# 2 Kronieken (דברי הימים ב, Divrei haYamim II) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## 2 Kronieken 1 _Salomo vraagt om wijsheid_ ### Salomo wordt sterk **1:1** Salomo, de zoon van David, werd sterk in zijn koningschap. Yahweh, zijn Elohim, was met hem en maakte hem zeer groot. Brontekst: וַיִּתְחַזֵּ֛ק (vayitchazeq) = en werd sterk | שְׁלֹמֹ֥ה (shelomo) = Salomo | בֶן (ben) = zoon van | דָּוִ֖יד (david) = David | עַל (al) = over | מַלְכוּת֑וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | וַיהוָ֤ה (vaYahweh) = en Yahweh | אֱלֹהָיו֙ (elohav) = zijn Elohim | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וַֽיְגַדְּלֵ֖הוּ (vaygadelehu) = en maakte hem groot | לְמָֽעְלָה (lemaela) = in hoge mate Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹמֹה (Shelomoh), ‘Salomo’: 2 Kronieken begint met de regering van Salomo. Het verhaal loopt parallel met 1 Kon. 3–10. Wij houden de vorm van Kronieken aan en noemen de afwijkingen in de voetnoten. Voetnoot : וַיְגַדְּלֵהוּ לְמָעְלָה (wayegaddelehu lema’lah), ‘en maakte hem groot in hoge mate’: letterlijk ‘groot naar boven’. Zie ook: Gen 21:22; Gen 39:2; Ex 3:12; 1 Kron 29:25; 1 Kon 2:12 ### Salomo offert in Gibeon **1:2** Salomo sprak tot heel Israël: tot de oversten van duizend en van honderd, tot de rechters en tot elke leider in heel Israël, de hoofden van de vaderhuizen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en sprak | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | לְכָל (lekhal) = tot heel | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | לְשָׂרֵי֩ (lesarei) = tot de oversten van | הָאֲלָפִ֨ים (haalafim) = de duizenden | וְהַמֵּא֜וֹת (vehameot) = en de honderden | וְלַשֹּֽׁפְטִ֗ים (velashofetim) = en tot de rechters | וּלְכֹ֛ל (ulekhol) = en tot elke | נָשִׂ֥יא (nasi) = leider | לְכָל (lekhal) = in heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | הָאָבֽוֹת (haavot) = de vaderhuizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרֵי הָאֲלָפִים וְהַמֵּאוֹת (sare ha’alafim wehamme’ot), ‘de oversten van de duizenden en de honderden’: de bevelhebbers over groepen van duizend en van honderd. Vergelijk 1 Kron. 28:1. Zie ook: 1 Kron 13:1; 1 Kron 15:3; 1 Kron 24:31; 1 Kron 27:1; 1 Kron 28:1 **1:3** Toen gingen Salomo en heel de vergadering met hem naar de hoogte die in Gibeon was. Want daar stond de tent van samenkomst van Elohim, die Mozes, de dienaar van Yahweh, in de woestijn had gemaakt. Brontekst: וַיֵּלְכ֗וּ (vayelekhu) = en gingen | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | וְכָל (vekhal) = en heel | הַקָּהָ֣ל (haqahal) = de vergadering | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | לַבָּמָ֖ה (labama) = naar de hoogte | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּגִבְע֑וֹן (begivon) = in Gibeon | כִּי (ki) = want | שָׁ֣ם (sham) = daar | הָיָ֗ה (haya) = was | אֹ֤הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵד֙ (moed) = samenkomst | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = van Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֛ה (asa) = maakte | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon (גִּבְעוֹן) is waarschijnlijk el-Jib, ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Hier stond de tabernakel van Mozes met het koperen altaar (vers 5–6). Zie ook 1 Kron. 16:39 en 21:29. Voetnoot Uitleg: בָּמָה (bamah), ‘hoogte’: een offerplaats op een verhoging. Wij vertalen bamot met ‘hoogten’. De tent van samenkomst is de tabernakel uit Exod. 26 en 40; Mozes heeft die ‘in de woestijn’ gemaakt (Exod. 35–40). Voetnoot : Het verhaal loopt parallel met 1 Kon. 3:4. Zie ook: Ex 26:1–37; Deut 34:5; 1 Kron 16:39; 1 Kron 21:29; 1 Kon 3:4–15; 2 Kron 1:5–6 **1:4** De ark van Elohim had David wel uit Kirjat-Jearim omhoog gebracht, naar de plaats die David voor haar had klaargemaakt. Want hij had er in Jeruzalem een tent voor opgezet. Brontekst: אֲבָ֗ל (aval) = maar | אֲר֤וֹן (aron) = ark van | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | הֶעֱלָ֤ה (heela) = bracht omhoog | דָוִיד֙ (david) = David | מִקִּרְיַ֣ת (miqiryat) = uit Kirjat | יְעָרִ֔ים (yearim) = Jearim | בַּֽהֵכִ֥ין (bahekhin) = bij het klaarmaken | ל֖וֹ (lo) = voor haar | דָּוִ֑יד (david) = David | כִּ֧י (ki) = want | נָֽטָה (nata) = hij had opgezet | ל֛וֹ (lo) = voor haar | אֹ֖הֶל (ohel) = een tent | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Jearim (קִרְיַת יְעָרִים) lag ongeveer 15 km ten westen van Jeruzalem, waarschijnlijk bij het huidige Abu Gosh (Israël). Zie 1 Kron. 13:5–6. Voetnoot Uitleg: בַּהֵכִין לוֹ (bahekin lo), ‘bij het klaarmaken voor haar’: wij nemen dit als ‘naar de plaats die David voor haar had klaargemaakt’. Zie 1 Kron. 15:1–3. Het vers zet de ark in Jeruzalem tegenover de tabernakel in Gibeon. Zie ook: 2 Sam 6:2; 2 Sam 6:17; 1 Kron 13:5–6; 1 Kron 15:1; 1 Kron 15:25–28; 1 Kron 16:1 **1:5** Het koperen altaar dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, had gemaakt, had hij voor de tabernakel van Yahweh gezet. Salomo en de vergadering zochten het op. Brontekst: וּמִזְבַּ֣ח (umizbach) = en het altaar van | הַנְּחֹ֗שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עָשָׂה֙ (asa) = maakte | בְּצַלְאֵל֙ (betsalel) = Bezaleël | בֶּן (ben) = zoon van | אוּרִ֣י (uri) = Uri | בֶן (ben) = zoon van | ח֔וּר (chur) = Chur | שָׂ֕ם (sam) = hij had gezet | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = tabernakel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּדְרְשֵׁ֥הוּ (vayidreshehu) = en zocht het op | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | וְהַקָּהָֽל (vehaqahal) = en de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּצַלְאֵל (Bezal’el), ‘Bezaleël’: de ambachtsman van de tabernakel, zie Exod. 31:2 en 38:22. Uri en Chur: zie Exod. 31:2 en 1 Kron. 2:19–20. Voetnoot : מִשְׁכַּן יְהוָה (mishkan Yahweh), ‘tabernakel van Yahweh’: hetzelfde als de tent van samenkomst in vers 3. Voetnoot Lezing: שָׂם (sam), ‘hij had gezet’: het onderwerp is Bezaleël. Het achtervoegsel in וַיִּדְרְשֵׁהוּ (wayyidreshehu), ‘en zocht het op’, kan naar het altaar wijzen of naar Yahweh zelf (‘zochten Hem’). Wij nemen het als ‘het’ (het altaar). Sommige oude vertalingen lezen anders. Het is onzeker. Zie ook: Ex 27:1–8; Ex 31:2; Ex 38:1–7; Ex 38:22; 1 Kron 2:19–20; 1 Kron 13:3; 2 Kron 1:3 **1:6** Salomo offerde daar op het koperen altaar voor Yahweh, het altaar bij de tent van samenkomst. Hij bracht erop 1.000 brandoffers. Brontekst: וַיַּעַל֩ (vayaal) = en offerde | שְׁלֹמֹ֨ה (shelomo) = Salomo | שָׁ֜ם (sham) = daar | עַל (al) = op | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = altaar van | הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ (hanechoshet) = het koper | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לְאֹ֣הֶל (leohel) = bij de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַיַּ֧עַל (vayaal) = en bracht omhoog | עָלָ֛יו (alav) = erop | עֹל֖וֹת (olot) = brandoffers | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלָה (olah), ‘brandoffer’: zie Lev. 1. Duizend brandoffers (1.000) zijn een zeer groot aantal. Het verhaal loopt parallel met 1 Kon. 3:4. Zie ook: 1 Kron 29:21; 1 Kon 3:4; 1 Kon 8:63; Jes 40:16 ### Elohim verschijnt aan Salomo **1:7** In die nacht verscheen Elohim aan Salomo. Hij zei tegen hem: **„Vraag wat Ik je moet geven.”** Brontekst: בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֔וּא (hahu) = die | נִרְאָ֥ה (nira) = verscheen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לִשְׁלֹמֹ֑ה (lishlomo) = aan Salomo | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | שְׁאַ֖ל (sheal) = vraag | מָ֥ה (ma) = wat | אֶתֶּן (eten) = Ik zal geven | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 3:5 staat dat Yahweh in een droom aan Salomo verscheen. Hier staat alleen ‘Elohim’ en ‘in die nacht’. Wij zetten de woorden van Elohim rood, omdat Hij zelf spreekt (1:7, 1:11–12). Zie ook: Spr 3:5–6; 1 Kon 3:5–15; Mat 7:7–8; Joh 16:23; 1 Joh 5:14–15 **1:8** Salomo zei tegen Elohim: „U hebt grote trouw bewezen aan mijn vader David. U hebt mij koning gemaakt in zijn plaats. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tegen Elohim | אַתָּ֗ה (ata) = U | עָשִׂ֛יתָ (asita) = hebt gedaan | עִם (im) = met | דָּוִ֥יד (david) = David | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | חֶ֣סֶד (chesed) = trouw | גָּד֑וֹל (gadol) = grote | וְהִמְלַכְתַּ֖נִי (vehimlakhtani) = en U hebt mij koning gemaakt | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 7:8–9; 2 Sam 12:7–8; 2 Sam 22:51–23:1; 1 Kron 28:5; Jes 55:3 **1:9** Nu, Yahweh Elohim, laat Uw woord aan mijn vader David bevestigd worden. Want U hebt mij koning gemaakt over een volk zo talrijk als het stof van de aarde. Brontekst: עַתָּה֙ (ata) = nu | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | יֵֽאָמֵן֙ (yeamen) = laat bevestigd worden | דְּבָ֣רְךָ֔ (devarekha) = Uw woord | עִ֖ם (im) = met | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | כִּ֤י (ki) = want | אַתָּה֙ (ata) = U | הִמְלַכְתַּ֔נִי (himlakhtani) = hebt mij koning gemaakt | עַל (al) = over | עַ֕ם (am) = volk | רַ֖ב (rav) = talrijk | כַּעֲפַ֥ר (kaafar) = als het stof van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵאָמֵן דְּבָרְךָ (ye’amen dibarkha), ‘laat Uw woord bevestigd worden’: de belofte aan David, zie 2 Sam. 7:12–16 en 1 Kron. 17:11–14. Zie ook: Gen 13:16; Gen 22:17; 2 Sam 7:12–16; 1 Kron 17:11–14; Ps 89:36–38; Ps 132:11–12 **1:10** Geef mij nu wijsheid en kennis, zodat ik voor dit volk kan uitgaan en binnenkomen. Want wie kan dit grote volk van U recht spreken?” Brontekst: עַתָּ֗ה (ata) = nu | חָכְמָ֤ה (chakhema) = wijsheid | וּמַדָּע֙ (umada) = en kennis | תֶּן (ten) = geef | לִ֔י (li) = mij | וְאֵֽצְאָ֛ה (veetsea) = zodat ik uitga | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָֽעָם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | וְאָב֑וֹאָה (veavoa) = en binnenkom | כִּֽי (ki) = want | מִ֣י (mi) = wie | יִשְׁפֹּ֔ט (yishpot) = kan recht spreken | אֶת (et) = (obj.) | עַמְּךָ֥ (amekha) = Uw volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | הַגָּדֽוֹל (hagadol) = het grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Uitgaan en binnenkomen betekent: leven en leiden, de dagelijkse leiding van het volk. Vergelijk 1 Kon. 3:7. Zie ook: Spr 2:2–6; Spr 3:13–18; Spr 4:7; 1 Kon 3:7; 1 Kon 3:9; Jak 1:5 **1:11** Elohim zei tegen Salomo: **„Omdat dit in je hart was, en je geen rijkdom, bezittingen of eer hebt gevraagd, en ook niet de ziel van wie je haten, en ook geen lang leven hebt gevraagd, maar voor jezelf wijsheid en kennis hebt gevraagd om Mijn volk recht te spreken, waarover Ik je koning heb gemaakt,** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | לִשְׁלֹמֹ֡ה (lishlomo) = tegen Salomo | יַ֣עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | הָיְתָ֨ה (hayeta) = was | זֹ֜את (zot) = dit | עִם (im) = met | לְבָבֶ֗ךָ (levavekha) = je hart | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁ֠אַלְתָּ (shaalta) = je hebt gevraagd | עֹ֣שֶׁר (osher) = rijkdom | נְכָסִ֤ים (nekhasim) = bezittingen | וְכָבוֹד֙ (vekhavod) = en eer | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = ziel van | שֹׂנְאֶ֔יךָ (soneeikha) = wie je haten | וְגַם (vegam) = en ook | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁאָ֑לְתָּ (shaalta) = je hebt gevraagd | וַתִּֽשְׁאַל (vatishal) = en je vroeg | לְךָ֙ (lekha) = voor jezelf | חָכְמָ֣ה (chakhema) = wijsheid | וּמַדָּ֔ע (umada) = en kennis | אֲשֶׁ֤ר (asher) = opdat | תִּשְׁפּוֹט֙ (tishpot) = je recht zult spreken | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = over wie | הִמְלַכְתִּ֖יךָ (himlakhtikha) = Ik je koning heb gemaakt | עָלָֽיו (alav) = over hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: ‘de ziel van wie je haten’ betekent het leven van je vijanden. Zie 1 Kon. 3:11. Wij vertalen nefesh overal met ‘ziel’. Voetnoot : חָכְמָה וּמַדָּע (chokmah umadda), ‘wijsheid en kennis’: in 1 Kon. 3:9 vraagt Salomo om een ‘luisterend hart’. Hier vraagt hij om wijsheid en kennis. Voetnoot : Het vers is één lange zin die doorloopt in vers 12. Wij laten de zin zo staan. Zie ook: 1 Sam 16:7; Spr 23:7; 1 Kon 3:9; 1 Kon 3:11; 1 Kon 3:28; 2 Kron 1:12; Jak 3:13; Jak 3:17 **1:12** **de wijsheid en de kennis zijn je gegeven. Rijkdom, bezittingen en eer geef Ik je ook. Zo is het bij de koningen vóór jou niet geweest, en na jou zal het ook niet zo zijn.”** Brontekst: הַֽחָכְמָ֥ה (hachakhema) = de wijsheid | וְהַמַּדָּ֖ע (vehamada) = en de kennis | נָת֣וּן (natun) = zijn gegeven | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | וְעֹ֨שֶׁר (veosher) = en rijkdom | וּנְכָסִ֤ים (unekhasim) = en bezittingen | וְכָבוֹד֙ (vekhavod) = en eer | אֶתֶּן (eten) = Ik zal geven | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | אֲשֶׁ֣ר (asher) = zoals | לֹא (lo) = niet | הָ֣יָה (haya) = was | כֵ֗ן (ken) = zo | לַמְּלָכִים֙ (lamelakhim) = voor de koningen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = vóór jou | וְאַחֲרֶ֖יךָ (veachareikha) = en na jou | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 3:12–14. Dat Elohim ook rijkdom, bezittingen en eer geeft, staat in beide boeken. De voorwaarde van een lang leven (1 Kon. 3:14) laat Kronieken weg. Zie ook: 1 Kron 29:25; 1 Kon 3:12–14; 1 Kon 3:14; 2 Kron 9:22; Mat 6:33; Jak 1:5; Ef 3:20 ### Salomo terug in Jeruzalem **1:13** Salomo kwam van de hoogte in Gibeon, van voor de tent van samenkomst, naar Jeruzalem. Hij regeerde over Israël. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | שְׁלֹמֹ֜ה (shelomo) = Salomo | לַבָּמָ֤ה (labama) = naar de hoogte | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּגִבְעוֹן֙ (begivon) = in Gibeon | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִלִּפְנֵ֖י (milifnei) = van voor | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַיִּמְלֹ֖ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem lag in de bergen van Juda (Israël, Oost-Jeruzalem). Gibeon lag ongeveer 10 km ten noordwesten. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘en Salomo kwam naar de hoogte die in Gibeon is, Jeruzalem, van voor de tent van samenkomst’. De woorden zijn moeilijk. Wij lezen: ‘van de hoogte … naar Jeruzalem’. Sommige oude vertalingen lezen ook zo. Het is onzeker. Zie ook: 1 Kon 5:4–5; 2 Kron 1:3 ### De wagens, het zilver en de paarden **1:14** Salomo verzamelde wagens en ruiters. Hij had 1.400 wagens en 12.000 ruiters. Hij liet ze achter in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. Brontekst: וַיֶּאֱסֹ֣ף (vayeesof) = en verzamelde | שְׁלֹמֹה֮ (shelomo) = Salomo | רֶ֣כֶב (rekhev) = wagens | וּפָרָשִׁים֒ (ufarashim) = en ruiters | וַֽיְהִי (vayhi) = en er waren | ל֗וֹ (lo) = voor hem | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | רֶ֔כֶב (rekhev) = wagens | וּשְׁנֵים (usheneim) = en twee | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | פָּרָשִׁ֑ים (parashim) = ruiters | וַיַּנִּיחֵם֙ (vayanichem) = en hij liet ze rusten | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de wagens | וְעִם (veim) = en bij | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בִּירֽוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 10:26. De tekst is gelijk. Zie ook: 1 Kon 5:6; 1 Kon 9:19; 1 Kon 10:16; 1 Kon 10:26–29; 2 Kron 9:25 **1:15** De koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem zo gewoon als stenen. De cederbomen maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen in de Sefela. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֧סֶף (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָ֛ב (hazahav) = het goud | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | כָּאֲבָנִ֑ים (kaavanim) = als stenen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הָאֲרָזִ֗ים (haarazim) = de cederbomen | נָתַ֛ן (natan) = hij gaf | כַּשִּׁקְמִ֥ים (kashiqmim) = als wilde vijgenbomen | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּשְּׁפֵלָ֖ה (bashefela) = in de Sefela | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Sefela (שְׁפֵלָה) is het heuvelland tussen het bergland van Juda en de kustvlakte (Israël). Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: sycomoren. Vergelijk 1 Kon. 10:27. Zie ook: Job 22:24–25; 1 Kon 10:27; 2 Kron 1:12; 2 Kron 9:27; Jes 9:9; Jes 60:17 **1:16** De paarden van Salomo werden uit Egypte en uit Kewe gehaald. De kooplieden van de koning kochten ze in Kewe tegen betaling. Brontekst: וּמוֹצָ֧א (umotsa) = en uitvoer van | הַסּוּסִ֛ים (hasusim) = de paarden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לִשְׁלֹמֹ֖ה (lishlomo) = van Salomo | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וּמִקְוֵ֕א (umiqve) = en uit Kewe | סֹחֲרֵ֣י (socharei) = kooplieden van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִקְוֵ֥א (miqve) = uit Kewe | יִקְח֖וּ (yiqchu) = namen zij | בִּמְחִֽיר (bimchir) = voor een prijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kewe (קְוֵא / קוּה) is waarschijnlijk Cilicië, aan de zuidkust van het huidige Turkije. De ligging is onzeker. Egypte ligt in het zuidwesten van het bijbelse gebied. Voetnoot Lezing: Hier staat מִקְוֵא (miqwe). In 1 Kon. 10:28 staat מִקְוֵה (miqweh). Het kan ook ‘verzameling’ betekenen; dan kochten de kooplieden de paarden ‘in een groep’. Wij nemen een plaatsnaam, zoals in 1 Kon. 10:28. Zie ook: 1 Kon 10:28–29; 2 Kron 9:28 **1:17** Een wagen haalden zij uit Egypte voor 600 sikkel zilver en een paard voor 150. Zo voerden zij ze ook uit naar alle koningen van de Hethieten en de koningen van Aram: door hun handen. Brontekst: וַֽ֠יַּעֲלוּ (vayaalu) = en zij brachten omhoog | וַיּוֹצִ֨יאוּ (vayotsiu) = en haalden uit | מִמִּצְרַ֤יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | מֶרְכָּבָה֙ (merkava) = een wagen | בְּשֵׁ֣שׁ (beshesh) = voor zes | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וְס֖וּס (vesus) = en een paard | בַּחֲמִשִּׁ֣ים (bachamishim) = voor vijftig | וּמֵאָ֑ה (umea) = en honderd | וְ֠כֵן (vekhen) = en zo | לְכָל (lekhal) = voor alle | מַלְכֵ֧י (malkhei) = koningen van | הַֽחִתִּ֛ים (hachitim) = de Hethieten | וּמַלְכֵ֥י (umalkhei) = en koningen van | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | בְּיָדָ֥ם (beyadam) = door hun hand | יוֹצִֽיאוּ (yotsiu) = zij voerden uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zes honderd zilver’ en ‘honderd en vijftig’. Wij vullen ‘sikkel’ aan, zoals in 1 Kon. 10:29. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. 600 sikkel is ongeveer 6,8 kilogram zilver. Voetnoot : חִתִּים (chittim), ‘Hethieten’: hier waarschijnlijk de koninkrijken in Noord-Syrië en het gebied daarboven. De ligging is onzeker. Wij houden de spelling van 1 Kon. 10:29 aan. Zie ook: 1 Kon 10:29; 2 Kon 10:29 ### Salomo besluit te bouwen **1:18** Salomo zei dat hij een huis wilde bouwen voor de naam van Yahweh en een huis voor zijn koningschap. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֨יִת֙ (bayit) = een huis | לְשֵׁ֣ם (leshem) = voor de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּבַ֖יִת (uvayit) = en een huis | לְמַלְכוּתֽוֹ (lemalkhuto) = voor zijn koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Telling: in het Hebreeuws is dit vers 1:18. In de Nederlandse tellingen is dit 2 Kron. 2:1; Hebr. 2:1–17 is dan NL 2:2–18. De app zet de kruisverwijzingen zelf om. Voetnoot : בַּיִת (bayit), ‘huis’: het huis voor de naam van Yahweh is de tempel. Het ‘huis voor zijn koningschap’ is het koninklijk paleis (1 Kon. 7:1–12). Zie ook: Deut 12:5; Deut 12:11; 1 Kron 22:10; 1 Kon 5:19; 1 Kon 7:1; 2 Kron 1:1; 2 Kron 2:1; Heb 2:1–17 ## 2 Kronieken 2 _Salomo en Churam bereiden de bouw voor_ ### De arbeiders **2:1** Salomo telde 70.000 man als lastdrager en 80.000 man als steenhouwer in het gebergte. Over hen waren 3.600 opzichters. Brontekst: וַיִּסְפֹּ֨ר (vayispor) = en telde | שְׁלֹמֹ֜ה (shelomo) = Salomo | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | אִ֣ישׁ (ish) = man | סַבָּ֔ל (sabal) = lastdrager | וּשְׁמוֹנִ֥ים (ushemonim) = en tachtig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | חֹצֵ֣ב (chotsev) = houwer | בָּהָ֑ר (bahar) = in het gebergte | וּמְנַצְּחִ֣ים (umenatsechim) = en opzichters | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַבָּל (sabbal), ‘lastdrager’, en חֹצֵב (chotsev), ‘houwer’: wij vertalen ‘steenhouwer’, zoals in 1 Kon. 5:29. In het Hebreeuws staat hier ‘man lastdrager’ en ‘man houwer in het gebergte’. Voetnoot : מְנַצְּחִים (menatsechim), ‘opzichters’: zij hielden toezicht op het werk. Hier zijn het 3.600. In 1 Kon. 5:30 staan 3.300 oversten van de bestuurders. Wij houden elk getal aan zoals het staat. Voetnoot : Telling: Hebr. 2:1 is NL 2:2. Zie de voetnoot bij 1:18. Zie ook: 1 Kon 5:29–30; 1 Kon 5:30; 2 Kron 2:17; Heb 2:1 ### Salomo schrijft aan Churam **2:2** Salomo stuurde een boodschap naar Churam, de koning van Tyrus: „Zoals je met mijn vader David hebt gedaan, toen je hem ceders stuurde om een huis voor zichzelf te bouwen om in te wonen, … Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | אֶל (el) = naar | חוּרָ֥ם (churam) = Churam | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | צֹ֖ר (tsor) = Tyrus | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֨יתָ֙ (asita) = je deed | עִם (im) = met | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וַתִּֽשְׁלַֽח (vatishlach) = en je stuurde | ל֣וֹ (lo) = hem | אֲרָזִ֔ים (arazim) = ceders | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen | ל֥וֹ (lo) = voor zich | בַ֖יִת (bayit) = een huis | לָשֶׁ֥בֶת (lashevet) = om te wonen | בּֽוֹ (bo) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tyrus (צֹר) was een havenstad in Fenicië, aan de kust van de Middellandse Zee (nu Tyrus of Sur, Libanon). Zie ook 1 Kron. 14:1. Voetnoot Uitleg: חוּרָם (Churam), ‘Churam’: de koning van Tyrus. In 1 Kon. 5:15 heet hij Hiram. Wij houden de vorm van elk boek aan, zoals in 1 Kron. 14:1. Voetnoot : Het verzoek van Salomo loopt parallel met 1 Kon. 5:16–20. Daar staat meer over de oorlogen van David. Voetnoot Lezing: De zin is niet afgemaakt: ‘Zoals je met mijn vader David hebt gedaan … (doe zo ook voor mij)’ ontbreekt. Wij laten de zin open, met drie puntjes. Zie ook: 2 Sam 5:11; 1 Kron 14:1; 1 Kon 5:15–25; 1 Kon 5:16–20 **2:3** Zie, ik bouw een huis voor de naam van Yahweh, mijn Elohim. Ik wijd het aan Hem om voor Zijn aangezicht reukwerk van specerijen te branden. Het is voor de vaste rijen en voor de brandoffers, 's morgens en 's avonds. Het is ook voor de sabbatten, de nieuwe manen en de feesten van Yahweh, onze Elohim. Voor altijd rust dit op Israël. Brontekst: הִנֵּה֩ (hine) = zie | אֲנִ֨י (ani) = ik | בֽוֹנֶה (bone) = bouw | בַּ֜יִת (bayit) = een huis | לְשֵׁ֣ם (leshem) = voor de naam van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֗י (elohay) = mijn Elohim | לְהַקְדִּ֣ישׁ (lehaqdish) = om te wijden | ל֡וֹ (lo) = aan Hem | לְהַקְטִ֣יר (lehaqtir) = om te laten branden | לְפָנָ֣יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | קְטֹֽרֶת (qetoret) = reukwerk van | סַמִּים֩ (samim) = specerijen | וּמַעֲרֶ֨כֶת (umaarekhet) = en de rij | תָּמִ֤יד (tamid) = altijd | וְעֹלוֹת֙ (veolot) = en brandoffers | לַבֹּ֣קֶר (laboqer) = 's morgens | וְלָעֶ֔רֶב (velaerev) = en 's avonds | לַשַּׁבָּתוֹת֙ (lashabatot) = voor de sabbatten | וְלֶ֣חֳדָשִׁ֔ים (velechodashim) = en voor de nieuwe manen | וּֽלְמוֹעֲדֵ֖י (ulemoadei) = en voor de feesten van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor altijd | זֹ֥את (zot) = dit | עַל (al) = op | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְטֹרֶת סַמִּים (qetoret sammim), ‘reukwerk van specerijen’: het reukwerk van Exod. 30:34–38. Voetnoot : מַעֲרֶכֶת תָּמִיד (ma’arekhet tamid), ‘de vaste rijen’: de rijen toonbrood die steeds klaarliggen, zie Lev. 24:5–9. Het woord ‘toonbrood’ staat hier niet; wij vertalen letterlijk. Voetnoot : שַׁבָּתוֹת וְחֳדָשִׁים וּמוֹעֲדֵי יְהוָה (shabbatot wechodashim umo’adei Yahweh), ‘sabbatten, nieuwe manen en feesten van Yahweh’: zie Lev. 23 en Num. 28–29. Voetnoot : זֹאת עַל יִשְׂרָאֵל (zot al Yisra’el), ‘dit rust op Israël’: een blijvende plicht voor Israël. Voetnoot : הַקְטִיר (haqtir), ‘laten branden’: het laten opgaan in rook, van reukwerk en van offers. Zie ook: Ex 25:30; Ex 30:7; Ex 30:34–38; Lev 24:5–9; Num 28:1–29; 1 Kon 8:18; 2 Kron 1:18 **2:4** Het huis dat ik bouw, is groot. Want onze Elohim is groter dan alle goden. Brontekst: וְהַבַּ֛יִת (vehabayit) = en het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = ik | בוֹנֶ֖ה (bone) = bouw | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | כִּֽי (ki) = want | גָד֥וֹל (gadol) = groot | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | מִכָּל (mikal) = boven alle | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכָּל הָאֱלֹהִים (mikkol ha’elohim), ‘groter dan alle goden’: hier zijn de goden van de volken bedoeld. Vergelijk Exod. 18:11 en Ps. 135:5. Zie ook: Ex 15:11; Ex 18:11; 1 Kron 16:25; 1 Kron 29:1; Ps 135:5; 1 Tim 6:15 **2:5** Maar wie heeft de kracht om voor Hem een huis te bouwen? De hemel en de hemel van de hemelen kunnen Hem niet bevatten. Wie ben ik dan dat ik een huis voor Hem zou bouwen? Het is alleen om voor Zijn aangezicht reukwerk te branden. Brontekst: וּמִ֤י (umi) = en wie | יַעֲצָר (yaatsar) = houdt vast | כֹּ֨חַ֙ (koach) = kracht | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen | ל֣וֹ (lo) = voor Hem | בַ֔יִת (bayit) = een huis | כִּ֧י (ki) = want | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | וּשְׁמֵ֥י (ushemei) = en de hemel van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemelen | לֹ֣א (lo) = niet | יְכַלְכְּלֻ֑הוּ (yekhalkeluhu) = kunnen Hem bevatten | וּמִ֤י (umi) = en wie | אֲנִי֙ (ani) = ik | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֶבְנֶה (evne) = ik zou bouwen | לּ֣וֹ (lo) = voor Hem | בַ֔יִת (bayit) = een huis | כִּ֖י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | לְהַקְטִ֥יר (lehaqtir) = om te laten branden | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor Zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 8:27. ‘De hemel en de hemel van de hemelen’ betekent: het hele heelal. Zelfs dat kan Elohim niet bevatten. Voetnoot : הַקְטִיר (haqtir), ‘laten branden’: zie vers 3. Er staat geen voorwerp bij; wij vullen ‘reukwerk’ aan, naar vers 3. Zie ook: 2 Sam 7:18; 1 Kon 8:27; 2 Kron 2:3; 2 Kron 6:18; Jes 66:1; Hand 7:48–49 **2:6** Stuur mij nu een wijze man. Hij weet te werken in goud, zilver, koper en ijzer, in roodpurper, karmozijn en blauwpurper. Hij weet ook gravures te snijden. Hij werkt samen met de wijze mannen die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem. Mijn vader David heeft hen aangesteld. Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | שְֽׁלַֽח (shelach) = stuur | לִ֣י (li) = mij | אִישׁ (ish) = een man | חָכָ֡ם (chakham) = wijze | לַעֲשׂוֹת֩ (laasot) = om te werken | בַּזָּהָ֨ב (bazahav) = in goud | וּבַכֶּ֜סֶף (uvakesef) = en in zilver | וּבַנְּחֹ֣שֶׁת (uvanechoshet) = en in koper | וּבַבַּרְזֶ֗ל (uvabarzel) = en in ijzer | וּבָֽאַרְגְּוָן֙ (uvaargevan) = en in roodpurper | וְכַרְמִ֣יל (vekharmil) = en karmozijn | וּתְכֵ֔לֶת (utekhelet) = en blauwpurper | וְיֹדֵ֖עַ (veyodea) = en wetend | לְפַתֵּ֣חַ (lefateach) = om te snijden | פִּתּוּחִ֑ים (pituchim) = gravures | עִם (im) = met | הַֽחֲכָמִ֗ים (hachakhamim) = de wijzen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עִמִּי֙ (imi) = bij mij | בִּֽיהוּדָ֣ה (bihuda) = in Juda | וּבִֽירוּשָׁלִַ֔ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֵכִ֖ין (hekhin) = stelde aan | דָּוִ֥יד (david) = David | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אַרְגְּוָן (argewan), ‘roodpurper’: een andere spelling van אַרְגָּמָן (argaman), dat in vers 13 staat. כַּרְמִיל (karmil), ‘karmozijn’. תְּכֵלֶת (tekhelet), ‘blauwpurper’. Zo vertalen wij deze kleuren ook in Exod. 26. Voetnoot : פִּתּוּחִים (pittuchim), ‘gravures’: gesneden of gegraveerde figuren. Voetnoot : בִּיהוּדָה וּבִירוּשָׁלִַם (bihudah ubirushalayim), ‘in Juda en in Jeruzalem’: de vakmensen die David al had aangesteld. Vergelijk 1 Kron. 22:15. Zie ook: Ex 31:3–5; 1 Kron 22:15–16; 2 Kron 2:12–13; 2 Kron 2:13; Jes 28:29; Jes 60:10 **2:7** Stuur mij ook cederhout, cypressenhout en almoeghout uit de Libanon. Want ik weet dat jouw dienaren weten hoe je hout van de Libanon kapt. Zie, mijn dienaren zullen bij jouw dienaren zijn. Brontekst: וּֽשְׁלַֽח (ushelach) = en stuur | לִי֩ (li) = mij | עֲצֵ֨י (atsei) = hout van | אֲרָזִ֜ים (arazim) = ceder | בְּרוֹשִׁ֣ים (beroshim) = cypres | וְאַלְגּוּמִּים֮ (vealgumim) = en almoeg | מֵֽהַלְּבָנוֹן֒ (mehalevanon) = uit de Libanon | כִּ֚י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = ik | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = weet | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = jouw dienaren | יֽוֹדְעִ֔ים (yodeim) = weten | לִכְר֖וֹת (likhrot) = om te kappen | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | לְבָנ֑וֹן (levanon) = de Libanon | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | עֲבָדַ֖י (avaday) = mijn dienaren | עִם (im) = met | עֲבָדֶֽיךָ (avadeikha) = jouw dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Libanon is het bergland aan de kust van het huidige Libanon, ten noorden van Israël. Daar groeiden de ceders. Voetnoot Uitleg: אַלְגּוּמִּים (algummim), ‘almoeghout’: in 1 Kon. 10:11–12 staat אַלְמֻגִּים (almuggim). Het is waarschijnlijk dezelfde houtsoort. Welke boom het is, weten wij niet zeker. Wij gebruiken dezelfde naam als in 1 Kon. 10. Voetnoot : בְּרוֹשִׁים (berosim), ‘cypressen’: zie 1 Kon. 5:22. Zie ook: 1 Kon 5:20; 1 Kon 5:22; 1 Kon 10:11; 2 Kron 9:10–11 **2:8** Laat ook veel hout voor mij klaarmaken. Want het huis dat ik bouw, is groot en wonderbaarlijk. Brontekst: וּלְהָכִ֥ין (ulehakhin) = en om klaar te maken | לִ֛י (li) = voor mij | עֵצִ֖ים (etsim) = hout | לָרֹ֑ב (larov) = in menigte | כִּ֥י (ki) = want | הַבַּ֛יִת (habayit) = het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = ik | בוֹנֶ֖ה (bone) = bouw | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | וְהַפְלֵֽא (vehafle) = en wonderbaarlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 9:8; 2 Kron 2:4; 2 Kron 7:21 **2:9** Zie, voor de houthakkers die het hout kappen, geef ik jouw dienaren: 20.000 kor gestampte tarwe, 20.000 kor gerst, 20.000 bat wijn en 20.000 bat olie.” Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | לַֽחֹטְבִ֣ים (lachotevim) = voor de houwers | לְֽכֹרְתֵ֣י (lekhoretei) = die kappen | הָעֵצִ֡ים (haetsim) = het hout | נָתַתִּי֩ (natati) = ik geef | חִטִּ֨ים (chitim) = tarwe | מַכּ֜וֹת (makot) = gestampte | לַעֲבָדֶ֗יךָ (laavadeikha) = aan jouw dienaren | כֹּרִים֙ (korim) = kor | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וּשְׂעֹרִ֕ים (useorim) = en gerst | כֹּרִ֖ים (korim) = kor | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וְיַ֗יִן (veyayin) = en wijn | בַּתִּים֙ (batim) = bat | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְשֶׁ֕מֶן (veshemen) = en olie | בַּתִּ֖ים (batim) = bat | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּר (kor): een inhoudsmaat van ongeveer 220 liter. בַּת (bat): ongeveer 22 liter. 20.000 kor is dus ongeveer 4.400.000 liter en 20.000 bat ongeveer 440.000 liter. Voetnoot : חִטִּים מַכּוֹת (chittim makkot), ‘gestampte tarwe’: letterlijk ‘geslagen tarwe’. De betekenis is niet zeker. Het kan gedorste of gemalen tarwe zijn. Voetnoot : In 1 Kon. 5:25 geeft Salomo 20.000 kor tarwe en 20 kor gestoten olie. Hier zijn het 20.000 kor tarwe, 20.000 kor gerst, 20.000 bat wijn en 20.000 bat olie. Wij houden elk getal aan zoals het staat. Zie ook: 1 Kon 5:25; 1 Kon 7:26; Ezra 7:22; Luc 10:7; Rom 13:7–8 ### Het antwoord van Churam **2:10** Churam, de koning van Tyrus, schreef en stuurde het naar Salomo: „Omdat Yahweh Zijn volk liefheeft, heeft Hij jou tot koning over hen gemaakt.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | חוּרָ֤ם (churam) = Churam | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | צֹר֙ (tsor) = Tyrus | בִּכְתָ֔ב (bikhtav) = in schrift | וַיִּשְׁלַ֖ח (vayishlach) = en hij stuurde | אֶל (el) = naar | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | בְּאַהֲבַ֤ת (beahavat) = uit liefde van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = voor | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | נְתָנְךָ֥ (netanekha) = heeft Hij jou gegeven | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: וַיֹּאמֶר … בִּכְתָב (wayyomer … bikhtav), ‘en zei … in schrift’: Churam antwoordt met een brief. Vergelijk 1 Kon. 5:21–23. Zie ook: Deut 7:7–8; Ps 72:17; 1 Kon 5:21–23; 1 Kon 10:9; 2 Kron 9:8 **2:11** Churam zei: „Gezegend zij Yahweh, de Elohim van Israël, die de hemel en de aarde heeft gemaakt. Hij heeft koning David een wijze zoon gegeven, die inzicht en verstand heeft. Hij zal een huis bouwen voor Yahweh en een huis voor zijn koningschap. Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en zei | חוּרָם֒ (churam) = Churam | בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֔ה (asa) = maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָתַן֩ (natan) = gaf | לְדָוִ֨יד (ledavid) = aan David | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | חָכָ֗ם (chakham) = wijze | יוֹדֵ֨עַ֙ (yodea) = wetend | שֵׂ֣כֶל (sekhel) = inzicht | וּבִינָ֔ה (uvina) = en verstand | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִבְנֶה (yivne) = zal bouwen | בַּ֨יִת֙ (bayit) = een huis | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּבַ֖יִת (uvayit) = en een huis | לְמַלְכוּתֽוֹ (lemalkhuto) = voor zijn koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Churam noemt Yahweh hier ‘de Elohim van Israël’. Vergelijk zijn woorden in 1 Kon. 5:21: ‘Gezegend zij Yahweh vandaag’. Voetnoot : שֵׂכֶל וּבִינָה (sekhel uvinah), ‘inzicht en verstand’. Zie ook: Ps 33:6; Ps 124:8; 1 Kon 5:21; Hand 14:15; 1 Petr 1:3; Openb 4:11 **2:12** Nu stuur ik een wijze man met verstand, Churam-Abi. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שָׁלַ֧חְתִּי (shalachti) = ik heb gestuurd | אִישׁ (ish) = een man | חָכָ֛ם (chakham) = wijze | יוֹדֵ֥עַ (yodea) = wetend | בִּינָ֖ה (bina) = verstand | לְחוּרָ֥ם (lechuram) = van Churam | אָבִֽי (avi) = Abi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוּרָם אָבִי (Churam avi), ‘Churam-Abi’: de vakman die Churam stuurt. Waarschijnlijk is het dezelfde man als ‘Churam, zijn vader’ in 4:16. In 1 Kon. 7:13–14 heet hij Hiram. Voetnoot Lezing: Letterlijk staat er ‘aan Churam, mijn vader’. Het woord אָבִי (avi), ‘mijn vader’, kan een eretitel zijn (zoals Gen. 45:8) of deel van de naam. Wij nemen ‘Churam-Abi’ als naam. Het is onzeker. Zie ook: Gen 45:8; 1 Kon 7:13–14; 2 Kron 4:16 **2:13** Hij is de zoon van een vrouw uit de dochters van Dan. Zijn vader was een man uit Tyrus. Hij weet te werken in goud, zilver, koper en ijzer, in steen en hout, in roodpurper, blauwpurper, fijn linnen en karmozijn. Hij weet allerlei gravures te snijden en allerlei ontwerpen te bedenken die hem worden opgedragen. Hij doet dat samen met jouw wijze mannen en de wijze mannen van mijn heer, jouw vader David. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אִשָּׁ֞ה (isha) = een vrouw | מִן (min) = uit | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | דָּ֗ן (dan) = Dan | וְאָבִ֣יו (veaviv) = en zijn vader | אִישׁ (ish) = man | צֹרִ֡י (tsori) = uit Tyrus | יוֹדֵ֡עַ (yodea) = wetend | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te werken | בַּזָּֽהָב (bazahav) = in goud | וּ֠בַכֶּסֶף (uvakesef) = en in zilver | בַּנְּחֹ֨שֶׁת (banechoshet) = in koper | בַּבַּרְזֶ֜ל (babarzel) = in ijzer | בָּאֲבָנִ֣ים (baavanim) = in stenen | וּבָעֵצִ֗ים (uvaetsim) = en in hout | בָּאַרְגָּמָ֤ן (baargaman) = in roodpurper | בַּתְּכֵ֨לֶת֙ (batekhelet) = in blauwpurper | וּבַבּ֣וּץ (uvabuts) = en in fijn linnen | וּבַכַּרְמִ֔יל (uvakarmil) = en in karmozijn | וּלְפַתֵּ֨חַ֙ (ulefateach) = en om te snijden | כָּל (kal) = elke | פִּתּ֔וּחַ (pituach) = gravure | וְלַחְשֹׁ֖ב (velachshov) = en om te bedenken | כָּל (kal) = elk | מַחֲשָׁ֑בֶת (machashavet) = ontwerp | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יִנָּֽתֶן (yinaten) = wordt gegeven | לוֹ֙ (lo) = aan hem | עִם (im) = met | חֲכָמֶ֔יךָ (chakhameikha) = jouw wijzen | וְֽחַכְמֵ֔י (vechakhmei) = en de wijzen van | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | דָּוִ֥יד (david) = David | אָבִֽיךָ (avikha) = jouw vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dan was de noordelijkste stam van Israël, in het noorden van het land (Israël). Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 7:14 is zijn moeder een weduwe uit de stam Naftali. Hier is zij een vrouw uit de dochters van Dan. Wij vertalen beide letterlijk. Voetnoot : בּוּץ (buts), ‘fijn linnen’: een fijne linnen stof. מַחֲשֶׁבֶת (machashevet), ‘ontwerp’: een kunstig bedacht ontwerp. Voetnoot : אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Churam noemt David zo, uit respect. Het is een eretitel voor een mens, niet Adonai. Zie ook: Ex 31:3–4; 1 Kon 7:13–14; 1 Kon 7:14; 2 Kron 2:6 **2:14** Laat mijn heer nu de tarwe, de gerst, de olie en de wijn waarover hij heeft gesproken, naar zijn dienaren sturen. Brontekst: וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | הַחִטִּ֨ים (hachitim) = de tarwe | וְהַשְּׂעֹרִ֜ים (vehaseorim) = en de gerst | הַשֶּׁ֤מֶן (hashemen) = de olie | וְהַיַּ֨יִן֙ (vehayayin) = en de wijn | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | יִשְׁלַ֖ח (yishlach) = laat hij sturen | לַעֲבָדָֽיו (laavadav) = naar zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Churam spreekt Salomo zo aan. Het is een eretitel voor een mens, niet Adonai. Zie ook: 1 Kon 5:25; 2 Kron 2:9 ### Het hout, de vlotten en de vreemdelingen **2:15** Wij zullen uit de Libanon hout kappen, zoveel als je nodig hebt. Wij brengen het je als vlotten over zee naar Jafo. En jij brengt het omhoog naar Jeruzalem.” Brontekst: וַ֠אֲנַחְנוּ (vaanachnu) = en wij | נִכְרֹ֨ת (nikhrot) = zullen kappen | עֵצִ֤ים (etsim) = hout | מִן (min) = uit | הַלְּבָנוֹן֙ (halevanon) = de Libanon | כְּכָל (kekhal) = naar alle | צָרְכֶּ֔ךָ (tsarkekha) = je behoefte | וּנְבִיאֵ֥ם (uneviem) = en wij brengen ze | לְךָ֛ (lekha) = naar jou | רַפְסֹד֖וֹת (rafsodot) = vlotten | עַל (al) = over | יָ֣ם (yam) = zee van | יָפ֑וֹ (yafo) = Jafo | וְאַתָּ֛ה (veata) = en jij | תַּעֲלֶ֥ה (taale) = brengt omhoog | אֹתָ֖ם (otam) = hen | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jafo (יָפוֹ) is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv (Israël). Het was de haven van Jeruzalem, ongeveer 55 km hemelsbreed verderop. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: רַפְסֹדוֹת (rafsodot), ‘vlotten’: zie 1 Kon. 5:23. De boomstammen gingen als vlotten over zee naar Jafo. Van daar ging het omhoog naar Jeruzalem. Zie ook: Joz 19:46; 1 Kon 5:22–23; 1 Kon 5:23; Ezra 3:7; Joh 1:3; Hand 10:32 **2:16** Salomo telde alle mannen die als vreemdeling in het land Israël woonden, naar de telling die zijn vader David van hen had gehouden. Er werden 153.600 gevonden. Brontekst: וַיִּסְפֹּ֣ר (vayispor) = en telde | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | כָּל (kal) = alle | הָאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = de mannen | הַגֵּירִים֙ (hageirim) = de vreemdelingen | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | הַסְּפָ֔ר (hasefar) = de telling | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | סְפָרָ֖ם (sefaram) = telde hen | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיִּמָּצְא֗וּ (vayimatseu) = en zij werden gevonden | מֵאָ֤ה (mea) = honderd | וַחֲמִשִּׁים֙ (vachamishim) = en vijftig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וּשְׁלֹ֥שֶׁת (usheloshet) = en drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרִים (gerim), ‘vreemdelingen’: mensen die niet van Israël afstamden en in het land woonden. Zie 1 Kron. 22:2. Voetnoot : 153.600 is 150.000 + 3.000 + 600. De som van de getallen in vers 17 is 70.000 + 80.000 + 3.600 = 153.600. Zie ook: 1 Kron 22:2; 1 Kon 5:27–30; 1 Kon 9:20–21; 2 Kron 2:1; 2 Kron 2:17; 2 Kron 8:7–8 **2:17** Hij maakte van hen 70.000 lastdragers en 80.000 steenhouwers in het gebergte, en 3.600 opzichters om het volk te laten werken. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | מֵהֶ֜ם (mehem) = van hen | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | סַבָּ֔ל (sabal) = lastdrager | וּשְׁמֹנִ֥ים (ushemonim) = en tachtig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | חֹצֵ֣ב (chotsev) = houwer | בָּהָ֑ר (bahar) = in het gebergte | וּשְׁלֹ֤שֶׁת (usheloshet) = en drie | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | מְנַצְּחִ֖ים (menatsechim) = opzichters | לְהַעֲבִ֥יד (lehaavid) = om te laten werken | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk vers 1. De opzichters zijn hier 3.600. In 1 Kon. 5:30 staan 3.300 oversten van de bestuurders. Zie ook: 1 Kon 5:30; 2 Kron 2:1 ## 2 Kronieken 3 _Salomo bouwt het huis van Yahweh_ ### Het begin van de bouw **3:1** Salomo begon het huis van Yahweh te bouwen in Jeruzalem, op de berg Moria. Daar was Yahweh aan zijn vader David verschenen. David had de plaats klaargemaakt, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. Brontekst: וַיָּ֣חֶל (vayachel) = en begon | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | לִבְנ֤וֹת (livnot) = om te bouwen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | בְּהַר֙ (behar) = op de berg | הַמּ֣וֹרִיָּ֔ה (hamoriya) = Moria | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | נִרְאָ֖ה (nira) = Hij verscheen | לְדָוִ֣יד (ledavid) = aan David | אָבִ֑יהוּ (avihu) = zijn vader | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הֵכִין֙ (hekhin) = maakte klaar | בִּמְק֣וֹם (bimqom) = op de plaats van | דָּוִ֔יד (david) = David | בְּגֹ֖רֶן (begoren) = op de dorsvloer van | אָרְנָ֥ן (arenan) = Ornan | הַיְבוּסִֽי (hayvusi) = de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Moria (הַמּוֹרִיָּה, hammoriyyah) is de tempelberg in Jeruzalem (Israël). Het is dezelfde naam als ‘het land Moria’ in Gen. 22:2. Waarschijnlijk gaat het om dezelfde berg. Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond. Voetnoot Uitleg: Het huis van Yahweh is de tempel. Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 6–7, maar is korter. Voetnoot : אָרְנָן (Ornan), ‘Ornan’: de eigenaar van de dorsvloer. In 2 Sam. 24:16–24 heet hij Araunna. Zie ook 1 Kron. 21:15–28. Voetnoot : De verschijning aan David: zie 1 Kron. 21:16 (de engel van Yahweh) en 21:26 (vuur uit de hemel). Voetnoot Lezing: Bij נִרְאָה (nir’ah), ‘verscheen’, staat geen onderwerp. Het kan ‘Yahweh’ zijn of ‘de plaats’. Wij nemen ‘Yahweh’. Het is onzeker. De woorden אֲשֶׁר הֵכִין (asher hekhin), ‘die hij had klaargemaakt’, hebben David als onderwerp. Zie ook: Gen 22:2; Gen 22:14; 2 Sam 24:16–24; 1 Kron 21:15–28; 1 Kron 21:16; 1 Kron 21:18; 1 Kron 22:1; 1 Kon 6:1–14 **3:2** Hij begon te bouwen in de tweede maand, op de tweede dag, in het vierde jaar van zijn koningschap. Brontekst: וַ֠יָּחֶל (vayachel) = en hij begon | לִבְנ֞וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּחֹ֤דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשֵּׁנִי֙ (hasheni) = tweede | בַּשֵּׁנִ֔י (basheni) = op de tweede | בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar | אַרְבַּ֖ע (arba) = vier | לְמַלְכוּתֽוֹ (lemalkhuto) = van zijn koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘op de tweede’. Wij vullen ‘dag’ aan. In 1 Kon. 6:1 staat de maand Zif, de tweede maand, en hetzelfde vierde jaar. Zie ook: 1 Kon 6:1 ### De maten van het huis **3:3** Dit waren de grondslagen die Salomo legde voor de bouw van het huis van Elohim. De lengte was 60 el, volgens de eerste maat. De breedte was 20 el. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | הוּסַ֣ד (husad) = werd gegrondvest | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | לִבְנ֖וֹת (livnot) = om te bouwen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | הָאֹ֡רֶךְ (haorekh) = de lengte | אַמּ֞וֹת (amot) = el | בַּמִּדָּ֤ה (bamida) = volgens de maat | הָרִֽאשׁוֹנָה֙ (harishona) = eerste | אַמּ֣וֹת (amot) = el | שִׁשִּׁ֔ים (shishim) = zestig | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | אַמּ֥וֹת (amot) = el | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 cm. 60 el is dus ongeveer 27 meter, 20 el ongeveer 9 meter. Zie 1 Kon. 6:2: 60 el lang, 20 el breed en 30 el hoog. Voetnoot : בַּמִּדָּה הָרִאשׁוֹנָה (bammiddah harishonah), ‘volgens de eerste maat’: waarschijnlijk de oudere el. Welke el bedoeld is, weten wij niet zeker. Voetnoot Lezing: הוּסַד (hussad), ‘werd gegrondvest’, is een lijdende vorm: ‘dit werd door Salomo gegrondvest’. Wij lezen: ‘dit waren de grondslagen die Salomo legde’, dus de afmetingen waarop hij bouwde. Zie ook: 1 Kron 28:11–19; 1 Kon 6:2–3 **3:4** De voorhal voor het huis was 20 el lang, over de breedte van het huis. De hoogte was 120 el. Hij bekleedde de voorhal van binnen met zuiver goud. Brontekst: וְהָאוּלָ֡ם (vehaulam) = en de voorhal | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | עַל (al) = aan | פְּנֵ֨י (penei) = de voorkant van | הָאֹ֜רֶךְ (haorekh) = de lengte | עַל (al) = over | פְּנֵ֤י (penei) = de voorkant van | רֹֽחַב (rochav) = breedte van | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | אַמּ֣וֹת (amot) = el | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וְהַגֹּ֖בַהּ (vehagovah) = en de hoogte | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֑ים (veesrim) = en twintig | וַיְצַפֵּ֥הוּ (vaytsapehu) = en hij bekleedde hem | מִפְּנִ֖ימָה (mipenima) = van binnen | זָהָ֥ב (zahav) = goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de ruimte voor de ingang van het huis. Wij vertalen ulam steeds zo, zoals in 1 Kon. 6:3. Daar is de voorhal 10 el diep. Hier staat alleen de lengte (20 el, over de breedte van het huis). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘honderd en twintig’ zonder het woord ‘el’. Wij vullen ‘el’ aan. 120 el is ongeveer 54 meter. Voetnoot Lezing: Het getal 120 is moeilijk, want het is veel hoger dan het huis zelf (1 Kon. 6:2: 30 el). Sommige oude vertalingen lezen een ander getal. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 6:2; 1 Kon 6:3; Joh 10:23; Hand 3:11; Hand 5:12 ### De hoofdzaal en het hoogheilige **3:5** Het grote huis bedekte hij met cypressenhout. Hij bedekte het met goed goud en bracht erop palmen en kettingen aan. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הַבַּ֣יִת (habayit) = het huis | הַגָּד֗וֹל (hagadol) = het grote | חִפָּה֙ (chipa) = bedekte hij | עֵ֣ץ (ets) = hout van | בְּרוֹשִׁ֔ים (beroshim) = cypressen | וַיְחַפֵּ֖הוּ (vaychapehu) = en hij bedekte het | זָהָ֣ב (zahav) = goud | ט֑וֹב (tov) = goed | וַיַּ֧עַל (vayaal) = en hij bracht omhoog | עָלָ֛יו (alav) = erop | תִּמֹרִ֖ים (timorim) = palmen | וְשַׁרְשְׁרֽוֹת (vesharsherot) = en kettingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבַּיִת הַגָּדוֹל (habbayit haggadol), ‘het grote huis’: de hoofdzaal, het grote vertrek vóór het hoogheilige (zie 3:8). In 1 Kon. 6:15–18 is die bekleed met ceder en de vloer met cypres; hier staat cypressenhout. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : חָפָה (chafah), ‘bedekken’, en צָפָה (tsafah), ‘bekleden’: wij houden de twee werkwoorden uit elkaar, zoals de tekst. Voetnoot : תִּמֹרִים (timorim), ‘palmen’: gesneden palmen, zoals in 1 Kon. 6:29. שַׁרְשְׁרוֹת (sharsherot), ‘kettingen’: versiering in de vorm van kettingen. Zie ook: 1 Kon 6:15–17; 1 Kon 6:21–22; 1 Kon 6:29 **3:6** Hij bekleedde het huis met kostbare steen, tot sieraad. Het goud was goud van Parvajim. Brontekst: וַיְצַ֧ף (vaytsaf) = en hij bekleedde | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֛יִת (habayit) = het huis | אֶ֥בֶן (even) = steen | יְקָרָ֖ה (yeqara) = kostbare | לְתִפְאָ֑רֶת (letifaret) = tot sieraad | וְהַזָּהָ֖ב (vehazahav) = en het goud | זְהַ֥ב (zehav) = goud van | פַּרְוָֽיִם (parvayim) = Parvajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Parvajim (פַּרְוָיִם) komt alleen hier voor. De ligging is onbekend. Waarschijnlijk kwam het goud daarvandaan. Wij laten de naam staan. Zie ook: 1 Kron 29:2; 1 Kron 29:8; Jes 54:11–12; Openb 21:18–21 **3:7** Hij bedekte het huis met goud: de balken, de drempels, de muren en de deuren van het huis. Op de muren sneed hij cherubs. Brontekst: וַיְחַ֨ף (vaychaf) = en hij bedekte | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֜יִת (habayit) = het huis | הַקֹּר֧וֹת (haqorot) = de balken | הַסִּפִּ֛ים (hasipim) = de drempels | וְקִֽירוֹתָ֥יו (veqirotav) = en zijn muren | וְדַלְתוֹתָ֖יו (vedaltotav) = en zijn deuren | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וּפִתַּ֥ח (ufitach) = en hij sneed | כְּרוּבִ֖ים (keruvim) = cherubs | עַל (al) = op | הַקִּירֽוֹת (haqirot) = de muren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹרוֹת (qorot), ‘balken’, en סִפִּים (sippim), ‘drempels’: de dragende balken en de drempels van de deuren. De betekenis van sippim is niet zeker; het kan ook ‘dorpels’ betekenen. Het snijden van cherubs op de muren: zie 1 Kon. 6:29. Zie ook: Ex 26:1; Ex 26:29; 1 Kon 6:20–22; 1 Kon 6:29–35; Ezech 7:20 **3:8** Hij maakte het huis van het hoogheilige. De lengte was 20 el, over de breedte van het huis, en de breedte was 20 el. Hij bedekte het met goed goud, 600 talent. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ֙ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | בֵּֽית (beit) = het huis van | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = het heilige | הַקֳּדָשִׁ֔ים (haqodashim) = van de heiligen | אָרְכּ֞וֹ (arko) = zijn lengte | עַל (al) = over | פְּנֵ֤י (penei) = de voorkant van | רֹֽחַב (rochav) = breedte van | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | אַמּ֣וֹת (amot) = el | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וְרָחְבּ֖וֹ (verachbo) = en zijn breedte | אַמּ֣וֹת (amot) = el | עֶשְׂרִ֑ים (esrim) = twintig | וַיְחַפֵּ֨הוּ֙ (vaychapehu) = en hij bedekte het | זָהָ֣ב (zahav) = goud | ט֔וֹב (tov) = goed | לְכִכָּרִ֖ים (lekhikarim) = voor talenten | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (beit qodesh haqodashim), ‘het huis van het hoogheilige’: het binnenste vertrek, in 1 Kon. 6:16–20 devir genoemd. Het is 20 el (ongeveer 9 meter) lang en 20 el breed. Voetnoot : כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilogram. 