# 2 Koningen (מלכים ב, Melachim II) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## 2 Koningen 1 _Achazia, Baäl-Zebub en het vuur van Elia_ ### Moab komt in opstand **1:1** Na de dood van Achab kwam Moab in opstand tegen Israël. Brontekst: וַיִּפְשַׁ֤ע (vayifsha) = en kwam in opstand | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = tegen Israël | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | מ֥וֹת (mot) = de dood van | אַחְאָֽב (achav) = Achab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Moab ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. Dat is zeker. Voetnoot : וַיִּפְשַׁע (vayyifsha), ‘kwam in opstand’: Moab weigerde Israël nog langer te dienen en schatting te betalen. Zie 2 Kon. 3:4–5 en 2 Sam. 8:2. Voetnoot : De jaren van Achab eindigen in 1 Kon. 22:40. Zie ook: Num 24:7; 2 Sam 8:2; 1 Kron 18:2; 1 Kon 22:40; 2 Kon 3:4–5; 2 Kon 8:22 ### Achazia en Baäl-Zebub **1:2** Achazia viel door het traliewerk van zijn bovenkamer in Samaria en werd ziek. Hij stuurde boden en zei tegen hen: „Ga, raadpleeg Baäl-Zebub, de god van Ekron, of ik van deze ziekte zal herstellen.” Brontekst: וַיִּפֹּ֨ל (vayipol) = en viel | אֲחַזְיָ֜ה (achazya) = Achazia | בְּעַ֣ד (bead) = door | הַשְּׂבָכָ֗ה (hasevakha) = het traliewerk | בַּעֲלִיָּת֛וֹ (baaliyato) = in zijn bovenkamer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּשֹׁמְר֖וֹן (beshomeron) = in Samaria | וַיָּ֑חַל (vayachal) = en werd ziek | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tegen hen | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | דִרְשׁ֗וּ (dirshu) = raadpleegt | בְּבַ֤עַל (bevaal) = bij Baäl | זְבוּב֙ (zevuv) = Zebub | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de god van | עֶקְר֔וֹן (eqron) = Ekron | אִם (im) = of | אֶחְיֶ֖ה (echye) = ik zal herstellen | מֵחֳלִ֥י (mecholi) = van mijn ziekte | זֶֽה (ze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: Samaria ligt bij Sebastiya, ongeveer 10 km ten noordwesten van Nablus, op de Westelijke Jordaanoever. Dat is zeker. Ekron lag in de kustvlakte van de Filistijnen, waarschijnlijk bij Tel Miqne (Khirbet el-Muqanna) in het huidige Israël. Voetnoot : בַּעַל זְבוּב (Ba’al Zevuv), ‘Baäl-Zebub’: letterlijk ‘heer van de vliegen’. Zo staat het in de Masoretische tekst. Sommigen lezen Baäl-Zebul. Voetnoot : אֱלֹהֵי עֶקְרוֹן (Elohe Ekron), ‘de god van Ekron’: het woord Elohim schrijven wij voor een vreemde god met een kleine letter, als ‘god’. Voetnoot : הַשְּׂבָכָה (hassevakhah), ‘traliewerk’: een rooster van latten of takken voor een raam of een luik. De bovenkamer (עֲלִיָּה, aliyyah) is een kamer op het dak of op de eerste verdieping, zoals in 1 Kon. 17:19. Voetnoot : דִּרְשׁוּ (dirshu), ‘raadpleeg’: bij een god of een profeet navragen wat er gaat gebeuren. Dit werkwoord (דָּרַשׁ, darash) staat ook in de verzen 3, 6 en 16. Zie ook: 1 Kon 17:19; 2 Kon 1:16; 2 Kon 8:7–10; Jes 37:19; Mat 10:25; Mar 3:22 **1:3** De engel van Yahweh sprak tot Elia, de Tisbiet: „Sta op, ga omhoog, de boden van de koning van Samaria tegemoet. Zeg tegen hen: ‘Is het omdat er geen Elohim in Israël is dat jullie gaan om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen? Brontekst: וּמַלְאַ֣ךְ (umalakh) = en de engel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֶּר֙ (diber) = sprak | אֶל (el) = tot | אֵלִיָּ֣ה (eliya) = Elia | הַתִּשְׁבִּ֔י (hatishbi) = de Tisbiet | ק֣וּם (qum) = sta op | עֲלֵ֔ה (ale) = ga omhoog | לִקְרַ֖את (liqrat) = om te ontmoeten | מַלְאֲכֵ֣י (malakhei) = de boden van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | שֹׁמְר֑וֹן (shomeron) = Samaria | וְדַבֵּ֣ר (vedaber) = en spreek | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | הַֽמִבְּלִ֤י (hamibeli) = is het omdat | אֵין (ein) = er niet is | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | הֹֽלְכִ֔ים (holekhim) = gaan | לִדְרֹ֕שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | בְּבַ֥עַל (bevaal) = bij Baäl | זְב֖וּב (zevuv) = Zebub | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de god van | עֶקְרֽוֹן (eqron) = Ekron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tisbe (ligging onzeker): Elia kwam uit Tisbe, in of bij Gilead. De precieze plaats is niet bekend. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: De engel van Yahweh geeft Elia hier een opdracht. Wij vertalen ‘de engel van Yahweh’ neutraal; zijn woorden staan zwart. Zie ook 1 Kon. 19:5–7. Voetnoot : הַתִּשְׁבִּי (hattishbi), ‘de Tisbiet’: zie 1 Kon. 17:1. Voetnoot : De vraag ‘Is het omdat er geen Elohim in Israël is?’ gaat over de ontrouw van de koning. Hij vraagt een vreemde god om raad, terwijl Israël Yahweh heeft. Vergelijk 1 Kon. 22:52–54. Zie ook: Ps 76:2; 1 Kon 17:1; 1 Kon 19:5–7; 1 Kon 22:52–54; Jona 2:9; Jer 2:11–13; Hand 12:7–11 **1:4** Daarom, zo zegt Yahweh: Van het bed waarop je bent geklommen, zul je niet afkomen, want je zult zeker sterven.’” Elia ging weg. Brontekst: וְלָכֵן֙ (velakhen) = en daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַמִּטָּ֞ה (hamita) = het bed | אֲשֶׁר (asher) = waarop | עָלִ֥יתָ (alita) = je bent geklommen | שָּׁ֛ם (sham) = daar | לֹֽא (lo) = niet | תֵרֵ֥ד (tered) = zul je afkomen | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = daarvan | כִּ֣י (ki) = want | מ֣וֹת (mot) = de dood | תָּמ֑וּת (tamut) = zul je sterven | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֵלִיָּֽה (eliya) = Elia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers geeft de engel Elia de boodschap voor de koning mee. Daarom staat ‘zo zegt Yahweh’ binnen de woorden van de engel. Voetnoot : מוֹת תָּמוּת (mot tamut), ‘je zult zeker sterven’: letterlijk ‘sterven zul je sterven’. Het herhaalde werkwoord maakt de uitspraak sterk. Zie ook: Gen 2:17; Gen 3:4; 1 Sam 28:19; Spr 11:19; Ezech 18:4 **1:5** De boden keerden terug naar hem. Hij zei tegen hen: „Waarom zijn jullie teruggekomen?” Brontekst: וַיָּשׁ֥וּבוּ (vayashuvu) = en keerden terug | הַמַּלְאָכִ֖ים (hamalakhim) = de boden | אֵלָ֑יו (elav) = naar hem | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tegen hen | מַה (ma) = waarom | זֶּ֥ה (ze) = dit | שַׁבְתֶּֽם (shavtem) = jullie zijn teruggekeerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:6** Zij zeiden tegen hem: „Een man kwam ons tegemoet. Hij zei tegen ons: ‘Ga, keer terug naar de koning die jullie gestuurd heeft. Zeg tegen hem: Zo zegt Yahweh: Is het omdat er geen Elohim in Israël is dat jij boden stuurt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen? Daarom zul je van het bed waarop je bent geklommen niet afkomen, want je zult zeker sterven.’” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | אִ֣ישׁ (ish) = een man | עָלָ֣ה (ala) = kwam omhoog | לִקְרָאתֵ֗נוּ (liqratenu) = ons tegemoet | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלֵינוּ֮ (eleinu) = tot ons | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | שׁוּבוּ֮ (shuvu) = keert terug | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֣ח (shalach) = stuurde | אֶתְכֶם֒ (etkhem) = jullie | וְדִבַּרְתֶּ֣ם (vedibartem) = en jullie zullen spreken | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַֽמִבְּלִ֤י (hamibeli) = is het omdat | אֵין (ein) = er niet is | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שֹׁלֵ֔חַ (sholeach) = stuurt | לִדְרֹ֕שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | בְּבַ֥עַל (bevaal) = bij Baäl | זְב֖וּב (zevuv) = Zebub | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de god van | עֶקְר֑וֹן (eqron) = Ekron | לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | הַמִּטָּ֞ה (hamita) = het bed | אֲשֶׁר (asher) = waarop | עָלִ֥יתָ (alita) = je bent geklommen | שָּׁ֛ם (sham) = daar | לֹֽא (lo) = niet | תֵרֵ֥ד (tered) = zul je afkomen | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = daarvan | כִּֽי (ki) = want | מ֥וֹת (mot) = de dood | תָּמֽוּת (tamut) = zul je sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: Dit vers bevat een boodschap in een boodschap. De boden vertellen wat de man (Elia) zei, en Elia herhaalt wat Yahweh hem had opgedragen. Wij zetten de woorden van Elia tussen enkele aanhalingstekens. Wat Elia namens Yahweh zegt (‘Zo zegt Yahweh …’) laten wij zonder extra tekens volgen. Zie ook: 1 Kron 10:13–14; Ps 16:4; 2 Kon 1:2–4; Jes 41:22–23 **1:7** Hij zei tegen hen: „Hoe zag de man eruit die jullie tegemoet kwam en deze woorden tegen jullie sprak?” Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | מֶ֚ה (me) = wat | מִשְׁפַּ֣ט (mishpat) = de wijze van | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָלָ֖ה (ala) = kwam omhoog | לִקְרַאתְכֶ֑ם (liqratkhem) = jullie tegemoet | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = tot jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), ‘wijze’: dit woord is elders ‘recht’. Hier gaat het om hoe de man was, dus zijn uiterlijk en kleding. Wij vertalen ‘hoe zag hij eruit’. Zie ook: Re 8:18; 1 Sam 28:14 **1:8** Zij zeiden tegen hem: „Een harige man. Om zijn heupen was een leren gordel gebonden.” Hij zei: „Het is Elia, de Tisbiet.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | אִ֚ישׁ (ish) = een man | בַּ֣עַל (baal) = bezitter van | שֵׂעָ֔ר (sear) = haar | וְאֵז֥וֹר (veezor) = en een gordel van | ע֖וֹר (or) = leer | אָז֣וּר (azur) = omgord | בְּמָתְנָ֑יו (bematenav) = om zijn heupen | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en hij zei | אֵלִיָּ֥ה (eliya) = Elia | הַתִּשְׁבִּ֖י (hatishbi) = de Tisbiet | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tisbe (ligging onzeker): Elia kwam uit Tisbe, in of bij Gilead. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: בַּעַל שֵׂעָר (ba’al se’ar), ‘harige man’: letterlijk ‘bezitter van haar’. Het kan een man met veel lichaamshaar zijn, of een man in een kleed van haar (vergelijk Gen. 25:25). Het Hebreeuws kiest niet. Wij houden ‘harige man’. Voetnoot : אֵזוֹר (ezor), ‘gordel’, en עוֹר (or), ‘leer’: een leren gordel om de heupen. Zie ook: Gen 25:25; Jes 20:2; Zach 13:4; Mat 3:4; Mar 1:6; Openb 11:3 ### Vuur uit de hemel **1:9** Hij stuurde een aanvoerder van vijftig naar hem toe, met zijn vijftig man. Die ging naar hem omhoog. En zie, hij zat boven op de berg. De aanvoerder zei tegen hem: „Man van Elohim, de koning heeft gesproken: Kom naar beneden.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en hij stuurde | אֵלָ֛יו (elav) = naar hem | שַׂר (sar) = een aanvoerder van | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftig | וַחֲמִשָּׁ֑יו (vachamishav) = en zijn vijftig | וַיַּ֣עַל (vayaal) = en hij ging omhoog | אֵלָ֗יו (elav) = naar hem | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | יֹשֵׁב֙ (yoshev) = zittend | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de top van | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אִ֚ישׁ (ish) = man van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | דִּבֶּ֖ר (diber) = heeft gesproken | רֵֽדָה (reda) = kom naar beneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt de berg niet. De ligging is onzeker. Voetnoot : אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een titel voor een profeet (zoals 1 Kon. 17:18). De aanvoerder gebruikt de titel, maar geeft een bevel in de naam van de koning: דִּבֶּר (dibber), ‘heeft gesproken’. Voetnoot : שַׂר חֲמִשִּׁים (sar chamishim), ‘aanvoerder van vijftig’: de leider van een groep van vijftig soldaten. Zie ook: 1 Kon 17:18; 1 Kon 22:26–27; 2 Kon 6:13–14; Mar 15:32; Luc 6:11–12; Heb 11:36 **1:10** Elia antwoordde en zei tegen de aanvoerder van de vijftig: „Als ik een man van Elohim ben, laat dan vuur uit de hemel neerdalen. Laat het jou en je vijftig man verteren.” Toen daalde vuur uit de hemel neer en verteerde hem en zijn vijftig man. Brontekst: וַיַּעֲנֶ֣ה (vayaane) = en antwoordde | אֵלִיָּ֗הוּ (eliyahu) = Elia | וַיְדַבֵּר֮ (vaydaber) = en sprak | אֶל (el) = tot | שַׂ֣ר (sar) = de aanvoerder van | הַחֲמִשִּׁים֒ (hachamishim) = de vijftig | וְאִם (veim) = en als | אִ֤ישׁ (ish) = man van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אָ֔נִי (ani) = ik | תֵּ֤רֶד (tered) = laat neerdalen | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְתֹאכַ֥ל (vetokhal) = en verteer | אֹתְךָ֖ (otekha) = jou | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמִשֶּׁ֑יךָ (chamisheikha) = je vijftig | וַתֵּ֤רֶד (vatered) = en daalde neer | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַתֹּ֥אכַל (vatokhal) = en verteerde | אֹת֖וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמִשָּֽׁיו (chamishav) = zijn vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elia zegt ‘man van Elohim’ (אִישׁ אֱלֹהִים, zonder lidwoord) en laat de uitkomst aan Elohim over. Vuur uit de hemel komt ook voor in 1 Kon. 18:38, Lev. 10:2 en Num. 16:35. Zie ook: Lev 10:2; Num 16:35; Ps 106:18; 1 Kon 18:36–38; 1 Kon 18:38; Dan 3:22; Dan 3:25; Luc 9:54 **1:11** Hij stuurde opnieuw een andere aanvoerder van vijftig naar hem toe, met zijn vijftig man. Die antwoordde en zei tegen hem: „Man van Elohim, zo zegt de koning: Kom snel naar beneden.” Brontekst: וַיָּ֜שָׁב (vayashav) = en keerde terug | וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en stuurde | אֵלָ֛יו (elav) = naar hem | שַׂר (sar) = een aanvoerder van | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אַחֵ֖ר (acher) = een andere | וַחֲמִשָּׁ֑יו (vachamishav) = en zijn vijftig | וַיַּ֨עַן֙ (vayaan) = en antwoordde | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אִ֚ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מְהֵרָ֥ה (mehera) = snel | רֵֽדָה (reda) = kom naar beneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 17:6; 1 Sam 6:9; 1 Sam 22:17–19; Spr 29:12; Hand 4:16–17 **1:12** Elia antwoordde en zei tegen hen: „Als ik een man van Elohim ben, laat dan vuur uit de hemel neerdalen. Laat het jou en je vijftig man verteren.” Toen daalde vuur van Elohim uit de hemel neer en verteerde hem en zijn vijftig man. Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en antwoordde | אֵלִיָּה֮ (eliya) = Elia | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | אֲלֵיהֶם֒ (aleihem) = tot hen | אִם (im) = als | אִ֤ישׁ (ish) = man van | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = de Elohim | אָ֔נִי (ani) = ik | תֵּ֤רֶד (tered) = laat neerdalen | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְתֹאכַ֥ל (vetokhal) = en verteer | אֹתְךָ֖ (otekha) = jou | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמִשֶּׁ֑יךָ (chamisheikha) = je vijftig | וַתֵּ֤רֶד (vatered) = en daalde neer | אֵשׁ (esh) = vuur van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַתֹּ֥אכַל (vatokhal) = en verteerde | אֹת֖וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמִשָּֽׁיו (chamishav) = zijn vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵשׁ אֱלֹהִים (esh Elohim), ‘vuur van Elohim’: in vers 10 staat alleen ‘vuur’. Nu wordt duidelijk dat het uit de hand van Elohim komt. Zie ook: 2 Kon 1:9–10; 2 Kon 1:10 **1:13** Hij stuurde opnieuw een derde aanvoerder van vijftig, met zijn vijftig man. De derde aanvoerder van vijftig ging omhoog en kwam. Hij knielde voor Elia en smeekte hem. Hij zei tegen hem: „Man van Elohim, laat toch mijn ziel en de ziel van uw dienaren, deze vijftig, kostbaar zijn in uw ogen. Brontekst: וַיָּ֗שָׁב (vayashav) = en keerde terug | וַיִּשְׁלַ֛ח (vayishlach) = en stuurde | שַׂר (sar) = een aanvoerder van | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | שְׁלִשִׁ֖ים (shelishim) = een derde | וַחֲמִשָּׁ֑יו (vachamishav) = en zijn vijftig | וַיַּ֡עַל (vayaal) = en ging omhoog | וַיָּבֹא֩ (vayavo) = en kwam | שַׂר (sar) = de aanvoerder van | הַחֲמִשִּׁ֨ים (hachamishim) = de vijftig | הַשְּׁלִישִׁ֜י (hashelishi) = de derde | וַיִּכְרַ֥ע (vayikhra) = en knielde | עַל (al) = op | בִּרְכָּ֣יו (birkav) = zijn knieën | לְנֶ֣גֶד (leneged) = voor | אֵלִיָּ֗הוּ (eliyahu) = Elia | וַיִּתְחַנֵּ֤ן (vayitchanen) = en smeekte | אֵלָיו֙ (elav) = hem | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אִ֚ישׁ (ish) = man van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | תִּֽיקַר (tiqar) = laat kostbaar zijn | נָ֣א (na) = toch | נַפְשִׁ֗י (nafshi) = mijn ziel | וְנֶ֨פֶשׁ (venefesh) = en de ziel van | עֲבָדֶ֥יךָֽ (avadeikha) = uw dienaren | אֵ֛לֶּה (ele) = deze | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftig | בְּעֵינֶֽיךָ (beeineikha) = in uw ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven van een mens. ‘Mijn ziel’ betekent ook ‘ik zelf’. תִּיקַר (tiyqar), ‘kostbaar zijn’: de aanvoerder smeekt om gespaard te worden. Zie ook: Ex 11:8; 1 Sam 26:21; Ps 72:14; Jes 1:5; Jak 4:7 **1:14** Zie, vuur is uit de hemel neergedaald en heeft de twee eerste aanvoerders van vijftig verteerd, met hun vijftig man. Laat nu mijn ziel kostbaar zijn in uw ogen.” Brontekst: הִ֠נֵּה (hine) = zie | יָ֤רְדָה (yareda) = is neergedaald | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַ֠תֹּאכַל (vatokhal) = en verteerde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֞י (shenei) = de twee | שָׂרֵ֧י (sarei) = aanvoerders van | הַחֲמִשִּׁ֛ים (hachamishim) = de vijftig | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eersten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמִשֵּׁיהֶ֑ם (chamisheihem) = hun vijftig | וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | תִּיקַ֥ר (tiqar) = laat kostbaar zijn | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | בְּעֵינֶֽיךָ (beeineikha) = in uw ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 26:24; Ps 116:15; Spr 6:26; Mat 16:25–26; Hand 20:24 ### Elia gaat naar de koning **1:15** De engel van Yahweh sprak tot Elia: „Ga met hem naar beneden. Wees niet bang voor hem.” Hij stond op en ging met hem naar beneden, naar de koning. Brontekst: וַיְדַבֵּ֞ר (vaydaber) = en sprak | מַלְאַ֤ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | אֵ֣לִיָּ֔הוּ (eliyahu) = Elia | רֵ֣ד (red) = ga naar beneden | אוֹת֔וֹ (oto) = met hem | אַל (al) = niet | תִּירָ֖א (tira) = wees bang | מִפָּנָ֑יו (mipanav) = voor hem | וַיָּ֛קָם (vayaqam) = en hij stond op | וַיֵּ֥רֶד (vayered) = en ging naar beneden | אוֹת֖וֹ (oto) = met hem | אֶל (el) = naar | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De engel van Yahweh spreekt hier weer tot Elia. Wij laten zijn woorden zwart. Vergelijk ‘wees niet bang’ in Gen. 15:1. Zie ook: Gen 15:1; 2 Kon 1:3; Jes 51:12; Jer 1:17; Ezech 2:6; Mat 10:28 **1:16** Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Omdat je boden hebt gestuurd om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen: is er dan geen Elohim in Israël om Zijn woord te raadplegen? Daarom zul je van het bed waarop je bent geklommen niet afkomen, want je zult zeker sterven.’” Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en hij sprak | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֜עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁלַ֣חְתָּ (shalachta) = je hebt gestuurd | מַלְאָכִים֮ (malakhim) = boden | לִדְרֹשׁ֮ (lidrosh) = om te raadplegen | בְּבַ֣עַל (bevaal) = bij Baäl | זְבוּב֮ (zevuv) = Zebub | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de god van | עֶקְרוֹן֒ (eqron) = Ekron | הַֽמִבְּלִ֤י (hamibeli) = is het omdat | אֵין (ein) = er niet is | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | לִדְרֹ֖שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | בִּדְבָר֑וֹ (bidvaro) = in Zijn woord | לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | הַמִּטָּ֞ה (hamita) = het bed | אֲשֶׁר (asher) = waarop | עָלִ֥יתָ (alita) = je bent geklommen | שָּׁ֛ם (sham) = daar | לֹֽא (lo) = niet | תֵרֵ֥ד (tered) = zul je afkomen | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = daarvan | כִּֽי (ki) = want | מ֥וֹת (mot) = de dood | תָּמֽוּת (tamut) = zul je sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: Elia herhaalt woordelijk wat de engel in de verzen 3–4 zei, nu rechtstreeks tegen de koning. Voetnoot : בִּדְבָרוֹ (bidvaro), ‘Zijn woord’: het woord van de Elohim van Israël. Wij schrijven daarom ‘Zijn’ met een hoofdletter. Zie ook: Ex 4:22–23; Ps 132:3; 1 Kon 21:18–24; 2 Kon 1:2–4; 2 Kon 5:21 ### De dood van Achazia **1:17** Hij stierf, naar het woord van Yahweh dat Elia gesproken had. Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, koning van Juda. Want Achazia had geen zoon. Brontekst: וַיָּ֜מָת (vayamat) = en hij stierf | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak | אֵלִיָּ֗הוּ (eliyahu) = Elia | וַיִּמְלֹ֤ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יְהוֹרָם֙ (yehoram) = Joram | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar | שְׁתַּ֔יִם (shetayim) = twee | לִיהוֹרָ֥ם (lihoram) = van Joram | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | כִּ֛י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | הָ֥יָה (haya) = was | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בֵּֽן (ben) = een zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹרָם (Yehoram), ‘Joram’: zowel de nieuwe koning van Israël (de broer van Achazia, zoon van Achab) als de koning van Juda (zoon van Josafat) heet zo. Wij schrijven in beide gevallen ‘Joram’. Voetnoot Lezing: De jaartallen in Koningen verschillen hier. Hier staat het tweede jaar van Joram van Juda. In 2 Kon. 3:1 staat het achttiende jaar van Josafat. Sommige oude vertalingen hebben hier een ander jaartal. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 22:52; 2 Kon 3:1; 2 Kon 8:16–17 **1:18** De rest van de geschiedenis van Achazia, wat hij gedaan heeft: staat dat niet opgeschreven in het dagboek van de koningen van Israël? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | אֲחַזְיָ֖הוּ (achazyahu) = Achazia | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הֲלֽוֹא (halo) = is het niet | הֵ֣מָּה (hema) = zij | כְתוּבִ֗ים (ketuvim) = opgeschreven | עַל (al) = in | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחַזְיָהוּ (Achazjahu), ‘Achazia’: dit is een langere vorm van dezelfde naam (zie vers 2). Voetnoot : סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayyamim), ‘dagboek’: letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’. Zie bij 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 14:19; 1 Kon 22:39; 2 Kon 1:2 ## 2 Koningen 2 _Elia wordt opgenomen en Elisa neemt zijn plaats in_ ### Van Gilgal naar de Jordaan **2:1** Toen Yahweh Elia in een stormwind naar de hemel zou laten opstijgen, gingen Elia en Elisa weg uit Gilgal. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בְּהַעֲל֤וֹת (behaalot) = bij het opstijgen van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֣לִיָּ֔הוּ (eliyahu) = Elia | בַּֽסְעָרָ֖ה (basara) = in een stormwind | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = naar de hemel | וַיֵּ֧לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֵלִיָּ֛הוּ (eliyahu) = Elia | וֶאֱלִישָׁ֖ע (veelisha) = en Elisa | מִן (min) = van | הַגִּלְגָּֽל (hagilgal) = Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is. Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19). Dit is niet zeker. Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Welk Gilgal hier bedoeld wordt, is onzeker. Het kan het Gilgal bij Jericho zijn (Joz. 4:19), maar in vers 2 gaan zij ‘af’ naar Betel, en dat past beter bij een Gilgal hoger in het bergland. De ligging is onzeker. Voetnoot : סְעָרָה (se’arah), ‘stormwind’: een sterke wind. Het woord staat ook in vers 11. Zie ook: Gen 5:24; Joz 4:19; Joz 5:9; 1 Kon 19:11; 1 Kon 19:16–21; 2 Kon 2:2; 2 Kon 2:11; Heb 11:5 **2:2** Elia zei tegen Elisa: „Blijf toch hier, want Yahweh heeft mij naar Betel gestuurd.” Elisa zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft: ik zal u niet verlaten.” Zij gingen af naar Betel. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | אֵלִיָּ֨הוּ (eliyahu) = Elia | אֶל (el) = tot | אֱלִישָׁ֜ע (elisha) = Elisa | שֵֽׁב (shev) = blijf | נָ֣א (na) = toch | פֹ֗ה (po) = hier | כִּ֤י (ki) = want | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | עַד (ad) = tot | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֔ל (el) = El | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | וְחֵֽי (vechei) = en levend is | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = uw ziel | אִם (im) = als | אֶעֶזְבֶ֑ךָּ (eezveka) = ik u verlaat | וַיֵּרְד֖וּ (vayeredu) = en zij gingen af | בֵּֽית (beit) = naar Bet | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Betel ligt bij Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever. Dat is waarschijnlijk. Zie ook Gen. 28:19. Voetnoot : חַי יְהוָה וְחֵי נַפְשְׁךָ (chai Yahweh vechei nafshekha), ‘zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft’: een eed. Zie ook 1 Sam. 17:55. Voetnoot : Elia zegt in de verzen 2, 4 en 6 telkens ‘blijf toch hier’. Elisa antwoordt telkens met dezelfde eed. Zie ook: Gen 28:19; Ruth 1:15–18; 1 Sam 1:26; 1 Sam 17:55; 2 Kon 2:6; 2 Kon 4:30; Joh 6:67–68 **2:3** De zonen van de profeten die in Betel waren, kwamen naar Elisa toe. Zij zeiden tegen hem: „Weet je dat Yahweh vandaag je heer van boven je hoofd wegneemt?” Hij zei: „Ook ik weet het. Zwijg.” Brontekst: וַיֵּצְא֨וּ (vayetseu) = en gingen uit | בְנֵֽי (benei) = zonen van | הַנְּבִיאִ֥ים (haneviim) = de profeten | אֲשֶׁר (asher) = die | בֵּֽית (beit) = in Bet | אֵל֮ (el) = El | אֶל (el) = naar | אֱלִישָׁע֒ (elisha) = Elisa | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | הֲיָדַ֕עְתָּ (hayadata) = weet je | כִּ֣י (ki) = dat | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לֹקֵ֥חַ (loqeach) = wegneemt | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנֶ֖יךָ (adoneikha) = je heer | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | רֹאשֶׁ֑ךָ (roshekha) = je hoofd | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | גַּם (gam) = ook | אֲנִ֥י (ani) = ik | יָדַ֖עְתִּי (yadati) = ik weet het | הֶחֱשֽׁוּ (hecheshu) = zwijgt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הַנְּבִיאִים (bnei hanevi’im), ‘zonen van de profeten’: leerlingen of leden van een groep van profeten. Zie ook 1 Kon. 20:35. Voetnoot : לֹקֵחַ (loqeach), ‘wegnemen’: hetzelfde werkwoord als bij Henoch in Gen. 5:24. Voetnoot : מֵעַל רֹאשֶׁךָ (me’al roshekha), ‘van boven je hoofd’: letterlijk. Het Hebreeuws zegt niet waarom zij het zo uitdrukken. Voetnoot : הֶחֱשׁוּ (hechesu), ‘zwijg’: Elisa wil er niet over praten. Zie ook: Gen 5:24; 1 Kon 20:35; 2 Kon 2:7; 2 Kon 4:1; 2 Kon 4:38; 2 Kon 9:1 **2:4** Elia zei tegen hem: „Elisa, blijf toch hier, want Yahweh heeft mij naar Jericho gestuurd.” Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft: ik zal u niet verlaten.” Zij kwamen in Jericho. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | ל֨וֹ (lo) = tot hem | אֵלִיָּ֜הוּ (eliyahu) = Elia | אֱלִישָׁ֣ע (elisha) = Elisa | שֵֽׁב (shev) = blijf | נָ֣א (na) = toch | פֹ֗ה (po) = hier | כִּ֤י (ki) = want | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | יְרִיח֔וֹ (yericho) = naar Jericho | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | וְחֵֽי (vechei) = en levend is | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = uw ziel | אִם (im) = als | אֶעֶזְבֶ֑ךָּ (eezveka) = ik u verlaat | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | יְרִיחֽוֹ (yericho) = in Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Jericho ligt bij Tel es-Sultan, in de Jordaanvallei, op de Westelijke Jordaanoever. Dat is zeker. Het werd in de dagen van Achab herbouwd (1 Kon. 16:34). Zie ook: Joz 6:26; 1 Kon 16:34; 2 Kon 2:2; 2 Kon 4:30; Luc 19:1 **2:5** De zonen van de profeten die in Jericho waren, kwamen dichter bij Elisa. Zij zeiden tegen hem: „Weet je dat Yahweh vandaag je heer van boven je hoofd wegneemt?” Hij zei: „Ook ik weet het. Zwijg.” Brontekst: וַיִּגְּשׁ֨וּ (vayigeshu) = en kwamen dichterbij | בְנֵֽי (benei) = zonen van | הַנְּבִיאִ֥ים (haneviim) = de profeten | אֲשֶׁר (asher) = die | בִּֽירִיחוֹ֮ (biricho) = in Jericho | אֶל (el) = tot | אֱלִישָׁע֒ (elisha) = Elisa | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | הֲיָדַ֕עְתָּ (hayadata) = weet je | כִּ֣י (ki) = dat | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לֹקֵ֥חַ (loqeach) = wegneemt | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנֶ֖יךָ (adoneikha) = je heer | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | רֹאשֶׁ֑ךָ (roshekha) = je hoofd | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | גַּם (gam) = ook | אֲנִ֥י (ani) = ik | יָדַ֖עְתִּי (yadati) = ik weet het | הֶחֱשֽׁוּ (hecheshu) = zwijgt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: 2 Kon 2:3; Jes 41:1; Hab 2:20; Joh 17:5–7; Hand 1:11 **2:6** Elia zei tegen hem: „Blijf toch hier, want Yahweh heeft mij naar de Jordaan gestuurd.” Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft: ik zal u niet verlaten.” Zij gingen beiden. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | ל֨וֹ (lo) = tot hem | אֵלִיָּ֜הוּ (eliyahu) = Elia | שֵֽׁב (shev) = blijf | נָ֣א (na) = toch | פֹ֗ה (po) = hier | כִּ֤י (ki) = want | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | הַיַּרְדֵּ֔נָה (hayardena) = naar de Jordaan | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | וְחֵֽי (vechei) = en levend is | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = uw ziel | אִם (im) = als | אֶעֶזְבֶ֑ךָּ (eezveka) = ik u verlaat | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = die twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Joz 3:15; 2 Kon 2:2 **2:7** Vijftig man van de zonen van de profeten gingen mee. Zij bleven in de verte staan, tegenover hen. Die twee stonden bij de Jordaan. Brontekst: וַחֲמִשִּׁ֨ים (vachamishim) = en vijftig | אִ֜ישׁ (ish) = man | מִבְּנֵ֤י (mibenei) = van de zonen van | הַנְּבִיאִים֙ (haneviim) = de profeten | הָֽלְכ֔וּ (halekhu) = gingen | וַיַּעַמְד֥וּ (vayaamdu) = en bleven staan | מִנֶּ֖גֶד (mineged) = tegenover | מֵרָח֑וֹק (merachoq) = in de verte | וּשְׁנֵיהֶ֖ם (usheneihem) = en die twee | עָמְד֥וּ (amedu) = stonden | עַל (al) = bij | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: מִנֶּגֶד (minneged), ‘tegenover’: in het zicht. מֵרָחוֹק (merachoq), ‘in de verte’. Zie ook: 1 Kon 18:4; 1 Kon 18:13; 2 Kon 2:17 **2:8** Elia nam zijn mantel, rolde hem op en sloeg op het water. Het water verdeelde zich naar hier en naar daar, en die twee staken over op droog land. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en nam | אֵלִיָּ֨הוּ (eliyahu) = Elia | אֶת (et) = (obj.) | אַדַּרְתּ֤וֹ (adarto) = zijn mantel | וַיִּגְלֹם֙ (vayiglom) = en rolde hem op | וַיַּכֶּ֣ה (vayake) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וַיֵּחָצ֖וּ (vayechatsu) = en het verdeelde zich | הֵ֣נָּה (hena) = hierheen | וָהֵ֑נָּה (vahena) = en daarheen | וַיַּעַבְר֥וּ (vayaavru) = en staken over | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = die twee | בֶּחָרָבָֽה (becharava) = op droog land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַדֶּרֶת (adderet), ‘mantel’: een wijde bovenmantel. Zie ook 1 Kon. 19:13, 19. Voetnoot : וַיִּגְלֹם (vayyiglom), ‘rolde hem op’: een zeldzaam werkwoord. Elia rolt de mantel op, zodat hij als een staf kan slaan. Voetnoot : Het water dat zich verdeelt, doet denken aan Exod. 14:21–22 en Joz. 3:15–17. Zie ook: Ex 14:21–22; Joz 3:14–17; Joz 3:15–17; Ps 114:5–7; 1 Kon 19:13; 1 Kon 19:19; 2 Kon 2:14 ### Het verzoek van Elisa **2:9** Toen zij overgestoken waren, zei Elia tegen Elisa: „Vraag wat ik voor je moet doen, voordat ik van je weg word genomen.” Elisa zei: „Laat toch een dubbel deel van uw geest op mij zijn.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְעָבְרָ֗ם (keaveram) = bij hun oversteek | וְאֵ֨לִיָּ֜הוּ (veeliyahu) = en Elia | אָמַ֤ר (amar) = zei | אֶל (el) = tot | אֱלִישָׁע֙ (elisha) = Elisa | שְׁאַל֙ (sheal) = vraag | מָ֣ה (ma) = wat | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = ik zal doen | לָּ֔ךְ (lakh) = voor je | בְּטֶ֖רֶם (beterem) = voordat | אֶלָּקַ֣ח (elaqach) = ik word weggenomen | מֵעִמָּ֑ךְ (meimakh) = van bij je | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | וִֽיהִי (vihi) = laat zijn | נָ֛א (na) = toch | פִּֽי (pi) = een mond van | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | בְּרוּחֲךָ֖ (beruchakha) = in uw geest | אֵלָֽי (elay) = op mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּי שְׁנַיִם (pi shnayim), ‘dubbel deel’: letterlijk ‘mond van twee’. Zo heet het deel van de oudste zoon in de erfenis (Deut. 21:17). Elisa vraagt dus om de plaats van de erfgenaam van Elia. Daarbij past ‘mijn vader’ in vers 12. Voetnoot : רוּחַ (ruach), ‘geest’: ook ‘wind’ of ‘adem’. Hier vertalen wij ‘geest’. Zie ook: Num 11:17; Num 11:25; Deut 21:17; 2 Kon 2:12; Joh 16:7; Hand 20:25–36 **2:10** Hij zei: „Je hebt iets moeilijks gevraagd. Als je mij ziet terwijl ik van je word weggenomen, zal het zo voor je zijn. Zo niet, dan zal het niet zo zijn.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִקְשִׁ֣יתָ (hiqshita) = je hebt iets moeilijks gevraagd | לִשְׁא֑וֹל (lishol) = om te vragen | אִם (im) = als | תִּרְאֶ֨ה (tire) = je ziet | אֹתִ֜י (oti) = mij | לֻקָּ֤ח (luqach) = weggenomen | מֵֽאִתָּךְ֙ (meitakh) = van bij je | יְהִֽי (yehi) = zal zijn | לְךָ֣ (lekha) = voor je | כֵ֔ן (ken) = zo | וְאִם (veim) = en als | אַ֖יִן (ayin) = niet | לֹ֥א (lo) = niet | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִקְשִׁיתָ לִשְׁאוֹל (hiqshita lish’ol), ‘je hebt iets moeilijks gevraagd’: letterlijk ‘je hebt het hard gemaakt om te vragen’. Elia kan dit niet zelf geven. Het teken is dat Elisa hem ziet worden weggenomen. Zie ook: 2 Kon 2:12; Mar 11:22–24; Joh 16:24; Hand 1:9–10 ### Elia wordt opgenomen **2:11** Terwijl zij doorliepen en praatten, zie, daar waren een wagen van vuur en paarden van vuur. Die scheidden de twee van elkaar. Elia steeg in een stormwind op naar de hemel. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | הֵ֣מָּה (hema) = zij | הֹלְכִ֤ים (holekhim) = gaand | הָלוֹךְ֙ (halokh) = gaan | וְדַבֵּ֔ר (vedaber) = en pratend | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | רֶֽכֶב (rekhev) = een wagen van | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | וְס֣וּסֵי (vesusei) = en paarden van | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | וַיַּפְרִ֖דוּ (vayafridu) = en zij scheidden | בֵּ֣ין (bein) = tussen | שְׁנֵיהֶ֑ם (sheneihem) = die twee | וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en steeg op | אֵ֣לִיָּ֔הוּ (eliyahu) = Elia | בַּֽסְעָרָ֖ה (basara) = in een stormwind | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = naar de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶכֶב אֵשׁ וְסוּסֵי אֵשׁ (rekhev esh vesusei esh), ‘een wagen van vuur en paarden van vuur’. Elia wordt opgenomen zonder te sterven, zoals Henoch in Gen. 5:24. Zie ook: Gen 5:24; Ps 68:18; Ps 104:3–4; 2 Kon 6:17; Ezech 1:4–28; Heb 1:14 **2:12** Elisa zag het en riep: „Mijn vader, mijn vader! De wagen van Israël en zijn ruiters!” Hij zag hem niet meer. Hij greep zijn kleren vast en scheurde ze in twee stukken. Brontekst: וֶאֱלִישָׁ֣ע (veelisha) = en Elisa | רֹאֶ֗ה (roe) = ziet | וְה֤וּא (vehu) = en hij | מְצַעֵק֙ (metsaeq) = roept | אָבִ֣י (avi) = mijn vader | אָבִ֗י (avi) = mijn vader | רֶ֤כֶב (rekhev) = wagen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וּפָ֣רָשָׁ֔יו (ufarashav) = en zijn ruiters | וְלֹ֥א (velo) = en niet | רָאָ֖הוּ (raahu) = zag hij hem | ע֑וֹד (od) = meer | וַֽיַּחֲזֵק֙ (vayachazeq) = en greep vast | בִּבְגָדָ֔יו (bivgadav) = zijn kleren | וַיִּקְרָעֵ֖ם (vayiqraem) = en scheurde ze | לִשְׁנַ֥יִם (lishnayim) = in twee | קְרָעִֽים (qeraim) = stukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִי אָבִי (avi avi), ‘mijn vader, mijn vader’: de aanspreking van een leerling voor zijn leraar. רֶכֶב יִשְׂרָאֵל וּפָרָשָׁיו (rekhev Yisra’el ufarashav), ‘de wagen van Israël en zijn ruiters’: Elia was voor Israël als een heel leger. Koning Joas zegt dezelfde woorden over Elisa in 2 Kon. 13:14. Voetnoot : Het scheuren van de kleren is een teken van rouw. Zie ook: Spr 30:4; 2 Kon 13:14; Jes 37:15; Joh 3:13; 2 Kor 5:4 ### Elisa neemt de mantel over **2:13** Hij raapte de mantel van Elia op, die van hem was gevallen. Hij keerde terug en bleef aan de oever van de Jordaan staan. Brontekst: וַיָּ֨רֶם֙ (vayarem) = en raapte op | אֶת (et) = (obj.) | אַדֶּ֣רֶת (aderet) = de mantel van | אֵלִיָּ֔הוּ (eliyahu) = Elia | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָפְלָ֖ה (nafela) = was gevallen | מֵעָלָ֑יו (mealav) = van hem af | וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en keerde terug | וַֽיַּעֲמֹ֖ד (vayaamod) = en bleef staan | עַל (al) = aan | שְׂפַ֥ת (sefat) = de oever van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Elisa had de mantel van Elia eerder over zich heen gekregen (1 Kon. 19:19). Nu neemt hij hem zelf op. Zie ook: 1 Kon 9:26; 1 Kon 19:19; 2 Kon 2:8 **2:14** Hij nam de mantel van Elia, die van hem was gevallen, en sloeg op het water. Hij zei: „Waar is Yahweh, de Elohim van Elia?” Ook hij sloeg op het water. Het water verdeelde zich naar hier en naar daar, en Elisa stak over. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | אַדֶּ֨רֶת (aderet) = de mantel van | אֵלִיָּ֜הוּ (eliyahu) = Elia | אֲשֶׁר (asher) = die | נָפְלָ֤ה (nafela) = was gevallen | מֵֽעָלָיו֙ (mealav) = van hem af | וַיַּכֶּ֣ה (vayake) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en zei | אַיֵּ֕ה (aye) = waar is | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֵלִיָּ֑הוּ (eliyahu) = Elia | אַף (af) = ook | ה֣וּא (hu) = hij | וַיַּכֶּ֣ה (vayake) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֗יִם (hamayim) = het water | וַיֵּֽחָצוּ֙ (vayechatsu) = en het verdeelde zich | הֵ֣נָּה (hena) = hierheen | וָהֵ֔נָּה (vahena) = en daarheen | וַֽיַּעֲבֹ֖ר (vayaavor) = en stak over | אֱלִישָֽׁע (elisha) = Elisa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אַף הוּא (af hu), ‘ook hij’: wij lezen dit als ‘ook hij (Elisa) sloeg op het water’, zoals Elia deed. Sommigen lezen ‘ook Hij’ bij de vraag ervoor: ‘Waar is Yahweh, de Elohim van Elia, ook Hij?’ Zie ook: Joz 1:1–9; Ps 42:11; Ps 115:2; Joh 14:12; Hand 3:12–13 ### De zonen van de profeten zoeken Elia **2:15** De zonen van de profeten die in Jericho waren, zagen hem van een afstand. Zij zeiden: „De geest van Elia rust op Elisa.” Zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem neer, tot op de grond. Brontekst: וַיִּרְאֻ֨הוּ (vayiruhu) = en zagen hem | בְנֵֽי (benei) = zonen van | הַנְּבִיאִ֤ים (haneviim) = de profeten | אֲשֶׁר (asher) = die | בִּֽירִיחוֹ֙ (biricho) = in Jericho | מִנֶּ֔גֶד (mineged) = van tegenover | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | נָ֛חָה (nacha) = rust | ר֥וּחַ (ruach) = de geest van | אֵלִיָּ֖הוּ (eliyahu) = Elia | עַל (al) = op | אֱלִישָׁ֑ע (elisha) = Elisa | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | לִקְרָאת֔וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַיִּשְׁתַּחֲווּ (vayishtachavu) = en bogen zich neer | ל֖וֹ (lo) = voor hem | אָֽרְצָה (aretsa) = tot de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: רוּחַ אֵלִיָּהוּ (ruach Eliyyahu), ‘de geest van Elia’: zie bij vers 9. נָחָה (nachah), ‘rust’: de geest blijft op hem. Zie ook: 2 Kon 2:7; 2 Kon 2:9; 2 Kon 2:19; Joh 15:26–27; Hand 1:8; 1 Petr 4:14 **2:16** Zij zeiden tegen hem: „Zie toch, er zijn bij uw dienaren vijftig sterke mannen. Laat hen toch gaan en uw heer zoeken. Misschien heeft de Geest van Yahweh hem opgetild en op een van de bergen of in een van de dalen neergeworpen.” Hij zei: „Stuur hen niet.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֡יו (elav) = tot hem | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֣א (na) = toch | יֵֽשׁ (yesh) = er zijn | אֶת (et) = bij | עֲבָדֶיךָ֩ (avadeikha) = uw dienaren | חֲמִשִּׁ֨ים (chamishim) = vijftig | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | חַ֗יִל (chayil) = kracht | יֵ֣לְכוּ (yelekhu) = laat hen gaan | נָא֮ (na) = toch | וִיבַקְשׁ֣וּ (vivaqshu) = en laat hen zoeken | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנֶיךָ֒ (adoneikha) = uw heer | פֶּן (pen) = misschien | נְשָׂאוֹ֙ (nesao) = heeft opgetild | ר֣וּחַ (ruach) = de Geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּשְׁלִכֵ֨הוּ֙ (vayashlikhehu) = en heeft hem geworpen | בְּאַחַ֣ד (beachad) = op één van | הֶהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | א֖וֹ (o) = of | בְּאַחַ֣ת (beachat) = in één van | הַגֵּאָי֑וֹת (hageayot) = de dalen | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁלָֽחוּ (tishlachu) = zult sturen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de Geest van Yahweh’: ruach is ook ‘wind’. Wij vertalen ‘Geest’, zoals in 1 Kon. 18:12. Voetnoot : בְּנֵי חַיִל (bnei chayil), ‘sterke mannen’: letterlijk ‘zonen van kracht’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הגיאות (hagge’iyyot), het qere is הַגֵּאָיוֹת (hagge’ayot). Beide betekenen ‘de dalen’. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 18:12; Ezech 3:14; Ezech 11:24; Ezech 40:2; Hand 8:39 **2:17** Zij drongen bij hem aan, tot hij zich schaamde. Hij zei: „Stuur hen.” Zij stuurden vijftig man. Die zochten drie dagen, maar vonden hem niet. Brontekst: וַיִּפְצְרוּ (vayiftseru) = en zij drongen aan | ב֥וֹ (bo) = bij hem | עַד (ad) = tot | בֹּ֖שׁ (bosh) = schaamte | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁלָ֑חוּ (shelachu) = stuurt | וַֽיִּשְׁלְחוּ֙ (vayishlechu) = en zij stuurden | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אִ֔ישׁ (ish) = man | וַיְבַקְשׁ֥וּ (vayvaqshu) = en zij zochten | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מְצָאֻֽהוּ (metsauhu) = vonden zij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד־בֹּשׁ (ad bosh), ‘tot hij zich schaamde’: letterlijk ‘tot schaamte’. Elisa kon hun aandringen niet langer weigeren. Zie ook: 2 Sam 18:22–23; 2 Kon 8:11; Luc 11:8; Rom 10:2; Heb 11:5 **2:18** Zij kwamen bij hem terug, terwijl hij in Jericho bleef. Hij zei tegen hen: „Heb ik jullie niet gezegd: ga niet?” Brontekst: וַיָּשֻׁ֣בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | וְה֖וּא (vehu) = en hij | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = verblijvend | בִּירִיח֑וֹ (biricho) = in Jericho | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | הֲלֽוֹא (halo) = is het niet | אָמַ֥רְתִּי (amarti) = ik heb gezegd | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tot jullie | אַל (al) = niet | תֵּלֵֽכוּ (telekhu) = gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. ### Het water van Jericho **2:19** De mannen van de stad zeiden tegen Elisa: „Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet. Maar het water is slecht, en het land maakt kinderloos.” Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | אֶל (el) = tot | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֞א (na) = toch | מוֹשַׁ֤ב (moshav) = de ligging van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | ט֔וֹב (tov) = is goed | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | רֹאֶ֑ה (roe) = ziet | וְהַמַּ֥יִם (vehamayim) = maar het water | רָעִ֖ים (raim) = is slecht | וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en het land | מְשַׁכָּֽלֶת (meshakalet) = maakt kinderloos Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹשַׁב (moshav), ‘ligging’: de plek waar men woont. Voetnoot : מְשַׁכֶּלֶת (meshakkelet), ‘maakt kinderloos’: van שָׁכֹל (shakol), ‘zijn kinderen verliezen’. Zie ook Lev. 26:22. Het Hebreeuws zegt niet of het om mensen, vee of oogst gaat. Zie ook: Ex 7:19; Ex 23:26; Lev 26:22; Deut 28:2–4; Deut 28:11; Deut 28:15–18 **2:20** Hij zei: „Haal voor mij een nieuwe schaal en doe er zout in.” Zij brachten die naar hem toe. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | קְחוּ (qechu) = neem | לִי֙ (li) = voor mij | צְלֹחִ֣ית (tselochit) = een schaal | חֲדָשָׁ֔ה (chadasha) = nieuwe | וְשִׂ֥ימוּ (vesimu) = en doe | שָׁ֖ם (sham) = daarin | מֶ֑לַח (melach) = zout | וַיִּקְח֖וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֵלָֽיו (elav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:45; Sef 2:9; Ezech 47:11 **2:21** Hij ging naar de bron van het water en wierp er zout in. Hij zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Ik heb dit water genezen. Er zal van daar geen dood meer komen en geen kinderloosheid.’” Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en hij ging uit | אֶל (el) = naar | מוֹצָ֣א (motsa) = de bron van | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וַיַּשְׁלֶךְ (vayashlekh) = en wierp | שָׁ֖ם (sham) = daarin | מֶ֑לַח (melach) = zout | וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en zei | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | רִפִּ֨אתִי֙ (ripiti) = ik heb genezen | לַמַּ֣יִם (lamayim) = het water | הָאֵ֔לֶּה (haele) = dit | לֹֽא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal komen | מִשָּׁ֛ם (misham) = vanaf daar | ע֖וֹד (od) = meer | מָ֥וֶת (mavet) = dood | וּמְשַׁכָּֽלֶת (umeshakalet) = en kinderloosheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bron van Jericho (Ain es-Sultan): De bron van Jericho is traditioneel Ain es-Sultan, aan de voet van Tel es-Sultan, het oude Jericho. Elisa maakte het water daar gezond. Voetnoot Uitleg: De bron van Jericho wordt traditioneel gezocht bij Ain es-Sultan, aan de voet van Tel es-Sultan. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot : Elisa spreekt hier namens Yahweh: ‘Zo zegt Yahweh’. Zijn woorden staan zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat Elisa Yahweh citeert. Voetnoot : רִפִּאתִי (rippeti), ‘Ik heb genezen’: het werkwoord רָפָא (rafa) voor genezing. Het staat ook in vers 22. Zie ook: Ex 15:25–26; Lev 2:13; 2 Kon 2:22; 2 Kon 4:41; 2 Kon 6:6; Openb 22:2–3 **2:22** Het water werd genezen, tot op deze dag, naar het woord van Elisa dat hij gesproken had. Brontekst: וַיֵּרָפ֣וּ (vayerafu) = en werd genezen | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | אֱלִישָׁ֖ע (elisha) = Elisa | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֵּֽר (diber) = hij sprak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De jongens bij Betel **2:23** Hij ging vandaar omhoog naar Betel. Terwijl hij op de weg omhoog ging, kwamen kleine jongens uit de stad. Zij bespotten hem en zeiden tegen hem: „Ga omhoog, kaalkop! Ga omhoog, kaalkop!” Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en ging omhoog | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | בֵּֽית (beit) = naar Bet | אֵ֑ל (el) = El | וְה֣וּא (vehu) = en hij | עֹלֶ֣ה (ole) = omhoog gaand | בַדֶּ֗רֶךְ (baderekh) = op de weg | וּנְעָרִ֤ים (unearim) = en jongens | קְטַנִּים֙ (qetanim) = kleine | יָצְא֣וּ (yatseu) = kwamen uit | מִן (min) = uit | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיִּתְקַלְּסוּ (vayitqalesu) = en bespotten | בוֹ֙ (bo) = hem | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | עֲלֵ֥ה (ale) = ga omhoog | קֵרֵ֖חַ (qereach) = kale | עֲלֵ֥ה (ale) = ga omhoog | קֵרֵֽחַ (qereach) = kale Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: נְעָרִים קְטַנִּים (ne’arim qetannim), ‘kleine jongens’: een נַעַר (na’ar) is een jongen of een jonge man. קָטָן (qatan) betekent ‘klein’ of ‘jong’. Het Hebreeuws zegt niet hoe oud zij waren. Voetnoot : קֵרֵחַ (qereach), ‘kale’: een man zonder haar op zijn hoofd. Het Hebreeuws zegt niet waarom zij dit riepen. Zie ook: Gen 21:9; Job 19:18; Job 30:1; Spr 22:6; 2 Kron 36:16 **2:24** Hij keerde zich om, keek naar hen en vervloekte hen in de naam van Yahweh. Toen kwamen er twee berinnen uit het bos. Zij scheurden 42 kinderen van hen stuk. Brontekst: וַיִּ֤פֶן (vayifen) = en keerde zich om | אַֽחֲרָיו֙ (acharav) = achter zich | וַיִּרְאֵ֔ם (vayirem) = en zag hen | וַֽיְקַלְלֵ֖ם (vayqallem) = en vervloekte hen | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַתֵּצֶ֨אנָה (vatetsena) = en kwamen uit | שְׁתַּ֤יִם (shetayim) = twee | דֻּבִּים֙ (dubim) = berinnen | מִן (min) = uit | הַיַּ֔עַר (hayaar) = het bos | וַתְּבַקַּ֣עְנָה (vatevaqana) = en scheurden open | מֵהֶ֔ם (mehem) = van hen | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁנֵ֖י (ushenei) = en twee | יְלָדִֽים (yeladim) = kinderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְקַלְלֵם בְּשֵׁם יְהוָה (vayqallelem beshem Yahweh), ‘vervloekte hen in de naam van Yahweh’: hij sprak een vloek over hen uit. Wilde dieren die kinderen wegnemen horen bij de vloeken van het verbond (Lev. 26:22). Voetnoot : יְלָדִים (yeladim), ‘kinderen’: een algemeen woord. ‘Van hen’ verwijst naar de jongens van vers 23. Zie ook: Lev 26:22; 2 Kon 2:23; Amos 7:17; Hos 13:8; Hand 5:5; Hand 5:9; Hand 13:9–11 **2:25** Vandaar ging hij naar de berg Karmel, en van daar keerde hij terug naar Samaria. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = de berg | הַכַּרְמֶ֑ל (hakarmel) = Karmel | וּמִשָּׁ֖ם (umisham) = en vandaar | שָׁ֥ב (shav) = keerde terug | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = naar Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa. De traditionele plek van de ontmoeting van Elia met de profeten van de Baäl is Muhraqa, aan de zuidoostkant. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: De Karmel is een bergrug bij Haifa, in het noordwesten van Israël. Zie ook 1 Kon. 18:19. Zie ook: 1 Kon 18:19–20; 1 Kon 18:42; 2 Kon 4:25 ## 2 Koningen 3 _Joram, Josafat en Elisa tegen Moab_ ### Joram, koning van Israël **3:1** Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda. Hij regeerde 12 jaar. Brontekst: וִיהוֹרָ֣ם (vihoram) = en Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָ֗ב (achav) = Achab | מָלַ֤ךְ (malakh) = werd koning | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן (beshomeron) = in Samaria | בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar | שְׁמֹנֶ֣ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֔ה (esre) = tien | לִיהוֹשָׁפָ֖ט (lihoshafat) = van Josafat | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיִּמְלֹ֖ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | שְׁתֵּים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Samaria: zie 2 Kon. 1:2. Voetnoot Lezing: De jaartallen in de Masoretische tekst passen hier niet op elkaar. Hier wordt Joram van Israël koning in het achttiende jaar van Josafat. In 2 Kon. 1:17 is dat het tweede jaar van Joram van Juda. In 2 Kon. 8:16 wordt Joram van Juda koning in het vijfde jaar van Joram van Israël. Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen elk vers letterlijk. Zie ook: 1 Kon 22:52; 2 Kon 1:2; 2 Kon 1:17; 2 Kon 8:16 **3:2** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh, maar niet zoals zijn vader en zijn moeder. Hij nam de gewijde steen van Baäl weg die zijn vader had gemaakt. Brontekst: וַיַּעֲשֶׂ֤ה (vayaase) = en hij deed | הָרַע֙ (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רַ֕ק (raq) = alleen | לֹ֥א (lo) = niet | כְאָבִ֖יו (keaviv) = als zijn vader | וּכְאִמּ֑וֹ (ukheimo) = en als zijn moeder | וַיָּ֨סַר֙ (vayasar) = en hij nam weg | אֶת (et) = (obj.) | מַצְּבַ֣ת (matsevat) = de gewijde steen van | הַבַּ֔עַל (habaal) = Baäl | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’: een opgerichte steen voor de eredienst. Achab had een altaar voor Baäl gebouwd (1 Kon. 16:32). Het verhaal zegt dat Joram de zuil wegnam. Een gewijde steen van Baäl komt terug in 2 Kon. 10:26–27. Zie ook: Ex 23:24; 1 Kon 16:32; 1 Kon 21:25; 2 Kon 10:18; 2 Kon 10:26–28; 2 Kon 21:6 **3:3** Alleen bleef hij vasthouden aan de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël liet zondigen. Daar week hij niet van af. Brontekst: רַ֠ק (raq) = alleen | בְּחַטֹּ֞אות (bechatovt) = aan de zonden van | יָרָבְעָ֧ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּֽן (ben) = zoon van | נְבָ֛ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁר (asher) = die | הֶחֱטִ֥יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | דָּבֵ֑ק (daveq) = hij hechtte zich vast | לֹא (lo) = niet | סָ֖ר (sar) = week hij af | מִמֶּֽנָּה (mimena) = daarvan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joram deed ‘niet zoals zijn vader en moeder’, maar bleef bij de zonde van Jerobeam: de gouden kalveren (1 Kon. 12:28–30). Zie ook: 1 Kon 12:26–33; 1 Kon 12:28–30; 1 Kon 13:33; 1 Kon 14:16; 2 Kon 13:11; 2 Kon 15:18 ### Moab komt in opstand **3:4** Mesa, de koning van Moab, was schapenhouder. Hij leverde aan de koning van Israël 100.000 lammeren en 100.000 rammen met wol. Brontekst: וּמֵישַׁ֥ע (umeisha) = en Mesa | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | הָיָ֣ה (haya) = was | נֹקֵ֑ד (noqed) = schapenhouder | וְהֵשִׁ֤יב (veheshiv) = en hij leverde | לְמֶֽלֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאָה (mea) = honderd | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | כָּרִ֔ים (karim) = lammeren | וּמֵ֥אָה (umea) = en honderd | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אֵילִ֥ים (eilim) = rammen | צָֽמֶר (tsamer) = wol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מֵישַׁע (Mesha), ‘Mesa’: de koning van Moab. Dezelfde naam staat in 1 Kron. 2:42, voor een andere man. Voetnoot : נֹקֵד (noqed), ‘schapenhouder’: iemand met grote kudden schapen. Het woord staat ook in Amos 1:1. Voetnoot : כָּרִים (karim), ‘lammeren’, en אֵילִים (eilim), ‘rammen’: het Hebreeuws zegt alleen ‘wol’ achter de rammen. Wij lezen: de rammen met hun wol. De getallen zijn letterlijk: honderdduizend en honderdduizend. Zie ook: Gen 26:13–14; Job 42:12; 2 Sam 8:2; 1 Kron 2:42; Ps 108:10–11; 2 Kron 26:10; Amos 1:1 **3:5** Toen Achab dood was, kwam de koning van Moab in opstand tegen de koning van Israël. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | כְּמ֣וֹת (kemot) = bij de dood van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | וַיִּפְשַׁ֥ע (vayifsha) = en kwam in opstand | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | בְּמֶ֥לֶךְ (bemelekh) = tegen de koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Zie 2 Kon. 1:1: Moab kwam in opstand ‘na de dood van Achab’. Hier wordt verteld hoe Israël erop reageert. Zie ook: 2 Kon 1:1; 2 Kon 8:20; 2 Kron 21:8–10 **3:6** Op die dag trok koning Joram uit Samaria weg en telde heel Israël. Brontekst: וַיֵּצֵ֞א (vayetse) = en trok uit | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | יְהוֹרָ֛ם (yehoram) = Joram | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op dag | הַה֖וּא (hahu) = die | מִשֹּׁמְר֑וֹן (mishomeron) = uit Samaria | וַיִּפְקֹ֖ד (vayifqod) = en telde | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: וַיִּפְקֹד (vayyifqod), ‘telde’: het leger werd geteld en opgeroepen. Zie ook: 1 Sam 11:8; 1 Sam 15:4; 2 Sam 24:1–25; 1 Kon 20:27 **3:7** Hij ging op weg en stuurde bericht naar Josafat, de koning van Juda: „De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Wil je met mij meegaan naar Moab, om te strijden?” Hij zei: „Ik ga mee omhoog. Ik ben als u, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.” Brontekst: וַיֵּ֡לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en stuurde | אֶל (el) = naar | יְהוֹשָׁפָ֨ט (yehoshafat) = Josafat | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | מֶ֤לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | פָּשַׁ֣ע (pasha) = is in opstand gekomen | בִּ֔י (bi) = tegen mij | הֲתֵלֵ֥ךְ (hatelekh) = wil je gaan | אִתִּ֛י (iti) = met mij | אֶל (el) = naar | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = ten strijde | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶעֱלֶ֔ה (eele) = ik ga omhoog | כָּמ֧וֹנִי (kamoni) = zoals ik | כָמ֛וֹךָ (kamokha) = zoals u | כְּעַמִּ֥י (keami) = zoals mijn volk | כְעַמֶּ֖ךָ (keamekha) = zoals uw volk | כְּסוּסַ֥י (kesusay) = zoals mijn paarden | כְּסוּסֶֽיךָ (kesuseikha) = zoals uw paarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Joram vraagt hetzelfde als Achab in 1 Kon. 22:4, en Josafat antwoordt in dezelfde woorden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt geen naam bij ‘hij zei’. Het is Josafat die antwoordt. Zie ook: 1 Kon 22:4; 2 Kron 18:3; 2 Kron 21:4–7; 2 Kron 22:3–4; 2 Kron 22:10–12 **3:8** Hij vroeg: „Langs welke weg gaan wij omhoog?” Hij antwoordde: „Langs de weg door de woestijn van Edom.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵי (ei) = waar | זֶ֥ה (ze) = dit | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | נַעֲלֶ֑ה (naale) = gaan wij omhoog | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = de weg van | מִדְבַּ֥ר (midbar) = de woestijn van | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Woestijn van Edom (ligging onzeker): De woestijn van Edom is het steppe- en woestijngebied ten zuiden van Moab. De precieze weg van de legers is niet bekend. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: De woestijn van Edom wordt gezocht ten zuiden van Moab en de Zoutzee, in het zuiden van het huidige Jordanië. De precieze weg is onzeker. Zie ook: Num 21:4; Mal 1:2–3 ### Geen water voor het leger **3:9** De koning van Israël, de koning van Juda en de koning van Edom gingen op weg. Zij maakten een omweg van zeven dagen. Maar er was geen water voor het kamp en voor de lastdieren die hen volgden. Brontekst: וַיֵּלֶךְ֩ (vayelekh) = en gingen | מֶ֨לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | וּמֶֽלֶך (umelekh) = en de koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en de koning van | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | וַיָּסֹ֕בּוּ (vayasobu) = en zij maakten een omweg | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = een weg van | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וְלֹא (velo) = en niet | הָיָ֨ה (haya) = was | מַ֧יִם (mayim) = water | לַֽמַּחֲנֶ֛ה (lamachane) = voor het kamp | וְלַבְּהֵמָ֖ה (velabehema) = en voor de lastdieren | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּרַגְלֵיהֶֽם (beragleihem) = aan hun voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: בְּהֵמָה (behemah), ‘lastdier’: een huisdier, hier de dieren die de bagage dragen. Voetnoot : אֲשֶׁר בְּרַגְלֵיהֶם (asher beraglehem), ‘die aan hun voeten’: de dieren die hen volgden. Zie ook: Ex 11:8; Num 20:2; Re 4:10; 1 Kon 22:27; 1 Kon 22:48 **3:10** De koning van Israël zei: „Ach! Yahweh heeft deze drie koningen geroepen om hen in de hand van Moab te geven.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲהָ֕הּ (ahah) = ach | כִּֽי (ki) = dat | קָרָ֣א (qara) = heeft geroepen | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לִשְׁלֹ֨שֶׁת֙ (lishloshet) = drie | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Ps 78:34–36; Spr 19:3; 2 Kon 6:33; Jes 8:21; Jes 51:20 **3:11** Josafat zei: „Is er hier geen profeet van Yahweh? Dan kunnen wij Yahweh via hem raadplegen.” Een van de dienaren van de koning van Israël antwoordde: „Hier is Elisa, de zoon van Sjafat, die water goot over de handen van Elia.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשָׁפָ֗ט (yehoshafat) = Josafat | הַאֵ֨ין (haein) = is er niet | פֹּ֤ה (po) = hier | נָבִיא֙ (navi) = een profeet | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = van Yahweh | וְנִדְרְשָׁ֥ה (venidresha) = en laten wij raadplegen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאוֹת֑וֹ (meoto) = via hem | וַ֠יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | אֶחָ֞ד (echad) = één | מֵעַבְדֵ֤י (meavdei) = van de dienaren van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en hij zei | פֹּ֚ה (po) = hier | אֱלִישָׁ֣ע (elisha) = Elisa | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָ֔ט (shafat) = Sjafat | אֲשֶׁר (asher) = die | יָ֥צַק (yatsaq) = goot | מַ֖יִם (mayim) = water | עַל (al) = op | יְדֵ֥י (yedei) = de handen van | אֵלִיָּֽהוּ (eliyahu) = Elia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde vraag stelt Josafat in 1 Kon. 22:7. Voetnoot : וְנִדְרְשָׁה (venidreshah), ‘raadplegen’: van דָּרַשׁ (darash). Zie bij 2 Kon. 1:2. Voetnoot : אֲשֶׁר־יָצַק מַיִם עַל־יְדֵי אֵלִיָּהוּ (asher yatsaq mayim al yedei Eliyyahu), ‘die water goot over de handen van Elia’: Elisa was de dienaar van Elia. Zie 1 Kon. 19:21. Zie ook: 1 Kron 15:13; 1 Kon 19:21; 1 Kon 22:7; 2 Kon 1:2; 2 Kon 3:3; Amos 3:7 **3:12** Josafat zei: „Het woord van Yahweh is bij hem.” De koning van Israël, Josafat en de koning van Edom gingen naar hem toe. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יְה֣וֹשָׁפָ֔ט (yehoshafat) = Josafat | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | אוֹת֖וֹ (oto) = bij hem | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּרְד֣וּ (vayeredu) = en gingen af | אֵלָ֗יו (elav) = naar hem | מֶ֧לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | וִיהוֹשָׁפָ֖ט (vihoshafat) = en Josafat | וּמֶ֥לֶךְ (umelekh) = en de koning van | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: וַיֵּרְדוּ (vayyeredu), ‘gingen naar hem toe’: letterlijk ‘daalden af’. Het ‘woord van Yahweh’ is hier de boodschap die een profeet van Yahweh ontvangt. Zie ook: 1 Sam 3:19–21; 2 Kon 2:21; 2 Kon 2:24–25; Jes 60:14; Openb 3:9 ### Elisa en de drie koningen **3:13** Elisa zei tegen de koning van Israël: „Wat heb ik met u te maken? Ga naar de profeten van uw vader en naar de profeten van uw moeder.” De koning van Israël zei tegen hem: „Nee, want Yahweh heeft deze drie koningen geroepen om hen in de hand van Moab te geven.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלִישָׁ֜ע (elisha) = Elisa | אֶל (el) = tot | מֶ֤לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מַה (ma) = wat | לִּ֣י (li) = voor mij | וָלָ֔ךְ (valakh) = en voor u | לֵ֚ךְ (lekh) = ga | אֶל (el) = naar | נְבִיאֵ֣י (neviei) = de profeten van | אָבִ֔יךָ (avikha) = uw vader | וְאֶל (veel) = en naar | נְבִיאֵ֖י (neviei) = de profeten van | אִמֶּ֑ךָ (imekha) = uw moeder | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַ֗ל (al) = nee | כִּֽי (ki) = want | קָרָ֤א (qara) = heeft geroepen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִשְׁלֹ֨שֶׁת֙ (lishloshet) = drie | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מַה־לִּי וָלָךְ (mah-li valakh), ‘wat heb ik met u te maken’: letterlijk ‘wat is er voor mij en voor u?’. Zie ook 1 Kon. 17:18. Voetnoot : נְבִיאֵי אָבִיךָ וּנְבִיאֵי אִמֶּךָ (nevi’ei avikha unevi’ei immekha), ‘de profeten van uw vader en van uw moeder’: de profeten die bij Achab en Izebel hoorden. Zie 1 Kon. 18:19 en 22:6. Zie ook: Deut 32:37–39; 1 Kon 17:18; 1 Kon 18:19; 1 Kon 22:6; 1 Kon 22:22–25; 2 Kon 3:10 **3:14** Elisa zei: „Zo waar Yahweh van de legermachten leeft, voor wiens aangezicht ik sta. Als ik Josafat, de koning van Juda, niet respecteerde, zou ik naar u niet kijken en u niet zien. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלִישָׁ֗ע (elisha) = Elisa | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = voor wie | עָמַ֣דְתִּי (amadti) = ik sta | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | כִּ֗י (ki) = want | לוּלֵ֛י (lulei) = als niet | פְּנֵ֛י (penei) = het gezicht van | יְהוֹשָׁפָ֥ט (yehoshafat) = Josafat | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | אֲנִ֣י (ani) = ik | נֹשֵׂ֑א (nose) = respecteer | אִם (im) = als | אַבִּ֥יט (abit) = ik zou kijken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar u | וְאִם (veim) = en als | אֶרְאֶֽךָּ (ereka) = ik zou zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹשֵׂא פְּנֵי (nosé penei), ‘het gezicht respecteren’: letterlijk ‘het gezicht van iemand opheffen’, een uitdrukking voor het in aanzien houden van iemand. Elisa zegt dat hij alleen om Josafat naar de koning van Israël wil kijken. Voetnoot : צְבָאוֹת (tsevaot), ‘legers’: Yahweh is hier de Aanvoerder van de hemelse legers. Zie ook: Ps 15:4; 1 Kon 17:1; 1 Kon 21:20; 2 Kon 5:16; Dan 5:17–23 **3:15** Haal nu een muzikant voor mij.” Toen de muzikant speelde, kwam de hand van Yahweh op hem. Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | קְחוּ (qechu) = haal | לִ֣י (li) = voor mij | מְנַגֵּ֑ן (menagen) = een muzikant | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het was | כְּנַגֵּ֣ן (kenagen) = als speelde | הַֽמְנַגֵּ֔ן (hamnagen) = de muzikant | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en kwam | עָלָ֖יו (alav) = op hem | יַד (yad) = de hand van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנַגֵּן (menaggen), ‘muzikant’: iemand die een snaarinstrument bespeelt. Terwijl de muzikant speelt, komt de hand van Yahweh op Elisa. Voetnoot : יַד־יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: dit doet denken aan de macht van Yahweh over een profeet. Zie ook 1 Kon. 18:46. Zie ook: 1 Sam 10:5; 1 Sam 16:23; 1 Kon 18:46; Ezech 1:3; Ef 5:18–19 **3:16** Hij zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Maak dit beekdal vol kuilen.’ Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עָשֹׂ֛ה (aso) = maak | הַנַּ֥חַל (hanachal) = het beekdal | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | גֵּבִ֥ים (gevim) = kuilen | גֵּבִֽים (gevim) = kuilen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elisa citeert Yahweh. Daarom staan deze woorden zwart, met enkele aanhalingstekens. De verzen 16–19 zijn één toespraak van Elisa. Voetnoot : נַחַל (nachal), ‘beekdal’: een droog dal dat alleen na regen water voert (een wadi). Voetnoot : גֵּבִים גֵּבִים (gevim gevim), ‘kuilen, kuilen’: de herhaling betekent dat er veel kuilen moeten komen. Wij vertalen ‘vol kuilen’. Zie ook: Num 2:16–18; 2 Kon 4:3 **3:17** Want zo zegt Yahweh: ‘Jullie zullen geen wind zien en geen regen zien. Toch zal dat beekdal vol water komen, en jullie zullen drinken: jullie, jullie vee en jullie lastdieren.’ Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | תִרְא֥וּ (tiru) = zullen jullie zien | ר֨וּחַ֙ (ruach) = wind | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִרְא֣וּ (tiru) = zullen jullie zien | גֶ֔שֶׁם (geshem) = regen | וְהַנַּ֥חַל (vehanachal) = maar het beekdal | הַה֖וּא (hahu) = dat | יִמָּ֣לֵא (yimale) = zal gevuld worden | מָ֑יִם (mayim) = met water | וּשְׁתִיתֶ֛ם (ushetitem) = en jullie zullen drinken | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | וּמִקְנֵיכֶ֖ם (umiqneikhem) = en jullie vee | וּֽבְהֶמְתְּכֶֽם (uvehemtekhem) = en jullie lastdieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier betekent het woord ‘wind’, niet ‘geest’. Voetnoot : מִקְנֶה (miqneh), ‘vee’: kudden en bezit aan dieren. Zie ook: Ps 84:7; Ps 107:35; Jes 41:17–18; Jes 43:19–20; Jes 48:21 **3:18** Dit is een kleinigheid in de ogen van Yahweh. Hij zal Moab in jullie hand geven. Brontekst: וְנָקַ֥ל (venaqal) = en het is licht | זֹ֖את (zot) = dit | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָתַ֥ן (venatan) = en Hij zal geven | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | בְּיֶדְכֶֽם (beyedkhem) = in jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Vers 18 zijn Elisa’s eigen woorden: hij spreekt over Yahweh in de derde persoon. Of vers 19 nog woorden van Yahweh zijn, zegt het Hebreeuws niet. Wij zetten beide verzen zwart, zonder enkele aanhalingstekens. Zie ook: 2 Kon 3:19; 2 Kon 20:10; Jer 32:17; Jer 32:27; Luc 1:37; Ef 3:20 **3:19** Jullie zullen elke versterkte stad en elke uitgelezen stad verslaan. Jullie zullen elke goede boom omhakken en alle waterbronnen dichtstoppen. Jullie zullen elk goed stuk land met stenen bederven.” Brontekst: וְהִכִּיתֶ֞ם (vehikitem) = en jullie zullen verslaan | כָּל (kal) = elke | עִ֤יר (ir) = stad van | מִבְצָר֙ (mivtsar) = versterking | וְכָל (vekhal) = en elke | עִ֣יר (ir) = stad van | מִבְח֔וֹר (mivchor) = keuze | וְכָל (vekhal) = en elke | עֵ֥ץ (ets) = boom | טוֹב֙ (tov) = goed | תַּפִּ֔ילוּ (tapilu) = zullen jullie laten vallen | וְכָל (vekhal) = en alle | מַעְיְנֵי (mayenei) = bronnen van | מַ֖יִם (mayim) = water | תִּסְתֹּ֑מוּ (tistomu) = zullen jullie dichtstoppen | וְכֹל֙ (vekhol) = en elk | הַחֶלְקָ֣ה (hachelqa) = stuk land | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | תַּכְאִ֖בוּ (takhivu) = zullen jullie bederven | בָּאֲבָנִֽים (baavanim) = met stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחֶלְקָה (hacheleqah), ‘stuk land’: een akker. תַּכְאִבוּ (takh’ivu), ‘bederven’: letterlijk ‘pijn doen’. Het gaat om het onbruikbaar maken van het land met stenen. Voetnoot : Vergelijk Deut. 20:19–20: bij het beleg van een stad mogen vruchtbomen niet worden omgehakt. Het Hebreeuws zegt hier niets over dat verschil. Zie ook: Deut 20:19–20; Re 6:16; 1 Sam 23:2; 2 Kon 3:25; 2 Kon 13:17 ### Het water komt **3:20** In de morgen, op het moment dat het graanoffer werd opgedragen, zie, daar kwam water uit de richting van Edom. Het land werd vol water. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | בַבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de morgen | כַּעֲל֣וֹת (kaalot) = bij het opgaan van | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het graanoffer | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | מַ֥יִם (mayim) = water | בָּאִ֖ים (baim) = komend | מִדֶּ֣רֶךְ (miderekh) = van de weg van | אֱד֑וֹם (edom) = Edom | וַתִּמָּלֵ֥א (vatimale) = en werd gevuld | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַמִּנְחָה (hamminchah), ‘het graanoffer’: het offer dat ’s morgens werd opgedragen (Exod. 29:38–41). Het water komt dus op het tijdstip van het morgenoffer. Voetnoot : דֶּרֶךְ אֱדוֹם (derekh Edom), ‘de richting van Edom’: letterlijk ‘de weg van Edom’. Zie ook: Ex 29:38–41; Ex 29:39–40; Ps 78:15–16; Ps 78:20; 1 Kon 18:36; Dan 9:21 ### De nederlaag van Moab **3:21** Heel Moab hoorde dat de koningen waren opgetrokken om tegen hen te strijden. Iedereen die een gordel kon omdoen en ouder was, werd opgeroepen. Zij stelden zich op bij de grens. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | שָֽׁמְע֔וּ (shameu) = hoorde | כִּֽי (ki) = dat | עָל֥וּ (alu) = omhoog waren gekomen | הַמְּלָכִ֖ים (hamelakhim) = de koningen | לְהִלָּ֣חֶם (lehilachem) = om te strijden | בָּ֑ם (bam) = tegen hen | וַיִּצָּעֲק֗וּ (vayitsaaqu) = en zij werden opgeroepen | מִכֹּ֨ל (mikol) = van elk | חֹגֵ֤ר (choger) = die omgordt | חֲגֹרָה֙ (chagora) = een gordel | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en hoger | וַיַּעַמְד֖וּ (vayaamdu) = en zij stonden | עַֽל (al) = aan | הַגְּבֽוּל (hagevul) = de grens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: חֹגֵר חֲגֹרָה וָמַעְלָה (choger chagorah vama’lah), ‘die een gordel omdoet en ouder’: iedereen die oud genoeg was om te strijden. Zie ook: 1 Kon 20:11; Ef 6:14 **3:22** Zij stonden vroeg op in de morgen. De zon scheen op het water. Moab zag het water van een afstand, rood als bloed. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְהַשֶּׁ֖מֶשׁ (vehashemesh) = en de zon | זָרְחָ֣ה (zarecha) = scheen | עַל (al) = op | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וַיִּרְא֨וּ (vayiru) = en zagen | מוֹאָ֥ב (moav) = Moab | מִנֶּ֛גֶד (mineged) = van tegenover | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | אֲדֻמִּ֥ים (adumim) = rood | כַּדָּֽם (kadam) = als bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen dat het water rood leek, ‘als bloed’. Het zegt niet waarom. **3:23** Zij zeiden: „Dat is bloed! De koningen zijn zeker vernietigd. Zij hebben elkaar verslagen. Nu naar de buit, Moab!” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | דָּ֣ם (dam) = bloed | זֶ֔ה (ze) = dit | הָחֳרֵ֤ב (hachorev) = zeker | נֶֽחֶרְבוּ֙ (nechervu) = zijn vernietigd | הַמְּלָכִ֔ים (hamelakhim) = de koningen | וַיַּכּ֖וּ (vayaku) = en zij sloegen | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | לַשָּׁלָ֖ל (lashalal) = naar de buit | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הָחֳרֵב נֶחֶרְבוּ (hacherev necherevu), ‘zijn zeker vernietigd’: het werkwoord is moeilijk. Wij vertalen ‘vernietigd’. Het woord lijkt op חֶרֶב (cherev), ‘zwaard’, en dat past bij wat Moab denkt: de koningen hebben elkaar met het zwaard verslagen. Zie ook: Ex 15:9; Re 5:30; 2 Kon 6:18–20; 2 Kon 7:6; Jes 10:14 **3:24** Zij kwamen bij het kamp van Israël. Israël stond op en versloeg Moab, dat voor hen op de vlucht sloeg. Zij trokken het land in en versloegen Moab. Brontekst: וַיָּבֹאוּ֮ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַיָּקֻ֤מוּ (vayaqumu) = en stond op | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיַּכּ֣וּ (vayaku) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וַיָּנֻ֖סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen | וַיַּכּוּ (vayaku) = en zij sloegen | בָ֔הּ (bah) = daarin | וְהַכּ֖וֹת (vehakot) = en slaan | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וַיָּבֹאוּ (vayyavo’u), ‘en zij kwamen’. Het qere is וַיַּכּוּ (vayyakku), ‘en zij sloegen’. Wij volgen het qere. Het laatste deel van het vers is moeilijk: ‘zij sloegen in het land, om Moab te slaan’. Wij vertalen ‘zij trokken het land in en versloegen Moab’. Zie ook: Joz 8:20–22; Re 20:40–46; 1 Tess 5:3–4 **3:25** Zij braken de steden af. Ieder wierp zijn steen op elk goed stuk land, tot het vol lag. Zij stopten alle waterbronnen dicht en hakten alle goede bomen om. Alleen in Kir-Charaset bleven de stenen over. Daar omsingelden de slingeraars de stad en sloegen haar. Brontekst: וְהֶעָרִ֣ים (vehearim) = en de steden | יַהֲרֹ֡סוּ (yaharosu) = braken zij af | וְכָל (vekhal) = en elk | חֶלְקָ֣ה (chelqa) = stuk land | ט֠וֹבָה (tova) = goed | יַשְׁלִ֨יכוּ (yashlikhu) = wierpen zij | אִישׁ (ish) = man | אַבְנ֜וֹ (avno) = zijn steen | וּמִלְא֗וּהָ (umiluha) = en vulden het | וְכָל (vekhal) = en elke | מַעְיַן (mayan) = bron van | מַ֤יִם (mayim) = water | יִסְתֹּ֨מוּ֙ (yistomu) = stopten zij dicht | וְכָל (vekhal) = en elke | עֵֽץ (ets) = boom | ט֣וֹב (tov) = goed | יַפִּ֔ילוּ (yapilu) = hakten zij om | עַד (ad) = totdat | הִשְׁאִ֧יר (hishir) = men liet overblijven | אֲבָנֶ֛יהָ (avaneiha) = zijn stenen | בַּקִּ֖יר (baqir) = in Kir | חֲרָ֑שֶׂת (charaset) = Charaset | וַיָּסֹ֥בּוּ (vayasobu) = en omringden | הַקַּלָּעִ֖ים (haqalaim) = de slingeraars | וַיַּכּֽוּהָ (vayakuha) = en sloegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kir-Charaset (Kerak): Kir-Charaset wordt meestal gelijkgesteld met Kerak, in Moab, ten oosten van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: Kir-Charaset is waarschijnlijk het huidige Kerak, in het zuiden van Jordanië. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot : קִיר חֲרֶשֶׂת (Qir Charaset), ‘Kir-Charaset’: de naam betekent ‘muur van ...’ (de betekenis van het tweede deel is onzeker). Voetnoot : קַלָּעִים (qalla’im), ‘slingeraars’: soldaten die met een slinger stenen werpen. Zie ook Richt. 20:16. Zie ook: Re 20:16; 2 Kon 3:19; Jes 16:7; Jes 16:11; Jer 48:31; Jer 48:36 ### Het offer van de koning van Moab **3:26** De koning van Moab zag dat de strijd te zwaar voor hem was. Hij nam 700 man met een getrokken zwaard mee om door te breken naar de koning van Edom. Maar het lukte hen niet. Brontekst: וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | כִּֽי (ki) = dat | חָזַ֥ק (chazaq) = te sterk was | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = voor hem | הַמִּלְחָמָ֑ה (hamilchama) = de strijd | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | א֠וֹתוֹ (oto) = met zich | שְׁבַע (sheva) = zeven | מֵא֨וֹת (meot) = honderd | אִ֜ישׁ (ish) = man | שֹׁ֣לֵֽף (sholef) = trekkend | חֶ֗רֶב (cherev) = zwaard | לְהַבְקִ֛יעַ (lehavqia) = om door te breken | אֶל (el) = naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אֱד֖וֹם (edom) = Edom | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָכֹֽלוּ (yakholu) = konden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: שְׁבַע מֵאוֹת אִישׁ שֹׁלֵף חֶרֶב (sheva me’ot ish sholef cherev), ‘700 man met een getrokken zwaard’: het getal staat zo in de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 3:9; Amos 2:1 **3:27** Hij nam zijn zoon, de eerstgeborene, die in zijn plaats koning zou worden, en bood hem als brandoffer aan op de muur. Er kwam een grote toorn over Israël. Zij trokken van hem weg en keerden terug naar hun land. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | בְּנ֨וֹ (beno) = zijn zoon | הַבְּכ֜וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | אֲשֶׁר (asher) = die | יִמְלֹ֣ךְ (yimlokh) = zou regeren | תַּחְתָּ֗יו (tachtav) = in zijn plaats | וַיַּעֲלֵ֤הוּ (vayaalehu) = en bood hem aan | עֹלָה֙ (ola) = als brandoffer | עַל (al) = op | הַ֣חֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | וַיְהִ֥י (vayhi) = en er was | קֶצֶף (qetsef) = toorn | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּסְעוּ֙ (vayisu) = en zij braken op | מֵֽעָלָ֔יו (mealav) = van hem | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | לָאָֽרֶץ (laarets) = naar het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלָה (olah), ‘brandoffer’: de koning van Moab offert zijn eigen zoon, die na hem koning zou worden, op de muur van de stad. Het Hebreeuws zegt niet aan wie hij hem offert. Zie ook Lev. 18:21 en Deut. 18:10. Voetnoot : קֶצֶף גָּדוֹל (qetsef gadol), ‘een grote toorn’: het Hebreeuws zegt niet van wie de toorn komt, en ook niet precies wat er gebeurt. Wij vertalen letterlijk ‘een grote toorn over Israël’. Zie ook: Lev 18:21; Deut 12:31; Deut 18:10; Re 11:31; Amos 2:1; Mi 6:7; Ezech 16:20 ## 2 Koningen 4 _Elisa: de olie van de weduwe, de zoon van de Sunemitische en het gerecht in de pot_ ### De olie van de weduwe **4:1** Een vrouw, een van de vrouwen van de zonen van de profeten, riep om hulp tot Elisa. Zij zei: „Mijn man, uw dienaar, is gestorven. U weet dat uw dienaar Yahweh vreesde. Nu is de schuldeiser gekomen om mijn twee kinderen als slaven voor zichzelf te nemen.” Brontekst: וְאִשָּׁ֣ה (veisha) = en een vrouw | אַחַ֣ת (achat) = een | מִנְּשֵׁ֣י (mineshei) = van de vrouwen van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | הַ֠נְּבִיאִים (haneviim) = de profeten | צָעֲקָ֨ה (tsaaqa) = riep om hulp | אֶל (el) = tot | אֱלִישָׁ֜ע (elisha) = Elisa | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | עַבְדְּךָ֤ (avdekha) = uw dienaar | אִישִׁי֙ (ishi) = mijn man | מֵ֔ת (met) = is gestorven | וְאַתָּ֣ה (veata) = en u | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = weet | כִּ֣י (ki) = dat | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = uw dienaar | הָיָ֥ה (haya) = was | יָרֵ֖א (yare) = vrezend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהַ֨נֹּשֶׁ֔ה (vehanoshe) = en de schuldeiser | בָּ֗א (ba) = is gekomen | לָקַ֜חַת (laqachat) = om te nemen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֧י (shenei) = twee van | יְלָדַ֛י (yeladay) = mijn kinderen | ל֖וֹ (lo) = voor zich | לַעֲבָדִֽים (laavadim) = tot slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הַנְּבִיאִים (benei hanneviim), ‘zonen van de profeten’: leerlingen of leden van een profetengroep. Voetnoot : נֹשֶׁה (noshe), ‘schuldeiser’: iemand aan wie je geld schuldig bent. Wie zijn schuld niet kon betalen, kon zijn kinderen als slaven kwijtraken. Vergelijk de wetten over een verarmde of verkochte broer: Exod. 21:2; Lev. 25:39–41; Deut. 15:12. Voetnoot : יָרֵא אֶת־יְהוָה (yare et Yahweh), ‘Yahweh vrezen’: ontzag hebben voor Yahweh. Zie ook: Ex 21:2; Lev 25:39–41; Deut 15:12; Ps 147:11; 2 Kon 2:3; Neh 5:2–5; Mat 18:25 **4:2** Elisa zei tegen haar: „Wat kan ik voor je doen? Vertel mij, wat heb je in huis?” Zij zei: „Uw dienares heeft niets in huis, behalve een kruikje olie.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֤יהָ (eleiha) = tot haar | אֱלִישָׁע֙ (elisha) = Elisa | מָ֣ה (ma) = wat | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = zal ik doen | לָּ֔ךְ (lakh) = voor je | הַגִּ֣ידִי (hagidi) = vertel | לִ֔י (li) = mij | מַה (ma) = wat | יֶּשׁ (yesh) = is er | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | בַּבָּ֑יִת (babayit) = in het huis | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵ֣ין (ein) = er is niet | לְשִׁפְחָתְךָ֥ (leshifchatekha) = voor uw dienares | כֹל֙ (kol) = enig ding | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in het huis | כִּ֖י (ki) = behalve | אִם (im) = als | אָס֥וּךְ (asukh) = een kruikje | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָסוּךְ (asukh), ‘kruikje’: dit woord komt alleen hier voor. Het gaat om een klein vat of een kleine hoeveelheid olie. De precieze betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: In dit hoofdstuk heeft de geschreven tekst (ketiv) meerdere keren een oude vorm van ‘je’ of ‘jou’ bij een vrouw, met een extra letter yod (verzen 2, 3, 7, 16 en 23). De voorgelezen tekst (qere) heeft de gewone vorm. De betekenis is gelijk. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 17:12; 2 Kon 2:9; Mat 15:34; Joh 6:5–7; Jak 2:5 **4:3** Hij zei: „Ga, vraag voor jezelf vaten van buiten, van al je buren. Vraag lege vaten, en niet weinig. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | לְכִ֨י (lekhi) = ga | שַׁאֲלִי (shaali) = vraag | לָ֤ךְ (lakh) = voor jezelf | כֵּלִים֙ (kelim) = vaten | מִן (min) = van | הַח֔וּץ (hachuts) = buiten | מֵאֵ֖ת (meet) = van bij | כָּל (kal) = al | שְׁכֵנָ֑יִךְ (shekhenayikh) = je buren | כֵּלִ֥ים (kelim) = vaten | רֵקִ֖ים (reqim) = lege | אַל (al) = niet | תַּמְעִֽיטִי (tamiti) = vraag weinig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft bij ‘je buren’ de oude vorm שכנכי. Het qere heeft שְׁכֵנָיִךְ (shekhenayikh). De betekenis is gelijk. Zie bij vers 2. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 81:11; 2 Kon 3:16; 2 Kon 4:2; 2 Kon 13:18–19; Joh 2:7; Joh 16:24 **4:4** Ga naar binnen en sluit de deur achter je en je zonen. Giet in al deze vaten. Zet opzij wat vol is.” Brontekst: וּבָ֗את (uvat) = en ga binnen | וְסָגַ֤רְתְּ (vesagart) = en sluit | הַדֶּ֨לֶת֙ (hadelet) = de deur | בַּעֲדֵ֣ךְ (baadekh) = achter je | וּבְעַד (uvead) = en achter | בָּנַ֔יִךְ (banayikh) = je zonen | וְיָצַ֕קְתְּ (veyatsaqt) = en giet | עַ֥ל (al) = in | כָּל (kal) = al | הַכֵּלִ֖ים (hakelim) = de vaten | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְהַמָּלֵ֖א (vehamale) = en wat vol is | תַּסִּֽיעִי (tasii) = zet opzij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 17:19–20; Mat 6:6; Mar 6:37–44; Mar 8:5–9; Hand 9:40 **4:5** Zij ging bij hem weg en sloot de deur achter zich en haar zonen. Zij reikten de vaten aan en zij goot in. Brontekst: וַתֵּ֨לֶךְ֙ (vatelekh) = en zij ging | מֵֽאִתּ֔וֹ (meito) = van bij hem | וַתִּסְגֹּ֣ר (vatisgor) = en sloot | הַדֶּ֔לֶת (hadelet) = de deur | בַּעֲדָ֖הּ (baadah) = achter zich | וּבְעַ֣ד (uvead) = en achter | בָּנֶ֑יהָ (baneiha) = haar zonen | הֵ֛ם (hem) = zij | מַגִּשִׁ֥ים (magishim) = reikten aan | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = aan haar | וְהִ֥יא (vehi) = en zij | מוֹצָֽקֶת (motsaqet) = goot in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters מיצקת. De voorgelezen tekst (qere) heeft מוֹצָקֶת (motsaqet), ‘zij goot in’. De betekenis is gelijk. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 17:15–16; 2 Kon 5:11; Luc 1:45; Heb 11:7–8 **4:6** Toen de vaten vol waren, zei zij tegen haar zoon: „Reik mij nog een vat aan.” Hij zei tegen haar: „Er is geen vat meer.” Toen hield de olie op. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כִּמְלֹ֣את (kimlot) = toen waren vol | הַכֵּלִ֗ים (hakelim) = de vaten | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֶל (el) = tot | בְּנָהּ֙ (benah) = haar zoon | הַגִּ֨ישָׁה (hagisha) = reik aan | אֵלַ֥י (elay) = mij | עוֹד֙ (od) = nog | כֶּ֔לִי (keli) = een vat | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = tot haar | אֵ֥ין (ein) = er is niet | ע֖וֹד (od) = nog | כֶּ֑לִי (keli) = een vat | וַֽיַּעֲמֹ֖ד (vayaamod) = en stond stil | הַשָּֽׁמֶן (hashamen) = de olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 4:43–44; 2 Kon 13:19; 2 Kron 6:12–13; Mat 14:20; Luc 6:19 **4:7** Zij kwam het vertellen aan de man van Elohim. Hij zei: „Ga, verkoop de olie en betaal je schuldeiser. Van wat overblijft kun jij met je zonen leven.” Brontekst: וַתָּבֹ֗א (vatavo) = en zij kwam | וַתַּגֵּד֙ (vataged) = en vertelde | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan de man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְכִי֙ (lekhi) = ga | מִכְרִ֣י (mikhri) = verkoop | אֶת (et) = (obj.) | הַשֶּׁ֔מֶן (hashemen) = de olie | וְשַׁלְּמִ֖י (veshalemi) = en betaal | אֶת (et) = (obj.) | נִשְׁיֵ֑ךְ (nishyekh) = je schuldeiser | וְאַ֣תְּ (veat) = en jij | וּבָנַ֔יִךְ (uvanayikh) = en je zonen | תִֽחְיִ֖י (tichyi) = zult leven | בַּנּוֹתָֽר (banotar) = van wat overblijft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een titel voor een profeet, zoals in 1 Kon. 17:18. Elisa heet zo in dit hoofdstuk en in het volgende. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft bij ‘je schuldeiser’ (נשיכי) en ‘je zonen’ (בניכי) de oude vorm met yod. Het qere heeft נִשְׁיֵךְ (nishyekh) en וּבָנַיִךְ (uvanayikh). De betekenis is gelijk. Zie bij vers 2. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 37:21; 1 Kon 12:22; 1 Kon 17:18; 2 Kon 4:2; 2 Tess 3:7–12; Rom 12:17; Fil 4:8 ### De vrouw uit Sunem **4:8** Op een dag ging Elisa naar Sunem. Daar woonde een vooraanstaande vrouw. Zij drong bij hem aan om brood te eten. Telkens als hij langskwam, ging hij daar binnen om brood te eten. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | הַיּ֜וֹם (hayom) = de dag | וַיַּעֲבֹ֧ר (vayaavor) = en ging | אֱלִישָׁ֣ע (elisha) = Elisa | אֶל (el) = naar | שׁוּנֵ֗ם (shunem) = Sunem | וְשָׁם֙ (vesham) = en daar | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = groot | וַתַּחֲזֶק (vatachazeq) = en zij drong aan | בּ֖וֹ (bo) = bij hem | לֶאֱכָל (leekhal) = om te eten | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִדֵּ֣י (midei) = telkens als | עָבְר֔וֹ (avero) = hij langskwam | יָסֻ֥ר (yasur) = keerde hij in | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לֶאֱכָל (leekhal) = om te eten | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sunem: Sunem (Solem) lag aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël. Voetnoot Uitleg: Sunem (שׁוּנֵם, Shunem; huidig Solem) lag aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël, in het noorden van het huidige Israël. Dat is waarschijnlijk. Zie ook 1 Kon. 1:3. Voetnoot : גְדוֹלָה (gedolah), ‘groot’: een vrouw van aanzien, waarschijnlijk rijk. Voetnoot : וַתַּחֲזֶק־בּוֹ (vattachazeq bo), ‘zij drong bij hem aan’: letterlijk ‘zij hield hem vast’. Zie ook: Job 1:3; Job 32:9; Joz 19:18; 1 Kon 1:3; 2 Kon 4:11–12 **4:9** Zij zei tegen haar man: „Zie toch, ik weet dat hij een heilige man van Elohim is. Hij komt steeds bij ons langs. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zij zei | אֶל (el) = tot | אִישָׁ֔הּ (ishah) = haar man | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֣א (na) = toch | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּ֛י (ki) = dat | אִ֥ישׁ (ish) = een man van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | קָד֣וֹשׁ (qadosh) = heilig | ה֑וּא (hu) = hij | עֹבֵ֥ר (over) = die langskomt | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = bij ons | תָּמִֽיד (tamid) = altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 31:10–11; 1 Kon 17:24; 2 Kon 4:7; 1 Tess 2:10; Tit 1:8 **4:10** Laten wij toch een kleine bovenkamer met muren maken. Laten wij daar voor hem een bed neerzetten, een tafel, een stoel en een kandelaar. Als hij bij ons komt, kan hij daar binnengaan.” Brontekst: נַֽעֲשֶׂה (naase) = laten wij maken | נָּ֤א (na) = toch | עֲלִיַּת (aliyat) = een bovenkamer van | קִיר֙ (qir) = muur | קְטַנָּ֔ה (qetana) = kleine | וְנָשִׂ֨ים (venasim) = en laten wij zetten | ל֥וֹ (lo) = voor hem | שָׁ֛ם (sham) = daar | מִטָּ֥ה (mita) = een bed | וְשֻׁלְחָ֖ן (veshulchan) = en tafel | וְכִסֵּ֣א (vekhise) = en stoel | וּמְנוֹרָ֑ה (umenora) = en kandelaar | וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּבֹא֥וֹ (bevoo) = als hij komt | אֵלֵ֖ינוּ (eleinu) = naar ons | יָס֥וּר (yasur) = kan hij binnengaan | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲלִיַּת קִיר (aliyyat qir), ‘bovenkamer met muren’: letterlijk ‘bovenkamer van een muur’. Wij begrijpen: een apart kamertje boven het huis, met eigen muren. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : מְנוֹרָה (menorah), ‘kandelaar’: een standaard voor een lamp. Het is hetzelfde woord als in Exod. 25:31, maar hier gaat het om een gewoon voorwerp in een kamer. Zie ook: Ex 25:31; Mat 10:41–42; Mat 25:40; Rom 12:13; 1 Petr 4:9–10; Heb 10:24 **4:11** Op een dag kwam hij daar. Hij ging naar de bovenkamer en legde zich daar neer. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | וַיָּ֣בֹא (vayavo) = en hij kwam | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | וַיָּ֥סַר (vayasar) = en ging binnen | אֶל (el) = naar | הָעֲלִיָּ֖ה (haaliya) = de bovenkamer | וַיִּשְׁכַּב (vayishkav) = en lag | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:12** Hij zei tegen Gechazi, zijn jongen: „Roep deze Sunemitische.” Hij riep haar en zij ging voor hem staan. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | גֵּחֲזִ֣י (gechazi) = Gechazi | נַעֲר֔וֹ (naaro) = zijn jongen | קְרָ֖א (qera) = roep | לַשּׁוּנַמִּ֣ית (lashunamit) = deze Sunemitische | הַזֹּ֑את (hazot) = de | וַיִּקְרָא (vayiqra) = en hij riep | לָ֔הּ (lah) = haar | וַֽתַּעֲמֹ֖ד (vataamod) = en zij ging staan | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël. Zie ook: 1 Kon 19:3; 2 Kon 3:11; 2 Kon 4:29–31; 2 Kon 5:20–27; 2 Kon 8:4–5 **4:13** Hij zei tegen hem: „Zeg toch tegen haar: ‘Zie, je hebt je met al deze zorg om ons bekommerd. Wat kan er voor je gedaan worden? Moet er voor je gesproken worden bij de koning of bij de bevelhebber van het leger?’” Zij zei: „Ik woon te midden van mijn volk.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֗וֹ (lo) = tot hem | אֱמָר (emar) = zeg | נָ֣א (na) = toch | אֵלֶיהָ֮ (eleiha) = tot haar | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | חָרַ֣דְתְּ (charadt) = je hebt je bekommerd | אֵלֵינוּ֮ (eleinu) = om ons | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֲרָדָ֣ה (hacharada) = de bezorgdheid | הַזֹּאת֒ (hazot) = deze | מֶ֚ה (me) = wat | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = te doen | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | הֲיֵ֤שׁ (hayesh) = is er | לְדַבֶּר (ledaber) = om te spreken | לָךְ֙ (lakh) = voor jou | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | א֖וֹ (o) = of | אֶל (el) = tot | שַׂ֣ר (sar) = bevelhebber van | הַצָּבָ֑א (hatsava) = het leger | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zij zei | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | יֹשָֽׁבֶת (yoshavet) = woon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרַדְתְּ (charadt), ‘je hebt je bekommerd’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘beven, bezorgd zijn’. De vrouw heeft zich veel zorgen om hen gemaakt. Voetnoot : שַׂר הַצָּבָא (sar hatsava), ‘bevelhebber van het leger’: de hoogste legerleider van de koning. Voetnoot : Haar antwoord ‘Ik woon te midden van mijn volk’ betekent waarschijnlijk dat zij niets nodig heeft. Zij leeft veilig bij haar eigen mensen. Zie ook: 1 Tess 5:12–13; Fil 4:18–19; 1 Tim 6:6–8; 2 Tim 1:16–18; Heb 6:10 **4:14** Hij zei: „Wat kan er dan voor haar gedaan worden?” Gechazi zei: „Eigenlijk heeft zij geen zoon, en haar man is oud.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | וּמֶ֖ה (ume) = en wat | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = te doen | לָ֑הּ (lah) = voor haar | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | גֵּיחֲזִ֗י (geichazi) = Gechazi | אֲבָ֛ל (aval) = eigenlijk | בֵּ֥ן (ben) = een zoon | אֵֽין (ein) = er is niet | לָ֖הּ (lah) = voor haar | וְאִישָׁ֥הּ (veishah) = en haar man | זָקֵֽן (zaqen) = oud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:2–3; Gen 25:21; Re 13:2; 1 Sam 1:8; Luc 1:7 **4:15** Hij zei: „Roep haar.” Hij riep haar en zij ging in de deuropening staan. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | קְרָא (qera) = roep | לָ֑הּ (lah) = haar | וַיִּקְרָא (vayiqra) = en hij riep | לָ֔הּ (lah) = haar | וַֽתַּעֲמֹ֖ד (vataamod) = en zij ging staan | בַּפָּֽתַח (bapatach) = in de deuropening Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:16** Hij zei: „Op deze vastgestelde tijd, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, zul jij een zoon omarmen.” Zij zei: „Nee, mijn heer, man van Elohim! Lieg niet tegen uw dienares.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | לַמּוֹעֵ֤ד (lamoed) = op de vastgestelde tijd | הַזֶּה֙ (haze) = deze | כָּעֵ֣ת (kaet) = als de tijd van | חַיָּ֔ה (chaya) = het leven | אַ֖תְּ (at) = jij | חֹבֶ֣קֶת (choveqet) = omarmend | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zij zei | אַל (al) = nee | אֲדֹנִי֙ (adoni) = mijn heer | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אַל (al) = niet | תְּכַזֵּ֖ב (tekhazev) = lieg | בְּשִׁפְחָתֶֽךָ (beshifchatekha) = tegen uw dienares Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַמּוֹעֵד הַזֶּה כָּעֵת חַיָּה (lamo’ed hazzeh ka’et chayah), ‘op deze vastgestelde tijd, wanneer de tijd van het leven aanbreekt’: dezelfde uitdrukking als in Gen. 18:10, 14. Zij betekent waarschijnlijk: over een jaar, rond deze tijd. Vergelijk Gen. 17:21. Voetnoot : אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van een man. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft bij ‘jij’ de oude vorm אתי (atti). Het qere heeft אַתְּ (at). De betekenis is gelijk. Zie bij vers 2. Wij volgen het qere. Zie ook: Gen 17:21; Gen 18:10; Gen 18:12–15; 2 Kon 4:2; 2 Kon 4:28; Luc 1:13 **4:17** De vrouw werd zwanger. Zij beviel van een zoon, op die vastgestelde tijd, wanneer de tijd van het leven aanbrak, zoals Elisa tegen haar gesproken had. Brontekst: וַתַּ֥הַר (vatahar) = en werd zwanger | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en beviel van | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | לַמּוֹעֵ֤ד (lamoed) = op de vastgestelde tijd | הַזֶּה֙ (haze) = deze | כָּעֵ֣ת (kaet) = als de tijd van | חַיָּ֔ה (chaya) = het leven | אֲשֶׁר (asher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = had gesproken | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = tot haar | אֱלִישָֽׁע (elisha) = Elisa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:1; 1 Sam 1:19–20; Ps 113:9; Luc 1:36; Heb 11:11 ### De zoon van de vrouw sterft **4:18** Het kind groeide op. Op een dag ging hij naar buiten, naar zijn vader, naar de maaiers. Brontekst: וַיִּגְדַּ֖ל (vayigdal) = en groeide op | הַיָּ֑לֶד (hayaled) = het kind | וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging naar buiten | אֶל (el) = naar | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | אֶל (el) = naar | הַקֹּצְרִֽים (haqotserim) = de maaiers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ruth 2:4 **4:19** Hij zei tegen zijn vader: „Mijn hoofd! Mijn hoofd!” Hij zei tegen de jongen: „Draag hem naar zijn moeder.