onder allen | καθότι (kathoti) = naarmate | ἄν (an) = maar | τις (tis) = iemand | χρείαν (chreian) = behoefte | εἶχεν (eichen) = had Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κτῆμα (ktema), ‘bezit’: land en vast bezit; ὕπαρξις (hyparxis), ‘have’: roerende goederen. Dit gebeurde vrijwillig, naar behoefte (vergelijk 4:34–35). Voetnoot : Zie ook Hand. 4:32–35. Zie ook: Hand 4:32–35 **2:46** Elke dag bleven zij eensgezind volharden in de tempel. In de huizen braken zij brood en aten zij hun voedsel met jubel en een eenvoudig hart, Brontekst: καθ’ (kath’) = elke | ἡμέραν (hemeran) = dag | τε (te) = en | προσκαρτεροῦντες (proskarterountes) = volhardend | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | κλῶντές (klontes) = brekend | τε (te) = en | κατ’ (kat’) = per | οἶκον (oikon) = huis | ἄρτον (arton) = brood | μετελάμβανον (metelambanon) = namen deel aan | τροφῆς (trophes) = voedsel | ἐν (en) = in | ἀγαλλιάσει (agalliasei) = jubel | καὶ (kai) = en | ἀφελότητι (apheloteti) = eenvoud | καρδίας (kardias) = van hart Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’: zie 1:14. κατ’ οἶκον (kat oikon) is ‘in de huizen’, van huis tot huis. ἀγαλλίασις (agalliasis), ‘jubel’; ἀφελότης (aphelotes), ‘eenvoud’: een eenvoudig, oprecht hart; het woord is zeldzaam. **2:47** terwijl zij Elohim loofden en in de gunst stonden bij het hele volk. En de Heer voegde dagelijks aan hen toe wie gered werden. Brontekst: αἰνοῦντες (ainountes) = lovend | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἔχοντες (echontes) = hebbend | χάριν (charin) = gunst | πρὸς (pros) = bij | ὅλον (holon) = heel | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | κύριος (kyrios) = Heer | προσετίθει (prosetithei) = voegde toe | τοὺς (tous) = die | σῳζομένους (sozomenous) = gered werden | καθ’ (kath’) = elke | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | αὐτό (auto) = zelfde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χάρις (charis), ‘gunst’: hier de welwillendheid van het volk; wij vertalen χάρις elders met ‘genade’ of ‘dank’. ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: de Heer Yeshua; zie 1:21. ἐπὶ τὸ αὐτό (epi to auto), ‘op hetzelfde’, staat aan het eind van de zin. Wij laten het in de tekst weg, omdat ‘aan hen toevoegen’ al zegt dat zij één groep werden; in de glosses staat het wel. ## Handelingen 3 _De genezing van de lamme man en de toespraak in de zuilengang van Salomo_ ### De genezing van een lamme man bij de tempel **3:1** Petrus en Johannes gingen naar boven naar de tempel, op het uur van het gebed, het negende uur. Brontekst: Πέτρος (Petros) = Petrus | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἀνέβαινον (anebainon) = gingen omhoog | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | ὥραν (horan) = uur | τῆς (tes) = van het | προσευχῆς (proseuches) = gebed | τὴν (ten) = het | ἐνάτην (enaten) = negende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνάτη (enate), ‘negende’: het negende uur is ongeveer 3 uur ’s middags, een vast gebedsuur in de tempel. ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:53; Hand. 2:46. Zie ook: Luc 24:53; Hand 2:46 **3:2** Er werd een man gedragen die van de schoot van zijn moeder af lam was. Elke dag zette men hem bij de poort van de tempel die de Mooie Poort genoemd werd, om een aalmoes te vragen aan wie de tempel binnengingen. Brontekst: καί (kai) = en | τις (tis) = een zekere | ἀνὴρ (aner) = man | χωλὸς (cholos) = lam | ἐκ (ek) = van | κοιλίας (koilias) = schoot | μητρὸς (metros) = moeder | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | ἐβαστάζετο (ebastazeto) = werd gedragen | ὃν (hon) = die | ἐτίθουν (etithoun) = zetten | καθ’ (kath’) = elke | ἡμέραν (hemeran) = dag | πρὸς (pros) = bij | τὴν (ten) = de | θύραν (thyran) = poort | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | τὴν (ten) = de | λεγομένην (legomenen) = genoemde | Ὡραίαν (Horaian) = Mooie | τοῦ (tou) = om | αἰτεῖν (aitein) = te vragen | ἐλεημοσύνην (eleemosynen) = aalmoes | παρὰ (para) = van | τῶν (ton) = de | εἰσπορευομένων (eisporeuomenon) = binnengaanden | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερόν (hieron) = tempel Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Mooie Poort (Jeruzalem; ligging onzeker): Welke poort van het tempelcomplex de Mooie Poort is, is niet zeker. Meestal wordt gedacht aan een poort aan de oostkant van het tempelplein. Voetnoot Uitleg: χωλός (cholos), ‘lam’: niet in staat te lopen. ἐλεημοσύνη (eleemosyne), ‘aalmoes’: een gift aan een arme, van ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’. Ὡραία (Horaia), ‘Mooi’: de Mooie Poort van de tempel. Welke poort dit is, is niet zeker. Zie ook Matt. 6:2–4. Zie ook: Mat 6:2–4 **3:3** Toen hij Petrus en Johannes zag, die de tempel binnen zouden gaan, vroeg hij om een aalmoes. Brontekst: ὃς (hos) = die | ἰδὼν (idon) = ziende | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | μέλλοντας (mellontas) = zullende | εἰσιέναι (eisienai) = binnengaan | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | ἠρώτα (erota) = vroeg | ἐλεημοσύνην (eleemosynen) = aalmoes | λαβεῖν (labein) = te ontvangen Bron: SBLGNT **3:4** Petrus keek hem aan, samen met Johannes, en zei: „Kijk naar ons.” Brontekst: ἀτενίσας (atenisas) = aankijkend | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἰς (eis) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | Ἰωάννῃ (Ioanne) = Johannes | εἶπεν (eipen) = zei | Βλέψον (Blepson) = kijk | εἰς (eis) = naar | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT **3:5** De man lette op hen, in de verwachting iets van hen te krijgen. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = nu | ἐπεῖχεν (epeichen) = lette op | αὐτοῖς (autois) = hen | προσδοκῶν (prosdokon) = verwachtend | τι (ti) = iets | παρ’ (par’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | λαβεῖν (labein) = te ontvangen Bron: SBLGNT **3:6** Petrus zei: „Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, geef ik je: in de naam van Yeshua de Messias, de Nazoreeër, loop!” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | Ἀργύριον (Argyrion) = zilver | καὶ (kai) = en | χρυσίον (chrysion) = goud | οὐχ (ouch) = niet | ὑπάρχει (hyparchei) = is | μοι (moi) = aan mij | ὃ (ho) = wat | δὲ (de) = maar | ἔχω (echo) = heb | τοῦτό (touto) = dit | σοι (soi) = aan jou | δίδωμι (didomi) = geef | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = van de Messias | τοῦ (tou) = de | Ναζωραίου (Nazoraiou) = Nazoreeër | περιπάτει (peripatei) = loop Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret (Matt. 2:23). ‘In de naam van’ betekent: met het gezag van Yeshua. περιπατέω (peripateo), ‘lopen’: letterlijk ‘rondwandelen’. Zie ook: Mat 2:23 **3:7** Petrus pakte hem bij de rechterhand en richtte hem op. Onmiddellijk werden zijn voeten en zijn enkels sterk. Brontekst: καὶ (kai) = en | πιάσας (piasas) = vastgrijpend | αὐτὸν (auton) = hem | τῆς (tes) = bij de | δεξιᾶς (dexias) = rechter | χειρὸς (cheiros) = hand | ἤγειρεν (egeiren) = richtte op | αὐτόν (auton) = hem | παραχρῆμα (parachrema) = onmiddellijk | δὲ (de) = nu | ἐστερεώθησαν (estereothesan) = werden sterk | αἱ (hai) = de | βάσεις (baseis) = voeten | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | σφυδρά (sphydra) = enkels Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βάσις (basis), ‘voet’; σφυδρόν (sphydron), ‘enkel’: een zeldzaam woord. πιάζω (piazo), ‘vastpakken’. ἤγειρεν (egeiren), ‘richtte op’, is hetzelfde werkwoord als ‘opwekken’ (ἐγείρω), dat wij in vers 15 zo vertalen. Zie ook: Hand 3:15 **3:8** De man sprong op, ging staan en liep rond, en hij ging met hen de tempel binnen, lopend en springend en Elohim lovend. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξαλλόμενος (exallomenos) = opspringend | ἔστη (este) = stond | καὶ (kai) = en | περιεπάτει (periepatei) = liep | καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | περιπατῶν (peripaton) = lopend | καὶ (kai) = en | ἁλλόμενος (hallomenos) = springend | καὶ (kai) = en | αἰνῶν (ainon) = lovend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁλλόμενος (hallomenos), ‘springend’: de lamme springt, zoals in Jes. 35:6 (‘dan springt de kreupele als een hert’). Voetnoot : Zie ook Jes. 35:6. Zie ook: Jes 35:6 **3:9** Heel het volk zag hem lopen en Elohim loven. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶδεν (eiden) = zag | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | αὐτὸν (auton) = hem | περιπατοῦντα (peripatounta) = lopend | καὶ (kai) = en | αἰνοῦντα (ainounta) = lovend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT **3:10** Zij herkenden hem als degene die voor de aalmoes bij de Mooie Poort van de tempel had gezeten. Zij werden vervuld met verbazing en verbijstering over wat hem was overkomen. Brontekst: ἐπεγίνωσκον (epeginoskon) = herkenden | δὲ (de) = nu | αὐτὸν (auton) = hem | ὅτι (hoti) = dat | οὗτος (houtos) = deze | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = die | πρὸς (pros) = voor | τὴν (ten) = de | ἐλεημοσύνην (eleemosynen) = aalmoes | καθήμενος (kathemenos) = zittend | ἐπὶ (epi) = bij | τῇ (te) = de | Ὡραίᾳ (Horaia) = Mooie | Πύλῃ (Pyle) = Poort | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | καὶ (kai) = en | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | θάμβους (thambous) = met verbazing | καὶ (kai) = en | ἐκστάσεως (ekstaseos) = met verbijstering | ἐπὶ (epi) = over | τῷ (to) = het | συμβεβηκότι (symbebekoti) = overkomene | αὐτῷ (auto) = aan hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Mooie Poort (Jeruzalem; ligging onzeker): Welke poort van het tempelcomplex de Mooie Poort is, is niet zeker. Meestal wordt gedacht aan een poort aan de oostkant van het tempelplein. Voetnoot Uitleg: θάμβος (thambos), ‘verbazing’; ἔκστασις (ekstasis), ‘verbijstering’: letterlijk ‘buiten zichzelf zijn’. ### De toespraak van Petrus in de zuilengang van Salomo **3:11** Terwijl hij Petrus en Johannes vasthield, liep heel het volk verbaasd naar hen toe, bij de zuilengang die van Salomo genoemd wordt. Brontekst: Κρατοῦντος (Kratountos) = vasthoudend | δὲ (de) = nu | αὐτοῦ (autou) = hij | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | συνέδραμεν (synedramen) = liep samen | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐπὶ (epi) = bij | τῇ (te) = de | στοᾷ (stoa) = zuilengang | τῇ (te) = de | καλουμένῃ (kaloumene) = genoemde | Σολομῶντος (Solomontos) = van Salomo | ἔκθαμβοι (ekthamboi) = verbaasd Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zuilengang van Salomo (ligging ongeveer): De zuilengang van Salomo was een overdekte galerij langs de oostkant van het tempelplein in Jeruzalem. De precieze plek is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: στοά (stoa), ‘zuilengang’: een overdekte gang met zuilen aan het tempelplein. De zuilengang van Salomo komt ook voor in Joh. 10:23. λαός (laos), ‘volk’. Voetnoot : Zie ook Joh. 10:23. Zie ook: Joh 10:23 **3:12** Toen Petrus dit zag, antwoordde hij het volk: „Mannen, Israëlieten, waarom verwonderen jullie je hierover? Of waarom kijken jullie ons aan, alsof wij door eigen kracht of vroomheid hebben gemaakt dat hij loopt? Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἀπεκρίνατο (apekrinato) = antwoordde | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἰσραηλῖται (Israelitai) = Israëlieten | τί (ti) = waarom | θαυμάζετε (thaumazete) = verwonderen jullie je | ἐπὶ (epi) = over | τούτῳ (touto) = dit | ἢ (e) = of | ἡμῖν (hemin) = naar ons | τί (ti) = waarom | ἀτενίζετε (atenizete) = kijken jullie aan | ὡς (hos) = alsof | ἰδίᾳ (idia) = door eigen | δυνάμει (dynamei) = kracht | ἢ (e) = of | εὐσεβείᾳ (eusebeia) = vroomheid | πεποιηκόσιν (pepoiekosin) = gemaakt hebbend | τοῦ (tou) = dat | περιπατεῖν (peripatein) = lopen | αὐτόν (auton) = hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’: eerbied voor Elohim. Petrus zegt dat de genezing niet uit eigen kracht komt. **3:13** De Elohim van Abraham, Isaak en Jakob, de Elohim van onze vaders, heeft Zijn Knecht Yeshua verheerlijkt. Jullie hebben Hem overgeleverd en voor het gezicht van Pilatus verloochend, terwijl die had besloten Hem vrij te laten. Brontekst: ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἀβραὰμ (Abraam) = van Abraham | καὶ (kai) = en | Ἰσαὰκ (Isaak) = van Isaak | καὶ (kai) = en | Ἰακώβ (Iakob) = van Jakob | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐδόξασεν (edoxasen) = verheerlijkte | τὸν (ton) = de | παῖδα (paida) = Knecht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὃν (hon) = die | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | μὲν (men) = wel | παρεδώκατε (paredokate) = leverden over | καὶ (kai) = en | ἠρνήσασθε (ernesasthe) = verloochenden | κατὰ (kata) = voor | πρόσωπον (prosopon) = aangezicht | Πιλάτου (Pilatou) = van Pilatus | κρίναντος (krinantos) = beslissend | ἐκείνου (ekeinou) = die | ἀπολύειν (apolyein) = vrij te laten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Elohim van Abraham, Isaak en Jakob is de naam waarmee Elohim Zich aan Mozes bekendmaakte (Exod. 3:6; 3:15). παῖς (pais), ‘knecht’: het Grieks woord kan ook ‘kind’ betekenen. Hier past ‘Knecht’, de Knecht van Yahweh uit Jes. 52:13–53:12; Jes. 52:13 zegt van Hem dat Hij ‘zal worden opgetild’ en ‘zeer hoog zal zijn’. Wij schrijven ‘Knecht’ met hoofdletter als titel (ook 3:26; 4:27 en 4:30). ἐδόξασεν (edoxasen), ‘verheerlijkte’. ἠρνήσασθε (ernesasthe), ‘verloochenden’. Voetnoot : Zie ook Jes. 52:13; Luc. 23:13–22; Joh. 18:38–19:16. Zie ook: Ex 3:6; Ex 3:15; Jes 52:13–53:12; Luc 23:13–22; Joh 18:38–19:16 **3:14** Jullie hebben de Heilige en Rechtvaardige verloochend en gevraagd dat een moordenaar aan jullie geschonken werd. Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | καὶ (kai) = en | δίκαιον (dikaion) = Rechtvaardige | ἠρνήσασθε (ernesasthe) = verloochenden | καὶ (kai) = en | ᾐτήσασθε (etesasthe) = vroegen | ἄνδρα (andra) = man | φονέα (phonea) = moordenaar | χαρισθῆναι (charisthenai) = geschonken te worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ἅγιος καὶ δίκαιος (ho hagios kai dikaios), ‘de Heilige en Rechtvaardige’: titels van de Messias. De moordenaar is Barabbas (Luc. 23:18–25). χαρίζομαι (charizomai), ‘schenken’: een gunst verlenen; verwant aan χάρις (charis). Voetnoot : Zie ook Luc. 23:18–25. Zie ook: Luc 23:18–25 **3:15** De Leidsman van het leven hebben jullie gedood. Elohim heeft Hem uit de doden opgewekt. Daarvan zijn wij getuigen. Brontekst: τὸν (ton) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχηγὸν (archegon) = Leidsman | τῆς (tes) = van het | ζωῆς (zoes) = leven | ἀπεκτείνατε (apekteinate) = doodden | ὃν (hon) = die | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἤγειρεν (egeiren) = wekte op | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | οὗ (hou) = waarvan | ἡμεῖς (hemeis) = wij | μάρτυρές (martyres) = getuigen | ἐσμεν (esmen) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχηγός (archegos), ‘Leidsman’: degene die voorop gaat en anderen meeneemt; het woord kan ook ‘Aanvoerder’ of ‘Oorsprong’ betekenen. Zo ook in 5:31. ἤγειρεν (egeiren), ‘wekte op’: ἐγείρω vertalen wij overal met ‘opwekken’. **3:16** Door het geloof in Zijn naam heeft Zijn naam deze man sterk gemaakt, die jullie zien en kennen. Ja, het geloof dat door Hem komt, heeft hem deze volledige gezondheid gegeven voor de ogen van jullie allen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | τῇ (te) = het | πίστει (pistei) = geloof | τοῦ (tou) = van de | ὀνόματος (onomatos) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τοῦτον (touton) = deze | ὃν (hon) = die | θεωρεῖτε (theoreite) = zien | καὶ (kai) = en | οἴδατε (oidate) = kennen | ἐστερέωσεν (estereosen) = maakte sterk | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | ἡ (he) = het | δι’ (di’) = door | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτῷ (auto) = aan hem | τὴν (ten) = de | ὁλοκληρίαν (holoklerian) = volledige gezondheid | ταύτην (tauten) = deze | ἀπέναντι (apenanti) = tegenover | πάντων (panton) = allen | ὑμῶν (hymon) = van jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁλοκληρία (holokleria), ‘volledige gezondheid’: volkomen herstel van alle delen van het lichaam. Het woord komt alleen hier voor. **3:17** Nu weet ik, broers, dat jullie uit onwetendheid gehandeld hebben, net als jullie leiders. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | οἶδα (oida) = weet ik | ὅτι (hoti) = dat | κατὰ (kata) = uit | ἄγνοιαν (agnoian) = onwetendheid | ἐπράξατε (epraxate) = handelden | ὥσπερ (hosper) = zoals | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἄρχοντες (archontes) = leiders | ὑμῶν (hymon) = van jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγνοια (agnoia), ‘onwetendheid’: niet weten wat men doet; vergelijk het gebed in Luc. 23:34. ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: zoals in Luc. 23:13. Voetnoot : Zie ook Luc. 23:34. Zie ook: Luc 23:13; Luc 23:34 **3:18** Maar Elohim heeft zo vervuld wat Hij van tevoren door de mond van alle profeten had aangekondigd: dat Zijn Messias zou lijden. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | θεὸς (theos) = Elohim | ἃ (ha) = wat | προκατήγγειλεν (prokatengeilen) = kondigde van tevoren aan | διὰ (dia) = door | στόματος (stomatos) = mond | πάντων (panton) = van alle | τῶν (ton) = de | προφητῶν (propheton) = profeten | παθεῖν (pathein) = te lijden | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπλήρωσεν (eplerosen) = vervulde | οὕτως (houtos) = zo Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dat de Messias moest lijden, legde Yeshua zelf uit aan Zijn leerlingen (Luc. 24:25–27; 24:44–46). Voetnoot : Zie ook Luc. 24:25–27; Luc. 24:44–46. Zie ook: Luc 24:25–27; Luc 24:44 ### De oproep tot bekering **3:19** Bekeer jullie dus en keer terug, zodat jullie zonden worden uitgewist, Brontekst: μετανοήσατε (metanoesate) = bekeer jullie | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | ἐπιστρέψατε (epistrepsate) = keer terug | πρὸς (pros) = met het oog op | τὸ (to) = het | ἐξαλειφθῆναι (exaleiphthenai) = uitgewist worden | ὑμῶν (hymon) = van jullie | τὰς (tas) = de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: van denken veranderen; ἐπιστρέφω (epistrepho), ‘terugkeren’: zich naar Elohim omkeren. ἐξαλείφω (exaleipho), ‘uitwissen’: zoals een geschreven schuld wordt uitgewist; vergelijk Jes. 43:25, ‘Ik, Ik ben Hij, die je overtredingen uitwist’. Voetnoot : Zie ook Jes. 43:25. Zie ook: Jes 43:25 **3:20** opdat tijden van verkwikking komen van het aangezicht van Yahweh en Hij Yeshua zendt, de voor jullie aangewezen Messias. Brontekst: ὅπως (hopos) = opdat | ἂν (an) = maar | ἔλθωσιν (elthosin) = komen | καιροὶ (kairoi) = tijden | ἀναψύξεως (anapsyxeos) = van verkwikking | ἀπὸ (apo) = van | προσώπου (prosopou) = aangezicht | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Yahweh | καὶ (kai) = en | ἀποστείλῃ (aposteile) = Hij zendt | τὸν (ton) = de | προκεχειρισμένον (prokecheirismenon) = aangewezen | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | χριστὸν (christon) = Messias | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνάψυξις (anapsyxis), ‘verkwikking’: opluchting, ademruimte. ἀπὸ προσώπου κυρίου (apo prosopou kyriou), ‘van het aangezicht van Yahweh’, is een uitdrukking uit het Oude Testament (Hebreeuws מִלִּפְנֵי יְהוָה); daarom is κυρίου hier vertaald als Yahweh. προκεχειρισμένον (procheirismenon), ‘aangewezen’: van tevoren aangesteld. ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’. **3:21** Hem moet de hemel opnemen tot de tijden van het herstel van alles. Daarover heeft Elohim sinds oude tijden gesproken door de mond van Zijn heilige profeten. Brontekst: ὃν (hon) = die | δεῖ (dei) = moet | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | μὲν (men) = wel | δέξασθαι (dexasthai) = opnemen | ἄχρι (achri) = tot | χρόνων (chronon) = tijden | ἀποκαταστάσεως (apokatastaseos) = van herstel | πάντων (panton) = van alles | ὧν (hon) = waarover | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | διὰ (dia) = door | στόματος (stomatos) = mond | τῶν (ton) = van de | ἁγίων (hagion) = heilige | ἀπ’ (ap’) = sinds | αἰῶνος (aionos) = eeuwigheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | προφητῶν (propheton) = profeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποκατάστασις (apokatastasis), ‘herstel’: van dezelfde stam als ἀποκαθιστάνω (apokathistano), ‘herstellen’ in 1:6. Het Grieks zegt dat de hemel Hem moet opnemen tot dat herstel. ἀπ’ αἰῶνος (ap aionos), ‘sinds oude tijden’: van oudsher; vergelijk Luc. 1:70. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:70. Zie ook: Luc 1:70 **3:22** Mozes heeft gezegd: ‘Yahweh Elohim zal voor jullie een profeet laten opstaan uit jullie broers, zoals ik. Naar hem moeten jullie luisteren in alles wat hij tot jullie zal spreken.’ Brontekst: Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | μὲν (men) = wel | εἶπεν (eipen) = zei | ὅτι (hoti) = dat | Προφήτην (Propheten) = profeet | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | ἀναστήσει (anastesei) = zal laten opstaan | κύριος (kyrios) = Yahweh | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | ὑμῶν (hymon) = van jullie | ὡς (hos) = zoals | ἐμέ (eme) = mij | αὐτοῦ (autou) = naar hem | ἀκούσεσθε (akousesthe) = zullen luisteren | κατὰ (kata) = volgens | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἂν (an) = maar | λαλήσῃ (lalese) = hij spreekt | πρὸς (pros) = tot | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Deut. 18:15, met woorden uit Deut. 18:18–19. Het Hebreeuws van Deut. 18:15 heeft ‘uit je midden, uit je broers’ en ‘Yahweh, je Elohim’; de Griekse tekst heeft hier ‘uit jullie broers’ en κύριος ὁ θεός, ‘Yahweh Elohim’. De woorden ‘in alles wat hij tot jullie zal spreken’ klinken als Deut. 18:18, ‘hij zal tot hen spreken alles wat Ik hem gebied’. Voetnoot : Zie ook Deut. 18:15; Deut. 18:18–19; Joh. 1:45; Joh. 6:14. Zie ook: Deut 18:15; Deut 18:18–19; Joh 1:45; Joh 6:14 **3:23** Ieder mens die niet naar die profeet luistert, zal uit het volk uitgeroeid worden. Brontekst: ἔσται (estai) = zal zijn | δὲ (de) = maar | πᾶσα (pasa) = elke | ψυχὴ (psyche) = ziel | ἥτις (hetis) = die | ἂν (an) = maar | μὴ (me) = niet | ἀκούσῃ (akouse) = luistert | τοῦ (tou) = naar de | προφήτου (prophetou) = profeet | ἐκείνου (ekeinou) = die | ἐξολεθρευθήσεται (exolethreuthesetai) = zal worden uitgeroeid | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze zin is niet een letterlijk citaat. Hij lijkt op Deut. 18:19 (‘van hem zal Ik het opeisen’) en op Lev. 23:29 (‘wordt uit zijn volk afgesneden’). ψυχή (psyche), ‘ziel’: hier ‘ieder mens’. ἐξολεθρεύω (exolethreuo), ‘uitroeien’. Voetnoot : Zie ook Deut. 18:19; Lev. 23:29. Zie ook: Lev 23:29; Deut 18:19 **3:24** Ook alle profeten vanaf Samuël en de profeten na hem, allen die gesproken hebben, hebben deze dagen aangekondigd. Brontekst: καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = alle | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | ἀπὸ (apo) = vanaf | Σαμουὴλ (Samouel) = Samuël | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | καθεξῆς (kathexes) = daarna volgenden | ὅσοι (hosoi) = zovelen | ἐλάλησαν (elalesan) = spraken | καὶ (kai) = en | κατήγγειλαν (katengeilan) = kondigden aan | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ταύτας (tautas) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Samuël wordt hier genoemd als begin van de rij profeten die na Mozes kwamen. ‘Deze dagen’ zijn de dagen van de Messias. **3:25** Jullie zijn de zonen van de profeten en van het verbond dat Elohim met jullie vaders heeft gesloten. Hij zei tot Abraham: ‘En in jouw nageslacht zullen alle families van de aarde gezegend worden.’ Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐστε (este) = zijn | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van het | διαθήκης (diathekes) = verbond | ἧς (hes) = dat | διέθετο (dietheto) = sloot | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | πρὸς (pros) = met | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaders | ὑμῶν (hymon) = jullie | λέγων (legon) = zeggend | πρὸς (pros) = tot | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | Καὶ (Kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | σπέρματί (spermati) = nageslacht | σου (sou) = jouw | ἐνευλογηθήσονται (eneulogethesontai) = zullen worden gezegend | πᾶσαι (pasai) = alle | αἱ (hai) = de | πατριαὶ (patriai) = families | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat combineert twee woorden aan Abraham: Gen. 22:18 (‘in je nageslacht’, het Hebreeuws heeft ‘alle volken van de aarde’) en Gen. 12:3 (‘alle families van de grond’). De Griekse tekst heeft hier ‘alle families van de aarde’. διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: het Hebreeuwse בְּרִית (berit). σπέρμα (sperma), ‘nageslacht’. Voetnoot : Zie ook Gen. 12:3; Gen. 22:18. Zie ook: Gen 12:3; Gen 22:18 **3:26** Eerst voor jullie heeft Elohim Zijn Knecht laten opstaan. Hij heeft Hem gezonden om jullie te zegenen, door ieder van jullie af te brengen van jullie slechte daden.” Brontekst: ὑμῖν (hymin) = aan jullie | πρῶτον (proton) = eerst | ἀναστήσας (anastesas) = opgewekt hebbend | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὸν (ton) = de | παῖδα (paida) = Knecht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | αὐτὸν (auton) = Hem | εὐλογοῦντα (eulogounta) = zegenend | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἀποστρέφειν (apostrephein) = afwenden | ἕκαστον (hekaston) = ieder | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | πονηριῶν (ponerion) = slechtheden | ὑμῶν (hymon) = van jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναστήσας (anastesas), ‘laten opstaan’: het kan ‘laten optreden’ betekenen (zoals in vers 22) of ‘uit de dood laten opstaan’; wij vertalen neutraal. ἀποστρέφειν (apostrephein), ‘afbrengen, afwenden’: het kan overgankelijk zijn (Hij brengt ieder van jullie af van het kwaad) of onovergankelijk (ieder keert zich af). Wij kiezen de eerste lezing. πονηρία (poneria), ‘slechtheid’: wij schrijven ‘slechte daden’. εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’. Zie ook: Hand 3:22 ## Handelingen 4 _Petrus en Johannes voor de Raad; het gebed en het delen van de gemeente_ ### Petrus en Johannes worden gevangengezet **4:1** Terwijl zij tot het volk spraken, kwamen de priesters, de bevelhebber van de tempel en de Sadduceeën bij hen staan. Brontekst: Λαλούντων (Lalounton) = sprekend | δὲ (de) = nu | αὐτῶν (auton) = zij | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | ἐπέστησαν (epestesan) = kwamen staan | αὐτοῖς (autois) = bij hen | οἱ (hoi) = de | ἱερεῖς (hiereis) = priesters | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | στρατηγὸς (strategos) = bevelhebber | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi) = Sadduceeën Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρατηγὸς τοῦ ἱεροῦ (strategos tou hierou), ‘bevelhebber van de tempel’: het hoofd van de tempelwacht. In Luc. 22:4 en 22:52 staat het meervoud ‘bevelhebbers’. Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi), ‘Sadduceeën’: zij namen de opstanding niet aan (Luc. 20:27). Voetnoot : Zie ook Luc. 22:4; Luc. 20:27. Zie ook: Luc 20:27; Luc 22:4; Luc 22:52 **4:2** Zij waren hevig verontwaardigd omdat Petrus en Johannes het volk onderwezen en in Yeshua de opstanding uit de doden aankondigden. Brontekst: διαπονούμενοι (diaponoumenoi) = verontwaardigd | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | διδάσκειν (didaskein) = onderwijzen | αὐτοὺς (autous) = zij | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | καὶ (kai) = en | καταγγέλλειν (katangellein) = aankondigen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τὴν (ten) = de | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | τὴν (ten) = de | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft alleen ‘zij’ (de priesters en hun gezelschap) en ‘zij onderwezen’. Wij noemen Petrus en Johannes bij naam, zodat duidelijk is wie verontwaardigd is en wie onderwees. διαπονέω (diaponeo), ‘verontwaardigd zijn’: zich hevig ergeren. καταγγέλλω (katangello), ‘aankondigen’. De Sadduceeën ergeren zich vooral aan ‘de opstanding uit de doden’. **4:3** Zij sloegen de handen aan hen en zetten hen in bewaring tot de volgende dag, want het was al avond. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπέβαλον (epebalon) = sloegen | αὐτοῖς (autois) = aan hen | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | καὶ (kai) = en | ἔθεντο (ethento) = zetten | εἰς (eis) = in | τήρησιν (teresin) = bewaring | εἰς (eis) = tot | τὴν (ten) = de | αὔριον (aurion) = morgen | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | ἑσπέρα (hespera) = avond | ἤδη (ede) = al Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τήρησις (teresis), ‘bewaring’: gevangenschap, hechtenis. Omdat het al avond was, hielden zij hen tot de volgende dag vast. **4:4** Velen van hen die het woord gehoord hadden, geloofden. Het aantal van de mannen werd ongeveer 5000. Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = van de | ἀκουσάντων (akousanton) = gehoord hebbenden | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | καὶ (kai) = en | ἐγενήθη (egenethe) = werd | ὁ (ho) = het | ἀριθμὸς (arithmos) = aantal | τῶν (ton) = van de | ἀνδρῶν (andron) = mannen | ὡς (hos) = ongeveer | χιλιάδες (chiliades) = duizendtallen | πέντε (pente) = vijf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνήρ (aner), ‘man’: de telling van 5000 geldt de mannen. Vergelijk Hand. 2:41, waar ongeveer 3000 mensen worden toegevoegd. Zie ook: Hand 2:41 ### Petrus en Johannes voor de Raad **4:5** De volgende dag kwamen hun leiders, oudsten en schriftgeleerden in Jeruzalem bijeen. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | αὔριον (aurion) = morgen | συναχθῆναι (synachthenai) = bijeen te komen | αὐτῶν (auton) = hun | τοὺς (tous) = de | ἄρχοντας (archontas) = leiders | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πρεσβυτέρους (presbyterous) = oudsten | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’; πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: hier de oudsten van het volk in de Raad; γραμματεῖς (grammateis), ‘schriftgeleerden’. Zie ook Luc. 22:66. Zie ook: Luc 22:66 **4:6** Ook Annas, de hogepriester, was er, en Kajafas en Johannes en Alexander en allen die van hogepriesterlijke afkomst waren. Brontekst: καὶ (kai) = en | Ἅννας (Hannas) = Annas | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | καὶ (kai) = en | Καϊάφας (Kaiaphas) = Kajafas | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | καὶ (kai) = en | Ἀλέξανδρος (Alexandros) = Alexander | καὶ (kai) = en | ὅσοι (hosoi) = zovelen | ἦσαν (esan) = waren | ἐκ (ek) = uit | γένους (genous) = geslacht | ἀρχιερατικοῦ (archieratikou) = hogepriesterlijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Annas was hogepriester geweest en bleef invloedrijk; zijn schoonzoon Kajafas was de hogepriester van dat jaar (Joh. 18:13). Het Grieks noemt Annas hier ‘de hogepriester’. Over Johannes en Alexander weten wij uit de tekst niets. ἐκ γένους ἀρχιερατικοῦ (ek genous archieratikou): uit het geslacht van de hogepriesters. Voetnoot : Zie ook Luc. 3:2; Joh. 18:13. Zie ook: Luc 3:2; Joh 18:13 **4:7** Zij zetten hen in het midden en vroegen: „Met welke kracht of in welke naam hebben jullie dit gedaan?” Brontekst: καὶ (kai) = en | στήσαντες (stesantes) = plaatsend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | μέσῳ (meso) = midden | ἐπυνθάνοντο (epynthanonto) = vroegen | Ἐν (En) = met | ποίᾳ (poia) = welke | δυνάμει (dynamei) = kracht | ἢ (e) = of | ἐν (en) = in | ποίῳ (poio) = welke | ὀνόματι (onomati) = naam | ἐποιήσατε (epoiesate) = deden | τοῦτο (touto) = dit | ὑμεῖς (hymeis) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘In het midden’: de apostelen stonden voor de Raad. δύναμις (dynamis), ‘kracht’; ὄνομα (onoma), ‘naam’. De Raad vraagt naar gezag: wie heeft dit toegestaan? Wij spreken de Raad aan met ‘jullie’, zoals tegenover de leiders in de evangeliën. **4:8** Toen zei Petrus, vervuld met de Heilige Geest, tegen hen: „Leiders van het volk en oudsten, Brontekst: τότε (tote) = toen | Πέτρος (Petros) = Petrus | πλησθεὶς (plestheis) = vervuld | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = Heilige | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Ἄρχοντες (Archontes) = leiders | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Vervuld met de Heilige Geest’: zoals Yeshua beloofd had voor wie voor bestuurders moet staan (Luc. 12:11–12). Petrus spreekt de Raad aan met ‘jullie’. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:11–12; Luc. 21:12–15. Zie ook: Luc 12:11–12; Luc 21:12–15 **4:9** als wij vandaag ondervraagd worden over een goede daad aan een zieke man, waardoor hij gered is, Brontekst: εἰ (ei) = als | ἡμεῖς (hemeis) = wij | σήμερον (semeron) = vandaag | ἀνακρινόμεθα (anakrinometha) = worden ondervraagd | ἐπὶ (epi) = over | εὐεργεσίᾳ (euergesia) = goede daad | ἀνθρώπου (anthropou) = aan een mens | ἀσθενοῦς (asthenous) = zieke | ἐν (en) = in | τίνι (tini) = wie | οὗτος (houtos) = deze | σέσωσται (sesostai) = is gered Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐεργεσία (euergesia), ‘goede daad’: een weldaad. σέσωσται (sesostai), ‘is gered’, van σῴζω (sozo): het werkwoord betekent hier ‘genezen worden’ en ook ‘gered worden’. In vers 12 staat dezelfde stam in de betekenis ‘redding’; wij vertalen σῴζω overal met ‘redden’. Zie ook: Hand 4:12 **4:10** dan moet het aan jullie allen en aan heel het volk Israël bekend zijn. In de naam van Yeshua de Messias, de Nazoreeër, staat deze man gezond voor jullie. Jullie hebben Hem gekruisigd, en Elohim heeft Hem uit de doden opgewekt. Brontekst: γνωστὸν (gnoston) = bekend | ἔστω (esto) = laat zijn | πᾶσιν (pasin) = aan allen | ὑμῖν (hymin) = jullie | καὶ (kai) = en | παντὶ (panti) = aan heel | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = van de Messias | τοῦ (tou) = de | Ναζωραίου (Nazoraiou) = Nazoreeër | ὃν (hon) = die | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐσταυρώσατε (estaurosate) = hebben gekruisigd | ὃν (hon) = die | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἤγειρεν (egeiren) = wekte op | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = hem | οὗτος (houtos) = deze | παρέστηκεν (paresteken) = staat | ἐνώπιον (enopion) = voor | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὑγιής (hygies) = gezond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: zie 2:22. ἐν τούτῳ (en touto), ‘in dit (de naam)’, staat in het Grieks nog eens vlak voor ‘deze man staat gezond’ en verwijst naar de naam. Omdat de Nederlandse zin dan twee keer hetzelfde zegt, laten wij het in de tekst weg; in de glosses staat het wel. ἐγείρω, ‘opwekken’: zoals in 3:15. ὑγιής (hygies), ‘gezond’. **4:11** Hij is de steen die door jullie, de bouwers, veracht is en die tot hoeksteen geworden is. Brontekst: οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | λίθος (lithos) = steen | ὁ (ho) = die | ἐξουθενηθεὶς (exouthenetheis) = veracht werd | ὑφ’ (hyph’) = door | ὑμῶν (hymon) = jullie | τῶν (ton) = de | οἰκοδόμων (oikodomon) = bouwers | ὁ (ho) = die | γενόμενος (genomenos) = geworden is | εἰς (eis) = tot | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | γωνίας (gonias) = van hoek Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Ps. 118:22. Het Hebreeuws heeft ‘verwierpen’ (מָאַס, ma’as); de Griekse tekst heeft ἐξουθενηθείς (exouthenetheis), ‘veracht’. κεφαλὴ γωνίας (kephale gonias) is letterlijk ‘hoofd van de hoek’: de hoeksteen. Yeshua zelf haalde dit vers aan in Luc. 20:17. Voetnoot : Zie ook Ps. 118:22; Matt. 21:42; Mark. 12:10–11; Luc. 20:17. Zie ook: Ps 118:22; Mat 21:42; Mar 12:10–11; Luc 20:17 **4:12** En in niemand anders is de redding. Want er is ook geen andere naam onder de hemel die onder de mensen gegeven is, waardoor wij gered moeten worden.” Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐν (en) = in | ἄλλῳ (allo) = andere | οὐδενὶ (oudeni) = niemand | ἡ (he) = de | σωτηρία (soteria) = redding | οὐδὲ (oude) = en niet | γὰρ (gar) = want | ὄνομά (onoma) = naam | ἐστιν (estin) = is | ἕτερον (heteron) = andere | ὑπὸ (hypo) = onder | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | τὸ (to) = die | δεδομένον (dedomenon) = gegeven is | ἐν (en) = onder | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = welke | δεῖ (dei) = het is nodig | σωθῆναι (sothenai) = gered te worden | ἡμᾶς (hemas) = wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σωτηρία (soteria), ‘redding’. De naam Yeshua betekent ‘Yahweh redt’ (Matt. 1:21). ‘Onder de hemel’ betekent: op aarde, onder alle mensen. Voetnoot : Zie ook Matt. 1:21; Hand. 2:21. Zie ook: Mat 1:21; Hand 2:21 ### De Raad overlegt **4:13** Toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat het ongeletterde mensen en leken waren, verwonderden zij zich. Zij herkenden hen ook als mensen die bij Yeshua waren geweest. Brontekst: Θεωροῦντες (Theorountes) = ziende | δὲ (de) = nu | τὴν (ten) = de | τοῦ (tou) = van de | Πέτρου (Petrou) = Petrus | παρρησίαν (parresian) = vrijmoedigheid | καὶ (kai) = en | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | καὶ (kai) = en | καταλαβόμενοι (katalabomenoi) = begrijpend | ὅτι (hoti) = dat | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | ἀγράμματοί (agrammatoi) = ongeletterd | εἰσιν (eisin) = zijn | καὶ (kai) = en | ἰδιῶται (idiotai) = leken | ἐθαύμαζον (ethaumazon) = verwonderden zich | ἐπεγίνωσκόν (epeginoskon) = herkenden | τε (te) = en | αὐτοὺς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = dat | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἦσαν (esan) = waren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: zie 2:29. ἀγράμματος (agrammatos), ‘ongeletterd’: niet opgeleid in de Schriften door een leraar. ἰδιώτης (idiotes), ‘leek’: een gewoon man zonder vakopleiding. ἐπεγίνωσκον (epeginoskon), ‘herkenden’: zij begonnen te beseffen dat zij bij Yeshua geweest waren. **4:14** Zij zagen de man die genezen was bij hen staan en hadden niets om tegenin te brengen. Brontekst: τόν (ton) = de | τε (te) = en | ἄνθρωπον (anthropon) = man | βλέποντες (blepontes) = ziende | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | ἑστῶτα (hestota) = staand | τὸν (ton) = de | τεθεραπευμένον (tetherapeumenon) = genezen | οὐδὲν (ouden) = niets | εἶχον (eichon) = hadden | ἀντειπεῖν (anteipein) = tegen te zeggen Bron: SBLGNT **4:15** Zij bevalen hun de Raad te verlaten en overlegden met elkaar. Brontekst: κελεύσαντες (keleusantes) = bevelend | δὲ (de) = nu | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔξω (exo) = buiten | τοῦ (tou) = de | συνεδρίου (synedriou) = Raad | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan | συνέβαλλον (syneballon) = overlegden | πρὸς (pros) = met | ἀλλήλους (allelous) = elkaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: de hoogste Joodse raad in Jeruzalem; wij schrijven ‘Raad’. De apostelen moesten de zaal verlaten zodat de Raad onder elkaar kon spreken. **4:16** Zij zeiden: „Wat moeten wij doen met deze mensen? Dat er door hen een bekend teken is gebeurd, is voor allen die in Jeruzalem wonen duidelijk, en wij kunnen het niet ontkennen. Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | ποιήσωμεν (poiesomen) = zullen we doen | τοῖς (tois) = met de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | τούτοις (toutois) = deze | ὅτι (hoti) = dat | μὲν (men) = wel | γὰρ (gar) = want | γνωστὸν (gnoston) = bekend | σημεῖον (semeion) = teken | γέγονεν (gegonen) = is gebeurd | δι’ (di’) = door | αὐτῶν (auton) = hen | πᾶσιν (pasin) = voor allen | τοῖς (tois) = die | κατοικοῦσιν (katoikousin) = wonen in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | φανερόν (phaneron) = duidelijk | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | δυνάμεθα (dynametha) = kunnen we | ἀρνεῖσθαι (arneisthai) = ontkennen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: γνωστὸν σημεῖον (gnoston semeion), ‘een bekend teken’. ἀρνέομαι (arneomai) vertalen wij in 3:13 met ‘verloochenen’; hier, met een zaak als voorwerp, ‘ontkennen’. **4:17** Maar opdat het niet verder onder het volk verspreid wordt, laten wij hen bedreigen, zodat zij in deze naam niet meer met iemand spreken.” Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | ἐπὶ (epi) = tot | πλεῖον (pleion) = meer | διανεμηθῇ (dianemethe) = verspreid wordt | εἰς (eis) = onder | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk | ἀπειλησώμεθα (apeilesometha) = laten we bedreigen | αὐτοῖς (autois) = hen | μηκέτι (meketi) = niet meer | λαλεῖν (lalein) = te spreken | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τούτῳ (touto) = deze | μηδενὶ (medeni) = met niemand | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διανέμω (dianemo), ‘verspreiden’: letterlijk ‘uitdelen, verdelen’. ἀπειλέω (apeileo), ‘bedreigen’. **4:18** Zij riepen hen en gaven hun het bevel helemaal niet meer te spreken of te onderwijzen in de naam van Yeshua. Brontekst: καὶ (kai) = en | καλέσαντες (kalesantes) = roepend | αὐτοὺς (autous) = hen | παρήγγειλαν (parengeilan) = geboden | τὸ (to) = het | καθόλου (katholou) = helemaal | μὴ (me) = niet | φθέγγεσθαι (phthengesthai) = te spreken | μηδὲ (mede) = noch | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φθέγγομαι (phthengomai), ‘spreken’: een geluid laten horen; verwant aan ἀποφθέγγομαι (apophthengomai) in 2:4 en 2:14. **4:19** Petrus en Johannes antwoordden hun: „Oordeel zelf of het voor Elohim juist is dat wij meer naar jullie luisteren dan naar Elohim. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | εἶπον (eipon) = zeiden | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Εἰ (Ei) = of | δίκαιόν (dikaion) = juist | ἐστιν (estin) = is | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὑμῶν (hymon) = van jullie | ἀκούειν (akouein) = te luisteren | μᾶλλον (mallon) = meer | ἢ (e) = dan | τοῦ (tou) = naar de | θεοῦ (theou) = Elohim | κρίνατε (krinate) = oordeelt zelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δίκαιος (dikaios), ‘juist’: rechtvaardig in de ogen van Elohim. Petrus en Johannes noemen Elohim als hoogste gezag. Wij spreken de Raad aan met ‘jullie’ (zie vers 8). Voetnoot : Zie ook Hand. 5:29. Zie ook: Hand 4:8; Hand 5:29 **4:20** Want wij kunnen niet zwijgen over wat wij gezien en gehoord hebben.” Brontekst: οὐ (ou) = niet | δυνάμεθα (dynametha) = kunnen | γὰρ (gar) = want | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἃ (ha) = wat | εἴδαμεν (eidamen) = zagen | καὶ (kai) = en | ἠκούσαμεν (ekousamen) = hoorden | μὴ (me) = niet | λαλεῖν (lalein) = spreken Bron: SBLGNT **4:21** Zij bedreigden hen nog eens en lieten hen gaan. Zij vonden niets om hen te straffen, vanwege het volk, want allen verheerlijkten Elohim om wat er gebeurd was. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | προσαπειλησάμενοι (prosapeilesamenoi) = verder bedreigd hebbend | ἀπέλυσαν (apelysan) = lieten gaan | αὐτούς (autous) = hen | μηδὲν (meden) = niets | εὑρίσκοντες (heuriskontes) = vindend | τὸ (to) = het | πῶς (pos) = hoe | κολάσωνται (kolasontai) = zouden straffen | αὐτούς (autous) = hen | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk | ὅτι (hoti) = omdat | πάντες (pantes) = allen | ἐδόξαζον (edoxazon) = verheerlijkten | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | ἐπὶ (epi) = over | τῷ (to) = het | γεγονότι (gegonoti) = gebeurde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κολάζω (kolazo), ‘straffen’. δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: zoals in 3:13. ‘Om wat er gebeurd was’: de genezing van de lamme man. **4:22** Want de man bij wie dit teken van genezing gebeurd was, was meer dan 40 jaar oud. Brontekst: ἐτῶν (eton) = van jaren | γὰρ (gar) = want | ἦν (en) = was | πλειόνων (pleionon) = meer | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = veertig | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐφ’ (eph’) = bij | ὃν (hon) = wie | γεγόνει (gegonei) = was gebeurd | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | τοῦτο (touto) = dit | τῆς (tes) = van de | ἰάσεως (iaseos) = genezing Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De man was meer dan 40 jaar oud: dat maakte duidelijk dat zijn lamheid niet van korte duur was (zie 3:2). ἴασις (iasis), ‘genezing’. ### Het gebed van de gemeente **4:23** Nadat zij vrijgelaten waren, gingen zij naar de hunnen en meldden alles wat de hogepriesters en de oudsten tegen hen gezegd hadden. Brontekst: Ἀπολυθέντες (Apolythentes) = vrijgelaten zijnde | δὲ (de) = nu | ἦλθον (elthon) = kwamen | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἰδίους (idious) = eigen mensen | καὶ (kai) = en | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | ὅσα (hosa) = alles wat | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | εἶπαν (eipan) = zeiden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ ἴδιοι (hoi idioi), ‘de hunnen’: hun eigen mensen, de andere leerlingen. Vergelijk Joh. 1:11, ‘de Zijnen’. Zie ook: Joh 1:11 **4:24** Toen zij dit hoorden, verhieven zij eensgezind hun stem tot Elohim. Zij zeiden: „Heerser, U die de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is gemaakt hebt, Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | ἦραν (eran) = verhieven | φωνὴν (phonen) = stem | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | Δέσποτα (Despota) = Heerser | σὺ (sy) = U | ὁ (ho) = die | ποιήσας (poiesas) = gemaakt hebt | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | ἐν (en) = in | αὐτοῖς (autois) = daarin Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’: zie 1:14. δεσπότης (despotes), ‘Heerser’: een aanspreking voor Elohim als hoogste gezagsdrager, zoals in Luc. 2:29. De schepping van hemel, aarde en zee en alles daarin lijkt op Exod. 20:11 en Ps. 146:6; vergelijk ook Neh. 9:6. Voetnoot : Zie ook Exod. 20:11; Ps. 146:6; Neh. 9:6. Zie ook: Ex 20:11; Ps 146:6; Neh 9:6; Luc 2:29 **4:25** die door de Heilige Geest, door de mond van onze vader David, Uw knecht, gezegd hebt: ‘Waarom woedden de volken en bedachten de volksstammen iets zinloos? Brontekst: ὁ (ho) = die | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = vader | ἡμῶν (hemon) = onze | διὰ (dia) = door | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = Heilige | στόματος (stomatos) = mond | Δαυὶδ (Dauid) = David | παιδός (paidos) = knecht | σου (sou) = Uw | εἰπών (eipon) = zeggend | Ἱνατί (Hinati) = waarom | ἐφρύαξαν (ephryaxan) = woedden | ἔθνη (ethne) = volken | καὶ (kai) = en | λαοὶ (laoi) = stammen | ἐμελέτησαν (emeletesan) = bedachten | κενά (kena) = iets zinloos Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Griekse zin is hier moeilijk: de woorden staan in een ongebruikelijke volgorde. Wij volgen de woordvolgorde zo dicht mogelijk. Het citaat is Ps. 2:1–2. In het Hebreeuws staan ‘de volken’ (גּוֹיִם, goyim) en ‘de naties’ (לְאֻמִּים, le’ummim); de Griekse tekst heeft ἔθνη (ethne), ‘volken’, en λαοί (laoi), het meervoud van ‘volk’, hier ‘volksstammen’ zoals in vers 27. ἐφρύαξαν (ephryaxan), ‘woedden’: Ps. 2:1 heeft in het Hebreeuws de tegenwoordige tijd. κενά (kena), ‘iets zinloos’: leegte. David heet hier ‘Uw knecht’ (παῖς, pais, zie 3:13). Voetnoot : Zie ook Ps. 2:1–2. Zie ook: Ps 2:1–2; Hand 4:27 **4:26** De koningen van de aarde stelden zich op en de leiders kwamen samen tegen Yahweh en tegen Zijn Messias.’ Brontekst: παρέστησαν (parestesan) = stelden zich op | οἱ (hoi) = de | βασιλεῖς (basileis) = koningen | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἄρχοντες (archontes) = leiders | συνήχθησαν (synechthesan) = kwamen samen | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | αὐτὸ (auto) = zelfde | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Yahweh | καὶ (kai) = en | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | χριστοῦ (christou) = Messias | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ps. 2:2. κύριος (kyrios) is hier vertaald als Yahweh, naar het Hebreeuwse יהוה. χριστός (christos), ‘Messias’: het Hebreeuws heeft ‘Zijn gezalfde’ (מְשִׁיחוֹ, meshicho). In vers 27 wordt dit op Yeshua toegepast. Voetnoot : Zie ook Ps. 2:2. Zie ook: Ps 2:2; Hand 4:27 **4:27** Want werkelijk, in deze stad zijn Herodes en Pontius Pilatus, samen met de volken en de volksstammen van Israël, samengekomen tegen Uw heilige Knecht Yeshua, die U gezalfd hebt, Brontekst: συνήχθησαν (synechthesan) = kwamen samen | γὰρ (gar) = want | ἐπ’ (ep’) = in | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ταύτῃ (taute) = deze | ἐπὶ (epi) = tegen | τὸν (ton) = de | ἅγιον (hagion) = heilige | παῖδά (paida) = Knecht | σου (sou) = Uw | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὃν (hon) = die | ἔχρισας (echrisas) = zalfde | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | Πόντιος (Pontios) = Pontius | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | σὺν (syn) = met | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | καὶ (kai) = en | λαοῖς (laois) = stammen | Ἰσραήλ (Israel) = van Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Herodes is Herodes Antipas (Luc. 23:6–12); Pontius Pilatus: Luc. 23:1–25. λαοὶ Ἰσραήλ (laoi Israel) is een meervoud: ‘de volksstammen van Israël’. ἔχρισας (echrisas), ‘U hebt gezalfd’: van χρίω (chrio), verwant aan χριστός (‘gezalfde’); vergelijk Luc. 4:18. παῖς (pais), ‘Knecht’: zie 3:13. ἐπ’ ἀληθείας (ep aletheias): ‘werkelijk’, zoals in Luc. 22:59. Voetnoot : Zie ook Luc. 4:18; Luc. 23:1–12. Zie ook: Luc 4:18; Luc 22:59; Luc 23:1–25; Luc 23:6–12 **4:28** om te doen wat Uw hand en Uw plan van tevoren bepaald hadden dat zou gebeuren. Brontekst: ποιῆσαι (poiesai) = te doen | ὅσα (hosa) = alles wat | ἡ (he) = de | χείρ (cheir) = hand | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | βουλὴ (boule) = plan | προώρισεν (proorisen) = bepaalde van tevoren | γενέσθαι (genesthai) = te gebeuren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προορίζω (proorizo), ‘van tevoren bepalen’. ‘Uw hand en Uw plan’: wat Elohim besloten had en deed, niet wat de mensen zelf wilden; vergelijk 2:23, ‘het vastgestelde plan’. **4:29** En nu, Heer, zie neer op hun dreigementen en geef aan Uw knechten om met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken, Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | νῦν (nyn) = nu | κύριε (kyrie) = Heer | ἔπιδε (epide) = zie neer | ἐπὶ (epi) = op | τὰς (tas) = de | ἀπειλὰς (apeilas) = dreigementen | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | δὸς (dos) = geef | τοῖς (tois) = aan de | δούλοις (doulois) = knechten | σου (sou) = Uw | μετὰ (meta) = met | παρρησίας (parresias) = vrijmoedigheid | πάσης (pases) = alle | λαλεῖν (lalein) = te spreken | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔπιδε (epide), ‘zie neer’: kijk met zorg naar iets; zoals Luc. 1:25. δοῦλος (doulos), ‘knecht’: wij vertalen dit woord overal zo. παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: zie 2:29. κύριε (kyrie), ‘Heer’ is hier de aanspreking van Elohim. Zie ook: Luc 1:25 **4:30** terwijl U Uw hand uitstrekt tot genezing en er tekenen en wonderen gebeuren door de naam van Uw heilige Knecht Yeshua.” Brontekst: ἐν (en) = terwijl | τῷ (to) = het | τὴν (ten) = de | χεῖρά (cheira) = hand | σου (sou) = Uw | ἐκτείνειν (ekteinein) = uitstrekken | σε (se) = U | εἰς (eis) = tot | ἴασιν (iasin) = genezing | καὶ (kai) = en | σημεῖα (semeia) = tekenen | καὶ (kai) = en | τέρατα (terata) = wonderen | γίνεσθαι (ginesthai) = gebeuren | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | ὀνόματος (onomatos) = naam | τοῦ (tou) = van de | ἁγίου (hagiou) = heilige | παιδός (paidos) = Knecht | σου (sou) = Uw | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἴασις (iasis), ‘genezing’. ‘Tekenen en wonderen’: dezelfde woorden als in 2:19 en 2:22, hier in omgekeerde volgorde zoals het Grieks heeft. De bidders vragen dat de naam van Yeshua krachtig blijft werken. **4:31** Toen zij gebeden hadden, werd de plaats waar zij bijeen waren, door elkaar geschud. Allen werden vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord van Elohim met vrijmoedigheid. Brontekst: καὶ (kai) = en | δεηθέντων (deethenton) = gebeden hebbend | αὐτῶν (auton) = zij | ἐσαλεύθη (esaleuthe) = werd geschud | ὁ (ho) = de | τόπος (topos) = plaats | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = waar | ἦσαν (esan) = waren | συνηγμένοι (synegmenoi) = verzameld | καὶ (kai) = en | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | ἅπαντες (hapantes) = allen | τοῦ (tou) = van de | ἁγίου (hagiou) = Heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest | καὶ (kai) = en | ἐλάλουν (elaloun) = spraken | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | μετὰ (meta) = met | παρρησίας (parresias) = vrijmoedigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐσαλεύθη (esalleuthe), ‘werd geschud’: vergelijk Jes. 6:4, waar de drempels trillen van de stem van wie riep. ‘Vervuld met de Heilige Geest’: zoals in 2:4. Voetnoot : Zie ook Jes. 6:4; Hand. 2:4. Zie ook: Jes 6:4; Hand 2:4 ### De gemeente deelt alles **4:32** De menigte van hen die geloofden, had één hart en één ziel. Niemand zei dat iets van wat hij bezat, zijn eigen bezit was, maar zij hadden alles gemeenschappelijk. Brontekst: Τοῦ (Tou) = van de | δὲ (de) = nu | πλήθους (plethous) = menigte | τῶν (ton) = van de | πιστευσάντων (pisteusanton) = geloofd hebbenden | ἦν (en) = was | καρδία (kardia) = hart | καὶ (kai) = en | ψυχὴ (psyche) = ziel | μία (mia) = één | καὶ (kai) = en | οὐδὲ (oude) = niet | εἷς (heis) = één | τι (ti) = iets | τῶν (ton) = van de | ὑπαρχόντων (hyparchonton) = bezittingen | αὐτῷ (auto) = van hem | ἔλεγεν (elegen) = zei | ἴδιον (idion) = eigen | εἶναι (einai) = te zijn | ἀλλ’ (all’) = maar | ἦν (en) = was | αὐτοῖς (autois) = aan hen | πάντα (panta) = alles | κοινά (koina) = gemeenschappelijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Eén hart en één ziel’ betekent: volkomen eensgezind. ψυχή (psyche), ‘ziel’. Zie ook Hand. 2:44–45. Zie ook: Hand 2:44–45 **4:33** Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de opstanding van de Heer Yeshua, en grote genade was op hen allen. Brontekst: καὶ (kai) = en | δυνάμει (dynamei) = met kracht | μεγάλῃ (megale) = grote | ἀπεδίδουν (apedidoun) = gaven af | τὸ (to) = het | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | τῆς (tes) = van de | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | χάρις (charis) = genade | τε (te) = en | μεγάλη (megale) = grote | ἦν (en) = was | ἐπὶ (epi) = over | πάντας (pantas) = allen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’. χάρις (charis), ‘genade’: het Grieks zegt niet of dit Elohims genade is of de gunst van het volk (vergelijk 2:47). ‘De Heer Yeshua’: zie 1:21. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:48. Zie ook: Luc 24:48 **4:34** Want niemand onder hen leed gebrek. Allen die eigenaars waren van akkers of huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van wat verkocht werd, Brontekst: οὐδὲ (oude) = niet | γὰρ (gar) = want | ἐνδεής (endees) = behoeftig | τις (tis) = iemand | ἦν (en) = was | ἐν (en) = onder | αὐτοῖς (autois) = hen | ὅσοι (hosoi) = zovelen | γὰρ (gar) = want | κτήτορες (ktetores) = eigenaars | χωρίων (chorion) = van akkers | ἢ (e) = of | οἰκιῶν (oikion) = huizen | ὑπῆρχον (hyperchon) = waren | πωλοῦντες (polountes) = verkopend | ἔφερον (epheron) = brachten | τὰς (tas) = de | τιμὰς (timas) = opbrengsten | τῶν (ton) = van de | πιπρασκομένων (pipraskomenon) = verkochte dingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνδεής (endees), ‘behoeftig’. De woorden doen denken aan Deut. 15:4, ‘er zal geen arme onder jou zijn’. κτήτωρ (ktetor), ‘eigenaar’; τιμή (time), ‘prijs, opbrengst’. Voetnoot : Zie ook Deut. 15:4. Zie ook: Deut 15:4 **4:35** en legden die voor de voeten van de apostelen neer. Aan ieder werd uitgedeeld naar wat hij nodig had. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐτίθουν (etithoun) = legden | παρὰ (para) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τῶν (ton) = van de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | διεδίδετο (diedideto) = werd uitgedeeld | δὲ (de) = nu | ἑκάστῳ (hekasto) = aan ieder | καθότι (kathoti) = naarmate | ἄν (an) = maar | τις (tis) = iemand | χρείαν (chreian) = behoefte | εἶχεν (eichen) = had Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Voor de voeten van de apostelen’ leggen betekent: onder hun beheer brengen. De uitdeling gebeurde naar behoefte (vergelijk 2:45). ### Barnabas **4:36** Jozef, die door de apostelen Barnabas genoemd werd, wat vertaald ‘zoon van bemoediging’ betekent, een Leviet, een Cyprioot van geboorte, Brontekst: Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = die | ἐπικληθεὶς (epikletheis) = bijgenaamd | Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | ἀπὸ (apo) = door | τῶν (ton) = de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | μεθερμηνευόμενον (methermeneuomenon) = vertaald | υἱὸς (huios) = zoon | παρακλήσεως (parakleseos) = van bemoediging | Λευίτης (Leuites) = Leviet | Κύπριος (Kyprios) = Cyprioot | τῷ (to) = naar | γένει (genei) = geboorte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Voetnoot Uitleg: Βαρναβᾶς (Barnabas): de apostelen gaven Jozef deze bijnaam. παράκλησις (paraklesis), ‘bemoediging’: ook ‘aansporing, troost’. Λευίτης (Leuites), ‘Leviet’: iemand uit de stam Levi, de stam van de tempeldienaren. Κύπριος (Kyprios), ‘Cyprioot’: iemand uit Cyprus. **4:37** had een akker. Hij verkocht die, bracht het geld en legde het voor de voeten van de apostelen neer. Brontekst: ὑπάρχοντος (hyparchontos) = zijnde | αὐτῷ (auto) = aan hem | ἀγροῦ (agrou) = akker | πωλήσας (polesas) = verkocht hebbend | ἤνεγκεν (enenken) = bracht | τὸ (to) = het | χρῆμα (chrema) = geld | καὶ (kai) = en | ἔθηκεν (etheken) = legde | παρὰ (para) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τῶν (ton) = van de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χρῆμα (chrema), ‘geld’: de opbrengst van de verkoop. Voetnoot : Zie ook Hand. 5:1–2. Zie ook: Hand 5:1–2 ## Handelingen 5 _Ananias en Saffira, de apostelen voor de Raad en het advies van Gamaliël_ ### Ananias en Saffira **5:1** Een man met de naam Ananias verkocht, samen met zijn vrouw Saffira, een bezit. Brontekst: Ἀνὴρ (Aner) = een man | δέ (de) = maar | τις (tis) = zekere | Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | ὀνόματι (onomati) = met de naam | σὺν (syn) = samen met | Σαπφίρῃ (Sapphire) = Saffira | τῇ (te) = de | γυναικὶ (gynaiki) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπώλησεν (epolesen) = verkocht | κτῆμα (ktema) = een bezit Bron: SBLGNT **5:2** Hij hield een deel van de prijs achter, met medeweten van zijn vrouw. Hij bracht een deel en legde het aan de voeten van de apostelen neer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐνοσφίσατο (enosphisato) = hield achter | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | τιμῆς (times) = prijs | συνειδυίης (syneiduies) = wetend | καὶ (kai) = ook | τῆς (tes) = de | γυναικός (gynaikos) = vrouw | καὶ (kai) = en | ἐνέγκας (enenkas) = brengend | μέρος (meros) = een deel | τι (ti) = zeker | παρὰ (para) = naast | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τῶν (ton) = van de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | ἔθηκεν (etheken) = legde neer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνοσφίσατο (enosphisato), ‘achterhouden’: iets voor zichzelf houden wat voor een ander bestemd is. Vergelijk Joz. 7:1, waar Achan iets van de ban nam. Het neerleggen ‘aan de voeten van de apostelen’ staat ook in Hand. 4:34–37. Voetnoot : Zie ook Joz. 7:1; Hand. 4:34–37. Zie ook: Joz 7:1; Hand 4:34–37 **5:3** Petrus zei: „Ananias, waarom heeft Satan je hart gevuld om tegen de Heilige Geest te liegen en iets van de prijs van het stuk grond achter te houden? Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | Ἁνανία (Hanania) = Ananias | διὰ (dia) = om | τί (ti) = wat | ἐπλήρωσεν (eplerosen) = vulde | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | σου (sou) = jouw | ψεύσασθαί (pseusasthai) = te liegen | σε (se) = jou | τὸ (to) = tegen de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | καὶ (kai) = en | νοσφίσασθαι (nosphisasthai) = achter te houden | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | τιμῆς (times) = prijs | τοῦ (tou) = van het | χωρίου (choriou) = stuk grond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: zie Luc. 22:3, waar Satan ook in iemand ‘binnengaat’. In vers 3 liegt Ananias tegen de Heilige Geest, in vers 4 tegen Elohim. χωρίον (chorion), ‘stuk grond’: het bezit uit vers 1. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:3. Zie ook: Luc 22:3; Hand 5:1; Hand 5:4 **5:4** Bleef het, zolang het er was, niet van jou? En stond het, toen het verkocht was, niet onder jouw gezag? Hoe komt het dat je deze zaak in je hart hebt gelegd? Je hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen Elohim.” Brontekst: οὐχὶ (ouchi) = niet | μένον (menon) = blijvend | σοὶ (soi) = voor jou | ἔμενεν (emenen) = bleef het | καὶ (kai) = en | πραθὲν (prathen) = verkocht | ἐν (en) = onder | τῇ (te) = het | σῇ (se) = jouw | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ὑπῆρχεν (hyperchen) = stond het | τί (ti) = hoe | ὅτι (hoti) = komt het dat | ἔθου (ethou) = je legde | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | σου (sou) = jouw | τὸ (to) = de | πρᾶγμα (pragma) = zaak | τοῦτο (touto) = deze | οὐκ (ouk) = niet | ἐψεύσω (epseuso) = loog je | ἀνθρώποις (anthropois) = tegen mensen | ἀλλὰ (alla) = maar | τῷ (to) = tegen | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: de beschikking over iets. Petrus zegt dat het bezit en het geld van Ananias zelf waren. **5:5** Toen Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en blies zijn laatste adem uit. Er kwam grote vrees over allen die het hoorden. Brontekst: ἀκούων (akouon) = horend | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | πεσὼν (peson) = vallend | ἐξέψυξεν (exepsyxen) = blies zijn laatste adem uit | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | φόβος (phobos) = vrees | μέγας (megas) = grote | ἐπὶ (epi) = over | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | ἀκούοντας (akouontas) = hoorden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξέψυξεν (exepsyxen), ‘zijn laatste adem uitblazen’: het werkwoord betekent letterlijk ‘de adem uitblazen’ en dus ‘sterven’. Zo ook in vers 10. Zie ook: Hand 5:10 **5:6** De jongere mannen stonden op, wikkelden hem in doeken, droegen hem naar buiten en begroeven hem. Brontekst: ἀναστάντες (anastantes) = opgestaan | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | νεώτεροι (neoteroi) = jongere mannen | συνέστειλαν (synesteilan) = wikkelden in | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐξενέγκαντες (exenenkantes) = naar buiten dragend | ἔθαψαν (ethapsan) = begroeven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συστέλλω (systello), ‘inwikkelen’: het lichaam werd waarschijnlijk in doeken gewikkeld; het Grieks noemt de doeken niet, wij schrijven ‘in doeken’. νεώτεροι (neoteroi), ‘jongere mannen’: in vers 10 staat een ander woord, νεανίσκοι (neaniskoi), ‘jongemannen’. Zie ook: Hand 5:10 **5:7** Ongeveer drie uur later kwam zijn vrouw binnen. Zij wist niet wat er gebeurd was. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = nu | ὡς (hos) = ongeveer | ὡρῶν (horon) = uren | τριῶν (trion) = drie | διάστημα (diastema) = tussenruimte | καὶ (kai) = dat | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | μὴ (me) = niet | εἰδυῖα (eiduia) = wetend | τὸ (to) = wat | γεγονὸς (gegonos) = gebeurd was | εἰσῆλθεν (eiselthen) = binnenkwam Bron: SBLGNT **5:8** Petrus antwoordde haar: „Zeg mij, hebben jullie het stuk grond voor zoveel verkocht?” Zij zei: „Ja, voor zoveel.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | δὲ (de) = nu | πρὸς (pros) = aan | αὐτὴν (auten) = haar | Πέτρος (Petros) = Petrus | Εἰπέ (Eipe) = zeg | μοι (moi) = mij | εἰ (ei) = of | τοσούτου (tosoutou) = voor zoveel | τὸ (to) = het | χωρίον (chorion) = stuk grond | ἀπέδοσθε (apedosthe) = jullie verkochten | ἡ (he) = zij | δὲ (de) = nu | εἶπεν (eipen) = zei | Ναί (Nai) = ja | τοσούτου (tosoutou) = voor zoveel Bron: SBLGNT **5:9** Petrus zei tegen haar: „Hoe komt het dat jullie het eens zijn geworden om de Geest van Yahweh op de proef te stellen? Zie, de voeten van hen die je man hebben begraven, staan bij de deur. Zij zullen ook jou naar buiten dragen.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | πρὸς (pros) = tegen | αὐτήν (auten) = haar | Τί (Ti) = hoe | ὅτι (hoti) = komt het dat | συνεφωνήθη (synephonethe) = overeengekomen is | ὑμῖν (hymin) = door jullie | πειράσαι (peirasai) = op de proef te stellen | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἰδοὺ (idou) = zie | οἱ (hoi) = de | πόδες (podes) = voeten | τῶν (ton) = van hen die | θαψάντων (thapsanton) = begroeven | τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | σου (sou) = jouw | ἐπὶ (epi) = bij | τῇ (te) = de | θύρᾳ (thyra) = deur | καὶ (kai) = en | ἐξοίσουσίν (exoisousin) = zullen naar buiten dragen | σε (se) = jou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα κυρίου (pneuma kyriou), ‘Geest van Yahweh’: κυρίου is vertaald als Yahweh, omdat dit een uitdrukking uit het Oude Testament is (1 Kon. 18:12; Ezech. 37:1). In vers 3 heet Hij ‘de Heilige Geest’. πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: vergelijk Deut. 6:16, waar Israël Yahweh niet op de proef mag stellen. Voetnoot : Zie ook Deut. 6:16; Exod. 17:7. Zie ook: Ex 17:7; Deut 6:16; 1 Kon 18:12; Ezech 37:1; Hand 5:3 **5:10** Meteen viel zij neer aan de voeten van Petrus en blies haar laatste adem uit. De jongemannen kwamen binnen en vonden haar dood. Zij droegen haar naar buiten en begroeven haar naast haar man. Brontekst: ἔπεσεν (epesen) = viel | δὲ (de) = nu | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | πρὸς (pros) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐξέψυξεν (exepsyxen) = blies haar laatste adem uit | εἰσελθόντες (eiselthontes) = binnengekomen | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | νεανίσκοι (neaniskoi) = jongemannen | εὗρον (heuron) = vonden | αὐτὴν (auten) = haar | νεκράν (nekran) = dood | καὶ (kai) = en | ἐξενέγκαντες (exenenkantes) = naar buiten dragend | ἔθαψαν (ethapsan) = begroeven | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘aan zijn voeten’. Wij lezen de voeten van Petrus, met wie zij sprak (vers 9), en schrijven ‘Petrus’. Zie ook: Hand 5:9 **5:11** Er kwam grote vrees over de hele gemeente en over allen die dit hoorden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | φόβος (phobos) = vrees | μέγας (megas) = grote | ἐφ’ (eph’) = over | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = over | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | ἀκούοντας (akouontas) = hoorden | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: letterlijk ‘de bijeengeroepenen’. Het sluit aan bij het Hebreeuwse קָהָל (qahal), ‘vergadering’ (bijv. Deut. 9:10, ‘de dag van de vergadering’). Dit is de eerste keer dat het woord in Handelingen voorkomt. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:18. Zie ook: Deut 9:10; Mat 16:18 ### Tekenen en wonderen door de apostelen **5:12** Door de handen van de apostelen gebeurden veel tekenen en wonderen onder het volk. Zij waren allen eensgezind bij elkaar in de zuilengang van Salomo. Brontekst: Διὰ (Dia) = door | δὲ (de) = nu | τῶν (ton) = de | χειρῶν (cheiron) = handen | τῶν (ton) = van de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | ἐγίνετο (egineto) = gebeurden | σημεῖα (semeia) = tekenen | καὶ (kai) = en | τέρατα (terata) = wonderen | πολλὰ (polla) = vele | ἐν (en) = onder | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk | καὶ (kai) = en | ἦσαν (esan) = waren | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | ἅπαντες (hapantes) = allen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Στοᾷ (Stoa) = zuilengang | Σολομῶντος (Solomontos) = van Salomo Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zuilengang van Salomo (ligging ongeveer): De zuilengang van Salomo was een overdekte galerij langs de oostkant van het tempelplein in Jeruzalem. De precieze plek is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: σημεῖα καὶ τέρατα (semeia kai terata), ‘tekenen en wonderen’: zoals in Joh. 4:48. στοά (stoa), ‘zuilengang’: de overdekte gang langs het tempelplein, zoals in Joh. 10:23. Voetnoot : Zie ook Joh. 10:23; Hand. 3:11. Zie ook: Joh 4:48; Joh 10:23; Hand 3:11 **5:13** Van de anderen durfde niemand zich bij hen aan te sluiten, maar het volk prees hen hoog. Brontekst: τῶν (ton) = van de | δὲ (de) = nu | λοιπῶν (loipon) = anderen | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐτόλμα (etolma) = durfde | κολλᾶσθαι (kollasthai) = zich aan te sluiten | αὐτοῖς (autois) = bij hen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐμεγάλυνεν (emegalynen) = prees hoog | αὐτοὺς (autous) = hen | ὁ (ho) = het | λαός (laos) = volk Bron: SBLGNT **5:14** Meer nog: menigten mannen en vrouwen die in de Heer geloofden, kwamen erbij. Brontekst: μᾶλλον (mallon) = meer nog | δὲ (de) = nu | προσετίθεντο (prosetithento) = werden toegevoegd | πιστεύοντες (pisteuontes) = gelovend | τῷ (to) = in de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | πλήθη (plethe) = menigten | ἀνδρῶν (andron) = van mannen | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | γυναικῶν (gynaikon) = van vrouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier een titel voor Yeshua. In Handelingen noemt de verteller Hem vaak zo; wij schrijven ‘Heer’ met hoofdletter, zoals in Luc. 7:13. Waar Handelingen een uitdrukking uit het Oude Testament gebruikt, schrijven wij ‘Yahweh’, zoals bij ‘engel van Yahweh’ in 5:19. Zie ook: Luc 7:13 **5:15** Men droeg de zieken zelfs naar de pleinen en legde hen op bedden en matten. Zo zou, als Petrus langskwam, ten minste zijn schaduw iemand van hen overschaduwen. Brontekst: ὥστε (hoste) = zodat | καὶ (kai) = zelfs | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | πλατείας (plateias) = pleinen | ἐκφέρειν (ekpherein) = naar buiten te dragen | τοὺς (tous) = de | ἀσθενεῖς (astheneis) = zieken | καὶ (kai) = en | τιθέναι (tithenai) = te leggen | ἐπὶ (epi) = op | κλιναρίων (klinarion) = bedden | καὶ (kai) = en | κραβάττων (krabatton) = matten | ἵνα (hina) = opdat | ἐρχομένου (erchomenou) = komend | Πέτρου (Petrou) = Petrus | κἂν (kan) = ten minste | ἡ (he) = de | σκιὰ (skia) = schaduw | ἐπισκιάσῃ (episkiase) = zou overschaduwen | τινὶ (tini) = iemand | αὐτῶν (auton) = van hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπισκιάζω (episkiazo), ‘overschaduwen’: het woord uit Luc. 1:35 en Matt. 17:5. Hier gaat het om de schaduw van Petrus. κλινάριον (klinarion), ‘bed’; κράβαττος (krabattos), ‘mat’: een eenvoudig leger of draagbed. πλατεῖαι (plateiai), ‘pleinen’: zoals in Luc. 14:21. Zie ook: Mat 17:5; Luc 1:35; Luc 14:21 **5:16** Ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem kwam samen. Zij brachten zieken en mensen die gekweld werden door onreine geesten, en die werden allen genezen. Brontekst: συνήρχετο (synercheto) = kwam samen | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | τῶν (ton) = van de | πέριξ (perix) = rondom | πόλεων (poleon) = steden | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | φέροντες (pherontes) = brengend | ἀσθενεῖς (astheneis) = zieken | καὶ (kai) = en | ὀχλουμένους (ochloumenous) = gekweld | ὑπὸ (hypo) = door | πνευμάτων (pneumaton) = geesten | ἀκαθάρτων (akatharton) = onreine | οἵτινες (hoitines) = die | ἐθεραπεύοντο (etherapeuonto) = werden genezen | ἅπαντες (hapantes) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. ### De apostelen in de gevangenis **5:17** De hogepriester en allen die bij hem waren, de partij van de Sadduceeën, stonden op en werden vervuld van jaloezie. Brontekst: Ἀναστὰς (Anastas) = opgestaan | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = die | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | ἡ (he) = de | οὖσα (ousa) = zijnde | αἵρεσις (hairesis) = partij | τῶν (ton) = van de | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = Sadduceeën | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | ζήλου (zelou) = van jaloezie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἵρεσις (hairesis), ‘partij’: eigenlijk ‘keuze’, daarna ‘richting’ of ‘stroming’. ζῆλος (zelos), ‘jaloezie’: het woord kan ook ‘ijver’ betekenen. **5:18** Zij grepen de apostelen en zetten hen in de openbare gevangenis. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπέβαλον (epebalon) = legden | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | καὶ (kai) = en | ἔθεντο (ethento) = zetten | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τηρήσει (teresei) = bewaring | δημοσίᾳ (demosia) = openbare Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιβάλλω τὰς χεῖρας (epiballo tas cheiras), letterlijk ‘de handen opleggen’: hier ‘grijpen’, oppakken. τήρησις (teresis), ‘bewaring’: gevangenhouding; wij schrijven ‘gevangenis’. **5:19** Maar in de nacht opende een engel van Yahweh de deuren van de gevangenis. Hij leidde hen naar buiten en zei: Brontekst: ἄγγελος (angelos) = engel | δὲ (de) = nu | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | διὰ (dia) = door | νυκτὸς (nyktos) = nacht | ἤνοιξε (enoixe) = opende | τὰς (tas) = de | θύρας (thyras) = deuren | τῆς (tes) = van de | φυλακῆς (phylakes) = gevangenis | ἐξαγαγών (exagagon) = naar buiten leidend | τε (te) = en | αὐτοὺς (autous) = hen | εἶπεν (eipen) = zei Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγγελος κυρίου (angelos kyriou), ‘engel van Yahweh’: κυρίου is vertaald als Yahweh, naar het Hebreeuwse מַלְאַךְ יְהוָה (malak Yahweh); zie Luc. 1:11. Zo ook in 8:26. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:11. Zie ook: Luc 1:11 **5:20** „Ga heen, ga staan en spreek in de tempel tot het volk alle woorden van dit leven.” Brontekst: Πορεύεσθε (Poreuesthe) = ga | καὶ (kai) = en | σταθέντες (stathentes) = gaan staand | λαλεῖτε (laleite) = spreek | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | τῷ (to) = tot het | λαῷ (lao) = volk | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | τῆς (tes) = van het | ζωῆς (zoes) = leven | ταύτης (tautes) = dit Bron: SBLGNT **5:21** Toen zij dit hoorden, gingen zij bij het ochtendkrieken de tempel binnen en onderwezen. De hogepriester kwam aan, met allen die bij hem waren. Zij riepen de Raad bijeen, en de hele raad van oudsten van de zonen van Israël. Zij zonden naar de gevangenis om hen te laten halen. Brontekst: ἀκούσαντες (akousantes) = horend | δὲ (de) = nu | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | ὑπὸ (hypo) = bij | τὸν (ton) = het | ὄρθρον (orthron) = ochtendkrieken | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | καὶ (kai) = en | ἐδίδασκον (edidaskon) = onderwezen | Παραγενόμενος (Paragenomenos) = aangekomen | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | συνεκάλεσαν (synekalesan) = riepen bijeen | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | καὶ (kai) = en | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = de | γερουσίαν (gerousian) = raad van oudsten | τῶν (ton) = van de | υἱῶν (huion) = zonen | Ἰσραήλ (Israel) = Israëls | καὶ (kai) = en | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | δεσμωτήριον (desmoterion) = gevangenis | ἀχθῆναι (achthenai) = om te laten halen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘Raad’; γερουσία (gerousia), ‘raad van oudsten’: de oudsten van het volk. Het Grieks noemt beide naast elkaar; of het om dezelfde groep gaat, zegt de tekst niet. ὄρθρος (orthros), ‘ochtendkrieken’: de vroege ochtend. **5:22** Maar de bedienden die er kwamen, vonden hen niet in de gevangenis. Zij keerden terug en brachten verslag uit. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = nu | παραγενόμενοι (paragenomenoi) = aangekomen | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | οὐχ (ouch) = niet | εὗρον (heuron) = vonden | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | ἀναστρέψαντες (anastrepsantes) = teruggekeerd | δὲ (de) = nu | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = berichtten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: een dienaar van de leiders; zo vertalen wij het ook in Joh. 7:32. Zie ook: Joh 7:32 **5:23** Zij zeiden: „De gevangenis hebben wij volkomen veilig gesloten gevonden, met de bewakers voor de deuren. Maar toen wij open hadden gedaan, vonden wij binnen niemand.” Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Τὸ (To) = de | δεσμωτήριον (desmoterion) = gevangenis | εὕρομεν (heuromen) = wij vonden | κεκλεισμένον (kekleismenon) = gesloten | ἐν (en) = in | πάσῃ (pase) = alle | ἀσφαλείᾳ (asphaleia) = veiligheid | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | φύλακας (phylakas) = bewakers | ἑστῶτας (hestotas) = staand | ἐπὶ (epi) = voor | τῶν (ton) = de | θυρῶν (thyron) = deuren | ἀνοίξαντες (anoixantes) = geopend hebbend | δὲ (de) = nu | ἔσω (eso) = binnen | οὐδένα (oudena) = niemand | εὕρομεν (heuromen) = wij vonden Bron: SBLGNT **5:24** Toen de bevelhebber van de tempel en de hogepriesters deze woorden hoorden, waren zij ten einde raad over hen. Zij vroegen zich af wat dit zou worden. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | ὅ (ho) = de | τε (te) = en | στρατηγὸς (strategos) = bevelhebber | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | διηπόρουν (dieporoun) = waren ten einde raad | περὶ (peri) = over | αὐτῶν (auton) = hen | τί (ti) = wat | ἂν (an) = zou | γένοιτο (genoito) = worden | τοῦτο (touto) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρατηγὸς τοῦ ἱεροῦ (strategos tou hierou), ‘bevelhebber van de tempel’: de leider van de tempelbewaking; de ‘bevelhebbers’ staan ook in Luc. 22:4. διαπορέω (diaporeo), ‘ten einde raad zijn’. Zie ook: Luc 22:4 **5:25** Iemand kwam hun melden: „Zie, de mannen die u in de gevangenis hebt gezet, staan in de tempel en onderwijzen het volk.” Brontekst: παραγενόμενος (paragenomenos) = aangekomen | δέ (de) = nu | τις (tis) = iemand | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = meldde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὅτι (hoti) = dat | Ἰδοὺ (Idou) = zie | οἱ (hoi) = de | ἄνδρες (andres) = mannen | οὓς (hous) = die | ἔθεσθε (ethesthe) = jullie zetten | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | εἰσὶν (eisin) = zijn | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | ἑστῶτες (hestotes) = staand | καὶ (kai) = en | διδάσκοντες (didaskontes) = onderwijzend | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk Bron: SBLGNT **5:26** Toen ging de bevelhebber met de bedienden weg en bracht hen mee, zonder geweld, want zij waren bang dat het volk hen zou stenigen. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | ὁ (ho) = de | στρατηγὸς (strategos) = bevelhebber | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | ὑπηρέταις (hyperetais) = bedienden | ἤγαγεν (egagen) = bracht | αὐτούς (autous) = hen | οὐ (ou) = niet | μετὰ (meta) = met | βίας (bias) = geweld | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = zij waren bang | γὰρ (gar) = want | τὸν (ton) = voor het | λαόν (laon) = volk | μὴ (me) = dat niet | λιθασθῶσιν (lithasthosin) = zij gestenigd zouden worden Bron: SBLGNT ### De apostelen voor de Raad **5:27** Zij brachten hen mee en lieten hen staan voor de Raad. De hogepriester ondervroeg hen Brontekst: Ἀγαγόντες (Agagontes) = gebracht hebbend | δὲ (de) = nu | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔστησαν (estesan) = lieten staan | ἐν (en) = voor | τῷ (to) = de | συνεδρίῳ (synedrio) = Raad | καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = ondervroeg | αὐτοὺς (autous) = hen | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester Bron: SBLGNT **5:28** en zei: „Wij hebben jullie uitdrukkelijk bevolen niet te onderwijzen in deze naam. En zie, jullie hebben Jeruzalem met jullie leer vervuld en jullie willen het bloed van deze man over ons brengen.” Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Παραγγελίᾳ (Parangelia) = met een bevel | παρηγγείλαμεν (parengeilamen) = wij hebben bevolen | ὑμῖν (hymin) = jullie | μὴ (me) = niet | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τούτῳ (touto) = deze | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πεπληρώκατε (peplerokate) = jullie hebben vervuld | τὴν (ten) = de | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | τῆς (tes) = met de | διδαχῆς (didaches) = leer | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | βούλεσθε (boulesthe) = jullie willen | ἐπαγαγεῖν (epagagein) = brengen | ἐφ’ (eph’) = over | ἡμᾶς (hemas) = ons | τὸ (to) = het | αἷμα (haima) = bloed | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = man | τούτου (toutou) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De hogepriester noemt de naam Yeshua niet: ‘in deze naam’ en ‘deze man’. Hij verwijst naar het bevel van Hand. 4:17–18. ‘Het bloed over ons brengen’ klinkt als de woorden van het volk in Matt. 27:25. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:25; Hand. 4:17–18. Zie ook: Mat 27:25; Hand 4:17–18 **5:29** Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: „Men moet Elohim meer gehoorzamen dan mensen. Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | εἶπαν (eipan) = zeiden | Πειθαρχεῖν (Peitharchein) = gehoorzamen | δεῖ (dei) = men moet | θεῷ (theo) = Elohim | μᾶλλον (mallon) = meer | ἢ (e) = dan | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen Bron: SBLGNT **5:30** De Elohim van onze vaders heeft Yeshua opgewekt, die jullie hebben gedood door Hem aan een boom op te hangen. Brontekst: ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | ἤγειρεν (egeiren) = wekte op | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὃν (hon) = die | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | διεχειρίσασθε (diecheirisasthe) = doodden | κρεμάσαντες (kremasantes) = ophangend | ἐπὶ (epi) = aan | ξύλου (xylou) = een boom Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξύλον (xylon), ‘hout’: wij schrijven ‘boom’, zoals in Deut. 21:22–23, waar een gehangene ‘een vervloeking van Elohim’ is. Petrus bedoelt hiermee de kruisiging. διαχειρίζομαι (diacheirizomai), ‘doden’. ἤγειρεν (egeiren), ‘heeft opgewekt’: ook ‘heeft doen opstaan’. Voetnoot : Zie ook Deut. 21:22–23; Hand. 10:39. Zie ook: Deut 21:22–23; Hand 10:39 **5:31** Hem heeft Elohim als Leidsman en Redder met Zijn rechterhand verhoogd, om aan Israël bekering en vergeving van zonden te geven. Brontekst: τοῦτον (touton) = Hem | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἀρχηγὸν (archegon) = als Leidsman | καὶ (kai) = en | σωτῆρα (sotera) = Redder | ὕψωσεν (hypsosen) = verhoogde | τῇ (te) = met de | δεξιᾷ (dexia) = rechterhand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τοῦ (tou) = om | δοῦναι (dounai) = te geven | μετάνοιαν (metanoian) = bekering | τῷ (to) = aan | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | καὶ (kai) = en | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχηγός (archegos), ‘Leidsman’: iemand die voorop gaat en anderen meeneemt; het woord kan ook ‘Aanvoerder’ of ‘Oorsprong’ betekenen. Zo ook in 3:15. σωτήρ (soter), ‘Redder’. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’. τῇ δεξιᾷ αὐτοῦ (te dexia autou): het Grieks kan ‘met Zijn rechterhand’ of ‘aan Zijn rechterhand’ betekenen; wij schrijven ‘met’. μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: verandering van denken. ἄφεσις (aphesis), ‘vergeving’. Voetnoot : Zie ook Hand. 2:33. Zie ook: Hand 2:33 **5:32** Wij zijn getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, die Elohim gegeven heeft aan hen die Hem gehoorzamen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἐσμεν (esmen) = zijn | μάρτυρες (martyres) = getuigen | τῶν (ton) = van de | ῥημάτων (rhematon) = woorden | τούτων (touton) = deze | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | ὃ (ho) = die | ἔδωκεν (edoken) = gaf | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τοῖς (tois) = aan hen die | πειθαρχοῦσιν (peitharchousin) = gehoorzamen | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **5:33** Toen zij dit hoorden, werden zij razend en wilden zij hen doden. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | δὲ (de) = nu | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | διεπρίοντο (dieprionto) = werden razend | καὶ (kai) = en | ἐβούλοντο (eboulonto) = wilden | ἀνελεῖν (anelein) = doden | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαπρίω (diaprio), letterlijk ‘doorzagen’: ‘razend worden’; zo ook in 7:54. ### Het advies van Gamaliël **5:34** Maar iemand in de Raad stond op, een Farizeeër met de naam Gamaliël, een wetsleraar die bij heel het volk in aanzien stond. Hij beval de mensen even buiten te zetten Brontekst: ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | δέ (de) = nu | τις (tis) = iemand | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | συνεδρίῳ (synedrio) = Raad | Φαρισαῖος (Pharisaios) = Farizeeër | ὀνόματι (onomati) = met de naam | Γαμαλιήλ (Gamaliel) = Gamaliël | νομοδιδάσκαλος (nomodidaskalos) = wetsleraar | τίμιος (timios) = in aanzien | παντὶ (panti) = bij heel | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | ἔξω (exo) = buiten | βραχὺ (brachy) = even | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ποιῆσαι (poiesai) = te zetten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νομοδιδάσκαλος (nomodidaskalos), ‘wetsleraar’: zoals in Luc. 5:17. ‘De mensen’ die buiten gezet worden, zijn de apostelen (vergelijk vers 35, ‘deze mensen’). Zie ook: Luc 5:17; Hand 5:35 **5:35** en zei tegen hen: „Mannen van Israël, let goed op wat jullie met deze mensen van plan zijn te doen. Brontekst: εἶπέν (eipen) = zei | τε (te) = en | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἰσραηλῖται (Israelitai) = van Israël | προσέχετε (prosechete) = let op | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf | ἐπὶ (epi) = wat betreft | τοῖς (tois) = de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | τούτοις (toutois) = deze | τί (ti) = wat | μέλλετε (mellete) = jullie van plan zijn | πράσσειν (prassein) = te doen Bron: SBLGNT **5:36** Want vóór deze dagen is Theudas opgestaan. Hij zei dat hij iemand was, en een aantal van ongeveer 400 mannen sloot zich bij hem aan. Hij werd gedood, en allen die zich door hem lieten overtuigen, werden uiteengedreven en kwamen tot niets. Brontekst: πρὸ (pro) = vóór | γὰρ (gar) = want | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | ἀνέστη (aneste) = stond op | Θευδᾶς (Theudas) = Theudas | λέγων (legon) = zeggend | εἶναί (einai) = te zijn | τινα (tina) = iemand | ἑαυτόν (heauton) = hijzelf | ᾧ (ho) = bij wie | προσεκλίθη (proseklithe) = zich aansloot | ἀνδρῶν (andron) = van mannen | ἀριθμὸς (arithmos) = een aantal | ὡς (hos) = ongeveer | τετρακοσίων (tetrakosion) = 400 | ὃς (hos) = hij | ἀνῃρέθη (anerethe) = werd gedood | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | ὅσοι (hosoi) = die | ἐπείθοντο (epeithonto) = zich lieten overtuigen | αὐτῷ (auto) = door hem | διελύθησαν (dielythesan) = werden uiteengedreven | καὶ (kai) = en | ἐγένοντο (egenonto) = werden | εἰς (eis) = tot | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Θευδᾶς (Theudas): buiten dit vers noemt de Bijbel hem niet. λέγων εἶναί τινα ἑαυτόν (legon einai tina heauton), ‘zeggend dat hij iemand was’: iemand van betekenis. Het getal 400 staat in het Grieks als ‘ongeveer 400’. **5:37** Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen van de inschrijving, en hij trok volk achter zich aan. Ook hij kwam om, en allen die zich door hem lieten overtuigen, werden verstrooid. Brontekst: μετὰ (meta) = na | τοῦτον (touton) = hem | ἀνέστη (aneste) = stond op | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὁ (ho) = de | Γαλιλαῖος (Galilaios) = Galileeër | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | τῆς (tes) = van de | ἀπογραφῆς (apographes) = inschrijving | καὶ (kai) = en | ἀπέστησε (apestese) = trok weg | λαὸν (laon) = volk | ὀπίσω (opiso) = achter | αὐτοῦ (autou) = zich | κἀκεῖνος (kakeinos) = ook die | ἀπώλετο (apoleto) = kwam om | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | ὅσοι (hosoi) = die | ἐπείθοντο (epeithonto) = zich lieten overtuigen | αὐτῷ (auto) = door hem | διεσκορπίσθησαν (dieskorpisthesan) = werden verstrooid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπογραφή (apographe), ‘inschrijving’: de volkstelling; zo vertalen wij het ook in Luc. 2:2. ἀφίστημι (aphistemi), ‘wegtrekken’: iemand achter zich aan doen gaan, hier in een opstand. Voetnoot : Zie ook Luc. 2:1–2. Zie ook: Luc 2:1–2; Luc 2:2 **5:38** En nu zeg ik jullie: houd afstand van deze mensen en laat hen gaan. Want als dit plan of dit werk uit mensen is, zal het teniet gedaan worden. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = wat | νῦν (nyn) = nu | λέγω (lego) = zeg ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀπόστητε (apostete) = houd afstand | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | τούτων (touton) = deze | καὶ (kai) = en | ἄφετε (aphete) = laat gaan | αὐτούς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = want | ἐὰν (ean) = als | ᾖ (e) = is | ἐξ (ex) = uit | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἡ (he) = het | βουλὴ (boule) = plan | αὕτη (haute) = dit | ἢ (e) = of | τὸ (to) = het | ἔργον (ergon) = werk | τοῦτο (touto) = dit | καταλυθήσεται (katalythesetai) = zal teniet gedaan worden Bron: SBLGNT **5:39** Maar als het uit Elohim is, zullen jullie hen niet teniet kunnen doen. Anders blijken jullie nog strijders tegen Elohim te zijn.” Zij lieten zich door hem overtuigen. Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ἐκ (ek) = uit | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐστιν (estin) = het is | οὐ (ou) = niet | δυνήσεσθε (dynesesthe) = zullen jullie kunnen | καταλῦσαι (katalysai) = teniet te doen | αὐτούς (autous) = hen | μήποτε (mepote) = anders | καὶ (kai) = ook | θεομάχοι (theomachoi) = strijders tegen Elohim | εὑρεθῆτε (heurethete) = jullie bevonden worden | ἐπείσθησαν (epeisthesan) = zij lieten zich overtuigen | δὲ (de) = nu | αὐτῷ (auto) = door hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θεομάχος (theomachos), ‘strijder tegen Elohim’: iemand die tegen Elohim strijdt. ### De apostelen worden vrijgelaten **5:40** Zij riepen de apostelen bij zich, sloegen hen, bevalen hun niet te spreken in de naam van Yeshua en lieten hen gaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενοι (proskalesamenoi) = bij zich roepend | τοὺς (tous) = de | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | δείραντες (deirantes) = slaand | παρήγγειλαν (parengeilan) = bevalen zij | μὴ (me) = niet | λαλεῖν (lalein) = te spreken | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἀπέλυσαν (apelysan) = lieten gaan Bron: SBLGNT **5:41** Zij gingen dus verheugd weg van de Raad, omdat zij waardig bevonden waren om ter wille van de Naam onteerd te worden. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | ἐπορεύοντο (eporeuonto) = gingen | χαίροντες (chairontes) = zich verheugend | ἀπὸ (apo) = van | προσώπου (prosopou) = het aangezicht | τοῦ (tou) = van de | συνεδρίου (synedriou) = Raad | ὅτι (hoti) = omdat | κατηξιώθησαν (katexiothesan) = zij waardig bevonden waren | ὑπὲρ (hyper) = ter wille van | τοῦ (tou) = de | ὀνόματος (onomatos) = Naam | ἀτιμασθῆναι (atimasthenai) = onteerd te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸ ὄνομα (to onoma), ‘de Naam’: de naam van Yeshua uit vers 40. Het Grieks heeft hier geen bezittelijk woord; wij schrijven ‘de Naam’ met hoofdletter. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:11–12; Luc. 6:22–23. Zie ook: Mat 5:11–12; Luc 6:22–23; Hand 5:40 **5:42** Elke dag, in de tempel en aan huis, hielden zij niet op te onderwijzen en de goede boodschap van de Messias, Yeshua, te brengen. Brontekst: πᾶσάν (pasan) = elke | τε (te) = en | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | κατ’ (kat’) = aan | οἶκον (oikon) = huis | οὐκ (ouk) = niet | ἐπαύοντο (epauonto) = hielden op | διδάσκοντες (didaskontes) = onderwijzend | καὶ (kai) = en | εὐαγγελιζόμενοι (euangelizomenoi) = de goede boodschap brengend | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT ## Handelingen 6 _De zeven mannen, en de aanklacht tegen Stefanus_ ### Gemor over de weduwen: de zeven mannen **6:1** In die dagen, toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er gemor van de Hellenisten tegen de Hebreeën. Hun weduwen werden namelijk bij de dagelijkse dienst over het hoofd gezien. Brontekst: Ἐν (En) = in | δὲ (de) = nu | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ταύταις (tautais) = deze | πληθυνόντων (plethynonton) = toenemend | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | ἐγένετο (egeneto) = ontstond | γογγυσμὸς (gongysmos) = gemor | τῶν (ton) = van de | Ἑλληνιστῶν (Helleniston) = Hellenisten | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | Ἑβραίους (Hebraious) = Hebreeën | ὅτι (hoti) = omdat | παρεθεωροῦντο (paretheorounto) = over het hoofd gezien werden | ἐν (en) = bij | τῇ (te) = de | διακονίᾳ (diakonia) = dienst | τῇ (te) = de | καθημερινῇ (kathemerine) = dagelijkse | αἱ (hai) = de | χῆραι (cherai) = weduwen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἑλληνιστής (Hellenistes), ‘Hellenist’: een Jood die Grieks spreekt. Ἑβραῖος (Hebraios), ‘Hebreeër’: een Jood die Hebreeuws of Aramees spreekt. Het Grieks zegt niet hoe de twee groepen precies verschillen; wij houden de namen van de tekst. διακονία (diakonia), ‘dienst’: waarschijnlijk de dagelijkse uitdeling van voedsel of hulp, zie 6:2. παραθεωρέω (paratheoreo), ‘over het hoofd zien’. Voetnoot : Zie ook Hand. 9:29. Zie ook: Hand 9:29 **6:2** De twaalf riepen de menigte van de leerlingen bij zich. Zij zeiden: „Het is niet goed dat wij het woord van Elohim achterlaten om aan tafels te dienen. Brontekst: προσκαλεσάμενοι (proskalesamenoi) = bij zich roepend | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οὐκ (Ouk) = niet | ἀρεστόν (areston) = goed | ἐστιν (estin) = is | ἡμᾶς (hemas) = ons | καταλείψαντας (kataleipsantas) = achterlatend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | διακονεῖν (diakonein) = dienen | τραπέζαις (trapezais) = aan tafels Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ δώδεκα (hoi dodeka), ‘de twaalf’: de apostelen. τράπεζα (trapeza), ‘tafel’: aan tafels dienen is hier waarschijnlijk zorgen voor de maaltijden en de uitdeling van hulp (6:1). **6:3** Zoek dus uit jullie midden zeven mannen uit, broers, van wie goed getuigd wordt, vol van Geest en wijsheid. Hen zullen wij aanstellen over deze zaak. Brontekst: ἐπισκέψασθε (episkepsasthe) = zoekt uit | δέ (de) = nu | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἄνδρας (andras) = mannen | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | μαρτυρουμένους (martyroumenous) = van wie getuigd wordt | ἑπτὰ (hepta) = zeven | πλήρεις (plereis) = vol | πνεύματος (pneumatos) = van Geest | καὶ (kai) = en | σοφίας (sophias) = wijsheid | οὓς (hous) = die | καταστήσομεν (katastesomen) = wij zullen aanstellen | ἐπὶ (epi) = over | τῆς (tes) = de | χρείας (chreias) = zaak | ταύτης (tautes) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: hier de passieve vorm, ‘van wie getuigd wordt’. Het woord ‘goed’ staat niet in het Grieks; de samenhang geeft het aan. Het Grieks heeft bij ‘Geest’ geen lidwoord: wij lezen de Geest van Elohim, zoals in 6:5 en 6:10. **6:4** Wij zullen volhouden in het gebed en in de dienst van het woord.” Brontekst: ἡμεῖς (hemeis) = wij | δὲ (de) = nu | τῇ (te) = in het | προσευχῇ (proseuche) = gebed | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = in de | διακονίᾳ (diakonia) = dienst | τοῦ (tou) = van het | λόγου (logou) = woord | προσκαρτερήσομεν (proskarteresomen) = zullen volhouden Bron: SBLGNT **6:5** Het voorstel beviel de hele menigte. Zij kozen Stefanus, een man vol van geloof en van de Heilige Geest, en Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρεσεν (eresen) = beviel | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = voorstel | ἐνώπιον (enopion) = voor | παντὸς (pantos) = de hele | τοῦ (tou) = de | πλήθους (plethous) = menigte | καὶ (kai) = en | ἐξελέξαντο (exelexanto) = zij kozen | Στέφανον (Stephanon) = Stefanus | ἄνδρα (andra) = man | πλήρης (pleres) = vol | πίστεως (pisteos) = van geloof | καὶ (kai) = en | πνεύματος (pneumatos) = van Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige | καὶ (kai) = en | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | καὶ (kai) = en | Πρόχορον (Prochoron) = Prochorus | καὶ (kai) = en | Νικάνορα (Nikanora) = Nikanor | καὶ (kai) = en | Τίμωνα (Timona) = Timon | καὶ (kai) = en | Παρμενᾶν (Parmenan) = Parmenas | καὶ (kai) = en | Νικόλαον (Nikolaon) = Nikolaüs | προσήλυτον (proselyton) = proseliet | Ἀντιοχέα (Antiochea) = uit Antiochië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: ὁ λόγος (ho logos), ‘het woord’: hier wat de twaalf hadden gezegd; wij schrijven ‘het voorstel’. προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’: een niet-Jood die zich bij het Jodendom had aangesloten. De zeven hebben Griekse namen. **6:6** Hen stelden zij voor de apostelen. Die baden en legden hun de handen op. Brontekst: οὓς (hous) = die | ἔστησαν (estesan) = zij stelden | ἐνώπιον (enopion) = voor | τῶν (ton) = de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | καὶ (kai) = en | προσευξάμενοι (proseuxamenoi) = biddend | ἐπέθηκαν (epethekan) = legden op | αὐτοῖς (autois) = hun | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet wie de handen oplegt; wij houden het onbepaald (‘zij’, daarna ‘die’), de apostelen zijn waarschijnlijk bedoeld. ἐπιτίθημι τὰς χεῖρας (epitithemi tas cheiras), ‘de handen opleggen’: een gebaar van zegen en overdracht van een taak. **6:7** Het woord van Elohim groeide en het aantal leerlingen in Jeruzalem nam sterk toe. Ook een grote menigte priesters gehoorzaamde aan het geloof. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ηὔξανεν (eyxanen) = groeide | καὶ (kai) = en | ἐπληθύνετο (eplethyneto) = nam toe | ὁ (ho) = het | ἀριθμὸς (arithmos) = aantal | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | σφόδρα (sphodra) = zeer | πολύς (polys) = grote | τε (te) = en | ὄχλος (ochlos) = menigte | τῶν (ton) = van de | ἱερέων (hiereon) = priesters | ὑπήκουον (hypekouon) = gehoorzaamden | τῇ (te) = aan het | πίστει (pistei) = geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ὑπακούω (hypakouo), ‘gehoorzamen’: wij vertalen ‘gehoorzaamde aan het geloof’. Met ‘het geloof’ is de boodschap over Yeshua bedoeld, waarin men gelooft. ### Stefanus wordt aangeklaagd **6:8** Stefanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. Brontekst: Στέφανος (Stephanos) = Stefanus | δὲ (de) = nu | πλήρης (pleres) = vol | χάριτος (charitos) = van genade | καὶ (kai) = en | δυνάμεως (dynameos) = van kracht | ἐποίει (epoiei) = deed | τέρατα (terata) = wonderen | καὶ (kai) = en | σημεῖα (semeia) = tekenen | μεγάλα (megala) = grote | ἐν (en) = onder | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk Bron: SBLGNT **6:9** Enkelen stonden op uit de synagoge die van de Libertijnen genoemd wordt, en van de Cyreners en Alexandriërs, en van hen uit Cilicië en Asia. Zij discussieerden met Stefanus. Brontekst: ἀνέστησαν (anestesan) = stonden op | δέ (de) = nu | τινες (tines) = enkelen | τῶν (ton) = van hen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | συναγωγῆς (synagoges) = synagoge | τῆς (tes) = die | λεγομένης (legomenes) = genoemd wordt | Λιβερτίνων (Libertinon) = van de Libertijnen | καὶ (kai) = en | Κυρηναίων (Kyrenaion) = Cyreners | καὶ (kai) = en | Ἀλεξανδρέων (Alexandreon) = Alexandriërs | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van hen | ἀπὸ (apo) = uit | Κιλικίας (Kilikias) = Cilicië | καὶ (kai) = en | Ἀσίας (Asias) = Asia | συζητοῦντες (syzetountes) = discussiërend | τῷ (to) = met | Στεφάνῳ (Stephano) = Stefanus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Alexandrië: Alexandrië lag aan de Middellandse Zee, aan de westkant van de Nijldelta. Het was de grootste stad van Egypte en had een grote Joodse gemeenschap. Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Λιβερτῖνοι (Libertinoi), ‘Libertijnen’: vrijgelaten slaven en hun nazaten. Het Grieks zegt niet of het om één synagoge gaat of om meer; wij houden de zin onbepaald. Κιλικία (Kilikia) is een streek in het zuidoosten van het huidige Turkije, Ἀσία (Asia) het westen daarvan. **6:10** Maar zij konden de wijsheid en de Geest door wie hij sprak, niet weerstaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυον (ischyon) = waren in staat | ἀντιστῆναι (antistenai) = te weerstaan | τῇ (te) = aan de | σοφίᾳ (sophia) = wijsheid | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan de | πνεύματι (pneumati) = Geest | ᾧ (ho) = door wie | ἐλάλει (elalei) = hij sprak Bron: SBLGNT **6:11** Toen zetten zij mannen aan die zeiden: „Wij hebben hem lasterlijke woorden horen spreken tegen Mozes en tegen Elohim.” Brontekst: τότε (tote) = toen | ὑπέβαλον (hypebalon) = zetten aan | ἄνδρας (andras) = mannen | λέγοντας (legontas) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἀκηκόαμεν (Akekoamen) = wij hebben gehoord | αὐτοῦ (autou) = hem | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | ῥήματα (rhemata) = woorden | βλάσφημα (blasphema) = lasterlijke | εἰς (eis) = tegen | Μωϋσῆν (Moysen) = Mozes | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑποβάλλω (hypoballo), ‘aanzetten’: iemand heimelijk laten zeggen wat men wil. βλάσφημος (blasphemos), ‘lasterlijk’. **6:12** Zij brachten het volk, de oudsten en de schriftgeleerden in beroering. Zij kwamen op hem af, grepen hem vast en brachten hem naar de Raad. Brontekst: συνεκίνησάν (synekinesan) = zij brachten in beroering | τε (te) = en | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πρεσβυτέρους (presbyterous) = oudsten | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | ἐπιστάντες (epistantes) = opkomend | συνήρπασαν (synerpasan) = grepen vast | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἤγαγον (egagon) = brachten | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerecht in Jeruzalem; zo heet het ook in de evangeliën (Matt. 26:59). πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: de leiders van het volk, zoals in Matt. 16:21. Zie ook: Mat 16:21; Mat 26:59 **6:13** Zij lieten valse getuigen optreden, die zeiden: „Deze man houdt niet op woorden te spreken tegen de heilige plaats en de wet. Brontekst: ἔστησάν (estesan) = zij lieten optreden | τε (te) = en | μάρτυρας (martyras) = getuigen | ψευδεῖς (pseudeis) = valse | λέγοντας (legontas) = zeggend | Ὁ (Ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | οὗτος (houtos) = deze | οὐ (ou) = niet | παύεται (pauetai) = houdt op | λαλῶν (lalon) = sprekend | ῥήματα (rhemata) = woorden | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | τόπου (topou) = plaats | τοῦ (tou) = de | ἁγίου (hagiou) = heilige | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = de | νόμου (nomou) = wet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τόπος (topos), ‘plaats’: ‘de heilige plaats’ is de tempel; in 6:14 zegt de aanklacht ‘deze plaats’. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:57–58. Zie ook: Mar 14:57–58 **6:14** Want wij hebben hem horen zeggen dat deze Yeshua, de Nazoreeër, deze plaats zal afbreken en de gebruiken zal veranderen die Mozes ons heeft overgeleverd.” Brontekst: ἀκηκόαμεν (akekoamen) = wij hebben gehoord | γὰρ (gar) = want | αὐτοῦ (autou) = hem | λέγοντος (legontos) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | Ναζωραῖος (Nazoraios) = Nazoreeër | οὗτος (houtos) = deze | καταλύσει (katalysei) = zal afbreken | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | τοῦτον (touton) = deze | καὶ (kai) = en | ἀλλάξει (allaxei) = zal veranderen | τὰ (ta) = de | ἔθη (ethe) = gebruiken | ἃ (ha) = die | παρέδωκεν (paredoken) = overleverde | ἡμῖν (hemin) = ons | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: zoals in Matt. 2:23. καταλύω (katalyo), ‘afbreken’: het woord van Matt. 26:61 en Mark. 14:58; daar zeggen valse getuigen ook dat Yeshua het heiligdom zal afbreken. ἔθος (ethos), ‘gebruik’: een gewoonte die van Mozes af is overgeleverd. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:59–61; Mark. 14:57–58. Zie ook: Mat 2:23; Mat 26:59–61; Mat 26:61; Mar 14:57–58; Mar 14:58 **6:15** Allen die in de Raad zaten, staarden hem aan en zagen zijn gezicht als het gezicht van een engel. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀτενίσαντες (atenisantes) = strak aankijkend | εἰς (eis) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = de | καθεζόμενοι (kathezomenoi) = zittenden | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | συνεδρίῳ (synedrio) = Raad | εἶδον (eidon) = zagen | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὡσεὶ (hosei) = als | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | ἀγγέλου (angelou) = van een engel Bron: SBLGNT ## Handelingen 7 _De rede van Stefanus en zijn steniging_ ### De rede van Stefanus: Abraham **7:1** De hogepriester zei: „Is dit zo?” Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεύς (archiereus) = hogepriester | Εἰ (Ei) = of | ταῦτα (tauta) = deze dingen | οὕτως (houtos) = zo | ἔχει (echei) = zich houden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ἀρχιερεύς (ho archiereus), ‘de hogepriester’: hij stelt de vraag uit 6:11–14, of de aanklacht klopt. Het Grieks heeft alleen ‘Is dit zo?’; wij voegen niets toe. **7:2** Hij zei: „Mannen, broers en vaders, luister. De Elohim van de heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham toen hij in Mesopotamië was, voordat hij zich in Charan vestigde. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = nu | ἔφη (ephe) = zei | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | καὶ (kai) = en | πατέρες (pateres) = vaders | ἀκούσατε (akousate) = luistert | Ὁ (Ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τῆς (tes) = van de | δόξης (doxes) = heerlijkheid | ὤφθη (ophthe) = verscheen | τῷ (to) = aan de | πατρὶ (patri) = vader | ἡμῶν (hemon) = onze | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ὄντι (onti) = zijnde | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Μεσοποταμίᾳ (Mesopotamia) = Mesopotamië | πρὶν (prin) = voor | ἢ (e) = dan | κατοικῆσαι (katoikesai) = te wonen | αὐτὸν (auton) = hij | ἐν (en) = in | Χαρράν (Charran) = Charan Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië (ongeveer): Mesopotamië is het land tussen de Eufraat en de Tigris, nu vooral Irak, met delen van Syrië en Turkije. De grenzen zijn bij benadering. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: Stefanus' rede loopt van 7:2 tot 7:53 en is een overzicht van de geschiedenis van Israël: Abraham (2–8), Jozef (9–16), Mozes (17–43), de tabernakel en de tempel (44–50). De rede staat tussen één paar aanhalingstekens. Citaten uit de Schrift staan erin tussen enkele tekens. ὁ θεὸς τῆς δόξης (ho theos tes doxes), ‘de Elohim van de heerlijkheid’. Μεσοποταμία (Mesopotamia), ‘Mesopotamië’: letterlijk ‘land tussen de rivieren’. Χαρράν (Charran) is Charan, zoals in Gen. 11:31. Voetnoot : Zie ook Gen. 12:1; Gen. 11:31. Zie ook: Gen 11:31; Gen 12:1 **7:3** Hij zei tegen hem: ‘Ga weg uit je land en uit je familie, en kom naar het land dat Ik je zal tonen.’ Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Ἔξελθε (Exelthe) = ga uit | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | γῆς (ges) = land | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | συγγενείας (syngeneias) = verwantschap | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | δεῦρο (deuro) = kom | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἣν (hen) = dat | ἄν (an) = (ooit) | σοι (soi) = je | δείξω (deixo) = Ik zal tonen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Citaat uit Gen. 12:1. De woorden ‘en uit het huis van je vader’ uit het OT staan hier niet; wij vertalen wat er staat. ἄν (an) is een Grieks partikel zonder eigen vertaling. Voetnoot : Zie ook Gen. 12:1. Zie ook: Gen 12:1 **7:4** Toen ging hij weg uit het land van de Chaldeeën en vestigde zich in Charan. Vandaar liet Hij hem verhuizen naar dit land waarin jullie nu wonen, nadat zijn vader gestorven was. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan zijnde | ἐκ (ek) = uit | γῆς (ges) = land | Χαλδαίων (Chaldaion) = Chaldeeën | κατῴκησεν (katokesen) = vestigde zich | ἐν (en) = in | Χαρράν (Charran) = Charan | κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | ἀποθανεῖν (apothanein) = sterven | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | μετῴκισεν (metokisen) = liet verhuizen | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ταύτην (tauten) = dit | εἰς (eis) = naar | ἣν (hen) = welk | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | νῦν (nyn) = nu | κατοικεῖτε (katoikeite) = wonen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: μετοικίζω (metoikizo), ‘laten verhuizen’: hetzelfde werkwoord staat in 7:43, waar wij ‘in ballingschap voeren’ schrijven. Het Grieks noemt het onderwerp niet; uit de samenhang is het Elohim, vandaar ‘Hij’. In Gen. 11:32 sterft Terach in Charan, in Gen. 12:4 vertrekt Abraham daarna. Voetnoot : Zie ook Gen. 11:31–32; Gen. 12:4. Zie ook: Gen 11:31–32; Gen 11:32; Gen 12:4 **7:5** Hij gaf hem daarin geen erfdeel, zelfs geen voetbreed. Wel beloofde Hij het hem in bezit te geven, en na hem ook aan zijn nageslacht, terwijl hij geen kind had. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτῷ (auto) = hem | κληρονομίαν (kleronomian) = erfdeel | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | οὐδὲ (oude) = ook niet | βῆμα (bema) = stap | ποδός (podos) = van een voet | καὶ (kai) = en | ἐπηγγείλατο (epengeilato) = beloofde | δοῦναι (dounai) = te geven | αὐτῷ (auto) = hem | εἰς (eis) = tot | κατάσχεσιν (kataschesin) = bezit | αὐτὴν (auten) = haar | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan het | σπέρματι (spermati) = nageslacht | αὐτοῦ (autou) = zijn | μετ’ (met’) = na | αὐτόν (auton) = hem | οὐκ (ouk) = niet | ὄντος (ontos) = zijnd | αὐτῷ (auto) = hem | τέκνου (teknou) = kind Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βῆμα ποδός (bema podos), ‘een voetbreed’: letterlijk ‘de stap van een voet’. κατάσχεσις (kataschesis), ‘bezit’: hetzelfde woord staat in 7:45. Voetnoot : Zie ook Deut. 2:5; Gen. 17:8. Zie ook: Gen 17:8; Deut 2:5 **7:6** Elohim sprak aldus: ‘Zijn nageslacht zal een vreemdeling zijn in een land van anderen. Men zal het tot slaaf maken en onderdrukken, 400 jaar lang. Brontekst: ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | δὲ (de) = nu | οὕτως (houtos) = aldus | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ὅτι (hoti) = dat | ἔσται (estai) = zal zijn | τὸ (to) = het | σπέρμα (sperma) = nageslacht | αὐτοῦ (autou) = zijn | πάροικον (paroikon) = vreemdeling | ἐν (en) = in | γῇ (ge) = land | ἀλλοτρίᾳ (allotria) = van anderen | καὶ (kai) = en | δουλώσουσιν (doulosousin) = zij zullen tot slaaf maken | αὐτὸ (auto) = het | καὶ (kai) = en | κακώσουσιν (kakosousin) = zij zullen onderdrukken | ἔτη (ete) = jaren | τετρακόσια (tetrakosia) = 400 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vanaf hier (6–7) citeert Stefanus Gen. 15:13–14 vrij, met een woord uit Exod. 3:12 in 7:7. De Griekse tekst heeft 400 jaar, zoals Gen. 15:13; Exod. 12:40 noemt 430 jaar. κακόω (kakoo), ‘onderdrukken’: zo ook in 7:19. πάροικος (paroikos), ‘vreemdeling’: iemand die zonder eigen burgerrecht ergens woont. Voetnoot : Zie ook Gen. 15:13–14. Zie ook: Gen 15:13–14; Ex 3:12; Ex 12:40 **7:7** Het volk dat zij zullen dienen, zal Ik oordelen’, zei Elohim, ‘en daarna zullen zij uittrekken en Mij dienen op deze plaats.’ Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk | ᾧ (ho) = dat | ἐὰν (ean) = (ooit) | δουλεύσουσιν (douleusousin) = zij zullen dienen | κρινῶ (krino) = zal oordelen | ἐγώ (ego) = Ik | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | εἶπεν (eipen) = zei | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | ἐξελεύσονται (exeleusontai) = zullen uittrekken | καὶ (kai) = en | λατρεύσουσίν (latreusousin) = zullen dienen | μοι (moi) = Mij | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | τόπῳ (topo) = plaats | τούτῳ (touto) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat van 7:6 loopt hier door. ‘Zei Elohim’ staat midden in de zin, zoals in het Grieks. De laatste woorden, ‘en Mij dienen op deze plaats’, volgen Exod. 3:12 (‘jullie zullen Elohim dienen op deze berg’); Stefanus verbindt twee woorden uit de Schrift. Voetnoot : Zie ook Gen. 15:14; Exod. 3:12. Zie ook: Gen 15:14; Ex 3:12 **7:8** Hij gaf hem het verbond van de besnijdenis. Zo verwekte Abraham Isaak en besneed hem op de achtste dag. Isaak verwekte Jakob, en Jakob de twaalf aartsvaders. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτῷ (auto) = hem | διαθήκην (diatheken) = verbond | περιτομῆς (peritomes) = van besnijdenis | καὶ (kai) = en | οὕτως (houtos) = zo | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = de | Ἰσαὰκ (Isaak) = Isaak | καὶ (kai) = en | περιέτεμεν (perietemen) = besneed | αὐτὸν (auton) = hem | τῇ (te) = op de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῇ (te) = de | ὀγδόῃ (ogdoe) = achtste | καὶ (kai) = en | Ἰσαὰκ (Isaak) = Isaak | τὸν (ton) = de | Ἰακώβ (Iakob) = Jakob | καὶ (kai) = en | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | πατριάρχας (patriarchas) = aartsvaders Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαθήκη περιτομῆς (diatheke peritomes), ‘verbond van besnijdenis’: het verbond waarvan de besnijdenis het teken is. πατριάρχης (patriarches), ‘aartsvader’: de twaalf zonen van Jakob, de stamvaders; het woord komt in de evangeliën niet voor. Het onderwerp van ‘verwekte’ is in het Grieks niet genoemd; het is Abraham. Voetnoot : Zie ook Gen. 17:9–14; Gen. 21:4. Zie ook: Gen 17:9–14; Gen 21:4 ### Jozef in Egypte **7:9** De aartsvaders werden jaloers op Jozef en verkochten hem naar Egypte. Maar Elohim was met hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | οἱ (hoi) = de | πατριάρχαι (patriarchai) = aartsvaders | ζηλώσαντες (zelosantes) = jaloers geworden | τὸν (ton) = de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ἀπέδοντο (apedonto) = verkochten | εἰς (eis) = naar | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ζηλόω (zeloo), ‘jaloers worden’. ἀποδίδωμι (apodidomi), ‘verkopen’: letterlijk ‘weggeven tegen betaling’. Voetnoot : Zie ook Gen. 37:11; Gen. 37:28; Gen. 39:2; Gen. 39:21. Zie ook: Gen 37:11; Gen 37:28; Gen 39:2; Gen 39:21 **7:10** Hij redde hem uit al zijn verdrukkingen en gaf hem genade en wijsheid voor de farao, de koning van Egypte. Hij stelde hem aan als leider over Egypte en over heel zijn huis. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξείλατο (exeilato) = redde | αὐτὸν (auton) = hem | ἐκ (ek) = uit | πασῶν (pason) = alle | τῶν (ton) = de | θλίψεων (thlipseon) = verdrukkingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτῷ (auto) = hem | χάριν (charin) = genade | καὶ (kai) = en | σοφίαν (sophian) = wijsheid | ἐναντίον (enantion) = voor | Φαραὼ (Pharao) = farao | βασιλέως (basileos) = koning | Αἰγύπτου (Aigyptou) = van Egypte | καὶ (kai) = en | κατέστησεν (katestesen) = stelde aan | αὐτὸν (auton) = hem | ἡγούμενον (hegoumenon) = leider | ἐπ’ (ep’) = over | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | καὶ (kai) = en | ὅλον (holon) = heel | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’: zo ook in 7:11. χάρις (charis), ‘genade’: hier in de zin van gunst bij de farao; wij houden het woord van de evangeliën. ἡγούμενος (hegoumenos), ‘leider’. Voetnoot : Zie ook Gen. 41:40–43. Zie ook: Gen 41:40–43 **7:11** Er kwam een hongersnood over heel Egypte en Kanaän, en een grote verdrukking. Onze vaders vonden geen voedsel. Brontekst: ἦλθεν (elthen) = kwam | δὲ (de) = nu | λιμὸς (limos) = hongersnood | ἐφ’ (eph’) = over | ὅλην (holen) = heel | τὴν (ten) = de | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | καὶ (kai) = en | Χανάαν (Chanaan) = Kanaän | καὶ (kai) = en | θλῖψις (thlipsis) = verdrukking | μεγάλη (megale) = grote | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | ηὕρισκον (heyriskon) = vonden | χορτάσματα (chortasmata) = voedsel | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: χόρτασμα (chortasma), eigenlijk ‘voer’; hier ‘voedsel’. In Gen. 41–42 gaat het om graan; het Grieks gebruikt het woord σιτία in 7:12. Voetnoot : Zie ook Gen. 42:1–2. Zie ook: Gen 42:1–2 **7:12** Toen Jakob hoorde dat er graan in Egypte was, zond hij onze vaders voor het eerst uit. Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = nu | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | ὄντα (onta) = zijnde | σιτία (sitia) = graan | εἰς (eis) = naar | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | ἐξαπέστειλεν (exapesteilen) = zond uit | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | πρῶτον (proton) = eerst Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: σιτία (sitia), ‘graan’. ἐξαποστέλλω (exapostello) heeft dezelfde stam als ἀποστέλλω, ‘zenden’; ‘uitzenden’ is het enige verschil. Voetnoot : Zie ook Gen. 42:1–2. Zie ook: Gen 42:1–2 **7:13** Bij de tweede keer werd Jozef door zijn broers herkend, en het geslacht van Jozef werd aan de farao bekend. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = de | δευτέρῳ (deutero) = tweede | ἀνεγνωρίσθη (anegnoristhe) = werd herkend | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | τοῖς (tois) = door de | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | φανερὸν (phaneron) = bekend | ἐγένετο (egeneto) = werd | τῷ (to) = aan de | Φαραὼ (Pharao) = farao | τὸ (to) = het | γένος (genos) = geslacht | Ἰωσήφ (Ioseph) = van Jozef Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναγνωρίζω (anagnorizo), ‘herkennen’: het Grieks heeft de lijdende vorm, ‘werd herkend’. Wij houden de vorm van de tekst. Voetnoot : Zie ook Gen. 45:1–4. Zie ook: Gen 45:1–4 **7:14** Jozef zond uit en liet zijn vader Jakob en heel zijn familie ontbieden, 75 personen. Brontekst: ἀποστείλας (aposteilas) = zendend | δὲ (de) = nu | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | μετεκαλέσατο (metekalesato) = liet ontbieden | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = de | συγγένειαν (syngeneian) = familie | ἐν (en) = in | ψυχαῖς (psychais) = zielen | ἑβδομήκοντα (hebdomekonta) = 70 | πέντε (pente) = 5 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν ψυχαῖς (en psychais), ‘in zielen’: ‘personen’. Het getal is 75. Het Hebreeuws heeft 70 (Gen. 46:27 en Exod. 1:5); de Griekse tekst heeft 75, en Stefanus volgt die. Gen. 46:26 noemt 66 personen die met Jakob meekwamen. Voetnoot : Zie ook Gen. 46:26–27; Exod. 1:5. Zie ook: Gen 46:26; Gen 46:27; Ex 1:5 **7:15** Jakob daalde af naar Egypte. Hij stierf, en ook onze vaders. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατέβη (katebe) = daalde af | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | εἰς (eis) = naar | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | καὶ (kai) = en | ἐτελεύτησεν (eteleutesen) = stierf | αὐτὸς (autos) = hij | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **7:16** Zij werden overgebracht naar Sichem en neergelegd in het graf dat Abraham voor een som zilver had gekocht van de zonen van Hamor in Sichem. Brontekst: καὶ (kai) = en | μετετέθησαν (metetethesan) = werden overgebracht | εἰς (eis) = naar | Συχὲμ (Sychem) = Sichem | καὶ (kai) = en | ἐτέθησαν (etethesan) = werden gelegd | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | μνήματι (mnemati) = graf | ᾧ (ho) = dat | ὠνήσατο (onesato) = kocht | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | τιμῆς (times) = voor een prijs | ἀργυρίου (argyriou) = van zilver | παρὰ (para) = van | τῶν (ton) = de | υἱῶν (huion) = zonen | Ἑμμὼρ (Hemmor) = van Hamor | ἐν (en) = in | Συχέμ (Sychem) = Sichem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt dat Abraham het graf kocht van de zonen van Hamor in Sichem. In Gen. 23:16–20 koopt Abraham de grot van Machpela in Hebron van Efron; in Gen. 33:18–19 koopt Jakob een stuk grond in Sichem van de zonen van Hamor. In Joz. 24:32 wordt Jozef daar begraven. Wij vertalen wat de Griekse tekst zegt; het verschil laten wij staan. Voetnoot : Zie ook Gen. 23:16–20; Gen. 33:18–19; Gen. 50:13; Joz. 24:32. Zie ook: Gen 23:16–20; Gen 33:18–19; Gen 50:13; Joz 24:32 ### Mozes **7:17** Toen de tijd naderde van de belofte die Elohim aan Abraham had toegezegd, groeide het volk en werd het talrijk in Egypte. Brontekst: Καθὼς (Kathos) = zoals | δὲ (de) = nu | ἤγγιζεν (engizen) = naderde | ὁ (ho) = de | χρόνος (chronos) = tijd | τῆς (tes) = van de | ἐπαγγελίας (epangelias) = belofte | ἧς (hes) = die | ὡμολόγησεν (homologesen) = zegde toe | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τῷ (to) = aan de | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | ηὔξησεν (eyxesen) = groeide | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | καὶ (kai) = en | ἐπληθύνθη (eplethynthe) = werd talrijk | ἐν (en) = in | Αἰγύπτῳ (Aigypto) = Egypte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ὁμολογέω (homologeo), ‘toezeggen’: hier gebruikt voor wat Elohim aan Abraham heeft beloofd. In de evangeliën staat het woord vaak voor ‘belijden’. Voetnoot : Zie ook Exod. 1:7. Zie ook: Ex 1:7 **7:18** Dat duurde tot er een andere koning over Egypte opstond, die Jozef niet kende. Brontekst: ἄχρι (achri) = tot | οὗ (hou) = welk | ἀνέστη (aneste) = stond op | βασιλεὺς (basileus) = koning | ἕτερος (heteros) = andere | ἐπ’ (ep’) = over | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | ὃς (hos) = die | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδει (edei) = kende | τὸν (ton) = de | Ἰωσήφ (Ioseph) = Jozef Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ἄχρι οὗ (achri hou), ‘tot’. Het Grieks heeft hier een citaat uit Exod. 1:8 zonder aanhalingsteken; wij vertalen het als gewone tekst. Voetnoot : Zie ook Exod. 1:8. Zie ook: Ex 1:8 **7:19** Die handelde listig tegen ons geslacht en onderdrukte onze vaders, door hun baby’s te laten uitzetten, zodat die niet in leven zouden blijven. Brontekst: οὗτος (houtos) = hij | κατασοφισάμενος (katasophisamenos) = listig handelend tegen | τὸ (to) = het | γένος (genos) = geslacht | ἡμῶν (hemon) = ons | ἐκάκωσεν (ekakosen) = onderdrukte | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaders | τοῦ (tou) = om te | ποιεῖν (poiein) = doen | τὰ (ta) = de | βρέφη (brephe) = baby’s | ἔκθετα (ektheta) = uitgezet | αὐτῶν (auton) = hun | εἰς (eis) = tot | τὸ (to) = het | μὴ (me) = niet | ζῳογονεῖσθαι (zoogoneisthai) = in leven gehouden worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατασοφίζομαι (katasophizomai), ‘listig handelen tegen’. ἔκθετος (ekthetos), ‘uitgezet’: de baby’s worden buiten achtergelaten. ζῳογονέω (zoogoneo), ‘in leven houden’. Voetnoot : Zie ook Exod. 1:22. Zie ook: Ex 1:22 **7:20** In die tijd werd Mozes geboren, en hij was mooi voor Elohim. Hij werd drie maanden opgevoed in het huis van zijn vader. Brontekst: ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = welke | καιρῷ (kairo) = tijd | ἐγεννήθη (egennethe) = werd geboren | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἀστεῖος (asteios) = mooi | τῷ (to) = voor de | θεῷ (theo) = Elohim | ὃς (hos) = die | ἀνετράφη (anetraphe) = werd opgevoed | μῆνας (menas) = maanden | τρεῖς (treis) = drie | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | οἴκῳ (oiko) = huis | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = vader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀστεῖος τῷ θεῷ (asteios toi theoi), ‘mooi voor Elohim’: een uitdrukking voor iemand die bijzonder mooi is, ook ‘mooi in de ogen van Elohim’. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:2. Zie ook: Ex 2:2 **7:21** Toen hij was uitgezet, nam de dochter van de farao hem op en voedde hem voor zichzelf op als zoon. Brontekst: ἐκτεθέντος (ektethentos) = uitgezet zijnde | δὲ (de) = nu | αὐτοῦ (autou) = hij | ἀνείλατο (aneilato) = nam op | αὐτὸν (auton) = hem | ἡ (he) = de | θυγάτηρ (thygater) = dochter | Φαραὼ (Pharao) = van farao | καὶ (kai) = en | ἀνεθρέψατο (anethrepsato) = voedde op | αὐτὸν (auton) = hem | ἑαυτῇ (heaute) = voor zichzelf | εἰς (eis) = tot | υἱόν (huion) = zoon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt dat zij hem ‘opnam’ (ἀναιρέω, anaireo); het woord betekent elders ‘doden’, zoals in 7:28, hier ‘oppakken’. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:5–10. Zie ook: Ex 2:5–10 **7:22** Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en daden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπαιδεύθη (epaideuthe) = werd onderwezen | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | πάσῃ (pase) = in alle | σοφίᾳ (sophia) = wijsheid | Αἰγυπτίων (Aigyption) = van Egyptenaren | ἦν (en) = was | δὲ (de) = nu | δυνατὸς (dynatos) = machtig | ἐν (en) = in | λόγοις (logois) = woorden | καὶ (kai) = en | ἔργοις (ergois) = daden | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt dat Mozes machtig was ‘in woorden en daden’. In Exod. 4:10 zegt Mozes zelf dat hij niet goed spreekt; de Schrift noemt hier zijn woorden niet. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:10. Zie ook: Ex 2:10; Ex 4:10 **7:23** Toen de tijd van 40 jaar voor hem voltooid was, kwam het in zijn hart op zijn broers te bezoeken, de zonen van Israël. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐπληροῦτο (eplerouto) = werd vervuld | αὐτῷ (auto) = hem | τεσσερακονταετὴς (tesserakontaetes) = 40-jarige | χρόνος (chronos) = tijd | ἀνέβη (anebe) = kwam op | ἐπὶ (epi) = in | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπισκέψασθαι (episkepsasthai) = te bezoeken | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | αὐτοῦ (autou) = zijn | τοὺς (tous) = de | υἱοὺς (huious) = zonen | Ἰσραήλ (Israel) = van Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τεσσερακονταετής (tesserakontaetes), ‘40-jarig’; in Exod. 2 staat niet hoe oud Mozes toen was. ἀνέβη ἐπὶ τὴν καρδίαν (anebe epi ten kardian), ‘het kwam op in zijn hart’: het idee kwam bij hem op. ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘bezoeken’. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:11. Zie ook: Ex 2:11 **7:24** Toen hij iemand onrecht zag lijden, verdedigde hij hem en verschafte recht aan de mishandelde, door de Egyptenaar neer te slaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδών (idon) = ziende | τινα (tina) = iemand | ἀδικούμενον (adikoumenon) = onrecht lijdend | ἠμύνατο (emynato) = verdedigde | καὶ (kai) = en | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ἐκδίκησιν (ekdikesin) = recht | τῷ (to) = aan de | καταπονουμένῳ (kataponoumeno) = mishandelde | πατάξας (pataxas) = slaand | τὸν (ton) = de | Αἰγύπτιον (Aigyption) = Egyptenaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκδίκησιν ποιέω (ekdikesin poieo), ‘recht verschaffen’; zo staat het ook in Luc. 18:7. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:11–12. Zie ook: Ex 2:11–12; Luc 18:7 **7:25** Hij meende dat zijn broers zouden begrijpen dat Elohim hun door zijn hand redding gaf. Maar zij begrepen het niet. Brontekst: ἐνόμιζεν (enomizen) = meende | δὲ (de) = nu | συνιέναι (synienai) = begrijpen | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | διὰ (dia) = door | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn | δίδωσιν (didosin) = geeft | σωτηρίαν (soterian) = redding | αὐτοῖς (autois) = hun | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | οὐ (ou) = niet | συνῆκαν (synekan) = begrepen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit vers staat niet in Exod. 2; Stefanus legt uit wat Mozes dacht. σωτηρία (soteria), ‘redding’: zoals in de evangeliën. ‘Door zijn hand’ betekent ‘door hem’. **7:26** De volgende dag verscheen hij bij hen terwijl zij vochten, en hij probeerde hen tot vrede te brengen. Hij zei: ‘Mannen, jullie zijn broers. Waarom doen jullie elkaar onrecht aan?’ Brontekst: τῇ (te) = de | τε (te) = en | ἐπιούσῃ (epiouse) = volgende | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ὤφθη (ophthe) = verscheen | αὐτοῖς (autois) = hun | μαχομένοις (machomenois) = vechtend | καὶ (kai) = en | συνήλλασσεν (synellassen) = probeerde te verzoenen | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = tot | εἰρήνην (eirenen) = vrede | εἰπών (eipon) = zeggend | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἐστε (este) = zijn jullie | ἱνατί (hinati) = waarom | ἀδικεῖτε (adikeite) = doen jullie onrecht | ἀλλήλους (allelous) = elkaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘probeerde te verzoenen’ (onvoltooide tijd van συναλλάσσω, synallasso). ἀδικέω (adikeo), ‘onrecht doen’. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:13. Zie ook: Ex 2:13 **7:27** Maar degene die zijn naaste onrecht deed, stootte hem weg en zei: ‘Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter over ons? Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | ἀδικῶν (adikon) = onrecht doende | τὸν (ton) = de | πλησίον (plesion) = naaste | ἀπώσατο (aposato) = stootte weg | αὐτὸν (auton) = hem | εἰπών (eipon) = zeggend | Τίς (Tis) = wie | σε (se) = jou | κατέστησεν (katestesen) = stelde aan | ἄρχοντα (archonta) = leider | καὶ (kai) = en | δικαστὴν (dikasten) = rechter | ἐφ’ (eph’) = over | ἡμῶν (hemon) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων (archon), ‘leider’: zoals in de evangeliën. δικαστής (dikastes), ‘rechter’. ὁ πλησίον (ho plesion), ‘de naaste’. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:14. Zie ook: Ex 2:14 **7:28** Wil jij mij soms doden, zoals je gisteren de Egyptenaar hebt gedood?’ Brontekst: μὴ (me) = of | ἀνελεῖν (anelein) = doden | με (me) = mij | σὺ (sy) = jij | θέλεις (theleis) = wil je | ὃν (hon) = welke | τρόπον (tropon) = wijze | ἀνεῖλες (aneiles) = doodde je | ἐχθὲς (echthes) = gisteren | τὸν (ton) = de | Αἰγύπτιον (Aigyption) = Egyptenaar Bron: SBLGNT **7:29** Bij dit woord vluchtte Mozes, en hij werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte. Brontekst: ἔφυγεν (ephygen) = vluchtte | δὲ (de) = nu | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | τούτῳ (touto) = dit | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = werd | πάροικος (paroikos) = vreemdeling | ἐν (en) = in | γῇ (ge) = land | Μαδιάμ (Madiam) = Midian | οὗ (hou) = waar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | υἱοὺς (huious) = zonen | δύο (dyo) = twee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: ἐν τῷ λόγῳ τούτῳ (en toi logoi toutoi), ‘bij dit woord’: toen hij dat hoorde. Μαδιάμ (Madiam) is Midian. Het Grieks zegt dat Mozes daar twee zonen verwekte (Exod. 2:22 en 18:3–4). Voetnoot : Zie ook Exod. 2:15; Exod. 2:22. Zie ook: Ex 2:15; Ex 2:22; Ex 18:3 **7:30** Toen 40 jaar vervuld waren, verscheen hem in de woestijn van de berg Sinaï een engel, in een vuurvlam van een braamstruik. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | πληρωθέντων (plerothenton) = vervuld zijnde | ἐτῶν (eton) = jaren | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | ὤφθη (ophthe) = verscheen | αὐτῷ (auto) = hem | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | τοῦ (tou) = van de | ὄρους (orous) = berg | Σινᾶ (Sina) = Sinaï | ἄγγελος (angelos) = engel | ἐν (en) = in | φλογὶ (phlogi) = vlam | πυρὸς (pyros) = van vuur | βάτου (batou) = van een braamstruik Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: Σινᾶ (Sina), ‘Sinaï’. De berg heet in Exod. 3:1 Horeb. Het Grieks noemt een engel; in Exod. 3:2 is dit ‘de engel van Yahweh’. Voetnoot : Zie ook Exod. 3:1–2. Zie ook: Ex 3:1; Ex 3:2 **7:31** Toen Mozes het zag, verwonderde hij zich over het visioen. Toen hij naderbij kwam om goed te kijken, kwam er een stem van Yahweh: Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ἰδὼν (idon) = ziende | ἐθαύμασεν (ethaumasen) = verwonderde zich | τὸ (to) = het | ὅραμα (horama) = visioen | προσερχομένου (proserchomenou) = naderend | δὲ (de) = nu | αὐτοῦ (autou) = hij | κατανοῆσαι (katanoesai) = om te bekijken | ἐγένετο (egeneto) = kwam | φωνὴ (phone) = stem | κυρίου (kyriou) = van Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὅραμα (horama), ‘visioen’: hetzelfde woord als in Matt. 17:9. κυρίου (kyriou): het gaat om de stem van Yahweh in Exod. 3:4–6, daarom ‘Yahweh’. Voetnoot : Zie ook Exod. 3:3–4. Zie ook: Ex 3:3–4; Ex 3:4–6; Mat 17:9 **7:32** ‘Ik ben de Elohim van je vaders, de Elohim van Abraham, Isaak en Jakob.’ Mozes begon te beven en durfde niet te kijken. Brontekst: Ἐγὼ (Ego) = Ik | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | σου (sou) = je | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἀβραὰμ (Abraam) = van Abraham | καὶ (kai) = en | Ἰσαὰκ (Isaak) = Isaak | καὶ (kai) = en | Ἰακώβ (Iakob) = Jakob | ἔντρομος (entromos) = bevend | δὲ (de) = nu | γενόμενος (genomenos) = geworden | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | οὐκ (ouk) = niet | ἐτόλμα (etolma) = durfde | κατανοῆσαι (katanoesai) = te bekijken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Citaat uit Exod. 3:6. Het Hebreeuws heeft ‘Elohim van je vader’ (enkelvoud); de Griekse tekst heeft ‘van je vaders’. ἔντρομος (entromos), ‘bevend’. Voetnoot : Zie ook Exod. 3:6. Zie ook: Ex 3:6 **7:33** Yahweh zei tegen hem: ‘Maak de sandalen van je voeten los, want de plaats waarop je staat, is heilige grond. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Yahweh | Λῦσον (Lyson) = maak los | τὸ (to) = de | ὑπόδημα (hypodema) = sandaal | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | σου (sou) = je | ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | τόπος (topos) = plaats | ἐφ’ (eph’) = op | ᾧ (ho) = welke | ἕστηκας (hestekas) = je staat | γῆ (ge) = grond | ἁγία (hagia) = heilige | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Citaat uit Exod. 3:5. ὁ κύριος (ho kyrios) is hier Yahweh, zoals in 7:31. ὑπόδημα (hypodema), ‘sandaal’: het Grieks heeft het enkelvoud, voor het paar. Voetnoot : Zie ook Exod. 3:5. Zie ook: Ex 3:5 **7:34** Ik heb de onderdrukking van Mijn volk in Egypte zeker gezien, Ik heb hun gezucht gehoord en Ik ben afgedaald om hen te redden. Kom nu, Ik zal je naar Egypte zenden.’ Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | εἶδον (eidon) = zag ik | τὴν (ten) = de | κάκωσιν (kakosin) = onderdrukking | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | μου (mou) = Mijn | τοῦ (tou) = dat | ἐν (en) = in | Αἰγύπτῳ (Aigypto) = Egypte | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van het | στεναγμοῦ (stenagmou) = gezucht | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἤκουσα (ekousa) = hoorde ik | καὶ (kai) = en | κατέβην (kateben) = daalde ik af | ἐξελέσθαι (exelesthai) = om te redden | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | δεῦρο (deuro) = kom | ἀποστείλω (aposteilo) = zal Ik zenden | σε (se) = je | εἰς (eis) = naar | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Citaat uit Exod. 3:7–8,10. ἰδὼν εἶδον (idon eidon), ‘zeker gezien’: letterlijk ‘ziende zag ik’, een Hebreeuwse versterking. κάκωσις (kakosis), ‘onderdrukking’: van κακόω, zie 7:6. ἐξαιρέω (exaireo), ‘redden’: zoals in 7:10. ἀποστέλλω (apostello) is ‘zenden’. Voetnoot : Zie ook Exod. 3:7–10. Zie ook: Ex 3:7–8 **7:35** Deze Mozes hadden zij verloochend toen zij zeiden: ‘Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter?’ Juist hem heeft Elohim als leider en bevrijder gezonden, met de hand van de engel die hem in de braamstruik verscheen. Brontekst: Τοῦτον (Touton) = dit | τὸν (ton) = de | Μωϋσῆν (Moysen) = Mozes | ὃν (hon) = die | ἠρνήσαντο (ernesanto) = verloochenden zij | εἰπόντες (eipontes) = zeggend | Τίς (Tis) = wie | σε (se) = jou | κατέστησεν (katestesen) = stelde aan | ἄρχοντα (archonta) = leider | καὶ (kai) = en | δικαστήν (dikasten) = rechter | τοῦτον (touton) = deze | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἄρχοντα (archonta) = leider | καὶ (kai) = en | λυτρωτὴν (lytroten) = bevrijder | ἀπέσταλκεν (apestalken) = heeft gezonden | σὺν (syn) = met | χειρὶ (cheiri) = hand | ἀγγέλου (angelou) = van een engel | τοῦ (tou) = de | ὀφθέντος (ophthentos) = verschenen zijnde | αὐτῷ (auto) = hem | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | βάτῳ (bato) = braamstruik Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρνέομαι (arneomai), ‘verloochenen’: het woord van Petrus' verloochening in de evangeliën. λυτρωτής (lytrotes), ‘bevrijder’: iemand die losmaakt, vrijkoopt. σὺν χειρί (syn cheiri), ‘met de hand van’: dat wil zeggen ‘met de hulp van’. De engel is die van 7:30. Voetnoot : Zie ook Exod. 2:14; Exod. 3:2. Zie ook: Ex 2:14; Ex 3:2 **7:36** Hij leidde hen uit en deed wonderen en tekenen in het land Egypte, bij de Rietzee en in de woestijn, 40 jaar lang. Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | ἐξήγαγεν (exegagen) = leidde uit | αὐτοὺς (autous) = hen | ποιήσας (poiesas) = doende | τέρατα (terata) = wonderen | καὶ (kai) = en | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἐν (en) = in | γῇ (ge) = land | Αἰγύπτῳ (Aigypto) = Egypte | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | Ἐρυθρᾷ (Erythra) = Rode | Θαλάσσῃ (Thalasse) = zee | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | ἔτη (ete) = jaren | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Voetnoot Uitleg: τέρατα καὶ σημεῖα (terata kai semeia), ‘wonderen en tekenen’: zoals in de evangeliën. Ἐρυθρὰ Θάλασσα (Erythra Thalassa) betekent ‘Rode Zee’; in ons OT heet de zee in de vertelling van de uittocht de Rietzee, naar het Hebreeuws, en dat schrijven wij. Voetnoot : Zie ook Exod. 14:21. Zie ook: Ex 14:21 **7:37** Dit is die Mozes die tot de zonen van Israël zei: ‘Een profeet zal Elohim voor jullie laten opstaan uit jullie broers, zoals mij.’ Brontekst: οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ὁ (ho) = die | εἴπας (eipas) = zei | τοῖς (tois) = tot de | υἱοῖς (huiois) = zonen | Ἰσραήλ (Israel) = van Israël | Προφήτην (Propheten) = profeet | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | ἀναστήσει (anastesei) = zal laten opstaan | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὡς (hos) = als | ἐμέ (eme) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Citaat uit Deut. 18:15. Het Hebreeuws heeft ‘uit je midden, uit je broers’ en ‘voor je’; de Griekse tekst heeft ‘uit jullie broers’ en ‘voor jullie’, en laat ‘uit je midden’ weg. ἀνίστημι (anistemi), hier overgankelijk: ‘laten opstaan’. Het citaat staat ook in Hand. 3:22. Voetnoot : Zie ook Deut. 18:15; Deut. 18:18. Zie ook: Deut 18:15; Deut 18:18; Hand 3:22 **7:38** Dit is hij die in de gemeente in de woestijn was. Hij was bij de engel die op de berg Sinaï met hem sprak, en bij onze vaders. Hij ontving levende uitspraken om aan ons te geven. Brontekst: οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | γενόμενος (genomenos) = geweest zijnde | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐκκλησίᾳ (ekklesia) = gemeente | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | μετὰ (meta) = met | τοῦ (tou) = de | ἀγγέλου (angelou) = engel | τοῦ (tou) = de | λαλοῦντος (lalountos) = sprekende | αὐτῷ (auto) = tot hem | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | ὄρει (orei) = berg | Σινᾶ (Sina) = Sinaï | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | πατέρων (pateron) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | ὃς (hos) = die | ἐδέξατο (edexato) = ontving | λόγια (logia) = uitspraken | ζῶντα (zonta) = levende | δοῦναι (dounai) = om te geven | ἡμῖν (hemin) = aan ons Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: het woord uit de evangeliën. Hier is het Israël in de woestijn, de bijeengeroepen gemeenschap. λόγια ζῶντα (logia zonta), ‘levende uitspraken’: λόγιον is een goddelijke uitspraak. De ‘uitspraken’ zijn de geboden die Mozes ontving. De engel van de Sinaï is ook genoemd in 7:53. Voetnoot : Zie ook Exod. 19:3; Deut. 4:10. Zie ook: Ex 19:3; Deut 4:10 **7:39** Hem wilden onze vaders niet gehoorzamen. Zij stootten hem weg en keerden zich in hun harten naar Egypte. Brontekst: ᾧ (ho) = wie | οὐκ (ouk) = niet | ἠθέλησαν (ethelesan) = wilden | ὑπήκοοι (hypekooi) = gehoorzaam | γενέσθαι (genesthai) = worden | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀπώσαντο (aposanto) = stootten weg | καὶ (kai) = en | ἐστράφησαν (estraphesan) = keerden zich | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | καρδίαις (kardiais) = harten | αὐτῶν (auton) = hun | εἰς (eis) = naar | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ἀπωθέω (apotheo), ‘wegstoten’: zoals in 7:27. ‘In hun harten’ naar Egypte keren: zij wilden terug. Voetnoot : Zie ook Num. 14:3–4. Zie ook: Num 14:3–4 **7:40** Zij zeiden tot Aäron: ‘Maak ons goden die ons voorgaan. Want van deze Mozes, die ons uit het land Egypte heeft geleid, weten wij niet wat er met hem gebeurd is.’ Brontekst: εἰπόντες (eipontes) = zeggend | τῷ (to) = tot | Ἀαρών (Aaron) = Aäron | Ποίησον (Poieson) = maak | ἡμῖν (hemin) = ons | θεοὺς (theous) = goden | οἳ (hoi) = die | προπορεύσονται (proporeusontai) = zullen voorgaan | ἡμῶν (hemon) = ons | ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | οὗτος (houtos) = deze | ὃς (hos) = die | ἐξήγαγεν (exegagen) = leidde uit | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἐκ (ek) = uit | γῆς (ges) = land | Αἰγύπτου (Aigyptou) = Egypte | οὐκ (ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | τί (ti) = wat | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Citaat uit Exod. 32:1. Het Grieks heeft ‘goden’ in het meervoud, zoals het Hebreeuws, voor de afgodsbeelden. Voetnoot : Zie ook Exod. 32:1. Zie ook: Ex 32:1 **7:41** Zij maakten in die dagen een kalf, brachten een offer aan het beeld en verheugden zich over de werken van hun handen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμοσχοποίησαν (emoschopoiesan) = maakten een kalf | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐκείναις (ekeinais) = die | καὶ (kai) = en | ἀνήγαγον (anegagon) = brachten op | θυσίαν (thysian) = offer | τῷ (to) = aan het | εἰδώλῳ (eidolo) = beeld | καὶ (kai) = en | εὐφραίνοντο (euphrainonto) = verheugden zich | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ἔργοις (ergois) = werken | τῶν (ton) = van de | χειρῶν (cheiron) = handen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμοσχοποίησαν (emoschopoiesan), ‘zij maakten een kalf’: één woord, alleen hier in het NT. ἔργα τῶν χειρῶν (erga ton cheiron), ‘de werken van de handen’: een uitdrukking voor afgoden. Voetnoot : Zie ook Exod. 32:4–6. Zie ook: Ex 32:4–6 **7:42** Maar Elohim wendde zich af en leverde hen over om de legermacht van de hemel te dienen. Zo staat geschreven in het boek van de profeten: ‘Hebben jullie Mij slachtoffers en offers aangeboden, 40 jaar lang in de woestijn, huis van Israël? Brontekst: ἔστρεψεν (estrepsen) = wendde zich af | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | καὶ (kai) = en | παρέδωκεν (paredoken) = leverde over | αὐτοὺς (autous) = hen | λατρεύειν (latreuein) = om te dienen | τῇ (te) = aan het | στρατιᾷ (stratia) = legermacht | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καθὼς (kathos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = geschreven staat | ἐν (en) = in | βίβλῳ (biblo) = boek | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | Μὴ (Me) = of | σφάγια (sphagia) = slachtoffers | καὶ (kai) = en | θυσίας (thysias) = offers | προσηνέγκατέ (prosenenkate) = brachten jullie aan | μοι (moi) = Mij | ἔτη (ete) = jaren | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | οἶκος (oikos) = huis | Ἰσραήλ (Israel) = van Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρέφω (strepho), ‘zich afwenden’. παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: zoals in de evangeliën. στρατιὰ τοῦ οὐρανοῦ (stratia tou ouranou), ‘de legermacht van de hemel’: sterren en hemellichamen als goden, zie ook Deut. 4:19. Het citaat is Amos 5:25–27 (in de Hebreeuwse telling, zoals in onze tekst). ‘Het boek van de profeten’ is waarschijnlijk de verzameling van de twaalf kleine profeten, waartoe Amos behoort. Het citaat is een vraag, zoals in het Hebreeuws van Amos 5:25. Voetnoot : Zie ook Amos 5:25–27; Deut. 4:19. Zie ook: Deut 4:19; Amos 5:25–27 **7:43** Jullie hebben de tent van Molech opgenomen en de ster van de god Rephan, de beelden die jullie maakten om je ervoor neer te buigen. Ik zal jullie in ballingschap voeren, voorbij Babylon.’ Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀνελάβετε (anelabete) = namen op | τὴν (ten) = de | σκηνὴν (skenen) = tent | τοῦ (tou) = van | Μολὸχ (Moloch) = Molech | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ἄστρον (astron) = ster | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = god | Ῥαιφάν (Rhaiphan) = Rephan | τοὺς (tous) = de | τύπους (typous) = beelden | οὓς (hous) = die | ἐποιήσατε (epoiesate) = maakten jullie | προσκυνεῖν (proskynein) = om neer te buigen | αὐτοῖς (autois) = voor hen | καὶ (kai) = en | μετοικιῶ (metoikio) = zal in ballingschap voeren | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐπέκεινα (epekeina) = voorbij | Βαβυλῶνος (Babylonos) = Babylon Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van Amos 5:26 heeft ‘Sikkut, jullie koning’ en ‘Kiyun, jullie beelden, de ster van jullie god’; de Griekse tekst heeft ‘de tent van Molech’ en ‘de ster van de god Rephan’. Het Hebreeuws van Amos 5:27 heeft ‘verder dan Damascus’; de Griekse tekst heeft ‘voorbij Babylon’. Wij vertalen de Griekse tekst van Stefanus. μετοικίζω (metoikizo): zie 7:4. προσκυνέω (proskyneo), ‘neerbuigen’: zoals in de evangeliën. Voetnoot : Zie ook Amos 5:25–27. Zie ook: Amos 5:25–27; Amos 5:26; Amos 5:27 ### De tabernakel en de tempel **7:44** Onze vaders hadden de tabernakel van het getuigenis in de woestijn. Zo had Hij die tot Mozes sprak, bevolen haar te maken naar het model dat hij had gezien. Brontekst: Ἡ (He) = de | σκηνὴ (skene) = tent | τοῦ (tou) = van het | μαρτυρίου (martyriou) = getuigenis | ἦν (en) = was | τοῖς (tois) = bij de | πατράσιν (patrasin) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | καθὼς (kathos) = zoals | διετάξατο (dietaxato) = beval | ὁ (ho) = de | λαλῶν (lalon) = sprekende | τῷ (to) = tot de | Μωϋσῇ (Moyse) = Mozes | ποιῆσαι (poiesai) = te maken | αὐτὴν (auten) = haar | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = het | τύπον (typon) = model | ὃν (hon) = dat | ἑωράκει (heorakei) = hij had gezien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκηνή τοῦ μαρτυρίου (skene tou martyriou), ‘tabernakel van het getuigenis’: zo heet de tent in Exod. 38:21. Elders in dit boek vertalen wij σκηνή met ‘tent’ of ‘hut’; hier wordt het woord van het OT gebruikt. τύπος (typos), ‘model’. ὁ λαλῶν (ho lalon), ‘Hij die sprak’: Elohim. Voetnoot : Zie ook Exod. 25:8–9; Exod. 25:40. Zie ook: Ex 25:8–9; Ex 25:40; Ex 38:21 **7:45** Onze vaders brachten haar ook binnen, toen zij haar overnamen met Jozua, bij de inbezitneming van de volken. Elohim verdreef hen voor het aangezicht van onze vaders, tot in de dagen van David. Brontekst: ἣν (hen) = die | καὶ (kai) = ook | εἰσήγαγον (eisegagon) = brachten binnen | διαδεξάμενοι (diadexamenoi) = overnemend | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | μετὰ (meta) = met | Ἰησοῦ (Iesou) = Jozua | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | κατασχέσει (kataschesei) = inbezitneming | τῶν (ton) = van de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | ὧν (hon) = die | ἐξῶσεν (exosen) = verdreef | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἀπὸ (apo) = van | προσώπου (prosopou) = aangezicht | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | ἕως (heos) = tot | τῶν (ton) = de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | Δαυίδ (Dauid) = David Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰησοῦς (Iesous) is hier Jozua, de opvolger van Mozes: dezelfde naam als Yeshua. διαδέχομαι (diadechomai), ‘overnemen’: zij namen de tabernakel over van de vorige generatie. κατάσχεσις (kataschesis): zie 7:5. Het Grieks laat open of ‘tot de dagen van David’ bij ‘verdreef’ of bij ‘binnenbrengen’ hoort. Voetnoot : Zie ook Joz. 3:14–17; 2 Sam. 7:2. Zie ook: Joz 3:14–17; 2 Sam 7:2 **7:46** Hij vond genade voor Elohim en vroeg of hij een woonplaats mocht vinden voor de Elohim van Jakob. Brontekst: ὃς (hos) = die | εὗρεν (heuren) = vond | χάριν (charin) = genade | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | ᾐτήσατο (etesato) = vroeg | εὑρεῖν (heurein) = te vinden | σκήνωμα (skenoma) = woonplaats | τῷ (to) = voor de | θεῷ (theo) = Elohim | Ἰακώβ (Iakob) = van Jakob Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκήνωμα (skenoma), ‘woonplaats’. Het Grieks heeft ‘voor de Elohim van Jakob’; zie ook de Lezing-voetnoot hieronder. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘voor het huis van Jakob’; de SBLGNT heeft ‘voor de Elohim van Jakob’. Voetnoot : Zie ook Ps. 132:4–5. Zie ook: Ps 132:4–5 **7:47** Maar Salomo bouwde Hem een huis. Brontekst: Σολομῶν (Solomon) = Salomo | δὲ (de) = nu | οἰκοδόμησεν (oikodomesen) = bouwde | αὐτῷ (auto) = hem | οἶκον (oikon) = huis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit korte vers is de overgang: David wilde een woonplaats; Salomo bouwde het huis, de tempel. Voetnoot : Zie ook 1 Kon. 8:20. Zie ook: 1 Kon 8:20 **7:48** Maar de Allerhoogste woont niet in wat met handen gemaakt is, zoals de profeet zegt: Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | οὐχ (ouch) = niet | ὁ (ho) = de | ὕψιστος (hypsistos) = Allerhoogste | ἐν (en) = in | χειροποιήτοις (cheiropoietois) = met handen gemaakte | κατοικεῖ (katoikei) = woont | καθὼς (kathos) = zoals | ὁ (ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet | λέγει (legei) = zegt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὕψιστος (hypsistos), ‘de Allerhoogste’: zoals in Luc. 1:32. χειροποίητος (cheiropoietos), ‘met handen gemaakt’: wat mensen maken, het tegenovergestelde van wat Elohim maakt. Voetnoot Lezing: Latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) voegen hier ‘tempels’ toe; de SBLGNT heeft het niet. Voetnoot : Zie ook 1 Kon. 8:27. Zie ook: 1 Kon 8:27; Luc 1:32 **7:49** ‘De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank voor Mijn voeten. Wat voor huis zullen jullie voor Mij bouwen, zegt Yahweh, of welke plaats is Mijn rustplaats? Brontekst: Ὁ (Ho) = de | οὐρανός (ouranos) = hemel | μοι (moi) = Mij | θρόνος (thronos) = troon | ἡ (he) = de | δὲ (de) = nu | γῆ (ge) = aarde | ὑποπόδιον (hypopodion) = voetbank | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | μου (mou) = Mijn | ποῖον (poion) = wat voor | οἶκον (oikon) = huis | οἰκοδομήσετέ (oikodomesete) = zullen jullie bouwen | μοι (moi) = Mij | λέγει (legei) = zegt | κύριος (kyrios) = Yahweh | ἢ (e) = of | τίς (tis) = welke | τόπος (topos) = plaats | τῆς (tes) = van de | καταπαύσεώς (katapauseos) = rust | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Citaat uit Jes. 66:1–2. Het Hebreeuws begint met ‘Zo zegt Yahweh’; de Griekse tekst heeft ‘zegt Yahweh’ (λέγει κύριος) midden in de zin. ὑποπόδιον (hypopodion), ‘voetbank’: zoals in Matt. 5:35. κατάπαυσις (katapausis), ‘rust’. Voetnoot : Zie ook Jes. 66:1–2; Matt. 5:34–35. Zie ook: Jes 66:1–2; Mat 5:34–35; Mat 5:35 **7:50** Heeft Mijn hand dit alles niet gemaakt?’ Brontekst: οὐχὶ (ouchi) = niet | ἡ (he) = de | χείρ (cheir) = hand | μου (mou) = Mijn | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | ταῦτα (tauta) = deze dingen | πάντα (panta) = alle Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat uit Jes. 66:2 eindigt hier. Het Hebreeuws heeft een bewering: ‘Mijn hand heeft dit alles gemaakt’; de Griekse tekst heeft een vraag. Stefanus' eigen woorden gaan in 7:51 verder. Voetnoot : Zie ook Jes. 66:2. Zie ook: Jes 66:2 ### Stefanus beschuldigt zijn toehoorders **7:51** Halsstarrigen, onbesneden van hart en oren! Jullie verzetten je altijd tegen de Heilige Geest. Zoals jullie vaders, zo ook jullie. Brontekst: Σκληροτράχηλοι (Sklerotracheloi) = halsstarrigen | καὶ (kai) = en | ἀπερίτμητοι (aperitmetoi) = onbesneden | καρδίαις (kardiais) = aan harten | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | ὠσίν (osin) = oren | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀεὶ (aei) = altijd | τῷ (to) = aan de | πνεύματι (pneumati) = Geest | τῷ (to) = de | ἁγίῳ (hagio) = heilige | ἀντιπίπτετε (antipiptete) = verzetten zich | ὡς (hos) = zoals | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκληροτράχηλος (sklerotrachelos), ‘halsstarrig’: ‘met een stijve nek’; zo heet het volk in Exod. 33:3 en Deut. 10:16. ἀπερίτμητος (aperitmetos), ‘onbesneden’ van hart en oren: de besnijdenis die telt, is die van het hart. ἀντιπίπτω (antipipto), ‘zich verzetten’. Hier wendt Stefanus zich rechtstreeks tot de Raad. Voetnoot : Zie ook Exod. 33:3; Deut. 10:16; Jer. 9:25. Zie ook: Ex 33:3; Deut 10:16; Jer 9:25 **7:52** Welke van de profeten hebben jullie vaders niet vervolgd? Zij doodden hen die de komst van de Rechtvaardige van tevoren aankondigden. Van Hem zijn jullie nu de verraders en moordenaars geworden. Brontekst: τίνα (tina) = welke | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | οὐκ (ouk) = niet | ἐδίωξαν (edioxan) = vervolgden | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden | τοὺς (tous) = de | προκαταγγείλαντας (prokatangeilantas) = tevoren aankondigenden | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | ἐλεύσεως (eleuseos) = komst | τοῦ (tou) = van de | δικαίου (dikaiou) = Rechtvaardige | οὗ (hou) = van wie | νῦν (nyn) = nu | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | προδόται (prodotai) = verraders | καὶ (kai) = en | φονεῖς (phoneis) = moordenaars | ἐγένεσθε (egenesthe) = werden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ δίκαιος (ho dikaios), ‘de Rechtvaardige’: een titel voor de Messias, zoals in Hand. 3:14 en Hand. 22:14. Wij schrijven het met een hoofdletter. προδότης (prodotes), ‘verrader’; φονεύς (phoneus), ‘moordenaar’. Voetnoot : Zie ook Hand. 3:14. Zie ook: Hand 3:14; Hand 22:14 **7:53** Jullie hebben de wet ontvangen op bevel van engelen en haar niet onderhouden.” Brontekst: οἵτινες (hoitines) = die | ἐλάβετε (elabete) = ontvingen | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | εἰς (eis) = tot | διαταγὰς (diatagas) = bevelen | ἀγγέλων (angelon) = van engelen | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐφυλάξατε (ephylaxate) = onderhielden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς διαταγὰς ἀγγέλων (eis diatagas angelon), ‘op bevel van engelen’: de wet is volgens deze overlevering door engelen overgebracht. φυλάσσω (phylasso), ‘onderhouden’: zoals in Matt. 19:20. Hier eindigt de rede van Stefanus. Voetnoot : Zie ook Deut. 33:2. Zie ook: Deut 33:2; Mat 19:20 ### Stefanus wordt gestenigd **7:54** Toen zij dit hoorden, werden zij razend in hun harten en knarsten met de tanden tegen hem. Brontekst: Ἀκούοντες (Akouontes) = horend | δὲ (de) = nu | ταῦτα (tauta) = deze dingen | διεπρίοντο (dieprionto) = werden razend | ταῖς (tais) = in de | καρδίαις (kardiais) = harten | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | ἔβρυχον (ebrychon) = knarsten | τοὺς (tous) = de | ὀδόντας (odontas) = tanden | ἐπ’ (ep’) = tegen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαπρίω (diaprio), letterlijk ‘doorzagen’: ‘razend worden’; zo ook in 5:33. βρύχω (brycho), ‘knarsen’. **7:55** Maar hij, vol van de Heilige Geest, keek strak naar de hemel. Hij zag de heerlijkheid van Elohim en Yeshua staan aan de rechterhand van Elohim. Brontekst: ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | δὲ (de) = nu | πλήρης (pleres) = vol | πνεύματος (pneumatos) = van Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige | ἀτενίσας (atenisas) = strak aankijkend | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | εἶδεν (eiden) = zag | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | θεοῦ (theou) = van Elohim | καὶ (kai) = en | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἑστῶτα (hestota) = staand | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀτενίζω (atenizo), ‘strak aankijken’: zoals in 6:15. ‘Aan de rechterhand van Elohim’: de plaats van eer en macht. Yeshua staat hier; elders zit Hij, zie Mark. 16:19 en Luc. 22:69. Dat Hij nu staat, laat het Grieks onbesproken. Voetnoot : Zie ook Ps. 110:1; Luc. 22:69. Zie ook: Ps 110:1; Mar 16:19; Luc 22:69 **7:56** Hij zei: „Zie, ik zie de hemelen geopend en de Mensenzoon staan aan de rechterhand van Elohim.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἰδοὺ (Idou) = zie | θεωρῶ (theoro) = ik zie | τοὺς (tous) = de | οὐρανοὺς (ouranous) = hemelen | διηνοιγμένους (dienoigmenous) = geopend | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | ἑστῶτα (hestota) = staand | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zoals in de evangeliën. διανοίγω (dianoigo), ‘openen’. Voetnoot : Zie ook Dan. 7:13; Luc. 22:69. Zie ook: Dan 7:13; Luc 22:69 **7:57** Zij schreeuwden met luide stem, hielden hun oren dicht en stormden eensgezind op hem af. Brontekst: κράξαντες (kraxantes) = schreeuwend | δὲ (de) = nu | φωνῇ (phone) = stem | μεγάλῃ (megale) = grote | συνέσχον (syneschon) = hielden dicht | τὰ (ta) = de | ὦτα (ota) = oren | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | ὥρμησαν (hormesan) = stormden | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **7:58** Zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Saulus genoemd werd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκβαλόντες (ekbalontes) = uitwerpend | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | ἐλιθοβόλουν (elithoboloun) = stenigden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μάρτυρες (martyres) = getuigen | ἀπέθεντο (apethento) = legden neer | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | αὐτῶν (auton) = hun | παρὰ (para) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | νεανίου (neaniou) = van een jongeman | καλουμένου (kaloumenou) = genoemd | Σαύλου (Saulou) = Saulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκβάλλω ἔξω τῆς πόλεως (ekballo exo tes poleos), ‘de stad uitwerpen’: de steniging gebeurde buiten de stad (Lev. 24:14). νεανίας (neanias), ‘jongeman’. Σαῦλος (Saulos), ‘Saulus’: de latere Paulus; zie 8:1 en 9:1. Voetnoot : Zie ook Lev. 24:14; Deut. 17:7. Zie ook: Lev 24:14; Deut 17:7 **7:59** Zij stenigden Stefanus terwijl hij aanriep en zei: „Heer Yeshua, ontvang mijn geest.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλιθοβόλουν (elithoboloun) = stenigden | τὸν (ton) = de | Στέφανον (Stephanon) = Stefanus | ἐπικαλούμενον (epikaloumenon) = aanroepend | καὶ (kai) = en | λέγοντα (legonta) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | δέξαι (dexai) = ontvang | τὸ (to) = de | πνεῦμά (pneuma) = geest | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπικαλέω (epikaleo), ‘aanroepen’: het Grieks noemt het voorwerp niet; het volgende woord, ‘Heer Yeshua’, geeft aan tot wie hij zich richt. Stefanus' gebed lijkt op wat Yeshua zei in Luc. 23:46. Voetnoot : Zie ook Luc. 23:46. Zie ook: Luc 23:46 **7:60** Hij knielde neer en riep met luide stem: „Heer, reken hun deze zonde niet aan.” Toen hij dit gezegd had, ontsliep hij. Brontekst: θεὶς (theis) = neergelegd hebbend | δὲ (de) = nu | τὰ (ta) = de | γόνατα (gonata) = knieën | ἔκραξεν (ekraxen) = riep | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = grote | Κύριε (Kyrie) = Heer | μὴ (me) = niet | στήσῃς (steses) = laat staan | αὐτοῖς (autois) = hun | ταύτην (tauten) = deze | τὴν (ten) = de | ἁμαρτίαν (hamartian) = zonde | καὶ (kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | ἐκοιμήθη (ekoimethe) = ontsliep Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἵστημι (histemi), hier ‘laten staan’: ‘reken niet aan’, een uitdrukking uit de rechtspraak. Vergelijk Luc. 23:34. κοιμάομαι (koimaomai), ‘ontslapen’: zoals in Matt. 27:52; het woord voor de dood van een gelovige. Voetnoot : Zie ook Luc. 23:34. Zie ook: Mat 27:52; Luc 23:34 ## Handelingen 8 _De vervolging, Filippus in Samaria en de eunuch uit Ethiopië_ ### Vervolging en verspreiding **8:1** Saulus stemde in met zijn dood. Op die dag brak er een zware vervolging uit tegen de gemeente in Jeruzalem. Allen werden verspreid over de streken van Judea en Samaria, behalve de apostelen. Brontekst: Σαῦλος (Saulos) = Saulus | δὲ (de) = nu | ἦν (en) = was | συνευδοκῶν (syneudokon) = instemmend | τῇ (te) = met de | ἀναιρέσει (anairesei) = doding | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ἐγένετο (Egeneto) = ontstond | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = op | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | διωγμὸς (diogmos) = vervolging | μέγας (megas) = grote | ἐπὶ (epi) = tegen | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | τὴν (ten) = die | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | πάντες (pantes) = allen | δὲ (de) = nu | διεσπάρησαν (diesparesan) = werden verspreid | κατὰ (kata) = over | τὰς (tas) = de | χώρας (choras) = streken | τῆς (tes) = van | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | Σαμαρείας (Samareias) = Samaria | πλὴν (plen) = behalve | τῶν (ton) = de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: Σαῦλος (Saulos), ‘Saulus’: zie 7:58. De naam Paulus volgt pas in 13:9. συνευδοκέω (syneudokeo), ‘instemmen’: Saulus keurde de doding van Stefanus goed. διωγμός (diogmos), ‘vervolging’. **8:2** Vrome mannen droegen Stefanus weg en hielden een grote rouwklacht over hem. Brontekst: συνεκόμισαν (synekomisan) = droegen weg | δὲ (de) = nu | τὸν (ton) = de | Στέφανον (Stephanon) = Stefanus | ἄνδρες (andres) = mannen | εὐλαβεῖς (eulabeis) = vrome | καὶ (kai) = en | ἐποίησαν (epoiesan) = hielden | κοπετὸν (kopeton) = rouwklacht | μέγαν (megan) = grote | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συγκομίζω (sygkomizo), ‘wegdragen’: waarschijnlijk om Stefanus te begraven; het Grieks zegt dat niet. εὐλαβής (eulabes), ‘vroom’: iemand die Elohim met ontzag dient. κοπετός (kopetos), ‘rouwklacht’: luide rouw met klagen. **8:3** Saulus richtte de gemeente te gronde. Hij ging huis na huis binnen, sleepte mannen en vrouwen mee en leverde hen over aan de gevangenis. Brontekst: Σαῦλος (Saulos) = Saulus | δὲ (de) = nu | ἐλυμαίνετο (elymaineto) = richtte te gronde | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | κατὰ (kata) = huis na huis | τοὺς (tous) = de | οἴκους (oikous) = huizen | εἰσπορευόμενος (eisporeuomenos) = binnengaand | σύρων (syron) = meesleurend | τε (te) = en | ἄνδρας (andras) = mannen | καὶ (kai) = en | γυναῖκας (gynaikas) = vrouwen | παρεδίδου (paredidou) = leverde over | εἰς (eis) = aan | φυλακήν (phylaken) = gevangenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λυμαίνομαι (lymainomai), ‘te gronde richten’: zwaar toetakelen, verwoesten. Saulus doet dit ‘huis na huis’. ### Filippus in Samaria **8:4** Zij die verspreid waren, trokken dus rond en brachten het woord als goede boodschap. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | διασπαρέντες (diasparentes) = verspreid zijnde | διῆλθον (dielthon) = trokken rond | εὐαγγελιζόμενοι (euangelizomenoi) = de goede boodschap brengend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord Bron: SBLGNT **8:5** Filippus ging naar de stad van Samaria af en verkondigde hun de Messias. Brontekst: Φίλιππος (Philippos) = Filippus | δὲ (de) = nu | κατελθὼν (katelthon) = afgedaald | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | τῆς (tes) = van | Σαμαρείας (Samareias) = Samaria | ἐκήρυσσεν (ekeryssen) = verkondigde | αὐτοῖς (autois) = hun | τὸν (ton) = de | χριστόν (christon) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Samaria (de stad; Sebaste?; ligging onzeker): Het Grieks zegt ‘de stad van Samaria’. Bedoeld is vermoedelijk de stad Samaria (door Herodes Sebaste genoemd, bij het huidige Sebastiya) of een andere stad in Samaria. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ‘De stad van Samaria’: het Grieks heeft een lidwoord en noemt geen andere naam. Het kan de stad Samaria zijn of een stad in het gebied Samaria; de tekst zegt het niet. κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’. **8:6** De menigten schonken eensgezind aandacht aan wat Filippus zei, toen zij hem hoorden en de tekenen zagen die hij deed. Brontekst: προσεῖχον (proseichon) = schonken aandacht | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | τοῖς (tois) = aan wat | λεγομένοις (legomenois) = gezegd werd | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | Φιλίππου (Philippou) = Filippus | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | ἐν (en) = toen | τῷ (to) = het | ἀκούειν (akouein) = horen | αὐτοὺς (autous) = zij | καὶ (kai) = en | βλέπειν (blepein) = zien | τὰ (ta) = de | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἃ (ha) = die | ἐποίει (epoiei) = hij deed Bron: SBLGNT **8:7** Want bij velen die onreine geesten hadden, gingen die geesten uit, schreeuwend met luide stem. Ook veel verlamden en kreupelen werden genezen. Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | γὰρ (gar) = want | τῶν (ton) = van hen die | ἐχόντων (echonton) = hadden | πνεύματα (pneumata) = geesten | ἀκάθαρτα (akatharta) = onreine | βοῶντα (boonta) = schreeuwend | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luide | ἐξήρχοντο (exerchonto) = gingen uit | πολλοὶ (polloi) = velen | δὲ (de) = nu | παραλελυμένοι (paralelymenoi) = verlamden | καὶ (kai) = en | χωλοὶ (choloi) = kreupelen | ἐθεραπεύθησαν (etherapeuthesan) = werden genezen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘schreeuwend’ een onzijdige vorm: het zijn de geesten die schreeuwen, niet de mensen. **8:8** Er was grote vreugde in die stad. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = ontstond | δὲ (de) = nu | πολλὴ (polle) = grote | χαρὰ (chara) = vreugde | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ἐκείνῃ (ekeine) = die Bron: SBLGNT ### Simon de magiër **8:9** Er was in de stad al eerder een man met de naam Simon, die magie bedreef en het volk van Samaria verbijsterde. Hij zei dat hij zelf iemand groots was. Brontekst: Ἀνὴρ (Aner) = een man | δέ (de) = nu | τις (tis) = zekere | ὀνόματι (onomati) = met de naam | Σίμων (Simon) = Simon | προϋπῆρχεν (prouperchen) = was er al eerder | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | μαγεύων (mageuon) = magie bedrijvend | καὶ (kai) = en | ἐξιστάνων (existanon) = verbijsterend | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk | τῆς (tes) = van | Σαμαρείας (Samareias) = Samaria | λέγων (legon) = zeggend | εἶναί (einai) = te zijn | τινα (tina) = iemand | ἑαυτὸν (heauton) = hijzelf | μέγαν (megan) = groots Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: μαγεύω (mageuo), ‘magie bedrijven’: van μάγος (magos), zoals de ‘magiërs’ in Matt. 2:1. ἔθνος (ethnos), ‘volk’: het volk van Samaria. Zie ook Joh. 4:9 over de Samaritanen. Zie ook: Mat 2:1; Joh 4:9 **8:10** Allen, van klein tot groot, schonken hem aandacht. Zij zeiden: „Deze is de Kracht van Elohim, die de Grote wordt genoemd.” Brontekst: ᾧ (ho) = aan wie | προσεῖχον (proseichon) = schonken aandacht | πάντες (pantes) = allen | ἀπὸ (apo) = van | μικροῦ (mikrou) = klein | ἕως (heos) = tot | μεγάλου (megalou) = groot | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | Δύναμις (Dynamis) = Kracht | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἡ (he) = die | καλουμένη (kaloumene) = genoemd wordt | Μεγάλη (Megale) = de Grote Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡ Δύναμις τοῦ θεοῦ ἡ καλουμένη Μεγάλη (he Dynamis tou theou he kaloumene Megale), ‘de Kracht van Elohim, die de Grote wordt genoemd’: men hield Simon voor een verschijning van de kracht van Elohim. **8:11** Zij schonken hem aandacht, omdat hij hen al geruime tijd met zijn magie had verbijsterd. Brontekst: προσεῖχον (proseichon) = schonken aandacht | δὲ (de) = nu | αὐτῷ (auto) = hem | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = het | ἱκανῷ (hikano) = geruime | χρόνῳ (chrono) = tijd | ταῖς (tais) = met de | μαγείαις (mageiais) = magie | ἐξεστακέναι (exestakenai) = verbijsterd te hebben | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **8:12** Filippus bracht de goede boodschap over het koninkrijk van Elohim en de naam van Yeshua de Messias. Toen zij hem geloofden, werden mannen en vrouwen gedoopt. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = nu | ἐπίστευσαν (episteusan) = zij geloofden | τῷ (to) = aan | Φιλίππῳ (Philippo) = Filippus | εὐαγγελιζομένῳ (euangelizomeno) = die de goede boodschap bracht | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = de | ὀνόματος (onomatos) = naam | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = de Messias | ἐβαπτίζοντο (ebaptizonto) = werden gedoopt | ἄνδρες (andres) = mannen | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | γυναῖκες (gynaikes) = vrouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βασιλεία τοῦ θεοῦ (basileia tou theou), ‘het koninkrijk van Elohim’. ‘De naam van Yeshua de Messias’: Χριστός (Christos) is hier ‘Messias’, zoals in de evangeliën. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:19. Zie ook: Mat 28:19 **8:13** Ook Simon zelf geloofde. Nadat hij gedoopt was, bleef hij Filippus vergezellen. Toen hij tekenen en grote krachten zag gebeuren, stond hij versteld. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Σίμων (Simon) = Simon | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = zelf | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde | καὶ (kai) = en | βαπτισθεὶς (baptistheis) = gedoopt | ἦν (en) = was | προσκαρτερῶν (proskarteron) = zich houdend | τῷ (to) = aan | Φιλίππῳ (Philippo) = Filippus | θεωρῶν (theoron) = aanschouwend | τε (te) = en | σημεῖα (semeia) = tekenen | καὶ (kai) = en | δυνάμεις (dynameis) = krachten | μεγάλας (megalas) = grote | γινομένας (ginomenas) = gebeurend | ἐξίστατο (existato) = stond versteld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δύναμις (dynamis), ‘kracht’: meervoud, ‘krachtige daden’; wij schrijven ‘krachten’, zoals in Matt. 11:20. ἐξίστημι (existemi), ‘versteld staan’: buiten zichzelf zijn van verbazing; hetzelfde woord als ‘verbijsteren’ in 8:9. Zie ook: Mat 11:20 ### Petrus en Johannes in Samaria **8:14** Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat Samaria het woord van Elohim had aangenomen, zonden zij Petrus en Johannes naar hen toe. Brontekst: Ἀκούσαντες (Akousantes) = horend | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | ὅτι (hoti) = dat | δέδεκται (dedektai) = heeft aangenomen | ἡ (he) = de | Σαμάρεια (Samareia) = Samaria | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’: van hetzelfde woord komt ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’. Samaria heeft ‘het woord van Elohim aangenomen’. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:8. Zie ook: Hand 1:8 **8:15** Toen zij waren afgedaald, baden zij voor hen dat zij de Heilige Geest zouden ontvangen. Brontekst: οἵτινες (hoitines) = die | καταβάντες (katabantes) = afgedaald | προσηύξαντο (proseyxanto) = baden | περὶ (peri) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | ὅπως (hopos) = opdat | λάβωσιν (labosin) = zij zouden ontvangen | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἅγιον (hagion) = Heilige Bron: SBLGNT **8:16** Want de Geest was nog op niemand van hen neergekomen. Zij waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Yeshua. Brontekst: οὐδέπω (oudepo) = nog niet | γὰρ (gar) = want | ἦν (en) = was | ἐπ’ (ep’) = op | οὐδενὶ (oudeni) = niemand | αὐτῶν (auton) = van hen | ἐπιπεπτωκός (epipeptokos) = neergekomen | μόνον (monon) = alleen | δὲ (de) = maar | βεβαπτισμένοι (bebaptismenoi) = gedoopt | ὑπῆρχον (hyperchon) = waren zij | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen onderwerp: ‘het was nog op niemand neergekomen’. De onzijdige vorm ἐπιπεπτωκός (epipepto­kos) verwijst naar πνεῦμα (pneuma), ‘Geest’, in vers 15; wij schrijven ‘de Geest’. κυρίου Ἰησοῦ (kyriou Iesou), ‘de Heer Yeshua’: κύριος is hier een titel van Yeshua. Zie ook: Hand 8:15 **8:17** Toen legden zij hun de handen op, en zij ontvingen de Heilige Geest. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἐπετίθεσαν (epetithesan) = legden zij op | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἐλάμβανον (elambanon) = zij ontvingen | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἅγιον (hagion) = Heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτίθημι τὰς χεῖρας (epitithemi tas cheiras), ‘de handen opleggen’: het gebaar uit 6:6. **8:18** Toen Simon zag dat de Geest gegeven wordt door de handoplegging van de apostelen, bood hij hun geld aan Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziend | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Σίμων (Simon) = Simon | ὅτι (hoti) = dat | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | ἐπιθέσεως (epitheseos) = oplegging | τῶν (ton) = van de | χειρῶν (cheiron) = handen | τῶν (ton) = van de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | δίδοται (didotai) = gegeven wordt | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | προσήνεγκεν (prosenenken) = bood aan | αὐτοῖς (autois) = hun | χρήματα (chremata) = geld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπίθεσις τῶν χειρῶν (epithesis ton cheiron), ‘handoplegging’. χρήματα (chremata), ‘geld’: bezit dat men gebruikt als betaalmiddel. **8:19** en zei: „Geef ook mij dit gezag, zodat ieder aan wie ik de handen oplegt, de Heilige Geest ontvangt.” Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Δότε (Dote) = geef | κἀμοὶ (kamoi) = ook aan mij | τὴν (ten) = het | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ταύτην (tauten) = dit | ἵνα (hina) = zodat | ᾧ (ho) = aan wie | ἐὰν (ean) = ook maar | ἐπιθῶ (epitho) = ik oplegt | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | λαμβάνῃ (lambane) = hij ontvangt | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἅγιον (hagion) = Heilige Bron: SBLGNT **8:20** Petrus zei tegen hem: „Je geld ga met jou naar het verderf, want je meende de gave van Elohim met geld te kunnen verwerven. Brontekst: Πέτρος (Petros) = Petrus | δὲ (de) = nu | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = hem | Τὸ (To) = het | ἀργύριόν (argyrion) = geld | σου (sou) = jouw | σὺν (syn) = met | σοὶ (soi) = jou | εἴη (eie) = moge zijn | εἰς (eis) = naar | ἀπώλειαν (apoleian) = verderf | ὅτι (hoti) = want | τὴν (ten) = de | δωρεὰν (dorean) = gave | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐνόμισας (enomisas) = jij meende | διὰ (dia) = door | χρημάτων (chrematon) = geld | κτᾶσθαι (ktasthai) = te verwerven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀργύριον (argyrion), ‘geld’: letterlijk ‘zilver’, zoals in Luc. 22:5; in dit vers staan ἀργύριον en χρήματα (chremata) naast elkaar, beide ‘geld’. εἴη (eie), ‘moge zijn’: een wens of vloek in de vorm van een wens. δωρεά (dorea), ‘gave’: een geschenk dat men niet kan kopen. Zie ook: Luc 22:5 **8:21** Je hebt geen deel en geen erfdeel in dit woord, want je hart is niet oprecht voor Elohim. Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | σοι (soi) = voor jou | μερὶς (meris) = deel | οὐδὲ (oude) = en geen | κλῆρος (kleros) = erfdeel | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | τούτῳ (touto) = dit | ἡ (he) = de | γὰρ (gar) = want | καρδία (kardia) = hart | σου (sou) = jouw | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | εὐθεῖα (eutheia) = oprecht | ἔναντι (enanti) = voor | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λόγος (logos), ‘woord’: hier waarschijnlijk de zaak of de boodschap waar het hier over gaat. Wij houden ‘woord’. εὐθεῖα (eutheia), ‘oprecht’: letterlijk ‘recht’. **8:22** Bekeer je dus van deze slechtheid van jou en smeek de Heer of de bedoeling van je hart je misschien vergeven wordt. Brontekst: μετανόησον (metanoeson) = bekeer je | οὖν (oun) = dus | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | κακίας (kakias) = slechtheid | σου (sou) = jouw | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | δεήθητι (deetheti) = smeek | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Heer | εἰ (ei) = of | ἄρα (ara) = misschien | ἀφεθήσεταί (aphethesetai) = vergeven zal worden | σοι (soi) = aan jou | ἡ (he) = de | ἐπίνοια (epinoia) = bedoeling | τῆς (tes) = van het | καρδίας (kardias) = hart | σου (sou) = jouw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: verandering van denken. κύριος (kyrios), ‘Heer’: Petrus zegt niet welke Heer hij bedoelt; wij houden ‘de Heer’ met hoofdletter, zoals in 8:16 en 8:24. **8:23** Want ik zie dat je in de gal van bitterheid en in de boeien van onrecht verkeert.” Brontekst: εἰς (eis) = tot | γὰρ (gar) = want | χολὴν (cholen) = gal | πικρίας (pikrias) = van bitterheid | καὶ (kai) = en | σύνδεσμον (syndesmon) = band | ἀδικίας (adikias) = van onrecht | ὁρῶ (horo) = ik zie | σε (se) = jou | ὄντα (onta) = zijnde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χολὴ πικρίας (chole pikrias), ‘gal van bitterheid’: vergelijk Deut. 29:17, ‘een wortel die gif en alsem voortbrengt’. σύνδεσμος ἀδικίας (syndesmos adikias), ‘boei van onrecht’: vergelijk Jes. 58:6, ‘de ketenen van goddeloosheid’. Voetnoot : Zie ook Deut. 29:17; Jes. 58:6. Zie ook: Deut 29:17; Jes 58:6 **8:24** Simon antwoordde: „Smeek jullie voor mij bij de Heer, zodat niets van wat jullie gezegd hebben, mij overkomt.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Σίμων (Simon) = Simon | εἶπεν (eipen) = zei | Δεήθητε (Deethete) = smeek | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὑπὲρ (hyper) = voor | ἐμοῦ (emou) = mij | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | ὅπως (hopos) = opdat | μηδὲν (meden) = niets | ἐπέλθῃ (epelthe) = overkomt | ἐπ’ (ep’) = over | ἐμὲ (eme) = mij | ὧν (hon) = van wat | εἰρήκατε (eirekate) = jullie hebben gezegd Bron: SBLGNT **8:25** Nadat zij nadrukkelijk getuigd en het woord van de Heer gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem. In veel dorpen van de Samaritanen brachten zij de goede boodschap. Brontekst: Οἱ (Hoi) = zij | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | διαμαρτυράμενοι (diamartyramenoi) = nadrukkelijk getuigd hebbend | καὶ (kai) = en | λαλήσαντες (lalesantes) = gesproken hebbend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | ὑπέστρεφον (hypestrephon) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | πολλάς (pollas) = veel | τε (te) = en | κώμας (komas) = dorpen | τῶν (ton) = van de | Σαμαριτῶν (Samariton) = Samaritanen | εὐηγγελίζοντο (euengelizonto) = brachten de goede boodschap Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ὁ λόγος τοῦ κυρίου (ho logos tou kyriou), ‘het woord van de Heer’: wij lezen hier de Heer Yeshua en schrijven ‘Heer’ met hoofdletter; vergelijk ‘het woord van Elohim’ in 8:14. ### Filippus en de eunuch uit Ethiopië **8:26** Een engel van Yahweh sprak tot Filippus. Hij zei: „Sta op en ga naar het zuiden, op de weg die van Jeruzalem naar Gaza afdaalt.” Deze weg is verlaten. Brontekst: Ἄγγελος (Angelos) = engel | δὲ (de) = nu | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | πρὸς (pros) = tot | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | λέγων (legon) = zeggend | Ἀνάστηθι (Anastethi) = sta op | καὶ (kai) = en | πορεύου (poreuou) = ga | κατὰ (kata) = naar | μεσημβρίαν (mesembrian) = het zuiden | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | τὴν (ten) = die | καταβαίνουσαν (katabainousan) = afdaalt | ἀπὸ (apo) = van | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | εἰς (eis) = naar | Γάζαν (Gazan) = Gaza | αὕτη (haute) = deze | ἐστὶν (estin) = is | ἔρημος (eremos) = verlaten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Voetnoot Uitleg: ἄγγελος κυρίου (angelos kyriou), ‘engel van Yahweh’: zie 5:19. κατὰ μεσημβρίαν (kata mesembrian), ‘naar het zuiden’: het kan ook ‘op het middaguur’ betekenen. Γάζα (Gaza) ligt aan de kust, ten zuidwesten van Jeruzalem. αὕτη ἐστὶν ἔρημος (haute estin eremos), ‘deze is verlaten’: het Grieks zegt niet of de weg of de stad Gaza bedoeld is, en ook niet of de engel dit zegt of de verteller; wij zetten het buiten de aanhalingstekens. **8:27** Hij stond op en ging. En zie: een Ethiopiër, een eunuch, hoge functionaris van Kandake, de koningin van de Ethiopiërs. Hij was over heel haar schatkist gesteld en was naar Jeruzalem gekomen om zich neer te buigen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἀνὴρ (aner) = een man | Αἰθίοψ (Aithiops) = Ethiopiër | εὐνοῦχος (eunouchos) = eunuch | δυνάστης (dynastes) = hoge functionaris | Κανδάκης (Kandakes) = van Kandake | βασιλίσσης (basilisses) = koningin | Αἰθιόπων (Aithiopon) = van de Ethiopiërs | ὃς (hos) = die | ἦν (en) = was | ἐπὶ (epi) = over | πάσης (pases) = heel | τῆς (tes) = de | γάζης (gazes) = schatkist | αὐτῆς (autes) = haar | ὃς (hos) = die | ἐληλύθει (elelythei) = gekomen was | προσκυνήσων (proskyneson) = om zich neer te buigen | εἰς (eis) = in | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Αἰθίοψ (Aithiops), ‘Ethiopiër’: in het Oude Testament heet dit gebied Kush (Jes. 18:1; Jer. 13:23), ten zuiden van Egypte; het is niet het huidige Ethiopië. εὐνοῦχος (eunouchos), ‘eunuch’: een hofbeambte; vergelijk Jes. 56:3–5, waar de ‘hofdienaar’ bij Yahweh hoort. Κανδάκη (Kandake): waarschijnlijk een titel van de koningin van dit rijk, geen eigennaam. γάζα (gaza), ‘schatkist’. προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’. Voetnoot : Zie ook Jes. 56:3–5. Zie ook: Jes 18:1; Jes 56:3–5; Jer 13:23 **8:28** Hij was op de terugweg, zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja. Brontekst: ἦν (en) = was | τε (te) = en | ὑποστρέφων (hypostrephon) = terugkerend | καὶ (kai) = en | καθήμενος (kathemenos) = zittend | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = de | ἅρματος (harmatos) = wagen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀνεγίνωσκεν (aneginosken) = las | τὸν (ton) = de | προφήτην (propheten) = profeet | Ἠσαΐαν (Esaian) = Jesaja Bron: SBLGNT **8:29** Toen zei de Geest tegen Filippus: **„Ga erheen en sluit je aan bij deze wagen.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τῷ (to) = tegen | Φιλίππῳ (Philippo) = Filippus | Πρόσελθε (Proselthe) = ga erheen | καὶ (kai) = en | κολλήθητι (kolletheti) = sluit je aan | τῷ (to) = bij | ἅρματι (harmati) = wagen | τούτῳ (touto) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸ πνεῦμα (to pneuma), ‘de Geest’: de Geest van Elohim, die hier spreekt. Zijn woorden staan rood, als woorden van Elohim zelf. **8:30** Filippus rende erheen, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: „Begrijp je dan wel wat je leest?” Brontekst: προσδραμὼν (prosdramon) = toegerend | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | αὐτοῦ (autou) = hem | ἀναγινώσκοντος (anaginoskontos) = lezend | Ἠσαΐαν (Esaian) = Jesaja | τὸν (ton) = de | προφήτην (propheten) = profeet | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἆρά (Ara) = dan | γε (ge) = toch | γινώσκεις (ginoskeis) = begrijp je | ἃ (ha) = wat | ἀναγινώσκεις (anaginoskeis) = je leest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks maakt een woordspeling: ἀναγινώσκεις (anaginoskeis), ‘je leest’, en γινώσκεις (ginoskeis), ‘je begrijpt’. **8:31** De eunuch zei: „Hoe zou ik dat kunnen, tenzij iemand mij de weg wijst?” En hij verzocht Filippus naar boven te komen en naast hem te gaan zitten. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = nu | εἶπεν (eipen) = zei | Πῶς (Pos) = hoe | γὰρ (gar) = want | ἂν (an) = zou | δυναίμην (dynaimen) = ik kunnen | ἐὰν (ean) = als | μή (me) = niet | τις (tis) = iemand | ὁδηγήσει (hodegesei) = zal leiden | με (me) = mij | παρεκάλεσέν (parekalesen) = verzocht hij | τε (te) = en | τὸν (ton) = de | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | ἀναβάντα (anabanta) = opgestegen | καθίσαι (kathisai) = te gaan zitten | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier ‘Hij’ (ὁ δέ); wij schrijven ‘de eunuch’ om verwarring met Filippus te voorkomen. ὁδηγέω (hodegeo), ‘de weg wijzen’. **8:32** Het gedeelte van de Schrift dat hij las, was dit: „Als een schaap werd hij ter slachting geleid, en als een lam dat stom is voor wie het scheert, zo opent hij zijn mond niet. Brontekst: ἡ (he) = het | δὲ (de) = nu | περιοχὴ (perioche) = gedeelte | τῆς (tes) = van de | γραφῆς (graphes) = Schrift | ἣν (hen) = dat | ἀνεγίνωσκεν (aneginosken) = hij las | ἦν (en) = was | αὕτη (haute) = dit | Ὡς (Hos) = als | πρόβατον (probaton) = schaap | ἐπὶ (epi) = ter | σφαγὴν (sphagen) = slachting | ἤχθη (echthe) = werd geleid | καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = als | ἀμνὸς (amnos) = lam | ἐναντίον (enantion) = voor | τοῦ (tou) = wie | κείραντος (keirantos) = scheert | αὐτὸν (auton) = hem | ἄφωνος (aphonos) = stom | οὕτως (houtos) = zo | οὐκ (ouk) = niet | ἀνοίγει (anoigei) = opent | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Jes. 53:7–8 in de Griekse vorm. Het Hebreeuws heeft in vers 7: ‘Hij werd onderdrukt en hij werd vernederd … Als een lam wordt hij naar de slacht geleid, en als een ooi is hij stom voor haar scheerders’ en in vers 8: ‘Door onderdrukking en rechtspraak is hij weggenomen … hij is afgesneden uit het land van de levenden’. De Griekse tekst heeft in 8:33 ‘In zijn vernedering werd zijn recht weggenomen’ en ‘zijn leven wordt van de aarde weggenomen’. ἄφωνος (afonos), ‘stom’. Voetnoot : Zie ook Jes. 53:7–8. Zie ook: Jes 53:7–8; Hand 8:7; Hand 8:8 **8:33** In zijn vernedering werd zijn recht weggenomen. Wie zal over zijn generatie vertellen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen.” Brontekst: ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ταπεινώσει (tapeinosei) = vernedering | ἡ (he) = het | κρίσις (krisis) = recht | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἤρθη (erthe) = werd weggenomen | τὴν (ten) = de | γενεὰν (genean) = generatie | αὐτοῦ (autou) = zijn | τίς (tis) = wie | διηγήσεται (diegesetai) = zal vertellen | ὅτι (hoti) = want | αἴρεται (airetai) = wordt weggenomen | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἡ (he) = het | ζωὴ (zoe) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **8:34** De eunuch antwoordde Filippus: „Ik vraag je: over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over een ander?” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | εὐνοῦχος (eunouchos) = eunuch | τῷ (to) = aan | Φιλίππῳ (Philippo) = Filippus | εἶπεν (eipen) = zei | Δέομαί (Deomai) = ik vraag | σου (sou) = jou | περὶ (peri) = over | τίνος (tinos) = wie | ὁ (ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet | λέγει (legei) = zegt | τοῦτο (touto) = dit | περὶ (peri) = over | ἑαυτοῦ (heautou) = zichzelf | ἢ (e) = of | περὶ (peri) = over | ἑτέρου (heterou) = een ander | τινός (tinos) = iemand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δέομαι (deomai), ‘vragen, smeken’. De eunuch vraagt of de profeet over zichzelf spreekt of over een ander; de tekst zelf noemt geen naam. **8:35** Filippus opende zijn mond, begon bij dit Schriftgedeelte en bracht hem de goede boodschap van Yeshua. Brontekst: ἀνοίξας (anoixas) = openend | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀρξάμενος (arxamenos) = beginnend | ἀπὸ (apo) = bij | τῆς (tes) = de | γραφῆς (graphes) = Schrift | ταύτης (tautes) = deze | εὐηγγελίσατο (euengelisato) = bracht de goede boodschap | αὐτῷ (auto) = hem | τὸν (ton) = over | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρξάμενος ἀπὸ τῆς γραφῆς ταύτης (arxamenos apo tes graphes tautes), ‘beginnend bij deze Schrift’: vergelijk Luc. 24:27, waar Yeshua uitlegt wat in de Schriften over Hem staat. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:27. Zie ook: Luc 24:27 **8:36** Terwijl zij langs de weg gingen, kwamen zij bij wat water. De eunuch zei: „Zie, water! Wat belet mij gedoopt te worden?” Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐπορεύοντο (eporeuonto) = zij gingen | κατὰ (kata) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | ἦλθον (elthon) = kwamen zij | ἐπί (epi) = bij | τι (ti) = enig | ὕδωρ (hydor) = water | καί (kai) = en | φησιν (phesin) = zegt | ὁ (ho) = de | εὐνοῦχος (eunouchos) = eunuch | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὕδωρ (hydor) = water | τί (ti) = wat | κωλύει (kolyei) = belet | με (me) = mij | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Het versnummer 37 ontbreekt daarom. **8:38** De eunuch beval de wagen stil te laten staan. Zij daalden beiden af in het water, Filippus en de eunuch, en Filippus doopte hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | στῆναι (stenai) = stil te staan | τὸ (to) = de | ἅρμα (harma) = wagen | καὶ (kai) = en | κατέβησαν (katebesan) = daalden af | ἀμφότεροι (amphoteroi) = beiden | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | ὅ (ho) = de | τε (te) = en | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | εὐνοῦχος (eunouchos) = eunuch | καὶ (kai) = en | ἐβάπτισεν (ebaptisen) = doopte | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier alleen ‘hij’ (bij ‘beval’ en bij ‘doopte’); wij schrijven ‘de eunuch’ en ‘Filippus’ om verwarring te voorkomen. **8:39** Toen zij uit het water omhoog kwamen, rukte de Geest van Yahweh Filippus weg, en de eunuch zag hem niet meer. Hij ging verheugd verder op zijn weg. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = nu | ἀνέβησαν (anebesan) = zij opstegen | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὕδατος (hydatos) = water | πνεῦμα (pneuma) = Geest | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἥρπασεν (herpasen) = rukte weg | τὸν (ton) = de | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | εἶδεν (eiden) = zag | αὐτὸν (auton) = hem | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | ὁ (ho) = de | εὐνοῦχος (eunouchos) = eunuch | ἐπορεύετο (eporeueto) = ging | γὰρ (gar) = want | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | αὐτοῦ (autou) = zijn | χαίρων (chairon) = zich verheugend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα κυρίου (pneuma kyriou), ‘Geest van Yahweh’: κυρίου is vertaald als Yahweh, naar het Oude Testament, waar de Geest van Yahweh iemand meeneemt (1 Kon. 18:12; Ezech. 3:14). ἁρπάζω (harpazo), ‘wegrukken’. Voetnoot : Zie ook 1 Kon. 18:12; Ezech. 3:14. Zie ook: 1 Kon 18:12; Ezech 3:14 **8:40** Filippus werd aangetroffen in Asdod. Hij trok door alle steden en bracht de goede boodschap, totdat hij in Caesarea kwam. Brontekst: Φίλιππος (Philippos) = Filippus | δὲ (de) = nu | εὑρέθη (heurethe) = werd aangetroffen | εἰς (eis) = in | Ἄζωτον (Azoton) = Asdod | καὶ (kai) = en | διερχόμενος (dierchomenos) = doortrekkend | εὐηγγελίζετο (euengelizeto) = bracht de goede boodschap | τὰς (tas) = de | πόλεις (poleis) = steden | πάσας (pasas) = alle | ἕως (heos) = totdat | τοῦ (tou) = het | ἐλθεῖν (elthein) = komen | αὐτὸν (auton) = hij | εἰς (eis) = in | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: Ἄζωτος (Azotos), ‘Asdod’: de Filistijnse stad uit het Oude Testament, aan de kust. Καισάρεια (Kaisareia), ‘Caesarea’: de havenstad aan de Middellandse Zee. ## Handelingen 9 _De bekering van Saulus, Eneas in Lod en Tabita in Jafo_ ### De bekering van Saulus **9:1** Saulus ademde nog steeds bedreiging en moord uit tegen de leerlingen van de Heer. Hij ging naar de hogepriester Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = nu | Σαῦλος (Saulos) = Saulus | ἔτι (eti) = nog | ἐμπνέων (empneon) = ademend | ἀπειλῆς (apeiles) = bedreiging | καὶ (kai) = en | φόνου (phonou) = moord | εἰς (eis) = tegen | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | προσελθὼν (proselthon) = naderend | τῷ (to) = de | ἀρχιερεῖ (archierei) = hogepriester Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμπνέων (empneon), ‘ademend’: Saulus was zo vol van bedreiging en moord alsof hij daarvan ademde. Σαῦλος (Saulos), ‘Saulus’, is de Griekse vorm van de naam Saul (vergelijk Σαούλ in vers 4). κύριος (kyrios), ‘Heer’, is hier Yeshua; zie Hand. 1:21. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:21. Zie ook: Hand 1:21; Hand 9:4 **9:2** en vroeg hem om brieven voor de synagogen in Damascus. Als hij mensen vond die tot de Weg behoorden, mannen en vrouwen, dan wilde hij hen geboeid naar Jeruzalem brengen. Brontekst: ᾐτήσατο (etesato) = vroeg | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | ἐπιστολὰς (epistolas) = brieven | εἰς (eis) = naar | Δαμασκὸν (Damaskon) = Damascus | πρὸς (pros) = aan | τὰς (tas) = de | συναγωγάς (synagogas) = synagogen | ὅπως (hopos) = opdat | ἐάν (ean) = als | τινας (tinas) = enigen | εὕρῃ (heure) = hij vond | τῆς (tes) = van de | ὁδοῦ (hodou) = Weg | ὄντας (ontas) = zijnde | ἄνδρας (andras) = mannen | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = en | γυναῖκας (gynaikas) = vrouwen | δεδεμένους (dedemenous) = geboeid | ἀγάγῃ (agage) = hij zou brengen | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἡ ὁδός (he hodos), ‘de Weg’: zo wordt hier de beweging van de volgelingen van Yeshua genoemd. Het woord betekent ook ‘weg’ en ‘levenswijze’; vergelijk Joh. 14:6, waar Yeshua zegt: ‘Ik ben de weg’. De naam komt in dit boek vaker voor, bijvoorbeeld in 19:9, 19:23, 22:4, 24:14 en 24:22. Voetnoot : Zie ook Joh. 14:6; Hand. 22:4. Zie ook: Joh 14:6; Hand 22:4 **9:3** Terwijl hij onderweg was, gebeurde het dat hij Damascus naderde. Plotseling schitterde er een licht uit de hemel om hem heen. Brontekst: ἐν (en) = bij | δὲ (de) = nu | τῷ (to) = het | πορεύεσθαι (poreuesthai) = reizen | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | αὐτὸν (auton) = hem | ἐγγίζειν (engizein) = naderen | τῇ (te) = aan | Δαμασκῷ (Damasko) = Damascus | ἐξαίφνης (exaiphnes) = plotseling | τε (te) = en | αὐτὸν (auton) = hem | περιήστραψεν (periestrapsen) = schitterde rondom | φῶς (phos) = licht | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: ἐγένετο (egeneto), ‘het gebeurde’: Lucas begint zo vaak een gebeurtenis, naar het voorbeeld van het Hebreeuwse וַיְהִי (vayehi). Wij schrijven ‘Het gebeurde dat’ waar dat natuurlijk klinkt en laten het anders weg; in de glosses staat het woord altijd. Voetnoot : De verschijning bij Damascus wordt in 22:6–11 en 26:12–18 opnieuw verteld. Voetnoot : Zie ook Hand. 22:6; Hand. 26:13. Zie ook: Hand 22:6; Hand 26:13 **9:4** Hij viel op de grond en hoorde een stem die tegen hem zei: **„Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | πεσὼν (peson) = gevallen | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | φωνὴν (phonen) = stem | λέγουσαν (legousan) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tot hem | Σαοὺλ (Saoul) = Saul | Σαούλ (Saoul) = Saul | τί (ti) = waarom | με (me) = Mij | διώκεις (diokeis) = vervolg je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαούλ (Saoul), ‘Saul’: de vorm van de naam zoals de koning Saul die draagt (1 Sam. 9:2). Overal elders in dit hoofdstuk staat de Griekse vorm Σαῦλος, ‘Saulus’. De stem is die van Yeshua (vers 5); Zijn woorden zijn rood. διώκω (dioko), ‘vervolgen’: ook ‘achternazitten’. Wie de leerlingen vervolgt, vervolgt Hem. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 9:2. Zie ook: 1 Sam 9:2; Hand 9:5 **9:5** Hij zei: „Wie bent U, Heer?” Hij antwoordde: **„Ik ben Yeshua, die jij vervolgt.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δέ (de) = nu | Τίς (Tis) = wie | εἶ (ei) = bent U | κύριε (kyrie) = Heer | ὁ (ho) = de | δέ (de) = maar | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὃν (hon) = die | σὺ (sy) = jij | διώκεις (diokeis) = vervolgt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: Saulus weet nog niet wie spreekt; het woord kan ook een eerbiedige aanspreking zijn. Het antwoord maakt duidelijk dat het Yeshua is. Wij schrijven ‘U’ en ‘Heer’. Bij ‘Maar Hij’ (ὁ δέ) staat geen werkwoord in het Grieks; wij vullen ‘antwoordde’ aan. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staan hier in vers 5 en 6 extra woorden, die lijken op die van 22:10 en 26:14. Wij vertalen alleen wat in de SBLGNT staat. Zie ook: Hand 9:6 **9:6** **Maar sta op en ga de stad in. Er zal tot je gesproken worden over wat je moet doen.”** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἀνάστηθι (anastethi) = sta op | καὶ (kai) = en | εἴσελθε (eiselthe) = ga binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | λαληθήσεταί (lalethesetai) = er zal gesproken worden | σοι (soi) = tot jou | ὅ (ho) = wat | τί (ti) = ook | σε (se) = je | δεῖ (dei) = moet | ποιεῖν (poiein) = doen Bron: SBLGNT **9:7** De mannen die met hem meereisden, bleven sprakeloos staan. Zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = nu | ἄνδρες (andres) = mannen | οἱ (hoi) = die | συνοδεύοντες (synodeuontes) = meereisden | αὐτῷ (auto) = met hem | εἱστήκεισαν (heistekeisan) = stonden | ἐνεοί (eneoi) = sprakeloos | ἀκούοντες (akouontes) = horend | μὲν (men) = wel | τῆς (tes) = de | φωνῆς (phones) = stem | μηδένα (medena) = niemand | δὲ (de) = maar | θεωροῦντες (theorountes) = ziend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀκούοντες μὲν τῆς φωνῆς (akouontes men tes phones), ‘wel de stem horend’. In 22:9 staat dat de reisgenoten de stem ‘niet hoorden’; dat lijkt het tegenovergestelde. Wij vertalen beide verzen zoals ze staan. ἐνεός (eneos), ‘sprakeloos’. Voetnoot : Zie ook Hand. 22:9. Zie ook: Hand 22:9 **9:8** Saulus stond op van de grond. Zijn ogen waren open, maar hij zag niets. Zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. Brontekst: ἠγέρθη (egerthe) = stond op | δὲ (de) = nu | Σαῦλος (Saulos) = Saulus | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = grond | ἀνεῳγμένων (aneogmenon) = geopend zijnde | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = de | ὀφθαλμῶν (ophthalmon) = ogen | αὐτοῦ (autou) = zijn | οὐδὲν (ouden) = niets | ἔβλεπεν (eblepen) = zag | χειραγωγοῦντες (cheiragogountes) = bij de hand leidend | δὲ (de) = nu | αὐτὸν (auton) = hem | εἰσήγαγον (eisegagon) = brachten binnen | εἰς (eis) = naar | Δαμασκόν (Damaskon) = Damascus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. **9:9** Drie dagen lang kon hij niet zien. Hij at niet en dronk niet. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τρεῖς (treis) = drie | μὴ (me) = niet | βλέπων (blepon) = ziend | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔφαγεν (ephagen) = at | οὐδὲ (oude) = noch | ἔπιεν (epien) = dronk Bron: SBLGNT ### Ananias en Saulus in Damascus **9:10** In Damascus was een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: **„Ananias!”** Hij zei: „Hier ben ik, Heer.” Brontekst: Ἦν (En) = was | δέ (de) = nu | τις (tis) = een zekere | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ἐν (en) = in | Δαμασκῷ (Damasko) = Damascus | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = in | ὁράματι (horamati) = visioen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | Ἁνανία (Hanania) = Ananias | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐγώ (ego) = ik | κύριε (kyrie) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Ἁνανίας (Hananias), ‘Ananias’: de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Chananja, ‘Yahweh is genadig’. ὅραμα (horama), ‘visioen’. Ἰδοὺ ἐγώ (idou ego), ‘zie, hier ben ik’: het Hebreeuwse הִנֵּנִי (hinneni), het antwoord van wie door Elohim geroepen wordt (Gen. 22:1; 1 Sam. 3:4). De woorden van de Heer in dit visioen (vers 10–16) zijn de woorden van Yeshua en dus rood. Voetnoot : Zie ook Gen. 22:1; 1 Sam. 3:4. Zie ook: Gen 22:1; 1 Sam 3:4 **9:11** De Heer zei tegen hem: **„Sta op en ga naar de straat die De Rechte genoemd wordt. Zoek in het huis van Judas iemand uit Tarsus die Saulus heet. Want zie, hij bidt.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | κύριος (kyrios) = Heer | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Ἀναστὰς (Anastas) = opgestaan | πορεύθητι (poreutheti) = ga | ἐπὶ (epi) = naar | τὴν (ten) = de | ῥύμην (rhymen) = straat | τὴν (ten) = de | καλουμένην (kaloumenen) = genoemde | Εὐθεῖαν (Eutheian) = De Rechte | καὶ (kai) = en | ζήτησον (zeteson) = zoek | ἐν (en) = in | οἰκίᾳ (oikia) = huis | Ἰούδα (Iouda) = van Judas | Σαῦλον (Saulon) = Saulus | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ταρσέα (Tarsea) = uit Tarsus | ἰδοὺ (idou) = zie | γὰρ (gar) = want | προσεύχεται (proseuchetai) = bidt Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie De Rechte Straat (Damascus): De straat die De Rechte heet (Via Recta) was de lange oost-westweg in Damascus. Ze is nog te herkennen in de huidige Midhat Pasha-straat in de oude stad. Zie Tarsus: Tarsus, de stad waar Saulus geboren werd, lag in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, bij Mersin. Voetnoot Uitleg: ῥύμη (rhyme), ‘straat’. Εὐθεῖα (Eutheia) betekent ‘recht’; het is de straat die ‘De Rechte’ heet. Waar deze straat in Damascus precies liep, weten wij niet zeker. Ταρσεύς (Tarseus), ‘uit Tarsus’: Tarsus was een stad in Cilicië. **9:12** **Hij heeft in een visioen een man gezien, Ananias genaamd, die binnenkwam en hem de handen oplegde, zodat hij weer kon zien.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶδεν (eiden) = zag | ἄνδρα (andra) = man | ἐν (en) = in | ὁράματι (horamati) = visioen | Ἁνανίαν (Hananian) = Ananias | ὀνόματι (onomati) = genaamd | εἰσελθόντα (eiselthonta) = binnenkomend | καὶ (kai) = en | ἐπιθέντα (epithenta) = oplegd hebbend | αὐτῷ (auto) = hem | χεῖρας (cheiras) = handen | ὅπως (hopos) = opdat | ἀναβλέψῃ (anablepse) = hij weer zou zien Bron: SBLGNT **9:13** Ananias antwoordde: „Heer, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | δὲ (de) = nu | Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἤκουσα (ekousa) = ik hoorde | ἀπὸ (apo) = van | πολλῶν (pollon) = velen | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | ἀνδρὸς (andros) = man | τούτου (toutou) = deze | ὅσα (hosa) = hoeveel | κακὰ (kaka) = kwaad | τοῖς (tois) = aan de | ἁγίοις (hagiois) = heiligen | σου (sou) = Uw | ἐποίησεν (epoiesen) = hij deed | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: de gelovigen, mensen die aan Elohim gewijd zijn. Wij vertalen het overal zo (ook 9:32 en 9:41). **9:14** En hier heeft hij van de hogepriesters het gezag om allen die Uw naam aanroepen, te boeien.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὧδε (hode) = hier | ἔχει (echei) = heeft | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | παρὰ (para) = van | τῶν (ton) = de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | δῆσαι (desai) = te boeien | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | ἐπικαλουμένους (epikaloumenous) = aanroepen | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπικαλέω τὸ ὄνομα (epikaleo to onoma), ‘de naam aanroepen’: zo worden de gelovigen hier beschreven (ook vers 21). De uitdrukking komt uit Joël 3:5 (in de Nederlandse telling is dit 2:32): ‘ieder die de naam van Yahweh aanroept, zal ontkomen’. Hier is het de naam van Yeshua. δέω (deo), ‘boeien’: vastbinden. Voetnoot : Zie ook Joël 3:5. Zie ook: Joël 3:5; Hand 9:21 **9:15** De Heer zei tegen hem: **„Ga. Want deze man is voor Mij een uitverkoren werktuig om Mijn naam te dragen voor de volken, voor koningen en voor de zonen van Israël.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | Πορεύου (Poreuou) = ga | ὅτι (hoti) = want | σκεῦος (skeuos) = werktuig | ἐκλογῆς (ekloges) = van keuze | ἐστίν (estin) = is | μοι (moi) = voor Mij | οὗτος (houtos) = deze | τοῦ (tou) = om | βαστάσαι (bastasai) = te dragen | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | μου (mou) = Mijn | ἐνώπιον (enopion) = voor | ἐθνῶν (ethnon) = volken | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = en | βασιλέων (basileon) = koningen | υἱῶν (huion) = zonen | τε (te) = ook | Ἰσραήλ (Israel) = van Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκεῦος ἐκλογῆς (skeuos ekloges), letterlijk ‘een vat of werktuig van keuze’: iets wat Hij Zelf heeft uitgekozen en gebruikt. ἔθνη (ethne), ‘de volken’: de niet-Joden; wij vertalen het overal zo. Saulus zal het meest bekend worden als de apostel van de volken (zie ook 22:21 en 26:17). **9:16** **Want Ik zal hem laten zien wat hij allemaal moet lijden voor Mijn naam.”** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | γὰρ (gar) = want | ὑποδείξω (hypodeixo) = zal tonen | αὐτῷ (auto) = aan hem | ὅσα (hosa) = hoeveel | δεῖ (dei) = het is nodig | αὐτὸν (auton) = hem | ὑπὲρ (hyper) = voor | τοῦ (tou) = de | ὀνόματός (onomatos) = naam | μου (mou) = Mijn | παθεῖν (pathein) = te lijden Bron: SBLGNT **9:17** Ananias ging weg en ging het huis binnen. Hij legde de handen op hem en zei: „Saul, broer, de Heer heeft mij gezonden: Yeshua, die je verscheen op de weg waarlangs je kwam. Zo kun je weer zien en word je vervuld met de Heilige Geest.” Brontekst: ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | δὲ (de) = nu | Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | καὶ (kai) = en | ἐπιθεὶς (epitheis) = oplegd hebbend | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτὸν (auton) = hem | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | εἶπεν (eipen) = zei | Σαοὺλ (Saoul) = Saul | ἀδελφέ (adelphe) = broer | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | ἀπέσταλκέν (apestalken) = heeft gezonden | με (me) = mij | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = die | ὀφθείς (ophtheis) = verschenen is | σοι (soi) = aan jou | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | ᾗ (he) = waarop | ἤρχου (erchou) = je kwam | ὅπως (hopos) = opdat | ἀναβλέψῃς (anablepses) = je weer ziet | καὶ (kai) = en | πλησθῇς (plesthes) = je vervuld wordt | πνεύματος (pneumatos) = met Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀδελφέ (adelphe), ‘broer’: Ananias noemt de vroegere vervolger al ‘broer’. ἀπέσταλκεν (apestalken), ‘heeft gezonden’, van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’. ὅπως (hopos), ‘zodat’: het Grieks heeft één lange zin; wij beginnen bij ‘Zo’ een nieuwe zin. **9:18** Meteen vielen er als schubben van zijn ogen af, en hij kon weer zien. Hij stond op en werd gedoopt. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀπέπεσαν (apepesan) = vielen af | αὐτοῦ (autou) = van hem | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ὀφθαλμῶν (ophthalmon) = ogen | ὡς (hos) = als | λεπίδες (lepides) = schubben | ἀνέβλεψέν (aneblepsen) = hij zag weer | τε (te) = en | καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἐβαπτίσθη (ebaptisthe) = werd gedoopt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεπίς (lepis), ‘schub’, zoals van een vis. Het Grieks zegt ‘als schubben’: iets wat leek op schubben viel van zijn ogen. ἐβαπτίσθη (ebaptisthe), ‘werd gedoopt’; zie ook 22:16. ### Saulus verkondigt Yeshua **9:19** Nadat hij voedsel had genomen, kwam hij weer op krachten. Hij bleef enkele dagen bij de leerlingen in Damascus. Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = genomen hebbend | τροφὴν (trophen) = voedsel | ἐνίσχυσεν (enischysen) = kwam op krachten | Ἐγένετο (Egeneto) = was | δὲ (de) = nu | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἐν (en) = in | Δαμασκῷ (Damasko) = Damascus | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τινὰς (tinas) = enkele Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. **9:20** Meteen verkondigde hij in de synagogen over Yeshua dat Hij de Zoon van Elohim is. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | ἐκήρυσσεν (ekeryssen) = verkondigde hij | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = Deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ θεοῦ (ho huios tou theou), ‘de Zoon van Elohim’: een titel van Yeshua die ook in de evangeliën voorkomt (Matt. 16:16; Joh. 1:49). κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’: als een heraut openlijk bekendmaken. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:16; Joh. 1:49. Zie ook: Mat 16:16; Joh 1:49 **9:21** Allen die het hoorden, verbaasden zich en zeiden: „Is dit niet degene die in Jeruzalem verwoesting aanrichtte onder hen die deze naam aanroepen? En was hij niet hierheen gekomen om hen geboeid naar de hogepriesters te brengen?” Brontekst: ἐξίσταντο (existanto) = verbaasden zich | δὲ (de) = nu | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = die | ἀκούοντες (akouontes) = hoorden | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὐχ (Ouch) = niet | οὗτός (houtos) = is dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | πορθήσας (porthesas) = die verwoest had | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | τοὺς (tous) = degenen | ἐπικαλουμένους (epikaloumenous) = die aanroepen | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῦτο (touto) = deze | καὶ (kai) = en | ὧδε (hode) = hier | εἰς (eis) = tot | τοῦτο (touto) = dit | ἐληλύθει (elelythei) = was gekomen | ἵνα (hina) = opdat | δεδεμένους (dedemenous) = geboeid | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀγάγῃ (agage) = hij zou brengen | ἐπὶ (epi) = bij | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **9:22** Saulus werd steeds sterker. Hij bracht de Joden die in Damascus woonden in verwarring door aan te tonen dat Deze de Messias is. Brontekst: Σαῦλος (Saulos) = Saulus | δὲ (de) = nu | μᾶλλον (mallon) = meer | ἐνεδυναμοῦτο (enedynamouto) = werd gesterkt | καὶ (kai) = en | συνέχυννεν (synechynnen) = bracht in verwarring | τοὺς (tous) = de | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | τοὺς (tous) = die | κατοικοῦντας (katoikountas) = woonden | ἐν (en) = in | Δαμασκῷ (Damasko) = Damascus | συμβιβάζων (symbibazon) = aantonend | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = Deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘Messias’: het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfde’. Wij schrijven overal ‘Messias’. συμβιβάζω (symbibazo), ‘aantonen’: dingen naast elkaar leggen en zo tot een besluit komen. συγχέω (sygcheo), ‘in verwarring brengen’. ### Saulus ontkomt uit Damascus **9:23** Toen er geruime tijd verstreken was, besloten de Joden samen om hem te doden. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐπληροῦντο (eplerounto) = werden vervuld | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἱκαναί (hikanai) = voldoende | συνεβουλεύσαντο (synebouleusanto) = beraadslaagden | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἀνελεῖν (anelein) = te doden | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡμέραι ἱκαναί (hemerai hikanai), ‘geruime tijd’: letterlijk ‘voldoende dagen’. Het Grieks zegt niet hoeveel. **9:24** Hun complot werd aan Saulus bekend. Ook de poorten hielden zij dag en nacht in de gaten om hem te doden. Brontekst: ἐγνώσθη (egnosthe) = werd bekend | δὲ (de) = nu | τῷ (to) = aan de | Σαύλῳ (Saulo) = Saulus | ἡ (he) = het | ἐπιβουλὴ (epiboule) = complot | αὐτῶν (auton) = hun | παρετηροῦντο (pareterounto) = zij bewaakten | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | τὰς (tas) = de | πύλας (pylas) = poorten | ἡμέρας (hemeras) = overdag | τε (te) = en | καὶ (kai) = en | νυκτὸς (nyktos) = 's nachts | ὅπως (hopos) = opdat | αὐτὸν (auton) = hem | ἀνέλωσιν (anelosin) = zij zouden doden Bron: SBLGNT **9:25** Zijn leerlingen namen hem 's nachts mee en lieten hem door de muur zakken. Zij lieten hem neer in een mand. Brontekst: λαβόντες (labontes) = genomen hebbend | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | νυκτὸς (nyktos) = 's nachts | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | τείχους (teichous) = muur | καθῆκαν (kathekan) = lieten zakken | αὐτὸν (auton) = hem | χαλάσαντες (chalasantes) = neerlatend | ἐν (en) = in | σπυρίδι (spyridi) = mand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπυρίς (spyris), ‘mand’: een grote mand; hetzelfde woord staat in Matt. 15:37. ‘Door de muur’ (διὰ τοῦ τείχους): zij lieten hem door een opening in de stadsmuur zakken. Hetzelfde verhaal vertelt 2 Kor. 11:32–33. Zie ook: Mat 15:37; 2 Kor 11:32–33 ### Saulus in Jeruzalem **9:26** Toen hij in Jeruzalem was aangekomen, probeerde hij zich bij de leerlingen aan te sluiten. Maar allen waren bang voor hem, want zij geloofden niet dat hij een leerling was. Brontekst: Παραγενόμενος (Paragenomenos) = aangekomen | δὲ (de) = nu | εἰς (eis) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἐπείραζεν (epeirazen) = probeerde | κολλᾶσθαι (kollasthai) = zich aan te sluiten | τοῖς (tois) = bij de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = waren bang | αὐτόν (auton) = voor hem | μὴ (me) = niet | πιστεύοντες (pisteuontes) = geloven | ὅτι (hoti) = dat | ἐστὶν (estin) = is | μαθητής (mathetes) = leerling Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἐπείραζεν (epeirazen), ‘probeerde’: van πειράζω (peirazo), dat wij elders met ‘op de proef stellen’ vertalen; hier betekent het ‘proberen’. κολλάομαι (kollaomai), ‘zich aansluiten’: letterlijk ‘vastkleven’. **9:27** Barnabas nam hem mee en bracht hem naar de apostelen. Hij vertelde hun hoe Saulus onderweg de Heer had gezien en dat Hij tot hem had gesproken. Hij vertelde ook hoe Saulus in Damascus vrijmoedig had gesproken in de naam van Yeshua. Brontekst: Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | δὲ (de) = nu | ἐπιλαβόμενος (epilabomenos) = aangenomen hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | ἤγαγεν (egagen) = bracht | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | καὶ (kai) = en | διηγήσατο (diegesato) = vertelde | αὐτοῖς (autois) = hun | πῶς (pos) = hoe | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | εἶδεν (eiden) = hij zag | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | ἐλάλησεν (elalesen) = Hij sprak | αὐτῷ (auto) = tot hem | καὶ (kai) = en | πῶς (pos) = hoe | ἐν (en) = in | Δαμασκῷ (Damasko) = Damascus | ἐπαρρησιάσατο (eparresiasato) = hij sprak vrijmoedig | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Βαρναβᾶς (Barnabas): een bijnaam die in 4:36 wordt uitgelegd. ἐπαρρησιάσατο (eparresiasato), ‘vrijmoedig spreken’: openlijk en zonder angst. Het Grieks heeft in dit vers drie ‘hoe’- en ‘dat’-bijzinnen onder één werkwoord; wij splitsen ze over twee zinnen en herhalen daarvoor ‘vertelde’. **9:28** Saulus ging bij hen in en uit in Jeruzalem en sprak vrijmoedig in de naam van de Heer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | εἰσπορευόμενος (eisporeuomenos) = ingaand | καὶ (kai) = en | ἐκπορευόμενος (ekporeuomenos) = uitgaand | εἰς (eis) = in | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | παρρησιαζόμενος (parresiazomenos) = vrijmoedig sprekend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: εἰσπορευόμενος καὶ ἐκπορευόμενος (eisporeuomenos kai ekporeuomenos), ‘ingaand en uitgaand’: een Hebreeuwse uitdrukking voor vrij met mensen omgaan; vergelijk Hand. 1:21. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:21. Zie ook: Hand 1:21 **9:29** Hij sprak en discussieerde ook met de Hellenisten, maar zij probeerden hem te doden. Brontekst: ἐλάλει (elalei) = sprak | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | συνεζήτει (synezetei) = discussieerde | πρὸς (pros) = met | τοὺς (tous) = de | Ἑλληνιστάς (Hellenistas) = Hellenisten | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπεχείρουν (epecheiroun) = probeerden | ἀνελεῖν (anelein) = te doden | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἑλληνιστής (Hellenistes), ‘Hellenist’: een Jood die Grieks spreekt; zie Hand. 6:1. Voetnoot : Zie ook Hand. 6:1. Zie ook: Hand 6:1 **9:30** Toen de broers dat te weten kwamen, brachten zij hem naar Caesarea en zonden hem weg naar Tarsus. Brontekst: ἐπιγνόντες (epignontes) = te weten gekomen | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | κατήγαγον (kategagon) = brachten naar beneden | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | καὶ (kai) = en | ἐξαπέστειλαν (exapesteilan) = zonden weg | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | Ταρσόν (Tarson) = Tarsus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Zie Tarsus: Tarsus, de stad waar Saulus geboren werd, lag in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, bij Mersin. Voetnoot Uitleg: Καισάρεια (Kaisareia), ‘Caesarea’: de havenstad aan de Middellandse Zee, niet Caesarea Filippi. ἐξαπέστειλαν (exapesteilan), ‘zonden weg’: van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’, met het voorvoegsel ἐξ-, ‘weg’. ### De gemeente heeft vrede **9:31** De gemeente in heel Judea, Galilea en Samaria had dus vrede en werd opgebouwd. Zij leefde in vrees voor de Heer en in de bemoediging van de Heilige Geest, en nam toe in aantal. Brontekst: Ἡ (He) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | ἐκκλησία (ekklesia) = gemeente | καθ’ (kath’) = door | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | Σαμαρείας (Samareias) = Samaria | εἶχεν (eichen) = had | εἰρήνην (eirenen) = vrede | οἰκοδομουμένη (oikodomoumene) = opgebouwd wordend | καὶ (kai) = en | πορευομένη (poreuomene) = wandelend | τῷ (to) = in de | φόβῳ (phobo) = vrees | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = in de | παρακλήσει (paraklesei) = bemoediging | τοῦ (tou) = van de | ἁγίου (hagiou) = heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἐπληθύνετο (eplethyneto) = nam toe Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: de gemeenschap van de gelovigen; wij vertalen het overal zo. Het Grieks heeft het enkelvoud, hoewel er drie gebieden genoemd worden. φόβος τοῦ κυρίου (phobos tou kyriou), ‘vrees voor de Heer’, doet denken aan ‘vrees voor Yahweh’ (Spr. 1:7); omdat κύριος in dit boek meestal Yeshua is, schrijven wij ‘de Heer’. παράκλησις (paraklesis), ‘bemoediging’: ook ‘aansporing’ of ‘troost’; zo ook in 4:36 (‘zoon van bemoediging’). Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben het meervoud: ‘de gemeenten … hadden vrede en werden opgebouwd’. Wij volgen de SBLGNT. Voetnoot : Zie ook Spr. 1:7. Zie ook: Spr 1:7 ### Petrus geneest Eneas in Lod **9:32** Het gebeurde dat Petrus, terwijl hij overal rondtrok, ook afkwam naar de heiligen die in Lod woonden. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | Πέτρον (Petron) = Petrus | διερχόμενον (dierchomenon) = doorreizend | διὰ (dia) = door | πάντων (panton) = allen | κατελθεῖν (katelthein) = af te komen | καὶ (kai) = ook | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἁγίους (hagious) = heiligen | τοὺς (tous) = die | κατοικοῦντας (katoikountas) = woonden | Λύδδα (Lydda) = Lod Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lod: Lod (later Lydda) lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Lod. Voetnoot Uitleg: Λύδδα (Ludda), ‘Lod’: de stad heet in het Oude Testament Lod (Ezra 2:33); wij schrijven ‘Lod’. ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: zie vers 13. Voetnoot : Zie ook Ezra 2:33. Zie ook: Ezra 2:33; Hand 9:13 **9:33** Daar vond hij een man die Eneas heette. Hij lag al acht jaar op een bed, want hij was verlamd. Brontekst: εὗρεν (heuren) = vond | δὲ (de) = nu | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἄνθρωπόν (anthropon) = man | τινα (tina) = een zekere | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Αἰνέαν (Ainean) = Eneas | ἐξ (ex) = sinds | ἐτῶν (eton) = jaren | ὀκτὼ (okto) = acht | κατακείμενον (katakeimenon) = liggend | ἐπὶ (epi) = op | κραβάττου (krabattou) = bed | ὃς (hos) = die | ἦν (en) = was | παραλελυμένος (paralelymenos) = verlamd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Αἰνέας (Aineas), ‘Eneas’: een Griekse naam. κράβαττος (krabbatos), ‘bed’: een eenvoudig bed of matras; het woord staat ook in Mark. 2:4. παραλύω (paralyo), ‘verlamd zijn’. Zie ook: Mar 2:4 **9:34** Petrus zei tegen hem: „Eneas, Yeshua de Messias geneest je. Sta op en maak zelf je bed op.” Meteen stond hij op. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | Αἰνέα (Ainea) = Eneas | ἰᾶταί (iatai) = geneest | σε (se) = je | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Χριστός (Christos) = de Messias | ἀνάστηθι (anastethi) = sta op | καὶ (kai) = en | στρῶσον (stroson) = maak op | σεαυτῷ (seauto) = voor jezelf | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀνέστη (aneste) = stond op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Petrus noemt Yeshua de Messias als Degene die geneest; hij doet het niet zelf. στρῶσον σεαυτῷ (stroson seauto) betekent letterlijk ‘spreid voor jezelf’; het Grieks heeft geen voorwerp. Wij vullen ‘je bed’ aan, omdat Eneas op een bed lag. **9:35** Alle inwoners van Lod en Saron zagen hem, en zij keerden zich tot de Heer. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶδαν (eidan) = zagen | αὐτὸν (auton) = hem | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = die | κατοικοῦντες (katoikountes) = woonden | Λύδδα (Lydda) = Lod | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Σαρῶνα (Sarona) = Saron | οἵτινες (hoitines) = die | ἐπέστρεψαν (epestrepsan) = keerden zich | ἐπὶ (epi) = tot | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lod: Lod (later Lydda) lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Lod. Zie Saron (kustvlakte): Saron is de vruchtbare kustvlakte langs de Middellandse Zee, ten noorden van Jafo tot aan de Karmel. Lod en Saron liggen dicht bij elkaar. ### Tabita wordt opgewekt in Jafo **9:36** In Jafo was een leerlinge die Tabita heette, wat vertaald Dorkas genoemd wordt. Zij was vol van goede werken en van de aalmoezen die zij gaf. Brontekst: Ἐν (En) = in | Ἰόππῃ (Ioppe) = Jafo | δέ (de) = nu | τις (tis) = een zekere | ἦν (en) = was | μαθήτρια (mathetria) = leerlinge | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ταβιθά (Tabitha) = Tabita | ἣ (he) = die | διερμηνευομένη (diermeneuomene) = vertaald wordend | λέγεται (legetai) = wordt genoemd | Δορκάς (Dorkas) = Dorkas | αὕτη (haute) = deze | ἦν (en) = was | πλήρης (pleres) = vol | ἔργων (ergon) = van werken | ἀγαθῶν (agathon) = goede | καὶ (kai) = en | ἐλεημοσυνῶν (eleemosynon) = van aalmoezen | ὧν (hon) = die | ἐποίει (epoiei) = zij deed Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Voetnoot Uitleg: Ἰόππη (Ioppe), ‘Jafo’: dezelfde stad als Jafo in het Oude Testament (Joz. 19:46; Jona 1:3). Ταβιθά (Tabitha) is een Aramese naam; Δορκάς (Dorkas) is het Griekse woord voor ‘gazelle’, en Tabita betekent in het Aramees volgens de overlevering hetzelfde. μαθήτρια (mathetria), ‘leerlinge’: het vrouwelijke woord bij μαθητής, ‘leerling’; het komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. ἐλεημοσύνη (eleemosyne), ‘aalmoes’: een gift aan de armen. Voetnoot : Zie ook Joz. 19:46; Jona 1:3. Zie ook: Joz 19:46; Jona 1:3 **9:37** In die dagen werd zij ziek en stierf. Men waste haar en legde haar neer in een bovenzaal. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐκείναις (ekeinais) = die | ἀσθενήσασαν (asthenesasan) = ziek geworden | αὐτὴν (auten) = zij | ἀποθανεῖν (apothanein) = stierf | λούσαντες (lousantes) = gewassen hebbend | δὲ (de) = nu | ἔθηκαν (ethekan) = legden | αὐτὴν (auten) = haar | ἐν (en) = in | ὑπερῴῳ (hyperoo) = bovenzaal Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπερῷον (hyperoon), ‘bovenzaal’: een kamer op de verdieping; hetzelfde woord als in Hand. 1:13. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:13. Zie ook: Hand 1:13 **9:38** Lod ligt dicht bij Jafo. De leerlingen hoorden dat Petrus daar was. Zij zonden twee mannen naar hem toe met het verzoek: „Aarzel niet om tot bij ons te komen.” Brontekst: ἐγγὺς (engys) = nabij | δὲ (de) = nu | οὔσης (ouses) = zijnde | Λύδδας (Lyddas) = Lod | τῇ (te) = aan | Ἰόππῃ (Ioppe) = Jafo | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ὅτι (hoti) = dat | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐστὶν (estin) = is | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | δύο (dyo) = twee | ἄνδρας (andras) = mannen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | παρακαλοῦντες (parakalountes) = smekend | Μὴ (Me) = niet | ὀκνήσῃς (okneses) = aarzel | διελθεῖν (dielthein) = door te gaan | ἕως (heos) = tot | ἡμῶν (hemon) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lod: Lod (later Lydda) lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Lod. Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. **9:39** Petrus stond op en ging met hen mee. Toen hij er was aangekomen, brachten zij hem naar de bovenzaal. Alle weduwen stonden bij hem te huilen en lieten onderkleden en mantels zien die Dorkas gemaakt had toen zij nog bij hen was. Brontekst: ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | συνῆλθεν (synelthen) = ging mee | αὐτοῖς (autois) = met hen | ὃν (hon) = wie | παραγενόμενον (paragenomenon) = aangekomen | ἀνήγαγον (anegagon) = brachten omhoog | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὑπερῷον (hyperoon) = bovenzaal | καὶ (kai) = en | παρέστησαν (parestesan) = stonden bij | αὐτῷ (auto) = hem | πᾶσαι (pasai) = alle | αἱ (hai) = de | χῆραι (cherai) = weduwen | κλαίουσαι (klaiousai) = huilend | καὶ (kai) = en | ἐπιδεικνύμεναι (epideiknymenai) = tonend | χιτῶνας (chitonas) = onderkleden | καὶ (kai) = en | ἱμάτια (himatia) = mantels | ὅσα (hosa) = die | ἐποίει (epoiei) = maakte | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | οὖσα (ousa) = zijnde | ἡ (he) = de | Δορκάς (Dorkas) = Dorkas Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χιτών (chiton), ‘onderkleed’, en ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: zoals in Matt. 5:40. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:40. Zie ook: Mat 5:40 **9:40** Petrus zette iedereen buiten, knielde neer en bad. Hij wendde zich naar het lichaam en zei: „Tabita, sta op.” Zij opende haar ogen, zag Petrus en ging rechtop zitten. Brontekst: ἐκβαλὼν (ekbalon) = uitgedreven hebbend | δὲ (de) = nu | ἔξω (exo) = naar buiten | πάντας (pantas) = allen | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | θεὶς (theis) = gelegd hebbend | τὰ (ta) = de | γόνατα (gonata) = knieën | προσηύξατο (proseyxato) = bad | καὶ (kai) = en | ἐπιστρέψας (epistrepsas) = omgekeerd | πρὸς (pros) = naar | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | εἶπεν (eipen) = zei | Ταβιθά (Tabitha) = Tabita | ἀνάστηθι (anastethi) = sta op | ἡ (he) = zij | δὲ (de) = nu | ἤνοιξεν (enoixen) = opende | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | ἰδοῦσα (idousa) = gezien hebbend | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | ἀνεκάθισεν (anekathisen) = ging zitten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ταβιθά, ἀνάστηθι (Tabitha, anastethi), ‘Tabita, sta op’. Vergelijk Mark. 5:41, waar Yeshua tot het meisje zegt: ‘Talitha koem’ (‘meisje, sta op’). Petrus knielt en bidt eerst. Voetnoot : Zie ook Mark. 5:41. Zie ook: Mar 5:41 **9:41** Hij gaf haar de hand en richtte haar op. Daarna riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend aan hen voor. Brontekst: δοὺς (dous) = gegeven hebbend | δὲ (de) = nu | αὐτῇ (aute) = haar | χεῖρα (cheira) = hand | ἀνέστησεν (anestesen) = richtte op | αὐτήν (auten) = haar | φωνήσας (phonesas) = geroepen hebbend | δὲ (de) = nu | τοὺς (tous) = de | ἁγίους (hagious) = heiligen | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | χήρας (cheras) = weduwen | παρέστησεν (parestesen) = stelde voor | αὐτὴν (auten) = haar | ζῶσαν (zosan) = levend Bron: SBLGNT **9:42** Dit werd bekend in heel Jafo, en velen geloofden in de Heer. Brontekst: γνωστὸν (gnoston) = bekend | δὲ (de) = nu | ἐγένετο (egeneto) = werd | καθ’ (kath’) = door | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = de | Ἰόππης (Ioppes) = Jafo | καὶ (kai) = en | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπὶ (epi) = in | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. **9:43** Het gebeurde dat hij geruime tijd in Jafo bleef, bij een zekere Simon, een leerlooier. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἱκανὰς (hikanas) = geruime | μεῖναι (meinai) = te blijven | ἐν (en) = in | Ἰόππῃ (Ioppe) = Jafo | παρά (para) = bij | τινι (tini) = een zekere | Σίμωνι (Simoni) = Simon | βυρσεῖ (byrsei) = leerlooier Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Voetnoot Uitleg: βυρσεύς (byrseus), ‘leerlooier’: iemand die dierenhuiden tot leer verwerkte. Zijn huis ligt volgens 10:6 en 10:32 ‘bij de zee’. ## Handelingen 10 _Cornelius, het visioen van Petrus en de Heilige Geest over de volken_ ### Cornelius in Caesarea **10:1** In Caesarea was een man die Cornelius heette. Hij was hoofdman over honderd bij de cohort die de Italische genoemd wordt. Brontekst: Ἀνὴρ (Aner) = man | δέ (de) = nu | τις (tis) = een zekere | ἐν (en) = in | Καισαρείᾳ (Kaisareia) = Caesarea | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Κορνήλιος (Kornelios) = Cornelius | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = hoofdman over honderd | ἐκ (ek) = uit | σπείρης (speires) = cohort | τῆς (tes) = de | καλουμένης (kaloumenes) = genoemde | Ἰταλικῆς (Italikes) = Italische Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: Κορνήλιος (Kornelios), ‘Cornelius’: een Latijnse naam. ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: een Romeinse officier; wij vertalen het woord overal zo (vergelijk Luc. 7:2). σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een Romeinse legereenheid, zoals in Matt. 27:27. Voetnoot : Zie ook Luc. 7:2; Matt. 27:27. Zie ook: Mat 27:27; Luc 7:2 **10:2** Hij was vroom en godvrezend, samen met heel zijn huis. Hij gaf het volk veel aalmoezen en smeekte Elohim voortdurend. Brontekst: εὐσεβὴς (eusebes) = vroom | καὶ (kai) = en | φοβούμενος (phoboumenos) = vrezend | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | σὺν (syn) = met | παντὶ (panti) = heel | τῷ (to) = het | οἴκῳ (oiko) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | ποιῶν (poion) = gevend | ἐλεημοσύνας (eleemosynas) = aalmoezen | πολλὰς (pollas) = vele | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | καὶ (kai) = en | δεόμενος (deomenos) = smekend | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | διὰ (dia) = door | παντός (pantos) = altijd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φοβούμενος τὸν θεόν (phoboumenos ton theon), ‘godvrezend’: zo worden mensen genoemd die Elohim van Israël eerden, zonder zich als proseliet (zie Hand. 6:5) bij het Jodendom aan te sluiten. Wij vertalen deze uitdrukking overal zo. εὐσεβής (eusebes), ‘vroom’. ἐλεημοσύνη (eleemosyne), ‘aalmoes’: zie 9:36. ‘Het volk’ (λαός) is hier het Joodse volk. Voetnoot : Zie ook Hand. 6:5. Zie ook: Hand 6:5 **10:3** Omstreeks het negende uur van de dag zag hij duidelijk in een visioen een engel van Elohim bij zich binnenkomen, die tegen hem zei: „Cornelius!” Brontekst: εἶδεν (eiden) = zag | ἐν (en) = in | ὁράματι (horamati) = visioen | φανερῶς (phaneros) = duidelijk | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | περὶ (peri) = omstreeks | ὥραν (horan) = uur | ἐνάτην (enaten) = negende | τῆς (tes) = van de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἄγγελον (angelon) = engel | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰσελθόντα (eiselthonta) = binnenkomend | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | εἰπόντα (eiponta) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tot hem | Κορνήλιε (Kornelie) = Cornelius Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Het negende uur van de dag’ is ongeveer drie uur ’s middags: de uren van de dag werden geteld vanaf zonsopgang, ongeveer zes uur ’s morgens. ὅραμα (horama), ‘visioen’; ἄγγελος τοῦ θεοῦ (angelos tou theou), ‘engel van Elohim’. **10:4** Hij keek hem strak aan en werd bang. Hij zei: „Wat is er, heer?” De engel zei tegen hem: „Je gebeden en je aalmoezen zijn opgestegen als een gedachtenis voor Elohim. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | ἀτενίσας (atenisas) = strak aankijkend | αὐτῷ (auto) = hem | καὶ (kai) = en | ἔμφοβος (emphobos) = bang | γενόμενος (genomenos) = geworden | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | ἐστιν (estin) = is het | κύριε (kyrie) = heer | εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | αὐτῷ (auto) = tot hem | Αἱ (Hai) = de | προσευχαί (proseuchai) = gebeden | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | ἐλεημοσύναι (eleemosynai) = aalmoezen | σου (sou) = je | ἀνέβησαν (anebesan) = stegen op | εἰς (eis) = tot | μνημόσυνον (mnemosynon) = gedachtenis | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘heer’, met kleine letter: Cornelius spreekt de engel eerbiedig aan. ἀτενίζω (atenizo), ‘strak aankijken’. μνημόσυνον (mnemosynon), ‘gedachtenis’: iets wat Elohim in gedachten houdt; vergelijk het ‘gedenkdeel’ van het graanoffer (Lev. 2:2). De gebeden en aalmoezen van Cornelius zijn als een offer dat voor Elohim is opgestegen. Voetnoot : Zie ook Lev. 2:2. Zie ook: Lev 2:2 **10:5** Stuur nu mannen naar Jafo en laat een zekere Simon halen, die Petrus genoemd wordt. Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | πέμψον (pempson) = stuur | ἄνδρας (andras) = mannen | εἰς (eis) = naar | Ἰόππην (Ioppen) = Jafo | καὶ (kai) = en | μετάπεμψαι (metapempsai) = laat halen | Σίμωνά (Simona) = Simon | τινα (tina) = een zekere | ὃς (hos) = die | ἐπικαλεῖται (epikaleitai) = wordt genoemd | Πέτρος (Petros) = Petrus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Voetnoot Uitleg: μεταπέμπομαι (metapempomai), ‘laten halen’: iemand bij zich laten komen; van πέμπω (pempo), ‘sturen’. Hier staat πέμψον, ‘stuur’; in 11:13 staat ἀπόστειλον, ‘zend’, van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’. **10:6** Hij is te gast bij een zekere Simon, een leerlooier, die een huis aan de zee heeft.” Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | ξενίζεται (xenizetai) = is te gast | παρά (para) = bij | τινι (tini) = een zekere | Σίμωνι (Simoni) = Simon | βυρσεῖ (byrsei) = leerlooier | ᾧ (ho) = bij wie | ἐστιν (estin) = is | οἰκία (oikia) = huis | παρὰ (para) = bij | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βυρσεύς (byrseus), ‘leerlooier’: zie 9:43. θάλασσα (thalassa), ‘zee’: de Middellandse Zee; Jafo ligt aan de kust. **10:7** De engel die met hem sprak, ging weg. Toen riep hij twee van zijn huisknechten en een vrome soldaat uit de mannen die steeds bij hem waren. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἀπῆλθεν (apelthen) = wegging | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | ὁ (ho) = die | λαλῶν (lalon) = sprak | αὐτῷ (auto) = tot hem | φωνήσας (phonesas) = geroepen hebbend | δύο (dyo) = twee | τῶν (ton) = van de | οἰκετῶν (oiketon) = huisknechten | καὶ (kai) = en | στρατιώτην (stratioten) = soldaat | εὐσεβῆ (eusebe) = vrome | τῶν (ton) = van degenen die | προσκαρτερούντων (proskarterounton) = volhardden | αὐτῷ (auto) = bij hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκέτης (oiketes), ‘huisknecht’: een knecht die bij het huis hoort, zoals in Luc. 16:13. Voetnoot : Zie ook Luc. 16:13. Zie ook: Luc 16:13 **10:8** Hij vertelde hun alles en zond hen naar Jafo. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξηγησάμενος (exegesamenos) = verteld hebbend | ἅπαντα (hapanta) = alles | αὐτοῖς (autois) = aan hen | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἰόππην (Ioppen) = Jafo Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. ### Het visioen van Petrus **10:9** De volgende dag, terwijl zij onderweg waren en de stad naderden, ging Petrus omstreeks het zesde uur op het dak om te bidden. Brontekst: Τῇ (Te) = op de | δὲ (de) = nu | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ὁδοιπορούντων (hodoiporounton) = onderweg zijnd | ἐκείνων (ekeinon) = zij | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = aan de | πόλει (polei) = stad | ἐγγιζόντων (engizonton) = naderend | ἀνέβη (anebe) = ging omhoog | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | δῶμα (doma) = dak | προσεύξασθαι (proseuxasthai) = te bidden | περὶ (peri) = omstreeks | ὥραν (horan) = uur | ἕκτην (hekten) = zesde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Het zesde uur’ is ongeveer twaalf uur ’s middags. δῶμα (doma), ‘dak’: het dak van een huis, waar men kon verblijven en bidden; vergelijk Luc. 5:19. Voetnoot : Zie ook Luc. 5:19; Hand. 11:5–10. Zie ook: Luc 5:19; Hand 11:5–10 **10:10** Hij werd erg hongerig en wilde eten. Terwijl zij het klaarmaakten, kwam er een vervoering over hem. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = werd | δὲ (de) = nu | πρόσπεινος (prospeinos) = erg hongerig | καὶ (kai) = en | ἤθελεν (ethelen) = wilde | γεύσασθαι (geusasthai) = eten | παρασκευαζόντων (paraskeuazonton) = klaarmakend | δὲ (de) = nu | αὐτῶν (auton) = zij | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτὸν (auton) = hem | ἔκστασις (ekstasis) = vervoering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔκστασις (ekstasis), ‘vervoering’: letterlijk ‘buiten zichzelf staan’. Het woord staat ook in 11:5; in Luc. 5:26 en Mark. 5:42 betekent het ‘verbazing’. Voetnoot : Zie ook Luc. 5:26; Mark. 5:42. Zie ook: Mar 5:42; Luc 5:26 **10:11** Hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen, als een grote linnen doek, aan vier hoeken neergelaten op de aarde. Brontekst: καὶ (kai) = en | θεωρεῖ (theorei) = zag | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | ἀνεῳγμένον (aneogmenon) = geopend | καὶ (kai) = en | καταβαῖνον (katabainon) = neerdalend | σκεῦός (skeuos) = voorwerp | τι (ti) = een | ὡς (hos) = als | ὀθόνην (othonen) = linnen doek | μεγάλην (megalen) = grote | τέσσαρσιν (tessarsin) = aan vier | ἀρχαῖς (archais) = hoeken | καθιέμενον (kathiemenon) = neergelaten | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT **10:12** Daarin waren alle viervoetige dieren en kruipende dieren van de aarde en vogels van de hemel. Brontekst: ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = welke | ὑπῆρχεν (hyperchen) = waren | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | τετράποδα (tetrapoda) = viervoetige dieren | καὶ (kai) = en | ἑρπετὰ (herpeta) = kruipende dieren | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | καὶ (kai) = en | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τετράποδα (tetrapoda), ‘viervoetige dieren’, ἑρπετά (herpeta), ‘kruipende dieren’ en πετεινά (peteina), ‘vogels’. Het Grieks zegt ‘alle’: dus ook dieren die volgens Lev. 11 onrein waren. Voetnoot : Zie ook Lev. 11:1–47. Zie ook: Lev 11:1–47 **10:13** Er kwam een stem tot hem: „Sta op, Petrus, slacht en eet.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | φωνὴ (phone) = stem | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Ἀναστάς (Anastas) = opgestaan | Πέτρε (Petre) = Petrus | θῦσον (thyson) = slacht | καὶ (kai) = en | φάγε (phage) = eet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θῦσον (thyson), ‘slacht’: het werkwoord voor het slachten van een dier, ook van een offerdier; hier om te eten. φωνή (phone), ‘stem’: het Grieks zegt niet wie spreekt. Petrus antwoordt met ‘Heer’ (vers 14). Zie ook: Hand 10:14 **10:14** Petrus zei: „Volstrekt niet, Heer! Want nooit heb ik iets onheiligs en onreins gegeten.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | Μηδαμῶς (Medamos) = volstrekt niet | κύριε (kyrie) = Heer | ὅτι (hoti) = want | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | ἔφαγον (ephagon) = ik at | πᾶν (pan) = alles | κοινὸν (koinon) = onheilig | καὶ (kai) = en | ἀκάθαρτον (akatharton) = onrein Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοινός (koinos), ‘onheilig’: letterlijk ‘gewoon, gemeen’: wat niet voor Elohim gewijd of toegestaan is. In Mark. 7:2 vertalen wij hetzelfde woord met ‘onrein’ (bij handen); hier staat het naast ἀκάθαρτος (akathartos), ‘onrein’, en kiezen wij daarom ‘onheilig’. Petrus had volgens de wetten over rein en onrein nooit zulk voedsel gegeten (Lev. 11). Voetnoot : Zie ook Lev. 11:1–47; Mark. 7:2. Zie ook: Lev 11:1–47; Mar 7:2 **10:15** Voor de tweede keer kwam er weer een stem tot hem: „Wat Elohim gereinigd heeft, noem jij niet onheilig.” Brontekst: καὶ (kai) = en | φωνὴ (phone) = stem | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐκ (ek) = voor | δευτέρου (deuterou) = de tweede keer | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Ἃ (Ha) = wat | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκαθάρισεν (ekatharisen) = heeft gereinigd | σὺ (sy) = jij | μὴ (me) = niet | κοίνου (koinou) = noem onheilig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκαθάρισεν (ekatharisen), ‘heeft gereinigd’; κοινόω (koinoo), ‘onheilig noemen’. Elohim bepaalt wat rein is. In vers 28 past Petrus dit toe op mensen. Zie ook: Hand 10:28 **10:16** Dit gebeurde driemaal, en meteen werd het voorwerp weer opgenomen in de hemel. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = nu | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐπὶ (epi) = tot | τρίς (tris) = driemaal | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀνελήμφθη (anelemphthe) = werd opgenomen | τὸ (to) = het | σκεῦος (skeuos) = voorwerp | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανόν (ouranon) = hemel Bron: SBLGNT ### De mannen van Cornelius bij Petrus **10:17** Petrus was in zichzelf in verlegenheid over wat het visioen zou kunnen zijn dat hij gezien had. En zie, de mannen die door Cornelius gezonden waren, hadden naar het huis van Simon gevraagd en stonden bij de poort. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = zichzelf | διηπόρει (dieporei) = was in verlegenheid | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | τί (ti) = wat | ἂν (an) = misschien | εἴη (eie) = zou zijn | τὸ (to) = het | ὅραμα (horama) = visioen | ὃ (ho) = dat | εἶδεν (eiden) = hij zag | ἰδοὺ (idou) = zie | οἱ (hoi) = de | ἄνδρες (andres) = mannen | οἱ (hoi) = die | ἀπεσταλμένοι (apestalmenoi) = gezonden waren | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | Κορνηλίου (Korneliou) = Cornelius | διερωτήσαντες (dierotesantes) = gevraagd hebbend | τὴν (ten) = naar het | οἰκίαν (oikian) = huis | τοῦ (tou) = van de | Σίμωνος (Simonos) = Simon | ἐπέστησαν (epestesan) = stonden | ἐπὶ (epi) = bij | τὸν (ton) = de | πυλῶνα (pylona) = poort Bron: SBLGNT **10:18** Zij riepen en vroegen of Simon, die Petrus genoemd wordt, hier te gast was. Brontekst: καὶ (kai) = en | φωνήσαντες (phonesantes) = geroepen hebbend | ἐπυνθάνοντο (epynthanonto) = vroegen | εἰ (ei) = of | Σίμων (Simon) = Simon | ὁ (ho) = die | ἐπικαλούμενος (epikaloumenos) = genoemd wordt | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐνθάδε (enthade) = hier | ξενίζεται (xenizetai) = te gast is Bron: SBLGNT **10:19** Terwijl Petrus nadacht over het visioen, zei de Geest tegen hem: **„Zie, er zijn mannen die je zoeken.** Brontekst: τοῦ (tou) = van de | δὲ (de) = nu | Πέτρου (Petrou) = Petrus | διενθυμουμένου (dienthymoumenou) = nadenkend | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | ὁράματος (horamatos) = visioen | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἄνδρες (andres) = mannen | ζητοῦντές (zetountes) = zoekend | σε (se) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸ πνεῦμα (to pneuma), ‘de Geest’: de Geest van Elohim, die hier spreekt; wij schrijven Zijn woorden rood (vers 19–20), zoals de woorden van Yeshua. Hetzelfde verhaal staat in 11:11–12. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben hier ‘drie mannen’ in plaats van ‘mannen’ (vergelijk 11:11). De SBLGNT heeft alleen ‘mannen’. Voetnoot : Zie ook Hand. 11:12. Zie ook: Hand 11:12 **10:20** **Maar sta op, ga naar beneden en ga zonder te twijfelen met hen mee, want Ik heb hen gezonden.”** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | κατάβηθι (katabethi) = ga naar beneden | καὶ (kai) = en | πορεύου (poreuou) = ga | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | μηδὲν (meden) = niets | διακρινόμενος (diakrinomenos) = twijfelend | ὅτι (hoti) = want | ἐγὼ (ego) = Ik | ἀπέσταλκα (apestalka) = heb gezonden | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακρίνομαι (diakrinomai), ‘twijfelen’: letterlijk ‘onderscheid maken’, hier ‘aarzelen’ (ook 11:12). ἀπέσταλκα (apestalka), ‘Ik heb gezonden’, van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’: de Geest zendt de mannen. **10:21** Petrus ging naar de mannen toe en zei: „Zie, ik ben degene die jullie zoeken. Wat is de reden waarom jullie gekomen zijn?” Brontekst: καταβὰς (katabas) = afgedaald | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἄνδρας (andras) = mannen | εἶπεν (eipen) = zei | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐγώ (ego) = ik | εἰμι (eimi) = ben | ὃν (hon) = die | ζητεῖτε (zeteite) = jullie zoeken | τίς (tis) = welke | ἡ (he) = de | αἰτία (aitia) = reden | δι’ (di’) = waarom | ἣν (hen) = die | πάρεστε (pareste) = jullie er zijn Bron: SBLGNT **10:22** Zij zeiden: „Cornelius, een hoofdman over honderd, is een rechtvaardig man en godvrezend. Van hem wordt door het hele volk van de Joden goed getuigd. Hij heeft door een heilige engel de aanwijzing gekregen om je naar zijn huis te laten halen en woorden van je te horen.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | εἶπαν (eipan) = zeiden | Κορνήλιος (Kornelios) = Cornelius | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = hoofdman over honderd | ἀνὴρ (aner) = man | δίκαιος (dikaios) = rechtvaardig | καὶ (kai) = en | φοβούμενος (phoboumenos) = vrezend | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | μαρτυρούμενός (martyroumenos) = van wie getuigd wordt | τε (te) = en | ὑπὸ (hypo) = door | ὅλου (holou) = heel | τοῦ (tou) = het | ἔθνους (ethnous) = volk | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἐχρηματίσθη (echrematisthe) = kreeg de aanwijzing | ὑπὸ (hypo) = door | ἀγγέλου (angelou) = engel | ἁγίου (hagiou) = heilige | μεταπέμψασθαί (metapempsasthai) = te laten halen | σε (se) = je | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | ῥήματα (rhemata) = woorden | παρὰ (para) = van | σοῦ (sou) = jou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαρτυρούμενος (martyroumenos), ‘van wie getuigd wordt’: het woord ‘goed’ staat niet in het Grieks; de samenhang geeft het aan (zoals in 6:3). χρηματίζω (chrematizo), ‘de aanwijzing krijgen’: een aanwijzing van Elohim ontvangen (zie Matt. 2:12). ἔθνος (ethnos), ‘volk’: hier het Joodse volk. Voetnoot : Zie ook Hand. 6:3; Matt. 2:12. Zie ook: Mat 2:12; Hand 6:3 **10:23** Petrus liet hen binnenkomen en nam hen op als gasten. De volgende dag stond hij op en ging met hen mee, en enkele broers uit Jafo gingen met hem mee. Brontekst: εἰσκαλεσάμενος (eiskalesamenos) = binnen geroepen hebbend | οὖν (oun) = dus | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐξένισεν (exenisen) = nam op als gasten | Τῇ (Te) = op de | δὲ (de) = nu | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging weg | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | καί (kai) = en | τινες (tines) = enkelen | τῶν (ton) = van de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | τῶν (ton) = die | ἀπὸ (apo) = van | Ἰόππης (Ioppes) = Jafo | συνῆλθον (synelthon) = gingen mee | αὐτῷ (auto) = met hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Voetnoot Uitleg: ἐξένισεν (exenisen), ‘nam op als gasten’: Petrus ontving de mannen van Cornelius, waarschijnlijk niet-Joden, als gasten. Vergelijk vers 28. Zie ook: Hand 10:28 ### Petrus in het huis van Cornelius **10:24** De volgende dag kwam hij in Caesarea. Cornelius verwachtte hen en had zijn familieleden en zijn naaste vrienden bijeengeroepen. Brontekst: τῇ (te) = op de | δὲ (de) = nu | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | εἰσῆλθεν (eiselthen) = kwam binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Κορνήλιος (Kornelios) = Cornelius | ἦν (en) = was | προσδοκῶν (prosdokon) = verwachtend | αὐτοὺς (autous) = hen | συγκαλεσάμενος (synkalesamenos) = bijeengeroepen hebbend | τοὺς (tous) = de | συγγενεῖς (syngeneis) = familieleden | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀναγκαίους (anankaious) = naaste | φίλους (philous) = vrienden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. **10:25** Toen Petrus naar binnen ging, ging Cornelius hem tegemoet, viel aan zijn voeten en boog zich neer. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | τοῦ (tou) = dat | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnenging | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | συναντήσας (synantesas) = tegemoet gegaan | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Κορνήλιος (Kornelios) = Cornelius | πεσὼν (peson) = gevallen | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | προσεκύνησεν (prosekynesen) = boog zich neer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσεκύνησεν (prosekynesen), ‘boog zich neer’, van προσκυνέω (proskyneo): wij vertalen dit werkwoord overal met ‘zich neerbuigen’, ook bij Herodes en Satan (Matt. 2:8; Matt. 4:9). Het kan eerbied voor een mens betekenen of aanbidding. Petrus weigert het in vers 26. Voetnoot : Zie ook Matt. 2:8; Matt. 4:9. Zie ook: Mat 2:8; Mat 4:9; Hand 10:26 **10:26** Petrus richtte hem op en zei: „Sta op. Ook ik ben zelf een mens.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἤγειρεν (egeiren) = richtte op | αὐτὸν (auton) = hem | λέγων (legon) = zeggend | Ἀνάστηθι (Anastethi) = sta op | καὶ (kai) = ook | ἐγὼ (ego) = ik | αὐτὸς (autos) = zelf | ἄνθρωπός (anthropos) = mens | εἰμι (eimi) = ben Bron: SBLGNT **10:27** Terwijl hij met hem sprak, ging hij naar binnen en trof er velen aan die bijeengekomen waren. Brontekst: καὶ (kai) = en | συνομιλῶν (synomilon) = pratend | αὐτῷ (auto) = met hem | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | καὶ (kai) = en | εὑρίσκει (heuriskei) = vond | συνεληλυθότας (synelelythotas) = bijeengekomen | πολλούς (pollous) = velen Bron: SBLGNT **10:28** Hij zei tegen hen: „Jullie weten dat een Joodse man geen omgang mag hebben met iemand van een ander volk of bij hem mag komen. Maar mij heeft Elohim laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen. Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | τε (te) = en | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | ἐπίστασθε (epistasthe) = weten | ὡς (hos) = dat | ἀθέμιτόν (athemiton) = ongeoorloofd | ἐστιν (estin) = is | ἀνδρὶ (andri) = voor een man | Ἰουδαίῳ (Ioudaio) = Joodse | κολλᾶσθαι (kollasthai) = omgang te hebben | ἢ (e) = of | προσέρχεσθαι (proserchesthai) = te komen | ἀλλοφύλῳ (allophylo) = bij iemand van een ander volk | κἀμοὶ (kamoi) = en voor mij | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἔδειξεν (edeixen) = heeft getoond | μηδένα (medena) = niemand | κοινὸν (koinon) = onheilig | ἢ (e) = of | ἀκάθαρτον (akatharton) = onrein | λέγειν (legein) = te noemen | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀθέμιτος (athemitos), ‘niet toegestaan’: in strijd met het gebruik. κολλάομαι (kollaomai), ‘omgang hebben’: letterlijk ‘vastkleven’ (zie 9:26). ἀλλόφυλος (allophylos), ‘iemand van een ander volk’: hier een niet-Jood. Petrus past het visioen van vers 15 toe op mensen: hij noemt niemand onheilig of onrein (zie vers 14). Zie ook: Hand 10:14; Hand 10:15 **10:29** Daarom ben ik ook zonder tegen te sputteren gekomen toen men mij liet halen. Ik vraag dus: om welke reden hebben jullie mij laten halen?” Brontekst: διὸ (dio) = daarom | καὶ (kai) = ook | ἀναντιρρήτως (anantirretos) = zonder tegenspraak | ἦλθον (elthon) = kwam ik | μεταπεμφθείς (metapemphtheis) = ontboden | πυνθάνομαι (pynthanomai) = ik vraag | οὖν (oun) = dus | τίνι (tini) = om welke | λόγῳ (logo) = reden | μετεπέμψασθέ (metepempsasthe) = jullie hebben laten halen | με (me) = mij Bron: SBLGNT **10:30** Cornelius zei: „Vier dagen geleden, tot op dit uur, was ik om het negende uur aan het bidden in mijn huis. En zie, een man stond voor mij in stralende kleding, Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὁ (ho) = de | Κορνήλιος (Kornelios) = Cornelius | ἔφη (ephe) = zei | Ἀπὸ (Apo) = vanaf | τετάρτης (tetartes) = vierde | ἡμέρας (hemeras) = dag | μέχρι (mechri) = tot | ταύτης (tautes) = dit | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | ἤμην (emen) = was ik | τὴν (ten) = het | ἐνάτην (enaten) = negende | προσευχόμενος (proseuchomenos) = biddend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | οἴκῳ (oiko) = huis | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἀνὴρ (aner) = man | ἔστη (este) = stond | ἐνώπιόν (enopion) = voor | μου (mou) = mij | ἐν (en) = in | ἐσθῆτι (estheti) = kleding | λαμπρᾷ (lampra) = stralende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Vanaf de vierde dag tot dit uur’: Cornelius telt de dag van het visioen mee; wij schrijven ‘vier dagen geleden’. Het visioen was op het negende uur (vers 3), en nu is het weer ongeveer het negende uur. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat: ‘was ik aan het vasten, en om het negende uur aan het bidden’. De SBLGNT heeft alleen: ‘was ik om het negende uur aan het bidden’. Zie ook: Hand 10:3 **10:31** en hij zei: ‘Cornelius, je gebed is verhoord en aan je aalmoezen is gedacht voor Elohim. Brontekst: καὶ (kai) = en | φησί (phesi) = zei | Κορνήλιε (Kornelie) = Cornelius | εἰσηκούσθη (eisekousthe) = is verhoord | σου (sou) = je | ἡ (he) = het | προσευχὴ (proseuche) = gebed | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | ἐλεημοσύναι (eleemosynai) = aalmoezen | σου (sou) = je | ἐμνήσθησαν (emnesthesan) = zijn herdacht | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμνήσθησαν ἐνώπιον τοῦ θεοῦ (emnesthesan enopion tou theou), ‘er is gedacht … voor Elohim’: zie vers 4. Zie ook: Hand 10:4 **10:32** Stuur dus naar Jafo en laat Simon roepen, die Petrus genoemd wordt. Hij is te gast in het huis van Simon, de leerlooier, aan de zee.’ Brontekst: πέμψον (pempson) = stuur | οὖν (oun) = dus | εἰς (eis) = naar | Ἰόππην (Ioppen) = Jafo | καὶ (kai) = en | μετακάλεσαι (metakalesai) = laat roepen | Σίμωνα (Simona) = Simon | ὃς (hos) = die | ἐπικαλεῖται (epikaleitai) = wordt genoemd | Πέτρος (Petros) = Petrus | οὗτος (houtos) = deze | ξενίζεται (xenizetai) = is te gast | ἐν (en) = in | οἰκίᾳ (oikia) = huis | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | βυρσέως (byrseos) = leerlooier | παρὰ (para) = bij | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. **10:33** Meteen heb ik dus naar je gestuurd, en jij hebt goed gedaan door te komen. Nu zijn wij dus allen voor Elohim aanwezig om alles te horen wat je door de Heer is opgedragen.” Brontekst: ἐξαυτῆς (exautes) = meteen | οὖν (oun) = dus | ἔπεμψα (epempsa) = stuurde ik | πρὸς (pros) = naar | σέ (se) = jou | σύ (sy) = jij | τε (te) = en | καλῶς (kalos) = goed | ἐποίησας (epoiesas) = deed | παραγενόμενος (paragenomenos) = gekomen | νῦν (nyn) = nu | οὖν (oun) = dus | πάντες (pantes) = allen | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | πάρεσμεν (paresmen) = zijn aanwezig | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | προστεταγμένα (prostetagmena) = opgedragen is | σοι (soi) = aan jou | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπὸ τοῦ κυρίου (hypo tou kyriou), ‘door de Heer’: wie bedoeld is, is niet zeker. Cornelius kent de engel van Elohim (vers 3) en noemt in dezelfde zin Elohim; mogelijk is Elohim zelf bedoeld. Wij schrijven ‘de Heer’, zoals de SBLGNT heeft. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat hier θεοῦ (theou), ‘Elohim’. Zie ook: Hand 10:3 ### De toespraak van Petrus **10:34** Petrus opende zijn mond en zei: „Naar waarheid begrijp ik dat Elohim niemand voortrekt, Brontekst: Ἀνοίξας (Anoixas) = geopend hebbend | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐπ’ (Ep’) = in | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | καταλαμβάνομαι (katalambanomai) = ik begrijp | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | προσωπολήμπτης (prosopolemptes) = voortrekker | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσωπολήμπτης (prosopolemptes), ‘iemand die voortrekt’: letterlijk ‘iemand die het gezicht opheft’. Vergelijk Deut. 10:17: ‘die niemand voortrekt’ (letterlijk: ‘het gezicht niet opheft’). Petrus begrijpt nu dat Elohim niemand voortrekt vanwege afkomst. Voetnoot : Zie ook Deut. 10:17. Zie ook: Deut 10:17 **10:35** maar dat in elk volk wie Hem vreest en gerechtigheid doet, aangenaam is voor Hem. Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ἐν (en) = in | παντὶ (panti) = elk | ἔθνει (ethnei) = volk | ὁ (ho) = wie | φοβούμενος (phoboumenos) = vreest | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἐργαζόμενος (ergazomenos) = doet | δικαιοσύνην (dikaiosynen) = gerechtigheid | δεκτὸς (dektos) = aangenaam | αὐτῷ (auto) = voor Hem | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνος (ethnos), ‘volk’: hier elk volk, Joden en niet-Joden. δεκτός (dektos), ‘aangenaam’: door Elohim aanvaard. δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’. **10:36** Dit is het woord dat Hij naar de zonen van Israël heeft gezonden: de goede boodschap van vrede door Yeshua de Messias. Deze is de Heer van allen. Brontekst: τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ὃν (hon) = dat | ἀπέστειλεν (apesteilen) = Hij zond | τοῖς (tois) = aan de | υἱοῖς (huiois) = zonen | Ἰσραὴλ (Israel) = van Israël | εὐαγγελιζόμενος (euangelizomenos) = goede boodschap brengend | εἰρήνην (eirenen) = vrede | διὰ (dia) = door | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = de Messias | οὗτός (houtos) = Deze | ἐστιν (estin) = is | πάντων (panton) = van allen | κύριος (kyrios) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks begint dit vers met ‘het woord’ (τὸν λόγον) in de vierde naamval, zonder werkwoord ervoor; de zin loopt door in vers 37. Het Nederlands heeft een werkwoord nodig: wij beginnen met ‘Dit is’. Het onderwerp van ἀπέστειλεν (apesteilen), ‘zond’, is Elohim (vers 34–35). Vergelijk Ps. 107:20: ‘Hij zond Zijn woord en genas hen’. κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier Yeshua, ‘de Heer van allen’. Voetnoot : Zie ook Ps. 107:20. Zie ook: Ps 107:20; Hand 10:34–35; Hand 10:37 **10:37** Jullie weten wat er in heel Judea is gebeurd, beginnend vanuit Galilea, na de doop die Johannes verkondigd heeft: Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οἴδατε (oidate) = weten | τὸ (to) = het | γενόμενον (genomenon) = gebeurde | ῥῆμα (rhema) = woord | καθ’ (kath’) = door | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | ἀρξάμενος (arxamenos) = beginnend | ἀπὸ (apo) = vanuit | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | ὃ (ho) = die | ἐκήρυξεν (ekeryxen) = verkondigde | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: ῥῆμα (rhema), ‘woord’: ook ‘zaak, gebeurtenis’, zoals het Hebreeuwse דָּבָר (davar); wij schrijven ‘wat er gebeurd is’. βάπτισμα (baptisma), ‘doop’: de doop die Johannes verkondigde (Mark. 1:4; Luc. 3:3). Voetnoot : Zie ook Mark. 1:4; Luc. 3:3. Zie ook: Mar 1:4; Luc 3:3 **10:38** Yeshua van Nazaret, hoe Elohim Hem gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht. Hij ging rond, deed goed en genas allen die door de duivel onderdrukt werden, want Elohim was met Hem. Brontekst: Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = die | ἀπὸ (apo) = van | Ναζαρέθ (Nazareth) = Nazaret | ὡς (hos) = hoe | ἔχρισεν (echrisen) = heeft gezalfd | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | πνεύματι (pneumati) = met Geest | ἁγίῳ (hagio) = heilige | καὶ (kai) = en | δυνάμει (dynamei) = kracht | ὃς (hos) = die | διῆλθεν (dielthen) = ging rond | εὐεργετῶν (euergeton) = goed doend | καὶ (kai) = en | ἰώμενος (iomenos) = genezend | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | καταδυναστευομένους (katadynasteuomenous) = onderdrukt werden | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | διαβόλου (diabolou) = duivel | ὅτι (hoti) = want | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἦν (en) = was | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: ἔχρισεν (echrisen), ‘heeft gezalfd’, van χρίω (chrio); hieruit komt χριστός (christos), ‘Messias’, ‘gezalfde’. De zalving met de Heilige Geest en kracht doet denken aan Yeshua’s doop (Luc. 3:22) en aan Jes. 61:1, dat Hij in Nazaret las (Luc. 4:18). διάβολος (diabolos), ‘duivel’. Voetnoot : Zie ook Jes. 61:1; Luc. 3:22; Luc. 4:18. Zie ook: Jes 61:1; Luc 3:22; Luc 4:18 **10:39** Wij zijn getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, zowel in het land van de Joden als in Jeruzalem. Hem hebben zij gedood door Hem aan een boom te hangen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἡμεῖς (hemeis) = wij | μάρτυρες (martyres) = getuigen | πάντων (panton) = van alles | ὧν (hon) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = Hij deed | ἔν (en) = in | τε (te) = zowel | τῇ (te) = het | χώρᾳ (chora) = land | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ὃν (hon) = wie | καὶ (kai) = ook | ἀνεῖλαν (aneilan) = zij doodden | κρεμάσαντες (kremasantes) = hangend | ἐπὶ (epi) = aan | ξύλου (xylou) = boom Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: κρεμάσαντες ἐπὶ ξύλου (kremasantes epi xylou), ‘door Hem aan een boom te hangen’: ξύλον betekent ‘hout, boom’. De uitdrukking is die van Deut. 21:22–23, waar iemand ‘aan een boom’ wordt gehangen en ‘een vervloeking van Elohim’ is. Hier is het kruis bedoeld; vergelijk Gal. 3:13. Voetnoot : Zie ook Deut. 21:22–23; Gal. 3:13. Zie ook: Deut 21:22–23; Gal 3:13 **10:40** Hem heeft Elohim op de derde dag opgewekt en Hem zichtbaar laten worden, Brontekst: τοῦτον (touton) = Hem | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἤγειρεν (egeiren) = wekte op | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐμφανῆ (emphane) = zichtbaar | γενέσθαι (genesthai) = te worden Bron: SBLGNT **10:41** niet voor het hele volk, maar voor getuigen die tevoren door Elohim waren aangewezen: voor ons. Wij hebben met Hem gegeten en gedronken nadat Hij uit de doden was opgestaan. Brontekst: οὐ (ou) = niet | παντὶ (panti) = aan heel | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk | ἀλλὰ (alla) = maar | μάρτυσι (martysi) = aan getuigen | τοῖς (tois) = die | προκεχειροτονημένοις (prokecheirotonemenois) = tevoren aangewezen zijn | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἡμῖν (hemin) = aan ons | οἵτινες (hoitines) = wij die | συνεφάγομεν (synephagomen) = aten samen | καὶ (kai) = en | συνεπίομεν (synepiomen) = dronken samen | αὐτῷ (auto) = met Hem | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | ἀναστῆναι (anastenai) = opstaan | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προχειροτονέω (procheirotoneo), ‘tevoren aanwijzen’: iemand van tevoren kiezen en aanstellen. Dat Yeshua na Zijn opstanding met hen at, staat in Luc. 24:41–43 en Joh. 21:12–13. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:41–43; Joh. 21:12–13. Zie ook: Luc 24:41–43; Joh 21:12–13 **10:42** Hij gebood ons aan het volk te verkondigen en plechtig te getuigen dat Hij de door Elohim aangewezen rechter van levenden en doden is. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρήγγειλεν (parengeilen) = gebood | ἡμῖν (hemin) = ons | κηρύξαι (keryxai) = te verkondigen | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | καὶ (kai) = en | διαμαρτύρασθαι (diamartyrasthai) = plechtig te getuigen | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = Deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | ὡρισμένος (horismenos) = aangewezene | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | κριτὴς (krites) = rechter | ζώντων (zonton) = van levenden | καὶ (kai) = en | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κριτὴς ζώντων καὶ νεκρῶν (krites zonton kai nekron), ‘rechter van levenden en doden’. Vergelijk Joh. 5:22: de Vader heeft al het oordeel aan de Zoon gegeven. Voetnoot : Zie ook Joh. 5:22. Zie ook: Joh 5:22 **10:43** Van Hem getuigen alle profeten dat ieder die in Hem gelooft, door Zijn naam vergeving van zonden ontvangt.” Brontekst: τούτῳ (touto) = van Hem | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | μαρτυροῦσιν (martyrousin) = getuigen | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden | λαβεῖν (labein) = te ontvangen | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | ὀνόματος (onomatos) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πάντα (panta) = ieder | τὸν (ton) = die | πιστεύοντα (pisteuonta) = gelooft | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄφεσις ἁμαρτιῶν (aphesis hamartion), ‘vergeving van zonden’, zoals in Luc. 3:3. Het Grieks noemt geen bepaalde profeet. Voetnoot : Zie ook Luc. 3:3. Zie ook: Luc 3:3 ### De Heilige Geest valt op de volken **10:44** Terwijl Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het woord hoorden. Brontekst: Ἔτι (Eti) = nog | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | τοῦ (tou) = de | Πέτρου (Petrou) = Petrus | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ταῦτα (tauta) = deze | ἐπέπεσε (epepese) = viel | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | ἐπὶ (epi) = op | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | ἀκούοντας (akouontas) = hoorden | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord Bron: SBLGNT **10:45** De gelovigen uit de besnijdenis die met Petrus waren meegekomen, stonden versteld, omdat de gave van de Heilige Geest ook over de volken was uitgestort. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξέστησαν (exestesan) = stonden versteld | οἱ (hoi) = de | ἐκ (ek) = uit | περιτομῆς (peritomes) = besnijdenis | πιστοὶ (pistoi) = gelovigen | ὅσοι (hosoi) = zovelen | συνῆλθαν (synelthan) = meegekomen waren | τῷ (to) = de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | ὅτι (hoti) = omdat | καὶ (kai) = ook | ἐπὶ (epi) = over | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | ἡ (he) = de | δωρεὰ (dorea) = gave | τοῦ (tou) = van de | ἁγίου (hagiou) = heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἐκκέχυται (ekkechytai) = is uitgestort Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ ἐκ περιτομῆς πιστοί (hoi ek peritomes pistoi), ‘de gelovigen uit de besnijdenis’: de Joodse gelovigen die met Petrus waren meegekomen (vers 23). δωρεά (dorea), ‘gave’. ἐκχέω (ekcheo), ‘uitstorten’: vergelijk Joël 3:1 (in de Nederlandse telling is dit 2:28): ‘Ik stort Mijn Geest uit’. Voetnoot : Zie ook Joël 3:1; Hand. 11:15. Zie ook: Joël 3:1; Hand 10:23; Hand 11:15 **10:46** Want zij hoorden hen in tongen spreken en Elohim groot maken. Toen antwoordde Petrus: Brontekst: ἤκουον (ekouon) = hoorden | γὰρ (gar) = want | αὐτῶν (auton) = hen | λαλούντων (lalounton) = sprekend | γλώσσαις (glossais) = in tongen | καὶ (kai) = en | μεγαλυνόντων (megalynonton) = groot makend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | τότε (tote) = toen | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Πέτρος (Petros) = Petrus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γλώσσαις (glossais), ‘in tongen’: het Grieks zegt alleen ‘in tongen’. Vergelijk 2:4 en 19:6. μεγαλύνω (megalyno), ‘groot maken’: loven (zie Luc. 1:46). Voetnoot : Zie ook Hand. 2:4; Hand. 19:6. Zie ook: Luc 1:46; Hand 2:4; Hand 19:6 **10:47** „Kan iemand het water weigeren, zodat dezen niet gedoopt worden, terwijl zij de Heilige Geest hebben ontvangen zoals ook wij?” Brontekst: Μήτι (Meti) = of soms | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | δύναται (dynatai) = kan | κωλῦσαί (kolysai) = weigeren | τις (tis) = iemand | τοῦ (tou) = zodat | μὴ (me) = niet | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt worden | τούτους (toutous) = dezen | οἵτινες (hoitines) = die | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | ἔλαβον (elabon) = ontvingen | ὡς (hos) = zoals | καὶ (kai) = ook | ἡμεῖς (hemeis) = wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μήτι (meti): Petrus stelt een vraag waarop het antwoord ‘nee’ verwacht wordt. κωλύω (kolyo), ‘weigeren, tegenhouden’. **10:48** Hij gaf het bevel dat zij gedoopt zouden worden in de naam van Yeshua de Messias. Toen vroegen zij hem enkele dagen te blijven. Brontekst: προσέταξεν (prosetaxen) = beval | δὲ (de) = nu | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = de Messias | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden | τότε (tote) = toen | ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = hem | ἐπιμεῖναι (epimeinai) = te blijven | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τινάς (tinas) = enkele Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks noemt hier alleen de naam van Yeshua de Messias; vergelijk Matt. 28:19. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:19. Zie ook: Mat 28:19 ## Handelingen 11 _Petrus verantwoordt zich in Jeruzalem; de gemeente in Antiochië_ ### Petrus verantwoordt zich in Jeruzalem **11:1** De apostelen en de broers die in Judea waren, hoorden dat ook de volken het woord van Elohim hadden aangenomen. Brontekst: Ἤκουσαν (Ekousan) = hoorden | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | οἱ (hoi) = die | ὄντες (ontes) = waren | κατὰ (kata) = door | τὴν (ten) = de | Ἰουδαίαν (Ioudaian) = Judea | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = ook | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | ἐδέξαντο (edexanto) = hadden aangenomen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: ἔθνη (ethne), ‘de volken’: de niet-Joden; wij vertalen het overal zo (zie 9:15). Het gaat om wat in 10:44–48 gebeurde. δέχομαι (dechomai), ‘aannemen’. **11:2** Toen Petrus naar Jeruzalem was opgegaan, twistten zij die uit de besnijdenis waren, met hem. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = nu | ἀνέβη (anebe) = opging | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | διεκρίνοντο (diekrinonto) = twistten | πρὸς (pros) = met | αὐτὸν (auton) = hem | οἱ (hoi) = zij | ἐκ (ek) = uit | περιτομῆς (peritomes) = besnijdenis Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: διακρίνομαι (diakrinomai), ‘twisten’: hier ‘een geschil hebben’. Hetzelfde werkwoord betekent in 10:20 en in vers 12 ‘twijfelen’. οἱ ἐκ περιτομῆς (hoi ek peritomes), ‘zij die uit de besnijdenis waren’: Joodse gelovigen; vergelijk 10:45. Zie ook: Hand 11:12 **11:3** Zij zeiden: „Je bent binnengegaan bij onbesneden mannen en hebt met hen gegeten.” Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Εἰσῆλθες (Eiselthes) = je ging binnen | πρὸς (pros) = bij | ἄνδρας (andras) = mannen | ἀκροβυστίαν (akrobystian) = voorhuid | ἔχοντας (echontas) = hebbend | καὶ (kai) = en | συνέφαγες (synephages) = at samen | αὐτοῖς (autois) = met hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀκροβυστία (akrobystia), ‘voorhuid’: wij schrijven ‘onbesneden’. Het gaat om niet-Joden. Het verwijt gaat vooral over het eten met hen (συνέφαγες), niet alleen over het binnengaan; vergelijk 10:28. **11:4** Petrus begon en legde het hun stap voor stap uit. Hij zei: Brontekst: ἀρξάμενος (arxamenos) = begonnen hebbend | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐξετίθετο (exetitheto) = legde uiteen | αὐτοῖς (autois) = aan hen | καθεξῆς (kathexes) = in volgorde | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT **11:5** „Ik was in de stad Jafo aan het bidden en zag in een vervoering een visioen. Een voorwerp daalde neer als een grote linnen doek, aan vier hoeken neergelaten uit de hemel. Het kwam tot bij mij. Brontekst: Ἐγὼ (Ego) = ik | ἤμην (emen) = was | ἐν (en) = in | πόλει (polei) = stad | Ἰόππῃ (Ioppe) = Jafo | προσευχόμενος (proseuchomenos) = biddend | καὶ (kai) = en | εἶδον (eidon) = zag | ἐν (en) = in | ἐκστάσει (ekstasei) = vervoering | ὅραμα (horama) = visioen | καταβαῖνον (katabainon) = neerdalend | σκεῦός (skeuos) = voorwerp | τι (ti) = een | ὡς (hos) = als | ὀθόνην (othonen) = linnen doek | μεγάλην (megalen) = grote | τέσσαρσιν (tessarsin) = aan vier | ἀρχαῖς (archais) = hoeken | καθιεμένην (kathiemenen) = neergelaten | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | ἄχρι (achri) = tot | ἐμοῦ (emou) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Voetnoot Uitleg: Petrus vertelt hier opnieuw wat in 10:9–16 staat. In vers 6 staan ook θηρία (theria), ‘wilde dieren’, die in 10:12 niet genoemd worden; verder zijn de afwijkingen klein. Zie ook: Hand 11:6 **11:6** Ik keek er strak naar en lette erop. Ik zag de viervoetige dieren van de aarde, de wilde dieren, de kruipende dieren en de vogels van de hemel. Brontekst: εἰς (eis) = naar | ἣν (hen) = welke | ἀτενίσας (atenisas) = strak kijkend | κατενόουν (katenooun) = ik beschouwde | καὶ (kai) = en | εἶδον (eidon) = zag | τὰ (ta) = de | τετράποδα (tetrapoda) = viervoetige dieren | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | θηρία (theria) = wilde dieren | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | ἑρπετὰ (herpeta) = kruipende dieren | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT **11:7** Ik hoorde ook een stem tegen mij zeggen: ‘Sta op, Petrus, slacht en eet.’ Brontekst: ἤκουσα (ekousa) = hoorde ik | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | φωνῆς (phones) = stem | λεγούσης (legouses) = zeggend | μοι (moi) = tot mij | Ἀναστάς (Anastas) = opgestaan | Πέτρε (Petre) = Petrus | θῦσον (thyson) = slacht | καὶ (kai) = en | φάγε (phage) = eet Bron: SBLGNT **11:8** Ik zei: ‘Volstrekt niet, Heer! Want nooit is iets onheiligs of onreins in mijn mond gekomen.’ Brontekst: εἶπον (eipon) = zei ik | δέ (de) = nu | Μηδαμῶς (Medamos) = volstrekt niet | κύριε (kyrie) = Heer | ὅτι (hoti) = want | κοινὸν (koinon) = onheilig | ἢ (e) = of | ἀκάθαρτον (akatharton) = onrein | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | εἰσῆλθεν (eiselthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **11:9** Voor de tweede keer antwoordde een stem uit de hemel: ‘Wat Elohim gereinigd heeft, noem jij niet onheilig.’ Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | δὲ (de) = nu | φωνὴ (phone) = stem | ἐκ (ek) = voor | δευτέρου (deuterou) = de tweede keer | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | Ἃ (Ha) = wat | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκαθάρισεν (ekatharisen) = heeft gereinigd | σὺ (sy) = jij | μὴ (me) = niet | κοίνου (koinou) = noem onheilig Bron: SBLGNT **11:10** Dit gebeurde driemaal, en alles werd weer opgetrokken naar de hemel. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = nu | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐπὶ (epi) = tot | τρίς (tris) = driemaal | καὶ (kai) = en | ἀνεσπάσθη (anespasthe) = werd opgetrokken | πάλιν (palin) = weer | ἅπαντα (hapanta) = alles | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανόν (ouranon) = hemel Bron: SBLGNT **11:11** En zie, meteen stonden drie mannen bij het huis waar wij waren, gezonden van Caesarea naar mij toe. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐξαυτῆς (exautes) = meteen | τρεῖς (treis) = drie | ἄνδρες (andres) = mannen | ἐπέστησαν (epestesan) = stonden | ἐπὶ (epi) = bij | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | ἐν (en) = in | ᾗ (he) = welk | ἦμεν (emen) = wij waren | ἀπεσταλμένοι (apestalmenoi) = gezonden | ἀπὸ (apo) = van | Καισαρείας (Kaisareias) = Caesarea | πρός (pros) = naar | με (me) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: τρεῖς ἄνδρες (treis andres), ‘drie mannen’: in 10:7 zijn het twee huisknechten en een soldaat. De SBLGNT heeft in 10:19 alleen ‘mannen’. **11:12** De Geest zei mij zonder te twijfelen met hen mee te gaan. Ook deze zes broers gingen met mij mee, en wij gingen het huis van die man binnen. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = de | πνεῦμά (pneuma) = Geest | μοι (moi) = mij | συνελθεῖν (synelthein) = mee te gaan | αὐτοῖς (autois) = met hen | μηδὲν (meden) = niets | διακρίναντα (diakrinanta) = twijfelend | ἦλθον (elthon) = gingen | δὲ (de) = nu | σὺν (syn) = met | ἐμοὶ (emoi) = mij | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἓξ (hex) = zes | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | οὗτοι (houtoi) = deze | καὶ (kai) = en | εἰσήλθομεν (eiselthomen) = wij gingen binnen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | ἀνδρός (andros) = man Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸ πνεῦμα (to pneuma), ‘de Geest’: de Geest van Elohim, zoals in 10:19–20. Het Grieks geeft de woorden van de Geest hier als onrechtstreekse rede (‘zei mij mee te gaan’). Wij zetten alleen de rechtstreekse rede van de Geest rood (met aanhalingstekens, zoals in 10:19–20); onrechtstreekse rede blijft zwart, zoals in 20:23 en 21:4. De ‘zes broers’ zijn waarschijnlijk de ‘enkele broers uit Jafo’ van 10:23. **11:13** Hij berichtte ons hoe hij de engel in zijn huis had zien staan, die zei: ‘Zend naar Jafo en laat Simon halen, die Petrus genoemd wordt. Brontekst: ἀπήγγειλεν (apengeilen) = berichtte | δὲ (de) = nu | ἡμῖν (hemin) = aan ons | πῶς (pos) = hoe | εἶδεν (eiden) = hij zag | τὸν (ton) = de | ἄγγελον (angelon) = engel | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | οἴκῳ (oiko) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | σταθέντα (stathenta) = staand | καὶ (kai) = en | εἰπόντα (eiponta) = zeggend | Ἀπόστειλον (Aposteilon) = zend | εἰς (eis) = naar | Ἰόππην (Ioppen) = Jafo | καὶ (kai) = en | μετάπεμψαι (metapempsai) = laat halen | Σίμωνα (Simona) = Simon | τὸν (ton) = die | ἐπικαλούμενον (epikaloumenon) = genoemd wordt | Πέτρον (Petron) = Petrus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Voetnoot Uitleg: Hier staat ἀπόστειλον (aposteilon), ‘zend’, van ἀποστέλλω; in 10:5 en 10:32 staat πέμψον (pempson), ‘stuur’, van πέμπω. Wij houden dat verschil. De belofte in vers 14 (‘waardoor jij gered zult worden, jij en heel je huis’) staat niet in 10:3–6 of 10:30–32; Petrus vertelt hier iets wat Cornelius in hoofdstuk 10 niet zei. Zie ook: Hand 11:14 **11:14** Hij zal woorden tot je spreken waardoor jij gered zult worden, jij en heel je huis.’ Brontekst: ὃς (hos) = die | λαλήσει (lalesei) = zal spreken | ῥήματα (rhemata) = woorden | πρὸς (pros) = tot | σὲ (se) = jou | ἐν (en) = in | οἷς (hois) = welke | σωθήσῃ (sothese) = je zult gered worden | σὺ (sy) = jij | καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = het | οἶκός (oikos) = huis | σου (sou) = je Bron: SBLGNT **11:15** Toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, zoals ook op ons in het begin. Brontekst: ἐν (en) = bij | δὲ (de) = nu | τῷ (to) = het | ἄρξασθαί (arxasthai) = beginnen | με (me) = mij | λαλεῖν (lalein) = te spreken | ἐπέπεσεν (epepesen) = viel | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτοὺς (autous) = hen | ὥσπερ (hosper) = zoals | καὶ (kai) = ook | ἐφ’ (eph’) = op | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἐν (en) = in | ἀρχῇ (arche) = begin Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν ἀρχῇ (en arche), ‘in het begin’: waarschijnlijk de eerste uitstorting van de Geest in Jeruzalem (2:1–4). Voetnoot : Zie ook Hand. 2:1–4. Zie ook: Hand 2:1–4 **11:16** Ik herinnerde mij het woord van de Heer, hoe Hij zei: **‘Johannes doopte wel met water, maar jullie zullen gedoopt worden met de Heilige Geest.’** Brontekst: ἐμνήσθην (emnesthen) = ik herinnerde me | δὲ (de) = nu | τοῦ (tou) = het | ῥήματος (rhematos) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | ὡς (hos) = hoe | ἔλεγεν (elegen) = Hij zei | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | μὲν (men) = wel | ἐβάπτισεν (ebaptisen) = doopte | ὕδατι (hydati) = met water | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | βαπτισθήσεσθε (baptisthesesthe) = zullen gedoopt worden | ἐν (en) = met | πνεύματι (pneumati) = Geest | ἁγίῳ (hagio) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Petrus noemt dit ‘het woord van de Heer’ (ῥῆμα τοῦ κυρίου). Het zijn woorden van Yeshua, daarom staan ze rood. Dezelfde woorden staan in 1:5 en lijken op Luc. 3:16 en Joh. 1:33, waar Johannes de Doper spreekt. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:5; Luc. 3:16; Joh. 1:33. Zie ook: Luc 3:16; Joh 1:33; Hand 1:5 **11:17** Als Elohim hun dus dezelfde gave heeft gegeven als ook ons, die in de Heer Yeshua de Messias geloofd hebben, wie was ik dan om Elohim tegen te houden?” Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | τὴν (ten) = de | ἴσην (isen) = gelijke | δωρεὰν (dorean) = gave | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = aan hen | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ὡς (hos) = zoals | καὶ (kai) = ook | ἡμῖν (hemin) = aan ons | πιστεύσασιν (pisteusasin) = geloofd hebbend | ἐπὶ (epi) = in | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | Χριστόν (Christon) = de Messias | ἐγὼ (ego) = ik | τίς (tis) = wie | ἤμην (emen) = was | δυνατὸς (dynatos) = in staat | κωλῦσαι (kolysai) = tegen te houden | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δωρεά (dorea), ‘gave’: de Heilige Geest (vergelijk 10:45). κωλύω (kolyo), ‘tegenhouden’. Het Grieks heeft één lange voorwaardelijke zin (‘Als … wie was ik dan …?’); splitsen zou de redenering veranderen. **11:18** Toen zij dit hoorden, werden zij stil en verheerlijkten Elohim. Zij zeiden: „Dan heeft Elohim dus ook aan de volken de bekering tot leven gegeven.” Brontekst: ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = nu | ταῦτα (tauta) = dit | ἡσύχασαν (hesychasan) = werden stil | καὶ (kai) = en | ἐδόξασαν (edoxasan) = verheerlijkten | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἄρα (Ara) = dus | καὶ (kai) = ook | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὴν (ten) = de | μετάνοιαν (metanoian) = bekering | εἰς (eis) = tot | ζωὴν (zoen) = leven | ἔδωκεν (edoken) = gaf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡσυχάζω (hesychazo), ‘stil worden’. μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: letterlijk ‘verandering van denken’; wij vertalen het werkwoord μετανοέω overal met ‘zich bekeren’. ### De gemeente in Antiochië **11:19** Zij die verstrooid waren door de verdrukking die naar aanleiding van Stefanus was ontstaan, trokken door tot in Fenicië, Cyprus en Antiochië. Zij spraken het woord tot niemand, behalve alleen tot Joden. Brontekst: Οἱ (Hoi) = zij | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | διασπαρέντες (diasparentes) = verstrooid zijnd | ἀπὸ (apo) = door | τῆς (tes) = de | θλίψεως (thlipseos) = verdrukking | τῆς (tes) = die | γενομένης (genomenes) = ontstond | ἐπὶ (epi) = naar aanleiding van | Στεφάνῳ (Stephano) = Stefanus | διῆλθον (dielthon) = trokken door | ἕως (heos) = tot | Φοινίκης (Phoinikes) = Fenicië | καὶ (kai) = en | Κύπρου (Kyprou) = Cyprus | καὶ (kai) = en | Ἀντιοχείας (Antiocheias) = Antiochië | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | λαλοῦντες (lalountes) = sprekend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | εἰ (ei) = tenzij | μὴ (me) = niet | μόνον (monon) = alleen | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = aan Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Fenicië (kuststreek): Fenicië was de kuststrook aan de Middellandse Zee rond Tyrus en Sidon, nu vooral Libanon, met de aangrenzende kust van Israël en Syrië. De grenzen zijn niet scherp. Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’. De vervolging na de dood van Stefanus staat in 8:1. Φοινίκη (Phoinike), ‘Fenicië’: de kuststreek rond Tyrus en Sidon. Ἀντιόχεια (Antiocheia), ‘Antiochië’: de stad in Syrië. Voetnoot : Zie ook Hand. 8:1. Zie ook: Hand 8:1 **11:20** Sommigen van hen waren mannen uit Cyprus en Cyrene. Toen zij in Antiochië kwamen, spraken zij ook tot de Hellenisten en brachten de goede boodschap over de Heer Yeshua. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δέ (de) = nu | τινες (tines) = sommigen | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἄνδρες (andres) = mannen | Κύπριοι (Kyprioi) = uit Cyprus | καὶ (kai) = en | Κυρηναῖοι (Kyrenaioi) = uit Cyrene | οἵτινες (hoitines) = die | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië | ἐλάλουν (elaloun) = spraken | καὶ (kai) = ook | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | Ἑλληνιστάς (Hellenistas) = Hellenisten | εὐαγγελιζόμενοι (euangelizomenoi) = de goede boodschap brengend | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië. Er woonde een grote Joodse gemeenschap. Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: Ἑλληνιστής (Hellenistes), ‘Hellenist’: zie 9:29 en 6:1. Hier staat het tegenover vers 19 (‘alleen tot Joden’); daarom zijn hier waarschijnlijk niet-Joden bedoeld die Grieks spraken. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben Ἕλληνας (Hellenas), ‘Grieken’, in plaats van Ἑλληνιστάς. De SBLGNT heeft Ἑλληνιστάς. Voetnoot : Zie ook Hand. 6:1. Zie ook: Hand 6:1; Hand 11:19 **11:21** De hand van de Heer was met hen, en een groot aantal dat geloofd had, keerde zich tot de Heer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | χεὶρ (cheir) = hand | κυρίου (kyriou) = van de Heer | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | πολύς (polys) = groot | τε (te) = en | ἀριθμὸς (arithmos) = aantal | ὁ (ho) = die | πιστεύσας (pisteusas) = geloofd had | ἐπέστρεψεν (epestrepsen) = keerde zich | ἐπὶ (epi) = tot | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χεὶρ κυρίου (cheir kyriou), ‘de hand van de Heer’: een beeld voor Zijn kracht, zoals ‘de hand van Yahweh’ in het Oude Testament (bijvoorbeeld Exod. 9:3; Richt. 2:15). Hier gaat het om de Heer Yeshua van vers 20; daarom ‘Heer’. ἐπιστρέφω (epistrepho), ‘zich keren’: zie 9:35. Voetnoot : Zie ook Exod. 9:3; Richt. 2:15. Zie ook: Ex 9:3; Re 2:15; Hand 11:20 **11:22** Het bericht over hen kwam terecht in de oren van de gemeente in Jeruzalem. Zij zonden Barnabas uit tot aan Antiochië. Brontekst: ἠκούσθη (ekousthe) = werd gehoord | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = bericht | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | ὦτα (ota) = oren | τῆς (tes) = van de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeente | τῆς (tes) = die | οὔσης (ouses) = was | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | περὶ (peri) = over | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | ἐξαπέστειλαν (exapesteilan) = zonden uit | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | ἕως (heos) = tot | Ἀντιοχείας (Antiocheias) = Antiochië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: ἐξαπέστειλαν (exapesteilan), ‘zonden uit’, van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’: zie 9:30. ‘In de oren’ is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘ter ore komen’. **11:23** Toen hij aankwam en de genade van Elohim zag, verheugde hij zich. Hij spoorde allen aan om met een vast voornemen van hun hart bij de Heer te blijven. Brontekst: ὃς (hos) = die | παραγενόμενος (paragenomenos) = aangekomen | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = gezien hebbend | τὴν (ten) = de | χάριν (charin) = genade | τὴν (ten) = die | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐχάρη (echare) = verheugde zich | καὶ (kai) = en | παρεκάλει (parekalei) = spoorde aan | πάντας (pantas) = allen | τῇ (te) = met het | προθέσει (prothesei) = voornemen | τῆς (tes) = van het | καρδίας (kardias) = hart | προσμένειν (prosmenein) = te blijven | τῷ (to) = bij de | κυρίῳ (kyrio) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χάρις (charis), ‘genade’. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘bemoedigen’ of ‘vertroosten’; verwant aan παράκλησις (9:31). πρόθεσις (prothesis), ‘voornemen’: een vaste wil. **11:24** Want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van geloof. Een flinke menigte werd bij de Heer gevoegd. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ἦν (en) = hij was | ἀνὴρ (aner) = man | ἀγαθὸς (agathos) = goed | καὶ (kai) = en | πλήρης (pleres) = vol | πνεύματος (pneumatos) = van Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige | καὶ (kai) = en | πίστεως (pisteos) = van geloof | καὶ (kai) = en | προσετέθη (prosetethe) = werd toegevoegd | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἱκανὸς (hikanos) = aanzienlijke | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Heer Bron: SBLGNT **11:25** Hij vertrok naar Tarsus om Saulus op te sporen, Brontekst: ἐξῆλθεν (exelthen) = vertrok | δὲ (de) = nu | εἰς (eis) = naar | Ταρσὸν (Tarson) = Tarsus | ἀναζητῆσαι (anazetesai) = op te sporen | Σαῦλον (Saulon) = Saulus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tarsus: Tarsus, de stad waar Saulus geboren werd, lag in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, bij Mersin. **11:26** en toen hij hem had gevonden, bracht hij hem naar Antiochië. Het gebeurde dat zij ook een heel jaar in de gemeente bijeenkwamen en een flinke menigte onderwezen. In Antiochië werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὑρὼν (heuron) = gevonden hebbend | ἤγαγεν (egagen) = bracht | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | αὐτοῖς (autois) = met hen | καὶ (kai) = ook | ἐνιαυτὸν (eniauton) = jaar | ὅλον (holon) = heel | συναχθῆναι (synachthenai) = bijeen te komen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐκκλησίᾳ (ekklesia) = gemeente | καὶ (kai) = en | διδάξαι (didaxai) = te onderwijzen | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἱκανόν (hikanon) = aanzienlijke | χρηματίσαι (chrematisai) = genoemd te worden | τε (te) = en | πρώτως (protos) = voor het eerst | ἐν (en) = in | Ἀντιοχείᾳ (Antiocheia) = Antiochië | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | Χριστιανούς (Christianous) = Christenen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: χρηματίζω (chrematizo): hier ‘genoemd worden’ (in 10:22 ‘de aanwijzing krijgen’). Χριστιανός (Christianos), ‘Christen’: letterlijk ‘aanhanger van de Messias’, van χριστός (christos), ‘Messias’, ‘gezalfde’. Het woord staat in het Nieuwe Testament nog in Hand. 26:28 en 1 Petr. 4:16. Het Grieks zegt niet wie de naam gaf. Zie ook: Hand 26:28; 1 Petr 4:16 ### Hulp voor de broers in Judea **11:27** In die dagen kwamen er profeten van Jeruzalem af naar Antiochië. Brontekst: Ἐν (En) = in | ταύταις (tautais) = deze | δὲ (de) = nu | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | κατῆλθον (katelthon) = kwamen af | ἀπὸ (apo) = van | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | προφῆται (prophetai) = profeten | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. **11:28** Een van hen, Agabus genaamd, stond op en gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou komen over de hele bewoonde wereld. Die kwam onder Claudius. Brontekst: ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | δὲ (de) = nu | εἷς (heis) = één | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ἅγαβος (Hagabos) = Agabus | ἐσήμανεν (esemanen) = gaf te kennen | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | λιμὸν (limon) = hongersnood | μεγάλην (megalen) = grote | μέλλειν (mellein) = op het punt staan | ἔσεσθαι (esesthai) = te zullen zijn | ἐφ’ (eph’) = over | ὅλην (holen) = heel | τὴν (ten) = de | οἰκουμένην (oikoumenen) = bewoonde wereld | ἥτις (hetis) = die | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐπὶ (epi) = onder | Κλαυδίου (Klaudiou) = Claudius Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἅγαβος (Hagabos), ‘Agabus’: een profeet; hij komt ook voor in 21:10. διὰ τοῦ πνεύματος (dia tou pneumatos), ‘door de Geest’: de Heilige Geest gaf hem de boodschap. οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: de wereld die Grieken en Romeinen kenden. Κλαύδιος (Klaudios), ‘Claudius’: de Romeinse keizer Claudius (hij regeerde van 41 tot 54 n.Chr.). **11:29** De leerlingen besloten, ieder naar zijn vermogen, hulp te sturen aan de broers die in Judea woonden. Brontekst: τῶν (ton) = van de | δὲ (de) = nu | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | καθὼς (kathos) = naarmate | εὐπορεῖτό (euporeito) = beschikte over middelen | τις (tis) = iemand | ὥρισαν (horisan) = besloten | ἕκαστος (hekastos) = ieder | αὐτῶν (auton) = van hen | εἰς (eis) = tot | διακονίαν (diakonian) = hulp | πέμψαι (pempsai) = te sturen | τοῖς (tois) = aan de | κατοικοῦσιν (katoikousin) = wonenden | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Judea | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: διακονία (diakonia), ‘hulp’: hier een gift voor de nood van de broers in Judea; het woord is verwant aan διάκονος (diakonos), ‘dienaar’. εὐπορέω (euporeo), ‘over middelen beschikken’: ieder gaf naar vermogen. **11:30** Dat deden zij ook: zij zonden het naar de ouderlingen, via Barnabas en Saulus. Brontekst: ὃ (ho) = wat | καὶ (kai) = ook | ἐποίησαν (epoiesan) = zij deden | ἀποστείλαντες (aposteilantes) = gezonden hebbend | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | πρεσβυτέρους (presbyterous) = ouderlingen | διὰ (dia) = door | χειρὸς (cheiros) = hand | Βαρναβᾶ (Barnaba) = van Barnabas | καὶ (kai) = en | Σαύλου (Saulou) = Saulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderlingen’: de leiders van de gemeente; in de gemeente vertalen wij het woord overal zo (ook 15:2). In de evangeliën, en bij de leiders van het volk, staat ‘oudsten’. διὰ χειρός (dia cheiros), ‘door de hand van’: door bemiddeling van. ## Handelingen 12 _Herodes laat Jakobus doden; Petrus wordt bevrijd en Herodes sterft_ ### Herodes laat Jakobus doden en Petrus grijpen **12:1** Omstreeks die tijd sloeg koning Herodes de handen aan enkelen van de gemeente om hen kwaad te doen. Brontekst: Κατ’ (Kat’) = omstreeks | ἐκεῖνον (ekeinon) = die | δὲ (de) = nu | τὸν (ton) = de | καιρὸν (kairon) = tijd | ἐπέβαλεν (epebalen) = sloeg | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | κακῶσαί (kakosai) = kwaad te doen | τινας (tinas) = enkelen | τῶν (ton) = van de | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeente Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἡρῴδης (Herodes): Herodes Agrippa I, een kleinzoon van Herodes de Grote, koning van 41 tot 44 n.Chr. (dit staat niet in de tekst); hij is niet de Herodes uit de evangeliën. κακόω (kakoo), ‘kwaad doen’. **12:2** Hij doodde Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard. Brontekst: ἀνεῖλεν (aneilen) = doodde | δὲ (de) = nu | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | μαχαίρῃ (machaire) = met het zwaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Jakobus, de broer van Johannes, is de zoon van Zebedeüs (Matt. 4:21). Hij is de eerste van de twaalf van wie in dit boek de dood wordt verteld. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: het Grieks zegt niet meer over de manier van doden. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:21. Zie ook: Mat 4:21 **12:3** Toen hij zag dat het de Joden beviel, ging hij verder en liet ook Petrus grijpen. Het waren de dagen van de ongezuurde broden. Brontekst: ἰδὼν (idon) = gezien hebbend | δὲ (de) = nu | ὅτι (hoti) = dat | ἀρεστόν (areston) = aangenaam | ἐστιν (estin) = is | τοῖς (tois) = voor de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | προσέθετο (prosetheto) = voegde toe | συλλαβεῖν (syllabein) = te grijpen | καὶ (kai) = ook | Πέτρον (Petron) = Petrus | ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = nu | ἡμέραι (hemerai) = dagen | τῶν (ton) = van de | ἀζύμων (azymon) = ongezuurde broden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurd brood’: het feest van de ongezuurde broden, dat bij het Pesach hoort (zie Luc. 22:1). Voetnoot : Zie ook Luc. 22:1. Zie ook: Luc 22:1 **12:4** Hij greep hem ook en zette hem gevangen. Hij droeg hem over aan vier groepen van vier soldaten om hem te bewaken. Hij wilde hem na het Pesach voor het volk brengen. Brontekst: ὃν (hon) = die | καὶ (kai) = ook | πιάσας (piasas) = gegrepen hebbend | ἔθετο (etheto) = zette | εἰς (eis) = in | φυλακήν (phylaken) = gevangenis | παραδοὺς (paradous) = overgegeven hebbend | τέσσαρσιν (tessarsin) = aan vier | τετραδίοις (tetradiois) = groepen van vier | στρατιωτῶν (stratioton) = soldaten | φυλάσσειν (phylassein) = te bewaken | αὐτόν (auton) = hem | βουλόμενος (boulomenos) = willend | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | ἀναγαγεῖν (anagagein) = voor te brengen | αὐτὸν (auton) = hem | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τετράδιον (tetradion), ‘groep van vier’: vier wachtploegen van vier soldaten, dus zestien soldaten, die elk een nachtwake hielden. πάσχα (pascha), ‘Pesach’: wij schrijven het zoals in de evangeliën. **12:5** Petrus werd dus in de gevangenis bewaard, maar de gemeente bad onophoudelijk tot Elohim over hem. Brontekst: ὁ (ho) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐτηρεῖτο (etereito) = werd bewaard | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | προσευχὴ (proseuche) = gebed | δὲ (de) = nu | ἦν (en) = was | ἐκτενῶς (ektenos) = aanhoudend | γινομένη (ginomene) = gebeurend | ὑπὸ (hypo) = door | τῆς (tes) = de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeente | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκτενῶς (ektenos), ‘onophoudelijk’, ‘ingespannen’. Het gebed richt zich tot Elohim (πρὸς τὸν θεόν). ### Een engel bevrijdt Petrus **12:6** Toen Herodes hem voor wilde brengen, sliep Petrus in die nacht tussen twee soldaten, gebonden met twee kettingen. Voor de deur bewaakten wachters de gevangenis. Brontekst: Ὅτε (Hote) = toen | δὲ (de) = nu | ἤμελλεν (emellen) = op het punt stond | προαγαγεῖν (proagagein) = voor te brengen | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | τῇ (te) = in de | νυκτὶ (nykti) = nacht | ἐκείνῃ (ekeine) = die | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | κοιμώμενος (koimomenos) = slapend | μεταξὺ (metaxy) = tussen | δύο (dyo) = twee | στρατιωτῶν (stratioton) = soldaten | δεδεμένος (dedemenos) = gebonden | ἁλύσεσιν (halysesin) = met kettingen | δυσίν (dysin) = twee | φύλακές (phylakes) = wachters | τε (te) = en | πρὸ (pro) = voor | τῆς (tes) = de | θύρας (thyras) = deur | ἐτήρουν (eteroun) = bewaakten | τὴν (ten) = de | φυλακήν (phylaken) = gevangenis Bron: SBLGNT **12:7** En zie, een engel van Yahweh stond erbij en een licht scheen in de cel. Hij sloeg Petrus op de zij, wekte hem en zei: „Sta snel op!” En de kettingen vielen van zijn handen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἐπέστη (epeste) = stond erbij | καὶ (kai) = en | φῶς (phos) = licht | ἔλαμψεν (elampsen) = scheen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | οἰκήματι (oikemati) = cel | πατάξας (pataxas) = geslagen hebbend | δὲ (de) = nu | τὴν (ten) = de | πλευρὰν (pleuran) = zij | τοῦ (tou) = van de | Πέτρου (Petrou) = Petrus | ἤγειρεν (egeiren) = wekte | αὐτὸν (auton) = hem | λέγων (legon) = zeggend | Ἀνάστα (Anasta) = sta op | ἐν (en) = in | τάχει (tachei) = haast | καὶ (kai) = en | ἐξέπεσαν (exepesan) = vielen af | αὐτοῦ (autou) = zijn | αἱ (hai) = de | ἁλύσεις (halyseis) = kettingen | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | χειρῶν (cheiron) = handen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγγελος κυρίου (angelos kyriou), ‘engel van Yahweh’: een vaste uitdrukking uit het Oude Testament (bijvoorbeeld Gen. 16:7), daarom Yahweh. Het Grieks heeft geen lidwoord. De woorden van de engel staan zwart: hij is niet Yeshua. Voetnoot : Zie ook Gen. 16:7. Zie ook: Gen 16:7 **12:8** De engel zei tegen hem: „Gord je om en bind je sandalen aan.” Hij deed dat. Daarna zegt hij tegen hem: „Sla je mantel om en volg mij.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Ζῶσαι (Zosai) = gord om | καὶ (kai) = en | ὑπόδησαι (hypodesai) = bind aan | τὰ (ta) = de | σανδάλιά (sandalia) = sandalen | σου (sou) = je | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | δὲ (de) = nu | οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | Περιβαλοῦ (Peribalou) = sla om | τὸ (to) = de | ἱμάτιόν (himation) = mantel | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἀκολούθει (akolouthei) = volg | μοι (moi) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier een historisch presens (λέγει, ‘zegt’); wij houden dat aan. **12:9** Hij ging naar buiten en volgde hem. Hij wist niet dat wat er door de engel gebeurde, werkelijk was; hij meende een visioen te zien. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδει (edei) = wist | ὅτι (hoti) = dat | ἀληθές (alethes) = waar | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | γινόμενον (ginomenon) = gebeurende | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | ἀγγέλου (angelou) = engel | ἐδόκει (edokei) = meende | δὲ (de) = nu | ὅραμα (horama) = visioen | βλέπειν (blepein) = te zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὅραμα (horama), ‘visioen’: zoals in 10:3 en 11:5. **12:10** Toen zij de eerste en de tweede wacht gepasseerd waren, kwamen zij bij de ijzeren poort die naar de stad leidt. Die ging vanzelf voor hen open. Zij gingen naar buiten en liepen één straat door. Meteen verliet de engel hem. Brontekst: διελθόντες (dielthontes) = doorgegaan | δὲ (de) = nu | πρώτην (proten) = eerste | φυλακὴν (phylaken) = wacht | καὶ (kai) = en | δευτέραν (deuteran) = tweede | ἦλθαν (elthan) = kwamen | ἐπὶ (epi) = bij | τὴν (ten) = de | πύλην (pylen) = poort | τὴν (ten) = de | σιδηρᾶν (sideran) = ijzeren | τὴν (ten) = de | φέρουσαν (pherousan) = leidende | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | ἥτις (hetis) = die | αὐτομάτη (automate) = vanzelf | ἠνοίγη (enoige) = werd geopend | αὐτοῖς (autois) = voor hen | καὶ (kai) = en | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | προῆλθον (proelthon) = gingen verder | ῥύμην (rhymen) = straat | μίαν (mian) = één | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀπέστη (apeste) = week | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φυλακή (phylake) betekent hier ‘wacht’ (een post wachters), in vers 4 en 5 ‘gevangenis’. αὐτομάτη (automate), ‘vanzelf’. Zie ook: Hand 12:4; Hand 12:5 **12:11** Petrus kwam tot zichzelf en zei: „Nu weet ik werkelijk dat Yahweh Zijn engel heeft gezonden. Hij heeft mij gered uit de hand van Herodes en van alles wat het volk van de Joden verwachtte.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = zichzelf | γενόμενος (genomenos) = gekomen | εἶπεν (eipen) = zei | Νῦν (Nyn) = nu | οἶδα (oida) = weet ik | ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | ὅτι (hoti) = dat | ἐξαπέστειλεν (exapesteilen) = zond uit | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Yahweh | τὸν (ton) = de | ἄγγελον (angelon) = engel | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐξείλατό (exeilato) = redde | με (me) = mij | ἐκ (ek) = uit | χειρὸς (cheiros) = hand | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes | καὶ (kai) = en | πάσης (pases) = van alle | τῆς (tes) = de | προσδοκίας (prosdokias) = verwachting | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios): hier is de Heer die Zijn engel zond Yahweh, de Elohim van Israël, en niet Yeshua; daarom schrijven wij ‘Yahweh’. Vergelijk ‘engel van Yahweh’ in vers 7 en 23. Voetnoot : Zie ook Hand. 12:7. Zie ook: Hand 12:7; Hand 12:23 ### Petrus bij het huis van Maria **12:12** Toen hij dit besefte, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes die Markus genoemd wordt. Daar waren velen bijeengekomen die baden. Brontekst: Συνιδών (Synidon) = beseft hebbend | τε (te) = en | ἦλθεν (elthen) = ging | ἐπὶ (epi) = naar | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | τῆς (tes) = van de | Μαρίας (Marias) = Maria | τῆς (tes) = de | μητρὸς (metros) = moeder | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | τοῦ (tou) = die | ἐπικαλουμένου (epikaloumenou) = genoemd wordt | Μάρκου (Markou) = Markus | οὗ (hou) = waar | ἦσαν (esan) = waren | ἱκανοὶ (hikanoi) = velen | συνηθροισμένοι (synethroismenoi) = bijeengekomen | καὶ (kai) = en | προσευχόμενοι (proseuchomenoi) = biddend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Maria is de moeder van Johannes Markus; haar huis is een samenkomstplaats van de gemeente. Johannes Markus komt weer voor in 12:25 en 13:5. **12:13** Toen hij op de deur van de poort klopte, kwam een dienstmeisje om te luisteren, genaamd Rhode. Brontekst: κρούσαντος (krousantos) = geklopt hebbend | δὲ (de) = nu | αὐτοῦ (autou) = hij | τὴν (ten) = de | θύραν (thyran) = deur | τοῦ (tou) = van de | πυλῶνος (pylonos) = poort | προσῆλθε (proselthe) = kwam | παιδίσκη (paidiske) = dienstmeisje | ὑπακοῦσαι (hypakousai) = om te luisteren | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ῥόδη (Rhode) = Rhode Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πυλών (pylon), ‘poort’: de toegang naar de binnenplaats. ὑπακούω (hypakouo), ‘luisteren’: wie er aan de deur is. Ῥόδη (Rhode) betekent ‘roos’ (uit onze kennis). **12:14** Zij herkende de stem van Petrus en deed van vreugde de poort niet open. Ze rende naar binnen en meldde dat Petrus voor de poort stond. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιγνοῦσα (epignousa) = herkend hebbend | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | τοῦ (tou) = van de | Πέτρου (Petrou) = Petrus | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | χαρᾶς (charas) = blijdschap | οὐκ (ouk) = niet | ἤνοιξεν (enoixen) = opende | τὸν (ton) = de | πυλῶνα (pylona) = poort | εἰσδραμοῦσα (eisdramousa) = binnengerend | δὲ (de) = nu | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = meldde | ἑστάναι (hestanai) = te staan | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | πρὸ (pro) = voor | τοῦ (tou) = de | πυλῶνος (pylonos) = poort Bron: SBLGNT **12:15** Zij zeiden tegen haar: „Je bent buiten zinnen.” Maar zij hield vol dat het zo was. Zij zeiden: „Het is zijn engel.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | πρὸς (pros) = tot | αὐτὴν (auten) = haar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Μαίνῃ (Maine) = je raast | ἡ (he) = zij | δὲ (de) = nu | διϊσχυρίζετο (diischyrizeto) = hield vol | οὕτως (houtos) = zo | ἔχειν (echein) = dat het was | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ὁ (Ho) = de | ἄγγελός (angelos) = engel | ἐστιν (estin) = is | αὐτοῦ (autou) = van hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαίνομαι (mainomai), ‘buiten zinnen zijn’. ὁ ἄγγελός ἐστιν αὐτοῦ (ho angelos estin autou), ‘het is zijn engel’: zij nemen aan dat het de beschermengel van Petrus is, of zijn geest. **12:16** Petrus bleef kloppen. Toen zij opendeden, zagen zij hem en waren buiten zichzelf. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐπέμενεν (epemenen) = bleef | κρούων (krouon) = kloppend | ἀνοίξαντες (anoixantes) = geopend hebbend | δὲ (de) = nu | εἶδαν (eidan) = zagen | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐξέστησαν (exestesan) = waren buiten zichzelf Bron: SBLGNT **12:17** Hij gebaarde hun met de hand te zwijgen en vertelde hun hoe Yahweh hem uit de gevangenis had geleid. Hij zei: „Meld dit aan Jakobus en aan de broers.” Daarna ging hij naar buiten en trok naar een andere plaats. Brontekst: κατασείσας (kataseisas) = gewenkt hebbend | δὲ (de) = nu | αὐτοῖς (autois) = hun | τῇ (te) = met de | χειρὶ (cheiri) = hand | σιγᾶν (sigan) = te zwijgen | διηγήσατο (diegesato) = vertelde | αὐτοῖς (autois) = hun | πῶς (pos) = hoe | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Yahweh | αὐτὸν (auton) = hem | ἐξήγαγεν (exegagen) = leidde | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | φυλακῆς (phylakes) = gevangenis | εἶπέν (eipen) = zei | τε (te) = en | Ἀπαγγείλατε (Apangeilate) = meld | Ἰακώβῳ (Iakobo) = aan Jakobus | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers | ταῦτα (tauta) = dit | καὶ (kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging | εἰς (eis) = naar | ἕτερον (heteron) = andere | τόπον (topon) = plaats Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰάκωβος (Iakobos), ‘Jakobus’: waarschijnlijk de broer van de Heer (zie 15:13); dat is een veronderstelling. ὁ κύριος: hier Yahweh, zie vers 11. Hij ging naar ‘een andere plaats’: het Grieks zegt niet welke. Voetnoot : Zie ook Hand. 15:13. Zie ook: Hand 12:11; Hand 15:13 ### Herodes zoekt Petrus **12:18** Toen het dag werd, ontstond er geen geringe opschudding onder de soldaten: wat was er toch van Petrus geworden? Brontekst: Γενομένης (Genomenes) = geworden zijnde | δὲ (de) = nu | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἦν (en) = was | τάραχος (tarachos) = opschudding | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγος (oligos) = gering | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | στρατιώταις (stratiotais) = soldaten | τί (ti) = wat | ἄρα (ara) = dan | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐγένετο (egeneto) = was geworden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τάραχος (tarachos), ‘opschudding’. De soldaten wisten niet wat er met Petrus was gebeurd. **12:19** Herodes liet naar hem zoeken en vond hem niet. Hij verhoorde de wachters en beval hen weg te voeren. Daarna ging hij van Judea af naar Caesarea en verbleef daar. Brontekst: Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | δὲ (de) = nu | ἐπιζητήσας (epizetesas) = gezocht hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εὑρὼν (heuron) = gevonden hebbend | ἀνακρίνας (anakrinas) = verhoord hebbend | τοὺς (tous) = de | φύλακας (phylakas) = wachters | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | ἀπαχθῆναι (apachthenai) = weg te voeren | καὶ (kai) = en | κατελθὼν (katelthon) = afgedaald | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | εἰς (eis) = naar | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | διέτριβεν (dietriben) = verbleef Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: ἀπάγω (apago), ‘wegvoeren’: wij nemen aan dat dit ‘ter dood brengen’ betekent; het Grieks zegt het niet. Καισάρεια (Kaisareia), ‘Caesarea’: de havenstad aan de kust, de zetel van de Romeinse bestuurder (zie 10:1). Voetnoot : Zie ook Hand. 10:1. Zie ook: Hand 10:1 ### De dood van Herodes **12:20** Herodes was woedend op de mensen van Tyrus en Sidon. Eensgezind kwamen zij bij hem. Zij wonnen Blastus, de kamerheer van de koning, voor zich en vroegen om vrede, omdat hun land van het koninklijke gebied zijn voedsel kreeg. Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = nu | θυμομαχῶν (thymomachon) = woedend op | Τυρίοις (Tyriois) = Tyriërs | καὶ (kai) = en | Σιδωνίοις (Sidoniois) = Sidoniërs | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | δὲ (de) = nu | παρῆσαν (paresan) = waren aanwezig | πρὸς (pros) = bij | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | πείσαντες (peisantes) = overtuigd hebbend | Βλάστον (Blaston) = Blastus | τὸν (ton) = de | ἐπὶ (epi) = over | τοῦ (tou) = de | κοιτῶνος (koitonos) = slaapkamer | τοῦ (tou) = van de | βασιλέως (basileos) = koning | ᾐτοῦντο (etounto) = vroegen | εἰρήνην (eirenen) = vrede | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | τρέφεσθαι (trephesthai) = gevoed te worden | αὐτῶν (auton) = hun | τὴν (ten) = het | χώραν (choran) = land | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | βασιλικῆς (basilikes) = koninklijke Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: θυμομαχέω (thymomacheo), ‘woedend zijn’. Blastus is de ἐπὶ τοῦ κοιτῶνος (epi tou koitonos), letterlijk ‘over de slaapkamer’: de kamerheer, een hoge hofbeambte. Tyrus en Sidon haalden hun voedsel uit het gebied van de koning (vergelijk 1 Kon. 5:11, Ezra 3:7). Voetnoot : Zie ook 1 Kon. 5:11; Ezra 3:7. Zie ook: 1 Kon 5:11; Ezra 3:7 **12:21** Op een vastgestelde dag trok Herodes koninklijke kleding aan, ging op de rechterstoel zitten en hield een toespraak tot hen. Brontekst: τακτῇ (takte) = vastgestelde | δὲ (de) = nu | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ὁ (ho) = de | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἐνδυσάμενος (endysamenos) = aangetrokken hebbend | ἐσθῆτα (estheta) = kleding | βασιλικὴν (basiliken) = koninklijke | καὶ (kai) = en | καθίσας (kathisas) = gezeten | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = de | βήματος (bematos) = rechterstoel | ἐδημηγόρει (edemegorei) = hield een toespraak | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: de plaats van waaruit recht werd gesproken of een toespraak werd gehouden. δημηγορέω (demegoreo), ‘een toespraak houden voor het volk’. **12:22** De volksmassa riep: „De stem van Elohim en niet van een mens!” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | δῆμος (demos) = volksmassa | ἐπεφώνει (epephonei) = riep | Θεοῦ (Theou) = van Elohim | φωνὴ (phone) = stem | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀνθρώπου (anthropou) = van een mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δῆμος (demos), ‘volksmassa’: de inwoners die voor de stoel verzameld waren. Θεοῦ φωνή heeft geen lidwoord: ‘de stem van Elohim’ of ‘een goddelijke stem’; de menigte denkt hier waarschijnlijk aan een god. **12:23** Op slag sloeg een engel van Yahweh hem, omdat hij Elohim de eer niet had gegeven. Hij werd door wormen aangevreten en gaf de geest. Brontekst: παραχρῆμα (parachrema) = op slag | δὲ (de) = nu | ἐπάταξεν (epataxen) = sloeg | αὐτὸν (auton) = hem | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἀνθ’ (anth’) = ter vergelding van | ὧν (hon) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔδωκεν (edoken) = gaf | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = eer | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim | καὶ (kai) = en | γενόμενος (genomenos) = geworden | σκωληκόβρωτος (skolekobrotos) = door wormen aangevreten | ἐξέψυξεν (exepsyxen) = gaf de geest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγγελος κυρίου: zie vers 7. σκωληκόβρωτος (skolekobrotos), ‘door wormen aangevreten’. ἐκψύχω (ekpsycho), ‘de geest geven’: sterven. Zie ook: Hand 12:7 **12:24** Maar het woord van Elohim groeide en werd talrijker. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = nu | λόγος (logos) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ηὔξανεν (eyxanen) = groeide | καὶ (kai) = en | ἐπληθύνετο (eplethyneto) = werd talrijker Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het woord van Elohim groeit: een samenvatting zoals in 6:7 en 9:31. αὐξάνω (auxano), ‘groeien’; πληθύνω (plethyno), ‘talrijker worden’. ### Barnabas en Saulus keren terug **12:25** Barnabas en Saulus keerden terug naar Jeruzalem. Zij hadden hun hulpverlening volbracht en namen Johannes mee, die Markus genoemd werd. Brontekst: Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = en | Σαῦλος (Saulos) = Saulus | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | πληρώσαντες (plerosantes) = vervuld hebbend | τὴν (ten) = de | διακονίαν (diakonian) = hulpverlening | συμπαραλαβόντες (symparalabontes) = meegenomen hebbend | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = die | ἐπικληθέντα (epiklethenta) = genoemd werd | Μᾶρκον (Markon) = Markus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: διακονία (diakonia), ‘hulpverlening’: de gift van 11:29–30. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ἐξ Ἰερουσαλήμ (ex Hierousalem), ‘uit Jeruzalem’, of εἰς Ἀντιόχειαν (eis Antiocheian), ‘naar Antiochië’, in plaats van εἰς Ἰερουσαλήμ. De SBLGNT heeft εἰς Ἰερουσαλήμ. Voetnoot : Zie ook Hand. 11:29–30. Zie ook: Hand 11:29–30 ## Handelingen 13 _Barnabas en Saulus worden uitgezonden: Cyprus en Antiochië in Pisidië_ ### De gemeente in Antiochië zendt Barnabas en Saulus uit **13:1** In Antiochië waren, in de gemeente die daar was, profeten en leraren. Dat waren Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, die samen met Herodes de viervorst was opgevoed, en Saulus. Brontekst: Ἦσαν (Esan) = waren | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | Ἀντιοχείᾳ (Antiocheia) = Antiochië | κατὰ (kata) = in | τὴν (ten) = de | οὖσαν (ousan) = zijnde | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | προφῆται (prophetai) = profeten | καὶ (kai) = en | διδάσκαλοι (didaskaloi) = leraren | ὅ (ho) = de | τε (te) = en | Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | καὶ (kai) = en | Συμεὼν (Symeon) = Simeon | ὁ (ho) = die | καλούμενος (kaloumenos) = genoemd wordt | Νίγερ (Niger) = Niger | καὶ (kai) = en | Λούκιος (Loukios) = Lucius | ὁ (ho) = de | Κυρηναῖος (Kyrenaios) = Cyreneeër | Μαναήν (Manaen) = Manaën | τε (te) = en | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes | τοῦ (tou) = de | τετραάρχου (tetraarchou) = viervorst | σύντροφος (syntrophos) = samen opgevoed | καὶ (kai) = en | Σαῦλος (Saulos) = Saulus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië. Er woonde een grote Joodse gemeenschap. Voetnoot Uitleg: Ἀντιόχεια (Antiocheia), ‘Antiochië’: de stad aan de Orontes in Syrië, nu Antakya in Turkije. Er is nog een Antiochië, in Pisidië (vers 14). κατὰ τὴν οὖσαν ἐκκλησίαν (kata ten ousan ekklesian), ‘in de gemeente die daar was’. Νίγερ (Niger) is een Latijnse bijnaam en betekent ‘donker’. σύντροφος (syntrophos), ‘samen opgevoed’: iemand die met een ander is opgegroeid. Herodes is Herodes Antipas (Luc. 3:1). Over deze mannen weten wij niet meer dan de tekst zegt. Voetnoot : Zie ook Hand. 11:19–26; Luc. 3:1. Zie ook: Luc 3:1; Hand 11:19–26; Hand 13:14 **13:2** Terwijl zij de Heer dienden en vastten, zei de Heilige Geest: **„Zonder Barnabas en Saulus voor Mij af voor het werk waartoe Ik hen heb geroepen.”** Brontekst: λειτουργούντων (leitourgounton) = dienend | δὲ (de) = nu | αὐτῶν (auton) = zij | τῷ (to) = de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | καὶ (kai) = en | νηστευόντων (nesteuonton) = vastend | εἶπεν (eipen) = zei | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | Ἀφορίσατε (Aphorisate) = zonder af | δή (de) = toch | μοι (moi) = voor Mij | τὸν (ton) = de | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | καὶ (kai) = en | Σαῦλον (Saulon) = Saulus | εἰς (eis) = voor | τὸ (to) = het | ἔργον (ergon) = werk | ὃ (ho) = waartoe | προσκέκλημαι (proskeklemai) = Ik heb geroepen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: Lucas noemt Yeshua in de verteltekst vaak zo (vergelijk Luc. 7:13); wij schrijven ‘de Heer’ met hoofdletter. Waar Handelingen het Oude Testament citeert of een vaste uitdrukking daaruit gebruikt, schrijven wij κύριος als ‘Yahweh’ (vergelijk Luc. 1:11). Of met ‘de Heer’ hier Yeshua of Yahweh bedoeld is, laat de tekst open. Voetnoot : λειτουργέω (leitourgeo), ‘dienen’: de openbare dienst aan Elohim; hier de eredienst van de gemeente. ἀφορίζω (aforizo), ‘afzonderen’: voor een taak apart zetten; vergelijk Rom. 1:1. Voetnoot : De Heilige Geest spreekt hier zelf. Wij zetten Zijn woorden rood, omdat de Geest Elohim is. Hoe de Geest sprak, zegt de tekst niet. Zie ook: Luc 1:11; Luc 7:13; Rom 1:1 **13:3** Toen zij gevast en gebeden hadden en hun de handen hadden opgelegd, lieten zij hen gaan. Brontekst: τότε (tote) = toen | νηστεύσαντες (nesteusantes) = gevast hebbend | καὶ (kai) = en | προσευξάμενοι (proseuxamenoi) = gebeden hebbend | καὶ (kai) = en | ἐπιθέντες (epithentes) = opgelegd hebbend | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτοῖς (autois) = op hen | ἀπέλυσαν (apelysan) = lieten gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτίθημι τὰς χεῖρας (epitithemi tas cheiras), ‘de handen opleggen’: de handoplegging, een teken van zegen en van toewijding aan een taak. Vergelijk Num. 27:18–23, waar Mozes zijn handen op Jozua legt. Voetnoot : Zie ook Num. 27:18–23. Zie ook: Num 27:18–23 ### Op Cyprus **13:4** Zij werden door de Heilige Geest uitgestuurd en gingen naar Seleucië. Vandaar voeren zij naar Cyprus. Brontekst: Αὐτοὶ (Autoi) = zijzelf | μὲν (men) = enerzijds | οὖν (oun) = dus | ἐκπεμφθέντες (ekpemphthentes) = uitgestuurd | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | ἁγίου (hagiou) = Heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest | κατῆλθον (katelthon) = gingen af | εἰς (eis) = naar | Σελεύκειαν (Seleukeian) = Seleucië | ἐκεῖθέν (ekeithen) = vandaar | τε (te) = en | ἀπέπλευσαν (apepleusan) = voeren weg | εἰς (eis) = naar | Κύπρον (Kypron) = Cyprus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Seleucië (haven van Antiochië): Seleucië (Seleukeia Pieria) was de haven van Antiochië aan de Orontes, aan de kust van het huidige Zuid-Turkije, bij Çevlik. Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Voetnoot Uitleg: ἐκπέμπω (ekpempo), ‘uitsturen’: een samenstelling van πέμπω (pempo), ‘sturen’. De gemeente laat hen gaan (vers 3); de Heilige Geest stuurt hen uit. Σελεύκεια (Seleukeia) was de havenstad van Antiochië. Κύπρος (Kypros), ‘Cyprus’, is een eiland in de Middellandse Zee; Barnabas komt er vandaan (Hand. 4:36). Voetnoot : Zie ook Hand. 4:36. Zie ook: Hand 4:36; Hand 13:3 **13:5** In Salamis aangekomen, verkondigden zij het woord van Elohim in de synagogen van de Joden. Zij hadden ook Johannes als bediende. Brontekst: καὶ (kai) = en | γενόμενοι (genomenoi) = gekomen | ἐν (en) = in | Σαλαμῖνι (Salamini) = Salamis | κατήγγελλον (katengellon) = verkondigden | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | εἶχον (eichon) = hadden | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | ὑπηρέτην (hypereten) = als bediende Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Salamis: Salamis lag aan de oostkust van Cyprus, bij het huidige Famagusta. Het was de grootste havenstad van het eiland. Voetnoot Uitleg: Σαλαμίς (Salamis) lag aan de oostkant van Cyprus. Het Grieks heeft ‘in de synagogen’ in het meervoud: er waren meer synagogen. ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: iemand die helpt en opdrachten uitvoert; wij vertalen het zo ook in de evangeliën. Deze Johannes is Johannes Markus. Voetnoot : Zie ook Hand. 12:12; Hand. 12:25; Hand. 15:37. Zie ook: Hand 12:12; Hand 12:25; Hand 15:37 ### Sergius Paulus en Elymas **13:6** Zij trokken door het hele eiland tot aan Pafos en vonden een man, een Jood, een magiër en valse profeet. Zijn naam was Bar-Yeshua. Brontekst: διελθόντες (dielthontes) = doorgetrokken | δὲ (de) = maar | ὅλην (holen) = heel | τὴν (ten) = het | νῆσον (neson) = eiland | ἄχρι (achri) = tot | Πάφου (Paphou) = Pafos | εὗρον (heuron) = vonden | ἄνδρα (andra) = man | τινὰ (tina) = een | μάγον (magon) = magiër | ψευδοπροφήτην (pseudopropheten) = valse profeet | Ἰουδαῖον (Ioudaion) = Jood | ᾧ (ho) = wiens | ὄνομα (onoma) = naam | Βαριησοῦ (Bariesou) = Bar-Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pafos (Nea Pafos): Pafos was de hoofdstad van Cyprus, waar de stadhouder zetelde. Nea Pafos (Kato Pafos) lag aan de westkust; Oud-Pafos (Kouklia) lag ongeveer 15 km zuidoostelijker. Hier is Nea Pafos aangehouden. Voetnoot Uitleg: Πάφος (Pafos) lag aan de westkant van Cyprus. μάγος (magos), ‘magiër’: hetzelfde woord als in Matt. 2:1; hier iemand die zich met toverkunst en voorspellingen bezighoudt. ψευδοπροφήτης (pseudoprofetes), ‘valse profeet’. Βαριησοῦς (Bariesous), ‘Bar-Yeshua’: Aramees voor ‘zoon van Yeshua’. Yeshua was een gewone Joodse naam, dezelfde als van de Messias (Matt. 1:21). Zie ook: Mat 1:21; Mat 2:1 **13:7** Hij was bij de proconsul Sergius Paulus, een verstandig man. Die liet Barnabas en Saulus bij zich roepen en verlangde het woord van Elohim te horen. Brontekst: ὃς (hos) = die | ἦν (en) = was | σὺν (syn) = bij | τῷ (to) = de | ἀνθυπάτῳ (anthypato) = proconsul | Σεργίῳ (Sergio) = Sergius | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | ἀνδρὶ (andri) = man | συνετῷ (syneto) = verstandige | οὗτος (houtos) = deze | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich geroepen hebbend | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | καὶ (kai) = en | Σαῦλον (Saulon) = Saulus | ἐπεζήτησεν (epezetesen) = verlangde | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνθύπατος (anthypatos), ‘proconsul’: de Romeinse bestuurder van een provincie die onder de senaat viel. Σέργιος Παῦλος (Sergios Paulos), ‘Sergius Paulus’, is een Romein en niet dezelfde man als Saulus, die in vers 9 ook Paulus genoemd wordt. ἐπιζητέω (epizeteo), ‘verlangen’: ernstig willen. Zie ook: Hand 13:9 **13:8** Maar Elymas, de magiër, want zo wordt zijn naam vertaald, verzette zich tegen hen. Hij probeerde de proconsul van het geloof af te brengen. Brontekst: ἀνθίστατο (anthistato) = verzette zich | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐλύμας (Elymas) = Elymas | ὁ (ho) = de | μάγος (magos) = magiër | οὕτως (houtos) = zo | γὰρ (gar) = want | μεθερμηνεύεται (methermeneuetai) = wordt vertaald | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = zijn | ζητῶν (zeton) = zoekend | διαστρέψαι (diastrepsai) = af te brengen | τὸν (ton) = de | ἀνθύπατον (anthypaton) = proconsul | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | πίστεως (pisteos) = geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἐλύμας (Elymas): het Grieks zegt dat dit de vertaling van zijn naam is, maar noemt het oorspronkelijke woord niet. Wij laten het zo. διαστρέφω (diastrefo), ‘afbrengen’: van de goede richting wegdraaien; hetzelfde werkwoord staat in vers 10 (‘verdraaien’). πίστις (pistis), ‘geloof’. Zie ook: Hand 13:10 **13:9** Maar Saulus, die ook Paulus heet, werd vervuld met de Heilige Geest. Hij keek hem strak aan, Brontekst: Σαῦλος (Saulos) = Saulus | δέ (de) = maar | ὁ (ho) = die | καὶ (kai) = ook | Παῦλος (Paulos) = Paulus | πλησθεὶς (plestheis) = vervuld | πνεύματος (pneumatos) = met Geest | ἁγίου (hagiou) = Heilige | ἀτενίσας (atenisas) = strak aankijkend | εἰς (eis) = naar | αὐτὸν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαῦλος (Saulos) is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Sjaoel (Saul). Παῦλος (Paulos) is een Romeinse naam (Latijn Paulus, ‘klein’). Veel Joden hadden naast hun Hebreeuwse naam een Griekse of Romeinse naam. Het Grieks heeft ὁ καὶ Παῦλος (ho kai Paulos), ‘die ook Paulus’; wij vullen ‘heet’ aan, omdat het Nederlands een werkwoord nodig heeft. Tot hier noemt Lucas hem Saulus; vanaf hier noemt hij hem Paulus, en wij doen dat ook. **13:10** en zei: „O, vol van alle bedrog en alle sluwheid, zoon van de duivel, vijand van alle gerechtigheid! Zul je niet ophouden de rechte wegen van Yahweh te verdraaien? Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | Ὦ (O) = o | πλήρης (pleres) = vol | παντὸς (pantos) = van alle | δόλου (dolou) = bedrog | καὶ (kai) = en | πάσης (pases) = alle | ῥᾳδιουργίας (rhadiourgias) = sluwheid | υἱὲ (huie) = zoon | διαβόλου (diabolou) = van de duivel | ἐχθρὲ (echthre) = vijand | πάσης (pases) = van alle | δικαιοσύνης (dikaiosynes) = gerechtigheid | οὐ (ou) = niet | παύσῃ (pause) = zul je ophouden | διαστρέφων (diastrephon) = verdraaiend | τὰς (tas) = de | ὁδοὺς (hodous) = wegen | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | τὰς (tas) = de | εὐθείας (eutheias) = rechte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάβολος (diabolos), ‘duivel’: letterlijk ‘lasteraar’, iemand die verdeelt. ‘Zoon van de duivel’ is een scheldwoord voor wie het werk van de duivel doet; vergelijk Joh. 8:44. ὁδοὺς κυρίου τὰς εὐθείας (hodous kyriou tas eutheias), ‘de rechte wegen van Yahweh’: κύριος is hier vertaald als Yahweh, naar de uitdrukking in Hos. 14:10, ‘recht zijn de wegen van Yahweh’. Voetnoot : Zie ook Hos. 14:10; Joh. 8:44. Zie ook: Hos 14:10; Joh 8:44 **13:11** En nu, zie: de hand van Yahweh is op je. Je zult blind zijn en een tijd lang de zon niet zien.” Meteen viel een waas en duisternis op hem. Hij liep rond en zocht mensen die hem bij de hand konden leiden. Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ἰδοὺ (idou) = zie | χεὶρ (cheir) = hand | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἐπὶ (epi) = op | σέ (se) = je | καὶ (kai) = en | ἔσῃ (ese) = je zult zijn | τυφλὸς (typhlos) = blind | μὴ (me) = niet | βλέπων (blepon) = ziend | τὸν (ton) = de | ἥλιον (helion) = zon | ἄχρι (achri) = tot | καιροῦ (kairou) = een tijd | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | δὲ (de) = en | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτὸν (auton) = hem | ἀχλὺς (achlys) = waas | καὶ (kai) = en | σκότος (skotos) = duisternis | καὶ (kai) = en | περιάγων (periagon) = rondlopend | ἐζήτει (ezetei) = zocht | χειραγωγούς (cheiragogous) = handleiders Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χεὶρ κυρίου (cheir kyriou), ‘hand van Yahweh’: een uitdrukking uit het Oude Testament voor Zijn ingrijpen (bijvoorbeeld Richt. 2:15; 1 Sam. 5:6). Wij schrijven daarom Yahweh. ἀχλύς (achlys), ‘waas’: een nevel voor de ogen. χειραγωγός (cheiragogos), ‘handleider’: iemand die een blinde bij de hand neemt. Vergelijk Hand. 9:8, waar Saulus zelf bij de hand wordt geleid. Voetnoot : Zie ook Richt. 2:15; 1 Sam. 5:6; Hand. 9:8. Zie ook: Re 2:15; 1 Sam 5:6; Hand 9:8 **13:12** Toen de proconsul zag wat er gebeurd was, geloofde hij. Hij stond versteld over het onderwijs van de Heer. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἰδὼν (idon) = gezien hebbend | ὁ (ho) = de | ἀνθύπατος (anthypatos) = proconsul | τὸ (to) = wat | γεγονὸς (gegonos) = gebeurd was | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde | ἐκπλησσόμενος (ekplessomenos) = versteld staand | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διδαχή (didache), ‘onderwijs’. Het Grieks laat open of dit het onderwijs ‘van’ of ‘over’ de Heer is. ἐκπλήσσομαι (ekplessomai), ‘versteld staan’: zoals in Matt. 7:28. Zie ook: Mat 7:28 ### Van Perge naar Antiochië in Pisidië **13:13** Paulus en zijn gezelschap voeren weg van Pafos en kwamen in Perge in Pamfylië. Johannes ging bij hen weg en keerde terug naar Jeruzalem. Brontekst: Ἀναχθέντες (Anachthentes) = weggevaren | δὲ (de) = maar | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Πάφου (Paphou) = Pafos | οἱ (hoi) = die | περὶ (peri) = rond | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = in | Πέργην (Pergen) = Perge | τῆς (tes) = van | Παμφυλίας (Pamphylias) = Pamfylië | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | δὲ (de) = maar | ἀποχωρήσας (apochoresas) = weggegaan | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ὑπέστρεψεν (hypestrepsen) = keerde terug | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pafos (Nea Pafos): Pafos was de hoofdstad van Cyprus, waar de stadhouder zetelde. Nea Pafos (Kato Pafos) lag aan de westkust; Oud-Pafos (Kouklia) lag ongeveer 15 km zuidoostelijker. Hier is Nea Pafos aangehouden. Zie Perge: Perge was de hoofdstad van Pamfylië, ongeveer 15 km ten noordoosten van het huidige Antalya. Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya. De grenzen zijn bij benadering. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: οἱ περὶ Παῦλον (hoi peri Paulon), letterlijk ‘die rond Paulus’: Paulus en de mensen die bij hem waren. Vanaf hier staat Paulus voorop; eerder stond Barnabas voorop (vers 1–7). Πέργη (Perge) lag in Pamfylië, aan de zuidkust van het huidige Turkije. Waarom Johannes terugkeerde, zegt de tekst niet; zie Hand. 15:38. Voetnoot : Zie ook Hand. 15:38. Zie ook: Hand 13:1–7; Hand 15:38 **13:14** Zij trokken van Perge verder en kwamen aan in Antiochië in Pisidië. Op de sabbat gingen zij de synagoge binnen en gingen zitten. Brontekst: αὐτοὶ (autoi) = zijzelf | δὲ (de) = maar | διελθόντες (dielthontes) = doorgetrokken | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Πέργης (Perges) = Perge | παρεγένοντο (paregenonto) = kwamen aan | εἰς (eis) = in | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië | τὴν (ten) = het | Πισιδίαν (Pisidian) = Pisidische | καὶ (kai) = en | εἰσελθόντες (eiselthontes) = binnengegaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | τῇ (te) = op de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῶν (ton) = van de | σαββάτων (sabbaton) = sabbat | ἐκάθισαν (ekathisan) = gingen zitten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Perge: Perge was de hoofdstad van Pamfylië, ongeveer 15 km ten noordoosten van het huidige Antalya. Zie Antiochië in Pisidië: Antiochië in Pisidië lag bij het huidige Yalvaç, in het binnenland van Zuid-Turkije, aan de grens van Frygië en Pisidië. Het is een ander Antiochië dan dat in Syrië. Zie Pisidië (ongeveer): Pisidië was het bergachtige gebied ten noorden van Pamfylië, in het zuidwesten van het huidige Turkije. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Ἀντιόχεια ἡ Πισιδία (Antiocheia he Pisidia), ‘Antiochië in Pisidië’: een andere stad dan het Antiochië in Syrië van vers 1. Pisidië is een landstreek in het zuiden van het huidige Turkije. Zie ook: Hand 13:1 **13:15** Na het lezen van de wet en de profeten zonden de synagogeleiders een bode naar hen toe. Zij lieten zeggen: „Mannen, broers, als er onder jullie een woord van bemoediging voor het volk is, spreek dan.” Brontekst: μετὰ (meta) = na | δὲ (de) = en | τὴν (ten) = het | ἀνάγνωσιν (anagnosin) = lezen | τοῦ (tou) = van de | νόμου (nomou) = wet | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | προφητῶν (propheton) = profeten | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | οἱ (hoi) = de | ἀρχισυνάγωγοι (archisynagogoi) = synagogeleiders | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | εἴ (ei) = als | τίς (tis) = enig | ἐστιν (estin) = is | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | λόγος (logos) = woord | παρακλήσεως (parakleseos) = van bemoediging | πρὸς (pros) = voor | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk | λέγετε (legete) = spreek Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks noemt geen bode; wij vullen ‘een bode’ aan. ἀρχισυνάγωγος (archisynagogos), ‘synagogeleider’: wie de dienst in de synagoge regelt. ἄνδρες ἀδελφοί (andres adelfoi), ‘mannen, broers’: een gewone aanspreking onder Joden; wij schrijven ‘broers’, zoals in de evangeliën. λόγος παρακλήσεως (logos parakleseos), ‘woord van bemoediging’: ook ‘troost’ of ‘vermaning’; vergelijk Luc. 2:25. Zie ook: Luc 2:25 ### De toespraak van Paulus in de synagoge **13:16** Paulus stond op, gebaarde met zijn hand en zei: „Mannen, Israëlieten, en jullie godvrezenden, luister. Brontekst: ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | δὲ (de) = maar | Παῦλος (Paulos) = Paulus | καὶ (kai) = en | κατασείσας (kataseisas) = gebarend | τῇ (te) = met de | χειρὶ (cheiri) = hand | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἰσραηλῖται (Israelitai) = Israëlieten | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | φοβούμενοι (phoboumenoi) = vrezen | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἀκούσατε (akousate) = luister Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φοβούμενοι τὸν θεόν (phoboumenoi ton theon), ‘godvrezenden’: niet-Joden die Elohim vereren en de synagoge bezoeken, zonder volledig Joods te worden. Het Grieks heeft ook σεβόμενοι (sebomenoi, vers 43 en 50). Wij schrijven overal ‘godvrezenden’. Een προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’, is een niet-Jood die zich bij het Joodse volk heeft aangesloten (vers 43). Vergelijk Hand. 10:2. Voetnoot : De toespraak van Paulus loopt van vers 16 tot en met vers 41. Voetnoot : Zie ook Hand. 10:2. Zie ook: Hand 10:2; Hand 13:41; Hand 13:43; Hand 13:50 **13:17** De Elohim van dit volk Israël koos onze vaders uit en verhoogde het volk tijdens hun verblijf als vreemdelingen in het land Egypte. Met een verheven arm leidde Hij hen daaruit weg. Brontekst: ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | τούτου (toutou) = dit | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | ἐξελέξατο (exelexato) = koos uit | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | ὕψωσεν (hypsosen) = verhoogde | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | παροικίᾳ (paroikia) = verblijf als vreemdelingen | ἐν (en) = in | γῇ (ge) = land | Αἰγύπτου (Aigyptou) = van Egypte | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = met | βραχίονος (brachionos) = arm | ὑψηλοῦ (hypselou) = verheven | ἐξήγαγεν (exegagen) = leidde weg | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐξ (ex) = uit | αὐτῆς (autes) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: wij vertalen dit werkwoord overal zo. Hier gaat het om het groot en sterk worden van het volk; vergelijk Exod. 1:7. παροικία (paroikia), ‘verblijf als vreemdeling’. βραχίων ὑψηλός (brachion hypselos), ‘verheven arm’: het Hebreeuws zegt ‘uitgestrekte arm’ (Exod. 6:6; Deut. 5:15); de Griekse tekst heeft ‘verheven arm’. Voetnoot : Zie ook Exod. 1:7; Exod. 6:6; Deut. 5:15. Zie ook: Ex 1:7; Ex 6:6; Deut 5:15 **13:18** Ongeveer 40 jaar lang verdroeg Hij hun gedrag in de woestijn. Brontekst: καί (kai) = en | ὡς (hos) = ongeveer | τεσσερακονταετῆ (tesserakontaete) = veertig jaar durend | χρόνον (chronon) = tijd | ἐτροποφόρησεν (etropophoresen) = verdroeg hun gedrag | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐτροποφόρησεν (etropoforesen), ‘verdroeg hun gedrag’: van τρόπος (tropos), ‘manier van leven’, en φέρω (fero), ‘dragen’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben bijna dezelfde vorm, ἐτροφοφόρησεν (etrofoforesen), ‘Hij droeg hen als een verzorger’. Dat klinkt als Deut. 1:31, waar Yahweh Zijn volk droeg zoals een man zijn zoon draagt. Wij volgen de SBLGNT. Voetnoot : Zie ook Deut. 1:31. Zie ook: Deut 1:31 **13:19** Hij vernietigde zeven volken in het land Kanaän en gaf hun land als erfdeel Brontekst: καὶ (kai) = en | καθελὼν (kathelon) = vernietigd hebbend | ἔθνη (ethne) = volken | ἑπτὰ (hepta) = zeven | ἐν (en) = in | γῇ (ge) = land | Χανάαν (Chanaan) = Kanaän | κατεκληρονόμησεν (katekleronomesen) = gaf als erfdeel | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: καθαιρέω (kathaireo), ‘vernietigen’: letterlijk ‘neerhalen’. κατακληρονομέω (katakleronomeo), ‘als erfdeel geven’. De zeven volken staan in Deut. 7:1; het erfdeel wordt verdeeld in Joz. 14:1. Voetnoot : Zie ook Deut. 7:1; Joz. 14:1. Zie ook: Deut 7:1; Joz 14:1 **13:20** in ongeveer 450 jaar. Daarna gaf Hij rechters, tot aan de profeet Samuël. Brontekst: ὡς (hos) = ongeveer | ἔτεσι (etesi) = jaren | τετρακοσίοις (tetrakosiois) = 400 | καὶ (kai) = en | πεντήκοντα (pentekonta) = 50 | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | ἔδωκεν (edoken) = gaf | κριτὰς (kritas) = rechters | ἕως (heos) = tot | Σαμουὴλ (Samouel) = Samuël | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In de SBLGNT horen de ‘ongeveer 450 jaar’ bij de tijd van de uitverkiezing van de vaders tot het in bezit nemen van het land; daarna volgen de rechters. De tekst telt de jaren niet voor; vergelijk 1 Kon. 6:1 (480 jaar) en Gen. 15:13 (400 jaar). Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat het omgekeerd: ‘daarna gaf Hij rechters, ongeveer 450 jaar lang’. Wij volgen de SBLGNT. Voetnoot : Zie ook Gen. 15:13; 1 Kon. 6:1. Zie ook: Gen 15:13; 1 Kon 6:1 **13:21** Daarna vroegen zij om een koning, en Elohim gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, voor 40 jaar. Brontekst: κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | ᾐτήσαντο (etesanto) = vroegen | βασιλέα (basilea) = koning | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὸν (ton) = de | Σαοὺλ (Saoul) = Saul | υἱὸν (huion) = zoon | Κίς (Kis) = van Kis | ἄνδρα (andra) = man | ἐκ (ek) = uit | φυλῆς (phyles) = stam | Βενιαμίν (Beniamin) = Benjamin | ἔτη (ete) = jaren | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het volk vroeg om een koning (1 Sam. 8:5). Saul, de zoon van Kis, was een Benjaminiet (1 Sam. 9:1–2). De 40 jaar van Saul staan niet in onze Hebreeuwse tekst; zie de voetnoot bij 1 Sam. 13:1. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 8:5; 1 Sam. 9:1–2; 1 Sam. 13:1. Zie ook: 1 Sam 8:5; 1 Sam 9:1–2; 1 Sam 13:1 **13:22** Nadat Hij hem had afgezet, liet Hij David voor hen opstaan als koning. Over hem getuigde Hij: **‘Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar Mijn hart, die alles zal doen wat Ik wil.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | μεταστήσας (metastesas) = afgezet hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | ἤγειρεν (egeiren) = deed opstaan | τὸν (ton) = de | Δαυὶδ (Dauid) = David | αὐτοῖς (autois) = voor hen | εἰς (eis) = tot | βασιλέα (basilea) = koning | ᾧ (ho) = over wie | καὶ (kai) = ook | εἶπεν (eipen) = zei | μαρτυρήσας (martyresas) = getuigend | Εὗρον (Heuron) = Ik heb gevonden | Δαυὶδ (Dauid) = David | τὸν (ton) = de | τοῦ (tou) = van | Ἰεσσαί (Iessai) = Isaï | ἄνδρα (andra) = man | κατὰ (kata) = naar | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | μου (mou) = Mijn | ὃς (hos) = die | ποιήσει (poiesei) = zal doen | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = de | θελήματά (thelemata) = wensen | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden die Elohim hier zegt, zijn samengesteld uit drie plaatsen: Ps. 89:21 (‘Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden’), 1 Sam. 13:14 (‘een man naar Zijn hart’) en Jes. 44:28 (‘heel Mijn wil volbrengen’, gezegd over Kores). Omdat de tekst zegt dat Elohim dit zei, zetten wij de woorden rood. μεταστήσας (metastesas), ‘afzetten’: letterlijk ‘verplaatsen’. Ἰεσσαί (Iessai), ‘Isaï’: de vader van David (1 Sam. 16:12). μαρτυρήσας εἶπεν (martyresas eipen), ‘getuigend zei Hij’: wij schrijven ‘getuigde Hij’. Het Grieks heeft ‘David, de (zoon) van Isaï’; ‘zoon’ vullen wij aan. Voetnoot : Zie ook Ps. 89:21; 1 Sam. 13:14; Jes. 44:28. Zie ook: 1 Sam 13:14; 1 Sam 16:12; Ps 89:21; Jes 44:28 **13:23** Uit het nageslacht van deze man heeft Elohim, volgens de belofte, voor Israël een Redder gebracht: Yeshua. Brontekst: τούτου (toutou) = van deze | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = het | σπέρματος (spermatos) = nageslacht | κατ’ (kat’) = volgens | ἐπαγγελίαν (epangelian) = belofte | ἤγαγεν (egagen) = bracht | τῷ (to) = aan | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | σωτῆρα (sotera) = Redder | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπέρμα (sperma), ‘nageslacht’: de belofte aan David staat in 2 Sam. 7:12–16. σωτήρ (soter), ‘Redder’. Ἰησοῦς (Iesous), ‘Yeshua’, betekent ‘Yahweh redt’ (Matt. 1:21). Voetnoot : Zie ook 2 Sam. 7:12–16; Matt. 1:21. Zie ook: 2 Sam 7:12–16; Mat 1:21 **13:24** Vóór Zijn komst had Johannes aan heel het volk Israël een doop van bekering aangekondigd. Brontekst: προκηρύξαντος (prokeryxantos) = aangekondigd hebbend | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | πρὸ (pro) = vóór | προσώπου (prosopou) = het gezicht | τῆς (tes) = van de | εἰσόδου (eisodou) = komst | αὐτοῦ (autou) = Zijn | βάπτισμα (baptisma) = doop | μετανοίας (metanoias) = van bekering | παντὶ (panti) = aan heel | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρὸ προσώπου (pro prosopou), letterlijk ‘voor het gezicht van’: een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘vóór’. εἴσοδος (eisodos), ‘komst’: letterlijk ‘binnenkomst’; hier het optreden van Yeshua. μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: zie Luc. 3:3. Voetnoot : Zie ook Luc. 3:3; Mark. 1:4. Zie ook: Mar 1:4; Luc 3:3 **13:25** Toen Johannes zijn loop aan het voltooien was, zei hij: ‘Wie denken jullie dat ik ben? Ik ben het niet. Maar zie, na mij komt Hij van wie ik niet waardig ben de sandaal van Zijn voeten los te maken.’ Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐπλήρου (eplerou) = voltooide | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | τὸν (ton) = de | δρόμον (dromon) = loop | ἔλεγεν (elegen) = zei | Τί (Ti) = wie | ἐμὲ (eme) = mij | ὑπονοεῖτε (hyponoeite) = denken jullie | εἶναι (einai) = te zijn | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐγώ (ego) = ik | ἀλλ’ (all’) = maar | ἰδοὺ (idou) = zie | ἔρχεται (erchetai) = komt | μετ’ (met’) = na | ἐμὲ (eme) = mij | οὗ (hou) = van wie | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἄξιος (axios) = waardig | τὸ (to) = de | ὑπόδημα (hypodema) = sandaal | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | λῦσαι (lysai) = los te maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δρόμος (dromos), ‘loop’: een beeld uit de wedloop voor de taak die iemand moet afleggen; vergelijk Hand. 20:24. De woorden van Johannes komen overeen met Luc. 3:15–16; Mark. 1:7 en Joh. 1:20, 1:27. Voetnoot : Zie ook Luc. 3:15–16; Mark. 1:7; Joh. 1:27; Hand. 20:24. Zie ook: Mar 1:7; Luc 3:15–16; Joh 1:20; Joh 1:27; Hand 20:24 ### De dood en de opstanding van Yeshua **13:26** Mannen, broers, zonen van het geslacht van Abraham, en de godvrezenden onder jullie: aan ons is het woord van deze redding gezonden. Brontekst: Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | υἱοὶ (huioi) = zonen | γένους (genous) = van het geslacht | Ἀβραὰμ (Abraam) = van Abraham | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | φοβούμενοι (phoboumenoi) = vrezen | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἡμῖν (hemin) = aan ons | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | τῆς (tes) = van de | σωτηρίας (soterias) = redding | ταύτης (tautes) = deze | ἐξαπεστάλη (exapestale) = is gezonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξαποστέλλω (exapostello), ‘zenden’: van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’, met het voorvoegsel ἐξ-. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘aan jullie’; de SBLGNT heeft ‘aan ons’. **13:27** Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders kenden Hem niet. Door Hem te veroordelen hebben zij de stemmen van de profeten vervuld, die elke sabbat worden voorgelezen. Brontekst: οἱ (hoi) = de | γὰρ (gar) = want | κατοικοῦντες (katoikountes) = wonenden | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἄρχοντες (archontes) = leiders | αὐτῶν (auton) = hun | τοῦτον (touton) = Hem | ἀγνοήσαντες (agnoesantes) = niet gekend hebbend | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | φωνὰς (phonas) = stemmen | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | τὰς (tas) = die | κατὰ (kata) = op | πᾶν (pan) = elke | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἀναγινωσκομένας (anaginoskomenas) = voorgelezen wordende | κρίναντες (krinantes) = veroordeeld hebbend | ἐπλήρωσαν (eplerosan) = vervulden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἀγνοέω (agnoeo), ‘niet kennen’. Het Grieks is hier kort. Wij lezen: zij kenden Hem niet, en door Hem te veroordelen hebben zij vervuld wat de profeten zeiden. φωνή (fone), ‘stem’. **13:28** Zij vonden geen enkele reden voor de dood, maar vroegen Pilatus om Hem te laten doden. Brontekst: καὶ (kai) = en | μηδεμίαν (medemian) = geen enkele | αἰτίαν (aitian) = reden | θανάτου (thanatou) = van dood | εὑρόντες (heurontes) = gevonden hebbend | ᾐτήσαντο (etesanto) = vroegen | Πιλᾶτον (Pilaton) = Pilatus | ἀναιρεθῆναι (anairethenai) = gedood te worden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰτία θανάτου (aitia thanatou), ‘reden voor de dood’: een grond voor de doodstraf. ἀναιρέω (anaireo), ‘doden’: letterlijk ‘wegnemen’. Pilatus vond geen schuld in Hem (Luc. 23:4, 23:14, 23:22). Voetnoot : Zie ook Luc. 23:13–25; Joh. 19:4–6. Zie ook: Luc 23:4; Luc 23:13–25; Luc 23:14; Luc 23:22; Joh 19:4–6 **13:29** Toen zij alles hadden voltooid wat over Hem geschreven staat, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in een graf. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐτέλεσαν (etelesan) = voltooiden | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de dingen | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | γεγραμμένα (gegrammena) = geschreven | καθελόντες (kathelontes) = afgenomen hebbend | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | ξύλου (xylou) = hout | ἔθηκαν (ethekan) = legden | εἰς (eis) = in | μνημεῖον (mnemeion) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξύλον (xylon), ‘hout’: de kruisboom. Vergelijk Deut. 21:22–23, waar een gedode die aan een boom hangt een vervloeking van Elohim is. Het Grieks heeft hier hetzelfde onderwerp ‘zij’; volgens de evangeliën begroef Jozef van Arimatea Hem (Luc. 23:50–53). Voetnoot : Zie ook Deut. 21:22–23; Luc. 23:50–53. Zie ook: Deut 21:22–23; Luc 23:50–53 **13:30** Maar Elohim heeft Hem uit de doden opgewekt. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | θεὸς (theos) = Elohim | ἤγειρεν (egeiren) = wekte op | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT **13:31** Hij is gedurende meerdere dagen verschenen aan hen die met Hem van Galilea naar Jeruzalem waren opgegaan. Zij zijn nu Zijn getuigen voor het volk. Brontekst: ὃς (hos) = die | ὤφθη (ophthe) = verscheen | ἐπὶ (epi) = gedurende | ἡμέρας (hemeras) = dagen | πλείους (pleious) = meerdere | τοῖς (tois) = aan hen die | συναναβᾶσιν (synanabasin) = samen opgegaan zijn | αὐτῷ (auto) = met Hem | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | οἵτινες (hoitines) = die | νῦν (nyn) = nu | εἰσὶ (eisi) = zijn | μάρτυρες (martyres) = getuigen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ὤφθη (ophthe), ‘verscheen’: hetzelfde woord als in Luc. 24:34. Hand. 1:3 noemt een periode van veertig dagen. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:34; Hand. 1:3. Zie ook: Luc 24:34; Hand 1:3 **13:32** En wij brengen jullie de goede boodschap over de belofte die aan de vaders is gedaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εὐαγγελιζόμεθα (euangelizometha) = brengen de goede boodschap | τὴν (ten) = de | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaders | ἐπαγγελίαν (epangelian) = belofte | γενομένην (genomenen) = gedaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’: wij vertalen dit werkwoord overal zo. Het Grieks heeft in vers 33 ‘dat’ (ὅτι): de goede boodschap is dat Elohim de belofte heeft vervuld. Wij splitsen de zin in tweeën. Zie ook: Hand 13:33 **13:33** Elohim heeft die vervuld voor onze kinderen door Yeshua te laten opstaan. Zo staat ook in de tweede psalm geschreven: ‘Mijn Zoon ben U, Ik heb U vandaag verwekt.’ Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | ταύτην (tauten) = deze | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκπεπλήρωκεν (ekpepleroken) = heeft vervuld | τοῖς (tois) = aan | τέκνοις (teknois) = kinderen | ἡμῶν (hemon) = onze | ἀναστήσας (anastesas) = laten opstaan hebbend | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὡς (hos) = zoals | καὶ (kai) = ook | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ψαλμῷ (psalmo) = psalm | γέγραπται (gegraptai) = geschreven is | τῷ (to) = de | δευτέρῳ (deutero) = tweede | Υἱός (Huios) = Zoon | μου (mou) = Mijn | εἶ (ei) = ben | σύ (sy) = U | ἐγὼ (ego) = Ik | σήμερον (semeron) = vandaag | γεγέννηκά (gegenneka) = heb verwekt | σε (se) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναστήσας (anastesas), ‘laten opstaan’: het Grieks kan hier ‘laten optreden’ betekenen (zoals in Hand. 3:22) of ‘opwekken uit de doden’. Vers 34 begint met ‘maar dat Hij Hem uit de doden liet opstaan’. Wij vertalen het woord letterlijk. ‘De tweede psalm’ is Ps. 2. Het Hebreeuws van Ps. 2:7 spreekt de koning aan met ‘jij’; in de psalm zijn het de woorden van Yahweh. Hier haalt Paulus ze aan als geschreven woord, daarom staan ze zwart. Hier is het op Yeshua toegepast, die wij met ‘U’ aanspreken, zoals in Luc. 3:22. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘aan ons, hun kinderen’; de SBLGNT heeft ‘aan onze kinderen’. Voetnoot : Zie ook Ps. 2:7; Hand. 3:22; Luc. 3:22. Zie ook: Ps 2:7; Luc 3:22; Hand 3:22; Hand 13:34 **13:34** Elohim liet Hem uit de doden opstaan, zodat Hij niet meer tot bederf zou terugkeren. Zo heeft Elohim gezegd: **‘Ik zal jullie de heilige dingen van David geven, de betrouwbare.’** Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | δὲ (de) = maar | ἀνέστησεν (anestesen) = liet opstaan | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | μηκέτι (meketi) = niet meer | μέλλοντα (mellonta) = zullend | ὑποστρέφειν (hypostrephein) = terugkeren | εἰς (eis) = naar | διαφθοράν (diaphthoran) = bederf | οὕτως (houtos) = zo | εἴρηκεν (eireken) = heeft gezegd | ὅτι (hoti) = dat | Δώσω (Doso) = Ik zal geven | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὰ (ta) = de | ὅσια (hosia) = heilige dingen | Δαυὶδ (Dauid) = van David | τὰ (ta) = de | πιστά (pista) = betrouwbare Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαφθορά (diaphthora), ‘bederf’: het vergaan van een lichaam in het graf. Dit is Jes. 55:3. Het Hebreeuws heeft ‘de betrouwbare blijken van trouw aan David’ (חַסְדֵי דָוִד, chasdei David); de Griekse tekst heeft τὰ ὅσια Δαυὶδ τὰ πιστά (ta hosia David ta pista), ‘de heilige dingen van David, de betrouwbare’. ὅσιος (hosios) is een ander woord dan ἅγιος (hagios), ‘heilig’; het staat ook in vers 35. Het Grieks heeft ‘Dat Hij Hem uit de doden liet opstaan, … heeft Hij zo gezegd’, zonder onderwerp. Uit vers 33 weten wij dat Elohim bedoeld is; wij noemen Hem erbij en splitsen de zin. Omdat het citaat wordt ingeleid met ‘zo heeft Hij gezegd’, zetten wij het rood. Voetnoot : Zie ook Jes. 55:3. Zie ook: Jes 55:3; Hand 13:33; Hand 13:35 **13:35** Daarom staat er ook in een andere psalm: ‘U zult Uw Heilige geen bederf laten zien.’ Brontekst: διότι (dioti) = daarom | καὶ (kai) = ook | ἐν (en) = in | ἑτέρῳ (hetero) = een andere | λέγει (legei) = zegt | Οὐ (Ou) = niet | δώσεις (doseis) = zult geven | τὸν (ton) = de | ὅσιόν (hosion) = Heilige | σου (sou) = Uw | ἰδεῖν (idein) = te zien | διαφθοράν (diaphthoran) = bederf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Ps. 16:10. Het Hebreeuws heeft ‘Uw getrouwe’ (חָסִיד, chasid) en ‘de kuil’ (שַׁחַת, shachat); de Griekse tekst heeft τὸν ὅσιόν σου (ton hosion sou), ‘Uw Heilige’, en διαφθορά, ‘bederf’. Het Grieks noemt bij ‘zegt’ geen onderwerp en geen psalm; wij schrijven ‘staat er … in een andere psalm’. Paulus past het woord toe op Yeshua; daarom staat ‘Heilige’ met hoofdletter. Petrus haalt hetzelfde vers aan in Hand. 2:27. Voetnoot : Zie ook Ps. 16:10; Hand. 2:27. Zie ook: Ps 16:10; Hand 2:27 **13:36** Want David is ontslapen nadat hij in zijn eigen generatie het plan van Elohim had gediend. David is bij zijn vaders gelegd en heeft het bederf gezien. Brontekst: Δαυὶδ (Dauid) = David | μὲν (men) = enerzijds | γὰρ (gar) = want | ἰδίᾳ (idia) = eigen | γενεᾷ (genea) = generatie | ὑπηρετήσας (hyperetesas) = gediend hebbend | τῇ (te) = het | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | βουλῇ (boule) = plan | ἐκοιμήθη (ekoimethe) = ontsliep | καὶ (kai) = en | προσετέθη (prosetethe) = werd bijgezet | πρὸς (pros) = bij | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaders | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | εἶδεν (eiden) = zag | διαφθοράν (diaphthoran) = bederf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἰδίᾳ γενεᾷ ὑπηρετήσας τῇ τοῦ θεοῦ βουλῇ (idia genea hyperetesas te tou theou boule): het Grieks kan ook gelezen worden als ‘nadat hij zijn eigen generatie gediend had door het plan van Elohim’. βουλή (boule), ‘plan’: zoals in Luc. 7:30. ἐκοιμήθη (ekoimethe), ‘ontslapen’: een beeld voor sterven. ‘Bij zijn vaders gelegd’ komt overeen met 1 Kon. 2:10. Het Grieks heeft in de laatste zin geen onderwerp; wij schrijven ‘David’, zodat het niet op Elohim lijkt te slaan. Voetnoot : Zie ook 1 Kon. 2:10; Luc. 7:30. Zie ook: 1 Kon 2:10; Luc 7:30 **13:37** Maar Hij die door Elohim is opgewekt, heeft het bederf niet gezien. Brontekst: ὃν (hon) = wie | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἤγειρεν (egeiren) = wekte op | οὐκ (ouk) = niet | εἶδεν (eiden) = zag | διαφθοράν (diaphthoran) = bederf Bron: SBLGNT ### Vergeving van zonden en een waarschuwing **13:38** Jullie moeten dus weten, mannen, broers, dat door Hem vergeving van zonden aan jullie wordt verkondigd. Van alles waarvan jullie door de wet van Mozes niet gerechtvaardigd konden worden, Brontekst: γνωστὸν (gnoston) = bekend | οὖν (oun) = dus | ἔστω (esto) = laat zijn | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ἄνδρες (andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ὅτι (hoti) = dat | διὰ (dia) = door | τούτου (toutou) = Hem | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ἄφεσις (aphesis) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden | καταγγέλλεται (katangelletai) = wordt verkondigd | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | πάντων (panton) = alles | ὧν (hon) = waarvan | οὐκ (ouk) = niet | ἠδυνήθητε (edynethete) = konden jullie | ἐν (en) = in | νόμῳ (nomo) = wet | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | δικαιωθῆναι (dikaiothenai) = gerechtvaardigd te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardigen’: voor Elohim als rechtvaardig gelden. Het is verwant aan δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’. ἐν νόμῳ (en nomo) is letterlijk ‘in de wet’; wij schrijven ‘door’. ἄφεσις ἁμαρτιῶν (afesis hamartion), ‘vergeving van zonden’: zoals in Luc. 24:47. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:47. Zie ook: Luc 24:47 **13:39** wordt in Hem iedereen die gelooft, gerechtvaardigd. Brontekst: ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = Hem | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | δικαιοῦται (dikaioutai) = wordt gerechtvaardigd Bron: SBLGNT **13:40** Pas dus op dat niet over jullie komt wat in de profeten gezegd is: Brontekst: βλέπετε (blepete) = kijk | οὖν (oun) = dus | μὴ (me) = dat niet | ἐπέλθῃ (epelthe) = over komt | τὸ (to) = het | εἰρημένον (eiremenon) = gezegde | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | προφήταις (prophetais) = profeten Bron: SBLGNT **13:41** ‘Zie, verachters, wees verbaasd en verdwijn! Want Ik verricht een werk in jullie dagen, een werk dat jullie niet zouden geloven als iemand het jullie vertelde.’” Brontekst: Ἴδετε (Idete) = zie | οἱ (hoi) = de | καταφρονηταί (kataphronetai) = verachters | καὶ (kai) = en | θαυμάσατε (thaumasate) = wees verbaasd | καὶ (kai) = en | ἀφανίσθητε (aphanisthete) = verdwijn | ὅτι (hoti) = want | ἔργον (ergon) = werk | ἐργάζομαι (ergazomai) = verricht | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔργον (ergon) = werk | ὃ (ho) = dat | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | πιστεύσητε (pisteusete) = zullen geloven | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ἐκδιηγῆται (ekdiegetai) = vertelt | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Hab. 1:5, een van ‘de profeten’ (vers 40). Het Hebreeuws heeft ‘Kijk onder de volken’ (בַגּוֹיִם, bagoyim) en ‘sta versteld’; de Griekse tekst heeft οἱ καταφρονηταί (hoi kataphronetai), ‘de verachters’, en ἀφανίσθητε (afanisthete), ‘verdwijn’. In Habakuk spreekt Yahweh in de eerste persoon. Hier staat het zwart, omdat Paulus uit de profeten aanhaalt. Voetnoot : Zie ook Hab. 1:5. Zie ook: Hab 1:5; Hand 13:40 ### Na de toespraak **13:42** Terwijl zij naar buiten gingen, vroeg men dat deze woorden op de sabbat daarna tot hen gesproken zouden worden. Brontekst: Ἐξιόντων (Exionton) = uitgaande | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | παρεκάλουν (parekaloun) = vroegen | εἰς (eis) = tot | τὸ (to) = de | μεταξὺ (metaxy) = volgende | σάββατον (sabbaton) = sabbat | λαληθῆναι (lalethenai) = gesproken te worden | αὐτοῖς (autois) = tot hen | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ταῦτα (tauta) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks noemt geen onderwerp bij ‘vroeg men’. τὸ μεταξὺ σάββατον (to metaxy sabbaton): de sabbat daarna, of ‘de tussentijd’. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat dat de volken dit vroegen toen de Joden de synagoge verlieten; de SBLGNT heeft alleen ‘terwijl zij naar buiten gingen’. **13:43** Toen de synagoge uit was, volgden velen van de Joden en van de godvrezende proselieten Paulus en Barnabas. Zij spraken met hen en probeerden hen te overtuigen om in de genade van Elohim te blijven. Brontekst: λυθείσης (lytheises) = ontbonden zijnde | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = de | συναγωγῆς (synagoges) = synagoge | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | πολλοὶ (polloi) = velen | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van de | σεβομένων (sebomenon) = godvrezende | προσηλύτων (proselyton) = proselieten | τῷ (to) = de | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = de | Βαρναβᾷ (Barnaba) = Barnabas | οἵτινες (hoitines) = die | προσλαλοῦντες (proslalountes) = sprekend tot | αὐτοῖς (autois) = hen | ἔπειθον (epeithon) = overtuigden | αὐτοὺς (autous) = hen | προσμένειν (prosmenein) = te blijven | τῇ (te) = in de | χάριτι (chariti) = genade | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’: een niet-Jood die zich bij het Joodse volk heeft aangesloten; vergelijk Matt. 23:15. σεβόμενοι (sebomenoi), ‘godvrezend’: zie vers 16. χάρις (charis), ‘genade’. Zie ook: Mat 23:15; Hand 13:16 ### De volgende sabbat **13:44** Op de volgende sabbat was bijna heel de stad bijeengekomen om het woord van de Heer te horen. Brontekst: Τῷ (To) = op de | δὲ (de) = maar | ἐρχομένῳ (erchomeno) = komende | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | σχεδὸν (schedon) = bijna | πᾶσα (pasa) = hele | ἡ (he) = de | πόλις (polis) = stad | συνήχθη (synechthe) = kwam samen | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ λόγος τοῦ κυρίου (ho logos tou kyriou), ‘het woord van de Heer’: de boodschap die Paulus en Barnabas brengen. Het Grieks gebruikt ‘woord van de Heer’ (vers 44, 48, 49) en ‘woord van Elohim’ (vers 5, 7, 46) naast elkaar. Wij schrijven ‘de Heer’, zoals in vers 2. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘het woord van Elohim’; de SBLGNT heeft ‘de Heer’. Zie ook: Hand 13:2; Hand 13:5; Hand 13:7; Hand 13:46; Hand 13:48; Hand 13:49 **13:45** Toen de Joden de menigten zagen, werden zij vervuld van naijver. Zij spraken tegen wat door Paulus werd gesproken en lasterden. Brontekst: ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | ζήλου (zelou) = van naijver | καὶ (kai) = en | ἀντέλεγον (antelegon) = spraken tegen | τοῖς (tois) = wat | ὑπὸ (hypo) = door | Παύλου (Paulou) = Paulus | λαλουμένοις (laloumenois) = gesproken werd | βλασφημοῦντες (blasphemountes) = lasterend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζῆλος (zelos), ‘ijver’: hier in slechte zin, ‘naijver’; in Joh. 2:17 staat hetzelfde woord in goede zin. Het zijn niet alle Joden: velen volgden Paulus (vers 43). βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’. Zie ook: Joh 2:17; Hand 13:43 ### Paulus en Barnabas keren zich tot de volken **13:46** Paulus en Barnabas spraken openlijk: „Het was nodig dat het woord van Elohim eerst tot jullie gesproken werd. Omdat jullie het afwijzen en jullie zelf het eeuwige leven niet waardig achten, zie: wij wenden ons tot de volken. Brontekst: παρρησιασάμενοί (parresiasamenoi) = openlijk sprekend | τε (te) = en | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ὑμῖν (Hymin) = aan jullie | ἦν (en) = was | ἀναγκαῖον (anankaion) = nodig | πρῶτον (proton) = eerst | λαληθῆναι (lalethenai) = gesproken te worden | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐπειδὴ (epeide) = omdat | ἀπωθεῖσθε (apotheisthe) = wijzen af | αὐτὸν (auton) = het | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀξίους (axious) = waardig | κρίνετε (krinete) = achten | ἑαυτοὺς (heautous) = jullie zelf | τῆς (tes) = van het | αἰωνίου (aioniou) = eeuwige | ζωῆς (zoes) = leven | ἰδοὺ (idou) = zie | στρεφόμεθα (strephometha) = wenden wij ons | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρρησιάζομαι (parrhesiazomai), ‘openlijk spreken’: vrijmoedig, zonder angst; verwant aan παρρησία (parresia), ‘openlijk’. Paulus gaat eerst naar de Joden en wendt zich dan tot de volken; vergelijk Hand. 18:6 en 28:28. ἀπωθέω (apotheo), ‘afwijzen’: letterlijk ‘wegduwen’. Voetnoot : Zie ook Hand. 18:6; Hand. 28:28. Zie ook: Hand 18:6; Hand 28:28 **13:47** Want zo heeft Yahweh ons geboden: **‘Ik heb je gesteld tot een licht van de volken, zodat je tot redding zult zijn tot het einde van de aarde.’**” Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | γὰρ (gar) = want | ἐντέταλται (entetaltai) = heeft geboden | ἡμῖν (hemin) = ons | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Yahweh | Τέθεικά (Tetheika) = Ik heb gesteld | σε (se) = je | εἰς (eis) = tot | φῶς (phos) = licht | ἐθνῶν (ethnon) = van volken | τοῦ (tou) = opdat | εἶναί (einai) = zijn | σε (se) = je | εἰς (eis) = tot | σωτηρίαν (soterian) = redding | ἕως (heos) = tot | ἐσχάτου (eschatou) = uiterste | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Jes. 49:6. Het Hebreeuws heeft ‘om Mijn redding te zijn tot het einde van de aarde’; de Griekse tekst heeft ‘zodat je tot redding zult zijn tot het einde van de aarde’. In Jesaja spreekt Yahweh tot Zijn Knecht; Paulus en Barnabas passen het toe op hun eigen opdracht (vergelijk Luc. 2:32). Omdat het citaat wordt ingeleid met ‘wat de Heer ons heeft geboden’ en Yahweh in de eerste persoon spreekt, zetten wij het rood. κύριος is hier vertaald als Yahweh. Voetnoot : Zie ook Jes. 49:6; Luc. 2:32. Zie ook: Jes 49:6; Luc 2:32 **13:48** Toen de volken dit hoorden, verheugden zij zich en verheerlijkten het woord van de Heer. En allen die voor het eeuwige leven bestemd waren, geloofden. Brontekst: ἀκούοντα (akouonta) = horend | δὲ (de) = maar | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | ἔχαιρον (echairon) = verheugden zich | καὶ (kai) = en | ἐδόξαζον (edoxazon) = verheerlijkten | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | καὶ (kai) = en | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | ὅσοι (hosoi) = allen die | ἦσαν (esan) = waren | τεταγμένοι (tetagmenoi) = bestemd | εἰς (eis) = voor | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τεταγμένοι (tetagmenoi), ‘bestemd’: van τάσσω (tasso), ‘plaatsen, aanwijzen’. De vorm kan lijdend zijn (‘aangewezen’) of een middelvorm (‘zich opgesteld hebbend’); de tekst zegt niet door wie. δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’. **13:49** Het woord van de Heer werd verspreid door heel het gebied. Brontekst: διεφέρετο (diephereto) = werd verspreid | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | δι’ (di’) = door | ὅλης (holes) = hele | τῆς (tes) = het | χώρας (choras) = gebied Bron: SBLGNT ### Vervolging en vertrek naar Ikonium **13:50** Maar de Joden hitsten de godvrezende vrouwen van aanzien en de voornaamsten van de stad op. Zij wekten een vervolging op tegen Paulus en Barnabas en verdreven hen uit hun gebied. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | παρώτρυναν (parotrynan) = hitsten op | τὰς (tas) = de | σεβομένας (sebomenas) = godvrezende | γυναῖκας (gynaikas) = vrouwen | τὰς (tas) = die | εὐσχήμονας (euschemonas) = van aanzien | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πρώτους (protous) = voornaamsten | τῆς (tes) = van de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | ἐπήγειραν (epegeiran) = wekten op | διωγμὸν (diogmon) = vervolging | ἐπὶ (epi) = tegen | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | καὶ (kai) = en | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | καὶ (kai) = en | ἐξέβαλον (exebalon) = verdreven | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀπὸ (apo) = uit | τῶν (ton) = de | ὁρίων (horion) = grenzen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παροτρύνω (parotryno), ‘ophitsen’. εὐσχήμων (euschemon), ‘van aanzien’. ὅρια (horia), ‘gebied’: letterlijk ‘grenzen’. De vrouwen worden ‘godvrezend’ genoemd: zie vers 16. Zie ook: Hand 13:16 **13:51** Zij schudden het stof van hun voeten tegen hen af en gingen naar Ikonium. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐκτιναξάμενοι (ektinaxamenoi) = afgeschud hebbend | τὸν (ton) = het | κονιορτὸν (koniorton) = stof | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | ἐπ’ (ep’) = tegen | αὐτοὺς (autous) = hen | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = naar | Ἰκόνιον (Ikonion) = Ikonium Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Ikonium: Ikonium is het huidige Konya, in het binnenland van Zuid-Turkije. Voetnoot Uitleg: ἐκτινάσσω (ektinasso), ‘afschudden’: het stof afschudden is een teken dat men met een plaats niets meer te maken wil hebben; vergelijk Luc. 9:5. Ἰκόνιον (Ikonion), ‘Ikonium’, is het huidige Konya in Turkije. Voetnoot : Zie ook Luc. 9:5; Matt. 10:14; Mark. 6:11. Zie ook: Mat 10:14; Mar 6:11; Luc 9:5 **13:52** De leerlingen werden vervuld van vreugde en van de Heilige Geest. Brontekst: οἵ (hoi) = de | τε (te) = en | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐπληροῦντο (eplerounto) = werden vervuld | χαρᾶς (charas) = van vreugde | καὶ (kai) = en | πνεύματος (pneumatos) = van Geest | ἁγίου (hagiou) = Heilige Bron: SBLGNT ## Handelingen 14 _Ikonium, Lystra en Derbe, en de terugkeer naar Antiochië_ ### In Ikonium **14:1** In Ikonium gingen zij samen de synagoge van de Joden binnen. Zij spraken zo dat een grote menigte van Joden en Grieken geloofde. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | Ἰκονίῳ (Ikonio) = Ikonium | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | αὐτὸ (auto) = zelfde | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | αὐτοὺς (autous) = zij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | λαλῆσαι (lalesai) = te spreken | οὕτως (houtos) = zo | ὥστε (hoste) = zodat | πιστεῦσαι (pisteusai) = geloofde | Ἰουδαίων (Ioudaion) = van Joden | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | Ἑλλήνων (Hellenon) = van Grieken | πολὺ (poly) = grote | πλῆθος (plethos) = menigte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Ikonium: Ikonium is het huidige Konya, in het binnenland van Zuid-Turkije. Voetnoot Uitleg: Ἰκόνιον (Ikonion), ‘Ikonium’: zie 13:51. Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’: hier niet-Joden die Grieks spreken; wij schrijven overal ‘Grieken’. κατὰ τὸ αὐτό (kata to auto), letterlijk ‘volgens hetzelfde’: samen, of net als eerder (13:14). ἐγένετο (egeneto), ‘het gebeurde’: wij laten dat weg waar het Nederlands er niets mee wint, zoals in Luc. 1:8. Zie ook: Luc 1:8 **14:2** Maar de Joden die ongehoorzaam bleven, hitsten de zielen van de volken op en maakten ze kwaadgezind tegen de broers. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀπειθήσαντες (apeithesantes) = ongehoorzaam gebleven | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἐπήγειραν (epegeiran) = hitsten op | καὶ (kai) = en | ἐκάκωσαν (ekakosan) = maakten kwaadgezind | τὰς (tas) = de | ψυχὰς (psychas) = zielen | τῶν (ton) = van de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | κατὰ (kata) = tegen | τῶν (ton) = de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπειθέω (apeitheo), ‘ongehoorzaam zijn’: ook ‘niet geloven’. ψυχή (psyche), ‘ziel’: hier het gemoed, de innerlijke mens. ἐπεγείρω (epegeiro), ‘ophitsen’. κακόω (kakoo), ‘kwaadgezind maken’: elders ook ‘slecht behandelen’ (bijvoorbeeld Hand. 7:6). Zie ook: Hand 7:6 **14:3** Zij bleven daarom geruime tijd en spraken openlijk, steunend op de Heer. Hij getuigde van het woord van Zijn genade en liet tekenen en wonderen gebeuren door hun handen. Brontekst: ἱκανὸν (hikanon) = geruime | μὲν (men) = enerzijds | οὖν (oun) = dus | χρόνον (chronon) = tijd | διέτριψαν (dietripsan) = bleven | παρρησιαζόμενοι (parresiazomenoi) = openlijk sprekend | ἐπὶ (epi) = steunend op | τῷ (to) = de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | τῷ (to) = die | μαρτυροῦντι (martyrounti) = getuigde | τῷ (to) = van het | λόγῳ (logo) = woord | τῆς (tes) = van de | χάριτος (charitos) = genade | αὐτοῦ (autou) = Zijn | διδόντι (didonti) = gevend | σημεῖα (semeia) = tekenen | καὶ (kai) = en | τέρατα (terata) = wonderen | γίνεσθαι (ginesthai) = te gebeuren | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | χειρῶν (cheiron) = handen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρρησιάζομαι (parrhesiazomai), ‘openlijk spreken’: zie 13:46. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: de Heer getuigt van het woord van Zijn genade door tekenen en wonderen. σημεῖα καὶ τέρατα (semeia kai terata), ‘tekenen en wonderen’: een uitdrukking uit het Oude Testament (Exod. 7:3; Deut. 4:34), ook in Matt. 24:24. Voetnoot : Zie ook Exod. 7:3; Deut. 4:34; Matt. 24:24. Zie ook: Ex 7:3; Deut 4:34; Mat 24:24 **14:4** De menigte van de stad raakte verdeeld. Sommigen waren met de Joden, anderen met de apostelen. Brontekst: ἐσχίσθη (eschisthe) = werd verdeeld | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | τῆς (tes) = van de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μὲν (men) = enerzijds | ἦσαν (esan) = waren | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = anderzijds | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | ἀποστόλοις (apostolois) = apostelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: letterlijk ‘gezondene’. Hier en in vers 14 noemt Lucas Barnabas en Paulus ‘apostelen’; zij zijn door de Geest en de gemeente uitgezonden (13:2–4). Zie ook: Hand 14:14 **14:5** Toen er bij de volken en de Joden, samen met hun leiders, een opwelling kwam om hen te mishandelen en te stenigen, Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ὁρμὴ (horme) = opwelling | τῶν (ton) = van de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | Ἰουδαίων (Ioudaion) = van Joden | σὺν (syn) = samen met | τοῖς (tois) = de | ἄρχουσιν (archousin) = leiders | αὐτῶν (auton) = hun | ὑβρίσαι (hybrisai) = te mishandelen | καὶ (kai) = en | λιθοβολῆσαι (lithobolesai) = te stenigen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁρμή (horme), ‘opwelling’: een plotselinge drang. ὑβρίζω (hybrizo), ‘mishandelen’: iemand beledigen en vernederen, ook met geweld. λιθοβολέω (lithoboleo), ‘stenigen’. Wie de ‘leiders’ (ἄρχοντες, archontes) zijn, zegt de tekst niet. ### De vlucht naar Lystra en Derbe **14:6** merkten zij dat en vluchtten naar de steden van Lykaonië, Lystra en Derbe, en naar de omgeving. Brontekst: συνιδόντες (synidontes) = gemerkt hebbend | κατέφυγον (katephygon) = vluchtten | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | πόλεις (poleis) = steden | τῆς (tes) = van | Λυκαονίας (Lykaonias) = Lykaonië | Λύστραν (Lystran) = Lystra | καὶ (kai) = en | Δέρβην (Derben) = Derbe | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | περίχωρον (perichoron) = omgeving Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lykaonië (ongeveer): Lykaonië was een streek in het binnenland van het huidige Turkije, rond Lystra en Derbe, ten zuiden van Ikonium. De grenzen zijn bij benadering. Zie Lystra (Hatunsaray; ligging waarschijnlijk): Lystra wordt meestal gezocht bij het huidige Hatunsaray, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Konya. Dit is waarschijnlijk, maar niet helemaal zeker. Zie Derbe (Kerti Hüyük?; ligging onzeker): De ligging van Derbe is niet zeker. Meestal wordt gedacht aan Kerti Hüyük, ten noordoosten van Karaman, in het binnenland van Zuid-Turkije. Voetnoot Uitleg: Λυκαονία (Lykaonia), ‘Lykaonië’: een landstreek in het binnenland van het huidige Turkije. Λύστρα (Lystra) en Δέρβη (Derbe) waren steden in die streek. περίχωρος (perichoros), ‘omgeving’: zoals in Luc. 3:3. Zie ook: Luc 3:3 **14:7** En daar brachten zij de goede boodschap. Brontekst: κἀκεῖ (kakei) = en daar | εὐαγγελιζόμενοι (euangelizomenoi) = de goede boodschap brengend | ἦσαν (esan) = waren Bron: SBLGNT ### De genezing van een kreupele man in Lystra **14:8** In Lystra zat een man die geen kracht in zijn voeten had, kreupel vanaf de schoot van zijn moeder. Hij had nooit gelopen. Brontekst: Καί (Kai) = en | τις (tis) = een | ἀνὴρ (aner) = man | ἀδύνατος (adynatos) = machteloos | ἐν (en) = in | Λύστροις (Lystrois) = Lystra | τοῖς (tois) = in de | ποσὶν (posin) = voeten | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | χωλὸς (cholos) = kreupel | ἐκ (ek) = van | κοιλίας (koilias) = schoot | μητρὸς (metros) = van moeder | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὃς (hos) = die | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | περιεπάτησεν (periepatesen) = had gelopen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lystra (Hatunsaray; ligging waarschijnlijk): Lystra wordt meestal gezocht bij het huidige Hatunsaray, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Konya. Dit is waarschijnlijk, maar niet helemaal zeker. Voetnoot Uitleg: ἀδύνατος (adynatos), ‘machteloos’: zonder kracht. χωλός (cholos), ‘kreupel’. κοιλία (koilia), ‘schoot’: zoals in Luc. 1:15. Dezelfde woorden staan bij de kreupele man in Jeruzalem. Voetnoot : Zie ook Hand. 3:2. Zie ook: Luc 1:15; Hand 3:2 **14:9** Deze man luisterde naar Paulus, die sprak. Die keek hem strak aan, zag dat hij geloof had om gered te worden Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | ἤκουσεν (ekousen) = luisterde naar | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus | λαλοῦντος (lalountos) = sprekende | ὃς (hos) = die | ἀτενίσας (atenisas) = strak aankijkend | αὐτῷ (auto) = hem | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | ὅτι (hoti) = dat | ἔχει (echei) = hij heeft | πίστιν (pistin) = geloof | τοῦ (tou) = om | σωθῆναι (sothenai) = gered te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀτενίζω (atenizo), ‘strak aankijken’. σῴζω (sozo), ‘redden’: ook ‘genezen’; vergelijk Mark. 5:34, ‘Je geloof heeft je gered’. Voetnoot : Zie ook Mark. 5:34. Zie ook: Mar 5:34 **14:10** en zei met luide stem: „Sta rechtop op je voeten.” De man sprong op en liep rond. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | μεγάλῃ (megale) = met grote | φωνῇ (phone) = stem | Ἀνάστηθι (Anastethi) = sta op | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | σου (sou) = je | ὀρθός (orthos) = rechtop | καὶ (kai) = en | ἥλατο (helato) = sprong op | καὶ (kai) = en | περιεπάτει (periepatei) = liep rond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἅλλομαι (hallomai), ‘opspringen’: vergelijk Hand. 3:8. Zie ook: Hand 3:8 ### De menigte houdt hen voor goden **14:11** Toen de menigten zagen wat Paulus had gedaan, verhieven zij hun stem. Zij riepen in het Lykaonisch: „De goden zijn, aan mensen gelijk geworden, naar ons afgedaald.” Brontekst: οἵ (hoi) = de | τε (te) = en | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | ὃ (ho) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἐπῆραν (eperan) = verhieven | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | αὐτῶν (auton) = hun | Λυκαονιστὶ (Lykaonisti) = in het Lykaonisch | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οἱ (Hoi) = de | θεοὶ (theoi) = goden | ὁμοιωθέντες (homoiothentes) = gelijk geworden | ἀνθρώποις (anthropois) = aan mensen | κατέβησαν (katebesan) = zijn afgedaald | πρὸς (pros) = naar | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Λυκαονιστί (Lykaonisti), ‘in het Lykaonisch’: de plaatselijke taal van de streek. De tekst zegt niet of Paulus en Barnabas deze taal verstonden. **14:12** Zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij degene was die het woord voerde. Brontekst: ἐκάλουν (ekaloun) = noemden | τε (te) = en | τὸν (ton) = de | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | Δία (Dia) = Zeus | τὸν (ton) = de | δὲ (de) = maar | Παῦλον (Paulon) = Paulus | Ἑρμῆν (Hermen) = Hermes | ἐπειδὴ (epeide) = omdat | αὐτὸς (autos) = hij | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = de | ἡγούμενος (hegoumenos) = leider | τοῦ (tou) = van het | λόγου (logou) = woord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Δίας (Dias), ‘Zeus’: in de Griekse godsdienst de hoogste god. Ἑρμῆς (Hermes) is de bode van de goden. ἡγούμενος τοῦ λόγου (hegoumenos tou logou), ‘degene die het woord voerde’: de woordvoerder. **14:13** De priester van de Zeus die vóór de stad was, bracht stieren en kransen naar de poorten. Samen met de menigten wilde hij offeren. Brontekst: ὅ (ho) = de | τε (te) = en | ἱερεὺς (hiereus) = priester | τοῦ (tou) = van | Διὸς (Dios) = Zeus | τοῦ (tou) = die | ὄντος (ontos) = is | πρὸ (pro) = voor | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | ταύρους (taurous) = stieren | καὶ (kai) = en | στέμματα (stemmata) = kransen | ἐπὶ (epi) = naar | τοὺς (tous) = de | πυλῶνας (pylonas) = poorten | ἐνέγκας (enenkas) = gebracht hebbend | σὺν (syn) = samen met | τοῖς (tois) = de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | ἤθελεν (ethelen) = wilde | θύειν (thyein) = offeren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τοῦ Διὸς τοῦ ὄντος πρὸ τῆς πόλεως (tou Dios tou ontos pro tes poleos), letterlijk ‘van de Zeus die vóór de stad is’: waarschijnlijk een heiligdom van Zeus vóór de stad. στέμματα (stemmata), ‘kransen’: om de offerdieren te versieren. πυλών (pylon), ‘poort’: van de stad of van het huis waar de apostelen waren; de tekst zegt het niet. θύω (thyo), ‘offeren’. ### Paulus en Barnabas weren de verering af **14:14** Toen de apostelen Barnabas en Paulus dit hoorden, scheurden zij hun kleren en renden de menigte in. Zij riepen Brontekst: ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | καὶ (kai) = en | Παῦλος (Paulos) = Paulus | διαρρήξαντες (diarrexantes) = gescheurd hebbend | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτῶν (auton) = hun | ἐξεπήδησαν (exepedesan) = renden | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | κράζοντες (krazontes) = roepend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het scheuren van de kleren is een teken van schrik of afschuw, zoals bij godslastering (Matt. 26:65). Voetnoot : Zie ook Matt. 26:65. Zie ook: Mat 26:65 **14:15** en zeiden: „Mannen, waarom doen jullie dit? Ook wij zijn mensen met dezelfde aard als jullie. Wij brengen jullie de goede boodschap om jullie van deze nietige dingen om te keren naar een levende Elohim. Hij heeft de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is gemaakt. Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἄνδρες (Andres) = mannen | τί (ti) = waarom | ταῦτα (tauta) = dit | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie | καὶ (kai) = ook | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ὁμοιοπαθεῖς (homoiopatheis) = van dezelfde aard | ἐσμεν (esmen) = zijn | ὑμῖν (hymin) = als jullie | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | εὐαγγελιζόμενοι (euangelizomenoi) = de goede boodschap brengend | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἀπὸ (apo) = van | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | ματαίων (mataion) = nietige dingen | ἐπιστρέφειν (epistrephein) = om te keren | ἐπὶ (epi) = naar | θεὸν (theon) = Elohim | ζῶντα (zonta) = levende | ὃς (hos) = die | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | ἐν (en) = in | αὐτοῖς (autois) = ze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁμοιοπαθής (homoiopathes), ‘met dezelfde aard’: van ὅμοιος (homoios), ‘gelijk’, en πάσχω (pascho), ‘ondergaan’: mensen die hetzelfde ondergaan als jullie. μάταιος (mataios), ‘nietig’: zonder waarde, zonder blijvende betekenis; het Oude Testament noemt afgoden zo. ἐπιστρέφω (epistrefo), ‘zich omkeren’: het Hebreeuwse שׁוּב (shuv); zie Luc. 1:16. ‘Een levende Elohim’ is een uitdrukking uit het Oude Testament (Deut. 5:26). De woorden over hemel, aarde en zee klinken als Exod. 20:11 en Ps. 146:6. Paulus en Barnabas spreken de menigte aan met ‘jullie’. Voetnoot : Zie ook Exod. 20:11; Ps. 146:6; Neh. 9:6; Deut. 5:26. Zie ook: Ex 20:11; Deut 5:26; Ps 146:6; Neh 9:6; Luc 1:16 **14:16** In de voorbije generaties heeft Hij alle volken hun eigen wegen laten gaan. Brontekst: ὃς (hos) = die | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | παρῳχημέναις (parochemenais) = voorbije | γενεαῖς (geneais) = generaties | εἴασεν (eiasen) = liet | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | πορεύεσθαι (poreuesthai) = gaan | ταῖς (tais) = op de | ὁδοῖς (hodois) = wegen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενεά (genea), ‘generatie’. Vergelijk Hand. 17:30. Voetnoot : Zie ook Hand. 17:30. Zie ook: Hand 17:30 **14:17** Toch heeft Hij Zichzelf niet zonder getuigenis gelaten. Hij heeft goed gedaan: Hij gaf jullie vanuit de hemel regen en vruchtbare tijden en vervulde jullie harten met voedsel en blijdschap.” Brontekst: καίτοι (kaitoi) = toch | οὐκ (ouk) = niet | ἀμάρτυρον (amartyron) = zonder getuigenis | αὑτὸν (hauton) = Zichzelf | ἀφῆκεν (apheken) = liet | ἀγαθουργῶν (agathourgon) = goed doend | οὐρανόθεν (ouranothen) = vanuit de hemel | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὑετοὺς (hyetous) = regens | διδοὺς (didous) = gevend | καὶ (kai) = en | καιροὺς (kairous) = tijden | καρποφόρους (karpophorous) = vruchtbare | ἐμπιπλῶν (empiplon) = vervullend | τροφῆς (trophes) = met voedsel | καὶ (kai) = en | εὐφροσύνης (euphrosynes) = blijdschap | τὰς (tas) = de | καρδίας (kardias) = harten | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμάρτυρος (amartyros), ‘zonder getuigenis’: de schepping en Zijn zorg getuigen van Hem. ἀγαθουργέω (agathourgeo), ‘goed doen’. εὐφροσύνη (eufrosyne), ‘blijdschap’: een ander woord dan χαρά (chara), ‘vreugde’. Vergelijk Lev. 26:4; Deut. 11:14 en Ps. 147:8 over regen op zijn tijd. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘onze harten’; de SBLGNT heeft ‘jullie harten’. Voetnoot : Zie ook Lev. 26:4; Deut. 11:14; Ps. 147:8. Zie ook: Lev 26:4; Deut 11:14; Ps 147:8 **14:18** Met deze woorden konden zij de menigten maar met moeite ervan weerhouden aan hen te offeren. Brontekst: καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | λέγοντες (legontes) = zeggend | μόλις (molis) = met moeite | κατέπαυσαν (katepausan) = hielden tegen | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | τοῦ (tou) = om | μὴ (me) = niet | θύειν (thyein) = te offeren | αὐτοῖς (autois) = aan hen Bron: SBLGNT ### Paulus wordt gestenigd **14:19** Maar er kwamen Joden uit Antiochië en Ikonium. Zij haalden de menigten over, stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, omdat zij dachten dat hij gestorven was. Brontekst: Ἐπῆλθαν (Epelthan) = kwamen | δὲ (de) = maar | ἀπὸ (apo) = uit | Ἀντιοχείας (Antiocheias) = Antiochië | καὶ (kai) = en | Ἰκονίου (Ikoniou) = Ikonium | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | πείσαντες (peisantes) = overgehaald hebbend | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | καὶ (kai) = en | λιθάσαντες (lithasantes) = gestenigd hebbend | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἔσυρον (esyron) = sleepten | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | νομίζοντες (nomizontes) = denkend | αὐτὸν (auton) = hem | τεθνηκέναι (tethnekenai) = gestorven te zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië in Pisidië: Antiochië in Pisidië lag bij het huidige Yalvaç, in het binnenland van Zuid-Turkije, aan de grens van Frygië en Pisidië. Het is een ander Antiochië dan dat in Syrië. Zie Ikonium: Ikonium is het huidige Konya, in het binnenland van Zuid-Turkije. Voetnoot Uitleg: De Joden komen uit Antiochië in Pisidië (13:14) en uit Ikonium (13:51), steden waar Paulus eerder was. λιθάζω (lithazo), ‘stenigen’. Paulus noemt deze steniging zelf in 2 Kor. 11:25. Zie ook: 2 Kor 11:25 **14:20** Toen de leerlingen hem omringden, stond hij op en ging de stad weer in. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. Brontekst: κυκλωσάντων (kyklosanton) = omringd hebbend | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτὸν (auton) = hem | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἐξῆλθεν (exelthen) = vertrok | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | Βαρναβᾷ (Barnaba) = Barnabas | εἰς (eis) = naar | Δέρβην (Derben) = Derbe Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Derbe (Kerti Hüyük?; ligging onzeker): De ligging van Derbe is niet zeker. Meestal wordt gedacht aan Kerti Hüyük, ten noordoosten van Karaman, in het binnenland van Zuid-Turkije. Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet of Paulus gestorven was; de Joden dachten dat (vers 19). Zie ook: Hand 14:19 ### De terugreis naar Antiochië **14:21** Nadat zij die stad de goede boodschap hadden gebracht en velen tot leerlingen hadden gemaakt, keerden zij terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië. Brontekst: Εὐαγγελισάμενοί (Euangelisamenoi) = de goede boodschap gebracht hebbend | τε (te) = en | τὴν (ten) = aan de | πόλιν (polin) = stad | ἐκείνην (ekeinen) = die | καὶ (kai) = en | μαθητεύσαντες (matheteusantes) = tot leerlingen gemaakt hebbend | ἱκανοὺς (hikanous) = velen | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Λύστραν (Lystran) = Lystra | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = naar | Ἰκόνιον (Ikonion) = Ikonium | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lystra (Hatunsaray; ligging waarschijnlijk): Lystra wordt meestal gezocht bij het huidige Hatunsaray, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Konya. Dit is waarschijnlijk, maar niet helemaal zeker. Zie Antiochië in Pisidië: Antiochië in Pisidië lag bij het huidige Yalvaç, in het binnenland van Zuid-Turkije, aan de grens van Frygië en Pisidië. Het is een ander Antiochië dan dat in Syrië. Zie Ikonium: Ikonium is het huidige Konya, in het binnenland van Zuid-Turkije. Voetnoot Uitleg: μαθητεύω (matheteuo), ‘tot leerling maken’: zoals in Matt. 28:19. Δέρβη (Derbe) ligt in Lykaonië (vers 6). Voetnoot : Zie ook Matt. 28:19. Zie ook: Mat 28:19; Hand 14:6 **14:22** Zij versterkten de zielen van de leerlingen. Zij bemoedigden hen om in het geloof te blijven en zeiden: „Door veel verdrukkingen moeten wij het koninkrijk van Elohim binnengaan.” Brontekst: ἐπιστηρίζοντες (episterizontes) = versterkend | τὰς (tas) = de | ψυχὰς (psychas) = zielen | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | παρακαλοῦντες (parakalountes) = bemoedigend | ἐμμένειν (emmenein) = te blijven | τῇ (te) = in het | πίστει (pistei) = geloof | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | διὰ (dia) = door | πολλῶν (pollon) = veel | θλίψεων (thlipseon) = verdrukkingen | δεῖ (dei) = het is nodig | ἡμᾶς (hemas) = ons | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστηρίζω (epistērizo), ‘versterken’: vast maken. θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’: zoals in Matt. 24:9. βασιλεία τοῦ θεοῦ (basileia tou theou), ‘het koninkrijk van Elohim’. Zie ook: Mat 24:9 **14:23** Zij stelden voor hen in elke gemeente ouderlingen aan en baden met vasten. Zij vertrouwden hen toe aan de Heer, in wie zij geloofd hadden. Brontekst: χειροτονήσαντες (cheirotonesantes) = aangesteld hebbend | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = voor hen | κατ’ (kat’) = in | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | πρεσβυτέρους (presbyterous) = ouderlingen | προσευξάμενοι (proseuxamenoi) = gebeden hebbend | μετὰ (meta) = met | νηστειῶν (nesteion) = vasten | παρέθεντο (parethento) = vertrouwden toe | αὐτοὺς (autous) = hen | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | εἰς (eis) = in | ὃν (hon) = wie | πεπιστεύκεισαν (pepisteukeisan) = zij geloofd hadden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρεσβύτερος (presbyteros), ‘ouderling’: letterlijk ‘oudere’. Het Grieks gebruikt hetzelfde woord voor de oudsten van het Joodse volk (bijvoorbeeld Matt. 16:21). Voor de leiders van de gemeente schrijven wij ‘ouderlingen’. χειροτονέω (cheirotoneo), ‘aanstellen’: letterlijk ‘de hand uitstrekken’, zoals bij een stemming. Vergelijk Hand. 15:2. Voetnoot : Zie ook Hand. 15:2. Zie ook: Mat 16:21; Hand 15:2 **14:24** Zij trokken door Pisidië en kwamen in Pamfylië. Brontekst: καὶ (kai) = en | διελθόντες (dielthontes) = doorgetrokken | τὴν (ten) = het | Πισιδίαν (Pisidian) = Pisidië | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | Παμφυλίαν (Pamphylian) = Pamfylië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pisidië (ongeveer): Pisidië was het bergachtige gebied ten noorden van Pamfylië, in het zuidwesten van het huidige Turkije. De grenzen zijn bij benadering. Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya. De grenzen zijn bij benadering. **14:25** Nadat zij in Perge het woord hadden gesproken, gingen zij af naar Attalia. Brontekst: καὶ (kai) = en | λαλήσαντες (lalesantes) = gesproken hebbend | ἐν (en) = in | Πέργῃ (Perge) = Perge | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | κατέβησαν (katebesan) = gingen af | εἰς (eis) = naar | Ἀττάλειαν (Attaleian) = Attalia Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Perge: Perge was de hoofdstad van Pamfylië, ongeveer 15 km ten noordoosten van het huidige Antalya. Zie Attalia: Attalia is het huidige Antalya, de havenstad aan de zuidkust van Turkije. **14:26** Vandaar voeren zij naar Antiochië, waar zij aan de genade van Elohim waren toevertrouwd voor het werk dat zij hadden voltooid. Brontekst: κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | ἀπέπλευσαν (apepleusan) = voeren weg | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië | ὅθεν (hothen) = vanwaar | ἦσαν (esan) = waren | παραδεδομένοι (paradedomenoi) = toevertrouwd | τῇ (te) = aan de | χάριτι (chariti) = genade | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰς (eis) = voor | τὸ (to) = het | ἔργον (ergon) = werk | ὃ (ho) = dat | ἐπλήρωσαν (eplerosan) = zij voltooiden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: Dit is het Antiochië in Syrië van 13:1, vanwaar zij uitgezonden waren (13:1–3). παραδίδωμι (paradidomi), ‘toevertrouwen’: in de evangeliën vertalen wij hetzelfde werkwoord vaak met ‘overleveren’; hier gaat het om ‘toevertrouwen aan de genade van Elohim’. Voetnoot : Zie ook Hand. 13:1–3. Zie ook: Hand 13:1–3 **14:27** Toen zij aankwamen, riepen zij de gemeente bijeen en vertelden alles wat Elohim met hen had gedaan. Zij vertelden ook dat Hij voor de volken een deur van het geloof had geopend. Brontekst: παραγενόμενοι (paragenomenoi) = aangekomen | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = en | συναγαγόντες (synagagontes) = bijeengeroepen hebbend | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | ἀνήγγελλον (anengellon) = vertelden | ὅσα (hosa) = alles wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | ἤνοιξεν (enoixen) = Hij had geopend | τοῖς (tois) = voor de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | θύραν (thyran) = deur | πίστεως (pisteos) = van geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θύρα πίστεως (thyra pisteos), ‘deur van het geloof’: een beeld voor een mogelijkheid om de boodschap te brengen; vergelijk 1 Kor. 16:9 en 2 Kor. 2:12. Zie ook: 1 Kor 16:9; 2 Kor 2:12 **14:28** Zij bleven geen korte tijd bij de leerlingen. Brontekst: διέτριβον (dietribon) = bleven | δὲ (de) = nu | χρόνον (chronon) = tijd | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγον (oligon) = weinig | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen Bron: SBLGNT ## Handelingen 15 _De vergadering in Jeruzalem: besnijdenis, het besluit en de scheiding van Paulus en Barnabas_ ### De vraag over de besnijdenis **15:1** Sommigen kwamen uit Judea af en leerden de broers: „Als jullie je niet laten besnijden volgens het gebruik van Mozes, kunnen jullie niet gered worden.” Brontekst: Καί (Kai) = en | τινες (tines) = sommigen | κατελθόντες (katelthontes) = afgekomen | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | ἐδίδασκον (edidaskon) = leerden | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ὅτι (hoti) = dat | Ἐὰν (Ean) = als | μὴ (me) = niet | περιτμηθῆτε (peritmethete) = jullie besneden worden | τῷ (to) = volgens het | ἔθει (ethei) = gebruik | τῷ (to) = dat | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | σωθῆναι (sothenai) = gered worden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: περιτέμνω (peritemno), ‘besnijden’: het wegsnijden van de voorhuid, het teken van het verbond met Abraham (Gen. 17:10–12). ἔθος (ethos), ‘gebruik’: wat door traditie vastligt; hier de besnijdenis die Mozes voorschrijft. σῴζω (sozo), ‘redden’: zie Mark. 5:34. Voetnoot : Zie ook Gen. 17:10–12. Zie ook: Gen 17:10–12; Mar 5:34 **15:2** Er ontstond geen kleine onenigheid en discussie tussen hen en Paulus en Barnabas. Men bepaalde dat Paulus, Barnabas en enkele anderen van hen over deze kwestie naar de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem zouden opgaan. Brontekst: γενομένης (genomenes) = ontstaan | δὲ (de) = nu | στάσεως (staseos) = onenigheid | καὶ (kai) = en | ζητήσεως (zeteseos) = discussie | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγης (oliges) = kleine | τῷ (to) = bij de | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = de | Βαρναβᾷ (Barnaba) = Barnabas | πρὸς (pros) = tegen | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔταξαν (etaxan) = zij bepaalden | ἀναβαίνειν (anabainein) = op te gaan | Παῦλον (Paulon) = Paulus | καὶ (kai) = en | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | καί (kai) = en | τινας (tinas) = enkelen | ἄλλους (allous) = anderen | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | καὶ (kai) = en | πρεσβυτέρους (presbyterous) = ouderlingen | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | ζητήματος (zetematos) = kwestie | τούτου (toutou) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: στάσις (stasis), ‘onenigheid’: ook ‘opstand’ of ‘strijd’. ζήτησις (zetesis), ‘discussie’: een gesprek waarin men iets onderzoekt of er ruzie over heeft. Het Grieks zegt niet wie bepaalde dat Paulus en Barnabas zouden opgaan; wij schrijven ‘men’. πρεσβύτερος (presbyteros), ‘ouderling’: zie 14:23. Dit bezoek aan Jeruzalem komt waarschijnlijk overeen met wat Paulus in Gal. 2:1–10 beschrijft; of het hetzelfde bezoek is, zegt de tekst niet. Voetnoot : Zie ook Hand. 14:23; Gal. 2:1–10. Zie ook: Hand 14:23; Gal 2:1–10 **15:3** Zij werden door de gemeente op weg geholpen en trokken door Fenicië en Samaria. Zij vertelden over de bekering van de volken en bezorgden alle broers grote vreugde. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | μὲν (men) = enerzijds | οὖν (oun) = dus | προπεμφθέντες (propemphthentes) = op weg geholpen | ὑπὸ (hypo) = door | τῆς (tes) = de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeente | διήρχοντο (dierchonto) = trokken door | τήν (ten) = het | τε (te) = en | Φοινίκην (Phoiniken) = Fenicië | καὶ (kai) = en | Σαμάρειαν (Samareian) = Samaria | ἐκδιηγούμενοι (ekdiegoumenoi) = vertellend | τὴν (ten) = de | ἐπιστροφὴν (epistrophen) = bekering | τῶν (ton) = van de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | καὶ (kai) = en | ἐποίουν (epoioun) = zij bezorgden | χαρὰν (charan) = vreugde | μεγάλην (megalen) = grote | πᾶσι (pasi) = aan alle | τοῖς (tois) = de | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Fenicië (kuststreek): Fenicië was de kuststrook aan de Middellandse Zee rond Tyrus en Sidon, nu vooral Libanon, met de aangrenzende kust van Israël en Syrië. De grenzen zijn niet scherp. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: προπέμπω (propempo), ‘op weg helpen’: een samenstelling van πέμπω (pempo), ‘sturen’; iemand uitgeleide doen, met voorraad en begeleiding. ἐπιστροφή (epistrophe), ‘bekering’: letterlijk ‘omkering’; vergelijk 14:15. Fenicië lag aan de kust ten noorden van Galilea; Samaria ligt tussen Galilea en Judea. Voetnoot : Zie ook Hand. 14:15. Zie ook: Hand 14:15 **15:4** Aangekomen in Jeruzalem werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de ouderlingen. Zij vertelden alles wat Elohim met hen had gedaan. Brontekst: παραγενόμενοι (paragenomenoi) = aangekomen | δὲ (de) = nu | εἰς (eis) = in | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | παρεδέχθησαν (paredechthesan) = werden ontvangen | ἀπὸ (apo) = door | τῆς (tes) = de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeente | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = ouderlingen | ἀνήγγειλάν (anengeilan) = zij vertelden | τε (te) = en | ὅσα (hosa) = alles wat | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: παραδέχομαι (paradechomai), ‘ontvangen’: gastvrij aannemen. Opnieuw staan de apostelen en de ouderlingen naast de gemeente (vers 2). Zie ook: Hand 15:2 **15:5** Maar sommigen van de richting van de Farizeeën, die gelovig waren geworden, stonden op. Zij zeiden: „Men moet hen besnijden en hun opdragen de wet van Mozes te houden.” Brontekst: ἐξανέστησαν (exanestesan) = stonden op | δέ (de) = nu | τινες (tines) = sommigen | τῶν (ton) = van de | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | αἱρέσεως (haireseos) = richting | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | πεπιστευκότες (pepisteukotes) = geloofd hebbend | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | δεῖ (dei) = het nodig is | περιτέμνειν (peritemnein) = te besnijden | αὐτοὺς (autous) = hen | παραγγέλλειν (parangellein) = op te dragen | τε (te) = en | τηρεῖν (terein) = te houden | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἵρεσις (hairesis), ‘richting’: een groep met een eigen leer; elders ook ‘sekte’ (Hand. 5:17). Deze mannen zijn gelovig geworden (‘geloofd hebbend’) en zijn nog Farizeeën. Zij eisen niet alleen besnijdenis maar ook het houden van de wet van Mozes. Het Grieks heeft ‘het is nodig’; wij schrijven ‘men moet’. Voetnoot : Zie ook Hand. 5:17. Zie ook: Hand 5:17 ### De vergadering in Jeruzalem **15:6** De apostelen en de ouderlingen kwamen bijeen om deze zaak te bekijken. Brontekst: Συνήχθησάν (Synechthesan) = kwamen bijeen | τε (te) = en | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = ouderlingen | ἰδεῖν (idein) = om te zien | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | λόγου (logou) = zaak | τούτου (toutou) = deze Bron: SBLGNT **15:7** Na veel discussie stond Petrus op en zei tegen hen: „Mannen, broers, jullie weten dat Elohim al lang geleden onder jullie mij heeft uitgekozen. De volken zouden uit mijn mond het woord van de goede boodschap horen en geloven. Brontekst: πολλῆς (polles) = veel | δὲ (de) = nu | ζητήσεως (zeteseos) = discussie | γενομένης (genomenes) = ontstaan | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐπίστασθε (epistasthe) = weten | ὅτι (hoti) = dat | ἀφ’ (aph’) = sinds | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | ἀρχαίων (archaion) = oude | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐξελέξατο (exelexato) = koos uit | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | στόματός (stomatos) = mond | μου (mou) = mijn | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | εὐαγγελίου (euangeliou) = goede boodschap | καὶ (kai) = en | πιστεῦσαι (pisteusai) = te geloven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφ᾽ ἡμερῶν ἀρχαίων (af hemeron archaion), letterlijk ‘van oude dagen af’: al lang geleden. Het Grieks zegt niet wie er uitgekozen werd; het ‘mij’ in onze vertaling is aangevuld, omdat het Nederlands een lijdend voorwerp nodig heeft. Petrus doelt op Cornelius (Hand. 10). De toespraak van Petrus loopt tot en met vers 11. Voetnoot : Zie ook Hand. 10:44–47. Zie ook: Hand 10:44–47; Hand 15:11 **15:8** En Elohim, die de harten kent, getuigde voor hen door hun de Heilige Geest te geven, zoals ook aan ons. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | καρδιογνώστης (kardiognostes) = hartenkenner | θεὸς (theos) = Elohim | ἐμαρτύρησεν (emartyresen) = getuigde | αὐτοῖς (autois) = voor hen | δοὺς (dous) = gevend | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | καθὼς (kathos) = zoals | καὶ (kai) = ook | ἡμῖν (hemin) = aan ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καρδιογνώστης (kardiognostes), ‘hartenkenner’: iemand die de harten kent. Dat woord staat in het Nieuwe Testament alleen hier en in Hand. 1:24. Elohim geeft de Heilige Geest ook aan mensen uit de volken, zoals aan de leerlingen op Pinksteren (Hand. 2:4). Voetnoot : Zie ook Hand. 1:24; Hand. 2:4. Zie ook: Hand 1:24; Hand 2:4 **15:9** Hij maakte geen enkel onderscheid tussen ons en hen, doordat Hij door het geloof hun harten reinigde. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐθὲν (outhen) = niets | διέκρινεν (diekrinen) = onderscheidde | μεταξὺ (metaxy) = tussen | ἡμῶν (hemon) = ons | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | αὐτῶν (auton) = hen | τῇ (te) = door het | πίστει (pistei) = geloof | καθαρίσας (katharisas) = gereinigd hebbend | τὰς (tas) = de | καρδίας (kardias) = harten | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακρίνω (diakrino), ‘onderscheid maken’. καθαρίζω (katharizo), ‘reinigen’: wat rein maakt is het geloof, niet de besnijdenis. **15:10** Waarom stellen jullie Elohim dan nu op de proef door een juk op de nek van de leerlingen te leggen? Dat konden noch onze vaders noch wij dragen. Brontekst: νῦν (nyn) = nu | οὖν (oun) = dan | τί (ti) = waarom | πειράζετε (peirazete) = stellen jullie op de proef | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἐπιθεῖναι (epitheinai) = te leggen | ζυγὸν (zygon) = juk | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | τράχηλον (trachelon) = nek | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | ὃν (hon) = dat | οὔτε (oute) = noch | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | οὔτε (oute) = noch | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἰσχύσαμεν (ischysamen) = waren in staat | βαστάσαι (bastasai) = te dragen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: ook ‘verzoeken’. ‘Elohim op de proef stellen’ is een uitdrukking uit het Oude Testament (Deut. 6:16). ζυγός (zygos), ‘juk’: een houten balk over de nek, hier een beeld voor een zware plicht; vergelijk Matt. 11:29–30 en Matt. 23:4. Voetnoot : Zie ook Deut. 6:16; Matt. 11:29–30; Matt. 23:4. Zie ook: Deut 6:16; Mat 11:29–30; Mat 23:4 **15:11** Maar wij geloven dat wij gered worden door de genade van de Heer Yeshua, op dezelfde manier als zij.” Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | χάριτος (charitos) = genade | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | πιστεύομεν (pisteuomen) = wij geloven | σωθῆναι (sothenai) = gered te worden | καθ’ (kath’) = op | ὃν (hon) = welke | τρόπον (tropon) = wijze | κἀκεῖνοι (kakeinoi) = ook zij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘de Heer Jezus’; wij schrijven Yeshua. Petrus draait de eis om: ook de Joden worden gered door genade, niet door de wet. **15:12** De hele menigte zweeg en luisterde naar Barnabas en Paulus, die vertelden welke tekenen en wonderen Elohim door hen onder de volken had gedaan. Brontekst: Ἐσίγησεν (Esigesen) = zweeg | δὲ (de) = nu | πᾶν (pan) = heel | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | καὶ (kai) = en | ἤκουον (ekouon) = luisterden naar | Βαρναβᾶ (Barnaba) = Barnabas | καὶ (kai) = en | Παύλου (Paulou) = Paulus | ἐξηγουμένων (exegoumenon) = vertellend | ὅσα (hosa) = hoeveel | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | σημεῖα (semeia) = tekenen | καὶ (kai) = en | τέρατα (terata) = wonderen | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | δι’ (di’) = door | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖα καὶ τέρατα (semeia kai terata), ‘tekenen en wonderen’: zie 14:3. Voetnoot : Zie ook Hand. 14:3. Zie ook: Hand 14:3 ### De woorden van Jakobus **15:13** Nadat zij gezwegen hadden, antwoordde Jakobus: „Mannen, broers, luister naar mij. Brontekst: μετὰ (meta) = na | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = het | σιγῆσαι (sigesai) = zwijgen | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | λέγων (legon) = zeggend | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἀκούσατέ (akousate) = luister | μου (mou) = naar mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰάκωβος (Iakobos), ‘Jakobus’: de leider van de gemeente in Jeruzalem; vergelijk Hand. 12:17. Het Grieks heeft de vorm ‘Jakobus’ voor Hebreeuws Ja’akov. De toespraak van Jakobus loopt tot en met vers 21. Voetnoot : Zie ook Hand. 12:17. Zie ook: Hand 12:17; Hand 15:21 **15:14** Simeon heeft verteld hoe Elohim voor het eerst naar de volken omgezien heeft om uit hen een volk voor Zijn naam te nemen. Brontekst: Συμεὼν (Symeon) = Simeon | ἐξηγήσατο (exegesato) = vertelde | καθὼς (kathos) = hoe | πρῶτον (proton) = eerst | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐπεσκέψατο (epeskepsato) = omzag naar | λαβεῖν (labein) = te nemen | ἐξ (ex) = uit | ἐθνῶν (ethnon) = volken | λαὸν (laon) = een volk | τῷ (to) = voor de | ὀνόματι (onomati) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Συμεών (Symeon), ‘Simeon’: de Hebreeuwse vorm van de naam Simon; hier wordt Petrus bedoeld. ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘omzien naar’: zorgzaam naar iemand kijken, zoals in Luc. 1:68. λαός (laos), ‘volk’: het woord dat gewoonlijk voor Israël gebruikt wordt; hier ‘een volk uit de volken’. ‘Voor Zijn naam’: Zijn eigen volk. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:68. Zie ook: Luc 1:68 **15:15** Hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat: Brontekst: καὶ (kai) = en | τούτῳ (touto) = hiermee | συμφωνοῦσιν (symphonousin) = stemmen overeen | οἱ (hoi) = de | λόγοι (logoi) = woorden | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | καθὼς (kathos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = geschreven staat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γέγραπται (gegraptai), ‘geschreven staat’: deze woorden worden ingeleid als wat de profeten schreven, niet als iets wat Elohim zelf zegt; daarom zetten wij ze zwart, zoals andere citaten in toespraken. Het citaat is uit Amos 9:11–12. Voetnoot : Zie ook Amos 9:11–12. Zie ook: Amos 9:11–12 **15:16** ‘Daarna zal Ik terugkeren en de hut van David, die gevallen is, weer opbouwen. Ik zal haar ruïnes opbouwen en haar oprichten, Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | ἀναστρέψω (anastrepso) = zal Ik terugkeren | καὶ (kai) = en | ἀνοικοδομήσω (anoikodomeso) = zal Ik opbouwen | τὴν (ten) = de | σκηνὴν (skenen) = hut | Δαυὶδ (Dauid) = van David | τὴν (ten) = die | πεπτωκυῖαν (peptokuian) = gevallen is | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | κατεσκαμμένα (kateskammena) = ruïnes | αὐτῆς (autes) = haar | ἀνοικοδομήσω (anoikodomeso) = zal Ik opbouwen | καὶ (kai) = en | ἀνορθώσω (anorthoso) = zal Ik oprichten | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Amos 9:11, waar in onze Hebreeuwse tekst staat: ‘Op die dag zal Ik de gevallen hut van David oprichten’. De Griekse tekst heeft ‘Daarna zal Ik terugkeren en de hut van David weer opbouwen’. σκηνή (skene), ‘hut’: het verval van het huis van David. Voetnoot : Zie ook Amos 9:11. Zie ook: Amos 9:11 **15:17** opdat de overigen van de mensen Yahweh zoeken, en alle volken over wie Mijn naam is uitgeroepen, zegt Yahweh, die dit doet, Brontekst: ὅπως (hopos) = opdat | ἂν (an) = mogelijk | ἐκζητήσωσιν (ekzetesosin) = zoeken | οἱ (hoi) = de | κατάλοιποι (kataloipoi) = overigen | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Yahweh | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | ἐφ’ (eph’) = over | οὓς (hous) = wie | ἐπικέκληται (epikekletai) = is uitgeroepen | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | μου (mou) = Mijn | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτούς (autous) = hen | λέγει (legei) = zegt | κύριος (kyrios) = Yahweh | ποιῶν (poion) = die doet | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse tekst van Amos 9:12 heeft ‘opdat zij de rest van Edom in bezit nemen’. De Griekse tekst heeft ‘opdat de overigen van de mensen zoeken’. Het verschil kan komen doordat ‘Edom’ (אֱדוֹם) en ‘mens’ (אָדָם) in het Hebreeuws bijna gelijk geschreven worden. In de Griekse tekst staat κύριος (kyrios), ‘Heer’; omdat dit een citaat uit het Oude Testament is, schrijven wij Yahweh, zoals in 13:10. De woorden ‘zegt Yahweh’ zijn onderdeel van het citaat; wij zetten ze zwart, omdat Jakobus ze aanhaalt als ‘geschreven’ (vers 15). Voetnoot : Zie ook Amos 9:12; Hand. 13:10. Zie ook: Amos 9:12; Hand 13:10; Hand 15:15 **15:18** wat van oudsher bekend is.’ Brontekst: γνωστὰ (gnosta) = bekend | ἀπ’ (ap’) = van | αἰῶνος (aionos) = eeuwigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γνωστὰ ἀπ᾽ αἰῶνος (gnosta ap aionos), ‘bekend van eeuwigheid af’: wat Elohim doet, ligt al lang vast. Deze woorden staan niet in Amos 9:12 in onze Hebreeuwse tekst; zij sluiten bij het citaat aan. Voetnoot Lezing: Handschriften verschillen sterk in dit vers. Sommige hebben ‘zegt Yahweh die dit doet; bekend aan Elohim zijn al Zijn werken van eeuwigheid af’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Amos 9:12 **15:19** Daarom oordeel ik dat men hen uit de volken die zich tot Elohim bekeren, niet moet lastigvallen, Brontekst: διὸ (dio) = daarom | ἐγὼ (ego) = ik | κρίνω (krino) = oordeel | μὴ (me) = niet | παρενοχλεῖν (parenochlein) = lastig te vallen | τοῖς (tois) = hen | ἀπὸ (apo) = uit | τῶν (ton) = de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | ἐπιστρέφουσιν (epistrephousin) = die zich bekeren | ἐπὶ (epi) = tot | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνω (krino), ‘oordelen’: hier een voorstel dat Jakobus doet, geen uitspraak die alles beslist; de vergadering besluit in vers 22. παρενοχλέω (parenochleo), ‘lastigvallen’: iemand hinderen of een last bezorgen. Zie ook: Hand 15:22 **15:20** maar hun moet schrijven dat zij zich onthouden van de verontreinigingen door afgoden, van ontucht, van het verstikte en van bloed. Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἐπιστεῖλαι (episteilai) = te schrijven | αὐτοῖς (autois) = hun | τοῦ (tou) = om | ἀπέχεσθαι (apechesthai) = zich te onthouden | τῶν (ton) = van de | ἀλισγημάτων (alisgematon) = verontreinigingen | τῶν (ton) = van de | εἰδώλων (eidolon) = afgoden | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van de | πορνείας (porneias) = ontucht | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van het | πνικτοῦ (pniktou) = verstikte | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van het | αἵματος (haimatos) = bloed Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀλίσγημα (alisgema), ‘verontreiniging’: wat verontreinigt door afgoden, dus vlees dat aan afgoden is geofferd (vers 29). πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele zonde buiten het huwelijk; het woord omvat ook verboden verbindingen (Lev. 18). πνικτός (pniktos), ‘verstikt’: vlees van een dier dat niet geslacht is, waarvan het bloed er niet uit is. αἷμα (haima), ‘bloed’: het eten van bloed is in de wet verboden (Gen. 9:4; Lev. 17:10–14). Dit zijn vier punten, de gebruiken die ook voor vreemdelingen in Israël golden (Lev. 17–18). Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben de lijst iets anders: zonder ‘het verstikte’ of met een gouden regel erbij (‘wat jullie niet willen dat men jullie doet, doe dat ook anderen niet aan’). Wij volgen de SBLGNT. Voetnoot : Zie ook Gen. 9:4; Lev. 17:10–14; Lev. 18. Zie ook: Gen 9:4; Lev 17:10–14; Hand 15:29 **15:21** Want Mozes heeft sinds oude generaties in elke stad mensen die hem verkondigen. Hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen.” Brontekst: Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | γὰρ (gar) = want | ἐκ (ek) = uit | γενεῶν (geneon) = generaties | ἀρχαίων (archaion) = oude | κατὰ (kata) = in | πόλιν (polin) = stad | τοὺς (tous) = die | κηρύσσοντας (keryssontas) = verkondigen | αὐτὸν (auton) = hem | ἔχει (echei) = heeft | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | κατὰ (kata) = volgens | πᾶν (pan) = elke | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἀναγινωσκόμενος (anaginoskomenos) = voorgelezen wordend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Jakobus zegt dat Mozes overal gehoord wordt: elke sabbat wordt de wet voorgelezen. Het Grieks zegt niet nader hoe dit vers bij de vier punten aansluit. ### De brief aan de gemeenten uit de volken **15:22** Toen besloten de apostelen en de ouderlingen, met de hele gemeente, mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen. Dat waren Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen die onder de broers de leiding hadden. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ἔδοξε (edoxe) = besloot | τοῖς (tois) = de | ἀποστόλοις (apostolois) = apostelen | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = de | πρεσβυτέροις (presbyterois) = ouderlingen | σὺν (syn) = met | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = de | ἐκκλησίᾳ (ekklesia) = gemeente | ἐκλεξαμένους (eklexamenous) = uitgekozen hebbend | ἄνδρας (andras) = mannen | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | πέμψαι (pempsai) = te sturen | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | καὶ (kai) = en | Βαρναβᾷ (Barnaba) = Barnabas | Ἰούδαν (Ioudan) = Judas | τὸν (ton) = die | καλούμενον (kaloumenon) = genoemd wordt | Βαρσαββᾶν (Barsabban) = Barsabbas | καὶ (kai) = en | Σιλᾶν (Silan) = Silas | ἄνδρας (andras) = mannen | ἡγουμένους (hegoumenous) = leidend | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: ἔδοξε (edoxe), ‘besloot’: letterlijk ‘het leek goed’. Βαρσαββᾶς (Barsabbas), ‘Barsabbas’: waarschijnlijk ‘zoon van de sabbat’ of ‘zoon van de rustdag’; dezelfde naam staat in 1:23 bij Jozef. Σιλᾶς (Silas) is de Griekse vorm van Silvanus. ἡγούμενος (hegoumenos), ‘leider’: wie de leiding heeft. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:23. Zie ook: Hand 1:23 **15:23** Zij schreven en lieten het door hun hand bezorgen: „De apostelen en de ouderlingen, broers, aan de broers uit de volken in Antiochië, Syrië en Cilicië: gegroet. Brontekst: γράψαντες (grapsantes) = geschreven hebbend | διὰ (dia) = door | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτῶν (auton) = hun | Οἱ (Hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = ouderlingen | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | τοῖς (tois) = aan de | κατὰ (kata) = in | τὴν (ten) = het | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië | καὶ (kai) = en | Συρίαν (Syrian) = Syrië | καὶ (kai) = en | Κιλικίαν (Kilikian) = Cilicië | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers | τοῖς (tois) = die | ἐξ (ex) = uit | ἐθνῶν (ethnon) = volken | χαίρειν (chairein) = gegroet Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad. De grenzen waren niet scherp. Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: διὰ χειρός (dia cheiros), letterlijk ‘door de hand’: de brief wordt door Judas en Silas bezorgd. Het Grieks heeft ‘de apostelen en de ouderlingen, broers’: ofwel ‘de oudere broers’, ofwel ‘de ouderlingen, broers’; wij houden de apostelen en de ouderlingen bij elkaar. χαίρειν (chairein), ‘gegroet’: de gewone groet aan het begin van een Griekse brief; vergelijk Luc. 1:28. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:28. Zie ook: Luc 1:28 **15:24** Aangezien wij hebben gehoord dat sommigen van ons zijn weggegaan en jullie met woorden hebben verward en jullie zielen hebben ontwricht, zonder dat wij hun opdracht hadden gegeven, Brontekst: ἐπειδὴ (epeide) = aangezien | ἠκούσαμεν (ekousamen) = wij hoorden | ὅτι (hoti) = dat | τινὲς (tines) = sommigen | ἐξ (ex) = uit | ἡμῶν (hemon) = ons | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | ἐτάραξαν (etaraxan) = verwarden | ὑμᾶς (hymas) = jullie | λόγοις (logois) = met woorden | ἀνασκευάζοντες (anaskeuazontes) = ontwrichtend | τὰς (tas) = de | ψυχὰς (psychas) = zielen | ὑμῶν (hymon) = jullie | οἷς (hois) = aan wie | οὐ (ou) = niet | διεστειλάμεθα (diesteilametha) = wij gaven opdracht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνασκευάζω (anaskeuazo), ‘ontwrichten’: iets afbreken, ook ‘ontmantelen’. διαστέλλομαι (diastellomai), ‘opdracht geven’. De verzen 24–26 zijn één lange zin; in het Nederlands splitsen wij ze niet verder. **15:25** hebben wij, eensgezind bijeengekomen, besloten mannen uit te kiezen en naar jullie te sturen, samen met onze geliefde Barnabas en Paulus, Brontekst: ἔδοξεν (edoxen) = het leek goed | ἡμῖν (hemin) = ons | γενομένοις (genomenois) = geworden | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | ἐκλεξαμένοις (eklexamenois) = uitgekozen hebbend | ἄνδρας (andras) = mannen | πέμψαι (pempsai) = te sturen | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | σὺν (syn) = samen met | τοῖς (tois) = de | ἀγαπητοῖς (agapetois) = geliefden | ἡμῶν (hemon) = onze | Βαρναβᾷ (Barnaba) = Barnabas | καὶ (kai) = en | Παύλῳ (Paulo) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’: met één gemoed; zoals in Hand. 1:14. De brief spreekt van ‘wij’: de apostelen en de ouderlingen. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:14. Zie ook: Hand 1:14 **15:26** mensen die hun leven hebben ingezet voor de naam van onze Heer Yeshua de Messias. Brontekst: ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | παραδεδωκόσι (paradedokosi) = die hebben overgegeven | τὰς (tas) = de | ψυχὰς (psychas) = levens | αὐτῶν (auton) = hun | ὑπὲρ (hyper) = voor | τοῦ (tou) = de | ὀνόματος (onomatos) = naam | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | ἡμῶν (hemon) = onze | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = de Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘ziel’: hier het leven. παραδίδωμι (paradidomi), ‘overgeven’: zie 14:26. Χριστός (Christos), ‘Messias’: wij vertalen dat zo. Voetnoot : Zie ook Hand. 14:26. Zie ook: Hand 14:26 **15:27** Wij hebben dus Judas en Silas gezonden. Ook zij zullen jullie mondeling hetzelfde meedelen. Brontekst: ἀπεστάλκαμεν (apestalkamen) = wij hebben gezonden | οὖν (oun) = dus | Ἰούδαν (Ioudan) = Judas | καὶ (kai) = en | Σιλᾶν (Silan) = Silas | καὶ (kai) = ook | αὐτοὺς (autous) = zelf | διὰ (dia) = door | λόγου (logou) = woord | ἀπαγγέλλοντας (apangellontas) = vertellend | τὰ (ta) = de | αὐτά (auta) = dezelfde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διὰ λόγου (dia logou), letterlijk ‘door het woord’: mondeling, in tegenstelling tot de brief. **15:28** Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht jullie geen grotere last op te leggen dan deze noodzakelijke zaken: Brontekst: ἔδοξεν (edoxen) = het leek goed | γὰρ (gar) = want | τῷ (to) = aan de | πνεύματι (pneumati) = Geest | τῷ (to) = de | ἁγίῳ (hagio) = Heilige | καὶ (kai) = en | ἡμῖν (hemin) = ons | μηδὲν (meden) = niets | πλέον (pleon) = meer | ἐπιτίθεσθαι (epitithesthai) = op te leggen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | βάρος (baros) = last | πλὴν (plen) = behalve | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | ἐπάναγκες (epanankes) = noodzakelijke Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔδοξεν γὰρ τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ καὶ ἡμῖν (edoxen gar to pneumati to hagio kai hemin), ‘want het leek goed aan de Heilige Geest en aan ons’: de Heilige Geest wordt genoemd als mede-beslisser. Het is geen directe rede van de Geest; daarom zetten wij het niet rood. βάρος (baros), ‘last’. ἐπάναγκες (epanankes), ‘noodzakelijk’: wat nodig is, niet wat wettisch is. **15:29** dat jullie je onthouden van wat aan afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van ontucht. Als jullie jezelf daarvoor behoeden, zullen jullie goed handelen. Het ga jullie goed.” Brontekst: ἀπέχεσθαι (apechesthai) = zich te onthouden | εἰδωλοθύτων (eidolothyton) = van afgodenoffers | καὶ (kai) = en | αἵματος (haimatos) = van bloed | καὶ (kai) = en | πνικτῶν (pnikton) = van verstikte dieren | καὶ (kai) = en | πορνείας (porneias) = van ontucht | ἐξ (ex) = van | ὧν (hon) = welke | διατηροῦντες (diaterountes) = bewarend | ἑαυτοὺς (heautous) = jezelf | εὖ (eu) = goed | πράξετε (praxete) = zullen jullie handelen | ἔρρωσθε (errosthe) = het ga goed Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰδωλόθυτον (eidolothyton), ‘afgodenoffer’: vlees van een offerdier. πράσσω (prasso), ‘doen’ en ‘het maken’: εὖ πράξετε (eu praxete) kan zowel ‘jullie zullen goed handelen’ als ‘het zal jullie goed gaan’ betekenen. ἔρρωσθε (errosthe), ‘wees sterk’: een gewone afsluiting van een Griekse brief, ‘het ga jullie goed’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften laten ‘het verstikte’ weg of voegen een gouden regel toe; zie vers 20. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Hand 15:20 ### In Antiochië **15:30** Zij werden uitgelaten en gingen naar Antiochië. Daar riepen zij de menigte bijeen en overhandigden de brief. Brontekst: Οἱ (Hoi) = zij | μὲν (men) = enerzijds | οὖν (oun) = dus | ἀπολυθέντες (apolythentes) = laten gaan | κατῆλθον (katelthon) = gingen af | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië | καὶ (kai) = en | συναγαγόντες (synagagontes) = bijeengebracht hebbend | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | ἐπέδωκαν (epedokan) = overhandigden | τὴν (ten) = de | ἐπιστολήν (epistolen) = brief Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: ἀπολύω (apolyo), ‘laten gaan’. ἐπιδίδωμι (epididomi), ‘overhandigen’. ἐπιστολή (epistole), ‘brief’. **15:31** Toen zij die gelezen hadden, verheugden zij zich over de bemoediging. Brontekst: ἀναγνόντες (anagnontes) = gelezen hebbend | δὲ (de) = nu | ἐχάρησαν (echaresan) = verheugden zich | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = de | παρακλήσει (paraklesei) = bemoediging Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παράκλησις (paraklesis), ‘bemoediging’: ook ‘troost’ of ‘vermaning’; zie 13:15. Voetnoot : Zie ook Hand. 13:15. Zie ook: Hand 13:15 **15:32** Judas en Silas, zelf ook profeten, bemoedigden de broers met een lange toespraak en versterkten hen. Brontekst: Ἰούδας (Ioudas) = Judas | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | Σιλᾶς (Silas) = Silas | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zelf | προφῆται (prophetai) = profeten | ὄντες (ontes) = zijnde | διὰ (dia) = door | λόγου (logou) = woord | πολλοῦ (pollou) = lang | παρεκάλεσαν (parekalesan) = bemoedigden | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | καὶ (kai) = en | ἐπεστήριξαν (epesterixan) = versterkten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προφήτης (profetes), ‘profeet’. παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’. ἐπιστηρίζω (epistērizo), ‘versterken’: zie 14:22. Voetnoot : Zie ook Hand. 14:22. Zie ook: Hand 14:22 **15:33** Nadat zij enige tijd hadden doorgebracht, lieten de broers hen in vrede gaan, terug naar hen die hen gezonden hadden. Brontekst: ποιήσαντες (poiesantes) = doorgebracht hebbend | δὲ (de) = nu | χρόνον (chronon) = tijd | ἀπελύθησαν (apelythesan) = werden laten gaan | μετ’ (met’) = met | εἰρήνης (eirenes) = vrede | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = hen | ἀποστείλαντας (aposteilantas) = die gezonden hadden | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers (15:34) dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. In onze nummering springt de telling daarom van vers 33 naar vers 35. Zie ook: Hand 15:35 **15:35** Paulus en Barnabas bleven in Antiochië. Zij onderwezen en brachten, samen met vele anderen, de goede boodschap van het woord van de Heer. Brontekst: Παῦλος (Paulos) = Paulus | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = en | Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | διέτριβον (dietribon) = verbleven | ἐν (en) = in | Ἀντιοχείᾳ (Antiocheia) = Antiochië | διδάσκοντες (didaskontes) = onderwijzend | καὶ (kai) = en | εὐαγγελιζόμενοι (euangelizomenoi) = de goede boodschap brengend | μετὰ (meta) = met | καὶ (kai) = ook | ἑτέρων (heteron) = anderen | πολλῶν (pollon) = vele | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: διατρίβω (diatribo), ‘verblijven’: zich ergens ophouden. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’. ### Paulus en Barnabas gaan uit elkaar **15:36** Na enkele dagen zei Paulus tegen Barnabas: „Laten wij teruggaan en de broers bezoeken in elke stad waar wij het woord van de Heer hebben verkondigd. Laten wij zien hoe het met hen gaat.” Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δέ (de) = nu | τινας (tinas) = enkele | ἡμέρας (hemeras) = dagen | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Ἐπιστρέψαντες (Epistrepsantes) = teruggekeerd | δὴ (de) = toch | ἐπισκεψώμεθα (episkepsometha) = laten wij bezoeken | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | κατὰ (kata) = in | πόλιν (polin) = stad | πᾶσαν (pasan) = elke | ἐν (en) = in | αἷς (hais) = welke | κατηγγείλαμεν (katengeilamen) = wij verkondigden | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | πῶς (pos) = hoe | ἔχουσιν (echousin) = zij het hebben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘bezoeken’: zie vers 14. πῶς ἔχουσιν (pos echousin), letterlijk ‘hoe zij het hebben’: hoe het met hen gaat. Zie ook: Hand 15:14 **15:37** Barnabas wilde ook Johannes, genaamd Markus, meenemen. Brontekst: Βαρναβᾶς (Barnabas) = Barnabas | δὲ (de) = nu | ἐβούλετο (ebouleto) = wilde | συμπαραλαβεῖν (symparalabein) = meenemen | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = die | καλούμενον (kaloumenon) = genoemd wordt | Μᾶρκον (Markon) = Markus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰωάννης ὁ καλούμενος Μᾶρκος (Ioannes ho kaloumenos Markos), ‘Johannes, genaamd Markus’: Johannes Markus, die vroeger met Paulus en Barnabas meeging (12:25; 13:5) en toen terugkeerde (13:13). Hij is ook de neef van Barnabas (Kol. 4:10). Voetnoot : Zie ook Hand. 12:25; Hand. 13:5; Hand. 13:13; Kol. 4:10. Zie ook: Hand 12:25; Hand 13:5; Hand 13:13; Kol 4:10 **15:38** Maar Paulus achtte het niet goed die man mee te nemen. Hij had zich in Pamfylië van hen afgekeerd en was niet met hen naar het werk meegegaan. Brontekst: Παῦλος (Paulos) = Paulus | δὲ (de) = nu | ἠξίου (exiou) = achtte goed | τὸν (ton) = de | ἀποστάντα (apostanta) = afgevallen | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἀπὸ (apo) = van | Παμφυλίας (Pamphylias) = Pamfylië | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | συνελθόντα (synelthonta) = meegegaan | αὐτοῖς (autois) = met hen | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | ἔργον (ergon) = werk | μὴ (me) = niet | συμπαραλαμβάνειν (symparalambanein) = mee te nemen | τοῦτον (touton) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: ἀξιόω (axioo), ‘goed vinden’: ook ‘eisen’ of ‘achten’. ἀφίστημι (afistemi), ‘afvallen’: zich terugtrekken; zie 13:13. Voetnoot : Zie ook Hand. 13:13. Zie ook: Hand 13:13 **15:39** Er ontstond een hevige twist, zodat zij van elkaar scheidden. Barnabas nam Markus mee en voer naar Cyprus. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = ontstond | δὲ (de) = nu | παροξυσμὸς (paroxysmos) = hevige twist | ὥστε (hoste) = zodat | ἀποχωρισθῆναι (apochoristhenai) = gescheiden te worden | αὐτοὺς (autous) = zij | ἀπ’ (ap’) = van | ἀλλήλων (allelon) = elkaar | τόν (ton) = zowel | τε (te) = de | Βαρναβᾶν (Barnaban) = Barnabas | παραλαβόντα (paralabonta) = meegenomen hebbend | τὸν (ton) = de | Μᾶρκον (Markon) = Markus | ἐκπλεῦσαι (ekpleusai) = weg te varen | εἰς (eis) = naar | Κύπρον (Kypron) = Cyprus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Voetnoot Uitleg: παροξυσμός (paroxysmos), ‘hevige twist’: een woord voor een scherpe verbolgenheid; ons woord ‘paroxysme’ komt ervan. ἀποχωρίζομαι (apochorizomai), ‘zich afscheiden’. De tekst oordeelt niet wie gelijk heeft. Barnabas komt van Cyprus (4:36); hij gaat naar zijn eigen eiland. Voetnoot : Zie ook Hand. 4:36. Zie ook: Hand 4:36 **15:40** Paulus koos Silas uit en vertrok, door de broers toevertrouwd aan de genade van de Heer. Brontekst: Παῦλος (Paulos) = Paulus | δὲ (de) = nu | ἐπιλεξάμενος (epilexamenos) = gekozen hebbend | Σιλᾶν (Silan) = Silas | ἐξῆλθεν (exelthen) = vertrok | παραδοθεὶς (paradotheis) = toevertrouwd | τῇ (te) = aan de | χάριτι (chariti) = genade | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραδίδωμι (paradidomi), ‘toevertrouwen’: zie 14:26. Voor Barnabas wordt dit niet gezegd. Voetnoot : Zie ook Hand. 14:26. Zie ook: Hand 14:26 **15:41** Hij trok door Syrië en Cilicië en versterkte de gemeenten. Brontekst: διήρχετο (diercheto) = trok door | δὲ (de) = nu | τὴν (ten) = de | Συρίαν (Syrian) = Syrië | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | Κιλικίαν (Kilikian) = Cilicië | ἐπιστηρίζων (episterizon) = versterkend | τὰς (tas) = de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeenten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad. De grenzen waren niet scherp. Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: wij vertalen overal ‘gemeente’. ## Handelingen 16 _Timoteüs, de roep uit Macedonië, Filippi: Lydia, het dienstmeisje en de cipier_ ### Timoteüs sluit zich aan **16:1** Hij kwam ook aan in Derbe en in Lystra. En zie, daar was een leerling met de naam Timoteüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar met een Griekse vader. Brontekst: Κατήντησεν (Katentesen) = kwam aan | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | εἰς (eis) = in | Δέρβην (Derben) = Derbe | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | Λύστραν (Lystran) = Lystra | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | μαθητής (mathetes) = leerling | τις (tis) = een | ἦν (en) = was | ἐκεῖ (ekei) = daar | ὀνόματι (onomati) = met naam | Τιμόθεος (Timotheos) = Timoteüs | υἱὸς (huios) = zoon | γυναικὸς (gynaikos) = van een vrouw | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Joodse | πιστῆς (pistes) = gelovige | πατρὸς (patros) = van een vader | δὲ (de) = maar | Ἕλληνος (Hellenos) = Griek Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Derbe (Kerti Hüyük?; ligging onzeker): De ligging van Derbe is niet zeker. Meestal wordt gedacht aan Kerti Hüyük, ten noordoosten van Karaman, in het binnenland van Zuid-Turkije. Zie Lystra (Hatunsaray; ligging waarschijnlijk): Lystra wordt meestal gezocht bij het huidige Hatunsaray, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Konya. Dit is waarschijnlijk, maar niet helemaal zeker. Voetnoot Uitleg: Τιμόθεος (Timotheos), ‘Timoteüs’: een jonge leerling uit Lystra, later een vaste medewerker van Paulus. Zijn moeder was Joods en gelovig, zijn vader een Griek. De naam van zijn moeder en van zijn vader noemt de tekst hier niet. Voetnoot : Zie ook Hand. 14:6. Voetnoot : Zie ook 2 Tim. 1:5; 2 Tim. 3:15. Zie ook: Hand 14:6; 2 Tim 1:5; 2 Tim 3:15 **16:2** Er werd goed over hem getuigd door de broers in Lystra en Ikonium. Brontekst: ὃς (hos) = die | ἐμαρτυρεῖτο (emartyreito) = werd getuigd | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἐν (en) = in | Λύστροις (Lystrois) = Lystra | καὶ (kai) = en | Ἰκονίῳ (Ikonio) = Ikonium | ἀδελφῶν (adelphon) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lystra (Hatunsaray; ligging waarschijnlijk): Lystra wordt meestal gezocht bij het huidige Hatunsaray, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Konya. Dit is waarschijnlijk, maar niet helemaal zeker. Zie Ikonium: Ikonium is het huidige Konya, in het binnenland van Zuid-Turkije. Voetnoot Uitleg: μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: hier ‘goed getuigenis krijgen’. Wij schrijven ‘er werd goed over hem getuigd’. **16:3** Paulus wilde dat deze man met hem meeging. Hij nam hem en besneed hem, vanwege de Joden die in die plaatsen waren, want allen wisten dat zijn vader een Griek was. Brontekst: τοῦτον (touton) = deze | ἠθέλησεν (ethelesen) = wilde | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = zich | ἐξελθεῖν (exelthein) = uit te gaan | καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | περιέτεμεν (perietemen) = besneed | αὐτὸν (auton) = hem | διὰ (dia) = vanwege | τοὺς (tous) = de | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | τοὺς (tous) = die | ὄντας (ontas) = waren | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | τόποις (topois) = plaatsen | ἐκείνοις (ekeinois) = die | ᾔδεισαν (edeisan) = wisten | γὰρ (gar) = want | ἅπαντες (hapantes) = allen | ὅτι (hoti) = dat | Ἕλλην (Hellen) = Griek | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὑπῆρχεν (hyperchen) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: περιτέμνω (peritemno), ‘besnijden’. Paulus laat Timoteüs besnijden ‘vanwege de Joden’, niet omdat het voor redding nodig is; dat was net besloten (15:1–11). Timoteüs had een Joodse moeder, maar was niet besneden omdat zijn vader een Griek was. Wij gaan hier niet verder dan wat de tekst zegt. Voetnoot : Zie ook Hand. 15:1–11. Zie ook: Hand 15:1–11 **16:4** Terwijl zij de steden doortrokken, gaven zij hun de besluiten door die de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem genomen hadden, om die te bewaren. Brontekst: ὡς (hos) = terwijl | δὲ (de) = nu | διεπορεύοντο (dieporeuonto) = zij reisden door | τὰς (tas) = de | πόλεις (poleis) = steden | παρεδίδοσαν (paredidosan) = gaven door | αὐτοῖς (autois) = aan hen | φυλάσσειν (phylassein) = te bewaren | τὰ (ta) = de | δόγματα (dogmata) = besluiten | τὰ (ta) = die | κεκριμένα (kekrimena) = genomen waren | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | καὶ (kai) = en | πρεσβυτέρων (presbyteron) = ouderlingen | τῶν (ton) = die | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: δόγμα (dogma), ‘besluit’: een officiële beslissing. Dit zijn de besluiten van 15:28–29. ‘Bewaren’ (φυλάσσω, fylasso) betekent ook ‘onderhouden’ of ‘nakomen’. Voetnoot : Zie ook Hand. 15:28–29. Zie ook: Hand 15:28–29 **16:5** De gemeenten werden dus versterkt in het geloof en namen elke dag toe in aantal. Brontekst: αἱ (hai) = de | μὲν (men) = enerzijds | οὖν (oun) = dus | ἐκκλησίαι (ekklesiai) = gemeenten | ἐστερεοῦντο (estereounto) = werden versterkt | τῇ (te) = in het | πίστει (pistei) = geloof | καὶ (kai) = en | ἐπερίσσευον (eperisseuon) = namen toe | τῷ (to) = in | ἀριθμῷ (arithmo) = aantal | καθ’ (kath’) = per | ἡμέραν (hemeran) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στερεόω (stereoo), ‘versterken’: sterk en vast maken. περισσεύω (perisseuo), ‘toenemen’: meer worden. ### De weg naar Macedonië **16:6** Zij trokken door Frygië en het Galatische land, nadat de Heilige Geest hen had verhinderd het woord in Asia te spreken. Brontekst: Διῆλθον (Dielthon) = zij trokken door | δὲ (de) = nu | τὴν (ten) = de | Φρυγίαν (Phrygian) = Frygië | καὶ (kai) = en | Γαλατικὴν (Galatiken) = Galatische | χώραν (choran) = land | κωλυθέντες (kolythentes) = verhinderd | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | ἁγίου (hagiou) = Heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest | λαλῆσαι (lalesai) = te spreken | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | Ἀσίᾳ (Asia) = Asia Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Frygië (ongeveer): Frygië was een streek in het westen en midden van het huidige Turkije. De grenzen wisselden en zijn niet scherp. Zie Galatië (ongeveer): Het Galatische land was het gebied rond het huidige Ankara, in het midden van Turkije. De grenzen zijn bij benadering; de Romeinse provincie Galatië was groter. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Φρυγία (Frygia), ‘Frygië’: een landstreek in het midden van het huidige Turkije. Γαλατικὴ χώρα (Galatike chora), ‘Galatisch land’: het gebied van de Galaten. Ἀσία (Asia), ‘Asia’: de Romeinse provincie Asia, aan de westkust van het huidige Turkije; niet het werelddeel Azië. κωλύω (koluo), ‘verhinderen’. De Heilige Geest spreekt hier niet in directe rede; daarom staat er niets rood. Hoe de Geest hen tegenhield, zegt de tekst niet. **16:7** Bij Mysië gekomen probeerden zij naar Bithynië te reizen, en de Geest van Yeshua liet het hun niet toe. Brontekst: ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | δὲ (de) = nu | κατὰ (kata) = bij | τὴν (ten) = het | Μυσίαν (Mysian) = Mysië | ἐπείραζον (epeirazon) = probeerden | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | Βιθυνίαν (Bithynian) = Bithynië | πορευθῆναι (poreuthenai) = te reizen | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | εἴασεν (eiasen) = liet toe | αὐτοὺς (autous) = hen | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Mysië (ongeveer): Mysië was de streek in het noordwesten van het huidige Turkije, ten zuiden van de Zee van Marmara. De grenzen zijn bij benadering. Zie Bithynië (ongeveer): Bithynië was de streek in het noorden van het huidige Turkije, aan de Zee van Marmara en de Zwarte Zee. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Μυσία (Mysia), ‘Mysië’, en Βιθυνία (Bithynia), ‘Bithynië’: streken in het noordwesten van het huidige Turkije. τὸ πνεῦμα Ἰησοῦ (to pneuma Iesou), ‘de Geest van Yeshua’: dit staat zo in het Nieuwe Testament alleen hier. Het is de Geest van vers 6; vergelijk Fil. 1:19 en Rom. 8:9. Ook hier spreekt de Geest niet in directe rede. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat ‘de Geest’ zonder ‘van Yeshua’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Hand 16:6; Rom 8:9; Fil 1:19 **16:8** Zij trokken langs Mysië en gingen af naar Troas. Brontekst: παρελθόντες (parelthontes) = voorbijgegaan | δὲ (de) = nu | τὴν (ten) = het | Μυσίαν (Mysian) = Mysië | κατέβησαν (katebesan) = gingen af | εἰς (eis) = naar | Τρῳάδα (Troada) = Troas Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Mysië (ongeveer): Mysië was de streek in het noordwesten van het huidige Turkije, ten zuiden van de Zee van Marmara. De grenzen zijn bij benadering. Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos. Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië. Voetnoot Uitleg: παρέρχομαι (parerchomai), ‘voorbijgaan’: hier ‘langs gaan’, niet stoppen om te spreken. Τρῳάς (Troas) was een havenstad aan de westkust van het huidige Turkije, bij het oude Troje. **16:9** En in de nacht verscheen aan Paulus een visioen: een Macedonische man stond daar en smeekte hem: „Steek over naar Macedonië en help ons.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅραμα (horama) = visioen | διὰ (dia) = in | νυκτὸς (nyktos) = nacht | τῷ (to) = aan | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | ὤφθη (ophthe) = verscheen | ἀνὴρ (aner) = man | Μακεδών (Makedon) = Macedoniër | τις (tis) = een | ἦν (en) = was | ἑστὼς (hestos) = staand | καὶ (kai) = en | παρακαλῶν (parakalon) = smekend | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = zeggend | Διαβὰς (Diabas) = steek over | εἰς (eis) = naar | Μακεδονίαν (Makedonian) = Macedonië | βοήθησον (boetheson) = help | ἡμῖν (hemin) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: ὅραμα (horama), ‘visioen’: wat iemand te zien krijgt; vergelijk Hand. 9:10. Μακεδών (Makedon), ‘Macedoniër’: iemand uit Macedonië, in het noorden van het huidige Griekenland. De man in het visioen spreekt; wij zetten zijn woorden zwart, want het is een mens. διαβαίνω (diabaino), ‘oversteken’: letterlijk ‘doorheen gaan’; hier de zee oversteken. Voetnoot : Zie ook Hand. 9:10. Zie ook: Hand 9:10 **16:10** Toen hij het visioen had gezien, zochten wij meteen naar Macedonië te vertrekken. Wij concludeerden dat Elohim ons geroepen had om hun de goede boodschap te brengen. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = het | ὅραμα (horama) = visioen | εἶδεν (eiden) = hij zag | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἐζητήσαμεν (ezetesamen) = zochten wij | ἐξελθεῖν (exelthein) = te vertrekken | εἰς (eis) = naar | Μακεδονίαν (Makedonian) = Macedonië | συμβιβάζοντες (symbibazontes) = concluderend | ὅτι (hoti) = dat | προσκέκληται (proskekletai) = had geroepen | ἡμᾶς (hemas) = ons | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | εὐαγγελίσασθαι (euangelisasthai) = de goede boodschap te brengen | αὐτούς (autous) = aan hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers staat in de tekst ‘wij’ (ἐζητήσαμεν, ezetesamen, ‘wij zochten’): de schrijver rekent zich bij de reisgezellen. Dat gaat door tot vers 17 en komt later terug (20:5 en verder). Wij schrijven ‘wij’, zoals het Grieks. Wie dat is, noemt de tekst niet. συμβιβάζω (symbibazo), ‘concluderen’: dingen bij elkaar brengen en daaruit een besluit trekken. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’. De mannen halen het besluit uit het visioen; het Grieks zegt niet dat Elohim dit zelf zei. Zie ook: Hand 16:17 ### In Filippi: Lydia **16:11** Wij voeren uit Troas weg en gingen rechtstreeks naar Samothrake. De volgende dag gingen wij naar Neapolis. Brontekst: Ἀναχθέντες (Anachthentes) = uitgevaren | οὖν (oun) = dus | ἀπὸ (apo) = van | Τρῳάδος (Troados) = Troas | εὐθυδρομήσαμεν (euthydromesamen) = voeren wij rechtstreeks | εἰς (eis) = naar | Σαμοθρᾴκην (Samothraken) = Samothrake | τῇ (te) = op de | δὲ (de) = nu | ἐπιούσῃ (epiouse) = volgende | εἰς (eis) = naar | Νέαν (Nean) = Nieuwe | Πόλιν (Polin) = Stad Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos. Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië. Zie Samothrake: Samothrake is een bergachtig eiland in het noorden van de Egeïsche Zee. Paulus legde er een nacht aan op weg naar Neapolis. Zie Neapolis (nu Kavala): Neapolis was de havenstad van Filippi, aan de kust van Macedonië. De stad heet nu Kavala. Voetnoot Uitleg: ἀνάγομαι (anagomai), ‘uitvaren’: de zee op gaan. εὐθυδρομέω (euthydromeo), ‘rechtstreeks varen’: zonder koers te veranderen. Σαμοθρᾴκη (Samothrake) is een eiland in de Egeïsche Zee. Νέα Πόλις (Nea Polis), ‘Neapolis’: de havenstad van Filippi, letterlijk ‘Nieuwe Stad’. **16:12** En vandaar gingen wij naar Filippi, een stad van het eerste district van Macedonië, een kolonie. Wij bleven enkele dagen in die stad. Brontekst: κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | εἰς (eis) = naar | Φιλίππους (Philippous) = Filippi | ἥτις (hetis) = die | ἐστὶν (estin) = is | πρώτη (prote) = eerste | τῆς (tes) = van het | μερίδος (meridos) = district | Μακεδονίας (Makedonias) = van Macedonië | πόλις (polis) = stad | κολωνία (kolonia) = kolonie | ἦμεν (emen) = wij waren | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | ταύτῃ (taute) = deze | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | διατρίβοντες (diatribontes) = verblijvend | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τινάς (tinas) = enkele Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Filippi: Filippi lag in het oosten van Macedonië, ongeveer 15 km landinwaarts van de haven Neapolis. Het was een Romeinse kolonie. Het is niet de stad Caesarea Filippi uit de evangeliën. Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Φίλιπποι (Filippoi), ‘Filippi’: een stad in Macedonië. κολωνία (kolonia), ‘kolonie’: een Romeinse stad waar oud-soldaten woonden en waar Romeins recht gold. πρώτη τῆς μερίδος (prote tes meridos), ‘eerste van het district’: de tekst kan bedoelen ‘de belangrijkste’ of ‘de eerste die ze bereikten’. Wij houden ‘eerste’. Macedonië was verdeeld in vier districten. **16:13** Op de dag van de sabbat gingen wij de stad uit, buiten de poort, langs een rivier, waar wij meenden dat een gebedsplaats was. Wij gingen zitten en spraken met de vrouwen die samengekomen waren. Brontekst: τῇ (te) = op de | τε (te) = en | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῶν (ton) = van de | σαββάτων (sabbaton) = sabbat | ἐξήλθομεν (exelthomen) = gingen wij uit | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = de | πύλης (pyles) = poort | παρὰ (para) = langs | ποταμὸν (potamon) = rivier | οὗ (hou) = waar | ἐνομίζομεν (enomizomen) = meenden wij | προσευχὴν (proseuchen) = gebedsplaats | εἶναι (einai) = te zijn | καὶ (kai) = en | καθίσαντες (kathisantes) = gezeten | ἐλαλοῦμεν (elaloumen) = spraken wij | ταῖς (tais) = tot de | συνελθούσαις (synelthousais) = samengekomen | γυναιξίν (gynaixin) = vrouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσευχή (proseuche), ‘gebedsplaats’: het gewone woord is ‘gebed’; hier een plek waar Joden bidden, zonder gebouw. Dat zij naar de rivier gaan, kan betekenen dat er te weinig Joodse mannen in Filippi waren voor een synagoge; de tekst zegt het niet. ἐνομίζομεν (enomizomen), ‘wij meenden’: Lucas weet het zelf niet zeker. **16:14** Een vrouw genaamd Lydia, een purperverkoopster uit de stad Thyatira, een godvrezende, luisterde. De Heer opende haar hart, zodat zij oplette op wat Paulus zei. Brontekst: καί (kai) = en | τις (tis) = een | γυνὴ (gyne) = vrouw | ὀνόματι (onomati) = met naam | Λυδία (Lydia) = Lydia | πορφυρόπωλις (porphyropolis) = purperverkoopster | πόλεως (poleos) = van de stad | Θυατείρων (Thyateiron) = Thyatira | σεβομένη (sebomene) = vererend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἤκουεν (ekouen) = luisterde | ἧς (hes) = wier | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | διήνοιξεν (dienoixen) = opende | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | προσέχειν (prosechein) = om te letten | τοῖς (tois) = op het | λαλουμένοις (laloumenois) = gesprokene | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Thyatira: Thyatira is het huidige Akhisar, in het westen van Turkije. Lydia kwam er vandaan. Voetnoot Uitleg: Λυδία (Lydia): een vrouw met een naam die ook ‘uit Lydië’ kan betekenen. πορφυρόπωλις (porfyropolis), ‘purperverkoopster’: purper was een dure, kostbare stof. Θυάτειρα (Thyateira), ‘Thyatira’: een stad in Lydië, in het huidige Turkije. σεβομένη τὸν θεόν (sebomene ton theon), ‘godvrezende’: een niet-Joodse vrouw die Elohim vereert; zie 13:16. ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: het Grieks maakt niet duidelijk of Elohim of Yeshua bedoeld is; wij schrijven ‘de Heer’. διανοίγω (dianoigo), ‘openen’: hetzelfde werkwoord als in Luc. 24:45. Voetnoot : Zie ook Hand. 13:16; Luc. 24:45. Zie ook: Luc 24:45; Hand 13:16 **16:15** Toen zij en haar huis gedoopt waren, vroeg zij ons: „Als jullie mij gelovig in de Heer vinden, kom dan mijn huis binnen en blijf.” En zij drong bij ons aan. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐβαπτίσθη (ebaptisthe) = zij werd gedoopt | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | οἶκος (oikos) = huis | αὐτῆς (autes) = haar | παρεκάλεσεν (parekalesen) = vroeg | λέγουσα (legousa) = zeggend | Εἰ (Ei) = als | κεκρίκατέ (kekrikate) = jullie hebben geoordeeld | με (me) = mij | πιστὴν (pisten) = gelovig | τῷ (to) = in de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | εἶναι (einai) = te zijn | εἰσελθόντες (eiselthontes) = binnengekomen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | μου (mou) = mijn | μένετε (menete) = blijf | καὶ (kai) = en | παρεβιάσατο (parebiasato) = zij drong aan | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐβαπτίσθη (ebaptisthe), ‘zij werd gedoopt’: Lydia en haar huis. οἶκος (oikos), ‘huis’: hier het huishouden, de mensen die bij haar hoorden. Het Grieks zegt niet wie dat waren. παραβιάζομαι (parabiazomai), ‘aandringen’: zoals in Luc. 24:29. Ook hier is ‘de Heer’ waarschijnlijk Yeshua; vergelijk vers 14 en vers 31. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:29. Zie ook: Luc 24:29; Hand 16:14; Hand 16:31 ### Het dienstmeisje met een geest **16:16** Toen wij naar de gebedsplaats gingen, kwam ons een dienstmeisje tegen dat een Python-geest had. Zij bracht haar heren veel winst op door waar te zeggen. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = nu | πορευομένων (poreuomenon) = toen wij gingen | ἡμῶν (hemon) = wij | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | προσευχὴν (proseuchen) = gebedsplaats | παιδίσκην (paidisken) = dienstmeisje | τινὰ (tina) = een | ἔχουσαν (echousan) = hebbend | πνεῦμα (pneuma) = geest | πύθωνα (pythona) = Python | ὑπαντῆσαι (hypantesai) = tegemoet kwam | ἡμῖν (hemin) = ons | ἥτις (hetis) = die | ἐργασίαν (ergasian) = verdienste | πολλὴν (pollen) = veel | παρεῖχεν (pareichen) = verschafte | τοῖς (tois) = aan de | κυρίοις (kyriois) = heren | αὐτῆς (autes) = haar | μαντευομένη (manteuomene) = waarzeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παιδίσκη (paidiske), ‘dienstmeisje’: een slavin; hetzelfde woord als in Luc. 22:56. πύθων (pythoon), ‘Python’: de naam van de slang bij het orakel van Delphi; een ‘geest van Python’ is een geest van waarzeggerij. Wij houden de naam, want het Nederlands heeft geen eigen woord. μαντεύομαι (manteuomai), ‘waarzeggen’. κύριοι (kyrioi), ‘heren’: hier de eigenaars van het meisje. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:56. Zie ook: Luc 22:56 **16:17** Zij volgde Paulus en ons en riep: _„Deze mensen zijn knechten van de Allerhoogste Elohim. Zij verkondigen jullie een weg van redding.”_ Brontekst: αὕτη (haute) = deze | κατακολουθοῦσα (katakolouthousa) = volgend | τῷ (to) = de | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | καὶ (kai) = en | ἡμῖν (hemin) = ons | ἔκραζεν (ekrazen) = riep | λέγουσα (legousa) = zeggend | Οὗτοι (Houtoi) = deze | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | δοῦλοι (douloi) = knechten | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τοῦ (tou) = de | ὑψίστου (hypsistou) = Allerhoogste | εἰσίν (eisin) = zijn | οἵτινες (hoitines) = die | καταγγέλλουσιν (katangellousin) = verkondigen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὁδὸν (hodon) = weg | σωτηρίας (soterias) = van redding Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het meisje roept, maar de geest in haar spreekt door haar; daarom markeren wij de woorden als woorden van een geest en zetten wij ze niet rood. δοῦλοι (douloi), ‘knechten’: zoals overal. ὕψιστος (hypsistos), ‘Allerhoogste’: zoals in Luc. 1:32. Hier is het een Griekse benaming voor Elohim. ὁδὸς σωτηρίας (hodos soterias), ‘weg van redding’. Het gezegde is waar, maar komt uit een geest die Paulus tot last is (vers 18). Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘ons’ in plaats van ‘jullie’. Wij volgen de SBLGNT: ‘jullie’. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:32. Zie ook: Luc 1:32; Hand 16:18 **16:18** Dat deed zij vele dagen. Paulus werd daar moe van en draaide zich om. Hij zei tegen de geest: „Ik beveel je in de naam van Yeshua de Messias: ga van haar uit.” Op datzelfde uur ging de geest uit. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = nu | ἐποίει (epoiei) = deed zij | ἐπὶ (epi) = gedurende | πολλὰς (pollas) = vele | ἡμέρας (hemeras) = dagen | διαπονηθεὶς (diaponetheis) = moe geworden | δὲ (de) = nu | Παῦλος (Paulos) = Paulus | καὶ (kai) = en | ἐπιστρέψας (epistrepsas) = omgedraaid | τῷ (to) = tot de | πνεύματι (pneumati) = geest | εἶπεν (eipen) = zei | Παραγγέλλω (Parangello) = ik beveel | σοι (soi) = je | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = de Messias | ἐξελθεῖν (exelthein) = uit te gaan | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | αὐτῇ (aute) = op dezelfde | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαπονέομαι (diaponeomai), ‘moe worden’: ook ‘geërgerd worden’; hij is vermoeid van het vele herhalen. ἐπιστρέφω (epistrefo), ‘zich omdraaien’. παραγγέλλω (parangello), ‘bevelen’. Paulus gebiedt in de naam van Yeshua, en spreekt dus zelf; zijn woorden zijn zwart. Vergelijk Luc. 10:17. Voetnoot : Zie ook Luc. 10:17. Zie ook: Luc 10:17 ### Paulus en Silas in de gevangenis **16:19** Toen haar heren zagen dat de hoop op hun winst was weggegaan, grepen zij Paulus en Silas. Zij sleepten hen naar de markt, naar de leiders. Brontekst: Ἰδόντες (Idontes) = gezien hebbend | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | κύριοι (kyrioi) = heren | αὐτῆς (autes) = haar | ὅτι (hoti) = dat | ἐξῆλθεν (exelthen) = was weggegaan | ἡ (he) = de | ἐλπὶς (elpis) = hoop | τῆς (tes) = van de | ἐργασίας (ergasias) = winst | αὐτῶν (auton) = hun | ἐπιλαβόμενοι (epilabomenoi) = grijpend | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Σιλᾶν (Silan) = Silas | εἵλκυσαν (heilkysan) = sleepten | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἀγορὰν (agoran) = markt | ἐπὶ (epi) = naar | τοὺς (tous) = de | ἄρχοντας (archontas) = leiders Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλπίς (elpis), ‘hoop’: hier wat zij van haar verwachtten. ἀγορά (agora), ‘markt’: het plein van de stad, waar recht gesproken werd. ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: zoals in 13:27. Voetnoot : Zie ook Hand. 13:27. Zie ook: Hand 13:27 **16:20** Zij brachten hen bij de stadsbestuurders en zeiden: „Deze mensen brengen onze stad in verwarring. Zij zijn Joden Brontekst: καὶ (kai) = en | προσαγαγόντες (prosagagontes) = gebracht hebbend | αὐτοὺς (autous) = hen | τοῖς (tois) = bij de | στρατηγοῖς (strategois) = stadsbestuurders | εἶπαν (eipan) = zeiden zij | Οὗτοι (Houtoi) = deze | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | ἐκταράσσουσιν (ektarassousin) = brengen in verwarring | ἡμῶν (hemon) = onze | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ὑπάρχοντες (hyparchontes) = zijnde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρατηγός (strategos), ‘stadsbestuurder’: een bestuurder van een stad in een Romeinse kolonie. In de evangeliën heet het ‘bevelhebber’ (Luc. 22:52); hier is het een ander ambt. ἐκταράσσω (ektarasso), ‘in verwarring brengen’. Paulus en Silas worden hier als Joden aangeklaagd; de aanklagers zeggen niets over het meisje of over hun winst. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:52. Zie ook: Luc 22:52 **16:21** en verkondigen gebruiken die wij niet mogen aannemen of uitvoeren, terwijl wij Romeinen zijn.” Brontekst: καὶ (kai) = en | καταγγέλλουσιν (katangellousin) = verkondigen | ἔθη (ethe) = gebruiken | ἃ (ha) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = is toegestaan | ἡμῖν (hemin) = ons | παραδέχεσθαι (paradechesthai) = aan te nemen | οὐδὲ (oude) = noch | ποιεῖν (poiein) = uit te voeren | Ῥωμαίοις (Rhomaiois) = Romeinen | οὖσιν (ousin) = zijnde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθος (ethos), ‘gebruik’: zie 15:1. Ῥωμαῖος (Romaios), ‘Romein’: iemand met Romeins burgerrecht. In een kolonie als Filippi werd daar veel waarde aan gehecht. Voetnoot : Zie ook Hand. 15:1. Zie ook: Hand 15:1 **16:22** De menigte stond samen tegen hen op. De stadsbestuurders scheurden hun kleren af en gaven opdracht hen met roeden te slaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | συνεπέστη (synepeste) = stond samen op | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | στρατηγοὶ (strategoi) = stadsbestuurders | περιρήξαντες (perirexantes) = afgescheurd hebbend | αὐτῶν (auton) = hun | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | ἐκέλευον (ekeleuon) = bevalen | ῥαβδίζειν (rhabdizein) = met roeden te slaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: περιρήγνυμι (perirhegnymi), ‘afscheuren’: de kleren van hun lichaam rukken. ῥαβδίζω (rhabdizo), ‘met roeden slaan’: een Romeinse straf. Paulus noemt dit later zelf (2 Kor. 11:25; 1 Tess. 2:2). Zie ook: 1 Tess 2:2; 2 Kor 11:25 **16:23** Nadat zij hun veel slagen hadden gegeven, wierpen zij hen in de gevangenis en droegen de cipier op hen veilig te bewaken. Brontekst: πολλάς (pollas) = veel | τε (te) = en | ἐπιθέντες (epithentes) = opgelegd hebbend | αὐτοῖς (autois) = hun | πληγὰς (plegas) = slagen | ἔβαλον (ebalon) = wierpen | εἰς (eis) = in | φυλακήν (phylaken) = gevangenis | παραγγείλαντες (parangeilantes) = opdracht gegeven hebbend | τῷ (to) = aan de | δεσμοφύλακι (desmophylaki) = cipier | ἀσφαλῶς (asphalos) = veilig | τηρεῖν (terein) = te bewaken | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δεσμοφύλαξ (desmofylax), ‘cipier’: wie de gevangenen bewaakt. πληγή (plege), ‘slag’: wat een striem achterlaat. Opnieuw: de stadsbestuurders geven opdracht, de cipier moet bewaken. **16:24** Nadat hij een opdracht als deze had gekregen, wierp hij hen in de binnenste gevangenis en zette hun voeten vast in het blok. Brontekst: ὃς (hos) = die | παραγγελίαν (parangelian) = opdracht | τοιαύτην (toiauten) = zo’n | λαβὼν (labon) = ontvangen hebbend | ἔβαλεν (ebalen) = wierp | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἐσωτέραν (esoteran) = binnenste | φυλακὴν (phylaken) = gevangenis | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | ἠσφαλίσατο (esphalisato) = zette vast | αὐτῶν (auton) = hun | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | ξύλον (xylon) = blok Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξύλον (xylon), ‘blok’: letterlijk ‘hout’. Hier een houten blok waarin de voeten gevangen zaten. ἐσωτέρα φυλακή (esotera fylake), ‘binnenste gevangenis’: het deel dat het verst van de buitenwereld ligt. ### De aardbeving en de cipier **16:25** Rond middernacht baden Paulus en Silas en zongen lofzangen voor Elohim. De gevangenen luisterden naar hen. Brontekst: Κατὰ (Kata) = rond | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = de | μεσονύκτιον (mesonyktion) = middernacht | Παῦλος (Paulos) = Paulus | καὶ (kai) = en | Σιλᾶς (Silas) = Silas | προσευχόμενοι (proseuchomenoi) = biddend | ὕμνουν (hymnoun) = zongen lofzangen voor | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἐπηκροῶντο (epekroonto) = luisterden | δὲ (de) = nu | αὐτῶν (auton) = naar hen | οἱ (hoi) = de | δέσμιοι (desmioi) = gevangenen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μεσονύκτιον (mesonyktion), ‘middernacht’. ὑμνέω (hymneo), ‘een lofzang zingen’. ἐπακροάομαι (epakroaomai), ‘luisteren’: aandachtig luisteren, in het Nieuwe Testament alleen hier. **16:26** Plotseling kwam er een grote aardbeving, zodat de fundamenten van de gevangenis wankelden. Meteen werden alle deuren geopend en raakten de boeien van allen los. Brontekst: ἄφνω (aphno) = plotseling | δὲ (de) = nu | σεισμὸς (seismos) = aardbeving | ἐγένετο (egeneto) = kwam | μέγας (megas) = grote | ὥστε (hoste) = zodat | σαλευθῆναι (saleuthenai) = wankelden | τὰ (ta) = de | θεμέλια (themelia) = fundamenten | τοῦ (tou) = van de | δεσμωτηρίου (desmoteriou) = gevangenis | ἠνεῴχθησαν (eneochthesan) = werden geopend | δὲ (de) = nu | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | αἱ (hai) = de | θύραι (thyrai) = deuren | πᾶσαι (pasai) = alle | καὶ (kai) = en | πάντων (panton) = van allen | τὰ (ta) = de | δεσμὰ (desma) = boeien | ἀνέθη (anethe) = raakten los Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σεισμός (seismos), ‘aardbeving’. θεμέλιον (themelion), ‘fundament’. δεσμά (desma), ‘boeien’: wat iemand vastbindt. **16:27** De cipier werd wakker en zag dat de deuren van de gevangenis open waren. Hij trok zijn zwaard en stond op het punt zichzelf te doden, omdat hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren. Brontekst: ἔξυπνος (exypnos) = wakker | δὲ (de) = nu | γενόμενος (genomenos) = geworden | ὁ (ho) = de | δεσμοφύλαξ (desmophylax) = cipier | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = gezien hebbend | ἀνεῳγμένας (aneogmenas) = geopend | τὰς (tas) = de | θύρας (thyras) = deuren | τῆς (tes) = van de | φυλακῆς (phylakes) = gevangenis | σπασάμενος (spasamenos) = getrokken hebbend | τὴν (ten) = het | μάχαιραν (machairan) = zwaard | ἤμελλεν (emellen) = stond op het punt | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ἀναιρεῖν (anairein) = te doden | νομίζων (nomizon) = denkend | ἐκπεφευγέναι (ekpepheugenai) = ontsnapt te zijn | τοὺς (tous) = de | δεσμίους (desmious) = gevangenen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De cipier stond verantwoordelijk voor de gevangenen. De tekst zegt niet waarom hij zichzelf wilde doden; het ligt voor de hand dat hij een straf vreesde. **16:28** Paulus riep met luide stem: „Doe jezelf geen kwaad, want wij zijn allemaal hier.” Brontekst: ἐφώνησεν (ephonesen) = riep | δὲ (de) = nu | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = grote | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | λέγων (legon) = zeggend | Μηδὲν (Meden) = niets | πράξῃς (praxes) = doe | σεαυτῷ (seauto) = jezelf | κακόν (kakon) = kwaads | ἅπαντες (hapantes) = allen | γάρ (gar) = want | ἐσμεν (esmen) = zijn wij | ἐνθάδε (enthade) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Paulus roept in het donker. De tekst zegt niet hoe hij wist wat de cipier van plan was. **16:29** Hij vroeg om licht, sprong naar binnen, en bevend viel hij neer voor Paulus en Silas. Brontekst: αἰτήσας (aitesas) = gevraagd hebbend | δὲ (de) = nu | φῶτα (phota) = licht | εἰσεπήδησεν (eisepedesen) = sprong naar binnen | καὶ (kai) = en | ἔντρομος (entromos) = bevend | γενόμενος (genomenos) = geworden | προσέπεσεν (prosepesen) = viel neer | τῷ (to) = voor | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = voor | Σιλᾷ (Sila) = Silas Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φῶτα (fota), ‘lichten’: in het meervoud; waarschijnlijk fakkels of lampen. ἔντρομος (entromos), ‘bevend’. προσπίπτω (prospipto), ‘neervallen’. **16:30** Hij leidde hen naar buiten en zei: „Heren, wat moet ik doen om gered te worden?” Brontekst: καὶ (kai) = en | προαγαγὼν (proagagon) = naar buiten geleid hebbend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔξω (exo) = buiten | ἔφη (ephe) = zei | Κύριοι (Kyrioi) = heren | τί (ti) = wat | με (me) = mij | δεῖ (dei) = het nodig is | ποιεῖν (poiein) = te doen | ἵνα (hina) = opdat | σωθῶ (sotho) = ik gered word Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριοι (kyrioi), ‘heren’: een beleefde aanspreking. σῴζω (sozo), ‘redden’: wat de cipier bedoelt (gered van straf of gered voor Elohim), zegt de tekst niet. Het antwoord in vers 31 gaat over redding door geloof; vergelijk Mark. 5:34. Voetnoot : Zie ook Mark. 5:34. Zie ook: Mar 5:34; Hand 16:31 **16:31** Zij zeiden: „Geloof in de Heer Yeshua en je zult gered worden, jij en je huis.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | εἶπαν (eipan) = zeiden | Πίστευσον (Pisteuson) = geloof | ἐπὶ (epi) = in | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | σωθήσῃ (sothese) = je zult gered worden | σὺ (sy) = jij | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | οἶκός (oikos) = huis | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘het huis’: de mensen van zijn huishouden. De belofte geldt voor wie gelooft; het volgende vers vertelt dat zij allemaal het woord horen. **16:32** Zij spraken het woord van de Heer tot hem, samen met allen in zijn huis. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλάλησαν (elalesan) = spraken | αὐτῷ (auto) = tot hem | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | σὺν (syn) = samen met | πᾶσι (pasi) = allen | τοῖς (tois) = die | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘het woord van de Heer’ (τοῦ κυρίου); zie 13:44. Hier gaat het om de boodschap over Yeshua. Voetnoot : Zie ook Hand. 13:44. Zie ook: Hand 13:44 **16:33** Op datzelfde uur van de nacht nam hij hen mee en wies hun striemen. Meteen werd hij gedoopt, hij en al de zijnen. Brontekst: καὶ (kai) = en | παραλαβὼν (paralabon) = meegenomen hebbend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | τῆς (tes) = van de | νυκτὸς (nyktos) = nacht | ἔλουσεν (elousen) = wies hij | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | πληγῶν (plegon) = striemen | καὶ (kai) = en | ἐβαπτίσθη (ebaptisthe) = werd gedoopt | αὐτὸς (autos) = hij | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | αὐτοῦ (autou) = zijnen | πάντες (pantes) = allen | παραχρῆμα (parachrema) = meteen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔλουσεν ἀπὸ τῶν πληγῶν (elousen apo ton plegon), ‘hij waste hen van de slagen’: hij reinigde hun wonden. ἐβαπτίσθη (ebaptisthe), ‘werd gedoopt’: zoals Lydia en haar huis (vers 15). Voetnoot : Zie ook Hand. 16:15. Zie ook: Hand 16:15 **16:34** Hij bracht hen naar boven in zijn huis en zette hun een maaltijd voor. Met heel zijn huis jubelde hij, omdat hij in Elohim geloofde. Brontekst: ἀναγαγών (anagagon) = naar boven geleid hebbend | τε (te) = en | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | παρέθηκεν (paretheken) = zette voor | τράπεζαν (trapezan) = maaltijd | καὶ (kai) = en | ἠγαλλιάσατο (egalliasato) = jubelde | πανοικεὶ (panoikei) = met heel zijn huis | πεπιστευκὼς (pepisteukos) = geloofd hebbend | τῷ (to) = in | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρατίθημι τράπεζαν (paratithemi trapezan), ‘een tafel voorzetten’: een maaltijd aanbieden. ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘jubelen’: zoals in Luc. 1:47. πανοικεί (panoikei), ‘met heel zijn huis’. Voetnoot : Zie ook Luc. 1:47. Zie ook: Luc 1:47 ### Paulus en Silas worden vrijgelaten **16:35** Toen het dag werd, zonden de stadsbestuurders de gerechtsdienaars met de boodschap: „Laat die mensen gaan.” Brontekst: Ἡμέρας (Hemeras) = dag | δὲ (de) = nu | γενομένης (genomenes) = geworden | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | οἱ (hoi) = de | στρατηγοὶ (strategoi) = stadsbestuurders | τοὺς (tous) = de | ῥαβδούχους (rhabdouchous) = gerechtsdienaars | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἀπόλυσον (Apolyson) = laat gaan | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ἐκείνους (ekeinous) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥαβδοῦχος (rhabdouchos), ‘gerechtsdienaar’: letterlijk ‘roededrager’; de dienaren van de stadsbestuurders, die de roeden droegen. Wat de stadsbestuurders bewoog, zegt de tekst niet. **16:36** De cipier meldde deze woorden aan Paulus: „De stadsbestuurders hebben bericht gezonden dat jullie vrijgelaten moeten worden. Ga nu dus weg en reis in vrede.” Brontekst: ἀπήγγειλεν (apengeilen) = meldde | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | δεσμοφύλαξ (desmophylax) = cipier | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | πρὸς (pros) = aan | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ὅτι (hoti) = dat | Ἀπέσταλκαν (Apestalkan) = hebben gezonden | οἱ (hoi) = de | στρατηγοὶ (strategoi) = stadsbestuurders | ἵνα (hina) = opdat | ἀπολυθῆτε (apolythete) = jullie vrijgelaten worden | νῦν (nyn) = nu | οὖν (oun) = dus | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | πορεύεσθε (poreuesthe) = reis | ἐν (en) = in | εἰρήνῃ (eirene) = vrede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘zij hebben gezonden’ (ἀπέσταλκαν) zonder object; wij vullen ‘bericht’ aan, omdat het Nederlands er een zin van moet maken. **16:37** Maar Paulus zei tegen hen: „Zij hebben ons, mensen die Romeinen zijn, zonder vonnis in het openbaar geslagen en in de gevangenis geworpen. Jagen zij ons nu in het geheim weg? Nee, laten zij zelf komen en ons naar buiten leiden.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἔφη (ephe) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Δείραντες (Deirantes) = geslagen hebbend | ἡμᾶς (hemas) = ons | δημοσίᾳ (demosia) = in het openbaar | ἀκατακρίτους (akatakritous) = onveroordeelde | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | Ῥωμαίους (Rhomaious) = Romeinse | ὑπάρχοντας (hyparchontas) = zijnde | ἔβαλαν (ebalan) = wierpen | εἰς (eis) = in | φυλακήν (phylaken) = gevangenis | καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | λάθρᾳ (lathra) = in het geheim | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἐκβάλλουσιν (ekballousin) = jagen zij weg | οὐ (ou) = niet | γάρ (gar) = want | ἀλλὰ (alla) = maar | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | αὐτοὶ (autoi) = zelf | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἐξαγαγέτωσαν (exagagetosan) = laten zij naar buiten leiden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ῥωμαῖος (Romaios), ‘Romein’: een Romeinse burger mocht niet zonder vonnis worden geslagen of gevangengezet. Paulus zegt dit pas nu. ἐκβάλλω (ekballo), ‘wegjagen’: letterlijk ‘naar buiten werpen’. De tekst zegt niet waarom hij het eerder niet zei. οὐ γάρ (ou gar), letterlijk ‘nee, want’: een sterke weigering. **16:38** De gerechtsdienaars meldden deze woorden aan de stadsbestuurders. Zij werden bang toen zij hoorden dat het Romeinen waren. Brontekst: ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | δὲ (de) = nu | τοῖς (tois) = aan de | στρατηγοῖς (strategois) = stadsbestuurders | οἱ (hoi) = de | ῥαβδοῦχοι (rhabdouchoi) = gerechtsdienaars | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ταῦτα (tauta) = deze | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang | δὲ (de) = nu | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ὅτι (hoti) = dat | Ῥωμαῖοί (Rhomaioi) = Romeinen | εἰσιν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φοβέομαι (fobeomai), ‘bang zijn’. De stadsbestuurders schrikken: zij hadden Romeinen mishandeld. **16:39** Zij kwamen, smeekten hen, leidden hen naar buiten en vroegen hen de stad te verlaten. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | παρεκάλεσαν (parekalesan) = smeekten | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἐξαγαγόντες (exagagontes) = naar buiten geleid hebbend | ἠρώτων (eroton) = vroegen | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρακαλέω (parakaleo), ‘smeken’: hier het smeken, niet het bemoedigen. ἐρωτάω (erotao), ‘vragen’. **16:40** Uit de gevangenis gekomen gingen zij naar Lydia. Toen zij de broers gezien hadden, bemoedigden zij hen en vertrokken. Brontekst: ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | δὲ (de) = nu | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | φυλακῆς (phylakes) = gevangenis | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | πρὸς (pros) = bij | τὴν (ten) = de | Λυδίαν (Lydian) = Lydia | καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | παρεκάλεσαν (parekalesan) = bemoedigden | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθαν (exelthan) = vertrokken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: hier een ander gebruik dan in vers 39. Lydia heeft dus een huis in Filippi waar de broers samenkomen; meer zegt de tekst niet. Het ‘wij’ van de verzen 10–17 staat hier niet meer: Lucas noemt alleen Paulus en Silas. Zie ook: Hand 16:39 ## Handelingen 17 _Tessalonica, Beroea, Athene en de rede op de Areopaag_ ### Paulus en Silas in Tessalonica **17:1** Zij reisden door Amfipolis en Apollonia en kwamen in Tessalonica. Daar was een synagoge van de Joden. Brontekst: Διοδεύσαντες (Diodeusantes) = doorgereisd zijnde | δὲ (de) = nu | τὴν (ten) = de | Ἀμφίπολιν (Amphipolin) = Amfipolis | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | Ἀπολλωνίαν (Apollonian) = Apollonia | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = naar | Θεσσαλονίκην (Thessaloniken) = Tessalonica | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | συναγωγὴ (synagoge) = synagoge | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Amfipolis (ligging ongeveer): Amfipolis lag aan de rivier de Strymon in Macedonië, aan de Via Egnatia tussen Filippi en Tessalonica. Zie Apollonia (ligging onzeker): Apollonia lag in Macedonië, aan de weg tussen Amfipolis en Tessalonica. De precieze ligging is onzeker; dit punt is bij benadering. Zie Tessalonica (nu Thessaloniki): Tessalonica was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië, aan de Thermaïsche Golf in het noorden van Griekenland. De stad heet nu Thessaloniki. Zij lag aan de grote weg van oost naar west, de Via Egnatia. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen onderwerp, alleen een werkwoord in het meervoud (‘zij reisden door’). Uit vers 4 blijkt dat het om Paulus en Silas gaat. Zie ook: Hand 17:4 **17:2** Zoals hij gewend was, ging Paulus bij hen naar binnen. Op drie sabbatten sprak hij met hen vanuit de Schriften. Brontekst: κατὰ (kata) = volgens | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = het | εἰωθὸς (eiothos) = gebruikelijke | τῷ (to) = voor de | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | πρὸς (pros) = bij | αὐτοὺς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = gedurende | σάββατα (sabbata) = sabbatten | τρία (tria) = drie | διελέξατο (dielexato) = sprak | αὐτοῖς (autois) = met hen | ἀπὸ (apo) = vanuit | τῶν (ton) = de | γραφῶν (graphon) = Schriften Bron: SBLGNT **17:3** Hij opende ze en toonde aan dat de Messias moest lijden en uit de doden moest opstaan. Hij zei: „Deze Yeshua, die ik jullie verkondig, is de Messias.” Brontekst: διανοίγων (dianoigon) = openend | καὶ (kai) = en | παρατιθέμενος (paratithemenos) = voorleggend | ὅτι (hoti) = dat | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | ἔδει (edei) = moest | παθεῖν (pathein) = lijden | καὶ (kai) = en | ἀναστῆναι (anastenai) = opstaan | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὃν (hon) = die | ἐγὼ (ego) = ik | καταγγέλλω (katangello) = verkondig | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διανοίγων (dianoigon), ‘openen’: zoals in Luc. 24:32. Het Grieks noemt niet wat er geopend wordt; het gaat om de Schriften uit vers 2. παρατίθεμαι (paratithemai), ‘aantonen’: letterlijk ‘voorleggen’. χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’; wij vertalen het overal met ‘Messias’. Het Grieks heeft voor de woorden over Yeshua alleen ὅτι (‘dat’); wij zetten ze tussen aanhalingstekens en schrijven ‘Hij zei’. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:26; Luc. 24:46. Zie ook: Luc 24:26; Luc 24:32; Luc 24:46; Hand 17:2 **17:4** Enkelen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich aan bij Paulus en Silas. Dat deden ook een grote menigte godvrezende Grieken en niet weinig van de voornaamste vrouwen. Brontekst: καί (kai) = en | τινες (tines) = sommigen | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἐπείσθησαν (epeisthesan) = lieten zich overtuigen | καὶ (kai) = en | προσεκληρώθησαν (proseklerothesan) = sloten zich aan | τῷ (to) = bij de | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = bij de | Σιλᾷ (Sila) = Silas | τῶν (ton) = van de | τε (te) = ook | σεβομένων (sebomenon) = godvrezende | Ἑλλήνων (Hellenon) = Grieken | πλῆθος (plethos) = menigte | πολὺ (poly) = grote | γυναικῶν (gynaikon) = vrouwen | τε (te) = en | τῶν (ton) = van de | πρώτων (proton) = voornaamsten | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγαι (oligai) = weinige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σεβόμενοι (sebomenoi), ‘godvrezenden’: niet-Joden die Elohim van Israël vereerden en de synagoge bezochten, zonder helemaal tot het volk Israël toe te treden. Wij vertalen σεβόμενοι en φοβούμενοι τὸν θεόν (‘die Elohim vrezen’) overal met ‘godvrezenden’. προσκληρόω (proskleroo), ‘zich aansluiten’: letterlijk ‘toegewezen worden’. πρῶτοι (protoi), ‘voornaamsten’: de vrouwen uit de eerste kringen van de stad. ### De onrust die de Joden veroorzaken **17:5** Maar de Joden werden jaloers. Zij haalden enkele slechte mannen van de markt erbij, veroorzaakten een oploop en brachten de stad in onrust. Zij kwamen bij het huis van Jason en zochten hen om hen voor de volksvergadering te brengen. Brontekst: ζηλώσαντες (zelosantes) = jaloers geworden | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | προσλαβόμενοι (proslabomenoi) = erbij genomen hebbend | τῶν (ton) = van de | ἀγοραίων (agoraion) = marktlopers | ἄνδρας (andras) = mannen | τινὰς (tinas) = enkele | πονηροὺς (ponerous) = slechte | καὶ (kai) = en | ὀχλοποιήσαντες (ochlopoiesantes) = een oploop veroorzaakt hebbend | ἐθορύβουν (ethoryboun) = brachten in onrust | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | ἐπιστάντες (epistantes) = voor gekomen | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | Ἰάσονος (Iasonos) = van Jason | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | αὐτοὺς (autous) = hen | προαγαγεῖν (proagagein) = naar voren te brengen | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | δῆμον (demon) = volksvergadering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγοραῖος (agoraios), ‘iemand van de markt’. δῆμος (demos), ‘volksvergadering’: de vergadering van de burgers van de stad. Wij schrijven overal ‘volksvergadering’ (ook 19:30 en 19:33), tegenover ὄχλος (ochlos), ‘menigte’. **17:6** Toen zij hen niet vonden, sleepten zij Jason en enkele broers mee naar de stadsoversten. Zij riepen: „Deze mensen, die de bewoonde wereld op zijn kop hebben gezet, zijn nu ook hier, Brontekst: μὴ (me) = niet | εὑρόντες (heurontes) = gevonden hebbend | δὲ (de) = nu | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔσυρον (esyron) = sleepten | Ἰάσονα (Iasona) = Jason | καί (kai) = en | τινας (tinas) = enkele | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ἐπὶ (epi) = naar | τοὺς (tous) = de | πολιτάρχας (politarchas) = stadsoversten | βοῶντες (boontes) = roepend | ὅτι (hoti) = dat | Οἱ (Hoi) = zij die | τὴν (ten) = de | οἰκουμένην (oikoumenen) = bewoonde wereld | ἀναστατώσαντες (anastatosantes) = op zijn kop hebben gezet | οὗτοι (houtoi) = deze | καὶ (kai) = ook | ἐνθάδε (enthade) = hier | πάρεισιν (pareisin) = zijn gekomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πολιτάρχης (politarches), ‘stadsoverste’: de titel van de bestuurders van Tessalonica. Wij onderscheiden hem van στρατηγός (strategos), ‘stadsbestuurder’, zoals in Filippi (Hand. 16:20). ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: zo noemen de gelovigen elkaar. οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: zie Luc. 2:1. ἀναστατόω (anastatoo), ‘op zijn kop zetten’: letterlijk ‘doen opstaan’, in beroering brengen. Zie ook: Luc 2:1; Hand 16:20 **17:7** en Jason heeft hen ontvangen. Zij handelen allemaal tegen de bevelen van de keizer en zeggen dat er een andere koning is: Yeshua.” Brontekst: οὓς (hous) = wie | ὑποδέδεκται (hypodedektai) = heeft ontvangen | Ἰάσων (Iason) = Jason | καὶ (kai) = en | οὗτοι (houtoi) = deze | πάντες (pantes) = allen | ἀπέναντι (apenanti) = tegen | τῶν (ton) = de | δογμάτων (dogmaton) = bevelen | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer | πράσσουσι (prassousi) = handelen | βασιλέα (basilea) = koning | ἕτερον (heteron) = een andere | λέγοντες (legontes) = zeggend | εἶναι (einai) = dat er is | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόγμα (dogma), ‘bevel’: zie Luc. 2:1. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: zie Matt. 22:17. Dat Yeshua ‘koning’ wordt genoemd, doet denken aan de aanklacht tegen Hem zelf. Voetnoot : Zie ook Luc. 23:2; Joh. 19:12. Zie ook: Mat 22:17; Luc 2:1; Luc 23:2; Joh 19:12 **17:8** Zo brachten zij de menigte en de stadsoversten, die dit hoorden, in verwarring. Brontekst: ἐτάραξαν (etaraxan) = brachten in verwarring | δὲ (de) = nu | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πολιτάρχας (politarchas) = stadsoversten | ἀκούοντας (akouontas) = die hoorden | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT **17:9** Zij namen van Jason en de anderen een borgsom aan en lieten hen gaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβόντες (labontes) = genomen hebbend | τὸ (to) = het | ἱκανὸν (hikanon) = voldoende | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | Ἰάσονος (Iasonos) = Jason | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | λοιπῶν (loipon) = anderen | ἀπέλυσαν (apelysan) = lieten gaan | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸ ἱκανόν (to hikanon), letterlijk ‘het voldoende’: een borgsom of zekerheid dat Jason geen onrust zou laten ontstaan. Wat de zekerheid precies was, zegt de tekst niet. ### Paulus en Silas in Beroea **17:10** De broers stuurden Paulus en Silas meteen in de nacht weg naar Beroea. Toen zij daar aankwamen, gingen zij naar de synagoge van de Joden. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | δὲ (de) = nu | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | εὐθέως (eutheos) = meteen | διὰ (dia) = door | νυκτὸς (nyktos) = de nacht | ἐξέπεμψαν (exepempsan) = stuurden weg | τόν (ton) = de | τε (te) = zowel | Παῦλον (Paulon) = Paulus | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Σιλᾶν (Silan) = Silas | εἰς (eis) = naar | Βέροιαν (Beroian) = Beroea | οἵτινες (hoitines) = die | παραγενόμενοι (paragenomenoi) = aangekomen | εἰς (eis) = bij | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἀπῄεσαν (apeesan) = gingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Beroea (nu Veria): Beroea lag in het zuidwesten van Macedonië, ten westen van Tessalonica. De stad heet nu Veria. **17:11** Zij waren edeler dan zij in Tessalonica. Zij ontvingen het woord met alle bereidheid en onderzochten elke dag de Schriften om te zien of dit zo was. Brontekst: οὗτοι (houtoi) = deze | δὲ (de) = nu | ἦσαν (esan) = waren | εὐγενέστεροι (eugenesteroi) = edeler | τῶν (ton) = dan zij | ἐν (en) = in | Θεσσαλονίκῃ (Thessalonike) = Tessalonica | οἵτινες (hoitines) = die | ἐδέξαντο (edexanto) = ontvingen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | μετὰ (meta) = met | πάσης (pases) = alle | προθυμίας (prothymias) = bereidheid | τὸ (to) = het | καθ’ (kath’) = per | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἀνακρίνοντες (anakrinontes) = onderzoekend | τὰς (tas) = de | γραφὰς (graphas) = Schriften | εἰ (ei) = of | ἔχοι (echoi) = het zo zou zijn | ταῦτα (tauta) = deze dingen | οὕτως (houtos) = zo Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tessalonica (nu Thessaloniki): Tessalonica was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië, aan de Thermaïsche Golf in het noorden van Griekenland. De stad heet nu Thessaloniki. Zij lag aan de grote weg van oost naar west, de Via Egnatia. Voetnoot Uitleg: εὐγενής (eugenes), ‘edel’: letterlijk ‘van goede afkomst’; hier gaat het om hun houding. ἀνακρίνω (anakrino), ‘onderzoeken’: nauwkeurig nagaan, zoals een rechter doet. **17:12** Velen van hen geloofden dus, en ook niet weinigen van de Griekse vrouwen van aanzien en van de mannen. Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | μὲν (men) = immers | οὖν (oun) = dus | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van de | Ἑλληνίδων (Hellenidon) = Griekse | γυναικῶν (gynaikon) = vrouwen | τῶν (ton) = de | εὐσχημόνων (euschemonon) = voorname | καὶ (kai) = en | ἀνδρῶν (andron) = mannen | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγοι (oligoi) = weinigen Bron: SBLGNT **17:13** Toen de Joden uit Tessalonica merkten dat het woord van Elohim ook in Beroea door Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar. Zij hitsten de menigten op en brachten ze in verwarring. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἔγνωσαν (egnosan) = wisten | οἱ (hoi) = de | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Θεσσαλονίκης (Thessalonikes) = Tessalonica | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = ook | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Βεροίᾳ (Beroia) = Beroea | κατηγγέλη (katengele) = verkondigd werd | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἦλθον (elthon) = kwamen | κἀκεῖ (kakei) = ook daar | σαλεύοντες (saleuontes) = ophitsend | καὶ (kai) = en | ταράσσοντες (tarassontes) = in verwarring brengend | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tessalonica (nu Thessaloniki): Tessalonica was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië, aan de Thermaïsche Golf in het noorden van Griekenland. De stad heet nu Thessaloniki. Zij lag aan de grote weg van oost naar west, de Via Egnatia. Zie Beroea (nu Veria): Beroea lag in het zuidwesten van Macedonië, ten westen van Tessalonica. De stad heet nu Veria. **17:14** Toen zonden de broers Paulus meteen weg, zodat hij tot aan de zee zou gaan. Silas en Timoteüs bleven daar achter. Brontekst: εὐθέως (eutheos) = meteen | δὲ (de) = nu | τότε (tote) = toen | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἐξαπέστειλαν (exapesteilan) = zonden weg | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | πορεύεσθαι (poreuesthai) = om te gaan | ἕως (heos) = tot | ἐπὶ (epi) = aan | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | ὑπέμεινάν (hypemeinan) = bleven achter | τε (te) = en | ὅ (ho) = de | τε (te) = zowel | Σιλᾶς (Silas) = Silas | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Τιμόθεος (Timotheos) = Timoteüs | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT ### Paulus in Athene **17:15** Zij die Paulus begeleidden, brachten hem tot in Athene. Zij kregen de opdracht mee voor Silas en Timoteüs dat die zo snel mogelijk naar hem toe moesten komen. Daarna vertrokken zij. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = nu | καθιστάνοντες (kathistanontes) = die begeleidden | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἤγαγον (egagon) = brachten | ἕως (heos) = tot | Ἀθηνῶν (Athenon) = Athene | καὶ (kai) = en | λαβόντες (labontes) = ontvangen hebbend | ἐντολὴν (entolen) = opdracht | πρὸς (pros) = voor | τὸν (ton) = de | Σιλᾶν (Silan) = Silas | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Τιμόθεον (Timotheon) = Timoteüs | ἵνα (hina) = opdat | ὡς (hos) = zo | τάχιστα (tachista) = snel mogelijk | ἔλθωσιν (elthosin) = zij zouden komen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | ἐξῄεσαν (exeesan) = vertrokken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Athene: Athene was de grote cultuurstad van Griekenland, in de Romeinse provincie Achaje. **17:16** Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, werd zijn geest in hem verontwaardigd toen hij de stad vol afgodsbeelden zag. Brontekst: Ἐν (En) = in | δὲ (de) = nu | ταῖς (tais) = de | Ἀθήναις (Athenais) = Athene | ἐκδεχομένου (ekdechomenou) = wachtend op | αὐτοὺς (autous) = hen | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus | παρωξύνετο (paroxyneto) = werd verontwaardigd | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | θεωροῦντος (theorountos) = ziend | κατείδωλον (kateidolon) = vol afgodsbeelden | οὖσαν (ousan) = zijnde | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Athene: Athene was de grote cultuurstad van Griekenland, in de Romeinse provincie Achaje. Voetnoot Uitleg: παροξύνω (paroxyno), ‘verontwaardigd worden’: letterlijk ‘geprikkeld worden’. κατείδωλος (kateidolos), ‘vol afgodsbeelden’: een zeldzaam woord. **17:17** Hij sprak dus in de synagoge met de Joden en de godvrezenden, en elke dag op de markt met wie er toevallig waren. Brontekst: διελέγετο (dielegeto) = sprak | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | τοῖς (tois) = met de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = met de | σεβομένοις (sebomenois) = godvrezenden | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἀγορᾷ (agora) = markt | κατὰ (kata) = elke | πᾶσαν (pasan) = hele | ἡμέραν (hemeran) = dag | πρὸς (pros) = met | τοὺς (tous) = degenen | παρατυγχάνοντας (paratynchanontas) = die toevallig aanwezig waren Bron: SBLGNT **17:18** Ook enkele Epicurische en Stoïsche filosofen gingen met hem in gesprek. Sommigen zeiden: „Wat wil deze praatjesmaker toch zeggen?” Anderen zeiden: „Hij lijkt een verkondiger van vreemde goden te zijn.” Hij bracht namelijk de goede boodschap van Yeshua en de opstanding. Brontekst: τινὲς (tines) = enkelen | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | τῶν (ton) = van de | Ἐπικουρείων (Epikoureion) = Epicurische | καὶ (kai) = en | Στοϊκῶν (Stoikon) = Stoïsche | φιλοσόφων (philosophon) = filosofen | συνέβαλλον (syneballon) = gingen in gesprek | αὐτῷ (auto) = met hem | καί (kai) = en | τινες (tines) = sommigen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Τί (Ti) = wat | ἂν (an) = toch | θέλοι (theloi) = zou willen | ὁ (ho) = de | σπερμολόγος (spermologos) = praatjesmaker | οὗτος (houtos) = deze | λέγειν (legein) = zeggen | οἱ (hoi) = de | δέ (de) = nu | Ξένων (Xenon) = van vreemde | δαιμονίων (daimonion) = goden | δοκεῖ (dokei) = lijkt | καταγγελεὺς (katangeleus) = verkondiger | εἶναι (einai) = te zijn | ὅτι (hoti) = want | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | εὐηγγελίζετο (euengelizeto) = bracht de goede boodschap Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἐπικούρειοι (Epikoureioi), ‘Epicurische’, en Στοϊκοί (Stoikoi), ‘Stoïsche’: twee scholen van Griekse filosofen. σπερμολόγος (spermologos), ‘praatjesmaker’: letterlijk ‘zaadpikker’, een vogel die zaadjes oppikt; hier iemand die losse stukjes kennis oppikt en doorvertelt. δαιμόνιον (daimonion), ‘god’: in de evangeliën vertalen wij het met ‘demon’, maar de Atheners gebruiken het voor goddelijke wezens. De opstanding (ἀνάστασις, anastasis) wordt hier genoemd naast Yeshua. **17:19** Zij namen hem mee en brachten hem naar de Areopaag. Zij zeiden: „Kunnen wij weten wat deze nieuwe leer is waarover jij spreekt? Brontekst: ἐπιλαβόμενοί (epilabomenoi) = aangegrepen hebbend | τε (te) = en | αὐτοῦ (autou) = hem | ἐπὶ (epi) = naar | τὸν (ton) = de | Ἄρειον (Areion) = van Ares | Πάγον (Pagon) = heuvel | ἤγαγον (egagon) = brachten | λέγοντες (legontes) = zeggend | Δυνάμεθα (Dynametha) = kunnen wij | γνῶναι (gnonai) = weten | τίς (tis) = wat | ἡ (he) = de | καινὴ (kaine) = nieuwe | αὕτη (haute) = deze | ἡ (he) = de | ὑπὸ (hypo) = door | σοῦ (sou) = jou | λαλουμένη (laloumene) = gesproken wordt | διδαχή (didache) = leer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Areopaag (Athene; ligging ongeveer): De Areopaag is de rotsheuvel van Ares, ten westen van de Akropolis in Athene. De naam wordt ook gebruikt voor de raad die er bijeenkwam. Voetnoot Uitleg: Ἄρειος Πάγος (Areios Pagos), ‘Areopaag’: letterlijk ‘heuvel van Ares’. Het was een heuvel in Athene en ook de naam van de raad die daar bijeenkwam. Het Grieks laat open of Paulus naar de heuvel of naar de raad wordt gebracht. διδαχή (didache), ‘leer’. **17:20** Je laat ons immers vreemde dingen horen. Wij willen dus weten wat dit moet betekenen.” Brontekst: ξενίζοντα (xenizonta) = vreemde | γάρ (gar) = want | τινα (tina) = dingen | εἰσφέρεις (eisphereis) = breng je | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἀκοὰς (akoas) = oren | ἡμῶν (hemon) = van ons | βουλόμεθα (boulometha) = willen wij | οὖν (oun) = dus | γνῶναι (gnonai) = weten | τίνα (tina) = wat | θέλει (thelei) = wil | ταῦτα (tauta) = deze dingen | εἶναι (einai) = zijn Bron: SBLGNT **17:21** Alle Atheners en de vreemdelingen die daar verbleven, hadden voor niets anders tijd dan om iets nieuws te zeggen of te horen. Brontekst: Ἀθηναῖοι (Athenaioi) = Atheners | δὲ (de) = nu | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἐπιδημοῦντες (epidemountes) = verblijvende | ξένοι (xenoi) = vreemdelingen | εἰς (eis) = voor | οὐδὲν (ouden) = niets | ἕτερον (heteron) = anders | ηὐκαίρουν (eykairoun) = hadden tijd | ἢ (e) = dan | λέγειν (legein) = te zeggen | τι (ti) = iets | ἢ (e) = of | ἀκούειν (akouein) = te horen | τι (ti) = iets | καινότερον (kainoteron) = nieuwers Bron: SBLGNT ### De rede op de Areopaag **17:22** Paulus ging midden op de Areopaag staan en zei: „Mannen van Athene, ik zie dat jullie in alle opzichten zeer godsdienstig zijn. Brontekst: Σταθεὶς (Statheis) = gaan staan zijnde | δὲ (de) = nu | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = het midden | τοῦ (tou) = van de | Ἀρείου (Areiou) = van Ares | Πάγου (Pagou) = heuvel | ἔφη (ephe) = zei | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἀθηναῖοι (Athenaioi) = Atheners | κατὰ (kata) = in | πάντα (panta) = alle opzichten | ὡς (hos) = als | δεισιδαιμονεστέρους (deisidaimonesterous) = zeer godsdienstigen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | θεωρῶ (theoro) = zie ik Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Areopaag (Athene; ligging ongeveer): De Areopaag is de rotsheuvel van Ares, ten westen van de Akropolis in Athene. De naam wordt ook gebruikt voor de raad die er bijeenkwam. Zie Athene: Athene was de grote cultuurstad van Griekenland, in de Romeinse provincie Achaje. Voetnoot Uitleg: δεισιδαιμονέστερος (deisidaimonesteros), ‘zeer godsdienstig’: letterlijk ‘bevreesd voor goddelijke machten’. Het woord kan lof of verwijt zijn; de tekst zegt niet welke van de twee Paulus bedoelt. **17:23** Want toen ik rondging en de voorwerpen van jullie verering bekeek, vond ik ook een altaar met het opschrift: ‘Aan een onbekende god’. Wat jullie dus vereren zonder het te kennen, dat verkondig ik jullie. Brontekst: διερχόμενος (dierchomenos) = doorgaand | γὰρ (gar) = want | καὶ (kai) = en | ἀναθεωρῶν (anatheoron) = bekijkend | τὰ (ta) = de | σεβάσματα (sebasmata) = voorwerpen van verering | ὑμῶν (hymon) = van jullie | εὗρον (heuron) = vond ik | καὶ (kai) = ook | βωμὸν (bomon) = altaar | ἐν (en) = op | ᾧ (ho) = welke | ἐπεγέγραπτο (epegegrapto) = was geschreven | Ἀγνώστῳ (Agnosto) = aan een onbekende | θεῷ (theo) = god | ὃ (ho) = wat | οὖν (oun) = dus | ἀγνοοῦντες (agnoountes) = niet wetend | εὐσεβεῖτε (eusebeite) = vereren jullie | τοῦτο (touto) = dit | ἐγὼ (ego) = ik | καταγγέλλω (katangello) = verkondig | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σεβάσματα (sebasmata), ‘voorwerpen van verering’: de beelden en altaren die zij vereerden. Het opschrift heeft θεῷ (theo), ‘god’, zonder lidwoord; wij schrijven kleine letter, omdat de Atheners geen bepaalde god bedoelen. καταγγέλλω (katangello), ‘verkondigen’: hier en in 17:3 en 17:13; ook κηρύσσω (kerysso) vertalen wij met ‘verkondigen’. **17:24** Elohim, die de wereld en alles daarin gemaakt heeft, Hij, de Heer van hemel en aarde, woont niet in heiligdommen die met handen gemaakt zijn. Brontekst: ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ὁ (ho) = die | ποιήσας (poiesas) = gemaakt heeft | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = haar | οὗτος (houtos) = Hij | οὐρανοῦ (ouranou) = van hemel | καὶ (kai) = en | γῆς (ges) = aarde | ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | κύριος (kyrios) = Heer | οὐκ (ouk) = niet | ἐν (en) = in | χειροποιήτοις (cheiropoietois) = met handen gemaakte | ναοῖς (naois) = heiligdommen | κατοικεῖ (katoikei) = woont Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier als titel van Elohim, zoals in Matt. 11:25 en Luc. 10:21. ναός (naos), ‘heiligdom’: zie het gebed van Salomo in 1 Kon. 8:27 en Jes. 66:1–2 (‘Welk huis zouden jullie voor Mij bouwen?’). Voetnoot : Vergelijk Gen. 14:19; 14:22: ‘El, de Allerhoogste, de bezitter van hemel en aarde’. Zie ook: Gen 14:19; Gen 14:22; 1 Kon 8:27; Jes 66:1–2; Mat 11:25; Luc 10:21 **17:25** Hij wordt ook niet door mensenhanden gediend alsof Hij iets nodig had, want Hijzelf geeft aan allen leven en adem en alles. Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | ὑπὸ (hypo) = door | χειρῶν (cheiron) = handen | ἀνθρωπίνων (anthropinon) = van mensen | θεραπεύεται (therapeuetai) = wordt gediend | προσδεόμενός (prosdeomenos) = nodig hebbend | τινος (tinos) = iets | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | διδοὺς (didous) = gevend | πᾶσι (pasi) = aan allen | ζωὴν (zoen) = leven | καὶ (kai) = en | πνοὴν (pnoen) = adem | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πάντα (panta) = alles Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θεραπεύω (therapeuo), ‘dienen’: ook ‘verzorgen’. Vergelijk Ps. 50:8–12 (Elohim heeft de offers niet nodig) en Jes. 42:5 (Hij geeft adem aan het volk op de aarde). Zie ook: Ps 50:8–12; Jes 42:5 **17:26** Uit één mens heeft Hij elk volk van mensen gemaakt, om te wonen op heel het aardoppervlak. Hij heeft vastgestelde tijden bepaald en ook de grenzen van hun woonplaats, Brontekst: ἐποίησέν (epoiesen) = maakte | τε (te) = en | ἐξ (ex) = uit | ἑνὸς (henos) = één | πᾶν (pan) = elk | ἔθνος (ethnos) = volk | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen | κατοικεῖν (katoikein) = om te wonen | ἐπὶ (epi) = op | παντὸς (pantos) = heel | προσώπου (prosopou) = het oppervlak | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | ὁρίσας (horisas) = bepaald hebbend | προστεταγμένους (prostetagmenous) = vastgestelde | καιροὺς (kairous) = tijden | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | ὁροθεσίας (horothesias) = grenzen | τῆς (tes) = van de | κατοικίας (katoikias) = woonplaats | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft alleen ‘uit één’ (ἐξ ἑνός); wij vullen ‘mens’ aan. Vergelijk Gen. 1:27–28. ὁροθεσία (horothesia), ‘grens’: de grens van een woongebied; vergelijk Deut. 32:8 (‘Hij stelde de grenzen van de volken vast’). καιροί (kairoi), ‘tijden’: de tekst zegt niet of seizoenen of tijdperken van volken bedoeld zijn. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat ‘uit één bloed’ in plaats van ‘uit één’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Gen 1:27–28; Deut 32:8 **17:27** zodat zij Elohim zouden zoeken, of zij Hem misschien tastend zouden vinden. Hij is toch niet ver van ieder van ons. Brontekst: ζητεῖν (zetein) = om te zoeken | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | εἰ (ei) = of | ἄρα (ara) = misschien | γε (ge) = toch | ψηλαφήσειαν (pselapheseian) = zij zouden tasten | αὐτὸν (auton) = naar Hem | καὶ (kai) = en | εὕροιεν (heuroien) = vinden zouden | καί (kai) = en | γε (ge) = toch | οὐ (ou) = niet | μακρὰν (makran) = ver | ἀπὸ (apo) = van | ἑνὸς (henos) = één | ἑκάστου (hekastou) = ieder | ἡμῶν (hemon) = van ons | ὑπάρχοντα (hyparchonta) = zijnde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψηλαφάω (psilafao), ‘tasten’: zoeken met de handen, zoals een blinde; vergelijk Deut. 28:29 (‘zoals een blinde rondtast in het donker’). Zie ook: Deut 28:29 **17:28** Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Zoals ook enkele van jullie dichters gezegd hebben: ‘Want wij zijn ook van Zijn geslacht.’ Brontekst: ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem | γὰρ (gar) = want | ζῶμεν (zomen) = leven wij | καὶ (kai) = en | κινούμεθα (kinoumetha) = bewegen wij | καὶ (kai) = en | ἐσμέν (esmen) = zijn wij | ὡς (hos) = zoals | καί (kai) = ook | τινες (tines) = enkele | τῶν (ton) = van de | καθ’ (kath’) = onder | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ποιητῶν (poieton) = dichters | εἰρήκασιν (eirekasin) = hebben gezegd | Τοῦ (Tou) = van Hem | γὰρ (gar) = want | καὶ (kai) = ook | γένος (genos) = geslacht | ἐσμέν (esmen) = zijn wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Want wij zijn ook van Zijn geslacht’ komt uit het werk van Griekse dichters; Paulus zegt ‘enkele van jullie dichters’ en past de regel toe op Elohim. Welke dichters hij bedoelt, zegt de tekst niet. γένος (genos), ‘geslacht’: ook ‘afstamming’. **17:29** Wij zijn dus een geslacht van Elohim. Daarom mogen wij niet denken dat het goddelijke gelijk is aan goud, zilver of steen, gevormd door kunst en het bedenken van een mens. Brontekst: γένος (genos) = geslacht | οὖν (oun) = dus | ὑπάρχοντες (hyparchontes) = zijnde | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | οὐκ (ouk) = niet | ὀφείλομεν (opheilomen) = behoren wij | νομίζειν (nomizein) = te denken | χρυσῷ (chryso) = aan goud | ἢ (e) = of | ἀργύρῳ (argyro) = zilver | ἢ (e) = of | λίθῳ (litho) = steen | χαράγματι (charagmati) = gevormd | τέχνης (technes) = door kunst | καὶ (kai) = en | ἐνθυμήσεως (enthymeseos) = bedenken | ἀνθρώπου (anthropou) = van een mens | τὸ (to) = het | θεῖον (theion) = goddelijke | εἶναι (einai) = te zijn | ὅμοιον (homoion) = gelijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χάραγμα (charagma), ‘gevormd’: iets dat gegraveerd of gemaakt is, zoals een beeld. θεῖον (theion), ‘het goddelijke’: de goddelijke natuur. **17:30** De tijden van onwetendheid heeft Elohim over het hoofd gezien. Nu gebiedt Hij alle mensen, overal, zich te bekeren. Brontekst: τοὺς (tous) = de | μὲν (men) = immers | οὖν (oun) = dus | χρόνους (chronous) = tijden | τῆς (tes) = van de | ἀγνοίας (agnoias) = onwetendheid | ὑπεριδὼν (hyperidon) = over het hoofd gezien hebbend | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὰ (ta) = het | νῦν (nyn) = nu | παραγγέλλει (parangellei) = gebiedt | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | πάντας (pantas) = allen | πανταχοῦ (pantachou) = overal | μετανοεῖν (metanoein) = zich te bekeren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπεροράω (hyperorao), ‘over het hoofd zien’: letterlijk ‘over iets heen kijken’. μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: zie Matt. 3:2. Voetnoot : Vergelijk Hand. 14:16. Zie ook: Mat 3:2; Hand 14:16 **17:31** Hij heeft namelijk een dag vastgesteld waarop Hij de bewoonde wereld in gerechtigheid zal oordelen, door een man die Hij daarvoor bepaald heeft. Daarvan heeft Hij aan allen zekerheid gegeven door Hem uit de doden op te wekken.” Brontekst: καθότι (kathoti) = omdat | ἔστησεν (estesen) = heeft vastgesteld | ἡμέραν (hemeran) = een dag | ἐν (en) = in | ᾗ (he) = welke | μέλλει (mellei) = Hij zal | κρίνειν (krinein) = oordelen | τὴν (ten) = de | οἰκουμένην (oikoumenen) = bewoonde wereld | ἐν (en) = in | δικαιοσύνῃ (dikaiosyne) = gerechtigheid | ἐν (en) = door | ἀνδρὶ (andri) = een man | ᾧ (ho) = die | ὥρισεν (horisen) = heeft bepaald | πίστιν (pistin) = zekerheid | παρασχὼν (paraschon) = gegeven hebbend | πᾶσιν (pasin) = aan allen | ἀναστήσας (anastesas) = opgewekt hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνήρ (aner), ‘man’: het Grieks noemt zijn naam niet; gezien het slot van het vers bedoelt Paulus Yeshua. πίστις (pistis), ‘zekerheid’: hier niet ‘geloof’, maar het bewijs of de waarborg die Elohim geeft. Vergelijk Ps. 9:9; 96:13; 98:9 (Elohim oordeelt de wereld in gerechtigheid). Voetnoot : Zie ook Joh. 5:22; 5:27; Hand. 10:42. Zie ook: Ps 9:9; Ps 96:13; Ps 98:9; Joh 5:22; Joh 5:27; Hand 10:42 ### De reacties op de rede **17:32** Toen zij hoorden over de opstanding van doden, spotten sommigen ermee. Anderen zeiden: „Wij willen je hierover nog eens horen.” Brontekst: Ἀκούσαντες (Akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = nu | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | νεκρῶν (nekron) = van doden | οἱ (hoi) = de | μὲν (men) = enen | ἐχλεύαζον (echleuazon) = spotten | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = anderen | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἀκουσόμεθά (Akousometha) = wij zullen horen | σου (sou) = jou | περὶ (peri) = over | τούτου (toutou) = dit | καὶ (kai) = ook | πάλιν (palin) = weer Bron: SBLGNT **17:33** Zo ging Paulus uit hun midden weg. Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging weg | ἐκ (ek) = uit | μέσου (mesou) = het midden | αὐτῶν (auton) = van hen Bron: SBLGNT **17:34** Enkele mannen sloten zich bij hem aan en geloofden. Onder hen waren Dionysius, lid van de Areopaag, een vrouw met de naam Damaris, en anderen met hen. Brontekst: τινὲς (tines) = enkele | δὲ (de) = nu | ἄνδρες (andres) = mannen | κολληθέντες (kollethentes) = zich aangesloten hebbend | αὐτῷ (auto) = bij hem | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | ἐν (en) = onder | οἷς (hois) = wie | καὶ (kai) = ook | Διονύσιος (Dionysios) = Dionysius | ὁ (ho) = de | Ἀρεοπαγίτης (Areopagites) = Areopagiet | καὶ (kai) = en | γυνὴ (gyne) = een vrouw | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Δάμαρις (Damaris) = Damaris | καὶ (kai) = en | ἕτεροι (heteroi) = anderen | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Areopaag (Athene; ligging ongeveer): De Areopaag is de rotsheuvel van Ares, ten westen van de Akropolis in Athene. De naam wordt ook gebruikt voor de raad die er bijeenkwam. Voetnoot Uitleg: Ἀρεοπαγίτης (Areopagites), ‘lid van de Areopaag’: iemand van de raad van Athene (zie vers 19). Zie ook: Hand 17:19 ## Handelingen 18 _Korinte, Aquila en Priscilla, en Apollos_ ### Paulus in Korinte **18:1** Hierna verliet Paulus Athene en ging naar Korinte. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | ταῦτα (tauta) = deze dingen | χωρισθεὶς (choristheis) = vertrokken zijnde | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Ἀθηνῶν (Athenon) = Athene | ἦλθεν (elthen) = ging | εἰς (eis) = naar | Κόρινθον (Korinthon) = Korinte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Athene: Athene was de grote cultuurstad van Griekenland, in de Romeinse provincie Achaje. Zie Korinte: Korinte lag op de landengte tussen het vasteland van Griekenland en de Peloponnesos, met een haven aan elke kant. Het was de hoofdstad van de Romeinse provincie Achaje. **18:2** Daar vond hij een Jood met de naam Aquila, afkomstig uit Pontus. Hij was kort daarvoor uit Italië gekomen met zijn vrouw Priscilla, want Claudius had bevolen dat alle Joden Rome moesten verlaten. Paulus ging naar hen toe. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὑρών (heuron) = gevonden hebbend | τινα (tina) = een zekere | Ἰουδαῖον (Ioudaion) = Jood | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ἀκύλαν (Akylan) = Aquila | Ποντικὸν (Pontikon) = uit Pontus | τῷ (to) = van | γένει (genei) = afkomst | προσφάτως (prosphatos) = onlangs | ἐληλυθότα (elelythota) = gekomen | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Ἰταλίας (Italias) = Italië | καὶ (kai) = en | Πρίσκιλλαν (Priskillan) = Priscilla | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | διατεταχέναι (diatetachenai) = bevolen had | Κλαύδιον (Klaudion) = Claudius | χωρίζεσθαι (chorizesthai) = te vertrekken | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Ῥώμης (Rhomes) = Rome | προσῆλθεν (proselthen) = ging naar toe | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pontus (ongeveer): Pontus was de kuststreek aan de zuidkant van de Zwarte Zee, in het noorden van het huidige Turkije. De grenzen zijn bij benadering. Zie Italië (vasteland): Italië is het schiereiland waarop Rome ligt. De omtrek hier is de moderne kustlijn van het vasteland, bij benadering. Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië. Voetnoot Uitleg: Κλαύδιος (Klaudios), ‘Claudius’: de Romeinse keizer Claudius. Het bevel dat de Joden uit Rome moesten vertrekken wordt meestal rond het jaar 49 na Christus gedateerd; zeker is dat niet. Priscilla heet in Rom. 16:3 ‘Prisca’, een kortere vorm van dezelfde naam. Zie ook: Rom 16:3 **18:3** Omdat hij hetzelfde vak had, bleef hij bij hen en werkte hij. Zij waren namelijk tentenmakers van vak. Brontekst: καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | ὁμότεχνον (homotechnon) = van hetzelfde vak | εἶναι (einai) = hij was | ἔμενεν (emenen) = bleef | παρ’ (par’) = bij | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | ἠργάζετο (ergazeto) = werkte | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | σκηνοποιοὶ (skenopoioi) = tentenmakers | τῇ (te) = van het | τέχνῃ (techne) = vak Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκηνοποιός (skenopoios), ‘tentenmaker’: iemand die tenten maakte. Paulus werkte met zijn handen voor zijn levensonderhoud; vergelijk 20:34. **18:4** Elke sabbat sprak hij in de synagoge en overtuigde hij Joden en Grieken. Brontekst: διελέγετο (dielegeto) = sprak | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | κατὰ (kata) = elke | πᾶν (pan) = hele | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἔπειθέν (epeithen) = overtuigde | τε (te) = en | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | καὶ (kai) = en | Ἕλληνας (Hellenas) = Grieken Bron: SBLGNT ### Paulus keert zich tot de volken **18:5** Toen Silas en Timoteüs uit Macedonië kwamen, werd Paulus in beslag genomen door het woord. Hij getuigde tegenover de Joden dat Yeshua de Messias is. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = nu | κατῆλθον (katelthon) = kwamen af | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Μακεδονίας (Makedonias) = Macedonië | ὅ (ho) = de | τε (te) = zowel | Σιλᾶς (Silas) = Silas | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Τιμόθεος (Timotheos) = Timoteüs | συνείχετο (syneicheto) = werd in beslag genomen | τῷ (to) = door het | λόγῳ (logo) = woord | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | διαμαρτυρόμενος (diamartyromenos) = getuigend | τοῖς (tois) = tegenover de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | εἶναι (einai) = dat is | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: διαμαρτύρομαι (diamartyromai), ‘getuigen’: plechtig en ernstig verklaren. Wij vertalen het overal met ‘getuigen’ (ook 20:21, 20:23 en 20:24). συνείχετο (syneicheto), ‘werd in beslag genomen’: hij gaf zich geheel aan het woord. χριστός (christos), ‘Messias’: zie 17:3. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat ‘werd Paulus in de geest gedrongen’ in plaats van ‘werd Paulus in beslag genomen door het woord’. Wij volgen de SBLGNT. **18:6** Toen zij zich verzetten en lasterden, schudde hij zijn kleren uit en zei tegen hen: „Jullie bloed komt op jullie hoofd. Ik ben rein. Vanaf nu ga ik naar de volken.” Brontekst: ἀντιτασσομένων (antitassomenon) = zich verzettend | δὲ (de) = nu | αὐτῶν (auton) = zij | καὶ (kai) = en | βλασφημούντων (blasphemounton) = lasterend | ἐκτιναξάμενος (ektinaxamenos) = uitgeschud hebbend | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Τὸ (To) = het | αἷμα (haima) = bloed | ὑμῶν (hymon) = van jullie | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | ὑμῶν (hymon) = van jullie | καθαρὸς (katharos) = rein | ἐγώ (ego) = ik | ἀπὸ (apo) = vanaf | τοῦ (tou) = het | νῦν (nyn) = nu | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | πορεύσομαι (poreusomai) = zal ik gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκτινάσσω τὰ ἱμάτια (ektinasso ta himatia), ‘de kleren uitschudden’: een gebaar waarmee men de verantwoordelijkheid van zich afschudt; vergelijk Neh. 5:13. ‘Jullie bloed komt op jullie hoofd’: de schuld komt op henzelf, zoals in 2 Sam. 1:16 en Ezech. 33:4; zie ook 20:26. ἔθνη (ethne), ‘volken’: de niet-Joden. Zie ook: 2 Sam 1:16; Ezech 33:4; Neh 5:13 **18:7** Hij vertrok daar en ging het huis binnen van iemand met de naam Titius Justus, een godvrezende. Zijn huis grensde aan de synagoge. Brontekst: καὶ (kai) = en | μεταβὰς (metabas) = vertrokken zijnde | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | οἰκίαν (oikian) = huis | τινὸς (tinos) = van een zekere | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Τιτίου (Titiou) = Titius | Ἰούστου (Ioustou) = Justus | σεβομένου (sebomenou) = godvrezende | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | οὗ (hou) = wiens | ἡ (he) = het | οἰκία (oikia) = huis | ἦν (en) = was | συνομοροῦσα (synomorousa) = grenzend | τῇ (te) = aan de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σεβόμενος τὸν θεόν (sebomenos ton theon), ‘godvrezende’: zie 17:4. **18:8** Crispus, de synagogeleider, geloofde in de Heer, met heel zijn huis. Ook velen van de Korintiërs luisterden, geloofden en werden gedoopt. Brontekst: Κρίσπος (Krispos) = Crispus | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | ἀρχισυνάγωγος (archisynagogos) = synagogeleider | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde | τῷ (to) = in de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | σὺν (syn) = met | ὅλῳ (holo) = heel | τῷ (to) = het | οἴκῳ (oiko) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | τῶν (ton) = van de | Κορινθίων (Korinthion) = Korintiërs | ἀκούοντες (akouontes) = luisterend | ἐπίστευον (episteuon) = geloofden | καὶ (kai) = en | ἐβαπτίζοντο (ebaptizonto) = werden gedoopt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: de verteller noemt Yeshua in Handelingen vaak zo, zoals Lucas dat in zijn evangelie doet (zie Luc. 7:13). Het is een titel, geen citaat uit het Oude Testament; wij schrijven ‘de Heer’ met hoofdletter. ἀρχισυνάγωγος (archisynagogos), ‘synagogeleider’: zie Mark. 5:22. Paulus noemt Crispus ook in 1 Kor. 1:14. Zie ook: Mar 5:22; Luc 7:13; 1 Kor 1:14 ### Het visioen van de Heer **18:9** De Heer zei ’s nachts in een visioen tegen Paulus: **„Wees niet bang, maar spreek en zwijg niet,** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | ἐν (en) = in | νυκτὶ (nykti) = de nacht | δι’ (di’) = door | ὁράματος (horamatos) = een visioen | τῷ (to) = tegen | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | ἀλλὰ (alla) = maar | λάλει (lalei) = spreek | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | σιωπήσῃς (siopeses) = zwijg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὅραμα (horama), ‘visioen’. De spreker is ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: Yeshua, die tot Paulus spreekt. Wij zetten Zijn woorden rood. Voetnoot : Zie ook Hand. 23:11. Zie ook: Hand 23:11 **18:10** **want Ik ben met je. Niemand zal je aanvallen om je kwaad te doen, want Ik heb een groot volk in deze stad.”** Brontekst: διότι (dioti) = want | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | μετὰ (meta) = met | σοῦ (sou) = jou | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐπιθήσεταί (epithesetai) = zal zich werpen | σοι (soi) = op jou | τοῦ (tou) = om | κακῶσαί (kakosai) = kwaad te doen | σε (se) = je | διότι (dioti) = want | λαός (laos) = volk | ἐστί (esti) = is | μοι (moi) = voor Mij | πολὺς (polys) = groot | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ταύτῃ (taute) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λαός (laos), ‘volk’: het woord waarmee de Griekse tekst het volk van Elohim noemt, zoals in Exod. 3:10 (‘Mijn volk’). ‘Ik ben met je’ is een toezegging van Elohim aan wie Hij roept; vergelijk Jes. 41:10 en Jer. 1:8. Zie ook: Ex 3:10; Jes 41:10; Jer 1:8 **18:11** Hij bleef daar een jaar en zes maanden en onderwees onder hen het woord van Elohim. Brontekst: ἐκάθισεν (ekathisen) = bleef | δὲ (de) = nu | ἐνιαυτὸν (eniauton) = een jaar | καὶ (kai) = en | μῆνας (menas) = maanden | ἓξ (hex) = zes | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ἐν (en) = onder | αὐτοῖς (autois) = hen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT ### Paulus voor Gallio **18:12** Toen Gallio proconsul van Achaje was, kwamen de Joden eensgezind tegen Paulus in verzet. Zij brachten hem voor de rechterstoel. Brontekst: Γαλλίωνος (Gallionos) = Gallio | δὲ (de) = nu | ἀνθυπάτου (anthypatou) = proconsul | ὄντος (ontos) = zijnde | τῆς (tes) = van | Ἀχαΐας (Achaias) = Achaje | κατεπέστησαν (katepestesan) = stonden op | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | τῷ (to) = tegen | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | καὶ (kai) = en | ἤγαγον (egagon) = brachten | αὐτὸν (auton) = hem | ἐπὶ (epi) = voor | τὸ (to) = de | βῆμα (bema) = rechterstoel Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Achaje (ongeveer): Achaje was de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland, met Korinte als hoofdstad en Athene als bekendste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: ἀνθύπατος (anthypatos), ‘proconsul’: de bestuurder van een Romeinse provincie, hier Achaje. Gallio was proconsul ongeveer in de jaren 51–52 na Christus (niet zeker). βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: de zetel van de rechter, zoals in Matt. 27:19. ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’. Zie ook: Mat 27:19 **18:13** Zij zeiden: „Deze man haalt de mensen over om Elohim te vereren in strijd met de wet.” Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Παρὰ (Para) = tegen | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | ἀναπείθει (anapeithei) = haalt over | οὗτος (houtos) = deze | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | σέβεσθαι (sebesthai) = te vereren | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νόμος (nomos), ‘wet’: het Grieks zegt niet of de wet van Mozes of de Romeinse wet bedoeld is. **18:14** Paulus stond op het punt zijn mond te openen. Toen zei Gallio tegen de Joden: „Als het ging om een onrecht of een boosaardige streek, Joden, dan zou ik jullie met reden geduldig aanhoren. Brontekst: μέλλοντος (mellontos) = op het punt staand | δὲ (de) = nu | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus | ἀνοίγειν (anoigein) = te openen | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Γαλλίων (Gallion) = Gallio | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | Εἰ (Ei) = als | μὲν (men) = immers | ἦν (en) = was | ἀδίκημά (adikema) = onrecht | τι (ti) = enig | ἢ (e) = of | ῥᾳδιούργημα (rhadiourgema) = streek | πονηρόν (poneron) = boosaardige | ὦ (o) = o | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | κατὰ (kata) = met | λόγον (logon) = reden | ἂν (an) = zou | ἀνεσχόμην (aneschomen) = verdragen hebben | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT **18:15** Maar als het gaat om vragen over een woord, over namen en over jullie eigen wet, dan moeten jullie dat zelf uitzoeken. Ik wil daarvan geen rechter zijn.” Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = nu | ζητήματά (zetemata) = vragen | ἐστιν (estin) = zijn | περὶ (peri) = over | λόγου (logou) = een woord | καὶ (kai) = en | ὀνομάτων (onomaton) = namen | καὶ (kai) = en | νόμου (nomou) = wet | τοῦ (tou) = die | καθ’ (kath’) = onder | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὄψεσθε (opsesthe) = zullen zien | αὐτοί (autoi) = zelf | κριτὴς (krites) = rechter | ἐγὼ (ego) = ik | τούτων (touton) = hiervan | οὐ (ou) = niet | βούλομαι (boulomai) = wil | εἶναι (einai) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νόμος τοῦ καθ’ ὑμᾶς (nomos tou kath’ hymas), ‘jullie eigen wet’: Gallio rekent het tot de eigen zaken van de Joden. **18:16** Hij joeg hen weg van de rechterstoel. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπήλασεν (apelasen) = joeg weg | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | βήματος (bematos) = rechterstoel Bron: SBLGNT **18:17** Allen grepen Sosthenes, de synagogeleider, en sloegen hem voor de rechterstoel. Gallio trok zich niets van dit alles aan. Brontekst: ἐπιλαβόμενοι (epilabomenoi) = gegrepen hebbend | δὲ (de) = nu | πάντες (pantes) = allen | Σωσθένην (Sosthenen) = Sosthenes | τὸν (ton) = de | ἀρχισυνάγωγον (archisynagogon) = synagogeleider | ἔτυπτον (etypton) = sloegen | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | βήματος (bematos) = rechterstoel | καὶ (kai) = en | οὐδὲν (ouden) = niets | τούτων (touton) = hiervan | τῷ (to) = aan | Γαλλίωνι (Gallioni) = Gallio | ἔμελεν (emelen) = was van belang Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet wie ‘allen’ zijn: de Joden of de menigte. Een Sosthenes noemt Paulus ook in 1 Kor. 1:1; of dit dezelfde man is, zegt de tekst niet. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat ‘alle Grieken’ in plaats van ‘allen’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: 1 Kor 1:1 ### Paulus reist via Efeze naar Antiochië **18:18** Paulus bleef nog geruime tijd, nam afscheid van de broers en voer weg naar Syrië, met Priscilla en Aquila. In Kenchreeën had hij zijn haar laten knippen, want hij had een gelofte. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = nu | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἔτι (eti) = nog | προσμείνας (prosmeinas) = gebleven zijnde | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἱκανὰς (hikanas) = geruime | τοῖς (tois) = van de | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers | ἀποταξάμενος (apotaxamenos) = afscheid genomen hebbend | ἐξέπλει (exeplei) = voer weg | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Συρίαν (Syrian) = Syrië | καὶ (kai) = en | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | Πρίσκιλλα (Priskilla) = Priscilla | καὶ (kai) = en | Ἀκύλας (Akylas) = Aquila | κειράμενος (keiramenos) = laten knippen hebbend | ἐν (en) = in | Κεγχρεαῖς (Kenchreais) = Kenchreeën | τὴν (ten) = het | κεφαλήν (kephalen) = hoofd | εἶχεν (eichen) = had | γὰρ (gar) = want | εὐχήν (euchen) = gelofte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad. De grenzen waren niet scherp. Zie Kenchreeën (ligging ongeveer): Kenchreeën was de oostelijke haven van Korinte, aan de Saronische Golf. Voetnoot Uitleg: κειράμενος (keiramenos), ‘laten knippen’: het Grieks zegt niet duidelijk wie zijn haar liet knippen, Paulus of Aquila; wij lezen Paulus. εὐχή (euche), ‘gelofte’: een nazireeër scheerde na afloop van zijn gelofte zijn haar af (Num. 6:18). Of het hier om zo’n gelofte gaat, zegt de tekst niet. Zie ook: Num 6:18 **18:19** Zij kwamen in Efeze, waar hij hen achterliet. Zelf ging hij de synagoge binnen en sprak met de Joden. Brontekst: κατήντησαν (katentesan) = kwamen aan | δὲ (de) = nu | εἰς (eis) = in | Ἔφεσον (Epheson) = Efeze | κἀκείνους (kakeinous) = en die | κατέλιπεν (katelipen) = liet achter | αὐτοῦ (autou) = daar | αὐτὸς (autos) = zelf | δὲ (de) = nu | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan zijnde | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | διελέξατο (dielexato) = sprak | τοῖς (tois) = met de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. **18:20** Zij vroegen hem langer te blijven, maar hij stemde niet toe. Brontekst: ἐρωτώντων (erotonton) = vragend | δὲ (de) = nu | αὐτῶν (auton) = zij | ἐπὶ (epi) = voor | πλείονα (pleiona) = langere | χρόνον (chronon) = tijd | μεῖναι (meinai) = te blijven | οὐκ (ouk) = niet | ἐπένευσεν (epeneusen) = stemde toe Bron: SBLGNT **18:21** Hij nam afscheid en zei: „Ik zal weer naar jullie terugkomen, als Elohim het wil.” Toen voer hij uit Efeze weg. Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἀποταξάμενος (apotaxamenos) = afscheid genomen hebbend | καὶ (kai) = en | εἰπών (eipon) = zeggend | Πάλιν (Palin) = weer | ἀνακάμψω (anakampso) = zal ik terugkeren | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | θέλοντος (thelontos) = willend | ἀνήχθη (anechthe) = voer weg | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Ἐφέσου (Ephesou) = Efeze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. Voetnoot Uitleg: τοῦ θεοῦ θέλοντος (tou theou thelontos), letterlijk ‘Elohim willend’: een uitdrukking van afhankelijkheid van Elohim. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat voor ‘Ik zal weer naar jullie terugkomen’ nog de zin ‘Ik moet beslist het komende feest in Jeruzalem vieren’. Wij volgen de SBLGNT. **18:22** Hij kwam aan in Caesarea, ging omhoog en groette de gemeente. Daarna ging hij naar beneden naar Antiochië. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατελθὼν (katelthon) = aangekomen zijnde | εἰς (eis) = in | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | ἀναβὰς (anabas) = omhooggegaan zijnde | καὶ (kai) = en | ἀσπασάμενος (aspasamenos) = gegroet hebbend | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | κατέβη (katebe) = ging naar beneden | εἰς (eis) = naar | Ἀντιόχειαν (Antiocheian) = Antiochië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd. Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië. Voetnoot Uitleg: ἀναβαίνω (anabaino), ‘omhoog gaan’, en καταβαίνω (katabaino), ‘naar beneden gaan’: zo spreekt men over de reis naar en van Jeruzalem. Het Grieks noemt Jeruzalem niet; waarschijnlijk is dat het doel van ‘omhoog gaan’, en dan is ‘de gemeente’ die van Jeruzalem. **18:23** Nadat hij daar enige tijd had doorgebracht, vertrok hij. Achtereenvolgens reisde hij door het Galatische land en door Frygië en sterkte alle leerlingen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ποιήσας (poiesas) = doorgebracht hebbend | χρόνον (chronon) = tijd | τινὰ (tina) = enige | ἐξῆλθεν (exelthen) = vertrok | διερχόμενος (dierchomenos) = doorreizend | καθεξῆς (kathexes) = achtereenvolgens | τὴν (ten) = het | Γαλατικὴν (Galatiken) = Galatische | χώραν (choran) = land | καὶ (kai) = en | Φρυγίαν (Phrygian) = Frygië | στηρίζων (sterizon) = sterkend | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | μαθητάς (mathetas) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galatië (ongeveer): Het Galatische land was het gebied rond het huidige Ankara, in het midden van Turkije. De grenzen zijn bij benadering; de Romeinse provincie Galatië was groter. Zie Frygië (ongeveer): Frygië was een streek in het westen en midden van het huidige Turkije. De grenzen wisselden en zijn niet scherp. Voetnoot Uitleg: Γαλατικὴ χώρα (Galatike chora), ‘het Galatische land’: een gebied in het midden van het huidige Turkije; zie ook 16:6. ### Apollos in Efeze en Achaje **18:24** Een Jood met de naam Apollos, afkomstig uit Alexandrië, kwam in Efeze. Hij was een welsprekend man, machtig in de Schriften. Brontekst: Ἰουδαῖος (Ioudaios) = Jood | δέ (de) = nu | τις (tis) = zekere | Ἀπολλῶς (Apollos) = Apollos | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ἀλεξανδρεὺς (Alexandreus) = Alexandrijn | τῷ (to) = van | γένει (genei) = afkomst | ἀνὴρ (aner) = man | λόγιος (logios) = welsprekend | κατήντησεν (katentesen) = kwam aan | εἰς (eis) = in | Ἔφεσον (Epheson) = Efeze | δυνατὸς (dynatos) = machtig | ὢν (on) = zijnde | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | γραφαῖς (graphais) = Schriften Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Alexandrië: Alexandrië lag aan de Middellandse Zee, aan de westkant van de Nijldelta. Het was de grootste stad van Egypte en had een grote Joodse gemeenschap. Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. Voetnoot Uitleg: λόγιος (logios), ‘welsprekend’: het woord kan ook ‘geleerd’ betekenen. Apollos wordt ook in 1 Kor. 1:12 genoemd. Zie ook: 1 Kor 1:12 **18:25** Deze man was onderricht in de weg van de Heer. Vurig van geest sprak hij en onderwees hij nauwkeurig wat over Yeshua gaat, terwijl hij alleen de doop van Johannes kende. Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | ἦν (en) = was | κατηχημένος (katechemenos) = onderricht | τὴν (ten) = in de | ὁδὸν (hodon) = weg | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | καὶ (kai) = en | ζέων (zeon) = vurig | τῷ (to) = van | πνεύματι (pneumati) = geest | ἐλάλει (elalei) = sprak | καὶ (kai) = en | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees | ἀκριβῶς (akribos) = nauwkeurig | τὰ (ta) = wat | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἐπιστάμενος (epistamenos) = kennend | μόνον (monon) = alleen | τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁδὸς τοῦ κυρίου (hodos tou kyriou), ‘de weg van de Heer’: het Grieks laat open of κύριος hier Yeshua of Yahweh is. ‘De weg van Yahweh’ staat in Gen. 18:19 en Jes. 40:3; ook heten de volgelingen van Yeshua ‘de Weg’ (zie 9:2). Wij schrijven ‘de Heer’, omdat Handelingen Yeshua zo noemt; in vers 26 staat ‘de weg van Elohim’. ζέων τῷ πνεύματι (zeon to pneumati), ‘vurig van geest’: het Grieks laat open of de eigen geest van Apollos of de Heilige Geest bedoeld is. Voor ‘de doop van Johannes’ zie 19:3. Zie ook: Gen 18:19; Jes 40:3; Hand 18:26 **18:26** Hij begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. Toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem bij zich en legden hem nauwkeuriger de weg van Elohim uit. Brontekst: οὗτός (houtos) = deze | τε (te) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | παρρησιάζεσθαι (parresiazesthai) = vrijmoedig te spreken | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = nu | αὐτοῦ (autou) = hem | Πρίσκιλλα (Priskilla) = Priscilla | καὶ (kai) = en | Ἀκύλας (Akylas) = Aquila | προσελάβοντο (proselabonto) = namen bij zich | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἀκριβέστερον (akribesteron) = nauwkeuriger | αὐτῷ (auto) = aan hem | ἐξέθεντο (exethento) = legden uit | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **18:27** Hij wilde naar Achaje oversteken. De broers moedigden hem aan en schreven de leerlingen dat zij hem moesten ontvangen. Bij zijn aankomst was hij van grote betekenis voor hen die geloofd hadden, door de genade. Brontekst: βουλομένου (boulomenou) = willend | δὲ (de) = nu | αὐτοῦ (autou) = hij | διελθεῖν (dielthein) = over te steken | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἀχαΐαν (Achaian) = Achaje | προτρεψάμενοι (protrepsamenoi) = aangemoedigd hebbend | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | ἔγραψαν (egrapsan) = schreven | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | ἀποδέξασθαι (apodexasthai) = te ontvangen | αὐτόν (auton) = hem | ὃς (hos) = die | παραγενόμενος (paragenomenos) = aangekomen zijnde | συνεβάλετο (synebaleto) = droeg bij | πολὺ (poly) = veel | τοῖς (tois) = aan hen | πεπιστευκόσιν (pepisteukosin) = die geloofd hadden | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | χάριτος (charitos) = genade Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Achaje (ongeveer): Achaje was de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland, met Korinte als hoofdstad en Athene als bekendste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: διὰ τῆς χάριτος (dia tes charitos), ‘door de genade’: het Grieks laat open of dit bij ‘van grote betekenis’ of bij ‘die geloofd hadden’ hoort; wij houden de volgorde van het Grieks. **18:28** Met kracht weerlegde hij de Joden in het openbaar en toonde aan de hand van de Schriften aan dat Yeshua de Messias is. Brontekst: εὐτόνως (eutonos) = krachtig | γὰρ (gar) = want | τοῖς (tois) = de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | διακατηλέγχετο (diakatelencheto) = weerlegde | δημοσίᾳ (demosia) = in het openbaar | ἐπιδεικνὺς (epideiknys) = aantonend | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | γραφῶν (graphon) = Schriften | εἶναι (einai) = dat is | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακατελέγχομαι (diakatelenchomai), ‘weerleggen’: een zeldzaam woord; het betekent grondig aantonen dat de ander ongelijk heeft. ## Handelingen 19 _Efeze: de leerlingen van Johannes, de zonen van Skevas en de opstand van de zilversmeden_ ### Paulus in Efeze: de leerlingen van Johannes **19:1** Terwijl Apollos in Korinte was, trok Paulus door de hoger gelegen streken en kwam in Efeze. Daar vond hij enkele leerlingen. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | τὸν (ton) = de | Ἀπολλῶ (Apollo) = Apollos | εἶναι (einai) = zijn | ἐν (en) = in | Κορίνθῳ (Korintho) = Korinte | Παῦλον (Paulon) = Paulus | διελθόντα (dielthonta) = doorgetrokken zijnde | τὰ (ta) = de | ἀνωτερικὰ (anoterika) = hoger gelegen | μέρη (mere) = streken | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | εἰς (eis) = in | Ἔφεσον (Epheson) = Efeze | καὶ (kai) = en | εὑρεῖν (heurein) = te vinden | τινας (tinas) = enkele | μαθητάς (mathetas) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Korinte: Korinte lag op de landengte tussen het vasteland van Griekenland en de Peloponnesos, met een haven aan elke kant. Het was de hoofdstad van de Romeinse provincie Achaje. Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. Voetnoot Uitleg: ἀνωτερικὰ μέρη (anoterika mere), ‘de hoger gelegen streken’: het hoger gelegen binnenland, tegenover de kust. Voor Apollos zie 18:24. **19:2** Hij zei tegen hen: „Hebben jullie, toen jullie gingen geloven, de Heilige Geest ontvangen?” Zij zeiden tegen hem: „Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is.” Brontekst: εἶπέν (eipen) = zei | τε (te) = en | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Εἰ (Ei) = of | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἅγιον (hagion) = heilige | ἐλάβετε (elabete) = ontvingen jullie | πιστεύσαντες (pisteusantes) = geloofd hebbend | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = hem | Ἀλλ’ (All’) = maar | οὐδ’ (oud’) = zelfs niet | εἰ (ei) = of | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἅγιον (hagion) = heilige | ἔστιν (estin) = is | ἠκούσαμεν (ekousamen) = hebben wij gehoord Bron: SBLGNT **19:3** Hij zei: „Waarin zijn jullie dan gedoopt?” Zij zeiden: „In de doop van Johannes.” Brontekst: εἶπέν (eipen) = zei | τε (te) = en | Εἰς (Eis) = in | τί (ti) = wat | οὖν (oun) = dus | ἐβαπτίσθητε (ebaptisthete) = werden jullie gedoopt | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = nu | εἶπαν (eipan) = zeiden | Εἰς (Eis) = in | τὸ (to) = de | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | βάπτισμα (baptisma) = doop Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βάπτισμα (baptisma), ‘doop’: de doop van Johannes wordt ook genoemd in 18:25. Voetnoot : Zie ook Luc. 3:3. Zie ook: Luc 3:3 **19:4** Paulus zei: „Johannes doopte met een doop van bekering. Hij zei tegen het volk dat zij moesten geloven in Hem die na hem komt, dat wil zeggen in Yeshua.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἐβάπτισεν (ebaptisen) = doopte | βάπτισμα (baptisma) = doop | μετανοίας (metanoias) = van bekering | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | λέγων (legon) = zeggend | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | ἐρχόμενον (erchomenon) = komende | μετ’ (met’) = na | αὐτὸν (auton) = hem | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύσωσιν (pisteusosin) = zij zouden geloven | τοῦτ’ (tout’) = dit | ἔστιν (estin) = is | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: een verandering van denken. ὁ ἐρχόμενος (ho erchomenos), ‘Hij die komt’: zo sprak Johannes over de Messias. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:7–8; Luc. 3:16. Zie ook: Mat 3:11; Mar 1:7–8; Luc 3:16 **19:5** Toen zij dit hoorden, werden zij gedoopt in de naam van de Heer Yeshua. Brontekst: ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = nu | ἐβαπτίσθησαν (ebaptisthesan) = werden gedoopt | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὸ ὄνομα (eis to onoma), ‘in de naam’: letterlijk ‘tot de naam’, zoals in Matt. 28:19. Zij waren gedoopt ‘in de doop van Johannes’ (vers 3); nu worden zij gedoopt in de naam van de Heer Yeshua. κύριος (kyrios), ‘Heer’: zie 18:8. Zie ook: Mat 28:19; Hand 19:3 **19:6** Toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest op hen. Zij spraken in talen en profeteerden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιθέντος (epithentos) = opgelegd hebbend | αὐτοῖς (autois) = aan hen | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus | χεῖρας (cheiras) = handen | ἦλθε (elthe) = kwam | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = heilige | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτούς (autous) = hen | ἐλάλουν (elaloun) = spraken | τε (te) = en | γλώσσαις (glossais) = in talen | καὶ (kai) = en | ἐπροφήτευον (epropheteuon) = profeteerden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτίθημι χεῖρας (epitithemi cheiras), ‘de handen opleggen’: een handeling bij zegen en bij het ontvangen van de Geest. γλῶσσα (glossa), ‘tong’ of ‘taal’; het Grieks heeft hier geen ‘andere’ (zoals in Hand. 2:4). Voetnoot : Zie ook Hand. 8:17; Hand. 10:46. Zie ook: Hand 2:4; Hand 8:17; Hand 10:46 **19:7** Het waren in totaal ongeveer twaalf mannen. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = nu | οἱ (hoi) = de | πάντες (pantes) = allen | ἄνδρες (andres) = mannen | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | δώδεκα (dodeka) = twaalf Bron: SBLGNT ### Paulus in de synagoge en in de school van Tyrannus **19:8** Hij ging de synagoge binnen en sprak drie maanden lang vrijmoedig. Hij voerde gesprekken en overtuigde hen over het koninkrijk van Elohim. Brontekst: Εἰσελθὼν (Eiselthon) = binnengegaan zijnde | δὲ (de) = nu | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | ἐπαρρησιάζετο (eparresiazeto) = sprak vrijmoedig | ἐπὶ (epi) = gedurende | μῆνας (menas) = maanden | τρεῖς (treis) = drie | διαλεγόμενος (dialegomenos) = in gesprek | καὶ (kai) = en | πείθων (peithon) = overtuigend | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαλέγομαι (dialegomai), ‘in gesprek zijn’: spreken met vraag en antwoord, zoals in 17:2 en 17:17. βασιλεία τοῦ θεοῦ (basileia tou theou), ‘het koninkrijk van Elohim’. **19:9** Maar sommigen raakten verhard en bleven ongehoorzaam, en spraken voor de menigte kwaad over de Weg. Hij trok zich van hen terug en scheidde de leerlingen af. Dagelijks sprak hij in de school van Tyrannus. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δέ (de) = nu | τινες (tines) = sommigen | ἐσκληρύνοντο (esklerynonto) = verhard raakten | καὶ (kai) = en | ἠπείθουν (epeithoun) = ongehoorzaam waren | κακολογοῦντες (kakologountes) = kwaad sprekend | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = Weg | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | πλήθους (plethous) = menigte | ἀποστὰς (apostas) = weggegaan zijnde | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἀφώρισεν (aphorisen) = scheidde af | τοὺς (tous) = de | μαθητάς (mathetas) = leerlingen | καθ’ (kath’) = per | ἡμέραν (hemeran) = dag | διαλεγόμενος (dialegomenos) = in gesprek | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | σχολῇ (schole) = school | Τυράννου (Tyrannou) = van Tyrannus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡ ὁδός (he hodos), ‘de Weg’: zo heten de volgelingen van Yeshua; zie 9:2. κακολογέω (kakologeo), ‘kwaad spreken over’. σχολή (schole), ‘school’: een zaal waar onderwijs werd gegeven; wie Tyrannus was, zegt de tekst niet. **19:10** Dit duurde twee jaar, zodat allen die in Asia woonden, het woord van de Heer hoorden, zowel Joden als Grieken. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = nu | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐπὶ (epi) = gedurende | ἔτη (ete) = jaren | δύο (dyo) = twee | ὥστε (hoste) = zodat | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = de | κατοικοῦντας (katoikountas) = wonenden | τὴν (ten) = de | Ἀσίαν (Asian) = Asia | ἀκοῦσαι (akousai) = hoorden | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = en | Ἕλληνας (Hellenas) = Grieken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Ἀσία (Asia): de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije; Efeze lag daar. κύριος (kyrios), ‘Heer’: ‘het woord van de Heer’ kan ook ‘het woord van Yahweh’ zijn; wij schrijven ‘de Heer’, omdat in dit verhaal de naam van de Heer Yeshua wordt groot gemaakt (vers 17). Zie ook 18:25. Zie ook: Hand 19:17 ### Krachten door de handen van Paulus **19:11** Elohim deed buitengewone krachten door de handen van Paulus. Brontekst: Δυνάμεις (Dynameis) = krachten | τε (te) = en | οὐ (ou) = niet | τὰς (tas) = de | τυχούσας (tychousas) = gewone | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐποίει (epoiei) = deed | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | χειρῶν (cheiron) = handen | Παύλου (Paulou) = van Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: wij vertalen het zo in de evangeliën (zie Matt. 11:20). οὐ τὰς τυχούσας (ou tas tychousas) is letterlijk ‘niet de toevallige’, dat is ‘niet de gewone’. Zie ook: Mat 11:20 **19:12** Zelfs werden zweetdoeken of schorten van zijn lichaam naar de zieken gebracht. Dan verlieten de ziekten hen en gingen de boze geesten uit. Brontekst: ὥστε (hoste) = zodat | καὶ (kai) = zelfs | ἐπὶ (epi) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀσθενοῦντας (asthenountas) = zieken | ἀποφέρεσθαι (apopheresthai) = gebracht werden | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | χρωτὸς (chrotos) = huid | αὐτοῦ (autou) = zijn | σουδάρια (soudaria) = zweetdoeken | ἢ (e) = of | σιμικίνθια (simikinthia) = schorten | καὶ (kai) = en | ἀπαλλάσσεσθαι (apallassesthai) = verlieten | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | τὰς (tas) = de | νόσους (nosous) = ziekten | τά (ta) = de | τε (te) = en | πνεύματα (pneumata) = geesten | τὰ (ta) = de | πονηρὰ (ponera) = boze | ἐκπορεύεσθαι (ekporeuesthai) = uitgingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σουδάριον (soudarion), ‘zweetdoek’: zie Joh. 11:44. σιμικίνθιον (simikinthion), ‘schort’: een doek om het middel. Beide woorden komen oorspronkelijk uit het Latijn. πνεύματα πονηρά (pneumata ponera), ‘boze geesten’: zie Luc. 7:21. Zie ook: Luc 7:21; Joh 11:44 ### De zonen van Skevas **19:13** Ook enkele rondtrekkende Joodse bezweerders probeerden de naam van de Heer Yeshua uit te spreken over hen die boze geesten hadden. Zij zeiden: „Ik bezweer jullie bij Yeshua, die Paulus verkondigt.” Brontekst: ἐπεχείρησαν (epecheiresan) = probeerden | δέ (de) = nu | τινες (tines) = enkele | καὶ (kai) = ook | τῶν (ton) = van de | περιερχομένων (perierchomenon) = rondtrekkende | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joodse | ἐξορκιστῶν (exorkiston) = bezweerders | ὀνομάζειν (onomazein) = uit te spreken | ἐπὶ (epi) = over | τοὺς (tous) = degenen | ἔχοντας (echontas) = die hadden | τὰ (ta) = de | πνεύματα (pneumata) = geesten | τὰ (ta) = de | πονηρὰ (ponera) = boze | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ὁρκίζω (Horkizo) = ik bezweer | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τὸν (ton) = bij | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὃν (hon) = die | Παῦλος (Paulos) = Paulus | κηρύσσει (keryssei) = verkondigt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξορκιστής (exorkistes), ‘bezweerder’: iemand die geesten wil uitdrijven met een bezwering bij een naam. ὁρκίζω (horkizo), ‘bezweren’: iemand onder ede plaatsen bij een naam. **19:14** Het waren zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse hogepriester, die dit deden. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δέ (de) = nu | τινος (tinos) = van een zekere | Σκευᾶ (Skeua) = Skevas | Ἰουδαίου (Ioudaiou) = Joodse | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | ἑπτὰ (hepta) = zeven | υἱοὶ (huioi) = zonen | τοῦτο (touto) = dit | ποιοῦντες (poiountes) = doende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σκευᾶς (Skeuas), ‘Skevas’: wie hij was, zegt de tekst niet. ἀρχιερεύς (archiereus), ‘hogepriester’. **19:15** De boze geest antwoordde en zei tegen hen: _„Yeshua ken ik, en van Paulus weet ik, maar wie zijn jullie?”_ Brontekst: ἀποκριθὲν (apokrithen) = antwoordend | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest | τὸ (to) = de | πονηρὸν (poneron) = boze | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τὸν (Ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | γινώσκω (ginosko) = ken ik | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἐπίσταμαι (epistamai) = weet ik van | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = nu | τίνες (tines) = wie | ἐστέ (este) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft twee werkwoorden voor ‘kennen’: γινώσκω (ginosko), ‘kennen’, en ἐπίσταμαι (epistamai), ‘weten van’. De boze geest spreekt hier zelf. **19:16** De man in wie de boze geest was, sprong op hen af. Hij overmeesterde beiden en was hen te sterk, zodat zij naakt en gewond uit dat huis vluchtten. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐφαλόμενος (ephalomenos) = opgesprongen zijnde | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = wie | ἦν (en) = was | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest | τὸ (to) = de | πονηρὸν (poneron) = boze | κατακυριεύσας (katakyrieusas) = overmeesterd hebbend | ἀμφοτέρων (amphoteron) = beiden | ἴσχυσεν (ischysen) = was sterk | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτῶν (auton) = hen | ὥστε (hoste) = zodat | γυμνοὺς (gymnous) = naakt | καὶ (kai) = en | τετραυματισμένους (tetraumatismenous) = gewond | ἐκφυγεῖν (ekphygein) = te vluchten | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | οἴκου (oikou) = huis | ἐκείνου (ekeinou) = dat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμφοτέρων (amfoteron), ‘beiden’: het woord betekent gewoonlijk ‘allebei’, terwijl vers 14 zeven zonen noemt; de tekst verklaart dit niet. Zie ook: Hand 19:14 **19:17** Dit werd bekend bij alle Joden en Grieken die in Efeze woonden. Vrees overviel hen allen, en de naam van de Heer Yeshua werd groot gemaakt. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = nu | ἐγένετο (egeneto) = werd | γνωστὸν (gnoston) = bekend | πᾶσιν (pasin) = aan allen | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = en | Ἕλλησιν (Hellesin) = Grieken | τοῖς (tois) = de | κατοικοῦσιν (katoikousin) = wonenden | τὴν (ten) = de | Ἔφεσον (Epheson) = Efeze | καὶ (kai) = en | ἐπέπεσεν (epepesen) = viel | φόβος (phobos) = vrees | ἐπὶ (epi) = op | πάντας (pantas) = allen | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἐμεγαλύνετο (emegalyneto) = werd groot gemaakt | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. Voetnoot Uitleg: μεγαλύνω (megalyno), ‘groot maken’: zoals in Luc. 1:46. Zie ook: Luc 1:46 ### De boeken van de toverkunsten worden verbrand **19:18** Velen van hen die geloofd hadden, kwamen hun daden belijden en melden. Brontekst: πολλοί (polloi) = velen | τε (te) = en | τῶν (ton) = van de | πεπιστευκότων (pepisteukoton) = die geloofd hadden | ἤρχοντο (erchonto) = kwamen | ἐξομολογούμενοι (exomologoumenoi) = belijdend | καὶ (kai) = en | ἀναγγέλλοντες (anangellontes) = meldend | τὰς (tas) = de | πράξεις (praxeis) = daden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **19:19** Een flink aantal van hen die toverkunsten hadden bedreven, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze voor ieders ogen. Zij telden de prijzen ervan op en kwamen uit op 50.000 zilverstukken. Brontekst: ἱκανοὶ (hikanoi) = aanzienlijke | δὲ (de) = nu | τῶν (ton) = van de | τὰ (ta) = de | περίεργα (perierga) = toverkunsten | πραξάντων (praxanton) = bedreven hebbenden | συνενέγκαντες (synenenkantes) = bijeengebracht hebbend | τὰς (tas) = de | βίβλους (biblous) = boeken | κατέκαιον (katekaion) = verbrandden | ἐνώπιον (enopion) = voor | πάντων (panton) = allen | καὶ (kai) = en | συνεψήφισαν (synepsephisan) = telden op | τὰς (tas) = de | τιμὰς (timas) = prijzen | αὐτῶν (auton) = ervan | καὶ (kai) = en | εὗρον (heuron) = vonden | ἀργυρίου (argyriou) = van zilver | μυριάδας (myriadas) = tienduizendtallen | πέντε (pente) = vijf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: περίεργα (perierga), ‘toverkunsten’: letterlijk ‘bijzondere, nieuwsgierig makende dingen’; hier gaat het om magie en bezweringen. μυριάς (myrias), ‘tienduizendtal’: ‘vijf tienduizendtallen zilver’ is 50.000. Het Grieks noemt de munt niet; waarschijnlijk waren het drachmen, waarvan er één ongeveer een dagloon was (onzeker). **19:20** Zo groeide het woord met de macht van de Heer en werd het sterk. Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | κατὰ (kata) = met | κράτος (kratos) = macht | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ηὔξανεν (eyxanen) = groeide | καὶ (kai) = en | ἴσχυεν (ischyen) = was sterk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράτος (kratos), ‘macht’: het Grieks kan ook gelezen worden als ‘het woord van de Heer groeide krachtig’. Wij houden de volgorde van het Grieks. ### Paulus maakt plannen **19:21** Toen dit voltooid was, nam Paulus zich in de geest voor om door Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te gaan. Hij zei: „Als ik daar geweest ben, moet ik ook Rome zien.” Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐπληρώθη (eplerothe) = voltooid was | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἔθετο (etheto) = nam zich voor | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πνεύματι (pneumati) = geest | διελθὼν (dielthon) = doorgetrokken zijnde | τὴν (ten) = de | Μακεδονίαν (Makedonian) = Macedonië | καὶ (kai) = en | Ἀχαΐαν (Achaian) = Achaje | πορεύεσθαι (poreuesthai) = te gaan | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | εἰπὼν (eipon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Μετὰ (Meta) = na | τὸ (to) = het | γενέσθαι (genesthai) = zijn | με (me) = ik | ἐκεῖ (ekei) = daar | δεῖ (dei) = moet | με (me) = ik | καὶ (kai) = ook | Ῥώμην (Rhomen) = Rome | ἰδεῖν (idein) = zien Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. Zie Achaje (ongeveer): Achaje was de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland, met Korinte als hoofdstad en Athene als bekendste stad. De grenzen zijn bij benadering. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië. Voetnoot Uitleg: ἐν τῷ πνεύματι (en to pneumati), ‘in de geest’: het Grieks laat open of Paulus’ eigen geest of de Heilige Geest bedoeld is; zie ook 20:22. Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) en Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) zijn beide ‘Jeruzalem’; wij schrijven steeds ‘Jeruzalem’. **19:22** Hij zond twee van hen die hem dienden, Timoteüs en Erastus, naar Macedonië. Zelf bleef hij nog een tijd in Asia. Brontekst: ἀποστείλας (aposteilas) = gezonden hebbend | δὲ (de) = nu | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Μακεδονίαν (Makedonian) = Macedonië | δύο (dyo) = twee | τῶν (ton) = van degenen | διακονούντων (diakonounton) = die dienden | αὐτῷ (auto) = hem | Τιμόθεον (Timotheon) = Timoteüs | καὶ (kai) = en | Ἔραστον (Eraston) = Erastus | αὐτὸς (autos) = zelf | ἐπέσχεν (epeschen) = bleef | χρόνον (chronon) = tijd | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | Ἀσίαν (Asian) = Asia Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Erastus is een naam die ook elders in het Nieuwe Testament voorkomt (Rom. 16:23; 2 Tim. 4:20). Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Zie ook: Rom 16:23; 2 Tim 4:20 ### De opstand in Efeze **19:23** In die tijd ontstond er geen geringe onrust over de Weg. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = ontstond | δὲ (de) = nu | κατὰ (kata) = in | τὸν (ton) = de | καιρὸν (kairon) = tijd | ἐκεῖνον (ekeinon) = die | τάραχος (tarachos) = onrust | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγος (oligos) = geringe | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | ὁδοῦ (hodou) = Weg Bron: SBLGNT **19:24** Een zekere Demetrius, een zilversmid, maakte zilveren heiligdommen van Artemis. Hij bezorgde de vaklieden niet weinig werk. Brontekst: Δημήτριος (Demetrios) = Demetrius | γάρ (gar) = want | τις (tis) = een zekere | ὀνόματι (onomati) = genaamd | ἀργυροκόπος (argyrokopos) = zilversmid | ποιῶν (poion) = makend | ναοὺς (naous) = heiligdommen | ἀργυροῦς (argyrous) = zilveren | Ἀρτέμιδος (Artemidos) = van Artemis | παρείχετο (pareicheto) = verschafte | τοῖς (tois) = aan de | τεχνίταις (technitais) = vaklieden | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγην (oligen) = weinig | ἐργασίαν (ergasian) = werk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἄρτεμις (Artemis): een Griekse godin; in Efeze stond een beroemde tempel voor haar (zie 19:27 en 19:35). ἀργυροκόπος (argyrokopos), ‘zilversmid’. ναός (naos), ‘heiligdom’: de zilveren ‘heiligdommen’ waren waarschijnlijk kleine modellen, bedoeld als gewijde voorwerpen. **19:25** Hij bracht hen en de werklieden van dit soort werk bijeen en zei: „Mannen, jullie weten dat onze welvaart van dit werk komt. Brontekst: οὓς (hous) = wie | συναθροίσας (synathroisas) = bijeengebracht hebbend | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | περὶ (peri) = rond | τὰ (ta) = het | τοιαῦτα (toiauta) = zulke | ἐργάτας (ergatas) = werklieden | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἐπίστασθε (epistasthe) = jullie weten | ὅτι (hoti) = dat | ἐκ (ek) = uit | ταύτης (tautes) = dit | τῆς (tes) = het | ἐργασίας (ergasias) = werk | ἡ (he) = de | εὐπορία (euporia) = welvaart | ἡμῖν (hemin) = voor ons | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **19:26** Jullie zien en horen dat deze Paulus niet alleen in Efeze, maar bijna in heel Asia een flinke menigte heeft overgehaald en ervan afgebracht. Hij zegt dat goden die met handen gemaakt worden, geen goden zijn. Brontekst: καὶ (kai) = en | θεωρεῖτε (theoreite) = zien jullie | καὶ (kai) = en | ἀκούετε (akouete) = horen jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | μόνον (monon) = alleen | Ἐφέσου (Ephesou) = van Efeze | ἀλλὰ (alla) = maar | σχεδὸν (schedon) = bijna | πάσης (pases) = heel | τῆς (tes) = de | Ἀσίας (Asias) = Asia | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | οὗτος (houtos) = deze | πείσας (peisas) = overgehaald hebbend | μετέστησεν (metestesen) = heeft afgebracht | ἱκανὸν (hikanon) = aanzienlijke | ὄχλον (ochlon) = menigte | λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | εἰσὶν (eisin) = zijn | θεοὶ (theoi) = goden | οἱ (hoi) = die | διὰ (dia) = door | χειρῶν (cheiron) = handen | γινόμενοι (ginomenoi) = gemaakt worden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 115:4–8 en Jes. 44:9–20 over beelden die mensenhanden gemaakt hebben. Zie ook: Ps 115:4–8; Jes 44:9–20 **19:27** Niet alleen dreigt dit deel van ons werk in diskrediet te raken. Ook dreigt de tempel van de grote godin Artemis voor niets gerekend te worden. Zij zal zelfs van haar grootheid worden beroofd, die heel Asia en de bewoonde wereld vereren.” Brontekst: οὐ (ou) = niet | μόνον (monon) = alleen | δὲ (de) = nu | τοῦτο (touto) = dit | κινδυνεύει (kindyneuei) = dreigt | ἡμῖν (hemin) = voor ons | τὸ (to) = het | μέρος (meros) = deel | εἰς (eis) = in | ἀπελεγμὸν (apelegmon) = diskrediet | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = het | τῆς (tes) = van de | μεγάλης (megales) = grote | θεᾶς (theas) = godin | Ἀρτέμιδος (Artemidos) = Artemis | ἱερὸν (hieron) = tempel | εἰς (eis) = tot | οὐθὲν (outhen) = niets | λογισθῆναι (logisthenai) = gerekend te worden | μέλλειν (mellein) = zal | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | καθαιρεῖσθαι (kathaireisthai) = beroofd te worden | τῆς (tes) = van de | μεγαλειότητος (megaleiotetos) = grootheid | αὐτῆς (autes) = haar | ἣν (hen) = die | ὅλη (hole) = heel | ἡ (he) = de | Ἀσία (Asia) = Asia | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | οἰκουμένη (oikoumene) = bewoonde wereld | σέβεται (sebetai) = vereert Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tempel van Artemis (Efeze): De tempel van Artemis (het Artemision) stond in Efeze, bij Selçuk, en was een van de zeven wereldwonderen. Alleen resten zijn bewaard. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelcomplex; in vers 24 staat ναός, ‘heiligdom’. Het Grieks noemt bij ‘beroofd worden van haar grootheid’ geen onderwerp: dat kan de tempel of de godin zelf zijn. μεγαλειότης (megaleiotes), ‘grootheid’. οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: zie 17:6. Zie ook: Hand 19:24 **19:28** Toen zij dit hoorden, werden zij vol woede en riepen zij: „Groot is Artemis van de Efeziërs!” Brontekst: Ἀκούσαντες (Akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = en | γενόμενοι (genomenoi) = geworden zijnde | πλήρεις (plereis) = vol | θυμοῦ (thymou) = woede | ἔκραζον (ekrazon) = riepen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Μεγάλη (Megale) = groot | ἡ (he) = de | Ἄρτεμις (Artemis) = Artemis | Ἐφεσίων (Ephesion) = van de Efeziërs Bron: SBLGNT **19:29** De stad raakte vol verwarring. Eensgezind stormden zij naar het theater en sleepten Gaius en Aristarchus mee, Macedoniërs en reisgenoten van Paulus. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπλήσθη (eplesthe) = werd gevuld | ἡ (he) = de | πόλις (polis) = stad | τῆς (tes) = van de | συγχύσεως (synchyseos) = verwarring | ὥρμησάν (hormesan) = stormden | τε (te) = en | ὁμοθυμαδὸν (homothymadon) = eensgezind | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | θέατρον (theatron) = theater | συναρπάσαντες (synarpasantes) = meegesleurd hebbend | Γάϊον (Gaion) = Gaius | καὶ (kai) = en | Ἀρίσταρχον (Aristarchon) = Aristarchus | Μακεδόνας (Makedonas) = Macedoniërs | συνεκδήμους (synekdemous) = reisgenoten | Παύλου (Paulou) = van Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Theater van Efeze: Het grote theater van Efeze lag tegen de berg Pion, in het centrum van de stad, bij Selçuk. Het bood plaats aan ongeveer 25.000 mensen. Voetnoot Uitleg: Γάϊος (Gaios), ‘Gaius’: hier een Macedoniër; in 20:4 komt een Gaius uit Derbe voor. Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. θέατρον (theatron), ‘theater’: de grote open ruimte waar het volk bijeenkwam. **19:30** Paulus wilde de volksvergadering ingaan, maar de leerlingen lieten het hem niet toe. Brontekst: Παύλου (Paulou) = van Paulus | δὲ (de) = nu | βουλομένου (boulomenou) = willend | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | δῆμον (demon) = volksvergadering | οὐκ (ouk) = niet | εἴων (eion) = lieten toe | αὐτὸν (auton) = hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δῆμος (demos), ‘volksvergadering’: zie 17:5. **19:31** Ook enkele Asiarchen, die vrienden van hem waren, stuurden een bericht naar hem en vroegen hem dringend zich niet in het theater te wagen. Brontekst: τινὲς (tines) = enkele | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | τῶν (ton) = van de | Ἀσιαρχῶν (Asiarchon) = Asiarchen | ὄντες (ontes) = zijnde | αὐτῷ (auto) = hem | φίλοι (philoi) = vrienden | πέμψαντες (pempsantes) = gestuurd hebbend | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | παρεκάλουν (parekaloun) = vroegen dringend | μὴ (me) = niet | δοῦναι (dounai) = te geven | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | θέατρον (theatron) = theater Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Theater van Efeze: Het grote theater van Efeze lag tegen de berg Pion, in het centrum van de stad, bij Selçuk. Het bood plaats aan ongeveer 25.000 mensen. Voetnoot Uitleg: Ἀσιάρχης (Asiarches), ‘Asiarch’: een hoge functionaris uit de provincie Asia. Wat hun taak precies was, zegt de tekst niet. παρακαλέω (parakaleo), ‘dringend vragen’: het woord kan ook ‘bemoedigen’ betekenen (zie 20:1). **19:32** Sommigen riepen het een, anderen iets anders, want de vergadering was in verwarring en de meesten wisten niet waarom zij bijeengekomen waren. Brontekst: ἄλλοι (alloi) = anderen | μὲν (men) = immers | οὖν (oun) = dus | ἄλλο (allo) = iets anders | τι (ti) = iets | ἔκραζον (ekrazon) = riepen | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = de | ἐκκλησία (ekklesia) = vergadering | συγκεχυμένη (synkechymene) = in verwarring | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πλείους (pleious) = meesten | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδεισαν (edeisan) = wisten | τίνος (tinos) = waarom | ἕνεκα (heneka) = omwille van | συνεληλύθεισαν (synelelytheisan) = bijeengekomen waren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκκλησία (ekklesia), ‘vergadering’: hier de samengestroomde menigte, niet de gemeente van Yeshua; zo ook in 19:39 en 19:40. Elders vertalen wij het met ‘gemeente’. **19:33** Uit de menigte brachten sommigen Alexander naar voren, terwijl de Joden hem vooruit schoven. Alexander maakte een gebaar met zijn hand en wilde zich verdedigen tegenover de volksvergadering. Brontekst: ἐκ (ek) = uit | δὲ (de) = nu | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | συνεβίβασαν (synebibasan) = brachten naar voren | Ἀλέξανδρον (Alexandron) = Alexander | προβαλόντων (probalonton) = vooruit schuivend | αὐτὸν (auton) = hem | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = nu | Ἀλέξανδρος (Alexandros) = Alexander | κατασείσας (kataseisas) = gebaar gemaakt hebbend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἤθελεν (ethelen) = wilde | ἀπολογεῖσθαι (apologeisthai) = zich verdedigen | τῷ (to) = tegenover de | δήμῳ (demo) = volksvergadering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συμβιβάζω (symbibazo), ‘naar voren brengen’: het Griekse woord kan ook ‘onderrichten’ betekenen; de bedoeling is hier niet helemaal duidelijk. Wij nemen aan dat de Joden Alexander naar voren schoven. **19:34** Maar toen zij merkten dat hij een Jood was, klonk er uit allen één stem. Ongeveer twee uur lang riepen zij: „Groot is Artemis van de Efeziërs!” Brontekst: ἐπιγνόντες (epignontes) = herkend hebbend | δὲ (de) = nu | ὅτι (hoti) = dat | Ἰουδαῖός (Ioudaios) = Jood | ἐστιν (estin) = is | φωνὴ (phone) = stem | ἐγένετο (egeneto) = werd | μία (mia) = één | ἐκ (ek) = uit | πάντων (panton) = allen | ὡς (hos) = ongeveer | ἐπὶ (epi) = gedurende | ὥρας (horas) = uren | δύο (dyo) = twee | κραζόντων (krazonton) = roepend | Μεγάλη (Megale) = groot | ἡ (he) = de | Ἄρτεμις (Artemis) = Artemis | Ἐφεσίων (Ephesion) = van de Efeziërs Bron: SBLGNT ### De stadsschrijver brengt de menigte tot bedaren **19:35** De stadsschrijver bracht de menigte tot bedaren. Hij zei: „Efeziërs, wie van de mensen kent de stad van de Efeziërs niet? Zij is de bewaakster van het heiligdom van de grote Artemis en van wat uit de hemel is gevallen. Brontekst: καταστείλας (katasteilas) = tot bedaren gebracht hebbend | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | γραμματεὺς (grammateus) = stadsschrijver | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | φησίν (phesin) = zegt | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἐφέσιοι (Ephesioi) = Efeziërs | τίς (tis) = wie | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ἀνθρώπων (anthropon) = van de mensen | ὃς (hos) = die | οὐ (ou) = niet | γινώσκει (ginoskei) = weet | τὴν (ten) = de | Ἐφεσίων (Ephesion) = van de Efeziërs | πόλιν (polin) = stad | νεωκόρον (neokoron) = bewaakster van het heiligdom | οὖσαν (ousan) = zijnde | τῆς (tes) = van de | μεγάλης (megales) = grote | Ἀρτέμιδος (Artemidos) = Artemis | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van wat | διοπετοῦς (diopetous) = uit de hemel gevallen is Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tempel van Artemis (Efeze): De tempel van Artemis (het Artemision) stond in Efeze, bij Selçuk, en was een van de zeven wereldwonderen. Alleen resten zijn bewaard. Voetnoot Uitleg: γραμματεύς (grammateus), ‘stadsschrijver’: hier een hoge functionaris van de stad Efeze; in de evangeliën vertalen wij het met ‘schriftgeleerde’. νεωκόρος (neokoros), ‘bewaakster van het heiligdom’: een eretitel voor een stad met een tempel; het woord bevat ναός, ‘heiligdom’. διοπετής (diopetes), ‘uit de hemel gevallen’: wat dit is, zegt de tekst niet; waarschijnlijk is het een heilig beeld of een heilige steen van de godin (onzeker). **19:36** Aangezien dit niet te betwisten is, moeten jullie kalm blijven en niets overhaasts doen. Brontekst: ἀναντιρρήτων (anantirreton) = onweerlegbaar | οὖν (oun) = dus | ὄντων (onton) = zijnde | τούτων (touton) = deze dingen | δέον (deon) = nodig | ἐστὶν (estin) = is | ὑμᾶς (hymas) = jullie | κατεσταλμένους (katestalmenous) = bedaard | ὑπάρχειν (hyparchein) = te zijn | καὶ (kai) = en | μηδὲν (meden) = niets | προπετὲς (propetes) = overhaasts | πράσσειν (prassein) = te doen Bron: SBLGNT **19:37** Want jullie hebben deze mannen hierheen gebracht, terwijl zij geen tempelrovers zijn en onze godin niet belasteren. Brontekst: ἠγάγετε (egagete) = brachten jullie | γὰρ (gar) = want | τοὺς (tous) = de | ἄνδρας (andras) = mannen | τούτους (toutous) = deze | οὔτε (oute) = noch | ἱεροσύλους (hierosylous) = tempelrovers | οὔτε (oute) = noch | βλασφημοῦντας (blasphemountas) = lasterend | τὴν (ten) = de | θεὸν (theon) = godin | ἡμῶν (hemon) = van ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόσυλος (hierosylos), ‘tempelrover’: iemand die een tempel plundert. τὴν θεόν (ten theon): met vrouwelijk lidwoord, ‘de godin’. **19:38** Als Demetrius en de vaklieden die bij hem zijn een zaak hebben tegen iemand, dan worden er rechtsdagen gehouden en zijn er proconsuls. Laten zij elkaar daar aanklagen. Brontekst: εἰ (ei) = als | μὲν (men) = immers | οὖν (oun) = dus | Δημήτριος (Demetrios) = Demetrius | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | τεχνῖται (technitai) = vaklieden | ἔχουσιν (echousin) = hebben | πρός (pros) = tegen | τινα (tina) = iemand | λόγον (logon) = een zaak | ἀγοραῖοι (agoraioi) = marktdagen | ἄγονται (agontai) = worden gehouden | καὶ (kai) = en | ἀνθύπατοί (anthypatoi) = proconsuls | εἰσιν (eisin) = zijn | ἐγκαλείτωσαν (enkaleitosan) = laten zij aanklagen | ἀλλήλοις (allelois) = elkaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγοραῖοι (agoraioi), ‘rechtsdagen’: letterlijk ‘marktdagen’, dagen waarop recht werd gesproken. ἀνθύπατοι (anthypatoi), ‘proconsuls’: zie 18:12. **19:39** Maar als jullie nog iets verder zoeken, dan wordt dat opgelost in de wettige vergadering. Brontekst: εἰ (ei) = als | δέ (de) = nu | τι (ti) = iets | περαιτέρω (peraitero) = verder | ἐπιζητεῖτε (epizeteite) = zoeken jullie | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐννόμῳ (ennomo) = wettige | ἐκκλησίᾳ (ekklesia) = vergadering | ἐπιλυθήσεται (epilythesetai) = zal worden opgelost Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔννομος ἐκκλησία (ennomos ekklesia), ‘wettige vergadering’: een vergadering die volgens de regels is bijeengeroepen, tegenover deze oploop. **19:40** Want wij lopen gevaar vandaag van oproer beschuldigd te worden. Er is geen enkele reden waarmee wij ons over deze samenscholing kunnen verantwoorden.” Nadat hij dit gezegd had, liet hij de vergadering gaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | γὰρ (gar) = want | κινδυνεύομεν (kindyneuomen) = lopen wij gevaar | ἐγκαλεῖσθαι (enkaleisthai) = beschuldigd te worden | στάσεως (staseos) = van oproer | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | σήμερον (semeron) = vandaag | μηδενὸς (medenos) = geen enkele | αἰτίου (aitiou) = reden | ὑπάρχοντος (hyparchontos) = zijnde | περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wat | οὐ (ou) = niet | δυνησόμεθα (dynesometha) = zullen kunnen | ἀποδοῦναι (apodounai) = af te leggen | λόγον (logon) = rekenschap | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | συστροφῆς (systrophes) = samenscholing | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = deze dingen | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | ἀπέλυσεν (apelysen) = liet gaan | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = vergadering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στάσις (stasis), ‘oproer’. συστροφή (systrophe), ‘samenscholing’: een opeenhoping van mensen. ## Handelingen 20 _Reis door Macedonië en Griekenland, Eutychus in Troas en het afscheid van de ouderlingen van Efeze_ ### Paulus reist naar Macedonië en Griekenland **20:1** Toen de onrust voorbij was, liet Paulus de leerlingen bij zich komen. Hij bemoedigde hen, groette hen en vertrok naar Macedonië. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = het | παύσασθαι (pausasthai) = ophouden | τὸν (ton) = de | θόρυβον (thorybon) = onrust | μεταπεμψάμενος (metapempsamenos) = laten komen hebbend | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | καὶ (kai) = en | παρακαλέσας (parakalesas) = bemoedigd hebbend | ἀσπασάμενος (aspasamenos) = gegroet hebbend | ἐξῆλθεν (exelthen) = vertrok | πορεύεσθαι (poreuesthai) = om te gaan | εἰς (eis) = naar | Μακεδονίαν (Makedonian) = Macedonië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: het woord kan ook ‘vermanen’, ‘troosten’ of ‘dringend vragen’ betekenen (zo in 19:31). Wij schrijven ‘bemoedigen’ hier en in 20:2 en 20:12. ἀσπάζομαι (aspazomai), ‘groeten’: hier bij het afscheid. **20:2** Hij trok door die streken, bemoedigde hen met veel woorden en kwam in Griekenland. Brontekst: διελθὼν (dielthon) = doorgetrokken zijnde | δὲ (de) = nu | τὰ (ta) = de | μέρη (mere) = streken | ἐκεῖνα (ekeina) = die | καὶ (kai) = en | παρακαλέσας (parakalesas) = bemoedigd hebbend | αὐτοὺς (autous) = hen | λόγῳ (logo) = met woord | πολλῷ (pollo) = veel | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | Ἑλλάδα (Hellada) = Griekenland Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Griekenland (Hellas; ongeveer): Met Griekenland (Hellas) bedoelt de tekst het gebied rond de Egeïsche Zee, in het Nieuwe Testament vooral Macedonië en Achaje. De grenzen zijn bij benadering. **20:3** Nadat hij daar drie maanden had doorgebracht, beraamden de Joden een aanslag tegen hem toen hij naar Syrië wilde varen. Hij besloot terug te keren via Macedonië. Brontekst: ποιήσας (poiesas) = doorgebracht hebbend | τε (te) = en | μῆνας (menas) = maanden | τρεῖς (treis) = drie | γενομένης (genomenes) = ontstaan zijnde | ἐπιβουλῆς (epiboules) = aanslag | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | μέλλοντι (mellonti) = op het punt staand | ἀνάγεσθαι (anagesthai) = uit te varen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Συρίαν (Syrian) = Syrië | ἐγένετο (egeneto) = kwam hij | γνώμης (gnomes) = tot een besluit | τοῦ (tou) = om | ὑποστρέφειν (hypostrephein) = terug te keren | διὰ (dia) = via | Μακεδονίας (Makedonias) = Macedonië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad. De grenzen waren niet scherp. Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden. De grenzen zijn bij benadering. ### De reisgenoten van Paulus **20:4** Met hem gingen Sopater, de zoon van Pyrrhus, uit Beroea, Aristarchus en Secundus uit Tessalonica, Gaius uit Derbe, Timoteüs, en uit Asia Tychicus en Trofimus. Brontekst: συνείπετο (syneipeto) = reisden mee | δὲ (de) = nu | αὐτῷ (auto) = met hem | Σώπατρος (Sopatros) = Sopater | Πύρρου (Pyrrou) = van Pyrrhus | Βεροιαῖος (Beroiaios) = uit Beroea | Θεσσαλονικέων (Thessalonikeon) = van de Tessalonicenzen | δὲ (de) = nu | Ἀρίσταρχος (Aristarchos) = Aristarchus | καὶ (kai) = en | Σεκοῦνδος (Sekoundos) = Secundus | καὶ (kai) = en | Γάϊος (Gaios) = Gaius | Δερβαῖος (Derbaios) = uit Derbe | καὶ (kai) = en | Τιμόθεος (Timotheos) = Timoteüs | Ἀσιανοὶ (Asianoi) = uit Asia | δὲ (de) = nu | Τυχικὸς (Tychikos) = Tychicus | καὶ (kai) = en | Τρόφιμος (Trophimos) = Trofimus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Beroea (nu Veria): Beroea lag in het zuidwesten van Macedonië, ten westen van Tessalonica. De stad heet nu Veria. Zie Tessalonica (nu Thessaloniki): Tessalonica was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië, aan de Thermaïsche Golf in het noorden van Griekenland. De stad heet nu Thessaloniki. Zij lag aan de grote weg van oost naar west, de Via Egnatia. Zie Derbe (Kerti Hüyük?; ligging onzeker): De ligging van Derbe is niet zeker. Meestal wordt gedacht aan Kerti Hüyük, ten noordoosten van Karaman, in het binnenland van Zuid-Turkije. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Γάϊος Δερβαῖος (Gaios Derbaios), ‘Gaius uit Derbe’: in 19:29 is Gaius een Macedoniër. Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Ἀσιανοί (Asianoi), ‘uit Asia’: de Romeinse provincie Asia (zie 19:10). **20:5** Zij gingen vooruit en wachtten op ons in Troas. Brontekst: οὗτοι (houtoi) = dezen | δὲ (de) = nu | προσελθόντες (proselthontes) = vooruitgegaan zijnde | ἔμενον (emenon) = wachtten | ἡμᾶς (hemas) = op ons | ἐν (en) = in | Τρῳάδι (Troadi) = Troas Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos. Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië. **20:6** Wij voeren na de dagen van de ongezuurde broden uit Filippi weg en kwamen in vijf dagen bij hen in Troas. Daar bleven wij zeven dagen. Brontekst: ἡμεῖς (hemeis) = wij | δὲ (de) = nu | ἐξεπλεύσαμεν (exepleusamen) = voeren weg | μετὰ (meta) = na | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τῶν (ton) = van de | ἀζύμων (azymon) = ongezuurde broden | ἀπὸ (apo) = uit | Φιλίππων (Philippon) = Filippi | καὶ (kai) = en | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen | πρὸς (pros) = bij | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | Τρῳάδα (Troada) = Troas | ἄχρι (achri) = binnen | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | πέντε (pente) = vijf | οὗ (hou) = waar | διετρίψαμεν (dietripsamen) = verbleven wij | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἑπτά (hepta) = zeven Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Filippi: Filippi lag in het oosten van Macedonië, ongeveer 15 km landinwaarts van de haven Neapolis. Het was een Romeinse kolonie. Het is niet de stad Caesarea Filippi uit de evangeliën. Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos. Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië. Voetnoot Uitleg: ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurde broden’: het feest van de ongezuurde broden volgt op het Pesach en duurt zeven dagen (Lev. 23:6). Het gaat dus om het begin van de lente. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:1. Zie ook: Lev 23:6; Luc 22:1 ### Eutychus in Troas **20:7** Op de eerste dag van de week, toen wij bijeengekomen waren om brood te breken, sprak Paulus met hen. Omdat hij de volgende dag zou vertrekken, zette hij zijn toespraak voort tot middernacht. Brontekst: Ἐν (En) = op | δὲ (de) = nu | τῇ (te) = de | μιᾷ (mia) = eerste | τῶν (ton) = van de | σαββάτων (sabbaton) = sabbatten | συνηγμένων (synegmenon) = bijeengekomen zijnde | ἡμῶν (hemon) = wij | κλάσαι (klasai) = te breken | ἄρτον (arton) = brood | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | διελέγετο (dielegeto) = sprak | αὐτοῖς (autois) = met hen | μέλλων (mellon) = op het punt staand | ἐξιέναι (exienai) = te vertrekken | τῇ (te) = de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | παρέτεινέν (pareteinen) = rekte uit | τε (te) = en | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | μέχρι (mechri) = tot | μεσονυκτίου (mesonyktiou) = middernacht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μία τῶν σαββάτων (mia ton sabbaton), ‘de eerste dag van de week’: letterlijk ‘de eerste van de sabbatten’, de dag na de sabbat. κλάσαι ἄρτον (klasai arton), ‘brood breken’: een gezamenlijke maaltijd. Voetnoot : Zie ook Luc. 24:30; Luc. 24:35. Zie ook: Luc 24:30; Luc 24:35 **20:8** Er waren veel lampen in de bovenzaal waar wij bijeengekomen waren. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = nu | λαμπάδες (lampades) = lampen | ἱκαναὶ (hikanai) = veel | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὑπερῴῳ (hyperoo) = bovenzaal | οὗ (hou) = waar | ἦμεν (emen) = waren wij | συνηγμένοι (synegmenoi) = bijeengekomen Bron: SBLGNT **20:9** Een jongeman met de naam Eutychus zat in het venster en zakte weg in een diepe slaap, terwijl Paulus nog langer sprak. Overmand door de slaap viel hij van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgetild. Brontekst: καθεζόμενος (kathezomenos) = zittend | δέ (de) = nu | τις (tis) = een zekere | νεανίας (neanias) = jongeman | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Εὔτυχος (Eutychos) = Eutychus | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = het | θυρίδος (thyridos) = venster | καταφερόμενος (katapheromenos) = wegzakkend | ὕπνῳ (hypno) = in slaap | βαθεῖ (bathei) = diepe | διαλεγομένου (dialegomenou) = sprekend | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus | ἐπὶ (epi) = voor | πλεῖον (pleion) = langere tijd | κατενεχθεὶς (katenechtheis) = meegesleept | ἀπὸ (apo) = door | τοῦ (tou) = de | ὕπνου (hypnou) = slaap | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | τριστέγου (tristegou) = derde verdieping | κάτω (kato) = naar beneden | καὶ (kai) = en | ἤρθη (erthe) = werd opgetild | νεκρός (nekros) = dood Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Εὔτυχος (Eutychos), ‘Eutychus’: de naam betekent ‘gelukkig’. θυρίς (thyris), ‘venster’: een opening in de muur. τρίστεγον (tristegon), ‘derde verdieping’: de derde laag van het gebouw. ἤρθη νεκρός (erthe nekros), ‘werd dood opgetild’: de tekst zegt dat hij dood was. **20:10** Paulus ging naar beneden, wierp zich over hem heen, omarmde hem en zei: „Raak niet in onrust, want zijn ziel is in hem.” Brontekst: καταβὰς (katabas) = naar beneden gegaan zijnde | δὲ (de) = nu | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἐπέπεσεν (epepesen) = wierp zich | αὐτῷ (auto) = op hem | καὶ (kai) = en | συμπεριλαβὼν (symperilabon) = omarmd hebbend | εἶπεν (eipen) = zei | Μὴ (Me) = niet | θορυβεῖσθε (thorybeisthe) = raakt in onrust | ἡ (he) = de | γὰρ (gar) = want | ψυχὴ (psyche) = ziel | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπέπεσεν (epepesen), ‘wierp zich over hem heen’: zoals Elia en Elisa deden bij een dood kind (1 Kon. 17:21; 2 Kon. 4:34). ψυχή (psyche), ‘ziel’: ook ‘leven’. θορυβέω (thorybeo), ‘in onrust raken’. Zie ook: 1 Kon 17:21; 2 Kon 4:34 **20:11** Hij ging weer naar boven, brak het brood en at. Hij sprak nog lang met hen, tot het dag werd, en vertrok toen. Brontekst: ἀναβὰς (anabas) = omhooggegaan zijnde | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = en | κλάσας (klasas) = gebroken hebbend | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | καὶ (kai) = en | γευσάμενος (geusamenos) = gegeten hebbend | ἐφ’ (eph’) = tot | ἱκανόν (hikanon) = lange tijd | τε (te) = en | ὁμιλήσας (homilesas) = gesproken hebbend | ἄχρι (achri) = tot | αὐγῆς (auges) = dageraad | οὕτως (houtos) = zo | ἐξῆλθεν (exelthen) = vertrok Bron: SBLGNT **20:12** Zij brachten de jongen levend weg, en zij werden niet weinig bemoedigd. Brontekst: ἤγαγον (egagon) = brachten | δὲ (de) = nu | τὸν (ton) = de | παῖδα (paida) = jongen | ζῶντα (zonta) = levend | καὶ (kai) = en | παρεκλήθησαν (pareklethesan) = werden bemoedigd | οὐ (ou) = niet | μετρίως (metrios) = matig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παῖς (pais), ‘jongen’: het woord kan ook ‘knecht’ of ‘kind’ betekenen; hier is het de jongeman uit vers 9. παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: zie vers 1. Zie ook: Hand 20:1; Hand 20:9 ### De reis naar Milete **20:13** Wij gingen vooruit naar het schip en voeren naar Assos. Daar wilden wij Paulus aan boord nemen, want zo had hij het bepaald: hij zelf wilde te voet gaan. Brontekst: Ἡμεῖς (Hemeis) = wij | δὲ (de) = nu | προελθόντες (proelthontes) = vooruitgegaan zijnde | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = het | πλοῖον (ploion) = schip | ἀνήχθημεν (anechthemen) = voeren uit | ἐπὶ (epi) = naar | τὴν (ten) = de | Ἆσσον (Asson) = Assos | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | μέλλοντες (mellontes) = op het punt staand | ἀναλαμβάνειν (analambanein) = aan boord te nemen | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | οὕτως (houtos) = zo | γὰρ (gar) = want | διατεταγμένος (diatetagmenos) = bepaald | ἦν (en) = had | μέλλων (mellon) = voornemend | αὐτὸς (autos) = hijzelf | πεζεύειν (pezeuein) = te voet te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Assos: Assos (Behramkale) lag aan de zuidkust van de Troas, tegenover het eiland Lesbos. **20:14** Toen hij ons in Assos ontmoette, namen wij hem aan boord en kwamen in Mitylene. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | συνέβαλλεν (syneballen) = ontmoette | ἡμῖν (hemin) = ons | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | Ἆσσον (Asson) = Assos | ἀναλαβόντες (analabontes) = aan boord genomen hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen wij | εἰς (eis) = in | Μιτυλήνην (Mitylenen) = Mitylene Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Assos: Assos (Behramkale) lag aan de zuidkust van de Troas, tegenover het eiland Lesbos. Zie Mitylene: Mitylene (Mytilini) is de hoofdstad van het eiland Lesbos, in de Egeïsche Zee. **20:15** Vandaar voeren wij verder en kwamen de volgende dag tegenover Chios. De dag daarna staken wij over naar Samos, en de dag erop kwamen wij in Milete. Brontekst: κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | ἀποπλεύσαντες (apopleusantes) = uitgevaren zijnde | τῇ (te) = op de | ἐπιούσῃ (epiouse) = volgende | κατηντήσαμεν (katentesamen) = kwamen wij aan | ἄντικρυς (antikrys) = tegenover | Χίου (Chiou) = Chios | τῇ (te) = op de | δὲ (de) = nu | ἑτέρᾳ (hetera) = andere | παρεβάλομεν (parebalomen) = staken wij over | εἰς (eis) = naar | Σάμον (Samon) = Samos | τῇ (te) = op de | δὲ (de) = nu | ἐχομένῃ (echomene) = daaropvolgende | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen wij | εἰς (eis) = in | Μίλητον (Mileton) = Milete Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Chios: Chios is een eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Turkije. Zie Samos: Samos is een eiland in de Egeïsche Zee, vlak voor de kust van Turkije, tegenover Milete. Zie Milete: Milete lag aan de westkust van Turkije, ongeveer 50 km ten zuiden van Efeze. Daar nam Paulus afscheid van de oudsten van Efeze. **20:16** Paulus had namelijk besloten Efeze voorbij te varen, om in Asia geen tijd te verliezen. Hij haastte zich, want hij wilde, als het mogelijk was, op de dag van Pinksteren in Jeruzalem zijn. Brontekst: κεκρίκει (kekrikei) = had besloten | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | παραπλεῦσαι (parapleusai) = voorbij te varen | τὴν (ten) = de | Ἔφεσον (Epheson) = Efeze | ὅπως (hopos) = opdat | μὴ (me) = niet | γένηται (genetai) = zou gebeuren | αὐτῷ (auto) = aan hem | χρονοτριβῆσαι (chronotribesai) = tijd te verliezen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Ἀσίᾳ (Asia) = Asia | ἔσπευδεν (espeuden) = haastte zich | γὰρ (gar) = want | εἰ (ei) = als | δυνατὸν (dynaton) = mogelijk | εἴη (eie) = zou zijn | αὐτῷ (auto) = voor hem | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | τῆς (tes) = van het | πεντηκοστῆς (pentekostes) = Pinksteren | γενέσθαι (genesthai) = te zijn | εἰς (eis) = in | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: πεντηκοστή (pentekoste), ‘Pinksteren’: letterlijk ‘vijftigste (dag)’, het feest van de weken (Hebreeuws Shavuot), vijftig dagen na het Pesach (Lev. 23:15–16; Deut. 16:9–10). Voetnoot : Zie ook Hand. 2:1. Zie ook: Lev 23:15–16; Deut 16:9–10; Hand 2:1 ### De afscheidsrede aan de ouderlingen van Efeze **20:17** Vanuit Milete stuurde hij een bericht naar Efeze en liet de ouderlingen van de gemeente bij zich roepen. Brontekst: Ἀπὸ (Apo) = vanuit | δὲ (de) = nu | τῆς (tes) = de | Μιλήτου (Miletou) = Milete | πέμψας (pempsas) = gestuurd hebbend | εἰς (eis) = naar | Ἔφεσον (Epheson) = Efeze | μετεκαλέσατο (metekalesato) = liet roepen | τοὺς (tous) = de | πρεσβυτέρους (presbyterous) = ouderlingen | τῆς (tes) = van de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeente Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Milete: Milete lag aan de westkust van Turkije, ongeveer 50 km ten zuiden van Efeze. Daar nam Paulus afscheid van de oudsten van Efeze. Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk. Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia. Voetnoot Uitleg: πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderlingen’: de oudsten van de gemeente. In vers 28 heten zij ἐπίσκοποι (episkopoi), ‘opzieners’. Wij gebruiken voor elk Grieks woord een eigen Nederlands woord. Zie ook: Hand 20:28 **20:18** Toen zij bij hem gekomen waren, zei hij tegen hen: „Jullie weten hoe ik vanaf de eerste dag dat ik Asia betrad, de hele tijd bij jullie ben geweest. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | παρεγένοντο (paregenonto) = waren aangekomen | πρὸς (pros) = bij | αὐτὸν (auton) = hem | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | ἐπίστασθε (epistasthe) = weten | ἀπὸ (apo) = vanaf | πρώτης (protes) = eerste | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἀφ’ (aph’) = vanaf | ἧς (hes) = welke | ἐπέβην (epeben) = betrad ik | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἀσίαν (Asian) = Asia | πῶς (pos) = hoe | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | τὸν (ton) = de | πάντα (panta) = hele | χρόνον (chronon) = tijd | ἐγενόμην (egenomen) = was ik Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. **20:19** Ik diende de Heer met alle nederigheid, onder tranen en beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen van de Joden. Brontekst: δουλεύων (douleuon) = dienend | τῷ (to) = de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | μετὰ (meta) = met | πάσης (pases) = alle | ταπεινοφροσύνης (tapeinophrosynes) = nederigheid | καὶ (kai) = en | δακρύων (dakryon) = tranen | καὶ (kai) = en | πειρασμῶν (peirasmon) = beproevingen | τῶν (ton) = die | συμβάντων (symbanton) = overkwamen | μοι (moi) = mij | ἐν (en) = door | ταῖς (tais) = de | ἐπιβουλαῖς (epiboulais) = aanslagen | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δουλεύω (douleuo), ‘dienen’: van δοῦλος (doulos), ‘knecht’; het is het dienen van een knecht. κύριος (kyrios), ‘Heer’: zie 18:8. πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: zoals in Luc. 22:28. In het Grieks vormen de verzen 18–21 één lange zin; wij splitsen hem in korte zinnen. Zie ook: Luc 22:28 **20:20** Ik ben er niet voor teruggedeinsd jullie alles wat nuttig is te melden en te onderwijzen, in het openbaar en van huis tot huis. Brontekst: ὡς (hos) = hoe | οὐδὲν (ouden) = niets | ὑπεστειλάμην (hypesteilamen) = ben teruggedeinsd | τῶν (ton) = van wat | συμφερόντων (sympheronton) = nuttig is | τοῦ (tou) = om | μὴ (me) = niet | ἀναγγεῖλαι (anangeilai) = te melden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | καὶ (kai) = en | διδάξαι (didaxai) = te onderwijzen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | δημοσίᾳ (demosia) = in het openbaar | καὶ (kai) = en | κατ’ (kat’) = per | οἴκους (oikous) = huizen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑποστέλλομαι (hypostellomai), ‘terugdeinzen’: letterlijk ‘zich terugtrekken’. Het Grieks zegt hier met twee ontkenningen ‘ik ben niet teruggedeinsd voor het niet-melden’; wij schrijven wat de zin bedoelt. Het woord staat ook in vers 27. ἀναγγέλλω (anangello), ‘melden’; κατ’ οἴκους (kat’ oikous), letterlijk ‘per huis’. Zie ook: Hand 20:27 **20:21** Ik getuigde zowel Joden als Grieken van de bekering tot Elohim en het geloof in onze Heer Yeshua. Brontekst: διαμαρτυρόμενος (diamartyromenos) = getuigend | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = aan Joden | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = en | Ἕλλησιν (Hellesin) = Grieken | τὴν (ten) = de | εἰς (eis) = tot | θεὸν (theon) = Elohim | μετάνοιαν (metanoian) = bekering | καὶ (kai) = en | πίστιν (pistin) = geloof | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | ἡμῶν (hemon) = van ons | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: een verandering van denken. πίστις (pistis), ‘geloof’. διαμαρτύρομαι (diamartyromai), ‘getuigen’: zie 18:5. **20:22** En nu, zie, ik ga, gebonden in de geest, naar Jeruzalem. Ik weet niet wat mij daar zal overkomen, Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ἰδοὺ (idou) = zie | δεδεμένος (dedemenos) = gebonden | ἐγὼ (ego) = ik | τῷ (to) = in de | πνεύματι (pneumati) = geest | πορεύομαι (poreuomai) = ga | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | τὰ (ta) = wat | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | συναντήσοντά (synantesonta) = zal overkomen | μοι (moi) = mij | μὴ (me) = niet | εἰδώς (eidos) = wetend Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: δεδεμένος τῷ πνεύματι (dedemenos to pneumati), ‘gebonden in de geest’: het Grieks laat open of de eigen geest van Paulus of de Heilige Geest bedoeld is (zie ook 19:21 en vers 23). Zie ook: Hand 20:23 **20:23** behalve dat de Heilige Geest in elke stad aan mij getuigt en zegt dat boeien en verdrukkingen op mij wachten. Brontekst: πλὴν (plen) = behalve | ὅτι (hoti) = dat | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = heilige | κατὰ (kata) = per | πόλιν (polin) = stad | διαμαρτύρεταί (diamartyretai) = getuigt | μοι (moi) = aan mij | λέγον (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | δεσμὰ (desma) = boeien | καὶ (kai) = en | θλίψεις (thlipseis) = verdrukkingen | με (me) = mij | μένουσιν (menousin) = wachten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ὅτι (‘dat’) en spreekt in de ik-vorm (‘op mij’); daarom staan de woorden van de Heilige Geest hier in de indirecte rede. Wij schrijven ze zwart, zonder aanhalingstekens (zoals in 11:12 en 21:4); alleen de rechtstreekse rede van de Geest is rood (bijvoorbeeld 21:11). δεσμά (desma), ‘boeien’; θλίψις (thlipsis), ‘verdrukking’. Voetnoot : Zie ook Hand. 21:11. Zie ook: Hand 21:11 **20:24** Maar mijn leven is mij niets waard, als ik maar mijn wedloop kan voltooien. Ook de dienst die ik van de Heer Yeshua heb ontvangen, wil ik voltooien: te getuigen van de goede boodschap van de genade van Elohim. Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | οὐδενὸς (oudenos) = niets | λόγου (logou) = woord | ποιοῦμαι (poioumai) = maak ik | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | τιμίαν (timian) = kostbaar | ἐμαυτῷ (emauto) = voor mijzelf | ὡς (hos) = als | τελειῶσαι (teleiosai) = te voltooien | τὸν (ton) = de | δρόμον (dromon) = wedloop | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | διακονίαν (diakonian) = dienst | ἣν (hen) = die | ἔλαβον (elabon) = ontving ik | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | διαμαρτύρασθαι (diamartyrasthai) = te getuigen | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | τῆς (tes) = van de | χάριτος (charitos) = genade | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: ook ‘ziel’. δρόμος (dromos), ‘wedloop’: het beeld van een renbaan. διακονία (diakonia), ‘dienst’. Het Grieks heeft één lange zin; wij splitsen en herhalen ‘voltooien’. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat bij ‘mijn wedloop’ de toevoeging ‘met vreugde’. Wij volgen de SBLGNT. Voetnoot : Vergelijk 2 Tim. 4:7. Zie ook: 2 Tim 4:7 **20:25** En nu, zie, ik weet dat jullie allen, onder wie ik rondgegaan ben om het koninkrijk te verkondigen, mijn gezicht niet meer zullen zien. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐγὼ (ego) = ik | οἶδα (oida) = weet | ὅτι (hoti) = dat | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | ὄψεσθε (opsesthe) = zullen zien | τὸ (to) = het | πρόσωπόν (prosopon) = gezicht | μου (mou) = mijn | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | πάντες (pantes) = allen | ἐν (en) = onder | οἷς (hois) = wie | διῆλθον (dielthon) = ging ik rond | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βασιλεία (basileia), ‘koninkrijk’: het Grieks heeft hier geen ‘van Elohim’ (zie 19:8). **20:26** Daarom betuig ik jullie vandaag dat ik rein ben van het bloed van allen, Brontekst: διότι (dioti) = daarom | μαρτύρομαι (martyromai) = betuig ik | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | σήμερον (semeron) = vandaag | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ὅτι (hoti) = dat | καθαρός (katharos) = rein | εἰμι (eimi) = ben ik | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | αἵματος (haimatos) = bloed | πάντων (panton) = van allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καθαρός ἀπὸ τοῦ αἵματος (katharos apo tou haimatos), ‘rein van het bloed’: niet schuldig aan het verderf van anderen; vergelijk 18:6 en Ezech. 33:1–9. Zie ook: Ezech 33:1–9 **20:27** want ik ben er niet voor teruggedeinsd jullie het hele plan van Elohim te melden. Brontekst: οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ὑπεστειλάμην (hypesteilamen) = ben teruggedeinsd | τοῦ (tou) = om | μὴ (me) = niet | ἀναγγεῖλαι (anangeilai) = te melden | πᾶσαν (pasan) = hele | τὴν (ten) = het | βουλὴν (boulen) = plan | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βουλή (boule), ‘plan’: zoals in Luc. 7:30; het woord kan ook ‘raad’ of ‘wil’ betekenen. Zie ook: Luc 7:30 **20:28** Let op jullie zelf en op heel de kudde, waarover de Heilige Geest jullie als opzieners heeft aangesteld om de gemeente van Elohim te hoeden. Die heeft Hij verworven door Zijn eigen bloed. Brontekst: προσέχετε (prosechete) = let op | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf | καὶ (kai) = en | παντὶ (panti) = op heel | τῷ (to) = de | ποιμνίῳ (poimnio) = kudde | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = welke | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = heilige | ἔθετο (etheto) = stelde aan | ἐπισκόπους (episkopous) = opzieners | ποιμαίνειν (poimainein) = te hoeden | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἣν (hen) = die | περιεποιήσατο (periepoiesato) = verwierf | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = het | αἵματος (haimatos) = bloed | τοῦ (tou) = van het | ἰδίου (idiou) = eigene Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπίσκοπος (episkopos), ‘opziener’: iemand die toezicht houdt; in vers 17 heten dezelfde mensen ‘ouderlingen’. ποιμαίνω (poimaino), ‘hoeden’: een kudde hoeden, zoals een herder; vergelijk Ezech. 34:2. περιποιέομαι (peripoieomai), ‘verwerven’: vergelijk Ps. 74:2 (‘Denk aan Uw gemeenschap, die U lang geleden hebt verworven’). τοῦ ἰδίου (tou idiou), ‘eigen’: het Grieks kan gelezen worden als ‘door Zijn eigen bloed’ of als ‘door het bloed van de Eigene’, dat wil zeggen Zijn eigen Zoon. Wij schrijven ‘Zijn eigen bloed’. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘de gemeente van de Heer’ in plaats van ‘de gemeente van Elohim’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Ps 74:2; Ezech 34:2; Hand 20:17 **20:29** Ik weet dat na mijn vertrek woeste wolven bij jullie binnen zullen komen, die de kudde niet zullen sparen. Brontekst: ἐγὼ (ego) = ik | οἶδα (oida) = weet | ὅτι (hoti) = dat | εἰσελεύσονται (eiseleusontai) = zullen binnenkomen | μετὰ (meta) = na | τὴν (ten) = het | ἄφιξίν (aphixin) = vertrek | μου (mou) = mijn | λύκοι (lykoi) = wolven | βαρεῖς (bareis) = woeste | εἰς (eis) = bij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | μὴ (me) = niet | φειδόμενοι (pheidomenoi) = sparend | τοῦ (tou) = de | ποιμνίου (poimniou) = kudde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαρύς (barys), ‘zwaar’: hier ‘woest, hard’. ἄφιξις (afixis), ‘vertrek’: het heengaan van Paulus. **20:30** Ook uit jullie eigen kring zullen mannen opstaan die verdraaide dingen zeggen, om de leerlingen achter zich aan te trekken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | αὐτῶν (auton) = zelf | ἀναστήσονται (anastesontai) = zullen opstaan | ἄνδρες (andres) = mannen | λαλοῦντες (lalountes) = sprekend | διεστραμμένα (diestrammena) = verdraaide dingen | τοῦ (tou) = om | ἀποσπᾶν (apospan) = af te trekken | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | ὀπίσω (opiso) = achter | ἑαυτῶν (heauton) = zichzelf Bron: SBLGNT **20:31** Waak daarom en denk eraan dat ik drie jaar lang, nacht en dag, niet ben opgehouden ieder van jullie onder tranen te waarschuwen. Brontekst: διὸ (dio) = daarom | γρηγορεῖτε (gregoreite) = waakt | μνημονεύοντες (mnemoneuontes) = denkend aan | ὅτι (hoti) = dat | τριετίαν (trietian) = drie jaar | νύκτα (nykta) = nacht | καὶ (kai) = en | ἡμέραν (hemeran) = dag | οὐκ (ouk) = niet | ἐπαυσάμην (epausamen) = ben opgehouden | μετὰ (meta) = met | δακρύων (dakryon) = tranen | νουθετῶν (noutheton) = waarschuwend | ἕνα (hena) = één | ἕκαστον (hekaston) = ieder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νουθετέω (noutheteo), ‘waarschuwen’: ook ‘vermanen’ of ‘terechtwijzen’. τριετία (trietia), ‘drie jaar’: een periode van ongeveer drie jaar; 19:8–10 noemt drie maanden en twee jaar. **20:32** En nu vertrouw ik jullie toe aan Elohim en aan het woord van Zijn genade. Die is in staat op te bouwen en het erfdeel te geven onder allen die geheiligd zijn. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = (de) | νῦν (nyn) = nu | παρατίθεμαι (paratithemai) = vertrouw ik toe | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan het | λόγῳ (logo) = woord | τῆς (tes) = van de | χάριτος (charitos) = genade | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τῷ (to) = die | δυναμένῳ (dynameno) = in staat is | οἰκοδομῆσαι (oikodomesai) = op te bouwen | καὶ (kai) = en | δοῦναι (dounai) = te geven | τὴν (ten) = het | κληρονομίαν (kleronomian) = erfdeel | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | ἡγιασμένοις (hegiasmenois) = geheiligden | πᾶσιν (pasin) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks laat open of ‘die in staat is’ (τῷ δυναμένῳ) Elohim of het woord van Zijn genade is. κληρονομία (kleronomia), ‘erfdeel’. **20:33** Naar zilver, goud of kleding van niemand heb ik verlangd. Brontekst: ἀργυρίου (argyriou) = zilver | ἢ (e) = of | χρυσίου (chrysiou) = goud | ἢ (e) = of | ἱματισμοῦ (himatismou) = kleding | οὐδενὸς (oudenos) = van niemand | ἐπεθύμησα (epethymesa) = verlangde ik Bron: SBLGNT **20:34** Jullie weten zelf dat deze handen hebben voorzien in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren. Brontekst: αὐτοὶ (autoi) = zelf | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | ταῖς (tais) = in de | χρείαις (chreiais) = behoeften | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = in de | οὖσι (ousi) = zijnden | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = mij | ὑπηρέτησαν (hyperetesan) = hebben gediend | αἱ (hai) = de | χεῖρες (cheires) = handen | αὗται (hautai) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπηρετέω (hyperetee), ‘voorzien in’: letterlijk ‘dienen’. Paulus werkte met zijn handen; zie 18:3. **20:35** In alles heb ik jullie laten zien dat men zo, door hard te werken, de zwakken moet bijstaan. Men moet ook denken aan de woorden van de Heer Yeshua, want Hijzelf heeft gezegd: **‘Gelukkiger is het te geven dan te ontvangen.’**” Brontekst: πάντα (panta) = alles | ὑπέδειξα (hypedeixa) = heb ik laten zien | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὕτως (houtos) = zo | κοπιῶντας (kopiontas) = hard werkend | δεῖ (dei) = moet men | ἀντιλαμβάνεσθαι (antilambanesthai) = bijstaan | τῶν (ton) = de | ἀσθενούντων (asthenounton) = zwakken | μνημονεύειν (mnemoneuein) = denken aan | τε (te) = en | τῶν (ton) = de | λόγων (logon) = woorden | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | εἶπεν (eipen) = zei | Μακάριόν (Makarion) = gelukkig | ἐστιν (estin) = is | μᾶλλον (mallon) = meer | διδόναι (didonai) = te geven | ἢ (e) = dan | λαμβάνειν (lambanein) = te ontvangen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze uitspraak van Yeshua staat niet in de evangeliën; Paulus noemt haar een woord van de Heer. μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: zoals in Matt. 5:3. Wij zetten het woord van Yeshua rood. Zie ook: Mat 5:3 ### Het afscheid **20:36** Nadat hij dit gezegd had, knielde hij neer en bad met hen allen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ταῦτα (tauta) = deze dingen | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | θεὶς (theis) = gezet hebbend | τὰ (ta) = de | γόνατα (gonata) = knieën | αὐτοῦ (autou) = zijn | σὺν (syn) = met | πᾶσιν (pasin) = allen | αὐτοῖς (autois) = hen | προσηύξατο (proseyxato) = bad Bron: SBLGNT **20:37** Er ontstond veel geween bij allen. Zij vielen Paulus om de hals en kusten hem. Brontekst: ἱκανὸς (hikanos) = aanzienlijk | δὲ (de) = nu | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | ἐγένετο (egeneto) = ontstond | πάντων (panton) = van allen | καὶ (kai) = en | ἐπιπεσόντες (epipesontes) = gevallen zijnde | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | τράχηλον (trachelon) = hals | τοῦ (tou) = van de | Παύλου (Paulou) = Paulus | κατεφίλουν (katephiloun) = kusten | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **20:38** Het meest bedroefden zij zich om het woord dat hij gesproken had: dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien. Zij begeleidden hem naar het schip. Brontekst: ὀδυνώμενοι (odynomenoi) = bedroefd zijnde | μάλιστα (malista) = vooral | ἐπὶ (epi) = over | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | ᾧ (ho) = dat | εἰρήκει (eirekei) = had gezegd | ὅτι (hoti) = dat | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | μέλλουσιν (mellousin) = zij zouden | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = zijn | θεωρεῖν (theorein) = zien | προέπεμπον (proepempon) = begeleidden | δὲ (de) = nu | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | πλοῖον (ploion) = schip Bron: SBLGNT ## Handelingen 21 _Van Patara naar Jeruzalem, het advies van Jakobus, de beroering in de tempel en de tribuun_ ### De reis naar Tyrus **21:1** Toen wij ons van hen hadden losgemaakt en waren uitgevaren, voeren wij rechtstreeks naar Kos. De volgende dag gingen wij naar Rodos en vandaar naar Patara. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἀναχθῆναι (anachthenai) = uit te varen | ἡμᾶς (hemas) = wij | ἀποσπασθέντας (apospasthentas) = losgemaakt | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | εὐθυδρομήσαντες (euthydromesantes) = rechtstreeks varend | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen wij | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Κῶ (Ko) = Kos | τῇ (te) = de | δὲ (de) = maar | ἑξῆς (hexes) = volgende | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ῥόδον (Rhodon) = Rodos | κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | εἰς (eis) = naar | Πάταρα (Patara) = Patara Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kos: Kos is een eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Zuidwest-Turkije. Zie Rodos: Rodos is een eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Zuidwest-Turkije; de stad Rodos ligt aan de noordpunt. Zie Patara: Patara was een havenstad in Lycië, aan de zuidwestkust van Turkije. **21:2** Daar vonden wij een schip dat naar Fenicië overvoer. Wij gingen aan boord en voeren uit. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὑρόντες (heurontes) = vindend | πλοῖον (ploion) = schip | διαπερῶν (diaperon) = overvarend | εἰς (eis) = naar | Φοινίκην (Phoiniken) = Fenicië | ἐπιβάντες (epibantes) = aan boord gegaan | ἀνήχθημεν (anechthemen) = voeren wij uit Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Fenicië (kuststreek): Fenicië was de kuststrook aan de Middellandse Zee rond Tyrus en Sidon, nu vooral Libanon, met de aangrenzende kust van Israël en Syrië. De grenzen zijn niet scherp. **21:3** Wij kregen Cyprus in zicht, lieten het links liggen en voeren naar Syrië. Wij kwamen aan in Tyrus, want daar was het schip zijn lading aan het lossen. Brontekst: ἀναφάναντες (anaphanantes) = in zicht krijgend | δὲ (de) = maar | τὴν (ten) = de | Κύπρον (Kypron) = Cyprus | καὶ (kai) = en | καταλιπόντες (katalipontes) = achterlatend | αὐτὴν (auten) = het | εὐώνυμον (euonymon) = links | ἐπλέομεν (epleomen) = voeren wij | εἰς (eis) = naar | Συρίαν (Syrian) = Syrië | καὶ (kai) = en | κατήλθομεν (katelthomen) = kwamen wij aan | εἰς (eis) = in | Τύρον (Tyron) = Tyrus | ἐκεῖσε (ekeise) = daarheen | γὰρ (gar) = want | τὸ (to) = het | πλοῖον (ploion) = schip | ἦν (en) = was | ἀποφορτιζόμενον (apophortizomenon) = aan het lossen | τὸν (ton) = de | γόμον (gomon) = lading Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad. De grenzen waren niet scherp. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: εὐώνυμος (euonymos), ‘links’: letterlijk ‘van goede naam’, een vriendelijke omschrijving voor de linkerkant. Cyprus lag dus links van het schip. **21:4** Wij zochten de leerlingen op en bleven daar zeven dagen. Zij zeiden door de Geest tegen Paulus dat hij niet naar Jeruzalem moest opgaan. Brontekst: ἀνευρόντες (aneurontes) = opsporend | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | ἐπεμείναμεν (epemeinamen) = bleven wij | αὐτοῦ (autou) = daar | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἑπτά (hepta) = zeven | οἵτινες (hoitines) = zij die | τῷ (to) = aan | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | ἔλεγον (elegon) = zeiden | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | μὴ (me) = niet | ἐπιβαίνειν (epibainein) = op te gaan | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft alleen ‘door de Geest’ (πνεῦμα, pneuma). Wij lezen dit als de Geest van Elohim; het kan ook de eigen geest van de leerlingen zijn. Vergelijk 20:22–23, waar Paulus zegt dat hij ‘gebonden door de Geest’ naar Jeruzalem gaat. ἐπιβαίνω (epibaino), ‘opgaan’: letterlijk ‘een voet zetten op’. Wat zij ‘door de Geest’ zeiden, staat in onrechtstreekse rede en dus zwart (zoals in 11:12 en 20:23). **21:5** Toen wij die dagen hadden volbracht, vertrokken wij en gingen verder. Allen begeleidden ons, met vrouwen en kinderen, tot buiten de stad. Wij knielden op het strand en baden. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = maar | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐξαρτίσαι (exartisai) = te voltooien | ἡμᾶς (hemas) = wij | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἐξελθόντες (exelthontes) = vertrokken | ἐπορευόμεθα (eporeuometha) = gingen wij verder | προπεμπόντων (propemponton) = uitgeleide doend | ἡμᾶς (hemas) = ons | πάντων (panton) = allen | σὺν (syn) = met | γυναιξὶ (gynaixi) = vrouwen | καὶ (kai) = en | τέκνοις (teknois) = kinderen | ἕως (heos) = tot | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | θέντες (thentes) = zettend | τὰ (ta) = de | γόνατα (gonata) = knieën | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = het | αἰγιαλὸν (aigialon) = strand | προσευξάμενοι (proseuxamenoi) = biddend Bron: SBLGNT **21:6** Wij namen afscheid van elkaar en gingen aan boord van het schip. Zij keerden terug naar huis. Brontekst: ἀπησπασάμεθα (apespasametha) = namen wij afscheid | ἀλλήλους (allelous) = van elkaar | καὶ (kai) = en | ἐνέβημεν (enebemen) = stapten wij | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πλοῖον (ploion) = schip | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = zij | δὲ (de) = maar | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = het | ἴδια (idia) = eigene Bron: SBLGNT ### Ptolemaïs en Caesarea **21:7** Wij voltooiden de vaart van Tyrus en kwamen aan in Ptolemaïs. Wij groetten de broers en bleven één dag bij hen. Brontekst: Ἡμεῖς (Hemeis) = wij | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = de | πλοῦν (ploun) = vaart | διανύσαντες (dianysantes) = voltooid hebbend | ἀπὸ (apo) = vanaf | Τύρου (Tyrou) = Tyrus | κατηντήσαμεν (katentesamen) = kwamen wij aan | εἰς (eis) = in | Πτολεμαΐδα (Ptolemaida) = Ptolemaïs | καὶ (kai) = en | ἀσπασάμενοι (aspasamenoi) = groetend | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ἐμείναμεν (emeinamen) = bleven wij | ἡμέραν (hemeran) = dag | μίαν (mian) = één | παρ’ (par’) = bij | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Ptolemaïs: Ptolemaïs is het oude Akko, aan de noordkant van de baai van Haifa, in het noorden van Israël. Voetnoot Uitleg: ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: de gelovigen. Wij vertalen ἀδελφός overal met ‘broer’. **21:8** De volgende dag vertrokken wij en kwamen in Caesarea. Wij gingen het huis binnen van Filippus, de verkondiger van de goede boodschap, een van de zeven, en bleven bij hem. Brontekst: τῇ (te) = de | δὲ (de) = maar | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἐξελθόντες (exelthontes) = vertrokken | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen wij | εἰς (eis) = in | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | καὶ (kai) = en | εἰσελθόντες (eiselthontes) = binnengaand | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | Φιλίππου (Philippou) = van Filippus | τοῦ (tou) = de | εὐαγγελιστοῦ (euangelistou) = verkondiger van de goede boodschap | ὄντος (ontos) = zijnde | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἑπτὰ (hepta) = zeven | ἐμείναμεν (emeinamen) = bleven wij | παρ’ (par’) = bij | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: εὐαγγελιστής (euangelistes), ‘verkondiger van de goede boodschap’: iemand die de goede boodschap brengt (εὐαγγελίζομαι). Filippus is een van de zeven van Hand. 6:5; zie ook Hand. 8:5–40. Zie ook: Hand 6:5; Hand 8:5–40 **21:9** Deze had vier dochters, maagden, die profeteerden. Brontekst: τούτῳ (touto) = aan deze | δὲ (de) = maar | ἦσαν (esan) = waren | θυγατέρες (thygateres) = dochters | τέσσαρες (tessares) = vier | παρθένοι (parthenoi) = maagden | προφητεύουσαι (propheteuousai) = profeterend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρθένος (parthenos), ‘maagd’: een ongehuwde jonge vrouw, zoals in Matt. 25:1. Zie ook: Mat 25:1 ### De profetie van Agabus **21:10** Toen wij daar al meerdere dagen bleven, kwam een profeet uit Judea, Agabus genaamd, naar beneden. Brontekst: ἐπιμενόντων (epimenonton) = blijvend | δὲ (de) = maar | ἡμέρας (hemeras) = dagen | πλείους (pleious) = meerdere | κατῆλθέν (katelthen) = kwam naar beneden | τις (tis) = een zekere | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | προφήτης (prophetes) = profeet | ὀνόματι (onomati) = met de naam | Ἅγαβος (Hagabos) = Agabus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: Ἅγαβος (Hagabos), ‘Agabus’: een profeet die ook genoemd wordt in Hand. 11:28. Zie ook: Hand 11:28 **21:11** Hij kwam naar ons toe, nam de gordel van Paulus, bond zijn eigen voeten en handen. Hij zei: „Zo zegt de Heilige Geest: **‘De man van wie deze gordel is, zullen de Joden zo in Jeruzalem binden. Zij zullen hem overleveren in de handen van de volken.’**” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | πρὸς (pros) = naar | ἡμᾶς (hemas) = ons | καὶ (kai) = en | ἄρας (aras) = opnemend | τὴν (ten) = de | ζώνην (zonen) = gordel | τοῦ (tou) = van | Παύλου (Paulou) = Paulus | δήσας (desas) = bindend | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | εἶπεν (eipen) = zei hij | Τάδε (Tade) = dit | λέγει (legei) = zegt | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | Τὸν (Ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | οὗ (hou) = van wie | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | ζώνη (zone) = gordel | αὕτη (haute) = deze | οὕτως (houtos) = zo | δήσουσιν (desousin) = zullen binden | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | παραδώσουσιν (paradosousin) = zullen overleveren | εἰς (eis) = in | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐθνῶν (ethnon) = van volken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Τάδε λέγει (Tade legei), ‘Zo zegt’: de vorm waarmee de profeten in het Oude Testament Yahweh laten spreken. Hier spreekt Agabus namens de Heilige Geest. De tekenhandeling met de gordel doet denken aan Jer. 13:1–11 en Jes. 20:2–4. De Heilige Geest spreekt hier zelf. Wij zetten Zijn woorden rood, omdat de Geest Elohim is; de inleiding ‘Zo zegt de Heilige Geest’ is van Agabus en blijft zwart (zoals in 28:25–26). Voetnoot : Zie ook Hand. 11:28; Hand. 20:23. Zie ook: Jes 20:2–4; Jer 13:1–11; Hand 11:28; Hand 20:23 **21:12** Toen wij dit hoorden, drongen wij en ook de mensen van die plaats er bij hem op aan niet naar Jeruzalem op te gaan. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἠκούσαμεν (ekousamen) = hoorden wij | ταῦτα (tauta) = dit | παρεκαλοῦμεν (parekaloumen) = drongen wij aan | ἡμεῖς (hemeis) = wij | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | οἱ (hoi) = de | ἐντόπιοι (entopioi) = plaatselijke | τοῦ (tou) = opdat | μὴ (me) = niet | ἀναβαίνειν (anabainein) = zou opgaan | αὐτὸν (auton) = hij | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **21:13** Toen antwoordde Paulus: „Wat doen jullie, dat jullie huilen en mijn hart breken? Want ik ben bereid om in Jeruzalem niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven voor de naam van de Heer Yeshua.” Brontekst: τότε (tote) = toen | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Τί (Ti) = wat | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie | κλαίοντες (klaiontes) = huilend | καὶ (kai) = en | συνθρύπτοντές (synthryptontes) = verbrijzelend | μου (mou) = mijn | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | ἐγὼ (ego) = ik | γὰρ (gar) = want | οὐ (ou) = niet | μόνον (monon) = alleen | δεθῆναι (dethenai) = gebonden te worden | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | ἀποθανεῖν (apothanein) = te sterven | εἰς (eis) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἑτοίμως (hetoimos) = bereid | ἔχω (echo) = ben ik | ὑπὲρ (hyper) = voor | τοῦ (tou) = de | ὀνόματος (onomatos) = naam | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: Lucas noemt Yeshua zo als titel; zie Luc. 7:13. ‘De naam van de Heer Yeshua’: de naam staat voor de persoon zelf. Zie ook: Luc 7:13 **21:14** Omdat hij zich niet liet overtuigen, zwegen wij. Wij zeiden: „Laat de wil van de Heer geschieden.” Brontekst: μὴ (me) = niet | πειθομένου (peithomenou) = overtuigd wordend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | ἡσυχάσαμεν (hesychasamen) = zwegen wij | εἰπόντες (eipontes) = zeggend | Τοῦ (Tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | γινέσθω (ginestho) = laat geschieden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: het Grieks zegt niet of Yeshua of Elohim bedoeld is. Vergelijk Luc. 22:42. Zie ook: Luc 22:42 ### Paulus komt in Jeruzalem aan **21:15** Na deze dagen maakten wij ons reisklaar en trokken op naar Jeruzalem. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ταύτας (tautas) = deze | ἐπισκευασάμενοι (episkeuasamenoi) = ons klaargemaakt hebbend | ἀνεβαίνομεν (anebainomen) = gingen wij op | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **21:16** Ook enkele leerlingen uit Caesarea gingen met ons mee. Zij brachten ons naar een zekere Mnason uit Cyprus, een leerling van lang geleden, bij wie wij te gast zouden zijn. Brontekst: συνῆλθον (synelthon) = gingen mee | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | ἀπὸ (apo) = uit | Καισαρείας (Kaisareias) = Caesarea | σὺν (syn) = met | ἡμῖν (hemin) = ons | ἄγοντες (agontes) = brengend | παρ’ (par’) = bij | ᾧ (ho) = wie | ξενισθῶμεν (xenisthomen) = wij te gast zouden zijn | Μνάσωνί (Mnasoni) = Mnason | τινι (tini) = een zekere | Κυπρίῳ (Kyprio) = uit Cyprus | ἀρχαίῳ (archaio) = oude | μαθητῇ (mathete) = leerling Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Voetnoot Uitleg: ἀρχαῖος (archaios), ‘oud’: Mnason was al lang een leerling. Het Grieks heeft ‘een oude leerling’; wij schrijven ‘een leerling van lang geleden’, om verwarring met zijn leeftijd te voorkomen. **21:17** Toen wij in Jeruzalem waren aangekomen, ontvingen de broers ons blij. Brontekst: Γενομένων (Genomenon) = aangekomen | δὲ (de) = maar | ἡμῶν (hemon) = wij | εἰς (eis) = in | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ἀσμένως (asmenos) = blij | ἀπεδέξαντο (apedexanto) = ontvingen | ἡμᾶς (hemas) = ons | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **21:18** De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus. Alle ouderlingen waren er ook. Brontekst: τῇ (te) = de | δὲ (de) = maar | ἐπιούσῃ (epiouse) = volgende | εἰσῄει (eiseei) = ging naar binnen | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | σὺν (syn) = met | ἡμῖν (hemin) = ons | πρὸς (pros) = naar | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | πάντες (pantes) = allen | τε (te) = en | παρεγένοντο (paregenonto) = waren aanwezig | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = ouderlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰάκωβος (Iakobos), ‘Jakobus’: in Hand. 12:17 en 15:13 heeft een Jakobus een leidende plaats in Jeruzalem; wij nemen aan dat hier dezelfde bedoeld is. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderlingen’: oudere mannen die in de gemeente leiding geven; zie Hand. 15:2. Voor de oudsten van het Joodse volk gebruiken wij ‘oudsten’ (zoals in Luc. 22:52). Zie ook: Luc 22:52; Hand 12:17; Hand 15:2; Hand 15:13 **21:19** Hij groette hen en vertelde stuk voor stuk wat Elohim onder de volken gedaan had door zijn dienst. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀσπασάμενος (aspasamenos) = groetend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐξηγεῖτο (exegeito) = vertelde | καθ’ (kath’) = stuk voor | ἓν (hen) = één | ἕκαστον (hekaston) = elk | ὧν (hon) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = had gedaan | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | διακονίας (diakonias) = dienst | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT ### Het advies van Jakobus en de ouderlingen **21:20** Toen zij het hoorden, verheerlijkten zij Elohim. Zij zeiden tegen hem: „Je ziet, broer, hoeveel tienduizenden er onder de Joden zijn die gelovig zijn geworden, en allen zijn ijveraars voor de wet. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ἐδόξαζον (edoxazon) = verheerlijkten | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | εἶπόν (eipon) = zeiden | τε (te) = en | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Θεωρεῖς (Theoreis) = je ziet | ἀδελφέ (adelphe) = broer | πόσαι (posai) = hoeveel | μυριάδες (myriades) = tienduizenden | εἰσὶν (eisin) = zijn er | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | τῶν (ton) = van de | πεπιστευκότων (pepisteukoton) = gelovig geworden | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | ζηλωταὶ (zelotai) = ijveraars | τοῦ (tou) = van de | νόμου (nomou) = wet | ὑπάρχουσιν (hyparchousin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μυριάς (myrias), ‘tienduizendtal’: eigenlijk 10.000; het woord wordt ook voor een heel groot, onbepaald aantal gebruikt. ζηλωτής (zelotes), ‘ijveraar’: hetzelfde woord als in ‘Simon de Zeloot’ (Luc. 6:15). Hier gaat het om ijver voor de wet van Mozes. Zie ook: Luc 6:15 **21:21** Er is hun over jou verteld dat je alle Joden onder de volken leert af te vallen van Mozes. Je zegt dat zij hun kinderen niet moeten besnijden en niet volgens de gewoonten moeten leven. Brontekst: κατηχήθησαν (katechethesan) = zijn ingelicht | δὲ (de) = maar | περὶ (peri) = over | σοῦ (sou) = jou | ὅτι (hoti) = dat | ἀποστασίαν (apostasian) = afval | διδάσκεις (didaskeis) = je leert | ἀπὸ (apo) = van | Μωϋσέως (Moyseos) = Mozes | τοὺς (tous) = de | κατὰ (kata) = onder | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | πάντας (pantas) = alle | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | λέγων (legon) = zeggend | μὴ (me) = niet | περιτέμνειν (peritemnein) = te besnijden | αὐτοὺς (autous) = hen | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | μηδὲ (mede) = noch | τοῖς (tois) = de | ἔθεσιν (ethesin) = gewoonten | περιπατεῖν (peripatein) = te leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποστασία (apostasia), ‘afval’: het afvallen van wat men eerst volgde. ἔθη (ethe), ‘gewoonten’: de gebruiken van het Joodse volk. De besnijdenis is een teken van het verbond met Abraham (Gen. 17:10–12). Zie ook: Gen 17:10–12 **21:22** Wat nu? Zij zullen zeker horen dat je gekomen bent. Brontekst: τί (ti) = wat | οὖν (oun) = dan | ἐστιν (estin) = is er | πάντως (pantos) = zeker | ἀκούσονται (akousontai) = zullen horen | ὅτι (hoti) = dat | ἐλήλυθας (elelythas) = je gekomen bent Bron: SBLGNT **21:23** Doe dus wat wij je zeggen. Er zijn bij ons vier mannen die zelf een gelofte op zich hebben genomen. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | οὖν (oun) = dan | ποίησον (poieson) = doe | ὅ (ho) = wat | σοι (soi) = je | λέγομεν (legomen) = wij zeggen | εἰσὶν (eisin) = zijn | ἡμῖν (hemin) = bij ons | ἄνδρες (andres) = mannen | τέσσαρες (tessares) = vier | εὐχὴν (euchen) = gelofte | ἔχοντες (echontes) = hebbend | ἀφ’ (aph’) = van | ἑαυτῶν (heauton) = henzelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐχή (euche), ‘gelofte’: waarschijnlijk een nazireeërsgelofte, zoals in Num. 6:1–21. ἀφ’ ἑαυτῶν (af’ heauton), letterlijk ‘van henzelf’: zij hadden de gelofte zelf op zich genomen. Zie ook: Num 6:1–21 **21:24** Neem hen mee, laat je met hen reinigen en betaal de kosten voor hen, zodat zij hun hoofd laten scheren. En allen zullen weten dat er niets waar is van wat over jou verteld is. Maar je loopt zelf ook in de pas en onderhoudt de wet. Brontekst: τούτους (toutous) = hen | παραλαβὼν (paralabon) = meenemend | ἁγνίσθητι (hagnistheti) = laat je reinigen | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | δαπάνησον (dapaneson) = betaal de kosten | ἐπ’ (ep’) = voor | αὐτοῖς (autois) = hen | ἵνα (hina) = opdat | ξυρήσονται (xyresontai) = zij laten scheren | τὴν (ten) = het | κεφαλήν (kephalen) = hoofd | καὶ (kai) = en | γνώσονται (gnosontai) = zullen weten | πάντες (pantes) = allen | ὅτι (hoti) = dat | ὧν (hon) = van wat | κατήχηνται (katechentai) = zij ingelicht zijn | περὶ (peri) = over | σοῦ (sou) = jou | οὐδέν (ouden) = niets | ἐστιν (estin) = is | ἀλλὰ (alla) = maar | στοιχεῖς (stoicheis) = je loopt in de pas | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = zelf | φυλάσσων (phylasson) = onderhoudend | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁγνίζω (hagnizo), ‘reinigen’. Aan het eind van een nazireeërsgelofte schoor de nazireeër zijn hoofd en bracht hij offers (Num. 6:13–20). στοιχέω (stoicheo), ‘in de pas lopen’: leven volgens een vaste regel. φυλάσσω (fylasso), ‘onderhouden’: bewaren, zich houden aan. Zie ook: Num 6:13–20 **21:25** Wat de volken betreft die gelovig zijn geworden: wij hebben bericht gezonden. Wij hebben geoordeeld dat zij zich moeten hoeden voor wat aan afgoden geofferd is, voor bloed, voor het verstikte en voor ontucht.” Brontekst: περὶ (peri) = over | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = de | πεπιστευκότων (pepisteukoton) = gelovig geworden | ἐθνῶν (ethnon) = volken | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἀπεστείλαμεν (apesteilamen) = hebben gezonden | κρίναντες (krinantes) = oordelend | φυλάσσεσθαι (phylassesthai) = zich te hoeden | αὐτοὺς (autous) = zij | τό (to) = het | τε (te) = en | εἰδωλόθυτον (eidolothyton) = aan afgoden geofferde | καὶ (kai) = en | αἷμα (haima) = bloed | καὶ (kai) = en | πνικτὸν (pnikton) = verstikte | καὶ (kai) = en | πορνείαν (porneian) = ontucht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ἀπεστείλαμεν (apesteilamen), ‘wij hebben gezonden’, geen voorwerp; wij vullen ‘bericht’ aan. Het besluit waarnaar verwezen wordt, staat in Hand. 15:19–29. εἰδωλόθυτον (eidolothyton), ‘wat aan afgoden geofferd is’; πνικτόν (pnikton), ‘het verstikte’: het vlees van een verstikt dier; πορνεία (porneia), ‘ontucht’: zie Matt. 15:19. Zie ook: Mat 15:19; Hand 15:19–29 **21:26** Toen nam Paulus de mannen mee. De volgende dag ging hij, nadat hij zich met hen had laten reinigen, de tempel in. Hij maakte bekend wanneer de dagen van de reiniging voltooid zouden zijn, totdat het offer voor ieder van hen gebracht was. Brontekst: τότε (tote) = toen | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | παραλαβὼν (paralabon) = meenemend | τοὺς (tous) = de | ἄνδρας (andras) = mannen | τῇ (te) = de | ἐχομένῃ (echomene) = volgende | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | ἁγνισθεὶς (hagnistheis) = gereinigd | εἰσῄει (eiseei) = ging naar binnen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερόν (hieron) = tempel | διαγγέλλων (diangellon) = bekendmakend | τὴν (ten) = de | ἐκπλήρωσιν (ekplerosin) = voltooiing | τῶν (ton) = van de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | τοῦ (tou) = van de | ἁγνισμοῦ (hagnismou) = reiniging | ἕως (heos) = tot | οὗ (hou) = dat | προσηνέχθη (prosenechthe) = gebracht werd | ὑπὲρ (hyper) = voor | ἑνὸς (henos) = één | ἑκάστου (hekastou) = ieder | αὐτῶν (auton) = van hen | ἡ (he) = het | προσφορά (prosphora) = offer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁγνισμός (hagnismos), ‘reiniging’: de dagen waarin de mannen zich reinigden en hun gelofte afsloten (Num. 6:13–20). Het Grieks zegt niet welk offer voor ieder van hen gebracht werd. Zie ook: Num 6:13–20 ### Paulus wordt in de tempel gegrepen **21:27** Toen de zeven dagen bijna voorbij waren, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel. Zij brachten de hele menigte in verwarring en sloegen de handen aan hem. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἔμελλον (emellon) = stonden op het punt | αἱ (hai) = de | ἑπτὰ (hepta) = zeven | ἡμέραι (hemerai) = dagen | συντελεῖσθαι (synteleisthai) = voltooid te worden | οἱ (hoi) = de | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Ἀσίας (Asias) = Asia | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | θεασάμενοι (theasamenoi) = zien hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | συνέχεον (synecheon) = brachten in verwarring | πάντα (panta) = heel | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | καὶ (kai) = en | ἐπέβαλον (epebalon) = sloegen | ἐπ’ (ep’) = aan | αὐτὸν (auton) = hem | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Ἀσία (Asia): de Romeinse provincie Asia, in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijke stad. **21:28** Zij riepen: „Mannen, Israëlieten, help! Dit is de man die overal iedereen leert tegen het volk, de wet en deze plaats. Bovendien heeft hij Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats onrein gemaakt.” Brontekst: κράζοντες (krazontes) = roepend | Ἄνδρες (Andres) = mannen | Ἰσραηλῖται (Israelitai) = Israëlieten | βοηθεῖτε (boetheite) = help | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ὁ (ho) = die | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = de | νόμου (nomou) = wet | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = deze | τόπου (topou) = plaats | τούτου (toutou) = deze | πάντας (pantas) = iedereen | πανταχῇ (pantache) = overal | διδάσκων (didaskon) = lerend | ἔτι (eti) = bovendien | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | Ἕλληνας (Hellenas) = Grieken | εἰσήγαγεν (eisegagen) = bracht binnen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | καὶ (kai) = en | κεκοίνωκεν (kekoinoken) = heeft onrein gemaakt | τὸν (ton) = de | ἅγιον (hagion) = heilige | τόπον (topon) = plaats | τοῦτον (touton) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’: hier niet-Joden. κοινόω (koinoo), ‘onrein maken’: letterlijk ‘gewoon maken’; zie Mark. 7:15. De beschuldiging keert terug in Hand. 24:6, met een ander woord (βεβηλόω, ‘ontheiligen’). Zie ook: Mar 7:15; Hand 24:6 **21:29** Want zij hadden eerder Trofimus, de Efeziër, met hem in de stad gezien. Zij meenden dat Paulus hem in de tempel had gebracht. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | προεωρακότες (proeorakotes) = eerder gezien hebbend | Τρόφιμον (Trophimon) = Trofimus | τὸν (ton) = de | Ἐφέσιον (Ephesion) = Efeziër | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | ὃν (hon) = die | ἐνόμιζον (enomizon) = meenden zij | ὅτι (hoti) = dat | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | εἰσήγαγεν (eisegagen) = had binnengebracht | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Τρόφιμος (Trofimos), ‘Trofimus’: een Efeziër; vergelijk Hand. 20:4. Het Grieks zegt dat zij Trofimus eerder met Paulus in de stad hadden gezien en ‘meenden’ dat Paulus hem in de tempel had gebracht. Zie ook: Hand 20:4 **21:30** De hele stad kwam in beroering en het volk liep samen. Zij grepen Paulus en sleepten hem de tempel uit. Meteen werden de deuren gesloten. Brontekst: ἐκινήθη (ekinethe) = kwam in beroering | τε (te) = en | ἡ (he) = de | πόλις (polis) = stad | ὅλη (hole) = hele | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = er was | συνδρομὴ (syndrome) = samenloop | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | ἐπιλαβόμενοι (epilabomenoi) = grijpend | τοῦ (tou) = van | Παύλου (Paulou) = Paulus | εἷλκον (heilkon) = sleepten | αὐτὸν (auton) = hem | ἔξω (exo) = buiten | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἐκλείσθησαν (ekleisthesan) = werden gesloten | αἱ (hai) = de | θύραι (thyrai) = deuren Bron: SBLGNT ### De tribuun grijpt in **21:31** Terwijl zij probeerden hem te doden, kwam er bericht bij de tribuun van de cohort dat heel Jeruzalem in verwarring was. Brontekst: ζητούντων (zetounton) = zoekend | τε (te) = en | αὐτὸν (auton) = hem | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden | ἀνέβη (anebe) = ging op | φάσις (phasis) = bericht | τῷ (to) = aan de | χιλιάρχῳ (chiliarcho) = tribuun | τῆς (tes) = van de | σπείρης (speires) = cohort | ὅτι (hoti) = dat | ὅλη (hole) = heel | συγχύννεται (synchynnetai) = in verwarring is | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: χιλίαρχος (chiliarchos), ‘tribuun’: een Romeinse officier die over een cohort gesteld was; letterlijk ‘aanvoerder van duizend’. Zijn naam is Claudius Lysias (Hand. 23:26). Hetzelfde Griekse woord vertalen wij in Joh. 18:12 met ‘bevelhebber’ en in Mark. 6:21 met ‘legeroverste’. σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een Romeinse afdeling soldaten, zoals in Matt. 27:27 en Joh. 18:3. Zie ook: Mat 27:27; Mar 6:21; Joh 18:3; Joh 18:12; Hand 23:26 **21:32** Meteen nam hij soldaten en hoofdmannen over honderd mee en rende naar hen toe. Toen zij de tribuun en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan. Brontekst: ὃς (hos) = die | ἐξαυτῆς (exautes) = meteen | παραλαβὼν (paralabon) = meenemend | στρατιώτας (stratiotas) = soldaten | καὶ (kai) = en | ἑκατοντάρχας (hekatontarchas) = hoofdmannen over honderd | κατέδραμεν (katedramen) = rende naar beneden | ἐπ’ (ep’) = naar | αὐτούς (autous) = hen | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἰδόντες (idontes) = zien hebbend | τὸν (ton) = de | χιλίαρχον (chiliarchon) = tribuun | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | στρατιώτας (stratiotas) = soldaten | ἐπαύσαντο (epausanto) = hielden op | τύπτοντες (typtontes) = slaand | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: een officier die ongeveer 100 soldaten onder zich had; zie Matt. 8:5 en Luc. 7:2. In Matt. 27:54 en Luc. 23:47 schrijven wij voor dezelfde functie ‘centurio’. Zie ook: Mat 8:5; Mat 27:54; Luc 7:2; Luc 23:47 **21:33** Toen kwam de tribuun naderbij, greep hem en beval hem met twee ketens te binden. Hij vroeg wie hij was en wat hij gedaan had. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἐγγίσας (engisas) = naderend | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | ἐπελάβετο (epelabeto) = greep | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | ἐκέλευσε (ekeleuse) = beval | δεθῆναι (dethenai) = gebonden te worden | ἁλύσεσι (halysesi) = ketens | δυσί (dysi) = twee | καὶ (kai) = en | ἐπυνθάνετο (epynthaneto) = vroeg | τίς (tis) = wie | εἴη (eie) = hij zou zijn | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = hij is | πεποιηκώς (pepoiekos) = gedaan hebbend Bron: SBLGNT **21:34** In de menigte riepen sommigen het ene, anderen het andere. Omdat hij vanwege het lawaai niets met zekerheid kon te weten komen, beval hij hem de kazerne in te brengen. Brontekst: ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | ἄλλο (allo) = iets anders | τι (ti) = iets | ἐπεφώνουν (epephonoun) = riepen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | μὴ (me) = niet | δυναμένου (dynamenou) = kunnend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | γνῶναι (gnonai) = te weten | τὸ (to) = het | ἀσφαλὲς (asphales) = zekere | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = het | θόρυβον (thorybon) = lawaai | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval hij | ἄγεσθαι (agesthai) = gebracht te worden | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | παρεμβολήν (parembolen) = kazerne Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem. De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg. De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: παρεμβολή (parembole), ‘kazerne’: letterlijk ‘legerplaats’. Het is de Romeinse kazerne bij de tempel; de traditie noemt haar de burcht Antonia (onzeker). De trappen in 21:35 en 21:40 leiden naar die kazerne. **21:35** Toen hij bij de trappen kwam, gebeurde het dat de soldaten hem moesten dragen vanwege het geweld van de menigte. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = maar | ἐγένετο (egeneto) = hij kwam | ἐπὶ (epi) = bij | τοὺς (tous) = de | ἀναβαθμούς (anabathmous) = trappen | συνέβη (synebe) = het gebeurde | βαστάζεσθαι (bastazesthai) = gedragen te worden | αὐτὸν (auton) = hij | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | στρατιωτῶν (stratioton) = soldaten | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = het | βίαν (bian) = geweld | τοῦ (tou) = van de | ὄχλου (ochlou) = menigte Bron: SBLGNT **21:36** Want de menigte van het volk volgde en riep: „Weg met hem!” Brontekst: ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | γὰρ (gar) = want | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | κράζοντες (krazontes) = roepend | Αἶρε (Aire) = weg met | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Αἶρε αὐτόν (Aire auton), ‘Weg met hem!’: dezelfde kreet als in Luc. 23:18 en, in een andere vorm, Joh. 19:15. Zie ook: Luc 23:18; Joh 19:15 ### Paulus mag het volk toespreken **21:37** Toen hij de kazerne zou worden binnengebracht, zei Paulus tegen de tribuun: „Mag ik iets tegen u zeggen?” Die zei: „Kun je Grieks? Brontekst: Μέλλων (Mellon) = op het punt staand | τε (te) = en | εἰσάγεσθαι (eisagesthai) = binnengebracht te worden | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | παρεμβολὴν (parembolen) = kazerne | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | χιλιάρχῳ (chiliarcho) = tribuun | Εἰ (Ei) = of | ἔξεστίν (exestin) = het is toegestaan | μοι (moi) = mij | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | τι (ti) = iets | πρὸς (pros) = tot | σέ (se) = u | ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = zei | Ἑλληνιστὶ (Hellenisti) = in het Grieks | γινώσκεις (ginoskeis) = ken je Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem. De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg. De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ἑλληνιστὶ γινώσκεις (Hellenisti ginoskeis), letterlijk ‘ken je Grieks?’: de tribuun wil weten of Paulus Grieks spreekt. Hij spreekt Paulus aan met ‘je’; Paulus spreekt hem aan met ‘u’. **21:38** Ben jij niet de Egyptenaar die kort geleden een opstand verwekte en de 4000 mannen van de sicariërs de woestijn in leidde?” Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἄρα (ara) = dan | σὺ (sy) = jij | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | Αἰγύπτιος (Aigyptios) = Egyptenaar | ὁ (ho) = die | πρὸ (pro) = vóór | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | ἀναστατώσας (anastatosas) = in opstand brengend | καὶ (kai) = en | ἐξαγαγὼν (exagagon) = leidend | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἔρημον (eremon) = woestijn | τοὺς (tous) = de | τετρακισχιλίους (tetrakischilious) = 4000 | ἄνδρας (andras) = mannen | τῶν (ton) = van de | σικαρίων (sikarion) = sicariërs Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σικάριοι (sikarioi), ‘sicariërs’: van het Latijnse sica, ‘dolk’; een groep gewelddadige opstandelingen die met dolken werkte. Over deze Egyptenaar vertelt het Nieuwe Testament verder niets. **21:39** Paulus zei: „Ik ben een Joodse man, uit Tarsus in Cilicië, burger van een stad die niet onbekend is. Ik vraag u mij toe te staan tot het volk te spreken.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Ἐγὼ (Ego) = ik | ἄνθρωπος (anthropos) = man | μέν (men) = wel | εἰμι (eimi) = ben | Ἰουδαῖος (Ioudaios) = Joods | Ταρσεὺς (Tarseus) = uit Tarsus | τῆς (tes) = van | Κιλικίας (Kilikias) = Cilicië | οὐκ (ouk) = niet | ἀσήμου (asemou) = onbekende | πόλεως (poleos) = stad | πολίτης (polites) = burger | δέομαι (deomai) = ik vraag | δέ (de) = maar | σου (sou) = u | ἐπίτρεψόν (epitrepson) = sta toe | μοι (moi) = mij | λαλῆσαι (lalesai) = te spreken | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tarsus: Tarsus, de stad waar Saulus geboren werd, lag in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, bij Mersin. Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Ταρσός (Tarsos), ‘Tarsus’: een grote stad in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije. οὐκ ἀσήμου (ouk asemou), ‘niet onbekend’: een bescheiden manier om te zeggen dat de stad beroemd was. **21:40** Toen hij het had toegestaan, ging Paulus op de trappen staan en maakte met zijn hand een gebaar naar het volk. Het werd heel stil. Hij sprak hen toe in de Hebreeuwse taal en zei: Brontekst: ἐπιτρέψαντος (epitrepsantos) = toestaand | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἑστὼς (hestos) = staand | ἐπὶ (epi) = op | τῶν (ton) = de | ἀναβαθμῶν (anabathmon) = trappen | κατέσεισε (kateseise) = maakte een gebaar | τῇ (te) = met de | χειρὶ (cheiri) = hand | τῷ (to) = naar het | λαῷ (lao) = volk | πολλῆς (polles) = grote | δὲ (de) = maar | σιγῆς (siges) = stilte | γενομένης (genomenes) = ontstaan | προσεφώνησεν (prosephonesen) = sprak toe | τῇ (te) = in de | Ἑβραΐδι (Hebraidi) = Hebreeuwse | διαλέκτῳ (dialekto) = taal | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἑβραΐδι διαλέκτῳ (Hebraidi dialekto), ‘Hebreeuwse taal’: in het Nieuwe Testament is dat vaak het Aramees van die tijd, de volkstaal; zie Joh. 19:13. κατέσεισε τῇ χειρί (katesise te cheiri), ‘maakte een gebaar met de hand’: een handbeweging om stilte te vragen. Zie ook: Joh 19:13 ## Handelingen 22 _Paulus’ verdediging voor het volk, zijn Romeins burgerrecht en de Raad_ ### Paulus verdedigt zich voor het volk **22:1** „Mannen, broers en vaders, luister nu naar mijn verdediging tegenover jullie.” Brontekst: Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | καὶ (kai) = en | πατέρες (pateres) = vaders | ἀκούσατέ (akousate) = luister | μου (mou) = mijn | τῆς (tes) = de | πρὸς (pros) = tegenover | ὑμᾶς (hymas) = jullie | νυνὶ (nyni) = nu | ἀπολογίας (apologias) = verdediging Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπολογία (apologia), ‘verdediging’: het antwoord op een beschuldiging. ‘Vaders’ zijn de oudere mannen en leiders onder de toehoorders. **22:2** Toen zij hoorden dat hij hen in de Hebreeuwse taal toesprak, werd het nog stiller. Hij zei: Brontekst: Ἀκούσαντες (Akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | τῇ (te) = in de | Ἑβραΐδι (Hebraidi) = Hebreeuwse | διαλέκτῳ (dialekto) = taal | προσεφώνει (prosephonei) = hij toesprak | αὐτοῖς (autois) = hen | μᾶλλον (mallon) = meer | παρέσχον (pareschon) = gaven zij | ἡσυχίαν (hesychian) = rust | καὶ (kai) = en | φησίν (phesin) = zegt hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἑβραΐδι διαλέκτῳ (Hebraidi dialekto), ‘Hebreeuwse taal’: zie 21:40. ### Zijn verleden als ijveraar en vervolger **22:3** „Ik ben een Joodse man, geboren in Tarsus in Cilicië. Ik ben in deze stad opgegroeid. Aan de voeten van Gamaliël ben ik nauwgezet onderwezen in de wet van onze vaders. Ik ben een ijveraar voor Elohim, zoals jullie allen vandaag zijn. Brontekst: Ἐγώ (Ego) = ik | εἰμι (eimi) = ben | ἀνὴρ (aner) = man | Ἰουδαῖος (Ioudaios) = Joods | γεγεννημένος (gegennemenos) = geboren | ἐν (en) = in | Ταρσῷ (Tarso) = Tarsus | τῆς (tes) = van | Κιλικίας (Kilikias) = Cilicië | ἀνατεθραμμένος (anatethrammenos) = opgegroeid | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ταύτῃ (taute) = deze | παρὰ (para) = aan | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | Γαμαλιήλ (Gamaliel) = van Gamaliël | πεπαιδευμένος (pepaideumenos) = onderwezen | κατὰ (kata) = volgens | ἀκρίβειαν (akribeian) = nauwkeurigheid | τοῦ (tou) = van de | πατρῴου (patroou) = vaderlijke | νόμου (nomou) = wet | ζηλωτὴς (zelotes) = ijveraar | ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | καθὼς (kathos) = zoals | πάντες (pantes) = allen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐστε (este) = zijn | σήμερον (semeron) = vandaag Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tarsus: Tarsus, de stad waar Saulus geboren werd, lag in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, bij Mersin. Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Γαμαλιήλ (Gamaliel), ‘Gamaliël’: een leraar van de wet, ook genoemd in Hand. 5:34. ‘Aan de voeten van’ iemand opgroeien: leerling van die leraar zijn. ἀκρίβεια (akribeia), ‘nauwkeurigheid’: het Grieks zegt ‘naar de nauwkeurigheid van de wet van de vaderen’. ζηλωτής (zelotes), ‘ijveraar’: zie 21:20. ὑπάρχων (hyparchon), ‘zijnde’: het Grieks heeft een deelwoord in de tegenwoordige tijd; Paulus noemt zich dus een ijveraar, zoals zijn toehoorders. Het Grieks verbindt ‘opgegroeid’ en ‘onderwezen’ in één zin; wij splitsen die. Zie ook: Hand 5:34 **22:4** Ik vervolgde deze Weg tot de dood toe. Ik bond mannen en vrouwen en leverde hen over in gevangenissen. Brontekst: ὃς (hos) = die | ταύτην (tauten) = deze | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = Weg | ἐδίωξα (edioxa) = vervolgde | ἄχρι (achri) = tot | θανάτου (thanatou) = dood | δεσμεύων (desmeuon) = bindend | καὶ (kai) = en | παραδιδοὺς (paradidous) = overleverend | εἰς (eis) = in | φυλακὰς (phylakas) = gevangenissen | ἄνδρας (andras) = mannen | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | γυναῖκας (gynaikas) = vrouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁδός (hodos), ‘weg’: ‘de Weg’ is hier de naam voor de beweging van hen die Yeshua volgen; zie Hand. 9:2. ἄχρι θανάτου (achri thanatou), ‘tot de dood toe’: het Grieks zegt niet of Paulus doden bedoelt of het gevaar van de dood. Zie ook: Hand 9:2 **22:5** Dat getuigen ook de hogepriester en de hele oudstenraad van mij. Van hen had ik brieven ontvangen voor de broers in Damascus. Ik ging erheen om ook hen die daar waren, geboeid naar Jeruzalem te brengen, zodat zij gestraft zouden worden. Brontekst: ὡς (hos) = zoals | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | μαρτυρεῖ (martyrei) = getuigt | μοι (moi) = over mij | καὶ (kai) = en | πᾶν (pan) = heel | τὸ (to) = de | πρεσβυτέριον (presbyterion) = oudstenraad | παρ’ (par’) = van | ὧν (hon) = wie | καὶ (kai) = ook | ἐπιστολὰς (epistolas) = brieven | δεξάμενος (dexamenos) = ontvangen hebbend | πρὸς (pros) = aan | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | εἰς (eis) = naar | Δαμασκὸν (Damaskon) = Damascus | ἐπορευόμην (eporeuomen) = ging ik | ἄξων (axon) = om te brengen | καὶ (kai) = ook | τοὺς (tous) = hen | ἐκεῖσε (ekeise) = daar | ὄντας (ontas) = zijnde | δεδεμένους (dedemenous) = geboeid | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἵνα (hina) = opdat | τιμωρηθῶσιν (timorethosin) = zij gestraft worden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: πρεσβυτέριον (presbyterion), ‘oudstenraad’: de vergadering van de oudsten, zoals in Luc. 22:66. ‘De broers’ zijn hier de Joden in Damascus. τιμωρέω (timoreo), ‘straffen’. Voetnoot : Zie ook Hand. 9:1–2. Zie ook: Luc 22:66; Hand 9:1–2 ### De ontmoeting bij Damascus **22:6** Toen ik onderweg was en Damascus naderde, schitterde rond de middag plotseling een groot licht uit de hemel om mij heen. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δέ (de) = maar | μοι (moi) = mij | πορευομένῳ (poreuomeno) = onderweg zijnd | καὶ (kai) = en | ἐγγίζοντι (engizonti) = naderend | τῇ (te) = aan | Δαμασκῷ (Damasko) = Damascus | περὶ (peri) = rond | μεσημβρίαν (mesembrian) = middag | ἐξαίφνης (exaiphnes) = plotseling | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | περιαστράψαι (periastrapsai) = rondom te schitteren | φῶς (phos) = licht | ἱκανὸν (hikanon) = groot | περὶ (peri) = om | ἐμέ (eme) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: μεσημβρία (mesembria), ‘middag’: letterlijk ‘het midden van de dag’, rond twaalf uur. Voetnoot : Zie ook Hand. 9:3–9; Hand. 26:12–18. Zie ook: Hand 9:3–9; Hand 26:12–18 **22:7** Ik viel op de grond en hoorde een stem tegen mij zeggen: **‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?’** Brontekst: ἔπεσά (epesa) = viel ik | τε (te) = en | εἰς (eis) = op | τὸ (to) = de | ἔδαφος (edaphos) = grond | καὶ (kai) = en | ἤκουσα (ekousa) = hoorde ik | φωνῆς (phones) = een stem | λεγούσης (legouses) = zeggend | μοι (moi) = tegen mij | Σαοὺλ (Saoul) = Saul | Σαούλ (Saoul) = Saul | τί (ti) = waarom | με (me) = mij | διώκεις (diokeis) = vervolg je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαούλ (Saoul), ‘Saul’: de Hebreeuwse vorm van zijn naam. Lucas noemt hem in zijn verhaal tot Hand. 13:9 ‘Saulus’ en daarna ‘Paulus’. Wij zetten de woorden van de stem rood, omdat het de woorden van Yeshua zijn (22:8). Zie ook: Hand 13:9 **22:8** Ik antwoordde: ‘Wie bent U, Heer?’ Hij zei tegen mij: **‘Ik ben Yeshua de Nazoreeër, die jij vervolgt.’** Brontekst: ἐγὼ (ego) = ik | δὲ (de) = maar | ἀπεκρίθην (apekrithen) = antwoordde | Τίς (Tis) = wie | εἶ (ei) = bent U | κύριε (kyrie) = Heer | εἶπέν (eipen) = zei Hij | τε (te) = en | πρὸς (pros) = tegen | ἐμέ (eme) = mij | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | Ναζωραῖος (Nazoraios) = Nazoreeër | ὃν (hon) = die | σὺ (sy) = jij | διώκεις (diokeis) = vervolgt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: een aanspreking; Paulus weet nog niet wie spreekt. Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret, zoals in Matt. 2:23 en Joh. 18:5. Zie ook: Mat 2:23; Joh 18:5 **22:9** Zij die bij mij waren, zagen wel het licht, maar de stem van Hem die tegen mij sprak, hoorden zij niet. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | σὺν (syn) = met | ἐμοὶ (emoi) = mij | ὄντες (ontes) = zijnde | τὸ (to) = het | μὲν (men) = wel | φῶς (phos) = licht | ἐθεάσαντο (etheasanto) = zagen | τὴν (ten) = de | δὲ (de) = maar | φωνὴν (phonen) = stem | οὐκ (ouk) = niet | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | τοῦ (tou) = van Hem die | λαλοῦντός (lalountos) = sprak | μοι (moi) = tegen mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Hand. 9:7, waar staat dat zij de stem wel hoorden, maar niemand zagen. Het Grieks gebruikt daar de tweede naamval bij ‘horen’ (ἀκούοντες τῆς φωνῆς) en hier de vierde (τὴν φωνὴν οὐκ ἤκουσαν). De tekst zegt zelf niet wat dit verschil betekent. Zie ook: Hand 9:7 **22:10** Ik zei: ‘Wat moet ik doen, Heer?’ De Heer zei tegen mij: **‘Sta op en ga naar Damascus. Daar zal tot je gesproken worden over alles wat voor jou is vastgesteld om te doen.’** Brontekst: εἶπον (eipon) = zei ik | δέ (de) = maar | Τί (Ti) = wat | ποιήσω (poieso) = zal ik doen | κύριε (kyrie) = Heer | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | κύριος (kyrios) = Heer | εἶπεν (eipen) = zei | πρός (pros) = tegen | με (me) = mij | Ἀναστὰς (Anastas) = opgestaan | πορεύου (poreuou) = ga | εἰς (eis) = naar | Δαμασκόν (Damaskon) = Damascus | κἀκεῖ (kakei) = en daar | σοι (soi) = tot jou | λαληθήσεται (lalethesetai) = zal gesproken worden | περὶ (peri) = over | πάντων (panton) = alles | ὧν (hon) = wat | τέτακταί (tetaktai) = is vastgesteld | σοι (soi) = voor jou | ποιῆσαι (poiesai) = te doen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘de Heer’: Yeshua; zie Luc. 7:13. τέτακται (tetaktai), ‘is vastgesteld’: de lijdende vorm laat open door wie. Zie ook: Luc 7:13 **22:11** Omdat ik niets kon zien vanwege de heerlijkheid van dat licht, werd ik aan de hand geleid door hen die bij mij waren. Ik kwam in Damascus. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἐνέβλεπον (eneblepon) = zag ik | ἀπὸ (apo) = vanwege | τῆς (tes) = de | δόξης (doxes) = heerlijkheid | τοῦ (tou) = van het | φωτὸς (photos) = licht | ἐκείνου (ekeinou) = dat | χειραγωγούμενος (cheiragogoumenos) = aan de hand geleid | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | συνόντων (synonton) = zijnden | μοι (moi) = met mij | ἦλθον (elthon) = kwam ik | εἰς (eis) = in | Δαμασκόν (Damaskon) = Damascus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: hier de schittering van het licht. χειραγωγέω (cheiragogeo), ‘aan de hand leiden’. ### Ananias **22:12** Een zekere Ananias was een vrome man volgens de wet. Alle Joden die daar woonden getuigden goed over hem. Brontekst: Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | δέ (de) = maar | τις (tis) = een zekere | ἀνὴρ (aner) = man | εὐλαβὴς (eulabes) = vroom | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | μαρτυρούμενος (martyroumenos) = getuigenis gekregen | ὑπὸ (hypo) = van | πάντων (panton) = alle | τῶν (ton) = de | κατοικούντων (katoikounton) = wonende | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἁνανίας (Hananias), ‘Ananias’: een leerling in Damascus; zie Hand. 9:10–19. Hij is een ander dan hogepriester Ananias in 23:2. Het Grieks heeft verzen 12–13 als één lange zin; wij splitsen die en schrijven ‘was’ en ‘Hij’. εὐλαβής (eulabes), ‘vroom’: ontzag voor Elohim en zijn wet. Zie ook: Hand 9:10–19 **22:13** Hij kwam naar mij toe, ging naast mij staan en zei tegen mij: ‘Saul, broer, word weer ziende!’ Op datzelfde uur kon ik weer zien en keek ik hem aan. Brontekst: ἐλθὼν (elthon) = gekomen | πρὸς (pros) = naar | ἐμὲ (eme) = mij | καὶ (kai) = en | ἐπιστὰς (epistas) = naast mij staand | εἶπέν (eipen) = zei hij | μοι (moi) = tegen mij | Σαοὺλ (Saoul) = Saul | ἀδελφέ (adelphe) = broer | ἀνάβλεψον (anablepson) = word weer ziende | κἀγὼ (kago) = en ik | αὐτῇ (aute) = op dat | τῇ (te) = zelfde | ὥρᾳ (hora) = uur | ἀνέβλεψα (aneblepsa) = werd ik weer ziende | εἰς (eis) = naar | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναβλέπω (anablepo), ‘omhoogkijken’ of ‘weer zien’: omdat Saul blind was, vertalen wij ‘word weer ziende’ en ‘ik kon weer zien’. **22:14** Ananias zei: ‘De Elohim van onze vaders heeft jou vooraf uitgekozen om Zijn wil te kennen, de Rechtvaardige te zien en een stem uit Zijn mond te horen. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ὁ (Ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | προεχειρίσατό (proecheirisato) = koos vooraf uit | σε (se) = jou | γνῶναι (gnonai) = te kennen | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἰδεῖν (idein) = te zien | τὸν (ton) = de | δίκαιον (dikaion) = Rechtvaardige | καὶ (kai) = en | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | φωνὴν (phonen) = stem | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | στόματος (stomatos) = mond | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘hij’; wij schrijven de naam Ananias, om verwarring met Yeshua te voorkomen. τὸν δίκαιον (ton dikaion), ‘de Rechtvaardige’: een titel voor Yeshua; hij komt ook voor in Hand. 3:14 en 7:52. Vergelijk Jes. 53:11 (‘de rechtvaardige, Mijn Knecht’). προχειρίζομαι (procheirizomai), ‘vooraf uitkiezen’. Zie ook: Jes 53:11; Hand 3:14; Hand 7:52 **22:15** Want je zult Zijn getuige zijn bij alle mensen, van wat je gezien en gehoord hebt. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ἔσῃ (ese) = je zult zijn | μάρτυς (martys) = getuige | αὐτῷ (auto) = voor Hem | πρὸς (pros) = bij | πάντας (pantas) = alle | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ὧν (hon) = van wat | ἑώρακας (heorakas) = je gezien hebt | καὶ (kai) = en | ἤκουσας (ekousas) = gehoord hebt Bron: SBLGNT **22:16** En nu, wat aarzel je? Sta op, laat je dopen en laat je zonden afwassen door Zijn naam aan te roepen.’ Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | τί (ti) = wat | μέλλεις (melleis) = aarzel je | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | βάπτισαι (baptisai) = laat je dopen | καὶ (kai) = en | ἀπόλουσαι (apolousai) = laat afwassen | τὰς (tas) = de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | σου (sou) = je | ἐπικαλεσάμενος (epikalesamenos) = aanroepend | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βάπτισαι (baptisai), ‘laat je dopen’, en ἀπόλουσαι (apolousai), ‘laat afwassen’: beide vormen zijn in het Grieks wederkerend; Saul laat dit aan zich doen. ‘De naam aanroepen’ komt ook voor in Joël 3:5 (in de Nederlandse telling is dit 2:32), dat in Hand. 2:21 wordt aangehaald. Zie ook: Joël 3:5; Hand 2:21 ### Het visioen in de tempel **22:17** Toen ik was teruggekeerd naar Jeruzalem en in de tempel bad, raakte ik in vervoering. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δέ (de) = maar | μοι (moi) = mij | ὑποστρέψαντι (hypostrepsanti) = teruggekeerd | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | προσευχομένου (proseuchomenou) = biddend | μου (mou) = ik | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | γενέσθαι (genesthai) = te worden | με (me) = ik | ἐν (en) = in | ἐκστάσει (ekstasei) = vervoering Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἔκστασις (ekstasis), ‘vervoering’: een toestand waarin iemand als het ware buiten zichzelf is en een visioen ziet. **22:18** Ik zag Hem tegen mij zeggen: **‘Haast je en ga snel weg uit Jeruzalem, want zij zullen je getuigenis over Mij niet aannemen.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδεῖν (idein) = te zien | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντά (legonta) = zeggend | μοι (moi) = tegen mij | Σπεῦσον (Speuson) = haast je | καὶ (kai) = en | ἔξελθε (exelthe) = ga weg | ἐν (en) = met | τάχει (tachei) = spoed | ἐξ (ex) = uit | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | διότι (dioti) = omdat | οὐ (ou) = niet | παραδέξονταί (paradexontai) = zullen aannemen | σου (sou) = jouw | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘ik zag Hem zeggen’; wie bedoeld is, blijkt uit ‘Heer’ in 22:19: Yeshua. **22:19** Ik zei: ‘Heer, zij weten zelf dat ik in de synagogen hen die in U geloofden, in de gevangenis zette en sloeg. Brontekst: κἀγὼ (kago) = en ik | εἶπον (eipon) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | αὐτοὶ (autoi) = zij zelf | ἐπίστανται (epistantai) = weten | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = ik | ἤμην (emen) = was | φυλακίζων (phylakizon) = in de gevangenis zettend | καὶ (kai) = en | δέρων (deron) = slaand | κατὰ (kata) = in | τὰς (tas) = de | συναγωγὰς (synagogas) = synagogen | τοὺς (tous) = hen die | πιστεύοντας (pisteuontas) = geloofden | ἐπὶ (epi) = in | σέ (se) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φυλακίζω (fylakizo), ‘in de gevangenis zetten’; δέρω (dero), ‘slaan’. κατὰ τὰς συναγωγάς (kata tas synagogas): ‘in de synagogen’; het kan ook ‘van synagoge tot synagoge’ betekenen. **22:20** Toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, stond ik er zelf ook bij. Ik stemde ermee in en bewaakte de mantels van hen die hem doodden.’ Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐξεχύννετο (exechynneto) = vergoten werd | τὸ (to) = het | αἷμα (haima) = bloed | Στεφάνου (Stephanou) = van Stefanus | τοῦ (tou) = de | μάρτυρός (martyros) = getuige | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = zelf | ἤμην (emen) = was ik | ἐφεστὼς (ephestos) = erbij staand | καὶ (kai) = en | συνευδοκῶν (syneudokon) = instemmend | καὶ (kai) = en | φυλάσσων (phylasson) = bewarend | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | τῶν (ton) = van hen die | ἀναιρούντων (anairounton) = doodden | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μάρτυς (martys), ‘getuige’: wij vertalen het woord overal met ‘getuige’. Over de dood van Stefanus: Hand. 7:58–8:1. ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed, zoals in Luc. 22:36. Zie ook: Luc 22:36; Hand 7:58–8:1 **22:21** En Hij zei tegen mij: **‘Ga, want Ik zal je ver weg zenden naar de volken.’**” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei Hij | πρός (pros) = tegen | με (me) = mij | Πορεύου (Poreuou) = ga | ὅτι (hoti) = want | ἐγὼ (ego) = Ik | εἰς (eis) = naar | ἔθνη (ethne) = volken | μακρὰν (makran) = ver weg | ἐξαποστελῶ (exapostelo) = zal wegzenden | σε (se) = jou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξαποστέλλω (exapostello), ‘ver wegzenden’. ἔθνη (ethne), ‘volken’: de niet-Joodse volken; zie Luc. 2:32. Zie ook: Luc 2:32 ### De opschudding onder het volk **22:22** Zij luisterden naar hem tot dit woord. Zij verhieven hun stem en riepen: „Weg met zo iemand van de aarde! Want hij had niet mogen leven.” Brontekst: Ἤκουον (Ekouon) = luisterden zij | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = naar hem | ἄχρι (achri) = tot | τούτου (toutou) = dit | τοῦ (tou) = het | λόγου (logou) = woord | καὶ (kai) = en | ἐπῆραν (eperan) = verhieven zij | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | αὐτῶν (auton) = hun | λέγοντες (legontes) = zeggend | Αἶρε (Aire) = weg met | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | τὸν (ton) = zo | τοιοῦτον (toiouton) = iemand | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | καθῆκεν (katheken) = het was gepast | αὐτὸν (auton) = hem | ζῆν (zen) = te leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Αἶρε (Aire), ‘Weg met’: zie 21:36. καθῆκεν (kathēken), ‘het was gepast’: een verleden tijd; wij schrijven ‘hij had niet mogen leven’. **22:23** Terwijl zij schreeuwden, hun mantels afwierpen en stof in de lucht gooiden, Brontekst: κραυγαζόντων (kraugazonton) = schreeuwend | τε (te) = en | αὐτῶν (auton) = zij | καὶ (kai) = en | ῥιπτούντων (rhiptounton) = wegwerpend | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | καὶ (kai) = en | κονιορτὸν (koniorton) = stof | βαλλόντων (ballonton) = gooiend | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | ἀέρα (aera) = lucht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Mantels afwerpen en stof in de lucht gooien zijn gebaren van woede; de tekst zegt dit niet uitdrukkelijk. **22:24** beval de tribuun hem de kazerne in te brengen. Hij zei dat men hem onder geseling moest verhoren, om te weten om welke reden zij zo tegen hem schreeuwden. Brontekst: ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | εἰσάγεσθαι (eisagesthai) = binnengebracht te worden | αὐτὸν (auton) = hij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | παρεμβολήν (parembolen) = kazerne | εἴπας (eipas) = zeggend | μάστιξιν (mastixin) = met geselslagen | ἀνετάζεσθαι (anetazesthai) = ondervraagd te worden | αὐτὸν (auton) = hij | ἵνα (hina) = opdat | ἐπιγνῷ (epigno) = hij zou weten | δι’ (di’) = vanwege | ἣν (hen) = welke | αἰτίαν (aitian) = reden | οὕτως (houtos) = zo | ἐπεφώνουν (epephonoun) = schreeuwden zij | αὐτῷ (auto) = tegen hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem. De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg. De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: παρεμβολή (parembole), ‘kazerne’: zie 21:34. χιλίαρχος (chiliarchos), ‘tribuun’: zie 21:31. μάστιξ (mastix), ‘gesel’: een zweep; verhoor onder geseling was een middel om iemand te laten spreken. ### Paulus is Romeins burger **22:25** Zij hadden hem met de riemen vastgebonden. Toen zei Paulus tegen de hoofdman over honderd die erbij stond: „Is het u toegestaan een Romein te geselen, en nog wel zonder vonnis?” Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = maar | προέτειναν (proeteinan) = vastbonden | αὐτὸν (auton) = hem | τοῖς (tois) = met de | ἱμᾶσιν (himasin) = riemen | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = de | ἑστῶτα (hestota) = erbij staande | ἑκατόνταρχον (hekatontarchon) = hoofdman over honderd | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Εἰ (Ei) = of | ἄνθρωπον (anthropon) = man | Ῥωμαῖον (Rhomaion) = Romeinse | καὶ (kai) = en | ἀκατάκριτον (akatakriton) = zonder vonnis | ἔξεστιν (exestin) = het is toegestaan | ὑμῖν (hymin) = u | μαστίζειν (mastizein) = te geselen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱμᾶσιν (himasin), ‘riemen’: Paulus werd ‘met de riemen’ vastgebonden; het kan ook ‘voor de riemen’ (de zweep) betekenen. Wij kiezen het eerste. ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: zie 21:32. ἀκατάκριτος (akatakritos), ‘zonder vonnis’. Een Romeins burger mocht niet zonder vonnis gegeseld worden. **22:26** Toen de hoofdman over honderd dit hoorde, ging hij naar de tribuun en meldde: „Wat gaat u doen? Want deze man is een Romein.” Brontekst: ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = hoofdman over honderd | προσελθὼν (proselthon) = naderend | τῷ (to) = aan de | χιλιάρχῳ (chiliarcho) = tribuun | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = meldde | λέγων (legon) = zeggend | Τί (Ti) = wat | μέλλεις (melleis) = ga je | ποιεῖν (poiein) = doen | ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | ἄνθρωπος (anthropos) = man | οὗτος (houtos) = deze | Ῥωμαῖός (Rhomaios) = Romein | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **22:27** De tribuun kwam naar hem toe en zei tegen hem: „Zeg mij, ben jij een Romein?” Hij zei: „Ja.” Brontekst: προσελθὼν (proselthon) = naderend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Λέγε (Lege) = zeg | μοι (moi) = mij | σὺ (sy) = jij | Ῥωμαῖος (Rhomaios) = Romein | εἶ (ei) = ben | ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = zei | Ναί (Nai) = ja Bron: SBLGNT **22:28** De tribuun antwoordde: „Ik heb dit burgerrecht voor veel geld verworven.” Paulus zei: „Maar ik ben het zelfs van geboorte.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | Ἐγὼ (Ego) = ik | πολλοῦ (pollou) = voor veel | κεφαλαίου (kephalaiou) = geld | τὴν (ten) = het | πολιτείαν (politeian) = burgerrecht | ταύτην (tauten) = dit | ἐκτησάμην (ektesamen) = verwierf | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἔφη (ephe) = zei | Ἐγὼ (Ego) = ik | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = zelfs | γεγέννημαι (gegennemai) = ben geboren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πολιτεία (politeia), ‘burgerrecht’; κεφάλαιον (kefalaion), ‘bedrag’: letterlijk ‘hoofdsom’. De tribuun heeft het burgerrecht gekocht; Paulus heeft het van zijn geboorte. Hoe zijn familie eraan kwam, zegt de tekst niet. **22:29** Meteen weken zij die hem zouden verhoren, van hem terug. Ook de tribuun werd bang toen hij besefte dat hij een Romein was en dat hij hem had laten binden. Brontekst: εὐθέως (eutheos) = meteen | οὖν (oun) = dan | ἀπέστησαν (apestesan) = weken terug | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | οἱ (hoi) = zij die | μέλλοντες (mellontes) = stonden op het punt | αὐτὸν (auton) = hem | ἀνετάζειν (anetazein) = te ondervragen | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | δὲ (de) = maar | ἐφοβήθη (ephobethe) = werd bang | ἐπιγνοὺς (epignous) = beseffend | ὅτι (hoti) = dat | Ῥωμαῖός (Rhomaios) = Romein | ἐστιν (estin) = hij is | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | αὐτὸν (auton) = hem | ἦν (en) = hij had | δεδεκώς (dedekos) = gebonden Bron: SBLGNT ### Paulus voor de Raad **22:30** De volgende dag wilde hij met zekerheid weten waarvan Paulus door de Joden beschuldigd werd. Hij maakte hem los en beval dat de hogepriesters en de hele Raad bijeen zouden komen. Hij bracht Paulus naar beneden en liet hem voor hen staan. Brontekst: Τῇ (Te) = de | δὲ (de) = maar | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | βουλόμενος (boulomenos) = willend | γνῶναι (gnonai) = weten | τὸ (to) = het | ἀσφαλὲς (asphales) = zekere | τὸ (to) = het | τί (ti) = wat | κατηγορεῖται (kategoreitai) = hij beschuldigd wordt | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἔλυσεν (elysen) = maakte los | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | συνελθεῖν (synelthein) = samen te komen | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | πᾶν (pan) = heel | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | καὶ (kai) = en | καταγαγὼν (katagagon) = naar beneden brengend | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἔστησεν (estesen) = zette | εἰς (eis) = voor | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem; zie Luc. 22:66. De tribuun wil weten wat de beschuldiging is en brengt Paulus daarom voor de Raad. Zie ook: Luc 22:66 ## Handelingen 23 _Paulus voor de Raad, het complot, de brief van de tribuun en de overbrenging naar Caesarea_ ### Paulus voor de Raad **23:1** Paulus keek de Raad strak aan. Hij zei: „Mannen, broers, ik heb tot op deze dag voor Elohim mijn leven geleid met een volkomen goed geweten.” Brontekst: ἀτενίσας (atenisas) = strak aankijkend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | τῷ (to) = de | συνεδρίῳ (synedrio) = Raad | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἐγὼ (ego) = ik | πάσῃ (pase) = met geheel | συνειδήσει (syneidesei) = geweten | ἀγαθῇ (agathe) = goed | πεπολίτευμαι (pepoliteumai) = heb mijn leven geleid | τῷ (to) = voor | θεῷ (theo) = Elohim | ἄχρι (achri) = tot | ταύτης (tautes) = deze | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀτενίζω (atenizo), ‘strak aankijken’. πολιτεύομαι (politeuomai), ‘zijn leven leiden’: eigenlijk ‘als burger leven’; συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’. Paulus zegt hetzelfde in 24:16. **23:2** De hogepriester Ananias beval hen die bij hem stonden, Paulus op de mond te slaan. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | ἐπέταξεν (epetaxen) = beval | τοῖς (tois) = aan hen die | παρεστῶσιν (parestosin) = erbij stonden | αὐτῷ (auto) = bij hem | τύπτειν (typtein) = te slaan | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἁνανίας (Hananias), ‘Ananias’: de hogepriester; hij is een ander dan Ananias in 22:12. Het Grieks heeft ‘zijn mond’; wij schrijven ‘Paulus’, om verwarring met de hogepriester te voorkomen. **23:3** Toen zei Paulus tegen hem: „Elohim zal u slaan, u witgepleisterde muur. U zit daar om mij volgens de wet te oordelen, en tegen de wet in beveelt u mij te slaan?” Brontekst: τότε (tote) = toen | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | πρὸς (pros) = tegen | αὐτὸν (auton) = hem | εἶπεν (eipen) = zei | Τύπτειν (Typtein) = slaan | σε (se) = u | μέλλει (mellei) = zal | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | τοῖχε (toiche) = muur | κεκονιαμένε (kekoniamene) = witgepleisterde | καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = u | κάθῃ (kathe) = zit | κρίνων (krinon) = oordelend | με (me) = mij | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | καὶ (kai) = en | παρανομῶν (paranomon) = tegen de wet handelend | κελεύεις (keleueis) = beveelt u | με (me) = mij | τύπτεσθαι (typtesthai) = geslagen te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τοῖχος κεκονιαμένος (toichos kekoniamenos), ‘witgepleisterde muur’: een muur die van buiten mooi lijkt en van binnen niet; vergelijk Matt. 23:27 (‘witgepleisterde graven’) en Ezech. 13:10–15, over een muur die met kalk bestreken is. Paulus spreekt de hogepriester aan met ‘u’. παρανομέω (paranomeo), ‘tegen de wet handelen’. Zie ook: Ezech 13:10–15; Mat 23:27 **23:4** Zij die erbij stonden, zeiden: „Beschimp je de hogepriester van Elohim?” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | παρεστῶτες (parestotes) = erbij staand | εἶπαν (eipan) = zeiden | Τὸν (Ton) = de | ἀρχιερέα (archierea) = hogepriester | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | λοιδορεῖς (loidoreis) = beschimp je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λοιδορέω (loidoreo), ‘beschimpen’: iemand scheldwoorden toevoegen. **23:5** Paulus zei: „Ik wist niet, broers, dat hij hogepriester is. Want er staat geschreven: ‘Een leider van je volk zul je niet kwaad toespreken.’” Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | τε (te) = en | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Οὐκ (Ouk) = niet | ᾔδειν (edein) = wist ik | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ὅτι (hoti) = dat | ἐστὶν (estin) = hij is | ἀρχιερεύς (archiereus) = hogepriester | γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | Ἄρχοντα (Archonta) = leider | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | σου (sou) = je | οὐκ (ouk) = niet | ἐρεῖς (ereis) = zul je zeggen | κακῶς (kakos) = kwaad Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Exod. 22:27 (in de Nederlandse telling is dit 22:28). Het Hebreeuws heeft ‘Elohim mag je niet vervloeken, en een vorst onder je volk mag je niet vloeken’; de Griekse tekst heeft alleen de tweede helft: ἄρχοντα τοῦ λαοῦ σου οὐκ ἐρεῖς κακῶς, ‘een leider van je volk zul je niet kwaad toespreken’. Waarom Paulus niet wist dat Ananias hogepriester was, zegt de tekst niet. Zie ook: Ex 22:27 ### Farizeeën en Sadduceeën **23:6** Paulus wist dat het ene deel uit Sadduceeën bestond en het andere uit Farizeeën. Hij riep in de Raad: „Mannen, broers, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën. Ik word geoordeeld vanwege de hoop en de opstanding van de doden.” Brontekst: Γνοὺς (Gnous) = wetend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ὅτι (hoti) = dat | τὸ (to) = het | ἓν (hen) = ene | μέρος (meros) = deel | ἐστὶν (estin) = is | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = van Sadduceeën | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | ἕτερον (heteron) = andere | Φαρισαίων (Pharisaion) = van Farizeeën | ἔκραζεν (ekrazen) = riep | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | συνεδρίῳ (synedrio) = Raad | Ἄνδρες (Andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἐγὼ (ego) = ik | Φαρισαῖός (Pharisaios) = Farizeeër | εἰμι (eimi) = ben | υἱὸς (huios) = zoon | Φαρισαίων (Pharisaion) = van Farizeeën | περὶ (peri) = vanwege | ἐλπίδος (elpidos) = hoop | καὶ (kai) = en | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | νεκρῶν (nekron) = van doden | ἐγὼ (ego) = ik | κρίνομαι (krinomai) = word geoordeeld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi), ‘Sadduceeën’, en Φαρισαῖοι (Farisaioi), ‘Farizeeën’: twee richtingen binnen het Joodse volk; zie Matt. 22:23. Paulus noemt zichzelf ook elders Farizeeër (Fil. 3:5). ἐλπίδος καὶ ἀναστάσεως (elpidos kai anastaseos), ‘de hoop en de opstanding’: het kan ook ‘de hoop op de opstanding’ betekenen. Zie ook: Mat 22:23; Fil 3:5 **23:7** Terwijl hij dit zei, ontstond er onenigheid tussen de Farizeeën en de Sadduceeën, en de menigte raakte verdeeld. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | ἐγένετο (egeneto) = ontstond | στάσις (stasis) = onenigheid | τῶν (ton) = tussen de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = Sadduceeën | καὶ (kai) = en | ἐσχίσθη (eschisthe) = raakte verdeeld | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στάσις (stasis), ‘onenigheid’: zie ook 23:10. In 24:5 vertalen wij het meervoud (στάσεις) met ‘onrust’. **23:8** Want de Sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is, geen engel en geen geest. De Farizeeën belijden beide. Brontekst: Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi) = Sadduceeën | μὲν (men) = wel | γὰρ (gar) = want | λέγουσιν (legousin) = zeggen | μὴ (me) = niet | εἶναι (einai) = dat er is | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | μήτε (mete) = noch | ἄγγελον (angelon) = engel | μήτε (mete) = noch | πνεῦμα (pneuma) = geest | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | δὲ (de) = maar | ὁμολογοῦσιν (homologousin) = belijden | τὰ (ta) = de | ἀμφότερα (amphotera) = beide Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμφότερα (amfotera), ‘beide’: het Grieks zegt ‘beide’, terwijl er drie dingen genoemd zijn: opstanding, engel en geest. Het kan zijn dat ‘engel’ en ‘geest’ samen als één punt gelden; de tekst zegt het niet. Voetnoot : Zie ook Matt. 22:23; Mark. 12:18; Luc. 20:27. Zie ook: Mat 22:23; Mar 12:18; Luc 20:27 **23:9** Er ontstond groot geschreeuw. Enkele schriftgeleerden uit de partij van de Farizeeën stonden op en streden fel. Zij zeiden: „Wij vinden niets kwaads in deze man. Maar als een geest of een engel tot hem gesproken heeft …” Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = ontstond | δὲ (de) = maar | κραυγὴ (krauge) = geschreeuw | μεγάλη (megale) = groot | καὶ (kai) = en | ἀναστάντες (anastantes) = opgestaan | τινὲς (tines) = enkele | τῶν (ton) = van de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | τοῦ (tou) = van de | μέρους (merous) = partij | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | διεμάχοντο (diemachonto) = streden fel | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὐδὲν (Ouden) = niets | κακὸν (kakon) = kwaad | εὑρίσκομεν (heuriskomen) = vinden wij | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens | τούτῳ (touto) = deze | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | πνεῦμα (pneuma) = een geest | ἐλάλησεν (elalesen) = heeft gesproken | αὐτῷ (auto) = tot hem | ἢ (e) = of | ἄγγελος (angelos) = engel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks breekt hier af: ‘Maar als een geest of een engel tot hem gesproken heeft …’. Wij laten de zin onaf. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften volgt nog een zin: ‘laten wij ons niet tegen Elohim verzetten’. De SBLGNT heeft die zin niet. ### De tribuun grijpt in **23:10** Toen er grote onenigheid ontstond, werd de tribuun bang dat Paulus door hen uit elkaar gerukt zou worden. Hij beval de troepen naar beneden te gaan, hem uit hun midden weg te rukken en hem de kazerne in te brengen. Brontekst: πολλῆς (polles) = grote | δὲ (de) = maar | γινομένης (ginomenes) = ontstaande | στάσεως (staseos) = onenigheid | φοβηθεὶς (phobetheis) = bang geworden | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | μὴ (me) = dat niet | διασπασθῇ (diaspasthe) = uit elkaar gerukt zou worden | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτῶν (auton) = hen | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | τὸ (to) = de | στράτευμα (strateuma) = troepen | καταβὰν (kataban) = naar beneden gaand | ἁρπάσαι (harpasai) = weg te rukken | αὐτὸν (auton) = hem | ἐκ (ek) = uit | μέσου (mesou) = midden | αὐτῶν (auton) = hun | ἄγειν (agein) = te brengen | τε (te) = en | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | παρεμβολήν (parembolen) = kazerne Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem. De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg. De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: χιλίαρχος (chiliarchos), ‘tribuun’: zie 21:31. στράτευμα (strateuma), ‘troepen’: de Romeinse soldaten uit de kazerne; zie 21:34. διασπάω (diaspao), ‘uit elkaar rukken’. ### De Heer bemoedigt Paulus **23:11** In de nacht daarop stond de Heer bij hem en zei: **„Heb moed! Want zoals je in Jeruzalem over Mij getuigd hebt, zo moet je ook in Rome getuigen.”** Brontekst: Τῇ (Te) = de | δὲ (de) = maar | ἐπιούσῃ (epiouse) = volgende | νυκτὶ (nykti) = nacht | ἐπιστὰς (epistas) = bij hem staand | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | εἶπεν (eipen) = zei | Θάρσει (Tharsei) = houd moed | ὡς (hos) = zoals | γὰρ (gar) = want | διεμαρτύρω (diemartyro) = je volledig getuigd hebt | τὰ (ta) = het | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij | εἰς (eis) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | οὕτω (houto) = zo | σε (se) = je | δεῖ (dei) = het is nodig | καὶ (kai) = ook | εἰς (eis) = in | Ῥώμην (Rhomen) = Rome | μαρτυρῆσαι (martyresai) = te getuigen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië. Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: Yeshua; zie Luc. 7:13. Wij zetten Zijn woorden rood. Rome is het doel dat Paulus zelf al noemde in Hand. 19:21. Zie ook: Luc 7:13; Hand 19:21 ### Het complot tegen Paulus **23:12** Toen het dag werd, vormden de Joden een samenzwering. Zij stelden zichzelf onder een ban en zeiden dat zij niet zouden eten en niet zouden drinken, totdat zij Paulus gedood hadden. Brontekst: Γενομένης (Genomenes) = geworden | δὲ (de) = maar | ἡμέρας (hemeras) = dag | ποιήσαντες (poiesantes) = makend | συστροφὴν (systrophen) = samenzwering | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἀνεθεμάτισαν (anethematisan) = stelden onder een ban | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | λέγοντες (legontes) = zeggend | μήτε (mete) = noch | φαγεῖν (phagein) = te eten | μήτε (mete) = noch | πιεῖν (piein) = te drinken | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = dat | ἀποκτείνωσιν (apokteinosin) = zij doden | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναθεματίζω (anathematizo), ‘onder een ban stellen’: zichzelf een vloek opleggen als men de gelofte niet houdt. συστροφή (systrophe), ‘samenzwering’: letterlijk ‘samenscholing’. **23:13** Het waren er meer dan 40 die deze samenzwering aangingen. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = maar | πλείους (pleious) = meer | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | οἱ (hoi) = zij die | ταύτην (tauten) = deze | τὴν (ten) = de | συνωμοσίαν (synomosian) = samenzwering | ποιησάμενοι (poiesamenoi) = aangegaan zijn Bron: SBLGNT **23:14** Zij gingen naar de hogepriesters en de oudsten. Zij zeiden: „Wij hebben onszelf onder een zware ban gesteld om niets te proeven totdat wij Paulus gedood hebben. Brontekst: οἵτινες (hoitines) = zij die | προσελθόντες (proselthontes) = naderend | τοῖς (tois) = aan de | ἀρχιερεῦσιν (archiereusin) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | πρεσβυτέροις (presbyterois) = oudsten | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἀναθέματι (Anathemati) = met een ban | ἀνεθεματίσαμεν (anethematisamen) = hebben onder een ban gesteld | ἑαυτοὺς (heautous) = onszelf | μηδενὸς (medenos) = niets | γεύσασθαι (geusasthai) = te proeven | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = dat | ἀποκτείνωμεν (apokteinomen) = wij doden | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: hier de oudsten van het Joodse volk, zoals in Luc. 22:52; in 21:18 zijn het de ouderlingen van de gemeente. Ἀναθέματι ἀνεθεματίσαμεν (Anathemati anethematisamen) is letterlijk ‘met een ban hebben wij onszelf onder een ban gesteld’: een nadrukkelijke manier van spreken. Zie ook: Luc 22:52 **23:15** Laat u nu dus, samen met de Raad, de tribuun weten dat hij hem naar u moet brengen, alsof u zijn zaak nauwkeuriger wilt onderzoeken. Wij zijn bereid hem te doden voordat hij dichterbij komt.” Brontekst: νῦν (nyn) = nu | οὖν (oun) = dus | ὑμεῖς (hymeis) = u | ἐμφανίσατε (emphanisate) = laat weten | τῷ (to) = aan de | χιλιάρχῳ (chiliarcho) = tribuun | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | συνεδρίῳ (synedrio) = Raad | ὅπως (hopos) = opdat | καταγάγῃ (katagage) = hij naar beneden brengt | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | ὑμᾶς (hymas) = u | ὡς (hos) = alsof | μέλλοντας (mellontas) = u op het punt staat | διαγινώσκειν (diaginoskein) = te onderzoeken | ἀκριβέστερον (akribesteron) = nauwkeuriger | τὰ (ta) = de zaken | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = hem | ἡμεῖς (hemeis) = wij | δὲ (de) = maar | πρὸ (pro) = voordat | τοῦ (tou) = dat | ἐγγίσαι (engisai) = hij nadert | αὐτὸν (auton) = hij | ἕτοιμοί (hetoimoi) = bereid | ἐσμεν (esmen) = zijn | τοῦ (tou) = om | ἀνελεῖν (anelein) = te doden | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De samenzweerders spreken de hogepriesters en oudsten aan met ‘u’. ### De zoon van de zus van Paulus **23:16** De zoon van de zus van Paulus hoorde van de hinderlaag. Hij kwam, ging de kazerne binnen en meldde het aan Paulus. Brontekst: Ἀκούσας (Akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τῆς (tes) = van de | ἀδελφῆς (adelphes) = zus | Παύλου (Paulou) = van Paulus | τὴν (ten) = de | ἐνέδραν (enedran) = hinderlaag | παραγενόμενος (paragenomenos) = aanwezig komend | καὶ (kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengaand | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | παρεμβολὴν (parembolen) = kazerne | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = meldde | τῷ (to) = aan | Παύλῳ (Paulo) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem. De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg. De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Over de zus van Paulus en haar zoon vertelt het Nieuwe Testament verder niets. **23:17** Paulus riep een van de hoofdmannen over honderd bij zich en zei: „Breng deze jongeman naar de tribuun, want hij heeft hem iets te melden.” Brontekst: προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich roepend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἕνα (hena) = een | τῶν (ton) = van de | ἑκατονταρχῶν (hekatontarchon) = hoofdmannen over honderd | ἔφη (ephe) = zei | Τὸν (Ton) = de | νεανίαν (neanian) = jongeman | τοῦτον (touton) = deze | ἄπαγε (apage) = breng weg | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | χιλίαρχον (chiliarchon) = tribuun | ἔχει (echei) = hij heeft | γὰρ (gar) = want | ἀπαγγεῖλαί (apangeilai) = te melden | τι (ti) = iets | αὐτῷ (auto) = aan hem Bron: SBLGNT **23:18** Die nam hem mee en bracht hem naar de tribuun. Hij zei: „De gevangene Paulus heeft mij bij zich geroepen en gevraagd deze jongeman naar u te brengen, want hij heeft u iets te zeggen.” Brontekst: ὁ (ho) = die | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dan | παραλαβὼν (paralabon) = meenemend | αὐτὸν (auton) = hem | ἤγαγεν (egagen) = bracht | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | χιλίαρχον (chiliarchon) = tribuun | καὶ (kai) = en | φησίν (phesin) = zegt hij | Ὁ (Ho) = de | δέσμιος (desmios) = gevangene | Παῦλος (Paulos) = Paulus | προσκαλεσάμενός (proskalesamenos) = bij zich geroepen hebbend | με (me) = mij | ἠρώτησεν (erotesen) = vroeg | τοῦτον (touton) = deze | τὸν (ton) = de | νεανίαν (neanian) = jongeman | ἀγαγεῖν (agagein) = te brengen | πρὸς (pros) = naar | σέ (se) = u | ἔχοντά (echonta) = hebbend | τι (ti) = iets | λαλῆσαί (lalesai) = te zeggen | σοι (soi) = aan u Bron: SBLGNT **23:19** De tribuun pakte hem bij de hand, ging met hem apart en vroeg: „Wat is het dat je mij te melden hebt?” Brontekst: ἐπιλαβόμενος (epilabomenos) = grijpend | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = van de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | καὶ (kai) = en | ἀναχωρήσας (anachoresas) = zich terugtrekkend | κατ’ (kat’) = op | ἰδίαν (idian) = apart | ἐπυνθάνετο (epynthaneto) = vroeg | Τί (Ti) = wat | ἐστιν (estin) = is het | ὃ (ho) = dat | ἔχεις (echeis) = je hebt | ἀπαγγεῖλαί (apangeilai) = te melden | μοι (moi) = aan mij Bron: SBLGNT **23:20** Hij zei: „De Joden zijn overeengekomen u te vragen Paulus morgen naar de Raad te brengen, alsof zij iets nauwkeuriger over hem willen onderzoeken. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei hij | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | Οἱ (Hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | συνέθεντο (synethento) = zijn overeengekomen | τοῦ (tou) = om | ἐρωτῆσαί (erotesai) = te vragen | σε (se) = u | ὅπως (hopos) = opdat | αὔριον (aurion) = morgen | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | καταγάγῃς (katagages) = u naar beneden brengt | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | ὡς (hos) = alsof | μέλλον (mellon) = op het punt staand | τι (ti) = iets | ἀκριβέστερον (akribesteron) = nauwkeuriger | πυνθάνεσθαι (pynthanesthai) = te onderzoeken | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **23:21** Laat u dus niet door hen overtuigen. Want meer dan 40 mannen van hen liggen voor hem op de loer. Zij hebben zichzelf onder een ban gesteld om niet te eten en niet te drinken, totdat zij hem gedood hebben. Nu zijn zij bereid en wachten zij op uw toezegging.” Brontekst: σὺ (sy) = u | οὖν (oun) = dus | μὴ (me) = niet | πεισθῇς (peisthes) = laat u overtuigen | αὐτοῖς (autois) = door hen | ἐνεδρεύουσιν (enedreuousin) = liggen op de loer | γὰρ (gar) = want | αὐτὸν (auton) = op hem | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ἄνδρες (andres) = mannen | πλείους (pleious) = meer | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | οἵτινες (hoitines) = die | ἀνεθεμάτισαν (anethematisan) = stelden onder een ban | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | μήτε (mete) = noch | φαγεῖν (phagein) = te eten | μήτε (mete) = noch | πιεῖν (piein) = te drinken | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = dat | ἀνέλωσιν (anelosin) = zij gedood hebben | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | εἰσιν (eisin) = zijn zij | ἕτοιμοι (hetoimoi) = bereid | προσδεχόμενοι (prosdechomenoi) = wachtend op | τὴν (ten) = de | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = u | ἐπαγγελίαν (epangelian) = toezegging Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπαγγελία (epangelia), ‘toezegging’: elders vertalen wij het woord met ‘belofte’ (Luc. 24:49); hier gaat het om de instemming van de tribuun. Zie ook: Luc 24:49 **23:22** De tribuun liet de jongeman gaan en droeg hem op aan niemand te vertellen dat hij hem dit had meegedeeld. Brontekst: ὁ (ho) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dan | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | ἀπέλυσε (apelyse) = liet gaan | τὸν (ton) = de | νεανίσκον (neaniskon) = jongeman | παραγγείλας (parangeilas) = opdragend | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | ἐκλαλῆσαι (eklalesai) = uit te spreken | ὅτι (hoti) = dat | ταῦτα (tauta) = dit | ἐνεφάνισας (enephanisas) = je bekendgemaakt hebt | πρὸς (pros) = aan | ἐμέ (eme) = mij Bron: SBLGNT ### Het bevel en de brief van de tribuun **23:23** Hij riep twee van de hoofdmannen over honderd bij zich. Hij zei: „Maak 200 soldaten gereed om naar Caesarea te gaan, met 70 ruiters en 200 lansdragers, vanaf het derde uur van de nacht. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσκαλεσάμενός (proskalesamenos) = bij zich roepend | τινας (tinas) = enkele | δύο (dyo) = twee | τῶν (ton) = van de | ἑκατονταρχῶν (hekatontarchon) = hoofdmannen over honderd | εἶπεν (eipen) = zei hij | Ἑτοιμάσατε (Hetoimasate) = maak gereed | στρατιώτας (stratiotas) = soldaten | διακοσίους (diakosious) = 200 | ὅπως (hopos) = opdat | πορευθῶσιν (poreuthosin) = zij gaan | ἕως (heos) = tot | Καισαρείας (Kaisareias) = Caesarea | καὶ (kai) = en | ἱππεῖς (hippeis) = ruiters | ἑβδομήκοντα (hebdomekonta) = 70 | καὶ (kai) = en | δεξιολάβους (dexiolabous) = lansdragers | διακοσίους (diakosious) = 200 | ἀπὸ (apo) = vanaf | τρίτης (trites) = derde | ὥρας (horas) = uur | τῆς (tes) = van de | νυκτός (nyktos) = nacht Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: τρίτη ὥρα τῆς νυκτός (trite hora tes nyktos), ‘het derde uur van de nacht’: als de nacht bij zonsondergang begint, is dat ongeveer negen uur ’s avonds. δεξιολάβος (dexiolabos), ‘lansdrager’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Letterlijk is het ‘wie met de rechterhand grijpt’. In totaal gaat het om 470 man. **23:24** Zorg ook voor rijdieren, zodat zij Paulus erop kunnen zetten en veilig naar de stadhouder Felix kunnen brengen.” Brontekst: κτήνη (ktene) = rijdieren | τε (te) = en | παραστῆσαι (parastesai) = klaar te zetten | ἵνα (hina) = opdat | ἐπιβιβάσαντες (epibibasantes) = zettend op | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | διασώσωσι (diasososi) = zij veilig brengen | πρὸς (pros) = naar | Φήλικα (Phelika) = Felix | τὸν (ton) = de | ἡγεμόνα (hegemona) = stadhouder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κτῆνος (ktenos), ‘rijdier’: een dier om op te rijden. ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: Felix, zoals Pilatus in Matt. 27:2. Zie ook: Mat 27:2 **23:25** Hij schreef een brief met de volgende inhoud: Brontekst: γράψας (grapsas) = schrijvend | ἐπιστολὴν (epistolen) = brief | ἔχουσαν (echousan) = hebbend | τὸν (ton) = de | τύπον (typon) = vorm | τοῦτον (touton) = deze Bron: SBLGNT **23:26** Claudius Lysias groet de uitmuntende stadhouder Felix. Brontekst: Κλαύδιος (Klaudios) = Claudius | Λυσίας (Lysias) = Lysias | τῷ (to) = aan de | κρατίστῳ (kratisto) = uitmuntende | ἡγεμόνι (hegemoni) = stadhouder | Φήλικι (Pheliki) = Felix | χαίρειν (chairein) = groet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράτιστος (kratistos), ‘uitmuntend’: een eretitel voor hooggeplaatsten, zoals in Luc. 1:3. χαίρειν (chairein), ‘groet’: de gewone aanhef van een Griekse brief; zie Hand. 15:23. Wij zetten de brief niet tussen aanhalingstekens. Zie ook: Luc 1:3; Hand 15:23 **23:27** Deze man was door de Joden gegrepen en stond op het punt door hen gedood te worden. Ik kwam erbij met de troepen en redde hem, toen ik vernam dat hij een Romein is. Brontekst: τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | τοῦτον (touton) = deze | συλλημφθέντα (syllemphthenta) = gegrepen | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | μέλλοντα (mellonta) = op het punt staand | ἀναιρεῖσθαι (anaireisthai) = gedood te worden | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτῶν (auton) = hen | ἐπιστὰς (epistas) = erbij komend | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | στρατεύματι (strateumati) = troepen | ἐξειλάμην (exeilamen) = redde ik | μαθὼν (mathon) = vernemend | ὅτι (hoti) = dat | Ῥωμαῖός (Rhomaios) = Romein | ἐστιν (estin) = hij is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De brief laat het voorkomen alsof de tribuun Paulus redde omdat hij een Romein is. Volgens 21:31–33 en 22:25–29 hoorde hij pas later dat Paulus Romein is. **23:28** Ik wilde weten om welke reden zij hem beschuldigden en bracht hem naar hun Raad. Brontekst: βουλόμενός (boulomenos) = willend | τε (te) = en | ἐπιγνῶναι (epignonai) = weten | τὴν (ten) = de | αἰτίαν (aitian) = reden | δι’ (di’) = waarvoor | ἣν (hen) = welke | ἐνεκάλουν (enekaloun) = zij beschuldigden | αὐτῷ (auto) = hem | κατήγαγον (kategagon) = bracht ik naar beneden | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰτία (aitia), ‘reden’: het woord kan ook ‘aanklacht’ betekenen. **23:29** Ik vond dat hij beschuldigd werd over twistvragen uit hun wet. Maar er was geen beschuldiging tegen hem die de dood of boeien verdient. Brontekst: ὃν (hon) = die | εὗρον (heuron) = vond ik | ἐγκαλούμενον (enkaloumenon) = beschuldigd | περὶ (peri) = over | ζητημάτων (zetematon) = twistvragen | τοῦ (tou) = van de | νόμου (nomou) = wet | αὐτῶν (auton) = hun | μηδὲν (meden) = niets | δὲ (de) = maar | ἄξιον (axion) = waardig | θανάτου (thanatou) = van de dood | ἢ (e) = of | δεσμῶν (desmon) = van boeien | ἔχοντα (echonta) = hebbend | ἔγκλημα (enklema) = beschuldiging Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζήτημα (zetema), ‘twistvraag’: een vraag waarover men discussieert. δεσμοί (desmoi), ‘boeien’. **23:30** Toen mij gemeld werd dat er een aanslag op de man zou worden gepleegd, heb ik hem meteen naar u gestuurd. Ook heb ik de aanklagers opgedragen tegen hem te spreken voor u. Brontekst: μηνυθείσης (menytheises) = gemeld wordend | δέ (de) = maar | μοι (moi) = mij | ἐπιβουλῆς (epiboules) = aanslag | εἰς (eis) = tegen | τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | ἔσεσθαι (esesthai) = dat zal zijn | ἐξαυτῆς (exautes) = meteen | ἔπεμψα (epempsa) = stuurde ik | πρὸς (pros) = naar | σέ (se) = u | παραγγείλας (parangeilas) = opdragend | καὶ (kai) = ook | τοῖς (tois) = aan de | κατηγόροις (kategorois) = aanklagers | λέγειν (legein) = te spreken | πρὸς (pros) = tegen | αὐτὸν (auton) = hem | ἐπὶ (epi) = voor | σοῦ (sou) = u Bron: SBLGNT ### Paulus wordt naar Caesarea gebracht **23:31** De soldaten namen Paulus mee, zoals hun was opgedragen, en brachten hem ’s nachts naar Antipatris. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dan | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = wat | διατεταγμένον (diatetagmenon) = opgedragen was | αὐτοῖς (autois) = hun | ἀναλαβόντες (analabontes) = meenemend | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἤγαγον (egagon) = brachten | διὰ (dia) = door | νυκτὸς (nyktos) = nacht | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἀντιπατρίδα (Antipatrida) = Antipatris Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Antipatris (Tel Afek; ligging waarschijnlijk): Antipatris lag aan de weg van Jeruzalem naar Caesarea en wordt meestal gezocht bij Tel Afek (Afek), bij Rosh Haayin. Dit is waarschijnlijk. **23:32** De volgende dag lieten zij de ruiters met hem doorreizen en keerden terug naar de kazerne. Brontekst: τῇ (te) = de | δὲ (de) = maar | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἐάσαντες (easantes) = latend | τοὺς (tous) = de | ἱππεῖς (hippeis) = ruiters | ἀπέρχεσθαι (aperchesthai) = weg te gaan | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | παρεμβολήν (parembolen) = kazerne Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem. De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg. De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker. **23:33** Zij kwamen in Caesarea, overhandigden de brief aan de stadhouder en stelden ook Paulus aan hem voor. Brontekst: οἵτινες (hoitines) = die | εἰσελθόντες (eiselthontes) = binnengegaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | καὶ (kai) = en | ἀναδόντες (anadontes) = overhandigend | τὴν (ten) = de | ἐπιστολὴν (epistolen) = brief | τῷ (to) = aan de | ἡγεμόνι (hegemoni) = stadhouder | παρέστησαν (parestesan) = stelden voor | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | αὐτῷ (auto) = aan hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. **23:34** Toen de stadhouder de brief gelezen had, vroeg hij uit welke provincie Paulus kwam. Hij hoorde dat hij uit Cilicië kwam. Brontekst: ἀναγνοὺς (anagnous) = gelezen hebbend | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = en | ἐπερωτήσας (eperotesas) = vragend | ἐκ (ek) = uit | ποίας (poias) = welke | ἐπαρχείας (eparcheias) = provincie | ἐστὶν (estin) = hij is | καὶ (kai) = en | πυθόμενος (pythomenos) = vernemend | ὅτι (hoti) = dat | ἀπὸ (apo) = uit | Κιλικίας (Kilikias) = Cilicië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. **23:35** „Ik zal je aanhoren,” zei hij, „zodra ook je aanklagers zijn gekomen.” Hij beval dat Paulus in het pretorium van Herodes bewaakt moest worden. Brontekst: Διακούσομαί (Diakousomai) = ik zal aanhoren | σου (sou) = je | ἔφη (ephe) = zei hij | ὅταν (hotan) = wanneer | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | κατήγοροί (kategoroi) = aanklagers | σου (sou) = je | παραγένωνται (paragenontai) = zijn aangekomen | κελεύσας (keleusas) = bevelend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | πραιτωρίῳ (praitorio) = pretorium | τοῦ (tou) = van | Ἡρῴδου (Herodou) = Herodes | φυλάσσεσθαι (phylassesthai) = bewaakt te worden | αὐτόν (auton) = hij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pretorium van Herodes (Caesarea; ligging onzeker): Het pretorium van Herodes was het paleis van Herodes de Grote in Caesarea, later het verblijf van de Romeinse stadhouder. De precieze plek is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: πραιτώριον (praitorion), ‘pretorium’: het verblijf van de stadhouder, zoals in Matt. 27:27 en Joh. 18:28. Dit gebouw in Caesarea droeg de naam van Herodes. Zie ook: Mat 27:27; Joh 18:28 ## Handelingen 24 _Paulus voor Felix: de aanklacht van Tertullus, Paulus’ verdediging en twee jaar gevangenschap_ ### De aanklacht van Tertullus **24:1** Na vijf dagen kwam de hogepriester Ananias naar beneden, met enkele oudsten en een zekere redenaar, Tertullus. Zij legden de stadhouder hun zaak tegen Paulus voor. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | πέντε (pente) = vijf | ἡμέρας (hemeras) = dagen | κατέβη (katebe) = kwam naar beneden | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | Ἁνανίας (Hananias) = Ananias | μετὰ (meta) = met | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | τινῶν (tinon) = enkele | καὶ (kai) = en | ῥήτορος (rhetoros) = redenaar | Τερτύλλου (Tertyllou) = Tertullus | τινός (tinos) = een zekere | οἵτινες (hoitines) = zij die | ἐνεφάνισαν (enephanisan) = legden voor | τῷ (to) = aan de | ἡγεμόνι (hegemoni) = stadhouder | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἁνανίας (Hananias), ‘Ananias’: de hogepriester van 23:2. ῥήτωρ (rhetor), ‘redenaar’: iemand die beroepshalve een zaak voor de rechter bepleit. ἐμφανίζω (emfanizo), ‘voorleggen’: letterlijk ‘zichtbaar maken’; het Grieks zegt ‘zij maakten tegen Paulus bekend aan de stadhouder’, wij schrijven ‘zij legden hun zaak tegen Paulus voor’. De stadhouder is Felix (23:24). **24:2** Toen Paulus was geroepen, begon Tertullus hem aan te klagen. Hij zei: „Dankzij u genieten wij veel vrede en komen er door uw vooruitziende zorg verbeteringen tot stand voor dit volk. Brontekst: κληθέντος (klethentos) = geroepen zijnde | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | ἤρξατο (erxato) = begon | κατηγορεῖν (kategorein) = aan te klagen | ὁ (ho) = de | Τέρτυλλος (Tertyllos) = Tertullus | λέγων (legon) = zeggend | Πολλῆς (Polles) = veel | εἰρήνης (eirenes) = vrede | τυγχάνοντες (tynchanontes) = verkrijgend | διὰ (dia) = door | σοῦ (sou) = u | καὶ (kai) = en | διορθωμάτων (diorthomaton) = verbeteringen | γινομένων (ginomenon) = ontstaande | τῷ (to) = aan het | ἔθνει (ethnei) = volk | τούτῳ (touto) = dit | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | σῆς (ses) = uw | προνοίας (pronoias) = vooruitziende zorg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρόνοια (pronoia), ‘vooruitziende zorg’: het van tevoren zorgen voor anderen. Tertullus spreekt Felix aan met ‘u’ en opent zijn betoog met lof voor hem. **24:3** In alle opzichten en overal nemen wij dit aan met alle dankbaarheid, uitmuntende Felix. Brontekst: πάντῃ (pante) = in alle opzichten | τε (te) = en | καὶ (kai) = en | πανταχοῦ (pantachou) = overal | ἀποδεχόμεθα (apodechometha) = nemen wij aan | κράτιστε (kratiste) = uitmuntende | Φῆλιξ (Phelix) = Felix | μετὰ (meta) = met | πάσης (pases) = alle | εὐχαριστίας (eucharistias) = dankbaarheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράτιστος (kratistos), ‘uitmuntend’: een eretitel, zoals in 23:26. **24:4** Maar om u niet langer op te houden, verzoek ik u ons in uw welwillendheid kort aan te horen. Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | ἐπὶ (epi) = langer | πλεῖόν (pleion) = meer | σε (se) = u | ἐγκόπτω (enkopto) = ik ophoud | παρακαλῶ (parakalo) = verzoek ik | ἀκοῦσαί (akousai) = te horen | σε (se) = u | ἡμῶν (hemon) = ons | συντόμως (syntomos) = kort | τῇ (te) = in | σῇ (se) = uw | ἐπιεικείᾳ (epieikeia) = welwillendheid Bron: SBLGNT **24:5** Want wij hebben gevonden dat deze man een plaag is. Hij zaait onrust onder alle Joden in de bewoonde wereld. Hij is een voorman van de richting van de Nazoreeërs. Brontekst: εὑρόντες (heurontes) = vindend | γὰρ (gar) = want | τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | τοῦτον (touton) = deze | λοιμὸν (loimon) = plaag | καὶ (kai) = en | κινοῦντα (kinounta) = verwekkend | στάσεις (staseis) = onrust | πᾶσι (pasi) = bij alle | τοῖς (tois) = de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | τοῖς (tois) = die | κατὰ (kata) = over | τὴν (ten) = de | οἰκουμένην (oikoumenen) = bewoonde wereld | πρωτοστάτην (protostaten) = voorman | τε (te) = en | τῆς (tes) = van de | τῶν (ton) = van de | Ναζωραίων (Nazoraion) = Nazoreeërs | αἱρέσεως (haireseos) = richting Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λοιμός (loimos), ‘plaag’: letterlijk ‘pest’, ook gezegd van een schadelijk mens. Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret (zie 22:8); hier de naam voor de volgelingen van Yeshua. αἵρεσις (hairesis), ‘richting’: een groep met eigen opvattingen; Lucas gebruikt het woord ook voor de Sadduceeën en de Farizeeën (Hand. 5:17; 15:5; 26:5). Later is het woord ‘sekte’ gaan betekenen. πρωτοστάτης (protostates), ‘voorman’: iemand die vooraan staat. οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: zoals in Luc. 2:1. Zie ook: Luc 2:1; Hand 5:17; Hand 15:5; Hand 26:5 **24:6** Hij probeerde zelfs de tempel te ontheiligen, en wij hebben hem gegrepen. Brontekst: ὃς (hos) = die | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | ἐπείρασεν (epeirasen) = probeerde | βεβηλῶσαι (bebelosai) = te ontheiligen | ὃν (hon) = wie | καὶ (kai) = ook | ἐκρατήσαμεν (ekratesamen) = grepen wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βεβηλόω (bebeloo), ‘ontheiligen’: zoals in Matt. 12:5; vergelijk de beschuldiging in 21:28. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een stuk (de rest van vers 6, vers 7 en het begin van vers 8) dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Het versnummer 7 ontbreekt daarom. ‘Van hem’ in vers 8 verwijst terug naar ‘hem’ in vers 6: Paulus. Zie ook: Mat 12:5; Hand 24:7; Hand 24:8 **24:8** Van hem kunt u zelf, als u hem ondervraagt, alles te weten komen waarvan wij hem beschuldigen.” Brontekst: παρ’ (par’) = van | οὗ (hou) = wie | δυνήσῃ (dynese) = zult u kunnen | αὐτὸς (autos) = zelf | ἀνακρίνας (anakrinas) = ondervragend | περὶ (peri) = over | πάντων (panton) = alles | τούτων (touton) = dit | ἐπιγνῶναι (epignonai) = te weten komen | ὧν (hon) = waarvan | ἡμεῖς (hemeis) = wij | κατηγοροῦμεν (kategoroumen) = beschuldigen | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **24:9** Ook de Joden voegden zich bij de aanval en beweerden dat dit zo was. Brontekst: συνεπέθεντο (synepethento) = voegden zich bij de aanval | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | φάσκοντες (phaskontes) = beweren | ταῦτα (tauta) = dit | οὕτως (houtos) = zo | ἔχειν (echein) = te zijn Bron: SBLGNT ### Paulus verdedigt zich voor Felix **24:10** Paulus antwoordde, toen de stadhouder hem een wenk had gegeven te spreken: „Ik weet dat u al vele jaren rechter bent over dit volk. Met een gerust hart verdedig ik mijn zaak. Brontekst: Ἀπεκρίθη (Apekrithe) = antwoordde | τε (te) = en | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | νεύσαντος (neusantos) = een wenk gegeven hebbend | αὐτῷ (auto) = hem | τοῦ (tou) = de | ἡγεμόνος (hegemonos) = stadhouder | λέγειν (legein) = te spreken | Ἐκ (Ek) = sinds | πολλῶν (pollon) = vele | ἐτῶν (eton) = jaren | ὄντα (onta) = zijnde | σε (se) = u | κριτὴν (kriten) = rechter | τῷ (to) = aan het | ἔθνει (ethnei) = volk | τούτῳ (touto) = dit | ἐπιστάμενος (epistamenos) = wetend | εὐθύμως (euthymos) = goedsmoeds | τὰ (ta) = wat | περὶ (peri) = over | ἐμαυτοῦ (emautou) = mijzelf | ἀπολογοῦμαι (apologoumai) = verdedig ik mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κριτής (krites), ‘rechter’. εὐθύμως (euthymos), ‘goedsmoeds’: met een gerust hart. Paulus spreekt Felix aan met ‘u’. **24:11** U kunt vaststellen dat het niet meer dan twaalf dagen geleden is dat ik naar Jeruzalem opging om mij neer te buigen. Brontekst: δυναμένου (dynamenou) = kunnend | σου (sou) = u | ἐπιγνῶναι (epignonai) = vaststellen | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | πλείους (pleious) = meer | εἰσίν (eisin) = zijn | μοι (moi) = voor mij | ἡμέραι (hemerai) = dagen | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἀφ’ (aph’) = sinds | ἧς (hes) = welke | ἀνέβην (aneben) = ging ik op | προσκυνήσων (proskyneson) = om mij neer te buigen | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zie Matt. 2:2. Hier gaat het om de bedevaart naar de tempel. Zie ook: Mat 2:2 **24:12** Zij hebben mij niet in de tempel gevonden terwijl ik met iemand een gesprek voerde of een oploop van de menigte veroorzaakte. Ook niet in de synagogen of in de stad. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὔτε (oute) = noch | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | εὗρόν (heuron) = vonden zij | με (me) = mij | πρός (pros) = met | τινα (tina) = iemand | διαλεγόμενον (dialegomenon) = een gesprek voerend | ἢ (e) = of | ἐπίστασιν (epistasin) = oploop | ποιοῦντα (poiounta) = veroorzakend | ὄχλου (ochlou) = van een menigte | οὔτε (oute) = noch | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | οὔτε (oute) = noch | κατὰ (kata) = in | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad Bron: SBLGNT **24:13** Zij kunnen u ook niet aantonen waarvan zij mij nu beschuldigen. Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | παραστῆσαι (parastesai) = aan te tonen | δύνανταί (dynantai) = kunnen zij | σοι (soi) = u | περὶ (peri) = over | ὧν (hon) = wat | νυνὶ (nyni) = nu | κατηγοροῦσίν (kategorousin) = zij beschuldigen | μου (mou) = mij Bron: SBLGNT **24:14** Maar dit belijd ik u: volgens de Weg, die zij een richting noemen, dien ik zo de Elohim van mijn vaders. Ik geloof alles wat volgens de wet is en wat in de profeten geschreven staat. Brontekst: ὁμολογῶ (homologo) = ik belijd | δὲ (de) = maar | τοῦτό (touto) = dit | σοι (soi) = u | ὅτι (hoti) = dat | κατὰ (kata) = volgens | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = Weg | ἣν (hen) = die | λέγουσιν (legousin) = zij noemen | αἵρεσιν (hairesin) = richting | οὕτως (houtos) = zo | λατρεύω (latreuo) = dien ik | τῷ (to) = de | πατρῴῳ (patroo) = vaderlijke | θεῷ (theo) = Elohim | πιστεύων (pisteuon) = gelovend | πᾶσι (pasi) = alles | τοῖς (tois) = wat | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = wat | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | προφήταις (prophetais) = profeten | γεγραμμένοις (gegrammenois) = geschreven staat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁδός (hodos), ‘Weg’: zie 9:2. αἵρεσις (hairesis), ‘richting’: zie 24:5. λατρεύω (latreuo), ‘dienen’: Elohim dienen in de eredienst. πατρῷος θεός (patroos theos), ‘de Elohim van mijn vaders’: de Elohim van Abraham, Isaak en Jakob. **24:15** Ik heb hoop op Elohim, een hoop die ook zij zelf verwachten: dat er een opstanding zal zijn van zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen. Brontekst: ἐλπίδα (elpida) = hoop | ἔχων (echon) = hebbend | εἰς (eis) = op | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἣν (hen) = die | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zij zelf | οὗτοι (houtoi) = deze | προσδέχονται (prosdechontai) = verwachten | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | μέλλειν (mellein) = dat zal | ἔσεσθαι (esesthai) = zijn | δικαίων (dikaion) = van rechtvaardigen | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | ἀδίκων (adikon) = van onrechtvaardigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen doet denken aan Dan. 12:2, waar ‘velen van hen die slapen in de stofgrond’ ontwaken. Zie ook: Dan 12:2 **24:16** Hierin oefen ook ik mijzelf: altijd een onberispelijk geweten te hebben tegenover Elohim en de mensen. Brontekst: ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = dit | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = zelf | ἀσκῶ (asko) = oefen ik | ἀπρόσκοπον (aproskopon) = onberispelijk | συνείδησιν (syneidesin) = geweten | ἔχειν (echein) = te hebben | πρὸς (pros) = tegenover | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | διὰ (dia) = voor | παντός (pantos) = altijd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπρόσκοπος (aproskopos), ‘onberispelijk’: letterlijk ‘zonder struikelblok’, een geweten waar niemand over struikelt. ἀσκέω (askeo), ‘oefenen’. Vergelijk 23:1. **24:17** Na meerdere jaren kwam ik om aalmoezen te geven aan mijn volk, en om offers te brengen. Brontekst: δι’ (di’) = na | ἐτῶν (eton) = jaren | δὲ (de) = maar | πλειόνων (pleionon) = meerdere | ἐλεημοσύνας (eleemosynas) = aalmoezen | ποιήσων (poieson) = om te geven | εἰς (eis) = aan | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk | μου (mou) = mijn | παρεγενόμην (paregenomen) = kwam ik | καὶ (kai) = en | προσφοράς (prosphoras) = offers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλεημοσύνη (eleemosyne), ‘aalmoes’: een gift aan armen, zoals in Luc. 11:41. Vergelijk Rom. 15:25–26 en 1 Kor. 16:1–3 over een inzameling voor Jeruzalem. Zie ook: Luc 11:41; 1 Kor 16:1–3; Rom 15:25–26 **24:18** Daarbij vonden zij mij, gereinigd, in de tempel, zonder menigte en zonder rumoer. Brontekst: ἐν (en) = bij | αἷς (hais) = welke | εὗρόν (heuron) = vonden zij | με (me) = mij | ἡγνισμένον (hegnismenon) = gereinigd | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | οὐ (ou) = niet | μετὰ (meta) = met | ὄχλου (ochlou) = menigte | οὐδὲ (oude) = noch | μετὰ (meta) = met | θορύβου (thorybou) = rumoer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁγνίζω (hagnizo), ‘reinigen’: zie 21:24 en 21:26. **24:19** Het waren enkele Joden uit Asia. Zij hadden voor u aanwezig moeten zijn en mij moeten beschuldigen, als zij iets tegen mij hebben. Brontekst: τινὲς (tines) = enkele | δὲ (de) = maar | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Ἀσίας (Asias) = Asia | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | οὓς (hous) = die | ἔδει (edei) = moesten | ἐπὶ (epi) = voor | σοῦ (sou) = u | παρεῖναι (pareinai) = aanwezig zijn | καὶ (kai) = en | κατηγορεῖν (kategorein) = beschuldigen | εἴ (ei) = als | τι (ti) = iets | ἔχοιεν (echoien) = zij zouden hebben | πρὸς (pros) = tegen | ἐμέ (eme) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen werkwoord; wij vullen ‘het waren’ aan. De Joden uit Asia zijn degenen van 21:27. **24:20** Of laten deze mensen zelf zeggen welk onrecht zij gevonden hebben toen ik voor de Raad stond, Brontekst: ἢ (e) = of | αὐτοὶ (autoi) = zij zelf | οὗτοι (houtoi) = deze | εἰπάτωσαν (eipatosan) = laten zeggen | τί (ti) = welk | εὗρον (heuron) = vonden zij | ἀδίκημα (adikema) = onrecht | στάντος (stantos) = staand | μου (mou) = ik | ἐπὶ (epi) = voor | τοῦ (tou) = de | συνεδρίου (synedriou) = Raad Bron: SBLGNT **24:21** of was het dit ene woord dat ik riep, staand onder hen: ‘Over de opstanding van de doden word ik vandaag voor jullie geoordeeld.’” Brontekst: ἢ (e) = of | περὶ (peri) = over | μιᾶς (mias) = één | ταύτης (tautes) = dit | φωνῆς (phones) = woord | ἧς (hes) = dat | ἐκέκραξα (ekekraxa) = ik riep | ἐν (en) = onder | αὐτοῖς (autois) = hen | ἑστὼς (hestos) = staand | ὅτι (hoti) = dat | Περὶ (Peri) = over | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | νεκρῶν (nekron) = van doden | ἐγὼ (ego) = ik | κρίνομαι (krinomai) = word geoordeeld | σήμερον (semeron) = vandaag | ἐφ’ (eph’) = voor | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen werkwoord; wij vullen ‘was het’ aan. Paulus verwijst naar zijn woorden in 23:6. ### Felix stelt de zaak uit **24:22** Felix, die nauwkeuriger op de hoogte was van wat de Weg betreft, stelde hen uit. Hij zei: „Wanneer de tribuun Lysias naar beneden komt, zal ik uw zaak beslissen.” Brontekst: Ἀνεβάλετο (Anebaleto) = stelde uit | δὲ (de) = maar | αὐτοὺς (autous) = hen | ὁ (ho) = de | Φῆλιξ (Phelix) = Felix | ἀκριβέστερον (akribesteron) = nauwkeuriger | εἰδὼς (eidos) = wetend | τὰ (ta) = de zaken | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | ὁδοῦ (hodou) = Weg | εἴπας (eipas) = zeggend | Ὅταν (Hotan) = wanneer | Λυσίας (Lysias) = Lysias | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = tribuun | καταβῇ (katabe) = naar beneden komt | διαγνώσομαι (diagnosomai) = zal ik beslissen | τὰ (ta) = de zaken | καθ’ (kath’) = wat | ὑμᾶς (hymas) = uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Felix zegt ‘u’ tegen de hogepriester en de oudsten. διαγινώσκω (diaginosko), ‘beslissen’: een zaak tot op de bodem onderzoeken en er uitspraak over doen. **24:23** Hij gaf de hoofdman over honderd de opdracht Paulus in bewaring te houden. Hij moest hem enige verlichting geven en niemand van zijn eigen mensen beletten hem te helpen. Brontekst: διαταξάμενος (diataxamenos) = opdracht gevend | τῷ (to) = aan de | ἑκατοντάρχῃ (hekatontarche) = hoofdman over honderd | τηρεῖσθαι (tereisthai) = bewaakt te worden | αὐτὸν (auton) = hij | ἔχειν (echein) = te hebben | τε (te) = en | ἄνεσιν (anesin) = verlichting | καὶ (kai) = en | μηδένα (medena) = niemand | κωλύειν (kolyein) = te beletten | τῶν (ton) = van de | ἰδίων (idion) = eigen mensen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὑπηρετεῖν (hyperetein) = te helpen | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄνεσις (anesis), ‘verlichting’: enige ruimte, geen strenge bewaking. ὑπηρετέω (hyperetēo), ‘helpen’: dienen, bijstaan. ### Felix en Drusilla **24:24** Enkele dagen later kwam Felix met Drusilla, zijn eigen vrouw, die Joods was. Hij liet Paulus halen en hoorde hem over het geloof in de Messias Yeshua. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τινὰς (tinas) = enkele | παραγενόμενος (paragenomenos) = aanwezig komend | ὁ (ho) = de | Φῆλιξ (Phelix) = Felix | σὺν (syn) = met | Δρουσίλλῃ (Drousille) = Drusilla | τῇ (te) = de | ἰδίᾳ (idia) = eigen | γυναικὶ (gynaiki) = vrouw | οὔσῃ (ouse) = zijnde | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Joods | μετεπέμψατο (metepempsato) = liet halen | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | καὶ (kai) = en | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | αὐτοῦ (autou) = hem | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = het | εἰς (eis) = in | Χριστὸν (Christon) = Messias | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | πίστεως (pisteos) = geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Δρούσιλλα (Drousilla), ‘Drusilla’: de Joodse vrouw van Felix; de tekst zegt verder niets over haar. Χριστὸν Ἰησοῦν (Christon Iesoun), ‘de Messias Yeshua’: Χριστός betekent ‘gezalfde’, het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach); zie Matt. 1:1. Zie ook: Mat 1:1 **24:25** Toen Paulus sprak over gerechtigheid, zelfbeheersing en het komende oordeel, werd Felix bang. Hij antwoordde: „Ga voor nu maar weg. Als ik gelegenheid krijg, laat ik je roepen.” Brontekst: διαλεγομένου (dialegomenou) = sprekend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | περὶ (peri) = over | δικαιοσύνης (dikaiosynes) = gerechtigheid | καὶ (kai) = en | ἐγκρατείας (enkrateias) = zelfbeheersing | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = het | κρίματος (krimatos) = oordeel | τοῦ (tou) = dat | μέλλοντος (mellontos) = komen gaat | ἔμφοβος (emphobos) = bang | γενόμενος (genomenos) = geworden | ὁ (ho) = de | Φῆλιξ (Phelix) = Felix | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Τὸ (To) = voor het | νῦν (nyn) = nu | ἔχον (echon) = hebbende | πορεύου (poreuou) = ga | καιρὸν (kairon) = gelegenheid | δὲ (de) = maar | μεταλαβὼν (metalabon) = krijgend | μετακαλέσομαί (metakalesomai) = zal ik laten roepen | σε (se) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγκράτεια (enkrateia), ‘zelfbeheersing’; κρίμα (krima), ‘oordeel’; ἔμφοβος (emfobos), ‘bang’. Felix stelt het gesprek uit; Paulus noemt hier gerechtigheid en zelfbeheersing, de tekst zegt niet welk verband Felix zelf zag. **24:26** Tegelijk hoopte hij dat Paulus hem geld zou geven. Daarom liet hij hem ook vaker halen en sprak hij met hem. Brontekst: ἅμα (hama) = tegelijk | καὶ (kai) = ook | ἐλπίζων (elpizon) = hopend | ὅτι (hoti) = dat | χρήματα (chremata) = geld | δοθήσεται (dothesetai) = gegeven zal worden | αὐτῷ (auto) = aan hem | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | Παύλου (Paulou) = Paulus | διὸ (dio) = daarom | καὶ (kai) = ook | πυκνότερον (pyknoteron) = vaker | αὐτὸν (auton) = hem | μεταπεμπόμενος (metapempomenos) = laten halend | ὡμίλει (homilei) = sprak | αὐτῷ (auto) = met hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt alleen dat Felix hoopte dat Paulus hem geld zou geven, zonder te noemen waarvoor. ### Twee jaar gevangenschap in Caesarea **24:27** Toen twee jaar voorbij waren, kreeg Felix als opvolger Porcius Festus. Felix wilde de Joden een gunst bewijzen en liet Paulus gebonden achter. Brontekst: Διετίας (Dietias) = twee jaar | δὲ (de) = maar | πληρωθείσης (plerotheises) = vervuld zijnd | ἔλαβεν (elaben) = kreeg | διάδοχον (diadochon) = opvolger | ὁ (ho) = de | Φῆλιξ (Phelix) = Felix | Πόρκιον (Porkion) = Porcius | Φῆστον (Pheston) = Festus | θέλων (thelon) = willend | τε (te) = en | χάριτα (charita) = gunst | καταθέσθαι (katathesthai) = te bewijzen | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | ὁ (ho) = de | Φῆλιξ (Phelix) = Felix | κατέλιπε (katelipe) = liet achter | τὸν (ton) = de | Παῦλον (Paulon) = Paulus | δεδεμένον (dedemenon) = gebonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Πόρκιος Φῆστος (Porkios Festos), ‘Porcius Festus’: de nieuwe stadhouder. διετία (dietia), ‘twee jaar’: de tekst zegt niet vanaf wanneer deze twee jaar tellen. χάριτα καταθέσθαι (charita katathesthai), ‘een gunst bewijzen’: letterlijk ‘een gunst neerleggen’; χάρις betekent hier ‘gunst’, niet ‘genade’ of ‘dank’. ## Handelingen 25 _Paulus voor Festus, het beroep op de keizer en de komst van Agrippa en Berenice_ ### De Joden vragen Festus om Paulus **25:1** Festus was in de provincie aangekomen. Na drie dagen ging hij van Caesarea omhoog naar Jeruzalem. Brontekst: Φῆστος (Phestos) = Festus | οὖν (oun) = dus | ἐπιβὰς (epibas) = aangekomen | τῇ (te) = in de | ἐπαρχείᾳ (eparcheia) = provincie | μετὰ (meta) = na | τρεῖς (treis) = drie | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἀνέβη (anebe) = ging omhoog | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ἀπὸ (apo) = van | Καισαρείας (Kaisareias) = Caesarea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἐπαρχεία (eparcheia), ‘provincie’: een gebied onder Romeins bestuur. Festus volgde Felix op als stadhouder (zie Hand. 24:27). Caesarea is Caesarea aan zee, de plaats waar Paulus gevangen zat. Zie ook: Hand 24:27 **25:2** De hogepriesters en de voornaamsten van de Joden brachten bij hem hun zaak tegen Paulus naar voren en zij vroegen hem dringend, Brontekst: ἐνεφάνισάν (enephanisan) = brachten naar voren | τε (te) = en | αὐτῷ (auto) = aan hem | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρῶτοι (protoi) = voornaamsten | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = (de) | Παύλου (Paulou) = Paulus | καὶ (kai) = en | παρεκάλουν (parekaloun) = vroegen dringend | αὐτὸν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ πρῶτοι τῶν Ἰουδαίων (hoi protoi ton Ioudaion), ‘de voornaamsten van de Joden’: de leiders van het volk. Zie ook Hand. 28:17. Zie ook: Hand 28:17 **25:3** als gunst, ten nadele van Paulus, dat hij hem naar Jeruzalem liet halen. Zij legden een hinderlaag om hem onderweg te doden. Brontekst: αἰτούμενοι (aitoumenoi) = vragend | χάριν (charin) = als gunst | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = hem | ὅπως (hopos) = dat | μεταπέμψηται (metapempsetai) = hij liet halen | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἐνέδραν (enedran) = een hinderlaag | ποιοῦντες (poiountes) = makend | ἀνελεῖν (anelein) = om te doden | αὐτὸν (auton) = hem | κατὰ (kata) = op | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: χάρις (charis) betekent hier ‘gunst’: zij vragen Festus als gunst dat hij Paulus naar Jeruzalem laat halen. In 25:9 wil Festus de Joden een gunst bewijzen; in 25:11 en 25:16 komt het werkwoord χαρίζομαι (charizomai), ‘als gunst geven’, voor. Voetnoot : ἐνέδρα (enedra), ‘hinderlaag’. Het Grieks heeft hier alleen ‘hem’; voor de duidelijkheid schrijven wij ‘Paulus’. Een eerder plan voor een aanslag staat in Hand. 23:12–15. Zie ook: Hand 23:12–15 **25:4** Festus antwoordde dat Paulus in Caesarea in bewaring werd gehouden en dat hij zelf spoedig zou vertrekken. Brontekst: ὁ (ho) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | Φῆστος (Phestos) = Festus | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | τηρεῖσθαι (tereisthai) = dat bewaard werd | τὸν (ton) = (de) | Παῦλον (Paulon) = Paulus | εἰς (eis) = in | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | δὲ (de) = maar | μέλλειν (mellein) = op het punt stond | ἐν (en) = binnen | τάχει (tachei) = korte tijd | ἐκπορεύεσθαι (ekporeuesthai) = te vertrekken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. **25:5** „De machtigen onder jullie,” zei hij, „moeten dus meegaan. Als er iets verkeerds is aan die man, laten zij hem dan aanklagen.” Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | οὖν (oun) = dus | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | φησίν (phesin) = zegt hij | δυνατοὶ (dynatoi) = machtigen | συγκαταβάντες (synkatabantes) = meegaand | εἴ (ei) = als | τί (ti) = iets | ἐστιν (estin) = is | ἐν (en) = aan | τῷ (to) = de | ἀνδρὶ (andri) = man | ἄτοπον (atopon) = verkeerds | κατηγορείτωσαν (kategoreitosan) = laten zij aanklagen | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δυνατοί (dynatoi), ‘machtigen’: mensen met invloed en gezag. ἄτοπον (atopon), ‘verkeerd’, letterlijk ‘misplaatst’; hetzelfde woord als in Luc. 23:41. Zie ook: Luc 23:41 ### Paulus voor de rechterstoel van Festus **25:6** Hij bleef niet meer dan acht of tien dagen bij hen. Daarna ging hij naar Caesarea. De volgende dag nam hij plaats op de rechterstoel en gaf bevel Paulus voor te leiden. Brontekst: Διατρίψας (Diatripsas) = nadat hij had doorgebracht | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = bij | αὐτοῖς (autois) = hen | ἡμέρας (hemeras) = dagen | οὐ (ou) = niet | πλείους (pleious) = meer | ὀκτὼ (okto) = acht | ἢ (e) = of | δέκα (deka) = tien | καταβὰς (katabas) = afgedaald | εἰς (eis) = naar | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | τῇ (te) = op de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | καθίσας (kathisas) = gaan zitten | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = de | βήματος (bematos) = rechterstoel | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval hij | τὸν (ton) = (de) | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἀχθῆναι (achthenai) = voorgeleid te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: de zetel van de rechter, zoals in Matt. 27:19. Zie ook: Mat 27:19 **25:7** Toen hij aangekomen was, gingen de Joden die uit Jeruzalem waren afgekomen om hem heen staan. Zij brachten veel zware beschuldigingen tegen hem in, die zij niet konden bewijzen. Brontekst: παραγενομένου (paragenomenou) = toen gekomen was | δὲ (de) = en | αὐτοῦ (autou) = hij | περιέστησαν (periestesan) = gingen staan rondom | αὐτὸν (auton) = hem | οἱ (hoi) = de | ἀπὸ (apo) = uit | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | καταβεβηκότες (katabebekotes) = afgekomen | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | πολλὰ (polla) = vele | καὶ (kai) = en | βαρέα (barea) = zware | αἰτιώματα (aitiomata) = beschuldigingen | καταφέροντες (katapherontes) = inbrengend | ἃ (ha) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυον (ischyon) = konden | ἀποδεῖξαι (apodeixai) = bewijzen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **25:8** Paulus verdedigde zich: „Ik heb niets misdaan, noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer.” Brontekst: τοῦ (tou) = (de) | Παύλου (Paulou) = Paulus | ἀπολογουμένου (apologoumenou) = zich verdedigend | ὅτι (hoti) = dat | Οὔτε (Oute) = noch | εἰς (eis) = tegen | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | οὔτε (oute) = noch | εἰς (eis) = tegen | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | οὔτε (oute) = noch | εἰς (eis) = tegen | Καίσαρά (Kaisara) = de keizer | τι (ti) = iets | ἥμαρτον (hemarton) = heb ik misdaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἥμαρτον (hemarton): ἁμαρτάνω betekent meestal ‘zondigen’. Hier gaat het om een misdrijf tegen de wet, de tempel en de keizer; daarom vertalen wij ‘misdaan’. ### Paulus doet een beroep op de keizer **25:9** Festus wilde de Joden een gunst bewijzen. Hij antwoordde Paulus: „Wil je naar Jeruzalem gaan en daar over deze dingen voor mij berecht worden?” Brontekst: ὁ (ho) = de | Φῆστος (Phestos) = Festus | δὲ (de) = maar | θέλων (thelon) = willend | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | χάριν (charin) = een gunst | καταθέσθαι (katathesthai) = bewijzen | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | τῷ (to) = aan | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | εἶπεν (eipen) = zei | Θέλεις (Theleis) = wil je | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ἀναβὰς (anabas) = omhooggaand | ἐκεῖ (ekei) = daar | περὶ (peri) = over | τούτων (touton) = deze dingen | κριθῆναι (krithenai) = berecht worden | ἐπ’ (ep’) = voor | ἐμοῦ (emou) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: χάριν καταθέσθαι (charin katathesthai), letterlijk ‘een gunst neerleggen’: iemand een gunst bewijzen. Felix deed hetzelfde in Hand. 24:27. Zie ook: Hand 24:27 **25:10** Paulus zei: „Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, waar ik berecht moet worden. Aan de Joden heb ik geen onrecht gedaan, zoals ook u zelf heel goed weet. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Ἐπὶ (Epi) = voor | τοῦ (tou) = de | βήματος (bematos) = rechterstoel | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer | ἑστώς (hestos) = staand | εἰμι (eimi) = ben ik | οὗ (hou) = waar | με (me) = mij | δεῖ (dei) = het nodig is | κρίνεσθαι (krinesthai) = beoordeeld te worden | Ἰουδαίους (Ioudaious) = aan Joden | οὐδὲν (ouden) = niets | ἠδίκησα (edikesa) = heb ik onrecht gedaan | ὡς (hos) = zoals | καὶ (kai) = ook | σὺ (sy) = u | κάλλιον (kallion) = beter | ἐπιγινώσκεις (epiginoskeis) = weet Bron: SBLGNT **25:11** Als ik dus onrecht doe en iets gedaan heb wat de dood verdient, weiger ik niet te sterven. Maar als er niets is van de dingen waarvan deze mensen mij aanklagen, kan niemand mij als gunst aan hen uitleveren. Ik doe een beroep op de keizer.” Brontekst: εἰ (ei) = als | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | ἀδικῶ (adiko) = ik onrecht doe | καὶ (kai) = en | ἄξιον (axion) = waard | θανάτου (thanatou) = de dood | πέπραχά (pepracha) = gedaan heb | τι (ti) = iets | οὐ (ou) = niet | παραιτοῦμαι (paraitoumai) = weiger ik | τὸ (to) = het | ἀποθανεῖν (apothanein) = sterven | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | οὐδέν (ouden) = niets | ἐστιν (estin) = is | ὧν (hon) = van wat | οὗτοι (houtoi) = deze mensen | κατηγοροῦσίν (kategorousin) = aanklagen | μου (mou) = mij | οὐδείς (oudeis) = niemand | με (me) = mij | δύναται (dynatai) = kan | αὐτοῖς (autois) = aan hen | χαρίσασθαι (charisasthai) = als gunst uitleveren | Καίσαρα (Kaisara) = de keizer | ἐπικαλοῦμαι (epikaloumai) = roep ik aan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Καίσαρα ἐπικαλοῦμαι (Kaisara epikaloumai), ‘ik doe een beroep op de keizer’: Paulus brengt zijn zaak voor de keizer. Hij is Romeins burger (zie Hand. 22:25–29). Voetnoot : χαρίσασθαι (charisasthai), ‘als gunst uitleveren’: verwant aan χάρις (charis), ‘gunst’ (zie vers 3). Zie ook: Hand 22:25–29; Hand 25:3 **25:12** Toen overlegde Festus met de raad en antwoordde: „Je hebt een beroep gedaan op de keizer. Naar de keizer zul je gaan.” Brontekst: τότε (tote) = toen | ὁ (ho) = de | Φῆστος (Phestos) = Festus | συλλαλήσας (syllalesas) = overlegd hebbend | μετὰ (meta) = met | τοῦ (tou) = de | συμβουλίου (symbouliou) = raad | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Καίσαρα (Kaisara) = de keizer | ἐπικέκλησαι (epikeklesai) = heb je aangeroepen | ἐπὶ (epi) = naar | Καίσαρα (Kaisara) = de keizer | πορεύσῃ (poreuse) = zul je gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συμβούλιον (symboulion), ‘raad’: de raadgevers van de stadhouder. Dit is een andere raad dan de Raad van de Joden (συνέδριον, synedrion). ### Festus legt Agrippa de zaak van Paulus voor **25:13** Enkele dagen later kwamen koning Agrippa en Berenice in Caesarea aan om Festus te begroeten. Brontekst: Ἡμερῶν (Hemeron) = van dagen | δὲ (de) = en | διαγενομένων (diagenomenon) = verstreken | τινῶν (tinon) = enkele | Ἀγρίππας (Agrippas) = Agrippa | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | καὶ (kai) = en | Βερνίκη (Bernike) = Berenice | κατήντησαν (katentesan) = kwamen aan | εἰς (eis) = in | Καισάρειαν (Kaisareian) = Caesarea | ἀσπασάμενοι (aspasamenoi) = begroetend | τὸν (ton) = (de) | Φῆστον (Pheston) = Festus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv. Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder. Voetnoot Uitleg: Agrippa is koning Agrippa (de tweede met die naam), de zoon van de koning Herodes uit Hand. 12:1. Berenice is zijn zuster. Zie ook: Hand 12:1 **25:14** Toen zij daar al meer dagen bleven, legde Festus de koning de zaak van Paulus voor. Hij zei: „Er is een man die door Felix als gevangene is achtergelaten. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | πλείους (pleious) = meer | ἡμέρας (hemeras) = dagen | διέτριβον (dietribon) = zij doorbrachten | ἐκεῖ (ekei) = daar | ὁ (ho) = de | Φῆστος (Phestos) = Festus | τῷ (to) = aan de | βασιλεῖ (basilei) = koning | ἀνέθετο (anetheto) = legde voor | τὰ (ta) = de zaken | κατὰ (kata) = betreffende | τὸν (ton) = (de) | Παῦλον (Paulon) = Paulus | λέγων (legon) = zeggend | Ἀνήρ (Aner) = een man | τίς (tis) = zeker | ἐστιν (estin) = is | καταλελειμμένος (kataleleimmenos) = achtergelaten | ὑπὸ (hypo) = door | Φήλικος (Phelikos) = Felix | δέσμιος (desmios) = gevangene Bron: SBLGNT **25:15** Toen ik in Jeruzalem was, brachten de hogepriesters en de oudsten van de Joden hun zaak over hem naar voren. Zij vroegen een veroordeling tegen hem. Brontekst: περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | γενομένου (genomenou) = zijnde | μου (mou) = ik | εἰς (eis) = in | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ἐνεφάνισαν (enephanisan) = brachten naar voren | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | αἰτούμενοι (aitoumenoi) = vragend | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = hem | καταδίκην (katadiken) = veroordeling Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **25:16** Ik antwoordde hun dat het bij de Romeinen niet de gewoonte is iemand als gunst uit te leveren. Eerst moet de aangeklaagde zijn aanklagers tegenover zich hebben en de gelegenheid krijgen zich tegen de beschuldiging te verdedigen. Brontekst: πρὸς (pros) = tot | οὓς (hous) = wie | ἀπεκρίθην (apekrithen) = antwoordde ik | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἔθος (ethos) = gewoonte | Ῥωμαίοις (Rhomaiois) = bij Romeinen | χαρίζεσθαί (charizesthai) = als gunst uit te leveren | τινα (tina) = enig | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | πρὶν (prin) = voordat | ἢ (e) = dan | ὁ (ho) = de | κατηγορούμενος (kategoroumenos) = aangeklaagde | κατὰ (kata) = van | πρόσωπον (prosopon) = aangezicht | ἔχοι (echoi) = heeft | τοὺς (tous) = de | κατηγόρους (kategorous) = aanklagers | τόπον (topon) = gelegenheid | τε (te) = en | ἀπολογίας (apologias) = voor verdediging | λάβοι (laboi) = krijgt | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | ἐγκλήματος (enklematos) = beschuldiging Bron: SBLGNT **25:17** Toen zij hier bijeengekomen waren, nam ik zonder enig uitstel de volgende dag plaats op de rechterstoel en gaf bevel de man voor te leiden. Brontekst: συνελθόντων (synelthonton) = samengekomen | οὖν (oun) = dus | ἐνθάδε (enthade) = hier | ἀναβολὴν (anabolen) = uitstel | μηδεμίαν (medemian) = geen enkel | ποιησάμενος (poiesamenos) = makend | τῇ (te) = op de | ἑξῆς (hexes) = volgende | καθίσας (kathisas) = gaan zitten | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = de | βήματος (bematos) = rechterstoel | ἐκέλευσα (ekeleusa) = beval ik | ἀχθῆναι (achthenai) = voorgeleid te worden | τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man Bron: SBLGNT **25:18** Toen de aanklagers tegenover hem gingen staan, brachten zij geen enkele aanklacht in over de kwade dingen die ik vermoedde. Brontekst: περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | σταθέντες (stathentes) = gaan staan | οἱ (hoi) = de | κατήγοροι (kategoroi) = aanklagers | οὐδεμίαν (oudemian) = geen enkele | αἰτίαν (aitian) = aanklacht | ἔφερον (epheron) = brachten in | ὧν (hon) = van wat | ἐγὼ (ego) = ik | ὑπενόουν (hypenooun) = vermoedde | πονηρῶν (poneron) = kwade dingen Bron: SBLGNT **25:19** Zij hadden wel enkele geschilpunten met hem over hun eigen godsverering en over een zekere Yeshua. Die was gestorven, maar Paulus beweerde dat Hij leefde. Brontekst: ζητήματα (zetemata) = geschilpunten | δέ (de) = maar | τινα (tina) = enkele | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | ἰδίας (idias) = eigen | δεισιδαιμονίας (deisidaimonias) = godsverering | εἶχον (eichon) = hadden zij | πρὸς (pros) = met | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | περί (peri) = over | τινος (tinos) = een zekere | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τεθνηκότος (tethnekotos) = gestorven | ὃν (hon) = wie | ἔφασκεν (ephasken) = beweerde | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ζῆν (zen) = te leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δεισιδαιμονία (deisidaimonia), ‘godsverering’: letterlijk ‘ontzag voor goddelijke machten’. Het woord kan neutraal of kritisch klinken; hier gebruikt Festus het over de godsdienst van de Joden. Zie ook Hand. 17:22, waar Paulus een verwant woord gebruikt. Zie ook: Hand 17:22 **25:20** Ik wist niet goed raad met het onderzoek naar deze dingen. Ik vroeg of hij naar Jeruzalem wilde gaan en daar over deze dingen berecht wilde worden. Brontekst: ἀπορούμενος (aporoumenos) = in verlegenheid | δὲ (de) = en | ἐγὼ (ego) = ik | τὴν (ten) = het | περὶ (peri) = over | τούτων (touton) = deze dingen | ζήτησιν (zetesin) = onderzoek | ἔλεγον (elegon) = vroeg ik | εἰ (ei) = of | βούλοιτο (bouloito) = hij wilde | πορεύεσθαι (poreuesthai) = gaan | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | κἀκεῖ (kakei) = en daar | κρίνεσθαι (krinesthai) = berecht worden | περὶ (peri) = over | τούτων (touton) = deze dingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **25:21** Maar Paulus deed een beroep: hij wilde in bewaring blijven tot de beslissing van de Augustus. Daarom gaf ik bevel hem in bewaring te houden, totdat ik hem naar de keizer kon doorsturen.” Brontekst: τοῦ (tou) = (de) | δὲ (de) = maar | Παύλου (Paulou) = Paulus | ἐπικαλεσαμένου (epikalesamenou) = die een beroep deed | τηρηθῆναι (terethenai) = in bewaring gehouden te worden | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = voor | τὴν (ten) = de | τοῦ (tou) = (de) | Σεβαστοῦ (Sebastou) = Augustus | διάγνωσιν (diagnosin) = beslissing | ἐκέλευσα (ekeleusa) = beval ik | τηρεῖσθαι (tereisthai) = in bewaring gehouden te worden | αὐτὸν (auton) = hem | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = wanneer | ἀναπέμψω (anapempso) = ik doorstuur | αὐτὸν (auton) = hem | πρὸς (pros) = naar | Καίσαρα (Kaisara) = de keizer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σεβαστός (Sebastos), ‘Augustus’, letterlijk ‘de eerbiedwaardige’: een titel van de keizer. De Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’, uit 25:11–12 is dezelfde persoon. Voetnoot : διάγνωσις (diagnosis), ‘beslissing’: een rechterlijk onderzoek en uitspraak. **25:22** Agrippa zei tegen Festus: „Ik zou de man ook zelf graag willen horen.” „Morgen,” zei hij, „zult u hem horen.” Brontekst: Ἀγρίππας (Agrippas) = Agrippa | δὲ (de) = en | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = de | Φῆστον (Pheston) = Festus | Ἐβουλόμην (Eboulomen) = ik wilde | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = zelf | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = man | ἀκοῦσαι (akousai) = horen | Αὔριον (Aurion) = morgen | φησίν (phesin) = zegt hij | ἀκούσῃ (akouse) = zult u horen | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT ### Paulus voor Agrippa en Berenice **25:23** De volgende dag kwamen Agrippa en Berenice met veel praal. Zij gingen de gehoorzaal binnen, samen met de tribunen en de voornaamste mannen van de stad. Op bevel van Festus werd Paulus voorgeleid. Brontekst: Τῇ (Te) = op de | οὖν (oun) = dus | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἐλθόντος (elthontos) = gekomen | τοῦ (tou) = (de) | Ἀγρίππα (Agrippa) = Agrippa | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = (de) | Βερνίκης (Bernikes) = Berenice | μετὰ (meta) = met | πολλῆς (polles) = veel | φαντασίας (phantasias) = praal | καὶ (kai) = en | εἰσελθόντων (eiselthonton) = binnengegaan | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἀκροατήριον (akroaterion) = gehoorzaal | σύν (syn) = samen met | τε (te) = en | χιλιάρχοις (chiliarchois) = tribunen | καὶ (kai) = en | ἀνδράσιν (andrasin) = mannen | τοῖς (tois) = die | κατ’ (kat’) = bij | ἐξοχὴν (exochen) = uitstek | τῆς (tes) = van de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | κελεύσαντος (keleusantos) = bevolen hebbend | τοῦ (tou) = (de) | Φήστου (Phestou) = Festus | ἤχθη (echthe) = werd voorgeleid | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χιλίαρχος (chiliarchos), ‘tribuun’: een Romeins officier, letterlijk ‘bevelhebber over duizend’. ἀκροατήριον (akroaterion), ‘gehoorzaal’: een zaal waar men naar een zaak luistert. **25:24** Festus zei: „Koning Agrippa en alle mannen die hier bij ons zijn: u ziet hier de man. Over hem heeft heel de menigte van de Joden mij aangesproken, zowel in Jeruzalem als hier. Zij riepen dat hij niet langer mocht leven. Brontekst: καί (kai) = en | φησιν (phesin) = zegt | ὁ (ho) = de | Φῆστος (Phestos) = Festus | Ἀγρίππα (Agrippa) = Agrippa | βασιλεῦ (basileu) = koning | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | συμπαρόντες (symparontes) = aanwezigen | ἡμῖν (hemin) = bij ons | ἄνδρες (andres) = mannen | θεωρεῖτε (theoreite) = ziet | τοῦτον (touton) = deze | περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | ἅπαν (hapan) = heel | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἐνέτυχόν (enetychon) = richtten zich tot | μοι (moi) = mij | ἔν (en) = zowel in | τε (te) = en | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | καὶ (kai) = als | ἐνθάδε (enthade) = hier | βοῶντες (boontes) = roepend | μὴ (me) = niet | δεῖν (dein) = dat het nodig is | αὐτὸν (auton) = hem | ζῆν (zen) = te leven | μηκέτι (meketi) = niet langer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **25:25** Ik stelde vast dat hij niets gedaan had wat de dood verdient. Omdat hij zelf een beroep heeft gedaan op de Augustus, heb ik besloten hem te sturen. Brontekst: ἐγὼ (ego) = ik | δὲ (de) = maar | κατελαβόμην (katelabomen) = begreep | μηδὲν (meden) = niets | ἄξιον (axion) = waard | αὐτὸν (auton) = hij | θανάτου (thanatou) = van de dood | πεπραχέναι (peprachenai) = gedaan te hebben | αὐτοῦ (autou) = hij | δὲ (de) = en | τούτου (toutou) = deze | ἐπικαλεσαμένου (epikalesamenou) = beroep gedaan hebbend | τὸν (ton) = op de | Σεβαστὸν (Sebaston) = Augustus | ἔκρινα (ekrina) = besloot ik | πέμπειν (pempein) = te sturen Bron: SBLGNT **25:26** Over hem heb ik niets zekers om aan de heer te schrijven. Daarom heb ik hem voor u gebracht, en vooral voor u, koning Agrippa, zodat ik na het verhoor iets heb om te schrijven. Brontekst: περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | ἀσφαλές (asphales) = zekers | τι (ti) = iets | γράψαι (grapsai) = te schrijven | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = heer | οὐκ (ouk) = niet | ἔχω (echo) = heb ik | διὸ (dio) = daarom | προήγαγον (proegagon) = bracht ik voor | αὐτὸν (auton) = hem | ἐφ’ (eph’) = voor | ὑμῶν (hymon) = u | καὶ (kai) = en | μάλιστα (malista) = vooral | ἐπὶ (epi) = voor | σοῦ (sou) = u | βασιλεῦ (basileu) = koning | Ἀγρίππα (Agrippa) = Agrippa | ὅπως (hopos) = zodat | τῆς (tes) = het | ἀνακρίσεως (anakriseos) = verhoor | γενομένης (genomenes) = gehouden zijnde | σχῶ (scho) = ik heb | τί (ti) = iets | γράψω (grapso) = om te schrijven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios) betekent hier ‘heer’: de keizer. Wij schrijven het met een kleine letter, omdat het geen titel van Yeshua of Yahweh is. **25:27** Want het lijkt mij onredelijk een gevangene te sturen zonder ook de aanklachten tegen hem aan te geven.” Brontekst: ἄλογον (alogon) = onredelijk | γάρ (gar) = want | μοι (moi) = mij | δοκεῖ (dokei) = lijkt het | πέμποντα (pemponta) = sturend | δέσμιον (desmion) = een gevangene | μὴ (me) = niet | καὶ (kai) = ook | τὰς (tas) = de | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = hem | αἰτίας (aitias) = aanklachten | σημᾶναι (semanai) = aan te geven Bron: SBLGNT ## Handelingen 26 _Paulus verdedigt zich voor koning Agrippa, Festus en Berenice_ ### Paulus verdedigt zich voor Agrippa **26:1** Agrippa zei tegen Paulus: „Het is je toegestaan voor jezelf te spreken.” Toen strekte Paulus zijn hand uit en verdedigde zich: Brontekst: Ἀγρίππας (Agrippas) = Agrippa | δὲ (de) = en | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = (de) | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἔφη (ephe) = zei | Ἐπιτρέπεταί (Epitrepetai) = het is toegestaan | σοι (soi) = aan je | ὑπὲρ (hyper) = voor | σεαυτοῦ (seautou) = jezelf | λέγειν (legein) = te spreken | τότε (tote) = toen | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἐκτείνας (ekteinas) = uitstrekkend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἀπελογεῖτο (apelogeito) = verdedigde zich Bron: SBLGNT **26:2** „Koning Agrippa, ik acht mijzelf gelukkig dat ik mij vandaag voor u mag verdedigen tegen alles waarvan de Joden mij beschuldigen, Brontekst: Περὶ (Peri) = over | πάντων (panton) = alles | ὧν (hon) = waarvan | ἐγκαλοῦμαι (enkaloumai) = ik word beschuldigd | ὑπὸ (hypo) = door | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | βασιλεῦ (basileu) = koning | Ἀγρίππα (Agrippa) = Agrippa | ἥγημαι (hegemai) = acht ik | ἐμαυτὸν (emauton) = mijzelf | μακάριον (makarion) = gelukkig | ἐπὶ (epi) = bij | σοῦ (sou) = u | μέλλων (mellon) = zijnde van plan | σήμερον (semeron) = vandaag | ἀπολογεῖσθαι (apologeisthai) = te verdedigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: hetzelfde woord als in de zaligsprekingen, zoals in Matt. 5:3. Zie ook: Mat 5:3 **26:3** vooral omdat u een kenner bent van alle gewoonten en geschilpunten onder de Joden. Daarom vraag ik u mij geduldig aan te horen. Brontekst: μάλιστα (malista) = vooral | γνώστην (gnosten) = kenner | ὄντα (onta) = zijnde | σε (se) = u | πάντων (panton) = van alle | τῶν (ton) = de | κατὰ (kata) = onder | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | ἐθῶν (ethon) = gewoonten | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | ζητημάτων (zetematon) = geschilpunten | διὸ (dio) = daarom | δέομαι (deomai) = vraag ik | μακροθύμως (makrothymos) = geduldig | ἀκοῦσαί (akousai) = te horen | μου (mou) = mij Bron: SBLGNT ### Het leven van Paulus als Farizeeër **26:4** Hoe ik van jongs af heb geleefd, van het begin af onder mijn volk en in Jeruzalem, dat weten alle Joden. Brontekst: Τὴν (Ten) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | βίωσίν (biosin) = levenswijze | μου (mou) = mijn | τὴν (ten) = die | ἐκ (ek) = van | νεότητος (neotetos) = jeugd | τὴν (ten) = die | ἀπ’ (ap’) = van | ἀρχῆς (arches) = begin | γενομένην (genomenen) = geweest | ἐν (en) = onder | τῷ (to) = het | ἔθνει (ethnei) = volk | μου (mou) = mijn | ἔν (en) = in | τε (te) = en | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | ἴσασι (isasi) = weten | πάντες (pantes) = alle | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **26:5** Zij kennen mij al van oudsher. Als zij het willen, kunnen zij getuigen dat ik als Farizeeër geleefd heb volgens de strengste richting van onze godsdienst. Brontekst: προγινώσκοντές (proginoskontes) = vooraf kennend | με (me) = mij | ἄνωθεν (anothen) = van oudsher | ἐὰν (ean) = als | θέλωσι (thelosi) = zij willen | μαρτυρεῖν (martyrein) = getuigen | ὅτι (hoti) = dat | κατὰ (kata) = volgens | τὴν (ten) = de | ἀκριβεστάτην (akribestaten) = strengste | αἵρεσιν (hairesin) = richting | τῆς (tes) = van de | ἡμετέρας (hemeteras) = onze | θρησκείας (threskeias) = godsdienst | ἔζησα (ezesa) = heb ik geleefd | Φαρισαῖος (Pharisaios) = Farizeeër Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἵρεσις (hairesis), ‘richting’: een groep of stroming binnen het volk. Hier gaat het om de Farizeeën; in Hand. 24:5 en 28:22 gebruikt men hetzelfde woord voor de volgelingen van Yeshua. ἀκριβεστάτην (akribestaten), ‘strengste’, letterlijk ‘nauwkeurigste’. Voetnoot : Zie ook Hand. 23:6, waar Paulus zegt dat hij een Farizeeër is. Zie ook: Hand 23:6; Hand 24:5; Hand 28:22 **26:6** En nu sta ik terecht vanwege de hoop op de belofte die Elohim aan onze vaderen heeft gedaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ἐπ’ (ep’) = op | ἐλπίδι (elpidi) = hoop | τῆς (tes) = van de | εἰς (eis) = aan | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaderen | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐπαγγελίας (epangelias) = belofte | γενομένης (genomenes) = gedaan | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = (de) | θεοῦ (theou) = Elohim | ἕστηκα (hesteka) = sta ik | κρινόμενος (krinomenos) = beoordeeld wordend Bron: SBLGNT **26:7** Onze twaalf stammen, die nacht en dag met volharding Elohim dienen, hopen die belofte te bereiken. Over deze hoop word ik door Joden beschuldigd, koning. Brontekst: εἰς (eis) = tot | ἣν (hen) = welke | τὸ (to) = het | δωδεκάφυλον (dodekaphylon) = twaalfstammenvolk | ἡμῶν (hemon) = ons | ἐν (en) = in | ἐκτενείᾳ (ekteneia) = volharding | νύκτα (nykta) = nacht | καὶ (kai) = en | ἡμέραν (hemeran) = dag | λατρεῦον (latreuon) = dienend | ἐλπίζει (elpizei) = hoopt | καταντῆσαι (katantesai) = te bereiken | περὶ (peri) = over | ἧς (hes) = welke | ἐλπίδος (elpidos) = hoop | ἐγκαλοῦμαι (enkaloumai) = word ik beschuldigd | ὑπὸ (hypo) = door | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | βασιλεῦ (basileu) = koning Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δωδεκάφυλον (dodekafylon), letterlijk ‘twaalfstammenvolk’: heel Israël. Bij λατρεύω (latreuo), ‘dienen’, staat in het Grieks geen voorwerp; wij vullen ‘Elohim’ aan, omdat het gaat om de dienst aan Elohim (zie Hand. 24:14). Zie ook: Hand 24:14 **26:8** Waarom wordt het bij u ongelooflijk gevonden dat Elohim doden opwekt? Brontekst: τί (ti) = wat | ἄπιστον (apiston) = ongelooflijk | κρίνεται (krinetai) = wordt geacht | παρ’ (par’) = bij | ὑμῖν (hymin) = u | εἰ (ei) = als | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | νεκροὺς (nekrous) = doden | ἐγείρει (egeirei) = opwekt Bron: SBLGNT ### Paulus vervolgt de heiligen **26:9** Ik meende dus bij mijzelf dat ik veel moest doen tegen de naam van Yeshua, de Nazoreeër. Brontekst: Ἐγὼ (Ego) = ik | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | ἔδοξα (edoxa) = meende | ἐμαυτῷ (emauto) = bij mijzelf | πρὸς (pros) = tegen | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τοῦ (tou) = van de | Ναζωραίου (Nazoraiou) = Nazoreeër | δεῖν (dein) = dat nodig was | πολλὰ (polla) = veel | ἐναντία (enantia) = tegenwerkende dingen | πρᾶξαι (praxai) = te doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: zoals in Matt. 2:23. Zie ook Hand. 22:8. Zie ook: Mat 2:23; Hand 22:8 **26:10** Dat heb ik ook gedaan in Jeruzalem. Ik heb veel heiligen in gevangenissen opgesloten, nadat ik daarvoor gezag van de hogepriesters had gekregen. En wanneer zij gedood werden, heb ik mijn stem tegen hen uitgebracht. Brontekst: ὃ (ho) = wat | καὶ (kai) = ook | ἐποίησα (epoiesa) = deed ik | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | πολλούς (pollous) = velen | τε (te) = en | τῶν (ton) = van de | ἁγίων (hagion) = heiligen | ἐγὼ (ego) = ik | ἐν (en) = in | φυλακαῖς (phylakais) = gevangenissen | κατέκλεισα (katekleisa) = sloot op | τὴν (ten) = het | παρὰ (para) = van | τῶν (ton) = de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | λαβών (labon) = gekregen hebbend | ἀναιρουμένων (anairoumenon) = gedood wordend | τε (te) = en | αὐτῶν (auton) = zij | κατήνεγκα (katenenka) = bracht ik uit | ψῆφον (psephon) = stem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: de gelovigen in Yeshua. ψῆφος (psephos), letterlijk ‘steentje’, dat bij een stemming werd gebruikt: ‘mijn stem uitbrengen’. Zie ook Hand. 8:3; 9:1–2. Zie ook: Hand 8:3; Hand 9:1 **26:11** In alle synagogen strafte ik hen vaak en dwong hen te lasteren. Ik was buitengewoon woedend op hen en vervolgde hen zelfs tot in steden in het buitenland. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατὰ (kata) = in | πάσας (pasas) = alle | τὰς (tas) = de | συναγωγὰς (synagogas) = synagogen | πολλάκις (pollakis) = vaak | τιμωρῶν (timoron) = straffend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἠνάγκαζον (enankazon) = dwong ik | βλασφημεῖν (blasphemein) = te lasteren | περισσῶς (perissos) = buitengewoon | τε (te) = en | ἐμμαινόμενος (emmainomenos) = woedend zijnd | αὐτοῖς (autois) = op hen | ἐδίωκον (ediokon) = vervolgde ik | ἕως (heos) = tot | καὶ (kai) = zelfs | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἔξω (exo) = buitenste | πόλεις (poleis) = steden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὰς ἔξω πόλεις (tas exo poleis), letterlijk ‘de steden buiten’: steden buiten het land, zoals Damascus in het volgende vers. Wij vertalen ‘steden in het buitenland’. ### Het licht onderweg naar Damascus **26:12** Zo reisde ik ook naar Damascus, met gezag en volmacht van de hogepriesters. Brontekst: Ἐν (En) = bij | οἷς (hois) = welke dingen | πορευόμενος (poreuomenos) = reizend | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Δαμασκὸν (Damaskon) = Damascus | μετ’ (met’) = met | ἐξουσίας (exousias) = gezag | καὶ (kai) = en | ἐπιτροπῆς (epitropes) = volmacht | τῆς (tes) = die | τῶν (ton) = van de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Paulus vertelt hier voor de derde keer hoe hij de Heer onderweg naar Damascus ontmoette. Vergelijk Hand. 9:1–19 en 22:6–16. Zie ook: Hand 9:1–19; Hand 22:6 **26:13** Midden op de dag zag ik onderweg, koning, een licht uit de hemel, schitterender dan de zon. Het scheen rondom mij en rondom hen die met mij reisden. Brontekst: ἡμέρας (hemeras) = van de dag | μέσης (meses) = midden | κατὰ (kata) = op | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | εἶδον (eidon) = zag ik | βασιλεῦ (basileu) = koning | οὐρανόθεν (ouranothen) = uit de hemel | ὑπὲρ (hyper) = boven | τὴν (ten) = de | λαμπρότητα (lamproteta) = glans | τοῦ (tou) = van de | ἡλίου (heliou) = zon | περιλάμψαν (perilampsan) = rondom schijnend | με (me) = mij | φῶς (phos) = licht | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = hen | σὺν (syn) = met | ἐμοὶ (emoi) = mij | πορευομένους (poreuomenous) = reizenden Bron: SBLGNT **26:14** Wij vielen allen op de grond. Toen hoorde ik een stem die in de Hebreeuwse taal tegen mij zei: **‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij? Het is hard voor je om tegen de prikstokken te schoppen.’** Brontekst: πάντων (panton) = van allen | τε (te) = en | καταπεσόντων (katapesonton) = neergevallen | ἡμῶν (hemon) = ons | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | ἤκουσα (ekousa) = hoorde ik | φωνὴν (phonen) = een stem | λέγουσαν (legousan) = zeggend | πρός (pros) = tot | με (me) = mij | τῇ (te) = in de | Ἑβραΐδι (Hebraidi) = Hebreeuwse | διαλέκτῳ (dialekto) = taal | Σαοὺλ (Saoul) = Saul | Σαούλ (Saoul) = Saul | τί (ti) = waarom | με (me) = Mij | διώκεις (diokeis) = vervolg je | σκληρόν (skleron) = hard | σοι (soi) = voor je | πρὸς (pros) = tegen | κέντρα (kentra) = prikstokken | λακτίζειν (laktizein) = te schoppen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἑβραΐς διάλεκτος (Hebrais dialektos), ‘Hebreeuwse taal’: dat kan ook het Aramees van die tijd bedoelen. Σαούλ (Saoul) is de Hebreeuwse vorm van de naam, anders dan Σαῦλος (Saulos), ‘Saulus’, in Hand. 7–13; wij schrijven hier ‘Saul’ (zie ook Hand. 9:4; 22:7). Voetnoot : κέντρον (kentron), ‘prikstok’: een stok met een punt om ossen aan te drijven. ‘Tegen de prikstokken schoppen’ is een spreekwoord voor vergeefs verzet. Voetnoot : De stem is die van Yeshua (zie vers 15); daarom staan de woorden rood. Zie ook: Hand 9:4; Hand 22:7; Hand 26:15 **26:15** Ik zei: ‘Wie bent U, Heer?’ De Heer zei: **‘Ik ben Yeshua, die jij vervolgt.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = ik | δὲ (de) = maar | εἶπα (eipa) = zei | Τίς (Tis) = wie | εἶ (ei) = bent U | κύριε (kyrie) = Heer | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | κύριος (kyrios) = Heer | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὃν (hon) = die | σὺ (sy) = jij | διώκεις (diokeis) = vervolgt Bron: SBLGNT **26:16** **Maar sta op en ga op je voeten staan. Hiervoor ben Ik aan je verschenen: om je aan te stellen als dienaar en getuige van wat je van Mij gezien hebt. Ook van de dingen waarin Ik nog aan je zal verschijnen.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἀνάστηθι (anastethi) = sta op | καὶ (kai) = en | στῆθι (stethi) = ga staan | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | σου (sou) = je | εἰς (eis) = tot | τοῦτο (touto) = dit | γὰρ (gar) = want | ὤφθην (ophthen) = ben Ik verschenen | σοι (soi) = aan je | προχειρίσασθαί (procheirisasthai) = aan te stellen | σε (se) = je | ὑπηρέτην (hypereten) = als dienaar | καὶ (kai) = en | μάρτυρα (martyra) = getuige | ὧν (hon) = van wat | τε (te) = zowel | εἶδές (eides) = je zag | με (me) = Mij | ὧν (hon) = van wat | τε (te) = als | ὀφθήσομαί (ophthesomai) = Ik zal verschijnen | σοι (soi) = aan je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπηρέτης (hyperetes), ‘dienaar’: zoals in Luc. 1:2. προχειρίζομαι (procheirizomai), ‘aanstellen’. Zie ook: Luc 1:2 **26:17** **Ik red je uit het volk en uit de volken, naar wie Ik je zend,** Brontekst: ἐξαιρούμενός (exairoumenos) = redend | σε (se) = je | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | εἰς (eis) = naar | οὓς (hous) = wie | ἐγὼ (ego) = Ik | ἀποστέλλω (apostello) = zend | σε (se) = je Bron: SBLGNT **26:18** **om hun ogen te openen, zodat zij terugkeren van de duisternis naar het licht en van het gezag van Satan naar Elohim. Zo ontvangen zij vergeving van zonden en een erfdeel onder hen die geheiligd zijn door het geloof in Mij.’** Brontekst: ἀνοῖξαι (anoixai) = om te openen | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun | τοῦ (tou) = opdat | ἐπιστρέψαι (epistrepsai) = zij terugkeren | ἀπὸ (apo) = van | σκότους (skotous) = duisternis | εἰς (eis) = naar | φῶς (phos) = licht | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van het | ἐξουσίας (exousias) = gezag | τοῦ (tou) = van de | Σατανᾶ (Satana) = Satan | ἐπὶ (epi) = naar | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | τοῦ (tou) = opdat | λαβεῖν (labein) = ontvangen | αὐτοὺς (autous) = zij | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden | καὶ (kai) = en | κλῆρον (kleron) = erfdeel | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | ἡγιασμένοις (hegiasmenois) = geheiligden | πίστει (pistei) = door geloof | τῇ (te) = het | εἰς (eis) = in | ἐμέ (eme) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De zin loopt in het Grieks door met ‘om te ontvangen’ (τοῦ λαβεῖν, tou labein); om de zinnen kort te houden schrijven wij ‘Zo ontvangen zij’. Voetnoot : κλῆρος (kleros), ‘erfdeel’, letterlijk ‘lot’: het deel dat iemand bij de verdeling van het land kreeg. Vergelijk Jes. 42:7, ‘om blinde ogen te openen’. Zie ook: Jes 42:7 ### Paulus gehoorzaamt het visioen **26:19** Daarom, koning Agrippa, was ik niet ongehoorzaam aan het hemelse visioen, Brontekst: Ὅθεν (Hothen) = daarom | βασιλεῦ (basileu) = koning | Ἀγρίππα (Agrippa) = Agrippa | οὐκ (ouk) = niet | ἐγενόμην (egenomen) = werd ik | ἀπειθὴς (apeithes) = ongehoorzaam | τῇ (te) = aan het | οὐρανίῳ (ouranio) = hemelse | ὀπτασίᾳ (optasia) = visioen Bron: SBLGNT **26:20** maar eerst aan hen in Damascus en in Jeruzalem, en in heel het gebied van Judea, en ook aan de volken, deelde ik mee dat zij zich moesten bekeren. Zij moesten tot Elohim terugkeren en daden doen die bij de bekering passen. Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | τοῖς (tois) = aan hen | ἐν (en) = in | Δαμασκῷ (Damasko) = Damascus | πρῶτόν (proton) = eerst | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | πᾶσάν (pasan) = in heel | τε (te) = en | τὴν (ten) = het | χώραν (choran) = gebied | τῆς (tes) = van | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | ἀπήγγελλον (apengellon) = deelde ik mee | μετανοεῖν (metanoein) = zich te bekeren | καὶ (kai) = en | ἐπιστρέφειν (epistrephein) = terug te keren | ἐπὶ (epi) = tot | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἄξια (axia) = waardige | τῆς (tes) = van de | μετανοίας (metanoias) = bekering | ἔργα (erga) = werken | πράσσοντας (prassontas) = doende Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: ἀπαγγέλλω (apangello), ‘meedelen’. μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’; ἐπιστρέφω (epistrefo), ‘terugkeren’. ‘Daden die bij de bekering passen’ staat ook in Luc. 3:8. Zie ook: Luc 3:8 **26:21** Daarom grepen Joden mij in de tempel en probeerden mij te doden. Brontekst: ἕνεκα (heneka) = vanwege | τούτων (touton) = deze dingen | με (me) = mij | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | συλλαβόμενοι (syllabomenoi) = grijpend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | ἐπειρῶντο (epeironto) = probeerden | διαχειρίσασθαι (diacheirisasthai) = te doden Bron: SBLGNT **26:22** Omdat ik hulp van Elohim heb gekregen tot op deze dag, sta ik hier en getuig ik voor klein en groot. Ik zeg niets anders dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben over wat zou gebeuren: Brontekst: ἐπικουρίας (epikourias) = hulp | οὖν (oun) = dus | τυχὼν (tychon) = gekregen hebbend | τῆς (tes) = die | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = (de) | θεοῦ (theou) = Elohim | ἄχρι (achri) = tot | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ταύτης (tautes) = deze | ἕστηκα (hesteka) = sta ik | μαρτυρόμενος (martyromenos) = getuigend | μικρῷ (mikro) = aan klein | τε (te) = en | καὶ (kai) = ook | μεγάλῳ (megalo) = groot | οὐδὲν (ouden) = niets | ἐκτὸς (ektos) = buiten | λέγων (legon) = zeggend | ὧν (hon) = van wat | τε (te) = en | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | ἐλάλησαν (elalesan) = spraken | μελλόντων (mellonton) = die zouden | γίνεσθαι (ginesthai) = gebeuren | καὶ (kai) = en | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes Bron: SBLGNT **26:23** dat de Messias zou lijden en dat Hij als eerste door de opstanding uit de doden licht zou verkondigen aan het volk en de volken.” Brontekst: εἰ (ei) = als | παθητὸς (pathetos) = lijdend | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | εἰ (ei) = als | πρῶτος (protos) = eerste | ἐξ (ex) = uit | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | νεκρῶν (nekron) = van doden | φῶς (phos) = licht | μέλλει (mellei) = Hij zal | καταγγέλλειν (katangellein) = verkondigen | τῷ (to) = aan het | τε (te) = en | λαῷ (lao) = volk | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰ (ei) betekent letterlijk ‘of’; hier leidt het de inhoud in van wat de profeten en Mozes gesproken hebben. παθητός (pathetos), letterlijk ‘lijdend, onderhevig aan lijden’. πρῶτος ἐξ ἀναστάσεως νεκρῶν (protos ex anastaseos nekron), letterlijk ‘eerste uit opstanding van doden’. Zie ook Luc. 24:46. Zie ook: Luc 24:46 ### Festus en Agrippa reageren **26:24** Terwijl hij zich zo verdedigde, zei Festus met luide stem: „Je bent gek, Paulus! De vele geschriften brengen je tot waanzin.” Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = deze dingen | δὲ (de) = en | αὐτοῦ (autou) = hij | ἀπολογουμένου (apologoumenou) = zich verdedigend | ὁ (ho) = de | Φῆστος (Phestos) = Festus | μεγάλῃ (megale) = met grote | τῇ (te) = de | φωνῇ (phone) = stem | φησιν (phesin) = zegt | Μαίνῃ (Maine) = raas je | Παῦλε (Paule) = Paulus | τὰ (ta) = de | πολλά (polla) = vele | σε (se) = je | γράμματα (grammata) = geschriften | εἰς (eis) = tot | μανίαν (manian) = waanzin | περιτρέπει (peritrepei) = brengt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γράμματα (grammata), letterlijk ‘letters’ of ‘geschriften’; het kan ook ‘geleerdheid’ betekenen. Voetnoot : μαίνομαι (mainomai), ‘gek zijn’; μανία (mania), ‘waanzin’. **26:25** Paulus zei: „Ik ben niet gek, uitmuntende Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van bezonnenheid uit. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Οὐ (Ou) = niet | μαίνομαι (mainomai) = ben ik gek | φησίν (phesin) = zegt hij | κράτιστε (kratiste) = uitmuntende | Φῆστε (Pheste) = Festus | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀληθείας (aletheias) = van waarheid | καὶ (kai) = en | σωφροσύνης (sophrosynes) = van bezonnenheid | ῥήματα (rhemata) = woorden | ἀποφθέγγομαι (apophthengomai) = spreek ik uit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράτιστος (kratistos), ‘uitmuntende’: een aanspreektitel voor een hooggeplaatst man, zoals in Luc. 1:3. Zie ook: Luc 1:3 **26:26** Want de koning weet hiervan, en tot hem spreek ik ook vrijmoedig. Ik ben ervan overtuigd dat hem niets hiervan ontgaat. Dit is namelijk niet in een hoek gebeurd. Brontekst: ἐπίσταται (epistatai) = weet | γὰρ (gar) = want | περὶ (peri) = over | τούτων (touton) = deze dingen | ὁ (ho) = de | βασιλεύς (basileus) = koning | πρὸς (pros) = tot | ὃν (hon) = wie | καὶ (kai) = ook | παρρησιαζόμενος (parresiazomenos) = vrijmoedig sprekend | λαλῶ (lalo) = spreek ik | λανθάνειν (lanthanein) = te ontgaan | γὰρ (gar) = want | αὐτὸν (auton) = hem | τούτων (touton) = van deze dingen | οὐ (ou) = niet | πείθομαι (peithomai) = ben ik overtuigd | οὐθέν (outhen) = niets | οὐ (ou) = niet | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ἐν (en) = in | γωνίᾳ (gonia) = een hoek | πεπραγμένον (pepragmenon) = gebeurd | τοῦτο (touto) = dit Bron: SBLGNT **26:27** Gelooft u de profeten, koning Agrippa? Ik weet dat u gelooft.” Brontekst: πιστεύεις (pisteueis) = gelooft u | βασιλεῦ (basileu) = koning | Ἀγρίππα (Agrippa) = Agrippa | τοῖς (tois) = aan de | προφήταις (prophetais) = profeten | οἶδα (oida) = ik weet | ὅτι (hoti) = dat | πιστεύεις (pisteueis) = u gelooft Bron: SBLGNT **26:28** Agrippa zei tegen Paulus: „Met weinig overtuig je mij om een Christen te maken.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἀγρίππας (Agrippas) = Agrippa | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = (de) | Παῦλον (Paulon) = Paulus | Ἐν (En) = in | ὀλίγῳ (oligo) = weinig | με (me) = mij | πείθεις (peitheis) = overtuig je | Χριστιανὸν (Christianon) = Christen | ποιῆσαι (poiesai) = te maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν ὀλίγῳ (en oligo), letterlijk ‘in weinig’: het kan betekenen ‘in korte tijd’, ‘met weinig moeite’ of ‘bijna’. ποιῆσαι (poiesai), letterlijk ‘maken’; het Grieks zegt niet van wie of wat. Wij laten de zin zo open als het Grieks is: ‘een Christen te maken’, zonder te zeggen wie dat zou zijn. Χριστιανός (Christianos), ‘Christen’: zie Hand. 11:26. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘te worden’ (γενέσθαι, genesthai) in plaats van ‘te maken’ (ποιῆσαι). Zie ook: Hand 11:26 **26:29** Paulus zei: „Ik zou tot Elohim bidden dat niet alleen u, maar ook allen die mij vandaag horen, zowel met weinig als met veel, worden zoals ik ben. Behalve deze boeien.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Παῦλος (Paulos) = Paulus | Εὐξαίμην (Euxaimen) = zou bidden | ἂν (an) = wel | τῷ (to) = aan | θεῷ (theo) = Elohim | καὶ (kai) = zowel | ἐν (en) = met | ὀλίγῳ (oligo) = weinig | καὶ (kai) = als | ἐν (en) = met | μεγάλῳ (megalo) = veel | οὐ (ou) = niet | μόνον (monon) = alleen | σὲ (se) = u | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | ἀκούοντάς (akouontas) = horen | μου (mou) = mij | σήμερον (semeron) = vandaag | γενέσθαι (genesthai) = worden | τοιούτους (toioutous) = zodanig | ὁποῖος (hopoios) = zoals | καὶ (kai) = ook | ἐγώ (ego) = ik | εἰμι (eimi) = ben | παρεκτὸς (parektos) = behalve | τῶν (ton) = de | δεσμῶν (desmon) = boeien | τούτων (touton) = deze Bron: SBLGNT ### Na de zitting **26:30** De koning stond op, en ook de stadhouder en Berenice en zij die bij hen zaten. Brontekst: Ἀνέστη (Aneste) = stond op | τε (te) = en | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἡγεμὼν (hegemon) = stadhouder | ἥ (he) = en | τε (te) = ook | Βερνίκη (Bernike) = Berenice | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = zij die | συγκαθήμενοι (synkathemenoi) = meezaten | αὐτοῖς (autois) = met hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: Festus. **26:31** Zij trokken zich terug en spraken met elkaar. Zij zeiden: „Deze man doet niets wat de dood of boeien verdient.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναχωρήσαντες (anachoresantes) = zich teruggetrokken hebbend | ἐλάλουν (elaloun) = spraken | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Οὐδὲν (Ouden) = niets | θανάτου (thanatou) = van de dood | ἢ (e) = of | δεσμῶν (desmon) = van boeien | ἄξιον (axion) = waard | τι (ti) = iets | πράσσει (prassei) = doet | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | οὗτος (houtos) = deze Bron: SBLGNT **26:32** Agrippa zei tegen Festus: „Deze man had vrijgelaten kunnen worden, als hij zich niet op de keizer had beroepen.” Brontekst: Ἀγρίππας (Agrippas) = Agrippa | δὲ (de) = en | τῷ (to) = aan | Φήστῳ (Phesto) = Festus | ἔφη (ephe) = zei | Ἀπολελύσθαι (Apolelysthai) = vrijgelaten te worden | ἐδύνατο (edynato) = kon | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | οὗτος (houtos) = deze | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἐπεκέκλητο (epekekleto) = hij een beroep had gedaan op | Καίσαρα (Kaisara) = de keizer Bron: SBLGNT ## Handelingen 27 _De zeereis naar Italië, de storm en de schipbreuk_ ### De reis naar Italië begint **27:1** Er werd besloten dat wij naar Italië zouden varen. Zij leverden Paulus en enkele andere gevangenen over aan een hoofdman over honderd, Julius genaamd, van het cohort van Augustus. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = nu | ἐκρίθη (ekrithe) = besloten werd | τοῦ (tou) = om | ἀποπλεῖν (apoplein) = weg te varen | ἡμᾶς (hemas) = wij | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἰταλίαν (Italian) = Italië | παρεδίδουν (paredidoun) = leverden zij over | τόν (ton) = (de) | τε (te) = en | Παῦλον (Paulon) = Paulus | καί (kai) = en | τινας (tinas) = enkele | ἑτέρους (heterous) = andere | δεσμώτας (desmotas) = gevangenen | ἑκατοντάρχῃ (hekatontarche) = aan een hoofdman over honderd | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ἰουλίῳ (Ioulio) = Julius | σπείρης (speires) = van het cohort | Σεβαστῆς (Sebastes) = van Augustus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Italië (vasteland): Italië is het schiereiland waarop Rome ligt. De omtrek hier is de moderne kustlijn van het vasteland, bij benadering. Voetnoot Uitleg: ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: een Romeins officier die ongeveer 100 soldaten onder zich had; daarna schrijven wij ‘de hoofdman’ (zoals Luc. 7:2). σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een onderdeel van het leger (zie ook Hand. 10:1 en Joh. 18:3). Σεβαστή (Sebaste), ‘van Augustus’, is een eretitel van dit cohort. Zie ook: Luc 7:2; Joh 18:3; Hand 10:1 **27:2** Wij gingen aan boord van een schip uit Adramyttium, dat naar de plaatsen in Asia zou varen, en staken in zee. Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, was bij ons. Brontekst: ἐπιβάντες (epibantes) = aan boord gegaan | δὲ (de) = nu | πλοίῳ (ploio) = op een schip | Ἀδραμυττηνῷ (Adramytteno) = uit Adramyttium | μέλλοντι (mellonti) = dat zou | πλεῖν (plein) = varen | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | κατὰ (kata) = langs | τὴν (ten) = de | Ἀσίαν (Asian) = Asia | τόπους (topous) = plaatsen | ἀνήχθημεν (anechthemen) = staken wij in zee | ὄντος (ontos) = zijnde | σὺν (syn) = met | ἡμῖν (hemin) = ons | Ἀριστάρχου (Aristarchou) = Aristarchus | Μακεδόνος (Makedonos) = een Macedoniër | Θεσσαλονικέως (Thessalonikeos) = uit Tessalonica Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Adramyttium (Edremit): Adramyttium lag in het noordwesten van Turkije, aan de Golf van Edremit, tegenover Lesbos. Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Zie Tessalonica (nu Thessaloniki): Tessalonica was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië, aan de Thermaïsche Golf in het noorden van Griekenland. De stad heet nu Thessaloniki. Zij lag aan de grote weg van oost naar west, de Via Egnatia. Voetnoot Uitleg: Ἀδραμυττηνός (Adramyttenos), ‘uit Adramyttium’: een havenstad in het noordwesten van Klein-Azië. Over Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, lezen wij ook in Hand. 19:29 en 20:4. Zie ook: Hand 19:29; Hand 20:4 **27:3** De volgende dag legden wij aan in Sidon. Julius behandelde Paulus vriendelijk en stond hem toe naar zijn vrienden te gaan en verzorging te krijgen. Brontekst: τῇ (te) = op de | τε (te) = en | ἑτέρᾳ (hetera) = volgende dag | κατήχθημεν (katechthemen) = legden wij aan | εἰς (eis) = in | Σιδῶνα (Sidona) = Sidon | φιλανθρώπως (philanthropos) = vriendelijk | τε (te) = en | ὁ (ho) = de | Ἰούλιος (Ioulios) = Julius | τῷ (to) = aan | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | χρησάμενος (chresamenos) = behandelend | ἐπέτρεψεν (epetrepsen) = stond toe | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | φίλους (philous) = vrienden | πορευθέντι (poreuthenti) = gaand | ἐπιμελείας (epimeleias) = verzorging | τυχεῖν (tychein) = te krijgen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. **27:4** Vandaar staken wij weer in zee en voeren in de luwte van Cyprus langs, omdat de winden tegen waren. Brontekst: κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | ἀναχθέντες (anachthentes) = in zee gestoken | ὑπεπλεύσαμεν (hypepleusamen) = voerden wij in de luwte langs | τὴν (ten) = de | Κύπρον (Kypron) = Cyprus | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | τοὺς (tous) = de | ἀνέμους (anemous) = winden | εἶναι (einai) = waren | ἐναντίους (enantious) = tegen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije. Barnabas kwam er vandaan. Voetnoot Uitleg: ὑποπλέω (hypopleo), letterlijk ‘eronder varen’: langs het eiland varen aan de kant waar de wind minder sterk is, de luwte. Dat gebeurt ook in vers 7 bij Kreta. Zie ook: Hand 27:7 **27:5** Wij voeren over de open zee langs Cilicië en Pamfylië en kwamen aan in Myra in Lycië. Brontekst: τό (to) = de | τε (te) = en | πέλαγος (pelagos) = open zee | τὸ (to) = die | κατὰ (kata) = langs | τὴν (ten) = de | Κιλικίαν (Kilikian) = Cilicië | καὶ (kai) = en | Παμφυλίαν (Pamphylian) = Pamfylië | διαπλεύσαντες (diapleusantes) = overgevaren | κατήλθομεν (katelthomen) = kwamen wij aan | εἰς (eis) = in | Μύρα (Myra) = Myra | τῆς (tes) = van | Λυκίας (Lykias) = Lycië Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad. De grenzen zijn bij benadering. Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya. De grenzen zijn bij benadering. Zie Myra: Myra (bij het huidige Demre) was een havenstad in Lycië, aan de zuidkust van Turkije. Zie Lycië (ongeveer): Lycië was de streek in het zuidwesten van het huidige Turkije. De grenzen zijn bij benadering. **27:6** Daar vond de hoofdman een schip uit Alexandrië dat naar Italië voer. Hij liet ons daarin instappen. Brontekst: κἀκεῖ (kakei) = en daar | εὑρὼν (heuron) = vindend | ὁ (ho) = de | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = hoofdman | πλοῖον (ploion) = schip | Ἀλεξανδρῖνον (Alexandrinon) = uit Alexandrië | πλέον (pleon) = varend | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἰταλίαν (Italian) = Italië | ἐνεβίβασεν (enebibasen) = liet instappen | ἡμᾶς (hemas) = ons | εἰς (eis) = in | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Alexandrië: Alexandrië lag aan de Middellandse Zee, aan de westkant van de Nijldelta. Het was de grootste stad van Egypte en had een grote Joodse gemeenschap. Zie Italië (vasteland): Italië is het schiereiland waarop Rome ligt. De omtrek hier is de moderne kustlijn van het vasteland, bij benadering. **27:7** Vele dagen lang voeren wij langzaam en kwamen met moeite ter hoogte van Knidus. Omdat de wind ons niet verder liet gaan, voeren wij in de luwte van Kreta langs, ter hoogte van Salmone. Brontekst: ἐν (en) = gedurende | ἱκαναῖς (hikanais) = vele | δὲ (de) = nu | ἡμέραις (hemerais) = dagen | βραδυπλοοῦντες (bradyploountes) = langzaam varend | καὶ (kai) = en | μόλις (molis) = met moeite | γενόμενοι (genomenoi) = aangekomen | κατὰ (kata) = ter hoogte van | τὴν (ten) = de | Κνίδον (Knidon) = Knidus | μὴ (me) = niet | προσεῶντος (proseontos) = toelatend | ἡμᾶς (hemas) = ons | τοῦ (tou) = de | ἀνέμου (anemou) = wind | ὑπεπλεύσαμεν (hypepleusamen) = voerden wij in de luwte langs | τὴν (ten) = de | Κρήτην (Kreten) = Kreta | κατὰ (kata) = ter hoogte van | Σαλμώνην (Salmonen) = Salmone Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Knidus: Knidus lag op de punt van het schiereiland Datça, in het zuidwesten van het huidige Turkije. Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang. Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27). Zie Salmone (Kaap Sidero): Salmone is de oostpunt van Kreta, bij Kaap Sidero. Dit is waarschijnlijk. **27:8** Met moeite voeren wij langs de kust ervan en kwamen op een plaats die Goede Havens genoemd wordt. Daar dichtbij lag de stad Lasea. Brontekst: μόλις (molis) = met moeite | τε (te) = en | παραλεγόμενοι (paralegomenoi) = langs de kust varend | αὐτὴν (auten) = die | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen wij | εἰς (eis) = naar | τόπον (topon) = plaats | τινὰ (tina) = een | καλούμενον (kaloumenon) = genoemd | Καλοὺς (Kalous) = Goede | Λιμένας (Limenas) = Havens | ᾧ (ho) = bij welke | ἐγγὺς (engys) = dichtbij | ἦν (en) = was | πόλις (polis) = stad | Λασαία (Lasaia) = Lasea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Goede Havens (ligging ongeveer): Goede Havens (Kaloi Limenes) is een baai aan de zuidkust van Kreta. Het schip van Paulus legde hier aan, maar de haven was niet geschikt om te overwinteren. Zie Lasea (ligging onzeker): Lasea lag aan de zuidkust van Kreta, in de buurt van Goede Havens. De ligging is niet zeker. ### Paulus waarschuwt voor de vaart **27:9** Er was veel tijd verstreken en de vaart was al gevaarlijk, omdat ook het vasten al voorbij was. Paulus waarschuwde. Brontekst: Ἱκανοῦ (Hikanou) = aanzienlijke | δὲ (de) = nu | χρόνου (chronou) = tijd | διαγενομένου (diagenomenou) = verstreken | καὶ (kai) = en | ὄντος (ontos) = zijnde | ἤδη (ede) = al | ἐπισφαλοῦς (episphalous) = gevaarlijk | τοῦ (tou) = de | πλοὸς (ploos) = vaart | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | καὶ (kai) = ook | τὴν (ten) = het | νηστείαν (nesteian) = vasten | ἤδη (ede) = al | παρεληλυθέναι (parelelythenai) = voorbij was | παρῄνει (parenei) = waarschuwde | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νηστεία (nesteia), ‘het vasten’: waarschijnlijk de Verzoendag, op de tiende dag van de zevende maand (Lev. 16:29–31; 23:27–32). Dat is omstreeks september of oktober. Zie ook: Lev 16:29–31; Lev 23:27 **27:10** Hij zei tegen hen: „Mannen, ik zie dat de vaart zal verlopen met geweld en veel schade. Niet alleen voor de lading en het schip, maar ook voor onze levens.” Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | αὐτοῖς (autois) = aan hen | Ἄνδρες (Andres) = mannen | θεωρῶ (theoro) = ik zie | ὅτι (hoti) = dat | μετὰ (meta) = met | ὕβρεως (hybreos) = geweld | καὶ (kai) = en | πολλῆς (polles) = veel | ζημίας (zemias) = schade | οὐ (ou) = niet | μόνον (monon) = alleen | τοῦ (tou) = van de | φορτίου (phortiou) = lading | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van het | πλοίου (ploiou) = schip | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | τῶν (ton) = van de | ψυχῶν (psychon) = levens | ἡμῶν (hemon) = onze | μέλλειν (mellein) = gaat | ἔσεσθαι (esesthai) = te zijn | τὸν (ton) = de | πλοῦν (ploun) = vaart Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὕβρις (hybris), letterlijk ‘overmoed, geweld’: hier het geweld van de storm. ζημία (zemia), ‘schade’. ψυχή (psyche), letterlijk ‘ziel’: hier ‘leven’ (ook in vers 22). Zie ook: Hand 27:22 **27:11** Maar de hoofdman luisterde meer naar de stuurman en de scheepseigenaar dan naar wat Paulus zei. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = hoofdman | τῷ (to) = aan de | κυβερνήτῃ (kybernete) = stuurman | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan de | ναυκλήρῳ (nauklero) = scheepseigenaar | μᾶλλον (mallon) = meer | ἐπείθετο (epeitheto) = luisterde | ἢ (e) = dan | τοῖς (tois) = aan wat | ὑπὸ (hypo) = door | Παύλου (Paulou) = Paulus | λεγομένοις (legomenois) = gezegd werd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κυβερνήτης (kybernetes), ‘stuurman’. ναύκληρος (nauklēros), ‘scheepseigenaar’; het kan ook de kapitein zijn. **27:12** Omdat de haven niet geschikt was om te overwinteren, besloot de meerderheid vandaar weer in zee te steken. Zij hoopten Fenix te bereiken en daar te overwinteren, een haven van Kreta die uitkijkt op het zuidwesten en het noordwesten. Brontekst: ἀνευθέτου (aneuthetou) = ongeschikt | δὲ (de) = nu | τοῦ (tou) = de | λιμένος (limenos) = haven | ὑπάρχοντος (hyparchontos) = zijnde | πρὸς (pros) = voor | παραχειμασίαν (paracheimasian) = overwintering | οἱ (hoi) = de | πλείονες (pleiones) = meesten | ἔθεντο (ethento) = namen | βουλὴν (boulen) = besluit | ἀναχθῆναι (anachthenai) = in zee te steken | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | εἴ (ei) = of | πως (pos) = misschien | δύναιντο (dynainto) = zij konden | καταντήσαντες (katantesantes) = aangekomen | εἰς (eis) = in | Φοίνικα (Phoinika) = Fenix | παραχειμάσαι (paracheimasai) = te overwinteren | λιμένα (limena) = haven | τῆς (tes) = van | Κρήτης (Kretes) = Kreta | βλέποντα (bleponta) = uitkijkend | κατὰ (kata) = op | λίβα (liba) = zuidwestenwind | καὶ (kai) = en | κατὰ (kata) = op | χῶρον (choron) = noordwestenwind Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Fenix (ligging ongeveer): Fenix was een haven aan de zuidwestkust van Kreta, volgens de tekst met een opening naar het zuidwesten en het noordwesten. Het wordt meestal gezocht bij het huidige Loutro. Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang. Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27). Voetnoot Uitleg: Φοῖνιξ (Foinix), ‘Fenix’: een haven op de zuidkant van Kreta. λίψ (lips) is de zuidwestenwind en χῶρος (choros) de noordwestenwind. Het Grieks kan betekenen dat de haven naar het zuidwesten en noordwesten ligt, of dat zij uitkijkt in de richting waarheen die winden waaien (dus naar het noordoosten en zuidoosten). De ligging is onzeker. ### De storm **27:13** Toen er een zachte zuidenwind opstak, meenden zij hun plan in handen te hebben. Zij braken op en voeren dicht langs de kust van Kreta. Brontekst: Ὑποπνεύσαντος (Hypopneusantos) = zacht waaiend | δὲ (de) = nu | νότου (notou) = zuidenwind | δόξαντες (doxantes) = menend | τῆς (tes) = van het | προθέσεως (protheseos) = plan | κεκρατηκέναι (kekratekenai) = meester te zijn | ἄραντες (arantes) = opgebroken | ἆσσον (asson) = dichterbij | παρελέγοντο (parelegonto) = voerden langs de kust | τὴν (ten) = de | Κρήτην (Kreten) = Kreta Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang. Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27). **27:14** Maar niet lang daarna wierp een stormachtige wind zich op het eiland, de wind die Euraquilo genoemd wordt. Brontekst: μετ’ (met’) = na | οὐ (ou) = niet | πολὺ (poly) = veel | δὲ (de) = nu | ἔβαλεν (ebalen) = wierp zich | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτῆς (autes) = het | ἄνεμος (anemos) = wind | τυφωνικὸς (typhonikos) = stormachtige | ὁ (ho) = die | καλούμενος (kaloumenos) = genoemd wordt | Εὐρακύλων (Eurakylon) = Euraquilo Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Εὐρακύλων (Eurakylon), ‘Euraquilo’: de naam van een stormwind, waarschijnlijk een noordoostenwind. κατ’ αὐτῆς (kat autes), letterlijk ‘tegen haar’: tegen Kreta (het Griekse woord Κρήτη is vrouwelijk). **27:15** Het schip werd meegesleurd en kon niet tegen de wind in. Wij gaven het op en lieten ons voortdrijven. Brontekst: συναρπασθέντος (synarpasthentos) = meegesleurd | δὲ (de) = nu | τοῦ (tou) = het | πλοίου (ploiou) = schip | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | δυναμένου (dynamenou) = kunnend | ἀντοφθαλμεῖν (antophthalmein) = tegen te zijn | τῷ (to) = aan de | ἀνέμῳ (anemo) = wind | ἐπιδόντες (epidontes) = opgevend | ἐφερόμεθα (epherometha) = werden wij voortgedreven Bron: SBLGNT **27:16** Wij kwamen in de luwte van een eilandje, Kauda genaamd, en konden met moeite de sloep in onze macht krijgen. Brontekst: νησίον (nesion) = eilandje | δέ (de) = nu | τι (ti) = een | ὑποδραμόντες (hypodramontes) = onderdoor gevaren | καλούμενον (kaloumenon) = genoemd | Καῦδα (Kauda) = Kauda | ἰσχύσαμεν (ischysamen) = konden wij | μόλις (molis) = met moeite | περικρατεῖς (perikrateis) = meester | γενέσθαι (genesthai) = worden | τῆς (tes) = van de | σκάφης (skaphes) = sloep Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kauda (Gavdos): Kauda (nu Gavdos) is een klein eiland ten zuiden van Kreta. Voetnoot Uitleg: σκάφη (skafe), ‘sloep’: het kleine bootje dat achter het schip aan werd getrokken. **27:17** Zij haalden die binnenboord en gebruikten hulpmiddelen om het schip te omgorden. Uit angst dat zij op de Syrtis zouden stranden, lieten zij de uitrusting zakken en lieten zich zo voortdrijven. Brontekst: ἣν (hen) = die | ἄραντες (arantes) = opgehesen | βοηθείαις (boetheiais) = hulpmiddelen | ἐχρῶντο (echronto) = gebruikten zij | ὑποζωννύντες (hypozonnyntes) = omgordend | τὸ (to) = het | πλοῖον (ploion) = schip | φοβούμενοί (phoboumenoi) = bevreesd | τε (te) = en | μὴ (me) = dat niet | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = de | Σύρτιν (Syrtin) = Syrtis | ἐκπέσωσιν (ekpesosin) = zouden stranden | χαλάσαντες (chalasantes) = laten zakkend | τὸ (to) = de | σκεῦος (skeuos) = uitrusting | οὕτως (houtos) = zo | ἐφέροντο (epheronto) = werden zij voortgedreven Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syrtis (ligging ongeveer): De Syrtis (nu de Golf van Sidra) is een grote, ondiepe golf aan de kust van Libië, gevreesd bij zeelieden vanwege zandbanken. Voetnoot Uitleg: ὑποζωννύντες (hypozonnyntes), ‘omgorden’: touwen of kabels onder het schip doorhalen om het bijeen te houden. σκεῦος (skeuos), ‘uitrusting’: wat precies bedoeld is (een zeil, een drijfanker of ander tuig) is onzeker. Σύρτις (Syrtis): zandbanken voor de kust van Libië, waar zeelieden bang voor waren. **27:18** Omdat wij hevig door de storm geteisterd werden, gooiden zij de volgende dag lading overboord. Brontekst: σφοδρῶς (sphodros) = hevig | δὲ (de) = nu | χειμαζομένων (cheimazomenon) = door storm geteisterd | ἡμῶν (hemon) = ons | τῇ (te) = op de | ἑξῆς (hexes) = volgende dag | ἐκβολὴν (ekbolen) = uitwerping | ἐποιοῦντο (epoiounto) = maakten zij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκβολή (ekbole), letterlijk ‘uitwerping’: het overboord gooien van lading. Het Grieks noemt de lading niet; wij vullen die aan. **27:19** Op de derde dag wierpen zij met eigen handen het tuig van het schip weg. Brontekst: καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | αὐτόχειρες (autocheires) = met eigen handen | τὴν (ten) = het | σκευὴν (skeuen) = tuig | τοῦ (tou) = van het | πλοίου (ploiou) = schip | ἔρριψαν (erripsan) = wierpen zij weg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκευή (skeue), ‘tuig’: het scheepstuig. Het is een ander woord dan σκεῦος (skeuos) in vers 17. Zie ook: Hand 27:17 **27:20** Meerdere dagen lang waren noch de zon noch de sterren te zien, en een zware storm bleef op ons drukken. Ten slotte werd alle hoop dat wij gered zouden worden, weggenomen. Brontekst: μήτε (mete) = noch | δὲ (de) = nu | ἡλίου (heliou) = zon | μήτε (mete) = noch | ἄστρων (astron) = sterren | ἐπιφαινόντων (epiphainonton) = verschijnend | ἐπὶ (epi) = gedurende | πλείονας (pleionas) = meer | ἡμέρας (hemeras) = dagen | χειμῶνός (cheimonos) = storm | τε (te) = en | οὐκ (ouk) = niet | ὀλίγου (oligou) = gering | ἐπικειμένου (epikeimenou) = drukkend | λοιπὸν (loipon) = ten slotte | περιῃρεῖτο (periereito) = werd weggenomen | ἐλπὶς (elpis) = hoop | πᾶσα (pasa) = alle | τοῦ (tou) = om | σῴζεσθαι (sozesthai) = gered te worden | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT ### Paulus spreekt de opvarenden moed in **27:21** Er was al lange tijd niet gegeten. Toen ging Paulus in hun midden staan en zei: „Mannen, jullie hadden naar mij moeten luisteren en niet uit Kreta moeten vertrekken. Dan was dit geweld en deze schade jullie bespaard gebleven. Brontekst: Πολλῆς (Polles) = veel | τε (te) = en | ἀσιτίας (asitias) = onthouding van voedsel | ὑπαρχούσης (hyparchouses) = zijnde | τότε (tote) = toen | σταθεὶς (statheis) = gaan staan | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | αὐτῶν (auton) = van hen | εἶπεν (eipen) = zei | Ἔδει (Edei) = het was nodig | μέν (men) = wel | ὦ (o) = o | ἄνδρες (andres) = mannen | πειθαρχήσαντάς (peitharchesantas) = luisterend | μοι (moi) = naar mij | μὴ (me) = niet | ἀνάγεσθαι (anagesthai) = in zee te steken | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Κρήτης (Kretes) = Kreta | κερδῆσαί (kerdesai) = te besparen | τε (te) = en | τὴν (ten) = het | ὕβριν (hybrin) = geweld | ταύτην (tauten) = dit | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | ζημίαν (zemian) = schade Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang. Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27). Voetnoot Uitleg: κερδῆσαι (kerdesai), letterlijk ‘winnen’: hier ‘bespaard blijven’. **27:22** Maar nu raad ik jullie aan goede moed te houden. Want geen enkel leven van jullie zal verloren gaan, alleen het schip. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | νῦν (nyn) = nu | παραινῶ (paraino) = raad ik aan | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εὐθυμεῖν (euthymein) = goede moed te hebben | ἀποβολὴ (apobole) = verlies | γὰρ (gar) = want | ψυχῆς (psyches) = van leven | οὐδεμία (oudemia) = geen enkel | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | πλὴν (plen) = behalve | τοῦ (tou) = van het | πλοίου (ploiou) = schip Bron: SBLGNT **27:23** Want vannacht stond er een engel bij mij van Elohim, aan wie ik toebehoor en die ik dien. Brontekst: παρέστη (pareste) = stond bij | γάρ (gar) = want | μοι (moi) = mij | ταύτῃ (taute) = deze | τῇ (te) = de | νυκτὶ (nykti) = nacht | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | οὗ (hou) = van wie | εἰμι (eimi) = ben ik | ᾧ (ho) = wie | καὶ (kai) = ook | λατρεύω (latreuo) = dien ik | ἄγγελος (angelos) = engel Bron: SBLGNT **27:24** De engel zei: ‘Wees niet bang, Paulus. Je moet voor de keizer staan. En zie, Elohim heeft jou allen geschonken die met je meevaren.’ Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | Παῦλε (Paule) = Paulus | Καίσαρί (Kaisari) = voor de keizer | σε (se) = je | δεῖ (dei) = het is nodig | παραστῆναι (parastenai) = te staan | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | κεχάρισταί (kecharistai) = heeft geschonken | σοι (soi) = aan je | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | πλέοντας (pleontas) = varen | μετὰ (meta) = met | σοῦ (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier alleen ‘zeggend’ (λέγων, legon); voor de duidelijkheid schrijven wij ‘De engel zei’. De woorden van een engel staan zwart. Vergelijk Hand. 23:11, waar de Heer zelf Paulus bemoedigt. Voetnoot : κεχάρισταί (kecharistai), ‘geschonken’: van χαρίζομαι (charizomai), verwant aan χάρις (charis), ‘gunst’ (zie ook Hand. 25:11). Elohim schenkt Paulus het leven van allen die meevaren. Zie ook: Hand 23:11; Hand 25:11 **27:25** Houd daarom goede moed, mannen, want ik geloof Elohim dat het zal gaan zoals tegen mij gezegd is. Brontekst: διὸ (dio) = daarom | εὐθυμεῖτε (euthymeite) = houd goede moed | ἄνδρες (andres) = mannen | πιστεύω (pisteuo) = ik geloof | γὰρ (gar) = want | τῷ (to) = aan | θεῷ (theo) = Elohim | ὅτι (hoti) = dat | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = het zal zijn | καθ’ (kath’) = op | ὃν (hon) = welke | τρόπον (tropon) = manier | λελάληταί (lelaletai) = gezegd is | μοι (moi) = aan mij Bron: SBLGNT **27:26** Wij moeten stranden op een eiland.” Brontekst: εἰς (eis) = op | νῆσον (neson) = eiland | δέ (de) = maar | τινα (tina) = een | δεῖ (dei) = het is nodig | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἐκπεσεῖν (ekpesein) = te stranden Bron: SBLGNT ### De veertiende nacht **27:27** Het was de veertiende nacht en wij dreven over de Adria. Rond middernacht vermoedden de zeelieden dat zij een of ander land naderden. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = nu | τεσσαρεσκαιδεκάτη (tessareskaidekate) = veertiende | νὺξ (nyx) = nacht | ἐγένετο (egeneto) = was gekomen | διαφερομένων (diapheromenon) = ronddrijvend | ἡμῶν (hemon) = wij | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | Ἀδρίᾳ (Adria) = Adria | κατὰ (kata) = omstreeks | μέσον (meson) = midden | τῆς (tes) = van de | νυκτὸς (nyktos) = nacht | ὑπενόουν (hypenooun) = vermoedden | οἱ (hoi) = de | ναῦται (nautai) = zeelieden | προσάγειν (prosagein) = te naderen | τινὰ (tina) = enig | αὐτοῖς (autois) = hun | χώραν (choran) = land Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Adria (ligging ongeveer): Met de Adria bedoelt de tekst hier het open water tussen Griekenland, Italië, Malta en Kreta, dus niet alleen de huidige Adriatische Zee. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: Ἀδρίας (Adrias), ‘Adria’: in die tijd de naam van een groter zeegebied dan de huidige Adriatische Zee. Waar het schip precies dreef, is niet vast te stellen. **27:28** Zij peilden de diepte en vonden 20 vadem. Een eindje verder peilden zij opnieuw en vonden 15 vadem. Brontekst: καὶ (kai) = en | βολίσαντες (bolisantes) = gepeild hebbend | εὗρον (heuron) = vonden zij | ὀργυιὰς (orguias) = vadem | εἴκοσι (eikosi) = twintig | βραχὺ (brachy) = een eindje | δὲ (de) = nu | διαστήσαντες (diastesantes) = verder gegaan | καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = opnieuw | βολίσαντες (bolisantes) = gepeild hebbend | εὗρον (heuron) = vonden zij | ὀργυιὰς (orguias) = vadem | δεκαπέντε (dekapente) = vijftien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀργυιά (orguia), ‘vadem’: de afstand tussen de uitgestrekte armen, ongeveer 1,8 meter. 20 vadem is dus ongeveer 37 meter, 15 vadem ongeveer 28 meter. **27:29** Uit angst dat wij ergens op rotsachtige plaatsen zouden stranden, wierpen zij vier ankers uit het achterschip en baden dat het dag zou worden. Brontekst: φοβούμενοί (phoboumenoi) = bevreesd | τε (te) = en | μή (me) = dat niet | που (pou) = ergens | κατὰ (kata) = op | τραχεῖς (tracheis) = ruwe | τόπους (topous) = plaatsen | ἐκπέσωμεν (ekpesomen) = wij zouden stranden | ἐκ (ek) = vanaf | πρύμνης (prymnes) = het achterschip | ῥίψαντες (rhipsantes) = werpend | ἀγκύρας (ankyras) = ankers | τέσσαρας (tessaras) = vier | ηὔχοντο (eychonto) = baden zij | ἡμέραν (hemeran) = dag | γενέσθαι (genesthai) = te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τραχεῖς (tracheis), letterlijk ‘ruw’: wij vertalen ‘rotsachtig’. **27:30** De zeelieden probeerden uit het schip te vluchten. Zij lieten de sloep in de zee zakken, onder het voorwendsel dat zij ankers vanaf het voorschip wilden uitwerpen. Brontekst: τῶν (ton) = de | δὲ (de) = nu | ναυτῶν (nauton) = zeelieden | ζητούντων (zetounton) = zoekend | φυγεῖν (phygein) = te vluchten | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | πλοίου (ploiou) = schip | καὶ (kai) = en | χαλασάντων (chalasanton) = neerlatend | τὴν (ten) = de | σκάφην (skaphen) = sloep | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | προφάσει (prophasei) = onder voorwendsel | ὡς (hos) = alsof | ἐκ (ek) = vanaf | πρῴρης (prores) = het voorschip | ἀγκύρας (ankyras) = ankers | μελλόντων (mellonton) = zij van plan waren | ἐκτείνειν (ekteinein) = uit te werpen Bron: SBLGNT **27:31** Paulus zei tegen de hoofdman en de soldaten: „Als deze mannen niet in het schip blijven, kunnen jullie niet gered worden.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | τῷ (to) = aan de | ἑκατοντάρχῃ (hekatontarche) = hoofdman | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | στρατιώταις (stratiotais) = soldaten | Ἐὰν (Ean) = als | μὴ (me) = niet | οὗτοι (houtoi) = deze | μείνωσιν (meinosin) = blijven | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | πλοίῳ (ploio) = schip | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | σωθῆναι (sothenai) = gered te worden | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen Bron: SBLGNT **27:32** Toen sneden de soldaten de touwen van de sloep door en lieten haar vallen. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἀπέκοψαν (apekopsan) = hieuwen af | οἱ (hoi) = de | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | τὰ (ta) = de | σχοινία (schoinia) = touwen | τῆς (tes) = van de | σκάφης (skaphes) = sloep | καὶ (kai) = en | εἴασαν (eiasan) = lieten | αὐτὴν (auten) = haar | ἐκπεσεῖν (ekpesein) = vallen Bron: SBLGNT ### Paulus zet allen aan tot eten **27:33** Tot het dag zou worden, vroeg Paulus allen dringend iets te eten. Hij zei: „Vandaag is het de veertiende dag dat jullie afwachtend zonder eten blijven. Jullie hebben niets tot je genomen. Brontekst: Ἄχρι (Achri) = tot | δὲ (de) = nu | οὗ (hou) = wanneer | ἡμέρα (hemera) = dag | ἤμελλεν (emellen) = op het punt stond | γίνεσθαι (ginesthai) = te worden | παρεκάλει (parekalei) = vroeg dringend | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | ἅπαντας (hapantas) = allen | μεταλαβεῖν (metalabein) = deel te nemen | τροφῆς (trophes) = aan voedsel | λέγων (legon) = zeggend | Τεσσαρεσκαιδεκάτην (Tessareskaidekaten) = veertiende | σήμερον (semeron) = vandaag | ἡμέραν (hemeran) = dag | προσδοκῶντες (prosdokontes) = afwachtend | ἄσιτοι (asitoi) = zonder eten | διατελεῖτε (diateleite) = blijven jullie | μηθὲν (methen) = niets | προσλαβόμενοι (proslabomenoi) = genomen hebbend Bron: SBLGNT **27:34** Daarom vraag ik jullie dringend iets te eten, want dit dient tot jullie redding. Van niemand van jullie zal een haar van het hoofd verloren gaan.” Brontekst: διὸ (dio) = daarom | παρακαλῶ (parakalo) = vraag ik dringend | ὑμᾶς (hymas) = jullie | μεταλαβεῖν (metalabein) = deel te nemen | τροφῆς (trophes) = aan voedsel | τοῦτο (touto) = dit | γὰρ (gar) = want | πρὸς (pros) = tot | τῆς (tes) = van de | ὑμετέρας (hymeteras) = jullie | σωτηρίας (soterias) = redding | ὑπάρχει (hyparchei) = is | οὐδενὸς (oudenos) = van niemand | γὰρ (gar) = want | ὑμῶν (hymon) = van jullie | θρὶξ (thrix) = haar | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | ἀπολεῖται (apoleitai) = zal verloren gaan Bron: SBLGNT **27:35** Nadat hij dit gezegd had, nam hij brood, dankte Elohim voor aller ogen, brak het en begon te eten. Brontekst: εἴπας (eipas) = gezegd hebbend | δὲ (de) = nu | ταῦτα (tauta) = deze dingen | καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | ἄρτον (arton) = brood | εὐχαρίστησεν (eucharistesen) = dankte | τῷ (to) = aan | θεῷ (theo) = Elohim | ἐνώπιον (enopion) = voor de ogen | πάντων (panton) = van allen | καὶ (kai) = en | κλάσας (klasas) = brekend | ἤρξατο (erxato) = begon hij | ἐσθίειν (esthiein) = te eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dezelfde handelingen (brood nemen, danken of de zegen uitspreken, breken) staan in Luc. 22:19 en 24:30. Zie ook: Luc 22:19; Luc 24:30 **27:36** Allen kregen weer moed en namen zelf ook voedsel. Brontekst: εὔθυμοι (euthymoi) = vol moed | δὲ (de) = nu | γενόμενοι (genomenoi) = geworden | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zelf | προσελάβοντο (proselabonto) = namen | τροφῆς (trophes) = voedsel Bron: SBLGNT **27:37** In het schip waren wij met zijn allen 276 personen. Brontekst: ἤμεθα (emetha) = waren | δὲ (de) = nu | αἱ (hai) = de | πᾶσαι (pasai) = alle | ψυχαὶ (psychai) = personen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | πλοίῳ (ploio) = schip | διακόσιαι (diakosiai) = tweehonderd | ἑβδομήκοντα (hebdomekonta) = zeventig | ἕξ (hex) = zes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), letterlijk ‘ziel’: hier ‘persoon’. **27:38** Toen zij verzadigd waren, maakten zij het schip lichter door het graan in de zee te gooien. Brontekst: κορεσθέντες (koresthentes) = verzadigd | δὲ (de) = nu | τροφῆς (trophes) = van voedsel | ἐκούφιζον (ekouphizon) = maakten lichter | τὸ (to) = het | πλοῖον (ploion) = schip | ἐκβαλλόμενοι (ekballomenoi) = werpend | τὸν (ton) = het | σῖτον (siton) = graan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT ### Het schip loopt vast **27:39** Toen het dag werd, herkenden zij het land niet. Wel zagen zij een baai met een strand. Daarop overlegden zij of zij het schip aan land konden zetten. Brontekst: Ὅτε (Hote) = toen | δὲ (de) = nu | ἡμέρα (hemera) = dag | ἐγένετο (egeneto) = werd | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | οὐκ (ouk) = niet | ἐπεγίνωσκον (epeginoskon) = herkenden zij | κόλπον (kolpon) = baai | δέ (de) = maar | τινα (tina) = een | κατενόουν (katenooun) = zagen zij | ἔχοντα (echonta) = hebbend | αἰγιαλὸν (aigialon) = strand | εἰς (eis) = op | ὃν (hon) = welke | ἐβουλεύοντο (ebouleuonto) = overlegden zij | εἰ (ei) = of | δύναιντο (dynainto) = zij konden | ἐξῶσαι (exosai) = te drijven | τὸ (to) = het | πλοῖον (ploion) = schip Bron: SBLGNT **27:40** Zij maakten de ankers los en lieten ze in de zee. Tegelijk maakten zij de bindtouwen van de roeren los. Zij hesen het zeil voor de wind en hielden koers naar het strand. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | ἀγκύρας (ankyras) = ankers | περιελόντες (perielontes) = losgemaakt | εἴων (eion) = lieten zij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | ἅμα (hama) = tegelijk | ἀνέντες (anentes) = losgelaten hebbend | τὰς (tas) = de | ζευκτηρίας (zeukterias) = bindtouwen | τῶν (ton) = van de | πηδαλίων (pedalion) = roeren | καὶ (kai) = en | ἐπάραντες (eparantes) = gehesen hebbend | τὸν (ton) = het | ἀρτέμωνα (artemona) = zeil | τῇ (te) = voor de | πνεούσῃ (pneouse) = waaiende wind | κατεῖχον (kateichon) = hielden zij koers | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | αἰγιαλόν (aigialon) = strand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρτέμων (artemon): een klein zeil, waarschijnlijk aan de voorkant van het schip; zeker is dat niet. πηδάλιον (pedalion), ‘roer’: schepen hadden grote stuurriemen, die tijdens het voor anker liggen waren opgebonden (de bindtouwen). **27:41** Zij kwamen op een plek waar twee zeeën samenkwamen en liepen met het schip aan de grond. Het voorschip zat vast en bleef onbeweeglijk, maar het achterschip begon door de kracht uit elkaar te vallen. Brontekst: περιπεσόντες (peripesontes) = terechtgekomen | δὲ (de) = nu | εἰς (eis) = op | τόπον (topon) = een plaats | διθάλασσον (dithalasson) = tussen twee zeeën | ἐπέκειλαν (epekeilan) = lieten zij aanlopen | τὴν (ten) = het | ναῦν (naun) = schip | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | μὲν (men) = wel | πρῷρα (prora) = voorschip | ἐρείσασα (ereisasa) = vastgelopen | ἔμεινεν (emeinen) = bleef | ἀσάλευτος (asaleutos) = onbeweeglijk | ἡ (he) = het | δὲ (de) = maar | πρύμνα (prymna) = achterschip | ἐλύετο (elyeto) = werd losgemaakt | ὑπὸ (hypo) = door | τῆς (tes) = de | βίας (bias) = kracht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τόπος διθάλασσος (topos dithalassos), letterlijk ‘plaats met twee zeeën’: waarschijnlijk een zandbank of landtong waar twee zeeën of stromingen samenkomen. ### Het plan om de gevangenen te doden **27:42** De soldaten maakten het plan de gevangenen te doden, zodat niemand zou wegzwemmen en ontsnappen. Brontekst: τῶν (ton) = van de | δὲ (de) = nu | στρατιωτῶν (stratioton) = soldaten | βουλὴ (boule) = plan | ἐγένετο (egeneto) = was | ἵνα (hina) = opdat | τοὺς (tous) = de | δεσμώτας (desmotas) = gevangenen | ἀποκτείνωσιν (apokteinosin) = zij doden | μή (me) = opdat niet | τις (tis) = iemand | ἐκκολυμβήσας (ekkolymbesas) = weggezwommen | διαφύγῃ (diaphyge) = ontsnapt Bron: SBLGNT **27:43** Maar de hoofdman wilde Paulus redden en hield hen van hun plan af. Hij beval dat zij die konden zwemmen, als eersten overboord moesten springen en aan land gaan, Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = hoofdman | βουλόμενος (boulomenos) = willend | διασῶσαι (diasosai) = redden | τὸν (ton) = (de) | Παῦλον (Paulon) = Paulus | ἐκώλυσεν (ekolysen) = verhinderde | αὐτοὺς (autous) = hen | τοῦ (tou) = in het | βουλήματος (boulematos) = plan | ἐκέλευσέν (ekeleusen) = beval | τε (te) = en | τοὺς (tous) = degenen | δυναμένους (dynamenous) = die konden | κολυμβᾶν (kolymban) = zwemmen | ἀπορίψαντας (aporipsantas) = overboord gesprongen | πρώτους (protous) = als eersten | ἐπὶ (epi) = naar | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἐξιέναι (exienai) = te gaan Bron: SBLGNT **27:44** en de overigen, sommigen op planken, anderen op stukken van het schip. Zo gebeurde het dat allen gered aan land kwamen. Brontekst: καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | λοιποὺς (loipous) = overigen | οὓς (hous) = sommigen | μὲν (men) = wel | ἐπὶ (epi) = op | σανίσιν (sanisin) = planken | οὓς (hous) = anderen | δὲ (de) = maar | ἐπί (epi) = op | τινων (tinon) = enkele | τῶν (ton) = dingen | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | πλοίου (ploiou) = schip | καὶ (kai) = en | οὕτως (houtos) = zo | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde het | πάντας (pantas) = allen | διασωθῆναι (diasothenai) = gered te worden | ἐπὶ (epi) = naar | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land Bron: SBLGNT ## Handelingen 28 _Op Malta, de reis naar Rome en Paulus in Rome_ ### Op Malta **28:1** Toen wij gered waren, kwamen wij te weten dat het eiland Malta heet. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | διασωθέντες (diasothentes) = gered | τότε (tote) = toen | ἐπέγνωμεν (epegnomen) = kwamen wij te weten | ὅτι (hoti) = dat | Μελίτη (Melite) = Malta | ἡ (he) = het | νῆσος (nesos) = eiland | καλεῖται (kaleitai) = heet Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Malta: Malta is een eiland in het midden van de Middellandse Zee, ten zuiden van Sicilië. Voetnoot Uitleg: Μελίτη (Melite), ‘Malta’: het eiland ten zuiden van Sicilië. **28:2** De bewoners toonden ons ongewone vriendelijkheid. Zij staken namelijk een vuur aan en namen ons allen op, vanwege de aanhoudende regen en de kou. Brontekst: οἵ (hoi) = de | τε (te) = en | βάρβαροι (barbaroi) = bewoners | παρεῖχον (pareichon) = boden | οὐ (ou) = niet | τὴν (ten) = de | τυχοῦσαν (tychousan) = gewone | φιλανθρωπίαν (philanthropian) = vriendelijkheid | ἡμῖν (hemin) = aan ons | ἅψαντες (hapsantes) = aangestoken hebbend | γὰρ (gar) = want | πυρὰν (pyran) = een vuur | προσελάβοντο (proselabonto) = namen op | πάντας (pantas) = allen | ἡμᾶς (hemas) = ons | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | ὑετὸν (hyeton) = regen | τὸν (ton) = die | ἐφεστῶτα (ephestota) = aanhoudende | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = de | ψῦχος (psychos) = kou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βάρβαροι (barbaroi), ‘bewoners’: het Griekse woord betekent letterlijk mensen die geen Grieks spraken. Het is hier geen scheldwoord; wij vertalen ‘bewoners’. φιλανθρωπία (filanthropia), ‘vriendelijkheid’: verwant aan φιλανθρώπως in Hand. 27:3. Zie ook: Hand 27:3 ### De adder **28:3** Paulus raapte een hoop dorre takken bijeen en legde die op het vuur. Door de hitte kwam er een adder tevoorschijn, die zich aan zijn hand vastklemde. Brontekst: συστρέψαντος (systrepsantos) = bijeengeraapt hebbend | δὲ (de) = nu | τοῦ (tou) = (de) | Παύλου (Paulou) = Paulus | φρυγάνων (phryganon) = van dorre takken | τι (ti) = een | πλῆθος (plethos) = hoeveelheid | καὶ (kai) = en | ἐπιθέντος (epithentos) = gelegd hebbend | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | πυράν (pyran) = vuur | ἔχιδνα (echidna) = adder | ἀπὸ (apo) = vanwege | τῆς (tes) = de | θέρμης (thermes) = hitte | ἐξελθοῦσα (exelthousa) = tevoorschijn gekomen | καθῆψε (kathepse) = klemde zich vast aan | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **28:4** Toen de bewoners het dier aan zijn hand zagen hangen, zeiden zij tegen elkaar: „Deze man is zeker een moordenaar. Hij is uit de zee gered, maar de Gerechtigheid heeft hem niet laten leven.” Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = nu | εἶδον (eidon) = zagen | οἱ (hoi) = de | βάρβαροι (barbaroi) = bewoners | κρεμάμενον (kremamenon) = hangend | τὸ (to) = het | θηρίον (therion) = dier | ἐκ (ek) = aan | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Πάντως (Pantos) = zeker | φονεύς (phoneus) = moordenaar | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | οὗτος (houtos) = deze | ὃν (hon) = die | διασωθέντα (diasothenta) = gered | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | θαλάσσης (thalasses) = zee | ἡ (he) = de | δίκη (dike) = Gerechtigheid | ζῆν (zen) = te leven | οὐκ (ouk) = niet | εἴασεν (eiasen) = liet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡ δίκη (he dike), ‘de Gerechtigheid’: de bewoners denken aan een goddelijke macht die straft. δίκη is een ander woord dan δικαιοσύνη (dikaiosyne), dat wij met ‘gerechtigheid’ vertalen; wij schrijven hier een hoofdletter. **28:5** Hij schudde het dier in het vuur af en leed geen enkel kwaad. Brontekst: ὁ (ho) = hij | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | ἀποτινάξας (apotinaxas) = afschuddend | τὸ (to) = het | θηρίον (therion) = dier | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πῦρ (pyr) = vuur | ἔπαθεν (epathen) = leed | οὐδὲν (ouden) = niets | κακόν (kakon) = kwaads Bron: SBLGNT **28:6** Zij verwachtten dat hij zou opzwellen of plotseling dood zou neervallen. Toen zij lang gewacht hadden en zagen dat hem niets verkeerds overkwam, veranderden zij van mening. Zij zeiden dat hij een god was. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | προσεδόκων (prosedokon) = verwachtten | αὐτὸν (auton) = hem | μέλλειν (mellein) = dat zou | πίμπρασθαι (pimprasthai) = opzwellen | ἢ (e) = of | καταπίπτειν (katapiptein) = neervallen | ἄφνω (aphno) = plotseling | νεκρόν (nekron) = dood | ἐπὶ (epi) = gedurende | πολὺ (poly) = lange tijd | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = hen | προσδοκώντων (prosdokonton) = verwachtend | καὶ (kai) = en | θεωρούντων (theorounton) = kijkend | μηδὲν (meden) = niets | ἄτοπον (atopon) = verkeerds | εἰς (eis) = aan | αὐτὸν (auton) = hem | γινόμενον (ginomenon) = gebeurend | μεταβαλόμενοι (metabalomenoi) = van gedachten veranderd | ἔλεγον (elegon) = zeiden zij | αὐτὸν (auton) = hem | εἶναι (einai) = te zijn | θεόν (theon) = een god Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θεόν (theon), ‘een god’: in het Grieks zonder lidwoord, in de mond van de bewoners. Wij schrijven ‘een god’ met een kleine letter, niet ‘Elohim’. Zie ook Hand. 14:11. Zie ook: Hand 14:11 ### Publius en de zieken **28:7** In de omgeving van die plaats lagen landgoederen van de voornaamste van het eiland, Publius genaamd. Hij nam ons op en onthaalde ons drie dagen lang hartelijk. Brontekst: Ἐν (En) = in | δὲ (de) = nu | τοῖς (tois) = de | περὶ (peri) = rondom | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | ἐκεῖνον (ekeinon) = die | ὑπῆρχεν (hyperchen) = waren | χωρία (choria) = landgoederen | τῷ (to) = aan de | πρώτῳ (proto) = eerste | τῆς (tes) = van het | νήσου (nesou) = eiland | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ποπλίῳ (Poplio) = Publius | ὃς (hos) = die | ἀναδεξάμενος (anadexamenos) = ontvangen hebbend | ἡμᾶς (hemas) = ons | τρεῖς (treis) = drie | ἡμέρας (hemeras) = dagen | φιλοφρόνως (philophronos) = hartelijk | ἐξένισεν (exenisen) = ontving als gast Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ πρῶτος τῆς νήσου (ho protos tes nesou), ‘de voornaamste van het eiland’: waarschijnlijk een ambtstitel. Πόπλιος (Poplios) is de Griekse vorm van het Latijnse Publius. **28:8** Het gebeurde dat de vader van Publius ziek lag, gekweld door koortsaanvallen en buikloop. Paulus ging naar hem toe, bad, legde hem de handen op en genas hem. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = nu | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | τοῦ (tou) = van | Ποπλίου (Popliou) = Publius | πυρετοῖς (pyretois) = met koortsaanvallen | καὶ (kai) = en | δυσεντερίῳ (dysenterio) = buikloop | συνεχόμενον (synechomenon) = gekweld | κατακεῖσθαι (katakeisthai) = te liggen | πρὸς (pros) = tot | ὃν (hon) = wie | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | καὶ (kai) = en | προσευξάμενος (proseuxamenos) = gebeden hebbend | ἐπιθεὶς (epitheis) = gelegd hebbend | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτῷ (auto) = op hem | ἰάσατο (iasato) = genas | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **28:9** Toen dit gebeurd was, kwamen ook de anderen op het eiland die ziek waren, en zij werden genezen. Brontekst: τούτου (toutou) = dit | δὲ (de) = nu | γενομένου (genomenou) = gebeurd | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | λοιποὶ (loipoi) = overigen | οἱ (hoi) = die | ἐν (en) = op | τῇ (te) = het | νήσῳ (neso) = eiland | ἔχοντες (echontes) = hebbend | ἀσθενείας (astheneias) = ziekten | προσήρχοντο (proserchonto) = kwamen | καὶ (kai) = en | ἐθεραπεύοντο (etherapeuonto) = werden genezen Bron: SBLGNT **28:10** Zij bewezen ons ook veel eer. En toen wij in zee staken, laadden zij aan boord wat wij nodig hadden. Brontekst: οἳ (hoi) = zij | καὶ (kai) = ook | πολλαῖς (pollais) = met vele | τιμαῖς (timais) = eerbewijzen | ἐτίμησαν (etimesan) = eerden | ἡμᾶς (hemas) = ons | καὶ (kai) = en | ἀναγομένοις (anagomenois) = toen wij in zee staken | ἐπέθεντο (epethento) = legden erop | τὰ (ta) = de dingen | πρὸς (pros) = voor | τὰς (tas) = de | χρείας (chreias) = behoeften Bron: SBLGNT ### De reis naar Rome **28:11** Na drie maanden staken wij in zee met een schip uit Alexandrië, dat op het eiland had overwinterd en de Dioscuren als scheepsteken had. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = nu | τρεῖς (treis) = drie | μῆνας (menas) = maanden | ἀνήχθημεν (anechthemen) = staken wij in zee | ἐν (en) = in | πλοίῳ (ploio) = een schip | παρακεχειμακότι (parakecheimakoti) = dat had overwinterd | ἐν (en) = op | τῇ (te) = het | νήσῳ (neso) = eiland | Ἀλεξανδρίνῳ (Alexandrino) = uit Alexandrië | παρασήμῳ (parasemo) = met als teken | Διοσκούροις (Dioskourois) = de Dioscuren Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Alexandrië: Alexandrië lag aan de Middellandse Zee, aan de westkant van de Nijldelta. Het was de grootste stad van Egypte en had een grote Joodse gemeenschap. Voetnoot Uitleg: Διόσκουροι (Dioskouroi), ‘Dioscuren’: de tweelinggoden Castor en Pollux, beschermers van zeelieden. Hun beeld was het teken (παράσημον, parasemon) van het schip. **28:12** Wij legden aan in Syracuse en bleven daar drie dagen. Brontekst: καὶ (kai) = en | καταχθέντες (katachthentes) = aangekomen | εἰς (eis) = in | Συρακούσας (Syrakousas) = Syracuse | ἐπεμείναμεν (epemeinamen) = bleven wij | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τρεῖς (treis) = drie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syracuse: Syracuse was de grote havenstad aan de oostkust van Sicilië. **28:13** Vandaar maakten wij ons los en kwamen aan in Regium. Een dag later stak er een zuidenwind op en kwamen wij op de tweede dag in Puteoli. Brontekst: ὅθεν (hothen) = vandaar | περιελόντες (perielontes) = losgemaakt | κατηντήσαμεν (katentesamen) = kwamen wij aan | εἰς (eis) = in | Ῥήγιον (Rhegion) = Regium | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | μίαν (mian) = een | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἐπιγενομένου (epigenomenou) = opgestoken | νότου (notou) = zuidenwind | δευτεραῖοι (deuteraioi) = op de tweede dag | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen wij | εἰς (eis) = in | Ποτιόλους (Potiolous) = Puteoli Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Regium (nu Reggio Calabria): Regium (nu Reggio Calabria) lag aan de zuidpunt van Italië, aan de Straat van Messina. Zie Puteoli (nu Pozzuoli): Puteoli (nu Pozzuoli) was een grote haven aan de Baai van Napels, waar schepen uit Egypte en het oosten aanlegden. Voetnoot Uitleg: περιελόντες (perielontes), letterlijk ‘wegnemend’ (zoals de ankers in Hand. 27:40); het voorwerp ontbreekt. Wij vertalen ‘maakten ons los’. Zie ook: Hand 27:40 **28:14** Daar vonden wij broers, die ons dringend vroegen zeven dagen bij hen te blijven. En zo kwamen wij in Rome. Brontekst: οὗ (hou) = waar | εὑρόντες (heurontes) = vindend | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | παρεκλήθημεν (pareklethemen) = werden wij dringend gevraagd | παρ’ (par’) = bij | αὐτοῖς (autois) = hen | ἐπιμεῖναι (epimeinai) = te blijven | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἑπτά (hepta) = zeven | καὶ (kai) = en | οὕτως (houtos) = zo | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ῥώμην (Rhomen) = Rome | ἤλθαμεν (elthamen) = kwamen wij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië. Voetnoot Uitleg: ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: hier de gelovigen in Yeshua, ook in vers 15. In vers 17 en 21 zijn het Joodse volksgenoten. Zie ook: Hand 28:15; Hand 28:17; Hand 28:21 **28:15** En vandaar kwamen de broers, die over ons gehoord hadden, ons tegemoet tot aan het Forum van Appius en de Drie Tavernen. Toen Paulus hen zag, dankte hij Elohim en kreeg moed. Brontekst: κἀκεῖθεν (kakeithen) = en vandaar | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | τὰ (ta) = de dingen | περὶ (peri) = over | ἡμῶν (hemon) = ons | ἦλθαν (elthan) = kwamen | εἰς (eis) = tot | ἀπάντησιν (apantesin) = ontmoeting | ἡμῖν (hemin) = ons | ἄχρι (achri) = tot aan | Ἀππίου (Appiou) = van Appius | Φόρου (Phorou) = Forum | καὶ (kai) = en | Τριῶν (Trion) = van Drie | Ταβερνῶν (Tabernon) = Tavernen | οὓς (hous) = wie | ἰδὼν (idon) = ziend | ὁ (ho) = de | Παῦλος (Paulos) = Paulus | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = dankend | τῷ (to) = aan | θεῷ (theo) = Elohim | ἔλαβε (elabe) = kreeg | θάρσος (tharsos) = moed Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Forum van Appius (ligging ongeveer): Het Forum van Appius lag aan de Via Appia, ongeveer 65 km ten zuiden van Rome. Zie Drie Tavernen (ligging ongeveer): De Drie Tavernen waren een rustplaats aan de Via Appia, ongeveer 50 km ten zuiden van Rome. ### Paulus in Rome **28:16** Toen wij Rome binnengingen, mocht Paulus op zichzelf blijven, samen met de soldaat die hem bewaakte. Brontekst: Ὅτε (Hote) = toen | δὲ (de) = nu | εἰσήλθομεν (eiselthomen) = binnengingen wij | εἰς (eis) = in | Ῥώμην (Rhomen) = Rome | ἐπετράπη (epetrape) = werd toegestaan | τῷ (to) = aan | Παύλῳ (Paulo) = Paulus | μένειν (menein) = te blijven | καθ’ (kath’) = op | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | φυλάσσοντι (phylassonti) = bewakende | αὐτὸν (auton) = hem | στρατιώτῃ (stratiote) = soldaat Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat in dit vers een toevoeging over het overdragen van de gevangenen aan de bevelhebber van de wacht. Die staat niet in de SBLGNT; wij vertalen haar niet. ### Paulus en de voornaamsten van de Joden **28:17** Na drie dagen riep hij de voornaamsten van de Joden bijeen. Toen zij samengekomen waren, zei hij tegen hen: „Mannen, broers, ik heb niets gedaan tegen het volk of tegen de gewoonten van de vaderen. Als gevangene ben ik uit Jeruzalem overgeleverd in de handen van de Romeinen. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = nu | μετὰ (meta) = na | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τρεῖς (treis) = drie | συγκαλέσασθαι (synkalesasthai) = dat riep bijeen | αὐτὸν (auton) = hij | τοὺς (tous) = de | ὄντας (ontas) = zijnde | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | πρώτους (protous) = voornaamsten | συνελθόντων (synelthonton) = samengekomen | δὲ (de) = nu | αὐτῶν (auton) = zij | ἔλεγεν (elegen) = zei hij | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Ἐγώ (Ego) = ik | ἄνδρες (andres) = mannen | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | οὐδὲν (ouden) = niets | ἐναντίον (enantion) = tegen | ποιήσας (poiesas) = gedaan hebbend | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | ἢ (e) = of | τοῖς (tois) = aan de | ἔθεσι (ethesi) = gewoonten | τοῖς (tois) = de | πατρῴοις (patroois) = van de vaderen | δέσμιος (desmios) = gevangene | ἐξ (ex) = uit | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | παρεδόθην (paredothen) = werd ik overgeleverd | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | τῶν (ton) = van de | Ῥωμαίων (Rhomaion) = Romeinen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἄνδρες ἀδελφοί (andres adelfoi), ‘mannen, broers’: een aanspreking van Joodse volksgenoten. οἱ πρῶτοι τῶν Ἰουδαίων, ‘de voornaamsten van de Joden’: zie ook Hand. 25:2. Zie ook: Hand 25:2 **28:18** Zij verhoorden mij en wilden mij vrijlaten, omdat er in mij geen aanklacht was waarop de dood stond. Brontekst: οἵτινες (hoitines) = die | ἀνακρίναντές (anakrinantes) = verhoord hebbend | με (me) = mij | ἐβούλοντο (eboulonto) = wilden | ἀπολῦσαι (apolysai) = vrijlaten | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | μηδεμίαν (medemian) = geen enkele | αἰτίαν (aitian) = aanklacht | θανάτου (thanatou) = van de dood | ὑπάρχειν (hyparchein) = was | ἐν (en) = in | ἐμοί (emoi) = mij Bron: SBLGNT **28:19** Maar toen de Joden weerspraken, werd ik gedwongen een beroep te doen op de keizer. Niet dat ik iets heb waarvan ik mijn volk kan aanklagen. Brontekst: ἀντιλεγόντων (antilegonton) = tegensprekend | δὲ (de) = nu | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἠναγκάσθην (enankasthen) = werd ik gedwongen | ἐπικαλέσασθαι (epikalesasthai) = een beroep te doen op | Καίσαρα (Kaisara) = de keizer | οὐχ (ouch) = niet | ὡς (hos) = alsof | τοῦ (tou) = van het | ἔθνους (ethnous) = volk | μου (mou) = mijn | ἔχων (echon) = hebbend | τι (ti) = iets | κατηγορεῖν (kategorein) = aan te klagen Bron: SBLGNT **28:20** Om die reden heb ik jullie dringend gevraagd mij te zien en met mij te spreken. Want vanwege de hoop van Israël draag ik deze keten.” Brontekst: διὰ (dia) = vanwege | ταύτην (tauten) = deze | οὖν (oun) = dus | τὴν (ten) = de | αἰτίαν (aitian) = reden | παρεκάλεσα (parekalesa) = vroeg ik dringend | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἰδεῖν (idein) = te zien | καὶ (kai) = en | προσλαλῆσαι (proslalesai) = te spreken | ἕνεκεν (heneken) = vanwege | γὰρ (gar) = want | τῆς (tes) = de | ἐλπίδος (elpidos) = hoop | τοῦ (tou) = van | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | τὴν (ten) = de | ἅλυσιν (halysin) = keten | ταύτην (tauten) = deze | περίκειμαι (perikeimai) = ben ik omgeven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Paulus noemt zijn keten (ἅλυσις, halysis) een gevolg van ‘de hoop van Israël’: de opstanding van de doden. Zie ook Hand. 23:6; 24:15; 26:6–8. De ‘boeien’ in Hand. 26:29 zijn een ander woord (δεσμοί, desmoi). Zie ook: Hand 23:6; Hand 24:15; Hand 26:6; Hand 26:29 **28:21** Zij zeiden tegen hem: „Wij hebben geen brieven over jou uit Judea ontvangen. Ook is er niemand van de broers gekomen die iets slechts over jou heeft bericht of gezegd. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = hem | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἡμεῖς (Hemeis) = wij | οὔτε (oute) = noch | γράμματα (grammata) = brieven | περὶ (peri) = over | σοῦ (sou) = jou | ἐδεξάμεθα (edexametha) = ontvingen | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = het | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | οὔτε (oute) = noch | παραγενόμενός (paragenomenos) = gekomen zijnd | τις (tis) = iemand | τῶν (ton) = van de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = berichtte | ἢ (e) = of | ἐλάλησέν (elalesen) = sprak | τι (ti) = iets | περὶ (peri) = over | σοῦ (sou) = jou | πονηρόν (poneron) = slechts Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. **28:22** Wij willen graag van jou horen wat je denkt. Van deze richting is ons namelijk bekend dat zij overal weersproken wordt.” Brontekst: ἀξιοῦμεν (axioumen) = wij achten het goed | δὲ (de) = nu | παρὰ (para) = van | σοῦ (sou) = jou | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | ἃ (ha) = wat | φρονεῖς (phroneis) = je denkt | περὶ (peri) = over | μὲν (men) = wel | γὰρ (gar) = want | τῆς (tes) = de | αἱρέσεως (haireseos) = richting | ταύτης (tautes) = deze | γνωστὸν (gnoston) = bekend | ἡμῖν (hemin) = aan ons | ἐστιν (estin) = is | ὅτι (hoti) = dat | πανταχοῦ (pantachou) = overal | ἀντιλέγεται (antilegetai) = er tegengesproken wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἵρεσις (hairesis), ‘richting’: zoals in Hand. 24:5 en 26:5. Zie ook: Hand 24:5; Hand 26:5 **28:23** Zij spraken een dag met hem af en kwamen in groter aantal naar zijn verblijf. Hij zette hun uiteen en getuigde van het koninkrijk van Elohim. Hij probeerde hen over Yeshua te overtuigen vanuit de wet van Mozes en de profeten, van de ochtend tot de avond. Brontekst: Ταξάμενοι (Taxamenoi) = afgesproken hebbend | δὲ (de) = nu | αὐτῷ (auto) = met hem | ἡμέραν (hemeran) = een dag | ἧκον (hekon) = kwamen | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ξενίαν (xenian) = verblijf | πλείονες (pleiones) = meer | οἷς (hois) = aan wie | ἐξετίθετο (exetitheto) = zette hij uiteen | διαμαρτυρόμενος (diamartyromenos) = getuigend | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | πείθων (peithon) = overtuigend | τε (te) = en | αὐτοὺς (autous) = hen | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = (de) | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἀπό (apo) = vanuit | τε (te) = en | τοῦ (tou) = de | νόμου (nomou) = wet | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | προφητῶν (propheton) = profeten | ἀπὸ (apo) = van | πρωῒ (proi) = ochtend | ἕως (heos) = tot | ἑσπέρας (hesperas) = avond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξενία (xenia), ‘verblijf’, letterlijk ‘gastenverblijf’: de plaats waar Paulus verbleef. **28:24** Sommigen lieten zich overtuigen door wat er gezegd werd, anderen geloofden niet. Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μὲν (men) = wel | ἐπείθοντο (epeithonto) = lieten zich overtuigen | τοῖς (tois) = door de | λεγομένοις (legomenois) = gezegde dingen | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἠπίστουν (epistoun) = geloofden niet Bron: SBLGNT ### Het woord van de Heilige Geest door Jesaja **28:25** Zij waren het onderling niet eens. Zij gingen weg, nadat Paulus één woord had gezegd: „Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot jullie vaderen gesproken. Brontekst: ἀσύμφωνοι (asymphonoi) = het oneens | δὲ (de) = nu | ὄντες (ontes) = zijnde | πρὸς (pros) = met | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | ἀπελύοντο (apelyonto) = gingen weg | εἰπόντος (eipontos) = gezegd hebbend | τοῦ (tou) = (de) | Παύλου (Paulou) = Paulus | ῥῆμα (rhema) = woord | ἓν (hen) = één | ὅτι (hoti) = dat | Καλῶς (Kalos) = terecht | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | διὰ (dia) = door | Ἠσαΐου (Esaiou) = Jesaja | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaderen | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Heilige Geest die door Jesaja spreekt, is Elohim zelf. Het Grieks heeft in vers 26 alleen ‘zeggend’ (λέγων, legon); voor de duidelijkheid schrijven wij ‘De Geest zei’. Zijn woorden in vers 26–27 staan daarom rood, zoals de woorden van Yahweh in Jes. 6:9–10. Paulus zelf citeert; zijn inleiding staat zwart. Zie ook: Jes 6:9–10; Hand 28:26 **28:26** De Geest zei: **‘Ga naar dit volk en zeg: „Met het gehoor zullen jullie horen en toch beslist niet begrijpen, en kijkend zullen jullie kijken en toch beslist niet zien.** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Πορεύθητι (Poreutheti) = ga | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | τοῦτον (touton) = dit | καὶ (kai) = en | εἰπόν (eipon) = zeg | Ἀκοῇ (Akoe) = met het gehoor | ἀκούσετε (akousete) = zullen jullie horen | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | συνῆτε (synete) = begrijpen | καὶ (kai) = en | βλέποντες (blepontes) = kijkend | βλέψετε (blepsete) = zullen jullie kijken | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἴδητε (idete) = zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 6:9–10. Het Hebreeuws is een opdracht aan de profeet: ‘Luister en luister, maar begrijp niet’, en: ‘Maak het hart van dit volk vet’. De Griekse tekst heeft: ‘Met het gehoor zullen jullie horen’ en: ‘Het hart van dit volk is vet geworden’. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:14–15; Mark. 4:12; Luc. 8:10; Joh. 12:40. Zie ook: Jes 6:9–10; Mat 13:14–15; Mar 4:12; Luc 8:10; Joh 12:40 **28:27** **Want het hart van dit volk is vet geworden. Met hun oren horen zij zwaar, en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet met hun ogen zien, met hun oren horen en met hun hart begrijpen, en niet terugkeren en Ik hen niet genees.”’** Brontekst: ἐπαχύνθη (epachynthe) = is vet geworden | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | τούτου (toutou) = dit | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = met de | ὠσὶν (osin) = oren | βαρέως (bareos) = zwaar | ἤκουσαν (ekousan) = horen zij | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun | ἐκάμμυσαν (ekammysan) = hebben zij gesloten | μήποτε (mepote) = opdat niet | ἴδωσιν (idosin) = zij zien | τοῖς (tois) = met de | ὀφθαλμοῖς (ophthalmois) = ogen | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = met de | ὠσὶν (osin) = oren | ἀκούσωσιν (akousosin) = horen | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = met het | καρδίᾳ (kardia) = hart | συνῶσιν (synosin) = begrijpen | καὶ (kai) = en | ἐπιστρέψωσιν (epistrepsosin) = terugkeren | καὶ (kai) = en | ἰάσομαι (iasomai) = Ik zal genezen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστρέψωσιν (epistrepsosin), ‘terugkeren’: zich omkeren naar Elohim, het Hebreeuwse שׁוּב (shuv). Het woord voor ‘zich bekeren’, μετανοέω, staat hier niet. Het Hebreeuws sluit af met ‘en niet genezen wordt’ (Jes. 6:10); de Griekse tekst heeft ‘en Ik hen genees’. De woorden ‘Ik hen niet genees’ spreekt Yahweh; daarom schrijven wij ‘Ik’ met hoofdletter. Zie ook: Jes 6:10 **28:28** Het zij jullie dus bekend dat deze redding van Elohim naar de volken is gezonden. Zij zullen ook horen.” Brontekst: γνωστὸν (gnoston) = bekend | οὖν (oun) = dus | ἔστω (esto) = laat zijn | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | ἀπεστάλη (apestale) = is gezonden | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = de | σωτήριον (soterion) = redding | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | αὐτοὶ (autoi) = zij | καὶ (kai) = ook | ἀκούσονται (akousontai) = zullen horen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σωτήριον (soterion), ‘redding’: hetzelfde woord als in Luc. 2:30 en 3:6. De volken: zie ook Hand. 13:46; 18:6. Voetnoot : ἀκούσονται (akousontai), ‘zij zullen horen’: het werkwoord ἀκούω (akouo) kan ook ‘luisteren’ betekenen; het staat ook in vers 26–27, waar de Joden ‘horen en toch niet begrijpen’. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Het versnummer 29 ontbreekt daarom. Zie ook: Luc 2:30; Luc 3:6; Hand 13:46; Hand 18:6; Hand 28:26–27 ### Twee jaar in Rome **28:30** Hij bleef twee volle jaren in zijn eigen gehuurde woning en ontving iedereen die naar hem toe kwam. Brontekst: Ἐνέμεινεν (Enemeinen) = bleef | δὲ (de) = nu | διετίαν (dietian) = twee jaar | ὅλην (holen) = geheel | ἐν (en) = in | ἰδίῳ (idio) = eigen | μισθώματι (misthomati) = gehuurde woning | καὶ (kai) = en | ἀπεδέχετο (apedecheto) = ontving | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = die | εἰσπορευομένους (eisporeuomenous) = binnenkwamen | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **28:31** Hij verkondigde het koninkrijk van Elohim en onderwees wat de Heer Yeshua de Messias betreft, met alle vrijmoedigheid en zonder belemmering. Brontekst: κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | τὰ (ta) = de dingen | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Heer | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = Messias | μετὰ (meta) = met | πάσης (pases) = alle | παρρησίας (parresias) = vrijmoedigheid | ἀκωλύτως (akolytos) = zonder belemmering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: een titel van Yeshua; wij schrijven hem met hoofdletter, zoals in Luc. 7:13. ἀκωλύτως (akolytos), ‘zonder belemmering’, is het laatste woord van het boek. Zie ook: Luc 7:13