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | רֹאשִׁ֣י (roshi) = mijn hoofd | רֹאשִׁ֑י (roshi) = mijn hoofd | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | שָׂאֵ֖הוּ (saehu) = draag hem | אֶל (el) = naar | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 14:1–2; Jer 4:19 **4:20** Hij nam hem op en bracht hem naar zijn moeder. Hij zat op haar knieën tot de middag. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּשָּׂאֵ֔הוּ (vayisaehu) = en nam hem op | וַיְבִיאֵ֖הוּ (vayviehu) = en bracht hem | אֶל (el) = naar | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וַיֵּ֧שֶׁב (vayeshev) = en zat | עַל (al) = op | בִּרְכֶּ֛יהָ (birkeiha) = haar knieën | עַד (ad) = tot | הַֽצָּהֳרַ֖יִם (hatsahorayim) = de middag | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 2:35; Luc 7:12; Joh 11:3; Joh 11:5; Joh 11:14 **4:21** Zij ging naar boven en legde hem neer op het bed van de man van Elohim. Zij sloot de deur achter hem en ging naar buiten. Brontekst: וַתַּ֨עַל֙ (vataal) = en zij ging omhoog | וַתַּשְׁכִּבֵ֔הוּ (vatashkivehu) = en legde hem neer | עַל (al) = op | מִטַּ֖ת (mitat) = het bed van | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַתִּסְגֹּ֥ר (vatisgor) = en sloot | בַּעֲד֖וֹ (baado) = achter hem | וַתֵּצֵֽא (vatetse) = en ging naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 17:19; 2 Kon 4:7; 2 Kon 4:10; 2 Kon 4:32 **4:22** Zij riep haar man en zei: „Stuur mij toch een van de jongens en een van de ezelinnen. Dan ren ik naar de man van Elohim en kom ik terug.” Brontekst: וַתִּקְרָא֮ (vatiqra) = en riep | אֶל (el) = tot | אִישָׁהּ֒ (ishah) = haar man | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zei | שִׁלְחָ֨ה (shilcha) = stuur | נָ֥א (na) = toch | לִי֙ (li) = mij | אֶחָ֣ד (echad) = een | מִן (min) = van | הַנְּעָרִ֔ים (hanearim) = de jongens | וְאַחַ֖ת (veachat) = en een | הָאֲתֹנ֑וֹת (haatonot) = van de ezelinnen | וְאָר֛וּצָה (vearutsa) = en laat mij rennen | עַד (ad) = tot | אִ֥ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | וְאָשֽׁוּבָה (veashuva) = en laat mij terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 4:24; 2 Kon 4:26; Joh 11:3; Hand 9:38 **4:23** Hij zei: „Waarom ga je vandaag naar hem toe? Het is geen nieuwe maan en geen sabbat.” Zij zei: „Het is goed.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | מַ֠דּוּעַ (madua) = waarom | אַ֣תְּ (at) = jij | הֹלֶ֤כֶת (holekhet) = ga je | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | לֹֽא (lo) = niet | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = nieuwe maan | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שַׁבָּ֑ת (shabat) = sabbat | וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en zij zei | שָׁלֽוֹם (shalom) = het is goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹדֶשׁ (chodesh), ‘nieuwe maan’: de dag waarop de maand begint (Num. 10:10). De vraag van haar man laat zien dat men op de nieuwe maan en op de sabbat (Lev. 23:3) naar een man van Elohim kon gaan. Voetnoot : שָׁלוֹם (shalom), ‘het is goed’: letterlijk ‘vrede’ of ‘welzijn’. Zij geeft verder geen uitleg. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft bij ‘jij’ de oude vorm אתי (atti) en bij ‘ga’ הלכתי (halakhti). Het qere heeft אַתְּ (at) en הֹלֶכֶת (holekhet). De betekenis is gelijk. Zie bij vers 2. Wij volgen het qere. Zie ook: Lev 23:3; Num 10:10; Num 28:11; 1 Kron 23:31; 2 Kon 4:2; Jes 1:13–15 **4:24** Zij zadelde de ezelin en zei tegen haar jongen: „Drijf haar voort en ga. Houd mij niet op met rijden, tenzij ik het je zeg.” Brontekst: וַֽתַּחֲבֹשׁ֙ (vatachavosh) = en zij zadelde | הָֽאָת֔וֹן (haaton) = de ezelin | וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en zei | אֶֽל (el) = tot | נַעֲרָ֖הּ (naarah) = haar jongen | נְהַ֣ג (nehag) = drijf voort | וָלֵ֑ךְ (valekh) = en ga | אַל (al) = niet | תַּעֲצָר (taatsar) = houd op | לִ֣י (li) = voor mij | לִרְכֹּ֔ב (lirkov) = om te rijden | כִּ֖י (ki) = behalve | אִם (im) = als | אָמַ֥רְתִּי (amarti) = ik heb gezegd | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:20; 1 Sam 25:19–20; 1 Kon 13:13; 1 Kon 13:23 **4:25** Zij ging en kwam bij de man van Elohim, bij de berg Karmel. Toen de man van Elohim haar van een afstand zag, zei hij tegen Gechazi, zijn jongen: „Zie, daar is die Sunemitische. Brontekst: וַתֵּ֗לֶךְ (vatelekh) = en zij ging | וַתָּב֛וֹא (vatavo) = en kwam | אֶל (el) = tot | אִ֥ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = de berg | הַכַּרְמֶ֑ל (hakarmel) = Karmel | וַ֠יְהִי (vayhi) = en het was | כִּרְא֨וֹת (kirot) = toen zag | אִישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֤ים (haElohim) = Elohim | אֹתָהּ֙ (otah) = haar | מִנֶּ֔גֶד (mineged) = van een afstand | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | גֵּיחֲזִ֣י (geichazi) = Gechazi | נַעֲר֔וֹ (naaro) = zijn jongen | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | הַשּׁוּנַמִּ֥ית (hashunamit) = de Sunemitische | הַלָּֽז (halaz) = die daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa. De traditionele plek van de ontmoeting van Elia met de profeten van de Baäl is Muhraqa, aan de zuidoostkant. Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël. Voetnoot Uitleg: De berg Karmel (הַר הַכַּרְמֶל, har haKarmel) ligt aan de kust van het huidige Israël, bij Haifa. Zie ook 1 Kon. 18:19. Zie ook: 1 Kon 18:19; 1 Kon 18:42; 2 Kon 2:25; Jes 35:2 **4:26** Ren haar nu tegemoet en zeg tegen haar: ‘Gaat het goed met jou? Gaat het goed met je man? Gaat het goed met het kind?’” Zij zei: „Het gaat goed.” Brontekst: עַתָּה֮ (ata) = nu | רֽוּץ (ruts) = ren | נָ֣א (na) = toch | לִקְרָאתָהּ֒ (liqratah) = haar tegemoet | וֶאֱמָר (veemar) = en zeg | לָ֗הּ (lah) = tot haar | הֲשָׁל֥וֹם (hashalom) = gaat het goed | לָ֛ךְ (lakh) = met jou | הֲשָׁל֥וֹם (hashalom) = gaat het goed | לְאִישֵׁ֖ךְ (leishekh) = met je man | הֲשָׁל֣וֹם (hashalom) = gaat het goed | לַיָּ֑לֶד (layaled) = met het kind | וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en zij zei | שָׁלֽוֹם (shalom) = het gaat goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:21–22; 1 Sam 17:18; Ps 39:10; 2 Kon 4:23; Hand 15:36 **4:27** Zij kwam bij de man van Elohim op de berg en greep zijn voeten. Gechazi kwam dichterbij om haar weg te duwen. De man van Elohim zei: „Laat haar met rust, want haar ziel is bitter. Yahweh heeft het voor mij verborgen en het mij niet verteld.” Brontekst: וַתָּבֹ֞א (vatavo) = en zij kwam | אֶל (el) = tot | אִ֤ישׁ (ish) = de man van | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וַֽתַּחֲזֵ֖ק (vatachazeq) = en greep | בְּרַגְלָ֑יו (beraglav) = zijn voeten | וַיִּגַּ֨שׁ (vayigash) = en kwam dichterbij | גֵּֽיחֲזִ֜י (geichazi) = Gechazi | לְהָדְפָ֗הּ (lehadefah) = om haar weg te duwen | וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | אִ֨ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֤ים (haElohim) = Elohim | הַרְפֵּֽה (harpe) = laat met rust | לָהּ֙ (lah) = haar | כִּֽי (ki) = want | נַפְשָׁ֣הּ (nafshah) = haar ziel | מָֽרָה (mara) = bitter | לָ֔הּ (lah) = voor haar | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | הֶעְלִ֣ים (helim) = heeft verborgen | מִמֶּ֔נִּי (mimeni) = voor mij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הִגִּ֖יד (higid) = heeft verteld | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het innerlijk leven van een mens. ‘Haar ziel is bitter’ betekent: zij is diep bedroefd. Voetnoot : Zij grijpt zijn voeten: een gebaar van smeken. Elisa zegt dat Yahweh het voor hem verborgen heeft. Hij weet dus niet waarom zij komt. Zie ook: Gen 18:17; 2 Sam 7:3; Spr 14:10; 2 Kon 4:25; Mat 15:23 **4:28** Zij zei: „Heb ik mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: ‘Misleid mij niet’?” Brontekst: וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zij zei | הֲשָׁאַ֥לְתִּי (hashaalti) = heb ik gevraagd | בֵ֖ן (ben) = een zoon | מֵאֵ֣ת (meet) = van bij | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | הֲלֹ֣א (halo) = niet | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = heb ik gezegd | לֹ֥א (lo) = niet | תַשְׁלֶ֖ה (tashle) = misleid | אֹתִֽי (oti) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַשְׁלֶה (tashleh), ‘misleiden’: dit werkwoord komt weinig voor. De bedoeling is: geef mij geen valse hoop. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 30:1; 2 Kon 4:16 **4:29** Hij zei tegen Gechazi: „Gord je lendenen, neem mijn staf in je hand en ga. Als je iemand ontmoet, groet hem niet. Als iemand jou groet, antwoord hem niet. Leg mijn staf op het gezicht van de jongen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | לְגֵיחֲזִ֜י (legeichazi) = tot Gechazi | חֲגֹ֣ר (chagor) = gord | מָתְנֶ֗יךָ (mateneikha) = je lendenen | וְקַ֨ח (veqach) = en neem | מִשְׁעַנְתִּ֣י (mishanti) = mijn staf | בְיָדְךָ֮ (beyadekha) = in je hand | וָלֵךְ֒ (valekh) = en ga | כִּֽי (ki) = als | תִמְצָ֥א (timtsa) = je ontmoet | אִישׁ֙ (ish) = iemand | לֹ֣א (lo) = niet | תְבָרְכֶ֔נּוּ (tevarekhenu) = groet hem | וְכִֽי (vekhi) = en als | יְבָרֶכְךָ֥ (yevarekhkha) = groet jou | אִ֖ישׁ (ish) = iemand | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲנֶנּ֑וּ (taanenu) = antwoord hem | וְשַׂמְתָּ֥ (vesamta) = en leg | מִשְׁעַנְתִּ֖י (mishanti) = mijn staf | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הַנָּֽעַר (hanaar) = de jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲגֹר מָתְנֶיךָ (chagor motenekha), ‘gord je lendenen’: bind je kleed op om snel te kunnen lopen (zoals 1 Kon. 18:46). Voetnoot : תְבָרְכֶנּוּ (tevarekhennu), ‘groet hem’: letterlijk ‘zegen hem’. Een zegenwens was ook een groet. Gechazi mag onderweg niet ophouden. Voetnoot : מִשְׁעֶנֶת (mish’enet), ‘staf’: een wandelstaf. Zie ook: Ex 14:16; 1 Kon 18:46; 2 Kon 2:14; 2 Kon 9:1; Luc 10:4 **4:30** De moeder van de jongen zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft: ik laat u niet alleen.” Hij stond op en ging haar achterna. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zei | אֵ֣ם (em) = de moeder van | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | וְחֵֽי (vechei) = en levend is | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = uw ziel | אִם (im) = als | אֶעֶזְבֶ֑ךָּ (eezveka) = ik u verlaat | וַיָּ֖קָם (vayaqam) = en hij stond op | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | אַחֲרֶֽיהָ (achareiha) = haar achterna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה וְחֵי־נַפְשְׁךָ (chai Yahweh vechei nafshekha), ‘zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft’: een eedformule. Elisa zegt dezelfde woorden tegen Elia in 2 Kon. 2:2, 4, 6. Zie ook: Ex 33:12–16; Ruth 1:16–18; 2 Kon 2:2; 2 Kon 2:4 **4:31** Gechazi was hen vooruitgegaan. Hij legde de staf op het gezicht van de jongen, maar er was geen geluid en geen reactie. Hij keerde terug, hem tegemoet, en meldde hem: „De jongen is niet wakker geworden.” Brontekst: וְגֵחֲזִ֞י (vegechazi) = en Gechazi | עָבַ֣ר (avar) = ging voorbij | לִפְנֵיהֶ֗ם (lifneihem) = voor hen uit | וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en legde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁעֶ֨נֶת֙ (hamishenet) = de staf | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | וְאֵ֥ין (veein) = en er was niet | ק֖וֹל (qol) = geluid | וְאֵ֣ין (veein) = en er was niet | קָ֑שֶׁב (qashev) = aandacht | וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | לִקְרָאתוֹ֙ (liqrato) = hem tegemoet | וַיַּגֶּד (vayaged) = en vertelde | ל֣וֹ (lo) = hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹ֥א (lo) = niet | הֵקִ֖יץ (heqits) = is wakker geworden | הַנָּֽעַר (hanaar) = de jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָשֶׁב (qashev), ‘aandacht’: een teken dat de jongen luistert of reageert. Voetnoot : הֵקִיץ (heqits), ‘is wakker geworden’: het werkwoord voor ontwaken uit de slaap. Zie ook: 1 Kon 18:29; Mar 9:19–29; Joh 11:11; Joh 11:43–44; Hand 19:13–17 ### Elisa wekt de jongen op **4:32** Elisa kwam in het huis. Zie, de jongen was dood, neergelegd op zijn bed. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | אֱלִישָׁ֖ע (elisha) = Elisa | הַבָּ֑יְתָה (habayeta) = in het huis | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | מֵ֔ת (met) = dood | מֻשְׁכָּ֖ב (mushkav) = neergelegd | עַל (al) = op | מִטָּתֽוֹ (mitato) = zijn bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 17:17; Luc 8:52–53; Joh 11:17 **4:33** Hij ging naar binnen en sloot de deur achter hen beiden. Hij bad tot Yahweh. Brontekst: וַיָּבֹ֕א (vayavo) = en ging binnen | וַיִּסְגֹּ֥ר (vayisgor) = en sloot | הַדֶּ֖לֶת (hadelet) = de deur | בְּעַ֣ד (bead) = achter | שְׁנֵיהֶ֑ם (sheneihem) = hen beiden | וַיִּתְפַּלֵּ֖ל (vayitpalel) = en bad | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 17:20–21; 2 Kon 4:4; Mat 6:6; Hand 9:40; Jak 5:13–18 **4:34** Hij ging naar boven en ging op het kind liggen. Hij legde zijn mond op zijn mond, zijn ogen op zijn ogen en zijn handpalmen op zijn handpalmen. Hij boog zich over hem heen en het vlees van het kind werd warm. Brontekst: וַיַּ֜עַל (vayaal) = en ging omhoog | וַיִּשְׁכַּ֣ב (vayishkav) = en lag | עַל (al) = op | הַיֶּ֗לֶד (hayeled) = het kind | וַיָּשֶׂם֩ (vayasem) = en legde | פִּ֨יו (piv) = zijn mond | עַל (al) = op | פִּ֜יו (piv) = zijn mond | וְעֵינָ֤יו (veeinav) = en zijn ogen | עַל (al) = op | עֵינָיו֙ (einav) = zijn ogen | וְכַפָּ֣יו (vekhapav) = en zijn handpalmen | עַל (al) = op | כַּפָּ֔יו (kapav) = zijn handpalmen | וַיִּגְהַ֖ר (vayighar) = en boog zich | עָלָ֑יו (alav) = over hem | וַיָּ֖חָם (vayacham) = en werd warm | בְּשַׂ֥ר (besar) = het vlees van | הַיָּֽלֶד (hayaled) = het kind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּגְהַר (vayyigehar), ‘hij boog zich’: dit werkwoord komt weinig voor (ook in 1 Kon. 18:42). Hier legt Elisa zich met zijn hele lichaam op het kind. Vergelijk 1 Kon. 17:21–22, waar Elia hetzelfde doet. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft bij ‘zijn handpalmen’ een enkelvoud (‘zijn hand’). De voorgelezen tekst (qere) heeft het meervoud כַּפָּיו (kappav). Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 17:21; 1 Kon 18:42; Hand 20:10 **4:35** Hij keerde terug en liep in het huis eenmaal heen en eenmaal weer. Hij ging omhoog en boog zich over hem heen. De jongen niesde zeven keer. Toen opende de jongen zijn ogen. Brontekst: וַיָּ֜שָׁב (vayashav) = en keerde terug | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en liep | בַּבַּ֗יִת (babayit) = in het huis | אַחַ֥ת (achat) = eenmaal | הֵ֨נָּה֙ (hena) = hierheen | וְאַחַ֣ת (veachat) = en eenmaal | הֵ֔נָּה (hena) = daarheen | וַיַּ֖עַל (vayaal) = en ging omhoog | וַיִּגְהַ֣ר (vayighar) = en boog zich | עָלָ֑יו (alav) = over hem | וַיְזוֹרֵ֤ר (vayzorer) = en niesde | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | עַד (ad) = tot | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֔ים (peamim) = keer | וַיִּפְקַ֥ח (vayifqach) = en opende | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | אֶת (et) = (obj.) | עֵינָֽיו (einav) = zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְזוֹרֵר (vayzorer), ‘hij niesde’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis ‘niezen’ is niet helemaal zeker. Het is een teken dat de adem terug is. Zie ook: 2 Kon 8:1; 2 Kon 8:5; 2 Kon 13:21; Luc 7:14–15; Hand 9:40 **4:36** Hij riep Gechazi en zei: „Roep deze Sunemitische.” Hij riep haar en zij kwam bij hem. Hij zei: „Neem je zoon.” Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | אֶל (el) = tot | גֵּיחֲזִ֗י (geichazi) = Gechazi | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | קְרָא֙ (qera) = roep | אֶל (el) = tot | הַשֻּׁנַמִּ֣ית (hashunamit) = de Sunemitische | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וַיִּקְרָאֶ֖הָ (vayiqraeha) = en hij riep haar | וַתָּב֣וֹא (vatavo) = en zij kwam | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | שְׂאִ֥י (sei) = neem | בְנֵֽךְ (benekh) = je zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël. Zie ook: 1 Kon 17:23; Luc 7:15; Heb 11:35 **4:37** Zij kwam binnen, viel aan zijn voeten en boog zich ter aarde. Zij nam haar zoon en ging naar buiten. Brontekst: וַתָּבֹא֙ (vatavo) = en zij kwam | וַתִּפֹּ֣ל (vatipol) = en viel | עַל (al) = op | רַגְלָ֔יו (raglav) = zijn voeten | וַתִּשְׁתַּ֖חוּ (vatishtachu) = en boog zich neer | אָ֑רְצָה (aretsa) = ter aarde | וַתִּשָּׂ֥א (vatisa) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | בְּנָ֖הּ (benah) = haar zoon | וַתֵּצֵֽא (vatetse) = en ging naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 17:24; 2 Kon 2:15; 2 Kon 4:27; Heb 11:35 ### De dood in de pot **4:38** Elisa keerde terug naar Gilgal. Er was hongersnood in het land. De zonen van de profeten zaten voor hem. Hij zei tegen zijn jongen: „Zet de grote pot op en kook een gerecht voor de zonen van de profeten.” Brontekst: וֶאֱלִישָׁ֞ע (veelisha) = en Elisa | שָׁ֤ב (shav) = keerde terug | הַגִּלְגָּ֨לָה֙ (hagilgala) = naar Gilgal | וְהָרָעָ֣ב (veharaav) = en de hongersnood | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וּבְנֵי֙ (uvenei) = en de zonen van | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | יֹשְׁבִ֖ים (yoshevim) = zittend | לְפָנָ֑יו (lefanav) = voor hem | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לְנַעֲר֗וֹ (lenaaro) = tot zijn jongen | שְׁפֹת֙ (shefot) = zet op | הַסִּ֣יר (hasir) = de pot | הַגְּדוֹלָ֔ה (hagedola) = de grote | וּבַשֵּׁ֥ל (uvashel) = en kook | נָזִ֖יד (nazid) = een gerecht | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | הַנְּבִיאִֽים (haneviim) = de profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is. Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19). Dit is niet zeker. Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Gilgal: de ligging is onzeker. Er waren meer plaatsen met deze naam. Zie ook 2 Kon. 2:1. Voetnoot : נָזִיד (nazid), ‘gerecht’: iets wat gekookt wordt, zoals in Gen. 25:29. Zie ook: Gen 25:29; 2 Kon 2:1; 2 Kon 2:3; 2 Kon 8:1; Luc 10:39; Hand 22:3 **4:39** Een van hen ging naar het veld om kruiden te plukken. Hij vond een wilde wijnrank en plukte daarvan wilde kalebassen, zijn kleed vol. Hij kwam terug en sneed ze in de pot met het gerecht, want zij kenden ze niet. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en ging naar buiten | אֶחָ֣ד (echad) = een | אֶל (el) = naar | הַשָּׂדֶה֮ (hasade) = het veld | לְלַקֵּ֣ט (lelaqet) = om te plukken | אֹרֹת֒ (orot) = kruiden | וַיִּמְצָא֙ (vayimtsa) = en vond | גֶּ֣פֶן (gefen) = een wijnrank van | שָׂדֶ֔ה (sade) = veld | וַיְלַקֵּ֥ט (vaylaqet) = en plukte | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = daarvan | פַּקֻּעֹ֥ת (paquot) = kalebassen van | שָׂדֶ֖ה (sade) = veld | מְלֹ֣א (melo) = vol | בִגְד֑וֹ (bigdo) = zijn kleed | וַיָּבֹ֗א (vayavo) = en kwam | וַיְפַלַּ֛ח (vayfalach) = en sneed in stukken | אֶל (el) = in | סִ֥יר (sir) = de pot van | הַנָּזִ֖יד (hanazid) = het gerecht | כִּֽי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | יָדָֽעוּ (yadau) = kenden zij ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹרֹת (orot), ‘kruiden’: een zeldzaam woord. Het gaat om eetbare planten. De soort is onzeker. Voetnoot : פַּקֻּעֹת שָׂדֶה (paqqu’ot sadeh), ‘wilde kalebassen’: vruchten van een klimplant. De soort is onzeker; het verhaal laat zien dat ze giftig waren. Voetnoot : וַיְפַלַּח (vayfallach), ‘hij sneed in stukken’. Zie ook: Jes 5:4; Jer 2:21; Mat 15:13; Heb 12:15 **4:40** Zij schepten op voor de mannen om te eten. Terwijl zij van het gerecht aten, riepen zij het uit. Zij zeiden: „De dood is in de pot, man van Elohim!” En zij konden het niet eten. Brontekst: וַיִּֽצְק֥וּ (vayitsqu) = en zij schepten op | לַאֲנָשִׁ֖ים (laanashim) = voor de mannen | לֶאֱכ֑וֹל (leekhol) = om te eten | וַ֠יְהִי (vayhi) = en het was | כְּאָכְלָ֨ם (keakhelam) = toen zij aten | מֵהַנָּזִ֜יד (mehanazid) = van het gerecht | וְהֵ֣מָּה (vehema) = en zij | צָעָ֗קוּ (tsaaqu) = riepen uit | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | מָ֤וֶת (mavet) = de dood | בַּסִּיר֙ (basir) = in de pot | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָכְל֖וּ (yakhelu) = konden zij | לֶאֱכֹֽל (leekhol) = eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָוֶת בַּסִּיר (mavet bassir), ‘de dood is in de pot’: het gerecht is giftig geworden. Zie ook: Ex 10:17; Ex 15:23; Deut 33:1; 1 Kon 17:18; Mar 16:18 **4:41** Hij zei: „Haal meel.” Hij gooide het in de pot en zei: „Schep op voor het volk, laat hen eten.” Er was niets kwaads meer in de pot. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | וּקְחוּ (uqechu) = en haal | קֶ֔מַח (qemach) = meel | וַיַּשְׁלֵ֖ךְ (vayashlekh) = en hij gooide | אֶל (el) = in | הַסִּ֑יר (hasir) = de pot | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | צַ֤ק (tsaq) = schep op | לָעָם֙ (laam) = voor het volk | וְיֹאכֵ֔לוּ (veyokhelu) = en laat hen eten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הָיָ֛ה (haya) = was | דָּבָ֥ר (davar) = ding | רָ֖ע (ra) = kwaad | בַּסִּֽיר (basir) = in de pot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:25; 2 Kon 2:21; 2 Kon 6:6; Joh 9:6; 1 Kor 1:25 ### Twintig broden voor honderd mannen **4:42** Een man kwam uit Baäl-Salisa. Hij bracht de man van Elohim brood van de eerstelingen: twintig gerstebroden en vers graan in zijn zak. Elisa zei: „Geef het aan het volk, laat hen eten.” Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en een man | בָּ֜א (ba) = kwam | מִבַּ֣עַל (mibaal) = uit Baäl | שָׁלִ֗שָׁה (shalisha) = Salisa | וַיָּבֵא֩ (vayave) = en bracht | לְאִ֨ישׁ (leish) = aan de man van | הָאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = Elohim | לֶ֤חֶם (lechem) = brood van | בִּכּוּרִים֙ (bikurim) = de eerstelingen | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig | לֶ֣חֶם (lechem) = broden | שְׂעֹרִ֔ים (seorim) = gerst | וְכַרְמֶ֖ל (vekharmel) = en vers graan | בְּצִקְלֹנ֑וֹ (betsiqlono) = in zijn zak | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | תֵּ֥ן (ten) = geef | לָעָ֖ם (laam) = aan het volk | וְיֹאכֵֽלוּ (veyokhelu) = en laat hen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Baäl-Salisa (ligging onzeker): Baäl-Salisa lag vermoedelijk in het bergland van Efraïm, bij het land Salisa (1 Samuël 9:4). Kafr Thilth is voorgesteld. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Baäl-Salisa (בַּעַל שָׁלִשָׁה, Baal-Shalishah): de ligging is onzeker. De plaats lag waarschijnlijk in het bergland van Efraïm, bij het ‘land Salisa’ (1 Sam. 9:4). Voetnoot : בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’: de eerste opbrengst van de oogst. Volgens de wet kwamen de eerstelingen aan de priester (Num. 18:13). Deze man brengt ze aan de man van Elohim. Voetnoot : כַּרְמֶל (karmel), ‘vers graan’: hier gaat het niet om de berg Karmel (zoals Lev. 2:14). Voetnoot : בְּצִקְלֹנוֹ (betsiqlono), ‘in zijn zak’: dit woord komt alleen hier voor. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft alleen ‘hij zei’. Om duidelijk te maken wie spreekt, schrijven wij ‘Elisa’. Zie ook: Lev 2:14; Num 18:13; 1 Sam 9:4; 1 Sam 9:7; 2 Kon 7:1; Mat 14:16–21; Joh 6:9; Joh 6:13 **4:43** Zijn bediende zei: „Hoe kan ik dit voor honderd mannen neerzetten?” Hij zei: „Geef het aan het volk, laat hen eten. Want zo zegt Yahweh: ‘Men zal eten en er zal overblijven.’” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | מְשָׁ֣רְת֔וֹ (meshareto) = zijn bediende | מָ֚ה (ma) = wat | אֶתֵּ֣ן (eten) = zal ik geven | זֶ֔ה (ze) = dit | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | מֵ֣אָה (mea) = honderd | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | תֵּ֤ן (ten) = geef | לָעָם֙ (laam) = aan het volk | וְיֹאכֵ֔לוּ (veyokhelu) = en laat hen eten | כִּ֣י (ki) = want | כֹ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אָכֹ֥ל (akhol) = eten | וְהוֹתֵֽר (vehoter) = en overblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשָׁרֵת (mesharet), ‘bediende’: iemand die dient. Hier is het de dienaar van Elisa. Voetnoot : Elisa’s woorden ‘Zo zegt Yahweh’ staan zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Elisa citeert Yahweh; het zijn geen woorden van Yahweh in het verhaal zelf (zoals 1 Kon. 17:14). Zie ook: 1 Kon 17:14; Mat 14:20; Mat 16:8–10; Luc 9:13; Joh 6:9; Joh 6:11–13 **4:44** Hij zette het hun voor. Zij aten en er bleef over, naar het woord van Yahweh. Brontekst: וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en gaf | לִפְנֵיהֶ֛ם (lifneihem) = voor hen | וַיֹּאכְל֥וּ (vayokhlu) = en zij aten | וַיּוֹתִ֖רוּ (vayotiru) = en er bleef over | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Naar het woord van Yahweh’: wat Elisa in vers 43 zei, gebeurt. Vergelijk 1 Kon. 17:16. Zie ook: 1 Kon 17:16; 2 Kon 4:43 ## 2 Koningen 5 _Naäman, de bevelhebber van Aram, en Gechazi_ ### Naäman is melaats **5:1** Naäman, de bevelhebber van het leger van de koning van Aram, was een groot man bij zijn heer en iemand van aanzien. Want door hem had Yahweh redding gegeven aan Aram. De man was een dappere held, maar hij was melaats. Brontekst: וְ֠נַעֲמָן (venaaman) = en Naäman | שַׂר (sar) = bevelhebber van | צְבָ֨א (tseva) = het leger van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אֲרָ֜ם (aram) = Aram | הָיָ֣ה (haya) = was | אִישׁ֩ (ish) = een man | גָּד֨וֹל (gadol) = groot | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֲדֹנָיו֙ (adonav) = zijn heer | וּנְשֻׂ֣א (unesu) = en opgeheven van | פָנִ֔ים (panim) = aangezicht | כִּֽי (ki) = want | ב֛וֹ (bo) = door hem | נָֽתַן (natan) = gaf | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | תְּשׁוּעָ֖ה (teshua) = redding | לַאֲרָ֑ם (laaram) = aan Aram | וְהָאִ֗ישׁ (vehaish) = en de man | הָיָ֛ה (haya) = was | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | מְצֹרָֽע (metsora) = melaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Aram lag ten noordoosten van Israël, rond Damascus, in het huidige Syrië. Voetnoot : נְשֻׂא פָנִים (nesu fanim), ‘iemand van aanzien’: letterlijk ‘opgeheven van gezicht’. Voetnoot : תְּשׁוּעָה (teshuah), ‘redding’: Yahweh gaf redding aan Aram door Naäman. Het verhaal zegt niet hoe. Voetnoot : מְצֹרָע (metsora), ‘melaats’: een huidziekte, zoals in Lev. 13. Het is niet dezelfde ziekte als lepra in onze tijd. Wij vertalen steeds ‘melaats’ en ‘melaatsheid’, zoals in Lev. 13 en Num. 12:10. Zie ook: Num 12:10–12; Deut 2:37; Spr 21:31; Luc 4:27; Rom 15:18 **5:2** De Arameeërs waren in benden uitgetrokken. Zij hadden uit het land Israël een klein meisje gevangen weggevoerd. Zij stond in dienst bij de vrouw van Naäman. Brontekst: וַאֲרָם֙ (vaaram) = en Aram | יָצְא֣וּ (yatseu) = gingen uit | גְדוּדִ֔ים (gedudim) = benden | וַיִּשְׁבּ֛וּ (vayishbu) = en voerden gevangen weg | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נַעֲרָ֣ה (naara) = een meisje | קְטַנָּ֑ה (qetana) = klein | וַתְּהִ֕י (vatehi) = en zij was | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֵ֥שֶׁת (eshet) = de vrouw van | נַעֲמָֽן (naaman) = Naäman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְדוּדִים (gedudim), ‘benden’: groepen krijgers die er snel op uit trekken om buit te maken. Het meisje is uit zo’n overval meegevoerd. Zie ook: Re 9:34; 1 Sam 13:17–18; Ps 123:2; 2 Kon 6:23; 2 Kon 13:20 **5:3** Zij zei tegen haar meesteres: „Och, was mijn heer maar bij de profeet die in Samaria is! Dan zou hij zijn melaatsheid van hem wegnemen.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zij zei | אֶל (el) = tot | גְּבִרְתָּ֔הּ (gevirtah) = haar meesteres | אַחֲלֵ֣י (achalei) = och dat | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer was | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּשֹׁמְר֑וֹן (beshomeron) = in Samaria | אָ֛ז (az) = dan | יֶאֱסֹ֥ף (yeesof) = zou wegnemen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | מִצָּרַעְתּֽוֹ (mitsarato) = van zijn melaatsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Samaria was de hoofdstad van het noordrijk, op een heuvel in het bergland van Efraïm, bij het huidige Sebastiya (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot : יֶאֱסֹף (ye’esof), ‘hij zou wegnemen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen’. Bij melaatsheid betekent het: de ziekte wegnemen. Wij vertalen steeds ‘wegnemen’ (verzen 3, 6, 7 en 11). Zie ook: Num 11:29; Mat 11:5; Luc 17:12–14; Hand 26:29; 1 Kor 4:8 **5:4** Hij ging naar binnen en vertelde het aan zijn heer: „Zo en zo heeft het meisje uit het land Israël gesproken.” Brontekst: וַיָּבֹ֕א (vayavo) = en hij ging naar binnen | וַיַּגֵּ֥ד (vayaged) = en vertelde | לַאדֹנָ֖יו (ladonav) = aan zijn heer | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כָּזֹ֤את (kazot) = zo | וְכָזֹאת֙ (vekhazot) = en zo | דִּבְּרָ֣ה (dibera) = heeft gesproken | הַֽנַּעֲרָ֔ה (hanaara) = het meisje | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 7:9–11; Mar 5:19; Mar 16:9–10; Joh 4:28–29; 1 Kor 1:26–27 **5:5** De koning van Aram zei: „Ga erheen. Ik zal een brief sturen aan de koning van Israël.” Hij ging. Hij nam tien talenten zilver mee, 6.000 sikkel goud en tien stel kleren. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אֲרָם֙ (aram) = Aram | לֶךְ (lekh) = ga | בֹּ֔א (bo) = kom | וְאֶשְׁלְחָ֥ה (veeshlecha) = en ik zal sturen | סֵ֖פֶר (sefer) = een brief | אֶל (el) = aan | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֵּלֶךְ֩ (vayelekh) = en hij ging | וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | בְּיָד֜וֹ (beyado) = in zijn hand | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | כִּכְּרֵי (kikerei) = talenten van | כֶ֗סֶף (kesef) = zilver | וְשֵׁ֤שֶׁת (vesheshet) = en zes | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וְעֶ֖שֶׂר (veeser) = en tien | חֲלִיפ֥וֹת (chalifot) = stel van | בְּגָדִֽים (begadim) = kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een talent is ongeveer 34 kilogram. Tien talenten zilver zijn dus ongeveer 340 kilogram. Voetnoot : שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: een sikkel is ongeveer 11,4 gram. Het Hebreeuws noemt bij het goud geen eenheid: er staat ‘zesduizend goud’. Wij vullen ‘sikkel’ aan, de gewone eenheid voor goud. Zesduizend sikkel is ongeveer 68 kilogram. De omrekeningen zijn bij benadering. Voetnoot : חֲלִיפוֹת בְּגָדִים (chalifot begadim), ‘stel kleren’: een stel kleren om te verwisselen, dat als geschenk wordt gegeven. Zie ook: Num 22:7; Re 14:12; 2 Kon 4:42; 2 Kon 8:8–9; Jak 5:1–3 **5:6** Hij bracht de brief naar de koning van Israël. Daarin stond: „Nu, zodra deze brief bij u komt: zie, ik heb mijn dienaar Naäman naar u gestuurd. Neem zijn melaatsheid van hem weg.” Brontekst: וַיָּבֵ֣א (vayave) = en hij bracht | הַסֵּ֔פֶר (hasefer) = de brief | אֶל (el) = aan | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | כְּב֨וֹא (kevo) = bij het komen van | הַסֵּ֤פֶר (hasefer) = de brief | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar u | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | שָׁלַ֤חְתִּי (shalachti) = ik heb gestuurd | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = naar u | אֶת (et) = (obj.) | נַעֲמָ֣ן (naaman) = Naäman | עַבְדִּ֔י (avdi) = mijn dienaar | וַאֲסַפְתּ֖וֹ (vaasafto) = en u zult wegnemen | מִצָּרַעְתּֽוֹ (mitsarato) = zijn melaatsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:7** Toen de koning van Israël de brief las, scheurde hij zijn kleren. Hij zei: „Ben ik Elohim, om te doden en levend te maken? Want deze stuurt een man naar mij om zijn melaatsheid van hem weg te nemen. Merk toch op en zie dat hij een aanleiding tegen mij zoekt.” Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | כִּקְרֹא֩ (kiqro) = toen las | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַסֵּ֜פֶר (hasefer) = de brief | וַיִּקְרַ֣ע (vayiqra) = en scheurde | בְּגָדָ֗יו (begadav) = zijn kleren | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | הַאֱלֹהִ֥ים (haElohim) = Elohim | אָ֨נִי֙ (ani) = ben ik | לְהָמִ֣ית (lehamit) = om te doden | וּֽלְהַחֲי֔וֹת (ulehachayot) = en levend te maken | כִּֽי (ki) = dat | זֶה֙ (ze) = deze | שֹׁלֵ֣חַ (sholeach) = stuurt | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | לֶאֱסֹ֥ף (leesof) = om weg te nemen | אִ֖ישׁ (ish) = een man | מִצָּֽרַעְתּ֑וֹ (mitsarato) = zijn melaatsheid | כִּ֤י (ki) = want | אַךְ (akh) = wel | דְּעֽוּ (deu) = weet | נָא֙ (na) = toch | וּרְא֔וּ (ureu) = en zie | כִּֽי (ki) = dat | מִתְאַנֶּ֥ה (mitane) = hij zoekt een aanleiding | ה֖וּא (hu) = hij | לִֽי (li) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kleren scheuren is een teken van rouw of wanhoop (zoals Gen. 37:34). Voetnoot : De koning van Israël zegt dat alleen Elohim kan doden en levend maken. Vergelijk Deut. 32:39 en 1 Sam. 2:6. Voetnoot : מִתְאַנֶּה (mitanneh), ‘een aanleiding zoeken’: hij zoekt een reden voor ruzie. Zie ook: Gen 30:2; Gen 37:34; Deut 32:39; 1 Sam 2:6; 1 Kon 20:7; Hos 6:1 **5:8** Elisa, de man van Elohim, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren had gescheurd. Hij stuurde bericht aan de koning: „Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hem toch bij mij komen. Dan zal hij weten dat er een profeet is in Israël.” Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כִּשְׁמֹ֣עַ (kishmoa) = toen hoorde | אֱלִישָׁ֣ע (elisha) = Elisa | אִישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | כִּֽי (ki) = dat | קָרַ֤ע (qara) = had gescheurd | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en stuurde | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לָ֥מָּה (lama) = waarom | קָרַ֖עְתָּ (qarata) = hebt u gescheurd | בְּגָדֶ֑יךָ (begadeikha) = uw kleren | יָבֹֽא (yavo) = laat hem komen | נָ֣א (na) = toch | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְיֵדַ֕ע (veyeda) = en hij zal weten | כִּ֛י (ki) = dat | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | נָבִ֖יא (navi) = een profeet | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 3:31; 1 Kon 17:24; 1 Kon 18:36–37; 2 Kon 1:6; 2 Kon 5:15 ### Naäman bij het huis van Elisa **5:9** Naäman kwam met zijn paarden en zijn wagen. Hij bleef staan bij de ingang van het huis van Elisa. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | נַעֲמָ֖ן (naaman) = Naäman | בְּסוּסָ֣יו (besusav) = met zijn paarden | וּבְרִכְבּ֑וֹ (uverikhbo) = en met zijn wagen | וַיַּעֲמֹ֥ד (vayaamod) = en stond | פֶּֽתַח (petach) = bij de ingang van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | לֶאֱלִישָֽׁע (leelisha) = van Elisa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘met zijn paard’, enkelvoud. De voorgelezen tekst (qere) heeft בְּסוּסָיו (besusav), ‘met zijn paarden’. Wij volgen het qere. Zie ook: 2 Kon 3:12; 2 Kon 6:32; Jes 60:14; Hand 16:29–30; Hand 16:37–39 **5:10** Elisa stuurde een bode naar hem met de woorden: „Ga, was je zeven keer in de Jordaan. Dan komt je vlees bij je terug en word je rein.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en stuurde | אֵלָ֛יו (elav) = naar hem | אֱלִישָׁ֖ע (elisha) = Elisa | מַלְאָ֣ךְ (malakh) = een bode | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הָל֗וֹךְ (halokh) = ga | וְרָחַצְתָּ֤ (verachatsta) = en was je | שֶֽׁבַע (sheva) = zeven | פְּעָמִים֙ (peamim) = keer | בַּיַּרְדֵּ֔ן (bayarden) = in de Jordaan | וְיָשֹׁ֧ב (veyashov) = en zal terugkeren | בְּשָׂרְךָ֛ (besarekha) = je vlees | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | וּטְהָֽר (utehar) = en wees rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: מַלְאָךְ (mal’akh), ‘bode’: iemand die een boodschap brengt. Het woord kan ook ‘engel’ betekenen. Hier is het een gewone bode: Elisa komt zelf niet naar buiten. Voetnoot : וְרָחַצְתָּ (verachatsta), ‘en was je’. Het getal zeven komt ook voor bij het reinigen van de melaatse (Lev. 14:7–8). Zie ook: Lev 14:7; Joz 6:4; Mat 15:23–26; Joh 9:7; 1 Kor 6:11 **5:11** Naäman werd woedend en ging weg. Hij zei: „Zie, ik zei bij mezelf: ‘Hij komt zeker naar buiten en gaat staan. Hij roept de naam van Yahweh, zijn Elohim, aan, beweegt zijn hand over de plek en neemt de melaatsheid weg.’ Brontekst: וַיִּקְצֹ֥ף (vayiqtsof) = en werd woedend | נַעֲמָ֖ן (naaman) = Naäman | וַיֵּלַ֑ךְ (vayelakh) = en ging | וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָמַ֜רְתִּי (amarti) = ik zei | אֵלַ֣י (elay) = bij mezelf | יֵצֵ֣א (yetse) = hij zal uitgaan | יָצ֗וֹא (yatso) = zeker | וְעָמַד֙ (veamad) = en zal gaan staan | וְקָרָא֙ (veqara) = en zal roepen | בְּשֵׁם (beshem) = bij de naam van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֔יו (elohav) = zijn Elohim | וְהֵנִ֥יף (vehenif) = en zal bewegen | יָד֛וֹ (yado) = zijn hand | אֶל (el) = over | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plek | וְאָסַ֥ף (veasaf) = en zal wegnemen | הַמְּצֹרָֽע (hametsora) = de melaatsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָסַף הַמְּצֹרָע (ve’asaf hametsora), ‘en hij neemt de melaatse weg’: het Hebreeuws heeft hier ‘de melaatse’. Naäman bedoelt de aangetaste plek op zijn lichaam. Wij vertalen ‘de melaatsheid’, zoals in de verzen 3, 6 en 7. Voetnoot : הֵנִיף יָדוֹ (henif yado), ‘hij beweegt zijn hand’: een zwaaiende beweging over de plek. Zie ook: Spr 1:32; Spr 3:7; Jes 55:8–9; Joh 4:48; 1 Kor 3:18–20 **5:12** Zijn de Amana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Kan ik mij daarin niet wassen en rein worden?” Hij draaide zich om en ging weg in woede. Brontekst: הֲלֹ֡א (halo) = is niet | טוֹב֩ (tov) = beter | אֲמָנָ֨ה (amana) = Amana | וּפַרְפַּ֜ר (ufarpar) = en Parpar | נַהֲר֣וֹת (naharot) = rivieren van | דַּמֶּ֗שֶׂק (dameseq) = Damascus | מִכֹּל֙ (mikol) = dan alle | מֵימֵ֣י (meimei) = wateren van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הֲלֹֽא (halo) = is niet | אֶרְחַ֥ץ (erchats) = zal ik me wassen | בָּהֶ֖ם (bahem) = daarin | וְטָהָ֑רְתִּי (vetaharti) = en zal ik rein zijn | וַיִּ֖פֶן (vayifen) = en hij draaide zich om | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | בְּחֵמָֽה (bechema) = in woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Amana (Abana): De Amana (Abana) is de rivier van Damascus, de huidige Barada. Zij komt uit het Antilibanon. Zie Parpar (ligging onzeker): De Parpar is de andere rivier van Damascus. Meestal wordt gedacht aan de Awaj, ten zuiden van de stad. Dit is niet zeker. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Damascus (Dimasjq) is de hoofdstad van Aram en ligt in het huidige Syrië. De Amana wordt meestal gezocht bij de rivier die door Damascus stroomt (de Barada). De Parpar wordt gezocht bij een andere rivier ten zuiden van de stad. De ligging is niet zeker. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de naam Abana (אֲבָנָה). De voorgelezen tekst (qere) heeft Amana (אֲמָנָה). Wij volgen het qere. Zie ook: Joz 3:15–17; Spr 14:17; 2 Kon 2:8; Zach 13:1; Mar 1:9 **5:13** Zijn dienaren kwamen naar hem toe en spraken tegen hem. Zij zeiden: „Mijn vader, als de profeet u iets groots had gezegd, zou u het dan niet doen? Hoeveel te meer nu hij tegen u zegt: ‘Was je en word rein.’” Brontekst: וַיִּגְּשׁ֣וּ (vayigeshu) = en kwamen naar hem toe | עֲבָדָיו֮ (avadav) = zijn dienaren | וַיְדַבְּר֣וּ (vaydaberu) = en spraken | אֵלָיו֒ (elav) = tot hem | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | דָּבָ֣ר (davar) = een ding | גָּד֗וֹל (gadol) = groot | הַנָּבִ֛יא (hanavi) = de profeet | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | הֲל֣וֹא (halo) = niet | תַעֲשֶׂ֑ה (taase) = zou je doen | וְאַ֛ף (veaf) = en hoeveel te meer | כִּֽי (ki) = dat | אָמַ֥ר (amar) = hij zei | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | רְחַ֥ץ (rechats) = was je | וּטְהָֽר (utehar) = en wees rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִי (avi), ‘mijn vader’: een eerbiedige aanspreking door dienaren. Zie ook: Job 32:8–9; 2 Kon 2:12; 2 Kon 6:21; 2 Kon 13:14; Openb 7:14 **5:14** Hij daalde af en dompelde zich zeven keer onder in de Jordaan, naar het woord van de man van Elohim. Zijn vlees keerde terug, als het vlees van een kleine jongen. Hij werd rein. Brontekst: וַיֵּ֗רֶד (vayered) = en daalde af | וַיִּטְבֹּ֤ל (vayitbol) = en dompelde zich onder | בַּיַּרְדֵּן֙ (bayarden) = in de Jordaan | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֔ים (peamim) = keer | כִּדְבַ֖ר (kidvar) = naar het woord van | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en keerde terug | בְּשָׂר֗וֹ (besaro) = zijn vlees | כִּבְשַׂ֛ר (kivsar) = als het vlees van | נַ֥עַר (naar) = een jongen | קָטֹ֖ן (qaton) = kleine | וַיִּטְהָֽר (vayithar) = en werd rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: וַיִּטְבֹּל (vayyitbol), ‘hij dompelde zich onder’: een ander woord dan ‘wassen’ in vers 10. Zijn huid wordt weer als die van een kleine jongen: de ziekte is helemaal weg. Zie ook: Job 33:25; 2 Kon 5:10; Zach 14:8; Luc 4:27; Luc 5:13; Joh 2:5 ### Naäman belijdt Yahweh **5:15** Hij keerde terug naar de man van Elohim, hij en heel zijn gevolg. Hij kwam en ging voor hem staan. Hij zei: „Zie toch, ik weet dat er op heel de aarde geen Elohim is, behalve in Israël. Neem nu toch een zegengeschenk aan van uw dienaar.” Brontekst: וַיָּשָׁב֩ (vayashav) = en keerde terug | אֶל (el) = naar | אִ֨ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = Elohim | ה֣וּא (hu) = hij | וְכָֽל (vekhal) = en heel | מַחֲנֵ֗הוּ (machanehu) = zijn gevolg | וַיָּבֹא֮ (vayavo) = en kwam | וַיַּעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en ging staan | לְפָנָיו֒ (lefanav) = voor hem | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֤א (na) = toch | יָדַ֨עְתִּי֙ (yadati) = ik weet | כִּ֣י (ki) = dat | אֵ֤ין (ein) = er is niet | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בְּכָל (bekhal) = op heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כִּ֖י (ki) = behalve | אִם (im) = als | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | קַח (qach) = neem | נָ֥א (na) = toch | בְרָכָ֖ה (berakha) = een zegengeschenk | מֵאֵ֥ת (meet) = van | עַבְדֶּֽךָ (avdekha) = uw dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרָכָה (berakhah), ‘zegengeschenk’: letterlijk ‘zegen’, een geschenk uit dank of eerbetoon. Zo ook in 1 Sam. 25:27. Voetnoot : מַחֲנֵהוּ (machanehu), ‘zijn gevolg’: letterlijk ‘zijn kamp’, de mensen die met hem reisden. Voetnoot : Naäman belijdt dat er geen Elohim is op heel de aarde behalve in Israël. Vergelijk Deut. 4:35, 39. Zie ook: Deut 4:35; Joz 2:9–11; 1 Sam 25:27; Jes 44:8; Dan 2:47; Dan 3:29; Dan 6:27–28 **5:16** Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft, voor wiens aangezicht ik sta: ik neem het niet aan.” Naäman drong bij hem aan om het aan te nemen, maar hij weigerde. Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = voor wie | עָמַ֥דְתִּי (amadti) = ik sta | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | אִם (im) = als | אֶקָּ֑ח (eqach) = ik neem | וַיִּפְצַר (vayiftsar) = en hij drong aan | בּ֥וֹ (bo) = bij hem | לָקַ֖חַת (laqachat) = om te nemen | וַיְמָאֵֽן (vaymaen) = en weigerde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה אֲשֶׁר עָמַדְתִּי לְפָנָיו (chai Yahweh asher amadti lefanav), ‘zo waar Yahweh leeft, voor wiens aangezicht ik sta’: een eedformule, zoals in 1 Kon. 17:1. Elisa weigert elk geschenk. Voetnoot Lezing: In de tweede helft van het vers noemt het Hebreeuws geen namen. Wij schrijven ‘Naäman’, om duidelijk te maken wie aandringt. Zie ook: 1 Kon 13:8; 1 Kon 17:1; 2 Kon 3:14; 2 Kon 5:20; 2 Kon 5:26; Dan 5:17 **5:17** Naäman zei: „Als u het niet aanneemt, laat dan toch aan uw dienaar een lading grond worden gegeven, zoveel als een span muildieren kan dragen. Want uw dienaar zal niet meer brandoffers en slachtoffers brengen aan andere goden, maar alleen aan Yahweh. Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en zei | נַעֲמָן֒ (naaman) = Naäman | וָלֹ֕א (valo) = en zo niet | יֻתַּן (yutan) = laat gegeven worden | נָ֣א (na) = toch | לְעַבְדְּךָ֔ (leavdekha) = aan uw dienaar | מַשָּׂ֥א (masa) = een last van | צֶֽמֶד (tsemed) = een span van | פְּרָדִ֖ים (peradim) = muildieren | אֲדָמָ֑ה (adama) = grond | כִּ֡י (ki) = want | לֽוֹא (lo) = niet | יַעֲשֶׂה֩ (yaase) = zal brengen | ע֨וֹד (od) = meer | עַבְדְּךָ֜ (avdekha) = uw dienaar | עֹלָ֤ה (ola) = brandoffer | וָזֶ֨בַח֙ (vazevach) = en slachtoffer | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = aan goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | כִּ֖י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָלֹא (valo), ‘en niet’: het Hebreeuws begint met ‘en niet’. Wij begrijpen: ‘als u het niet aanneemt’. Voetnoot : מַשָּׂא צֶמֶד־פְּרָדִים אֲדָמָה (massa tsemed peradim adamah), ‘een last grond van een span muildieren’: zoveel grond als twee muildieren kunnen dragen. Waarom Naäman grond wil meenemen, zegt de tekst niet. Voetnoot : אֱלֹהִים אֲחֵרִים (elohim acherim), ‘andere goden’: zoals in Exod. 20:3. Zie ook: Ex 20:3; Ex 20:24; 2 Kon 5:12; Hand 26:18; Rom 14:1; 1 Petr 4:3 **5:18** In deze zaak moge Yahweh uw dienaar vergeven. Wanneer mijn heer het huis van Rimmon binnengaat om zich daar neer te buigen, steunt hij op mijn hand. Dan buig ik mij neer in het huis van Rimmon. Als ik mij in het huis van Rimmon neerbuig, moge Yahweh dan toch uw dienaar vergeven in deze zaak.” Brontekst: לַדָּבָ֣ר (ladavar) = in de zaak | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | יִסְלַ֥ח (yislach) = moge vergeven | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְעַבְדֶּ֑ךָ (leavdekha) = aan uw dienaar | בְּב֣וֹא (bevo) = wanneer binnengaat | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | בֵית (beit) = het huis van | רִמּוֹן֩ (rimon) = Rimmon | לְהִשְׁתַּחֲוֺ֨ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | שָׁ֜מָּה (shama) = daar | וְה֣וּא (vehu) = en hij | נִשְׁעָ֣ן (nishan) = steunt | עַל (al) = op | יָדִ֗י (yadi) = mijn hand | וְהִֽשְׁתַּחֲוֵ֨יתִי֙ (vehishtachaveiti) = en ik buig mij neer | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | רִמֹּ֔ן (rimon) = Rimmon | בְּהִשְׁתַּחֲוָיָ֨תִי֙ (behishtachavayati) = als ik mij neerbuig | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | רִמֹּ֔ן (rimon) = Rimmon | יִסְלַח (yislach) = moge vergeven | נא (na) = toch | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לְעַבְדְּךָ֖ (leavdekha) = aan uw dienaar | בַּדָּבָ֥ר (badavar) = in de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִמּוֹן (Rimmon) is hier de naam van een god van Aram. Wij laten de naam staan. Het ‘huis van Rimmon’ is zijn tempel. Voetnoot : יִסְלַח (yislach), ‘hij vergeve’: dit werkwoord heeft in de Bijbel meestal Elohim als onderwerp. Voetnoot : Naäman vraagt vergeving voor wat hij moet doen als dienaar van zijn koning: hij steunt op diens hand en buigt zich dan met hem neer. Elisa antwoordt in vers 19 alleen: ‘Ga in vrede.’ Zie ook: 1 Kon 19:18; 2 Kon 5:19; 2 Kon 7:2; 2 Kon 7:17; 2 Kon 17:35; Jer 50:20 ### Gechazi en de geschenken **5:19** Hij zei tegen hem: „Ga in vrede.” Naäman ging bij hem weg en legde een eind van het land af. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | ל֖וֹ (lo) = tot hem | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = in vrede | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | מֵאִתּ֖וֹ (meito) = van hem weg | כִּבְרַת (kivrat) = een eind van | אָֽרֶץ (arets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵךְ לְשָׁלוֹם (lekh leshalom), ‘ga in vrede’: een gewone afscheidsgroet. Voetnoot : כִּבְרַת־אָרֶץ (kivrat arets), ‘een eind van het land’: een niet nader bepaalde afstand (zoals Gen. 35:16; 48:7). Zie ook: Gen 35:16; Gen 48:7; Ex 4:18; 1 Sam 1:17; Mar 5:34; Luc 7:50; Heb 5:13–14 **5:20** Gechazi, de jongen van Elisa, de man van Elohim, zei: „Zie, mijn heer heeft deze Aramees Naäman ontzien. Hij heeft niet aangenomen wat hij had meegebracht. Zo waar Yahweh leeft: ik ga hem achterna rennen en neem iets van hem aan.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | גֵּיחֲזִ֗י (geichazi) = Gechazi | נַעַר֮ (naar) = jongen van | אֱלִישָׁ֣ע (elisha) = Elisa | אִישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִים֒ (haElohim) = Elohim | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | חָשַׂ֣ךְ (chasakh) = heeft ontzien | אֲדֹנִ֗י (adoni) = mijn heer | אֶֽת (et) = (obj.) | נַעֲמָ֤ן (naaman) = Naäman | הָֽאֲרַמִּי֙ (haarami) = de Aramees | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | מִקַּ֥חַת (miqachat) = door niet aan te nemen | מִיָּד֖וֹ (miyado) = uit zijn hand | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | הֵבִ֑יא (hevi) = hij had meegebracht | חַי (chay) = levend is | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | אִם (im) = zeker | רַ֣צְתִּי (ratsti) = ik zal rennen | אַחֲרָ֔יו (acharav) = achter hem | וְלָקַחְתִּ֥י (velaqachti) = en ik zal nemen | מֵאִתּ֖וֹ (meito) = van hem | מְאֽוּמָה (meuma) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָשַׂךְ (chasakh), ‘ontzien’: letterlijk ‘terughouden’. Gechazi vindt dat zijn heer Naäman gespaard heeft door niets aan te nemen. Hij gebruikt dezelfde eedformule als Elisa in vers 16. Zie ook: 2 Kon 4:12; 2 Kon 4:31; 2 Kon 4:36; 2 Kon 5:16; 2 Kon 6:31; Tit 1:7 **5:21** Gechazi rende achter Naäman aan. Naäman zag hem achter zich aan rennen. Hij sprong van de wagen, hem tegemoet, en vroeg: „Is alles goed?” Brontekst: וַיִּרְדֹּ֥ף (vayirdof) = en achtervolgde | גֵּיחֲזִ֖י (geichazi) = Gechazi | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | נַֽעֲמָ֑ן (naaman) = Naäman | וַיִּרְאֶ֤ה (vayire) = en zag | נַֽעֲמָן֙ (naaman) = Naäman | רָ֣ץ (rats) = rennend | אַחֲרָ֔יו (acharav) = achter hem | וַיִּפֹּ֞ל (vayipol) = en liet zich vallen | מֵעַ֧ל (meal) = van | הַמֶּרְכָּבָ֛ה (hamerkava) = de wagen | לִקְרָאת֖וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | הֲשָׁלֽוֹם (hashalom) = is alles goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 4:26; 2 Kon 9:17–22; Luc 7:6–7; Hand 8:31; Hand 10:25–26 **5:22** Hij zei: „Het is goed. Mijn heer heeft mij gestuurd met de woorden: ‘Zie, zojuist zijn twee jongens uit het bergland van Efraïm bij mij gekomen. Zij zijn van de zonen van de profeten. Geef hun toch een talent zilver en twee stel kleren.’” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁל֗וֹם (shalom) = goed | אֲדֹנִי֮ (adoni) = mijn heer | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | עַתָּ֡ה (ata) = nu | זֶ֠ה (ze) = zojuist | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | אֵלַ֧י (elay) = naar mij | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | נְעָרִ֛ים (nearim) = jongens | מֵהַ֥ר (mehar) = van het bergland van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | הַנְּבִיאִ֑ים (haneviim) = de profeten | תְּנָה (tena) = geef | נָּ֤א (na) = toch | לָהֶם֙ (lahem) = hun | כִּכַּר (kikar) = een talent | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וּשְׁתֵּ֖י (ushtei) = en twee | חֲלִפ֥וֹת (chalifot) = stel van | בְּגָדִֽים (begadim) = kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: Gechazi spreekt hier zonder opdracht van Elisa; zie de verzen 25–26. Voetnoot : Onze woorden ‘mijn heer heeft mij gestuurd’ zijn Gechazi’s aanhaling van Elisa, daarom staan ze in enkele aanhalingstekens. Zie ook: 2 Kon 5:5; Jer 9:4; Joh 8:44; Hand 5:3–4; Openb 21:8 **5:23** Naäman zei: „Wees zo goed twee talenten aan te nemen.” Hij drong bij hem aan. Hij bond twee talenten zilver in twee buidels, met twee stel kleren, en gaf ze aan twee van zijn jongens. Zij droegen het voor hem uit. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | נַעֲמָ֔ן (naaman) = Naäman | הוֹאֵ֖ל (hoel) = wees zo goed | קַ֣ח (qach) = neem | כִּכָּרָ֑יִם (kikarayim) = twee talenten | וַיִּפְרָץ (vayifrats) = en hij drong aan | בּ֗וֹ (bo) = bij hem | וַיָּצַר֩ (vayatsar) = en bond | כִּכְּרַ֨יִם (kikerayim) = twee talenten | כֶּ֜סֶף (kesef) = zilver | בִּשְׁנֵ֣י (bishnei) = in twee | חֲרִטִ֗ים (charitim) = buidels | וּשְׁתֵּי֙ (ushtei) = en twee | חֲלִפ֣וֹת (chalifot) = stel van | בְּגָדִ֔ים (begadim) = kleren | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en gaf | אֶל (el) = aan | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | נְעָרָ֔יו (nearav) = zijn jongens | וַיִּשְׂא֖וּ (vayisu) = en zij droegen | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹאֵל (hoel), ‘wees zo goed’: een beleefd verzoek. Voetnoot : Twee talenten zilver zijn ongeveer 68 kilogram (zie vers 5). Zie ook: 2 Kon 5:5; 2 Kon 5:16; 2 Kon 6:3; 2 Kon 12:11; Jes 30:6; Luc 11:54 **5:24** Toen hij bij de heuvel kwam, nam hij het uit hun hand en borg het op in het huis. Hij liet de mannen gaan en zij gingen weg. Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = naar | הָעֹ֔פֶל (haofel) = de heuvel | וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en nam | מִיָּדָ֖ם (miyadam) = uit hun hand | וַיִּפְקֹ֣ד (vayifqod) = en borg op | בַּבָּ֑יִת (babayit) = in het huis | וַיְשַׁלַּ֥ח (vayshalach) = en liet gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | וַיֵּלֵֽכוּ (vayelekhu) = en zij gingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֹפֶל (ha’ofel), ‘de heuvel’: een heuvel of burchtheuvel. Waarschijnlijk is het een heuvel bij Samaria, in de buurt van het huis van Elisa. De ligging is onzeker. Zie ook: Joz 7:1; Joz 7:11–12; Joz 7:21; 1 Kon 21:16; Hab 2:6 ### Elisa spreekt Gechazi aan **5:25** Hij ging naar binnen en ging bij zijn heer staan. Elisa zei tegen hem: „Waar kom je vandaan, Gechazi?” Hij zei: „Uw dienaar is nergens heen gegaan.” Brontekst: וְהוּא (vehu) = en hij | בָא֙ (ba) = kwam | וַיַּעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en ging staan | אֶל (el) = bij | אֲדֹנָ֔יו (adonav) = zijn heer | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | מֵאַ֖יִן (meayin) = waarvandaan | גֵּחֲזִ֑י (gechazi) = Gechazi | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | לֹֽא (lo) = niet | הָלַ֥ךְ (halakh) = is gegaan | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = uw dienaar | אָ֥נֶה (ane) = hierheen | וָאָֽנָה (vaana) = en daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָנָה וָאָנָה (anah va’anah), ‘hierheen en daarheen’: nergens heen. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters מאן. De voorgelezen tekst (qere) heeft מֵאַיִן (me’ayin), ‘waarvandaan’. Wij volgen het qere. Zie ook: Gen 16:8; Spr 30:20; 2 Kon 5:22; Mat 26:15–16; Joh 13:26–30 **5:26** Hij zei tegen hem: „Ging mijn hart niet mee, toen een man zich van zijn wagen omkeerde, jou tegemoet? Is dit de tijd om het zilver aan te nemen en kleren aan te nemen, olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, dienaren en dienaressen? Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | לֹא (lo) = niet | לִבִּ֣י (libi) = mijn hart | הָלַ֔ךְ (halakh) = ging | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = toen | הָֽפַךְ (hafakh) = keerde zich om | אִ֛ישׁ (ish) = een man | מֵעַ֥ל (meal) = van boven | מֶרְכַּבְתּ֖וֹ (merkavto) = zijn wagen | לִקְרָאתֶ֑ךָ (liqratekha) = jou tegemoet | הַעֵ֞ת (haet) = is het de tijd | לָקַ֤חַת (laqachat) = om te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het zilver | וְלָקַ֣חַת (velaqachat) = en om te nemen | בְּגָדִ֔ים (begadim) = kleren | וְזֵיתִ֤ים (vezeitim) = en olijfbomen | וּכְרָמִים֙ (ukheramim) = en wijngaarden | וְצֹ֣אן (vetson) = en schapen | וּבָקָ֔ר (uvaqar) = en runderen | וַעֲבָדִ֖ים (vaavadim) = en dienaren | וּשְׁפָחֽוֹת (ushefachot) = en dienaressen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Ging mijn hart niet mee’: Elisa heeft gezien wat gebeurde, ook al was hij er niet bij. Het Hebreeuws zegt niet hoe. Voetnoot : De opsomming gaat verder dan wat Gechazi had gevraagd. Zie ook: 2 Kon 6:12; Hand 20:35; 1 Kor 5:3; 1 Kor 9:11–12; Kol 2:5 **5:27** De melaatsheid van Naäman zal aan jou blijven kleven en aan je nageslacht, voor eeuwig.” Hij ging bij hem weg, melaats, wit als sneeuw. Brontekst: וְצָרַ֤עַת (vetsaraat) = en de melaatsheid van | נַֽעֲמָן֙ (naaman) = Naäman | תִּֽדְבַּק (tidbaq) = zal kleven | בְּךָ֔ (bekha) = aan jou | וּֽבְזַרְעֲךָ (uvezarakha) = en aan je nageslacht | לְעוֹלָ֑ם (leolam) = voor eeuwig | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging weg | מִלְּפָנָ֖יו (milefanav) = van voor hem | מְצֹרָ֥ע (metsora) = melaats | כַּשָּֽׁלֶג (kashaleg) = als sneeuw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Wit als sneeuw’ beschrijft de kleur van de huid, zoals in Num. 12:10. Wij schrijven ‘wit’ erbij; het Hebreeuws heeft alleen ‘als sneeuw’ (כַּשָּׁלֶג, kashsheleg). Voetnoot : De melaatsheid van Naäman gaat over op Gechazi en zijn nageslacht, ‘voor eeuwig’ (לְעוֹלָם, le’olam). Zie ook: Ex 4:6; Num 12:10; 2 Sam 3:29; 2 Kon 15:5; Jes 59:2–3 ## 2 Koningen 6 _Het ijzer dat dreef, de Arameeërs in Samaria en de hongersnood_ ### Het ijzer dat dreef **6:1** De zonen van de profeten zeiden tegen Elisa: „Zie toch, de plaats waar wij bij u wonen is te klein voor ons. Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | בְנֵֽי (benei) = zonen van | הַנְּבִיאִ֖ים (haneviim) = de profeten | אֶל (el) = tot | אֱלִישָׁ֑ע (elisha) = Elisa | הִנֵּֽה (hine) = zie | נָ֣א (na) = toch | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | אֲנַ֜חְנוּ (anachnu) = wij | יֹשְׁבִ֥ים (yoshevim) = wonen | שָׁ֛ם (sham) = daar | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor je aangezicht | צַ֥ר (tsar) = te nauw | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְנֵי הַנְּבִיאִים (bnei hanevi’im), ‘zonen van de profeten’: leerlingen of leden van een profetengroep. Zie ook: Joz 19:47; 1 Kon 20:35; 2 Kon 2:3; Jes 49:19–20; Jes 54:2–3 **6:2** Laten wij toch naar de Jordaan gaan. Laten wij daar ieder één balk halen en daar een plaats maken om te wonen.” Hij zei: „Ga maar.” Brontekst: נֵֽלְכָה (nelekha) = laten wij gaan | נָּ֣א (na) = toch | עַד (ad) = naar | הַיַּרְדֵּ֗ן (hayarden) = de Jordaan | וְנִקְחָ֤ה (veniqcha) = en laten wij nemen | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | קוֹרָ֣ה (qora) = balk | אֶחָ֔ת (echat) = één | וְנַעֲשֶׂה (venaase) = en laten wij maken | לָּ֥נוּ (lanu) = voor ons | שָׁ֛ם (sham) = daar | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֵֽכוּ (lekhu) = gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Joh 21:3; Hand 18:3; 2 Tess 3:8; 1 Kor 9:6; 1 Tim 6:6 **6:3** Een van hen zei: „Wees toch zo goed om met uw dienaren mee te gaan.” Hij zei: „Ik zal gaan.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | ה֥וֹאֶל (hoel) = wees bereid | נָ֖א (na) = toch | וְלֵ֣ךְ (velekh) = en ga | אֶת (et) = met | עֲבָדֶ֑יךָ (avadeikha) = je dienaren | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲנִ֥י (ani) = ik | אֵלֵֽךְ (elekh) = zal gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:28; Re 4:8; Re 19:6; 2 Kon 5:23 **6:4** Hij ging met hen mee. Zij kwamen bij de Jordaan en velden de bomen. Brontekst: וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | הַיַּרְדֵּ֔נָה (hayardena) = naar de Jordaan | וַֽיִּגְזְר֖וּ (vayigzeru) = en zij velden | הָעֵצִֽים (haetsim) = de bomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 19:5; Deut 29:10 **6:5** Terwijl een van hen de balk velde, viel het ijzer in het water. Hij riep: „Ach, mijn heer! Het was geleend.” Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | הָֽאֶחָד֙ (haechad) = de ene | מַפִּ֣יל (mapil) = aan het vellen | הַקּוֹרָ֔ה (haqora) = de balk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבַּרְזֶ֖ל (habarzel) = het ijzer | נָפַ֣ל (nafal) = viel | אֶל (el) = in | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וַיִּצְעַ֥ק (vayitsaq) = en hij riep | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | אֲהָ֥הּ (ahah) = ach | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | וְה֥וּא (vehu) = en het was | שָׁאֽוּל (shaul) = geleend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבַּרְזֶל (habbarzel), ‘het ijzer’: de ijzeren kop van het gereedschap waarmee zij kapten, waarschijnlijk een bijl. De tekst zegt alleen ‘het ijzer’. Voetnoot : שָׁאוּל (sha’ul), ‘geleend’: letterlijk ‘gevraagd’, dus van iemand gevraagd en tijdelijk gekregen. Geleend gereedschap moest worden teruggegeven; zie Exod. 22:13–14, waar hetzelfde werkwoord staat. Zie ook: Ex 22:13–14; Ps 37:21; Pred 10:10; 2 Kon 3:10; 2 Kon 6:15; Openb 18:10 **6:6** De man van Elohim zei: „Waar is het gevallen?” Hij liet hem de plaats zien. Toen hakte hij een stuk hout af en wierp het erheen. Het ijzer dreef. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אִישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | אָ֣נָה (ana) = waar | נָפָ֑ל (nafal) = is het gevallen | וַיַּרְאֵ֨הוּ֙ (vayarehu) = en hij liet hem zien | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | וַיִּקְצָב (vayiqtsav) = en hij hakte af | עֵץ֙ (ets) = een stuk hout | וַיַּשְׁלֶךְ (vayashlekh) = en hij wierp | שָׁ֔מָּה (shama) = erheen | וַיָּ֖צֶף (vayatsef) = en het dreef | הַבַּרְזֶֽל (habarzel) = het ijzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:25; 2 Kon 2:21; 2 Kon 4:41; Mar 7:33–34; Mar 8:23–25 **6:7** Hij zei: „Pak het op.” Toen stak hij zijn hand uit en nam het. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הָ֣רֶם (harem) = til op | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en hij strekte uit | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | וַיִּקָּחֵֽהוּ (vayiqachehu) = en hij nam het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:4; 2 Kon 4:7; 2 Kon 4:36; Luc 7:15; Hand 9:41 ### Elisa doorziet de plannen van Aram **6:8** De koning van Aram voerde oorlog tegen Israël. Hij overlegde met zijn dienaren en zei: „Op die en die plaats zal mijn legerplaats zijn.” Brontekst: וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en de koning van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | הָיָ֥ה (haya) = was | נִלְחָ֖ם (nilcham) = strijdend | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיִּוָּעַץ֙ (vayivaats) = en hij overlegde | אֶל (el) = met | עֲבָדָ֣יו (avadav) = zijn dienaren | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | אֶל (el) = op | מְק֛וֹם (meqom) = de plaats | פְּלֹנִ֥י (peloni) = die en die | אַלְמֹנִ֖י (almoni) = zo en zo | תַּחֲנֹתִֽי (tachanoti) = mijn legerplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: פְּלֹנִי אַלְמֹנִי (peloni almoni), ‘die en die’: een vaste uitdrukking voor een niet genoemde persoon of plaats. Zie ook Ruth 4:1. Voetnoot : תַּחֲנֹתִי (tachanoti), ‘mijn legerplaats’: een zeldzaam woord; de betekenis volgt uit de zin. Zie ook: Ruth 4:1; Spr 20:18; Spr 21:30; 1 Kon 22:31; 2 Kon 6:24; Jes 8:10 **6:9** De man van Elohim stuurde een boodschap aan de koning van Israël: „Pas op dat u niet langs deze plaats trekt. Want daar gaan de Arameeërs naar beneden.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en hij zond | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | מֶ֤לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִשָּׁ֕מֶר (hishamer) = hoed je | מֵעֲבֹ֖ר (meavor) = voor het voorbijgaan van | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּֽי (ki) = want | שָׁ֖ם (sham) = daar | אֲרָ֥ם (aram) = Aram | נְחִתִּֽים (nechitim) = gaan naar beneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחִתִּים (nechittim), ‘zij gaan naar beneden’: de betekenis is onzeker. Het kan bedoelen dat de Arameeërs daar afdalen, of dat zij daar klaarliggen. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 20:13; 2 Kon 3:17–19; 2 Kon 4:27; 2 Kon 6:12; Amos 3:7 **6:10** De koning van Israël stuurde mensen naar de plaats waarover de man van Elohim hem had gesproken. Die man had hem gewaarschuwd, en hij was daar op zijn hoede, niet één keer en niet twee keer. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en hij zond | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶֽל (el) = naar | הַמָּק֞וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarvan | אָֽמַר (amar) = had gezegd | ל֧וֹ (lo) = tot hem | אִישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = Elohim | וְהִזְהִיר֖וֹ (vehizhiro) = en hij had hem gewaarschuwd | וְנִשְׁמַ֣ר (venishmar) = en hij was op zijn hoede | שָׁ֑ם (sham) = daar | לֹ֥א (lo) = niet | אַחַ֖ת (achat) = één keer | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁתָּֽיִם (shetayim) = twee keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt niet wie of wat de koning naar de plaats stuurde. Wij vullen ‘mensen’ aan. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft והזהירה (vehizhirah), ‘en hij waarschuwde haar’, waarschijnlijk de plaats. De voorgelezen tekst (qere) heeft וְהִזְהִירוֹ (vehizhiro), ‘en hij waarschuwde hem’. Wij volgen de qere. Zie ook: Spr 27:12; 2 Kron 20:20; Mat 2:12; Mat 3:7; Hand 27:24 **6:11** Het hart van de koning van Aram raakte hierdoor in grote onrust. Hij riep zijn dienaren en zei tegen hen: „Willen jullie mij niet vertellen wie van ons voor de koning van Israël is?” Brontekst: וַיִּסָּעֵר֙ (vayisaer) = en het stormde | לֵ֣ב (lev) = het hart van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | עַל (al) = over | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij riep | אֶל (el) = tot | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | הֲלוֹא֙ (halo) = zult niet | תַּגִּ֣ידוּ (tagidu) = jullie vertellen | לִ֔י (li) = mij | מִ֥י (mi) = wie | מִשֶּׁלָּ֖נוּ (mishelanu) = van ons | אֶל (el) = voor | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie ook: 1 Sam 22:8; 1 Sam 28:21; Ps 48:5–6; Jes 57:20–21; Mat 2:3–12 **6:12** Een van zijn dienaren zei: „Nee, mijn heer de koning. Maar Elisa, de profeet die in Israël is, vertelt de koning van Israël de woorden die u in uw slaapkamer spreekt.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אַחַ֣ד (achad) = een | מֵֽעֲבָדָ֔יו (meavadav) = van zijn dienaren | ל֖וֹא (lo) = nee | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּֽי (ki) = maar | אֱלִישָׁ֤ע (elisha) = Elisa | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | יַגִּיד֙ (yagid) = vertelt | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַ֨דְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תְּדַבֵּ֖ר (tedaber) = je spreekt | בַּחֲדַ֥ר (bachadar) = in de kamer van | מִשְׁכָּבֶֽךָ (mishkavekha) = je slaapplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 10:20; 2 Kon 6:9–10; Amos 3:7; Dan 2:22–23; Dan 2:28–30 ### Het leger bij Dotan **6:13** De koning zei: „Ga en kijk waar hij is. Dan zal ik sturen en hem laten halen.” Het werd hem gemeld: „Zie, hij is in Dotan.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְכ֤וּ (lekhu) = gaat | וּרְאוּ֙ (ureu) = en ziet | אֵיכֹ֣ה (eikho) = waar | ה֔וּא (hu) = hij is | וְאֶשְׁלַ֖ח (veeshlach) = dan zal ik sturen | וְאֶקָּחֵ֑הוּ (veeqachehu) = en hem laten halen | וַיֻּגַּד (vayugad) = en men meldde | ל֥וֹ (lo) = hem | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | בְדֹתָֽן (bedotan) = in Dotan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dotan lag in het noorden van het land, bij het huidige Tell Dotan, ten noorden van Nablus (Westelijke Jordaanoever). Zie ook Gen. 37:17. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier alleen ‘hij zei’. Wij schrijven ‘de koning’, omdat in het vorige vers een dienaar sprak. Zie ook: Gen 37:17; Ps 37:12–14; Mat 2:4–8; Joh 11:47–53; Hand 23:12–27 **6:14** Hij stuurde daar paarden, wagens en een zwaar leger naartoe. Zij kwamen in de nacht en omsingelden de stad. Brontekst: וַיִּשְׁלַח (vayishlach) = en hij zond | שָׁ֛מָּה (shama) = daarheen | סוּסִ֥ים (susim) = paarden | וְרֶ֖כֶב (verekhev) = en wagens | וְחַ֣יִל (vechayil) = en een leger | כָּבֵ֑ד (kaved) = zwaar | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | לַ֔יְלָה (layla) = in de nacht | וַיַּקִּ֖פוּ (vayaqifu) = en zij omsingelden | עַל (al) = rondom | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 23:26; 1 Sam 24:3; 2 Kon 18:17; Mat 26:47; Mat 26:55 **6:15** De bediende van de man van Elohim stond vroeg op en ging naar buiten. Zie, een leger omringde de stad, met paarden en wagens. Zijn jongen zei tegen hem: „Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen?” Brontekst: וַ֠יַּשְׁכֵּם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | מְשָׁרֵ֨ת (mesharet) = de bediende van | אִ֥ישׁ (ish) = de man van | הָֽאֱלֹהִים֮ (haElohim) = Elohim | לָקוּם֒ (laqum) = om op te staan | וַיֵּצֵ֕א (vayetse) = en hij ging uit | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | חַ֛יִל (chayil) = een leger | סוֹבֵ֥ב (sovev) = omringde | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | וְס֣וּס (vesus) = en paarden | וָרָ֑כֶב (varakhev) = en wagens | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | נַעֲר֥וֹ (naaro) = zijn jongen | אֵלָ֛יו (elav) = tot hem | אֲהָ֥הּ (ahah) = ach | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | אֵיכָ֥ה (eikha) = hoe | נַֽעֲשֶֽׂה (naase) = zullen wij doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשָׁרֵת (mesharet), ‘bediende’, en נַעֲרוֹ (na’ar), ‘jongen’: dit is dezelfde man (zie ook vers 17). Voetnoot : Het werkwoord ‘opstaan’ staat in het Hebreeuws twee keer (‘stond vroeg op om op te staan’). Wij vertalen het één keer. Zie ook: Ex 24:13; Ps 53:6; 2 Kon 5:20; 2 Kon 6:17; 2 Kron 20:12; Mat 8:26 **6:16** Hij zei: „Wees niet bang, want zij die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij die bij hen zijn.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = niet | תִּירָ֑א (tira) = wees bang | כִּ֤י (ki) = want | רַבִּים֙ (rabim) = talrijk zijn zij | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתָּ֔נוּ (itanu) = met ons | מֵאֲשֶׁ֖ר (measher) = dan die | אוֹתָֽם (otam) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 32:7–8; Jes 41:10–14; Hand 18:9–10; Rom 8:31; 1 Joh 4:4 **6:17** Elisa bad en zei: „Yahweh, open toch zijn ogen, zodat hij ziet.” Yahweh opende de ogen van de jongen, en hij zag. Zie, de berg was vol paarden en wagens van vuur rondom Elisa. Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּ֤ל (vayitpalel) = en hij bad | אֱלִישָׁע֙ (elisha) = Elisa | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | פְּקַח (peqach) = open | נָ֥א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | עֵינָ֖יו (einav) = zijn ogen | וְיִרְאֶ֑ה (veyire) = opdat hij ziet | וַיִּפְקַ֤ח (vayifqach) = en Yahweh opende | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | הָהָ֜ר (hahar) = de berg | מָלֵ֨א (male) = vol van | סוּסִ֥ים (susim) = paarden | וְרֶ֛כֶב (verekhev) = en wagens | אֵ֖שׁ (esh) = van vuur | סְבִיבֹ֥ת (sevivot) = rondom | אֱלִישָֽׁע (elisha) = Elisa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוּסִים וְרֶכֶב אֵשׁ (susim verekhev esh), ‘paarden en wagens van vuur’: een hemels leger. De jongen kan het zien doordat Yahweh zijn ogen opent. Vergelijk 2 Kon. 2:11–12 en 2 Kon. 13:14. Zie ook: Ps 34:8; Ps 68:18; 2 Kon 2:11–12; 2 Kon 13:14; Zach 6:1–7; Hand 26:18; Heb 1:14 ### De Arameeërs in Samaria **6:18** Toen zij naar hem afdaalden, bad Elisa tot Yahweh: „Sla toch dit volk met verblinding.” Hij sloeg hen met verblinding, volgens het woord van Elisa. Brontekst: וַיֵּרְדוּ֮ (vayeredu) = en zij daalden af | אֵלָיו֒ (elav) = naar hem | וַיִּתְפַּלֵּ֨ל (vayitpalel) = en hij bad | אֱלִישָׁ֤ע (elisha) = Elisa | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | הַךְ (hakh) = sla | נָ֥א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹי (hagoy) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בַּסַּנְוֵרִ֑ים (basanverim) = met verblinding | וַיַּכֵּ֥ם (vayakem) = en Hij sloeg hen | בַּסַּנְוֵרִ֖ים (basanverim) = met verblinding | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = volgens het woord van | אֱלִישָֽׁע (elisha) = Elisa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּסַּנְוֵרִים (sanverim), ‘verblinding’: een zeldzaam woord, dat ook in Gen. 19:11 staat. Het gaat niet om volledige blindheid: de Arameeërs kunnen Elisa nog volgen (vers 19). Zie ook: Gen 19:11; Job 5:14; 2 Kon 6:19; Joh 9:39; Joh 12:40; Hand 13:11 **6:19** Elisa zei tegen hen: „Dit is de weg niet, en dit is de stad niet. Volg mij, dan breng ik jullie naar de man die jullie zoeken.” Hij leidde hen naar Samaria. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | אֱלִישָׁ֗ע (elisha) = Elisa | לֹ֣א (lo) = niet | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדֶּרֶךְ֮ (haderekh) = de weg | וְלֹ֣א (velo) = en niet | זֹ֣ה (zo) = dit | הָעִיר֒ (hair) = de stad | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | אַחֲרַ֔י (acharay) = achter mij | וְאוֹלִ֣יכָה (veolikha) = en ik zal brengen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תְּבַקֵּשׁ֑וּן (tevaqeshun) = jullie zoeken | וַיֹּ֥לֶךְ (vayolekh) = en hij leidde | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | שֹׁמְרֽוֹנָה (shomerona) = naar Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: 2 Sam 16:18–19; Mat 16:24; Mar 8:34; Luc 9:23; Luc 24:16 **6:20** Toen zij in Samaria kwamen, zei Elisa: „Yahweh, open de ogen van dezen, zodat zij zien.” Yahweh opende hun ogen, en zij zagen. Zie, zij waren midden in Samaria. Brontekst: וַיְהִי֮ (vayhi) = en het was | כְּבֹאָ֣ם (kevoam) = toen zij kwamen in | שֹׁמְרוֹן֒ (shomeron) = Samaria | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | פְּקַ֥ח (peqach) = open | אֶת (et) = (obj.) | עֵינֵֽי (einei) = de ogen van | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | וְיִרְא֑וּ (veyiru) = opdat zij zien | וַיִּפְקַ֤ח (vayifqach) = en Yahweh opende | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ינֵיהֶ֔ם (eineihem) = hun ogen | וַיִּרְא֕וּ (vayiru) = en zij zagen | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: Re 20:40–42; 2 Kon 6:17; Luc 16:23; Luc 24:31 **6:21** Toen de koning van Israël hen zag, zei hij tegen Elisa: „Zal ik hen slaan, zal ik hen slaan, mijn vader?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | כִּרְאֹת֖וֹ (kiroto) = toen hij zag | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | הַאַכֶּ֥ה (haake) = zal ik slaan | אַכֶּ֖ה (ake) = zal ik slaan | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִי (avi), ‘mijn vader’: een eretitel voor een profeet. Elisa noemt Elia zo in 2 Kon. 2:12, en de koning noemt Elisa zo in 2 Kon. 13:14. Zie ook: 1 Sam 24:20; 2 Kon 2:12; 2 Kon 5:13; 2 Kon 8:9; 2 Kon 13:14; Luc 9:54–56 **6:22** Hij zei: „U mag hen niet slaan. Slaat u soms hen die u met uw zwaard en uw boog gevangen hebt genomen? Zet hun brood en water voor, zodat zij eten en drinken en naar hun heer teruggaan.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | תַכֶּ֔ה (take) = zul je slaan | הַאֲשֶׁ֥ר (haasher) = zij die | שָׁבִ֛יתָ (shavita) = je gevangen nam | בְּחַרְבְּךָ֥ (becharbekha) = met je zwaard | וּֽבְקַשְׁתְּךָ֖ (uveqashtekha) = en je boog | אַתָּ֣ה (ata) = jij | מַכֶּ֑ה (make) = slaat | שִׂים֩ (sim) = zet | לֶ֨חֶם (lechem) = brood | וָמַ֜יִם (vamayim) = en water | לִפְנֵיהֶ֗ם (lifneihem) = voor hen | וְיֹֽאכְלוּ֙ (veyokhlu) = opdat zij eten | וְיִשְׁתּ֔וּ (veyishtu) = en drinken | וְיֵלְכ֖וּ (veyelekhu) = en gaan | אֶל (el) = naar | אֲדֹנֵיהֶֽם (adoneihem) = hun heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 48:22; Deut 20:11–16; 2 Kron 28:8–15; Hos 2:20; Rom 12:20–21 **6:23** Hij bereidde een groot maal voor hen. Zij aten en dronken, en hij liet hen gaan. Zij gingen naar hun heer. De benden van Aram kwamen niet meer in het land Israël. Brontekst: וַיִּכְרֶ֨ה (vayikhre) = en hij bereidde | לָהֶ֜ם (lahem) = voor hen | כֵּרָ֣ה (kera) = een maal | גְדוֹלָ֗ה (gedola) = groot | וַיֹּֽאכְלוּ֙ (vayokhlu) = en zij aten | וַיִּשְׁתּ֔וּ (vayishtu) = en dronken | וַֽיְשַׁלְּחֵ֔ם (vayshalechem) = en hij liet hen gaan | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אֶל (el) = naar | אֲדֹֽנֵיהֶ֑ם (adoneihem) = hun heer | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָ֤סְפוּ (yasefu) = zij voegden toe | עוֹד֙ (od) = nog | גְּדוּדֵ֣י (gedudei) = de benden van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | לָב֖וֹא (lavo) = te komen | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּרָה (kerah), ‘maal’: een zeldzaam woord; de betekenis volgt uit het eten en drinken erna. Voetnoot : גְּדוּדֵי (gedudei), ‘benden’: groepen krijgers die plunderend rondtrekken. Zie ook: 2 Kon 5:2; 2 Kon 6:8–9; 2 Kon 24:2; Luc 6:35; Luc 10:29–37 ### Hongersnood in Samaria **6:24** Hierna verzamelde Ben-Hadad, de koning van Aram, zijn hele leger. Hij trok op en belegerde Samaria. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֔ן (ken) = dit | וַיִּקְבֹּ֛ץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | בֶּן (ben) = Ben | הֲדַ֥ד (hadad) = Hadad | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | מַחֲנֵ֑הוּ (machanehu) = zijn leger | וַיַּ֕עַל (vayaal) = en hij trok op | וַיָּ֖צַר (vayatsar) = en hij belegerde | עַל (al) = rondom | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Ben-Hadad: zo ook in 1 Kon. 20:1. Of het dezelfde koning is, zegt de tekst niet. Zie ook: Deut 28:52; Pred 9:14; 1 Kon 20:1; 1 Kon 22:31; 2 Kon 17:5 **6:25** Er was een grote hongersnood in Samaria. Zie, de belegeraars lagen om de stad, totdat een ezelskop 80 zilverstukken waard was en een vierde kab duivenmest 5 zilverstukken. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en er was | רָעָ֤ב (raav) = honger | גָּדוֹל֙ (gadol) = grote | בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן (beshomeron) = in Samaria | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | צָרִ֣ים (tsarim) = belegeraars | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = rondom haar | עַ֣ד (ad) = totdat | הֱי֤וֹת (heyot) = was | רֹאשׁ (rosh) = de kop van | חֲמוֹר֙ (chamor) = een ezel | בִּשְׁמֹנִ֣ים (bishmonim) = voor tachtig | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וְרֹ֛בַע (verova) = en een vierde van | הַקַּ֥ב (haqav) = de kab | דִּבְיוֹנִ֖ים (divyonim) = duivenmest | בַּחֲמִשָּׁה (bachamisha) = voor vijf | כָֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘tachtig zilver’ en ‘vijf zilver’. Wij vullen ‘zilverstukken’ aan. Waarschijnlijk zijn sikkels bedoeld, ongeveer 11,4 gram per stuk: 80 sikkel is dan ongeveer 0,9 kilo zilver. Een ezel mocht niet gegeten worden (vergelijk Lev. 11:3). Voetnoot : הַקַּב (qav), ‘kab’: een inhoudsmaat van ongeveer 1,2 liter. Een vierde kab is dus ongeveer 0,3 liter. Voetnoot : דִּבְיוֹנִים (divyonim), ‘duivenmest’: de betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft יונים (yonim), ‘duiven’. De voorgelezen tekst (qere) heeft דִּבְיוֹנִים (divyonim). Wij volgen de qere. Zie ook: Lev 11:3; 2 Kon 6:28–29; Jer 14:13–15; Jer 14:18; Jer 32:24; Jer 52:6 **6:26** De koning van Israël liep over de muur. Een vrouw riep naar hem: „Red, mijn heer de koning!” Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עֹבֵ֖ר (over) = voorbijgaand | עַל (al) = over | הַחֹמָ֑ה (hachoma) = de muur | וְאִשָּׁ֗ה (veisha) = en een vrouw | צָעֲקָ֤ה (tsaaqa) = riep | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הוֹשִׁ֖יעָה (hoshia) = red | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 14:4; Jes 10:3; Luc 18:3; Hand 21:28 **6:27** Hij zei: „Als Yahweh je niet helpt, waarmee kan ik je dan helpen? Met iets van de dorsvloer of van de wijnpers?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = als niet | יוֹשִׁעֵ֣ךְ (yoshiekh) = helpt jou | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאַ֖יִן (meayin) = waarmee | אֽוֹשִׁיעֵ֑ךְ (oshiekh) = zou ik jou helpen | הֲמִן (hamin) = van | הַגֹּ֖רֶן (hagoren) = de dorsvloer | א֥וֹ (o) = of | מִן (min) = van | הַיָּֽקֶב (hayaqev) = de wijnpers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגֹּרֶן (goren), ‘dorsvloer’, en הַיָּקֶב (yeqev), ‘wijnpers’: de plaatsen waar graan en wijn vandaan komen. De koning zegt dat hij geen voorraad heeft. Voetnoot Lezing: אַל (al) is een ontkenning bij een wens: letterlijk ‘Moge Yahweh je niet helpen’. Zo opgevat is het een bittere uitroep van de koning. Wij lezen de zin als voorwaarde (‘als Yahweh je niet helpt’), omdat de vraag erna daarbij past. Het is onzeker. Zie ook: Ps 118:8–9; Ps 124:1–3; Ps 127:1; Ps 146:3; Jer 17:5 **6:28** De koning zei tegen haar: „Wat is er met je?” Zij zei: „Deze vrouw zei tegen mij: ‘Geef je zoon, dan eten wij hem vandaag op. En mijn zoon eten wij morgen op.’ Brontekst: וַיֹּֽאמֶר (vayomer) = en hij zei | לָ֥הּ (lah) = tot haar | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מַה (ma) = wat | לָּ֑ךְ (lakh) = is er met je | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zij zei | הָאִשָּׁ֨ה (haisha) = de vrouw | הַזֹּ֜את (hazot) = deze | אָמְרָ֣ה (amera) = zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | תְּנִ֤י (teni) = geef | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵךְ֙ (benekh) = je zoon | וְנֹאכְלֶ֣נּוּ (venokhlenu) = en laten wij hem eten | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | נֹאכַ֥ל (nokhal) = zullen wij eten | מָחָֽר (machar) = morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat ouders hun kinderen opeten, wordt in de wet als gevolg van ongehoorzaamheid en belegering genoemd: zie Lev. 26:29 en Deut. 28:53–57. Zie ook: Lev 26:29; Deut 28:53–57; Re 18:23; 2 Sam 14:5; Klaagl 4:10; Luc 23:29 **6:29** Zo hebben wij mijn zoon gekookt en opgegeten. Op de volgende dag zei ik tegen haar: ‘Geef je zoon, dan eten wij hem op.’ Maar zij heeft haar zoon verborgen.” Brontekst: וַנְּבַשֵּׁ֥ל (vanevashel) = en wij kookten | אֶת (et) = (obj.) | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | וַנֹּֽאכְלֵ֑הוּ (vanokhlehu) = en wij aten hem | וָאֹמַ֨ר (vaomar) = en ik zei | אֵלֶ֜יהָ (eleiha) = tot haar | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הָאַחֵ֗ר (haacher) = de volgende | תְּנִ֤י (teni) = geef | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵךְ֙ (benekh) = je zoon | וְנֹ֣אכְלֶ֔נּוּ (venokhlenu) = en laten wij hem eten | וַתַּחְבִּ֖א (vatachbi) = maar zij verborg | אֶת (et) = (obj.) | בְּנָֽהּ (benah) = haar zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:29; Deut 28:53; Deut 28:57; 1 Kon 3:26; Jes 66:13 ### De koning dreigt Elisa **6:30** Toen de koning de woorden van de vrouw hoorde, scheurde hij zijn kleren. Hij liep over de muur. Het volk zag: zie, hij had van binnen een rouwkleed op zijn lichaam. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כִשְׁמֹ֨עַ (kishmoa) = toen hoorde | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֤י (divrei) = de woorden van | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | וַיִּקְרַ֣ע (vayiqra) = en hij scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְה֖וּא (vehu) = en hij | עֹבֵ֣ר (over) = voorbijging | עַל (al) = over | הַחֹמָ֑ה (hachoma) = de muur | וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | הַשַּׂ֛ק (hasaq) = het rouwkleed | עַל (al) = op | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | מִבָּֽיִת (mibayit) = van binnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשַּׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grove stof, gedragen bij rouw en boete, zoals in 1 Kon. 21:27. מִבָּיִת (mibbayit), ‘van binnen’: onder zijn kleren. Zie ook: 1 Kon 21:27; 2 Kon 5:7; 2 Kon 19:1; Jes 58:5–7 **6:31** Hij zei: „Zo moge Elohim mij doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen: als het hoofd van Elisa, de zoon van Sjafat, vandaag op hem blijft staan.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | כֹּֽה (ko) = zo | יַעֲשֶׂה (yaase) = moge doen | לִּ֥י (li) = mij | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וְכֹ֣ה (vekho) = en zo | יוֹסִ֑ף (yosif) = moge Hij toevoegen | אִֽם (im) = als | יַעֲמֹ֞ד (yaamod) = blijft staan | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | אֱלִישָׁ֧ע (elisha) = Elisa | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָ֛ט (shafat) = Sjafat | עָלָ֖יו (alav) = op hem | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een eed: de spreker roept een straf over zichzelf af als hij zijn woord niet houdt. Vergelijk Ruth 1:17 en 1 Kon. 20:10. De koning zweert hier bij Elohim. Zie ook: Ruth 1:17; 1 Sam 3:17; 1 Kon 19:2; 1 Kon 20:10; 1 Kon 22:8; Joh 11:50 **6:32** Elisa zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem. De koning stuurde een man van zich vandaan. Voordat de bode bij hem kwam, zei hij tegen de oudsten: „Zien jullie dat deze zoon van de moordenaar heeft gestuurd om mijn hoofd weg te nemen? Let op: zodra de bode komt, sluit de deur en houd hem met de deur tegen. Is het geluid van de voeten van zijn heer niet achter hem?” Brontekst: וֶאֱלִישָׁע֙ (veelisha) = en Elisa | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zat | בְּבֵית֔וֹ (beveito) = in zijn huis | וְהַזְּקֵנִ֖ים (vehazeqenim) = en de oudsten | יֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = zaten | אִתּ֑וֹ (ito) = bij hem | וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij zond | אִ֜ישׁ (ish) = een man | מִלְּפָנָ֗יו (milefanav) = van voor zich | בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | יָבֹא֩ (yavo) = kwam | הַמַּלְאָ֨ךְ (hamalakh) = de bode | אֵלָ֜יו (elav) = naar hem | וְה֣וּא (vehu) = en hij | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֶל (el) = tot | הַזְּקֵנִ֗ים (hazeqenim) = de oudsten | הַרְּאִיתֶם֙ (hareitem) = hebben jullie gezien | כִּֽי (ki) = dat | שָׁלַ֞ח (shalach) = gestuurd heeft | בֶּן (ben) = de zoon van | הַֽמְרַצֵּ֤חַ (hamratseach) = de moordenaar | הַזֶּה֙ (haze) = deze | לְהָסִ֣יר (lehasir) = om weg te nemen | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשִׁ֔י (roshi) = mijn hoofd | רְא֣וּ (reu) = ziet | כְּבֹ֣א (kevo) = zodra komt | הַמַּלְאָ֗ךְ (hamalakh) = de bode | סִגְר֤וּ (sigru) = sluit | הַדֶּ֨לֶת֙ (hadelet) = de deur | וּלְחַצְתֶּ֤ם (ulechatstem) = en druk | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | בַּדֶּ֔לֶת (badelet) = met de deur | הֲל֗וֹא (halo) = is niet | ק֛וֹל (qol) = het geluid van | רַגְלֵ֥י (raglei) = de voeten van | אֲדֹנָ֖יו (adonav) = zijn heer | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij stuurde een man’. Wij nemen de koning als onderwerp (zie vers 30–31) en schrijven ‘de koning’. Voetnoot : הַמְרַצֵּחַ (hamertsach), ‘de moordenaar’: met lidwoord, dus een bepaalde moordenaar. Mogelijk wordt Achab bedoeld, die Naboth liet doden (1 Kon. 21:19). De tekst noemt geen naam. Voetnoot : וּלְחַצְתֶּם (velachatstem), ‘en druk’: het werkwoord betekent ‘drukken, knellen’. Wij vertalen ‘tegenhouden met de deur’. ‘Mijn hoofd wegnemen’ betekent: mij onthoofden. Zie ook: 1 Kon 18:4; 1 Kon 21:10; 1 Kon 21:19; 2 Kon 6:30–31; Ezech 8:1; Ezech 14:1; Ezech 20:1 **6:33** Terwijl hij nog met hen sprak, zie, de bode kwam naar hem toe. Hij zei: „Zie, dit onheil komt van Yahweh. Waarom zou ik nog op Yahweh wachten?” Brontekst: עוֹדֶ֨נּוּ֙ (odenu) = terwijl hij nog | מְדַבֵּ֣ר (medaber) = sprak | עִמָּ֔ם (imam) = met hen | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | הַמַּלְאָ֖ךְ (hamalakh) = de bode | יֹרֵ֣ד (yored) = kwam af | אֵלָ֑יו (elav) = naar hem | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽה (hine) = zie | זֹ֤את (zot) = dit | הָֽרָעָה֙ (haraa) = het onheil | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מָֽה (ma) = wat | אוֹחִ֥יל (ochil) = zou ik wachten | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = op Yahweh | עֽוֹד (od) = nog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרָעָה (hara’ah), ‘het onheil’: de ramp van het beleg en de hongersnood. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt dat ‘de bode’ naar hem toe kwam en dat ‘hij’ sprak. Het is niet gezegd wie spreekt: de bode of de koning. Volgens 2 Kon. 7:17 kwam de koning naar Elisa toe; daarom kan het ook de koning zijn die spreekt. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de Masoretische tekst en laten het onderwerp open. Zie ook: Job 2:9; 2 Kon 7:17; Jes 8:21; Jes 26:3; 2 Kor 2:11; Openb 16:9–11 ## 2 Koningen 7 _Het verlaten kamp van Aram_ ### Elisa kondigt overvloed aan **7:1** Elisa zei: „Luister naar het woord van Yahweh! Zo zegt Yahweh: ‘Morgen, rond deze tijd, zal een maat meelbloem een sikkel kosten en twee maten gerst een sikkel, in de poort van Samaria.’” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoort | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כָּעֵ֤ת (kaet) = rond de tijd | מָחָר֙ (machar) = morgen | סְאָֽה (sea) = een maat | סֹ֣לֶת (solet) = meelbloem | בְּשֶׁ֗קֶל (besheqel) = voor een sikkel | וְסָאתַ֧יִם (vesatayim) = en twee maten | שְׂעֹרִ֛ים (seorim) = gerst | בְּשֶׁ֖קֶל (besheqel) = voor een sikkel | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = in de poort van | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: סְאָה (se’ah), ‘maat’: een derde van een efa, ongeveer 7 liter. סֹלֶת (solet), ‘meelbloem’: fijn meel. בְּשֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram zilver. Zo’n lage prijs is een groot wonder na de prijzen in 6:25. Zie ook: Ex 14:13; Ex 16:12; Joz 3:5; 1 Sam 11:9; Ezech 37:4 **7:2** De officier op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man van Elohim: „Zie, al zou Yahweh luiken in de hemel maken, zou dit dan gebeuren?” Hij zei: „Zie, je zult het met je eigen ogen zien, maar daarvan zul je niet eten.” Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en antwoordde | הַשָּׁלִ֡ישׁ (hashalish) = de officier | אֲשֶׁר (asher) = die | לַמֶּלֶךְ֩ (lamelekh) = van de koning | נִשְׁעָ֨ן (nishan) = leunde | עַל (al) = op | יָד֜וֹ (yado) = zijn hand | אֶת (et) = (obj.) | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִים֮ (haElohim) = Elohim | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en zei | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשֶׂ֤ה (ose) = maakt | אֲרֻבּוֹת֙ (arubot) = luiken | בַּשָּׁמַ֔יִם (bashamayim) = in de hemel | הֲיִהְיֶ֖ה (hayihye) = zou het gebeuren | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנְּכָ֤ה (hinekha) = zie | רֹאֶה֙ (roe) = je zult zien | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = met je ogen | וּמִשָּׁ֖ם (umisham) = maar daarvan | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽל (tokhel) = zul je eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשָּׁלִישׁ (shalish), ‘officier’: het woord is verwant met het getal drie (‘derde’). Het was een hoge officier; de betekenis van de titel is niet zeker. Voetnoot : אֲרֻבּוֹת (arubbot), ‘luiken’: hetzelfde woord als in Gen. 7:11 en 8:2: openingen waardoor het water uit de hemel kwam. De officier zegt: zelfs zo’n overvloed zou dit niet geven. Voetnoot : Het tweede ‘Hij zei’ is de man van Elohim. Zie ook: Gen 7:11; Gen 8:2; Gen 18:12–14; Ps 78:41; Mal 3:10; Rom 3:3 ### De mannen met huidziekte bij het kamp **7:3** Vier mannen met huidziekte waren bij de ingang van de poort. Zij zeiden tegen elkaar: „Waarom blijven wij hier zitten tot wij dood zijn? Brontekst: וְאַרְבָּעָ֧ה (vearbaa) = en vier | אֲנָשִׁ֛ים (anashim) = mannen | הָי֥וּ (hayu) = waren | מְצֹרָעִ֖ים (metsoraim) = met huidziekte | פֶּ֣תַח (petach) = bij de ingang van | הַשָּׁ֑עַר (hashaar) = de poort | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = de een | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = de ander | מָ֗ה (ma) = waarom | אֲנַ֛חְנוּ (anachnu) = wij | יֹשְׁבִ֥ים (yoshevim) = zitten | פֹּ֖ה (po) = hier | עַד (ad) = totdat | מָֽתְנוּ (matenu) = wij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצֹרָעִים (metsora’im), ‘mensen met huidziekte’: zie Lev. 13. Wie zo’n ziekte had, moest buiten het kamp wonen (Lev. 13:46). Daarom zijn zij bij de poort. Zie ook: Lev 13:45–46; Lev 13:46; Num 5:2–4; 2 Kon 7:4; Jer 8:14; Jer 27:13 **7:4** Als wij zeggen: ‘Laten wij de stad in gaan’, dan is de honger in de stad en sterven wij daar. Blijven wij hier zitten, dan sterven wij ook. Kom nu, laten wij overlopen naar het kamp van Aram. Laten zij ons in leven, dan leven wij. Doden zij ons, dan sterven wij.” Brontekst: אִם (im) = als | אָמַרְנוּ֩ (amarnu) = wij zeggen | נָב֨וֹא (navo) = laten wij gaan in | הָעִ֜יר (hair) = de stad | וְהָרָעָ֤ב (veharaav) = en de honger | בָּעִיר֙ (bair) = in de stad | וָמַ֣תְנוּ (vamatnu) = dan sterven wij | שָׁ֔ם (sham) = daar | וְאִם (veim) = en als | יָשַׁ֥בְנוּ (yashavnu) = wij blijven zitten | פֹ֖ה (po) = hier | וָמָ֑תְנוּ (vamatenu) = dan sterven wij | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | לְכוּ֙ (lekhu) = kom | וְנִפְּלָה֙ (venipela) = laten wij overlopen | אֶל (el) = naar | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | אִם (im) = als | יְחַיֻּ֣נוּ (yechayunu) = zij ons in leven laten | נִֽחְיֶ֔ה (nichye) = leven wij | וְאִם (veim) = en als | יְמִיתֻ֖נוּ (yemitunu) = zij ons doden | וָמָֽתְנוּ (vamatenu) = dan sterven wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 14:14; Jona 3:9; Jer 14:18; Est 4:16; Luc 15:17–19 **7:5** Bij de schemering stonden zij op om naar het kamp van Aram te gaan. Zij kwamen aan de rand van het kamp van Aram, en zie, er was daar niemand. Brontekst: וַיָּק֣וּמוּ (vayaqumu) = en zij stonden op | בַנֶּ֔שֶׁף (baneshef) = in de schemering | לָב֖וֹא (lavo) = om te gaan | אֶל (el) = naar | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | קְצֵה֙ (qetse) = de rand van | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | אֵֽין (ein) = er was niet | שָׁ֖ם (sham) = daar | אִֽישׁ (ish) = iemand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַנֶּשֶׁף (neshef), ‘schemering’: de tijd tussen dag en nacht. Hier is het waarschijnlijk de avond, want in vers 9 zeggen zij dat wachten tot het licht van de morgen schuld brengt. Zie ook: Lev 27:26; Deut 28:7; Deut 32:25; 2 Kon 7:9; Ezech 12:6–7; Ezech 12:12 **7:6** Mijn Heer had het kamp van Aram het geluid van wagens laten horen, het geluid van paarden, het geluid van een groot leger. Zij zeiden tegen elkaar: „Zie, de koning van Israël heeft tegen ons ingehuurd: de koningen van de Hethieten en de koningen van Egypte. Zij moeten over ons komen.” Brontekst: וַאדֹנָ֞י (vadonay) = en mijn Heer | הִשְׁמִ֣יעַ (hishmia) = liet horen | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | אֲרָ֗ם (aram) = Aram | ק֥וֹל (qol) = het geluid van | רֶ֨כֶב֙ (rekhev) = wagens | ק֣וֹל (qol) = het geluid van | ס֔וּס (sus) = paarden | ק֖וֹל (qol) = het geluid van | חַ֣יִל (chayil) = een leger | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | וַיֹּאמְר֞וּ (vayomru) = en zij zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = de een | אֶל (el) = tot | אָחִ֗יו (achiv) = zijn broer | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | שָֽׂכַר (sakhar) = heeft ingehuurd | עָלֵינוּ֩ (aleinu) = tegen ons | מֶ֨לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | מַלְכֵ֧י (malkhei) = de koningen van | הַחִתִּ֛ים (hachitim) = de Hethieten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לָב֥וֹא (lavo) = om te komen | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וַאדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst. De verteller noemt Yahweh hier met de aanspreektitel, zoals in 1 Kon. 3:10. De Arameeërs zelf denken aan ingehuurde koningen. Zie ook: 2 Sam 5:24; 1 Kon 3:10; 1 Kon 10:29; Jes 31:1; Jes 36:9; Openb 9:9 **7:7** Zij stonden op en vluchtten in de schemering. Zij lieten hun tenten, hun paarden en hun ezels achter, het kamp zoals het was, en vluchtten voor hun leven. Brontekst: וַיָּקוּמוּ֮ (vayaqumu) = en zij stonden op | וַיָּנ֣וּסוּ (vayanusu) = en vluchtten | בַנֶּשֶׁף֒ (baneshef) = in de schemering | וַיַּעַזְב֣וּ (vayaazvu) = en lieten achter | אֶת (et) = (obj.) | אָהֳלֵיהֶ֗ם (aholeihem) = hun tenten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | סֽוּסֵיהֶם֙ (suseihem) = hun paarden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמֹ֣רֵיהֶ֔ם (chamoreihem) = hun ezels | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het kamp | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | הִ֑יא (hi) = het was | וַיָּנֻ֖סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | אֶל (el) = voor | נַפְשָֽׁם (nafsham) = hun leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:11–12; Ps 20:8–9; Ps 48:5–7; Spr 21:1; Spr 28:1 **7:8** Die mannen met huidziekte kwamen aan de rand van het kamp. Zij gingen een tent in, aten en dronken, en namen daar zilver, goud en kleren mee. Zij gingen weg en verborgen het. Zij kwamen terug en gingen een andere tent in. Zij namen daar ook mee, gingen weg en verborgen het. Brontekst: וַיָּבֹאוּ֩ (vayavou) = en kwamen | הַֽמְצֹרָעִ֨ים (hamtsoraim) = de mannen met huidziekte | הָאֵ֜לֶּה (haele) = die | עַד (ad) = tot | קְצֵ֣ה (qetse) = de rand van | הַֽמַּחֲנֶ֗ה (hamachane) = het kamp | וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij gingen | אֶל (el) = in | אֹ֤הֶל (ohel) = een tent | אֶחָד֙ (echad) = één | וַיֹּאכְל֣וּ (vayokhlu) = en zij aten | וַיִּשְׁתּ֔וּ (vayishtu) = en dronken | וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en namen | מִשָּׁ֗ם (misham) = vandaar | כֶּ֤סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָב֙ (vezahav) = en goud | וּבְגָדִ֔ים (uvegadim) = en kleren | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en gingen weg | וַיַּטְמִ֑נוּ (vayatminu) = en verborgen het | וַיָּשֻׁ֗בוּ (vayashuvu) = en kwamen terug | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en gingen | אֶל (el) = in | אֹ֣הֶל (ohel) = een tent | אַחֵ֔ר (acher) = andere | וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en namen | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en gingen weg | וַיַּטְמִֽנוּ (vayatminu) = en verborgen het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:21; 2 Kon 5:24; Jer 41:8; Mat 13:44; Mat 25:18 **7:9** Zij zeiden tegen elkaar: „Wat wij doen is niet goed. Deze dag is een dag van goed nieuws, en wij zwijgen. Wachten wij tot het licht van de morgen, dan komt er schuld op ons. Kom nu, laten wij gaan en het vertellen aan het huis van de koning.” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֩ (vayomru) = en zij zeiden | אִ֨ישׁ (ish) = de een | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֜הוּ (reehu) = de ander | לֹֽא (lo) = niet | כֵ֣ן (ken) = goed | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | עֹשִׂ֗ים (osim) = doen | הַיּ֤וֹם (hayom) = dag | הַזֶּה֙ (haze) = deze | יוֹם (yom) = een dag van | בְּשֹׂרָ֣ה (besora) = goed nieuws | ה֔וּא (hu) = is | וַאֲנַ֣חְנוּ (vaanachnu) = en wij | מַחְשִׁ֗ים (machshim) = zwijgen | וְחִכִּ֛ינוּ (vechikinu) = en wachten wij | עַד (ad) = tot | א֥וֹר (or) = het licht van | הַבֹּ֖קֶר (haboqer) = de morgen | וּמְצָאָ֣נוּ (umetsaanu) = dan treft ons | עָו֑וֹן (avon) = schuld | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | לְכ֣וּ (lekhu) = kom | וְנָבֹ֔אָה (venavoa) = laten wij gaan | וְנַגִּ֖ידָה (venagida) = en vertellen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשֹׂרָה (besorah), ‘goed nieuws’: een bericht dat blij maakt. Voetnoot : עָווֹן (avon), ‘schuld’: ook de straf die op schuld volgt. Zie ook: Num 32:23; 2 Kon 7:6; Jes 41:27; Jes 52:7; Fil 2:4 **7:10** Zij kwamen en riepen naar de poort van de stad. Zij vertelden hun: „Wij zijn naar het kamp van Aram gegaan, en zie, er was niemand, geen stem van een mens. Alleen de paarden waren vastgebonden en de ezels waren vastgebonden, en de tenten stonden zoals ze waren.” Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en zij kwamen | וַֽיִּקְרְאוּ֮ (vayiqreu) = en riepen | אֶל (el) = naar | שֹׁעֵ֣ר (shoer) = de poort van | הָעִיר֒ (hair) = de stad | וַיַּגִּ֤ידוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לָהֶם֙ (lahem) = hun | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בָּ֚אנוּ (banu) = wij zijn gekomen | אֶל (el) = naar | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | אֵֽין (ein) = er was niet | שָׁ֛ם (sham) = daar | אִ֖ישׁ (ish) = iemand | וְק֣וֹל (veqol) = en geen stem van | אָדָ֑ם (adam) = een mens | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | הַסּ֤וּס (hasus) = de paarden | אָסוּר֙ (asur) = vastgebonden | וְהַחֲמ֣וֹר (vehachamor) = en de ezels | אָס֔וּר (asur) = vastgebonden | וְאֹהָלִ֖ים (veohalim) = en tenten | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | הֵֽמָּה (hema) = zij waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 18:26; Ps 127:1; 2 Kon 7:6–7; 2 Kon 7:11; Mar 13:34–35 **7:11** De poortwachters riepen het uit en vertelden het binnen in het huis van de koning. Brontekst: וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en riepen | הַשֹּֽׁעֲרִ֑ים (hashoarim) = de poortwachters | וַיַּגִּ֕ידוּ (vayagidu) = en vertelden | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | פְּנִֽימָה (penima) = naar binnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De koning wantrouwt het bericht **7:12** De koning stond in de nacht op en zei tegen zijn dienaren: „Laat mij jullie toch vertellen wat Aram ons heeft aangedaan. Zij weten dat wij honger hebben. En zij zijn uit het kamp gegaan om zich in het veld te verbergen. Zij zeggen: ‘Als zij uit de stad komen, grijpen wij hen levend, en dan gaan wij de stad in.’” Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לַ֗יְלָה (layla) = in de nacht | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | אַגִּֽידָה (agida) = laat mij vertellen | נָּ֣א (na) = toch | לָכֶ֔ם (lakhem) = jullie | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָ֥שׂוּ (asu) = hebben gedaan | לָ֖נוּ (lanu) = aan ons | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | יָדְע֞וּ (yadeu) = zij weten | כִּי (ki) = dat | רְעֵבִ֣ים (reevim) = hongerig | אֲנַ֗חְנוּ (anachnu) = wij zijn | וַיֵּצְא֤וּ (vayetseu) = en zij zijn uitgegaan | מִן (min) = uit | הַֽמַּחֲנֶה֙ (hamachane) = het kamp | לְהֵחָבֵ֤ה (lehechave) = om zich te verbergen | בַשָּׂדֶה֙ (basade) = in het veld | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כִּֽי (ki) = wanneer | יֵצְא֤וּ (yetseu) = zij uitgaan | מִן (min) = uit | הָעִיר֙ (hair) = de stad | וְנִתְפְּשֵׂ֣ם (venitpesem) = dan grijpen wij hen | חַיִּ֔ים (chayim) = levend | וְאֶל (veel) = en in | הָעִ֖יר (hair) = de stad | נָבֹֽא (navo) = gaan wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft בהשדה (bahassadeh). De voorgelezen tekst (qere) heeft בַשָּׂדֶה (bassadeh), ‘in het veld’. Wij volgen de qere. Zie ook: Joz 8:4; 2 Kon 6:25–29 **7:13** Een van zijn dienaren antwoordde: „Laat men toch vijf van de paarden nemen die zijn overgebleven, die in de stad zijn overgebleven. Zie, zij zijn als heel de menigte van Israël die erin is overgebleven. Zie, zij zijn als heel de menigte van Israël die omgekomen is. Laten wij hen sturen en zien.” Brontekst: וַיַּעַן֩ (vayaan) = en antwoordde | אֶחָ֨ד (echad) = een | מֵעֲבָדָ֜יו (meavadav) = van zijn dienaren | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | וְיִקְחוּ (veyiqchu) = laat men nemen | נָ֞א (na) = toch | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijf | מִן (min) = van | הַסּוּסִים֮ (hasusim) = de paarden | הַֽנִּשְׁאָרִים֮ (hanisharim) = die overblijven | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִשְׁאֲרוּ (nisharu) = zijn overgebleven | בָהּ֒ (bah) = daarin | הִנָּ֗ם (hinam) = zie zij | כְּכָל (kekhal) = zijn als heel | הֲמ֤וֹן (hamon) = de menigte van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִשְׁאֲרוּ (nisharu) = zijn overgebleven | בָ֔הּ (bah) = daarin | הִנָּ֕ם (hinam) = zie zij | כְּכָל (kekhal) = zijn als heel | הֲמ֥וֹן (hamon) = de menigte van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | תָּ֑מּוּ (tamu) = zijn omgekomen | וְנִשְׁלְחָ֖ה (venishlecha) = laten wij sturen | וְנִרְאֶֽה (venire) = en zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin herhaalt ‘zie, zij zijn als heel de menigte van Israël’. De dienaar bedoelt waarschijnlijk dat deze paarden en hun ruiters toch verloren zijn, net als de rest van de stad. De zin is moeilijk. Voetnoot Lezing: Bij ‘menigte’ heeft de geschreven tekst (ketiv) ההמון (hahamon). De voorgelezen tekst (qere) heeft הֲמוֹן (hamon). Wij volgen de qere. Zie ook: 2 Kon 5:13; 2 Kon 6:33; 2 Kon 7:4; Jer 14:18; Klaagl 4:9 **7:14** Zij namen twee wagens met paarden. De koning stuurde hen achter het kamp van Aram aan met de woorden: „Ga en kijk.” Brontekst: וַיִּקְח֕וּ (vayiqchu) = en zij namen | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | רֶ֣כֶב (rekhev) = wagens | סוּסִ֑ים (susim) = met paarden | וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en zond | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַחֲרֵ֧י (acharei) = achter | מַחֲנֵֽה (machane) = het kamp van | אֲרָ֛ם (aram) = Aram | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | לְכ֥וּ (lekhu) = gaat | וּרְאֽוּ (ureu) = en ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:15** Zij gingen hen achterna tot aan de Jordaan. Zie, heel de weg lag vol kleren en uitrusting, die de Arameeërs in hun haast hadden weggegooid. De boden keerden terug en vertelden het de koning. Brontekst: וַיֵּלְכ֣וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אַחֲרֵיהֶם֮ (achareihem) = hen achterna | עַד (ad) = tot | הַיַּרְדֵּן֒ (hayarden) = de Jordaan | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | כָל (kal) = heel | הַדֶּ֗רֶךְ (haderekh) = de weg | מְלֵאָ֤ה (melea) = vol | בְגָדִים֙ (begadim) = kleren | וְכֵלִ֔ים (vekhelim) = en uitrusting | אֲשֶׁר (asher) = die | הִשְׁלִ֥יכוּ (hishlikhu) = wegwierpen | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | בְּחָפְזָ֑ם (bechafezam) = in hun haast | וַיָּשֻׁ֨בוּ֙ (vayashuvu) = en keerden terug | הַמַּלְאָכִ֔ים (hamalakhim) = de boden | וַיַּגִּ֖דוּ (vayagidu) = en vertelden | לַמֶּֽלֶךְ (lamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Jordaan ligt ten oosten van Samaria, op grote afstand. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft בהחפזם (behachpazam). De voorgelezen tekst (qere) heeft בְּחָפְזָם (bechofzam), ‘in hun haast’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 10:3; Jes 31:7; Ezech 18:31; Est 1:7; Fil 3:7–8 ### Het woord van Yahweh komt uit **7:16** Het volk trok erop uit en plunderde het kamp van Aram. Zo kostte een maat meelbloem een sikkel en kostten twee maten gerst een sikkel, volgens het woord van Yahweh. Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en trok uit | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיָּבֹ֕זּוּ (vayavozu) = en plunderde | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | סְאָה (sea) = een maat | סֹ֜לֶת (solet) = meelbloem | בְּשֶׁ֗קֶל (besheqel) = voor een sikkel | וְסָאתַ֧יִם (vesatayim) = en twee maten | שְׂעֹרִ֛ים (seorim) = gerst | בְּשֶׁ֖קֶל (besheqel) = voor een sikkel | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie vers 1: dit is het woord dat Elisa in de naam van Yahweh sprak. Zie ook: Num 23:19; 2 Kon 7:1; Jes 33:4; Jes 33:23; Mat 24:35 **7:17** De koning had de officier op wiens hand hij leunde, aangesteld over de poort. Het volk vertrapte hem in de poort en hij stierf. Zo had de man van Elohim gesproken, toen de koning naar hem toe kwam. Brontekst: וְהַמֶּלֶךְ֩ (vehamelekh) = en de koning | הִפְקִ֨יד (hifqid) = stelde aan | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁלִ֜ישׁ (hashalish) = de officier | אֲשֶׁר (asher) = op wie | נִשְׁעָ֤ן (nishan) = hij leunde | עַל (al) = op | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עַל (al) = over | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | וַיִּרְמְסֻ֧הוּ (vayirmesuhu) = en vertrapte hem | הָעָ֛ם (haam) = het volk | בַּשַּׁ֖עַר (bashaar) = in de poort | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en hij stierf | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּר֙ (diber) = sprak | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | דִּבֶּ֔ר (diber) = sprak | בְּרֶ֥דֶת (beredet) = toen kwam | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵלָֽיו (elav) = naar hem toe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zo had Elisa gezegd in vers 2: ‘je zult het zien, maar daarvan niet eten’. De woorden ‘toen de koning naar hem toe kwam’ sluiten aan op 2 Kon. 6:33. Zie ook: 2 Kon 6:32; 2 Kon 6:33; 2 Kon 7:2; 2 Kon 9:33; Jes 25:10; Heb 10:29 **7:18** Het gebeurde zoals de man van Elohim tegen de koning had gezegd: „In de poort van Samaria zullen morgen, rond deze tijd, twee maten gerst een sikkel kosten. Een maat meelbloem zal een sikkel kosten.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּדַבֵּר֙ (kedaber) = zoals het woord van | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | סָאתַ֨יִם (satayim) = twee maten | שְׂעֹרִ֜ים (seorim) = gerst | בְּשֶׁ֗קֶל (besheqel) = voor een sikkel | וּֽסְאָה (usea) = en een maat | סֹ֨לֶת֙ (solet) = meelbloem | בְּשֶׁ֔קֶל (besheqel) = voor een sikkel | יִהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | כָּעֵ֣ת (kaet) = rond de tijd | מָחָ֔ר (machar) = morgen | בְּשַׁ֖עַר (beshaar) = in de poort van | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: Gen 18:14; 2 Kon 6:32; 2 Kon 7:1–2 **7:19** De officier had de man van Elohim geantwoord: „Zie, al zou Yahweh luiken in de hemel maken, zou dit dan gebeuren?” Hij had gezegd: „Zie, je zult het met je eigen ogen zien, maar daarvan zul je niet eten.” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | הַשָּׁלִ֜ישׁ (hashalish) = de officier | אֶת (et) = (obj.) | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִים֮ (haElohim) = Elohim | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en zei | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשֶׂ֤ה (ose) = maakt | אֲרֻבּוֹת֙ (arubot) = luiken | בַּשָּׁמַ֔יִם (bashamayim) = in de hemel | הֲיִהְיֶ֖ה (hayihye) = zou het gebeuren | כַּדָּבָ֣ר (kadavar) = zoals het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנְּךָ֤ (hinekha) = zie jij | רֹאֶה֙ (roe) = zult zien | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = met je ogen | וּמִשָּׁ֖ם (umisham) = maar daarvan | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽל (tokhel) = zul je eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 7:2 **7:20** Zo gebeurde het met hem: het volk vertrapte hem in de poort en hij stierf. Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en het was | ל֖וֹ (lo) = hem | כֵּ֑ן (ken) = zo | וַיִּרְמְס֨וּ (vayirmesu) = en vertrapten | אֹת֥וֹ (oto) = hem | הָעָ֛ם (haam) = het volk | בַּשַּׁ֖עַר (bashaar) = in de poort | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:23; Num 20:12; Jes 7:9; Jer 17:5–6; Heb 3:18–19 ## 2 Koningen 8 _Elisa en Hazaël; Joram en Achazia, koningen van Juda_ ### De vrouw en de hongersnood **8:1** Elisa had gesproken tot de vrouw wier zoon hij levend had gemaakt. Hij had gezegd: „Sta op en ga, jij en je huis. Verblijf als gast waar je maar kunt verblijven. Want Yahweh heeft een hongersnood geroepen. Ook is die over het land gekomen, zeven jaar lang.” Brontekst: וֶאֱלִישָׁ֡ע (veelisha) = en Elisa | דִּבֶּ֣ר (diber) = had gesproken | אֶל (el) = tot | הָאִשָּׁה֩ (haisha) = de vrouw | אֲשֶׁר (asher) = wier | הֶחֱיָ֨ה (hecheya) = hij levend had gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | בְּנָ֜הּ (benah) = haar zoon | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | ק֤וּמִי (qumi) = sta op | וּלְכִי֙ (ulekhi) = en ga | אַ֣תְּ (at) = jij | וּבֵיתֵ֔ךְ (uveitekh) = en je huis | וְג֖וּרִי (veguri) = en verblijf als gast | בַּאֲשֶׁ֣ר (baasher) = waar | תָּג֑וּרִי (taguri) = je kunt verblijven | כִּֽי (ki) = want | קָרָ֤א (qara) = heeft geroepen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָֽרָעָ֔ב (laraav) = om honger | וְגַם (vegam) = en ook | בָּ֥א (ba) = is gekomen | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִֽים (shanim) = jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de vrouw wier zoon Elisa levend maakte (2 Kon. 4:8–37). De tekst noemt haar niet bij naam. Voetnoot : קָרָא לָרָעָב (qara lara’av), ‘hij heeft een hongersnood geroepen’: Yahweh roept de honger op, zoals Hij ook in Ps. 105:16 doet. Voetnoot : גּוּר (gur), ‘als gast verblijven’: wonen als vreemdeling, zonder eigen grond. Vergelijk 1 Kon. 17:20. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft voor ‘jij’ de vorm אתי, het qere heeft אַתְּ (at). De betekenis is gelijk. Wij volgen het qere. Zie ook: Ruth 1:1; Ps 105:16; 1 Kon 17:20; 2 Kon 4:8–37; 2 Kon 4:18; 2 Kon 4:31–35; Hag 1:11 **8:2** De vrouw stond op en deed naar het woord van de man van Elohim. Zij ging, zij en haar huis, en verbleef zeven jaar als gast in het land van de Filistijnen. Brontekst: וַתָּ֨קָם֙ (vataqam) = en stond op | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וַתַּ֕עַשׂ (vataas) = en deed | כִּדְבַ֖ר (kidvar) = naar het woord van | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וַתֵּ֤לֶךְ (vatelekh) = en ging | הִיא֙ (hi) = zij | וּבֵיתָ֔הּ (uveitah) = en haar huis | וַתָּ֥גָר (vatagar) = en verbleef als gast | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִֽים (shanim) = jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land van de Filistijnen is de kustvlakte ten zuidwesten van Juda, in het huidige Israël en de Gazastrook. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Re 3:3; 1 Sam 27:1–3; 1 Tim 5:8 **8:3** Na zeven jaar keerde de vrouw terug uit het land van de Filistijnen. Zij ging erop uit om bij de koning te roepen om haar huis en haar akker. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | מִקְצֵה֙ (miqtse) = aan het einde van | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | וַתָּ֥שָׁב (vatashav) = en keerde terug | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַתֵּצֵא֙ (vatetse) = en ging uit | לִצְעֹ֣ק (litsoq) = om te roepen | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = om | בֵּיתָ֖הּ (beitah) = haar huis | וְאֶל (veel) = en om | שָׂדָֽהּ (sadah) = haar akker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: לִצְעֹק (litso’q), ‘roepen’: een beroep doen op de koning om recht. De tekst zegt niet wie haar huis en akker tijdens haar afwezigheid in bezit nam. Zie ook: Ps 82:3–4; 2 Kon 4:13; 2 Kon 6:26; 2 Kon 8:6; Luc 18:3–5 **8:4** De koning sprak met Gechazi, de jongen van de man van Elohim. Hij zei: „Vertel mij toch alle grote daden die Elisa heeft gedaan.” Brontekst: וְהַמֶּ֗לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | מְדַבֵּר֙ (medaber) = sprekend | אֶל (el) = tot | גֵּ֣חֲזִ֔י (gechazi) = Gechazi | נַ֥עַר (naar) = jongen van | אִישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | סַפְּרָה (sapera) = vertel | נָּ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = aan mij | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגְּדֹל֖וֹת (hagedolot) = grote daden | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֥ה (asa) = deed | אֱלִישָֽׁע (elisha) = Elisa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעַר (na’ar), ‘jongen’: dienaar. Gechazi (גֵּחֲזִי, Gechazi) is de dienaar van Elisa uit 2 Kon. 4:12 en 5:20–27. Voetnoot : De koning heeft hier geen naam. Het Hebreeuws zegt ook niet wanneer dit gesprek plaatsvond. Zie ook: 2 Kon 2:24; 2 Kon 4:12; 2 Kon 5:20–27; 2 Kon 6:6; 2 Kon 7:10; Hand 24:24 **8:5** Hij vertelde de koning hoe hij de dode levend had gemaakt. Zie, daar riep de vrouw, wier zoon hij levend had gemaakt, de koning aan om haar huis en haar akker. Gechazi zei: „Mijn heer de koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon, die Elisa levend heeft gemaakt.” Brontekst: וַ֠יְהִי (vayhi) = en het was | ה֥וּא (hu) = hij | מְסַפֵּ֣ר (mesaper) = vertellend | לַמֶּלֶךְ֮ (lamelekh) = aan de koning | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = hoe | הֶחֱיָ֣ה (hecheya) = hij levend maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַמֵּת֒ (hamet) = de dode | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | הָאִשָּׁ֜ה (haisha) = de vrouw | אֲשֶׁר (asher) = wier | הֶחֱיָ֤ה (hecheya) = hij levend maakte | אֶת (et) = (obj.) | בְּנָהּ֙ (benah) = haar zoon | צֹעֶ֣קֶת (tsoeqet) = roepend | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = om | בֵּיתָ֖הּ (beitah) = haar huis | וְעַל (veal) = en om | שָׂדָ֑הּ (sadah) = haar akker | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | גֵּֽחֲזִי֙ (gechazi) = Gechazi | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | זֹ֚את (zot) = dit | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וְזֶה (veze) = en dit | בְּנָ֖הּ (benah) = haar zoon | אֲשֶׁר (asher) = die | הֶחֱיָ֥ה (hecheya) = levend maakte | אֱלִישָֽׁע (elisha) = Elisa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van de koning, niet van Yahweh. Zie ook: Ruth 2:3; 1 Sam 26:17; Spr 16:9; 2 Kon 4:35; Mat 10:29–30 **8:6** De koning vroeg het aan de vrouw en zij vertelde het hem. De koning gaf haar een hofbeambte mee. Hij zei: „Geef haar alles terug wat van haar was. Geef haar ook alle opbrengst van het veld, vanaf de dag dat zij het land verliet tot nu toe.” Brontekst: וַיִּשְׁאַ֥ל (vayishal) = en vroeg | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | לָאִשָּׁ֖ה (laisha) = aan de vrouw | וַתְּסַפֶּר (vatesaper) = en zij vertelde | ל֑וֹ (lo) = hem | וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | לָ֣הּ (lah) = aan haar | הַמֶּלֶךְ֩ (hamelekh) = de koning | סָרִ֨יס (saris) = hofbeambte | אֶחָ֜ד (echad) = een | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | הָשֵׁ֤יב (hasheiv) = breng terug | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָהּ֙ (lah) = van haar was | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | תְּבוּאֹ֣ת (tevuot) = opbrengst van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | מִיּ֛וֹם (miyom) = vanaf de dag | עָזְבָ֥ה (azeva) = zij verliet | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | וְעַד (vead) = en tot | עָֽתָּה (ata) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hofbeambte’: een ambtenaar aan het hof. Het woord kan ook een gesneden man (eunuch) aanduiden. Voetnoot : תְּבוּאַת הַשָּׂדֶה (tevu’at hasadeh), ‘opbrengst van het veld’: de oogsten van de jaren dat het land onbewerkt bleef. Zie ook: 2 Sam 9:7; 1 Kron 28:1; Spr 16:7; Spr 21:1; 2 Kon 9:32 ### Elisa in Damascus **8:7** Elisa kwam in Damascus. Ben-Hadad, de koning van Aram, was ziek. Men meldde hem: „De man van Elohim is hier gekomen.” Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | אֱלִישָׁע֙ (elisha) = Elisa | דַּמֶּ֔שֶׂק (dameseq) = Damascus | וּבֶן (uven) = en Ben | הֲדַ֥ד (hadad) = Hadad | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | חֹלֶ֑ה (chole) = was ziek | וַיֻּגַּד (vayugad) = en men meldde | ל֣וֹ (lo) = hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בָּ֛א (ba) = is gekomen | אִ֥ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | עַד (ad) = tot | הֵֽנָּה (hena) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Damascus (דַּמֶּשֶׂק, Dammesek) is de hoofdstad van Aram, nu Damascus, Syrië. Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een titel voor een profeet. Zie ook: Deut 33:1; 1 Kon 11:24; 1 Kon 20:1; 2 Kon 2:15; 2 Kon 6:24 **8:8** De koning zei tegen Hazaël: „Neem een geschenk in je hand en ga de man van Elohim tegemoet. Raadpleeg Yahweh door hem en vraag: ‘Zal ik van deze ziekte genezen?’” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = tot | חֲזָהאֵ֗ל (chazahel) = Hazaël | קַ֤ח (qach) = neem | בְּיָֽדְךָ֙ (beyadekha) = in je hand | מִנְחָ֔ה (mincha) = geschenk | וְלֵ֕ךְ (velekh) = en ga | לִקְרַ֖את (liqrat) = tegemoet | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וְדָרַשְׁתָּ֨ (vedarashta) = en raadpleeg | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | מֵֽאוֹתוֹ֙ (meoto) = door hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַאֶחְיֶ֖ה (haechye) = zal ik leven | מֵחֳלִ֥י (mecholi) = van de ziekte | זֶֽה (ze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: hier een gave aan de profeet. Het is geen offer. Elders vertalen wij het als ‘graanoffer’ of ‘offergave’. Vergelijk 1 Kon. 14:3. Voetnoot : הַאֶחְיֶה מֵחֳלִי זֶה (ha’echyeh mecholi zeh), ‘zal ik van deze ziekte genezen?’: letterlijk ‘zal ik leven van deze ziekte?’. Dezelfde vraag stelde Achazia van Israël in 2 Kon. 1:2. Zie ook: 1 Sam 9:7; 1 Kon 14:3; 1 Kon 19:15; 2 Kon 1:2; 2 Kon 5:5; Luc 13:23 **8:9** Hazaël ging hem tegemoet. Hij nam een geschenk in zijn hand mee: van al het goede van Damascus een vracht van 40 kamelen. Hij kwam, ging voor hem staan en zei: „Uw zoon Ben-Hadad, de koning van Aram, heeft mij naar u gestuurd. Hij vraagt: ‘Zal ik van deze ziekte genezen?’” Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | חֲזָאֵל֮ (chazael) = Hazaël | לִקְרָאתוֹ֒ (liqrato) = hem tegemoet | וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מִנְחָ֤ה (mincha) = geschenk | בְיָדוֹ֙ (beyado) = in zijn hand | וְכָל (vekhal) = en alle | ט֣וּב (tuv) = goed van | דַּמֶּ֔שֶׂק (dameseq) = Damascus | מַשָּׂ֖א (masa) = vracht van | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | גָּמָ֑ל (gamal) = kamelen | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | וַיַּעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en stond | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor hem | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | בִּנְךָ֨ (binkha) = uw zoon | בֶן (ben) = Ben | הֲדַ֤ד (hadad) = Hadad | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָם֙ (aram) = Aram | שְׁלָחַ֤נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = naar u | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַאֶחְיֶ֖ה (haechye) = zal ik leven | מֵחֳלִ֥י (mecholi) = van de ziekte | זֶֽה (ze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: ‘Uw zoon Ben-Hadad’: Hazaël spreekt de profeet met eerbied aan. De tekst noemt geen gewicht bij de ‘vracht van 40 kamelen’. Zie ook: 1 Sam 25:8; 1 Kon 19:15; 2 Kon 5:5; 2 Kon 5:13; Filem 1:14 **8:10** Elisa zei tegen hem: „Ga en zeg tegen hem: ‘Je zult zeker leven.’ Maar Yahweh heeft mij laten zien dat hij zeker zal sterven.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | אֱמָר (emar) = zeg | ל֖וֹ (lo) = hem | חָיֹ֣ה (chayo) = zeker | תִחְיֶ֑ה (tichye) = je zult leven | וְהִרְאַ֥נִי (vehirani) = en heeft laten zien aan mij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | מ֥וֹת (mot) = zeker | יָמֽוּת (yamut) = hij zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is לֹא (lo), ‘niet’. Het qere is לוֹ (lo), ‘hem’. Met het ketiv staat er: ‘Zeg: Je zult zeker niet leven.’ Wij volgen het qere: ‘Zeg tegen hem: Je zult zeker leven.’ Daarna zegt Elisa dat Yahweh hem de dood van Ben-Hadad heeft laten zien. Zie ook: 2 Kon 1:4; 2 Kon 1:16; Amos 7:4; Ezech 11:25; Zach 2:3 **8:11** Hij hield zijn blik strak gericht en bleef zo, tot hij zich schaamde. Toen huilde de man van Elohim. Brontekst: וַיַּעֲמֵ֥ד (vayaamed) = en hield vast | אֶת (et) = (obj.) | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en bleef | עַד (ad) = tot | בֹּ֑שׁ (bosh) = hij zich schaamde | וַיֵּ֖בְךְּ (vayevek) = en huilde | אִ֥ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּעֲמֵד אֶת־פָּנָיו (wayya’amed et panav), letterlijk ‘hij liet zijn gezicht staan’: een vaste, strakke blik. עַד־בֹּשׁ (ad bosh), ‘tot schaamte’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt niet wie zijn blik strak richt en wie zich schaamt. Meestal wordt gelezen dat Elisa strak naar Hazaël kijkt, tot Hazaël zich schaamt. Wij laten het ‘hij’ open, zoals in het Hebreeuws. Zie ook: Ps 119:136; Jer 4:19; Jer 9:17; Luc 19:41; Rom 9:2 **8:12** Hazaël zei: „Waarom huilt mijn heer?” Hij zei: „Omdat ik weet welk kwaad je de zonen van Israël zult aandoen. Hun vestingen zul je in brand steken. Hun beste jonge mannen zul je met het zwaard doden. Hun kleine kinderen zul je verpletteren. Hun zwangere vrouwen zul je openrijten.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חֲזָאֵ֔ל (chazael) = Hazaël | מַדּ֖וּעַ (madua) = waarom | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | בֹכֶ֑ה (bokhe) = huilt | וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en hij zei | כִּֽי (ki) = omdat | יָדַ֡עְתִּי (yadati) = ik weet | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | תַּעֲשֶׂה֩ (taase) = je zult doen | לִבְנֵ֨י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | רָעָ֗ה (raa) = kwaad | מִבְצְרֵיהֶ֞ם (mivtsereihem) = hun vestingen | תְּשַׁלַּ֤ח (teshalach) = zul je in brand steken | בָּאֵשׁ֙ (baesh) = met vuur | וּבַחֻֽרֵיהֶם֙ (uvachureihem) = en hun jonge mannen | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = met het zwaard | תַּהֲרֹ֔ג (taharog) = zul je doden | וְעֹלְלֵיהֶ֣ם (veoleleihem) = en hun kleine kinderen | תְּרַטֵּ֔שׁ (teratesh) = zul je verpletteren | וְהָרֹתֵיהֶ֖ם (veharoteihem) = en hun zwangere vrouwen | תְּבַקֵּֽעַ (tevaqea) = zul je openrijten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּחוּר (bachur), ‘jonge man’: hier de beste, uitgelezen jonge mannen. Voetnoot : עֹלָל (olal), ‘klein kind’: een zuigeling of peuter. Voetnoot : Dezelfde wreedheden staan in Amos 1:13 en Hos. 14:1 (Hebreeuwse telling). Hazaëls onderdrukking van Israël staat in 2 Kon. 10:32–33 en 13:3. Zie ook: 2 Kon 10:32–33; 2 Kon 12:18; 2 Kon 13:3; 2 Kon 15:16; Amos 1:13; Hos 14:1; Nah 3:10 **8:13** Hazaël zei: „Maar wat is uw dienaar, die hond, dat hij dit grote ding zou doen?” Elisa zei: „Yahweh heeft mij laten zien dat jij koning wordt over Aram.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חֲזָהאֵ֔ל (chazahel) = Hazaël | כִּ֣י (ki) = maar | מָ֤ה (ma) = wat | עַבְדְּךָ֙ (avdekha) = uw dienaar | הַכֶּ֔לֶב (hakelev) = de hond | כִּ֣י (ki) = dat | יַעֲשֶׂ֔ה (yaase) = hij zou doen | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het ding | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = het grote | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | הִרְאַ֧נִי (hirani) = heeft laten zien aan mij | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֹתְךָ֖ (otekha) = jou | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning | עַל (al) = over | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: הַכֶּלֶב (hakkelev), ‘de hond’: een zelfvernedering. Hazaël vraagt hoe iemand als hij zoiets groots kan doen. Hij ontkent niet wat Elisa zegt. Vergelijk 1 Kon. 19:15, waar Yahweh opdracht geeft Hazaël tot koning over Aram te zalven. Zie ook: 1 Sam 17:43; 2 Sam 9:8; 1 Kon 19:15; 2 Kon 8:10; Mi 2:1 **8:14** Hij ging weg van Elisa en kwam bij zijn heer. Die zei tegen hem: „Wat heeft Elisa tegen je gezegd?” Hij zei: „Hij zei tegen mij: ‘Je zult zeker leven.’” Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | מֵאֵ֣ת (meet) = van bij | אֱלִישָׁ֗ע (elisha) = Elisa | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = tot | אֲדֹנָ֔יו (adonav) = zijn heer | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | מָֽה (ma) = wat | אָמַ֥ר (amar) = zei | לְךָ֖ (lekha) = tegen jou | אֱלִישָׁ֑ע (elisha) = Elisa | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָ֥מַר (amar) = hij zei | לִ֖י (li) = tegen mij | חָיֹ֥ה (chayo) = zeker | תִחְיֶֽה (tichye) = je zult leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 5:25; 2 Kon 8:10; Mat 26:16 **8:15** De volgende dag nam hij de deken, doopte die in water en spreidde die over zijn gezicht. Toen stierf hij. Hazaël werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֗ת (mimachorat) = op de volgende dag | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | הַמַּכְבֵּר֙ (hamakhber) = de deken | וַיִּטְבֹּ֣ל (vayitbol) = en doopte | בַּמַּ֔יִם (bamayim) = in water | וַיִּפְרֹ֥שׂ (vayifros) = en spreidde | עַל (al) = over | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en hij stierf | וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en werd koning | חֲזָהאֵ֖ל (chazahel) = Hazaël | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַכְבֵּר (makber), ‘deken’: een doek of kleed. Het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt niet wie de deken over het gezicht legt, behalve dat Hazaël hem nam. ‘Zijn gezicht’ en ‘hij stierf’ wijzen op Ben-Hadad. Wij laten het ‘hij’ staan, zoals in het Hebreeuws. Zie ook: Ps 36:5; 1 Kon 11:26–37; 1 Kon 16:10; 2 Kon 8:13; Mi 2:1 ### Joram, koning van Juda **8:16** In het vijfde jaar van Joram, de zoon van Achab, koning van Israël — Josafat was koning van Juda — werd Joram, de zoon van Josafat, koning van Juda. Brontekst: וּבִשְׁנַ֣ת (uvishnat) = en in het jaar van | חָמֵ֗שׁ (chamesh) = vijf | לְיוֹרָ֤ם (leyoram) = van Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָב֙ (achav) = Achab | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וִיהוֹשָׁפָ֖ט (vihoshafat) = en Josafat | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָלַ֛ךְ (malakh) = werd koning | יְהוֹרָ֥ם (yehoram) = Joram | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹרָם (Yehoram) en יוֹרָם (Yoram) zijn twee vormen van dezelfde naam. In dit vers dragen de koning van Israël en de koning van Juda allebei deze naam. Wij schrijven beide ‘Joram’; de zoon van Achab is de koning van Israël, de zoon van Josafat is de koning van Juda. Voetnoot Lezing: De woorden ‘en Josafat was koning van Juda’ staan in de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen laten ze weg. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 22:51; 2 Kon 1:17; 2 Kon 3:1; 2 Kron 21:1–20 **8:17** Hij was 32 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 8 jaar in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁתַּ֛יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | הָיָ֣ה (haya) = was hij | בְמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וּשְׁמֹנֶ֣ה (ushemone) = en acht | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dezelfde gegevens staan in 2 Kron. 21:5. Voetnoot Lezing: Bij het tweede ‘jaar’ (na ‘acht’) heeft de geschreven tekst (ketiv) שנה (shanah), ‘jaar’. De voorgelezen tekst (qere) heeft שָׁנִים (shanim), ‘jaren’. De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: 2 Kron 21:5–10 **8:18** Hij ging op de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed, want de dochter van Achab was zijn vrouw. Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh. Brontekst: וַיֵּ֜לֶךְ (vayelekh) = en ging | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | עָשׂוּ֙ (asu) = deden | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֔ב (achav) = Achab | כִּ֚י (ki) = want | בַּת (bat) = dochter van | אַחְאָ֔ב (achav) = Achab | הָֽיְתָה (hayeta) = was | לּ֖וֹ (lo) = voor hem | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De dochter van Achab’ is Atalia (vers 26). Zij is de vrouw van Joram van Juda. Over het huis van Achab: zie 1 Kon. 16:29–33. Zie ook: Gen 6:1–5; 1 Kon 11:1–5; 1 Kon 16:29–33; 2 Kon 8:26; 2 Kron 18:1; 2 Kron 21:13 **8:19** Maar Yahweh wilde Juda niet vernietigen, omwille van David, Zijn dienaar. Zoals Hij tegen hem had gezegd: Hij zou hem een lamp geven, voor zijn zonen, alle dagen. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | אָבָ֤ה (ava) = wilde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְהַשְׁחִ֣ית (lehashchit) = vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לְמַ֖עַן (lemaan) = omwille van | דָּוִ֣ד (david) = David | עַבְדּ֑וֹ (avdo) = Zijn dienaar | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | אָֽמַר (amar) = Hij had gezegd | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | לָתֵ֨ת (latet) = om te geven | ל֥וֹ (lo) = aan hem | נִ֛יר (nir) = een lamp | לְבָנָ֖יו (levanav) = voor zijn zonen | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִיר (nir), ‘lamp’: een beeld voor een nazaat die het huis van David laat voortbestaan. Zie 1 Kon. 11:36 en 15:4. De belofte staat in 2 Sam. 7:12–16. Zie ook: 2 Sam 7:12–13; 1 Kon 11:36; 1 Kon 15:4; Hos 11:9; Jes 37:35; Luc 1:32–33 **8:20** In zijn dagen kwam Edom in opstand tegen de macht van Juda. Zij stelden een koning over zich aan. Brontekst: בְּיָמָיו֙ (beyamav) = in zijn dagen | פָּשַׁ֣ע (pasha) = kwam in opstand | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | יַד (yad) = de hand van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיַּמְלִ֥כוּ (vayamlikhu) = en zij maakten koning | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over zich | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Edom ligt ten zuiden van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: Edom was sinds David onderworpen aan Israël (2 Sam. 8:14). Onder Josafat regeerde een aangestelde (1 Kon. 22:48). Zie ook: 2 Sam 8:14; 1 Kon 22:48; 2 Kon 3:9; 2 Kon 3:27; 2 Kon 8:22 **8:21** Joram trok over naar Zaïr, met al zijn strijdwagens. Hij stond ’s nachts op en versloeg Edom, dat hem omringd had, en de bevelhebbers van de strijdwagens. Het volk vluchtte naar zijn tenten. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֤ר (vayaavor) = en trok over | יוֹרָם֙ (yoram) = Joram | צָעִ֔ירָה (tsaira) = naar Zaïr | וְכָל (vekhal) = en alle | הָרֶ֖כֶב (harekhev) = de strijdwagens | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | וַֽיְהִי (vayhi) = en het was | ה֞וּא (hu) = hij | קָ֣ם (qam) = opstaand | לַ֗יְלָה (layla) = in de nacht | וַיַּכֶּ֨ה (vayake) = en versloeg | אֶת (et) = (obj.) | אֱד֜וֹם (edom) = Edom | הַסֹּבֵ֤יב (hasoveiv) = die rondom was | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שָׂרֵ֣י (sarei) = bevelhebbers van | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de strijdwagens | וַיָּ֥נָס (vayanas) = en vluchtte | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לְאֹהָלָֽיו (leohalav) = naar zijn tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zaïr (צָעִירָה, Tsa’irah) is een plaats waarvan de ligging onzeker is. Men zoekt haar in of bij Edom, ten zuiden van de Dode Zee. Voetnoot Lezing: De zin is moeilijk. Wij vertalen letterlijk: Joram versloeg ’s nachts Edom, dat hem omringd had, en de bevelhebbers van de strijdwagens. Het Hebreeuws noemt niet wie ‘het volk’ is dat naar zijn tenten vluchtte. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Zie ook: 2 Sam 18:17 **8:22** Zo kwam Edom in opstand tegen de macht van Juda, tot op de dag van vandaag. Toen kwam ook Libna in opstand, in die tijd. Brontekst: וַיִּפְשַׁ֣ע (vayifsha) = en kwam in opstand | אֱד֗וֹם (edom) = Edom | מִתַּ֨חַת֙ (mitachat) = van onder | יַד (yad) = de hand van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | אָ֛ז (az) = toen | תִּפְשַׁ֥ע (tifsha) = kwam in opstand | לִבְנָ֖ה (livna) = Libna | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִֽיא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Libna was een stad in de Sefela, het heuvelland ten westen van Juda. De precieze ligging is onzeker. Zie ook Joz. 10:29–31. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: ‘Tot op de dag van vandaag’ is een opmerking van de schrijver van het boek. Edom bleef los van Juda. Zie ook: Gen 27:40; Joz 10:29–31; Joz 21:13; 2 Kon 19:8; 2 Kron 21:10 **8:23** De rest van de geschiedenis van Joram en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | יוֹרָ֖ם (yoram) = Joram | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הֲלֽוֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor de koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayamim), ‘dagboek’: zie 1 Kon. 14:19. De geschiedenis van Joram staat ook in 2 Kron. 21. Zie ook: 1 Kon 11:41; 1 Kon 14:19; 1 Kon 14:29; 1 Kon 15:23; 2 Kon 15:36; 2 Kron 21:11–20 **8:24** Joram ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Achazia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en lag neer | יוֹרָם֙ (yoram) = Joram | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקָּבֵ֥ר (vayiqaver) = en werd begraven | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אֲחַזְיָ֥הוּ (achazyahu) = Achazia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲחַזְיָהוּ (Achazjahu), ‘Achazia’: dezelfde naam als de koning van Israël in 1 Kon. 22:52. Hier gaat het om de zoon van Joram van Juda. Zie ook: 1 Kon 14:20; 1 Kon 22:52; 2 Kron 21:1; 2 Kron 21:17; 2 Kron 22:6; 2 Kron 25:23 ### Achazia, koning van Juda **8:25** In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, koning van Israël, werd Achazia, de zoon van Joram, koning van Juda. Brontekst: בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar | שְׁתֵּים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְיוֹרָ֥ם (leyoram) = van Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָ֖ב (achav) = Achab | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מָלַ֛ךְ (malakh) = werd koning | אֲחַזְיָ֥הוּ (achazyahu) = Achazia | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹרָ֖ם (yehoram) = Joram | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 8:16–17; 2 Kon 9:29; 2 Kron 21:20–22:6 **8:26** Achazia was 22 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 1 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Atalia, de dochter van Omri, de koning van Israël. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וּשְׁתַּ֤יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | אֲחַזְיָ֣הוּ (achazyahu) = Achazia | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְשָׁנָ֣ה (veshana) = en jaar | אַחַ֔ת (achat) = één | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֤ם (veshem) = en de naam van | אִמּוֹ֙ (imo) = zijn moeder | עֲתַלְיָ֔הוּ (atalyahu) = Atalia | בַּת (bat) = dochter van | עָמְרִ֖י (ameri) = Omri | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת (bat), ‘dochter’: het woord kan ook ‘kleindochter’ betekenen. Vers 18 noemt de vrouw van Joram een dochter van Achab; hier staat dat Atalia een dochter van Omri is. Voetnoot Lezing: 2 Kron. 22:2 noemt een andere leeftijd voor Achazia (daar 42 jaar). Wij volgen de Masoretische tekst van dit vers. Zie ook: 2 Kon 8:18; 2 Kon 9:21–27; 2 Kon 11:1; 2 Kon 11:13–16; 2 Kron 22:2; 2 Kron 22:5–8 **8:27** Hij ging op de weg van het huis van Achab en deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zoals het huis van Achab. Want hij was een schoonzoon van het huis van Achab. Brontekst: וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en ging | בְּדֶ֨רֶךְ֙ (bederekh) = op de weg van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֔ב (achav) = Achab | וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֛ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כְּבֵ֣ית (keveit) = zoals het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | כִּ֛י (ki) = want | חֲתַ֥ן (chatan) = schoonzoon van | בֵּית (beit) = het huis van | אַחְאָ֖ב (achav) = Achab | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָתָן (chatan), ‘schoonzoon’: iemand die door huwelijk bij de familie hoort. Zie ook: Pred 7:26; 2 Kon 8:18; 2 Kron 22:3–4; 2 Kor 6:14–17 **8:28** Hij ging met Joram, de zoon van Achab, ten strijde tegen Hazaël, de koning van Aram, bij Ramot in Gilead. De Arameeërs sloegen Joram. Brontekst: וַיֵּ֜לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶת (et) = met | יוֹרָ֣ם (yoram) = Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָ֗ב (achav) = Achab | לַמִּלְחָמָ֛ה (lamilchama) = ten strijde | עִם (im) = tegen | חֲזָהאֵ֥ל (chazahel) = Hazaël | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | בְּרָמֹ֣ת (beramot) = bij Ramot | גִּלְעָ֑ד (gilad) = in Gilead | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en sloegen | אֲרַמִּ֖ים (aramim) = Arameeërs | אֶת (et) = (obj.) | יוֹרָֽם (yoram) = Joram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ramot in Gilead ligt in het noorden van Gilead, ten oosten van de Jordaan. De ligging is onzeker: vaak wordt Tell Ramith in het noorden van Jordanië genoemd. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Achab sneuvelde hier al eerder (1 Kon. 22:29–37). Zie ook: 1 Kon 22:29; 2 Kon 9:15; 2 Kron 18:2–3; 2 Kron 19:2; 2 Kron 22:5 **8:29** Koning Joram keerde terug om in Jizreël te genezen van de wonden. De Arameeërs hadden hem die toegebracht bij Rama, toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. Achazia, de zoon van Joram, de koning van Juda, ging naar Jizreël om Joram, de zoon van Achab, te bezoeken. Want hij was ziek. Brontekst: וַיָּשָׁב֩ (vayashav) = en keerde terug | יוֹרָ֨ם (yoram) = Joram | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְהִתְרַפֵּ֣א (lehitrape) = om te genezen | בְיִזְרְעֶ֗אל (beyizreel) = in Jizreël | מִן (min) = van | הַמַּכִּים֙ (hamakim) = de wonden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַכֻּ֤הוּ (yakuhu) = hadden geslagen hem | אֲרַמִּים֙ (aramim) = Arameeërs | בָּֽרָמָ֔ה (barama) = bij Rama | בְּהִלָּ֣חֲמ֔וֹ (behilachamo) = toen hij streed | אֶת (et) = tegen | חֲזָהאֵ֖ל (chazahel) = Hazaël | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַאֲחַזְיָ֨הוּ (vaachazyahu) = en Achazia | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹרָ֜ם (yehoram) = Joram | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | יָרַ֡ד (yarad) = ging naar beneden | לִרְא֞וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | יוֹרָ֧ם (yoram) = Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָ֛ב (achav) = Achab | בְּיִזְרְעֶ֖אל (beyizreel) = in Jizreël | כִּֽי (ki) = want | חֹלֶ֥ה (chole) = ziek was | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jizreël ligt aan de rand van de vlakte van Jizreël, bij het huidige Zer’in, Israël. Dat is zeker. Zie Rama (Ramot in Gilead; ligging onzeker): Rama is hier de korte vorm van Ramot in Gilead. Het wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Dit verhaal staat ook in 2 Kron. 22:5–6. Voetnoot Lezing: רָמָה (Ramah), ‘Rama’: waarschijnlijk een korte vorm van Ramot in Gilead (vers 28). Dat is een aanname. Zie ook: 1 Kon 22:34; 2 Kon 8:28; 2 Kon 9:15–16; 2 Kron 22:5–7 ## 2 Koningen 9 _Jehu wordt gezalfd en doodt Joram, Achazia en Izebel_ ### Elisa laat Jehu zalven **9:1** Elisa, de profeet, riep een van de zonen van de profeten. Hij zei tegen hem: „Gord je lendenen, neem dit flesje olie in je hand en ga naar Ramot in Gilead. Brontekst: וֶאֱלִישָׁע֙ (veelisha) = en Elisa | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | קָרָ֕א (qara) = riep | לְאַחַ֖ד (leachad) = een | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | הַנְּבִיאִ֑ים (haneviim) = de profeten | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | ל֜וֹ (lo) = tegen hem | חֲגֹ֣ר (chagor) = gord | מָתְנֶ֗יךָ (mateneikha) = je lendenen | וְ֠קַח (veqach) = en neem | פַּ֣ךְ (pakh) = flesje van | הַשֶּׁ֤מֶן (hashemen) = de olie | הַזֶּה֙ (haze) = deze | בְּיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in je hand | וְלֵ֖ךְ (velekh) = en ga | רָמֹ֥ת (ramot) = naar Ramot | גִּלְעָֽד (gilad) = in Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ramot in Gilead: zie 8:28. Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הַנְּבִיאִים (benei hanevi’im), ‘zonen van de profeten’: leden van een gemeenschap van profeten. Voetnoot : חֲגֹר מָתְנֶיךָ (chagor motnekha), ‘gord je lendenen’: maak je kleren vast om snel te kunnen gaan. Vergelijk 1 Kon. 18:46. Voetnoot : פַּךְ (pakh), ‘flesje’: een klein vat voor olie. Vergelijk 1 Sam. 10:1. Zie ook: 1 Sam 10:1; 1 Sam 16:1; 1 Kon 1:39; 1 Kon 18:46; 2 Kon 4:29; 2 Kon 8:28–29 **9:2** Als je daar bent, kijk dan uit naar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar binnen, laat hem opstaan uit het midden van zijn broers en breng hem in een kamer binnen in een kamer. Brontekst: וּבָ֖אתָ (uvata) = en kom | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | וּרְאֵֽה (uree) = en zie | שָׁ֠ם (sham) = daar | יֵה֨וּא (yehu) = Jehu | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹשָׁפָ֜ט (yehoshafat) = Josafat | בֶּן (ben) = zoon van | נִמְשִׁ֗י (nimshi) = Nimsi | וּבָ֨אתָ֙ (uvata) = en ga naar binnen | וַהֲקֵֽמֹתוֹ֙ (vahaqemoto) = en laat hem opstaan | מִתּ֣וֹך (mitokh) = uit het midden van | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וְהֵבֵיאתָ֥ (veheveita) = en breng | אֹת֖וֹ (oto) = hem | חֶ֥דֶר (cheder) = een kamer | בְּחָֽדֶר (bechader) = in een kamer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶדֶר בְּחֶדֶר (cheder becheder), letterlijk ‘een kamer in een kamer’: een binnenkamer, buiten het zicht van de anderen. Voetnoot : Jehu heet hier ‘zoon van Josafat, zoon van Nimsi’. In 1 Kon. 19:16 heet hij ‘zoon van Nimsi’. Deze Josafat is niet de koning van Juda. Zie ook: 1 Kon 19:16–17; 1 Kon 22:25; 2 Kon 9:5; 2 Kon 9:11; 2 Kon 9:14 **9:3** Neem het flesje met olie, giet het over zijn hoofd en zeg: ‘Zo zegt Yahweh: Ik heb je gezalfd tot koning over Israël.’ Open dan de deur en vlucht. Wacht niet.” Brontekst: וְלָקַחְתָּ֤ (velaqachta) = en neem | פַךְ (pakh) = flesje van | הַשֶּׁ֨מֶן֙ (hashemen) = de olie | וְיָצַקְתָּ֣ (veyatsaqta) = en giet | עַל (al) = op | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en zeg | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מְשַׁחְתִּ֥יךָֽ (meshachtikha) = Ik heb je gezalfd | לְמֶ֖לֶךְ (lemelekh) = tot koning | אֶל (el) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּפָתַחְתָּ֥ (ufatachta) = en open | הַדֶּ֛לֶת (hadelet) = de deur | וְנַ֖סְתָּה (venasta) = en vlucht | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תְחַכֶּֽה (techake) = wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden ‘Zo zegt Yahweh’ zijn woorden van een profeet die Yahweh citeert. Zij staan daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : Elisa voert hier de opdracht uit die Yahweh aan Elia gaf (1 Kon. 19:16). Voetnoot : מָשַׁח (mashach), ‘zalven’: het toewijden van een koning met olie. Vergelijk 1 Sam. 10:1 en 16:13. Zie ook: Lev 8:12; 1 Sam 9:16; 1 Sam 10:1; 1 Sam 16:2; 1 Sam 16:13; Ps 75:7–8; 1 Kon 19:16 **9:4** De jongen, de jongen van de profeet, ging naar Ramot in Gilead. Brontekst: וַיֵּ֧לֶךְ (vayelekh) = en ging | הַנַּ֛עַר (hanaar) = de jongen | הַנַּ֥עַר (hanaar) = de jongen van | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | רָמֹ֥ת (ramot) = naar Ramot | גִּלְעָֽד (gilad) = in Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft twee keer ‘de jongen’: ‘de jongen, de jongen van de profeet’. Wij vertalen letterlijk. **9:5** Hij kwam daar, en zie, de bevelhebbers van het leger zaten bijeen. Hij zei: „Ik heb een woord voor u, bevelhebber.” Jehu zei: „Voor wie van ons allen?” Hij zei: „Voor u, bevelhebber.” Brontekst: וַיָּבֹ֗א (vayavo) = en kwam | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | שָׂרֵ֤י (sarei) = bevelhebbers van | הַחַ֨יִל֙ (hachayil) = het leger | יֹֽשְׁבִ֔ים (yoshevim) = zittend | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | דָּבָ֥ר (davar) = een woord | לִ֛י (li) = voor mij | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot u | הַשָּׂ֑ר (hasar) = de bevelhebber | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | אֶל (el) = tot | מִ֣י (mi) = wie | מִכֻּלָּ֔נוּ (mikulanu) = van ons allen | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֥יךָ (eleikha) = tot u | הַשָּֽׂר (hasar) = de bevelhebber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier alleen ‘hij’. Wij noemen de jongen (vers 4) en Jehu bij naam waar dat nodig is. Voetnoot : שַׂר (sar), ‘bevelhebber’: een aanvoerder in het leger. De jongen spreekt hen aan met ‘u’. Zie ook: Re 3:19; 2 Kon 9:4 **9:6** Jehu stond op en ging het huis in. De jongen goot de olie over zijn hoofd. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Ik heb je gezalfd tot koning over het volk van Yahweh, over Israël. Brontekst: וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en stond op | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en ging | הַבַּ֔יְתָה (habayta) = het huis in | וַיִּצֹ֥ק (vayitsoq) = en goot | הַשֶּׁ֖מֶן (hashemen) = de olie | אֶל (el) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מְשַׁחְתִּ֧יךָֽ (meshachtikha) = Ik heb je gezalfd | לְמֶ֛לֶךְ (lemelekh) = tot koning | אֶל (el) = over | עַ֥ם (am) = volk van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh wordt hier geciteerd door de jongen. De woorden in de verzen 6–10 staan daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft in dit vers alleen ‘hij’. Wij noemen Jehu en de jongen bij naam. Voetnoot : עַם יְהוָה (am Yahweh), ‘volk van Yahweh’: Israël. Zie ook: 1 Kon 14:7; 1 Kon 19:16; 2 Kon 9:3; 2 Kron 22:7; Dan 5:20–21 **9:7** Je zult het huis van Achab, je heer, verslaan. Ik zal het bloed van Mijn dienaren, de profeten, wreken, en het bloed van alle dienaren van Yahweh, uit de hand van Izebel. Brontekst: וְהִ֨כִּיתָ֔ה (vehikita) = en je zult slaan | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֖ב (achav) = Achab | אֲדֹנֶ֑יךָ (adoneikha) = je heer | וְנִקַּמְתִּ֞י (veniqamti) = en Ik zal wreken | דְּמֵ֣י (demei) = het bloed van | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn dienaren | הַנְּבִיאִ֗ים (haneviim) = de profeten | וּדְמֵ֛י (udemei) = en het bloed van | כָּל (kal) = alle | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | אִיזָֽבֶל (izavel) = Izebel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden van Yahweh gaan hier over in de ik-vorm (‘Ik zal wreken’). Wij zetten Mijn en Ik met hoofdletter. Voetnoot : Het bloed van de profeten: zie 1 Kon. 18:4 en 19:10. Zie ook: Deut 32:35; Deut 32:43; 1 Kon 18:4; 1 Kon 19:10; 1 Kon 21:15; 1 Kon 21:21 **9:8** Heel het huis van Achab zal omkomen. Ik roei van Achab uit wie tegen de muur plast, zowel gebondene als vrijgelatene in Israël. Brontekst: וְאָבַ֖ד (veavad) = en zal omkomen | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | וְהִכְרַתִּ֤י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | לְאַחְאָב֙ (leachav) = van Achab | מַשְׁתִּ֣ין (mashtin) = wie plast | בְּקִ֔יר (beqir) = tegen de muur | וְעָצ֥וּר (veatsur) = en gebondene | וְעָז֖וּב (veazuv) = en vrijgelatene | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצוּר וְעָזוּב (atsur ve’azuv), ‘gebondene en vrijgelatene’: iedereen, groot en klein. Dezelfde woorden staan in 1 Kon. 21:21, waar Yahweh dit tegen Achab zegt. Zie ook: Deut 32:36; 1 Sam 25:22; 1 Kon 21:21–22; 2 Kon 10:17; 2 Kon 14:26 **9:9** Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, de zoon van Achia. Brontekst: וְנָֽתַתִּי֙ (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֔ב (achav) = Achab | כְּבֵ֖ית (keveit) = als het huis van | יָרָבְעָ֣ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֑ט (nevat) = Nebat | וּכְבֵ֖ית (ukheveit) = en als het huis van | בַּעְשָׁ֥א (basha) = Baësa | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיָּֽה (achiya) = Achia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 21:22 (de woorden tegen Achab), 1 Kon. 14:10–11 (het huis van Jerobeam) en 1 Kon. 16:3–4 (het huis van Baësa). Zie ook: 1 Kon 14:10–11; 1 Kon 15:29; 1 Kon 16:3–5; 1 Kon 16:11–12; 1 Kon 21:22 **9:10** En Izebel zullen de honden opeten in het stuk land van Jizreël. Er zal niemand zijn die haar begraaft.’” Toen opende hij de deur en vluchtte. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִיזֶ֜בֶל (izevel) = Izebel | יֹאכְל֧וּ (yokhlu) = zullen eten | הַכְּלָבִ֛ים (hakelavim) = de honden | בְּחֵ֥לֶק (becheleq) = in het stuk land van | יִזְרְעֶ֖אל (yizreel) = Jizreël | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niet | קֹבֵ֑ר (qover) = die begraaft | וַיִּפְתַּ֥ח (vayiftach) = en hij opende | הַדֶּ֖לֶת (hadelet) = de deur | וַיָּנֹֽס (vayanos) = en vluchtte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jizreël ligt aan de rand van de vlakte van Jizreël, bij het huidige Zer’in, Israël. Dat is zeker. Voetnoot Lezing: חֵלֶק (cheleq), ‘stuk land’: zo staat het in de Masoretische tekst. In 1 Kon. 21:23 staat in dezelfde Masoretische tekst ‘voormuur’ (חֵל, chel). Sommige oude vertalingen lezen daar anders. Wij volgen in beide verzen de Masoretische tekst. Vergelijk de verzen 36 en 37. Zie ook: Re 3:26; 1 Kon 21:23; 2 Kon 9:3; 2 Kon 9:35–36; Jer 22:19 ### Jehu wordt tot koning uitgeroepen **9:11** Jehu ging naar buiten, naar de dienaren van zijn heer. Men zei tegen hem: „Is het vrede? Waarom is die waanzinnige bij je gekomen?” Hij zei tegen hen: „Jullie kennen die man en zijn gepraat.” Brontekst: וְיֵה֗וּא (veyehu) = en Jehu | יָצָא֙ (yatsa) = ging uit | אֶל (el) = naar | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | אֲדֹנָ֔יו (adonav) = zijn heer | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en men zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | הֲשָׁל֔וֹם (hashalom) = is het vrede | מַדּ֛וּעַ (madua) = waarom | בָּֽא (ba) = is gekomen | הַמְשֻׁגָּ֥ע (hamshuga) = de waanzinnige | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = tot jou | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | יְדַעְתֶּ֥ם (yedatem) = kennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שִׂיחֽוֹ (sicho) = zijn gepraat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְשֻׁגָּע (hamshugga), ‘de waanzinnige’: iemand die zich vreemd gedraagt. De bevelhebbers spreken met minachting over de jongen. Het woord staat ook voor een profeet in Jer. 29:26 en Hos. 9:7. Voetnoot : שִׂיחוֹ (sicho), ‘zijn gepraat’: zijn manier van spreken. Zie ook: 2 Kon 5:21; Hos 9:7; Jer 29:26; Joh 10:20; Hand 26:24 **9:12** Zij zeiden: „Dat is een leugen! Vertel het ons toch.” Hij zei: „Zo en zo heeft hij tegen mij gesproken. Hij zei: ‘Zo zegt Yahweh: Ik heb je gezalfd tot koning over Israël.’” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | הַגֶּד (haged) = vertel | נָ֖א (na) = toch | לָ֑נוּ (lanu) = ons | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | כָּזֹ֤את (kazot) = zo | וְכָזֹאת֙ (vekhazot) = en zo | אָמַ֤ר (amar) = hij sprak | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מְשַׁחְתִּ֥יךָֽ (meshachtikha) = Ik heb je gezalfd | לְמֶ֖לֶךְ (lemelekh) = tot koning | אֶל (el) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:13** Zij haastten zich. Ieder nam zijn kleed en legde het onder hem, op de trap. Zij bliezen op de ramshoorn en zeiden: „Jehu is koning!” Brontekst: וַֽיְמַהֲר֗וּ (vaymaharu) = en haastten zich | וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en namen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | בִּגְד֔וֹ (bigdo) = zijn kleed | וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en legden | תַחְתָּ֖יו (tachtav) = onder hem | אֶל (el) = op | גֶּ֣רֶם (gerem) = de rand van | הַֽמַּעֲל֑וֹת (hamaalot) = de trap | וַֽיִּתְקְעוּ֙ (vayitqeu) = en bliezen | בַּשּׁוֹפָ֔ר (bashofar) = op de ramshoorn | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | מָלַ֥ךְ (malakh) = koning is | יֵהֽוּא (yehu) = Jehu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּרֶם הַמַּעֲלוֹת (gerem hamma’alot), letterlijk ‘het bot van de treden’: de betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘de trap’. Het kan de bovenste trede betekenen. Voetnoot : שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die bij het uitroepen van een koning wordt geblazen, zoals bij Salomo in 1 Kon. 1:34. Zie ook: 2 Sam 15:10; Ps 98:6; 1 Kon 1:34; 1 Kon 1:39; Mar 11:7–8 **9:14** Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, smeedde een samenzwering tegen Joram. Joram bewaakte Ramot in Gilead, hij en heel Israël, vanwege Hazaël, de koning van Aram. Brontekst: וַיִּתְקַשֵּׁ֗ר (vayitqasher) = en smeedde een samenzwering | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹשָׁפָ֥ט (yehoshafat) = Josafat | בֶּן (ben) = zoon van | נִמְשִׁ֖י (nimshi) = Nimsi | אֶל (el) = tegen | יוֹרָ֑ם (yoram) = Joram | וְיוֹרָם֩ (veyoram) = en Joram | הָיָ֨ה (haya) = was | שֹׁמֵ֜ר (shomer) = bewakend | בְּרָמֹ֣ת (beramot) = bij Ramot | גִּלְעָ֗ד (gilad) = in Gilead | ה֚וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = vanwege | חֲזָאֵ֖ל (chazael) = Hazaël | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: וַיִּתְקַשֵּׁר (wayitqasher), ‘hij smeedde een samenzwering’: zoals Baësa tegen Nadab (1 Kon. 15:27). Voetnoot : Voor Ramot in Gilead, Joram en Hazaël: zie 8:28–29. Zie ook: 1 Kon 15:27; 1 Kon 22:3; 2 Kon 8:28; 2 Kon 9:31; 2 Kon 10:9 **9:15** Koning Joram was teruggekeerd om in Jizreël te genezen van de wonden. De Arameeërs hadden hem die toegebracht, toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. Jehu zei: „Als het jullie wil is, laat dan niemand uit de stad ontsnappen om het in Jizreël te gaan vertellen.” Brontekst: וַיָּשָׁב֩ (vayashav) = en keerde terug | יְהוֹרָ֨ם (yehoram) = Joram | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְהִתְרַפֵּ֣א (lehitrape) = om te genezen | בִיְזְרְעֶ֗אל (biyzereel) = in Jizreël | מִן (min) = van | הַמַּכִּים֙ (hamakim) = de wonden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יַכֻּ֣הוּ (yakuhu) = hadden geslagen hem | אֲרַמִּ֔ים (aramim) = Arameeërs | בְּהִלָּ֣חֲמ֔וֹ (behilachamo) = toen hij streed | אֶת (et) = met | חֲזָאֵ֖ל (chazael) = Hazaël | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | אִם (im) = als | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | נַפְשְׁכֶ֔ם (nafshekhem) = jullie wil | אַל (al) = niet | יֵצֵ֤א (yetse) = laat uitgaan | פָלִיט֙ (palit) = een ontsnapte | מִן (min) = uit | הָעִ֔יר (hair) = de stad | לָלֶ֖כֶת (lalekhet) = om te gaan | לְהַגִּ֥יד (lehagid) = om te vertellen | בְּיִזְרְעֶֽאל (beyizreel) = in Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier ‘wil’, wat iemand wil of verlangt. Wij vertalen ‘Als het jullie wil is’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft לגיד (lagid), zonder de h van het werkwoord. De voorgelezen tekst (qere) heeft לְהַגִּיד (lehaggid), ‘om te vertellen’. De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Sam 27:9–11; 2 Kon 8:29; 2 Kron 22:6 ### Jehu rijdt naar Jizreël **9:16** Jehu reed met zijn wagen naar Jizreël, want Joram lag daar. Achazia, de koning van Juda, was naar beneden gegaan om Joram te bezoeken. Brontekst: וַיִּרְכַּ֤ב (vayirkav) = en reed | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | יִזְרְעֶ֔אלָה (yizreela) = naar Jizreël | כִּ֥י (ki) = want | יוֹרָ֖ם (yoram) = Joram | שֹׁכֵ֣ב (shokhev) = lag | שָׁ֑מָּה (shama) = daar | וַֽאֲחַזְיָה֙ (vaachazya) = en Achazia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | יָרַ֖ד (yarad) = was neergedaald | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | יוֹרָֽם (yoram) = Joram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Zie ook: 2 Kon 8:28–29; 2 Kron 22:6–7 **9:17** De wachter stond op de toren in Jizreël. Hij zag de menigte van Jehu aankomen en zei: „Ik zie een menigte.” Joram zei: „Neem een ruiter en stuur hem hen tegemoet. Hij moet zeggen: ‘Is het vrede?’” Brontekst: וְהַצֹּפֶה֩ (vehatsofe) = en de wachter | עֹמֵ֨ד (omed) = stond | עַֽל (al) = op | הַמִּגְדָּ֜ל (hamigdal) = de toren | בְּיִזְרְעֶ֗אל (beyizreel) = in Jizreël | וַיַּ֞רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | שִׁפְעַ֤ת (shifat) = de menigte van | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | בְּבֹא֔וֹ (bevoo) = toen hij aankwam | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁפְעַ֖ת (shifat) = een menigte | אֲנִ֣י (ani) = ik | רֹאֶ֑ה (roe) = zie | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹרָ֗ם (yehoram) = Joram | קַ֥ח (qach) = neem | רַכָּ֛ב (rakav) = een ruiter | וּֽשְׁלַ֥ח (ushelach) = en stuur | לִקְרָאתָ֖ם (liqratam) = hen tegemoet | וְיֹאמַ֥ר (veyomar) = en hij zal zeggen | הֲשָׁלֽוֹם (hashalom) = is het vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De toren stond in Jizreël, op hoger gelegen grond. Daarom kon de wachter ver kijken. Voetnoot Uitleg: שִׁפְעַת (shif’at), ‘menigte’: een grote groep mensen of een wolk van stof. Wij vertalen ‘menigte’. Voetnoot : רֹכֵב (rokhev), ‘ruiter’: iemand te paard. Zie ook: 1 Sam 16:4; 2 Sam 18:24; Jes 21:6–9; Jes 56:10; Luc 10:5–6 **9:18** De ruiter te paard ging hem tegemoet en zei: „Zo zegt de koning: ‘Is het vrede?’” Jehu zei: „Wat heb jij met vrede te maken? Sluit je achter mij aan!” De wachter meldde: „De bode is tot bij hen gekomen, maar hij komt niet terug.” Brontekst: וַיֵּלֶךְ֩ (vayelekh) = en ging | רֹכֵ֨ב (rokhev) = ruiter van | הַסּ֜וּס (hasus) = het paard | לִקְרָאת֗וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הֲשָׁל֔וֹם (hashalom) = is het vrede | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | מַה (ma) = wat | לְּךָ֥ (lekha) = voor jou | וּלְשָׁל֖וֹם (uleshalom) = en met vrede | סֹ֣ב (sov) = wend je | אֶֽל (el) = naar | אַחֲרָ֑י (acharay) = achter mij | וַיַּגֵּ֤ד (vayaged) = en meldde | הַצֹּפֶה֙ (hatsofe) = de wachter | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בָּֽא (ba) = is gekomen | הַמַּלְאָ֥ךְ (hamalakh) = de bode | עַד (ad) = tot | הֵ֖ם (hem) = hen | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָֽׁב (shav) = is teruggekeerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹב אֶל־אַחֲרָי (sov el acharai), letterlijk ‘wend je naar achter mij’: sluit je bij mij aan en rijd achter mij. Voetnoot : מַלְאָךְ (mal’akh), ‘bode’: hier een gewone bode, geen engel. Zie ook: 2 Kon 9:19; 2 Kon 9:22; Jes 48:22; Jes 59:8; Rom 3:17 **9:19** Hij stuurde een tweede ruiter te paard. Die kwam bij hen en zei: „Zo zegt de koning: ‘Is het vrede?’” Jehu zei: „Wat heb jij met vrede te maken? Sluit je achter mij aan!” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en stuurde | רֹכֵ֣ב (rokhev) = ruiter van | סוּס֮ (sus) = paard | שֵׁנִי֒ (sheni) = tweede | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | מַה (ma) = wat | לְּךָ֥ (lekha) = voor jou | וּלְשָׁל֖וֹם (uleshalom) = en met vrede | סֹ֥ב (sov) = wend je | אֶֽל (el) = naar | אַחֲרָֽי (acharay) = achter mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers staat bij ‘vrede’ geen vraagwoord, anders dan in vers 18. Wij lezen het als vraag, zoals in vers 18. Zie ook: 2 Kon 9:18 **9:20** De wachter meldde: „Hij is tot bij hen gekomen, maar hij komt niet terug. En het rijden is als het rijden van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij rijdt als een waanzinnige.” Brontekst: וַיַּגֵּ֤ד (vayaged) = en meldde | הַצֹּפֶה֙ (hatsofe) = de wachter | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בָּ֥א (ba) = is gekomen | עַד (ad) = tot | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = hen | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁ֑ב (shav) = is teruggekeerd | וְהַמִּנְהָ֗ג (vehaminhag) = en het rijden | כְּמִנְהַג֙ (keminhag) = als het rijden van | יֵה֣וּא (yehu) = Jehu | בֶן (ben) = zoon van | נִמְשִׁ֔י (nimshi) = Nimsi | כִּ֥י (ki) = want | בְשִׁגָּע֖וֹן (beshigaon) = in waanzin | יִנְהָֽג (yinhag) = hij rijdt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשִׁגָּעוֹן (bishiggaon), ‘in waanzin’: dezelfde woordstam als ‘waanzinnige’ in vers 11. Zie ook: 2 Sam 18:27; Pred 9:10; 1 Kon 19:17; 2 Kon 9:11; 2 Kon 10:16; Jes 54:16 ### De dood van Joram **9:21** Joram zei: „Span aan!” Men spande zijn wagen aan. Joram, de koning van Israël, en Achazia, de koning van Juda, reden uit, ieder in zijn wagen. Zij reden Jehu tegemoet en vonden hem op het stuk land van Naboth, de Jizreëliet. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹרָם֙ (yehoram) = Joram | אֱסֹ֔ר (esor) = span aan | וַיֶּאְסֹ֖ר (vayesor) = en men spande aan | רִכְבּ֑וֹ (rikhbo) = zijn wagen | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en reed uit | יְהוֹרָ֣ם (yehoram) = Joram | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | וַאֲחַזְיָ֨הוּ (vaachazyahu) = en Achazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | בְּרִכְבּ֗וֹ (berikhbo) = in zijn wagen | וַיֵּֽצְאוּ֙ (vayetseu) = en zij reden uit | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegemoet | יֵה֔וּא (yehu) = Jehu | וַיִּמְצָאֻ֔הוּ (vayimtsauhu) = en zij vonden hem | בְּחֶלְקַ֖ת (bechelqat) = op het stuk land van | נָב֥וֹת (navot) = Naboth | הַיִּזְרְעֵאלִֽי (hayizreeli) = de Jizreëliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het stuk land van Naboth lag bij Jizreël. Zie 1 Kon. 21:1–16. Voetnoot Uitleg: אֱסֹר (esor), ‘span aan’: de paarden voor de wagen spannen. Zie ook: Num 20:14; 1 Kon 21:1–7; 2 Kon 9:25–26; 2 Kron 22:7; Mi 1:13 **9:22** Toen Joram Jehu zag, zei hij: „Is het vrede, Jehu?” Hij zei: „Wat is vrede, zolang de hoererijen van je moeder Izebel en haar vele toverijen blijven?” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּרְא֤וֹת (kirot) = toen hij zag | יְהוֹרָם֙ (yehoram) = Joram | אֶת (et) = (obj.) | יֵה֔וּא (yehu) = Jehu | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | הֲשָׁל֣וֹם (hashalom) = is het vrede | יֵה֑וּא (yehu) = Jehu | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | מָ֣ה (ma) = wat | הַשָּׁל֔וֹם (hashalom) = de vrede | עַד (ad) = zolang | זְנוּנֵ֞י (zenunei) = de hoererijen van | אִיזֶ֧בֶל (izevel) = Izebel | אִמְּךָ֛ (imekha) = je moeder | וּכְשָׁפֶ֖יהָ (ukheshafeiha) = en haar toverijen | הָרַבִּֽים (harabim) = de vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: dit woord staat in dit hoofdstuk steeds in de vraag ‘Is het vrede?’ (verzen 11, 17–19, 22, 31). Wij vertalen steeds ‘vrede’. Voetnoot : זְנוּנִים (zenunim), ‘hoererijen’, en כְּשָׁפִים (keshafim), ‘toverijen’: hoererij is hier ook een beeld voor trouweloosheid aan Yahweh. Tovenarij is verboden in Deut. 18:10. Zie ook: Deut 18:10; 1 Kon 16:30–33; 1 Kon 18:4; 1 Kon 21:25; 2 Kron 21:13; Nah 3:4 **9:23** Joram draaide zijn handen om en vluchtte. Hij zei tegen Achazia: „Verraad, Achazia!” Brontekst: וַיַּהֲפֹ֧ךְ (vayahafokh) = en draaide om | יְהוֹרָ֛ם (yehoram) = Joram | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | וַיָּנֹ֑ס (vayanos) = en vluchtte | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | אֲחַזְיָ֖הוּ (achazyahu) = Achazia | מִרְמָ֥ה (mirma) = verraad | אֲחַזְיָֽה (achazya) = Achazia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּהֲפֹךְ יוֹרָם יָדָיו (wayyahafokh Yoram yadav), letterlijk ‘Joram keerde zijn handen om’: hij draaide de teugels om en keerde zijn wagen. Voetnoot : מִרְמָה (mirmah), ‘verraad’: bedrog. Zie ook: 2 Kon 11:14; 2 Kron 23:13 **9:24** Jehu spande zijn boog met volle kracht en trof Joram tussen de schouders. De pijl kwam uit zijn hart naar buiten en hij zakte in elkaar in zijn wagen. Brontekst: וְיֵה֞וּא (veyehu) = en Jehu | מִלֵּ֧א (mile) = vulde | יָד֣וֹ (yado) = zijn hand | בַקֶּ֗שֶׁת (baqeshet) = met de boog | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en trof | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹרָם֙ (yehoram) = Joram | בֵּ֣ין (bein) = tussen | זְרֹעָ֔יו (zeroav) = zijn armen | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | הַחֵ֖צִי (hachetsi) = de pijl | מִלִּבּ֑וֹ (milibo) = uit zijn hart | וַיִּכְרַ֖ע (vayikhra) = en zakte in elkaar | בְּרִכְבּֽוֹ (berikhbo) = in zijn wagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְמַלֵּא יָדוֹ בַקֶּשֶׁת (wayemalle yado vaqqeshet), letterlijk ‘hij vulde zijn hand met de boog’: hij spande de boog met volle kracht. Voetnoot : בֵּין זְרֹעָיו (ben zeroav), ‘tussen zijn armen’: tussen de schouders. Wij vertalen ‘tussen de schouders’. Zie ook: Job 20:23–25; Ps 50:22; Spr 21:30; 1 Kon 22:34; 1 Tess 5:3 **9:25** Jehu zei tegen Bidkar, zijn officier: „Til hem op en werp hem op het stuk land, het veld van Naboth, de Jizreëliet. Want denk eraan: ik en jij reden samen, in paren, achter zijn vader Achab aan, toen Yahweh deze last op hem legde: Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | בִּדְקַר֙ (bidqar) = Bidkar | שָֽׁלִשׁ֔וֹ (shalisho) = zijn officier | שָׂ֚א (sa) = til op | הַשְׁלִכֵ֔הוּ (hashlikhehu) = werp hem | בְּחֶלְקַ֕ת (bechelqat) = op het stuk land van | שְׂדֵ֖ה (sede) = veld van | נָב֣וֹת (navot) = Naboth | הַיִּזְרְעֵאלִ֑י (hayizreeli) = de Jizreëliet | כִּֽי (ki) = want | זְכֹ֞ר (zekhor) = denk eraan | אֲנִ֣י (ani) = ik | וָאַ֗תָּה (vaata) = en jij | אֵ֣ת (et) = (obj.) | רֹכְבִ֤ים (rokhevim) = rijdend | צְמָדִים֙ (tsemadim) = in paren | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אַחְאָ֣ב (achav) = Achab | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | נָשָׂ֣א (nasa) = legde | עָלָ֔יו (alav) = op hem | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּשָּׂ֖א (hamasa) = de last | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלִישׁ (shalish), ‘officier’: letterlijk ‘derde’. Het is een hoge officier. Bidkar (בִּדְקַר, Bidkar) komt alleen hier voor. Voetnoot Lezing: Bij ‘zijn officier’ heeft de geschreven tekst (ketiv) שלשה, een andere schrijfwijze. De voorgelezen tekst (qere) heeft שָׁלִשׁוֹ (shalisho), ‘zijn officier’. De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Voetnoot : מַשָּׂא (massa), ‘last’: een zware uitspraak van Yahweh over iemand. Voetnoot : Jehu citeert hier een woord van Yahweh uit het verleden. Het staat daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: 1 Kon 21:19; 1 Kon 21:24–29; Jes 13:1; Nah 1:1; Mat 11:30 **9:26** ‘Zeker, het bloed van Naboth en het bloed van zijn zonen heb Ik gisteren gezien, zegt Yahweh. Ik zal het je vergelden op dit stuk land, zegt Yahweh.’ Nu dan, til hem op en werp hem op het stuk land, naar het woord van Yahweh.” Brontekst: אִם (im) = indien | לֹ֡א (lo) = niet | אֶת (et) = (obj.) | דְּמֵ֣י (demei) = het bloed van | נָבוֹת֩ (navot) = Naboth | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּמֵ֨י (demei) = het bloed van | בָנָ֜יו (banav) = zijn zonen | רָאִ֤יתִי (raiti) = heb Ik gezien | אֶ֨מֶשׁ֙ (emesh) = gisteren | נְאֻם (neum) = spreuk van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְשִׁלַּמְתִּ֥י (veshilamti) = en Ik zal vergelden | לְךָ֛ (lekha) = aan jou | בַּחֶלְקָ֥ה (bachelqa) = op het stuk land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | נְאֻם (neum) = spreuk van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שָׂ֧א (sa) = til op | הַשְׁלִכֵ֛הוּ (hashlikhehu) = werp hem | בַּחֶלְקָ֖ה (bachelqa) = op het stuk land | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם־לֹא (im lo), letterlijk ‘indien niet’: een eedformule. Wij vertalen ‘Zeker’. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘zegt Yahweh’: de gewone slotformule van een woord van Yahweh. Voetnoot : 1 Kon. 21 noemt de zonen van Naboth niet. Hier staat dat Yahweh ook hun bloed gezien heeft. De woorden zijn niet gelijk aan 1 Kon. 21:19. Zie ook: Deut 5:9; Deut 24:16; 1 Kon 21:19; 2 Kron 25:4; Ezech 18:19 ### De dood van Achazia **9:27** Achazia, de koning van Juda, zag het en vluchtte in de richting van Bet-Haggan. Jehu achtervolgde hem en zei: „Ook hem! Sla hem neer in de wagen!” Dat was op de helling van Gur, die bij Jibleam ligt. Hij vluchtte naar Megiddo en stierf daar. Brontekst: וַאֲחַזְיָ֤ה (vaachazya) = en Achazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | רָאָ֔ה (raa) = zag het | וַיָּ֕נָס (vayanas) = en vluchtte | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = in de richting van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַגָּ֑ן (hagan) = de tuin | וַיִּרְדֹּ֨ף (vayirdof) = en achtervolgde | אַחֲרָ֜יו (acharav) = hem | יֵה֗וּא (yehu) = Jehu | וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en zei | גַּם (gam) = ook | אֹת֞וֹ (oto) = hem | הַכֻּ֣הוּ (hakuhu) = sla hem | אֶל (el) = in | הַמֶּרְכָּבָ֗ה (hamerkava) = de wagen | בְּמַֽעֲלֵה (bemaale) = op de helling van | גוּר֙ (gur) = Gur | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֶֽת (et) = bij | יִבְלְעָ֔ם (yivleam) = Jibleam | וַיָּ֥נָס (vayanas) = en vluchtte | מְגִדּ֖וֹ (megido) = naar Megiddo | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Haggan (בֵּית־הַגָּן, ‘huis van de tuin’) ligt waarschijnlijk bij het huidige Jenin, ten zuiden van Jizreël (Westelijke Jordaanoever). Dat is niet zeker. De helling van Gur lag bij Jibleam (zie Joz. 17:11). Hun precieze ligging is onzeker. Megiddo is het huidige Tel Megiddo, Israël. Dat is zeker. Zie Helling van Gur (ligging onzeker): De helling van Gur lag bij Jibleam, vermoedelijk bij Khirbet Bel’ameh, bij Jenin. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: 2 Kron. 22:9 vertelt de dood van Achazia anders. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet dat de mannen Achazia ook werkelijk neersloegen: de zin lijkt onvolledig. Sommige oude vertalingen vullen de zin aan. Wij laten de Masoretische tekst staan en voegen alleen ‘Dat was’ toe. Zie ook: Joz 17:11; Re 1:27; 1 Kon 4:12; 2 Kon 23:29–30; 2 Kron 22:7–9; 2 Kron 22:9 **9:28** Zijn dienaren brachten hem per wagen naar Jeruzalem. Zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen, in de stad van David. Brontekst: וַיַּרְכִּ֧בוּ (vayarkivu) = en lieten rijden | אֹת֛וֹ (oto) = hem | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | יְרוּשָׁלְָ֑מָה (yerushalaema) = naar Jeruzalem | וַיִּקְבְּר֨וּ (vayiqberu) = en begroeven | אֹת֧וֹ (oto) = hem | בִקְבֻרָת֛וֹ (biqvurato) = in zijn graf | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֥יר (beir) = in de stad van | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיַּרְכִּבֻהוּ (wayyarkivuhu), ‘zij lieten hem rijden’: zij brachten hem op een wagen. Zie ook: 2 Kon 12:22; 2 Kon 14:19–20; 2 Kon 23:20; 2 Kon 23:30; 2 Kron 35:24 **9:29** In het elfde jaar van Joram, de zoon van Achab, was Achazia koning geworden over Juda. Brontekst: וּבִשְׁנַת֙ (uvishnat) = en in het jaar van | אַחַ֣ת (achat) = één | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְיוֹרָ֖ם (leyoram) = van Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | מָלַ֥ךְ (malakh) = werd koning | אֲחַזְיָ֖ה (achazya) = Achazia | עַל (al) = over | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers staat het elfde jaar van Joram. In 8:25 staat het twaalfde jaar. De tekst zegt niet hoe dit verschil komt. Zie ook: 2 Kon 8:16; 2 Kon 8:24–25; 2 Kron 21:18–19; 2 Kron 22:1–2 ### De dood van Izebel **9:30** Jehu kwam in Jizreël. Izebel hoorde het. Zij kleurde haar ogen met oogschmink, versierde haar hoofd en keek door het raam naar beneden. Brontekst: וַיָּב֥וֹא (vayavo) = en kwam | יֵה֖וּא (yehu) = Jehu | יִזְרְעֶ֑אלָה (yizreela) = naar Jizreël | וְאִיזֶ֣בֶל (veizevel) = en Izebel | שָׁמְעָ֗ה (shamea) = hoorde het | וַתָּ֨שֶׂם (vatasem) = en zette | בַּפּ֤וּךְ (bapukh) = in oogschmink | עֵינֶ֨יהָ֙ (eineiha) = haar ogen | וַתֵּ֣יטֶב (vateitev) = en maakte mooi | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשָׁ֔הּ (roshah) = haar hoofd | וַתַּשְׁקֵ֖ף (vatashqef) = en keek naar beneden | בְּעַ֥ד (bead) = door | הַחַלּֽוֹן (hachalon) = het raam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Voetnoot Uitleg: פּוּךְ (pukh), ‘oogschmink’: een donker poeder om de ogen mee te omlijnen. Vergelijk Jer. 4:30. Voetnoot : וַתֵּיטֶב אֶת־רֹאשָׁהּ (watteitev et rosha), letterlijk ‘zij maakte haar hoofd goed’: zij versierde zich, met haar haar en haar hoofdtooi. Zie ook: Jes 3:18–24; Jer 4:30; Ezech 23:40; Ezech 24:17; 1 Tim 2:9–10 **9:31** Toen Jehu bij de poort kwam, zei zij: „Is het vrede, Zimri, die zijn heer doodde?” Brontekst: וְיֵה֖וּא (veyehu) = en Jehu | בָּ֣א (ba) = kwam | בַשָּׁ֑עַר (bashaar) = bij de poort | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zij zei | הֲשָׁל֔וֹם (hashalom) = is het vrede | זִמְרִ֖י (zimri) = Zimri | הֹרֵ֥ג (horeg) = doder van | אֲדֹנָֽיו (adonav) = zijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zimri doodde zijn heer, koning Ela, en regeerde slechts zeven dagen (1 Kon. 16:9–20). Izebel noemt Jehu naar hem. Zie ook: 1 Kon 16:9–20 **9:32** Hij keek omhoog naar het raam en zei: „Wie staat aan mijn kant? Wie?” Twee, drie hofbeambten keken op hem neer. Brontekst: וַיִּשָּׂ֤א (vayisa) = en hief op | פָנָיו֙ (panav) = zijn gezicht | אֶל (el) = naar | הַ֣חַלּ֔וֹן (hachalon) = het raam | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מִ֥י (mi) = wie | אִתִּ֖י (iti) = met mij | מִ֑י (mi) = wie | וַיַּשְׁקִ֣יפוּ (vayashqifu) = en keken naar beneden | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | שְׁלֹשָׁ֖ה (shelosha) = drie | סָרִיסִֽים (sarisim) = hofbeambten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hofbeambte’: zie 8:6. Zie ook: 1 Kron 12:19; Ps 124:1–2; 2 Kron 11:12; Est 2:21; Hand 12:20 **9:33** Hij zei: „Gooi haar naar beneden!” Zij gooiden haar naar beneden. Een deel van haar bloed spatte tegen de muur en tegen de paarden. Hij vertrapte haar. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְט֖וּהָ (shimtuha) = werp haar neer | וַֽיִּשְׁמְט֑וּהָ (vayishmetuha) = en zij wierpen haar neer | וַיִּ֨ז (vayiz) = en spatte | מִדָּמָ֧הּ (midamah) = van haar bloed | אֶל (el) = tegen | הַקִּ֛יר (haqir) = de muur | וְאֶל (veel) = en tegen | הַסּוּסִ֖ים (hasusim) = de paarden | וַֽיִּרְמְסֶֽנָּה (vayirmesena) = en hij vertrapte haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) leest ‘werp hem neer’ (שמטהו). Het qere leest ‘werp haar neer’ (שִׁמְטוּהָ, shimtuha), dat bij Izebel past. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 21:11; 2 Kon 9:26; Mi 7:10; Mal 3:21; Heb 10:29 **9:34** Hij ging naar binnen, at en dronk. Toen zei hij: „Zorg toch voor die vervloekte vrouw en begraaf haar, want zij is een koningsdochter.” Brontekst: וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam binnen | וַיֹּ֣אכַל (vayokhal) = en at | וַיֵּ֑שְׁתְּ (vayesht) = en dronk | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | פִּקְדוּ (piqdu) = zorg voor | נָ֞א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲרוּרָ֤ה (haarura) = die vervloekte | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | וְקִבְר֔וּהָ (veqivruha) = en begraaf haar | כִּ֥י (ki) = want | בַת (bat) = dochter van | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | הִֽיא (hi) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֲרוּרָה (ha’arurah), ‘de vervloekte’. Jehu noemt Izebel zo, maar wil haar toch begraven omdat zij een koningsdochter is. Zij was de dochter van Etbaäl, de koning van Sidon (1 Kon. 16:31). Zie ook: 1 Kon 16:31; 1 Kon 21:25; Jes 65:15; Est 3:15; Mat 25:41 **9:35** Zij gingen haar begraven, maar vonden van haar niets dan de schedel, de voeten en de handpalmen. Brontekst: וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en gingen | לְקָבְרָ֑הּ (leqaverah) = om haar te begraven | וְלֹא (velo) = en niet | מָ֣צְאוּ (matseu) = vonden zij | בָ֗הּ (bah) = van haar | כִּ֧י (ki) = dan | אִם (im) = indien | הַגֻּלְגֹּ֛לֶת (hagulgolet) = de schedel | וְהָרַגְלַ֖יִם (veharaglayim) = en de voeten | וְכַפּ֥וֹת (vekhapot) = en de handpalmen van | הַיָּדָֽיִם (hayadayim) = de handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:3; Pred 6:3; Jes 14:18–20; Jer 22:19; Jer 36:30 **9:36** Zij keerden terug en vertelden het hem. Hij zei: „Dit is het woord van Yahweh. Hij sprak het door Zijn dienaar Elia, de Tisbiet: ‘In het stuk land van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten. Brontekst: וַיָּשֻׁבוּ֮ (vayashuvu) = en keerden terug | וַיַּגִּ֣ידוּ (vayagidu) = en vertelden | לוֹ֒ (lo) = hem | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | ה֔וּא (hu) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבֶּ֗ר (diber) = Hij sprak | בְּיַד (beyad) = door de hand van | עַבְדּ֛וֹ (avdo) = Zijn dienaar | אֵלִיָּ֥הוּ (eliyahu) = Elia | הַתִּשְׁבִּ֖י (hatishbi) = de Tisbiet | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בְּחֵ֣לֶק (becheleq) = in het stuk land van | יִזְרְעֶ֔אל (yizreel) = Jizreël | יֹאכְל֥וּ (yokhlu) = zullen eten | הַכְּלָבִ֖ים (hakelavim) = de honden | אֶת (et) = (obj.) | בְּשַׂ֥ר (besar) = vlees van | אִיזָֽבֶל (izavel) = Izebel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tisbe (ligging onzeker): Elia kwam uit Tisbe, in of bij Gilead. De precieze plaats is niet bekend. Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Voetnoot Uitleg: Jehu citeert hier Elia, en Elia citeert Yahweh. Het staat daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : Dit is de vervulling van 1 Kon. 21:23. Voetnoot Lezing: חֵלֶק (cheleq), ‘stuk land’: zie vers 10. Zie ook: Lev 8:36; 2 Sam 12:25; 1 Kon 21:23; 2 Kon 9:10; 2 Kon 14:25 **9:37** Het lijk van Izebel zal als mest zijn op het veld, in het stuk land van Jizreël, zodat men niet zal zeggen: Dit is Izebel.’” Brontekst: וְֽהָיְתָ֞ה (vehayeta) = en zal zijn | נִבְלַ֣ת (nivlat) = lijk van | אִיזֶ֗בֶל (izevel) = Izebel | כְּדֹ֛מֶן (kedomen) = als mest | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | בְּחֵ֣לֶק (becheleq) = in het stuk land van | יִזְרְעֶ֑אל (yizreel) = Jizreël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = zodat | לֹֽא (lo) = niet | יֹאמְר֖וּ (yomru) = zullen zeggen | זֹ֥את (zot) = dit | אִיזָֽבֶל (izavel) = Izebel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Voetnoot Uitleg: כְּדֹמֶן (kedomen), ‘als mest’: het lijk is zo verwoest dat niemand haar nog herkent. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft והית (wehayt). Het qere heeft וְהָיְתָה (wehayetah), ‘en zij zal zijn’. De betekenis is gelijk. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 83:11; Pred 6:3; Jer 8:2; Jer 16:4; Jer 22:19 ## 2 Koningen 10 _Jehu roeit het huis van Achab en de dienst van Baäl uit_ ### De brieven van Jehu aan Samaria **10:1** Achab had 70 zonen in Samaria. Jehu schreef brieven en stuurde ze naar Samaria, naar de oversten van Jizreël, de oudsten en de voogden van Achab. Hij schreef: Brontekst: וּלְאַחְאָ֛ב (uleachav) = en voor Achab | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | בְּשֹׁמְר֑וֹן (beshomeron) = in Samaria | וַיִּכְתֹּב֩ (vayikhtov) = en hij schreef | יֵה֨וּא (yehu) = Jehu | סְפָרִ֜ים (sefarim) = brieven | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en hij stuurde | שֹׁמְר֗וֹן (shomeron) = naar Samaria | אֶל (el) = naar | שָׂרֵ֤י (sarei) = de oversten van | יִזְרְעֶאל֙ (yizreel) = Jizreël | הַזְּקֵנִ֔ים (hazeqenim) = de oudsten | וְאֶל (veel) = en naar | הָאֹמְנִ֥ים (haomenim) = de voogden van | אַחְאָ֖ב (achav) = Achab | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jizreël ligt aan de rand van de vlakte van Jizreël, bij het huidige Zer’in (Israël). Samaria was de hoofdstad van het noordrijk Israël, bij het huidige Sebastiya (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: הָאֹמְנִים (ha’omenim), ‘de voogden’: mannen die de kinderen van de koning opvoedden en verzorgden. Hier zijn het de voogden van de zonen van Achab (zie vers 6). Voetnoot Lezing: De brieven gaan naar Samaria, maar de ontvangers heten ‘de oversten van Jizreël’. Dat is opvallend, want Jehu is zelf in Jizreël. De betekenis is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 8:30; Re 10:4; 1 Kon 13:32; 2 Kon 5:3; 2 Kon 10:6; 2 Kron 22:9 **10:2** „Nu, zodra deze brief bij jullie komt: de zonen van jullie heer zijn bij jullie. Ook de strijdwagens en de paarden zijn bij jullie, en een versterkte stad en de wapens. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | כְּבֹ֨א (kevo) = zodra komt | הַסֵּ֤פֶר (hasefer) = de brief | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = naar jullie | וְאִתְּכֶ֖ם (veitekhem) = en bij jullie | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אֲדֹנֵיכֶ֑ם (adoneikhem) = jullie heer | וְאִתְּכֶם֙ (veitekhem) = en bij jullie | הָרֶ֣כֶב (harekhev) = de strijdwagens | וְהַסּוּסִ֔ים (vehasusim) = en de paarden | וְעִ֥יר (veir) = en een stad | מִבְצָ֖ר (mivtsar) = versterkte | וְהַנָּֽשֶׁק (vehanasheq) = en de wapens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De brief is een uitdaging: Jehu wijst op alles wat de zonen van Achab nodig hebben om te vechten. Hij vraagt of zij het durven. Zie ook: 2 Kon 5:6 **10:3** Kijk wie de beste en de rechtschapenste is van de zonen van jullie heer. Zet hem op de troon van zijn vader en vecht voor het huis van jullie heer.” Brontekst: וּרְאִיתֶ֞ם (ureitem) = en jullie zullen zien | הַטּ֤וֹב (hatov) = de beste | וְהַיָּשָׁר֙ (vehayashar) = en de rechtschapenste | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | אֲדֹנֵיכֶ֔ם (adoneikhem) = jullie heer | וְשַׂמְתֶּ֖ם (vesamtem) = en jullie zullen zetten | עַל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = troon van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְהִֽלָּחֲמ֖וּ (vehilachamu) = en vecht | עַל (al) = voor | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֲדֹנֵיכֶֽם (adoneikhem) = jullie heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַטּוֹב וְהַיָּשָׁר (hatov vehayashar), ‘de beste en de rechtschapenste’: de geschiktste zoon van Achab als opvolger. Zie ook: Deut 17:14–15; 1 Sam 11:15; 2 Sam 2:8–9; 2 Sam 2:12–17; 1 Kon 1:24–25 **10:4** Zij werden zeer, zeer bang. Zij zeiden: „Zie, de twee koningen hebben tegenover hem niet standgehouden. Hoe zouden wij dan standhouden?” Brontekst: וַיִּֽרְאוּ֙ (vayiru) = en zij vreesden | מְאֹ֣ד (meod) = zeer | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | הִנֵּה֙ (hine) = zie | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | הַמְּלָכִ֔ים (hamelakhim) = de koningen | לֹ֥א (lo) = niet | עָמְד֖וּ (amedu) = stonden | לְפָנָ֑יו (lefanav) = voor hem | וְאֵ֖יךְ (veeikh) = en hoe | נַעֲמֹ֥ד (naamod) = zullen wij standhouden | אֲנָֽחְנוּ (anachenu) = wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De twee koningen zijn Joram van Israël (2 Kon. 9:24) en Achazia van Juda (2 Kon. 9:27). Zie ook: 2 Kon 9:24; 2 Kon 9:27; Nah 1:6; Jer 49:19; Luc 14:31 **10:5** Hij die over het huis was gesteld, hij die over de stad was gesteld, de oudsten en de voogden: zij stuurden dit bericht naar Jehu: „Wij zijn uw dienaren. Alles wat u tegen ons zegt, zullen wij doen. Wij maken niemand koning. Doe wat goed is in uw ogen.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en hij stuurde | אֲשֶׁר (asher) = die | עַל (al) = over | הַבַּ֣יִת (habayit) = het huis | וַאֲשֶׁ֪ר (vaasher) = en die | עַל (al) = over | הָעִ֟יר (hair) = de stad | וְהַזְּקֵנִים֩ (vehazeqenim) = en de oudsten | וְהָאֹמְנִ֨ים (vehaomenim) = en de voogden | אֶל (el) = naar | יֵה֤וּא (yehu) = Jehu | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggende | עֲבָדֶ֣יךָ (avadeikha) = uw dienaren | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | וְכֹ֛ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | תֹּאמַ֥ר (tomar) = u zegt | אֵלֵ֖ינוּ (eleinu) = tegen ons | נַעֲשֶׂ֑ה (naase) = zullen wij doen | לֹֽא (lo) = niet | נַמְלִ֣יךְ (namlikh) = wij maken koning | אִ֔ישׁ (ish) = man | הַטּ֥וֹב (hatov) = wat goed is | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in uw ogen | עֲשֵֽׂה (ase) = doe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Degene ‘die over het huis was gesteld’ is de hofmeester van het paleis, degene ‘die over de stad was gesteld’ is de stadsbestuurder. Zie ook 1 Kon. 16:9. Voetnoot : נַמְלִיךְ (namlikh), ‘wij maken koning’: letterlijk ‘wij zullen koning maken’. Zij kiezen dus de kant van Jehu. Zie ook: Joz 9:8; Joz 9:11; 1 Kon 16:9; 1 Kon 20:4; 1 Kon 20:32; 2 Kon 18:14 **10:6** Hij schreef hun een tweede brief: „Als jullie van mij zijn en naar mijn stem luisteren: neem de hoofden van de mannen, de zonen van jullie heer. Kom morgen om deze tijd naar mij in Jizreël.” De zonen van de koning, 70 man, waren bij de groten van de stad, die hen opvoedden. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֣ב (vayikhtov) = en hij schreef | אֲלֵיהֶם֩ (aleihem) = aan hen | סֵ֨פֶר (sefer) = een brief | שֵׁנִ֜ית (shenit) = tweede | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | אִם (im) = als | לִ֨י (li) = van mij | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | וּלְקֹלִ֣י (uleqoli) = en naar mijn stem | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | שֹׁמְעִ֗ים (shomeim) = luisteren | קְחוּ֙ (qechu) = neem | אֶת (et) = (obj.) | רָאשֵׁי֙ (rashei) = hoofden van | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | אֲדֹנֵיכֶ֔ם (adoneikhem) = jullie heer | וּבֹ֧אוּ (uvou) = en kom | אֵלַ֛י (elay) = naar mij | כָּעֵ֥ת (kaet) = om de tijd | מָחָ֖ר (machar) = morgen | יִזְרְעֶ֑אלָה (yizreela) = naar Jizreël | וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | אִ֔ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = bij | גְּדֹלֵ֥י (gedolei) = de groten van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | מְגַדְּלִ֥ים (megadelim) = die opvoedden | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Voetnoot Uitleg: רָאשֵׁי (rashei), ‘hoofden’: Jehu gebruikt een woord met twee betekenissen. Het kan ‘leiders’ betekenen, maar ook letterlijk ‘hoofden’. Zo wordt hij in vers 7 begrepen. Voetnoot : מַגְדִּלִים (magdilim), ‘die opvoedden’: de groten van de stad hadden de zonen van de koning in huis. Zie ook: Job 21:19; Deut 5:9; 2 Kon 10:7; Mat 12:30; Luc 9:50; Openb 2:20–23 ### De zeventig hoofden **10:7** Zodra de brief bij hen kwam, namen zij de zonen van de koning en slachtten zij 70 man af. Zij legden hun hoofden in manden en stuurden die naar hem in Jizreël. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּבֹ֤א (kevo) = zodra komt | הַסֵּ֨פֶר֙ (hasefer) = de brief | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = naar hen | וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַֽיִּשְׁחֲט֖וּ (vayishchatu) = en zij slachtten af | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיָּשִׂ֤ימוּ (vayasimu) = en zij legden | אֶת (et) = (obj.) | רָֽאשֵׁיהֶם֙ (rasheihem) = hun hoofden | בַּדּוּדִ֔ים (badudim) = in manden | וַיִּשְׁלְח֥וּ (vayishlechu) = en zij stuurden | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | יִזְרְעֶֽאלָה (yizreela) = naar Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Voetnoot Uitleg: דּוּדִים (dudim), ‘manden’: manden voor vruchten of voor gebruiksvoorwerpen. De hoofden werden in manden naar Jizreël gestuurd. Zie ook: Re 9:5–57; 1 Kon 21:21; 2 Kon 10:9; 2 Kon 11:1; Mat 14:8–11 **10:8** De bode kwam en meldde hem: „Zij hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht.” Hij zei: „Leg ze in twee hopen bij de ingang van de poort, tot de morgen.” Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | הַמַּלְאָךְ֙ (hamalakh) = de bode | וַיַּגֶּד (vayaged) = en meldde | ל֣וֹ (lo) = aan hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הֵבִ֖יאוּ (heviu) = zij hebben gebracht | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | שִׂ֣ימוּ (simu) = legt | אֹתָ֞ם (otam) = hen | שְׁנֵ֧י (shenei) = twee | צִבֻּרִ֛ים (tsiburim) = hopen | פֶּ֥תַח (petach) = ingang van | הַשַּׁ֖עַר (hashaar) = de poort | עַד (ad) = tot | הַבֹּֽקֶר (haboqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאָךְ (malakh), ‘bode’: hier een gewone bode, geen engel. Zie ook: Deut 21:23; 2 Sam 11:18–21; 1 Kon 21:14; Mar 6:28 **10:9** De volgende morgen ging hij naar buiten en bleef staan. Hij zei tegen heel het volk: „Jullie zijn rechtvaardig. Zie, ik heb een samenzwering gesmeed tegen mijn heer en ik heb hem gedood. Maar wie heeft al dezen gedood? Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | בַבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de morgen | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en hij ging uit | וַֽיַּעֲמֹ֔ד (vayaamod) = en hij bleef staan | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | צַדִּקִ֖ים (tsadiqim) = rechtvaardig | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֲנִ֜י (ani) = ik | קָשַׁ֤רְתִּי (qasharti) = heb een samenzwering gesmeed | עַל (al) = tegen | אֲדֹנִי֙ (adoni) = mijn heer | וָאֶהְרְגֵ֔הוּ (vaehregehu) = en ik doodde hem | וּמִ֥י (umi) = en wie | הִכָּ֖ה (hika) = sloeg dood | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵֽלֶּה (ele) = dezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַדִּקִים (tsaddiqim), ‘rechtvaardig’: hier in de zin van ‘zonder schuld in deze zaak’. Jehu neemt de samenzwering tegen Joram zelf op zich en vraagt dan wie de zeventig heeft gedood. Zie ook: 1 Sam 12:3; 2 Kon 9:14–24; Hos 1:4; Jes 5:3 **10:10** Weet dan dat er niets op de grond zal vallen van het woord van Yahweh, dat Yahweh over het huis van Achab heeft gesproken. Yahweh heeft gedaan wat Hij sprak door de hand van Zijn dienaar Elia.” Brontekst: דְּע֣וּ (deu) = weet | אֵפ֗וֹא (efo) = dan | כִּי֩ (ki) = dat | לֹ֨א (lo) = niet | יִפֹּ֜ל (yipol) = zal vallen | מִדְּבַ֤ר (midevar) = van het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אַ֔רְצָה (artsa) = op de grond | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | וַיהוָ֣ה (vaYahweh) = en Yahweh | עָשָׂ֔ה (asa) = heeft gedaan | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | דִּבֶּ֔ר (diber) = Hij sprak | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | עַבְדּ֥וֹ (avdo) = Zijn dienaar | אֵלִיָּֽהוּ (eliyahu) = Elia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord van Yahweh over het huis van Achab staat in 1 Kon. 21:21–24; het woord over Joram in 2 Kon. 9:25–26. Zie ook 1 Kon. 14:10 en 16:3. Zie ook: 1 Kon 14:10; 1 Kon 16:3; 1 Kon 21:19; 1 Kon 21:21–24; 1 Kon 21:29; 2 Kon 9:7–10; 2 Kon 9:25–26; 2 Kon 9:36 **10:11** Jehu doodde allen die van het huis van Achab in Jizreël waren overgebleven, en al zijn groten, zijn bekenden en zijn priesters. Hij liet voor hem geen overlevende over. Brontekst: וַיַּ֣ךְ (vayakh) = en hij sloeg | יֵה֗וּא (yehu) = Jehu | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַנִּשְׁאָרִ֤ים (hanisharim) = de overgeblevenen | לְבֵית (leveit) = van het huis van | אַחְאָב֙ (achav) = Achab | בְּיִזְרְעֶ֔אל (beyizreel) = in Jizreël | וְכָל (vekhal) = en al | גְּדֹלָ֖יו (gedolav) = zijn groten | וּמְיֻדָּעָ֣יו (umeyudaav) = en zijn bekenden | וְכֹהֲנָ֑יו (vekhohanav) = en zijn priesters | עַד (ad) = totdat | בִּלְתִּ֥י (bilti) = niet | הִשְׁאִֽיר (hishir) = hij overliet | ל֖וֹ (lo) = voor hem | שָׂרִֽיד (sarid) = een overlevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Voetnoot Uitleg: מֻדָּעָיו (meyudda’av), ‘zijn bekenden’: mensen die dicht bij de koning stonden, zijn vertrouwelingen. Voetnoot : De woorden ‘voor hem’ (lo) wijzen terug op Achab: er bleef niemand over van zijn huis. Zie ook: Job 18:19; Spr 13:20; 1 Kon 14:10; 1 Kon 22:6; Openb 19:20 ### Jehu en de broers van Achazia **10:12** Hij stond op, brak op en ging naar Samaria. Onderweg was hij bij Bet-Eked van de herders. Brontekst: וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en hij stond op | וַיָּבֹ֔א (vayavo) = en hij kwam | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שֹׁמְר֑וֹן (shomeron) = naar Samaria | ה֛וּא (hu) = hij | בֵּֽית (beit) = huis van | עֵ֥קֶד (eqed) = eked | הָרֹעִ֖ים (haroim) = de herders | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = op de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: בֵּית עֵקֶד הָרֹעִים (beit eqed haro’im), ‘Bet-Eked van de herders’: letterlijk ‘huis van de binding van de herders’. De ligging is onzeker. Het lag op de weg van Jizreël naar Samaria. Voetnoot Uitleg: De betekenis van עֵקֶד (eqed) is niet zeker. Sommigen denken aan een plaats waar de herders de schapen bijeenbonden, bijvoorbeeld om te scheren. **10:13** Daar ontmoette Jehu de broers van Achazia, de koning van Juda. Hij zei: „Wie zijn jullie?” Zij zeiden: „Wij zijn de broers van Achazia. Wij zijn afgedaald om de zonen van de koning en de zonen van de koninginmoeder te groeten.” Brontekst: וְיֵה֗וּא (veyehu) = en Jehu | מָצָא֙ (matsa) = vond | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֵי֙ (achei) = de broers van | אֲחַזְיָ֣הוּ (achazyahu) = Achazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | מִ֣י (mi) = wie | אַתֶּ֑ם (atem) = zijn jullie | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֲחֵ֤י (achei) = broers van | אֲחַזְיָ֨הוּ֙ (achazyahu) = Achazia | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | וַנֵּ֛רֶד (vanered) = en wij zijn afgedaald | לִשְׁל֥וֹם (lishlom) = voor het welzijn van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | הַגְּבִירָֽה (hagevira) = de koninginmoeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחֵי אֲחַזְיָהוּ (achei Achazyahu), ‘de broers van Achazia’: het kunnen ook neven of verwanten zijn. Vergelijk 2 Kron. 22:8, waar ‘de zonen van de broers van Achazia’ staan. Voetnoot : גְּבִירָה (gevirah), ‘koninginmoeder’: letterlijk ‘gebiedster’. Dit is de moeder van de koning, zoals in 1 Kon. 15:13. Voetnoot : לְשָׁלוֹם (leshalom), ‘om te groeten’: letterlijk ‘voor het welzijn van’. Zie ook: 1 Kon 15:13; 2 Kon 8:24; 2 Kon 8:29; 2 Kon 9:21–27; 2 Kron 21:17; 2 Kron 22:1–10; 2 Kron 22:8 **10:14** Hij zei: „Grijp hen levend.” Zij grepen hen levend en slachtten hen af bij de put van Bet-Eked: 42 man. Hij liet niemand van hen over. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | תִּפְשׂ֣וּם (tifsum) = grijp hen | חַיִּ֔ים (chayim) = levend | וַֽיִּתְפְּשׂ֖וּם (vayitpesum) = en zij grepen hen | חַיִּ֑ים (chayim) = levend | וַֽיִּשְׁחָט֞וּם (vayishchatum) = en zij slachtten hen af | אֶל (el) = bij | בּ֣וֹר (bor) = put van | בֵּֽית (beit) = huis van | עֵ֗קֶד (eqed) = eked | אַרְבָּעִ֤ים (arbaim) = veertig | וּשְׁנַ֨יִם֙ (ushenayim) = en twee | אִ֔ישׁ (ish) = man | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִשְׁאִ֥יר (hishir) = hij liet over | אִ֖ישׁ (ish) = man | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Eked van de herders (ligging onzeker): Bet-Eked lag op de weg van Jizreël naar Samaria. Voorgesteld zijn Kafr Rai en Beit Qad, ten noordoosten van Samaria. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בּוֹר (bor), ‘put’: een uitgegraven put of waterkuil. Het aantal 42 staat in het Hebreeuws letterlijk als ‘veertig en twee’. Zie ook: 2 Kon 8:18; 2 Kon 10:6; 2 Kon 10:10–11; 2 Kon 11:1; 2 Kron 22:8 ### Jehonadab, de zoon van Rechab **10:15** Hij ging vandaar verder en vond Jehonadab, de zoon van Rechab, die hem tegemoetkwam. Hij groette hem en zei tegen hem: „Is jouw hart oprecht, zoals mijn hart oprecht is tegenover jouw hart?” Jehonadab zei: „Ja.” „Als dat zo is, geef mij je hand.” Jehonadab gaf zijn hand. Jehu liet hem naar zich toe op de wagen stijgen. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | מִשָּׁ֡ם (misham) = vandaar | וַיִּמְצָ֣א (vayimtsa) = en hij vond | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹנָדָב֩ (yehonadav) = Jehonadab | בֶּן (ben) = zoon van | רֵכָ֨ב (rekhav) = Rechab | לִקְרָאת֜וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַֽיְבָרְכֵ֗הוּ (vayvarekhehu) = en hij groette hem | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | הֲיֵ֧שׁ (hayesh) = is | אֶת (et) = (obj.) | לְבָבְךָ֣ (levavekha) = jouw hart | יָשָׁ֗ר (yashar) = oprecht | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | לְבָבִי֙ (levavi) = mijn hart | עִם (im) = met | לְבָבֶ֔ךָ (levavekha) = jouw hart | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹנָדָ֥ב (yehonadav) = Jehonadab | יֵ֛שׁ (yesh) = ja | וָיֵ֖שׁ (vayesh) = en zo | תְּנָ֣ה (tena) = geef | אֶת (et) = (obj.) | יָדֶ֑ךָ (yadekha) = je hand | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en hij gaf | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | וַיַּעֲלֵ֥הוּ (vayaalehu) = en hij liet hem opstijgen | אֵלָ֖יו (elav) = naar zich | אֶל (el) = op | הַמֶּרְכָּבָֽה (hamerkava) = de wagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹנָדָב בֶּן רֵכָב (Yehonadav ben Rechav): Jehonadab, de zoon van Rechab. Hij komt in Jer. 35 terug als voorvader van de Rechabieten. Voetnoot : הַיֵּשׁ אֶת לְבָבְךָ יָשָׁר (hayesh et levavkha yashar), ‘is jouw hart oprecht’: Jehu vraagt of Jehonadab hem trouw is. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet wie elke zin spreekt. Wij lezen ‘Ja’ als antwoord van Jehonadab, de woorden ‘Als dat zo is, geef mij je hand’ als woorden van Jehu, en ‘Jehonadab’ en ‘Jehu’ in de laatste zinnen zijn door ons toegevoegd ter verduidelijking. Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Zie ook: 1 Kron 2:55; Jer 35:14–19; Ezech 17:18; Ezra 10:19; Gal 4:12 **10:16** Hij zei: „Ga met mij mee en zie mijn ijver voor Yahweh.” Zij lieten hem meerijden in zijn wagen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לְכָ֣ה (lekha) = ga | אִתִּ֔י (iti) = met mij | וּרְאֵ֖ה (uree) = en zie | בְּקִנְאָתִ֣י (beqinati) = mijn ijver | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיַּרְכִּ֥בוּ (vayarkivu) = en zij lieten rijden | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּרִכְבּֽוֹ (berikhbo) = in zijn wagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: vurige toewijding aan Yahweh. Het is hetzelfde woord als in Num. 25:11 en 1 Kon. 19:10. Zie ook: Num 23:4; Num 25:11; 1 Kon 19:10; 2 Kon 10:31; Mat 6:5; Rom 10:2 **10:17** Hij kwam in Samaria en doodde allen die van Achab in Samaria waren overgebleven, totdat hij hen had uitgeroeid. Dat was volgens het woord van Yahweh, dat Hij tot Elia had gesproken. Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij kwam | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = in Samaria | וַ֠יַּךְ (vayakh) = en hij sloeg | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַנִּשְׁאָרִ֧ים (hanisharim) = de overgeblevenen | לְאַחְאָ֛ב (leachav) = van Achab | בְּשֹׁמְר֖וֹן (beshomeron) = in Samaria | עַד (ad) = totdat | הִשְׁמִיד֑וֹ (hishmido) = hij hen uitroeide | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֶּ֖ר (diber) = Hij sprak | אֶל (el) = tot | אֵלִיָּֽהוּ (eliyahu) = Elia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Zie 1 Kon. 21:21–24 voor het woord van Yahweh tot Elia. Zie ook: 1 Kon 21:21; 2 Kon 9:8; 2 Kon 9:25–26; 2 Kon 10:10–11; 2 Kron 22:8 ### Jehu en de dienaren van Baäl **10:18** Jehu riep heel het volk bijeen en zei tegen hen: „Achab heeft Baäl weinig gediend. Jehu zal hem veel dienen. Brontekst: וַיִּקְבֹּ֤ץ (vayiqbots) = en hij riep bijeen | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אַחְאָ֕ב (achav) = Achab | עָבַ֥ד (avad) = heeft gediend | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֖עַל (habaal) = Baäl | מְעָ֑ט (meat) = weinig | יֵה֖וּא (yehu) = Jehu | יַעַבְדֶ֥נּוּ (yaavdenu) = zal hem dienen | הַרְבֵּֽה (harbe) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jehu spreekt over zichzelf in de derde persoon. Hij verbergt zijn plan. ‘Baäl’ is hier de god van Tyrus en Samaria, die Achab en Izebel in Israël invoerden (1 Kon. 16:31–32). Zie ook: 1 Kon 16:31–32; 1 Kon 18:40; 2 Kon 3:2; Rom 3:8; Fil 4:8 **10:19** Roep nu al de profeten van Baäl bij mij, al zijn dienaren en al zijn priesters. Niemand mag ontbreken, want ik heb een groot slachtoffer voor Baäl. Wie ontbreekt, zal niet leven.” Jehu deed dit met list, om de dienaren van Baäl te vernietigen. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | כָל (kal) = alle | נְבִיאֵ֣י (neviei) = profeten van | הַבַּ֡עַל (habaal) = Baäl | כָּל (kal) = al | עֹבְדָ֣יו (ovedav) = zijn dienaren | וְכָל (vekhal) = en alle | כֹּהֲנָיו֩ (kohanav) = zijn priesters | קִרְא֨וּ (qiru) = roep | אֵלַ֜י (elay) = bij mij | אִ֣ישׁ (ish) = man | אַל (al) = niet | יִפָּקֵ֗ד (yipaqed) = mag ontbreken | כִּי֩ (ki) = want | זֶ֨בַח (zevach) = slachtoffer | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | לִי֙ (li) = voor mij | לַבַּ֔עַל (labaal) = voor Baäl | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wie | יִפָּקֵ֖ד (yipaqed) = ontbreekt | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽחְיֶ֑ה (yichye) = zal leven | וְיֵהוּא֙ (veyehu) = en Jehu | עָשָׂ֣ה (asa) = deed | בְעָקְבָּ֔ה (beaqba) = met list | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | הַאֲבִ֖יד (haavid) = hij zou vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | עֹבְדֵ֥י (ovedei) = de dienaren van | הַבָּֽעַל (habaal) = Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעָקְבָה (be’oqvah), ‘met list’: met bedrog; het woord komt van dezelfde stam als ‘Jakob’ (Gen. 27:36). Voetnoot : זֶבַח גָּדוֹל (zevach gadol), ‘een groot slachtoffer’: een slachtoffer waarbij een maaltijd hoort. Zie ook: Gen 27:36; 1 Kon 18:19; 1 Kon 22:6; 2 Kon 10:18; 1 Tess 2:3; 2 Kor 11:3 **10:20** Jehu zei: „Kondig een heilige samenkomst aan voor Baäl.” Zij kondigden die aan. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יֵה֗וּא (yehu) = Jehu | קַדְּשׁ֧וּ (qadeshu) = heilig | עֲצָרָ֛ה (atsara) = samenkomst | לַבַּ֖עַל (labaal) = voor Baäl | וַיִּקְרָֽאוּ (vayiqrau) = en zij riepen uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצָרָה (atsarah), ‘samenkomst’: een plechtige bijeenkomst op een feestdag. Zie Lev. 23:36 en Deut. 16:8. Zie ook: Ex 32:5; Lev 23:36; Deut 16:8; 1 Kon 18:19–20; 1 Kon 21:12; Joël 1:14 **10:21** Jehu stuurde boden door heel Israël. Alle dienaren van Baäl kwamen. Er bleef niemand over die niet gekomen was. Zij gingen het huis van Baäl binnen. Het huis van Baäl werd vol, van het ene einde tot het andere. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij stuurde | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | בְּכָל (bekhal) = door heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | כָּל (kal) = alle | עֹבְדֵ֣י (ovedei) = dienaren van | הַבַּ֔עַל (habaal) = Baäl | וְלֹֽא (velo) = en niet | נִשְׁאַ֥ר (nishar) = bleef over | אִ֖ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | בָ֑א (ba) = kwam | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij gingen binnen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַבַּ֔עַל (habaal) = Baäl | וַיִּמָּלֵ֥א (vayimale) = en het werd vol | בֵית (beit) = het huis van | הַבַּ֖עַל (habaal) = Baäl | פֶּ֥ה (pe) = van mond | לָפֶֽה (lafe) = tot mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּה לָפֶה (peh lafeh), ‘van mond tot mond’: van het ene einde tot het andere. Zie ook: 1 Kon 16:32; 2 Kon 11:18; Joël 4:2; Joël 4:11–14; Openb 16:16 **10:22** Hij zei tegen de man die over de kleerkamer was gesteld: „Breng kleding naar buiten voor alle dienaren van Baäl.” Hij bracht hun de kleding naar buiten. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | לַֽאֲשֶׁר֙ (laasher) = tot die | עַל (al) = over | הַמֶּלְתָּחָ֔ה (hameltacha) = de kleerkamer | הוֹצֵ֣א (hotse) = breng naar buiten | לְב֔וּשׁ (levush) = kleding | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | עֹבְדֵ֣י (ovedei) = dienaren van | הַבָּ֑עַל (habaal) = Baäl | וַיֹּצֵ֥א (vayotse) = en hij bracht naar buiten | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | הַמַּלְבּֽוּשׁ (hamalbush) = de kleding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמֶּלְתָּחָה (hameltachah), ‘de kleerkamer’: de ruimte waar de kleding werd bewaard. Het woord komt alleen hier voor. מַלְבּוּשׁ (malbush), ‘kleding’: de kleding voor de dienst van Baäl. Zie ook: Ex 28:2; Mat 22:11–12 **10:23** Jehu en Jehonadab, de zoon van Rechab, gingen het huis van Baäl binnen. Hij zei tegen de dienaren van Baäl: „Zoek en kijk: er mag hier niemand van de dienaren van Yahweh bij jullie zijn. Alleen dienaren van Baäl mogen hier zijn.” Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | וִיהוֹנָדָ֥ב (vihonadav) = en Jehonadab | בֶּן (ben) = zoon van | רֵכָ֖ב (rekhav) = Rechab | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַבָּ֑עַל (habaal) = Baäl | וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְעֹבְדֵ֣י (leovedei) = tegen de dienaren van | הַבַּ֗עַל (habaal) = Baäl | חַפְּשׂ֤וּ (chapesu) = zoek | וּרְאוּ֙ (ureu) = en kijk | פֶּן (pen) = dat niet | יֶשׁ (yesh) = er is | פֹּ֤ה (po) = hier | עִמָּכֶם֙ (imakhem) = bij jullie | מֵעַבְדֵ֣י (meavdei) = van de dienaren van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | עֹבְדֵ֥י (ovedei) = dienaren van | הַבַּ֖עַל (habaal) = Baäl | לְבַדָּֽם (levadam) = uitsluitend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jehu zorgt ervoor dat er geen dienaar van Yahweh in het huis van Baäl is. Alleen de dienaren van Baäl blijven binnen. Zie ook: Mat 13:30; Mat 13:41; Mat 25:32–33 **10:24** Zij gingen naar binnen om slachtoffers en brandoffers te brengen. Jehu had buiten 80 man voor zich opgesteld. Hij had gezegd: „Wie ontkomt van de mannen die ik in jullie handen breng: zijn ziel komt in de plaats van zijn ziel.” Brontekst: וַיָּבֹ֕אוּ (vayavou) = en zij gingen binnen | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te brengen | זְבָחִ֣ים (zevachim) = slachtoffers | וְעֹל֑וֹת (veolot) = en brandoffers | וְיֵה֞וּא (veyehu) = en Jehu | שָׂם (sam) = had gezet | ל֤וֹ (lo) = voor zich | בַחוּץ֙ (bachuts) = buiten | שְׁמֹנִ֣ים (shemonim) = tachtig | אִ֔ישׁ (ish) = man | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | יִמָּלֵט֙ (yimalet) = ontkomt | מִן (min) = van | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אֲנִי֙ (ani) = ik | מֵבִ֣יא (mevi) = breng | עַל (al) = in | יְדֵיכֶ֔ם (yedeikhem) = jullie handen | נַפְשׁ֖וֹ (nafsho) = zijn ziel | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven, de mens zelf. ‘Zijn ziel komt in de plaats van zijn ziel’ is een vaste uitdrukking: wie een man laat ontkomen, betaalt met zijn eigen leven. Vergelijk 1 Kon. 20:39. Zie ook: 1 Kon 20:30–42; 1 Kon 20:39 **10:25** Zodra hij klaar was met het brengen van het brandoffer, zei Jehu tegen de lopers en de derde mannen: „Ga naar binnen en sla hen neer. Niemand mag naar buiten gaan.” Zij sloegen hen neer met de scherpte van het zwaard. De lopers en de derde mannen wierpen hen weg en gingen naar de stad van het huis van Baäl. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כְּכַלֹּת֣וֹ (kekhaloto) = zodra hij klaar was | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = met brengen | הָעֹלָ֗ה (haola) = het brandoffer | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יֵ֠הוּא (yehu) = Jehu | לָרָצִ֨ים (laratsim) = tegen de lopers | וְלַשָּׁלִשִׁ֜ים (velashalishim) = en tegen de derde mannen | בֹּ֤אוּ (bou) = gaat binnen | הַכּוּם֙ (hakum) = slaat hen neer | אִ֣ישׁ (ish) = man | אַל (al) = niet | יֵצֵ֔א (yetse) = laat naar buiten gaan | וַיַּכּ֖וּם (vayakum) = en zij sloegen hen neer | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וַיַּשְׁלִ֗כוּ (vayashlikhu) = en zij wierpen weg | הָֽרָצִים֙ (haratsim) = de lopers | וְהַשָּׁ֣לִשִׁ֔ים (vehashalishim) = en de derde mannen | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | עַד (ad) = naar | עִ֥יר (ir) = stad van | בֵּית (beit) = huis van | הַבָּֽעַל (habaal) = Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצִים (ratsim), ‘lopers’: de lijfwacht van de koning, zoals in 1 Kon. 14:27. שָׁלִישִׁים (shalishim), ‘derde mannen’: mannen van hoge rang in het leger, zoals in 1 Kon. 9:22. Voetnoot : עִיר בֵּית הַבַּעַל (ir beit haBa’al), ‘de stad van het huis van Baäl’: het woord ‘stad’ is hier moeilijk. De betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft bij ‘zij wierpen’ geen voorwerp. Wij vullen ‘hen’ aan: de gedoden. Zie ook: Deut 13:7–12; 1 Kon 9:22; 1 Kon 14:27; 1 Kon 18:40; Ezech 9:5–7; Ezech 22:21–22; Openb 16:6–7 **10:26** Zij brachten de gewijde stenen van het huis van Baäl naar buiten en verbrandden die. Brontekst: וַיֹּצִ֛אוּ (vayotsiu) = en zij brachten naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | מַצְּב֥וֹת (matsevot) = gewijde stenen van | בֵּית (beit) = het huis van | הַבַּ֖עַל (habaal) = Baäl | וַֽיִּשְׂרְפֽוּהָ (vayisrefuha) = en zij verbrandden haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצְּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: opgerichte stenen of palen voor de verering van een god. Zie ook: 2 Sam 5:21; 1 Kon 14:23; 2 Kon 3:2; 2 Kon 19:18 **10:27** Zij braken de gewijde steen van Baäl af. Zij braken het huis van Baäl af en maakten er afvalplaatsen van, tot op deze dag. Brontekst: וַֽיִּתְּצ֔וּ (vayitetsu) = en zij braken af | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מַצְּבַ֣ת (matsevat) = gewijde steen van | הַבָּ֑עַל (habaal) = Baäl | וַֽיִּתְּצוּ֙ (vayitetsu) = en zij braken af | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַבַּ֔עַל (habaal) = Baäl | וַיְשִׂמֻ֥הוּ (vaysimuhu) = en zij maakten het | לְמֽוֹצָא֖וֹת (lemotsaot) = tot afvalplaatsen | עַד (ad) = tot | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצֶּבֶת (matsevet), ‘gewijde steen’: één steen, het hoofdsymbool van Baäl. Voetnoot : מוֹצָאוֹת (motsa’ot), ‘afvalplaatsen’: een zeldzaam woord. Het betekent waarschijnlijk plaatsen om afval of uitwerpselen te lozen. Het is een bewuste vernedering. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft מחראות (mochra’ot), een ander woord dat dezelfde zin heeft. De voorgelezen tekst (qere) heeft מוֹצָאוֹת. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kon 16:32; 2 Kon 18:4; Dan 2:5; Dan 3:29; Ezra 6:11 **10:28** Zo roeide Jehu Baäl uit Israël uit. Brontekst: וַיַּשְׁמֵ֥ד (vayashmed) = en hij roeide uit | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֖עַל (habaal) = Baäl | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = uit Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jehu roeit de dienst van Baäl uit Israël uit. De vorige koningen Achab en Joram hadden die dienst ingevoerd of laten bestaan. Zie 1 Kon. 16:31–33 en 2 Kon. 3:2. Zie ook: 1 Kon 16:31–33; 2 Kon 3:2 ### Jehu en de zonden van Jerobeam **10:29** Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël liet zondigen, week Jehu niet af. Dat zijn de gouden kalveren die in Betel en die in Dan waren. Brontekst: רַ֠ק (raq) = alleen | חֲטָאֵ֞י (chataei) = zonden van | יָרָבְעָ֤ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָט֙ (nevat) = Nebat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | הֶחֱטִ֣יא (hecheti) = hij liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹֽא (lo) = niet | סָ֥ר (sar) = week af | יֵה֖וּא (yehu) = Jehu | מֵאַֽחֲרֵיהֶ֑ם (meachareihem) = van achter hen | עֶגְלֵי֙ (eglei) = kalveren van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בֵּֽית (beit) = in Bet | אֵ֖ל (el) = El | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en die | בְּדָֽן (bedan) = in Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Voetnoot Uitleg: De gouden kalveren in Betel en Dan: zie 1 Kon. 12:28–30. Zie ook Exod. 32. Zie ook: 1 Kon 12:28–30; 1 Kon 13:33–34; 1 Kon 14:16; 2 Kon 15:18; Mar 6:24–26 **10:30** Yahweh zei tegen Jehu: **„Je hebt goed gedaan wat recht is in Mijn ogen. Je hebt het huis van Achab behandeld naar alles wat in Mijn hart was. Daarom zullen zonen van de vierde generatie voor jou op de troon van Israël zitten.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יֵה֗וּא (yehu) = Jehu | יַ֤עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֱטִיבֹ֨תָ֙ (hetivota) = je goed deed | לַעֲשׂ֤וֹת (laasot) = te doen | הַיָּשָׁר֙ (hayashar) = wat recht is | בְּעֵינַ֔י (beeinay) = in Mijn ogen | כְּכֹל֙ (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בִּלְבָבִ֔י (bilvavi) = in Mijn hart | עָשִׂ֖יתָ (asita) = je deed | לְבֵ֣ית (leveit) = aan het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | רְבִעִ֔ים (reviim) = vierden | יֵשְׁב֥וּ (yeshevu) = zullen zitten | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | עַל (al) = op | כִּסֵּ֥א (kise) = troon van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de eigen woorden van Yahweh tot Jehu, rechtstreeks in het verhaal. Voetnoot : רִבֵּעִים (ribbe’im), ‘vierde generatie’: letterlijk ‘vierden’. Vier geslachten na Jehu zouden koning zijn. Zie 2 Kon. 15:12. Zie ook: 1 Kon 21:29; 2 Kon 10:35; 2 Kon 13:1; 2 Kon 13:10; 2 Kon 14:23; 2 Kon 15:12 **10:31** Maar Jehu lette er niet op om met heel zijn hart te wandelen in de wet van Yahweh, de Elohim van Israël. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, waarmee hij Israël liet zondigen. Brontekst: וְיֵה֗וּא (veyehu) = en Jehu | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁמַ֛ר (shamar) = lette erop | לָלֶ֛כֶת (lalekhet) = om te wandelen | בְּתֽוֹרַת (betorat) = in de wet van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָב֑וֹ (levavo) = zijn hart | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֗ר (sar) = week af | מֵעַל֙ (meal) = van | חַטֹּ֣אות (chatovt) = zonden van | יָֽרָבְעָ֔ם (yaraveam) = Jerobeam | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | הֶחֱטִ֖יא (hecheti) = hij liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het onderricht van Yahweh, de wet van Mozes. Zie ook: Ps 78:10; Spr 4:23; 2 Kon 3:3; 2 Kon 10:29; Heb 2:1 ### Hazaël neemt Israël af **10:32** In die dagen begon Yahweh Israël in te korten. Hazaël versloeg hen in heel het gebied van Israël, Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | הֵחֵ֣ל (hechel) = begon | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְקַצּ֖וֹת (leqatsot) = af te snijden | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | וַיַּכֵּ֥ם (vayakem) = en sloeg hen | חֲזָאֵ֖ל (chazael) = Hazaël | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּב֥וּל (gevul) = gebied van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְקַצּוֹת (leqatsot), ‘af te snijden’: delen van het land van Israël af te snijden. Het is een beeld van stukken die van een geheel worden gesneden. Voetnoot : חֲזָאֵל (Chazael): koning van Aram. Zie 2 Kon. 8:12–15. Zie ook: 1 Kon 19:17; 2 Kon 8:12; 2 Kon 13:22; 2 Kon 13:25; 2 Kon 14:25 **10:33** van de Jordaan af, in het oosten: heel het land Gilead, de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, vanaf Aroër, dat aan de beek Arnon ligt, ook Gilead en Basan. Brontekst: מִן (min) = van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | מִזְרַ֣ח (mizrach) = oosten van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | הַגִּלְעָ֔ד (hagilad) = Gilead | הַגָּדִ֥י (hagadi) = de Gadiet | וְהָרֻאובֵנִ֖י (veharuvveni) = en de Rubeniet | וְהַֽמְנַשִּׁ֑י (vehamnashi) = en de Manassiet | מֵעֲרֹעֵר֙ (mearoer) = van Aroër | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | נַ֣חַל (nachal) = beek | אַרְנֹ֔ן (arnon) = Arnon | וְהַגִּלְעָ֖ד (vehagilad) = en Gilead | וְהַבָּשָֽׁן (vehabashan) = en Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aroër ligt aan de rand van de kloof van de Arnon, bij het huidige Arair (Jordanië). Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘versloeg’ uit vers 32 geldt ook hier. Het Hebreeuws herhaalt het niet, en wij ook niet. Voetnoot : De Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten woonden ten oosten van de Jordaan. Zie Num. 32 en Joz. 13:8–12. Zie ook: Num 32:33–42; Deut 2:36; Deut 3:12–17; Joz 13:8–12; Joz 13:9–12; 2 Kon 10:32; Amos 1:3–4 ### Het einde van Jehu **10:34** De rest van de geschiedenis van Jehu en alles wat hij deed en heel zijn macht: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël? Brontekst: וְיֶ֨תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | וְכָל (vekhal) = en heel | גְּבוּרָת֑וֹ (gevurato) = zijn macht | הֲלֽוֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayyamim), ‘boek van de woorden van de dagen’: het dagboek van de koningen van Israël. Zie 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 11:41; 1 Kon 14:19; 1 Kon 14:29; 2 Kon 12:20; 2 Kon 13:8 **10:35** Jehu ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem in Samaria. Zijn zoon Joachaz werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en hij lag | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקְבְּר֥וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּשֹׁמְר֑וֹן (beshomeron) = in Samaria | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יְהוֹאָחָ֥ז (yehoachaz) = Joachaz | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Joachaz regeerde 17 jaar over Israël. Zie 2 Kon. 13:1. Zie ook: 2 Sam 7:12; 1 Kon 1:21; 1 Kon 2:10; 1 Kon 14:31; 2 Kon 13:1; 2 Kon 13:7–8 **10:36** De dagen dat Jehu over Israël regeerde, waren 28 jaar, in Samaria. Brontekst: וְהַיָּמִ֗ים (vehayamim) = en de dagen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | מָלַ֤ךְ (malakh) = regeerde | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנֶֽה (ushemone) = en acht | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בְּשֹׁמְרֽוֹן (beshomeron) = in Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. ## 2 Koningen 11 _Atalia, Jojada en de zevenjarige Joas_ ### Atalia grijpt de macht **11:1** Atalia, de moeder van Achazia, zag dat haar zoon dood was. Zij stond op en liet heel het koninklijke nageslacht omkomen. Brontekst: וַֽעֲתַלְיָה֙ (vaatalya) = en Atalia | אֵ֣ם (em) = moeder van | אֲחַזְיָ֔הוּ (achazyahu) = Achazia | רָאֲתָ֖ה (raata) = zag | כִּ֣י (ki) = dat | מֵ֣ת (met) = dood was | בְּנָ֑הּ (benah) = haar zoon | וַתָּ֨קָם֙ (vataqam) = en zij stond op | וַתְּאַבֵּ֔ד (vateabed) = en zij liet omkomen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | זֶ֥רַע (zera) = nageslacht van | הַמַּמְלָכָֽה (hamamlakha) = het koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרַע הַמַּמְלָכָה (zera hamamlakhah), ‘het koninklijke nageslacht’: de leden van het koningshuis van David. Atalia is de moeder van Achazia (2 Kon. 8:26). Achazia is gedood door Jehu (2 Kon. 9:27). Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft een extra ו voor het werkwoord, וראתה. De voorgelezen tekst (qere) heeft רָאֲתָה, ‘zij zag’. Wij volgen de qere. Zie ook: 2 Kon 8:26; 2 Kon 9:27; 2 Kon 25:25; 2 Kron 22:10–12; 2 Kron 24:7; Jer 41:1; Mat 2:16 **11:2** Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram, de zuster van Achazia, nam Joas, de zoon van Achazia. Zij stal hem weg uit het midden van de zonen van de koning die gedood werden, hem en zijn voedster, in de slaapkamer. Zij verborgen hem voor Atalia, en hij werd niet gedood. Brontekst: וַתִּקַּ֣ח (vatiqach) = en zij nam | יְהוֹשֶׁ֣בַע (yehosheva) = Jehoseba | בַּת (bat) = dochter van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning | י֠וֹרָם (yoram) = Joram | אֲח֨וֹת (achot) = zuster van | אֲחַזְיָ֜הוּ (achazyahu) = Achazia | אֶת (et) = (obj.) | יוֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחַזְיָ֗ה (achazya) = Achazia | וַתִּגְנֹ֤ב (vatignov) = en zij stal weg | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | מִתּ֤וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַמּ֣וּמָתִ֔ים (hamumatim) = die gedood werden | אֹת֥וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵינִקְתּ֖וֹ (meiniqto) = zijn voedster | בַּחֲדַ֣ר (bachadar) = in de kamer van | הַמִּטּ֑וֹת (hamitot) = de bedden | וַיַּסְתִּ֧רוּ (vayastiru) = en zij verborgen | אֹת֛וֹ (oto) = hem | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | עֲתַלְיָ֖הוּ (atalyahu) = Atalia | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הוּמָֽת (humat) = werd gedood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹשֶׁבַע (Yehosheva), ‘Jehoseba’: in 2 Kron. 22:11 heet zij Josjeba (Hebreeuws Yehoshav’at). Voetnoot : חֲדַר הַמִּטּוֹת (chadar hamittot), ‘de slaapkamer’: letterlijk ‘kamer van de bedden’. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft הממותתים. De voorgelezen tekst (qere) heeft הַמּוּמָתִים, ‘die gedood werden’. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kon 6:8; 2 Kon 8:19; 2 Kron 22:11; Jer 33:26; Jer 35:2 **11:3** Hij was zes jaar bij haar, verborgen in het huis van Yahweh. Atalia regeerde in die tijd over het land. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en hij was | אִתָּהּ֙ (itah) = bij haar | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִתְחַבֵּ֖א (mitchabe) = zich verborgen houdend | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaar | וַעֲתַלְיָ֖ה (vaatalya) = en Atalia | מֹלֶ֥כֶת (molekhet) = regerend | עַל (al) = over | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het huis van Yahweh is de tempel op de tempelberg in Jeruzalem (Israël). Zie ook: Ps 12:9; 2 Kron 22:12; Mal 3:15 ### Jojada sluit een verbond met de bevelhebbers **11:4** In het zevende jaar zond Jojada en liet hij de bevelhebbers van honderdtallen halen, van de Karieten en van de lopers. Hij bracht hen naar zich toe in het huis van Yahweh. Hij sloot een verbond met hen en liet hen zweren in het huis van Yahweh. Daarna liet hij hun de zoon van de koning zien. Brontekst: וּבַשָּׁנָ֣ה (uvashana) = en in het jaar | הַ֠שְּׁבִיעִית (hasheviit) = het zevende | שָׁלַ֨ח (shalach) = zond | יְהוֹיָדָ֜ע (yehoyada) = Jojada | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הַמֵּא֗וֹת (hameot) = de honderdtallen | לַכָּרִי֙ (lakari) = van de Karieten | וְלָ֣רָצִ֔ים (velaratsim) = en van de lopers | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij bracht | אֹתָ֛ם (otam) = hen | אֵלָ֖יו (elav) = naar zich | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּכְרֹת֩ (vayikhrot) = en hij sloot | לָהֶ֨ם (lahem) = met hen | בְּרִ֜ית (berit) = een verbond | וַיַּשְׁבַּ֤ע (vayashba) = en hij liet zweren | אֹתָם֙ (otam) = hen | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij liet zien | אֹתָ֖ם (otam) = hun | אֶת (et) = (obj.) | בֶּן (ben) = zoon van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרֵי הַמֵּאוֹת (sarei hame’ot), ‘bevelhebbers van honderdtallen’: aanvoerders van groepen van honderd man. In de verzen 4, 9 en 10 heeft de geschreven tekst (ketiv) de spelling המאיות en in vers 15 de spelling המיאות. De voorgelezen tekst (qere) heeft steeds המאות. Het is hetzelfde woord. Wij volgen de qere. Voetnoot : הַכָּרִי (hakari), ‘de Karieten’: een groep die de koning bewaakte. Het is onzeker wie zij zijn. In 2 Sam. 20:23 staat dezelfde geschreven vorm (ketiv), die daar gelezen wordt als ‘Kerethieten’. Wij laten hier de geschreven vorm staan. Voetnoot : רָצִים (ratsim), ‘lopers’: de lijfwacht van de koning, zoals in 1 Kon. 14:27. Zie ook: 1 Sam 18:3; 2 Sam 20:23; 1 Kon 14:27; 2 Kon 11:9; 2 Kon 11:15; 2 Kon 11:17; 2 Kon 11:19; 2 Kron 15:12 **11:5** Hij gaf hun bevel: „Dit moeten jullie doen: een derde van jullie, die op sabbat aantreden, houdt de wacht bij het huis van de koning. Brontekst: וַיְצַוֵּ֣ם (vaytsavem) = en hij beval hen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | זֶ֥ה (ze) = dit | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תַּעֲשׂ֑וּן (taasun) = jullie zullen doen | הַשְּׁלִשִׁ֤ית (hashelishit) = het derde deel | מִכֶּם֙ (mikem) = van jullie | בָּאֵ֣י (baei) = die aantreden van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | וְשֹׁ֣מְרֵ֔י (veshomerei) = en bewakers van | מִשְׁמֶ֖רֶת (mishmeret) = wacht van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:25; 1 Kron 24:3–6; 1 Kon 10:5; 2 Kon 11:19; Jer 26:10 **11:6** Een derde staat bij de poort Sur en een derde bij de poort achter de lopers. Zo houden jullie de wacht over het huis, om het te beschermen. Brontekst: וְהַשְּׁלִשִׁית֙ (vehashelishit) = en het derde deel | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = bij poort | ס֔וּר (sur) = Sur | וְהַשְּׁלִשִׁ֥ית (vehashelishit) = en het derde deel | בַּשַּׁ֖עַר (bashaar) = bij poort | אַחַ֣ר (achar) = achter | הָרָצִ֑ים (haratsim) = de lopers | וּשְׁמַרְתֶּ֛ם (ushemartem) = en jullie zullen bewaken | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = wacht van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | מַסָּֽח (masach) = ter bescherming Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר סוּר (sha’ar sur), ‘de poort Sur’: de ligging van deze poort is onbekend. In 2 Kron. 23:5 staat hier een andere naam voor de poort. Voetnoot : מַסָּח (massach): dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘om het te beschermen’. Zie ook: 1 Kron 26:13–19; 2 Kron 23:4–5; 2 Kron 23:5 **11:7** De twee delen onder jullie, alle mannen die op sabbat uittreden, houden de wacht in het huis van Yahweh bij de koning. Brontekst: וּשְׁתֵּ֤י (ushtei) = en twee van | הַיָּדוֹת֙ (hayadot) = de delen | בָּכֶ֔ם (bakhem) = onder jullie | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצְאֵ֣י (yotseei) = die uitgaan van | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | וְשָֽׁמְר֛וּ (veshameru) = en zij zullen bewaken | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = wacht van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = bij | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 11:5; 2 Kron 23:6 **11:8** Jullie moeten de koning van alle kanten omringen, ieder met zijn wapens in de hand. Wie in de rijen komt, moet gedood worden. Blijf bij de koning wanneer hij uitgaat en wanneer hij binnenkomt.” Brontekst: וְהִקַּפְתֶּ֨ם (vehiqaftem) = en jullie zullen omringen | עַל (al) = rond | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | סָבִ֗יב (saviv) = rondom | אִ֚ישׁ (ish) = man | וְכֵלָ֣יו (vekhelav) = en zijn wapens | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וְהַבָּ֥א (vehaba) = en wie komt | אֶל (el) = in | הַשְּׂדֵר֖וֹת (hasederot) = de rijen | יוּמָ֑ת (yumat) = moet gedood worden | וִהְי֥וּ (vihyu) = en wees | אֶת (et) = bij | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּצֵאת֥וֹ (betseto) = bij zijn uitgaan | וּבְבֹאֽוֹ (uvevoo) = en bij zijn binnenkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְּׂדֵרוֹת (hasederot), ‘de rijen’: de rijen van de lopers rond de koning. Hetzelfde woord staat in 1 Kon. 6:9 en betekent daar ‘rijen’ van balken. Zie ook: Ex 21:14; Num 27:17; 1 Kon 2:28–31; 1 Kon 6:9; 2 Kon 11:15; 2 Kron 23:7 ### De bevelhebbers voeren het bevel uit **11:9** De bevelhebbers van honderdtallen deden alles wat de priester Jojada had bevolen. Ieder nam zijn mannen, hen die op sabbat aantraden en hen die op sabbat uittraden, en zij kwamen bij de priester Jojada. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֞וּ (vayaasu) = en zij deden | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הַמֵּא֗וֹת (hameot) = de honderdtallen | כְּכֹ֣ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּה֮ (tsiva) = beval | יְהוֹיָדָ֣ע (yehoyada) = Jojada | הַכֹּהֵן֒ (hakohen) = de priester | וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (obj.) | אֲנָשָׁ֔יו (anashav) = zijn mannen | בָּאֵ֣י (baei) = die aantreden van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | עִ֖ם (im) = met | יֹצְאֵ֣י (yotseei) = die uitgaan van | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = tot | יְהוֹיָדָ֥ע (yehoyada) = Jojada | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 26:26; 2 Kon 11:4; 2 Kron 23:8 **11:10** De priester gaf aan de bevelhebbers van honderdtallen de speer en de schilden. Die waren van koning David geweest en lagen in het huis van Yahweh. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij gaf | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | לְשָׂרֵ֣י (lesarei) = aan de oversten van | הַמֵּא֗וֹת (hameot) = de honderdtallen | אֶֽת (et) = (obj.) | הַחֲנִית֙ (hachanit) = de speer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשְּׁלָטִ֔ים (hashelatim) = de schilden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van de koning | דָּוִ֑ד (david) = David | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָטִים (shelatim), ‘schilden’: de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook 2 Sam. 8:7 en 1 Kon. 10:16–17. Zie ook: 1 Sam 21:10; 2 Sam 8:7; 1 Kron 18:7; 1 Kron 26:26–27; 1 Kon 10:16–17; 2 Kron 23:9–10 **11:11** De lopers gingen staan, ieder met zijn wapens in de hand. Zij stonden van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, bij het altaar en bij het huis, rondom de koning. Brontekst: וַיַּעַמְד֨וּ (vayaamdu) = en zij stonden | הָרָצִ֜ים (haratsim) = de lopers | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְכֵלָ֣יו (vekhelav) = en zijn wapens | בְּיָד֗וֹ (beyado) = in zijn hand | מִכֶּ֨תֶף (miketef) = van de zijde van | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַיְמָנִית֙ (haymanit) = de rechter | עַד (ad) = tot | כֶּ֤תֶף (ketef) = zijde van | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | הַשְּׂמָאלִ֔ית (hasemalit) = de linker | לַמִּזְבֵּ֖חַ (lamizbeach) = bij het altaar | וְלַבָּ֑יִת (velabayit) = en bij het huis | עַל (al) = rondom | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:6; 2 Kon 11:8; 2 Kon 11:10; Mat 23:35; Luc 11:51 ### Joas wordt gezalfd **11:12** Hij liet de zoon van de koning naar buiten komen. Hij zette hem de kroon op en gaf hem het getuigenis. Zij maakten hem koning en zalfden hem. Zij klapten in de handen en riepen: „Lang leve de koning!” Brontekst: וַיּוֹצִ֣א (vayotsi) = en hij bracht naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | בֶּן (ben) = zoon van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en hij gaf | עָלָיו֙ (alav) = op hem | אֶת (et) = (obj.) | הַנֵּ֨זֶר֙ (hanezer) = de kroon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָ֣עֵד֔וּת (haedut) = het getuigenis | וַיַּמְלִ֥כוּ (vayamlikhu) = en zij maakten koning | אֹת֖וֹ (oto) = hem | וַיִּמְשָׁחֻ֑הוּ (vayimshachuhu) = en zij zalfden hem | וַיַּכּוּ (vayaku) = en zij sloegen | כָ֔ף (kaf) = hand | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | יְחִ֥י (yechi) = leve | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנֵּזֶר (hanezer), ‘de kroon’: een teken van het koningschap. Het woord wordt ook gebruikt voor de heilige kroon van de hogepriester (Exod. 29:6). Voetnoot : הָעֵדוּת (ha’edut), ‘het getuigenis’: waarschijnlijk een document met de voorschriften voor de koning. Het is onzeker. Zie Deut. 17:18–20. Voetnoot : וַיִּמְשָׁחֻהוּ (vayimshachuhu), ‘zij zalfden hem’: de zalving maakt hem tot gezalfde (mashiach) van Yahweh. Zie ook: Ex 25:16; Ex 29:6; Ex 31:18; Deut 17:18–20; 1 Sam 10:24; 2 Sam 1:10; 1 Kon 1:39 ### Atalia wordt gedood **11:13** Atalia hoorde het geluid van de lopers en van het volk. Zij kwam naar het volk in het huis van Yahweh. Brontekst: וַתִּשְׁמַ֣ע (vatishma) = en zij hoorde | עֲתַלְיָ֔ה (atalya) = Atalia | אֶת (et) = (obj.) | ק֥וֹל (qol) = geluid van | הָֽרָצִ֖ין (haratsin) = de lopers | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַתָּבֹ֥א (vatavo) = en zij kwam | אֶל (el) = naar | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרָצִין (haratsin), ‘de lopers’: een Aramese meervoudsvorm. Tussen ‘de lopers’ en ‘het volk’ staat in het Hebreeuws geen woord ‘en’. Wij lezen beide als bron van het geluid. Zie ook: 2 Kron 23:12–15 **11:14** Zij keek en zie: de koning stond bij de zuil, volgens het gebruik. De oversten en de trompetten waren bij de koning. Heel het volk van het land was blij en blies op de trompetten. Atalia scheurde haar kleren en riep: „Samenzwering, samenzwering!” Brontekst: וַתֵּ֡רֶא (vatere) = en zij zag | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | הַמֶּלֶךְ֩ (hamelekh) = de koning | עֹמֵ֨ד (omed) = stond | עַֽל (al) = bij | הָעַמּ֜וּד (haamud) = de zuil | כַּמִּשְׁפָּ֗ט (kamishpat) = volgens het gebruik | וְהַשָּׂרִ֤ים (vehasarim) = en de oversten | וְהַחֲצֹֽצְרוֹת֙ (vehachatsotserot) = en de trompetten | אֶל (el) = bij | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְכָל (vekhal) = en heel | עַ֤ם (am) = volk van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | שָׂמֵ֔חַ (sameach) = blij | וְתֹקֵ֖עַ (vetoqea) = en blazend | בַּחֲצֹֽצְר֑וֹת (bachatsotserot) = op de trompetten | וַתִּקְרַ֤ע (vatiqra) = en zij scheurde | עֲתַלְיָה֙ (atalya) = Atalia | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדֶ֔יהָ (begadeiha) = haar kleren | וַתִּקְרָ֖א (vatiqra) = en zij riep | קֶ֥שֶׁר (qesher) = samenzwering | קָֽשֶׁר (qasher) = samenzwering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעַמּוּד (ha’ammud), ‘de zuil’: de koning staat bij de zuil. Zie ook 2 Kon. 23:3. De tekst zegt niet welke zuil bedoeld is. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘gebruik’: het woord betekent meestal ‘recht’. Hier gaat het om de vaste regel bij een kroning. Voetnoot : קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: hetzelfde woord als in 2 Kon. 10:9. Zie ook: 1 Kon 1:39–40; 2 Kon 9:23; 2 Kon 10:9; 2 Kon 23:3; 2 Kron 34:31; Openb 19:1–7 **11:15** De priester Jojada gaf bevel aan de bevelhebbers van honderdtallen, de aanvoerders van het leger. Hij zei tegen hen: „Breng haar naar buiten, tussen de rijen door. Wie haar volgt, moet met het zwaard gedood worden.” Want de priester had gezegd: ‘Zij mag niet gedood worden in het huis van Yahweh.’ Brontekst: וַיְצַו֩ (vaytsav) = en hij beval | יְהוֹיָדָ֨ע (yehoyada) = Jojada | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | הַמֵּא֣וֹת (hameot) = de honderdtallen | פְּקֻדֵ֣י (pequdei) = opzieners van | הַחַ֗יִל (hachayil) = het leger | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | הוֹצִ֤יאוּ (hotsiu) = brengt naar buiten | אֹתָהּ֙ (otah) = haar | אֶל (el) = naar | מִבֵּ֣ית (mibeit) = van het huis | לַשְּׂדֵרֹ֔ת (lasederot) = naar de rijen | וְהַבָּ֥א (vehaba) = en wie komt | אַחֲרֶ֖יהָ (achareiha) = achter haar | הָמֵ֣ת (hamet) = moet gedood worden | בֶּחָ֑רֶב (becharev) = met het zwaard | כִּ֚י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = had gezegd | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אַל (al) = niet | תּוּמַ֖ת (tumat) = zal zij gedood worden | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rijen zijn hier de rijen van de lopers, zoals in vers 8. Het Hebreeuws van ‘tussen de rijen door’ (מִבֵּית לַשְּׂדֵרֹת) is moeilijk. De betekenis is onzeker. Voetnoot : De woorden ‘Zij mag niet gedood worden in het huis van Yahweh’ zijn een eerder bevel van Jojada, dat hij hier aanhaalt. Zie ook: 2 Kon 11:4; 2 Kon 11:8; 2 Kon 11:9–10; 2 Kron 23:14; Ezech 9:7; Ezech 21:19 **11:16** Zij legden de handen aan haar. Zij kwam via de ingang van de paarden bij het huis van de koning. Daar werd zij gedood. Brontekst: וַיָּשִׂ֤מוּ (vayasimu) = en zij legden | לָהּ֙ (lah) = aan haar | יָדַ֔יִם (yadayim) = handen | וַתָּב֛וֹא (vatavo) = en zij kwam | דֶּֽרֶךְ (derekh) = via | מְב֥וֹא (mevo) = ingang van | הַסּוּסִ֖ים (hasusim) = de paarden | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַתּוּמַ֖ת (vatumat) = en zij werd gedood | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּשִׂמוּ לָהּ יָדַיִם (vayasimu lah yadayim), ‘zij legden de handen aan haar’: letterlijk ‘zij legden handen aan haar’. Het kan ook betekenen: ‘zij maakten ruimte voor haar’. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : מְבוֹא הַסּוּסִים (mevo hasusim), ‘de ingang van de paarden’: een ingang van het paleis. Zie ook 2 Kron. 23:15. Zie ook: Gen 9:6; Re 1:7; 2 Kron 23:15; Mat 7:2; Openb 16:5–7 ### Het verbond en het einde van Baäl **11:17** Jojada sloot het verbond tussen Yahweh, de koning en het volk, dat zij een volk van Yahweh zouden zijn. Ook sloot hij een verbond tussen de koning en het volk. Brontekst: וַיִּכְרֹ֨ת (vayikhrot) = en hij sloot | יְהוֹיָדָ֜ע (yehoyada) = Jojada | אֶֽת (et) = (obj.) | הַבְּרִ֗ית (haberit) = het verbond | בֵּ֤ין (bein) = tussen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּבֵ֤ין (uvein) = en tussen | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לְעָ֖ם (leam) = tot een volk | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית (berit), ‘verbond’: hier twee verbonden in één zin. Het eerste is tussen Yahweh aan de ene kant en de koning en het volk aan de andere kant: zij zijn een volk voor Yahweh. Het tweede is tussen de koning en het volk. Zie ook 2 Kon. 23:3. Zie ook: Joz 24:25; 1 Sam 10:25; 2 Sam 5:3; 2 Kon 23:3; 2 Kron 15:12–14; 2 Kron 34:31 **11:18** Heel het volk van het land ging naar het huis van Baäl en brak het af. Zijn altaren en zijn beelden sloegen zij helemaal kapot. Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren. De priester stelde bewakers aan over het huis van Yahweh. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij gingen | כָל (kal) = heel | עַם֩ (am) = volk van | הָאָ֨רֶץ (haarets) = het land | בֵּית (beit) = naar het huis van | הַבַּ֜עַל (habaal) = Baäl | וַֽיִּתְּצֻ֗הוּ (vayitetsuhu) = en zij braken het af | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבְּחֹתָ֤יו (mizbechotav) = zijn altaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צְלָמָיו֙ (tselamav) = zijn beelden | שִׁבְּר֣וּ (shiberu) = zij sloegen kapot | הֵיטֵ֔ב (heitev) = grondig | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | מַתָּן֙ (matan) = Mattan | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester van | הַבַּ֔עַל (habaal) = Baäl | הָרְג֖וּ (haregu) = zij doodden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הַֽמִּזְבְּח֑וֹת (hamizbechot) = de altaren | וַיָּ֧שֶׂם (vayasem) = en hij stelde aan | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | פְּקֻדּ֖וֹת (pequdot) = bewakers | עַל (al) = over | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet wie het huis van Baäl in Jeruzalem heeft gebouwd. Zie voor de band met het huis van Achab 2 Kon. 8:18 en 8:26. Voetnoot : מַתָּן (Mattan), ‘Mattan’: de priester van Baäl. Voetnoot : פְּקֻדּוֹת (peqiddot), ‘bewakers’: mensen die toezicht houden. Zij moesten het huis van Yahweh beschermen. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft מזבחתו (mizbechato), ‘zijn altaar’. De voorgelezen tekst (qere) heeft מִזְבְּחֹתָיו, ‘zijn altaren’. Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 12:3; Deut 13:6; 1 Kon 18:40; 2 Kon 8:18; 2 Kon 8:26; 2 Kon 10:26; 2 Kon 18:4 ### Joas op de troon **11:19** Hij nam de bevelhebbers van honderdtallen, de Karieten, de lopers en heel het volk van het land. Zij brachten de koning naar beneden uit het huis van Yahweh. Zij kwamen via de poort van de lopers bij het huis van de koning. Hij ging zitten op de troon van de koningen. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הַ֠מֵּאוֹת (hameot) = de honderdtallen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכָּרִ֨י (hakari) = de Karieten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָרָצִ֜ים (haratsim) = de lopers | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = volk van | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | וַיֹּרִ֤ידוּ (vayoridu) = en zij brachten naar beneden | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּב֛וֹאוּ (vayavou) = en zij kwamen | דֶּֽרֶך (derekh) = via | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | הָרָצִ֖ים (haratsim) = de lopers | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij zat | עַל (al) = op | כִּסֵּ֥א (kise) = troon van | הַמְּלָכִֽים (hamelakhim) = de koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 1:13; 2 Kon 11:4–6; 2 Kron 23:5; Jer 22:30; Mat 19:28 **11:20** Heel het volk van het land was blij en de stad was rustig. Atalia hadden zij met het zwaard gedood bij het huis van de koning. Brontekst: וַיִּשְׂמַ֥ח (vayismach) = en was blij | כָּל (kal) = heel | עַם (am) = volk van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | וְהָעִ֣יר (vehair) = en de stad | שָׁקָ֑טָה (shaqata) = rustig | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲתַלְיָ֛הוּ (atalyahu) = Atalia | הֵמִ֥יתוּ (hemitu) = zij doodden | בַחֶ֖רֶב (bacherev) = met het zwaard | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Nederlandse telling loopt dit hoofdstuk door tot vers 21: Hebr. 12:1 is NL 11:21. Het Hebreeuws begint met 12:1 een nieuw hoofdstuk. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft מלך, ‘koning’. De voorgelezen tekst (qere) heeft הַמֶּלֶךְ, ‘de koning’. Wij volgen de qere. Zie ook: Spr 11:10; Spr 29:2; 2 Kon 11:14; 2 Kon 11:21; 2 Kron 23:21; Heb 12:1 ## 2 Koningen 12 _Joas herstelt het huis van Yahweh_ ### Joas wordt koning van Juda **12:1** Joas was 7 jaar oud toen hij koning werd. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | יְהוֹאָ֥שׁ (yehoash) = Joas | בְּמָלְכֽוֹ (bemalekho) = toen hij koning werd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in Nederlandse Bijbels het laatste vers van 2 Kon. 11 (11:21). Daardoor loopt de nummering van dit hoofdstuk vanaf hier één vers verschillend: Hebr. 12:2–22 is in Nederlandse Bijbels 12:1–21. Voetnoot : יְהוֹאָשׁ (jehoash) en יוֹאָשׁ (joash): de Hebreeuwse tekst schrijft de naam op twee manieren. Het is dezelfde man. Wij schrijven overal ‘Joas’. Zo doen wij het ook bij de koning van Israël in hoofdstuk 13. Zie ook: 2 Kon 11:4; 2 Kon 22:1; 2 Kron 24:1–14; Heb 12:2–22 **12:2** In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning. Hij regeerde 40 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Tsibja, uit Beër-Sjeba. Brontekst: בִּשְׁנַת (bishnat) = in het jaar van | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | לְיֵהוּא֙ (leyehu) = van Jehu | מָלַ֣ךְ (malakh) = werd koning | יְהוֹאָ֔שׁ (yehoash) = Joas | וְאַרְבָּעִ֣ים (vearbaim) = en veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | צִבְיָ֖ה (tsivya) = Tsibja | מִבְּאֵ֥ר (mibeer) = uit Beër | שָֽׁבַע (shava) = Sjeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër-Sjeba ligt in het zuiden van Israël, in de Negev, bij het huidige Beër Sjeva. Dat is zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kron 3:11; 2 Kon 9:27; 2 Kon 11:1–4; 2 Kon 12:1; 2 Kron 24:1–14 **12:3** Joas deed wat goed was in de ogen van Yahweh, al de dagen dat de priester Jojada hem onderwees. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוֹאָ֧שׁ (yehoash) = Joas | הַיָּשָׁ֛ר (hayashar) = het rechte | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = al | יָמָ֑יו (yamav) = zijn dagen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarin | הוֹרָ֔הוּ (horahu) = onderwees hem | יְהוֹיָדָ֖ע (yehoyada) = Jojada | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֶׁר (asher), ‘die’, ‘waarin’: het Hebreeuws zegt ‘al zijn dagen, die Jojada, de priester, hem onderwees’. Wij lezen ‘al de dagen dat’. Zo ook 2 Kron. 24:2, waar staat ‘al de dagen van Jojada, de priester’. Voetnoot : הוֹרָהוּ (horahu), ‘onderwees hem’: van dezelfde stam als תּוֹרָה (torah), ‘wet’, ‘onderricht’. Zie ook: 2 Kon 14:3; 2 Kron 24:2; 2 Kron 24:17–22; 2 Kron 25:2; 2 Kron 26:4 **12:4** Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten. Brontekst: רַ֥ק (raq) = alleen | הַבָּמ֖וֹת (habamot) = de hoogten | לֹא (lo) = niet | סָ֑רוּ (saru) = verdwenen | ע֥וֹד (od) = nog | הָעָ֛ם (haam) = het volk | מְזַבְּחִ֥ים (mezabechim) = offerend | וּֽמְקַטְּרִ֖ים (umeqaterim) = en reukoffers brengend | בַּבָּמֽוֹת (babamot) = op de hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. Zie Deut. 12:2–14 en 1 Kon. 3:2. Het volk offerde daar nog, ook onder een koning die deed wat goed was. Zie ook: Deut 12:2–14; 1 Kon 3:2; 1 Kon 15:14; 1 Kon 22:43; 2 Kon 14:4; 2 Kon 15:35; 2 Kon 18:4 ### Het geld voor het herstel van het huis **12:5** Joas zei tegen de priesters: „Al het geld van de gewijde gaven die in het huis van Yahweh worden gebracht: het geld van ieder die voorbijgaat, het geld van de zielen volgens iemands schatting, en al het geld dat iemand in zijn hart opkomt om in het huis van Yahweh te brengen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹאָ֜שׁ (yehoash) = Joas | אֶל (el) = tegen | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | כֹּל֩ (kol) = al | כֶּ֨סֶף (kesef) = het geld van | הַקֳּדָשִׁ֜ים (haqodashim) = de gewijde gaven | אֲשֶׁר (asher) = die | יוּבָ֤א (yuva) = worden gebracht | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כֶּ֣סֶף (kesef) = geld van | עוֹבֵ֔ר (over) = wie voorbijgaat | אִ֕ישׁ (ish) = ieder | כֶּ֥סֶף (kesef) = geld van | נַפְשׁ֖וֹת (nafshot) = zielen | עֶרְכּ֑וֹ (erko) = zijn schatting | כָּל (kal) = al | כֶּ֗סֶף (kesef) = het geld | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יַֽעֲלֶה֙ (yaale) = opkomt | עַ֣ל (al) = in | לֶב (lev) = het hart van | אִ֔ישׁ (ish) = iemand | לְהָבִ֖יא (lehavi) = om te brengen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het geld komt uit verschillende bronnen. De laatste is wat iemand uit zichzelf wil geven. Voetnoot : כֶּסֶף הַקֳּדָשִׁים (kesef haqodashim), ‘geld van de gewijde gaven’: wat voor het huis van Yahweh is gewijd. Voetnoot : כֶּסֶף עוֹבֵר אִישׁ (kesef over ish), ‘geld van ieder die voorbijgaat’: dit kan het geld zijn dat men bij de telling gaf (Exod. 30:13–14, ‘ieder die onder de getelden komt’). Het kan ook ‘gangbaar geld’ zijn (vergelijk Gen. 23:16). De betekenis is onzeker. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: levend wezen, mens. Hier gaat het om het geld dat voor personen wordt betaald. Voetnoot : עֶרְכּוֹ (erko), ‘zijn schatting’: de waarde die voor een persoon wordt vastgesteld, zoals in Lev. 27:2–8. Voetnoot : De zin gaat verder in vers 6. Zie ook: Gen 23:16; Ex 30:12–16; Ex 30:13–14; Ex 35:5; Ex 35:29; Lev 27:2–8; 1 Kron 29:3–9; 2 Kon 12:6; 2 Kon 22:4 **12:6** Dat moeten de priesters voor zichzelf nemen, ieder van zijn kennis. Zij moeten de schade aan het huis herstellen, overal waar schade wordt gevonden.” Brontekst: יִקְח֤וּ (yiqchu) = laten nemen | לָהֶם֙ (lahem) = voor zich | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | מֵאֵ֣ת (meet) = van | מַכָּר֑וֹ (makaro) = zijn kennis | וְהֵ֗ם (vehem) = en zij | יְחַזְּקוּ֙ (yechazequ) = laten herstellen | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֣דֶק (bedeq) = de schade van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | לְכֹ֛ל (lekhol) = overal | אֲשֶׁר (asher) = waar | יִמָּצֵ֥א (yimatse) = wordt gevonden | שָׁ֖ם (sham) = daar | בָּֽדֶק (badeq) = schade Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַכָּר (makkar), ‘kennis’: een bekende van de priester. Het woord is zeldzaam en de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : בֶּדֶק (bedeq), ‘schade’: letterlijk ‘breuk’, ‘gebrek’ aan het gebouw, dat hersteld moet worden. Het woord komt in dit hoofdstuk steeds terug. Zie ook: 1 Kon 11:27; 2 Kon 12:13; 2 Kon 22:5–6; 2 Kron 24:5; Jes 58:12 ### De priesters herstellen niets **12:7** In het drieëntwintigste jaar van koning Joas hadden de priesters de schade aan het huis niet hersteld. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | עֶשְׂרִ֧ים (esrim) = twintig | וְשָׁלֹ֛שׁ (veshalosh) = en drie | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van koning | יְהוֹאָ֑שׁ (yehoash) = Joas | לֹֽא (lo) = niet | חִזְּק֥וּ (chizequ) = herstelden | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֥דֶק (bedeq) = de schade van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joas was bij zijn troonsbestijging 7 jaar (vers 1). In zijn drieëntwintigste jaar was hij dus ongeveer 30 jaar oud. Zie ook: 1 Sam 2:29–30; 2 Kon 12:1; 2 Kron 29:34; Jes 56:10–12; Mal 1:10; 1 Petr 5:2 **12:8** Koning Joas riep de priester Jojada en de priesters en zei tegen hen: „Waarom herstellen jullie de schade aan het huis niet? Neem nu geen geld van jullie kennissen, maar geef het voor de schade aan het huis.” Brontekst: וַיִּקְרָא֩ (vayiqra) = en riep | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | יְהוֹאָ֜שׁ (yehoash) = Joas | לִיהוֹיָדָ֤ע (lihoyada) = Jojada | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | וְלַכֹּ֣הֲנִ֔ים (velakohanim) = en de priesters | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tegen hen | מַדּ֛וּעַ (madua) = waarom | אֵינְכֶ֥ם (einekhem) = niet jullie | מְחַזְּקִ֖ים (mechazeqim) = herstellen | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֣דֶק (bedeq) = de schade van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אַל (al) = niet | תִּקְחוּ (tiqchu) = neem | כֶ֨סֶף֙ (kesef) = geld | מֵאֵ֣ת (meet) = van | מַכָּֽרֵיכֶ֔ם (makareikhem) = jullie kennissen | כִּֽי (ki) = maar | לְבֶ֥דֶק (levedeq) = voor de schade van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | תִּתְּנֻֽהוּ (titenuhu) = geef het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 21:3; 2 Kon 11:4; 2 Kon 12:3; 2 Kron 23:1; 2 Kron 24:5–14 **12:9** De priesters stemden ermee in om geen geld van het volk te nemen en om de schade aan het huis niet te herstellen. Brontekst: וַיֵּאֹ֖תוּ (vayeotu) = en stemden toe | הַכֹּֽהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | לְבִלְתִּ֤י (levilti) = om niet | קְחַת (qechat) = te nemen | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = geld | מֵאֵ֣ת (meet) = van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וּלְבִלְתִּ֥י (ulevilti) = en om niet | חַזֵּ֖ק (chazeq) = te herstellen | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֥דֶק (bedeq) = de schade van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De kist naast het altaar **12:10** Toen nam de priester Jojada één kist. Hij boorde een gat in het deksel en zette de kist naast het altaar, aan de rechterkant, waar iemand het huis van Yahweh binnengaat. De priesters, de bewakers van de drempel, deden daar al het geld in dat in het huis van Yahweh werd gebracht. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | יְהוֹיָדָ֤ע (yehoyada) = Jojada | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֲר֣וֹן (aron) = een kist | אֶחָ֔ד (echad) = één | וַיִּקֹּ֥ב (vayiqov) = en boorde | חֹ֖ר (chor) = een gat | בְּדַלְתּ֑וֹ (bedalto) = in zijn deksel | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en zette | אֹתוֹ֩ (oto) = hem | אֵ֨צֶל (etsel) = naast | הַמִּזְבֵּ֜חַ (hamizbeach) = het altaar | מִיָּמִ֗ין (miyamin) = aan de rechterkant | בְּבֽוֹא (bevo) = waar binnengaat | אִישׁ֙ (ish) = iemand | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָֽתְנוּ (venatenu) = en deden | שָׁ֤מָּה (shama) = daar | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | שֹׁמְרֵ֣י (shomerei) = de bewakers van | הַסַּ֔ף (hasaf) = de drempel | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het geld | הַמּוּבָ֥א (hamuva) = dat wordt gebracht | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָרוֹן (aron), ‘kist’: hetzelfde woord als in ‘ark van het verbond’. Voetnoot : בְּדַלְתּוֹ (bedalto), ‘in zijn deksel’: letterlijk ‘in zijn deur’, de plaat waarmee de kist dichtging. Voetnoot : סַף (saf), ‘drempel’: de priesters die de drempel bewaakten, stonden bij de ingang van het huis van Yahweh. Voetnoot : 2 Kron. 24:8–11 vertelt dezelfde gebeurtenis. Daar staat de kist ‘buiten, bij de poort van het huis van Yahweh’. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘in de rechterkant’ (בְּיָמִין). De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘aan de rechterkant’ (מִיָּמִין). Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kron 15:24; Ps 84:11; 2 Kron 24:8–11; Jer 35:4; Mar 12:41; Luc 21:1 **12:11** Zodra zij zagen dat er veel geld in de kist zat, kwamen de schrijver van de koning en de hogepriester omhoog. Zij bonden het geld bijeen en telden het geld dat in het huis van Yahweh werd gevonden. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּרְאוֹתָ֔ם (kirotam) = toen zij zagen | כִּֽי (ki) = dat | רַ֥ב (rav) = veel | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het geld | בָּֽאָר֑וֹן (baaron) = in de kist | וַיַּ֨עַל (vayaal) = en kwam omhoog | סֹפֵ֤ר (sofer) = de schrijver van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְהַכֹּהֵ֣ן (vehakohen) = en de priester | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | וַיָּצֻ֨רוּ֙ (vayatsuru) = en zij bonden | וַיִּמְנ֔וּ (vayimnu) = en telden | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het geld | הַנִּמְצָ֥א (hanimtsa) = dat werd gevonden | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹפֵר (sofer), ‘schrijver’: een hoge hofbeambte. Zo ook in 2 Sam. 8:17. Voetnoot : וַיָּצֻרוּ (wayyatsuru), ‘zij bonden’: zij bonden het geld bijeen, om het te kunnen tellen. Voetnoot : הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakohen hagadol), ‘de hogepriester’. Zie ook: 2 Sam 8:17; 2 Sam 20:25; 2 Kon 5:23; 2 Kon 19:2; 2 Kon 22:12 **12:12** Zij gaven het afgewogen geld in de handen van hen die het werk deden, die over het huis van Yahweh waren aangesteld. Dezen betaalden het uit aan de houtbewerkers en aan de bouwers die aan het huis van Yahweh werkten, Brontekst: וְנָתְנוּ֙ (venatenu) = en zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֣סֶף (hakesef) = het geld | הַֽמְתֻכָּ֔ן (hamtukan) = het afgewogen | עַל (al) = in | יְדֵי֙ (yedei) = de handen van | עֹשֵׂ֣י (osei) = hen die deden | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | הַמֻּפְקָדִ֖ים (hamufqadim) = die waren aangesteld | בֵּ֣ית (beit) = over het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיּוֹצִיאֻ֜הוּ (vayotsiuhu) = en zij betaalden het uit | לְחָרָשֵׁ֤י (lecharashei) = aan de bewerkers van | הָעֵץ֙ (haets) = het hout | וְלַבֹּנִ֔ים (velabonim) = en aan de bouwers | הָעֹשִׂ֖ים (haosim) = die werkten | בֵּ֥ית (beit) = aan het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְתֻכָּן (hamtukkan), ‘het afgewogen’: van het werkwoord תִּכֵּן (tikken), ‘afwegen’, ‘afmeten’. Het geld werd geteld en afgewogen. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘hand van’ (יד) en ‘de aangestelden’ (הַפְּקֻדִּים). De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘handen van’ (יְדֵי) en ‘de aangestelden’ (הַמֻּפְקָדִים). Wij volgen de qere. De betekenis verandert nauwelijks. Zie ook: 2 Kon 22:5–6; 2 Kron 24:11–12; 2 Kron 34:9–11 **12:13** en aan de metselaars en de steenhouwers. Zij kochten hout en gehouwen stenen om de schade aan het huis van Yahweh te herstellen. Zij betaalden ook alles wat voor het herstel van het huis werd uitgegeven. Brontekst: וְלַגֹּֽדְרִים֙ (velagoderim) = en aan de metselaars | וּלְחֹצְבֵ֣י (ulechotsevei) = en aan de bewerkers van | הָאֶ֔בֶן (haeven) = de steen | וְלִקְנ֤וֹת (veliqnot) = en om te kopen | עֵצִים֙ (etsim) = hout | וְאַבְנֵ֣י (veavnei) = en stenen van | מַחְצֵ֔ב (machtsev) = hakwerk | לְחַזֵּ֖ק (lechazeq) = om te herstellen | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֣דֶק (bedeq) = de schade van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּלְכֹ֛ל (ulekhol) = en voor alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֵצֵ֥א (yetse) = uitging | עַל (al) = voor | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | לְחָזְקָֽה (lechazeqa) = tot herstel ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws laat het werkwoord weg: ‘en aan de metselaars … en om hout te kopen’. Wij vullen ‘zij betaalden’ en ‘zij kochten’ aan uit vers 12. Voetnoot : גֹּדְרִים (godrim), ‘metselaars’: zij die muren bouwen. חֹצְבֵי הָאֶבֶן (chotsvei ha’even), ‘steenhouwers’. Voetnoot : וּלְכֹל אֲשֶׁר־יֵצֵא עַל־הַבַּיִת (ulkhol asher yetse al habayit), ‘voor alles wat voor het huis werd uitgegeven’: letterlijk ‘voor alles wat uitging over het huis’. Zie ook: 1 Kon 5:31–32; 2 Kon 12:12; 2 Kon 22:5–6; Ezra 3:7; Ezra 5:8; Luc 21:5 **12:14** Maar voor het huis van Yahweh werden geen zilveren bekkens, snuitscharen, sprengschalen, trompetten of enig gouden of zilveren voorwerp gemaakt van het geld dat in het huis van Yahweh werd gebracht. Brontekst: אַךְ֩ (akh) = maar | לֹ֨א (lo) = niet | יֵעָשֶׂ֜ה (yease) = werden gemaakt | בֵּ֣ית (beit) = voor het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | סִפּ֥וֹת (sipot) = bekkens van | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | מְזַמְּר֤וֹת (mezamerot) = snuitscharen | מִזְרָקוֹת֙ (mizraqot) = sprengschalen | חֲצֹ֣צְר֔וֹת (chatsotserot) = trompetten | כָּל (kal) = enig | כְּלִ֥י (keli) = voorwerp van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | וּכְלִי (ukheli) = en voorwerp van | כָ֑סֶף (kasef) = zilver | מִן (min) = van | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het geld | הַמּוּבָ֥א (hamuva) = dat werd gebracht | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִפּוֹת (sippot), ‘bekkens’, מְזַמְּרוֹת (mezammerot), ‘snuitscharen’ en מִזְרָקוֹת (mizraqot), ‘sprengschalen’: zo ook in 1 Kon. 7:50. חֲצֹצְרוֹת (chatsotsrot), ‘trompetten’: zie Num. 10:2. Voetnoot : Het geld voor het herstel ging dus alleen naar het herstel van het gebouw. Zie ook: Num 7:13–14; Num 10:2; 1 Kon 7:48–50; 1 Kon 7:50; 2 Kron 24:14; Ezra 1:9–11 **12:15** Want zij gaven het aan hen die het werk deden. Daarmee herstelden zij het huis van Yahweh. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לְעֹשֵׂ֥י (leosei) = aan hen die deden | הַמְּלָאכָ֖ה (hamelakha) = het werk | יִתְּנֻ֑הוּ (yitenuhu) = zij gaven het | וְחִזְּקוּ (vechizequ) = en zij herstelden | ב֖וֹ (bo) = daarmee | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:16** Zij eisten geen rekenschap van de mannen aan wie zij het geld in handen gaven om het aan de werkers te geven. Want zij handelden betrouwbaar. Brontekst: וְלֹ֧א (velo) = en niet | יְחַשְּׁב֣וּ (yechashevu) = eisten zij rekenschap van | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = aan wie | יִתְּנ֤וּ (yitenu) = zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het geld | עַל (al) = in | יָדָ֔ם (yadam) = hun hand | לָתֵ֖ת (latet) = om te geven | לְעֹשֵׂ֣י (leosei) = aan hen die deden | הַמְּלָאכָ֑ה (hamelakha) = het werk | כִּ֥י (ki) = want | בֶאֱמֻנָ֖ה (beemuna) = in betrouwbaarheid | הֵ֥ם (hem) = zij | עֹשִֽׂים (osim) = handelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: van dezelfde stam als ‘amen’ en ‘waarheid’ (אֱמֶת, emet). Voetnoot : וְלֹא־יְחַשְּׁבוּ (welo yechashvu), ‘zij eisten geen rekenschap’: letterlijk ‘zij rekenden niet af met’. Zie ook: 2 Kon 22:7; Luc 16:1; Luc 16:10–11; 1 Kor 4:2–3; 3 Joh 1:5 **12:17** Het geld van het schuldoffer en het geld van de zondoffers werd niet in het huis van Yahweh gebracht. Het was voor de priesters. Brontekst: כֶּ֤סֶף (kesef) = het geld van | אָשָׁם֙ (asham) = schuldoffer | וְכֶ֣סֶף (vekhesef) = en het geld van | חַטָּא֔וֹת (chataot) = zondoffers | לֹ֥א (lo) = niet | יוּבָ֖א (yuva) = werd gebracht | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לַכֹּהֲנִ֖ים (lakohanim) = voor de priesters | יִהְיֽוּ (yihyu) = waren zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’, en חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’: het Hebreeuws spreekt van het ‘geld’ van deze offers. Het zegt niet precies hoe dat geld ontstond. Het was voor de priesters, zoals offervlees (Lev. 7:7) en terugbetaling van schuld (Num. 5:8). Zie ook: Lev 4:24; Lev 4:29; Lev 5:15–18; Lev 7:7; Num 5:8; Hos 4:8 ### Hazaël trekt tegen Jeruzalem op **12:18** Toen trok Hazaël, de koning van Aram, op en streed tegen Gat. Hij nam de stad in. Daarna richtte Hazaël zijn gezicht erop om tegen Jeruzalem op te trekken. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יַעֲלֶ֗ה (yaale) = trok op | חֲזָאֵל֙ (chazael) = Hazaël | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וַיִּלָּ֥חֶם (vayilachem) = en streed | עַל (al) = tegen | גַּ֖ת (gat) = Gat | וַֽיִּלְכְּדָ֑הּ (vayilkedah) = en nam haar in | וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en richtte | חֲזָאֵל֙ (chazael) = Hazaël | פָּנָ֔יו (panav) = zijn gezicht | לַעֲל֖וֹת (laalot) = om op te trekken | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat was een stad van de Filistijnen. Het lag waarschijnlijk bij Tell es-Safi (Israël), ongeveer 35 km ten westen van Betlehem. De ligging is niet helemaal zeker. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיָּשֶׂם פָּנָיו (wayyasem panav), ‘hij richtte zijn gezicht’: hij nam zich vastberaden voor. Zie ook: 1 Kon 2:39–40; 2 Kon 8:12–15; 2 Kron 24:23–24; Jer 42:15; Luc 9:51 **12:19** Joas, de koning van Juda, nam alle gewijde gaven. Zijn vaderen Josafat, Joram en Achazia, de koningen van Juda, hadden die gewijd. Hij nam ook zijn eigen gewijde gaven. Ook nam hij al het goud dat in de schatkamers van het huis van Yahweh en van het huis van de koning werd gevonden. Hij stuurde het naar Hazaël, de koning van Aram. Toen trok Hazaël weg van Jeruzalem. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | יְהוֹאָ֣שׁ (yehoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַקֳּדָשִׁ֡ים (haqodashim) = de gewijde gaven | אֲשֶׁר (asher) = die | הִקְדִּ֣ישׁוּ (hiqdishu) = hadden gewijd | יְהוֹשָׁפָ֣ט (yehoshafat) = Josafat | וִיהוֹרָם֩ (vihoram) = en Joram | וַאֲחַזְיָ֨הוּ (vaachazyahu) = en Achazia | אֲבֹתָ֜יו (avotav) = zijn vaderen | מַלְכֵ֤י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קֳדָשָׁ֔יו (qodashav) = zijn gewijde gaven | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | הַנִּמְצָ֛א (hanimtsa) = dat werd gevonden | בְּאֹצְר֥וֹת (beotserot) = in de schatkamers van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּבֵ֣ית (uveit) = en het huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en stuurde | לַֽחֲזָאֵל֙ (lachazael) = naar Hazaël | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וַיַּ֖עַל (vayaal) = en trok weg | מֵעַ֥ל (meal) = van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Josafat, Joram en Achazia zijn voorouders van Joas: Josafat was zijn overgrootvader, Joram zijn grootvader en Achazia zijn vader. Het Hebreeuws ‘vaders’ is hier ‘voorouders’. Voetnoot : In 2 Kron. 24:23–24 staat een ander verhaal: een leger van Aram valt Juda en Jeruzalem binnen. Wij laten het verschil staan. Zie ook: 1 Kon 14:26; 1 Kon 15:18; 2 Kon 16:8; 2 Kon 18:15–16; 2 Kron 16:2; 2 Kron 24:23–24 ### Het einde van Joas **12:20** De rest van de geschiedenis van Joas en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | וְכָל (vekhal) = en al | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הֲלוֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayyamim), ‘dagboek’: zie 1 Kon. 14:19. Het is niet het bijbelboek Kronieken. Zie ook: 1 Kon 11:41; 1 Kon 14:19; 1 Kon 14:29; 2 Kon 8:23 **12:21** Zijn dienaren stonden op en smeedden een samenzwering. Zij sloegen Joas neer bij Bet-Millo, op de afdaling naar Silla. Brontekst: וַיָּקֻ֥מוּ (vayaqumu) = en stonden op | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | וַיִּקְשְׁרֽוּ (vayiqsheru) = en smeedden | קָ֑שֶׁר (qasher) = een samenzwering | וַיַּכּוּ֙ (vayaku) = en sloegen | אֶת (et) = (obj.) | יוֹאָ֔שׁ (yoash) = Joas | בֵּ֥ית (beit) = Bet | מִלֹּ֖א (milo) = Millo | הַיּוֹרֵ֥ד (hayored) = dat afdaalt | סִלָּֽא (sila) = naar Silla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Millo en Silla: de ligging is onzeker. De Millo is een onderdeel van de stad van David in Jeruzalem (2 Sam. 5:9). Silla wordt verder niet genoemd. Voetnoot Uitleg: בֵּית מִלֹּא (beit millo), ‘Bet-Millo’: letterlijk ‘huis van de Millo’. Misschien is dat een gebouw bij de Millo. Voetnoot : הַיּוֹרֵד סִלָּא (hayyored silla), ‘dat afdaalt naar Silla’: dit kan de plek beschrijven (een helling of een weg naar beneden) of Joas zelf. Wij vertalen ‘op de afdaling naar Silla’. Zie ook: Re 9:6; 2 Sam 5:9; 1 Kon 11:27; 2 Kon 14:5; 2 Kron 24:24–27 **12:22** Zijn dienaren Jozabad, de zoon van Sjimeat, en Jehozabad, de zoon van Sjomer, sloegen hem neer en hij stierf. Zij begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וְיוֹזָבָ֣ד (veyozavad) = en Jozabad | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁ֠מְעָת (shimat) = Sjimeat | וִיהוֹזָבָ֨ד (vihozavad) = en Jehozabad | בֶּן (ben) = zoon van | שֹׁמֵ֤ר (shomer) = Sjomer | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | הִכֻּ֣הוּ (hikuhu) = sloegen hem | וַיָּמֹ֔ת (vayamot) = en hij stierf | וַיִּקְבְּר֥וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹת֛וֹ (oto) = hem | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אֲמַצְיָ֥ה (amatsya) = Amazia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt twee dienaren: Jozabad (יוֹזָבָד, jozavad), de zoon van Sjimeat, en Jehozabad (יְהוֹזָבָד, jehozavad), de zoon van Sjomer. De namen lijken sterk op elkaar maar zijn niet gelijk. Voetnoot : 2 Kron. 24:26 noemt hen Zabad, de zoon van Sjimeat, ‘de Ammonitische’, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit, ‘de Moabitische’. Het Hebreeuws heeft daar vrouwelijke vormen. Ook de moordplaats verschilt: 2 Kron. 24:25 zegt ‘op zijn bed’. Zie ook: 2 Kon 14:1; 2 Kron 24:25; 2 Kron 24:26–27 ## 2 Koningen 13 _Joachaz en Joas van Israël, en de dood van Elisa_ ### Joachaz, koning van Israël **13:1** In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazia, de koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 17 jaar. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וְשָׁלֹשׁ֙ (veshalosh) = en drie | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְיוֹאָ֥שׁ (leyoash) = van Joas | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחַזְיָ֖הוּ (achazyahu) = Achazia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | יְהוֹאָחָ֨ז (yehoachaz) = Joachaz | בֶּן (ben) = zoon van | יֵה֤וּא (yehu) = Jehu | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן (beshomeron) = in Samaria | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Samaria: zie 1 Kon. 16:24. Voetnoot Uitleg: Joachaz (יְהוֹאָחָז, jehoachaz) is hier een koning van Israël, de zoon van Jehu. Er is ook een koning van Juda met deze naam (2 Kon. 23:30). Dat is een andere man. Zie ook: 1 Kon 16:24; 2 Kon 8:26; 2 Kon 10:35–36; 2 Kon 11:4; 2 Kon 12:1; 2 Kon 23:30 **13:2** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij liep achter de zonde van Jerobeam, de zoon van Nebat, aan, waarmee die Israël had laten zondigen. Hij week er niet van af. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַ֠יֵּלֶךְ (vayelekh) = en liep | אַחַ֨ר (achar) = achter | חַטֹּ֜את (chatot) = de zonde van | יָרָבְעָ֧ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֛ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | הֶחֱטִ֥יא (hecheti) = hij liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֹא (lo) = niet | סָ֥ר (sar) = week hij af | מִמֶּֽנָּה (mimena) = daarvan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wat de ‘zonde van Jerobeam’ is, staat in 1 Kon. 12:28–30: de twee gouden kalveren in Betel en Dan. Zie ook: 1 Kon 12:26–33; 1 Kon 12:28–30; 1 Kon 14:16; 2 Kon 10:29; 2 Kon 13:11; Hos 5:11 **13:3** Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Israël. Hij gaf hen al die dagen in de hand van Hazaël, de koning van Aram, en in de hand van Ben-Hadad, de zoon van Hazaël. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֥ף (af) = de toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַֽיִּתְּנֵ֞ם (vayitenem) = en gaf hen | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | חֲזָאֵ֣ל (chazael) = Hazaël | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֗ם (aram) = Aram | וּבְיַ֛ד (uveyad) = en in de hand van | בֶּן (ben) = Ben | הֲדַ֥ד (hadad) = Hadad | בֶּן (ben) = zoon van | חֲזָאֵ֖ל (chazael) = Hazaël | כָּל (kal) = al | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Hazaël is de koning van Aram aan wie 1 Kon. 19:15–17 het zwaard tegen Israël aankondigde. Deze Ben-Hadad, de zoon van Hazaël, is een andere man dan de Ben-Hadad in 1 Kon. 15:18 en 20:1. Het is dezelfde naam. Zie ook: Re 2:14; 1 Kon 15:18; 1 Kon 19:15–17; 1 Kon 19:17; 1 Kon 20:1; 2 Kon 12:18; 2 Kon 13:22; 2 Kon 13:24–25 **13:4** Joachaz smeekte het aangezicht van Yahweh en Yahweh luisterde naar hem. Want Hij zag de onderdrukking van Israël, omdat de koning van Aram hen onderdrukte. Brontekst: וַיְחַ֥ל (vaychal) = en smeekte | יְהוֹאָחָ֖ז (yehoachaz) = Joachaz | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en luisterde | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | רָאָה֙ (raa) = Hij zag | אֶת (et) = (obj.) | לַ֣חַץ (lachats) = de onderdrukking van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = omdat | לָחַ֥ץ (lachats) = onderdrukte | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: וַיְחַל (wayechal) אֶת־פְּנֵי יְהוָה (et penei Yahweh), ‘hij smeekte het aangezicht van Yahweh’: een vaste uitdrukking voor het vragen van gunst en hulp. Zo ook Exod. 32:11. Zie ook: Ex 3:7; Ex 32:11; Ps 78:34; 2 Kon 14:26; Jes 63:9; Jer 33:3 **13:5** Yahweh gaf Israël een redder. Zij kwamen onder de hand van Aram uit. De zonen van Israël woonden in hun tenten, zoals voorheen. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = aan Israël | מוֹשִׁ֔יעַ (moshia) = een redder | וַיֵּ֣צְא֔וּ (vayetseu) = en zij kwamen uit | מִתַּ֖חַת (mitachat) = onder | יַד (yad) = de hand van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיֵּשְׁב֧וּ (vayeshevu) = en woonden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּאָהֳלֵיהֶ֖ם (beaholeihem) = in hun tenten | כִּתְמ֥וֹל (kitmol) = zoals gisteren | שִׁלְשֽׁוֹם (shilshom) = eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹשִׁיעַ (moshia), ‘redder’: het Hebreeuws noemt hem niet bij naam. Voetnoot : כִּתְמוֹל שִׁלְשׁוֹם (kitmol shilshom), ‘zoals gisteren en eergisteren’: dat wil zeggen ‘zoals voorheen’. Zie ook: Ex 4:10; 2 Kon 13:25; 2 Kon 14:25; 2 Kon 14:27; Neh 9:27 **13:6** Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, waarmee die Israël had laten zondigen. Daarin liep hij. Ook de heilige paal bleef staan in Samaria. Brontekst: אַ֠ךְ (akh) = toch | לֹֽא (lo) = niet | סָ֜רוּ (saru) = weken zij af | מֵחַטֹּ֧אות (mechatovt) = van de zonden van | בֵּית (beit) = het huis van | יָרָבְעָ֛ם (yaraveam) = Jerobeam | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | הֶחֱטִ֥יא (hecheti) = hij liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּ֣הּ (bah) = daarin | הָלָ֑ךְ (halakh) = liep hij | וְגַם֙ (vegam) = en ook | הָאֲשֵׁרָ֔ה (haashera) = de heilige paal | עָמְדָ֖ה (ameda) = bleef staan | בְּשֹׁמְרֽוֹן (beshomeron) = in Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: הָאֲשֵׁרָה (ha’asherah), ‘de heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera. Zie Deut. 16:21 en 1 Kon. 16:33. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft החטי en de voorgelezen tekst (qere) הֶחֱטִיא, ‘liet zondigen’. Het is hetzelfde werkwoord; in de geschreven tekst ontbreekt de laatste letter (alef). Wij volgen de qere. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft ‘daarin liep hij’ (enkelvoud). Wie ‘hij’ is, staat er niet bij. Het kan Joachaz zijn, of Jerobeam. Wij laten het open. Zie ook: Deut 16:21; 1 Kon 16:26; 1 Kon 16:33; 2 Kon 13:2; 2 Kon 17:16; 2 Kon 23:4 **13:7** Want aan Joachaz was geen volk overgelaten, behalve 50 ruiters, 10 strijdwagens en 10.000 man voetvolk. De koning van Aram had hen laten omkomen. Hij had hen gemaakt tot als stof bij het dorsen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹא֩ (lo) = niet | הִשְׁאִ֨יר (hishir) = was overgelaten | לִיהוֹאָחָ֜ז (lihoachaz) = aan Joachaz | עָ֗ם (am) = volk | כִּ֣י (ki) = behalve | אִם (im) = als | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | פָּֽרָשִׁים֙ (parashim) = ruiters | וַעֲשָׂ֣רָה (vaasara) = en tien | רֶ֔כֶב (rekhev) = strijdwagens | וַעֲשֶׂ֥רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | רַגְלִ֑י (ragli) = voetvolk | כִּ֤י (ki) = want | אִבְּדָם֙ (ibedam) = had hen laten omkomen | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וַיְשִׂמֵ֥ם (vaysimem) = en maakte hen | כֶּֽעָפָ֖ר (keafar) = als stof | לָדֻֽשׁ (ladush) = bij het dorsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: כֶּעָפָר לָדוּשׁ (ke’afar ladush), ‘als stof bij het dorsen’: een beeld van volledige vernietiging. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet wie het volk van Joachaz ‘niet overliet’. Wij vertalen met een lijdende vorm: ‘was geen volk overgelaten’. In de tweede zin staat de koning van Aram. Zie ook: 1 Sam 13:6–7; 2 Kon 10:32; Joël 4:14; Amos 1:3; Jes 41:2 **13:8** De rest van de geschiedenis van Joachaz, alles wat hij deed en zijn macht: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël? Brontekst: וְיֶ֨תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֧י (divrei) = de geschiedenis van | יְהוֹאָחָ֛ז (yehoachaz) = Joachaz | וְכָל (vekhal) = en al | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | וּגְבוּרָת֑וֹ (ugevurato) = en zijn macht | הֲלוֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayyamim), ‘dagboek’: zie 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 11:4; 1 Kon 14:19–20; 1 Kon 14:29; 1 Kon 14:31; 2 Kon 10:34–35 **13:9** Joachaz ging liggen bij zijn vaderen en zij begroeven hem in Samaria. Zijn zoon Joas werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en ging liggen | יְהֽוֹאָחָז֙ (yehoachaz) = Joachaz | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַֽיִּקְבְּרֻ֖הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בְּשֹׁמְר֑וֹן (beshomeron) = in Samaria | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יוֹאָ֥שׁ (yoash) = Joas | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: 1 Kon 14:13; 2 Kon 10:35; 2 Kon 13:10; 2 Kon 13:13; 2 Kon 14:8 ### Joas, koning van Israël **13:10** In het zevenendertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joachaz, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 16 jaar. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וָשֶׁ֨בַע֙ (vasheva) = en zeven | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְיוֹאָ֖שׁ (leyoash) = van Joas | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | יְהוֹאָ֨שׁ (yehoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹאָחָ֤ז (yehoachaz) = Joachaz | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן (beshomeron) = in Samaria | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Joas, de zoon van Joachaz, heet in het Hebreeuws יְהוֹאָשׁ (jehoash), net als de koning van Juda in hoofdstuk 12. Wij schrijven beiden ‘Joas’. **13:11** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van alle zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee die Israël had laten zondigen. Daarin liep hij. Brontekst: וַיַּֽעֲשֶׂ֥ה (vayaase) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֗ר (sar) = week hij af | מִכָּל (mikal) = van alle | חַטֹּ֞אות (chatovt) = zonden van | יָרָבְעָ֧ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֛ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | הֶחֱטִ֥יא (hecheti) = hij liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּ֥הּ (bah) = daarin | הָלָֽךְ (halakh) = liep hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 3:3; 2 Kon 10:29; 2 Kon 13:2; 2 Kon 13:6 **13:12** De rest van de geschiedenis van Joas, alles wat hij deed en zijn macht, waarmee hij streed tegen Amazia, de koning van Juda: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël? Brontekst: וְיֶ֨תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֤י (divrei) = de geschiedenis van | יוֹאָשׁ֙ (yoash) = Joas | וְכָל (vekhal) = en al | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֔ה (asa) = hij deed | וּגְב֣וּרָת֔וֹ (ugevurato) = en zijn macht | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | נִלְחַ֔ם (nilcham) = hij streed | עִ֖ם (im) = tegen | אֲמַצְיָ֣ה (amatsya) = Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הֲלֽוֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 13:14–25; 2 Kon 14:8–16; 2 Kon 14:25; 2 Kron 25:17–24 **13:13** Joas ging liggen bij zijn vaderen en Jerobeam zat op zijn troon. Joas werd begraven in Samaria, bij de koningen van Israël. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en ging liggen | יוֹאָשׁ֙ (yoash) = Joas | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וְיָרָבְעָ֖ם (veyaraveam) = en Jerobeam | יָשַׁ֣ב (yashav) = zat | עַל (al) = op | כִּסְא֑וֹ (kiso) = zijn troon | וַיִּקָּבֵ֤ר (vayiqaver) = en werd begraven | יוֹאָשׁ֙ (yoash) = Joas | בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן (beshomeron) = in Samaria | עִ֖ם (im) = bij | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Deze Jerobeam is de zoon van Joas. Hij is niet de Jerobeam, zoon van Nebat. Zie 2 Kon. 14:23. Zie ook: 2 Sam 7:12; 1 Kon 1:21; 1 Kon 2:10; 1 Kon 11:31; 2 Kon 14:23; 2 Kon 14:28–29 ### Elisa en de pijlen van Joas **13:14** Elisa was ziek geworden met de ziekte waaraan hij zou sterven. Joas, de koning van Israël, kwam naar hem toe en huilde over zijn gezicht. Hij zei: „Mijn vader, mijn vader! Wagen van Israël en zijn ruiters!” Brontekst: וֶֽאֱלִישָׁע֙ (veelisha) = en Elisa | חָלָ֣ה (chala) = was ziek geworden | אֶת (et) = (obj.) | חָלְי֔וֹ (chaleyo) = zijn ziekte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waaraan | יָמ֖וּת (yamut) = hij zou sterven | בּ֑וֹ (bo) = daaraan | וַיֵּ֨רֶד (vayered) = en daalde af | אֵלָ֜יו (elav) = naar hem | יוֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַיֵּ֤בְךְּ (vayevek) = en huilde | עַל (al) = over | פָּנָיו֙ (panav) = zijn gezicht | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | אָבִ֣י (avi) = mijn vader | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | רֶ֥כֶב (rekhev) = wagen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וּפָרָשָֽׁיו (ufarashav) = en zijn ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִי אָבִי רֶכֶב יִשְׂרָאֵל וּפָרָשָׁיו (avi avi rekhev Yisra’el ufarashav), ‘mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters’: dezelfde woorden riep Elisa toen Elia werd weggenomen (2 Kon. 2:12). De koning noemt Elisa zo ‘vader’. Voetnoot : וַיֵּבְךְּ עַל־פָּנָיו (wayevk al panav), ‘hij huilde over zijn gezicht’: het gezicht is dat van Elisa. Zie ook: Gen 48:1; 2 Kon 2:12; 2 Kon 20:1; Joh 11:3; Fil 2:26 **13:15** Elisa zei tegen hem: „Neem een boog en pijlen.” Hij nam een boog en pijlen en bracht ze bij hem. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | קַ֖ח (qach) = neem | קֶ֣שֶׁת (qeshet) = een boog | וְחִצִּ֑ים (vechitsim) = en pijlen | וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en hij nam | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | קֶ֥שֶׁת (qeshet) = een boog | וְחִצִּֽים (vechitsim) = en pijlen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵלָיו (elav), ‘naar hem toe’: de koning bracht de boog en de pijlen bij Elisa. **13:16** Hij zei tegen de koning van Israël: „Leg je hand op de boog.” Hij legde zijn hand erop. Elisa legde zijn handen op de handen van de koning. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = tegen de koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הַרְכֵּ֤ב (harkev) = laat rijden | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | עַל (al) = op | הַקֶּ֔שֶׁת (haqeshet) = de boog | וַיַּרְכֵּ֖ב (vayarkev) = en hij liet rijden | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | וַיָּ֧שֶׂם (vayasem) = en legde | אֱלִישָׁ֛ע (elisha) = Elisa | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | עַל (al) = op | יְדֵ֥י (yedei) = de handen van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַרְכֵּב (harkev), ‘leg op’: letterlijk ‘laat rijden’. De koning moet zijn hand op de boog leggen, dat is: de boog vastpakken. Zie ook: Gen 49:24; Ps 144:1; 2 Kon 4:34 **13:17** Hij zei: „Open het raam naar het oosten.” Hij opende het. Elisa zei: „Schiet!” Hij schoot. Toen zei hij: „Een pijl van redding van Yahweh, een pijl van redding tegen Aram! Je zult Aram verslaan bij Afek, tot ze vernietigd zijn.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | פְּתַ֧ח (petach) = open | הַחַלּ֛וֹן (hachalon) = het raam | קֵ֖דְמָה (qedema) = naar het oosten | וַיִּפְתָּ֑ח (vayiftach) = en hij opende | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלִישָׁ֤ע (elisha) = Elisa | יְרֵה֙ (yere) = schiet | וַיּ֔וֹר (vayor) = en hij schoot | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | חֵץ (chets) = pijl van | תְּשׁוּעָ֤ה (teshua) = redding | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = van Yahweh | וְחֵ֣ץ (vechets) = en pijl van | תְּשׁוּעָ֣ה (teshua) = redding | בַֽאֲרָ֔ם (baaram) = tegen Aram | וְהִכִּיתָ֧ (vehikita) = en je zult verslaan | אֶת (et) = (obj.) | אֲרָ֛ם (aram) = Aram | בַּאֲפֵ֖ק (baafeq) = bij Afek | עַד (ad) = tot | כַּלֵּֽה (kale) = vernietiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Afek ligt waarschijnlijk op de hoogte ten oosten van het meer van Galilea, bij het huidige Afiq (Fiq) op de Golan (Israël). Dat is hier niet zeker. Zie 1 Kon. 20:26. Voetnoot Uitleg: קֵדְמָה (qedmah), ‘naar het oosten’: de kant van Aram en van het land over de Jordaan. Voetnoot : חֵץ־תְּשׁוּעָה לַיהוָה (chets teshuah laYahweh), ‘pijl van redding van Yahweh’: de pijl is een teken van de redding die van Yahweh komt. Hij is ook een ‘pijl van redding tegen Aram’. Voetnoot : עַד כַּלֵּה (ad kalleh), ‘tot de vernietiging’: tot Aram geen macht meer heeft. Zie ook: Ex 4:17; 1 Kon 20:26; 2 Kon 5:10–14; Joh 11:39–41; 1 Kor 1:18 **13:18** Hij zei: „Neem de pijlen.” Hij nam ze. Toen zei hij tegen de koning van Israël: „Sla op de grond.” Hij sloeg drie keer en hield toen op. Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | קַ֥ח (qach) = neem | הַחִצִּ֖ים (hachitsim) = de pijlen | וַיִּקָּ֑ח (vayiqach) = en hij nam | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לְמֶֽלֶךְ (lemelekh) = tegen de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הַךְ (hakh) = sla | אַ֔רְצָה (artsa) = naar de grond | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en hij sloeg | שָֽׁלֹשׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | וַֽיַּעֲמֹֽד (vayaamod) = en bleef staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּעֲמֹד (wayya’amod), ‘en hij bleef staan’: wij vertalen ‘hield toen op’. De koning sloeg drie keer en deed niets meer. Zie ook: 2 Kon 4:6; Jes 20:2–4; Ezech 4:1–10; Ezech 5:1–4; Ezech 12:1–7 **13:19** De man van Elohim werd woedend op hem en zei: „Je had vijf of zes keer moeten slaan. Dan had je Aram verslagen tot ze vernietigd waren. Nu zul je Aram drie keer verslaan.” Brontekst: וַיִּקְצֹ֨ף (vayiqtsof) = en werd woedend | עָלָ֜יו (alav) = op hem | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | לְהַכּ֨וֹת (lehakot) = om te slaan | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | אוֹ (o) = of | שֵׁשׁ֙ (shesh) = zes | פְּעָמִ֔ים (peamim) = keer | אָ֛ז (az) = dan | הִכִּ֥יתָ (hikita) = had je verslagen | אֶת (et) = (obj.) | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | עַד (ad) = tot | כַּלֵּ֑ה (kale) = vernietiging | וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | תַּכֶּ֥ה (take) = zul je verslaan | אֶת (et) = (obj.) | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’elohim), ‘man van Elohim’: een titel voor een profeet. Elisa heet zo ook in 2 Kon. 4:7. Voetnoot : De drie slagen komen overeen met de drie overwinningen in vers 25. Zie ook: Num 16:15; 2 Kon 4:7; 2 Kon 4:16; 2 Kon 4:40; 2 Kon 13:25; Mar 6:5 ### De dood van Elisa **13:20** Elisa stierf en zij begroeven hem. Bij het begin van het jaar kwamen de plunderbenden van Moab het land binnen. Brontekst: וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | אֱלִישָׁ֖ע (elisha) = Elisa | וַֽיִּקְבְּרֻ֑הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | וּגְדוּדֵ֥י (ugedudei) = en de benden van | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | יָבֹ֥אוּ (yavou) = kwamen binnen | בָאָ֖רֶץ (baarets) = in het land | בָּ֥א (ba) = bij het komen van | שָׁנָֽה (shana) = het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Moab ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: גְּדוּדֵי (gedudei), ‘benden’: groepen krijgers die plunderden. Voetnoot : בֹּא שָׁנָה (bo shanah), letterlijk ‘bij het komen van het jaar’: dat kan ‘in het nieuwe jaar’ zijn of ‘elk jaar’. Wij vertalen ‘bij het begin van het jaar’. Zie ook: 2 Kon 3:5; 2 Kon 3:7; 2 Kon 5:2; 2 Kon 24:2; Hand 8:2 **13:21** Terwijl zij een man begroeven, zagen zij ineens de bende. Zij wierpen de man in het graf van Elisa. Toen de man daar kwam en de beenderen van Elisa raakte, werd hij levend en stond hij op zijn voeten. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | הֵ֣ם (hem) = zij | קֹבְרִ֣ים (qoverim) = begravend | אִ֗ישׁ (ish) = een man | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | רָא֣וּ (rau) = zagen zij | אֶֽת (et) = (obj.) | הַגְּד֔וּד (hagedud) = de bende | וַיַּשְׁלִ֥יכוּ (vayashlikhu) = en wierpen | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | בְּקֶ֣בֶר (beqever) = in het graf van | אֱלִישָׁ֑ע (elisha) = Elisa | וַיֵּ֜לֶךְ (vayelekh) = en ging | וַיִּגַּ֤ע (vayiga) = en raakte | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | בְּעַצְמ֣וֹת (beatsmot) = de beenderen van | אֱלִישָׁ֔ע (elisha) = Elisa | וַיְחִ֖י (vaychi) = en werd levend | וַיָּ֥קָם (vayaqam) = en stond op | עַל (al) = op | רַגְלָֽיו (raglav) = zijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיֵּלֶךְ (wayelekh), letterlijk ‘en hij ging’: de man ‘ging’ en raakte de beenderen aan. Wij vertalen ‘daar kwam’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet hoe lang na Elisa’s dood dit gebeurde. Zie ook: 2 Kon 4:35; Ezech 37:1–10; Joh 5:25; Joh 5:28–29; Hand 19:12 ### Yahweh blijft Israël genadig **13:22** Hazaël, de koning van Aram, onderdrukte Israël al de dagen van Joachaz. Brontekst: וַֽחֲזָאֵל֙ (vachazael) = en Hazaël | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | לָחַ֖ץ (lachats) = onderdrukte | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כֹּ֖ל (kol) = al | יְמֵ֥י (yemei) = de dagen van | יְהוֹאָחָֽז (yehoachaz) = Joachaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie ook: Ps 106:40–42; 2 Kon 8:12; 2 Kon 13:3–7 **13:23** Maar Yahweh was hen genadig en ontfermde Zich over hen. Hij wendde Zich naar hen toe vanwege Zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob. Hij wilde hen niet verderven en wierp hen tot nu toe niet weg van Zijn aangezicht. Brontekst: וַיָּחָן֩ (vayachan) = en was genadig | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֹתָ֤ם (otam) = hen | וַֽיְרַחֲמֵם֙ (vayrachamem) = en ontfermde Zich over hen | וַיִּ֣פֶן (vayifen) = en wendde Zich | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = naar hen | לְמַ֣עַן (lemaan) = vanwege | בְּרִית֔וֹ (berito) = Zijn verbond | אֶת (et) = met | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | וְיַֽעֲקֹ֑ב (veyaaqov) = en Jakob | וְלֹ֤א (velo) = en niet | אָבָה֙ (ava) = wilde Hij | הַשְׁחִיתָ֔ם (hashchitam) = hen verderven | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִשְׁלִיכָ֥ם (hishlikham) = wierp Hij hen weg | מֵֽעַל (meal) = van | פָּנָ֖יו (panav) = Zijn aangezicht | עַד (ad) = tot | עָֽתָּה (ata) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּחָן (wayyachon), ‘Hij was genadig’: van het werkwoord חָנַן (chanan), dat Exod. 34:6 ‘genadig’ noemt. וַיְרַחֲמֵם (wayerachamem), ‘Hij ontfermde Zich over hen’: van dezelfde stam als ‘barmhartig’ in Exod. 34:6. Voetnoot : Het verbond met Abraham, Isaak en Jakob: zie Exod. 2:24. Voetnoot : עַד־עַתָּה (ad attah), ‘tot nu toe’: tot dit moment in het verhaal, of tot de tijd van de schrijver. Het Hebreeuws zegt dat niet. Zie ook: Ex 2:24–25; Ex 34:6; Ps 86:15; Ps 105:8; 2 Kon 14:27; Mi 7:18–20 **13:24** Hazaël, de koning van Aram, stierf en zijn zoon Ben-Hadad werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | חֲזָאֵ֣ל (chazael) = Hazaël | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | בֶּן (ben) = Ben | הֲדַ֥ד (hadad) = Hadad | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie ook: Ps 125:3; Luc 18:7 **13:25** Joas, de zoon van Joachaz, nam de steden weer uit de hand van Ben-Hadad, de zoon van Hazaël. Die steden had Ben-Hadad in de oorlog uit de hand van Joachaz, de vader van Joas, genomen. Drie keer versloeg Joas hem en hij bracht de steden van Israël terug. Brontekst: וַיָּ֜שָׁב (vayashav) = en keerde terug | יְהוֹאָ֣שׁ (yehoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹאָחָ֗ז (yehoachaz) = Joachaz | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הֶֽעָרִים֙ (hearim) = de steden | מִיַּד֙ (miyad) = uit de hand van | בֶּן (ben) = Ben | הֲדַ֣ד (hadad) = Hadad | בֶּן (ben) = zoon van | חֲזָאֵ֔ל (chazael) = Hazaël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לָקַ֗ח (laqach) = hij had genomen | מִיַּ֛ד (miyad) = uit de hand van | יְהוֹאָחָ֥ז (yehoachaz) = Joachaz | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | בַּמִּלְחָמָ֑ה (bamilchama) = in de oorlog | שָׁלֹ֤שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִים֙ (peamim) = keer | הִכָּ֣הוּ (hikahu) = sloeg hem | יוֹאָ֔שׁ (yoash) = Joas | וַיָּ֖שֶׁב (vayashev) = en bracht terug | אֶת (et) = (obj.) | עָרֵ֥י (arei) = de steden van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joas ‘keerde terug en nam’ (וַיָּשָׁב … וַיִּקַּח): wij vertalen ‘nam weer’. Zo komen de woorden van Elisa uit (vers 19): drie keer versloeg Joas Aram. Zie ook: 2 Kon 10:32; 2 Kon 13:18–19; 2 Kon 13:19; 2 Kon 14:25 ## 2 Koningen 14 _Amazia van Juda; Joas en Jerobeam van Israël_ ### Amazia, koning van Juda **14:1** In het tweede jaar van Joas, de zoon van Joachaz, de koning van Israël, werd Amazia koning. Hij was de zoon van Joas, de koning van Juda. Brontekst: בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁתַּ֔יִם (shetayim) = twee | לְיוֹאָ֥שׁ (leyoash) = van Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָחָ֖ז (yoachaz) = Joachaz | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מָלַ֛ךְ (malakh) = werd koning | אֲמַצְיָ֥הוּ (amatsyahu) = Amazia | בֶן (ben) = zoon van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joas heet in het Hebreeuws bij de koning van Israël יְהוֹאָשׁ (Yehoash) en bij de koning van Juda יוֹאָשׁ (Yoash). Het is dezelfde naam. Wij schrijven beide ‘Joas’. Voetnoot : אֲמַצְיָהוּ (Amatsyahu), ‘Amazia’: de naam betekent ‘Yahweh is sterk’. Voetnoot : De jaren van een koning worden geteld naar de regering van de koning van het andere rijk (zoals 1 Kon. 15:1). Een parallel verhaal van Amazia staat in 2 Kron. 25. Zie ook: 1 Kron 3:12; 1 Kon 15:1; 2 Kon 13:10; 2 Kon 14:15; 2 Kron 25:1–4 **14:2** Hij was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Joaddan, uit Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | הָיָ֣ה (haya) = was hij | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וְעֶשְׂרִ֤ים (veesrim) = en twintig | וָתֵ֨שַׁע֙ (vatesha) = en negen | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | יְהֽוֹעַדָּ֖ן (yehoadan) = Joaddan | מִן (min) = uit | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוֹעַדָּן (Yehoaddan), ‘Joaddan’: de naam van de moeder. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft יהועדין (Joaddin). De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘Joaddan’. Wij volgen de qere. **14:3** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh. Alleen deed hij het niet zoals David, zijn vader. Hij deed alles zoals Joas, zijn vader, had gedaan. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en deed | הַיָּשָׁר֙ (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רַ֕ק (raq) = alleen | לֹ֖א (lo) = niet | כְּדָוִ֣ד (kedavid) = zoals David | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | כְּכֹ֧ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֛ה (asa) = had gedaan | יוֹאָ֥שׁ (yoash) = Joas | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | עָשָֽׂה (asa) = deed hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn vader David’ is Davids voorvader, zoals in 1 Kon. 15:11. Joas, de vader van Amazia, is de koning uit 2 Kon. 12. Zie ook: 1 Kon 15:3; 1 Kon 15:11; 2 Kron 25:2–3; Jer 16:19; Zach 1:4–6; 1 Petr 1:18 **14:4** Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten. Brontekst: רַ֥ק (raq) = alleen | הַבָּמ֖וֹת (habamot) = de hoogten | לֹא (lo) = niet | סָ֑רוּ (saru) = weken | ע֥וֹד (od) = nog | הָעָ֛ם (haam) = het volk | מְזַבְּחִ֥ים (mezabechim) = offerend | וּֽמְקַטְּרִ֖ים (umeqaterim) = en reukoffers brengend | בַּבָּמֽוֹת (babamot) = op de hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. Zie Deut. 12:2–14 en 1 Kon. 3:2–3. Voetnoot : מְקַטְּרִים (meqatterim), ‘reukoffers laten opgaan’: offers laten opgaan in rook, met wierook of vet. Zie ook: Deut 12:2–14; 1 Kon 3:2–3; 2 Kon 12:4; 2 Kon 15:4; 2 Kon 15:35; 2 Kon 16:4 ### Amazia en de moordenaars van zijn vader **14:5** Zodra het koningschap stevig in zijn hand was, sloeg hij zijn dienaren neer die de koning, zijn vader, hadden neergeslagen. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zodra | חָזְקָ֥ה (chazeqa) = sterk was | הַמַּמְלָכָ֖ה (hamamlakha) = het koningschap | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en sloeg hij | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | הַמַּכִּ֖ים (hamakim) = de neerslaanders | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gaat over de moord op Amazia’s vader Joas (2 Kon. 12:21–22). De moordenaars waren zijn eigen dienaren. Zie ook: Gen 9:6; Ex 21:12–14; Num 35:33; 2 Kon 12:21–22; 2 Kron 25:3–4 **14:6** Maar de zonen van de moordenaars doodde hij niet, zoals geschreven staat in het boek van de wet van Mozes. Daar heeft Yahweh geboden: ‘Vaders mogen niet gedood worden voor hun zonen en zonen mogen niet gedood worden voor hun vaders. Ieder moet gedood worden voor zijn eigen zonde.’ Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | הַמַּכִּ֖ים (hamakim) = de moordenaars | לֹ֣א (lo) = niet | הֵמִ֑ית (hemit) = doodde hij | כַּכָּת֣וּב (kakatuv) = zoals het geschreven staat | בְּסֵ֣פֶר (besefer) = in het boek van | תּֽוֹרַת (torat) = de wet van | מֹ֠שֶׁה (moshe) = Mozes | אֲשֶׁר (asher) = waar | צִוָּ֨ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לֹא (lo) = niet | יוּמְת֨וּ (yumetu) = zullen gedood worden | אָב֤וֹת (avot) = vaders | עַל (al) = voor | בָּנִים֙ (banim) = zonen | וּבָנִים֙ (uvanim) = en zonen | לֹא (lo) = niet | יוּמְת֣וּ (yumetu) = zullen gedood worden | עַל (al) = voor | אָב֔וֹת (avot) = vaders | כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = als | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | בְּחֶטְא֖וֹ (becheto) = voor zijn zonde | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Mosheh), ‘wet van Mozes’: het geschreven boek met de wet. Het aangehaalde gebod staat in Deut. 24:16. Voetnoot : De woorden van Yahweh staan hier zwart, tussen enkele aanhalingstekens: de verteller haalt een geschreven gebod aan. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ימות, dat gelezen kan worden als ‘hij zal sterven’. De voorgelezen tekst (qere) heeft יוּמָת, ‘hij zal gedood worden’. Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 24:16; Jer 31:30; Ezech 18:4; Ezech 18:20 ### Amazia slaat Edom **14:7** Hij sloeg 10.000 man van Edom in het Zoutdal. In de oorlog nam hij Sela in. Hij noemde de stad Jokteël, tot op deze dag. Brontekst: הוּא (hu) = hij | הִכָּ֨ה (hika) = sloeg | אֶת (et) = (obj.) | אֱד֤וֹם (edom) = Edom | בְּגֵיא (begei) = in het dal van | מֶ֨לַח֙ (melach) = zout | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | וְתָפַ֥שׂ (vetafas) = en nam in | אֶת (et) = (obj.) | הַסֶּ֖לַע (hasela) = de rots | בַּמִּלְחָמָ֑ה (bamilchama) = in de oorlog | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en noemde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמָהּ֙ (shemah) = haar naam | יָקְתְאֵ֔ל (yaqeteel) = Jokteël | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het Zoutdal (גֵּיא מֶלַח, gei melach) ligt ten zuiden van de Zoutzee, in Jordanië of Israël. De precieze plek is onzeker. Sela (de rots) is een plaats in Edom. De ligging is onzeker; genoemd wordt Umm el-Bayyara bij Petra (Jordanië). Jokteël is niet terug te vinden. Voetnoot Uitleg: הַסֶּלַע (hasela), ‘de rots’: dat is de betekenis van het woord ‘sela’. De stad krijgt een nieuwe naam: יָקְתְאֵל (Yoqte’el), ‘Jokteël’. Dezelfde naam komt ook voor bij een stad in Juda (Joz. 15:38). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘10.000’ zonder te zeggen wat wordt geteld. Wij voegen ‘man’ toe. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft המלח, ‘het zout’. De voorgelezen tekst (qere) heeft מֶלַח, ‘zout’. Het verschil is klein. Wij volgen de qere. Zie ook: Joz 15:38; 2 Sam 8:13; 1 Kron 18:12; Ps 60:3; 2 Kron 25:11–12 ### Amazia daagt Joas uit **14:8** Toen stuurde Amazia boodschappers naar Joas, de zoon van Joachaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, met de woorden: „Kom, laten wij elkaar in het gezicht zien.” Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | שָׁלַ֤ח (shalach) = stuurde | אֲמַצְיָה֙ (amatsya) = Amazia | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boodschappers | אֶל (el) = naar | יְהוֹאָ֨שׁ (yehoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹאָחָ֧ז (yehoachaz) = Joachaz | בֶּן (ben) = zoon van | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לְכָ֖ה (lekha) = kom | נִתְרָאֶ֥ה (nitrae) = laten wij elkaar zien | פָנִֽים (panim) = in het gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִתְרָאֶה פָנִים (nitra’eh panim), ‘laten wij elkaar in het gezicht zien’: een uitnodiging tot een treffen, hier tot strijd (vers 11). Zie ook: 2 Sam 2:14–17; Spr 18:6; Spr 20:18; 2 Kon 14:11; 2 Kron 25:17–24 **14:9** Joas, de koning van Israël, stuurde een bericht aan Amazia, de koning van Juda: „De distel op de Libanon stuurde een bericht aan de ceder op de Libanon: ‘Geef je dochter aan mijn zoon als vrouw.’ Maar er kwam een wild dier van het veld voorbij, dat op de Libanon was. Het vertrapte de distel. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en stuurde | יְהוֹאָ֣שׁ (yehoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | אֲמַצְיָ֣הוּ (amatsyahu) = Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֮ (yehuda) = Juda | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | הַח֜וֹחַ (hachoach) = de distel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּלְּבָנ֗וֹן (balevanon) = op de Libanon | שָׁ֠לַח (shalach) = stuurde | אֶל (el) = naar | הָאֶ֜רֶז (haerez) = de ceder | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בַּלְּבָנוֹן֙ (balevanon) = op de Libanon | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | תְּנָֽה (tena) = geef | אֶת (et) = (obj.) | בִּתְּךָ֥ (bitekha) = je dochter | לִבְנִ֖י (livni) = aan mijn zoon | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = als vrouw | וַֽתַּעֲבֹ֞ר (vataavor) = en ging voorbij | חַיַּ֤ת (chayat) = een dier van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בַּלְּבָנ֔וֹן (balevanon) = op de Libanon | וַתִּרְמֹ֖ס (vatirmos) = en vertrapte | אֶת (et) = (obj.) | הַחֽוֹחַ (hachoach) = de distel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: חוֹחַ (choach), ‘distel’: een doornig gewas. Het woord is niet hetzelfde als het woord voor ‘doornstruik’ in Richt. 9:14–15 (אָטָד, atad). Joas vertelt een gelijkenis, zoals Jotam in Richt. 9:8–15. De distel is Amazia. De ceder is Joas. Joas bedoelt dat Amazia te klein is om zo’n vraag te stellen. Zie ook: Re 9:8–15; Re 9:14–15; 2 Kron 25:10–13; 2 Kron 25:18; 2 Kron 33:11; Hos 9:6 **14:10** Je hebt Edom zeker geslagen. Daardoor heeft je hart je verheven. Geniet van je eer en blijf in je huis. Waarom daag je onheil uit? Je zult vallen, jij en Juda met jou.” Brontekst: הַכֵּ֤ה (hake) = slaan | הִכִּ֨יתָ֙ (hikita) = je hebt geslagen | אֶת (et) = (obj.) | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | וּֽנְשָׂאֲךָ֖ (unesaakha) = en heeft je verheven | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | הִכָּבֵד֙ (hikaved) = geniet van je eer | וְשֵׁ֣ב (veshev) = en blijf | בְּבֵיתֶ֔ךָ (beveitekha) = in je huis | וְלָ֤מָּה (velama) = en waarom | תִתְגָּרֶה֙ (titgare) = daag je uit | בְּרָעָ֔ה (beraa) = onheil | וְנָ֣פַלְתָּ֔ה (venafalta) = en je zult vallen | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וִיהוּדָ֥ה (vihuda) = en Juda | עִמָּֽךְ (imakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַכְבֵּד (hikkaved), ‘geniet van je eer’: letterlijk ‘wees zwaar’, dat is ‘wees geëerd’. Wij nemen aan dat het betekent: neem tevreden je roem. Voetnoot : נְשָׂאֲךָ לִבֶּךָ (nesa’akha libbekha), ‘je hart heeft je verheven’: je bent trots geworden. Zie ook: Deut 8:14; Spr 3:30; Spr 20:3; 2 Kron 26:16; 2 Kron 32:25 ### De slag bij Bet-Semes **14:11** Maar Amazia luisterde niet. Joas, de koning van Israël, trok op. Hij en Amazia, de koning van Juda, zagen elkaar in het gezicht bij Bet-Semes, dat van Juda is. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמַ֣ע (shama) = luisterde | אֲמַצְיָ֔הוּ (amatsyahu) = Amazia | וַיַּ֨עַל (vayaal) = en trok op | יְהוֹאָ֤שׁ (yehoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיִּתְרָא֣וּ (vayitrau) = en zagen elkaar | פָנִ֔ים (panim) = in het gezicht | ה֖וּא (hu) = hij | וַאֲמַצְיָ֣הוּ (vaamatsyahu) = en Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | בְּבֵ֥ית (beveit) = in Bet | שֶׁ֖מֶשׁ (shemesh) = Semes | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לִיהוּדָֽה (lihuda) = van Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Semes ligt bij Tel Bet-Semes (Tell er-Rumeile), in de Sefela ten westen van Jeruzalem (Israël). Dat is zeker. Er zijn meer plaatsen met die naam; daarom staat er ‘dat van Juda is’. Voetnoot Uitleg: בֵּית שֶׁמֶשׁ (beit shemesh), ‘Bet-Semes’: ‘huis van de zon’. Zie ook: Joz 15:10; Joz 19:38; Joz 21:16; 1 Sam 6:9–19; 2 Kron 25:20 **14:12** Juda werd verslagen door Israël. Iedereen vluchtte naar zijn tenten. Brontekst: וַיִּנָּ֥גֶף (vayinagef) = en werd verslagen | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּנֻ֖סוּ (vayanusu) = en vluchtten | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְאֹהָלָֽיו (leohalav) = naar zijn tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘naar zijn tent’ (לאהלו). De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘naar zijn tenten’. Wij volgen de qere. ‘Naar zijn tenten’ betekent: naar huis. Zie ook: 1 Sam 4:10; 2 Sam 18:17; 1 Kon 22:36 **14:13** Joas, de koning van Israël, nam Amazia gevangen bij Bet-Semes. Amazia was de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Achazia. Joas kwam naar Jeruzalem. Hij brak de muur van Jeruzalem door, van de Efraïmpoort tot de Hoekpoort: 400 el. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | אֲמַצְיָ֨הוּ (amatsyahu) = Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹאָ֣שׁ (yehoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחַזְיָ֗הוּ (achazyahu) = Achazia | תָּפַ֛שׂ (tafas) = nam gevangen | יְהוֹאָ֥שׁ (yehoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּבֵ֣ית (beveit) = in Bet | שָׁ֑מֶשׁ (shamesh) = Semes | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וַיִּפְרֹץ֩ (vayifrots) = en brak door | בְּחוֹמַ֨ת (bechomat) = in de muur van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushaliam) = Jeruzalem | בְּשַׁ֤עַר (beshaar) = bij de poort van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | עַד (ad) = tot | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַפִּנָּ֔ה (hapina) = de hoek | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Efraïmpoort lag in de noordmuur van Jeruzalem. De Hoekpoort lag in de noordwesthoek. De precieze plek van beide poorten is onzeker. Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Voetnoot Uitleg: אַמָּה (ammah), ‘el’: ongeveer 45 cm. 400 el is dus ongeveer 180 meter. Voetnoot : אֲחַזְיָהוּ (Achazyahu), ‘Achazia’: de grootvader van Amazia. Hij is de koning uit 2 Kon. 8:25–29. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zij kwamen’ (ויבאו). De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘hij kwam’. Wij volgen de qere. Een parallel verhaal staat in 2 Kron. 25:17–24. Zie ook: 2 Kon 8:25–29; 2 Kron 25:17–24; Jer 31:38; Zach 14:10; Neh 8:16; Neh 12:39; Luc 14:11 **14:14** Hij nam al het goud en zilver. Ook nam hij alle voorwerpen die gevonden werden in het huis van Yahweh en in de schatkamers van het huis van de koning. Hij nam ook gijzelaars mee. Daarna keerde hij terug naar Samaria. Brontekst: וְלָקַ֣ח (velaqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַזָּהָב (hazahav) = het goud | וְ֠הַכֶּסֶף (vehakesef) = en het zilver | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַכֵּלִ֜ים (hakelim) = de voorwerpen | הַנִּמְצְאִ֣ים (hanimtseim) = die gevonden worden | בֵּית (beit) = in het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְאֹֽצְרוֹת֙ (uveotserot) = en in de schatkamers van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַתַּֽעֲרֻב֑וֹת (hataaruvot) = de gijzeling | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | שֹׁמְרֽוֹנָה (shomerona) = naar Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הַתַּעֲרֻבוֹת (bnei hata’arubot), ‘gijzelaars’: letterlijk ‘zonen van de gijzeling’. Het woord komt zelden voor. Wij nemen aan dat het gaat om mensen die als onderpand worden meegenomen. Zie ook: 1 Kon 7:51; 1 Kon 14:26; 2 Kon 12:19; 2 Kon 24:13; 2 Kon 25:15 ### Het einde van Joas van Israël **14:15** De rest van de geschiedenis van Joas, wat hij deed, zijn macht en hoe hij tegen Amazia, de koning van Juda, streed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël? Brontekst: וְיֶתֶר֩ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֨י (divrei) = de geschiedenis van | יְהוֹאָ֜שׁ (yehoash) = Joas | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | עָשָׂה֙ (asa) = hij deed | וּגְב֣וּרָת֔וֹ (ugevurato) = en zijn macht | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en hoe | נִלְחַ֔ם (nilcham) = hij streed | עִ֖ם (im) = met | אֲמַצְיָ֣הוּ (amatsyahu) = Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הֲלֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayamim), ‘dagboek’: letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’. Zie bij 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 14:19–20; 2 Kon 10:34–35; 2 Kon 13:12–13 **14:16** Joas ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven in Samaria bij de koningen van Israël. Zijn zoon Jerobeam werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en ging liggen | יְהוֹאָשׁ֙ (yehoash) = Joas | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקָּבֵר֙ (vayiqaver) = en werd begraven | בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן (beshomeron) = in Samaria | עִ֖ם (im) = bij | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יָרָבְעָ֥ם (yaraveam) = Jerobeam | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Deze Jerobeam is Jerobeam II, de zoon van Joas. Hij is niet de eerste Jerobeam, de zoon van Nebat (1 Kon. 11:26). Zie ook: 2 Sam 7:12; 1 Kon 1:21; 1 Kon 11:26; Amos 1:1; Amos 7:10–11; Hos 1:1 ### Het einde van Amazia **14:17** Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde nog 15 jaar na de dood van Joas, de zoon van Joachaz, de koning van Israël. Brontekst: וַיְחִ֨י (vaychi) = en leefde | אֲמַצְיָ֤הוּ (amatsyahu) = Amazia | בֶן (ben) = zoon van | יוֹאָשׁ֙ (yoash) = Joas | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אַֽחֲרֵ֣י (acharei) = na | מ֔וֹת (mot) = de dood van | יְהוֹאָ֥שׁ (yehoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יְהֽוֹאָחָ֖ז (yehoachaz) = Joachaz | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 13:10; 2 Kon 14:1–2; 2 Kon 14:23; 2 Kron 25:25–28 **14:18** De rest van de geschiedenis van Amazia: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֖תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de geschiedenis van | אֲמַצְיָ֑הוּ (amatsyahu) = Amazia | הֲלֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 11:41; 1 Kon 14:29; 2 Kon 13:8; 2 Kon 13:12 **14:19** Zij smeedden in Jeruzalem een samenzwering tegen hem. Hij vluchtte naar Lachis. Maar zij stuurden mannen achter hem aan naar Lachis en doodden hem daar. Brontekst: וַיִּקְשְׁר֨וּ (vayiqsheru) = en smeedden | עָלָ֥יו (alav) = tegen hem | קֶ֛שֶׁר (qesher) = samenzwering | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וַיָּ֣נָס (vayanas) = en vluchtte | לָכִ֑ישָׁה (lakhisha) = naar Lachis | וַיִּשְׁלְח֤וּ (vayishlechu) = en zij stuurden | אַֽחֲרָיו֙ (acharav) = achter hem aan | לָכִ֔ישָׁה (lakhisha) = naar Lachis | וַיְמִתֻ֖הוּ (vaymituhu) = en doodden hem | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lachis ligt bij Tel Lakisj, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël). Dat is zeker. Zie ook: Joz 10:31; 2 Kon 15:10; 2 Kon 15:25; 2 Kon 15:30; 2 Kon 18:14 **14:20** Zij droegen hem op de paarden weg. Hij werd begraven in Jeruzalem bij zijn vaderen, in de stad van David. Brontekst: וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en droegen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | עַל (al) = op | הַסּוּסִ֑ים (hasusim) = de paarden | וַיִּקָּבֵ֧ר (vayiqaver) = en werd begraven | בִּירוּשָׁלִַ֛ם (birushaliam) = in Jeruzalem | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֥יר (beir) = in de stad van | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kon 2:10; 1 Kon 11:43; 2 Kon 9:28; 2 Kron 26:23; 2 Kron 33:20 ### Azaria, koning van Juda **14:21** Heel het volk van Juda nam Azaria, die 16 jaar oud was. Zij maakten hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. Brontekst: וַיִּקְח֞וּ (vayiqchu) = en namen | כָּל (kal) = heel | עַ֤ם (am) = het volk van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֶת (et) = (obj.) | עֲזַרְיָ֔ה (azarya) = Azaria | וְה֕וּא (vehu) = en hij | בֶּן (ben) = zoon van | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיַּמְלִ֣כוּ (vayamlikhu) = en maakten koning | אֹת֔וֹ (oto) = hem | תַּ֖חַת (tachat) = in de plaats van | אָבִ֥יו (aviv) = zijn vader | אֲמַצְיָֽהוּ (amatsyahu) = Amazia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲזַרְיָה (Azaryah), ‘Azaria’: de naam betekent ‘Yahweh heeft geholpen’. In 2 Kon. 15:13, 15:30, 15:32 en 15:34 heet hij ook Uzzia (עֻזִּיָּה, Uzziyyah). Dat is de naam in de Kronieken. Zie ook: 1 Kron 3:12; 2 Kon 15:13; 2 Kon 15:30; 2 Kon 15:32; 2 Kon 15:34; 2 Kon 21:24; 2 Kron 26:1; Mat 1:8–9 **14:22** Hij bouwde Elat en gaf het terug aan Juda. Dat was nadat de koning bij zijn vaderen was gaan liggen. Brontekst: ה֚וּא (hu) = hij | בָּנָ֣ה (bana) = bouwde | אֶת (et) = (obj.) | אֵילַ֔ת (eilat) = Elat | וַיְשִׁבֶ֖הָ (vayshiveha) = en bracht terug | לִֽיהוּדָ֑ה (lihuda) = aan Juda | אַחֲרֵ֥י (acharei) = nadat | שְׁכַֽב (shekhav) = was gaan liggen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | עִם (im) = bij | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elat ligt aan de Rietzee, bij het huidige Akaba (Jordanië) en Eilat (Israël). Dat is waarschijnlijk. Zie ook 1 Kon. 9:26. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij’. Wij nemen aan dat dit Azaria is, de nieuwe koning uit vers 21. Amazia is dan al gestorven. Zie ook: Deut 2:8; 1 Kon 9:26; 2 Kon 14:21; 2 Kon 16:6; 2 Kron 8:17; 2 Kron 26:2 ### Jerobeam, koning van Israël **14:23** In het vijftiende jaar van Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd Jerobeam koning in Samaria. Hij was de zoon van Joas, de koning van Israël. Hij regeerde 41 jaar. Brontekst: בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar van | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַאֲמַצְיָ֥הוּ (laamatsyahu) = van Amazia | בֶן (ben) = zoon van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | יָרָבְעָ֨ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֤שׁ (yoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן (beshomeron) = in Samaria | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וְאַחַ֖ת (veachat) = en een | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: 2 Kon 14:27; Amos 1:1; Amos 7:9–11; Hos 1:1 **14:24** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van alle zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֗ר (sar) = week af | מִכָּל (mikal) = van alle | חַטֹּאות֙ (chatovt) = zonden van | יָרָבְעָ֣ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֔ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶחֱטִ֖יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:18; 1 Kon 12:28–31; 2 Kon 13:2; 2 Kon 13:6; 2 Kon 13:11 ### Yahweh redt Israël door Jerobeam **14:25** Hij herstelde de grens van Israël, van Lebo-Chamat tot de zee van de Araba. Dat gebeurde naar het woord van Yahweh, de Elohim van Israël. Dat woord had Hij gesproken door Zijn dienaar Jona, de zoon van Amittai, de profeet, die uit Gat-Chefer kwam. Brontekst: ה֗וּא (hu) = hij | הֵשִׁיב֙ (heshiv) = bracht terug | אֶת (et) = (obj.) | גְּב֣וּל (gevul) = de grens van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִלְּב֥וֹא (milevo) = van de ingang van | חֲמָ֖ת (chamat) = Chamat | עַד (ad) = tot | יָ֣ם (yam) = de zee van | הָעֲרָבָ֑ה (haarava) = de Araba | כִּדְבַ֤ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבֶּ֗ר (diber) = Hij sprak | בְּיַד (beyad) = door de hand van | עַבְדּ֞וֹ (avdo) = Zijn dienaar | יוֹנָ֤ה (yona) = Jona | בֶן (ben) = zoon van | אֲמִתַּי֙ (amitay) = Amittai | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מִגַּ֥ת (migat) = uit Gat | הַחֵֽפֶר (hachefer) = Chefer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lebo-Chamat (לְבוֹא חֲמָת, lebo Chamat) betekent ‘de ingang van Chamat’. Dat is de noordgrens van Israël, bij de stad Chamat (Hama, Syrië). De ‘zee van de Araba’ is de Zoutzee. Gat-Chefer ligt bij Tel Gat-Hefer, ten noorden van Nazaret (Israël). Dat is waarschijnlijk. Zie Joz. 19:13. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: יוֹנָה בֶן־אֲמִתַּי (Yonah ben Amittai), ‘Jona, de zoon van Amittai’: een profeet uit het noordelijke rijk. Jona betekent ‘duif’. Zie Jona 1:1. Zie ook: Deut 3:17; Joz 19:13; 1 Kon 8:65; Jona 1:1; Mat 12:39–40 **14:26** Want Yahweh zag hoe bitter de ellende van Israël was, zeer bitter. Er was geen gebondene meer en geen vrijgelatene meer. Er was niemand die Israël hielp. Brontekst: כִּי (ki) = want | רָאָ֧ה (raa) = zag | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עֳנִ֥י (oni) = de ellende van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֹרֶ֣ה (more) = bitter | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וְאֶ֤פֶס (veefes) = en niets | עָצוּר֙ (atsur) = gebondene | וְאֶ֣פֶס (veefes) = en niets | עָז֔וּב (azuv) = vrijgelatene | וְאֵ֥ין (veein) = en niet | עֹזֵ֖ר (ozer) = helper | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצוּר וְעָזוּב (atsur ve’azuv), ‘gebondene en vrijgelatene’: een vaste uitdrukking voor ‘iedereen’, zoals in 1 Kon. 14:10 en 21:21. Het betekent: niemand in het land kon Israël nog helpen. Zie ook: Ex 3:7; Deut 32:36; Re 10:16; 1 Kon 14:10; 1 Kon 21:21; 2 Kon 13:4; Jes 63:9 **14:27** Yahweh had niet gezegd dat Hij de naam van Israël van onder de hemel zou uitwissen. Hij redde hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | דִבֶּ֣ר (diber) = sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִמְחוֹת֙ (limchot) = om uit te wissen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וַיּ֣וֹשִׁיעֵ֔ם (vayoshiem) = en Hij redde hen | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | יָרָבְעָ֥ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָֽשׁ (yoash) = Joas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִמְחוֹת (limchot), ‘uitwissen’: zoals in Deut. 9:14 en 25:19. Zie ook: Deut 9:14; Deut 25:19; Ps 69:29; 2 Kon 5:1; 2 Kon 13:5; 2 Kon 13:23 **14:28** De rest van de geschiedenis van Jerobeam, alles wat hij deed, zijn macht, hoe hij streed en hoe hij Damascus en Chamat voor Juda in Israël terugbracht: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël? Brontekst: וְיֶתֶר֩ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֨י (divrei) = de geschiedenis van | יָרָבְעָ֜ם (yaraveam) = Jerobeam | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | עָשָׂה֙ (asa) = hij deed | וּגְבוּרָת֣וֹ (ugevurato) = en zijn macht | אֲשֶׁר (asher) = hoe | נִלְחָ֔ם (nilcham) = hij streed | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en hoe | הֵשִׁ֜יב (heshiv) = hij terugbracht | אֶת (et) = (obj.) | דַּמֶּ֧שֶׂק (dameseq) = Damascus | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמָ֛ת (chamat) = Chamat | לִיהוּדָ֖ה (lihuda) = aan Juda | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | הֲלֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Lezing: De woorden ליהודה בישראל (liyhudah beyisra’el) zijn moeilijk. Wij vertalen letterlijk: ‘voor Juda in Israël’. Het kan bedoelen dat Damascus en Chamat, die vroeger bij het rijk van David hoorden, weer bij Israël kwamen. Sommige oude vertalingen lezen de zin anders. Het Hebreeuws zegt niet meer. Zie ook: 2 Sam 8:6; 1 Kron 18:5–6; 1 Kon 11:24; 2 Kron 8:3–4 **14:29** Jerobeam ging liggen bij zijn vaderen, bij de koningen van Israël. Zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en ging liggen | יָֽרָבְעָם֙ (yaraveam) = Jerobeam | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | עִ֖ם (im) = bij | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | זְכַרְיָ֥ה (zekharya) = Zacharia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zacharia (זְכַרְיָה, Zekharyah) is de zoon van Jerobeam II. Zijn regering staat in 2 Kon. 15:8–12. De profeten Hosea en Amos treden op in de tijd van Jerobeam (Hos. 1:1; Amos 1:1). Zie ook: 2 Kon 15:8; Amos 1:1; Hos 1:1 ## 2 Koningen 15 _Azaria en Jotam van Juda; Zacharia, Sjallum, Menachem, Pekachja en Pekach van Israël_ ### Azaria, koning van Juda **15:1** In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria koning. Hij was de zoon van Amazia, de koning van Juda. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וָשֶׁ֨בַע֙ (vasheva) = en zeven | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְיָרָבְעָ֖ם (leyaraveam) = van Jerobeam | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מָלַ֛ךְ (malakh) = werd koning | עֲזַרְיָ֥ה (azarya) = Azaria | בֶן (ben) = zoon van | אֲמַצְיָ֖ה (amatsya) = Amazia | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲזַרְיָה (Azaryah), ‘Azaria’: de naam betekent ‘Yahweh heeft geholpen’. In vers 13, 30, 32 en 34 heet dezelfde koning עֻזִּיָּה (Uzziyyah), ‘Uzzia’. In de Kronieken heet hij steeds Uzzia. Een parallel verhaal staat in 2 Kron. 26. Voetnoot : De jaren van een koning worden geteld naar de regering van de koning van het andere rijk. Vergelijk 2 Kon. 14:1. Zie ook: 2 Kon 14:1; 2 Kon 14:21; 2 Kon 15:8; 2 Kon 15:13; 2 Kon 15:30; 2 Kon 15:32; 2 Kon 15:34; 2 Kron 26:1; 2 Kron 26:3–4 **15:2** Hij was 16 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 52 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jecholia, uit Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שֵׁ֨שׁ (shesh) = zes | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | הָיָ֣ה (haya) = was hij | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וַחֲמִשִּׁ֤ים (vachamishim) = en vijftig | וּשְׁתַּ֨יִם֙ (ushtayim) = en twee | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | יְכָלְיָ֖הוּ (yekhaleyahu) = Jecholia | מִירוּשָׁלִָֽם (mirushaliam) = uit Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Jecholia (יְכׇלְיָהוּ, Yecholyahu) is de naam van zijn moeder. Zij wordt ook genoemd in 2 Kron. 26:3. Zie ook: 2 Kron 26:3–4 **15:3** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, helemaal zoals zijn vader Amazia had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = had gedaan | אֲמַצְיָ֥הוּ (amatsyahu) = Amazia | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 12:3–4; 2 Kon 14:3–4; 2 Kron 26:4 **15:4** Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten. Brontekst: רַ֥ק (raq) = alleen | הַבָּמ֖וֹת (habamot) = de hoogten | לֹא (lo) = niet | סָ֑רוּ (saru) = weken | ע֥וֹד (od) = nog | הָעָ֛ם (haam) = het volk | מְזַבְּחִ֥ים (mezabechim) = offerend | וּֽמְקַטְּרִ֖ים (umeqaterim) = en reukoffers brengend | בַּבָּמֽוֹת (babamot) = op de hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. Zie 2 Kon. 14:4. Zie ook: 2 Kon 14:4; 2 Kon 15:35; 2 Kon 18:4; 2 Kron 17:6; 2 Kron 32:12; 2 Kron 34:3 **15:5** Yahweh trof de koning. Hij werd melaats tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een afgezonderd huis. Jotam, de zoon van de koning, stond over het huis en sprak recht over het volk van het land. Brontekst: וַיְנַגַּ֨ע (vaynaga) = en trof | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיְהִ֤י (vayhi) = en hij werd | מְצֹרָע֙ (metsora) = melaats | עַד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = de dag van | מֹת֔וֹ (moto) = zijn dood | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis | הַחָפְשִׁ֑ית (hachafeshit) = afgezonderd | וְיוֹתָ֤ם (veyotam) = en Jotam | בֶּן (ben) = zoon van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = over | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | שֹׁפֵ֖ט (shofet) = rechtsprekend | אֶת (et) = (obj.) | עַ֥ם (am) = het volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצֹרָע (metsora), ‘melaats’: een huidziekte, zoals beschreven in Lev. 13. Het Hebreeuws zegt hier niet waarom Yahweh de koning trof. Een uitleg staat in 2 Kron. 26:16–21. Voetnoot : בֵּית הַחָפְשִׁית (beit hachofshit), ‘afgezonderd huis’: letterlijk ‘huis van de vrijheid’. De betekenis is niet zeker. Het gaat om een aparte woning, buiten het gewone leven. Vergelijk Lev. 13:46. Voetnoot : עַל־הַבַּיִת (al habayit), ‘over het huis’: de leiding over het paleis en de hofhouding. Zie ook: Lev 13:46; Num 12:10; Num 12:14; Ps 72:1; 2 Kon 5:27; 2 Kron 26:16–21 **15:6** De rest van de geschiedenis van Azaria en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | עֲזַרְיָ֖הוּ (azaryahu) = Azaria | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הֲלֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 14:18; 2 Kron 26:5–15 **15:7** Azaria ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Jotam werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en ging liggen | עֲזַרְיָה֙ (azarya) = Azaria | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקְבְּר֥וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹת֛וֹ (oto) = hem | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יוֹתָ֥ם (yotam) = Jotam | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kron 26:23; Jes 6:1 ### Zacharia, koning van Israël **15:8** In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Zacharia, de zoon van Jerobeam, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 6 maanden. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁמֹנֶה֙ (ushemone) = en acht | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַעֲזַרְיָ֖הוּ (laazaryahu) = van Azaria | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | זְכַרְיָ֨הוּ (zekharyahu) = Zacharia | בֶן (ben) = zoon van | יָרָבְעָ֧ם (yaraveam) = Jerobeam | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּשֹׁמְר֖וֹן (beshomeron) = in Samaria | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | חֳדָשִֽׁים (chodashim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Zacharia (זְכַרְיָהוּ, Zekharyahu) is de zoon van Jerobeam (2 Kon. 14:29). Hij regeerde maar 6 maanden. Zie ook: 2 Kon 14:16–17; 2 Kon 14:21; 2 Kon 14:29–15:1 **15:9** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh, zoals zijn vaderen hadden gedaan. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַע֙ (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | אֲבֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaderen | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֗ר (sar) = week af | מֵֽחַטֹּאות֙ (mechatovt) = van de zonden van | יָרָבְעָ֣ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֔ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶחֱטִ֖יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 10:29; 2 Kon 10:31; 2 Kon 13:2; 2 Kon 13:11; 2 Kon 14:24 **15:10** Sjallum, de zoon van Jabes, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij sloeg hem neer voor het oog van het volk, doodde hem en werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּקְשֹׁ֤ר (vayiqshor) = en smeedde samenzwering | עָלָיו֙ (alav) = tegen hem | שַׁלֻּ֣ם (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | יָבֵ֔שׁ (yavesh) = Jabes | וַיַּכֵּ֥הוּ (vayakehu) = en sloeg hem | קָֽבָלְ (qaval) = voor | עָ֖ם (am) = het volk | וַיְמִיתֵ֑הוּ (vaymitehu) = en doodde hem | וַיִּמְלֹ֖ךְ (vayimlokh) = en werd koning | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: קְבָל־עָם (qevol-am), ‘voor het oog van het volk’: letterlijk ‘voor het volk’. Sommige oude vertalingen lezen hier een plaatsnaam. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 15:28; 1 Kon 16:9–10; 2 Kon 9:24; 2 Kon 9:31; 2 Kon 15:14 **15:11** De rest van de geschiedenis van Zacharia: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël. Brontekst: וְיֶ֖תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de geschiedenis van | זְכַרְיָ֑ה (zekharya) = Zacharia | הִנָּ֣ם (hinam) = zie zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 14:28 **15:12** Dit was het woord van Yahweh dat Hij tot Jehu had gesproken. ‘Zonen van de vierde generatie zullen voor jou op de troon van Israël zitten.’ Zo gebeurde het. Brontekst: ה֣וּא (hu) = dit | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | דִּבֶּ֤ר (diber) = Hij sprak | אֶל (el) = tot | יֵהוּא֙ (yehu) = Jehu | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | רְבִיעִ֔ים (reviim) = de vierde generatie | יֵשְׁב֥וּ (yeshevu) = zullen zitten | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | עַל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיְהִי (vayhi) = en het was | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het woord van Yahweh tot Jehu uit 2 Kon. 10:30. Daar spreekt Yahweh zelf en staan de woorden rood. Hier haalt de verteller ze aan; daarom staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : רִבֵּעִים (riv’im), ‘van de vierde generatie’: vier opvolgers van Jehu. Dat zijn Joachaz, Joas, Jerobeam en Zacharia. Zacharia is de vierde (vers 8–12). Zie ook: 2 Kon 10:30; 2 Kon 13:13; 2 Kon 15:8–12; Zach 1:6; Mar 13:31; Joh 19:36–37 ### Sjallum, koning van Israël **15:13** Sjallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda. Hij regeerde een maand in Samaria. Brontekst: שַׁלּ֤וּם (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | יָבֵישׁ֙ (yaveish) = Jabes | מָלַ֔ךְ (malakh) = werd koning | בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וָתֵ֨שַׁע֙ (vatesha) = en negen | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְעֻזִיָּ֖ה (leuziya) = van Uzzia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en regeerde | יֶֽרַח (yerach) = een maand van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | בְּשֹׁמְרֽוֹן (beshomeron) = in Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: יָבֵישׁ (Yavesh), ‘Jabes’: de naam van de vader van Sjallum staat hier met een extra letter (vers 10: יָבֵשׁ). Het is dezelfde man. Voetnoot : יֶרַח יָמִים (yerach yamim), ‘een maand’: letterlijk ‘een maand van dagen’, een volle maand. Voetnoot : Sallum en Menachem worden in hetzelfde jaar genoemd (vers 17): het negenendertigste jaar. Zie ook: Ps 55:24; 1 Kon 16:15; 1 Kon 16:24; 2 Kon 15:1; 2 Kon 15:10; 2 Kon 15:17; Mat 1:8–9 ### Menachem grijpt de macht **15:14** Menachem, de zoon van Gadi, trok op vanuit Tirza. Hij kwam naar Samaria. In Samaria sloeg hij Sjallum, de zoon van Jabes, neer. Hij doodde hem en werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיַּעַל֩ (vayaal) = en trok op | מְנַחֵ֨ם (menachem) = Menachem | בֶּן (ben) = zoon van | גָּדִ֜י (gadi) = Gadi | מִתִּרְצָ֗ה (mitirtsa) = vanuit Tirza | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | שֹׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | וַיַּ֛ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | שַׁלּ֥וּם (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | יָבֵ֖ישׁ (yaveish) = Jabes | בְּשֹׁמְר֑וֹן (beshomeron) = in Samaria | וַיְמִיתֵ֖הוּ (vaymitehu) = en doodde hem | וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en werd koning | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tirza ligt bij Tell el-Farah (Noord), ongeveer 11 km ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Het was de oude hoofdstad van het noordelijke rijk (1 Kon. 15:21). Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: 1 Kon 14:17; 1 Kon 15:21; 1 Kon 15:33; 1 Kon 16:8–9; 1 Kon 16:17 **15:15** De rest van de geschiedenis van Sjallum en zijn samenzwering, die hij smeedde: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël. Brontekst: וְיֶ֨תֶר֙ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de geschiedenis van | שַׁלּ֔וּם (shalum) = Sjallum | וְקִשְׁר֖וֹ (veqishro) = en zijn samenzwering | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | קָשָׁ֑ר (qashar) = hij smeedde | הִנָּ֣ם (hinam) = zie zij | כְּתֻבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 14:19; 1 Kon 14:29; 1 Kon 22:39; 2 Kon 15:11 **15:16** Toen sloeg Menachem Tifsach, alles wat daarin was en haar gebied, vanuit Tirza. Want zij had niet opengedaan. Hij sloeg haar. Al haar zwangere vrouwen sneed hij open. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יַכֶּֽה (yake) = sloeg | מְ֠נַחֵם (menachem) = Menachem | אֶת (et) = (obj.) | תִּפְסַ֨ח (tifsach) = Tifsach | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּ֤הּ (bah) = daarin | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּבוּלֶ֨יהָ֙ (gevuleiha) = haar gebied | מִתִּרְצָ֔ה (mitirtsa) = vanuit Tirza | כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | פָתַ֖ח (patach) = had opengedaan | וַיַּ֑ךְ (vayakh) = en hij sloeg | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הֶהָ֥רוֹתֶ֖יהָ (heharoteiha) = haar zwangere vrouwen | בִּקֵּֽעַ (biqea) = sneed hij open Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tifsach (תִּפְסַח, Tifsach): in 1 Kon. 5:4 is dat de stad aan de Eufraat. Voor Menachem vanuit Tirza is die ver weg. De ligging is hier onzeker. Voetnoot Uitleg: הֶהָרוֹתֶיהָ (heharotehah), ‘zwangere vrouwen’: wreedheid tegen zwangere vrouwen komt ook voor in 2 Kon. 8:12 en Amos 1:13. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier een andere plaatsnaam dan Tifsach. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 5:4; 2 Kon 8:12; Amos 1:13; Hos 14:1 ### Menachem, koning van Israël **15:17** In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menachem, de zoon van Gadi, koning over Israël. Hij regeerde 10 jaar in Samaria. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וָתֵ֨שַׁע֙ (vatesha) = en negen | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַעֲזַרְיָ֖ה (laazarya) = van Azaria | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | מְנַחֵ֨ם (menachem) = Menachem | בֶּן (ben) = zoon van | גָּדִ֧י (gadi) = Gadi | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | בְּשֹׁמְרֽוֹן (beshomeron) = in Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. **15:18** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Al zijn dagen week hij niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֠ר (sar) = week af | מֵעַ֨ל (meal) = van | חַטֹּ֜אות (chatovt) = de zonden van | יָרָבְעָ֧ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֛ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁר (asher) = die | הֶחֱטִ֥יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כָּל (kal) = alle | יָמָֽיו (yamav) = zijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:19** Pul, de koning van Assyrië, kwam het land binnen. Menachem gaf Pul 1.000 talent zilver, zodat Pul hem zou steunen en het koningschap in zijn hand sterk zou houden. Brontekst: בָּ֣א (ba) = kwam | פ֤וּל (pul) = Pul | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | עַל (al) = tegen | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en gaf | מְנַחֵם֙ (menachem) = Menachem | לְפ֔וּל (leful) = aan Pul | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | כִּכַּר (kikar) = talent | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | לִהְי֤וֹת (lihyot) = opdat zouden zijn | יָדָיו֙ (yadav) = zijn handen | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | לְהַחֲזִ֥יק (lehachaziq) = om vast te houden | הַמַּמְלָכָ֖ה (hamamlakha) = het koningschap | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Assyrië ligt in het noorden van het huidige Irak. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: פּוּל (Pul): de koning van Assyrië. Wij nemen aan dat Pul en Tiglat-Pileser (vers 29) dezelfde koning zijn, onder twee namen. Vergelijk 1 Kron. 5:26. Voetnoot : כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilogram. 1.000 talent zilver is dus ongeveer 34.000 kilogram. Voetnoot : יָדָיו אִתּוֹ (yadav ito), ‘zijn handen met hem’: zijn steun. Pul moest Menachem helpen om koning te blijven. Zie ook: 1 Kron 5:25–26; 1 Kron 5:26; 2 Kon 14:5; 2 Kon 15:29; 2 Kon 18:16; Hos 8:9–10; Jer 17:5 **15:20** Menachem legde het geld op aan Israël, aan alle vermogende mannen, om het aan de koning van Assyrië te geven. Dat was 50 sikkel zilver voor elke man. Toen keerde de koning van Assyrië terug. Hij bleef niet daar in het land. Brontekst: וַיֹּצֵא֩ (vayotse) = en haalde op | מְנַחֵ֨ם (menachem) = Menachem | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֜סֶף (hakesef) = het geld | עַל (al) = bij | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | עַ֚ל (al) = bij | כָּל (kal) = alle | גִּבּוֹרֵ֣י (giborei) = machtige mannen van | הַחַ֔יִל (hachayil) = het vermogen | לָתֵת֙ (latet) = om te geven | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | חֲמִשִּׁ֧ים (chamishim) = vijftig | שְׁקָלִ֛ים (sheqalim) = sikkel | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | לְאִ֣ישׁ (leish) = voor man | אֶחָ֑ד (echad) = een | וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en keerde terug | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וְלֹא (velo) = en niet | עָ֥מַד (amad) = bleef | שָׁ֖ם (sham) = daar | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹרֵי הַחַיִל (gibborei hachayil), ‘vermogende mannen’: letterlijk ‘helden van kracht’. Hier gaat het om mannen met bezit, die belasting konden betalen. Voetnoot : שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram. 50 sikkel is dus ongeveer 570 gram. Voetnoot : Een talent is 3.000 sikkel (Exod. 38:25–26). Wij rekenen: 1.000 talent is 3.000.000 sikkel. Gedeeld door 50 geeft dat 60.000 man. Zie ook: Job 1:3; Ex 38:25–26; Ruth 2:1; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:3–4; 2 Kon 23:35 **15:21** De rest van de geschiedenis van Menachem en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | מְנַחֵ֖ם (menachem) = Menachem | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הֲלוֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:22** Menachem ging liggen bij zijn vaderen. Zijn zoon Pekachja werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֥ב (vayishkav) = en ging liggen | מְנַחֵ֖ם (menachem) = Menachem | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | פְּקַחְיָ֥ה (peqachya) = Pekachja | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Pekachja, koning van Israël **15:23** In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekachja, de zoon van Menachem, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 2 jaar. Brontekst: בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar van | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַעֲזַרְיָ֖ה (laazarya) = van Azaria | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | פְּקַֽחְיָ֨ה (peqachya) = Pekachja | בֶן (ben) = zoon van | מְנַחֵ֧ם (menachem) = Menachem | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּשֹׁמְר֖וֹן (beshomeron) = in Samaria | שְׁנָתָֽיִם (shenatayim) = twee jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: Job 20:5; 1 Kon 15:25; 1 Kon 16:8; 1 Kon 22:52; 2 Kon 21:19 **15:24** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֗ר (sar) = week af | מֵֽחַטֹּאות֙ (mechatovt) = van de zonden van | יָרָבְעָ֣ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֔ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶחֱטִ֖יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 15:9; 2 Kon 15:18 **15:25** Pekach, de zoon van Remalja, zijn derde man, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij sloeg hem neer in Samaria, in de burcht van het huis van de koning. Ook Argob en Arjeh sloeg hij neer. Met hem waren 50 man van de Gileadieten. Hij doodde hem en werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּקְשֹׁ֣ר (vayiqshor) = en smeedde samenzwering | עָלָיו֩ (alav) = tegen hem | פֶּ֨קַח (peqach) = Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֜הוּ (remalyahu) = Remalja | שָׁלִישׁ֗וֹ (shalisho) = zijn derde man | וַיַּכֵּ֨הוּ (vayakehu) = en sloeg hem | בְשֹׁמְר֜וֹן (beshomeron) = in Samaria | בְּאַרְמ֤וֹן (bearmon) = in de burcht van | בֵּית (beit) = het huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | אַרְגֹּ֣ב (argov) = Argob | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַרְיֵ֔ה (haarye) = Arjeh | וְעִמּ֛וֹ (veimo) = en met hem | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אִ֖ישׁ (ish) = man | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | גִלְעָדִ֑ים (giladim) = Gileadieten | וַיְמִיתֵ֖הוּ (vaymitehu) = en doodde hem | וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en werd koning | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: שָׁלִישׁ (shalish), ‘derde man’: een man van hoge rang, vaak de derde man op de strijdwagen. Zie 1 Kon. 9:22. Voetnoot : אַרְמוֹן (armon), ‘burcht’: het sterkste deel van het paleis. Zie 1 Kon. 16:18. Voetnoot : אַרְגֹּב (Argov), ‘Argob’, en הָאַרְיֵה (ha’aryeh), ‘Arjeh’: het Hebreeuws zegt niet wie zij zijn. Wij nemen aan dat zij ook zijn gedood. Het kunnen ook mannen van Pekachja zijn, of van Pekach. Voetnoot : מִבְּנֵי גִלְעָדִים (mibnei gil’adim), ‘van de Gileadieten’: mannen uit Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘koning’ (מלך). De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘de koning’ (הַמֶּלֶךְ). Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kon 9:22; 1 Kon 16:9; 1 Kon 16:18; 2 Kon 9:5; 2 Kon 9:14; 2 Kon 15:10; 2 Kron 28:6 **15:26** De rest van de geschiedenis van Pekachja en alles wat hij deed: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël. Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | פְקַחְיָ֖ה (peqachya) = Pekachja | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הִנָּ֣ם (hinam) = zie zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Pekach, koning van Israël **15:27** In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekach, de zoon van Remalja, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 20 jaar. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | וּשְׁתַּ֨יִם֙ (ushtayim) = en twee | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַעֲזַרְיָ֖ה (laazarya) = van Azaria | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | פֶּ֣קַח (peqach) = Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֧הוּ (remalyahu) = Remalja | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּשֹׁמְר֖וֹן (beshomeron) = in Samaria | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: 2 Kon 15:8; 2 Kon 15:23; Jes 7:1; Jes 7:4; Jes 7:9 **15:28** Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֗ר (sar) = week af | מִן (min) = van | חַטֹּאות֙ (chatovt) = de zonden van | יָרָבְעָ֣ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֔ט (nevat) = Nebat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶחֱטִ֖יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 13:2; 2 Kon 13:6; 2 Kon 15:9; 2 Kon 15:18; 2 Kon 21:2 **15:29** In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam Tiglat-Pileser, de koning van Assyrië. Hij nam Ijjon in, Abel-Bet-Maächa, Janoach, Kedes, Chasor, Gilead en Galilea, heel het land Naftali. Hij voerde hen in ballingschap naar Assyrië. Brontekst: בִּימֵ֞י (bimei) = in de dagen van | פֶּ֣קַח (peqach) = Pekach | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | בָּא֮ (ba) = kwam | תִּגְלַ֣ת (tiglat) = Tiglat | פִּלְאֶסֶר֮ (pileser) = Pileser | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁוּר֒ (ashur) = Assyrië | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam in | אֶת (et) = (obj.) | עִיּ֡וֹן (iyon) = Ijjon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אָבֵ֣ל (avel) = Abel | בֵּֽית (beit) = Bet | מַעֲכָ֡ה (maakha) = Maächa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יָ֠נוֹחַ (yanoach) = Janoach | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קֶ֨דֶשׁ (qedesh) = Kedes | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חָצ֤וֹר (chatsor) = Chasor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַגִּלְעָד֙ (hagilad) = Gilead | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַגָּלִ֔ילָה (hagalila) = Galilea | כֹּ֖ל (kol) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | וַיַּגְלֵ֖ם (vayaglem) = en voerde hen weg | אַשּֽׁוּרָה (ashura) = naar Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ijjon (bij Tel Dibbin, Libanon), Abel-Bet-Maächa (Tel Abil el-Qamh, Israël), Kedes (Tel Qedesh, Israël) en Chasor (Tel Hatsor, Israël) liggen allemaal in het noorden van Israël. Dat is waarschijnlijk. Janoach ligt ook in het noorden, maar de precieze plek is onzeker. Gilead ligt ten oosten van de Jordaan. Galilea en het land Naftali liggen in het noorden van Israël. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: תִּגְלַת פִּלְאֶסֶר (tiglat pil’eser), ‘Tiglat-Pileser’: koning van Assyrië. In 1 Kron. 5:6 en 5:26 heet hij Tiglat-Pilneser. Voetnoot : וַיַּגְלֵם (vayyaglem), ‘hij voerde hen in ballingschap’: dit is de eerste keer in dit boek dat Assyrië mensen uit Israël wegvoert. Vergelijk 2 Kon. 17:6. Zie ook: Joz 20:7; 1 Kron 5:6; 1 Kron 5:26; 1 Kon 15:20; 2 Kon 16:7; 2 Kon 17:6 **15:30** Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekach, de zoon van Remalja. Hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats. Dat was in het twintigste jaar van Jotam, de zoon van Uzzia. Brontekst: וַיִּקְשָׁר (vayiqshar) = en smeedde | קֶ֜שֶׁר (qesher) = samenzwering | הוֹשֵׁ֣עַ (hoshea) = Hosea | בֶּן (ben) = zoon van | אֵלָ֗ה (ela) = Ela | עַל (al) = tegen | פֶּ֨קַח֙ (peqach) = Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֔הוּ (remalyahu) = Remalja | וַיַּכֵּ֨הוּ֙ (vayakehu) = en sloeg hem | וַיְמִיתֵ֔הוּ (vaymitehu) = en doodde hem | וַיִּמְלֹ֖ךְ (vayimlokh) = en werd koning | תַּחְתָּ֑יו (tachtav) = in zijn plaats | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | לְיוֹתָ֖ם (leyotam) = van Jotam | בֶּן (ben) = zoon van | עֻזִיָּֽה (uziya) = Uzzia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: dit is de koning, niet de profeet. Hij is de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘in het twintigste jaar van Jotam’. Jotam regeerde 16 jaar (vers 33). Wij vertalen letterlijk. De jaartallen in deze koningslijst hangen niet vanzelf samen. Zie ook 2 Kon. 17:1. Zie ook: 2 Kon 15:33; 2 Kon 17:1; 2 Kron 28:4–6; 2 Kron 28:16; Hos 10:7; Jes 7:1–9 **15:31** De rest van de geschiedenis van Pekach en alles wat hij deed: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël. Brontekst: וְיֶ֥תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵי (divrei) = de geschiedenis van | פֶ֖קַח (peqach) = Pekach | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הִנָּ֣ם (hinam) = zie zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Jotam, koning van Juda **15:32** In het tweede jaar van Pekach, de zoon van Remalja, de koning van Israël, werd Jotam koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. Brontekst: בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁתַּ֔יִם (shetayim) = twee | לְפֶ֥קַח (lefeqach) = van Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֖הוּ (remalyahu) = Remalja | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מָלַ֛ךְ (malakh) = werd koning | יוֹתָ֥ם (yotam) = Jotam | בֶּן (ben) = zoon van | עֻזִיָּ֖הוּ (uziyahu) = Uzzia | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֻזִּיָּהוּ (Uzziyyahu), ‘Uzzia’: dezelfde koning als Azaria in vers 1 (zie bij vers 1). Zie ook: 1 Kron 3:12; 2 Kon 15:1; 2 Kon 15:7; 2 Kon 15:23; Mat 1:9 **15:33** Hij was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | הָיָ֣ה (haya) = was hij | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | יְרוּשָׁ֖א (yerusha) = Jerusa | בַּת (bat) = dochter van | צָדֽוֹק (tsadoq) = Zadok Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְרוּשָׁא (Yerusha), ‘Jerusa’: de naam van zijn moeder. Een parallel verhaal over Jotam staat in 2 Kron. 27. Zie ook: 2 Kron 27:1 **15:34** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh. Hij deed alles zoals zijn vader Uzzia had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֧ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֛ה (asa) = had gedaan | עֻזִיָּ֥הוּ (uziyahu) = Uzzia | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | עָשָֽׂה (asa) = deed hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 15:3–4; 2 Kron 26:4–5; 2 Kron 27:2 **15:35** Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten. Hij bouwde de bovenste poort van het huis van Yahweh. Brontekst: רַ֤ק (raq) = alleen | הַבָּמוֹת֙ (habamot) = de hoogten | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֔רוּ (saru) = weken | ע֗וֹד (od) = nog | הָעָ֛ם (haam) = het volk | מְזַבְּחִ֥ים (mezabechim) = offerend | וּֽמְקַטְּרִ֖ים (umeqaterim) = en reukoffers brengend | בַּבָּמ֑וֹת (babamot) = op de hoogten | ה֗וּא (hu) = hij | בָּנָ֛ה (bana) = bouwde | אֶת (et) = (obj.) | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הָעֶלְיֽוֹן (haelyon) = de bovenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ‘bovenste poort’ van het huis van Yahweh is waarschijnlijk een poort aan de noordkant van het tempelplein in Jeruzalem. De precieze plek is onzeker. Zie Bovenste poort van het huis van Yahweh (ligging onzeker): De bovenste poort van het huis van Yahweh lag aan de noordkant van het tempelplein in Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ‘Huis van Yahweh’ is de tempel. Zie ook: 2 Kon 12:4; 2 Kon 15:4; 2 Kron 23:20; 2 Kron 27:3–9; 2 Kron 32:12 **15:36** De rest van de geschiedenis van Jotam, wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | יוֹתָ֖ם (yotam) = Jotam | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הֲלֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de geschiedenis van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = van de koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 15:6–7; 2 Kron 27:4–9 **15:37** In die dagen begon Yahweh Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remalja, tegen Juda te sturen. Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | הֵחֵ֣ל (hechel) = begon | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַשְׁלִ֨יחַ֙ (lehashliach) = te sturen | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = tegen Juda | רְצִ֖ין (retsin) = Rezin | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | פֶּ֥קַח (peqach) = Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָֽהוּ (remalyahu) = Remalja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: רְצִין (Retsin), ‘Rezin’: koning van Aram, met zijn hoofdstad Damascus. Hij en Pekach trekken samen tegen Juda. Vergelijk Jes. 7:1. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt dat Yahweh hen begon te sturen. Wat hier begint, staat verder in 2 Kon. 16:5–9. Zie ook: 2 Kon 16:5; Hos 5:12–13; Jes 7:1; Jer 25:29; Jer 43:10 **15:38** Jotam ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en ging liggen | יוֹתָם֙ (yotam) = Jotam | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקָּבֵר֙ (vayiqaver) = en werd begraven | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֖יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֣ד (david) = David | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אָחָז (Achaz), ‘Achaz’: de zoon van Jotam. Zijn regering staat in 2 Kon. 16. Zie ook: 1 Kon 1:2; 1 Kon 14:20; 1 Kon 14:31; 2 Kron 28:1; Mat 1:9 ## 2 Koningen 16 _Achaz van Juda: het altaar uit Damascus_ ### Achaz, koning van Juda **16:1** In het zeventiende jaar van Pekach, de zoon van Remalja, werd Achaz, de zoon van Jotam, koning van Juda. Brontekst: בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar van | שְׁבַֽע (sheva) = zeven | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְפֶ֖קַח (lefeqach) = van Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֑הוּ (remalyahu) = Remalja | מָלַ֛ךְ (malakh) = werd koning | אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹתָ֖ם (yotam) = Jotam | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָחָז (Achaz), ‘Achaz’: de zoon van Jotam (2 Kon. 15:32–38). De oorlog van Rezin en Pekach tegen hem staat ook in Jes. 7:1–9 en 2 Kron. 28:5–8. Pekach staat in 2 Kon. 15:25–31. Zie ook: 2 Kon 15:25–31; 2 Kon 15:27–30; 2 Kon 15:32–33; 2 Kron 28:1–4; 2 Kron 28:5–8; Jes 1:1; Jes 7:1–9; Mi 1:1 **16:2** Achaz was 20 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. Hij deed niet wat juist was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim, zoals David, zijn vader, had gedaan. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | אָחָ֣ז (achaz) = Achaz | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְלֹא (velo) = en niet | עָשָׂ֣ה (asa) = deed hij | הַיָּשָׁ֗ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֛י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֖יו (elohav) = zijn Elohim | כְּדָוִ֥ד (kedavid) = zoals David | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Leeftijd en regeringsduur geven wij letterlijk zoals in de Masoretische tekst. Zie ook 2 Kron. 28:1. Zie ook: 1 Kon 3:14; 1 Kon 11:4–8; 2 Kron 17:3; 2 Kron 28:1–4; 2 Kron 34:2–3 **16:3** Hij liep op de weg van de koningen van Israël. Hij liet zelfs zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven. Brontekst: וַיֵּ֕לֶךְ (vayelekh) = en liep | בְּדֶ֖רֶךְ (bederekh) = op de weg van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְגַ֤ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | הֶעֱבִ֣יר (heevir) = liet doorgaan | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = door het vuur | כְּתֹֽעֲבוֹת֙ (ketoavot) = naar de gruwelen van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הוֹרִ֤ישׁ (horish) = verdreef | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֹתָ֔ם (otam) = hen | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶעֱבִיר בָּאֵשׁ (he’evir ba’esh), ‘door het vuur laten gaan’: een kind aan een afgod wijden, met vuur. Het is verboden in Lev. 18:21 en Deut. 18:10. Voetnoot : תּוֹעֲבוֹת (to’evot), ‘gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt (Deut. 18:9). De volken die Yahweh verdreef, zijn de volken van Kanaän. Zie ook: Lev 18:21; Deut 12:31; Deut 18:9; Deut 18:10; Ps 106:37–38; 2 Kon 21:2; 2 Kon 21:11 **16:4** Hij bracht offers en liet offerrook opgaan op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom. Brontekst: וַיְזַבֵּ֧חַ (vayzabeach) = en offerde | וַיְקַטֵּ֛ר (vayqater) = en liet offerrook opgaan | בַּבָּמ֖וֹת (babamot) = op de hoogten | וְעַל (veal) = en op | הַגְּבָע֑וֹת (hagevaot) = de heuvels | וְתַ֖חַת (vetachat) = en onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֥ץ (ets) = boom | רַעֲנָֽן (raanan) = groene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergtoppen, vaak met altaar en gewijde stenen. Yahweh had ze verboden (Deut. 12:2–3). Voetnoot : קִטֵּר (qitter), ‘in rook laten opgaan’: het vuur laten branden zodat de rook opstijgt. Wij vertalen ‘offerrook laten opgaan’. Zie ook: Deut 12:2; 1 Kon 14:23; Jes 57:5–7; Jes 65:4; Jes 66:17 ### Rezin en Pekach trekken tegen Jeruzalem op **16:5** Toen trokken Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remalja, de koning van Israël, op naar Jeruzalem om te strijden. Zij sloten Achaz in, maar zij konden geen strijd leveren. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = trok op | רְצִ֣ין (retsin) = Rezin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲ֠רָם (aram) = Aram | וּפֶ֨קַח (ufeqach) = en Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֧הוּ (remalyahu) = Remalja | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = naar Jeruzalem | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = om te strijden | וַיָּצֻ֨רוּ֙ (vayatsuru) = en zij sloten in | עַל (al) = tegen | אָחָ֔ז (achaz) = Achaz | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָכְל֖וּ (yakhelu) = konden zij | לְהִלָּחֵֽם (lehilachem) = strijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְלֹא יָכְלוּ לְהִלָּחֵם (velo yakhelu lehillachem), letterlijk ‘en zij konden niet strijden’. De betekenis is: zij konden Achaz en de stad niet overweldigen. Wij vertalen ‘zij konden geen strijd leveren’. Zie ook Jes. 7:1 en 2 Kron. 28:5–8. Zie ook: 2 Kon 15:37; 2 Kron 28:5–8; Jes 7:1–9; Jes 7:14; Jes 8:9–10; Jes 9:5–6 **16:6** In die tijd bracht Rezin, de koning van Aram, Elat terug aan Aram. Hij verdreef de Judeeërs uit Elat. Edomieten kwamen naar Elat en gingen daar wonen, tot op de dag van vandaag. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | הֵ֠שִׁיב (heshiv) = bracht terug | רְצִ֨ין (retsin) = Rezin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֤ם (aram) = Aram | אֶת (et) = (obj.) | אֵילַת֙ (eilat) = Elat | לַֽאֲרָ֔ם (laaram) = aan Aram | וַיְנַשֵּׁ֥ל (vaynashel) = en verdreef | אֶת (et) = (obj.) | הַיְהוּדִ֖ים (hayhudim) = de Judeeërs | מֵֽאֵיל֑וֹת (meeilot) = uit Elot | וַֽאֲדוֹמִים֙ (vaadomim) = en Edomieten | בָּ֣אוּ (bau) = kwamen | אֵילַ֔ת (eilat) = naar Elat | וַיֵּ֣שְׁבוּ (vayeshevu) = en woonden | שָׁ֔ם (sham) = daar | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat. Voetnoot Uitleg: Elat (אֵילַת, Eilat) lag aan de noordpunt van de Golf van Akaba, bij het huidige Eilat (Israël) en Akaba (Jordanië). De juiste plek van het oude Elat is onzeker. Zie ook 1 Kon. 9:26 en 2 Kon. 14:22. Voetnoot : In dit vers staat Elat eerst als אֵילַת (Eilat) en daarna als אֵילוֹת (Eilot). Het is dezelfde plaats. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Arameeën’ (וארמים), het qere heeft ‘Edomieten’ (וַאֲדוֹמִים). In het Hebreeuws lijken de letters ד (dalet) en ר (resh) sterk op elkaar. Wij volgen het qere. Zie ook: Deut 2:8; 1 Kon 9:26; 2 Kon 14:22; 2 Kron 26:2 ### Achaz vraagt hulp aan Assyrië **16:7** Achaz stuurde boden naar Tiglat-Pileser, de koning van Assyrië, met de woorden: „Ik ben uw dienaar en uw zoon. Trek op en red mij uit de hand van de koning van Aram en uit de hand van de koning van Israël. Zij staan tegen mij op.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en stuurde | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | מַלְאָכִ֗ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | תִּ֠גְלַת (tiglat) = Tiglat | פְּלֶ֤סֶר (peleser) = Pileser | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | עַבְדְּךָ֥ (avdekha) = uw dienaar | וּבִנְךָ֖ (uvinkha) = en uw zoon | אָ֑נִי (ani) = ik | עֲלֵ֨ה (ale) = ga omhoog | וְהוֹשִׁעֵ֜נִי (vehoshieni) = en red mij | מִכַּ֣ף (mikaf) = uit de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֗ם (aram) = Aram | וּמִכַּף֙ (umikaf) = en uit de hand van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַקּוֹמִ֖ים (haqomim) = die opstaan | עָלָֽי (alay) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: תִּגְלַת פִּלְסֶר (Tiglat-Pileser), ‘Tiglat-Pileser’: koning van Assyrië. Hij komt ook voor in 2 Kon. 15:19, 29. In 1 Kron. 5:6, 26 en 2 Kron. 28:20 staat de vorm Tiglat-Pilneser (תִּלְּגַת פִּלְנֶאסֶר); het is dezelfde koning. Voetnoot : עַבְדְּךָ וּבִנְךָ (avdekha uvinkha), ‘uw dienaar en uw zoon’: Achaz stelt zich onder de macht van de Assyrische koning, als vazal. Zie ook: 1 Kron 5:6; 1 Kon 20:4; 1 Kon 20:32–33; 2 Kon 15:19; 2 Kon 15:29; 2 Kron 28:16; 2 Kron 28:20; Hos 14:4 **16:8** Achaz nam het zilver en het goud. Dat was te vinden in het huis van Yahweh en in de schatkamers van het huis van de koning. Hij stuurde het als geschenk naar de koning van Assyrië. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֣סֶף (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | הַנִּמְצָא֙ (hanimtsa) = dat gevonden werd | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְאֹֽצְר֖וֹת (uveotserot) = en in de schatkamers van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en stuurde | לְמֶֽלֶךְ (lemelekh) = naar de koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | שֹֽׁחַד (shochad) = een geschenk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: שֹׁחַד (shochad), ‘geschenk’: hier een betaling om de steun van de koning te kopen. Vergelijk 1 Kon. 15:18–19, waar Asa hetzelfde doet. Zie ook: Ps 7:16–17; 1 Kon 15:18–19; 2 Kon 12:18–19; 2 Kon 18:15–16; 2 Kron 28:20–21; Jes 8:7–8 **16:9** De koning van Assyrië luisterde naar hem. De koning van Assyrië trok op naar Damascus, nam de stad in en voerde de inwoners weg naar Kir. Rezin doodde hij. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en luisterde | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וַיַּעַל֩ (vayaal) = en trok op | מֶ֨לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֤וּר (ashur) = Assyrië | אֶל (el) = naar | דַּמֶּ֨שֶׂק֙ (dameseq) = Damascus | וַֽיִּתְפְּשֶׂ֔הָ (vayitpeseha) = en nam het in | וַיַּגְלֶ֖הָ (vayagleha) = en voerde weg | קִ֑ירָה (qira) = naar Kir | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רְצִ֖ין (retsin) = Rezin | הֵמִֽית (hemit) = doodde hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Damascus (דַּמֶּשֶׂק) is de hoofdstad van Aram, het huidige Damascus (Syrië). Kir (קִיר) ligt waarschijnlijk in Mesopotamië of Elam; de ligging is onzeker. Zie ook Amos 1:5. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt geen voorwerp bij ‘weggevoerd’. Wij vullen ‘de inwoners’ aan. Zie ook: 2 Kron 28:5; 2 Kron 28:21; Amos 1:3–5; Amos 1:5; Amos 9:7; Jes 22:6 ### Het altaar uit Damascus **16:10** Koning Achaz ging naar Damascus om Tiglat-Pileser, de koning van Assyrië, te ontmoeten. Daar zag hij het altaar dat in Damascus stond. Koning Achaz stuurde aan de priester Uria een afbeelding van het altaar en een model ervan, voor de hele uitvoering. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֡ז (achaz) = Achaz | לִ֠קְרַאת (liqrat) = om te ontmoeten | תִּגְלַ֨ת (tiglat) = Tiglat | פִּלְאֶ֤סֶר (pileser) = Pileser | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | דּוּמֶּ֔שֶׂק (dumeseq) = naar Damascus | וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּדַמָּ֑שֶׂק (bedamaseq) = in Damascus | וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en stuurde | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | אֶל (el) = naar | אוּרִיָּ֣ה (uriya) = Uria | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | דְּמ֧וּת (demut) = de afbeelding van | הַמִּזְבֵּ֛חַ (hamizbeach) = het altaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּבְנִית֖וֹ (tavnito) = zijn model | לְכָֽל (lekhal) = voor heel | מַעֲשֵֽׂהוּ (maasehu) = zijn uitvoering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: דְּמוּת (demut), ‘afbeelding’, en תַּבְנִית (tavnit), ‘model’: tavnit is ook het woord voor het voorbeeld van de tabernakel in Exod. 25:9. Voetnoot : De priester Uria (אוּרִיָּה) is een andere man dan Uria de Hethiet (2 Sam. 11). Zie ook: Ex 25:9; Deut 12:30; Ps 106:39; Jes 8:2; Ezech 23:16–17; Rom 12:2 **16:11** De priester Uria bouwde het altaar. Hij deed alles zoals koning Achaz het uit Damascus had gestuurd. Zo deed de priester Uria, totdat koning Achaz uit Damascus kwam. Brontekst: וַיִּ֛בֶן (vayiven) = en bouwde | אוּרִיָּ֥ה (uriya) = Uria | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | כְּכֹ֣ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | שָׁלַח֩ (shalach) = stuurde | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | מִדַּמֶּ֗שֶׂק (midameseq) = uit Damascus | כֵּ֤ן (ken) = zo | עָשָׂה֙ (asa) = deed | אוּרִיָּ֣ה (uriya) = Uria | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | עַד (ad) = tot | בּ֥וֹא (bo) = het komen van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֖ז (achaz) = Achaz | מִדַּמָּֽשֶׂק (midamaseq) = uit Damascus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie ook: Jes 8:2; Jer 23:11; Ezech 22:26; Mal 2:7–9; Gal 1:10 **16:12** Koning Achaz kwam uit Damascus en zag het altaar. De koning ging naar het altaar toe en klom erop. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | מִדַּמֶּ֔שֶׂק (midameseq) = uit Damascus | וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וַיִּקְרַ֥ב (vayiqrav) = en naderde | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = tot | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en ging omhoog | עָלָֽיו (alav) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: De koning klimt zelf op het altaar om offers te brengen. Dat deed ook Jerobeam (1 Kon. 12:33). Zie ook: Num 18:4–7; 1 Kon 12:33; 1 Kon 13:1; 2 Kron 26:16–19; 2 Kron 28:23; 2 Kron 28:25 **16:13** Hij liet zijn brandoffer en zijn graanoffer in rook opgaan. Hij goot zijn plengoffer uit en sprenkelde het bloed van zijn vredeoffers op het altaar. Brontekst: וַיַּקְטֵ֤ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | אֶת (et) = (obj.) | עֹֽלָתוֹ֙ (olato) = zijn brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִנְחָת֔וֹ (minchato) = zijn graanoffer | וַיַּסֵּ֖ךְ (vayasekh) = en goot uit | אֶת (et) = (obj.) | נִסְכּ֑וֹ (nisko) = zijn plengoffer | וַיִּזְרֹ֛ק (vayizroq) = en sprenkelde | אֶת (et) = (obj.) | דַּֽם (dam) = het bloed van | הַשְּׁלָמִ֥ים (hashelamim) = de vredeoffers | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֖וֹ (lo) = van hem | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vier offers: het brandoffer (עֹלָה, olah; Lev. 1), het graanoffer (מִנְחָה, minchah; Lev. 2), het plengoffer (נֶסֶךְ, nesech; Num. 15:5) en het vredeoffer (שְׁלָמִים, shelamim; Lev. 3). Zie ook: Lev 1:1–3; Num 15:5 **16:14** Het koperen altaar stond voor het aangezicht van Yahweh. Dat verplaatste hij van de voorkant van het huis, van tussen het nieuwe altaar en het huis van Yahweh. Hij zette het aan de noordzijde van het nieuwe altaar. Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְבַּ֣ח (hamizbach) = het altaar | הַנְּחֹשֶׁת֮ (hanechoshet) = het koperen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וַיַּקְרֵ֗ב (vayaqrev) = en liet naderen | מֵאֵת֙ (meet) = van voor | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | מִבֵּין֙ (mibein) = van tussen | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וּמִבֵּ֖ין (umibein) = en van tussen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en zette | אֹת֛וֹ (oto) = het | עַל (al) = op | יֶ֥רֶךְ (yerekh) = de zijde van | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | צָפֽוֹנָה (tsafona) = naar het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het koperen altaar is het altaar van Salomo (1 Kon. 8:64; 2 Kron. 4:1). Achaz zet het opzij voor het nieuwe altaar. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt twee keer ‘het altaar’ (hamizbeach). Wij lezen dat als het nieuwe altaar, dat Uria naar het model uit Damascus had gebouwd, en voegen daarom ‘nieuwe’ toe. Zie ook: Ex 40:6; Ex 40:29; 1 Kon 8:64; 2 Kon 16:11; 2 Kron 4:1; Mat 23:35 **16:15** Koning Achaz gaf de priester Uria dit bevel. „Laat op het grote altaar het brandoffer van de morgen en het graanoffer van de avond in rook opgaan. Doe dat ook met het brandoffer van de koning en zijn graanoffer. Doe dat ook met het brandoffer van heel het volk van het land, hun graanoffer en hun plengoffers. Sprenkel er al het bloed van het brandoffer en al het bloed van het slachtoffer op. Het koperen altaar zal voor mij zijn, om te raadplegen.” Brontekst: וַיְצַוֶּ֣ה (vaytsave) = en gebood | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning | אָ֠חָז (achaz) = Achaz | אֶת (et) = (obj.) | אוּרִיָּ֨ה (uriya) = Uria | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | עַ֣ל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֣חַ (hamizbeach) = het altaar | הַגָּד֡וֹל (hagadol) = het grote | הַקְטֵ֣ר (haqter) = laat in rook opgaan | אֶת (et) = (obj.) | עֹֽלַת (olat) = het brandoffer van | הַבֹּקֶר֩ (haboqer) = de morgen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִנְחַ֨ת (minchat) = het graanoffer van | הָעֶ֜רֶב (haerev) = de avond | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | עֹלַ֧ת (olat) = het brandoffer van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִנְחָת֗וֹ (minchato) = zijn graanoffer | וְ֠אֵת (veet) = en (obj.) | עֹלַ֞ת (olat) = het brandoffer van | כָּל (kal) = heel | עַ֤ם (am) = het volk van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | וּמִנְחָתָ֣ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֔ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | וְכָל (vekhal) = en al | דַּ֥ם (dam) = het bloed van | עֹלָ֛ה (ola) = brandoffer | וְכָל (vekhal) = en al | דַּם (dam) = het bloed van | זֶ֖בַח (zevach) = slachtoffer | עָלָ֣יו (alav) = daarop | תִּזְרֹ֑ק (tizroq) = sprenkel | וּמִזְבַּ֧ח (umizbach) = en het altaar | הַנְּחֹ֛שֶׁת (hanechoshet) = het koperen | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לִּ֖י (li) = voor mij | לְבַקֵּֽר (levaqer) = om te raadplegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De dagelijkse offers staan in Exod. 29:38–42 en Num. 28:3–8. Hier noemt de tekst het brandoffer ’s morgens en het graanoffer ’s avonds. Voetnoot Lezing: לְבַקֵּר (levaqqer), ‘om te raadplegen’: de betekenis is onzeker. Het werkwoord kan ‘onderzoeken’, ‘uitzoeken’ of ‘raadplegen’ betekenen (vergelijk Ps. 27:4). Het Hebreeuws zegt niet wat Achaz hiermee wil doen. Voetnoot : Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘en hij gebood hem’ (ויצוהו), het qere ‘en hij gebood’. De betekenis is gelijk. Zie ook: Ex 29:38–42; Ex 29:39–41; Num 28:2–10; Num 28:3–8; Ps 27:4; 1 Kon 8:64; 2 Kon 18:4; 2 Kron 29:21–24 **16:16** De priester Uria deed alles wat koning Achaz hem had geboden. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en deed | אוּרִיָּ֣ה (uriya) = Uria | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | כְּכֹ֥ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖ה (tsiva) = gebood | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָֽז (achaz) = Achaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 16:11; Hand 4:19; Hand 5:29; 1 Tess 2:4; Jud 1:11 ### Achaz verandert het huis van Yahweh **16:17** Koning Achaz hakte de panelen van de onderstellen af en nam het wasbekken ervan weg. Hij haalde ook de zee van de koperen runderen die eronder stonden naar beneden en zette haar op een plaveisel van stenen. Brontekst: וַיְקַצֵּץ֩ (vayqatsets) = en hakte af | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּסְגְּר֣וֹת (hamisgerot) = de panelen | הַמְּכֹנ֗וֹת (hamekhonot) = van de onderstellen | וַיָּ֤סַר (vayasar) = en nam weg | מֵֽעֲלֵיהֶם֙ (mealeihem) = van hen | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּיֹּ֔ר (hakiyor) = het wasbekken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | הוֹרִ֔ד (horid) = haalde hij omlaag | מֵעַ֛ל (meal) = van boven | הַבָּקָ֥ר (habaqar) = de runderen | הַנְּחֹ֖שֶׁת (hanechoshet) = de koperen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תַּחְתֶּ֑יהָ (tachteiha) = onder haar | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en zette | אֹת֔וֹ (oto) = haar | עַ֖ל (al) = op | מַרְצֶ֥פֶת (martsefet) = een plaveisel van | אֲבָנִֽים (avanim) = stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De panelen van de onderstellen, het wasbekken en de zee zijn de koperen werken van Salomo (1 Kon. 7:23–39). De zee stond op twaalf koperen runderen (1 Kon. 7:25). Het Hebreeuws zegt niet waarom Achaz ze wegneemt. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft vóór ‘de zee’ ‘en’ en het voorwerpsteken (ואת); het qere leest alleen אֶת. De betekenis is gelijk. Wij vertalen de geschreven vorm met ‘ook’. Zie ook: 1 Kon 7:23–39; 1 Kon 7:25; 2 Kon 25:13–16; 2 Kron 4:14–15; 2 Kron 28:24; 2 Kron 29:19; Jer 52:20 **16:18** De overdekte plaats voor de sabbat, die zij in het huis hadden gebouwd, verplaatste hij bij het huis van Yahweh. Ook de buitenste ingang van de koning verplaatste hij, vanwege de koning van Assyrië. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מוּסַ֨ךְ (musakh) = de overdekte plaats van | הַשַּׁבָּ֜ת (hashabat) = de sabbat | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּנ֣וּ (banu) = zij bouwden | בַבַּ֗יִת (babayit) = in het huis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מְב֤וֹא (mevo) = de ingang van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַֽחִיצ֔וֹנָה (hachitsona) = de buitenste | הֵסֵ֖ב (hesev) = verplaatste hij | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Lezing: מוּסַךְ (musakh), ‘overdekte plaats’: dit woord komt alleen hier voor. Het geschreven woord (ketiv) heeft מיסך (meisakh). Wij vertalen naar de stam סכך (sakakh), ‘bedekken’. Wat het precies was, is onzeker. Voetnoot : הֵסֵב בֵּית יְהוָה (hesev beit Yahweh): het werkwoord betekent ‘draaien, verplaatsen’. De zin kan betekenen dat hij het uit het huis van Yahweh weghaalde, of dat hij het in het huis van Yahweh veranderde. Wij vertalen neutraal ‘verplaatste hij bij het huis van Yahweh’. Zie ook: 1 Kon 10:5; 2 Kon 11:5; Ezech 46:2 ### Het einde van Achaz **16:19** De rest van de geschiedenis van Achaz en wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | אָחָ֖ז (achaz) = Achaz | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = deed hij | הֲלֹא (halo) = is niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֛פֶר (sefer) = het boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor de koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayyamim), letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’. Wij vertalen ‘dagboek’: een hofkroniek van de koningen van Juda. Het is niet het bijbelboek Kronieken. Zie 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 14:19; 1 Kon 14:29; 2 Kon 15:6–7; 2 Kon 15:38; 2 Kon 20:20–21; 2 Kron 28:26 **16:20** Achaz ging liggen bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Hizkia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en lag neer | אָחָז֙ (achaz) = Achaz | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקָּבֵ֥ר (vayiqaver) = en werd begraven | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | חִזְקִיָּ֥הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חִזְקִיָּהוּ (Chizkiyyahu), ‘Hizkia’: de naam betekent ‘Yahweh maakt sterk’. Voetnoot : 2 Kron. 28:27 vertelt dat Achaz in Jeruzalem werd begraven, maar niet in de graven van de koningen van Israël. Zie ook: 2 Kon 18:1; 2 Kron 28:27; Hos 1:1; Jes 1:1; Mi 1:1; Mat 1:9 ## 2 Koningen 17 _Hosea, de val van Samaria en de volken in het land_ ### Hosea, de laatste koning van Israël **17:1** In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning in Samaria over Israël. Hij regeerde 9 jaar. Brontekst: בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar van | שְׁתֵּ֣ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֔ה (esre) = tien | לְאָחָ֖ז (leachaz) = van Achaz | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | מָ֠לַךְ (malakh) = werd koning | הוֹשֵׁ֨עַ (hoshea) = Hosea | בֶּן (ben) = zoon van | אֵלָ֧ה (ela) = Ela | בְשֹׁמְר֛וֹן (beshomeron) = in Samaria | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תֵּ֥שַׁע (tesha) = negen | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: de naam betekent ‘redding’. Hosea is de laatste koning van Israël. Hij kwam aan de macht na een samenzwering tegen Pekach (2 Kon. 15:30). Dezelfde naam droeg Jozua eerst (Num. 13:8, 16). Voetnoot : Wij geven de getallen letterlijk. Hoe het twaalfde jaar van Achaz zich verhoudt tot de jaren in 2 Kon. 15:30 en 15:32, is niet eenvoudig vast te stellen. Zie ook: Num 13:8; 2 Kon 15:30; 2 Kon 15:32 **17:2** Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, maar niet zoals de koningen van Israël die vóór hem waren. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | רַ֗ק (raq) = alleen | לֹ֚א (lo) = niet | כְּמַלְכֵ֣י (kemalkhei) = zoals de koningen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָי֖וּ (hayu) = waren | לְפָנָֽיו (lefanav) = vóór hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַק לֹא כְּמַלְכֵי יִשְׂרָאֵל (raq lo kemalkhei Yisra’el), ‘maar niet zoals de koningen van Israël’: het Hebreeuws zegt niet waarin Hosea beter was dan zijn voorgangers. Zie ook: 2 Kon 13:2; 2 Kon 13:11; 2 Kon 15:9; 2 Kon 15:18; 2 Kon 15:24 ### Salmaneser en Hosea **17:3** Tegen hem trok Salmaneser, de koning van Assyrië, op. Hosea werd zijn dienaar en betaalde hem schatting. Brontekst: עָלָ֣יו (alav) = tegen hem | עָלָ֔ה (ala) = trok op | שַׁלְמַנְאֶ֖סֶר (shalmaneser) = Salmaneser | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וַֽיְהִי (vayhi) = en werd | ל֤וֹ (lo) = voor hem | הוֹשֵׁ֨עַ֙ (hoshea) = Hosea | עֶ֔בֶד (eved) = dienaar | וַיָּ֥שֶׁב (vayashev) = en bracht terug | ל֖וֹ (lo) = aan hem | מִנְחָֽה (mincha) = schatting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: שַׁלְמַנְאֶסֶר (Shalmaneser), ‘Salmaneser’: koning van Assyrië. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘schatting’: hier is het niet het graanoffer, maar een betaling aan een overheerser. Vergelijk 2 Sam. 8:2, waar Moab schatting brengt aan David. Zie ook: 2 Sam 8:2; 2 Kon 15:29; 2 Kon 18:9–16; 2 Kon 18:31; Hos 10:14; Jes 10:11–12 **17:4** De koning van Assyrië ontdekte een samenzwering bij Hosea. Hosea had boden gestuurd naar So, de koning van Egypte. Hij bracht de koning van Assyrië geen schatting meer, zoals hij dat jaar na jaar had gedaan. Toen sloot de koning van Assyrië hem op en bond hem in de gevangenis. Brontekst: וַיִּמְצָא֩ (vayimtsa) = en vond | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֨וּר (ashur) = Assyrië | בְּהוֹשֵׁ֜עַ (behoshea) = bij Hosea | קֶ֗שֶׁר (qesher) = een samenzwering | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | שָׁלַ֤ח (shalach) = hij had gestuurd | מַלְאָכִים֙ (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | ס֣וֹא (so) = So | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְלֹא (velo) = en niet | הֶעֱלָ֥ה (heela) = bracht hij op | מִנְחָ֛ה (mincha) = schatting | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | כְּשָׁנָ֣ה (keshana) = zoals jaar | בְשָׁנָ֑ה (beshana) = in jaar | וַֽיַּעַצְרֵ֨הוּ֙ (vayaatsrehu) = en sloot hem op | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וַיַּאַסְרֵ֖הוּ (vayaasrehu) = en bond hem | בֵּ֥ית (beit) = huis van | כֶּֽלֶא (kele) = gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: סוֹא (So), ‘So’: een koning van Egypte. Wie hij was, is onzeker. Voetnoot : קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: hier verzet tegen de oppermacht van Assyrië. Hosea zocht steun bij Egypte en hield op met betalen. Zie ook: Ps 149:7–8; 2 Kon 18:21; 2 Kon 24:20; 2 Kron 32:11; Jes 31:1–3 ### Samaria wordt ingenomen **17:5** De koning van Assyrië trok door het hele land. Hij trok op naar Samaria en belegerde de stad drie jaar. Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en trok op | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | בְּכָל (bekhal) = door heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en trok op | שֹׁמְר֔וֹן (shomeron) = naar Samaria | וַיָּ֥צַר (vayatsar) = en belegerde | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = haar | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Samaria (שֹׁמְרוֹן, Shomron) lag op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ongeveer 11 km ten noordwesten van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Zie ook 2 Kon. 18:9–11. Zie ook: 2 Kon 18:9; 2 Kon 25:1–3; Hos 14:1; Jer 52:4–5 **17:6** In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in. Hij voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Chalach en aan de Chabor, de rivier van Gozan, en in de steden van Medië. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | הַתְּשִׁיעִ֜ית (hateshiit) = de negende | לְהוֹשֵׁ֗עַ (lehoshea) = van Hosea | לָכַ֤ד (lakhad) = nam in | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁ֣מְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | וַיֶּ֥גֶל (vayegel) = en voerde weg | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אַשּׁ֑וּרָה (ashura) = naar Assyrië | וַיֹּ֨שֶׁב (vayoshev) = en liet wonen | אֹתָ֜ם (otam) = hen | בַּחְלַ֧ח (bachlach) = in Chalach | וּבְחָב֛וֹר (uvechavor) = en aan de Chabor | נְהַ֥ר (nehar) = rivier van | גּוֹזָ֖ן (gozan) = Gozan | וְעָרֵ֥י (vearei) = en de steden van | מָדָֽי (maday) = Medië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Chalach en Hara (ligging onzeker): Chalach en Hara waren gebieden in het noorden van Mesopotamië, bij de Chabor en de Gozan, waarheen Assyrië Israëlieten wegvoerde. De precieze plaats is niet zeker. Zie Chabor: De Chabor is een zijrivier van de Eufraat in het noordoosten van Syrië. Daar liggen de gebieden waarheen Israël in ballingschap werd gevoerd. Zie Gozan (Tell Halaf): Gozan lag aan de Chabor, bij het huidige Tell Halaf, in het noordoosten van Syrië. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: Chalach (חֲלַח) was een streek in Assyrië; de ligging is onzeker. De Chabor (חָבוֹר) is een zijrivier van de Eufraat in het noordoosten van het huidige Syrië. Gozan (גּוֹזָן) wordt gezocht bij Tell Halaf aan de Chabor (waarschijnlijk). Medië (מָדַי) lag ten oosten van Assyrië, in het noordwesten van het huidige Iran. Zie ook 1 Kron. 5:26. Voetnoot : Met de inname van Samaria eindigt het koninkrijk Israël, ongeveer in 722 voor Christus. Zie ook: Deut 28:64; 1 Kron 5:26; 2 Kon 18:10–11; Amos 5:27; Hos 14:1 ### Waarom Israël werd weggevoerd **17:7** Dit gebeurde omdat de zonen van Israël gezondigd hadden tegen Yahweh, hun Elohim. Hij had hen uit het land Egypte laten optrekken, van onder de hand van Farao, de koning van Egypte. Zij vreesden andere goden. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּֽי (ki) = omdat | חָטְא֤וּ (chateu) = zondigden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | הַמַּעֲלֶ֤ה (hamaale) = die liet optrekken | אֹתָם֙ (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מִתַּ֕חַת (mitachat) = van onder | יַ֖ד (yad) = de hand van | פַּרְעֹ֣ה (paro) = Farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיִּֽירְא֖וּ (vayireu) = en vreesden | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot vers 23 legt de schrijver uit waarom Israël werd weggevoerd. Voetnoot : וַיִּרְאוּ אֱלֹהִים אֲחֵרִים (vayyire’u elohim acherim), ‘zij vreesden andere goden’: vrezen is hier eerbied tonen en dienen. Vergelijk Exod. 20:2–3 en Deut. 6:13–14. Zie ook: Ex 20:2; Deut 6:13–14; Joz 23:16; Re 2:14–17; 2 Kon 17:23; Jer 10:5; Neh 9:26 **17:8** Zij liepen in de voorschriften van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven. Ook liepen zij in wat de koningen van Israël hadden ingesteld. Brontekst: וַיֵּֽלְכוּ֙ (vayelekhu) = en liepen | בְּחֻקּ֣וֹת (bechuqot) = in de voorschriften van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | הוֹרִ֣ישׁ (horish) = verdreef | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּמַלְכֵ֥י (umalkhei) = en van de koningen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשֽׂוּ (asu) = zij hadden ingesteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וּמַלְכֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר עָשׂוּ (umalkhei Yisra’el asher asu), letterlijk ‘en de koningen van Israël, wat zij maakten’. Het woord ‘voorschriften’ wordt niet herhaald, en het is niet duidelijk of ‘zij’ de koningen of het volk zijn. Wij vertalen ‘in wat de koningen van Israël hadden ingesteld’. Voetnoot : Vergelijk Lev. 18:3. Zie ook: Lev 18:3; Deut 18:9; 2 Kon 16:3; 2 Kon 16:10; 2 Kon 17:19 **17:9** De zonen van Israël deden in het geheim dingen die niet juist waren tegenover Yahweh, hun Elohim. Zij bouwden voor zich hoogten in al hun steden, van de wachttoren tot de versterkte stad. Brontekst: וַיְחַפְּא֣וּ (vaychapeu) = en deden heimelijk | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | דְּבָרִים֙ (devarim) = dingen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | כֵ֔ן (ken) = juist | עַל (al) = tegen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיִּבְנ֨וּ (vayivnu) = en bouwden | לָהֶ֤ם (lahem) = voor zich | בָּמוֹת֙ (bamot) = hoogten | בְּכָל (bekhal) = in al | עָ֣רֵיהֶ֔ם (areihem) = hun steden | מִמִּגְדַּ֥ל (mimigdal) = van de toren van | נוֹצְרִ֖ים (notserim) = de wachters | עַד (ad) = tot | עִ֥יר (ir) = de stad van | מִבְצָֽר (mivtsar) = de vesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels, vaak met altaar en gewijde stenen. Vergelijk Deut. 12:2–3. Voetnoot : מִמִּגְדַּל נוֹצְרִים עַד־עִיר מִבְצָר (mimmigdal notsrim ad ir mivtsar), ‘van de wachttoren tot de versterkte stad’: een uitdrukking voor ‘overal’, van de kleinste tot de grootste plaats. Voetnoot Lezing: וַיְחַפְּאוּ (vayechappe’u), ‘zij deden in het geheim’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Zie ook: Job 31:27; Deut 12:2–3; Deut 13:7; 2 Kon 18:8; Hos 12:12; Ezech 8:12 **17:10** Zij richtten voor zich gewijde stenen en heilige palen op, op elke hoge heuvel en onder elke groene boom. Brontekst: וַיַּצִּ֧בוּ (vayatsivu) = en richtten op | לָהֶ֛ם (lahem) = voor zich | מַצֵּב֖וֹת (matsevot) = gewijde stenen | וַאֲשֵׁרִ֑ים (vaasherim) = en heilige palen | עַ֚ל (al) = op | כָּל (kal) = elke | גִּבְעָ֣ה (giva) = heuvel | גְבֹהָ֔ה (gevoha) = hoge | וְתַ֖חַת (vetachat) = en onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֥ץ (ets) = boom | רַעֲנָֽן (raanan) = groene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצֵּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: opgerichte stenen bij een heiligdom. Yahweh verbood ze (Exod. 23:24; Deut. 16:22). Voetnoot : אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij de hoogten, gewijd aan de godin Asjera. Zie Deut. 16:21 en bij 1 Kon. 14:23. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘onder elke groene boom’, zoals in Deut. 12:2. Zie ook: Ex 23:24; Ex 34:13; Deut 12:2–3; Deut 16:21; Deut 16:22; 1 Kon 14:23; 2 Kon 16:4; Mi 5:13 **17:11** Daar lieten zij offerrook opgaan op alle hoogten, zoals de volken die Yahweh voor hen had weggevoerd. Zij deden slechte dingen om Yahweh tot toorn te prikkelen. Brontekst: וַיְקַטְּרוּ (vayqateru) = en lieten offerrook opgaan | שָׁם֙ (sham) = daar | בְּכָל (bekhal) = op alle | בָּמ֔וֹת (bamot) = hoogten | כַּגּוֹיִ֕ם (kagoyim) = zoals de volken | אֲשֶׁר (asher) = die | הֶגְלָ֥ה (hegla) = voerde weg | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hun aangezicht | וַֽיַּעֲשׂוּ֙ (vayaasu) = en deden | דְּבָרִ֣ים (devarim) = dingen | רָעִ֔ים (raim) = slechte | לְהַכְעִ֖יס (lehakhis) = om te tergen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִכְעִיס (hichis), ‘tot toorn prikkelen’: Yahweh boos maken. Vergelijk 1 Kon. 16:7. Zie ook: Ps 78:56–58; 1 Kon 13:1; 1 Kon 16:7; 2 Kon 21:6; 2 Kron 28:25; Jer 44:17 **17:12** Zij dienden de afgoden, terwijl Yahweh tegen hen had gezegd: „Dat mogen jullie niet doen.” Brontekst: וַיַּֽעַבְד֖וּ (vayaavdu) = en dienden | הַגִּלֻּלִ֑ים (hagilulim) = de afgoden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarvan | אָמַ֤ר (amar) = zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֔ם (lahem) = tegen hen | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשׂ֖וּ (taasu) = zullen jullie doen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלֻּלִים (gillulim), ‘afgoden’: een minachtend woord. Het klinkt als het woord voor ‘mest’. Vergelijk Lev. 26:30 en Exod. 20:4–5. Voetnoot : Dit vers en de verzen 13 en 35–39 zijn een terugblik van de schrijver op wat Yahweh heeft gezegd. Daarom staan ze zwart, tussen aanhalingstekens. Zie ook: Ex 20:3–5; Ex 20:4–5; Lev 26:1; Lev 26:30; Deut 4:15–19; Deut 4:23–25; Deut 12:4 **17:13** Yahweh waarschuwde Israël en Juda door alle profeten en alle zieners: „Keer terug van jullie slechte wegen. Houd Mijn geboden en Mijn voorschriften. Doe dat volgens heel de wet die Ik jullie vaderen heb geboden. Ik heb haar naar jullie gestuurd door Mijn dienaren, de profeten.” Brontekst: וַיָּ֣עַד (vayaad) = en waarschuwde | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵ֣ל (beyisrael) = in Israël | וּבִיהוּדָ֡ה (uvihuda) = en in Juda | בְּיַד֩ (beyad) = door de hand van | כָּל (kal) = alle | נְבִיאֵ֨י (neviei) = profeten van | כָל (kal) = alle | חֹזֶ֜ה (choze) = zieners | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | שֻׁ֝֠בוּ (shuvu) = keer terug | מִדַּרְכֵיכֶ֤ם (midarkheikhem) = van jullie wegen | הָֽרָעִים֙ (haraim) = de slechte | וְשִׁמְרוּ֙ (veshimru) = en houd | מִצְוֺתַ֣י (mitsvotay) = Mijn geboden | חֻקּוֹתַ֔י (chuqotay) = Mijn voorschriften | כְּכָ֨ל (kekhal) = volgens heel | הַתּוֹרָ֔ה (hatora) = de wet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = Ik heb geboden | אֶת (et) = (obj.) | אֲבֹֽתֵיכֶ֑ם (avoteikhem) = jullie vaderen | וַֽאֲשֶׁר֙ (vaasher) = en die | שָׁלַ֣חְתִּי (shalachti) = Ik heb gestuurd | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = naar jullie | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | עֲבָדַ֥י (avaday) = Mijn dienaren | הַנְּבִיאִֽים (haneviim) = de profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּעַד (vayya’ad), ‘waarschuwen’: letterlijk ‘getuigen, betuigen’. Het verwante woord עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’, staat in vers 15. Voetnoot : חֹזֶה (choze), ‘ziener’: iemand die visioenen ziet. Vergelijk 1 Sam. 9:9. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ‘onderwijzing’. Hier is het de wet van Mozes (Deut. 4:44). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘zijn profeten’ (נְבִיאוֹ), het qere heeft ‘profeten van’ (נְבִיאֵי). Daardoor staat er letterlijk ‘door alle profeten van elke ziener’. Wij vertalen ‘door alle profeten en alle zieners’ en volgen het qere. Zie ook: Deut 4:44; Deut 31:21; 1 Sam 9:9; 2 Kon 17:15; Jer 18:11; Jer 35:15; Neh 9:29–30 **17:14** Maar zij luisterden niet. Zij maakten hun nek hard, zoals de nek van hun vaderen, die niet in Yahweh, hun Elohim, geloofden. Brontekst: וְלֹ֖א (velo) = en niet | שָׁמֵ֑עוּ (shameu) = luisterden | וַיַּקְשׁ֤וּ (vayaqshu) = en maakten hard | אֶת (et) = (obj.) | עָרְפָּם֙ (arpam) = hun nek | כְּעֹ֣רֶף (keoref) = zoals de nek van | אֲבוֹתָ֔ם (avotam) = hun vaderen | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | הֶאֱמִ֔ינוּ (heeminu) = geloofden | בַּֽיהוָ֖ה (baYahweh) = in Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִשּׁוּ אֶת־עָרְפָּם (qishu et-orpam), ‘zij maakten hun nek hard’: halsstarrig zijn. Zie Exod. 32:9 en Deut. 9:6. Voetnoot : הֶאֱמִין (he’emin), ‘geloven’: hetzelfde woord als in Exod. 14:31. Zie ook: Ex 14:31; Ex 32:9; Deut 9:6; Deut 31:27; Ps 106:24; Spr 29:1; Jer 7:26; Hand 7:51 **17:15** Zij verwierpen Zijn voorschriften, Zijn verbond dat Hij met hun vaderen had gesloten en Zijn getuigenissen waarmee Hij hen had gewaarschuwd. Zij liepen achter de damp aan en werden zelf damp. Zij liepen achter de volken aan die rondom hen waren, terwijl Yahweh hun had geboden niet te doen zoals zij. Brontekst: וַיִּמְאֲס֣וּ (vayimasu) = en verwierpen | אֶת (et) = (obj.) | חֻקָּ֗יו (chuqav) = Zijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּרִיתוֹ֙ (berito) = Zijn verbond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | כָּרַ֣ת (karat) = Hij sloot | אֶת (et) = met | אֲבוֹתָ֔ם (avotam) = hun vaderen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | עֵֽדְוֺתָ֔יו (edevotav) = Zijn getuigenissen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֵעִ֖יד (heid) = Hij waarschuwde | בָּ֑ם (bam) = hen | וַיֵּ֨לְכ֜וּ (vayelekhu) = en liepen | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | הַהֶ֨בֶל֙ (hahevel) = de damp | וַיֶּהְבָּ֔לוּ (vayehbalu) = en werden damp | וְאַחֲרֵ֤י (veacharei) = en achter | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | סְבִֽיבֹתָ֔ם (sevivotam) = rondom hen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | צִוָּ֤ה (tsiva) = Hij had geboden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֹתָ֔ם (otam) = hen | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = om niet | עֲשׂ֥וֹת (asot) = te doen | כָּהֶֽם (kahem) = zoals zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶבֶל (hevel), ‘damp’: wat verdwijnt en niet vast te grijpen is. Wij houden ‘damp’, zoals in Pred. 1:2. De zin ‘zij liepen achter de damp aan en werden damp’ staat ook in Jer. 2:5. Voetnoot : עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’: wat Yahweh Israël als waarschuwing heeft gegeven. Zie ook: Ex 24:6–8; Deut 12:30–31; Deut 32:21; Pred 1:2; Jer 2:5; Rom 1:21–23 **17:16** Zij verlieten alle geboden van Yahweh, hun Elohim. Zij maakten zich een gegoten beeld, twee kalveren. Zij maakten een heilige paal. Zij bogen zich neer voor heel het leger van de hemel en dienden Baäl. Brontekst: וַיַּעַזְב֗וּ (vayaazvu) = en lieten achter | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִצְוֺת֙ (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיַּעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en maakten | לָהֶ֛ם (lahem) = voor zich | מַסֵּכָ֖ה (masekha) = een gegoten beeld | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | עֲגָלִ֑ים (agalim) = kalveren | וַיַּעֲשׂ֣וּ (vayaasu) = en maakten | אֲשֵׁירָ֗ה (asheira) = een heilige paal | וַיִּֽשְׁתַּחֲווּ֙ (vayishtachavu) = en bogen zich neer | לְכָל (lekhal) = voor heel | צְבָ֣א (tseva) = het leger van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַיַּעַבְד֖וּ (vayaavdu) = en dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּֽעַל (habaal) = Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַסֵּכָה (massekah), ‘gegoten beeld’, en de twee kalveren: zie 1 Kon. 12:28 en Exod. 32:4. Voetnoot : צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren. Vergelijk Deut. 4:19. Voetnoot : בַּעַל (Baäl), ‘heer’: de naam van de Kanaänitische god. Wij schrijven ‘Baäl’ zonder lidwoord. Voetnoot : אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: zie bij vers 10. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft שנים (shenayim), ‘twee’; het qere heeft שְׁנֵי (shenei), ‘twee van’. De betekenis is gelijk. Zie ook: Ex 32:4; Deut 4:19; 1 Kon 12:28; 1 Kon 14:15; 1 Kon 14:23; 1 Kon 16:31; 2 Kon 17:10 **17:17** Zij lieten hun zonen en hun dochters door het vuur gaan. Zij voorspelden voorspellingen en zochten voortekenen. Zij verkochten zich om te doen wat slecht was in de ogen van Yahweh, om Hem tot toorn te prikkelen. Brontekst: וַֽ֠יַּעֲבִירוּ (vayaaviru) = en lieten doorgaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶ֤ם (beneihem) = hun zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֽוֹתֵיהֶם֙ (benoteihem) = hun dochters | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = door het vuur | וַיִּקְסְמ֥וּ (vayiqsemu) = en voorspelden | קְסָמִ֖ים (qesamim) = voorspellingen | וַיְנַחֵ֑שׁוּ (vaynacheshu) = en zochten voortekenen | וַיִּֽתְמַכְּר֗וּ (vayitmakeru) = en verkochten zich | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הָרַ֛ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַכְעִיסֽוֹ (lehakhiso) = om Hem te tergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie 16:3 voor ‘door het vuur laten gaan’. Voetnoot : קֶסֶם (qesem), ‘voorspelling’, en נִחֵשׁ (nichesh), ‘voortekenen zoeken’: zie Deut. 18:10. Voetnoot : וַיִּתְמַכְּרוּ (vayitmakkeru), ‘zij verkochten zich’: zich overgeven aan het kwaad. Vergelijk 1 Kon. 21:20, 25. Zie ook: Deut 18:10–12; Ps 106:37–38; 1 Kon 21:20; 2 Kon 16:3; 2 Kon 21:6; Ezech 23:37 **17:18** Yahweh werd zeer toornig op Israël en deed hen verdwijnen van Zijn aangezicht. Er bleef niets over dan de stam Juda alleen. Brontekst: וַיִּתְאַנַּ֨ף (vayitanaf) = en was toornig | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | מְאֹד֙ (meod) = zeer | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = op Israël | וַיְסִרֵ֖ם (vaysirem) = en deed hen weggaan | מֵעַ֣ל (meal) = van | פָּנָ֑יו (panav) = Zijn aangezicht | לֹ֣א (lo) = niet | נִשְׁאַ֔ר (nishar) = bleef over | רַ֛ק (raq) = alleen | שֵׁ֥בֶט (shevet) = de stam | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְבַדּֽוֹ (levado) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er bleef alleen de stam Juda over. Vergelijk 1 Kon. 11:13. Zie ook: 1 Kon 11:13; 1 Kon 11:32; 1 Kon 11:36; 1 Kon 12:20; Hos 12:1 **17:19** Ook Juda hield de geboden van Yahweh, hun Elohim, niet. Zij liepen in de voorschriften van Israël, die zij hadden ingesteld. Brontekst: גַּם (gam) = ook | יְהוּדָ֕ה (yehuda) = Juda | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמַ֔ר (shamar) = hield | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺ֖ת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיֵּ֣לְכ֔וּ (vayelekhu) = en liepen | בְּחֻקּ֥וֹת (bechuqot) = in de voorschriften van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשֽׂוּ (asu) = zij maakten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook Juda volgt de voorschriften van Israël. Vergelijk 16:3, waar Achaz op de weg van de koningen van Israël liep. Zie ook: 1 Kon 14:22–23; 2 Kon 16:3; 2 Kron 21:11; 2 Kron 21:13; Ezech 16:51–52 **17:20** Yahweh verwierp heel het nageslacht van Israël. Hij vernederde hen en gaf hen in de hand van plunderaars, totdat Hij hen van Zijn aangezicht wegwierp. Brontekst: וַיִּמְאַ֨ס (vayimas) = en verwierp | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = in heel | זֶ֤רַע (zera) = het nageslacht van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיְעַנֵּ֔ם (vayanem) = en vernederde hen | וַֽיִּתְּנֵ֖ם (vayitenem) = en gaf hen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | שֹׁסִ֑ים (shosim) = plunderaars | עַ֛ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הִשְׁלִיכָ֖ם (hishlikham) = Hij hen wegwierp | מִפָּנָֽיו (mipanav) = van Zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁסִים (shosim), ‘plunderaars’: zie Richt. 2:14. Zie ook: Deut 11:12; Re 2:14; 1 Sam 15:23; 2 Kon 13:3; 2 Kon 15:29; Jer 6:30 **17:21** Want Israël werd van het huis van David afgescheurd. Zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, tot koning. Jerobeam bracht Israël ervan af Yahweh te volgen en liet hen een grote zonde begaan. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | קָרַ֣ע (qara) = werd gescheurd | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | מֵעַל֙ (meal) = van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | דָּוִ֔ד (david) = David | וַיַּמְלִ֖יכוּ (vayamlikhu) = en maakten tot koning | אֶת (et) = (obj.) | יָרָבְעָ֣ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֑ט (nevat) = Nebat | וַיַּדַּ֨ח (vayadach) = en dreef weg | יָרָבְעָ֤ם (yaraveam) = Jerobeam | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = van achter | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהֶחֱטֵיאָ֖ם (vehecheteiam) = en liet hen zondigen | חֲטָאָ֥ה (chataa) = een zonde | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: קָרַע (qara), ‘scheuren’: het werkwoord heeft hier geen genoemd onderwerp. Het kan Yahweh zijn, zoals in 1 Kon. 11:11, 31, of Israël zelf (1 Kon. 12:16). Wij vertalen neutraal: ‘Israël werd afgescheurd’. Voetnoot : Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere vorm van ‘hij dreef weg’ (וידא). Het qere heeft וַיַּדַּח (vayyaddach). Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 11:11; 1 Kon 11:31; 1 Kon 12:16; 1 Kon 12:28–30; 1 Kon 14:16; Jes 7:17 **17:22** De zonen van Israël liepen in alle zonden van Jerobeam, die hij had gedaan. Zij weken er niet van af, Brontekst: וַיֵּֽלְכוּ֙ (vayelekhu) = en liepen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּכָל (bekhal) = in alle | חַטֹּ֥אות (chatovt) = zonden van | יָרָבְעָ֖ם (yaraveam) = Jerobeam | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | לֹא (lo) = niet | סָ֖רוּ (saru) = weken zij | מִמֶּֽנָּה (mimena) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonden van Jerobeam zijn vooral de gouden kalveren (1 Kon. 12:28–30; 14:16). Zie ook: 1 Kon 12:28–30; 1 Kon 14:16; 2 Kon 3:3; 2 Kon 10:29; 2 Kon 10:31; 2 Kon 13:11; 2 Kon 15:9 **17:23** totdat Yahweh Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij had gesproken door al Zijn dienaren, de profeten. Zo werd Israël van zijn grond weggevoerd naar Assyrië, tot op de dag van vandaag. Brontekst: עַ֠ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵסִ֨יר (hesir) = verwijderde | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵעַ֣ל (meal) = van | פָּנָ֔יו (panav) = Zijn aangezicht | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֔ר (diber) = Hij sprak | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | כָּל (kal) = al | עֲבָדָ֣יו (avadav) = Zijn dienaren | הַנְּבִיאִ֑ים (haneviim) = de profeten | וַיִּ֨גֶל (vayigel) = en werd weggevoerd | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | מֵעַ֤ל (meal) = van | אַדְמָתוֹ֙ (admato) = zijn grond | אַשּׁ֔וּרָה (ashura) = naar Assyrië | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Zoals Yahweh gesproken had door de profeten: zie 1 Kon. 14:15–16. De verstrooiing is ook aangekondigd in Lev. 26:33 en Deut. 28:64. Voetnoot : אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: wij vertalen ‘van zijn grond’. Voetnoot : ‘Tot op de dag van vandaag’ is de stem van de schrijver, zoals in de verzen 34 en 41. Zie ook: Lev 26:33; Deut 28:64; 1 Kon 14:15–16; 2 Kon 17:6; 2 Kon 17:13; 2 Kon 17:20; 2 Kon 18:11–12; Amos 5:27 ### Volken uit Assyrië in het land **17:24** De koning van Assyrië liet mensen komen uit Babel, Kuta, Awa, Chamat en Sefarwaïm. Hij liet hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de zonen van Israël. Zij namen Samaria in bezit en woonden in zijn steden. Brontekst: וַיָּבֵ֣א (vayave) = en liet komen | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֡וּר (ashur) = Assyrië | מִבָּבֶ֡ל (mibavel) = uit Babel | וּ֠מִכּוּ֠תָה (umikuta) = en uit Kuta | וּמֵעַוָּ֤א (umeava) = en uit Awa | וּמֵֽחֲמָת֙ (umechamat) = en uit Chamat | וּסְפַרְוַ֔יִם (usefarvayim) = en Sefarwaïm | וַיֹּ֨שֶׁב֙ (vayoshev) = en liet wonen | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | תַּ֖חַת (tachat) = in plaats van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽרְשׁוּ֙ (vayirshu) = en namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁ֣מְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | וַיֵּֽשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en woonden | בְּעָרֶֽיהָ (beareiha) = in haar steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Kuta (Tell Ibrahim): Kuta wordt gezocht bij Tell Ibrahim, ten noordoosten van Babel, in het huidige Irak. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de naam van de streek rond de stad, het bergland van het noordrijk Israël. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Babel (בָּבֶל) is Babylon, ten zuiden van het huidige Bagdad (Irak). Dat is zeker. Kuta (כּוּתָה) ligt waarschijnlijk bij Tell Ibrahim (Irak). Awa (עַוָּא) en Sefarwaïm (סְפַרְוָיִם) zijn onzeker. Chamat (חֲמָת) is het huidige Hama (Syrië). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie de koning liet komen. Wij vullen ‘mensen’ aan. Zie ook: 2 Kon 17:6; 2 Kon 17:30–31; 2 Kon 18:34; 2 Kon 19:13; Mat 10:5 **17:25** In het begin van hun verblijf daar vreesden zij Yahweh niet. Toen stuurde Yahweh leeuwen onder hen, die onder hen doodden. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּתְחִלַּת֙ (bitchilat) = bij het begin van | שִׁבְתָּ֣ם (shivtam) = hun verblijf | שָׁ֔ם (sham) = daar | לֹ֥א (lo) = niet | יָרְא֖וּ (yareu) = vreesden zij | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְשַׁלַּ֨ח (vayshalach) = en stuurde | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | בָּהֶם֙ (bahem) = onder hen | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֲרָי֔וֹת (haarayot) = de leeuwen | וַיִּֽהְי֥וּ (vayihyu) = en zij waren | הֹרְגִ֖ים (horegim) = doodslaand | בָּהֶֽם (bahem) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Leeuwen als straf: vergelijk Lev. 26:22. Zie ook: Lev 26:22; Joz 22:25; 1 Kon 13:24; 2 Kon 17:32; 2 Kon 17:34; 2 Kon 17:41 **17:26** Zij zeiden tegen de koning van Assyrië: „De volken die u hebt weggevoerd, kennen het recht van de god van het land niet. U hebt hen in de steden van Samaria laten wonen. Daarom heeft hij leeuwen onder hen gestuurd. Zie, de leeuwen doden hen, omdat zij het recht van de god van het land niet kennen.” Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = tegen de koning van | אַשּׁוּר֮ (ashur) = Assyrië | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִגְלִ֨יתָ֙ (higlita) = u hebt weggevoerd | וַתּ֨וֹשֶׁב֙ (vatoshev) = en liet wonen | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | שֹׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | לֹ֣א (lo) = niet | יָֽדְע֔וּ (yadeu) = kennen | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֖ט (mishpat) = het recht van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de god van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיְשַׁלַּח (vayshalach) = en hij stuurde | בָּ֣ם (bam) = onder hen | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲרָי֗וֹת (haarayot) = de leeuwen | וְהִנָּם֙ (vehinam) = en zie | מְמִיתִ֣ים (memitim) = doden | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | כַּאֲשֶׁר֙ (kaasher) = omdat | אֵינָ֣ם (einam) = niet | יֹדְעִ֔ים (yodeim) = zij kennen | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֖ט (mishpat) = het recht van | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de god van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de naam van de streek rond de stad, het bergland van het noordrijk Israël. Voetnoot Uitleg: De volken zien Yahweh als de god van een plaats. Daarom schrijven wij ‘god’ met een kleine letter, als hun mening. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de manier waarop deze god gediend wil worden. Zie ook: 1 Sam 8:9; 1 Sam 10:25; 2 Kon 17:27; Amos 8:14 **17:27** De koning van Assyrië gaf bevel: „Breng daarheen een van de priesters die jullie van daar hebben weggevoerd. Laat hen gaan en daar wonen. Laat hem hun het recht van de god van het land leren.” Brontekst: וַיְצַ֨ו (vaytsav) = en gebood | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֜וּר (ashur) = Assyrië | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | הֹלִ֤יכוּ (holikhu) = breng | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | אֶחָ֤ד (echad) = een | מֵהַכֹּֽהֲנִים֙ (mehakohanim) = van de priesters | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִגְלִיתֶ֣ם (higlitem) = jullie hebben weggevoerd | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | וְיֵלְכ֖וּ (veyelekhu) = en laat hen gaan | וְיֵ֣שְׁבוּ (veyeshevu) = en wonen | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְיֹרֵ֕ם (veyorem) = en laat hem leren | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֖ט (mishpat) = het recht van | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de god van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie ook: Re 17:13; 1 Kon 12:31; 1 Kon 13:2; 2 Kron 11:15 **17:28** Een van de priesters die zij uit Samaria hadden weggevoerd, kwam en ging in Betel wonen. Hij leerde hun hoe zij Yahweh moesten vrezen. Brontekst: וַיָּבֹ֞א (vayavo) = en kwam | אֶחָ֣ד (echad) = een | מֵהַכֹּהֲנִ֗ים (mehakohanim) = van de priesters | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִגְלוּ֙ (higlu) = weggevoerd waren | מִשֹּׁ֣מְר֔וֹן (mishomeron) = uit Samaria | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בְּבֵֽית (beveit) = in Bet | אֵ֑ל (el) = El | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en was | מוֹרֶ֣ה (more) = lerend | אֹתָ֔ם (otam) = hen | אֵ֖יךְ (eikh) = hoe | יִֽירְא֥וּ (yireu) = zij zouden vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Betel (בֵּית־אֵל) is het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Daar had Jerobeam een gouden kalf neergezet (1 Kon. 12:29). Zie ook: 1 Kon 12:29–32; Jes 29:13; Mat 15:14 ### Yahweh vrezen en eigen goden dienen **17:29** Maar elk volk maakte zijn eigen goden. Zij zetten ze in de huizen van de hoogten, die de mensen van Samaria hadden gemaakt, elk volk in de steden waar het woonde. Brontekst: וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | עֹשִׂ֔ים (osim) = makend | גּ֥וֹי (goy) = volk | גּ֖וֹי (goy) = volk | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn goden | וַיַּנִּ֣יחוּ (vayanichu) = en zetten | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הַבָּמ֗וֹת (habamot) = de hoogten | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עָשׂוּ֙ (asu) = maakten | הַשֹּׁ֣מְרֹנִ֔ים (hashomeronim) = de mensen van Samaria | גּ֥וֹי (goy) = volk | גּוֹי֙ (goy) = volk | בְּעָ֣רֵיהֶ֔ם (beareihem) = in hun steden | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waarin | הֵ֥ם (hem) = zij | יֹשְׁבִ֖ים (yoshevim) = wonend | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: הַשֹּׁמְרֹנִים (hashomronim), ‘de mensen van Samaria’: de oorspronkelijke bewoners van Samaria. Voetnoot : בֵּית הַבָּמוֹת (beit habbamot), ‘huis van de hoogten’: een heiligdom op een hoogte. Zie 1 Kon. 12:31. Zie ook: Ps 115:4–8; 1 Kon 12:31; Mi 4:5; Jer 10:3–5; Rom 1:23 **17:30** De mannen van Babel maakten Sukkot-Benot. De mannen van Kuta maakten Nergal. De mannen van Chamat maakten Asjima. Brontekst: וְאַנְשֵׁ֣י (veanshei) = en de mannen van | בָבֶ֗ל (bavel) = Babel | עָשׂוּ֙ (asu) = maakten | אֶת (et) = (obj.) | סֻכּ֣וֹת (sukot) = Sukkot | בְּנ֔וֹת (benot) = Benot | וְאַנְשֵׁי (veanshei) = en de mannen van | כ֔וּת (kut) = Kuta | עָשׂ֖וּ (asu) = maakten | אֶת (et) = (obj.) | נֵֽרְגַ֑ל (neregal) = Nergal | וְאַנְשֵׁ֥י (veanshei) = en de mannen van | חֲמָ֖ת (chamat) = Chamat | עָשׂ֥וּ (asu) = maakten | אֶת (et) = (obj.) | אֲשִׁימָֽא (ashima) = Asjima Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Kuta (Tell Ibrahim): Kuta wordt gezocht bij Tell Ibrahim, ten noordoosten van Babel, in het huidige Irak. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Sukkot-Benot, Nergal en Asjima zijn namen van goden of godinnen. Wat elke naam precies betekent, is onzeker. Nergal is een god uit Mesopotamië. Voetnoot Lezing: Kuta staat hier als כּוּת (Kut); in vers 24 als כּוּתָה (Kuta). Het is dezelfde plaats. Zie ook: 2 Kon 17:24 **17:31** De Awwieten maakten Nibchaz en Tartak. De Sefarwieten verbrandden hun zonen in het vuur voor Adrammelech en Anammelech, de goden van Sefarwaïm. Brontekst: וְהָעַוִּ֛ים (vehaavim) = en de Awwieten | עָשׂ֥וּ (asu) = maakten | נִבְחַ֖ז (nivchaz) = Nibchaz | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּרְתָּ֑ק (tartaq) = Tartak | וְהַסְפַרְוִ֗ים (vehasfarvim) = en de Sefarwieten | שֹׂרְפִ֤ים (sorefim) = verbrandden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = in het vuur | לְאַדְרַמֶּ֥לֶךְ (leadramelekh) = voor Adrammelech | וַֽעֲנַמֶּ֖לֶךְ (vaanamelekh) = en Anammelech | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de goden van | סְפַרְוָֽיִם (sefarvayim) = Sefarwaïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Verbranden van kinderen: zie 16:3 en Deut. 12:31. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘deze’ (אלה) en ‘Sefarim’ (ספרים). Het qere heeft ‘goden van’ (אֱלֹהֵי) en ‘Sefarwaïm’ (סְפַרְוָיִם). Wij volgen het qere. Zie ook: Lev 18:21; Deut 12:31; 2 Kon 17:17; 2 Kon 17:24; 2 Kon 19:37; Ezra 4:9 **17:32** Zij vreesden Yahweh. Zij maakten uit alle delen van hun volk priesters voor de hoogten. Die deden dienst voor hen in de huizen van de hoogten. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | יְרֵאִ֖ים (yereim) = vrezend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּעֲשׂ֨וּ (vayaasu) = en maakten | לָהֶ֤ם (lahem) = voor zich | מִקְצוֹתָם֙ (miqtsotam) = uit hun uiteinden | כֹּהֲנֵ֣י (kohanei) = priesters van | בָמ֔וֹת (bamot) = hoogten | וַיִּהְי֛וּ (vayihyu) = en waren | עֹשִׂ֥ים (osim) = doend | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | הַבָּמֽוֹת (habamot) = de hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְצוֹתָם (miqtsotam), ‘uit hun uiteinden’: uit alle delen van het volk. Zij waren geen Levieten. Zie 1 Kon. 12:31. Zie ook: 1 Kon 12:31; 1 Kon 13:33; 2 Kon 17:29; 2 Kon 23:19; Sef 1:5 **17:33** Zij vreesden Yahweh, en zij dienden ook hun eigen goden. Dat deden zij naar het recht van de volken van wie men hen vandaar had weggevoerd. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הָי֣וּ (hayu) = waren | יְרֵאִ֑ים (yereim) = vrezend | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֱלֹֽהֵיהֶם֙ (eloheihem) = hun goden | הָי֣וּ (hayu) = waren | עֹֽבְדִ֔ים (ovedim) = dienend | כְּמִשְׁפַּט֙ (kemishpat) = naar het recht van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = van wie | הִגְל֥וּ (higlu) = zij hadden weggevoerd | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zij vreesden Yahweh en dienden tegelijk hun eigen goden. Dat is niet wat Yahweh vraagt (Exod. 20:3). Zie ook: Ex 20:3; 1 Kon 18:21; 2 Kon 17:41; Sef 1:5; Mat 6:24; Luc 16:13 **17:34** Tot op de dag van vandaag doen zij naar de vroegere rechten. Zij vrezen Yahweh niet. Zij doen niet naar hun voorschrift en hun recht. Zij doen ook niet naar de wet en het gebod die Yahweh geboden heeft aan de zonen van Jakob. Aan hem had Hij de naam Israël gegeven. Brontekst: עַ֣ד (ad) = tot | הַיּ֤וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּה֙ (haze) = deze | הֵ֣ם (hem) = zij | עֹשִׂ֔ים (osim) = doen | כַּמִּשְׁפָּטִ֖ים (kamishpatim) = naar de rechten | הָרִֽאשֹׁנִ֑ים (harishonim) = de vroegere | אֵינָ֤ם (einam) = niet zijn zij | יְרֵאִים֙ (yereim) = vrezend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵינָ֣ם (veeinam) = en niet zijn zij | עֹשִׂ֗ים (osim) = doend | כְּחֻקֹּתָם֙ (kechuqotam) = naar hun voorschrift | וּכְמִשְׁפָּטָ֔ם (ukhemishpatam) = en naar hun recht | וְכַתּוֹרָ֣ה (vekhatora) = en naar de wet | וְכַמִּצְוָ֗ה (vekhamitsva) = en naar het gebod | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | צִוָּ֤ה (tsiva) = gebood | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֥ם (sam) = gaf | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat Yahweh Jakob de naam Israël gaf: zie Gen. 32:29 en 35:10. Voetnoot Lezing: ‘Hun voorschrift’ en ‘hun recht’: het Hebreeuws zegt niet duidelijk van wie. Het kan om de nieuwe volken gaan of om Israël. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Gen 32:28; Gen 32:29; Gen 35:10; 2 Kon 17:25; 2 Kon 17:27–28; Jes 48:1 **17:35** Yahweh had met hen een verbond gesloten en hun dit geboden: „Vrees geen andere goden. Buig je niet voor hen neer. Dien hen niet. Breng hun geen offers. Brontekst: וַיִּכְרֹ֨ת (vayikhrot) = en sloot | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אִתָּם֙ (itam) = met hen | בְּרִ֔ית (berit) = een verbond | וַיְצַוֵּ֣ם (vaytsavem) = en gebood hen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹ֥א (lo) = niet | תִֽירְא֖וּ (tireu) = zullen jullie vrezen | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וְלֹא (velo) = en niet | תִשְׁתַּחֲו֣וּ (tishtachavu) = zullen jullie je neerbuigen | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַעַבְד֔וּם (taavdum) = zullen jullie hen dienen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִזְבְּח֖וּ (tizbechu) = zullen jullie offeren | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbond met Israël: zie Exod. 20:2–5 en Deut. 5:6–10. Zie ook: Ex 20:2–5; Ex 20:4–5; Deut 4:23–27; Deut 5:6–10; Joz 23:7; Joz 23:16; Re 6:10 **17:36** Alleen Yahweh, die jullie met grote kracht en een uitgestrekte arm uit het land Egypte heeft laten optrekken, moeten jullie vrezen. Voor Hem moeten jullie je neerbuigen en aan Hem moeten jullie offeren. Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִֽם (im) = alleen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | הֶעֱלָ֨ה (heela) = liet optrekken | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | מֵאֶ֧רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּכֹ֧חַ (bekhoach) = met kracht | גָּד֛וֹל (gadol) = grote | וּבִזְר֥וֹעַ (uvizroa) = en met arm | נְטוּיָ֖ה (netuya) = uitgestrekte | אֹת֣וֹ (oto) = Hem | תִירָ֑אוּ (tirau) = zullen jullie vrezen | וְל֥וֹ (velo) = en voor Hem | תִֽשְׁתַּחֲו֖וּ (tishtachavu) = zullen jullie je neerbuigen | וְל֥וֹ (velo) = en voor Hem | תִזְבָּֽחוּ (tizbachu) = zullen jullie offeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בְּכֹחַ גָּדוֹל וּבִזְרוֹעַ נְטוּיָה (bekoach gadol uvizroa netuyah), ‘met grote kracht en een uitgestrekte arm’: een vaste uitdrukking voor de uittocht uit Egypte. Zie Deut. 4:34 en 5:15. Zie ook: Ex 6:6; Ex 9:15; Lev 19:32; Deut 4:34; Deut 5:15; Deut 6:13; Openb 15:4 **17:37** De voorschriften, de rechten, de wet en het gebod die Hij voor jullie heeft opgeschreven, moeten jullie houden en doen, alle dagen. Vrees geen andere goden. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֻקִּ֨ים (hachuqim) = de voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִ֜ים (hamishpatim) = de rechten | וְהַתּוֹרָ֤ה (vehatora) = en de wet | וְהַמִּצְוָה֙ (vehamitsva) = en het gebod | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | כָּתַ֣ב (katav) = Hij schreef | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | תִּשְׁמְר֥וּן (tishmerun) = zullen jullie houden | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = dagen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽירְא֖וּ (tireu) = zullen jullie vrezen | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:37; Deut 4:44–45; Deut 5:31–6:2; Deut 13:1; Neh 9:13–14 **17:38** Het verbond dat Ik met jullie heb gesloten, mogen jullie niet vergeten. Vrees geen andere goden. Brontekst: וְהַבְּרִ֛ית (vehaberit) = en het verbond | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּרַ֥תִּי (karati) = Ik sloot | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׁכָּ֑חוּ (tishkachu) = zullen jullie vergeten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽירְא֖וּ (tireu) = zullen jullie vrezen | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:23; Deut 6:12; Deut 8:14–18 **17:39** Alleen Yahweh, jullie Elohim, moeten jullie vrezen. Hij zal jullie redden uit de hand van al jullie vijanden.” Brontekst: כִּ֛י (ki) = maar | אִֽם (im) = alleen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | תִּירָ֑אוּ (tirau) = zullen jullie vrezen | וְהוּא֙ (vehu) = en Hij | יַצִּ֣יל (yatsil) = zal redden | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | כָּל (kal) = alle | אֹיְבֵיכֶֽם (oyeveikhem) = jullie vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 12:24; 2 Kon 17:36; Jer 10:7; Mat 10:28; Luc 1:74–75 **17:40** Maar zij luisterden niet. Zij deden alleen naar hun vroegere recht. Brontekst: וְלֹ֖א (velo) = en niet | שָׁמֵ֑עוּ (shameu) = luisterden zij | כִּ֛י (ki) = maar | אִֽם (im) = alleen | כְּמִשְׁפָּטָ֥ם (kemishpatam) = naar hun recht | הָֽרִאשׁ֖וֹן (harishon) = het vroegere | הֵ֥ם (hem) = zij | עֹשִֽׂים (osim) = doend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:28; 2 Kon 17:8; 2 Kon 17:12; 2 Kon 17:34; Jer 13:23 **17:41** Zo vreesden deze volken Yahweh, en zij dienden ook hun gesneden beelden. Ook hun zonen en de zonen van hun zonen doen tot op de dag van vandaag zoals hun vaderen deden. Brontekst: וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | יְרֵאִים֙ (yereim) = vrezend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פְּסִֽילֵיהֶ֖ם (pesileihem) = hun gesneden beelden | הָי֣וּ (hayu) = waren | עֹֽבְדִ֑ים (ovedim) = dienend | גַּם (gam) = ook | בְּנֵיהֶ֣ם (beneihem) = hun zonen | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | בְנֵיהֶ֗ם (beneihem) = hun zonen | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | עָשׂ֤וּ (asu) = deden | אֲבֹתָם֙ (avotam) = hun vaderen | הֵ֣ם (hem) = zij | עֹשִׂ֔ים (osim) = doend | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּסִילֵיהֶם (pesilehem), ‘gesneden beelden’: beelden van hout of steen. Vergelijk Exod. 20:4. Zie ook: Ex 20:4; Joz 24:14–20; 1 Kon 18:21; 2 Kon 17:32–33; Sef 1:5; Mat 6:24 ## 2 Koningen 18 _Hizkia, Samaria en de Rabsake_ ### Hizkia, koning van Juda **18:1** In het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, werd Hizkia koning, de zoon van Achaz, de koning van Juda. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | שָׁלֹ֔שׁ (shalosh) = drie | לְהוֹשֵׁ֥עַ (lehoshea) = van Hosea | בֶּן (ben) = zoon van | אֵלָ֖ה (ela) = Ela | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מָלַ֛ךְ (malakh) = werd koning | חִזְקִיָּ֥ה (chizqiya) = Hizkia | בֶן (ben) = zoon van | אָחָ֖ז (achaz) = Achaz | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hizkia’s regering wordt ook verteld in 2 Kron. 29–32. De verzen 13–37 van dit hoofdstuk lopen, samen met 2 Kon. 19–20, parallel met Jes. 36–39. Voetnoot : Hosea is de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1). Jaartallen en regeringsjaren geven wij letterlijk weer. Zie ook: 1 Kron 3:13; 2 Kon 16:2; 2 Kon 16:20–17:1; 2 Kon 17:1; 2 Kron 28:27–29:1; Mat 1:9–10 **18:2** Hij was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Abi, de dochter van Zacharia. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | הָיָ֣ה (haya) = was hij | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְעֶשְׂרִ֤ים (veesrim) = en twintig | וָתֵ֨שַׁע֙ (vatesha) = en negen | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | אֲבִ֖י (avi) = Abi | בַּת (bat) = dochter van | זְכַרְיָֽה (zekharya) = Zacharia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲבִי (Avi), ‘Abi’: de moeder van Hizkia. In 2 Kron. 29:1 staat haar naam als אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’. Wij houden in elk boek de vorm van de tekst. Zie ook: 2 Kron 29:1–2 **18:3** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, geheel zoals David, zijn vader, had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = wat recht is | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | דָּוִ֥ד (david) = David | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 33:27; 1 Kon 11:4; 1 Kon 15:11; 2 Kon 20:3; 2 Kron 29:2 **18:4** Hij nam de hoogten weg, brak de gewijde stenen stuk en hakte de heilige paal om. Ook sloeg hij de koperen slang kapot die Mozes had gemaakt. Want tot die dagen toe lieten de zonen van Israël er offers voor in rook opgaan. Hij noemde haar Nechusjtan. Brontekst: ה֣וּא (hu) = hij | הֵסִ֣יר (hesir) = nam weg | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּמ֗וֹת (habamot) = de hoogten | וְשִׁבַּר֙ (veshibar) = en brak | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּצֵּבֹ֔ת (hamatsevot) = de gewijde stenen | וְכָרַ֖ת (vekharat) = en hieuw om | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאֲשֵׁרָ֑ה (haashera) = de heilige paal | וְכִתַּת֩ (vekhitat) = en sloeg kapot | נְחַ֨שׁ (nechash) = slang van | הַנְּחֹ֜שֶׁת (hanechoshet) = koper | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | כִּ֣י (ki) = want | עַד (ad) = tot | הַיָּמִ֤ים (hayamim) = de dagen | הָהֵ֨מָּה֙ (hahema) = die | הָי֤וּ (hayu) = waren | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מְקַטְּרִ֣ים (meqaterim) = rook latend opgaan | ל֔וֹ (lo) = voor haar | וַיִּקְרָא (vayiqra) = en hij noemde | ל֖וֹ (lo) = haar | נְחֻשְׁתָּֽן (nechushtan) = Nechusjtan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבָּמוֹת (habbamot), ‘de hoogten’: offerplaatsen op heuvels. מַצֵּבֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij zulke plaatsen. אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera. Het meervoud (asherim) vertalen wij als ‘heilige palen’ (1 Kon. 14:23). Voetnoot : נְחֻשְׁתָּן (Nechushtan), ‘Nechusjtan’: de naam lijkt op נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’, en op נָחָשׁ (nachash), ‘slang’. Over de koperen slang van Mozes zie Num. 21:9. Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij noemde’. Het kan Hizkia zijn, of het kan onbepaald bedoeld zijn: ‘men noemde’. Wij vertalen ‘hij’. Voetnoot : מְקַטְּרִים (meqatterim), ‘zij lieten rook opgaan’: offers in rook laten opgaan, zoals in 1 Kon. 3:3. Zie ook: Ex 23:24; Num 21:8–9; Num 21:9; Deut 12:2–3; 1 Kon 3:3; 1 Kon 14:23; 2 Kon 18:22; 2 Kron 31:1 ### Hizkia vertrouwt op Yahweh **18:5** Hij vertrouwde op Yahweh, de Elohim van Israël. Na hem was er niemand zoals hij onder alle koningen van Juda, en ook niet onder hen die voor hem waren. Brontekst: בַּיהוָ֥ה (baYahweh) = op Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּטָ֑ח (batach) = vertrouwde hij | וְאַחֲרָ֞יו (veacharav) = en na hem | לֹא (lo) = niet | הָיָ֣ה (haya) = was | כָמֹ֗הוּ (kamohu) = zoals hij | בְּכֹל֙ (bekhol) = onder alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en onder hen die | הָי֖וּ (hayu) = waren | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּטַח (batach), ‘vertrouwen’: dit werkwoord is het sleutelwoord van de hoofdstukken 18–19. Wij vertalen het steeds met ‘vertrouwen’. Een gelijke lof voor Josia staat in 2 Kon. 23:25. Zie ook: Ps 13:6; 2 Kon 19:10; 2 Kon 23:25; Mat 27:43; Ef 1:12 **18:6** Hij hield zich vast aan Yahweh en week niet van Hem af. Hij onderhield Zijn geboden, die Yahweh aan Mozes had opgedragen. Brontekst: וַיִּדְבַּק֙ (vayidbaq) = en hij hechtte zich | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = aan Yahweh | לֹא (lo) = niet | סָ֖ר (sar) = week hij af | מֵאַֽחֲרָ֑יו (meacharav) = van achter Hem | וַיִּשְׁמֹר֙ (vayishmor) = en hij onderhield | מִצְוֺתָ֔יו (mitsvotav) = Zijn geboden | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:20; Joz 23:8; Joh 14:15; Hand 11:23; 1 Joh 5:3 **18:7** Yahweh was met hem. Waar hij ook op uittrok, hij had succes. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet. Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en was | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | בְּכֹ֥ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | יֵצֵ֖א (yetse) = hij uittrok | יַשְׂכִּ֑יל (yaskil) = had hij succes | וַיִּמְרֹ֥ד (vayimrod) = en hij kwam in opstand | בְּמֶֽלֶךְ (bemelekh) = tegen de koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עֲבָדֽוֹ (avado) = diende hij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘hij had succes’: letterlijk ‘hij handelde verstandig’. De stam kan zowel ‘inzicht hebben’ als ‘succes hebben’ betekenen. Zie ook: Gen 39:2–3; Ps 60:14; 2 Kon 16:7; 2 Kron 31:21; Rom 8:31 **18:8** Hij versloeg de Filistijnen tot aan Gaza en zijn gebieden, van de wachttoren tot de versterkte stad. Brontekst: הֽוּא (hu) = hij | הִכָּ֧ה (hika) = versloeg | אֶת (et) = (obj.) | פְּלִשְׁתִּ֛ים (pelishtim) = de Filistijnen | עַד (ad) = tot | עַזָּ֖ה (aza) = Gaza | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּבוּלֶ֑יהָ (gevuleiha) = haar gebieden | מִמִּגְדַּ֥ל (mimigdal) = van de toren van | נוֹצְרִ֖ים (notserim) = de wachters | עַד (ad) = tot | עִ֥יר (ir) = stad van | מִבְצָֽר (mivtsar) = vesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Voetnoot Uitleg: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Gazastrook, ten zuidwesten van Juda. Dat is zeker. Voetnoot : מִמִּגְדַּל נוֹצְרִים עַד עִיר מִבְצָר (mimmigdal notsrim ad ir mivtsar), ‘van de wachttoren tot de versterkte stad’: een uitdrukking voor ‘overal, van het kleinste dorp tot de grootste stad’. Zie ook 2 Kon. 17:9. Zie ook: 1 Kron 4:41; 2 Kon 17:9; 2 Kron 26:10; 2 Kron 28:18; Jes 14:29 ### De val van Samaria **18:9** In het vierde jaar van koning Hizkia trok Salmaneser, de koning van Assyrië, op tegen Samaria. Dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël. Hij belegerde de stad. Brontekst: וַֽיְהִ֞י (vayhi) = en het was | בַּשָּׁנָ֤ה (bashana) = in het jaar | הָֽרְבִיעִית֙ (hareviit) = vierde | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van koning | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | הִ֚יא (hi) = dat is | הַשָּׁנָ֣ה (hashana) = het jaar | הַשְּׁבִיעִ֔ית (hasheviit) = zevende | לְהוֹשֵׁ֥עַ (lehoshea) = van Hosea | בֶּן (ben) = zoon van | אֵלָ֖ה (ela) = Ela | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עָלָ֞ה (ala) = trok op | שַׁלְמַנְאֶ֧סֶר (shalmaneser) = Salmaneser | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֛וּר (ashur) = Assyrië | עַל (al) = tegen | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | וַיָּ֥צַר (vayatsar) = en hij belegerde | עָלֶֽיהָ (aleiha) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Salmaneser (שַׁלְמַנְאֶסֶר, Shalmaneser) was koning van Assyrië. Over de komst tegen Samaria zie 2 Kon. 17:3–6. De tekst telt hier tegelijk in de jaren van Hizkia en van Hosea, zoals in vers 1. Zie ook: 2 Kon 17:3–23; 2 Kon 18:1; Hos 10:14 **18:10** Aan het eind van drie jaar namen zij de stad in. In het zesde jaar van Hizkia, dat is het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, werd Samaria ingenomen. Brontekst: וַֽיִּלְכְּדֻ֗הָ (vayilkeduha) = en zij namen haar in | מִקְצֵה֙ (miqtse) = aan het einde van | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | בִּשְׁנַת (bishnat) = in het jaar | שֵׁ֖שׁ (shesh) = zesde | לְחִזְקִיָּ֑ה (lechizqiya) = van Hizkia | הִ֣יא (hi) = dat is | שְׁנַת (shenat) = het jaar | תֵּ֗שַׁע (tesha) = negende | לְהוֹשֵׁ֨עַ֙ (lehoshea) = van Hosea | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נִלְכְּדָ֖ה (nilkeda) = werd ingenomen | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Het beleg duurde drie jaar: van het vierde tot het zesde jaar van Hizkia, dat is van het zevende tot het negende jaar van Hosea. Zie ook 2 Kon. 17:6. Zie ook: 2 Kon 17:6; Amos 6:7; Amos 9:1–4; Hos 14:1; Mi 6:16; Mi 7:13 **18:11** De koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië. Hij bracht hen onder in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan, en in de steden van Medië. Brontekst: וַיֶּ֧גֶל (vayegel) = en voerde weg | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֛וּר (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אַשּׁ֑וּרָה (ashura) = naar Assyrië | וַיַּנְחֵ֞ם (vayanchem) = en bracht hen onder | בַּחְלַ֧ח (bachlach) = in Chalach | וּבְחָב֛וֹר (uvechavor) = en aan de Chabor | נְהַ֥ר (nehar) = rivier van | גּוֹזָ֖ן (gozan) = Gozan | וְעָרֵ֥י (vearei) = en in de steden van | מָדָֽי (maday) = Medië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Chalach en Hara (ligging onzeker): Chalach en Hara waren gebieden in het noorden van Mesopotamië, bij de Chabor en de Gozan, waarheen Assyrië Israëlieten wegvoerde. De precieze plaats is niet zeker. Zie Chabor: De Chabor is een zijrivier van de Eufraat in het noordoosten van Syrië. Daar liggen de gebieden waarheen Israël in ballingschap werd gevoerd. Zie Gozan (Tell Halaf): Gozan lag aan de Chabor, bij het huidige Tell Halaf, in het noordoosten van Syrië. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: Chalach, de Chabor en Gozan liggen in het noorden van Mesopotamië, in het noordoosten van het huidige Syrië en het noorden van Irak. Medië ligt ten oosten daarvan, in het noordwesten van het huidige Iran. Zie ook 1 Kron. 5:26. Voetnoot : Over de verbanning van Israël, zie 2 Kon. 17:6. Zie ook: 1 Kron 5:26; 2 Kon 17:6; Amos 5:1–3; Amos 5:25–27; Jes 37:12 **18:12** Want zij hadden niet geluisterd naar de stem van Yahweh, hun Elohim. Zij overtraden Zijn verbond, alles wat Mozes, de dienaar van Yahweh, had geboden. Zij luisterden niet en deden het niet. Brontekst: עַ֣ל (al) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמְע֗וּ (shameu) = zij luisterden | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיַּעַבְרוּ֙ (vayaavru) = en zij overtraden | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִית֔וֹ (berito) = Zijn verbond | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוָּ֔ה (tsiva) = gebood | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עֶ֣בֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = luisterden zij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָשֽׂוּ (asu) = deden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers zegt waarom Samaria viel. De uitleg staat uitvoeriger in 2 Kon. 17:7–23. Zie ook: Num 12:7; 1 Kon 9:6; 2 Kon 17:7–23; Jer 3:8; Dan 9:6–11; 2 Tess 1:8 ### Sanherib trekt tegen Juda op **18:13** In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda. Hij nam ze in. Brontekst: וּבְאַרְבַּע֩ (uvearba) = en in het vier | עֶשְׂרֵ֨ה (esre) = tiende | שָׁנָ֜ה (shana) = jaar | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van koning | חִזְקִיָּ֗ה (chizqiya) = Hizkia | עָלָ֞ה (ala) = trok op | סַנְחֵרִ֤יב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | עַ֣ל (al) = tegen | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֧י (arei) = steden van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | הַבְּצֻר֖וֹת (habetsurot) = de versterkte | וַֽיִּתְפְּשֵֽׂם (vayitpesem) = en nam ze in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: סַנְחֵרִיב (Sancheriv), ‘Sanherib’: koning van Assyrië. In vers 13 begint het verhaal dat ook in Jes. 36–37 en in 2 Kron. 32:1–23 staat. Het ‘veertiende jaar’ geven wij letterlijk. Zie ook: 2 Kron 32:1–23; Hos 12:2–3; Jes 7:17–25; Jes 8:7–8; Jes 10:5; Jes 36:1–22 **18:14** Hizkia, de koning van Juda, stuurde een boodschap naar de koning van Assyrië in Lachis: „Ik heb gezondigd. Keer terug van mij. Wat u mij oplegt, zal ik dragen.” De koning van Assyrië legde Hizkia, de koning van Juda, 300 talent zilver en 30 talent goud op. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | חִזְקִיָּ֣ה (chizqiya) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = naar | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁוּר֩ (ashur) = Assyrië | לָכִ֨ישָׁה (lakhisha) = naar Lachis | לֵאמֹ֤ר (lemor) = zeggende | חָטָ֨אתִי֙ (chatati) = ik heb gezondigd | שׁ֣וּב (shuv) = keer terug | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van mij | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | תִּתֵּ֥ן (titen) = u oplegt | עָלַ֖י (alay) = aan mij | אֶשָּׂ֑א (esa) = zal ik dragen | וַיָּ֨שֶׂם (vayasem) = en legde op | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֜וּר (ashur) = Assyrië | עַל (al) = aan | חִזְקִיָּ֣ה (chizqiya) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | שְׁלֹ֤שׁ (shelosh) = drie | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | כִּכַּר (kikar) = talent | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | כִּכַּ֥ר (kikar) = talent | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Voetnoot Uitleg: Lachis (Tel Lachis, bij het huidige Tel Lachish) ligt in de Sjefela, in het zuidwesten van Juda, in Israël. Dat is vrijwel zeker. Zie ook Joz. 10:32. Voetnoot : חָטָאתִי (chatati), ‘ik heb gezondigd’: Hizkia erkent dat hij in opstand is gekomen (vers 7). Voetnoot : אֶשָּׂא (esa), ‘ik zal dragen’: dezelfde stam als nasa, ‘dragen’. Hier gaat het om de last van de betaling. Voetnoot : כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van ongeveer 34 kg (3.000 sikkel; zie Exod. 38:25–26). 300 talent zilver is ongeveer 10.000 kg, 30 talent goud ongeveer 1.000 kg. Zie ook: Ex 38:25–26; Joz 10:32; Spr 29:25; 1 Kon 20:4; 2 Kon 18:7; Luc 14:32 **18:15** Hizkia gaf al het zilver dat gevonden werd in het huis van Yahweh en in de schatkamers van het huis van de koning. Brontekst: וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en gaf | חִזְקִיָּ֔ה (chizqiya) = Hizkia | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | הַנִּמְצָ֣א (hanimtsa) = dat gevonden werd | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְאֹצְר֖וֹת (uveotserot) = en in de schatkamers van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 15:15; 1 Kon 15:18–19; 2 Kon 12:19; 2 Kon 16:8; 2 Kron 16:2 **18:16** In die tijd sneed Hizkia de deuren van de tempel van Yahweh af, en ook de deurposten die Hizkia, de koning van Juda, had overtrokken. Hij gaf ze aan de koning van Assyrië. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | קִצַּ֨ץ (qitsats) = sneed af | חִזְקִיָּ֜ה (chizqiya) = Hizkia | אֶת (et) = (obj.) | דַּלְת֨וֹת (daltot) = de deuren van | הֵיכַ֤ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֹ֣מְנ֔וֹת (haomenot) = de deurposten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | צִפָּ֔ה (tsipa) = overtrok | חִזְקִיָּ֖ה (chizqiya) = Hizkia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַֽיִּתְּנֵ֖ם (vayitenem) = en gaf ze | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: הֵיכַל (heikhal), ‘tempel’: in het verhaal over de bouw vertalen wij het als ‘hoofdzaal’ (1 Kon. 6:3). Hier gaat het om de hele tempel. Voetnoot : קִצַּץ (qitsats), ‘hij sneed af’: de tekst noemt het goud niet. Wij laten het zoals het staat. Voetnoot : הָאֹמְנוֹת (ha’omnot), ‘de deurposten’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis volgt uit de stam ‘steunen’; wij vertalen ‘deurposten’. Dat is onzeker. Zie ook: 1 Kon 6:3; 1 Kon 6:31–35; 2 Kron 29:3 ### De Rabsake bij Jeruzalem **18:17** De koning van Assyrië stuurde de Tartan, de Rabsaris en de Rabsake vanuit Lachis naar koning Hizkia, met een groot leger, naar Jeruzalem. Zij trokken op en kwamen in Jeruzalem. Zij trokken op en kwamen. Zij bleven staan bij de waterleiding van de bovenste vijver, die op de weg naar het veld van de voller ligt. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֡וּר (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | תַּרְתָּ֥ן (tartan) = de Tartan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רַב (rav) = de overste van | סָרִ֣יס (saris) = de hovelingen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֨ה (shaqe) = de schenkers | מִן (min) = vanuit | לָכִ֜ישׁ (lakhish) = Lachis | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֛הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְּחֵ֥יל (becheil) = met een leger | כָּבֵ֖ד (kaved) = zwaar | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וַֽיַּעֲלוּ֙ (vayaalu) = en zij trokken op | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en zij trokken op | וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en zij kwamen | וַיַּֽעַמְדוּ֙ (vayaamdu) = en zij bleven staan | בִּתְעָלַת֙ (bitalat) = bij de waterleiding van | הַבְּרֵכָ֣ה (haberekha) = de vijver | הָֽעֶלְיוֹנָ֔ה (haelyona) = de bovenste | אֲשֶׁ֕ר (asher) = die | בִּמְסִלַּ֖ת (bimsilat) = op de weg naar | שְׂדֵ֥ה (sede) = het veld van | כוֹבֵֽס (koves) = de voller Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Waterleiding van de bovenste vijver (ligging onzeker): De waterleiding van de bovenste vijver lag bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur. De precieze plaats is niet zeker. Zie Veld van de voller (ligging onzeker): Het veld van de voller lag bij Jeruzalem, aan de weg langs de bovenste vijver. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De waterleiding van de bovenste vijver en het veld van de voller lagen bij Jeruzalem, buiten de stad. De precieze ligging is onzeker. Voetnoot : תַּרְתָּן (tartan), ‘Tartan’; רַב סָרִיס (rav saris), ‘Rabsaris’, letterlijk ‘overste van de hovelingen’; רַב שָׁקֵה (rav shaqeh), ‘Rabsake’, letterlijk ‘overste van de schenkers’. Dit zijn Assyrische titels van hoge ambtenaren en legerleiders. Wij laten ze staan als namen. Van hen spreekt alleen de Rabsake. Voetnoot : כוֹבֵס (kovess), ‘voller’: iemand die kleren wast en bleekt. Zie ook: 2 Kon 20:20; Jes 7:3; Jes 20:1; Jes 22:9–11; Jes 36:2 **18:18** Zij riepen de koning. Naar hen ging uit Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was. Ook gingen Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, naar hen uit. Brontekst: וַֽיִּקְרְאוּ֙ (vayiqreu) = en zij riepen | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֵּצֵ֧א (vayetse) = en ging uit | אֲלֵהֶ֛ם (alehem) = naar hen | אֶלְיָקִ֥ים (elyaqim) = Eljakim | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֖הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = over | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְשֶׁבְנָה֙ (veshevna) = en Sjebna | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | וְיוֹאָ֥ח (veyoach) = en Joach | בֶּן (ben) = zoon van | אָסָ֖ף (asaf) = Asaf | הַמַּזְכִּֽיר (hamazkir) = de archivaris Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל הַבַּיִת (al habbayit), ‘over het huis’: de man die het paleis van de koning beheert, zoals in 1 Kon. 4:6. סֹפֵר (sofer), ‘schrijver’, en מַזְכִּיר (mazkir), ‘archivaris’: zie 1 Kon. 4:3. Voetnoot : שֶׁבְנָה (Shevnah), ‘Sjebna’: in vers 37 en in 19:2 staat de naam als שֶׁבְנָא (Shevna). Zie ook: 1 Kon 4:3; 1 Kon 4:6; 2 Kon 18:37; 2 Kon 19:2; 2 Kron 34:8; Jes 22:15–24; Jes 37:2 ### De woorden van de Rabsake **18:19** De Rabsake zei tegen hen: „Zeg toch tegen Hizkia. Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor een vertrouwen waarmee je vertrouwt? Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֔ה (shaqe) = de schenkers | אִמְרוּ (imru) = zeg | נָ֖א (na) = toch | אֶל (el) = tot | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | מָ֧ה (ma) = wat | הַבִּטָּח֛וֹן (habitachon) = het vertrouwen | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | בָּטָֽחְתָּ (batachta) = je vertrouwt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Hij begint met de vaste formule van een bode: ‘Zo zegt de grote koning’. ‘De grote koning’ is een titel van Assyrische koningen. Wat Hizkia zegt, verdraait hij tot spot. Zie ook: 2 Kon 18:29–30; 2 Kon 19:10; Jes 10:8–14; Jes 36:4; Jes 37:10 **18:20** Je zegt: Er zijn raad en kracht voor de oorlog. Maar het zijn slechts woorden van de lippen. Nu, op wie vertrouw je, dat je in opstand bent gekomen tegen mij? Brontekst: אָמַ֨רְתָּ֙ (amarta) = je zegt | אַךְ (akh) = maar | דְּבַר (devar) = woord van | שְׂפָתַ֔יִם (sefatayim) = lippen | עֵצָ֥ה (etsa) = raad | וּגְבוּרָ֖ה (ugevura) = en kracht | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = voor de oorlog | עַתָּה֙ (ata) = nu | עַל (al) = op | מִ֣י (mi) = wie | בָטַ֔חְתָּ (batachta) = vertrouw je | כִּ֥י (ki) = dat | מָרַ֖דְתָּ (maradta) = je bent in opstand gekomen | בִּֽי (bi) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van de eerste helft van het vers is kort en moeilijk: ‘je zegt maar een woord van lippen, raad en kracht voor de oorlog’. Het heeft geen werkwoord bij ‘raad en kracht’. Wij lezen: ‘Je zegt: er zijn raad en kracht voor de oorlog. Maar het zijn slechts woorden van de lippen.’ Zie ook: Spr 21:30–31 **18:21** Zie nu, je vertrouwt op Egypte, die steunstaf van een gebroken riet. Als een man erop leunt, gaat het in zijn hand en doorboort die. Zo is farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen. Brontekst: עַתָּ֡ה (ata) = nu | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בָטַ֣חְתָּ (batachta) = je vertrouwt | לְּךָ֡ (lekha) = voor jou | עַל (al) = op | מִשְׁעֶנֶת֩ (mishenet) = steunstaf van | הַקָּנֶ֨ה (haqane) = het riet | הָרָצ֤וּץ (haratsuts) = het gebroken | הַזֶּה֙ (haze) = dit | עַל (al) = op | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִסָּמֵ֥ךְ (yisamekh) = steunt | אִישׁ֙ (ish) = een man | עָלָ֔יו (alav) = erop | וּבָ֥א (uva) = en het komt | בְכַפּ֖וֹ (bekhapo) = in zijn hand | וּנְקָבָ֑הּ (uneqavah) = en doorboort haar | כֵּ֚ן (ken) = zo | פַּרְעֹ֣ה (paro) = farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לְכָֽל (lekhal) = voor allen | הַבֹּטְחִ֖ים (habotechim) = die vertrouwen | עָלָֽיו (alav) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מִשְׁעֶנֶת (mish’enet), ‘steunstaf’: een stok om op te leunen. De Rabsake noemt Egypte een stok van gebroken riet die in de hand binnendringt en haar doorboort. Zo kon Hizkia zeker niet op Egypte rekenen. Zie ook: Jes 30:2–3; Jes 30:7; Jes 31:1–3; Jes 36:6; Ezech 29:6–7 **18:22** En als jullie tegen mij zeggen: ‘Op Yahweh, onze Elohim, vertrouwen wij’, is Hij het dan niet wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggenomen? Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: ‘Voor dit altaar moeten jullie je neerbuigen, in Jeruzalem.’ Brontekst: וְכִי (vekhi) = en als | תֹאמְר֣וּן (tomrun) = jullie zeggen | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | אֶל (el) = op | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | בָּטָ֑חְנוּ (batachenu) = vertrouwen wij | הֲלוֹא (halo) = is het niet | ה֗וּא (hu) = Hij | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wiens | הֵסִ֤יר (hesir) = nam weg | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶת (et) = (obj.) | בָּמֹתָ֣יו (bamotav) = Zijn hoogten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִזְבְּחֹתָ֔יו (mizbechotav) = Zijn altaren | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לִֽיהוּדָה֙ (lihuda) = tegen Juda | וְלִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (velirushaliam) = en tegen Jeruzalem | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | הַמִּזְבֵּ֣חַ (hamizbeach) = het altaar | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | תִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ (tishtachavu) = moeten jullie je neerbuigen | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Met ‘Hij’ bedoelt de Rabsake Yahweh. Hij noemt de hoogten en altaren ‘Zijn’ hoogten en altaren. Hizkia had die weggenomen (vers 4). De Rabsake maakt daarvan een verwijt tegen Hizkia. Zie ook 2 Kron. 32:12. Daar luidt het woord anders: ‘Voor één altaar moeten jullie je neerbuigen, en daarop moeten jullie wierook laten opgaan.’ Zie ook: 2 Kon 18:4; 2 Kron 31:1; 2 Kron 32:12; Dan 3:15; Mat 27:43; 1 Kor 2:15 **18:23** Ga nu toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië. Ik geef je 2.000 paarden, als je zelf de berijders voor hen kunt leveren. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הִתְעָ֣רֶב (hitarev) = ga een weddenschap aan | נָ֔א (na) = toch | אֶת (et) = met | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | אֶת (et) = met | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וְאֶתְּנָ֤ה (veetena) = en ik zal geven | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | אַלְפַּ֣יִם (alpayim) = tweeduizend | סוּסִ֔ים (susim) = paarden | אִם (im) = als | תּוּכַ֕ל (tukhal) = je kunt | לָ֥תֶת (latet) = geven | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | רֹכְבִ֥ים (rokhevim) = berijders | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: הִתְעָרֵב (hit’arev), ‘ga een weddenschap aan’: de stam betekent ‘zich borg stellen, inzetten, ruilen’. De betekenis hier is onzeker. Wij vertalen ‘weddenschap’. De Rabsake zegt spottend: Assyrië geeft paarden, maar Juda heeft de berijders niet. Voetnoot : אַלְפַּיִם (alpayim), ‘2.000’: het getal staat zo in de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Sam 17:42; 1 Sam 17:44; 1 Kon 20:10; 1 Kon 20:18; Jes 36:8–9 **18:24** Hoe kun je dan één landvoogd terugdrijven, een van de geringste dienaren van mijn heer? Toch vertrouw je op Egypte, voor wagens en ruiters. Brontekst: וְאֵ֣יךְ (veeikh) = en hoe | תָּשִׁ֗יב (tashiv) = zou je terugdrijven | אֵ֠ת (et) = (obj.) | פְּנֵ֨י (penei) = het gezicht van | פַחַ֥ת (pachat) = een landvoogd | אַחַ֛ד (achad) = een | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | הַקְּטַנִּ֑ים (haqetanim) = de geringsten | וַתִּבְטַ֤ח (vativtach) = en je vertrouwt | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | עַל (al) = op | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לְרֶ֖כֶב (lerekhev) = voor wagens | וּלְפָרָשִֽׁים (ulefarashim) = en voor ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: פַּחַת (pachat), ‘landvoogd’: zoals in 1 Kon. 10:15. Een landvoogd is een gewestelijk bestuurder. Zelfs de geringste ervan kan Hizkia niet terugdrijven. Zie ook: Deut 17:16; 1 Kon 10:15; 2 Kon 18:21; Jes 10:8; Dan 2:37–38; Dan 4:19 **18:25** Ben ik nu soms zonder Yahweh tegen deze plaats opgetrokken om haar te verwoesten? Yahweh heeft tegen mij gezegd: ‘Trek op tegen dit land en verwoest het.’” Brontekst: עַתָּה֙ (ata) = nu | הֲמִבַּלְעֲדֵ֣י (hamibaladei) = is het zonder | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עָלִ֛יתִי (aliti) = dat ik opgetrokken ben | עַל (al) = tegen | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | לְהַשְׁחִת֑וֹ (lehashchito) = om haar te verwoesten | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אָמַ֣ר (amar) = heeft gezegd | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | עֲלֵ֛ה (ale) = trek op | עַל (al) = tegen | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | וְהַשְׁחִיתָֽהּ (vehashchitah) = en verwoest het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Rabsake beweert dat Yahweh hem heeft gestuurd. Dit zijn zijn woorden, geen woorden van Yahweh zelf. Daarom staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens. De tekst zegt nergens dat dit waar is. Zie ook: 1 Kon 13:18; 2 Kon 19:6; 2 Kron 35:21; Amos 3:6; Jes 10:5–6 ### Het verzoek om Aramees te spreken **18:26** Eljakim, de zoon van Hilkia, Sjebna en Joach zeiden tegen de Rabsake: „Spreek toch Aramees met uw dienaren, want wij verstaan het. Spreek niet Judees met ons, voor de oren van het volk dat op de muur is.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֶלְיָקִ֣ים (elyaqim) = Eljakim | בֶּן (ben) = zoon van | חִ֠לְקִיָּהוּ (chilqiyahu) = Hilkia | וְשֶׁבְנָ֨ה (veshevna) = en Sjebna | וְיוֹאָ֜ח (veyoach) = en Joach | אֶל (el) = tot | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֗ה (shaqe) = de schenkers | דַּבֶּר (daber) = spreek | נָ֤א (na) = toch | אֶל (el) = tot | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = uw dienaren | אֲרָמִ֔ית (aramit) = in het Aramees | כִּ֥י (ki) = want | שֹׁמְעִ֖ים (shomeim) = verstaan | אֲנָ֑חְנוּ (anachenu) = wij | וְאַל (veal) = en niet | תְּדַבֵּ֤ר (tedaber) = spreek | עִמָּ֨נוּ֙ (imanu) = met ons | יְהוּדִ֔ית (yehudit) = in het Judees | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַחֹמָֽה (hachoma) = de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרָמִית (aramit), ‘Aramees’: de taal die overheden van verschillende volken gebruikten om elkaar te verstaan. יְהוּדִית (yehudit), ‘Judees’, letterlijk ‘in de taal van Juda’: dat is hier het Hebreeuws van het volk op de muur. Zie ook: 2 Kon 18:18; Jes 36:11–12; Dan 2:4; Ezra 4:7 **18:27** De Rabsake zei tegen hen: „Heeft mijn heer mij soms naar jullie heer en naar jou gestuurd om deze woorden te spreken? Is het niet naar de mannen die op de muur zitten? Zij moeten met jullie hun eigen uitwerpselen eten en hun eigen urine drinken.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tot hen | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֗ה (shaqe) = de schenkers | הַעַ֨ל (haal) = is het naar | אֲדֹנֶ֤יךָ (adoneikha) = jullie heer | וְאֵלֶ֨יךָ֙ (veeleikha) = en naar jou | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | לְדַבֵּ֖ר (ledaber) = om te spreken | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | הֲלֹ֣א (halo) = is het niet | עַל (al) = naar | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הַיֹּֽשְׁבִים֙ (hayoshevim) = die zitten | עַל (al) = op | הַ֣חֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = om te eten | אֶת (et) = (obj.) | צוֹאָתָ֗ם (tsoatam) = hun uitwerpselen | וְלִשְׁתּ֛וֹת (velishtot) = en om te drinken | אֶת (et) = (obj.) | מימֵ֥י (mymei) = het water van | רַגְלֵיהֶ֖ם (ragleihem) = hun voeten | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft twee grovere woorden: ‘hun drek’ voor ‘uitwerpselen’ en ‘hun urine’ voor ‘het water van hun voeten’. De voorgelezen tekst (qere) heeft de mildere uitdrukking. Wij volgen de qere en vertalen het tweede met ‘urine’. Zie ook: Ps 73:8; 2 Kon 6:25; Klaagl 4:5; Ezech 4:13; Ezech 4:15 ### De Rabsake roept in het Judees **18:28** De Rabsake ging staan en riep met luide stem in het Judees. Hij sprak en zei: „Luister naar het woord van de grote koning, de koning van Assyrië. Brontekst: וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en ging staan | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֔ה (shaqe) = de schenkers | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | בְקוֹל (beqol) = met stem | גָּד֖וֹל (gadol) = luide | יְהוּדִ֑ית (yehudit) = in het Judees | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְע֛וּ (shimu) = luister | דְּבַר (devar) = naar het woord van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: De Rabsake spreekt het volk rechtstreeks aan, in de taal die zij verstaan. Zijn woorden gaan vanaf hier over de hoofden van de ambtenaren heen naar de mannen op de muur. Zie ook: Ps 47:3; 2 Kon 18:19; 2 Kron 32:18; Jes 36:13–18; Ezra 7:12 **18:29** Zo zegt de koning: Laat Hizkia jullie niet misleiden, want hij kan jullie niet uit zijn hand redden. Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַל (al) = niet | יַשִּׁ֥יא (yashi) = laat misleiden | לָכֶ֖ם (lakhem) = jullie | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כִּי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יוּכַ֔ל (yukhal) = hij kan | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = redden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיָּדֽוֹ (miyado) = uit zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 32:11; 2 Kron 32:15; Dan 3:15–17; Dan 6:17; Joh 19:10–11 **18:30** Laat Hizkia jullie niet op Yahweh laten vertrouwen met de woorden: ‘Yahweh zal ons zeker redden. Deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’ Brontekst: וְאַל (veal) = en niet | יַבְטַ֨ח (yavtach) = laat laten vertrouwen | אֶתְכֶ֤ם (etkhem) = jullie | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶל (el) = op | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַצֵּ֥ל (hatsel) = zeker redden | יַצִּילֵ֖נוּ (yatsilenu) = zal ons redden | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִנָּתֵן֙ (tinaten) = zal worden gegeven | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie ook: Ps 4:3; Ps 71:9; Ps 125:1–2; 2 Kon 19:10; 2 Kon 19:22 **18:31** Luister niet naar Hizkia. Want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit een overeenkomst met mij en kom naar mij uit. Dan zal ieder van zijn wijnstok eten en ieder van zijn vijgenboom, en ieder het water van zijn eigen put drinken, Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּשְׁמְע֖וּ (tishmeu) = luister | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֗וּר (ashur) = Assyrië | עֲשֽׂוּ (asu) = maak | אִתִּ֤י (iti) = met mij | בְרָכָה֙ (berakha) = een zegen | וּצְא֣וּ (utseu) = en kom uit | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְאִכְל֤וּ (veikhlu) = en eet | אִישׁ (ish) = ieder | גַּפְנוֹ֙ (gafno) = zijn wijnstok | וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | תְּאֵֽנָת֔וֹ (teenato) = zijn vijgenboom | וּשְׁת֖וּ (ushetu) = en drink | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מֵֽי (mei) = water van | בוֹרֽוֹ (boro) = zijn put Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: wij vertalen ‘overeenkomst’. Letterlijk staat er ‘maak met mij een zegen’. Het kan een verdrag of een overgave bedoelen, of een geschenk. De betekenis is onzeker. Zie ook: Gen 32:20; Spr 18:16; 1 Kon 4:20; 1 Kon 5:5; Zach 3:10 **18:32** totdat ik kom en jullie meeneem naar een land zoals jullie eigen land. Dat is een land van koren en most, een land van brood en wijngaarden, een land van olijfolie en honing. Dan zullen jullie leven en niet sterven. Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt jullie met de woorden: ‘Yahweh zal ons redden.’ Brontekst: עַד (ad) = totdat | בֹּאִי֩ (boi) = ik kom | וְלָקַחְתִּ֨י (velaqachti) = en ik zal nemen | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | כְּאַרְצְכֶ֗ם (keartsekhem) = zoals jullie land | אֶרֶץ֩ (erets) = een land van | דָּגָ֨ן (dagan) = koren | וְתִיר֜וֹשׁ (vetirosh) = en most | אֶ֧רֶץ (erets) = een land van | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | וּכְרָמִ֗ים (ukheramim) = en wijngaarden | אֶ֣רֶץ (erets) = een land van | זֵ֤ית (zeit) = olijf | יִצְהָר֙ (yitshar) = olie | וּדְבַ֔שׁ (udevash) = en honing | וִֽחְי֖וּ (vichyu) = en leef | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָמֻ֑תוּ (tamutu) = sterf | וְאַֽל (veal) = en niet | תִּשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = luister | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כִּֽי (ki) = want | יַסִּ֤ית (yasit) = hij misleidt | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יַצִּילֵֽנוּ (yatsilenu) = zal ons redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘land zoals jullie land’ doet denken aan het beloofde land van Deut. 8:8. De Rabsake belooft het volk een nieuw land, maar het is een verbanning (vergelijk vers 11). Voetnoot : תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: jonge wijn, zoals in Deut. 7:13. Zie ook: Ex 3:8; Num 14:8; Deut 7:13; Deut 8:7–9; Deut 8:8; Deut 11:12; Deut 32:13–14; 2 Kon 18:11 **18:33** Hebben de goden van de volken ooit ieder zijn land gered uit de hand van de koning van Assyrië? Brontekst: הַהַצֵּ֥ל (hahatsel) = is het zeker dat redden | הִצִּ֛ילוּ (hitsilu) = hebben gered | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de goden van | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצ֑וֹ (artso) = zijn land | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי הַגּוֹיִם (elohei haggoyim), ‘de goden van de volken’: het meervoud van אֱלֹהִים (elohim), maar dan voor goden van andere volken. Wij schrijven ‘goden’ met een kleine letter, ook in de verzen 34–35. Zie ook: 2 Kon 19:12–13; 2 Kon 19:17–18; 2 Kron 32:14–17; 2 Kron 32:19; Jes 10:10–11 **18:34** Waar zijn de goden van Chamat en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarwaïm, Hena en Iwwa? Hebben zij Samaria dan uit mijn hand gered? Brontekst: אַיֵּה֩ (aye) = waar | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = goden van | חֲמָ֜ת (chamat) = Chamat | וְאַרְפָּ֗ד (vearpad) = en Arpad | אַיֵּ֛ה (aye) = waar | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = goden van | סְפַרְוַ֖יִם (sefarvayim) = Sefarwaïm | הֵנַ֣ע (hena) = Hena | וְעִוָּ֑ה (veiva) = en Iwwa | כִּֽי (ki) = dat | הִצִּ֥ילוּ (hitsilu) = hebben gered | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Chamat (het huidige Hama) ligt in Syrië, aan de Orontes. Arpad ligt in het noorden van Syrië, bij het huidige Tell Rifaat. Sefarwaïm, Hena en Iwwa zijn steden in Syrië of Mesopotamië. Hun ligging is onzeker. Voetnoot Lezing: כִּי (ki), ‘dat’: hier leidt het woord een vraag in: ‘Hebben zij dan Samaria gered?’ Zie ook: 2 Sam 8:9; Jes 10:9; Jes 36:18–19; Jes 37:11–12; Jer 49:23 **18:35** Wie onder alle goden van de landen heeft zijn land uit mijn hand gered, dat Yahweh Jeruzalem uit mijn hand zou redden?” Brontekst: מִ֚י (mi) = wie | בְּכָל (bekhal) = onder alle | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = goden van | הָֽאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁר (asher) = die | הִצִּ֥ילוּ (hitsilu) = hebben gered | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֖ם (artsam) = hun land | מִיָּדִ֑י (miyadi) = uit mijn hand | כִּי (ki) = dat | יַצִּ֧יל (yatsil) = zal redden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Job 15:25–26; Ex 5:2; Ps 2:1–2; Jes 37:23–29; Dan 3:15 ### Het volk zwijgt **18:36** Het volk zweeg en antwoordde hem niet één woord. Want het gebod van de koning luidde: „Antwoord hem niet.” Brontekst: וְהֶחֱרִ֣ישׁוּ (vehecherishu) = en zij zwegen | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְלֹֽא (velo) = en niet | עָנ֥וּ (anu) = antwoordden zij | אֹת֖וֹ (oto) = hem | דָּבָ֑ר (davar) = een woord | כִּי (ki) = want | מִצְוַ֨ת (mitsvat) = gebod van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | הִ֛יא (hi) = het | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲנֻֽהוּ (taanuhu) = antwoord hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִצְוַת (mitsvat), ‘gebod’: een bevel van de koning van Juda. Het volk gehoorzaamt. Het verhaal gaat verder met 19:1. Zie ook: Ps 38:14–15; Ps 39:2; Spr 9:7; Spr 26:4; Amos 5:13 **18:37** Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, kwamen met gescheurde kleren naar Hizkia. Zij vertelden hem de woorden van de Rabsake. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | אֶלְיָקִ֣ים (elyaqim) = Eljakim | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֣ה (chilqiya) = Hilkia | אֲשֶׁר (asher) = die | עַל (al) = over | הַ֠בַּיִת (habayit) = het huis | וְשֶׁבְנָ֨א (veshevna) = en Sjebna | הַסֹּפֵ֜ר (hasofer) = de schrijver | וְיוֹאָ֨ח (veyoach) = en Joach | בֶּן (ben) = zoon van | אָסָ֧ף (asaf) = Asaf | הַמַּזְכִּ֛יר (hamazkir) = de archivaris | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | קְרוּעֵ֣י (qeruei) = gescheurd van | בְגָדִ֑ים (begadim) = kleren | וַיַּגִּ֣דוּ (vayagidu) = en zij vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | דִּבְרֵ֖י (divrei) = de woorden van | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵֽה (shaqe) = de schenkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het scheuren van de kleren is een teken van rouw en ontzetting, zoals Hizkia ook doet in 19:1. De drie mannen die de Rabsake hebben aangehoord, komen terug met gescheurde kleren. Zie ook: Gen 37:29; 2 Kon 6:30; 2 Kon 18:26; 2 Kon 22:11; 2 Kon 22:19 ## 2 Koningen 19 _Jesaja, Sanherib en de engel van Yahweh_ ### Hizkia gaat naar het huis van Yahweh **19:1** Toen koning Hizkia het hoorde, scheurde hij zijn kleren. Hij bedekte zich met een rouwkleed en ging het huis van Yahweh binnen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּשְׁמֹ֨עַ֙ (kishmoa) = toen hoorde | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | וַיִּקְרַ֖ע (vayiqra) = en scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֑יו (begadav) = zijn kleren | וַיִּתְכַּ֣ס (vayitkas) = en bedekte zich | בַּשָּׂ֔ק (basaq) = met een rouwkleed | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en ging | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: grove kleding als teken van rouw, zoals in 1 Kon. 21:27. Hizkia scheurt zijn kleren, zoals de mannen in 18:37. Zie ook: Gen 37:34; Job 1:20–21; 1 Kon 21:27; 2 Kon 18:37; 2 Kron 32:20–22 ### Hizkia stuurt naar Jesaja **19:2** Hij stuurde Eljakim, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters naar de profeet Jesaja, de zoon van Amoz. Zij waren bedekt met rouwkleden. Brontekst: וַ֠יִּשְׁלַח (vayishlach) = en stuurde | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְיָקִ֨ים (elyaqim) = Eljakim | אֲשֶׁר (asher) = die | עַל (al) = over | הַבַּ֜יִת (habayit) = het huis | וְשֶׁבְנָ֣א (veshevna) = en Sjebna | הַסֹּפֵ֗ר (hasofer) = de schrijver | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | הַכֹּֽהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | מִתְכַּסִּ֖ים (mitkasim) = bedekt | בַּשַּׂקִּ֑ים (basaqim) = met rouwkleden | אֶל (el) = naar | יְשַֽׁעְיָ֥הוּ (yeshayahu) = Jesaja | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | בֶּן (ben) = zoon van | אָמֽוֹץ (amots) = Amoz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de profeet. Zijn vader heet אָמוֹץ (Amots), ‘Amoz’. Dat is niet dezelfde naam als die van de profeet Amos. Dit verhaal staat ook in Jes. 36–39. Zie ook: 2 Kon 18:18; Jes 1:1; Jes 2:1; Jes 37:2–5; Mat 4:14 **19:3** Zij zeiden tegen hem: „Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van nood, van terechtwijzing en van smaad. Want kinderen zijn tot aan de geboorte gekomen, maar er is geen kracht om te baren. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | יוֹם (yom) = dag van | צָרָ֧ה (tsara) = nood | וְתוֹכֵחָ֛ה (vetokhecha) = en terechtwijzing | וּנְאָצָ֖ה (uneatsa) = en smaad | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = want | בָ֤אוּ (bau) = zijn gekomen | בָנִים֙ (banim) = kinderen | עַד (ad) = tot | מַשְׁבֵּ֔ר (mashber) = de geboortestoel | וְכֹ֥חַ (vekhoach) = en kracht | אַ֖יִן (ayin) = er is niet | לְלֵדָֽה (leleda) = om te baren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׁבֵּר (mashber), ‘geboortestoel’: de plek waar een kind geboren wordt. Het beeld: de kinderen zijn aan de geboorte toe, maar de moeder heeft geen kracht meer. Zo staat het volk machteloos. Voetnoot : תוֹכֵחָה (tokhechah), ‘terechtwijzing’, en נְאָצָה (ne’atsah), ‘smaad’: een dag waarop Elohim terechtwijst en het volk gehoond wordt. Zie ook: Hos 13:13; Jes 26:17–18; Jes 66:9; Jer 30:5–7; Heb 3:15–16 **19:4** Misschien hoort Yahweh, jouw Elohim, alle woorden van de Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, heeft gestuurd om de levende Elohim te smaden. Misschien straft Hij om de woorden die Yahweh, jouw Elohim, heeft gehoord. Doe dan een gebed opgaan voor het overblijfsel dat nog gevonden wordt.” Brontekst: אוּלַ֡י (ulay) = misschien | יִשְׁמַע֩ (yishma) = hoort | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֗ה (shaqe) = de schenkers | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | שְׁלָח֨וֹ (shelacho) = stuurde hem | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֤וּר (ashur) = Assyrië | אֲדֹנָיו֙ (adonav) = zijn heer | לְחָרֵף֙ (lecharef) = om te smaden | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | חַ֔י (chay) = levende | וְהוֹכִ֨יחַ֙ (vehokhiach) = en Hij zal terechtwijzen | בַּדְּבָרִ֔ים (badevarim) = om de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁמַ֖ע (shama) = hoorde | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | וְנָשָׂ֣אתָ (venasata) = en doe opgaan | תְפִלָּ֔ה (tefila) = een gebed | בְּעַ֥ד (bead) = ten behoeve van | הַשְּׁאֵרִ֖ית (hasheerit) = het overblijfsel | הַנִּמְצָאָֽה (hanimtsaa) = dat gevonden wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overblijfsel’: wie van Juda nog over is nadat Sanherib de steden heeft ingenomen (18:13). Voetnoot : הוֹכִיחַ (hokhiach), ‘terechtwijzen, straffen’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp. Wij laten dat zo. Zie ook: Joz 14:12; 2 Sam 16:12; Ezech 36:37; Jak 5:16–17; Rom 9:27 **19:5** De dienaren van koning Hizkia kwamen bij Jesaja. Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en kwamen | עַבְדֵ֛י (avdei) = dienaren van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶל (el) = naar | יְשַֽׁעַיָֽהוּ (yeshaayahu) = Jesaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het antwoord van Jesaja **19:6** Jesaja zei tegen hen: „Zo moeten jullie zeggen tegen jullie heer. Zo zegt Yahweh: ‘Wees niet bang voor de woorden die je hebt gehoord. De jongens van de koning van Assyrië hebben Mij ermee gelasterd. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | יְשַֽׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמְר֖וּן (tomrun) = moeten jullie zeggen | אֶל (el) = tegen | אֲדֹֽנֵיכֶ֑ם (adoneikhem) = jullie heer | כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | מִפְּנֵ֤י (mipenei) = voor | הַדְּבָרִים֙ (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁמַ֗עְתָּ (shamata) = je hoorde | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarmee | גִּדְּפ֛וּ (gidefu) = hebben gelasterd | נַעֲרֵ֥י (naarei) = de jongens van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | אֹתִֽי (oti) = Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Jesaja spreekt hier namens Yahweh. Zijn woorden zijn niet rood, maar zwart: een profeet citeert Yahweh, zoals in 1 Kon. 20:13. De woorden van Yahweh staan daarom tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: de dienaren van de koning van Assyrië. Zo ook in 1 Kon. 20:14. Zie ook: Joz 11:6; 1 Kon 20:13; 1 Kon 20:14; 2 Kon 18:17; 2 Kon 18:35; 2 Kron 20:15; Jes 37:6–38 **19:7** Zie, Ik geef een geest in hem. Hij zal een bericht horen en terugkeren naar zijn land. En Ik laat hem door het zwaard vallen in zijn land.’” Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | נֹתֵ֥ן (noten) = geef | בּוֹ֙ (bo) = in hem | ר֔וּחַ (ruach) = een geest | וְשָׁמַ֥ע (veshama) = en hij zal horen | שְׁמוּעָ֖ה (shemua) = een bericht | וְשָׁ֣ב (veshav) = en zal terugkeren | לְאַרְצ֑וֹ (leartso) = naar zijn land | וְהִפַּלְתִּ֥יו (vehipaltiv) = en Ik zal hem doen vallen | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | בְּאַרְצֽוֹ (beartso) = in zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’, ‘adem’ of ‘gezindheid’ betekenen. Wij schrijven ‘een geest’, zoals het staat. Wat hier wordt aangekondigd, gebeurt in vers 36–37. Zie ook: Ps 18:15–16; 2 Kon 7:6; 2 Kon 19:36–37; 2 Kron 32:21; Jes 10:16–18; Jes 11:4 ### De brief van Sanherib **19:8** De Rabsake keerde terug en vond de koning van Assyrië strijdend tegen Libna. Want hij had gehoord dat de koning uit Lachis was vertrokken. Brontekst: וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en keerde terug | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֔ה (shaqe) = de schenkers | וַיִּמְצָא֙ (vayimtsa) = en vond | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | נִלְחָ֖ם (nilcham) = strijdend | עַל (al) = tegen | לִבְנָ֑ה (livna) = Libna | כִּ֣י (ki) = want | שָׁמַ֔ע (shama) = hij had gehoord | כִּ֥י (ki) = dat | נָסַ֖ע (nasa) = hij was vertrokken | מִלָּכִֽישׁ (milakhish) = uit Lachis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Voetnoot Uitleg: Libna lag in de Sjefela, in het zuidwesten van Juda (Joz. 10:29). De precieze ligging is onzeker. Lachis staat bij 18:14. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘want hij had gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken’. Wij noemen ‘de koning’, zodat duidelijk is wie er vertrokken was. Zie ook: Joz 10:29; Joz 12:15; Joz 15:42; 2 Kon 18:14; Jes 37:8–9 **19:9** Hij hoorde over Tirhaka, de koning van Kush, zeggen: „Zie, hij is uitgetrokken om tegen u te strijden.” Hij stuurde opnieuw boden naar Hizkia met de woorden: Brontekst: וַיִּשְׁמַ֗ע (vayishma) = en hij hoorde | אֶל (el) = over | תִּרְהָ֤קָה (tirhaqa) = Tirhaka | מֶֽלֶך (melekh) = koning van | כּוּשׁ֙ (kush) = Kush | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | יָצָ֖א (yatsa) = hij is uitgetrokken | לְהִלָּחֵ֣ם (lehilachem) = om te strijden | אִתָּ֑ךְ (itakh) = tegen u | וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en hij keerde terug | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: תִּרְהָקָה (Tirhaqah), ‘Tirhaka’: koning van Kush. Kush ligt ten zuiden van Egypte, in het gebied van het huidige Soedan. In de Egyptische bronnen heet hij Taharqa. Voetnoot : הִנֵּה יָצָא (hinneh yatsa), ‘zie, hij is uitgetrokken’: de tekst zegt niet wie dit bericht brengt. Het is een rechtstreeks citaat. Zie ook: 1 Sam 23:27; 2 Kon 18:17; Jes 37:9 **19:10** „Zo moeten jullie zeggen tegen Hizkia, de koning van Juda. Laat je Elohim, op wie je vertrouwt, je niet misleiden met de woorden: ‘Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’ Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | תֹאמְר֗וּן (tomrun) = moeten jullie zeggen | אֶל (el) = tegen | חִזְקִיָּ֤הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אַל (al) = niet | יַשִּׁאֲךָ֣ (yashiakha) = laat misleiden | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = op wie | אַתָּ֛ה (ata) = jij | בֹּטֵ֥חַ (boteach) = vertrouwt | בּ֖וֹ (bo) = op Hem | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹ֤א (lo) = niet | תִנָּתֵן֙ (tinaten) = zal worden gegeven | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Sanherib stuurt boden met een tweede boodschap. Ook hier staat de formule van een bode: ‘Zo moeten jullie zeggen’. Vanaf hier is het de boodschap zelf. Het Hebreeuws gebruikt het woord ‘vertrouwen’ weer (בָּטַח, batach); zie 18:5. Zie ook: 2 Kon 18:5; 2 Kon 18:29–30; 2 Kron 32:15–19; Jes 37:10–14 **19:11** Zie, jij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië met alle landen hebben gedaan: zij hebben ze met de ban geslagen. En jij zou gered worden? Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שָׁמַ֗עְתָּ (shamata) = heb je gehoord | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשׂ֜וּ (asu) = hebben gedaan | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | אַשּׁ֛וּר (ashur) = Assyrië | לְכָל (lekhal) = met alle | הָאֲרָצ֖וֹת (haaratsot) = de landen | לְהַֽחֲרִימָ֑ם (lehacharimam) = door hen met de ban te slaan | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | תִּנָּצֵֽל (tinatsel) = zou je gered worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: לְהַחֲרִימָם (lehacharimam), ‘hen met de ban slaan’: de ban (cherem) betekent dat iets volledig vernietigd wordt. Zie ook Joz. 6:17. Zie ook: Joz 6:17; 2 Kon 17:5–11; 2 Kon 19:17–18; 2 Kron 32:13–14; Jes 10:8–11 **19:12** Hebben de goden van de volken hen gered, die mijn vaders hebben verwoest: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren? Brontekst: הַהִצִּ֨ילוּ (hahitsilu) = hebben gered | אֹתָ֜ם (otam) = hen | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de goden van | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שִׁחֲת֣וּ (shichatu) = verwoestten | אֲבוֹתַ֔י (avotay) = mijn vaders | אֶת (et) = (obj.) | גּוֹזָ֖ן (gozan) = Gozan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חָרָ֑ן (charan) = Haran | וְרֶ֥צֶף (veretsef) = en Rezef | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | עֶ֖דֶן (eden) = Eden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּתְלַאשָּֽׂר (bitlasar) = in Telassar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gozan (Tell Halaf): Gozan lag aan de Chabor, bij het huidige Tell Halaf, in het noordoosten van Syrië. Zie Rezef (Rusafa): Rezef wordt gezocht bij Rusafa, ten zuiden van de Eufraat, in Syrië. Voetnoot Uitleg: Gozan ligt aan de Chabor, in het noordoosten van het huidige Syrië. Haran ligt in het zuidoosten van het huidige Turkije; het is de stad uit Gen. 11:31. Rezef ligt waarschijnlijk bij het huidige Rusafa in Syrië. Telassar is onzeker, ergens in Mesopotamië. Voetnoot : בְּנֵי עֶדֶן (bene Eden), ‘de zonen van Eden’: een volk in Mesopotamië. Dit is niet de tuin van Eden uit Gen. 2:8. Zie ook: Gen 2:8; Gen 11:31; 2 Kon 17:6; Jes 37:12; Ezech 27:23 **19:13** Waar is de koning van Chamat, de koning van Arpad en de koning van de stad Sefarwaïm, van Hena en Iwwa?” Brontekst: אַיּ֤וֹ (ayo) = waar | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | חֲמָת֙ (chamat) = Chamat | וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en de koning van | אַרְפָּ֔ד (arpad) = Arpad | וּמֶ֖לֶךְ (umelekh) = en de koning | לָעִ֣יר (lair) = van de stad | סְפַרְוָ֑יִם (sefarvayim) = Sefarwaïm | הֵנַ֖ע (hena) = Hena | וְעִוָּֽה (veiva) = en Iwwa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië. Voetnoot Uitleg: Chamat (het huidige Hama in Syrië) en Arpad (bij het huidige Tell Rifaat in Syrië) staan ook bij 18:34. De ligging van Sefarwaïm, Hena en Iwwa is onzeker. Zie ook: Num 13:21; Num 34:8; 2 Kon 18:34; Jes 37:13–20; Zach 9:2 ### Het gebed van Hizkia **19:14** Hizkia nam de brieven uit de hand van de boden en las ze. Hij ging op naar het huis van Yahweh. Hizkia spreidde ze uit voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | חִזְקִיָּ֧הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶת (et) = (obj.) | הַסְּפָרִ֛ים (hasefarim) = de brieven | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | הַמַּלְאָכִ֖ים (hamalakhim) = de boden | וַיִּקְרָאֵ֑ם (vayiqraem) = en las ze | וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en ging op | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּפְרְשֵׂ֥הוּ (vayifresehu) = en spreidde ze uit | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hizkia brengt de brieven naar het huis van Yahweh en legt ze voor Yahweh neer. Daarna bidt hij. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘de brieven’ (meervoud) en daarna ‘hij spreidde het uit’ (enkelvoud). Wij vertalen beide met het meervoud: ‘ze’. Zie ook: Ps 74:10–11; Ps 91:1–2; Ps 123:1–4; 1 Kon 8:28–30; Jes 37:14 **19:15** Hizkia bad voor het aangezicht van Yahweh. Hij zei: „Yahweh, Elohim van Israël, die troont op de cherubs, U alleen bent de Elohim over alle koninkrijken van de aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּ֨ל (vayitpalel) = en bad | חִזְקִיָּ֜הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en zei | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = die troont | הַכְּרֻבִ֔ים (hakeruvim) = op de cherubs | אַתָּה (ata) = U | ה֤וּא (hu) = bent Hij | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = de Elohim | לְבַדְּךָ֔ (levadekha) = U alleen | לְכֹ֖ל (lekhol) = over alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אַתָּ֣ה (ata) = U | עָשִׂ֔יתָ (asita) = hebt gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹשֵׁב הַכְּרֻבִים (yoshev hakeruvim), ‘die troont op de cherubs’: zoals in 1 Sam. 4:4. De cherubs staan op de ark; Yahweh spreekt van boven het verzoendeksel (Exod. 25:22). Voetnoot : אַתָּה הוּא הָאֱלֹהִים (attah hu ha’Elohim), ‘U bent de Elohim’: met lidwoord, zoals in Deut. 4:35. Zie ook: Ex 25:22; Deut 4:35; 1 Sam 4:4; 1 Kon 18:39; 2 Kon 5:15; Jes 44:8; Dan 4:31–32 **19:16** Neig Uw oor, Yahweh, en hoor. Open Uw ogen, Yahweh, en zie. Hoor de woorden van Sanherib, die hem heeft gestuurd om de levende Elohim te smaden. Brontekst: הַטֵּ֨ה (hate) = neig | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אָזְנְךָ֙ (azenekha) = Uw oor | וּֽשֲׁמָ֔ע (ushama) = en hoor | פְּקַ֧ח (peqach) = open | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = Uw ogen | וּרְאֵ֑ה (uree) = en zie | וּשְׁמַ֗ע (ushema) = en hoor | אֵ֚ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | סַנְחֵרִ֔יב (sancheriv) = Sanherib | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שְׁלָח֔וֹ (shelacho) = heeft gestuurd hem | לְחָרֵ֖ף (lecharef) = om te smaden | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | חָֽי (chay) = levende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hizkia vraagt Yahweh te horen en te zien wat in de brieven staat. De woorden ‘die hem heeft gestuurd’ gaan over Sanherib: hij zond de Rabsake. Zie ook: Ps 31:3; 2 Kon 19:4; 2 Kron 6:40; Jes 37:17; Dan 9:18 **19:17** Het is waar, Yahweh: de koningen van Assyrië hebben de volken en hun land verwoest. Brontekst: אָמְנָ֖ם (amenam) = waarlijk | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֶחֱרִ֜יבוּ (hecherivu) = hebben verwoest | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | אַשּׁ֛וּר (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצָֽם (artsam) = hun land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie ook: 1 Kron 5:26; Jes 5:9; Jer 26:15; Dan 2:47; 1 Kor 14:25 **19:18** Zij hebben hun goden in het vuur geworpen. Want zij waren geen goden, maar slechts het werk van mensenhanden: hout en steen. Zij hebben ze vernietigd. Brontekst: וְנָתְנ֥וּ (venatenu) = en zij wierpen | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun goden | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = in het vuur | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = goden | הֵ֗מָּה (hema) = zij | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = slechts | מַעֲשֵׂ֧ה (maase) = werk van | יְדֵֽי (yedei) = handen van | אָדָ֛ם (adam) = mensen | עֵ֥ץ (ets) = hout | וָאֶ֖בֶן (vaeven) = en steen | וַֽיְאַבְּדֽוּם (vayabedum) = en zij vernietigden ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hizkia zegt dat de goden van de volken geen echte goden zijn, maar ‘werk van mensenhanden, hout en steen’. Zo ook in Deut. 4:28. Zie ook: Deut 4:28; 2 Sam 5:21; Jes 44:9–20; Jer 10:3–9; Jer 10:14–16; Hand 17:29 **19:19** Nu dan, Yahweh, onze Elohim, red ons toch uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U, Yahweh, Elohim bent, U alleen.” Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הוֹשִׁיעֵ֥נוּ (hoshienu) = red ons | נָ֖א (na) = toch | מִיָּד֑וֹ (miyado) = uit zijn hand | וְיֵֽדְעוּ֙ (veyedeu) = en zullen weten | כָּל (kal) = alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כִּ֥י (ki) = dat | אַתָּ֛ה (ata) = U | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לְבַדֶּֽךָ (levadekha) = U alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 8:60: ‘zodat alle volken van de aarde weten dat Yahweh de Elohim is’. Hizkia bidt dat Yahweh Zich bekendmaakt aan alle koninkrijken. Zie ook: Joz 7:9; 1 Sam 17:45–47; Ps 67:2–3; Ps 83:19; 1 Kon 8:43; 1 Kon 8:60 ### Yahweh antwoordt door Jesaja **19:20** Jesaja, de zoon van Amoz, stuurde een boodschap naar Hizkia. Hij zei: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Wat je tot Mij hebt gebeden over Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.’ Brontekst: וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en stuurde | יְשַֽׁעְיָ֣הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֔וֹץ (amots) = Amoz | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | הִתְפַּלַּ֧לְתָּ (hitpalalta) = je hebt gebeden | אֵלַ֛י (elay) = tot Mij | אֶל (el) = over | סַנְחֵרִ֥ב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | שָׁמָֽעְתִּי (shamati) = Ik heb gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: סַנְחֵרִב (Sancherev), ‘Sanherib’: hier staat de naam zonder de letter yod. In de verzen 16 en 36 staat hij met de yod (סַנְחֵרִיב). Het is dezelfde koning. Voetnoot : Jesaja’s woorden zijn de woorden van een profeet die Yahweh citeert. Daarom zijn ze zwart. De woorden van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens. Het gedeelte tot en met vers 34 is één lange boodschap van Jesaja. Zie ook: 2 Kon 19:34; 2 Kon 20:5; 2 Kron 32:20–21; Jes 65:24; Jer 33:3; 1 Joh 5:14–15 ### Het spotlied op Sanherib **19:21** Dit is het woord dat Yahweh over hem heeft gesproken: ‘De maagd, de dochter van Sion, veracht je en bespot je. Achter je rug schudt de dochter van Jeruzalem het hoofd. Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָלָ֑יו (alav) = over hem | בָּזָ֨ה (baza) = zij veracht | לְךָ֜ (lekha) = jou | לָעֲגָ֣ה (laaga) = zij bespot | לְךָ֗ (lekha) = jou | בְּתוּלַת֙ (betulat) = de maagd | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | אַחֲרֶ֨יךָ֙ (achareikha) = achter je rug | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd | הֵנִ֔יעָה (henia) = zij schudt | בַּ֖ת (bat) = dochter van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vanaf vers 21 volgt een gedicht, een spotlied op Sanherib. Het loopt tot en met vers 28. בְּתוּלַת בַּת צִיּוֹן (betulat bat Tsiyyon), ‘de maagd, de dochter van Sion’: een beeld voor Jeruzalem als een jonge vrouw. Het hoofd schudden is een teken van spot. Zie ook: Job 16:4; 2 Kon 19:28; Jer 14:17; Klaagl 2:13; Klaagl 2:15; Mat 27:39 **19:22** Wie heb je gehoond en gelasterd? Tegen wie heb je je stem verheven en je ogen hoog geheven? Tegen de Heilige van Israël! Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | מִ֤י (mi) = wie | חֵרַ֨פְתָּ֙ (cherafta) = heb je gehoond | וְגִדַּ֔פְתָּ (vegidafta) = en gelasterd | וְעַל (veal) = en tegen | מִ֖י (mi) = wie | הֲרִימ֣וֹתָ (harimota) = heb je verheven | קּ֑וֹל (qol) = stem | וַתִּשָּׂ֥א (vatisa) = en je hief op | מָר֛וֹם (marom) = omhoog | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | עַל (al) = tegen | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een naam voor Yahweh, zoals in Ps. 71:22. Zie ook: Ps 71:22; Jes 5:24; Jes 30:15; Jer 51:5; 2 Tess 2:4 **19:23** Door je boden heb je mijn Heer gehoond. Je hebt gezegd: „Met de menigte van mijn wagens ben ik de hoogte van de bergen opgetrokken, de uiterste hoeken van de Libanon. Ik hak zijn hoogste cederen om, zijn beste cypressen. Ik kom bij zijn verste verblijfplaats, het woud van zijn boomgaard. Brontekst: בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | מַלְאָכֶיךָ֮ (malakheikha) = je boden | חֵרַ֣פְתָּ (cherafta) = heb je gehoond | אֲדֹנָי֒ (adonay) = mijn Heer | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en je zei | בְּרֹ֥ב (berov) = met de menigte van | רִכְבִּ֛י (rikhbi) = mijn wagens | אֲנִ֥י (ani) = ik | עָלִ֛יתִי (aliti) = ben opgetrokken | מְר֥וֹם (merom) = hoogte van | הָרִ֖ים (harim) = bergen | יַרְכְּתֵ֣י (yarketei) = uiterste hoeken van | לְבָנ֑וֹן (levanon) = Libanon | וְאֶכְרֹ֞ת (veekhrot) = en ik zal omhakken | קוֹמַ֤ת (qomat) = hoogte van | אֲרָזָיו֙ (arazav) = zijn cederen | מִבְח֣וֹר (mivchor) = beste van | בְּרֹשָׁ֔יו (beroshav) = zijn cypressen | וְאָב֨וֹאָה֙ (veavoa) = en ik zal komen | מְל֣וֹן (melon) = verblijfplaats van | קִצֹּ֔ה (qitso) = zijn uiterste | יַ֖עַר (yaar) = woud van | כַּרְמִלּֽוֹ (karmilo) = zijn boomgaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zoals bij 1 Kon. 3:10. Het is hier de aanspreektitel van Yahweh. Voetnoot : כַּרְמֶל (Karmel), ‘boomgaard’: het woord is ook de naam van een berg. Hier gaat het om een vruchtbaar woud. Voetnoot : Vanaf ‘Met de menigte’ spreekt Sanherib. Zijn woorden zijn een citaat binnen het citaat van Yahweh, dat weer binnen Jesaja’s boodschap staat. Wij zetten ze daarom tussen „ ”, op het derde niveau. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘met de wagen van mijn wagens’ (בְּרֹכֶב). De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘met de menigte van mijn wagens’ (בְּרֹב). Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 20:8; 1 Kon 3:10; 2 Kon 18:17; 2 Kron 32:17; Jes 10:18; Ezech 31:3–18 **19:24** Ik heb gegraven en vreemde wateren gedronken. Met de zool van mijn voeten droog ik alle Nijlarmen van Egypte uit.” Brontekst: אֲנִ֣י (ani) = ik | קַ֔רְתִּי (qarti) = heb gegraven | וְשָׁתִ֖יתִי (veshatiti) = en heb gedronken | מַ֣יִם (mayim) = wateren | זָרִ֑ים (zarim) = vreemde | וְאַחְרִב֙ (veachriv) = en ik zal droogleggen | בְּכַף (bekhaf) = met de zool van | פְּעָמַ֔י (peamay) = mijn voeten | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְאֹרֵ֥י (yeorei) = Nijlarmen van | מָצֽוֹר (matsor) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מָצוֹר (matsor), ‘Egypte’: een andere vorm van de naam Mitsrayim. Het kan ook ‘bolwerk’ betekenen. Wij vertalen ‘Egypte’, de gangbare opvatting. Dat is onzeker. Voetnoot : יְאֹרֵי (ye’orei), ‘Nijlarmen’: de kanalen en armen van de Nijl. Zie ook: Ex 15:9; 2 Sam 17:13; 1 Kon 20:10; Jes 19:6; Dan 4:27 **19:25** Heb je niet gehoord? Van lang geleden heb Ik het gedaan, van de dagen van vroeger heb Ik het gevormd. Nu heb Ik het laten komen. Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken. Brontekst: הֲלֹֽא (halo) = is het niet | שָׁמַ֤עְתָּ (shamata) = heb je gehoord | לְמֵֽרָחוֹק֙ (lemerachoq) = van ver | אֹתָ֣הּ (otah) = het | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = heb Ik gedaan | לְמִ֥ימֵי (lemimei) = van de dagen van | קֶ֖דֶם (qedem) = vroeger | וִֽיצַרְתִּ֑יהָ (vitsartiha) = en Ik heb het gevormd | עַתָּ֣ה (ata) = nu | הֲבֵיאתִ֗יהָ (haveitiha) = heb Ik het laten komen | וּתְהִ֗י (utehi) = en het werd | לַהְשׁ֛וֹת (lahshot) = om te maken tot | גַּלִּ֥ים (galim) = hopen | נִצִּ֖ים (nitsim) = puin | עָרִ֥ים (arim) = steden | בְּצֻרֽוֹת (betsurot) = versterkte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַתְּהִי (vattehi), ‘en het werd’: het Hebreeuws is hier moeilijk. Het werkwoord staat in het vrouwelijk enkelvoud en de zin heeft geen duidelijk onderwerp. Wij lezen: ‘Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken.’ Dat past bij wat Yahweh zegt: Hij heeft Sanherib gebruikt. Zie ook: Jes 10:5–6; Jes 10:15; Jes 37:26–27; Jes 45:7; Jes 46:10–11 **19:26** Hun bewoners waren machteloos, ontzet en beschaamd. Zij werden als gras van het veld, als groen jong gras, als gras op de daken en als verschroeid koren, voordat het opschiet. Brontekst: וְיֹֽשְׁבֵיהֶן֙ (veyosheveihen) = en hun bewoners | קִצְרֵי (qitsrei) = kort van | יָ֔ד (yad) = hand | חַ֖תּוּ (chatu) = waren ontzet | וַיֵּבֹ֑שׁוּ (vayevoshu) = en werden beschaamd | הָי֞וּ (hayu) = zij werden | עֵ֤שֶׂב (esev) = gras van | שָׂדֶה֙ (sade) = veld | וִ֣ירַק (viraq) = en groen | דֶּ֔שֶׁא (deshe) = jong gras | חֲצִ֣יר (chatsir) = gras van | גַּגּ֔וֹת (gagot) = daken | וּשְׁדֵפָ֖ה (ushedefa) = en verschroeid koren | לִפְנֵ֥י (lifnei) = vóór | קָמָֽה (qama) = het opschieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gras op de daken verdort snel omdat het geen diepe wortels heeft. Zo ook in Ps. 129:6. Voetnoot : קִצְרֵי יָד (qitsrei yad), ‘kort van hand’: machteloos. Zie ook: Num 11:23; Ps 92:8; Ps 102:12; Ps 127:1; Ps 129:6; Jer 50:36–37 **19:27** Ik ken je zitten, je uitgaan en je binnenkomen, en je razernij tegen Mij. Brontekst: וְשִׁבְתְּךָ֛ (veshivtekha) = en je zitten | וְצֵאתְךָ֥ (vetsetkha) = en je uitgaan | וּבֹאֲךָ֖ (uvoakha) = en je binnenkomen | יָדָ֑עְתִּי (yadati) = ken Ik | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הִֽתְרַגֶּזְךָ֥ (hitragezkha) = je razernij | אֵלָֽי (elay) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:6; Ps 121:8; Ps 139:1–11; Jes 37:28–29; Jer 23:23–24 **19:28** Omdat je razernij tegen Mij en je overmoed tot Mijn oren zijn opgestegen, zal Ik Mijn haak in je neus leggen. Mijn bit leg Ik tussen je lippen. Ik zal je terugvoeren over de weg waarop je gekomen bent.’ Brontekst: יַ֚עַן (yaan) = omdat | הִתְרַגֶּזְךָ֣ (hitragezkha) = je razernij | אֵלַ֔י (elay) = tegen Mij | וְשַׁאֲנַנְךָ֖ (veshaanankha) = en je overmoed | עָלָ֣ה (ala) = is opgestegen | בְאָזְנָ֑י (beazenay) = in Mijn oren | וְשַׂמְתִּ֨י (vesamti) = en Ik zal leggen | חַחִ֜י (chachi) = Mijn haak | בְּאַפֶּ֗ךָ (beapekha) = in je neus | וּמִתְגִּי֙ (umitgi) = en Mijn bit | בִּשְׂפָתֶ֔יךָ (bisfateikha) = in je lippen | וַהֲשִׁ֣בֹתִ֔יךָ (vahashivotikha) = en Ik zal je doen terugkeren | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֥אתָ (bata) = je kwam | בָּֽהּ (bah) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַח (chach), ‘haak’, en מֶתֶג (meteg), ‘bit’: zo leidt men dieren en gevangenen. Yahweh behandelt Sanherib als een dier dat teruggevoerd wordt. Voetnoot : שַׁאֲנַן (sha’anan), ‘overmoed’: het woord betekent letterlijk ‘rust, zorgeloosheid’. Hier is het zorgeloze trots. Zie ook: 2 Kon 19:33; Amos 4:2; Jes 30:28; Ezech 29:4; Ezech 38:4 ### Het teken voor Hizkia **19:29** ‘Dit is voor jou het teken: eet dit jaar wat vanzelf groeit, en in het tweede jaar wat daaruit opkomt. In het derde jaar: zaai en oogst, plant wijngaarden en eet hun vrucht. Brontekst: וְזֶה (veze) = en dit | לְּךָ֣ (lekha) = voor jou | הָא֔וֹת (haot) = het teken | אָכ֤וֹל (akhol) = eet | הַשָּׁנָה֙ (hashana) = dit jaar | סָפִ֔יחַ (safiach) = wat vanzelf groeit | וּבַשָּׁנָ֥ה (uvashana) = en in het jaar | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = tweede | סָחִ֑ישׁ (sachish) = wat daaruit opkomt | וּבַשָּׁנָ֣ה (uvashana) = en in het jaar | הַשְּׁלִישִׁ֗ית (hashelishit) = derde | זִרְע֧וּ (ziru) = zaai | וְקִצְר֛וּ (veqitsru) = en oogst | וְנִטְע֥וּ (venitu) = en plant | כְרָמִ֖ים (keramim) = wijngaarden | וְאִכְל֥וּ (veikhlu) = en eet | פִרְיָֽם (piryam) = hun vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָפִיחַ (safiach), ‘wat vanzelf groeit’: wat na de oogst uit gevallen graan opkomt (Lev. 25:5). סָחִישׁ (sachish), ‘wat daaruit opkomt’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis volgt uit de samenhang. In de eerste twee jaar eet het volk wat vanzelf groeit. Pas in het derde jaar zaait en oogst het weer. Voetnoot : אוֹת (ot), ‘teken’: een teken is een zekerheid vooraf dat Yahweh zal doen wat Hij zegt. Zie ook: Ex 3:12; Lev 25:5; Lev 25:20–22; 2 Kon 20:8–9; Jes 37:30; Luc 2:12 **19:30** Wat van het huis van Juda is ontkomen en overgebleven, zal opnieuw wortel schieten naar beneden en vrucht dragen naar boven. Brontekst: וְיָ֨סְפָ֜ה (veyasefa) = en zal voortgaan | פְּלֵיטַ֧ת (peleitat) = het ontkomene van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | הַנִּשְׁאָרָ֖ה (hanishara) = het overgeblevene | שֹׁ֣רֶשׁ (shoresh) = wortel | לְמָ֑טָּה (lemata) = naar beneden | וְעָשָׂ֥ה (veasa) = en zal maken | פְרִ֖י (peri) = vrucht | לְמָֽעְלָה (lemaela) = naar boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּלֵיטַת בֵּית יְהוּדָה (peleitat beit Yehudah), ‘het ontkomene van het huis van Juda’: wie van Juda is ontkomen en overgebleven. Het beeld is een plant: wortel naar beneden, vrucht naar boven. Zie ook: 2 Kon 19:4; 2 Kron 32:22–23; Jes 10:20–22; Jes 27:6; Jes 37:31–32 **19:31** Want uit Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en uit de berg Sion wat ontkomen is. De ijver van Yahweh zal dit doen.’ Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (mirushaliam) = uit Jeruzalem | תֵּצֵ֣א (tetse) = zal uitgaan | שְׁאֵרִ֔ית (sheerit) = een overblijfsel | וּפְלֵיטָ֖ה (ufeleita) = en wat ontkomen is | מֵהַ֣ר (mehar) = uit de berg | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | קִנְאַ֛ת (qinat) = de ijver van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | תַּֽעֲשֶׂה (taase) = zal doen | זֹּֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קִנְאַת יְהוָה (qin’at Yahweh), ‘de ijver van Yahweh’: Zijn vurige betrokkenheid bij Zijn volk en Zijn stad. Zie ook: Jes 9:6; Jes 10:20; Joh 2:17; Rom 9:27; Rom 11:5 ### Yahweh beschermt Jeruzalem **19:32** Daarom zegt Yahweh zo over de koning van Assyrië: ‘Hij zal deze stad niet binnenkomen. Hij zal daar geen pijl afschieten. Geen schild zal haar tegemoet komen, en geen belegeringswal zal tegen haar worden opgeworpen. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | לֹ֤א (lo) = niet | יָבֹא֙ (yavo) = zal binnenkomen | אֶל (el) = in | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְלֹֽא (velo) = en niet | יוֹרֶ֥ה (yore) = zal schieten | שָׁ֖ם (sham) = daar | חֵ֑ץ (chets) = pijl | וְלֹֽא (velo) = en niet | יְקַדְּמֶ֣נָּה (yeqademena) = zal tegemoet komen | מָגֵ֔ן (magen) = schild | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשְׁפֹּ֥ךְ (yishpokh) = zal worden opgeworpen | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = tegen haar | סֹלְלָֽה (solela) = belegeringswal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: סֹלְלָה (sollelah), ‘belegeringswal’: een helling van aarde die tegen een stadsmuur wordt gebouwd om hem te bestormen. Zo’n helling wordt hier niet opgeworpen. Zie ook: 2 Sam 20:15; Jes 8:7–10; Jes 10:28–32; Jes 37:33–35; Ezech 21:27 **19:33** Hij zal terugkeren op de weg waarop hij gekomen is. In deze stad zal hij niet komen, spreekt Yahweh. Brontekst: בַּדֶּ֥רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁר (asher) = die | יָבֹ֖א (yavo) = hij zal komen | בָּ֣הּ (bah) = erop | יָשׁ֑וּב (yashuv) = zal hij terugkeren | וְאֶל (veel) = en naar | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | לֹ֥א (lo) = niet | יָבֹ֖א (yavo) = zal hij komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreekt Yahweh’: de formule van een profetisch woord, zoals in 1 Sam. 2:30. Zie ook: 1 Sam 2:30; 2 Kon 19:28; 2 Kon 19:36 **19:34** Ik zal deze stad beschermen en redden, om Mijnentwil en om wille van David, Mijn dienaar.’” Brontekst: וְגַנּוֹתִ֛י (veganoti) = en Ik zal beschermen | אֶל (el) = over | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לְהֽוֹשִׁיעָ֑הּ (lehoshiah) = om haar te redden | לְמַֽעֲנִ֔י (lemaani) = om Mijnentwil | וּלְמַ֖עַן (ulemaan) = en om wille van | דָּוִ֥ד (david) = David | עַבְדִּֽי (avdi) = Mijn dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh zegt dat Hij de stad beschermt ‘om Mijnentwil en om wille van David, Mijn dienaar’. Vergelijk 1 Kon. 11:13 en 11:34, waar het ook om David gaat. Zie ook: 1 Kon 11:12–13; 1 Kon 11:13; 1 Kon 11:34; 1 Kon 15:4; 2 Kon 20:6; Jes 31:5; Jer 33:26 ### De engel van Yahweh slaat het kamp **19:35** In die nacht ging de engel van Yahweh uit. Hij sloeg 185.000 man in het kamp van Assyrië. Toen men ’s morgens vroeg opstond, zie, allen waren dode lichamen. Brontekst: וַיְהִי֮ (vayhi) = en het was | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַהוּא֒ (hahu) = die | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en sloeg | בְּמַחֲנֵ֣ה (bemachane) = in het kamp van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | מֵאָ֛ה (mea) = honderd | שְׁמוֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | וַחֲמִשָּׁ֖ה (vachamisha) = en vijf | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ (vayashkimu) = en men stond vroeg op | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | כֻלָּ֖ם (kulam) = allen | פְּגָרִ֥ים (pegarim) = lijken | מֵתִֽים (metim) = dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: wij vertalen neutraal. De tekst zegt niet wie de engel is. Zie ook 2 Sam. 24:16 en 2 Kron. 32:21. Voetnoot : בַּלַּיְלָה הַהוּא (ballaylah hahu), ‘in die nacht’: de tekst zegt niet welke nacht. Het getal 185.000 staat zo in de Masoretische tekst; het woord ‘man’ staat er niet. Zie ook: Ex 12:29–30; 2 Sam 24:16; Ps 76:6–8; 2 Kron 32:21–22; Jes 37:36 ### Het einde van Sanherib **19:36** Sanherib, de koning van Assyrië, brak op, vertrok en keerde terug. Hij bleef in Nineve wonen. Brontekst: וַיִּסַּ֣ע (vayisa) = en brak op | וַיֵּ֔לֶךְ (vayelekh) = en ging | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | סַנְחֵרִ֣יב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en bleef | בְּנִֽינְוֵֽה (benineve) = in Nineve Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: Nineve (Tell Kuyunjik, bij het huidige Mosoel in Irak) lag aan de Tigris. Het was een hoofdstad van Assyrië. Dat is zeker. Zie ook: 2 Kon 19:7; 2 Kon 19:28; 2 Kon 19:33; Jona 1:2; Nah 2:9 **19:37** Terwijl hij zich neerboog in het huis van Nisroch, zijn god, sloegen Adrammelech en Sarezer hem met het zwaard. Zij ontkwamen naar het land Ararat. Esarhaddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | ה֨וּא (hu) = hij | מִֽשְׁתַּחֲוֶ֜ה (mishtachave) = zich neerbuigend | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | נִסְרֹ֣ךְ (nisrokh) = Nisroch | אֱלֹהָ֗יו (elohav) = zijn god | וְֽאַדְרַמֶּ֨לֶךְ (veadramelekh) = en Adrammelech | וְשַׂרְאֶ֤צֶר (vesaretser) = en Sarezer | הִכֻּ֣הוּ (hikuhu) = sloegen hem | בַחֶ֔רֶב (bacherev) = met het zwaard | וְהֵ֥מָּה (vehema) = en zij | נִמְלְט֖וּ (nimletu) = ontkwamen | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | אֲרָרָ֑ט (ararat) = Ararat | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אֵֽסַר (esar) = Esar | חַדֹּ֥ן (chadon) = Haddon | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije. Voetnoot Uitleg: Het land Ararat is het bergland van Urartu, in het huidige oosten van Turkije en Armenië. Zie ook Gen. 8:4. Voetnoot : נִסְרֹךְ (Nisrokh), ‘Nisroch’: een god van wie wij niets meer weten. אֵסַר חַדֹּן (Esar-Haddon), ‘Esarhaddon’: een koning van Assyrië. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier niet ‘zijn zonen’ bij Adrammelech en Sarezer. Sommige oude vertalingen voegen dat toe. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 8:4; 2 Kon 19:7; 2 Kon 19:10; Jer 51:27; Ezra 4:2 ## 2 Koningen 20 _De ziekte van Hizkia en de gezanten uit Babel_ ### De ziekte van Hizkia **20:1** In die dagen werd Hizkia ziek, tot sterven toe. De profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam bij hem. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Geef bevel aan je huis, want je gaat sterven. Je zult niet in leven blijven.’” Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | חָלָ֥ה (chala) = werd ziek | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לָמ֑וּת (lamut) = om te sterven | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | אֵ֠לָיו (elav) = naar hem | יְשַׁעְיָ֨הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֜וֹץ (amots) = Amoz | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | צַ֣ו (tsav) = geef bevel | לְבֵיתֶ֔ךָ (leveitekha) = aan je huis | כִּ֛י (ki) = want | מֵ֥ת (met) = sterven | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽחְיֶֽה (tichye) = zul je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלָה לָמוּת (chalah lamut), ‘ziek worden om te sterven’: een ziekte die tot de dood kan leiden. Voetnoot : צַו לְבֵיתֶךָ (tsav leveitekha), ‘geef bevel aan je huis’: regel de zaken van je huishouden. Dat geldt ook voor wie na jou komt. Voetnoot : Dit verhaal staat ook in Jes. 36–39 en, korter, in 2 Kron. 32:24–26. Voetnoot : De 15 jaar die Yahweh in vers 6 toevoegt, passen bij de 29 jaar van Hizkia in 2 Kon. 18:2. Wij rekenen verder niet na. Zie ook: 2 Kon 18:2; 2 Kon 19:20; 2 Kon 20:6; 2 Kron 32:24–26; Jona 3:4–10; Jes 38:1–22; Fil 2:27 **20:2** Hij draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot Yahweh. Hij zei: Brontekst: וַיַּסֵּ֥ב (vayasev) = en draaide | אֶת (et) = (obj.) | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | אֶל (el) = naar | הַקִּ֑יר (haqir) = de muur | וַיִּ֨תְפַּלֵּ֔ל (vayitpalel) = en bad | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 50:15; 1 Kon 8:30; Jes 38:2–3; Mat 6:6 **20:3** „Ach, Yahweh, denk toch aan wat ik gedaan heb: ik heb voor Uw aangezicht gewandeld in waarheid en met een volledig hart. Ik heb gedaan wat goed is in Uw ogen.” Hizkia huilde hevig. Brontekst: אָנָּ֣ה (ana) = ach | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | זְכָר (zekhar) = gedenk | נָ֞א (na) = toch | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | הִתְהַלַּ֣כְתִּי (hithalakhti) = ik heb gewandeld | לְפָנֶ֗יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | בֶּֽאֱמֶת֙ (beemet) = in waarheid | וּבְלֵבָ֣ב (uvelevav) = en met hart | שָׁלֵ֔ם (shalem) = volledig | וְהַטּ֥וֹב (vehatov) = en wat goed is | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | עָשִׂ֑יתִי (asiti) = ik heb gedaan | וַיֵּ֥בְךְּ (vayevek) = en huilde | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְּכִ֥י (bekhi) = geween | גָדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: trouw en betrouwbaarheid. לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh is, zoals in 1 Kon. 15:3. Voetnoot : בְּכִי גָּדוֹל (bechi gadol), ‘groot geween’: Hizkia huilt hardop. Zie ook: 1 Kon 15:3; 2 Kon 18:3–6; Neh 5:19; Neh 13:14; Neh 13:22; 1 Joh 3:21–22 ### Yahweh voegt vijftien jaar toe **20:4** Jesaja was nog niet uit het middelste voorhof gegaan, of het woord van Yahweh kwam tot hem: Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | יְשַׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | לֹ֣א (lo) = niet | יָצָ֔א (yatsa) = was uitgegaan | חָצֵ֖ר (chatser) = voorhof | הַתִּֽיכֹנָ֑ה (hatikhona) = het middelste | וּדְבַר (udevar) = en woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָיָ֥ה (haya) = kwam | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחָצֵר הַתִּיכֹנָה (hechatser hattikhonah), ‘het middelste voorhof’: de tekst zegt niet bij welk gebouw dit voorhof hoort. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הָעִיר (ha’ir), ‘de stad’; het qere is חָצֵר (chatser), ‘voorhof’. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 7:8; 2 Kon 22:14 **20:5** **„Keer terug en zeg tegen Hizkia, de leider van Mijn volk: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van David, je vader: Ik heb je gebed gehoord. Ik heb je tranen gezien. Zie, Ik ga je genezen. Op de derde dag ga je omhoog naar het huis van Yahweh.** Brontekst: שׁ֣וּב (shuv) = keer terug | וְאָמַרְתָּ֞ (veamarta) = en zeg | אֶל (el) = tegen | חִזְקִיָּ֣הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | נְגִיד (negid) = leider van | עַמִּ֗י (ami) = Mijn volk | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | דָּוִ֣ד (david) = David | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = Ik heb gehoord | אֶת (et) = (obj.) | תְּפִלָּתֶ֔ךָ (tefilatekha) = je gebed | רָאִ֖יתִי (raiti) = Ik heb gezien | אֶת (et) = (obj.) | דִּמְעָתֶ֑ךָ (dimatekha) = je tranen | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Ik | רֹ֣פֶא (rofe) = genezend | לָ֔ךְ (lakh) = jou | בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | תַּעֲלֶ֖ה (taale) = je zult omhooggaan | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: zoals in 1 Sam. 9:16. Yahweh noemt Hizkia ‘leider van Mijn volk’. Voetnoot : בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem. Voetnoot : In de verzen 5–6 spreekt Yahweh zelf rechtstreeks tot Jesaja (‘het woord van Yahweh kwam tot hem’). Daarom staan ze rood, zoals Yahweh tot Elia in 1 Kon. 17:3–4 en 21:18–19. De boodschap die Jesaja aan Hizkia moet doorgeven, staat daarbinnen tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: 1 Sam 9:16; Ps 39:13; Ps 66:19–20; 1 Kon 17:3–4; 1 Kon 21:18; 2 Kon 19:20; Jes 38:5 **20:6** **Ik voeg 15 jaar toe aan je dagen. Uit de hand van de koning van Assyrië red Ik jou en deze stad. Ik beschut deze stad, ter wille van Mij en ter wille van David, Mijn dienaar.’”** Brontekst: וְהֹסַפְתִּ֣י (vehosafti) = en Ik voeg toe | עַל (al) = aan | יָמֶ֗יךָ (yameikha) = je dagen | חֲמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּמִכַּ֤ף (umikaf) = en uit de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | אַצִּ֣ילְךָ֔ (atsilekha) = Ik red jou | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וְגַנּוֹתִי֙ (veganoti) = en Ik beschut | עַל (al) = over | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | לְמַֽעֲנִ֔י (lemaani) = ter wille van Mij | וּלְמַ֖עַן (ulemaan) = en ter wille van | דָּוִ֥ד (david) = David | עַבְדִּֽי (avdi) = Mijn dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: גָּנַן (ganan), ‘beschutten’: omheinen en beschermen, zoals in 2 Kon. 19:34. Daar staat ook ‘ter wille van Mij en ter wille van David, Mijn dienaar’. Zie ook: Ps 116:15; 2 Kon 19:34; 2 Kron 32:22; Jes 10:24; Hand 27:24 **20:7** Jesaja zei: „Neem een vijgenkoek.” Zij namen hem en legden hem op de zweer. En hij bleef in leven. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְשַֽׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | קְח֖וּ (qechu) = neem | דְּבֶ֣לֶת (develet) = koek van | תְּאֵנִ֑ים (teenim) = vijgen | וַיִּקְח֛וּ (vayiqchu) = en zij namen | וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en legden | עַֽל (al) = op | הַשְּׁחִ֖ין (hashechin) = de zweer | וַיֶּֽחִי (vayechi) = en hij leefde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבֶלֶת תְּאֵנִים (develet te’enim), ‘vijgenkoek’: samengeperste gedroogde vijgen, zoals in 1 Sam. 30:12. Voetnoot : שְׁחִין (shechin), ‘zweer’: zoals in Exod. 9:9 en Lev. 13:18–23. Voetnoot : וַיְחִי (vayechi), ‘en hij leefde’: hij bleef in leven, het tegendeel van ‘je zult niet leven’ in vers 1. Zie ook: Ex 9:9; Lev 13:18–23; 1 Sam 30:12; 2 Kon 2:20–22; 2 Kon 4:41; 2 Kon 20:1; Jes 38:21 ### Het teken van de schaduw **20:8** Hizkia zei tegen Jesaja: „Wat is het teken dat Yahweh mij zal genezen en dat ik op de derde dag omhoog zal gaan naar het huis van Yahweh?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶֽל (el) = tot | יְשַׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | מָ֣ה (ma) = wat | א֔וֹת (ot) = teken | כִּֽי (ki) = dat | יִרְפָּ֥א (yirpa) = zal genezen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִ֑י (li) = mij | וְעָלִ֛יתִי (vealiti) = en ik zal omhooggaan | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֖י (hashelishi) = de derde | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹת (ot), ‘teken’: een zichtbaar bewijs dat een woord van Yahweh waar is, zoals in Exod. 3:12. Zie ook: Ex 3:12; Re 6:17; 2 Kon 19:29; 2 Kon 20:5; Hos 6:2; Jes 7:11 **20:9** Jesaja zei: „Dit is voor jou het teken van Yahweh, dat Yahweh het woord zal doen dat Hij gesproken heeft. Zal de schaduw tien treden vooruitgaan, of zal zij tien treden teruggaan?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְשַׁעְיָ֗הוּ (yeshayahu) = Jesaja | זֶה (ze) = dit | לְּךָ֤ (lekha) = voor jou | הָאוֹת֙ (haot) = het teken | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֚י (ki) = dat | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = zal doen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבֵּ֑ר (diber) = Hij heeft gesproken | הָלַ֤ךְ (halakh) = is gegaan | הַצֵּל֙ (hatsel) = de schaduw | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | מַֽעֲל֔וֹת (maalot) = treden | אִם (im) = of | יָשׁ֖וּב (yashuv) = zal terugkeren | עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | מַעֲלֽוֹת (maalot) = treden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲלוֹת (ma’alot), ‘treden’: letterlijk ‘opgangen’. Het gaat om de treden van Achaz (vers 11), waarop de schaduw viel. De tekst zegt niet precies hoe dit werktuig eruitzag. Voetnoot Lezing: הָלַךְ (halakh), ‘is gegaan’, staat in de voltooide tijd. Wij lezen het als een vraag over wat zal gebeuren: ‘Zal de schaduw tien treden vooruitgaan?’ Zie ook: 2 Kon 20:11; Jes 38:7–8; Mat 16:1–4; Mar 8:11–12; Luc 11:29–30 **20:10** Hizkia zei: „Het is gemakkelijk voor de schaduw om tien treden te zakken. Nee, de schaduw moet tien treden achterwaarts teruggaan.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יְחִזְקִיָּ֔הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | נָקֵ֣ל (naqel) = licht | לַצֵּ֔ל (latsel) = voor de schaduw | לִנְט֖וֹת (lintot) = om te zakken | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | מַעֲל֑וֹת (maalot) = treden | לֹ֣א (lo) = nee | כִ֔י (ki) = maar | יָשׁ֥וּב (yashuv) = laat terugkeren | הַצֵּ֛ל (hatsel) = de schaduw | אֲחֹרַנִּ֖ית (achoranit) = achterwaarts | עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | מַעֲלֽוֹת (maalot) = treden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָטָה (natah), ‘zich uitstrekken, neigen’: de schaduw loopt tien treden verder. Hizkia kiest het moeilijkste teken: de schaduw moet achterwaarts gaan. Zie ook: 2 Kon 2:10; 2 Kon 3:18; Jes 49:6; Mar 9:28–29; Joh 14:12 **20:11** De profeet Jesaja riep tot Yahweh. Hij liet de schaduw teruggaan over de treden waarlangs zij was afgedaald, de treden van Achaz: tien treden terug. Brontekst: וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en riep | יְשַׁעְיָ֥הוּ (yeshayahu) = Jesaja | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּ֣שֶׁב (vayashev) = en liet terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | הַצֵּ֗ל (hatsel) = de schaduw | בַּֽ֠מַּעֲלוֹת (bamaalot) = over de treden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarlangs | יָרְדָ֜ה (yareda) = was afgedaald | בְּמַעֲל֥וֹת (bemaalot) = over de treden van | אָחָ֛ז (achaz) = Achaz | אֲחֹֽרַנִּ֖ית (achoranit) = achterwaarts | עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | מַעֲלֽוֹת (maalot) = treden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De treden van Achaz: Achaz is Hizkia’s vader. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet wie de schaduw teruggaan liet. Het werkwoord וַיָּשֶׁב (vayyashev) heeft geen eigen onderwerp. Wij lezen: Yahweh, op het roepen van Jesaja. Het onderwerp kan grammaticaal ook Jesaja zijn. Zie ook: Joz 10:12–14; 1 Kon 17:20–21; 2 Kron 32:24; Jes 38:8; Hand 9:40 ### Gezanten uit Babel **20:12** In die tijd stuurde Berodach-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk naar Hizkia. Want hij had gehoord dat Hizkia ziek was. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֡יא (hahi) = die | שָׁלַ֡ח (shalach) = stuurde | בְּרֹאדַ֣ךְ (berodakh) = Berodach | בַּ֠לְאֲדָן (baladan) = Baladan | בֶּֽן (ben) = zoon van | בַּלְאֲדָ֧ן (baladan) = Baladan | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | סְפָרִ֥ים (sefarim) = brieven | וּמִנְחָ֖ה (umincha) = en geschenk | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כִּ֣י (ki) = want | שָׁמַ֔ע (shama) = had gehoord | כִּ֥י (ki) = dat | חָלָ֖ה (chala) = was ziek | חִזְקִיָּֽהוּ (chizqiyahu) = Hizkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בְּרֹאדַךְ בַּלְאֲדָן (Berodach-Baladan): de naam staat hier zo in de tekst. In de parallel in Jes. 36–39 staat een andere vorm: Merodach-Baladan. Voetnoot : סְפָרִים (sefarim), ‘brieven’: geschreven berichten. Voetnoot : Babel lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad, Irak. Zie ook: 2 Kron 32:31; Jes 13:1; Jes 13:19; Jes 14:4; Jes 39:1–8 **20:13** Hizkia luisterde naar hen. Hij liet hun heel zijn schathuis zien: het zilver, het goud, de specerijen, de goede olie, zijn wapenhuis en alles wat zich in zijn schatkamers bevond. Er was niets in zijn huis en in heel zijn rijk wat Hizkia hun niet liet zien. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en luisterde | עֲלֵיהֶם֮ (aleihem) = naar hen | חִזְקִיָּהוּ֒ (chizqiyahu) = Hizkia | וַיַּרְאֵ֣ם (vayarem) = en liet hen zien | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = huis van | נְכֹתֹ֡ה (nekhoto) = zijn schatten | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּסֶף֩ (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָ֨ב (hazahav) = het goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבְּשָׂמִ֜ים (habesamim) = de specerijen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie | הַטּ֗וֹב (hatov) = de goede | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = huis van | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | נִמְצָ֖א (nimtsa) = werd gevonden | בְּאֽוֹצְרֹתָ֑יו (beotserotav) = in zijn schatkamers | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֣ה (haya) = was | דָבָ֗ר (davar) = zaak | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | הֶרְאָ֧ם (heram) = liet hen zien | חִזְקִיָּ֛הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְּבֵית֖וֹ (beveito) = in zijn huis | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | מֶמְשַׁלְתּֽוֹ (memshalto) = zijn rijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁמַע עֲלֵיהֶם (vayishma alehem), ‘hij hoorde over hen’: hij luisterde naar hen en ontving hen. Voetnoot : בֵּית נְכֹתֹה (beit nekhotoh), ‘zijn schathuis’: het woord נְכֹת (nekhot) is zeldzaam; de betekenis ‘kostbaarheden, schat’ is niet zeker. Voetnoot : בֵּית כֵּלָיו (beit kelav), ‘het huis van zijn wapens’: כֶּלִי (keli) betekent ‘voorwerp, vat, wapen’. Wij kiezen ‘wapens’, omdat het huis naast de schatten staat. Voetnoot : מֶמְשַׁלְתּוֹ (memshaltoh), ‘zijn rijk’: het gebied waar hij over regeert. Zie ook: 1 Kon 10:2; 1 Kon 10:10; 1 Kon 10:25; 2 Kron 32:25–27; Jes 39:2 **20:14** De profeet Jesaja kwam bij koning Hizkia en zei tegen hem: „Wat hebben deze mannen gezegd? En waar komen ze vandaan, dat ze bij je zijn gekomen?” Hizkia zei: „Uit een ver land zijn ze gekomen, uit Babel.” Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | יְשַֽׁעְיָ֣הוּ (yeshayahu) = Jesaja | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | מָ֥ה (ma) = wat | אָמְר֣וּ (ameru) = hebben gezegd | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | וּמֵאַ֨יִן֙ (umeayin) = en vanwaar | יָבֹ֣אוּ (yavou) = zijn gekomen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar jou | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מֵאֶ֧רֶץ (meerets) = uit land | רְחוֹקָ֛ה (rechoqa) = ver | בָּ֖אוּ (bau) = zijn gekomen | מִבָּבֶֽל (mibavel) = uit Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Joz 9:9; 2 Sam 12:7–15; 2 Kon 5:25–26; 2 Kron 16:7–10; Jes 13:5 **20:15** Hij zei: „Wat hebben ze in je huis gezien?” Hizkia zei: „Alles wat in mijn huis is, hebben ze gezien. Er is niets in mijn schatkamers wat ik hun niet heb laten zien.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מָ֥ה (ma) = wat | רָא֖וּ (rau) = hebben gezien | בְּבֵיתֶ֑ךָ (beveitekha) = in je huis | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֗הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | בְּבֵיתִי֙ (beveiti) = in mijn huis | רָא֔וּ (rau) = hebben gezien | לֹא (lo) = niet | הָיָ֥ה (haya) = is | דָבָ֛ר (davar) = zaak | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | הִרְאִיתִ֖ם (hiritim) = ik heb laten zien | בְּאֹצְרֹתָֽי (beotserotay) = in mijn schatkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:33; Joz 7:19; Spr 28:13; 2 Kon 20:13; 1 Joh 1:8–10 ### Het woord van Jesaja over Babel **20:16** Jesaja zei tegen Hizkia: „Hoor het woord van Yahweh: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְשַׁעְיָ֖הוּ (yeshayahu) = Jesaja | אֶל (el) = tot | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | שְׁמַ֖ע (shema) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 22:19; 2 Kon 7:1; Amos 7:16; Jes 1:10 **20:17** ‘Zie, er komen dagen dat alles wat in je huis is en wat je vaders tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel wordt weggedragen. Er blijft niets over, zegt Yahweh. Brontekst: הִנֵּה֮ (hine) = zie | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | בָּאִים֒ (baim) = komen | וְנִשָּׂ֣א (venisa) = en zal worden weggedragen | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בְּבֵיתֶ֗ךָ (beveitekha) = in je huis | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en wat | אָצְר֧וּ (atseru) = hebben opgeslagen | אֲבֹתֶ֛יךָ (avoteikha) = je vaders | עַד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | בָּבֶ֑לָה (bavela) = naar Babel | לֹֽא (lo) = niet | יִוָּתֵ֥ר (yivater) = blijft over | דָּבָ֖ר (davar) = iets | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dit woord kondigt aan wat in 2 Kon. 24:13 en 25:13 gebeurt: de schatten van het huis van Yahweh en het koperwerk worden naar Babel gebracht. Zie ook: 2 Kon 24:13; 2 Kon 25:13–15; 2 Kron 36:10; Jer 27:21–22; Jer 52:17–19 **20:18** Van je zonen, die uit jou voortkomen en die jij zult verwekken, zullen er worden meegenomen. Zij worden hofdienaars in het paleis van de koning van Babel.’” Brontekst: וּמִבָּנֶ֜יךָ (umibaneikha) = en van je zonen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יֵצְא֧וּ (yetseu) = zullen voortkomen | מִמְּךָ֛ (mimekha) = uit jou | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תּוֹלִ֖יד (tolid) = je zult verwekken | יִקָּ֑חוּ (yiqachu) = zullen worden genomen | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zullen zijn | סָֽרִיסִ֔ים (sarisim) = hofdienaars | בְּהֵיכַ֖ל (beheikhal) = in het paleis van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: zoals in 1 Kon. 22:9. Voetnoot : הֵיכַל (heikhal), ‘paleis’: het Hebreeuwse woord is ook het woord voor ‘tempel’. Hier is het het paleis van de koning van Babel. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יִקַּח (yiqqach), ‘hij zal worden genomen’, in het enkelvoud; het qere is יִקָּחוּ (yiqqachu), ‘zij zullen worden genomen’. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 22:9; 2 Kon 24:12; 2 Kon 25:6; 2 Kron 33:11; Dan 1:3 **20:19** Hizkia zei tegen Jesaja: „Het woord van Yahweh dat je gesproken hebt, is goed.” Hij zei: „Is het niet zo, dat er vrede en waarheid zal zijn in mijn dagen?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶֽל (el) = tot | יְשַֽׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | ט֥וֹב (tov) = goed | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבַּ֑רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | הֲל֛וֹא (halo) = is het niet zo | אִם (im) = als | שָׁל֥וֹם (shalom) = vrede | וֶאֱמֶ֖ת (veemet) = en waarheid | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | בְיָמָֽי (beyamay) = in mijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit antwoord van Hizkia is moeilijk te verstaan. הֲלוֹא אִם (halo im) kan betekenen: ‘Is het niet goed, als er vrede en waarheid is in mijn dagen?’ Wij houden de woorden zoals ze staan en kiezen geen verklaring. Voetnoot : שָׁלוֹם וֶאֱמֶת (shalom ve’emet), ‘vrede en waarheid’: vrede en betrouwbaarheid. Zie ook: Lev 10:3; 1 Sam 3:18; Jer 33:6; Klaagl 3:39; Luc 2:10 ### Het einde van Hizkia **20:20** De rest van de geschiedenis van Hizkia, heel zijn macht en alles wat hij deed: hij maakte de vijver en de waterleiding. Hij bracht het water de stad in. Staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֨תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֤י (divrei) = zaken van | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | וְכָל (vekhal) = en heel | גְּב֣וּרָת֔וֹ (gevurato) = zijn macht | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en wat | עָשָׂ֗ה (asa) = hij deed | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּרֵכָה֙ (haberekha) = de vijver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתְּעָלָ֔ה (hateala) = de waterleiding | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en bracht | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | הָעִ֑ירָה (haira) = de stad in | הֲלֹא (halo) = niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֛פֶר (sefer) = boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vijver van Siloam (tunnel van Hizkia): Hizkia liet het water van de Gihon door een tunnel naar de vijver van Siloam leiden, aan de zuidkant van de oude stad van Jeruzalem. De tekst noemt Siloam zelf niet. Voetnoot Uitleg: De vijver (בְּרֵכָה, berekhah) en de waterleiding (תְּעָלָה, te’alah) liggen waarschijnlijk in Jeruzalem. Men denkt aan de tunnel van Hizkia, die water van de bron Gihon naar de vijver van Siloam in het zuiden van de stad leidt. Voetnoot : ‘Dagboek’: letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’, zie 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 14:19; 2 Kron 32:4; 2 Kron 32:30; 2 Kron 32:32; Jes 22:9–11; Neh 3:16 **20:21** Hizkia ging liggen bij zijn vaderen. Zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֥ב (vayishkav) = en lag | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | עִם (im) = met | אֲבֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 11:43; 1 Kon 14:31; 2 Kon 21:1; 2 Kron 26:23; 2 Kron 32:33 ## 2 Koningen 21 _Manasse en Amon, koningen van Juda_ ### Manasse, koning van Juda **21:1** Manasse was 12 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 55 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Chefzi-Ba. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁתֵּ֨ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וַחֲמִשִּׁ֤ים (vachamishim) = en vijftig | וְחָמֵשׁ֙ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | אִמּ֖וֹ (imo) = zijn moeder | חֶפְצִי (cheftsi) = Chefzi | בָֽהּ (bah) = Ba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֶפְצִי־בָהּ (Chefzi-Ba), ‘mijn welbehagen is in haar’: de naam van de moeder van Manasse. Voetnoot : Leeftijd en regeringsjaren staan zoals in de Masoretische tekst. Wij rekenen niet na. Voetnoot : Dit verhaal van Manasse staat ook in 2 Kron. 33. Zie ook: Spr 5:19; 2 Kon 20:21; 2 Kron 32:33–33:9; Jes 62:4; Mat 1:10 **21:2** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, naar de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּתֽוֹעֲבֹת֙ (ketoavot) = naar de gruwelen van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | הוֹרִ֣ישׁ (horish) = verdreef | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: wat Yahweh verafschuwt, vooral afgoderij. Dezelfde formule staat in 1 Kon. 14:24 over de volken die Yahweh voor de zonen van Israël verdreef. Zie ook: 1 Kon 14:24; 2 Kon 21:7; 2 Kon 21:16; 2 Kron 33:2–4; 2 Kron 36:14; Ezech 16:51 **21:3** Hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Hizkia had vernietigd. Hij richtte altaren op voor Baäl en maakte een heilige paal, zoals Achab, de koning van Israël, had gedaan. Hij wierp zich neer voor heel het leger van de hemel en diende hen. Brontekst: וַיָּ֗שָׁב (vayashav) = en keerde terug | וַיִּ֨בֶן֙ (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּמ֔וֹת (habamot) = de hoogten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִבַּ֖ד (ibad) = had vernietigd | חִזְקִיָּ֣הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיָּ֨קֶם (vayaqem) = en richtte op | מִזְבְּחֹ֜ת (mizbechot) = altaren | לַבַּ֗עַל (labaal) = voor Baäl | וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en maakte | אֲשֵׁרָה֙ (ashera) = heilige paal | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֗ה (asa) = deed | אַחְאָב֙ (achav) = Achab | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּשְׁתַּ֨חוּ֙ (vayishtachu) = en wierp zich neer | לְכָל (lekhal) = voor heel | צְבָ֣א (tseva) = leger van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַֽיַּעֲבֹ֖ד (vayaavod) = en diende | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergen. Hizkia had ze weggehaald (2 Kon. 18:4). Voetnoot : אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera. Achab maakte er ook een (1 Kon. 16:33). Voetnoot : צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren, die als goden werden aanbeden. Zie Deut. 4:19 en Deut. 17:3. Zie ook: Deut 4:19; Deut 17:3; 1 Kon 16:31–33; 1 Kon 16:33; 2 Kon 17:16; 2 Kon 18:4 **21:4** Hij bouwde altaren in het huis van Yahweh, waarvan Yahweh had gezegd: „In Jeruzalem zal Ik Mijn naam vestigen.” Brontekst: וּבָנָ֥ה (uvana) = en bouwde | מִזְבְּחֹ֖ת (mizbechot) = altaren | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר֙ (asher) = waarvan | אָמַ֣ר (amar) = had gezegd | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | אָשִׂ֥ים (asim) = Ik zal vestigen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִֽי (shemi) = Mijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem. Voetnoot : Het woord van Yahweh dat hier wordt aangehaald, staat in 1 Kon. 9:3. Het is een verslag van de verteller, daarom is het zwart. Zie ook: Deut 12:5; 2 Sam 7:13; 1 Kon 8:29; 1 Kon 9:3; Jer 32:34 **21:5** Hij bouwde altaren voor heel het leger van de hemel in de twee voorhoven van het huis van Yahweh. Brontekst: וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en bouwde | מִזְבְּח֖וֹת (mizbechot) = altaren | לְכָל (lekhal) = voor heel | צְבָ֣א (tseva) = leger van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | בִּשְׁתֵּ֖י (bishtei) = in twee | חַצְר֥וֹת (chatsrot) = voorhoven van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De twee voorhoven (חַצְרוֹת, chatserot) van het huis van Yahweh worden niet bij naam genoemd. Vergelijk de binnenste voorhof in 1 Kon. 6:36. Zie ook: 1 Kon 6:36; 1 Kon 7:12; 2 Kon 23:4; 2 Kon 23:12; Ezech 44:19 **21:6** Hij liet zijn zoon door het vuur gaan. Hij duidde tekens en zocht voortekenen. Hij stelde een dodengeest en waarzeggers in. Hij deed in overvloed wat slecht is in de ogen van Yahweh, om Hem tot toorn te prikkelen. Brontekst: וְהֶעֱבִ֤יר (veheevir) = en liet doorgaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = door het vuur | וְעוֹנֵ֣ן (veonen) = en duidde tekens | וְנִחֵ֔שׁ (venichesh) = en zocht voortekenen | וְעָ֥שָׂה (veasa) = en stelde in | א֖וֹב (ov) = dodengeest | וְיִדְּעֹנִ֑ים (veyideonim) = en waarzeggers | הִרְבָּ֗ה (hirba) = veel | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הָרַ֛ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַכְעִֽיס (lehakhis) = om tot toorn te prikkelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶעֱבִיר בָּאֵשׁ (he’evir ba’esh), ‘door het vuur laten gaan’: een kind aan een afgod offeren, zoals in Deut. 18:10. Voetnoot : עוֹנֵן (onen), ‘tekens duiden’, en נִחֵשׁ (nichesh), ‘voortekenen zoeken’; אוֹב (ov), ‘dodengeest’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zoals in Deut. 18:10–11. Voetnoot : עָשָׂה (asah), ‘maken, doen’: wij vertalen ‘hij stelde in’, want het gaat om het invoeren van het raadplegen van dodengeesten en waarzeggers. Zie ook: Lev 18:21; Lev 19:26; Lev 19:31; Deut 18:10; 2 Kon 16:3; 2 Kon 17:17 **21:7** Hij zette het gesneden beeld van de heilige paal, dat hij had gemaakt, in het huis. Over dat huis had Yahweh tegen David en tegen zijn zoon Salomo gezegd: „In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn naam vestigen voor altijd. Brontekst: וַיָּ֕שֶׂם (vayasem) = en zette | אֶת (et) = (obj.) | פֶּ֥סֶל (pesel) = gesneden beeld van | הָאֲשֵׁרָ֖ה (haashera) = de heilige paal | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֑ה (asa) = maakte | בַּבַּ֗יִת (babayit) = in het huis | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אָמַ֤ר (amar) = had gezegd | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | דָּוִד֙ (david) = David | וְאֶל (veel) = en tot | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | בְנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | בַּבַּ֨יִת (babayit) = in huis | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | וּבִירוּשָׁלִַ֗ם (uvirushaliam) = en in Jeruzalem | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | בָּחַ֨רְתִּי֙ (bacharti) = Ik heb gekozen | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אָשִׂ֥ים (asim) = Ik zal vestigen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’: zoals in Exod. 20:4. Voor ‘de heilige paal’ (ha’asherah) zie bij vers 3. Voetnoot : De woorden van Yahweh aan David en Salomo staan in 1 Kon. 9:3. Voetnoot : Het citaat loopt door in vers 8. Zie ook: Ex 20:4; 2 Sam 7:13; 1 Kon 8:29; 1 Kon 9:3; 2 Kon 21:3; 2 Kon 21:8; 2 Kron 7:12; 2 Kron 7:16 **21:8** En Ik zal de voet van Israël niet meer laten rondzwerven, weg van de grond die Ik aan hun vaders gegeven heb. Alleen: als zij erop letten te doen naar alles wat Ik hun geboden heb. En ook naar heel de wet die Mijn dienaar Mozes hun geboden heeft.” Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֹסִ֗יף (osif) = Ik zal toevoegen | לְהָנִיד֙ (lehanid) = laten zwerven | רֶ֣גֶל (regel) = voet van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִן (min) = van | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik gaf | לַֽאֲבוֹתָ֑ם (laavotam) = aan hun vaders | רַ֣ק (raq) = alleen | אִם (im) = als | יִשְׁמְר֣וּ (yishmeru) = zij letten erop | לַעֲשׂ֗וֹת (laasot) = om te doen | כְּכֹל֙ (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוִּיתִ֔ים (tsivitim) = Ik heb geboden | וּלְכָל (ulekhal) = en naar heel | הַ֨תּוֹרָ֔ה (hatora) = de wet | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | אֹתָ֖ם (otam) = hen | עַבְדִּ֥י (avdi) = Mijn dienaar | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָנִיד רֶגֶל (hanid regel), ‘de voet laten rondzwerven’: Israël zou het land verlaten. Dit hangt samen met 1 Kon. 9:6–7. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijzing, de wet van Mozes. Zie ook: Deut 28:1–14; 2 Sam 7:10; 1 Kron 17:9; 1 Kon 9:6–7; 2 Kron 33:8; Jes 1:19 **21:9** Maar zij luisterden niet. Manasse liet hen dwalen, zodat zij meer kwaad deden dan de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had vernietigd. Brontekst: וְלֹ֖א (velo) = en niet | שָׁמֵ֑עוּ (shameu) = luisterden | וַיַּתְעֵ֤ם (vayatem) = en liet hen dwalen | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | הָרָ֔ע (hara) = het kwaad | מִן (min) = meer dan | הַ֨גּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | הִשְׁמִ֣יד (hishmid) = vernietigde | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּתְעֵם (vayyat’em), ‘hij liet hen dwalen’: hij bracht hen op een dwaalspoor. Voetnoot : מִן הַגּוֹיִם (min haggoyim), ‘meer dan de volken’: het woord ‘min’ vergelijkt hier. Zie ook: Spr 29:12; 2 Kron 36:16; Hos 5:11; Dan 9:10–11; Joh 15:22 ### Het oordeel over Jeruzalem **21:10** Yahweh sprak door Zijn dienaren, de profeten. Hij zei: Brontekst: וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door | עֲבָדָ֥יו (avadav) = Zijn dienaren | הַנְּבִיאִ֖ים (haneviim) = de profeten | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De profeten worden hier niet met name genoemd. Wat zij zeggen, wordt als verslag gegeven; daarom staat het in zwart, met aanhalingstekens. Wat Yahweh door hen zegt, staat tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: 2 Kron 33:10; 2 Kron 36:15; Neh 9:26; Neh 9:30; Mat 23:34–37 **21:11** „Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen heeft gedaan, erger dan alles wat de Amorieten vóór hem deden. Ook Juda heeft hij laten zondigen met zijn afgoden: Brontekst: יַעַן֩ (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָשָׂ֜ה (asa) = deed | מְנַשֶּׁ֤ה (menashe) = Manasse | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | הַתֹּעֵב֣וֹת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | הֵרַ֕ע (hera) = deed erger | מִכֹּ֛ל (mikol) = dan alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשׂ֥וּ (asu) = deden | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amorieten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְפָנָ֑יו (lefanav) = vóór hem | וַיַּחֲטִ֥א (vayachati) = en liet zondigen | גַֽם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בְּגִלּוּלָֽיו (begilulav) = met zijn afgoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֱמֹרִי (ha’Emori), ‘de Amoriet’: hier een verzamelnaam voor de oorspronkelijke bewoners van Kanaän, zoals in 1 Kon. 21:26. Voetnoot : גִּלּוּלִים (gillulim), ‘afgoden’: het woord wordt afgeleid van ‘mest’ en is een scheldwoord, zoals in Lev. 26:30. Zie ook: Lev 26:30; 1 Kon 15:30; 1 Kon 21:26; 2 Kon 21:9; 2 Kon 24:3–4; Jer 15:4 **21:12** daarom zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Zie, Ik breng onheil over Jeruzalem en Juda. Van ieder die het hoort, zullen beide oren tuiten. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Ik | מֵבִ֣יא (mevi) = Ik breng | רָעָ֔ה (raa) = onheil | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וִֽיהוּדָ֑ה (vihuda) = en Juda | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | כָּל (kal) = ieder | שֹׁ֣מְעָ֔הּ (shomeah) = die het hoort | תִּצַּ֖לְנָה (titsalna) = zullen tuiten | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | אָזְנָֽיו (azenav) = zijn oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: צָלַל (tsalal), ‘tuiten’: de oren klinken van schrik, zoals in 1 Sam. 3:11. Voetnoot Lezing: Bij ‘ieder die het hoort’ heeft het geschreven woord (ketiv) שמעיו, een andere vorm dan het qere שֹׁמְעָהּ (shom’ah). Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Sam 3:11; 2 Kon 22:16; Amos 3:2; Mi 3:12; Jer 19:3 **21:13** Ik span over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria uit en het schietlood van het huis van Achab. Ik veeg Jeruzalem af, zoals men een schaal afveegt: men veegt haar af en keert haar om, op haar gezicht. Brontekst: וְנָטִ֣יתִי (venatiti) = en Ik span uit | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אֵ֚ת (et) = (obj.) | קָ֣ו (qav) = meetsnoer van | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁקֹ֖לֶת (mishqolet) = schietlood van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | וּמָחִ֨יתִי (umachiti) = en Ik veeg af | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushaliam) = Jeruzalem | כַּֽאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | יִמְחֶ֤ה (yimche) = men afveegt | אֶת (et) = (obj.) | הַצַּלַּ֨חַת֙ (hatsalachat) = de schaal | מָחָ֔ה (macha) = afvegend | וְהָפַ֖ךְ (vehafakh) = en keert om | עַל (al) = op | פָּנֶֽיהָ (paneiha) = haar gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: קַו (qav), ‘meetsnoer’, en מִשְׁקֶלֶת (mishqelet), ‘schietlood’: bouwgereedschap. Hier worden ze gebruikt voor het oordeel: Jeruzalem wordt gemeten naar Samaria en naar het huis van Achab. Voetnoot : צַלַּחַת (tsallachat), ‘schaal’: een schaal wordt schoongeveegd en omgekeerd neergezet. Dat beeld staat voor het leeg maken van de stad. Zie ook: 2 Kon 10:11; Amos 7:7–8; Jes 28:17; Jes 34:11; Klaagl 2:8 **21:14** Ik verlaat het overblijfsel van Mijn erfdeel. Ik geef hen in de hand van hun vijanden. Zij worden tot buit en tot roof voor al hun vijanden. Brontekst: וְנָטַשְׁתִּ֗י (venatashti) = en Ik verlaat | אֵ֚ת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overblijfsel van | נַחֲלָתִ֔י (nachalati) = Mijn erfdeel | וּנְתַתִּ֖ים (unetatim) = en Ik geef hen | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | אֹֽיְבֵיהֶ֑ם (oyeveihem) = hun vijanden | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לְבַ֛ז (levaz) = tot buit | וְלִמְשִׁסָּ֖ה (velimshisa) = en tot roof | לְכָל (lekhal) = voor alle | אֹיְבֵיהֶֽם (oyeveihem) = hun vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het volk dat bij Yahweh hoort. נָטַשׁ (natash), ‘verlaten’, ‘laten gaan’. Zie ook: Ps 89:39–46; 2 Kon 19:4; Jes 10:6; Jer 23:33; Neh 9:27–37 **21:15** Omdat zij gedaan hebben wat slecht is in Mijn ogen. Zij bleven Mij tot toorn prikkelen, vanaf de dag dat hun vaders uit Egypte uittrokken tot op deze dag.’” Brontekst: יַ֗עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָשׂ֤וּ (asu) = deden | אֶת (et) = (obj.) | הָרַע֙ (hara) = het kwaad | בְּעֵינַ֔י (beeinay) = in Mijn ogen | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en zij werden | מַכְעִסִ֖ים (makhisim) = prikkelend tot toorn | אֹתִ֑י (oti) = Mij | מִן (min) = vanaf | הַיּ֗וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָצְא֤וּ (yatseu) = uittrokken | אֲבוֹתָם֙ (avotam) = hun vaders | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וְעַ֖ד (vead) = en tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 9:21; Ps 106:34–40; Ezech 20:4; Ezech 20:13; Dan 9:5–11 **21:16** Manasse vergoot ook zeer veel onschuldig bloed, tot hij Jeruzalem ermee vulde van de ene kant tot de andere. Dat kwam naast zijn zonde, waarmee hij Juda liet zondigen door te doen wat slecht is in de ogen van Yahweh. Brontekst: וְגַם֩ (vegam) = en ook | דָּ֨ם (dam) = bloed | נָקִ֜י (naqi) = onschuldig | שָׁפַ֤ךְ (shafakh) = vergoot | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | הַרְבֵּ֣ה (harbe) = veel | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | עַ֛ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | מִלֵּ֥א (mile) = hij vulde | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | פֶּ֣ה (pe) = mond | לָפֶ֑ה (lafe) = tot mond | לְבַ֤ד (levad) = afgezien van | מֵֽחַטָּאתוֹ֙ (mechatato) = zijn zonde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | הֶחֱטִ֣יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: דָּם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: ook in 2 Kon. 24:4. Voetnoot : פֶּה לָפֶה (peh lapeh), ‘mond tot mond’: van het ene uiteinde tot het andere. Zie ook: Num 35:33; 2 Kon 21:11; 2 Kon 24:4; 2 Kron 33:9; Jer 7:6; Luc 13:34 ### Het einde van Manasse **21:17** De rest van de geschiedenis van Manasse, alles wat hij deed en zijn zonde waarmee hij zondigde: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֨תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֤י (divrei) = zaken van | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֔ה (asa) = deed | וְחַטָּאת֖וֹ (vechatato) = en zijn zonde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | חָטָ֑א (chata) = zondigde | הֲלֹא (halo) = niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֛פֶר (sefer) = boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Dagboek’: letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’, zie 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 14:19; 2 Kon 20:20–21; 2 Kron 33:1–20 **21:18** Manasse ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven in de tuin van zijn huis, in de tuin van Uzza. Zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en lag | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | עִם (im) = met | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקָּבֵ֥ר (vayiqaver) = en werd begraven | בְּגַן (began) = in tuin van | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | בְּגַן (began) = in tuin van | עֻזָּ֑א (uza) = Uzza | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אָמ֥וֹן (amon) = Amon | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּן עֻזָּא (gan Uzza), ‘de tuin van Uzza’: wie Uzza was, zegt de tekst niet. De tekst noemt hier niet de stad van David, zoals bij andere koningen. Vergelijk de naam in 2 Sam. 6:3. Zie ook: 2 Sam 6:3; 2 Kon 21:26; 2 Kron 21:20; 2 Kron 24:16; 2 Kron 32:33; 2 Kron 33:20 ### Amon, koning van Juda **21:19** Amon was 22 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 2 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Mesjullemet, de dochter van Charuts uit Jotba. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וּשְׁתַּ֤יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | אָמ֣וֹן (amon) = Amon | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁתַּ֣יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | מְשֻׁלֶּ֥מֶת (meshulemet) = Mesjullemet | בַּת (bat) = dochter van | חָר֖וּץ (charuts) = Charuts | מִן (min) = uit | יָטְבָֽה (yateva) = Jotba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jotba (יָטְבָה): de ligging is onzeker. Het is misschien dezelfde plaats als Jotbata in Num. 33:33. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מְשֻׁלֶּמֶת (Mesjullemet) en חָרוּץ (Charuts): namen zoals ze in de tekst staan; de spelling van Mesjullemet volgt Mesjullam in 1 Kron. 3:19. Zie ook: Num 33:33; 1 Kron 3:14; 1 Kron 3:19; 1 Kon 15:25; 1 Kon 16:8; 2 Kon 15:23; 2 Kron 33:21–23 **21:20** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, zoals zijn vader Manasse had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:2–7; 2 Kon 21:11; 2 Kron 33:22–23; Mat 23:32; Hand 7:51 **21:21** Hij liep op heel de weg die zijn vader was gegaan. Hij diende de afgoden die zijn vader had gediend en wierp zich voor hen neer. Brontekst: וַיֵּ֕לֶךְ (vayelekh) = en liep | בְּכָל (bekhal) = in heel | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁר (asher) = die | הָלַ֣ךְ (halakh) = liep | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַֽיַּעֲבֹ֗ד (vayaavod) = en diende | אֶת (et) = (obj.) | הַגִּלֻּלִים֙ (hagilulim) = de afgoden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָבַ֣ד (avad) = diende | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיִּשְׁתַּ֖חוּ (vayishtachu) = en wierp zich neer | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:22** Hij verliet Yahweh, de Elohim van zijn vaders, en liep niet op de weg van Yahweh. Brontekst: וַיַּעֲזֹ֕ב (vayaazov) = en verliet | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaders | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הָלַ֖ךְ (halakh) = liep | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de weg van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:15; 1 Kron 28:9; 1 Kon 11:33; 2 Kon 22:17; Jona 2:9 ### De dood van Amon **21:23** De dienaren van Amon smeedden een samenzwering tegen hem en doodden de koning in zijn huis. Brontekst: וַיִּקְשְׁר֥וּ (vayiqsheru) = en smeedden een samenzwering | עַבְדֵֽי (avdei) = dienaren van | אָמ֖וֹן (amon) = Amon | עָלָ֑יו (alav) = tegen hem | וַיָּמִ֥יתוּ (vayamitu) = en doodden | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּבֵיתֽוֹ (beveito) = in zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָשַׁר (qashar), ‘een samenzwering smeden’: zoals in 1 Kon. 16:9. Zie ook: 1 Kon 15:27; 1 Kon 16:9; 2 Kon 12:21; 2 Kon 14:19; 2 Kron 33:24–25 **21:24** Het volk van het land sloeg allen dood die tegen koning Amon een samenzwering hadden gesmeed. Het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. Brontekst: וַיַּךְ֙ (vayakh) = en sloeg | עַם (am) = volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַקֹּשְׁרִ֖ים (haqosherim) = de samenzweerders | עַל (al) = tegen | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָמ֑וֹן (amon) = Amon | וַיַּמְלִ֧יכוּ (vayamlikhu) = en maakten koning | עַם (am) = volk van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | יֹאשִׁיָּ֥הוּ (yoshiyahu) = Josia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de bevolking van Juda, die hier voor het koningshuis kiest. Wie precies bedoeld is, is niet zeker. Zij treden ook op in 2 Kon. 11:14 en 23:30. Voetnoot : יֹאשִׁיָּהוּ (Josia): zijn regering staat in 2 Kon. 22–23. Zie ook: 1 Kon 12:20; 2 Kon 11:14; 2 Kon 11:17; 2 Kon 14:5; 2 Kon 14:21; 2 Kon 23:30; 2 Kron 26:1 **21:25** De rest van de geschiedenis van Amon, wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = zaken van | אָמ֖וֹן (amon) = Amon | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֑ה (asa) = deed | הֲלֹא (halo) = niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֛פֶר (sefer) = boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 20:20; 2 Kon 21:17 **21:26** Men begroef hem in zijn graf, in de tuin van Uzza. Zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּקְבְֹּ֥ר (vayiqboer) = en werd begraven | אֹת֛וֹ (oto) = hem | בִּקְבֻרָת֖וֹ (biqvurato) = in zijn graf | בְּגַן (began) = in tuin van | עֻזָּ֑א (uza) = Uzza | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יֹאשִׁיָּ֥הוּ (yoshiyahu) = Josia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Amon wordt begraven in de tuin van Uzza, net als zijn vader Manasse (vers 18). Zie ook: 1 Kon 13:5; 2 Kon 21:18; Mat 1:10 ## 2 Koningen 22 _Het boek van de wet wordt gevonden_ ### Josia, koning van Juda **22:1** Josia was 8 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jedida, de dochter van Adaja, uit Botskat. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמֹנֶ֤ה (shemone) = acht | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יֹאשִׁיָּ֣הוּ (yoshiyahu) = Josia | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁלֹשִׁ֤ים (usheloshim) = en dertig | וְאַחַת֙ (veachat) = en één | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | יְדִידָ֥ה (yedida) = Jedida | בַת (bat) = dochter van | עֲדָ֖יָה (adaya) = Adaja | מִבָּצְקַֽת (mibatseqat) = uit Botskat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Botskat lag in de Sefela, het heuvelland in het zuidwesten van Juda (Joz. 15:39). De ligging is niet zeker; men zoekt de plaats bij Lachis. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De leeftijd en de regeringsduur van Josia staan zoals in de Masoretische tekst. Zie ook 2 Kron. 34:1. Zie ook: Joz 15:39; 2 Kron 34:1–33; Sef 1:1; Jer 1:2; Mat 1:10 **22:2** Hij deed wat juist is in de ogen van Yahweh. Hij liep op de hele weg van zijn vader David. Hij week niet af, niet naar rechts en niet naar links. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en liep | בְּכָל (bekhal) = in heel | דֶּ֨רֶךְ֙ (derekh) = weg van | דָּוִ֣ד (david) = David | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וְלֹא (velo) = en niet | סָ֖ר (sar) = week | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹֽאול (usemovl) = en links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Niet afwijken naar rechts of naar links’ is een vaste uitdrukking voor trouw aan de weg die Yahweh gebiedt. Zie Deut. 5:32 en Deut. 17:20. Zie ook: Deut 5:32; Deut 17:20; Joz 1:7; Spr 20:11; 1 Kon 3:6; 2 Kon 18:3 ### Het geld voor het huis van Yahweh **22:3** In het achttiende jaar van koning Josia stuurde de koning de schrijver Safan naar het huis van Yahweh. Safan was de zoon van Azalja, de zoon van Mesjullam. De koning zei: Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּשְׁמֹנֶ֤ה (bishmone) = in acht | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | יֹאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | שָׁלַ֣ח (shalach) = stuurde | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | שָׁפָ֨ן (shafan) = Safan | בֶּן (ben) = zoon van | אֲצַלְיָ֤הוּ (atsalyahu) = Azalja | בֶן (ben) = zoon van | מְשֻׁלָּם֙ (meshulam) = Mesjullam | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem. Het achttiende jaar van Josia is het jaar waarin het geld voor het herstel wordt geteld. Zie ook 2 Kron. 34:8. Zie ook: 2 Kron 34:3–33; 2 Kron 34:8 **22:4** „Ga naar Hilkia, de hogepriester. Laat hem het geld optellen dat in het huis van Yahweh is binnengebracht. De wachters van de drempel hebben het van het volk ingezameld. Brontekst: עֲלֵ֗ה (ale) = ga op | אֶל (el) = naar | חִלְקִיָּ֨הוּ֙ (chilqiyahu) = Hilkia | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | וְיַתֵּ֣ם (veyatem) = en laat hem optellen | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = het geld | הַמּוּבָ֖א (hamuva) = dat is binnengebracht | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אָסְפ֛וּ (asefu) = hebben verzameld | שֹׁמְרֵ֥י (shomerei) = bewakers van | הַסַּ֖ף (hasaf) = de drempel | מֵאֵ֥ת (meet) = van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakohen hagadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’. Voetnoot : שֹׁמְרֵי הַסַּף (shomrei hasaf), ‘de wachters van de drempel’: wachters bij de ingang van het huis van Yahweh. Het geld kwam van het volk dat naar het huis kwam. Een vergelijkbare inzameling staat in 2 Kon. 12:5–17. Zie ook: 1 Kron 9:19; 2 Kon 12:5; 2 Kon 12:9–12; 2 Kron 8:14; 2 Kron 34:9–18 **22:5** Laat men het geven aan de werkleiders die zijn aangesteld over het huis van Yahweh. Zij moeten het geven aan de mannen die het werk doen in het huis van Yahweh, om de schade aan het huis te herstellen: Brontekst: וְיִתְּנֻ֗הוּ (veyitenuhu) = en laat hen geven het | עַל (al) = in | יַד֙ (yad) = hand van | עֹשֵׂ֣י (osei) = uitvoerders van | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | הַמֻּפְקָדִ֖ים (hamufqadim) = de aangestelden | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְיִתְּנ֣וּ (veyitenu) = en laat hen geven | אֹת֗וֹ (oto) = het | לְעֹשֵׂ֤י (leosei) = aan de uitvoerders van | הַמְּלָאכָה֙ (hamelakha) = het werk | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְחַזֵּ֖ק (lechazeq) = om te herstellen | בֶּ֥דֶק (bedeq) = schade van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּדֶק (bedeq), ‘schade’: wat aan het gebouw stuk of beschadigd is. Hetzelfde woord staat in 2 Kon. 12:6–13. Voetnoot Lezing: Bij ‘laat men het geven’ heeft het geschreven woord (ketiv) ויתנה, het qere וְיִתְּנֻהוּ. Bij ‘over het huis van Yahweh’ (na ‘de aangestelden’) heeft het ketiv בבית, ‘in het huis van’, het qere בֵּית. Wij volgen het qere. Zie ook: 2 Kon 12:6; 2 Kon 12:12–15; 2 Kron 24:7; 2 Kron 24:12–13; 2 Kron 24:27 **22:6** aan de timmerlieden, de bouwers en de muurbouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen om het huis te herstellen. Brontekst: לֶחָ֣רָשִׁ֔ים (lecharashim) = voor de timmerlieden | וְלַבֹּנִ֖ים (velabonim) = en de bouwers | וְלַגֹּֽדְרִ֑ים (velagoderim) = en de muurbouwers | וְלִקְנ֤וֹת (veliqnot) = en om te kopen | עֵצִים֙ (etsim) = hout | וְאַבְנֵ֣י (veavnei) = en stenen van | מַחְצֵ֔ב (machtsev) = het uithouwen | לְחַזֵּ֖ק (lechazeq) = om te herstellen | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:7** Maar van hen hoeft geen rekenschap gevraagd te worden over het geld dat hun in handen wordt gegeven, want zij werken betrouwbaar.” Brontekst: אַ֚ךְ (akh) = maar | לֹא (lo) = niet | יֵחָשֵׁ֣ב (yechashev) = wordt gerekend | אִתָּ֔ם (itam) = met hen | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het geld | הַנִּתָּ֣ן (hanitan) = dat wordt gegeven | עַל (al) = op | יָדָ֑ם (yadam) = hun hand | כִּ֥י (ki) = want | בֶאֱמוּנָ֖ה (beemuna) = in betrouwbaarheid | הֵ֥ם (hem) = zij | עֹשִֽׂים (osim) = doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּאֱמוּנָה (be’emunah), ‘betrouwbaar’: letterlijk ‘in betrouwbaarheid’. Vrijwel dezelfde woorden staan in 2 Kon. 12:16. Zie ook: 2 Kon 12:16; 2 Kron 24:14; Neh 7:2; Luc 16:10–12; 1 Kor 4:2 ### Het boek van de wet **22:8** Hilkia, de hogepriester, zei tegen Safan, de schrijver: „Ik heb het boek van de wet gevonden in het huis van Yahweh.” Hilkia gaf het boek aan Safan, en hij las het. Brontekst: וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en zei | חִלְקִיָּ֜הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | עַל (al) = tot | שָׁפָ֣ן (shafan) = Safan | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | סֵ֧פֶר (sefer) = boek van | הַתּוֹרָ֛ה (hatora) = de wet | מָצָ֖אתִי (matsati) = ik heb gevonden | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | חִלְקִיָּ֧ה (chilqiya) = Hilkia | אֶת (et) = (obj.) | הַסֵּ֛פֶר (hasefer) = het boek | אֶל (el) = aan | שָׁפָ֖ן (shafan) = Safan | וַיִּקְרָאֵֽהוּ (vayiqraehu) = en hij las het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר הַתּוֹרָה (sefer hatorah), ‘het boek van de wet’: תּוֹרָה (torah) betekent ‘onderricht’ en ‘wet’. Wij vertalen ‘wet’, zoals in de andere boeken. De tekst zegt niet precies welk boek dit was. Zie ook Deut. 31:24–26, waar Mozes het boek van de wet naast de ark van het verbond laat leggen. Zie ook: Deut 31:24–26; 2 Kron 34:14–28 **22:9** Safan, de schrijver, ging naar de koning en bracht de koning bericht. Hij zei: „Uw dienaren hebben het geld dat in het huis gevonden is, uitgegoten. Zij hebben het gegeven aan de werkleiders die zijn aangesteld over het huis van Yahweh.” Brontekst: וַיָּבֹ֞א (vayavo) = en kwam | שָׁפָ֤ן (shafan) = Safan | הַסֹּפֵר֙ (hasofer) = de schrijver | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיָּ֥שֶׁב (vayashev) = en bracht terug | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּבָ֑ר (davar) = woord | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הִתִּ֤יכוּ (hitikhu) = hebben uitgegoten | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = uw dienaren | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het geld | הַנִּמְצָ֣א (hanimtsa) = dat is gevonden | בַבַּ֔יִת (babayit) = in het huis | וַֽיִּתְּנֻ֗הוּ (vayitenuhu) = en zij gaven het | עַל (al) = in | יַד֙ (yad) = hand van | עֹשֵׂ֣י (osei) = uitvoerders van | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | הַמֻּפְקָדִ֖ים (hamufqadim) = de aangestelden | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתִּיכוּ (hittikhu), ‘zij hebben uitgegoten’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘smelten’ of ‘uitgieten’. Hier gaat het om het geld dat uit de kist is gehaald en overhandigd. Wij vertalen ‘uitgegoten’. Zie ook: 2 Kon 22:3; Jer 29:3; Jer 36:10–12; Jer 39:14; Jer 40:11 **22:10** Safan, de schrijver, vertelde de koning: „Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven.” Safan las het voor aan de koning. Brontekst: וַיַּגֵּ֞ד (vayaged) = en vertelde | שָׁפָ֤ן (shafan) = Safan | הַסֹּפֵר֙ (hasofer) = de schrijver | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | סֵ֚פֶר (sefer) = boek | נָ֣תַן (natan) = gaf | לִ֔י (li) = aan mij | חִלְקִיָּ֖ה (chilqiya) = Hilkia | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וַיִּקְרָאֵ֥הוּ (vayiqraehu) = en las het | שָׁפָ֖ן (shafan) = Safan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 17:18–20; Jer 13:18; Jer 36:6; Jer 36:21; Neh 8:14–15 ### De koning scheurt zijn kleren **22:11** Toen de koning de woorden van het boek van de wet hoorde, scheurde hij zijn kleren. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּשְׁמֹ֣עַ (kishmoa) = toen hoorde | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | סֵ֣פֶר (sefer) = boek van | הַתּוֹרָ֑ה (hatora) = de wet | וַיִּקְרַ֖ע (vayiqra) = en scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָֽיו (begadav) = zijn kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:6; 2 Kron 34:19; Joël 2:13; Jona 3:6–7; Jer 36:24 **22:12** De koning gaf een bevel aan Hilkia, de priester, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Achbor, de zoon van Michaja, aan Safan, de schrijver, en aan Asaja, de dienaar van de koning. Hij zei: Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gebood | הַמֶּ֡לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | חִלְקִיָּ֣ה (chilqiya) = Hilkia | הַכֹּהֵ֡ן (hakohen) = de priester | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲחִיקָ֣ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁ֠פָן (shafan) = Safan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַכְבּ֨וֹר (akhbor) = Achbor | בֶּן (ben) = zoon van | מִיכָיָ֜ה (mikhaya) = Michaja | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שָׁפָ֣ן (shafan) = Safan | הַסֹּפֵ֗ר (hasofer) = de schrijver | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | עֲשָׂיָ֥ה (asaya) = Asaja | עֶֽבֶד (eved) = dienaar van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Achikam, de zoon van Safan, komt ook voor in Jer. 26:24. In 2 Kron. 34:20 staat op deze plaats ‘Abdon, de zoon van Micha’. Zie ook: 2 Kon 19:2–3; 2 Kon 22:9; 2 Kon 25:22; 2 Kron 34:20; Jes 37:1–4; Jer 26:24 **22:13** „Ga, raadpleeg Yahweh voor mij, voor het volk en voor heel Juda over de woorden van dit boek dat gevonden is. Want groot is de woede van Yahweh, die tegen ons is ontbrand. Onze vaderen hebben niet geluisterd naar de woorden van dit boek, om te doen wat daarin over ons is geschreven.” Brontekst: לְכוּ֩ (lekhu) = gaat | דִרְשׁ֨וּ (dirshu) = raadpleegt | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בַּעֲדִ֣י (baadi) = voor mij | וּבְעַד (uvead) = en voor | הָעָ֗ם (haam) = het volk | וּבְעַד֙ (uvead) = en voor | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עַל (al) = over | דִּבְרֵ֛י (divrei) = woorden van | הַסֵּ֥פֶר (hasefer) = het boek | הַנִּמְצָ֖א (hanimtsa) = dat gevonden is | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | כִּֽי (ki) = want | גְדוֹלָ֞ה (gedola) = groot | חֲמַ֣ת (chamat) = woede van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | הִיא֙ (hi) = zij | נִצְּתָ֣ה (nitseta) = is ontbrand | בָ֔נוּ (banu) = in ons | עַל֩ (al) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = het feit dat | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמְע֜וּ (shameu) = luisterden | אֲבֹתֵ֗ינוּ (avoteinu) = onze vaderen | עַל (al) = naar | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | הַסֵּ֣פֶר (hasefer) = het boek | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | כְּכָל (kekhal) = volgens alles | הַכָּת֥וּב (hakatuv) = wat is geschreven | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּרְשׁוּ אֶת־יְהוָה (dirshu et Yahweh), ‘raadpleeg Yahweh’: wie Yahweh raadpleegt, vraagt door een profeet naar Zijn woord. Dit gebeurt ook in 1 Kon. 22:5. Over de woede die over Israël komt als het de wet niet houdt, zie Deut. 28:15–68. Zie ook: Ex 20:5; Deut 4:23–27; Deut 28:15–68; Deut 31:17–18; 1 Kon 22:5; Neh 9:3; Jak 1:22–25 ### Hulda, de profetes **22:14** Hilkia, de priester, Achikam, Achbor, Safan en Asaja gingen naar Hulda, de profetes. Zij was de vrouw van Sjallum, de zoon van Tikva, de zoon van Charchas, de bewaarder van de kleren. Zij woonde in Jeruzalem, in het tweede stadsdeel. Zij spraken met haar. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | חִלְקִיָּ֣הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | הַ֠כֹּהֵן (hakohen) = de priester | וַאֲחִיקָ֨ם (vaachiqam) = en Achikam | וְעַכְבּ֜וֹר (veakhbor) = en Achbor | וְשָׁפָ֣ן (veshafan) = en Safan | וַעֲשָׂיָ֗ה (vaasaya) = en Asaja | אֶל (el) = naar | חֻלְדָּ֨ה (chulda) = Hulda | הַנְּבִיאָ֜ה (hanevia) = de profetes | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | שַׁלֻּ֣ם (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | תִּקְוָ֗ה (tiqva) = Tikva | בֶּן (ben) = zoon van | חַרְחַס֙ (charchas) = Charchas | שֹׁמֵ֣ר (shomer) = bewaarder van | הַבְּגָדִ֔ים (habegadim) = de kleren | וְהִ֛יא (vehi) = en zij | יֹשֶׁ֥בֶת (yoshevet) = woonde | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | בַּמִּשְׁנֶ֑ה (bamishne) = in het tweede stadsdeel | וַֽיְדַבְּר֖וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֵלֶֽיהָ (eleiha) = tot haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem: zie 1 Kon. 2:11. מִשְׁנֶה (mishneh), ‘het tweede stadsdeel’: een deel van de stad dat later is bijgebouwd. Waar het precies lag, weten wij niet. Het lag waarschijnlijk in het noordwesten van de stad, buiten de oudste stad. Voetnoot Uitleg: חֻלְדָּה (chuldah), ‘Hulda’: een profetes, zoals ook Mirjam (Exod. 15:20) en Debora (Richt. 4:4). Zie ook 2 Kron. 34:22. Voetnoot : שֹׁמֵר הַבְּגָדִים (shomer habegadim), ‘de bewaarder van de kleren’: de tekst zegt niet of het om de kleren van de koning of van de priesters gaat. Wij voegen niets toe. Zie ook: Ex 15:20; Re 4:4; 1 Kon 2:11; 2 Kon 10:22; 2 Kron 34:22; Luc 1:41–56 **22:15** Zij zei tegen hen: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Zeg tegen de man die jullie naar mij heeft gestuurd: Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אִמְר֣וּ (imru) = zeg | לָאִ֔ישׁ (laish) = tot de man | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥ח (shalach) = stuurde | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hulda spreekt in naam van Yahweh. Haar woorden staan niet in rood maar in zwart, met enkele aanhalingstekens waar zij Yahweh citeert. Dat is de regel voor profeten die Yahweh citeren, zoals Natan en Elia. Ik, Mij en Mijn staan met hoofdletter, omdat Hulda hier de eigen woorden van Yahweh doorgeeft. Zie ook: 2 Kon 1:6; 2 Kon 1:16; Jer 23:28 **22:16** Zo zegt Yahweh: Zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners. Het zijn alle woorden van het boek dat de koning van Juda heeft gelezen. Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | רָעָ֛ה (raa) = onheil | אֶל (el) = over | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וְעַל (veal) = en over | יֹֽשְׁבָ֑יו (yoshevav) = haar inwoners | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | הַסֵּ֔פֶר (hasefer) = het boek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | קָרָ֖א (qara) = las | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 29:17–22; Deut 32:15–26; Joz 23:15; 2 Kron 34:24–25; Dan 9:11–14 **22:17** Zij hebben Mij verlaten en offerrook laten opgaan voor andere goden, om Mij tot toorn te prikkelen met alles wat hun handen gemaakt hebben. Daarom is Mijn woede ontbrand tegen deze plaats. Zij zal niet gedoofd worden. Brontekst: תַּ֣חַת (tachat) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲזָב֗וּנִי (azavuni) = hebben verlaten mij | וַֽיְקַטְּרוּ֙ (vayqateru) = en lieten opgaan als offerrook | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = om | הַכְעִיסֵ֔נִי (hakhiseni) = te prikkelen mij tot toorn | בְּכֹ֖ל (bekhol) = met alle | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | יְדֵיהֶ֑ם (yedeihem) = hun handen | וְנִצְּתָ֧ה (venitseta) = en is ontbrand | חֲמָתִ֛י (chamati) = Mijn woede | בַּמָּק֥וֹם (bamaqom) = in de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִכְבֶּֽה (tikhbe) = zal gedoofd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְקַטְּרוּ (vayeqatteru), ‘zij lieten offerrook opgaan’: het brengen van reukoffers. Zie ook 1 Kon. 11:8. Voetnoot : הַכְעִיסֵנִי (hakh’iseni), ‘Mij prikkelen tot toorn’: zoals in 1 Kon. 21:22. Zie ook: Re 10:6–7; 1 Kon 11:8; 1 Kon 21:22; 2 Kon 21:22; Jes 46:5–8; Sef 1:18; Jer 17:27 **22:18** Maar tegen de koning van Juda, die jullie heeft gestuurd om Yahweh te raadplegen, moeten jullie zeggen: Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël. Over de woorden die je hebt gehoord: Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | הַשֹּׁלֵ֤חַ (hasholeach) = die stuurde | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | לִדְרֹ֣שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמְר֖וּ (tomru) = zullen jullie zeggen | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁמָֽעְתָּ (shamata) = je hebt gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 34:26–28; Jes 3:10; Mal 3:16–17 **22:19** Omdat je hart week was en je je hebt vernederd voor het aangezicht van Yahweh. Je hoorde toen wat Ik over deze plaats en over haar inwoners heb gesproken: dat zij een woestenij en een vloek zouden worden. Omdat je je kleren hebt gescheurd en voor Mijn aangezicht hebt gehuild, heb Ik het ook gehoord, spreekt Yahweh. Brontekst: יַ֠עַן (yaan) = omdat | רַךְ (rakh) = week | לְבָ֨בְךָ֜ (levavekha) = je hart | וַתִּכָּנַ֣ע (vatikana) = en je vernederde je | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּֽשָׁמְעֲךָ֡ (beshameakha) = toen je hoorde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | דִּבַּרְתִּי֩ (dibarti) = Ik heb gesproken | עַל (al) = over | הַמָּק֨וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | וְעַל (veal) = en over | יֹשְׁבָ֗יו (yoshevav) = haar inwoners | לִהְי֤וֹת (lihyot) = om te worden | לְשַׁמָּה֙ (leshama) = een woestenij | וְלִקְלָלָ֔ה (veliqlala) = en een vloek | וַתִּקְרַע֙ (vatiqra) = en je scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדֶ֔יךָ (begadeikha) = je kleren | וַתִּבְכֶּ֖ה (vativke) = en je huilde | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | וְגַ֧ם (vegam) = en ook | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | שָׁמַ֖עְתִּי (shamati) = heb Ik gehoord | נְאֻם (neum) = spreken van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreekt Yahweh’: een vaste slotformule van een profetisch woord. Voetnoot : וַתִּכָּנַע (vatikkana), ‘je hebt je vernederd’: je hebt je gebogen onder Yahweh. Het is hetzelfde werkwoord als bij de vernedering van Achab in 1 Kon. 21:29. Zie ook: Ex 10:3; 1 Sam 24:6; Ps 51:19; 1 Kon 21:29; Jes 57:15 **22:20** Daarom, zie, Ik zal je verzamelen bij je vaderen. Je wordt in vrede verzameld in je graven. Je ogen zullen al het onheil niet zien dat Ik over deze plaats breng.’” Zij brachten de koning antwoord. Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | אֹֽסִפְךָ֜ (osifkha) = zal je verzamelen | עַל (al) = bij | אֲבֹתֶ֗יךָ (avoteikha) = je vaderen | וְנֶאֱסַפְתָּ֣ (veneesafta) = en je wordt verzameld | אֶל (el) = naar | קִבְרֹתֶיךָ֮ (qivroteikha) = je graven | בְּשָׁלוֹם֒ (beshalom) = in vrede | וְלֹא (velo) = en niet | תִרְאֶ֣ינָה (tireina) = zullen zien | עֵינֶ֔יךָ (eineikha) = je ogen | בְּכֹל֙ (bekhol) = in al | הָֽרָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | מֵבִ֖יא (mevi) = breng | עַל (al) = over | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיָּשִׁ֥יבוּ (vayashivu) = en zij brachten terug | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּבָֽר (davar) = antwoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Verzameld worden bij je vaderen’ betekent sterven en begraven worden. ‘In vrede’ staat in de tekst; het verslag van Josia’s dood staat in 2 Kon. 23:29–30. Zie ook 2 Kron. 34:28. Zie ook: Gen 25:8; 1 Kron 17:11; Ps 37:37; 2 Kon 23:29–30; 2 Kron 34:28; Jes 57:1–2; Jer 22:15–16 ## 2 Koningen 23 _Josia sluit het verbond en ruimt de afgoderij op_ ### Josia sluit het verbond **23:1** De koning stuurde bericht. Alle oudsten van Juda en Jeruzalem kwamen bij hem bijeen. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֖ח (vayishlach) = en stuurde | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּאַסְפ֣וּ (vayaasfu) = en zij verzamelden zich | אֵלָ֔יו (elav) = bij hem | כָּל (kal) = alle | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushaliam) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: In de tekst staat alleen ‘de koning stuurde’, zonder voorwerp. Wij vertalen ‘stuurde bericht’ en voegen niets toe. Zie ook 2 Kron. 34:29. Zie ook: Deut 31:28; 2 Sam 6:1; 2 Kron 29:20; 2 Kron 30:2; 2 Kron 34:29–33 **23:2** De koning ging naar het huis van Yahweh. Alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem gingen met hem mee, ook de priesters en de profeten. Zo ook heel het volk, van klein tot groot. Hij las hun alle woorden voor van het boek van het verbond dat in het huis van Yahweh was gevonden. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en ging op | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | וְכָל (vekhal) = en alle | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָה֩ (yehuda) = Juda | וְכָל (vekhal) = en alle | יֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אִתּ֗וֹ (ito) = met hem | וְהַכֹּֽהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | וְהַנְּבִיאִ֔ים (vehaneviim) = en de profeten | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לְמִקָּטֹ֣ן (lemiqaton) = van klein | וְעַד (vead) = en tot | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en las | בְאָזְנֵיהֶ֗ם (beazeneihem) = in hun oren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | סֵ֣פֶר (sefer) = boek van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | הַנִּמְצָ֖א (hanimtsa) = dat gevonden is | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: סֵפֶר הַבְּרִית (sefer haberit), ‘het boek van het verbond’: in 2 Kon. 22:8 heet het gevonden boek ‘het boek van de wet’, hier ‘het boek van het verbond’. Dezelfde woorden staan in Exod. 24:7. De tekst zegt niet of het om hetzelfde boek gaat; wij vertalen beide namen letterlijk. Zie ook 2 Kron. 34:30. Zie ook: Ex 24:7; Deut 31:10–13; 1 Kon 8:9; 2 Kon 22:8; 2 Kron 34:30; Neh 9:3; Openb 20:12 **23:3** De koning ging bij de zuil staan en sloot het verbond voor het aangezicht van Yahweh. Hij zou achter Yahweh aan gaan en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn voorschriften houden, met heel zijn hart en heel zijn ziel. Zo zou hij de woorden van dit verbond laten gelden, die in dit boek geschreven staan. Heel het volk trad toe tot het verbond. Brontekst: וַיַּעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en stond | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | עַֽל (al) = op | הָ֨עַמּ֜וּד (haamud) = de zuil | וַיִּכְרֹ֥ת (vayikhrot) = en sloot | אֶֽת (et) = (obj.) | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לָלֶ֜כֶת (lalekhet) = om te gaan | אַחַ֤ר (achar) = achter | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְלִשְׁמֹ֨ר (velishmor) = en om te houden | מִצְוֺתָ֜יו (mitsvotav) = Zijn geboden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵדְוֺתָ֤יו (edevotav) = Zijn getuigenissen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֻקֹּתָיו֙ (chuqotav) = Zijn voorschriften | בְּכָל (bekhal) = met heel | לֵ֣ב (lev) = hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = ziel | לְהָקִ֗ים (lehaqim) = om te laten gelden | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | הַכְּתֻבִ֖ים (haketuvim) = die geschreven zijn | עַל (al) = op | הַסֵּ֣פֶר (hasefer) = het boek | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וַיַּעֲמֹ֥ד (vayaamod) = en stond | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בַּבְּרִֽית (baberit) = in het verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעַמּוּד (ha’ammud), ‘de zuil’: de plaats in het huis van Yahweh waar de koning staat bij een plechtigheid. Zie ook 2 Kon. 11:14. Voetnoot : עֵדְוֺת (edot), ‘getuigenissen’ en חֻקִּים (chuqqim), ‘voorschriften’: zoals in Deut. 6:17. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het levende wezen met zijn verlangen en zijn leven. ‘Met heel zijn hart en heel zijn ziel’ staat ook in Deut. 6:5. Voetnoot : וַיַּעֲמֹד … בַּבְּרִית (vayya’amod … baberit), ‘stond in het verbond’: het volk trad toe tot het verbond. Wij vertalen ‘trad toe’. Zie ook: Deut 6:5; Deut 6:17; Deut 11:13; Deut 13:5; 2 Kon 11:14; 2 Kon 11:17; Heb 13:20 ### De afgoderij wordt weggedaan **23:4** De koning gaf een bevel aan Hilkia, de hogepriester, aan de priesters van de tweede rang en aan de wachters van de drempel. Zij moesten uit de tempel van Yahweh alle voorwerpen halen. Die waren gemaakt voor Baäl, voor de heilige paal en voor het hele leger van de hemel. Hij verbrandde ze buiten Jeruzalem, in de velden van Kidron. Hun as liet hij naar Betel brengen. Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gebood | הַמֶּ֡לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | חִלְקִיָּהוּ֩ (chilqiyahu) = Hilkia | הַכֹּהֵ֨ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֜וֹל (hagadol) = de grote | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כֹּהֲנֵ֣י (kohanei) = priesters van | הַמִּשְׁנֶה֮ (hamishne) = de tweede rang | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֹׁמְרֵ֣י (shomerei) = wachters van | הַסַּף֒ (hasaf) = de drempel | לְהוֹצִיא֙ (lehotsi) = om uit te brengen | מֵהֵיכַ֣ל (meheikhal) = uit de tempel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַכֵּלִ֗ים (hakelim) = de voorwerpen | הָֽעֲשׂוּיִם֙ (haasuyim) = die gemaakt waren | לַבַּ֣עַל (labaal) = voor Baäl | וְלָֽאֲשֵׁרָ֔ה (velaashera) = en voor de heilige paal | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor alle | צְבָ֣א (tseva) = leger van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וַֽיִּשְׂרְפֵ֞ם (vayisrefem) = en hij verbrandde ze | מִח֤וּץ (michuts) = buiten | לִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (lirushaliam) = Jeruzalem | בְּשַׁדְמ֣וֹת (beshadmot) = in de velden van | קִדְר֔וֹן (qidron) = Kidron | וְנָשָׂ֥א (venasa) = en droeg | אֶת (et) = (obj.) | עֲפָרָ֖ם (afaram) = hun as | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kidron: het dal ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Zie ook 1 Kon. 2:37. Betel ligt ongeveer 17 kilometer ten noorden van Jeruzalem, bij het huidige Beitin (Westelijke Jordaanoever). Betel was de plaats van het gouden kalf (1 Kon. 12:29); de tekst zegt niet waarom de as daarheen wordt gebracht. Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Voetnoot Uitleg: אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera. Manasse had zo’n paal in het huis van Yahweh gezet (2 Kon. 21:7). Zie ook Richt. 6:25–30 en 1 Kon. 15:13. Voetnoot : צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren die als goden werden vereerd. Zie ook 2 Kon. 21:3. Voetnoot : כֹּהֲנֵי הַמִּשְׁנֶה (kohanei hamishneh), ‘priesters van de tweede rang’: letterlijk ‘priesters van de tweede’, de priesters onder de hogepriester. Zie ook 2 Kon. 25:18. Voetnoot : שַׁדְמוֹת (shadmot), ‘velden’: de betekenis van het woord is niet zeker; het kan ook om terrassen gaan. Voetnoot : הֵיכַל (hekal), ‘tempel’: hier wordt het woord ‘tempel’ van Yahweh gebruikt, elders ‘huis van Yahweh’. Zie ook: Re 6:25–30; 1 Kon 2:37; 1 Kon 12:29; 1 Kon 15:13; 2 Kon 21:3; 2 Kon 21:7; 2 Kon 25:18; 2 Kron 33:3; Jer 52:24 **23:5** Hij zette de afgodspriesters af. De koningen van Juda hadden hen aangesteld om offerrook te laten opgaan op de hoogten in de steden van Juda en rondom Jeruzalem. Ook zette hij hen af die offerrook lieten opgaan. Dat was voor Baäl, voor de zon, voor de maan, voor de sterrenbeelden en voor het hele leger van de hemel. Brontekst: וְהִשְׁבִּ֣ית (vehishbit) = en liet ophouden | אֶת (et) = (obj.) | הַכְּמָרִ֗ים (hakemarim) = de afgodspriesters | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָֽתְנוּ֙ (natenu) = hadden aangesteld | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיְקַטֵּ֤ר (vayqater) = en liet offerrook opgaan | בַּבָּמוֹת֙ (babamot) = op de hoogten | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּמְסִבֵּ֖י (umesibei) = en rondom | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽמְקַטְּרִ֣ים (hamqaterim) = hen die offerrook lieten opgaan | לַבַּ֗עַל (labaal) = voor Baäl | לַשֶּׁ֤מֶשׁ (lashemesh) = voor de zon | וְלַיָּרֵ֨חַ֙ (velayareach) = en voor de maan | וְלַמַּזָּל֔וֹת (velamazalot) = en voor de sterrenbeelden | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor alle | צְבָ֥א (tseva) = leger van | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כְּמָרִים (kemarim), ‘afgodspriesters’: een woord dat alleen voor priesters van andere goden wordt gebruikt. Het staat ook in Hos. 10:5 en Zef. 1:4. Voetnoot : בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen buiten Jeruzalem op heuvels en bergen. Zie Deut. 12:2–14 en 1 Kon. 3:2. Voetnoot : מַזָּלוֹת (mazzalot), ‘sterrenbeelden’: de betekenis van het woord is niet zeker; het kan gaan om de tekens van de dierenriem of om planeten. Zie ook: Deut 12:2–14; 1 Kon 3:2; 2 Kon 21:3–4; Hos 10:5; Sef 1:4; Jer 8:1–2; Jer 44:17–19 **23:6** Hij haalde de heilige paal uit het huis van Yahweh en bracht hem buiten Jeruzalem, naar de beek Kidron. Hij verbrandde hem in de beek Kidron en vermaalde hem tot stof. Het stof wierp hij op het graf van de gewone mensen. Brontekst: וַיֹּצֵ֣א (vayotse) = en bracht uit | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲשֵׁרָה֩ (haashera) = de heilige paal | מִבֵּ֨ית (mibeit) = uit het huis van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | מִח֤וּץ (michuts) = buiten | לִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (lirushaliam) = Jeruzalem | אֶל (el) = naar | נַ֣חַל (nachal) = beek | קִדְר֔וֹן (qidron) = Kidron | וַיִּשְׂרֹ֥ף (vayisrof) = en verbrandde | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | בְּנַ֥חַל (benachal) = in de beek | קִדְר֖וֹן (qidron) = Kidron | וַיָּ֣דֶק (vayadeq) = en vermaalde | לְעָפָ֑ר (leafar) = tot stof | וַיַּשְׁלֵךְ֙ (vayashlekh) = en wierp | אֶת (et) = (obj.) | עֲפָרָ֔הּ (afarah) = haar stof | עַל (al) = op | קֶ֖בֶר (qever) = graf van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הָעָם (benei ha’am), ‘de gewone mensen’: letterlijk ‘de zonen van het volk’. Het graf lag in het Kidrondal. Zie ook Jer. 26:23. Voetnoot : De heilige paal was door Manasse in het huis geplaatst (2 Kon. 21:7). De beek Kidron is een droog dal dat alleen in de regentijd water voert (נַחַל, nachal). Zie ook: Re 3:7; 2 Kon 21:7; 2 Kon 23:15; 2 Kron 34:4; Jer 17:2; Jer 26:23 **23:7** Hij brak de huizen van de mannelijke tempelhoeren af, die in het huis van Yahweh stonden. De vrouwen weefden daar huizen voor de heilige paal. Brontekst: וַיִּתֹּץ֙ (vayitots) = en brak af | אֶת (et) = (obj.) | בָּתֵּ֣י (batei) = huizen van | הַקְּדֵשִׁ֔ים (haqedeshim) = de mannelijke tempelhoeren | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | הַנָּשִׁ֗ים (hanashim) = de vrouwen | אֹרְג֥וֹת (oregot) = weefden | שָׁ֛ם (sham) = daar | בָּתִּ֖ים (batim) = huizen | לָאֲשֵׁרָֽה (laashera) = voor de heilige paal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקְּדֵשִׁים (haqedeshim), ‘de mannelijke tempelhoeren’: zoals in 1 Kon. 14:24, 15:12 en 22:47. Voetnoot Lezing: בָּתִּים (battim), ‘huizen’: de betekenis is hier niet zeker. Het kan gaan om tentjes of om kleden. Sommige oude vertalingen lezen een ander woord. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Gen 19:4–5; Ex 35:25–26; 1 Kon 14:24; 1 Kon 15:12; 1 Kon 22:47; Ezech 16:16 **23:8** Hij liet alle priesters uit de steden van Juda komen. Hij maakte de hoogten onrein waar de priesters offerrook hadden laten opgaan, van Geba tot Beër-Sjeba. Hij brak de hoogten van de poorten af. Die stonden bij de ingang van de poort van Jozua, de stadsoverste, aan de linkerhand van een man bij de poort van de stad. Brontekst: וַיָּבֵ֤א (vayave) = en bracht | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | מֵעָרֵ֣י (mearei) = uit steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיְטַמֵּ֣א (vaytame) = en maakte onrein | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּמ֗וֹת (habamot) = de hoogten | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | קִטְּרוּ (qiteru) = hadden laten opgaan | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daar | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | מִגֶּ֖בַע (migeva) = van Geba | עַד (ad) = tot | בְּאֵ֣ר (beer) = Beër | שָׁ֑בַע (shava) = Sjeba | וְנָתַ֞ץ (venatats) = en brak af | אֶת (et) = (obj.) | בָּמ֣וֹת (bamot) = hoogten van | הַשְּׁעָרִ֗ים (hashearim) = de poorten | אֲשֶׁר (asher) = die | פֶּ֜תַח (petach) = ingang van | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | שַׂר (sar) = overste van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | אֲשֶֽׁר (asher) = die | עַל (al) = op | שְׂמֹ֥אול (semovl) = linkerhand | אִ֖ישׁ (ish) = man | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = in poort van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Geba (nu Jaba) lag in Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Beër-Sjeba lag in het zuiden van Juda, bij het huidige Beër-Sjeva (Israël). ‘Van Geba tot Beër-Sjeba’ betekent het hele land Juda, van noord tot zuid. Zie ook 1 Kon. 15:22 en 1 Kon. 19:3. Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת הַשְּׁעָרִים (bamot hasha’arim), ‘hoogten van de poorten’: de Masoretische tekst heeft ‘poorten’. Sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : שַׂר הָעִיר (sar ha’ir), ‘stadsoverste’: zoals in 1 Kon. 22:26. Zie ook: Gen 21:31; Joz 21:17; 1 Kron 6:45; 1 Kon 15:22; 1 Kon 19:3; 1 Kon 22:26; Jes 10:29 **23:9** Alleen gingen de priesters van de hoogten niet op naar het altaar van Yahweh in Jeruzalem. Zij aten wel ongezuurde broden te midden van hun broeders. Brontekst: אַ֗ךְ (akh) = alleen | לֹ֤א (lo) = niet | יַֽעֲלוּ֙ (yaalu) = gingen op | כֹּהֲנֵ֣י (kohanei) = priesters van | הַבָּמ֔וֹת (habamot) = de hoogten | אֶל (el) = naar | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = wel | אָכְל֥וּ (akhelu) = aten | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurde broden | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲחֵיהֶֽם (acheihem) = hun broeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מַצּוֹת (matsot), ‘ongezuurde broden’: zoals in Deut. 16:3. De tekst zegt niet waarom de priesters van de hoogten niet opgingen naar het altaar. Zie ook Deut. 18:6–8 over de Levieten van buiten Jeruzalem. Zie ook: Deut 16:3; Deut 18:6–8; 1 Sam 2:36; Ezech 44:10–14; Ezech 44:29–31; Mal 2:8–9 **23:10** Hij maakte Tofet onrein, dat in het dal van Ben-Hinnom ligt. Zo kon niemand meer zijn zoon of zijn dochter door het vuur laten gaan voor Molech. Brontekst: וְטִמֵּ֣א (vetime) = en maakte onrein | אֶת (et) = (obj.) | הַתֹּ֔פֶת (hatofet) = Tofet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּגֵ֣י (begei) = in het dal van | בֶן (ben) = zoon van | הִנֹּ֑ם (hinom) = Hinnom | לְבִלְתִּ֗י (levilti) = zodat niet | לְהַעֲבִ֨יר (lehaavir) = liet doorgaan | אִ֜ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (obj.) | בְּנ֧וֹ (beno) = zijn zoon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּתּ֛וֹ (bito) = zijn dochter | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = door het vuur | לַמֹּֽלֶךְ (lamolekh) = voor Molech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tofet lag in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden en westen van Jeruzalem (Joz. 15:8). De precieze plek is niet bekend. Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: תֹּפֶת (tofet), ‘Tofet’: de naam van de plaats waar kinderen aan Molech werden geofferd. De betekenis van de naam is onzeker. Zie ook Lev. 18:21, Lev. 20:2–5 en Deut. 18:10. Molech: zie 1 Kon. 11:7. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘de zonen van Hinnom’ (בני), het qere ‘de zoon van Hinnom’ (בֶן). Wij volgen het qere, zoals in Joz. 15:8. Zie ook: Lev 18:21; Lev 20:2–5; Deut 18:10; Joz 15:8; 1 Kon 11:7; Jes 30:33; Jer 7:31–32; Jer 19:6; Jer 32:35 **23:11** Hij schafte de paarden af die de koningen van Juda aan de zon hadden gegeven. Dat was van de ingang van het huis van Yahweh tot de kamer van Netan-Melech, de hofdienaar, in de Parvarim. De wagens van de zon verbrandde hij met vuur. Brontekst: וַיַּשְׁבֵּ֣ת (vayashbet) = en maakte een einde aan | אֶת (et) = (obj.) | הַסּוּסִ֗ים (hasusim) = de paarden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָתְנוּ֩ (natenu) = hadden gegeven | מַלְכֵ֨י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | לַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (lashemesh) = aan de zon | מִבֹּ֣א (mibo) = van de ingang van | בֵית (beit) = huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | לִשְׁכַּת֙ (lishkat) = kamer van | נְתַן (netan) = Netan | מֶ֣לֶךְ (melekh) = Melech | הַסָּרִ֔יס (hasaris) = de hofdienaar | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בַּפַּרְוָרִ֑ים (baparvarim) = in de Parvarim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַרְכְּב֥וֹת (markevot) = wagens van | הַשֶּׁ֖מֶשׁ (hashemesh) = de zon | שָׂרַ֥ף (saraf) = verbrandde hij | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet hoe de paarden aan de zon werden gewijd. Zij stonden ‘van de ingang van het huis van Yahweh tot de kamer van Netan-Melech’. Voetnoot : סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: zoals in 1 Kon. 22:9. Voetnoot : פַּרְוָרִים (parvarim), ‘de Parvarim’: een plaats of gebouw bij het huis van Yahweh. De betekenis van het woord is onzeker. Het lijkt op het woord ‘Parbar’ in 1 Kron. 26:18. Wij schrijven ‘Parvarim’. Zie ook: Deut 4:19; 1 Kron 26:18; 1 Kon 22:9; 2 Kon 23:5; 2 Kron 14:4; 2 Kron 34:4; Ezech 8:16 **23:12** De koning brak de altaren af die op het dak stonden, de bovenkamer van Achaz, die de koningen van Juda hadden gemaakt. Hij brak ook de altaren af die Manasse had gemaakt in de twee voorhoven van het huis van Yahweh. Hij rende daar vandaan en wierp hun stof in de beek Kidron. Brontekst: וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | הַֽמִּזְבְּח֡וֹת (hamizbechot) = de altaren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = op | הַגָּג֩ (hagag) = het dak | עֲלִיַּ֨ת (aliyat) = bovenkamer van | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשׂ֣וּ (asu) = maakten | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽמִּזְבְּחוֹת֙ (hamizbechot) = de altaren | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | בִּשְׁתֵּ֛י (bishtei) = in twee | חַצְר֥וֹת (chatsrot) = voorhoven van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נָתַ֣ץ (natats) = brak af | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיָּ֣רָץ (vayarats) = en rende | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaan | וְהִשְׁלִ֥יךְ (vehishlikh) = en wierp | אֶת (et) = (obj.) | עֲפָרָ֖ם (afaram) = hun stof | אֶל (el) = naar | נַ֥חַל (nachal) = beek | קִדְרֽוֹן (qidron) = Kidron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Voetnoot Uitleg: De altaren op het dak van de bovenkamer van Achaz zijn niet eerder genoemd. Voor de altaren van Manasse in de voorhoven zie 2 Kon. 21:5. Voetnoot Lezing: וַיָּרָץ (vayyarats), ‘hij rende’: het werkwoord is ongewoon bij het afbreken van altaren. Sommige oude vertalingen lezen een ander werkwoord. Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen letterlijk. Zie ook: 2 Kon 21:5; 2 Kon 21:21–22; 2 Kron 33:5; Sef 1:5; Jer 19:13 **23:13** De koning maakte de hoogten onrein die tegenover Jeruzalem lagen, rechts van de Berg van het Verderf. Salomo, de koning van Israël, had ze gebouwd voor Astarte, de gruwel van de Sidoniërs, en voor Kemosj, de gruwel van Moab. Ook voor Milkom, de afschuw van de zonen van Ammon, had Salomo ze gebouwd. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַבָּמ֞וֹת (habamot) = de hoogten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אֲשֶׁר֮ (asher) = die | מִימִ֣ין (mimin) = rechts van | לְהַר (lehar) = de berg van | הַמַּשְׁחִית֒ (hamashchit) = het verderf | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּ֠נָה (bana) = bouwde | שְׁלֹמֹ֨ה (shelomo) = Salomo | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | לְעַשְׁתֹּ֣רֶת (leashtoret) = voor Astarte | שִׁקֻּ֣ץ (shiquts) = gruwel van | צִידֹנִ֗ים (tsidonim) = de Sidoniërs | וְלִכְמוֹשׁ֙ (velikhmosh) = en voor Kemosj | שִׁקֻּ֣ץ (shiquts) = gruwel van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וּלְמִלְכֹּ֖ם (ulemilkom) = en voor Milkom | תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = afschuw van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | טִמֵּ֖א (time) = maakte onrein | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Berg van het Verderf (הַר הַמַּשְׁחִית, har hamashchit): letterlijk ‘berg van de verderver’ of ‘berg van het verderf’. Het is waarschijnlijk de berg tegenover Jeruzalem uit 1 Kon. 11:7. Vaak wordt gedacht aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: שִׁקֻּץ (shiqquts), ‘gruwel’, en תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘afschuw’: twee woorden voor wat Yahweh verafschuwt. Wij maken het verschil zichtbaar. Zie ook 1 Kon. 11:5–7. Zie ook: Num 21:29; Re 10:6; 1 Kon 11:5; 1 Kon 11:7; Neh 13:26 **23:14** Hij verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de heilige palen om. Hij vulde hun plaats met botten van mensen. Brontekst: וְשִׁבַּר֙ (veshibar) = en verbrijzelde | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּצֵּב֔וֹת (hamatsevot) = de gewijde stenen | וַיִּכְרֹ֖ת (vayikhrot) = en hakte om | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲשֵׁרִ֑ים (haasherim) = de heilige palen | וַיְמַלֵּ֥א (vaymale) = en vulde | אֶת (et) = (obj.) | מְקוֹמָ֖ם (meqomam) = hun plaats | עַצְמ֥וֹת (atsmot) = botten van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצֵּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij een heiligdom. Zie ook Exod. 23:24 en Deut. 12:3. Voetnoot : אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: het meervoud van asherah. Zie bij vers 4 en 1 Kon. 14:23. Voetnoot : Botten van mensen maken onrein (Num. 19:16). Zie ook: Ex 23:24; Num 19:16; Num 33:52; Deut 7:5; Deut 12:3; 1 Kon 14:23; 2 Kon 23:1; 2 Kon 23:4; 2 Kon 23:16; Ezech 39:12–16 ### Betel en Samaria **23:15** Ook het altaar in Betel: de hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, had gemaakt, hij die Israël liet zondigen. Ook dat altaar en die hoogte brak hij af. Hij verbrandde de hoogte, vermaalde haar tot stof en verbrandde de heilige paal. Brontekst: וְגַ֨ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֜חַ (hamizbeach) = het altaar | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּבֵֽית (beveit) = in Bet | אֵ֗ל (el) = El | הַבָּמָה֙ (habama) = de hoogte | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשָׂ֜ה (asa) = maakte | יָרָבְעָ֤ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָט֙ (nevat) = Nebat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֶחֱטִ֣יא (hecheti) = liet zondigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | גַּ֣ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֧חַ (hamizbeach) = het altaar | הַה֛וּא (hahu) = dat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבָּמָ֖ה (habama) = de hoogte | נָתָ֑ץ (natats) = brak af | וַיִּשְׂרֹ֧ף (vayisrof) = en verbrandde | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּמָ֛ה (habama) = de hoogte | הֵדַ֥ק (hedaq) = vermaalde | לְעָפָ֖ר (leafar) = tot stof | וְשָׂרַ֥ף (vesaraf) = en verbrandde | אֲשֵׁרָֽה (ashera) = heilige paal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Jerobeam maakte het altaar en de hoogte in Betel (1 Kon. 12:28–33). ‘Die Israël liet zondigen’ staat vaker bij Jerobeam. Zie ook 1 Kon. 13:1–3. Zie ook: 1 Kon 12:28–13:1; 1 Kon 13:1–3; 1 Kon 14:16; 1 Kon 15:30; 2 Kon 10:31; 2 Kon 23:6 **23:16** Josia wendde zich om en zag de graven die daar op de berg waren. Hij liet de botten uit de graven halen en verbrandde ze op het altaar. Zo maakte hij het onrein, volgens het woord van Yahweh dat de man van Elohim had uitgeroepen, hij die deze woorden had uitgeroepen. Brontekst: וַיִּ֣פֶן (vayifen) = en keerde zich om | יֹאשִׁיָּ֗הוּ (yoshiyahu) = Josia | וַיַּ֨רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּבָרִ֤ים (haqevarim) = de graven | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁם֙ (sham) = daar | בָּהָ֔ר (bahar) = op de berg | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en stuurde | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הָֽעֲצָמוֹת֙ (haatsamot) = de botten | מִן (min) = uit | הַקְּבָרִ֔ים (haqevarim) = de graven | וַיִּשְׂרֹ֥ף (vayisrof) = en verbrandde | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | וַֽיְטַמְּאֵ֑הוּ (vaytameehu) = en maakte het onrein | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | קָרָא֙ (qara) = riep uit | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | קָרָ֔א (qara) = riep uit | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Josia wordt al in 1 Kon. 13:2 bij naam genoemd. De man van Elohim uit Juda riep daar uit dat op het altaar de botten van mensen zouden worden verbrand. Hier gebeurt dat. Zie ook 1 Kon. 13:1–3. Voetnoot : In de tekst staat letterlijk ‘hij stuurde en nam’. Wij vertalen ‘liet halen’. Zie ook: 1 Kon 13:1–2; 1 Kon 13:2; 1 Kon 13:32; Mat 24:35; Joh 10:35 **23:17** Hij zei: „Wat is dat voor een gedenkteken dat ik zie?” De mannen van de stad zeiden tegen hem: „Dat is het graf van de man van Elohim die uit Juda kwam. Hij riep deze dingen uit, die jij hebt gedaan tegen het altaar van Betel.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מָ֚ה (ma) = wat | הַצִּיּ֣וּן (hatsiyun) = het gedenkteken | הַלָּ֔ז (halaz) = dat | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat daar | אֲנִ֣י (ani) = ik | רֹאֶ֑ה (roe) = zie | וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הָעִ֗יר (hair) = de stad | הַקֶּ֤בֶר (haqever) = het graf | אִישׁ (ish) = man van | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֣א (ba) = kwam | מִֽיהוּדָ֔ה (mihuda) = uit Juda | וַיִּקְרָ֗א (vayiqra) = en riep uit | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֤ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשִׂ֔יתָ (asita) = je hebt gedaan | עַ֖ל (al) = tegen | הַמִּזְבַּ֥ח (hamizbach) = het altaar | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: צִיּוּן (tsiyyun), ‘gedenkteken’: een teken of steen bij een graf. De mannen van de stad zeggen dat dit het graf is van de man van Elohim uit 1 Kon. 13. Zie ook: 1 Kon 13:1; 1 Kon 13:30–31 **23:18** Hij zei: „Laat hem rusten. Niemand mag zijn botten verplaatsen.” Zij spaarden zijn botten, samen met de botten van de profeet die uit Samaria was gekomen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | הַנִּ֣יחוּ (hanichu) = laat rusten | ל֔וֹ (lo) = hem | אִ֖ישׁ (ish) = man | אַל (al) = niet | יָנַ֣ע (yana) = mag verplaatsen | עַצְמֹתָ֑יו (atsmotav) = zijn botten | וַֽיְמַלְּטוּ֙ (vaymaletu) = en zij spaarden | עַצְמֹתָ֔יו (atsmotav) = zijn botten | אֵ֚ת (et) = met | עַצְמ֣וֹת (atsmot) = botten van | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֖א (ba) = kwam | מִשֹּׁמְרֽוֹן (mishomeron) = uit Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: ‘De profeet die uit Samaria was gekomen’ is de oude profeet uit Betel, die naast de man van Elohim begraven werd (1 Kon. 13:11 en 13:29–31). De stad Samaria werd pas later gebouwd (1 Kon. 16:24). Hier staat ‘Samaria’ voor het gebied van het noordrijk. Voetnoot : וַיְמַלְּטוּ (vayemalletu), ‘zij spaarden’: letterlijk ‘zij lieten ontkomen’. Zie ook: 1 Kon 13:1–22; 1 Kon 13:11; 1 Kon 13:29; 1 Kon 13:31; 1 Kon 16:24 **23:19** Ook alle huizen van de hoogten in de steden van Samaria verwijderde Josia. De koningen van Israël hadden ze gemaakt om Yahweh tot toorn te prikkelen. Hij deed met hen precies wat hij in Betel had gedaan. Brontekst: וְגַם֩ (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | בָּתֵּ֨י (batei) = huizen van | הַבָּמ֜וֹת (habamot) = de hoogten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in steden van | שֹׁמְר֗וֹן (shomeron) = Samaria | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשׂ֜וּ (asu) = maakten | מַלְכֵ֤י (malkhei) = koningen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְהַכְעִ֔יס (lehakhis) = om tot toorn te prikkelen | הֵסִ֖יר (hesir) = verwijderde | יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | לָהֶ֔ם (lahem) = met hen | כְּכָל (kekhal) = volgens alle | הַֽמַּעֲשִׂ֔ים (hamaasim) = de daden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | בְּבֵֽית (beveit) = in Bet | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria (streek): Samaria is hier de naam van de streek rond de stad, het bergland van het noordrijk Israël. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: לְהַכְעִיס (lehakh’is), ‘tot toorn te prikkelen’: de tekst heeft geen voorwerp. Wij vullen ‘Yahweh’ aan. Voor de huizen van de hoogten in de steden van Samaria zie 2 Kon. 17:29. Zie ook: Ps 78:58; 2 Kon 8:18; 2 Kon 17:9; 2 Kon 17:16–18; 2 Kon 17:29; 2 Kron 34:6–7 **23:20** Hij slachtte op de altaren alle priesters van de hoogten die daar waren. Hij verbrandde er botten van mensen op. Toen keerde hij terug naar Jeruzalem. Brontekst: וַ֠יִּזְבַּח (vayizbach) = en slachtte | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כֹּהֲנֵ֨י (kohanei) = priesters van | הַבָּמ֤וֹת (habamot) = de hoogten | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁם֙ (sham) = daar | עַל (al) = op | הַֽמִּזְבְּח֔וֹת (hamizbechot) = de altaren | וַיִּשְׂרֹ֛ף (vayisrof) = en verbrandde | אֶת (et) = (obj.) | עַצְמ֥וֹת (atsmot) = botten van | אָדָ֖ם (adam) = mensen | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = op hen | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיִּזְבַּח (vayizbach), ‘hij slachtte’: het werkwoord dat bij offers hoort. Zo was het ook uitgeroepen in 1 Kon. 13:2. Zie ook: Ex 22:19; 1 Kon 13:2; 1 Kon 18:40; 2 Kon 10:25; 2 Kon 11:18; 2 Kron 34:5 ### Het Pesach van Josia **23:21** De koning gaf het hele volk een bevel: „Vier het Pesach voor Yahweh, jullie Elohim, zoals geschreven staat in dit boek van het verbond.” Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en gebood | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | עֲשׂ֣וּ (asu) = viert | פֶ֔סַח (pesach) = Pesach | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כַּכָּת֕וּב (kakatuv) = zoals het geschrevene | עַ֛ל (al) = op | סֵ֥פֶר (sefer) = boek van | הַבְּרִ֖ית (haberit) = het verbond | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסַח (pesach), ‘Pesach’: het feest van de bevrijding uit Egypte. Zie Exod. 12:1–28 en Deut. 16:1–8. Zie ook 2 Kron. 35:1–19. Zie ook: Ex 12:1–28; Ex 12:3–20; Num 9:2–5; Num 28:16–25; Deut 16:1–8; 2 Kron 35:1–19 **23:22** Want zo’n Pesach was niet gevierd sinds de dagen van de rechters die Israël richtten. Ook niet in al de dagen van de koningen van Israël en de koningen van Juda. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | נַֽעֲשָׂה֙ (naasa) = was gevierd | כַּפֶּ֣סַח (kapesach) = zoals dit Pesach | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | מִימֵי֙ (mimei) = sinds de dagen van | הַשֹּׁ֣פְטִ֔ים (hashofetim) = de rechters | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁפְט֖וּ (shafetu) = richtten | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְכֹ֗ל (vekhol) = en in alle | יְמֵ֛י (yemei) = dagen van | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וּמַלְכֵ֥י (umalkhei) = en koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt dat zo’n Pesach niet was gevierd. Hij zegt niet dat er in al die jaren geen Pesach was. Zie ook 2 Kron. 35:18. Zie ook: 2 Kron 30:1–3; 2 Kron 30:13–20; 2 Kron 35:3–19; 2 Kron 35:18 **23:23** Alleen in het achttiende jaar van koning Josia werd dit Pesach voor Yahweh gevierd in Jeruzalem. Brontekst: כִּ֗י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בִּשְׁמֹנֶ֤ה (bishmone) = in acht | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | נַעֲשָׂ֞ה (naasa) = werd gevierd | הַפֶּ֧סַח (hapesach) = het Pesach | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. ### Josia, een koning zonder gelijke **23:24** Ook de dodengeesten, de waarzeggers, de huisgoden, de afgoden en alle gruwelen ruimde Josia op. Die waren te zien in het land Juda en in Jeruzalem. Zo wilde hij de woorden van de wet laten gelden. Die staan geschreven in het boek dat Hilkia, de priester, in het huis van Yahweh had gevonden. Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹב֣וֹת (haovot) = de dodengeesten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֠יִּדְּעֹנִים (hayideonim) = de waarzeggers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתְּרָפִ֨ים (haterafim) = de huisgoden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַגִּלֻּלִ֜ים (hagilulim) = de afgoden | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַשִּׁקֻּצִ֗ים (hashiqutsim) = de gruwelen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נִרְאוּ֙ (niru) = werden gezien | בְּאֶ֤רֶץ (beerets) = in het land | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (uvirushaliam) = en in Jeruzalem | בִּעֵ֖ר (bier) = ruimde op | יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | לְ֠מַעַן (lemaan) = opdat | הָקִ֞ים (haqim) = te laten gelden | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֤י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָה֙ (hatora) = de wet | הַכְּתֻבִ֣ים (haketuvim) = die geschreven zijn | עַל (al) = op | הַסֵּ֔פֶר (hasefer) = het boek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | מָצָ֛א (matsa) = vond | חִלְקִיָּ֥הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֹבוֹת (ovot), ‘dodengeesten’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zie Lev. 19:31, Lev. 20:6 en Deut. 18:11. Voetnoot : תְּרָפִים (terafim), ‘huisgoden’: beeldjes die in huis werden bewaard (Gen. 31:19; Richt. 17:5). Voetnoot : גִּלֻּלִים (gillulim), ‘afgoden’: zoals in Lev. 26:30 en 1 Kon. 21:26. Voetnoot : בִּעֵר (bi’er), ‘ruimde op’: het werkwoord betekent letterlijk ‘wegbranden’. Zie ook: Gen 31:19; Lev 19:31; Lev 20:6; Lev 20:27; Lev 26:30; Deut 18:10–12; Deut 18:11; Re 17:5; 1 Kon 21:26; 2 Kon 21:6 **23:25** Voor hem was er geen koning zoals hij. Hij keerde zich tot Yahweh met heel zijn hart, met heel zijn ziel en met heel zijn kracht, volgens de hele wet van Mozes. Na hem is niemand opgestaan zoals hij. Brontekst: וְכָמֹהוּ֩ (vekhamohu) = en zoals hij | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֨ה (haya) = was | לְפָנָ֜יו (lefanav) = vóór hem | מֶ֗לֶךְ (melekh) = koning | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁ֤ב (shav) = keerde terug | אֶל (el) = naar | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָב֤וֹ (levavo) = zijn hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשׁוֹ֙ (nafsho) = zijn ziel | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | מְאֹד֔וֹ (meodo) = zijn kracht | כְּכֹ֖ל (kekhol) = volgens heel | תּוֹרַ֣ת (torat) = wet van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וְאַחֲרָ֖יו (veacharav) = en na hem | לֹֽא (lo) = niet | קָ֥ם (qam) = stond op | כָּמֹֽהוּ (kamohu) = zoals hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאֹדוֹ (me’odo), ‘zijn kracht’: letterlijk ‘zijn veel’. ‘Met heel je hart, heel je ziel en heel je kracht’ staat in Deut. 6:5. Een vergelijkbare lof staat bij Hizkia in 2 Kon. 18:5. Zie ook: Deut 6:5; 1 Kon 8:48; 2 Kon 18:5; 2 Kon 23:3; Jer 29:13; Joh 1:17 ### Yahweh houdt Zijn woede vast **23:26** Toch keerde Yahweh niet terug van de gloed van Zijn grote toorn. Zijn toorn was ontbrand tegen Juda, om alles waarmee Manasse Hem tot toorn had geprikkeld. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = alleen | לֹֽא (lo) = niet | שָׁ֣ב (shav) = keerde terug | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | מֵחֲר֤וֹן (mecharon) = van de gloed van | אַפּוֹ֙ (apo) = Zijn toorn | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | אֲשֶׁר (asher) = die | חָרָ֥ה (chara) = was ontbrand | אַפּ֖וֹ (apo) = Zijn toorn | בִּֽיהוּדָ֑ה (bihuda) = tegen Juda | עַ֚ל (al) = om | כָּל (kal) = alle | הַכְּעָסִ֔ים (hakeasim) = de prikkelingen tot toorn | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִכְעִיס֖וֹ (hikhiso) = prikkelde Hem tot toorn | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woede van Yahweh blijft, ondanks Josia’s trouw. De reden is Manasse. Zie 2 Kon. 21:10–15 en 2 Kon. 24:3. Zie ook: 2 Kon 21:10–15; 2 Kon 21:11–13; 2 Kon 22:16–17; 2 Kon 24:2; 2 Kon 24:3; 2 Kon 24:4; 2 Kron 36:16 **23:27** Yahweh zei: **„Ook Juda zal Ik van Mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël heb weggedaan. Ik zal deze stad verwerpen die Ik gekozen heb, Jeruzalem, en het huis waarvan Ik gezegd heb: ‘Mijn naam zal daar zijn.’”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | גַּ֤ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אָסִיר֙ (asir) = zal Ik wegdoen | מֵעַ֣ל (meal) = van | פָּנַ֔י (panay) = Mijn aangezicht | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הֲסִרֹ֖תִי (hasiroti) = Ik heb weggedaan | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּ֠מָאַסְתִּי (umaasti) = en Ik zal verwerpen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֨יר (hair) = de stad | הַזֹּ֤את (hazot) = deze | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּחַ֨רְתִּי֙ (bacharti) = Ik heb gekozen | אֶת (et) = (obj.) | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = Ik heb gezegd | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit zijn woorden die Yahweh zelf spreekt (‘Yahweh zei’). Daarom staan ze in rood. Voetnoot : ‘Mijn naam zal daar zijn’: zie 1 Kon. 8:29 en 2 Kon. 21:7. Dat Yahweh Israël van Zijn aangezicht heeft weggedaan, staat in 2 Kon. 17:18–23. Zie ook: 1 Kon 8:29; 2 Kon 17:18–23; 2 Kon 17:20; 2 Kon 18:11; 2 Kon 21:4; 2 Kon 21:7; 2 Kon 21:13; Jer 33:24 **23:28** De rest van de geschiedenis van Josia en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = zaken van | יֹאשִׁיָּ֖הוּ (yoshiyahu) = Josia | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = deed | הֲלֹא (halo) = niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘dagboek’: letterlijk ‘woorden van de dagen’. Zie 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 14:19; 2 Kon 20:20 ### De dood van Josia **23:29** In zijn dagen trok farao Necho, de koning van Egypte, op naar de koning van Assyrië, aan de rivier de Eufraat. Koning Josia ging hem tegemoet. Necho doodde hem bij Megiddo, zodra hij hem zag. Brontekst: בְּיָמָ֡יו (beyamav) = in zijn dagen | עָלָה֩ (ala) = trok op | פַרְעֹ֨ה (paro) = Farao | נְכֹ֧ה (nekho) = Necho | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | עַל (al) = aan | נְהַר (nehar) = rivier | פְּרָ֑ת (perat) = Eufraat | וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = koning | יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙ (yoshiyahu) = Josia | לִקְרָאת֔וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַיְמִיתֵ֨הוּ֙ (vaymitehu) = en doodde hem | בִּמְגִדּ֔וֹ (bimgido) = bij Megiddo | כִּרְאֹת֖וֹ (kiroto) = toen hij zag | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Megiddo lag in de vlakte van Jizreël, bij Tel Megiddo (Israël). Zie 1 Kon. 9:15. De Eufraat is de grote rivier in het noorden, in Syrië en Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: עַל (al), ‘naar’: het voorzetsel kan ook ‘tegen’ betekenen. De tekst zegt niet of Necho tegen de koning van Assyrië optrok of naar hem toe. Wij vertalen ‘naar’. Voetnoot : In de tekst staat alleen ‘hij doodde hem’. Wij schrijven ‘Necho’. Een uitgebreider verslag staat in 2 Kron. 35:20–24. Zie ook: Re 5:19; Pred 9:1–2; 1 Kon 9:15; 2 Kron 35:20–24; Jer 46:2; Zach 12:11 **23:30** Zijn dienaren vervoerden hem dood, vanuit Megiddo. Zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. Het volk van het land nam Joachaz, de zoon van Josia. Zij zalfden hem en maakten hem koning in de plaats van zijn vader. Brontekst: וַיַּרְכִּבֻ֨הוּ (vayarkivuhu) = en lieten hem rijden | עֲבָדָ֥יו (avadav) = zijn dienaren | מֵת֙ (met) = dood | מִמְּגִדּ֔וֹ (mimegido) = vanuit Megiddo | וַיְבִאֻ֨הוּ֙ (vayviuhu) = en brachten hem | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = naar Jeruzalem | וַֽיִּקְבְּרֻ֖הוּ (vayiqberuhu) = en begroeven hem | בִּקְבֻֽרָת֑וֹ (biqvurato) = in zijn graf | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | עַם (am) = volk van | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | יְהֽוֹאָחָז֙ (yehoachaz) = Joachaz | בֶּן (ben) = zoon van | יֹ֣אשִׁיָּ֔הוּ (yoshiyahu) = Josia | וַיִּמְשְׁח֥וּ (vayimshechu) = en zalfden | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וַיַּמְלִ֥יכוּ (vayamlikhu) = en maakten koning | אֹת֖וֹ (oto) = hem | תַּ֥חַת (tachat) = in de plaats van | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Megiddo: Megiddo (Tel Megiddo) lag aan de rand van de vlakte van Jizreël, aan de weg van de kust naar het noorden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיַּרְכִּבֻהוּ (vayarkivuhu), ‘zij lieten hem rijden’: waarschijnlijk in een wagen. Wij vertalen ‘vervoerden’. Voetnoot : עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de burgers van Juda, zoals bij het koningschap van Josia in 2 Kon. 21:24. Voetnoot : יְהוֹאָחָז (Yeho’achaz), ‘Joachaz’: heet in 1 Kron. 3:15 Sjallum. Zie ook: 1 Kron 3:15; 1 Kon 22:33–38; 2 Kon 9:28; 2 Kon 14:21; 2 Kon 21:24; 2 Kron 35:24; 2 Kron 36:1–4 ### Joachaz, koning van Juda **23:31** Joachaz was 23 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 3 maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְשָׁלֹ֤שׁ (veshalosh) = en drie | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יְהוֹאָחָ֣ז (yehoachaz) = Joachaz | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | חֳדָשִׁ֔ים (chodashim) = maanden | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | חֲמוּטַ֥ל (chamutal) = Chamutal | בַּֽת (bat) = dochter van | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מִלִּבְנָֽה (milivna) = uit Libna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Libna: zie Joz. 10:29. De ligging is niet zeker; men zoekt Libna in de Sefela, het heuvelland in het zuidwesten van Juda. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dezelfde moeder, Chamutal, de dochter van Jeremia uit Libna, staat bij Zedekia in 2 Kon. 24:18. Zedekia is dus waarschijnlijk een broer van Joachaz. Zie ook: Joz 10:29; 1 Kron 3:15; 2 Kon 24:18; Jer 22:11 **23:32** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals zijn vaderen hadden gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:2–7; 2 Kon 21:21–22 **23:33** Farao Necho zette hem gevangen in Ribla in het land Chamat, zodat hij niet meer koning was in Jeruzalem. Hij legde het land een boete op van 100 talent zilver en 1 talent goud. Brontekst: וַיַּאַסְרֵהוּ֩ (vayaasrehu) = en bond hem | פַרְעֹ֨ה (paro) = Farao | נְכֹ֤ה (nekho) = Necho | בְרִבְלָה֙ (berivla) = in Ribla | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | חֲמָ֔ת (chamat) = Chamat | מִמְּלֹ֖ךְ (mimelokh) = van regeren | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וַיִּתֶּן (vayiten) = en legde | עֹ֨נֶשׁ֙ (onesh) = een boete | עַל (al) = op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | כִכַּר (kikar) = talent | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | וְכִכַּ֥ר (vekhikar) = en een talent | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ribla lag aan de rivier Orontes in het land Chamat, bij het huidige Ribleh in Libanon. Zie ook 2 Kon. 25:6. Chamat is het huidige Hama in Syrië. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van ongeveer 34 kilo. 100 talent zilver is dus ongeveer 3,4 ton en 1 talent goud ongeveer 34 kilo. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘toen hij koning was in Jeruzalem’ (בְּמְלֹךְ), het qere ‘zodat hij niet meer regeerde’ (מִמְּלֹךְ). Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kon 8:65; 2 Kon 25:6; Jer 39:5–6; Jer 52:9–10; Jer 52:26–27 ### Jojakim, koning van Juda **23:34** Farao Necho maakte Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia. Hij veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz nam hij mee. Die kwam in Egypte en stierf daar. Brontekst: וַיַּמְלֵךְ֩ (vayamlekh) = en maakte koning | פַּרְעֹ֨ה (paro) = Farao | נְכֹ֜ה (nekho) = Necho | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְיָקִ֣ים (elyaqim) = Eljakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֗הוּ (yoshiyahu) = Josia | תַּ֚חַת (tachat) = in de plaats van | יֹאשִׁיָּ֣הוּ (yoshiyahu) = Josia | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיַּסֵּ֥ב (vayasev) = en veranderde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יְהוֹיָקִ֑ים (yehoyaqim) = Jojakim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוֹאָחָ֣ז (yehoachaz) = Joachaz | לָקָ֔ח (laqach) = nam hij | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֶלְיָקִים (Elyaqim), ‘Eljakim’, betekent ‘Elohim richt op’. יְהוֹיָקִים (Yehoyaqim), ‘Jojakim’, betekent ‘Yahweh richt op’. Een nieuwe naam geven toont gezag over iemand, zoals bij Zedekia in 2 Kon. 24:17. Voetnoot : Joachaz stierf in Egypte. Zie ook Jer. 22:11–12. Zie ook: 1 Kron 3:15; 2 Kon 24:17; Jer 22:11–12; Ezech 19:3–4; Dan 1:7 **23:35** Jojakim gaf het zilver en het goud aan farao. Wel schatte hij het land aan, om het zilver te geven op bevel van farao. Van ieder man eiste hij het zilver en het goud op, naar zijn schatting. Zo eiste hij het van het volk van het land, om het aan farao Necho te geven. Brontekst: וְהַכֶּ֣סֶף (vehakesef) = en het zilver | וְהַזָּהָ֗ב (vehazahav) = en het goud | נָתַ֤ן (natan) = gaf | יְהוֹיָקִים֙ (yehoyaqim) = Jojakim | לְפַרְעֹ֔ה (lefaro) = aan Farao | אַ֚ךְ (akh) = wel | הֶעֱרִ֣יךְ (heerikh) = schatte aan | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = bevel van | פַרְעֹ֑ה (paro) = Farao | אִ֣ישׁ (ish) = man | כְּעֶרְכּ֗וֹ (keerko) = naar zijn schatting | נָגַ֞שׂ (nagas) = eiste op | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֤סֶף (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָב֙ (hazahav) = het goud | אֶת (et) = (obj.) | עַ֣ם (am) = volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | לָתֵ֖ת (latet) = om te geven | לְפַרְעֹ֥ה (lefaro) = aan Farao | נְכֹֽה (nekho) = Necho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶרְכּוֹ (erko), ‘zijn schatting’: het bedrag waarop ieder man wordt aangeslagen. Zie ook: 2 Kon 15:19–20; 2 Kon 23:33 **23:36** Jojakim was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Zebuda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֨ה (shana) = jaar | יְהוֹיָקִ֣ים (yehoyaqim) = Jojakim | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וְאַחַ֤ת (veachat) = en een | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | זְבוּדָּ֥ה (zevuda) = Zebuda | בַת (bat) = dochter van | פְּדָיָ֖ה (pedaya) = Pedaja | מִן (min) = uit | רוּמָֽה (ruma) = Ruma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Ruma is niet zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Zebida’ (זבידה), het qere ‘Zebuda’ (זְבוּדָּה). Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kron 3:15; 2 Kron 36:5; Jer 1:3; Jer 26:1 **23:37** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals zijn vaderen hadden gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 28:22–25; 2 Kron 33:4–10; Jer 26:20–23; Jer 36:31; Ezech 19:5–9 ## 2 Koningen 24 _De eerste wegvoering naar Babel_ ### Jojakim en de benden van Yahweh **24:1** In zijn dagen trok Nebukadnezar, de koning van Babel, op. Jojakim werd drie jaar lang zijn dienaar. Daarna keerde hij zich om en kwam tegen hem in opstand. Brontekst: בְּיָמָ֣יו (beyamav) = in zijn dagen | עָלָ֔ה (ala) = trok op | נְבֻכַדְנֶאצַּ֖ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | וַיְהִי (vayhi) = en hij werd | ל֨וֹ (lo) = voor hem | יְהוֹיָקִ֥ים (yehoyaqim) = Jojakim | עֶ֨בֶד֙ (eved) = dienaar | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en hij keerde zich om | וַיִּמְרָד (vayimrad) = en hij kwam in opstand | בּֽוֹ (bo) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נְבֻכַדְנֶאצַּר (nevukhadnetsar), ‘Nebukadnezar’: in dit hoofdstuk staat de naam in twee spellingen (zie vers 11). Het is dezelfde koning. Wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’. Voetnoot : וַיָּשָׁב (vayashav), ‘hij keerde zich om’: Jojakim hield op met dienen. Eerder was hij door Farao Necho koning gemaakt en had hij die farao schatting betaald (2 Kon. 23:34–35). Zie ook: 2 Kon 17:5; 2 Kon 23:34–35; 2 Kon 24:11; Jer 25:1; Jer 25:9; Jer 46:2; Dan 1:1 **24:2** Yahweh stuurde tegen hem benden van de Chaldeeën, benden van Aram, benden van Moab en benden van de zonen van Ammon. Hij stuurde ze tegen Juda om het te laten omkomen, volgens het woord van Yahweh. Dat woord had Hij gesproken door de hand van Zijn dienaren, de profeten. Brontekst: וַיְשַׁלַּ֣ח (vayshalach) = en hij zond | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | בּ֡וֹ (bo) = tegen hem | אֶת (et) = (obj.) | גְּדוּדֵ֣י (gedudei) = benden van | כַשְׂדִּים֩ (kasdim) = Chaldeeën | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּדוּדֵ֨י (gedudei) = benden van | אֲרָ֜ם (aram) = Aram | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | גְּדוּדֵ֣י (gedudei) = benden van | מוֹאָ֗ב (moav) = Moab | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | גְּדוּדֵ֣י (gedudei) = benden van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וַיְשַׁלְּחֵ֥ם (vayshalechem) = en hij zond hen | בִּֽיהוּדָ֖ה (bihuda) = tegen Juda | לְהַֽאֲבִיד֑וֹ (lehaavido) = om het te laten omkomen | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבֶּ֔ר (diber) = Hij sprak | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | עֲבָדָ֥יו (avadav) = Zijn dienaren | הַנְּבִיאִֽים (haneviim) = de profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: גְּדוּד (gedud), ‘bende’: een groep strijders, vaak op rooftocht. Zie ook 2 Sam. 4:2. Voetnoot : De woorden ‘volgens het woord van Yahweh dat Hij had gesproken door de hand van Zijn dienaren, de profeten’ verwijzen naar 2 Kon. 21:10–15. Dit is een verslag van wat Yahweh gezegd heeft. Het zijn dus geen rechtstreekse woorden van Yahweh. Zie ook: 2 Sam 4:2; 2 Kon 21:10–15; 2 Kon 21:12–14; 2 Kon 23:27; Jer 25:9; Jer 32:28; Jer 35:11 **24:3** Het gebeurde met Juda alleen op bevel van Yahweh. Hij wilde het wegdoen van Zijn aangezicht, om de zonden van Manasse, om alles wat hij had gedaan. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = alleen | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = mond van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = het was | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = met Juda | לְהָסִ֖יר (lehasir) = om weg te doen | מֵעַ֣ל (meal) = van | פָּנָ֑יו (panav) = Zijn aangezicht | בְּחַטֹּ֣את (bechatot) = om de zonden van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | כְּכֹ֖ל (kekhol) = zoals | אֲשֶׁ֥ר (asher) = alles | עָשָֽׂה (asa) = wat hij deed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל־פִּי יְהוָה (al pi Yahweh), ‘op de mond van Yahweh’: dat wil zeggen ‘op bevel van Yahweh’. Het gebeurde dus niet toevallig. Voetnoot : לְהָסִיר מֵעַל פָּנָיו (lehasir me’al panav), ‘wegdoen van Zijn aangezicht’: in 2 Kon. 23:27 zegt Yahweh dat Hij Juda zal wegdoen van Zijn aangezicht, zoals Hij Israël heeft weggedaan. Zie voor de zonden van Manasse 2 Kon. 21:1–16. Zie ook: Deut 29:27; 2 Kon 18:25; 2 Kon 21:1–16; 2 Kon 21:2–11; 2 Kon 23:26–27; 2 Kon 23:27; Jes 45:7 **24:4** Ook om het onschuldige bloed dat hij had vergoten: hij had Jeruzalem met onschuldig bloed gevuld. En Yahweh wilde niet vergeven. Brontekst: וְגַ֤ם (vegam) = en ook | דַּֽם (dam) = bloed van | הַנָּקִי֙ (hanaqi) = de onschuldige | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | שָׁפָ֔ךְ (shafakh) = hij vergoot | וַיְמַלֵּ֥א (vaymale) = en hij vulde | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | דָּ֣ם (dam) = bloed | נָקִ֑י (naqi) = onschuldig | וְלֹֽא (velo) = en niet | אָבָ֥ה (ava) = wilde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִסְלֹֽחַ (lisloach) = vergeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: סָלַח (salach), ‘vergeven’: dit werkwoord heeft in de Schrift bijna altijd Elohim of Yahweh als onderwerp. Zie ook Deut. 29:19: ‘Yahweh wil hem niet vergeven’. Voetnoot : Het onschuldige bloed dat Manasse vergoot, staat in 2 Kon. 21:16. Zie ook: Num 35:33; Deut 29:19; Ps 106:38; 2 Kon 21:16; Jer 2:34; Ezech 33:25 **24:5** De rest van de geschiedenis van Jojakim, alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = zaken van | יְהוֹיָקִ֖ים (yehoyaqim) = Jojakim | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | הֲלֹא (halo) = niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = op | סֵ֛פֶר (sefer) = boek van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לְמַלְכֵ֥י (lemalkhei) = voor koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘dagboek’: letterlijk ‘woorden van de dagen’. Zie 1 Kon. 14:19. Zie ook: 1 Kon 14:19; 2 Kron 36:8; Jer 22:13–17; Jer 26:1–24 **24:6** Jojakim ging liggen bij zijn vaderen. Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֥ב (vayishkav) = en hij lag | יְהוֹיָקִ֖ים (yehoyaqim) = Jojakim | עִם (im) = met | אֲבֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en hij werd koning | יְהוֹיָכִ֥ין (yehoyakhin) = Jojachin | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹיָכִין (yehoyakhin), ‘Jojachin’: dezelfde koning heet in 1 Kron. 3:16 ‘Jechonia’. In 2 Koningen schrijven wij ‘Jojachin’. Zie ook: 1 Kron 3:16; 2 Kron 36:6; 2 Kron 36:8; Jer 22:18–19; Jer 36:30 **24:7** De koning van Egypte trok niet meer uit zijn land. Want de koning van Babel had alles genomen wat van de koning van Egypte was. Dat was van de beek van Egypte tot aan de rivier de Eufraat. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | הֹסִ֥יף (hosif) = voegde toe | עוֹד֙ (od) = nog | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לָצֵ֖את (latset) = om uit te trekken | מֵֽאַרְצ֑וֹ (meartso) = uit zijn land | כִּֽי (ki) = want | לָקַ֞ח (laqach) = had genomen | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֗ל (bavel) = Babel | מִנַּ֤חַל (minachal) = van de beek van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | עַד (ad) = tot | נְהַר (nehar) = rivier | פְּרָ֔ת (perat) = Eufraat | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | הָיְתָ֖ה (hayeta) = was | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = van de koning van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek van Egypte is waarschijnlijk de Wadi el-Arisj, in het noorden van de Sinaï (Egypte). De Eufraat stroomt door het huidige Syrië en Irak. Zie ook 1 Kon. 8:65. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï. Dit is de zuidwestgrens van het land. Voetnoot Uitleg: Farao Necho was eerder tot aan de Eufraat opgetrokken (2 Kon. 23:29). Nu had de koning van Babel het gebied genomen dat van Egypte was. Zie ook: Gen 15:18; Num 34:5; 1 Kon 5:1; 1 Kon 8:65; 2 Kon 23:29; Jer 37:5–7; Jer 46:2 ### Jojachin, koning van Juda **24:8** Jojachin was 18 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Nechusjta, de dochter van Elnatan, uit Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמֹנֶ֨ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יְהוֹיָכִ֣ין (yehoyakhin) = Jojachin | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | חֳדָשִׁ֔ים (chodashim) = maanden | מָלַ֖ךְ (malakh) = hij regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | נְחֻשְׁתָּ֥א (nechushta) = Nechusjta | בַת (bat) = dochter van | אֶלְנָתָ֖ן (elnatan) = Elnatan | מִירוּשָׁלִָֽם (mirushaliam) = uit Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het getal 18 staat zo in de Masoretische tekst van 2 Koningen. In 2 Kron. 36:9 staat 8 jaar. Zie ook: 1 Kron 3:16; 2 Kron 36:9; Jer 22:24; Jer 22:28; Jer 37:1 **24:9** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals zijn vader had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Jeruzalem wordt belegerd en Jojachin weggevoerd **24:10** In die tijd trokken de dienaren van Nebukadnezar, de koning van Babel, op naar Jeruzalem. De stad kwam onder belegering. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | עָל֗וּ (alu) = trokken op | עַבְדֵ֛י (avdei) = dienaren van | נְבֻכַדְנֶאצַּ֥ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וַתָּבֹ֥א (vatavo) = en kwam | הָעִ֖יר (hair) = de stad | בַּמָּצֽוֹר (bamatsor) = onder belegering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘hij trok op’ (עלה), het qere ‘zij trokken op’ (עָלוּ). Wij volgen het qere, dat past bij ‘de dienaren van Nebukadnezar’. In vers 11 komt Nebukadnezar zelf bij de stad. Zie ook: 2 Kon 24:11; 2 Kon 25:2; Dan 1:1–2 **24:11** Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam bij de stad terwijl zijn dienaren haar belegerden. Brontekst: וַיָּבֹ֛א (vayavo) = en kwam | נְבוּכַדְנֶאצַּ֥ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | עַל (al) = tegen | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַעֲבָדָ֖יו (vaavadav) = en zijn dienaren | צָרִ֥ים (tsarim) = belegerend | עָלֶֽיהָ (aleiha) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. **24:12** Jojachin, de koning van Juda, ging naar buiten, naar de koning van Babel: hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn leiders en zijn hofdienaren. De koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. Brontekst: וַיֵּצֵ֞א (vayetse) = en ging uit | יְהוֹיָכִ֤ין (yehoyakhin) = Jojachin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | עַל (al) = naar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | ה֣וּא (hu) = hij | וְאִמּ֔וֹ (veimo) = en zijn moeder | וַעֲבָדָ֖יו (vaavadav) = en zijn dienaren | וְשָׂרָ֣יו (vesarav) = en zijn leiders | וְסָֽרִיסָ֑יו (vesarisav) = en zijn hofdienaren | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar | שְׁמֹנֶ֖ה (shemone) = acht | לְמָלְכֽוֹ (lemalekho) = van zijn regering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: וַיֵּצֵא (vayetse), ‘ging naar buiten’: Jojachin ging de stad uit, naar de koning van Babel. De tekst zegt niet waarom; het was waarschijnlijk een overgave. Voetnoot : שָׂרִים (sarim), ‘leiders’, en סָרִיסִים (sarisim), ‘hofdienaren’: twee verschillende woorden. Zie voor ‘hofdienaar’ 1 Kon. 22:9. Voetnoot : וַיִּקַּח אֹתוֹ (vayiqach oto), ‘en nam hem’: wij vertalen ‘nam hem gevangen’. Voetnoot : Het achtste jaar is het achtste jaar van de regering van de koning van Babel. Zie ook: 1 Kon 22:9; 2 Kon 25:27; 2 Kron 36:10; Jer 24:1; Jer 29:1–2; Jer 52:28 **24:13** Hij haalde vandaar alle schatten van het huis van Yahweh en de schatten van het huis van de koning. Hij hakte alle gouden voorwerpen in stukken die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van Yahweh had gemaakt. Dat was zoals Yahweh had gesproken. Brontekst: וַיּוֹצֵ֣א (vayotse) = en hij bracht uit | מִשָּׁ֗ם (misham) = vandaar | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | אוֹצְרוֹת֙ (otserot) = schatten van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֽוֹצְר֖וֹת (veotserot) = en schatten van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיְקַצֵּ֞ץ (vayqatsets) = en hij hakte in stukken | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשָׂ֜ה (asa) = maakte | שְׁלֹמֹ֤ה (shelomo) = Salomo | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּהֵיכַ֣ל (beheikhal) = in de tempel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּֽאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: het hele gebouw van Yahweh. In de bouwbeschrijving van 1 Kon. 6 betekent hekal ‘hoofdzaal’. Voetnoot : קִצֵּץ (qitsets), ‘in stukken hakken’: het gaat om de gouden voorwerpen die Salomo had laten maken (1 Kon. 7:48–50). Voetnoot : ‘Zoals Yahweh had gesproken’: zie 2 Kon. 20:17, waar Jesaja zegt dat alles wat in het huis van Hizkia ligt, naar Babel zal worden gebracht. Zie ook: 1 Kon 7:48–50; 2 Kon 20:17; Jes 39:6; Jer 20:5; Dan 5:2–3 **24:14** Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap weg: alle leiders en alle dappere strijders, 10.000 ballingen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand bleef over, behalve de armsten van het volk van het land. Brontekst: וְהִגְלָ֣ה (vehigla) = en hij voerde weg | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יְ֠רוּשָׁלִַם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֞ים (hasarim) = de leiders | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | גִּבּוֹרֵ֣י (giborei) = dappere mannen van | הַחַ֗יִל (hachayil) = de strijdmacht | עֲשֶׂ֤רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | גּוֹלֶ֔ה (gole) = ballingen | וְכָל (vekhal) = en alle | הֶחָרָ֖שׁ (hecharash) = de ambachtslieden | וְהַמַּסְגֵּ֑ר (vehamasger) = en de smeden | לֹ֣א (lo) = niet | נִשְׁאַ֔ר (nishar) = bleef over | זוּלַ֖ת (zulat) = behalve | דַּלַּ֥ת (dalat) = de armsten van | עַם (am) = het volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חָרָשׁ (charash), ‘ambachtsman’, en מַסְגֵּר (masger), ‘smid’: de betekenis van het tweede woord is niet zeker. Het gaat om vaklieden die metaal bewerken. Voetnoot : דַּלַּת עַם הָאָרֶץ (dallat am ha’arets), ‘de armsten van het volk van het land’. Voetnoot : De getallen in vers 14 en vers 16 zijn verschillend. Wij laten ze staan zoals ze er staan en rekenen niet na. Zie voor andere aantallen Jer. 52:28–30. Voetnoot Lezing: Bij ‘tien’ heeft het geschreven woord (ketiv) עשרה, het qere עֲשֶׂרֶת. Het verschil zit alleen in de grammaticale vorm; de betekenis is gelijk. Zie ook: 2 Kon 24:16; 2 Kon 25:12; 2 Kron 36:9–10; Jer 39:10; Jer 52:28 **24:15** Hij voerde Jojachin weg naar Babel. Ook de moeder van de koning, de vrouwen van de koning, zijn hofdienaren en de machtigen van het land bracht hij weg uit Jeruzalem. Hij voerde hen als ballingen naar Babel. Brontekst: וַיֶּ֥גֶל (vayegel) = en hij voerde weg | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹיָכִ֖ין (yehoyakhin) = Jojachin | בָּבֶ֑לָה (bavela) = naar Babel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֵ֣ם (em) = moeder van | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נְשֵׁ֨י (neshei) = vrouwen van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | סָרִיסָ֗יו (sarisav) = zijn hofdienaren | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | אֵילֵ֣י (eilei) = machtigen van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | הוֹלִ֛יךְ (holikh) = hij liet gaan | גּוֹלָ֥ה (gola) = als ballingen | מִירוּשָׁלִַ֖ם (mirushaliam) = uit Jeruzalem | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֵילֵי הָאָרֶץ (eilei ha’arets), ‘machtigen van het land’: letterlijk ‘rammen van het land’, een beeld voor leiders. Zie ook Exod. 15:15 (‘de machtigen van Moab’). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft אולי, het qere אֵילֵי (eilei). Wij volgen het qere. Zie ook: Ex 15:15; 2 Kon 24:8; 2 Kron 36:10; Jer 22:24–28; Ezech 17:12; Est 2:6 **24:16** Ook alle strijders, 7000 man, en de ambachtslieden en smeden, 1000. Het waren allemaal dappere krijgers. De koning van Babel bracht hen als ballingen naar Babel. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | הַחַ֜יִל (hachayil) = de strijdmacht | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | אֲלָפִ֗ים (alafim) = duizend | וְהֶחָרָ֤שׁ (vehecharash) = en de ambachtslieden | וְהַמַּסְגֵּר֙ (vehamasger) = en de smeden | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | הַכֹּ֕ל (hakol) = allemaal | גִּבּוֹרִ֖ים (giborim) = dappere mannen | עֹשֵׂ֣י (osei) = krijgers van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | וַיְבִיאֵ֧ם (vayviem) = en hij bracht hen | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | גּוֹלָ֖ה (gola) = als ballingen | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: 2 Kon 24:14; Jer 29:2; Jer 52:28 ### Zedekia, koning van Juda **24:17** De koning van Babel maakte Mattanja, de oom van Jojachin, koning in diens plaats. Hij veranderde zijn naam in Zedekia. Brontekst: וַיַּמְלֵ֧ךְ (vayamlekh) = en hij maakte koning | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | מַתַּנְיָ֥ה (matanya) = Mattanja | דֹד֖וֹ (dodo) = zijn oom | תַּחְתָּ֑יו (tachtav) = in zijn plaats | וַיַּסֵּ֥ב (vayasev) = en hij veranderde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | צִדְקִיָּֽהוּ (tsidqiyahu) = Zedekia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מַתַּנְיָה (mattanyah), ‘Mattanja’, betekent ‘gave van Yahweh’. צִדְקִיָּהוּ (tsidqiyahu), ‘Zedekia’, betekent ‘Yahweh is mijn gerechtigheid’. De koning van Babel veranderde de naam. Zo toonde hij dat hij over hem heerste, zoals Farao Necho bij Jojakim deed (2 Kon. 23:34). Voetnoot : דֹּדוֹ (dodo), ‘zijn oom’: Mattanja was een zoon van Josia en dus de broer van Jojakim, de vader van Jojachin. In 1 Kron. 3:15 heet hij Zedekia. Zie ook: 1 Kron 3:15–16; 2 Kon 23:34; 2 Kron 36:4; Jer 37:1; Jer 52:1 **24:18** Zedekia was 21 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְאַחַ֤ת (veachat) = en een | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וְאַחַ֤ת (veachat) = en een | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = hij regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | חֲמוּטַ֥ל (chamutal) = Chamutal | בַּֽת (bat) = dochter van | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מִלִּבְנָֽה (milivna) = uit Libna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Libna lag in de Sefela, in het westen van Juda. De ligging is niet zeker. Zie ook Joz. 10:29. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Chamutal was ook de moeder van Joachaz (2 Kon. 23:31). Voetnoot : Dit gedeelte, 2 Kon. 24:18–25:21 en 25:27–30, staat ook, met kleine verschillen, in Jer. 52. Vers 18–20 staat ook in 2 Kron. 36:11–13. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft חמיטל, het qere חֲמוּטַל (chamutal). Wij volgen het qere. Zie ook: Joz 10:29; 2 Kon 23:31; 2 Kon 25:27; 2 Kron 36:11; Jer 37:1; Jer 52:1–11 **24:19** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals Jojakim had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | יְהוֹיָקִֽים (yehoyaqim) = Jojakim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 23:37; 2 Kron 36:12; Jer 24:8; Jer 37:1–21; Ezech 21:30 **24:20** Want het gebeurde met Jeruzalem en Juda vanwege de toorn van Yahweh, totdat Hij hen van Zijn aangezicht wegwierp. Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עַל (al) = vanwege | אַ֣ף (af) = toorn van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הָיְתָ֤ה (hayeta) = het was | בִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (birushaliam) = met Jeruzalem | וּבִ֣יהוּדָ֔ה (uvihuda) = en met Juda | עַד (ad) = totdat | הִשְׁלִכ֥וֹ (hishlikho) = Hij wegwierp | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵעַ֣ל (meal) = van | פָּנָ֑יו (panav) = Zijn aangezicht | וַיִּמְרֹ֥ד (vayimrod) = en hij kwam in opstand | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְּמֶ֥לֶךְ (bemelekh) = tegen de koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אַף (af), ‘toorn’: letterlijk ‘neus’, het woord voor het snuiven van woede. Zie ook 2 Kon. 23:26. Voetnoot : הִשְׁלִכוֹ (hishlikho), ‘Hij wierp weg’: hetzelfde werkwoord staat in 2 Kon. 17:20 bij Israël. Voetnoot : De opstand van Zedekia leidt tot het beleg in 2 Kon. 25:1. Zie ook: Deut 2:30; 2 Kon 17:20; 2 Kon 23:26; 2 Kon 25:1; 2 Kron 36:13; Jer 27:12–15; 2 Tess 2:9–11; 1 Kor 1:20 ## 2 Koningen 25 _De val van Jeruzalem_ ### Het beleg van Jeruzalem **25:1** Het was in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand. Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam met heel zijn leger tegen Jeruzalem. Hij sloeg een kamp op tegen de stad. Zij bouwden een belegeringswal rondom haar. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | בִשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar | הַתְּשִׁיעִ֜ית (hateshiit) = het negende | לְמָלְכ֗וֹ (lemalekho) = van zijn regering | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָעֲשִׂירִי֮ (haasiri) = de tiende | בֶּעָשׂ֣וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹדֶשׁ֒ (lachodesh) = van de maand | בָּ֠א (ba) = kwam | נְבֻכַדְנֶאצַּ֨ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | ה֧וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | חֵיל֛וֹ (cheilo) = zijn leger | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וַיִּ֣חַן (vayichan) = en hij sloeg een kamp op | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = tegen haar | וַיִּבְנ֥וּ (vayivnu) = en zij bouwden | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = tegen haar | דָּיֵ֥ק (dayeq) = belegeringswal | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘Zijn regering’ is de regering van Zedekia (2 Kon. 24:18–20). Voetnoot : דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’: een wal of aarden hoogte rondom een stad om haar af te sluiten. Het woord staat ook in Ezech. 4:2. Voetnoot : De tiende dag van de tiende maand staat ook in Jer. 52:4. Zie ook: 1 Kron 5:41; 2 Kon 24:18–20; Jes 29:3; Jer 34:1–6; Jer 43:10; Jer 52:4–11; Ezech 4:2 **25:2** De stad bleef onder belegering tot het elfde jaar van koning Zedekia. Brontekst: וַתָּבֹ֥א (vatavo) = en kwam | הָעִ֖יר (hair) = de stad | בַּמָּצ֑וֹר (bamatsor) = onder belegering | עַ֚ד (ad) = tot | עַשְׁתֵּ֣י (ashtei) = een | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = van de koning | צִדְקִיָּֽהוּ (tsidqiyahu) = Zedekia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:3** Op de negende van de maand werd de honger sterk in de stad. Er was geen brood voor het volk van het land. Brontekst: בְּתִשְׁעָ֣ה (betisha) = op de negende | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | וַיֶּחֱזַ֥ק (vayechezaq) = en werd sterk | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | בָּעִ֑יר (bair) = in de stad | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יָה (haya) = was | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | לְעַ֥ם (leam) = voor het volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De maand wordt niet genoemd: er staat alleen ‘op de negende van de maand’. In Jer. 52:6 staat ‘de vierde maand’. Zie ook: Jer 38:2; Jer 52:6; Ezech 5:12; Ezech 7:15; Ezech 14:21 ### De vlucht en de straf van Zedekia **25:4** De stad werd opengebroken. ’s Nachts vluchtten alle krijgsmannen langs de weg van de poort tussen de twee muren, bij de tuin van de koning. De Chaldeeën lagen rondom de stad. De koning ging langs de weg van de Araba. Brontekst: וַתִּבָּקַ֣ע (vatibaqa) = en werd opengebroken | הָעִ֗יר (hair) = de stad | וְכָל (vekhal) = en alle | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֤ה (hamilchama) = de oorlog | הַלַּ֨יְלָה֙ (halayla) = de nacht | דֶּ֜רֶךְ (derekh) = weg van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַחֹמֹתַ֗יִם (hachomotayim) = de twee muren | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = bij | גַּ֣ן (gan) = tuin van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְכַשְׂדִּ֥ים (vekhasdim) = en Chaldeeën | עַל (al) = bij | הָעִ֖יר (hair) = de stad | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg van | הָעֲרָבָֽה (haarava) = de Araba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Araba (הָעֲרָבָה, ha’aravah) is het diepe dal van de Jordaan en de Zoutzee, dat doorloopt naar het zuiden. De tuin van de koning lag waarschijnlijk in het zuiden van de stad, bij de vijver van Siloam. De poort tussen de twee muren is niet met zekerheid aan te wijzen. Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning. De precieze plaats is niet bekend. Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam. De precieze plaats is niet bekend. Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘vluchtten’ staat niet in het Hebreeuws: er staat alleen ‘alle krijgsmannen, ’s nachts, langs de weg van de poort’. Wij vullen het aan uit de samenhang. Ook ‘de koning’ staat er niet bij ‘ging’; wij voegen het toe voor de duidelijkheid. Vers 5 laat zien dat de koning bedoeld is. Zie ook: 2 Kon 25:5; Jer 5:10; Jer 39:2–7; Jer 52:6–11; Ezech 33:21 **25:5** Het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning. Zij haalden hem in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger was van hem weg verspreid. Brontekst: וַיִּרְדְּפ֤וּ (vayirdefu) = en zij achtervolgden | חֵיל (cheil) = leger van | כַּשְׂדִּים֙ (kasdim) = Chaldeeën | אַחַ֣ר (achar) = achter | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּשִּׂ֥גוּ (vayasigu) = en zij haalden in | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּעַרְב֣וֹת (bearvot) = op de vlakten van | יְרֵח֑וֹ (yerecho) = Jericho | וְכָל (vekhal) = en heel | חֵיל֔וֹ (cheilo) = zijn leger | נָפֹ֖צוּ (nafotsu) = was verspreid | מֵעָלָֽיו (mealav) = van hem weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vlakten van Jericho (עַרְבוֹת יְרֵחוֹ, arvot Yerecho) liggen in het Jordaandal bij Jericho, ten oosten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is dus de weg naar de Jordaan. Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho. Zie ook: Amos 2:14–16; Jes 30:16; Jer 24:8; Jer 39:5; Jer 52:8 **25:6** Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla. Daar spraken zij recht over hem uit. Brontekst: וַֽיִּתְפְּשׂוּ֙ (vayitpesu) = en zij grepen | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij brachten omhoog | אֹת֛וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | רִבְלָ֑תָה (rivlata) = naar Ribla | וַיְדַבְּר֥וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ribla lag aan de Orontes, in het huidige Syrië, ten zuidwesten van Homs. De precieze plaats is niet zeker. Het lag in het land Chamat (vers 21). Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: דִּבֶּר מִשְׁפָּט (dibber mishpat), ‘recht uitspreken’: een rechtszaak met een vonnis. De tekst zegt niet wat de aanklacht was. Zie ook: 2 Kon 23:33; 2 Kon 25:21; Jer 21:7; Jer 34:21–22; Jer 38:23; Ezech 17:20–21 **25:7** De zonen van Zedekia slachtten zij voor zijn ogen. De ogen van Zedekia maakte hij blind. Hij bond hem met koperen ketenen en bracht hem naar Babel. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵי֙ (benei) = zonen van | צִדְקִיָּ֔הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | שָׁחֲט֖וּ (shachatu) = zij slachtten | לְעֵינָ֑יו (leeinav) = voor zijn ogen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵינֵ֤י (einei) = ogen van | צִדְקִיָּ֨הוּ֙ (tsidqiyahu) = Zedekia | עִוֵּ֔ר (iver) = hij maakte blind | וַיַּאַסְרֵ֨הוּ֙ (vayaasrehu) = en hij bond hem | בַֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם (banchushtayim) = met koperen ketenen | וַיְבִאֵ֖הוּ (vayviehu) = en hij bracht hem | בָּבֶֽל (bavel) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord bij ‘maakte blind’ en de twee werkwoorden daarna staan in het enkelvoud: ‘hij’. Wij nemen aan dat dit de koning van Babel is. Voetnoot : נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘koperen ketenen’: de vorm is een tweetal, ‘dubbel koper’. Wij vertalen ‘koperen ketenen’. Zie ook: Gen 44:34; Re 16:21; 2 Kron 33:11; 2 Kron 36:6; Jer 32:4–5 ### De verwoesting van de stad en de tempel **25:8** In de vijfde maand, op de zevende van de maand, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem. Hij was de bevelhebber van de lijfwacht, een dienaar van de koning van Babel. Dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnezar, de koning van Babel. Brontekst: וּבַחֹ֤דֶשׁ (uvachodesh) = en in de maand | הַֽחֲמִישִׁי֙ (hachamishi) = de vijfde | בְּשִׁבְעָ֣ה (beshiva) = op de zevende | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הִ֗יא (hi) = dat | שְׁנַת֙ (shenat) = jaar van | תְּשַֽׁע (tesha) = negen | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = van de koning | נְבֻכַדְנֶאצַּ֣ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | בָּ֞א (ba) = kwam | נְבוּזַרְאֲדָ֧ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֛ים (tabachim) = de lijfwacht | עֶ֥בֶד (eved) = dienaar van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: רַב טַבָּחִים (rav tabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘oversten van de slachters’, de leider van de koninklijke lijfwacht. Wij vertalen zoals in Gen. 37:36. Voetnoot : De zevende dag van de vijfde maand staat zo in de Masoretische tekst. In Jer. 52:12 staat de tiende dag. Zie ook: Gen 37:36; 2 Kon 24:12; 2 Kon 25:27; Jer 39:8–14; Jer 52:12–16; Klaagl 4:12 **25:9** Hij verbrandde het huis van Yahweh, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ook elk groot huis verbrandde hij met vuur. Brontekst: וַיִּשְׂרֹ֥ף (vayisrof) = en hij verbrandde | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | בָּתֵּ֧י (batei) = huizen van | יְרוּשָׁלִַ֛ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = elk | בֵּ֥ית (beit) = huis | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | שָׂרַ֥ף (saraf) = hij verbrandde | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘Het huis van Yahweh’ is de tempel die Salomo bouwde (1 Kon. 6; 8). ‘Het huis van de koning’ is het paleis (1 Kon. 7:1–12). Zie ook: Ps 74:3–7; 1 Kon 7:1–12; 1 Kon 9:8; 2 Kron 36:19; Amos 2:5; Mi 3:12 **25:10** Heel het leger van de Chaldeeën dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak de muren van Jeruzalem rondom af. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | חוֹמֹ֥ת (chomot) = muren van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | נָֽתְצוּ֙ (natetsu) = braken af | כָּל (kal) = heel | חֵ֣יל (cheil) = leger van | כַּשְׂדִּ֔ים (kasdim) = Chaldeeën | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִֽים (tabachim) = de lijfwacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jer 5:10; Jer 39:8; Jer 52:14–23; Neh 1:3 **25:11** Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de rest van het volk weg dat in de stad was achtergebleven. Ook voerde hij de overlopers weg die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | יֶ֨תֶר (yeter) = de rest van | הָעָ֜ם (haam) = het volk | הַנִּשְׁאָרִ֣ים (hanisharim) = de achterblijvers | בָּעִ֗יר (bair) = in de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנֹּֽפְלִים֙ (hanofelim) = de overlopers | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָפְלוּ֙ (nafelu) = liepen over | עַל (al) = naar | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | יֶ֣תֶר (yeter) = de rest van | הֶהָמ֑וֹן (hehamon) = de menigte | הֶגְלָ֕ה (hegla) = voerde weg | נְבוּזַרְאֲדָ֖ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִֽים (tabachim) = de lijfwacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הַנֹּפְלִים (hannofelim), ‘overlopers’: letterlijk ‘de gevallenen die gevallen zijn naar de koning van Babel’. Dat zijn mensen die zich bij de koning van Babel hadden gevoegd. Zie ook: Jer 15:1–2; Jer 39:9; Jer 52:12; Ezech 12:15–16; Ezech 22:15–16 **25:12** Van de armsten van het land liet de bevelhebber van de lijfwacht een deel achter, als wijngaardeniers en als akkerbouwers. Brontekst: וּמִדַּלַּ֣ת (umidalat) = en uit de armsten van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | הִשְׁאִ֖יר (hishir) = liet achter | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֑ים (tabachim) = de lijfwacht | לְכֹֽרְמִ֖ים (lekhoremim) = als wijngaardeniers | וּלְיֹגְבִֽים (uleyogevim) = en als akkerbouwers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּרְמִים (kormim), ‘wijngaardeniers’, en יֹגְבִים (yogvim), ‘akkerbouwers’: de betekenis van het tweede woord is niet zeker. Uit de samenhang gaat het om mensen die het land bewerken. Zie ook: 2 Kon 24:14; Jer 39:10; Jer 40:7; Jer 52:16; Ezech 33:24 ### De voorwerpen van de tempel **25:13** De Chaldeeën braken de koperen pilaren, die bij het huis van Yahweh stonden, in stukken. Ook de onderstellen en de koperen zee, die in het huis van Yahweh stond, braken zij in stukken. Zij namen het koper daarvan mee naar Babel. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּוּדֵ֨י (amudei) = pilaren van | הַנְּחֹ֜שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּכֹנ֞וֹת (hamekhonot) = de onderstellen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יָ֧ם (yam) = zee van | הַנְּחֹ֛שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שִׁבְּר֣וּ (shiberu) = braken | כַשְׂדִּ֑ים (kasdim) = Chaldeeën | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | נְחֻשְׁתָּ֖ם (nechushtam) = hun koper | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De pilaren (1 Kon. 7:15–22), de onderstellen (1 Kon. 7:27–37) en de zee (1 Kon. 7:23–26) maakte Hiram voor Salomo. Zie ook: 1 Kon 7:15; 1 Kon 7:23–26; 1 Kon 7:27–37; 2 Kon 20:17; 2 Kron 36:18; Jer 52:17–20; Klaagl 1:10 **25:14** Ook de potten, de scheppen, de snuitscharen, de schalen en alle koperen voorwerpen waarmee zij dienst deden, namen zij mee. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסִּירֹ֨ת (hasirot) = de potten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּעִ֜ים (hayaim) = de scheppen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽמְזַמְּר֣וֹת (hamzamerot) = de snuitscharen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּפּ֗וֹת (hakapot) = de schalen | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֧י (kelei) = voorwerpen van | הַנְּחֹ֛שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יְשָֽׁרְתוּ (yesharetu) = zij deden dienst | בָ֖ם (bam) = daarmee | לָקָֽחוּ (laqachu) = zij namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie voor deze voorwerpen 1 Kon. 7:40, 45 en 50. Potten, scheppen en sprengschalen stonden al bij het koperen altaar (Exod. 27:3). Zie ook: Ex 27:3; Ex 38:3; 1 Kon 7:40; 1 Kon 7:47–50; 2 Kron 4:20–22; 2 Kron 24:14 **25:15** Ook de vuurpannen en de sprengschalen nam de bevelhebber van de lijfwacht mee: wat geheel van goud was en wat geheel van zilver was. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּחְתּוֹת֙ (hamachtot) = de vuurpannen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְרָק֗וֹת (hamizraqot) = de sprengschalen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | זָהָב֙ (zahav) = goud | זָהָ֔ב (zahav) = geheel | וַאֲשֶׁר (vaasher) = en die | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | כָּ֑סֶף (kasef) = geheel | לָקַ֖ח (laqach) = nam | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִֽים (tabachim) = de lijfwacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De herhaling ‘goud, goud’ en ‘zilver, zilver’ benadrukt dat het voorwerp helemaal van dat metaal was. Wij vertalen ‘geheel van goud’ en ‘geheel van zilver’. Voetnoot : מַחְתּוֹת (machtot), ‘vuurpannen’, en מִזְרָקוֹת (mizraqot), ‘sprengschalen’: zie 1 Kon. 7:50. Zie ook: Ex 37:23; Num 7:13–14; 1 Kon 7:48–51; 1 Kon 7:50; 2 Kron 24:14; Dan 5:2–3 **25:16** Salomo had voor het huis van Yahweh de twee pilaren, de ene zee en de onderstellen gemaakt. Het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen. Brontekst: הָעַמּוּדִ֣ים (haamudim) = de pilaren | שְׁנַ֗יִם (shenayim) = twee | הַיָּ֤ם (hayam) = de zee | הָֽאֶחָד֙ (haechad) = de ene | וְהַמְּכֹנ֔וֹת (vehamekhonot) = en de onderstellen | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | הָיָ֣ה (haya) = was | מִשְׁקָ֔ל (mishqal) = gewicht | לִנְחֹ֖שֶׁת (linchoshet) = voor het koper van | כָּל (kal) = alle | הַכֵּלִ֥ים (hakelim) = de voorwerpen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het koper was niet te wegen’: zo ook 1 Kon. 7:47. Het was te veel om te wegen. Zie ook: 1 Kon 7:47 **25:17** De ene pilaar was 18 el hoog. Het kapiteel erop was van koper. Het kapiteel was 3 el hoog. Rondom het kapiteel zaten een netwerk en granaatappels. Alles was van koper. Zo was ook de tweede pilaar, met het netwerk. Brontekst: שְׁמֹנֶה֩ (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֨ה (esre) = tien | אַמָּ֜ה (ama) = el | קוֹמַ֣ת (qomat) = hoogte van | הָעַמּ֣וּד (haamud) = de pilaar | הָאֶחָ֗ד (haechad) = de ene | וְכֹתֶ֨רֶת (vekhoteret) = en kapiteel van | עָלָ֥יו (alav) = erop | נְחֹשֶׁת֮ (nechoshet) = koper | וְקוֹמַ֣ת (veqomat) = en hoogte van | הַכֹּתֶרֶת֮ (hakoteret) = het kapiteel | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | אַמּוֹת֒ (amot) = el | וּשְׂבָכָ֨ה (usevakha) = en netwerk | וְרִמֹּנִ֧ים (verimonim) = en granaatappels | עַֽל (al) = op | הַכֹּתֶ֛רֶת (hakoteret) = het kapiteel | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | הַכֹּ֣ל (hakol) = alles | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וְכָאֵ֛לֶּה (vekhaele) = en zoals deze | לַֽעַמּ֥וּד (laamud) = voor de pilaar | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | עַל (al) = op | הַשְּׂבָכָֽה (hasevakha) = het netwerk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De pilaar was 18 el hoog (zoals 1 Kon. 7:15). Het kapiteel is hier 3 el hoog; in 1 Kon. 7:16 is het 5 el. Wij laten beide getallen staan. In Jer. 52:22 staat ook 5 el. Een el is ongeveer 45 cm: 18 el is ongeveer 8 meter, 3 el ongeveer 1,35 meter. Voetnoot Lezing: Bij ‘3 el’ heeft het geschreven woord (ketiv) het enkelvoud אמה, het qere het meervoud אַמּוֹת. De betekenis is gelijk. Zie ook: 1 Kon 7:15–22; 1 Kon 7:16; Jer 52:21–23; Jer 52:22 ### De leiders worden naar Ribla gebracht **25:18** De bevelhebber van de lijfwacht nam Seraja gevangen, de hoofdpriester, en Sefanja, de tweede priester, en de drie bewakers van de drempel. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֗ים (tabachim) = de lijfwacht | אֶת (et) = (obj.) | שְׂרָיָה֙ (seraya) = Seraja | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צְפַנְיָ֖הוּ (tsefanyahu) = Sefanja | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester | מִשְׁנֶ֑ה (mishne) = tweede | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁלֹ֖שֶׁת (sheloshet) = drie | שֹׁמְרֵ֥י (shomerei) = bewakers van | הַסַּֽף (hasaf) = de drempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘hoofdpriester’: letterlijk ‘priester van het hoofd’. Het is waarschijnlijk dezelfde functie als de ‘hogepriester’ in 2 Kon. 22:4. Seraja was de vader van Jehozadak, die in ballingschap ging (1 Kron. 5:40–41). Voetnoot : כֹּהֵן מִשְׁנֶה (kohen mishneh), ‘tweede priester’: de plaatsvervanger van de hoofdpriester. Voetnoot : שֹׁמְרֵי הַסַּף (shomrei hasaf), ‘bewakers van de drempel’: zie ook 2 Kon. 22:4. Zie ook: 1 Kron 5:40; 2 Kon 22:4; Jer 21:1; Jer 29:25; Jer 52:24; Ezra 7:1 **25:19** Uit de stad nam hij een hofdienaar, die bevelhebber was over de krijgsmannen. Hij nam ook vijf mannen die het gezicht van de koning zagen en die in de stad gevonden werden. Hij nam ook de schrijver van de legeroverste. Die riep het volk van het land voor het leger op. Ook nam hij 60 man van het volk van het land die in de stad gevonden werden. Brontekst: וּמִן (umin) = en uit | הָעִ֡יר (hair) = de stad | לָקַח֩ (laqach) = hij nam | סָרִ֨יס (saris) = hofdienaar | אֶחָ֜ד (echad) = één | אֲֽשֶׁר (asher) = die | ה֥וּא (hu) = hij | פָקִ֣יד (paqid) = bevelhebber | עַל (al) = over | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֗ה (hamilchama) = de oorlog | וַחֲמִשָּׁ֨ה (vachamisha) = en vijf | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | מֵרֹאֵ֤י (meroei) = die zien | פְנֵֽי (penei) = het gezicht van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִמְצְא֣וּ (nimtseu) = werden gevonden | בָעִ֔יר (bair) = in de stad | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | הַסֹּפֵר֙ (hasofer) = de schrijver | שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַצָּבָ֔א (hatsava) = het leger | הַמַּצְבִּ֖א (hamatsbi) = die opriep | אֶת (et) = (obj.) | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְשִׁשִּׁ֥ים (veshishim) = en zestig | אִישׁ֙ (ish) = man | מֵעַ֣ם (meam) = uit het volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | הַֽנִּמְצְאִ֖ים (hanimtseim) = die gevonden werden | בָּעִֽיר (bair) = in de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאֵי פְנֵי הַמֶּלֶךְ (roei penei hamelekh), ‘die het gezicht van de koning zagen’: de mannen die tot de naaste omgeving van de koning hoorden en toegang tot hem hadden. Voetnoot : הַסֹּפֵר שַׂר הַצָּבָא (hasofer sar hatsava): ‘de schrijver van de legeroverste’ of ‘de schrijver, de legeroverste’. Wij volgen de eerste lezing. Hij riep het volk van het land op voor het leger. Voetnoot : In Jer. 52:25 staat een ander getal dan ‘vijf’. Zie ook: Jer 52:25; Est 1:14 **25:20** Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel, naar Ribla. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | אֹתָ֔ם (otam) = hen | נְבוּזַרְאֲדָ֖ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֑ים (tabachim) = de lijfwacht | וַיֹּ֧לֶךְ (vayolekh) = en hij leidde | אֹתָ֛ם (otam) = hen | עַל (al) = naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | רִבְלָֽתָה (rivlata) = naar Ribla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh. Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier. Zie ook: 2 Kon 23:33; Jer 52:26–27; Klaagl 4:16 **25:21** De koning van Babel sloeg hen neer en doodde hen in Ribla, in het land Chamat. En Juda werd van zijn grond weggevoerd. Brontekst: וַיַּ֣ךְ (vayakh) = en hij sloeg | אֹתָם֩ (otam) = hen | מֶ֨לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֧ל (bavel) = Babel | וַיְמִיתֵ֛ם (vaymitem) = en hij doodde hen | בְּרִבְלָ֖ה (berivla) = in Ribla | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | וַיִּ֥גֶל (vayigel) = en werd weggevoerd | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | מֵעַ֥ל (meal) = van op | אַדְמָתֽוֹ (admato) = zijn grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Ribla lag in het gebied van Chamat (vers 6). Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: ‘Juda werd van zijn grond weggevoerd’: dezelfde woorden staan in 2 Kon. 17:23 over Israël. Zie ook: Deut 4:26; Deut 28:64; 2 Kon 17:23; 2 Kon 23:27; 2 Kon 25:6; Jer 25:9–11; Ezech 12:25–28 ### Gedalja wordt aangesteld **25:22** Het volk dat in het land Juda was overgebleven, had Nebukadnezar, de koning van Babel, laten blijven. Over hen stelde hij Gedalja aan, de zoon van Achikam, de zoon van Safan. Brontekst: וְהָעָ֗ם (vehaam) = en het volk | הַנִּשְׁאָר֙ (hanishar) = dat overbleef | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִשְׁאִ֔יר (hishir) = liet overblijven | נְבֽוּכַדְנֶאצַּ֖ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | וַיַּפְקֵ֣ד (vayafqed) = en hij stelde aan | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֥ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָֽן (shafan) = Safan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Gedalja was de zoon van Achikam, de zoon van Safan. Achikam en Safan komen voor in 2 Kon. 22:3 en 22:12 (de tijd van Josia). Zie ook: 2 Kon 22:3; 2 Kon 22:12; 2 Kron 34:20; Jer 26:24; Jer 39:14; Jer 41:2 **25:23** Alle legeroversten, zij en hun mannen, hoorden dat de koning van Babel Gedalja had aangesteld. Zij kwamen naar Gedalja in Mizpa: Jisjmaël, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet, de Netofatiet, en Jaäzanja, de zoon van de Maächatiet, zij en hun mannen. Brontekst: וַיִּשְׁמְעוּ֩ (vayishmeu) = en zij hoorden | כָל (kal) = alle | שָׂרֵ֨י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֜ים (hachayalim) = de troepen | הֵ֣מָּה (hema) = zij | וְהָאֲנָשִׁ֗ים (vehaanashim) = en de mannen | כִּֽי (ki) = dat | הִפְקִ֤יד (hifqid) = had aangesteld | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֔הוּ (gedalyahu) = Gedalja | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | הַמִּצְפָּ֑ה (hamitspa) = naar Mizpa | וְיִשְׁמָעֵ֣אל (veyishmael) = en Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֡ה (netanya) = Netanja | וְיוֹחָנָ֣ן (veyochanan) = en Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָ֠רֵחַ (qareach) = Kareach | וּשְׂרָיָ֨ה (useraya) = en Seraja | בֶן (ben) = zoon van | תַּנְחֻ֜מֶת (tanchumet) = Tanchumet | הַנְּטֹפָתִ֗י (hanetofati) = de Netofatiet | וְיַֽאֲזַנְיָ֨הוּ֙ (veyaazanyahu) = en Jaäzanja | בֶּן (ben) = zoon van | הַמַּ֣עֲכָתִ֔י (hamaakhati) = de Maächatiet | הֵ֖מָּה (hema) = zij | וְאַנְשֵׁיהֶֽם (veansheihem) = en hun mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa lag in het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem; vaak wordt gedacht aan Tell en-Nasbeh (Westelijke Jordaanoever). Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: יִשְׁמָעֵאל (yishmael), ‘Jisjmaël’: dezelfde letters als ‘Ismaël’, de zoon van Abraham. Wij schrijven hier ‘Jisjmaël’ om deze man van hem te onderscheiden. Zie Jer. 40:8–16 voor dezelfde lijst van namen. Zie ook: Joz 18:26; Jer 40:7–9; Jer 40:8–16; Jer 40:11–12 **25:24** Gedalja zwoer hun en hun mannen een eed. Hij zei tegen hen: „Wees niet bang voor de dienaren van de Chaldeeën. Blijf in het land en dien de koning van Babel. Dan zal het goed met jullie gaan.” Brontekst: וַיִּשָּׁבַ֨ע (vayishava) = en hij zwoer | לָהֶ֤ם (lahem) = aan hen | גְּדַלְיָ֨הוּ֙ (gedalyahu) = Gedalja | וּלְאַנְשֵׁיהֶ֔ם (uleansheihem) = en aan hun mannen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֖וּ (tireu) = wees bang | מֵעַבְדֵ֣י (meavdei) = voor de dienaren van | הַכַּשְׂדִּ֑ים (hakasdim) = de Chaldeeën | שְׁב֣וּ (shevu) = blijf | בָאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | וְעִבְד֛וּ (veivdu) = en dien | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וְיִטַ֥ב (veyitav) = en het zal goed zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: עַבְדֵי הַכַּשְׂדִּים (avdei hakasdim), ‘dienaren van de Chaldeeën’: de ambtenaren van de koning van Babel in het land. Zie ook: 2 Sam 14:11; 2 Sam 19:24; Jer 40:9–10; Jer 43:6; Ezech 33:24–29 ### De moord op Gedalja **25:25** In de zevende maand kwam Jisjmaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisjama, uit het koninklijk nageslacht, met tien man. Zij sloegen Gedalja neer en hij stierf. Ook de Judeeërs en de Chaldeeën die bij hem in Mizpa waren, sloegen zij neer. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | בָּ֣א (ba) = kwam | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְ֠תַנְיָה (netanya) = Netanja | בֶּן (ben) = zoon van | אֱלִ֨ישָׁמָ֜ע (elishama) = Elisjama | מִזֶּ֣רַע (mizera) = uit het nageslacht van | הַמְּלוּכָ֗ה (hamelukha) = het koningschap | וַעֲשָׂרָ֤ה (vaasara) = en tien | אֲנָשִׁים֙ (anashim) = mannen | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en hij stierf | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיְּהוּדִים֙ (hayehudim) = de Judeeërs | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | אֲשֶׁר (asher) = die | הָי֥וּ (hayu) = waren | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בַּמִּצְפָּֽה (bamitspa) = in Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: מִזֶּרַע הַמְּלוּכָה (mizzera hamelukhah), ‘uit het koninklijk nageslacht’: Jisjmaël stamde uit het koningshuis van David. Zie Jer. 41:1–3. Voetnoot : הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: de mensen uit Juda. In de tekst gaat het om degenen die bij Gedalja waren. Zie ook: 2 Kon 11:1; Jer 40:15–41:15; Jer 41:1–3; Zach 7:5; Zach 8:19 **25:26** Heel het volk stond op, van klein tot groot, met de legeroversten. Zij gingen naar Egypte, want zij waren bang voor de Chaldeeën. Brontekst: וַיָּקֻ֨מוּ (vayaqumu) = en zij stonden op | כָל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | מִקָּטֹ֤ן (miqaton) = van klein | וְעַד (vead) = en tot | גָּדוֹל֙ (gadol) = groot | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en oversten van | הַחֲיָלִ֔ים (hachayalim) = de troepen | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij gingen | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֥י (ki) = want | יָרְא֖וּ (yareu) = zij waren bang | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | כַשְׂדִּֽים (kasdim) = Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Zie Deut. 28:68 voor een woord van Yahweh over een terugkeer naar Egypte. Zie ook: Deut 28:68; Jer 41:16–18; Jer 42:14–22; Jer 43:4–7 ### Jojachin wordt vrijgelaten **25:27** Het was in het 37e jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda. In de twaalfde maand, op de 27e van de maand, verhief Evil-Merodach, de koning van Babel, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda. Hij haalde hem uit de gevangenis. Dat was in het jaar waarin hij koning werd. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | בִשְׁלֹשִׁ֨ים (bishloshim) = in dertig | וָשֶׁ֜בַע (vasheva) = en zeven | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | לְגָלוּת֙ (legalut) = van de ballingschap van | יְהוֹיָכִ֣ין (yehoyakhin) = Jojachin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | בִּשְׁנֵ֤ים (bishneim) = in twee | עָשָׂר֙ (asar) = tien | חֹ֔דֶשׁ (chodesh) = maand | בְּעֶשְׂרִ֥ים (beesrim) = op twintig | וְשִׁבְעָ֖ה (veshiva) = en zeven | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | נָשָׂ֡א (nasa) = verhief | אֱוִ֣יל (evil) = Evil | מְרֹדַךְ֩ (merodakh) = Merodach | מֶ֨לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | מָלְכ֗וֹ (malekho) = zijn koningschap | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֛אשׁ (rosh) = het hoofd van | יְהוֹיָכִ֥ין (yehoyakhin) = Jojachin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | כֶּֽלֶא (kele) = de gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נָשָׂא אֶת־רֹאשׁ (nasa et rosh), ‘het hoofd verheffen’: iemand uit de gevangenis halen en eer bewijzen. Het staat ook in Gen. 40:13 en 40:20. Voetnoot : בִּשְׁנַת מָלְכוֹ (bishnat malkho), ‘in het jaar van zijn koningschap’: wij vertalen ‘in het jaar waarin hij koning werd’. Voetnoot : Zie voor deze afsluiting ook Jer. 52:31–34. Daar staat een andere dag van de maand. Zie ook: Gen 40:13; Gen 40:20; Spr 21:1; 2 Kon 24:12; Jer 52:31–34 **25:28** Hij sprak vriendelijk met hem. Hij plaatste zijn troon boven de troon van de koningen die bij hem in Babel waren. Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | טֹב֑וֹת (tovot) = goede dingen | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en hij plaatste | אֶת (et) = (obj.) | כִּסְא֔וֹ (kiso) = zijn troon | מֵעַ֗ל (meal) = boven | כִּסֵּ֧א (kise) = de troon van | הַמְּלָכִ֛ים (hamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בְּבָבֶֽל (bevavel) = in Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: טֹבוֹת (tovot), ‘goede dingen’: vriendelijke woorden. Zie ook: Jer 27:6–11; Dan 2:37; Dan 5:18–19 **25:29** Jojachin verwisselde zijn gevangeniskleren. Hij at voortdurend brood voor het aangezicht van de koning, alle dagen van zijn leven. Brontekst: וְשִׁנָּ֕א (veshina) = en hij verwisselde | אֵ֖ת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֣י (bigdei) = kleren van | כִלְא֑וֹ (kilo) = zijn gevangenis | וְאָכַ֨ל (veakhal) = en hij at | לֶ֧חֶם (lechem) = brood | תָּמִ֛יד (tamid) = voortdurend | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיָּֽיו (chayav) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat alleen ‘hij’. Wij schrijven ‘Jojachin’ voor de duidelijkheid, omdat het vorige vers over de koning van Babel gaat. Ook ‘de koning’ bij ‘aangezicht’ is onze verduidelijking: er staat ‘voor zijn aangezicht’. Zie ook: Gen 41:42; 2 Sam 9:7; 2 Kon 24:12; Jes 61:3; Est 4:4 **25:30** Zijn toelage, een voortdurende toelage, werd hem door de koning gegeven: elke dag het deel van die dag, alle dagen van zijn leven. Brontekst: וַאֲרֻחָת֗וֹ (vaaruchato) = en zijn toelage | אֲרֻחַ֨ת (aruchat) = toelage van | תָּמִ֧יד (tamid) = voortdurend | נִתְּנָה (nitena) = werd gegeven | לּ֛וֹ (lo) = aan hem | מֵאֵ֥ת (meet) = van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | דְּבַר (devar) = het deel van | י֣וֹם (yom) = de dag | בְּיוֹמ֑וֹ (beyomo) = op zijn dag | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיָּֽו (chayav) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרֻחָה (aruchah), ‘toelage’: een vaste hoeveelheid voedsel of onderhoud. Zie 1 Kron. 3:17–24 voor de nakomelingen van Jojachin. Zie ook: 1 Kron 3:17–24; Dan 1:5; Neh 11:23; Neh 12:47; Mat 6:11; Luc 11:3