600 talent goud is dus ongeveer 20.400 kilogram. Zie ook: Ex 26:33; 1 Kon 6:16; 1 Kon 6:19–20; Heb 9:3; Heb 10:19 **3:9** Het gewicht van de spijkers was 50 sikkel goud. Ook de bovenkamers bedekte hij met goud. Brontekst: וּמִשְׁקָ֛ל (umishqal) = en het gewicht | לְמִסְמְר֥וֹת (lemismerot) = voor spijkers | לִשְׁקָלִ֖ים (lishqalim) = voor sikkels | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְהָעֲלִיּ֖וֹת (vehaaliyot) = en de bovenkamers | חִפָּ֥ה (chipa) = bedekte hij | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram. 50 sikkel is dus ongeveer 570 gram. Voetnoot : עֲלִיּוֹת (aliyyot), ‘bovenkamers’: kamers boven aan het huis. Vergelijk 1 Kron. 28:11. Zie ook: 1 Kron 28:11 ### De twee cherubs **3:10** In het hoogheilige maakte hij twee cherubs, een beeldhouwwerk. Men bekleedde ze met goud. Brontekst: וַיַּ֜עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | בְּבֵֽית (beveit) = in het huis van | קֹ֤דֶשׁ (qodesh) = het heilige | הַקֳּדָשִׁים֙ (haqodashim) = van de heiligen | כְּרוּבִ֣ים (keruvim) = cherubs | שְׁנַ֔יִם (shenayim) = twee | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | צַעֲצֻעִ֑ים (tsaatsuim) = beeldhouwwerk | וַיְצַפּ֥וּ (vaytsapu) = en men bekleedde | אֹתָ֖ם (otam) = hen | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂה צַעֲצֻעִים (ma’aseh tsa’atsu’im), ‘beeldhouwwerk’: het woord צַעֲצֻעִים komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Voetnoot : De cherubs worden in 1 Kon. 6:23–28 uitgebreider beschreven: van olijfhout en 10 el hoog. Hier staat dat niet. Voetnoot : Het werkwoord וַיְצַפּוּ (wayetsappu) staat in het meervoud: ‘en zij bekleedden’. Wij vertalen ‘men bekleedde’. Zie ook: Ex 25:18; 1 Kon 6:23–28 **3:11** De vleugels van de cherubs waren samen 20 el lang. De ene vleugel was 5 el en raakte de muur van het huis. De andere vleugel was 5 el en raakte de vleugel van de andere cherub. Brontekst: וְכַנְפֵי֙ (vekhanfei) = en de vleugels van | הַכְּרוּבִ֔ים (hakeruvim) = de cherubs | אָרְכָּ֖ם (arkam) = hun lengte | אַמּ֣וֹת (amot) = el | עֶשְׂרִ֑ים (esrim) = twintig | כְּנַ֨ף (kenaf) = vleugel | הָאֶחָ֜ד (haechad) = de ene | לְאַמּ֣וֹת (leamot) = van el | חָמֵ֗שׁ (chamesh) = vijf | מַגַּ֨עַת֙ (magaat) = rakend | לְקִ֣יר (leqir) = aan de muur van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וְהַכָּנָ֤ף (vehakanaf) = en de vleugel | הָאַחֶ֨רֶת֙ (haacheret) = de andere | אַמּ֣וֹת (amot) = el | חָמֵ֔שׁ (chamesh) = vijf | מַגִּ֕יעַ (magia) = rakend | לִכְנַ֖ף (likhnaf) = aan de vleugel van | הַכְּר֥וּב (hakeruv) = de cherub | הָאַחֵֽר (haacher) = de andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elke cherub heeft twee vleugels van 5 el, samen 10 el. Samen zijn het dus 4 vleugels, in totaal 20 el (ongeveer 9 meter). Vergelijk 1 Kon. 6:24–27. Zie ook: 1 Kon 6:24–27 **3:12** De vleugel van de ene cherub was 5 el en raakte de muur van het huis. De andere vleugel was 5 el en sloot aan op de vleugel van de andere cherub. Brontekst: וּכְנַ֨ף (ukhenaf) = en vleugel van | הַכְּר֤וּב (hakeruv) = de cherub | הָאֶחָד֙ (haechad) = de ene | אַמּ֣וֹת (amot) = el | חָמֵ֔שׁ (chamesh) = vijf | מַגִּ֖יעַ (magia) = rakend | לְקִ֣יר (leqir) = aan de muur van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְהַכָּנָ֤ף (vehakanaf) = en de vleugel | הָאַחֶ֨רֶת֙ (haacheret) = de andere | אַמּ֣וֹת (amot) = el | חָמֵ֔שׁ (chamesh) = vijf | דְּבֵקָ֕ה (deveqa) = aansluitend | לִכְנַ֖ף (likhnaf) = aan de vleugel van | הַכְּר֥וּב (hakeruv) = de cherub | הָאַחֵֽר (haacher) = de andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:13** De vleugels van deze cherubs waren 20 el uitgespreid. Zij stonden op hun voeten, met hun gezicht naar het huis. Brontekst: כַּנְפֵי֙ (kanfei) = vleugels van | הַכְּרוּבִ֣ים (hakeruvim) = de cherubs | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | פֹּֽרְשִׂ֖ים (poresim) = uitgespreid | אַמּ֣וֹת (amot) = el | עֶשְׂרִ֑ים (esrim) = twintig | וְהֵ֛ם (vehem) = en zij | עֹמְדִ֥ים (omedim) = staand | עַל (al) = op | רַגְלֵיהֶ֖ם (ragleihem) = hun voeten | וּפְנֵיהֶ֥ם (ufeneihem) = en hun gezichten | לַבָּֽיִת (labayit) = naar het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zij stonden op hun voeten, met hun gezicht naar het huis. 1 Kon. 6 vermeldt dit niet. ‘Naar het huis’ betekent waarschijnlijk: naar de hoofdzaal. Het is niet zeker. Zie ook: Ex 25:20 ### De voorhang en de twee pilaren **3:14** Hij maakte de voorhang van blauwpurper, roodpurper, karmozijn en fijn linnen. Daarop bracht hij cherubs aan. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ֙ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּרֹ֔כֶת (haparokhet) = de voorhang | תְּכֵ֥לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֖ן (veargaman) = en roodpurper | וְכַרְמִ֣יל (vekharmil) = en karmozijn | וּב֑וּץ (uvuts) = en fijn linnen | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en hij bracht omhoog | עָלָ֖יו (alav) = erop | כְּרוּבִֽים (keruvim) = cherubs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרֹכֶת (parokhet), ‘voorhang’: de voorhang die het hoogheilige afscheidt. Zie Exod. 26:31–33. In 1 Kon. 6 wordt een voorhang niet genoemd. Voetnoot : כַּרְמִיל (karmil), ‘karmozijn’, en בּוּץ (buts), ‘fijn linnen’: zoals in 2:6 en 2:13. Zie ook: Ex 26:31–35; Mat 27:51; Heb 9:3; Heb 10:20 **3:15** Voor het huis maakte hij twee pilaren, 35 el lang. Het kapiteel op de kop van de pilaar was 5 el. Brontekst: וַיַּ֜עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | עַמּוּדִ֣ים (amudim) = pilaren | שְׁנַ֔יִם (shenayim) = twee | אַמּ֕וֹת (amot) = el | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְחָמֵ֖שׁ (vechamesh) = en vijf | אֹ֑רֶךְ (orekh) = lengte | וְהַצֶּ֥פֶת (vehatsefet) = en het kapiteel | אֲשֶׁר (asher) = dat | עַל (al) = op | רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn kop | אַמּ֥וֹת (amot) = el | חָמֵֽשׁ (chamesh) = vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat dat de pilaren 35 el lang zijn. In 1 Kon. 7:15 is elke pilaar 18 el hoog. Het is onzeker hoe deze getallen samenhangen: 35 kan het totaal van beide pilaren zijn. Wij vertalen letterlijk. 35 el is ongeveer 15,75 meter, 5 el ongeveer 2,25 meter. Voetnoot : צֹפֶת (tsofet), ‘kapiteel’: het sierstuk boven op de pilaar. Het woord komt alleen hier voor; in 1 Kon. 7:16 staat כֹּתֶרֶת (koteret). Het kapiteel is in beide boeken 5 el. Zie ook: 1 Kon 7:15–24; 1 Kon 7:16; Jer 52:20–23 **3:16** Hij maakte kettingen in het binnenste vertrek en zette ze op de kop van de pilaren. Hij maakte 100 granaatappels en hing ze aan de kettingen. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | שַׁרְשְׁרוֹת֙ (sharsherot) = kettingen | בַּדְּבִ֔יר (badevir) = in het binnenste vertrek | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en hij zette | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הָעַמֻּדִ֑ים (haamudim) = de pilaren | וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | רִמּוֹנִים֙ (rimonim) = granaatappels | מֵאָ֔ה (mea) = honderd | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en hij zette | בַּֽשַּׁרְשְׁרֽוֹת (basharsherot) = aan de kettingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁרְשְׁרוֹת (sharsherot), ‘kettingen’: zie vers 5. In 1 Kon. 7:17 zijn het netten en slingers. רִמּוֹנִים (rimmonim), ‘granaatappels’: in 1 Kon. 7:20 zijn het er 200 per kapiteel, in 2 Kron. 4:13 vierhonderd in totaal. Voetnoot Lezing: In het binnenste vertrek (בַּדְּבִיר, baddevir) past slecht bij de pilaren, want die stonden buiten voor het huis. De tekst is moeilijk. Wij vertalen letterlijk. Het is onzeker. Zie ook: 1 Kon 6:21; 1 Kon 7:17; 1 Kon 7:20; 2 Kron 3:5; 2 Kron 4:13 **3:17** Hij richtte de pilaren op voor de hoofdzaal, één rechts en één links. De rechter noemde hij Jachin en de linker Boaz. Brontekst: וַיָּ֤קֶם (vayaqem) = en hij richtte op | אֶת (et) = (obj.) | הָֽעַמּוּדִים֙ (haamudim) = de pilaren | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = de voorkant van | הַהֵיכָ֔ל (haheikhal) = de hoofdzaal | אֶחָ֥ד (echad) = één | מִיָּמִ֖ין (miyamin) = rechts | וְאֶחָ֣ד (veechad) = en één | מֵֽהַשְּׂמֹ֑אול (mehasemovl) = links | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij noemde | שֵׁם (shem) = naam van | הַיְמָנִי֙ (haymani) = de rechter | יָכִ֔ין (yakhin) = Jachin | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | הַשְּׂמָאלִ֖י (hasemali) = de linker | בֹּֽעַז (boaz) = Boaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָכִין (Yakhin), ‘Jachin’: mogelijk ‘Hij maakt vast’. בֹּעַז (Boaz): mogelijk ‘in Hem is kracht’. De betekenis is niet zeker. Zie 1 Kon. 7:21. הֵיכָל (hekal), ‘hoofdzaal’: zoals in 1 Kon. 6:3. Voetnoot Lezing: Hier staat een ketiv-qere. De geschreven tekst (ketiv) heeft הימיני (haymini). De voorgelezen tekst (qere) heeft הַיְמָנִי (hayemani), ‘de rechter’. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kon 6:3; 1 Kon 7:21 ## 2 Kronieken 4 _De voorwerpen van het huis van Elohim_ ### Het koperen altaar en de zee **4:1** Hij maakte een koperen altaar, 20 el lang, 20 el breed en 10 el hoog. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ֙ (vayaas) = en hij maakte | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | אַמָּה֙ (ama) = el | אָרְכּ֔וֹ (arko) = zijn lengte | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אַמָּ֖ה (ama) = el | רָחְבּ֑וֹ (rachbo) = zijn breedte | וְעֶ֥שֶׂר (veeser) = en tien | אַמּ֖וֹת (amot) = el | קוֹמָתֽוֹ (qomato) = zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 cm. Het altaar was dus ongeveer 9 meter lang, 9 meter breed en 4,5 meter hoog. Dit altaar wordt in 1 Kon. 6–7 niet beschreven. Het altaar van de tabernakel was veel kleiner: 5 el lang, 5 el breed en 3 el hoog (Exod. 27:1). Zie ook: Ex 27:1; 1 Kon 8:64; 1 Kon 9:25; 2 Kon 16:14–15; 2 Kron 1:5; Ezech 43:13–17 **4:2** Hij maakte de zee, gegoten. Van rand tot rand was ze 10 el, helemaal rond. Ze was 5 el hoog. Een meetsnoer van 30 el ging rondom haar heen. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | מוּצָ֑ק (mutsaq) = gegoten | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | בָּֽ֠אַמָּה (baama) = in de el | מִשְּׂפָת֨וֹ (misefato) = van haar rand | אֶל (el) = tot | שְׂפָת֜וֹ (sefato) = haar rand | עָג֣וֹל (agol) = rond | סָבִ֗יב (saviv) = rondom | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | בָּֽאַמָּה֙ (baama) = in de el | קֽוֹמָת֔וֹ (qomato) = haar hoogte | וְקָו֙ (veqav) = en een meetsnoer | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in de el | יָסֹ֥ב (yasov) = ging rond | אֹת֖וֹ (oto) = haar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָם (yam), ‘zee’: het grote koperen bekken, hier ‘de zee’ genoemd. Het is gelijk aan 1 Kon. 7:23–26. 10 el is ongeveer 4,5 meter, 5 el ongeveer 2,25 meter en 30 el ongeveer 13,5 meter. Wij vertalen dit vers hetzelfde als 1 Kon. 7:23. Zie ook: Ex 30:18–21; 1 Kon 7:23–26; Zach 13:1; Tit 3:5; Openb 7:14 **4:3** Onder haar zaten rondom afbeeldingen van runderen. Ze omringden haar, 10 op elke el, rondom de zee. De runderen zaten in twee rijen, gegoten in één keer met haar. Brontekst: וּדְמ֣וּת (udemut) = en gedaanten van | בְּקָרִים֩ (beqarim) = runderen | תַּ֨חַת (tachat) = onder | ל֜וֹ (lo) = haar | סָבִ֤יב (saviv) = rondom | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | סוֹבְבִ֣ים (sovevim) = omringend | אֹת֔וֹ (oto) = haar | עֶ֚שֶׂר (eser) = tien | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in de el | מַקִּיפִ֥ים (maqifim) = omgevend | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | שְׁנַ֤יִם (shenayim) = twee | טוּרִים֙ (turim) = rijen | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = de runderen | יְצוּקִ֖ים (yetsuqim) = gegoten | בְּמֻֽצַקְתּֽוֹ (bemutsaqto) = in haar gieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּמוּת בְּקָרִים (demut beqarim), ‘afbeeldingen van runderen’: hier staan runderen onder de rand. In 1 Kon. 7:24 staan op die plaats פְּקָעִים (peqa’im), ‘kolokwinten’. De twee woorden lijken in het Hebreeuws op elkaar. Wij vertalen elk boek zoals het staat. Voetnoot : מֻצַקְתּוֹ (mutsaqto), ‘zijn gieten’: ze werden in één keer met de zee gegoten. Zie ook: 1 Kon 7:24–26; Ezech 1:10; Ezech 10:14; 1 Kor 9:9–10; Openb 4:7 **4:4** Ze stond op 12 runderen: drie keken naar het noorden, drie naar het westen, drie naar het zuiden en drie naar het oosten. De zee lag er bovenop. Alle achterkanten van de runderen waren naar binnen gericht. Brontekst: עוֹמֵ֞ד (omed) = staand | עַל (al) = op | שְׁנֵ֧ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֣ר (asar) = tien | בָּקָ֗ר (baqar) = runderen | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | פֹנִ֣ים (ponim) = gericht | צָפ֡וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וּשְׁלוֹשָׁה֩ (ushelosha) = en drie | פֹנִ֨ים (ponim) = gericht | יָ֜מָּה (yama) = westwaarts | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | פֹּנִ֣ים (ponim) = gericht | נֶ֗גְבָּה (negba) = zuidwaarts | וּשְׁלֹשָׁה֙ (ushelosha) = en drie | פֹּנִ֣ים (ponim) = gericht | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = oostwaarts | וְהַיָּ֥ם (vehayam) = en de zee | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = erop | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = bovenop | וְכָל (vekhal) = en al | אֲחֹרֵיהֶ֖ם (achoreihem) = hun achterkanten | בָּֽיְתָה (bayeta) = naar binnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָמָּה (yammah), ‘westwaarts’: letterlijk ‘naar de zee’. De Middellandse Zee ligt ten westen van Israël. נֶגְבָּה (negbah), ‘zuidwaarts’: naar het Negev, het droge land in het zuiden. Vergelijk 1 Kon. 7:25. Zie ook: 1 Kon 7:25; Mat 16:18; Mar 16:15; Luc 24:46–47; Hand 9:15; Openb 21:14 **4:5** Haar dikte was een handbreedte. Haar rand was gemaakt als de rand van een beker, als de bloem van een lelie. Ze kon 3.000 bat bevatten. Brontekst: וְעָבְי֣וֹ (veaveyo) = en haar dikte | טֶ֔פַח (tefach) = een handbreedte | וּשְׂפָתוֹ֙ (usefato) = en haar rand | כְּמַעֲשֵׂ֣ה (kemaase) = als het werk van | שְׂפַת (sefat) = rand van | כּ֔וֹס (kos) = beker | פֶּ֖רַח (perach) = bloem van | שֽׁוֹשַׁנָּ֑ה (shoshana) = lelie | מַחֲזִ֣יק (machaziq) = bevattend | בַּתִּ֔ים (batim) = bat | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | יָכִֽיל (yakhil) = kon bevatten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֶפַח (tefach), ‘handbreedte’: ongeveer 7,5 cm. בַּת (bat): ongeveer 22 liter. 3.000 bat is dus ongeveer 66.000 liter. Voetnoot Lezing: In 1 Kon. 7:26 staat 2.000 bat. Dat is ongeveer 44.000 liter. Wij houden het getal van elk boek aan. Het is onzeker hoe het verschil is ontstaan. Zie ook: 1 Kon 7:26 ### De wasbekkens, kandelaars en tafels **4:6** Hij maakte tien wasbekkens. Hij zette er vijf rechts en vijf links, om erin te wassen. Daarin spoelden zij af wat bij het brandoffer hoorde. De zee was voor de priesters, om zich erin te wassen. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | כִּיּוֹרִים֮ (kiyorim) = wasbekkens | עֲשָׂרָה֒ (asara) = tien | וַ֠יִּתֵּן (vayiten) = en hij zette | חֲמִשָּׁ֨ה (chamisha) = vijf | מִיָּמִ֜ין (miyamin) = rechts | וַחֲמִשָּׁ֤ה (vachamisha) = en vijf | מִשְּׂמֹאול֙ (misemovl) = links | לְרָחְצָ֣ה (lerachetsa) = om te wassen | בָהֶ֔ם (bahem) = erin | אֶת (et) = (obj.) | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = het werk van | הָעוֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | יָדִ֣יחוּ (yadichu) = zij spoelden af | בָ֑ם (bam) = daarin | וְהַיָּ֕ם (vehayam) = en de zee | לְרָחְצָ֥ה (lerachetsa) = om te wassen | לַכֹּהֲנִ֖ים (lakohanim) = voor de priesters | בּֽוֹ (bo) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּיּוֹר (kiyyor), ‘wasbekken’: een koperen bak om in te wassen. Zie 1 Kon. 7:38. De priesters wasten zich in de tabernakel bij een koperen wasbekken (Exod. 30:17–21). Hier is dat de zee. Voetnoot : מַעֲשֵׂה הָעוֹלָה (ma’aseh ha’olah), ‘wat bij het brandoffer hoorde’: letterlijk ‘het werk van het brandoffer’. Het gaat waarschijnlijk om delen van het offerdier, die werden afgespoeld (Lev. 1:9). Zie ook: Ex 30:17–21; Ex 30:18–21; Lev 1:9; Ps 51:4; 1 Kon 7:38; 1 Kon 7:40; Ezech 40:38 **4:7** Hij maakte de tien gouden kandelaars volgens hun bepaling. Hij zette ze in de hoofdzaal: vijf rechts en vijf links. Brontekst: וַ֠יַּעַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | מְנֹר֧וֹת (menorot) = kandelaars van | הַזָּהָ֛ב (hazahav) = het goud | עֶ֖שֶׂר (eser) = tien | כְּמִשְׁפָּטָ֑ם (kemishpatam) = volgens hun bepaling | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en hij zette | בַּֽהֵיכָ֔ל (baheikhal) = in de hoofdzaal | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מִיָּמִ֖ין (miyamin) = rechts | וְחָמֵ֥שׁ (vechamesh) = en vijf | מִשְּׂמֹֽאול (misemovl) = links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנוֹרוֹת (menorot), ‘kandelaars’: tien in plaats van één, zoals in Exod. 25:31–40. Vergelijk 1 Kon. 7:49: vijf rechts en vijf links. כְּמִשְׁפָּטָם (kemishpatam), ‘volgens hun bepaling’: zoals het voor hen was vastgesteld. Wij vertalen mishpat hier zoals in 1 Kon. 6:38. Zie ook: Ex 25:31–40; 1 Kron 28:12; 1 Kon 6:38; 1 Kon 7:49; Zach 4:11–14; Joh 8:12 **4:8** Hij maakte tien tafels en plaatste ze in de hoofdzaal: vijf rechts en vijf links. Ook maakte hij 100 gouden sprengschalen. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | שֻׁלְחָנוֹת֮ (shulchanot) = tafels | עֲשָׂרָה֒ (asara) = tien | וַיַּנַּח֙ (vayanach) = en hij plaatste | בַּֽהֵיכָ֔ל (baheikhal) = in de hoofdzaal | חֲמִשָּׁ֥ה (chamisha) = vijf | מִיָּמִ֖ין (miyamin) = rechts | וַחֲמִשָּׁ֣ה (vachamisha) = en vijf | מִשְּׂמֹ֑אול (misemovl) = links | וַיַּ֛עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | מִזְרְקֵ֥י (mizreqei) = sprengschalen van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מֵאָֽה (mea) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֻׁלְחָנוֹת (shulchanot), ‘tafels’: tien tafels, voor het toonbrood (vers 19). In 1 Kon. 7:48 staat één tafel. מִזְרְקֵי זָהָב (mizreqe zahav), ‘gouden sprengschalen’: schalen om bloed of vloeistof uit te sprenkelen. Zie ook vers 11. Zie ook: Ex 25:23–30; 1 Kon 7:48; 2 Kron 4:11; 2 Kron 4:19; Jes 25:6; Mal 1:12; 1 Kor 10:21 ### De voorhoven **4:9** Hij maakte de voorhof van de priesters, de grote hof en deuren voor de hof. De deuren bekleedde hij met koper. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ֙ (vayaas) = en hij maakte | חֲצַ֣ר (chatsar) = voorhof van | הַכֹּהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | וְהָעֲזָרָ֖ה (vehaazara) = en de hof | הַגְּדוֹלָ֑ה (hagedola) = de grote | וּדְלָת֧וֹת (udelatot) = en deuren | לָעֲזָרָ֛ה (laazara) = voor de hof | וְדַלְתוֹתֵיהֶ֖ם (vedaltoteihem) = en hun deuren | צִפָּ֥ה (tsipa) = bekleedde hij | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצַר הַכֹּהֲנִים (chatsar hakkohanim), ‘voorhof van de priesters’, en עֲזָרָה (azarah), ‘hof’: een omheinde ruimte. Vergelijk 1 Kon. 6:36 en 7:12. Zie ook: 1 Kon 6:36; 1 Kon 7:12; 2 Kon 21:5 **4:10** De zee zette hij aan de rechterzijde, in het oosten, tegenover het zuiden. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּ֗ם (hayam) = de zee | נָתַ֞ן (natan) = zette hij | מִכֶּ֧תֶף (miketef) = aan de schouder | הַיְמָנִ֛ית (haymanit) = de rechter | קֵ֖דְמָה (qedema) = oostwaarts | מִמּ֥וּל (mimul) = tegenover | נֶֽגְבָּה (negba) = zuidwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 7:39. Rechts is hier de zuidkant van het huis. קֵדְמָה (qedmah), ‘oostwaarts’: letterlijk ‘naar voren’, dat wil zeggen naar het oosten. Zie ook: 1 Kon 7:39 ### Het werk van Churam **4:11** Churam maakte de potten, de scheppen en de sprengschalen. Zo voltooide Churam het werk dat hij voor koning Salomo deed aan het huis van Elohim: Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en maakte | חוּרָ֔ם (churam) = Churam | אֶת (et) = (obj.) | הַ֨סִּיר֔וֹת (hasirot) = de potten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּעִ֖ים (hayaim) = de scheppen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְרָק֑וֹת (hamizraqot) = de sprengschalen | וַיְכַ֣ל (vaykhal) = en voltooide | חוּרָ֗ם (churam) = Churam | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te maken | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשָׂ֛ה (asa) = hij deed | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 7:40. Vanaf hier volgt een opsomming van het werk van Churam, tot vers 16. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft in dit vers één keer חירם (Hiram). De voorgelezen tekst (qere) heeft חוּרָם (Churam). Wij volgen de qere en houden de vorm Churam aan, zoals in 2:2. Zie ook: 1 Kon 7:14; 1 Kon 7:40–51; 2 Kron 4:16 **4:12** twee pilaren; de bollen en de kapitelen boven op de pilaren, twee; de twee netwerken om de twee bollen van de kapitelen te bedekken die boven op de pilaren zaten; Brontekst: עַמּוּדִ֣ים (amudim) = pilaren | שְׁנַ֔יִם (shenayim) = twee | וְהַגֻּלּ֧וֹת (vehagulot) = en de bollen | וְהַכֹּתָר֛וֹת (vehakotarot) = en de kapitelen | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = de kop van | הָעַמּוּדִ֖ים (haamudim) = de pilaren | שְׁתָּ֑יִם (shetayim) = twee | וְהַשְּׂבָכ֣וֹת (vehasevakhot) = en de netwerken | שְׁתַּ֔יִם (shetayim) = twee | לְכַסּ֗וֹת (lekhasot) = om te bedekken | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | גֻּלּ֣וֹת (gulot) = bollen van | הַכֹּֽתָר֔וֹת (hakotarot) = de kapitelen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = de kop van | הָֽעַמּוּדִֽים (haamudim) = de pilaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֻּלּוֹת (gullot), ‘bollen’, כֹּתָרוֹת (kotarot), ‘kapitelen’ en שְׂבָכוֹת (sevakhot), ‘netwerken’: zie 1 Kon. 7:41. Het woord ‘twee’ achter ‘op de pilaren’ slaat waarschijnlijk op beide bollen en kapitelen. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: 1 Kon 7:41; 2 Kron 3:15–17 **4:13** de 400 granaatappels voor de twee netwerken, twee rijen granaatappels voor elk netwerk, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken die aan de voorkant van de pilaren zaten; Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽרִמּוֹנִ֛ים (harimonim) = de granaatappels | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | לִשְׁתֵּ֣י (lishtei) = voor de twee | הַשְּׂבָכ֑וֹת (hasevakhot) = de netwerken | שְׁנַ֨יִם (shenayim) = twee | טוּרִ֤ים (turim) = rijen | רִמּוֹנִים֙ (rimonim) = granaatappels | לַשְּׂבָכָ֣ה (lasevakha) = voor het netwerk | הָאֶחָ֔ת (haechat) = het ene | לְכַסּ֗וֹת (lekhasot) = om te bedekken | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | גֻּלּ֣וֹת (gulot) = bollen van | הַכֹּֽתָר֔וֹת (hakotarot) = de kapitelen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = de voorkant van | הָעַמּוּדִֽים (haamudim) = de pilaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִמּוֹנִים (rimmonim), ‘granaatappels’: 400, twee rijen voor elk netwerk. Vergelijk 1 Kon. 7:42. עַל פְּנֵי הָעַמּוּדִים (al penei ha’ammudim), ‘aan de voorkant van de pilaren’: letterlijk ‘op het gezicht van de pilaren’. Zie ook: Ex 28:33–34; Hoogl 4:13; 1 Kon 7:20; 1 Kon 7:42; Jer 52:23 **4:14** de onderstellen die hij maakte, en de wasbekkens die hij op de onderstellen maakte; Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּכֹנ֖וֹת (hamekhonot) = de onderstellen | עָשָׂ֑ה (asa) = maakte hij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכִּיֹּר֥וֹת (hakiyorot) = de wasbekkens | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte hij | עַל (al) = op | הַמְּכֹנֽוֹת (hamekhonot) = de onderstellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְכֹנוֹת (mekhonot), ‘onderstellen’: de tien onderstellen met wielen voor de wasbekkens, zie 1 Kon. 7:27–37. Zie ook: 1 Kon 7:27–43 **4:15** de ene zee en de twaalf runderen eronder; Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | אֶחָ֑ד (echad) = een | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבָּקָ֥ר (habaqar) = de runderen | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = eronder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:16** de potten, de scheppen, de vorken en al hun voorwerpen. Dit maakte Churam-Abi voor koning Salomo, voor het huis van Yahweh, van gepolijst koper. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֠סִּירוֹת (hasirot) = de potten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּעִ֤ים (hayaim) = de scheppen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְלָגוֹת֙ (hamizlagot) = de vorken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כְּלֵיהֶ֔ם (keleihem) = hun voorwerpen | עָשָׂ֞ה (asa) = maakte | חוּרָ֥ם (churam) = Churam | אָבִ֛יו (aviv) = Abi | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = koper | מָרֽוּק (maruq) = gepolijst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוּרָם אָבִיו (Churam aviv), ‘Churam, zijn vader’: hier staat dezelfde titel als in 2:12, maar met ‘zijn’. Wij vertalen ‘Churam-Abi’, zoals in 2:12. De titel ‘vader’ kan ‘meester’ of ‘raadsman’ betekenen. In 1 Kon. 7:13–14 en 7:40 heet hij Hiram. Voetnoot : מִזְלָגוֹת (mizlagot), ‘vorken’: gereedschap met drie tanden, om vlees te pakken. Het woord staat hier in plaats van ‘sprengschalen’ in 1 Kon. 7:45. Voetnoot : נְחֹשֶׁת מְמֹרָט (nechoshet marut), ‘gepolijst koper’: zoals in 1 Kon. 7:45. Zie ook: 1 Sam 2:13–14; 1 Kron 28:17; 1 Kon 7:13–14; 1 Kon 7:40; 1 Kon 7:45; 2 Kron 2:12; 2 Kron 4:11 **4:17** In de Jordaanvlakte liet de koning ze gieten, in de klei, tussen Sukkot en Zeredata. Brontekst: בְּכִכַּ֤ר (bekhikar) = in de vlakte van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | יְצָקָ֣ם (yetsaqam) = goot ze | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | בַּעֲבִ֖י (baavi) = in de dikte van | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | בֵּ֥ין (bein) = tussen | סֻכּ֖וֹת (sukot) = Sukkot | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | צְרֵדָֽתָה (tseredata) = Zeredata Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Jordaanvlakte (כִּכַּר הַיַּרְדֵּן, kikkar hayarden) is het vlakke gebied langs de Jordaan (Israël en Jordanië). Hier betekent kikkar ‘vlakte’, niet ‘talent’. Sukkot (סֻכּוֹת) lag waarschijnlijk bij het huidige Tell Deir Alla, ten oosten van de Jordaan in Jordanië. Zeredata (צְרֵדָתָה) lag in de buurt; de ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 7:46 staat Zaretan (צָרְתָן) in plaats van Zeredata. Het is waarschijnlijk dezelfde plaats. Wij houden de spelling van elk boek aan. Voetnoot : בַּעֲבִי הָאֲדָמָה (ba’avi ha’adamah), ‘in de klei’: letterlijk ‘in de dikte van de grond’. Dat is de kleiachtige grond waarin de mallen werden gemaakt. Zie ook: 1 Kon 7:46 **4:18** Salomo maakte al deze voorwerpen in zeer grote hoeveelheid. Want het gewicht van het koper werd niet vastgesteld. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en maakte | שְׁלֹמֹ֛ה (shelomo) = Salomo | כָּל (kal) = al | הַכֵּלִ֥ים (hakelim) = de voorwerpen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לָרֹ֣ב (larov) = in menigte | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | נֶחְקַ֖ר (nechqar) = werd vastgesteld | מִשְׁקַ֥ל (mishqal) = het gewicht van | הַנְּחֹֽשֶׁת (hanechoshet) = het koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 7:47. Het gewicht van het koper is niet vastgesteld, omdat het zoveel was. Zie ook: 1 Kron 22:3; 1 Kron 22:14; 1 Kon 7:47; Jer 52:20 ### De gouden voorwerpen **4:19** Salomo maakte ook alle voorwerpen voor het huis van Elohim: het gouden altaar en de tafels met het toonbrood erop; Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en maakte | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = de voorwerpen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשֻּׁלְחָנ֔וֹת (hashulchanot) = de tafels | וַעֲלֵיהֶ֖ם (vaaleihem) = en erop | לֶ֥חֶם (lechem) = brood van | הַפָּנִֽים (hapanim) = het aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזְבַּח הַזָּהָב (mizbach hazzahav), ‘het gouden altaar’: het altaar voor het reukwerk, zie Exod. 30:1–6 en 1 Kon. 7:48. לֶחֶם הַפָּנִים (lechem happanim), ‘toonbrood’: het brood dat steeds voor het aangezicht van Yahweh lag, zie Exod. 25:30 en Lev. 24:5–9. Zie ook: Ex 25:30; Ex 30:1–6; Ex 37:25–29; Lev 24:5–9; 1 Kon 7:48; 2 Kron 4:8; 2 Kron 36:18; Ezra 1:7–11; Openb 9:13 **4:20** de kandelaars en hun lampen, om volgens de bepaling te branden voor het binnenste vertrek, van zuiver goud; Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּנֹר֞וֹת (hamenorot) = de kandelaars | וְנֵרֹתֵיהֶ֗ם (veneroteihem) = en hun lampen | לְבַעֲרָ֧ם (levaaram) = om ze te laten branden | כַּמִּשְׁפָּ֛ט (kamishpat) = volgens de bepaling | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַדְּבִ֖יר (hadevir) = het binnenste vertrek | זָהָ֥ב (zahav) = goud | סָגֽוּר (sagur) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבַעֲרָם (leva’aram), ‘om ze te laten branden’: de lampen moesten steeds branden. Zie Exod. 27:20–21. זָהָב סָגוּר (zahav sagur), ‘zuiver goud’: zoals in 1 Kon. 6:20. Vergelijk 1 Kon. 7:49. Zie ook: Ex 25:31–37; Ex 27:20–21; Ps 28:2; 1 Kon 6:5; 1 Kon 6:20; 1 Kon 7:49; 1 Kon 8:6; 2 Kron 4:7 **4:21** de bloemen, de lampen en de tangen, van goud, van volmaakt goud; Brontekst: וְהַפֶּ֧רַח (vehaperach) = en de bloem | וְהַנֵּר֛וֹת (vehanerot) = en de lampen | וְהַמֶּלְקַחַ֖יִם (vehamelqachayim) = en de tangen | זָהָ֑ב (zahav) = goud | ה֖וּא (hu) = het | מִכְל֥וֹת (mikhlot) = volmaaktheid van | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפֶּרַח (happerach), ‘de bloem’: een sierstuk van de kandelaar, zoals in 1 Kon. 7:49. מַלְקָחַיִם (malqachayim), ‘tangen’. מִכְלוֹת זָהָב (mikhlot zahav), ‘volmaakt goud’: letterlijk ‘volmaaktheden van goud’. De betekenis is niet zeker. Het gaat om het zuiverste goud. Zie ook: Ex 25:31–40; Ex 37:20; 1 Kon 6:29; 1 Kon 6:35; 1 Kon 7:49; 2 Kron 4:5 **4:22** de snuitscharen, de sprengschalen, de schalen en de vuurpannen, van zuiver goud. Ook de ingang van het huis, zijn binnenste deuren naar het hoogheilige en de deuren van het huis naar de hoofdzaal, waren van goud. Brontekst: וְהַֽמְזַמְּר֧וֹת (vehamzamerot) = en de snuitscharen | וְהַמִּזְרָק֛וֹת (vehamizraqot) = en de sprengschalen | וְהַכַּפּ֥וֹת (vehakapot) = en de schalen | וְהַמַּחְתּ֖וֹת (vehamachtot) = en de vuurpannen | זָהָ֣ב (zahav) = goud | סָג֑וּר (sagur) = zuiver | וּפֶ֣תַח (ufetach) = en de ingang van | הַ֠בַּיִת (habayit) = het huis | דַּלְתוֹתָ֨יו (daltotav) = zijn deuren | הַפְּנִימִיּ֜וֹת (hapenimiyot) = de binnenste | לְקֹ֣דֶשׁ (leqodesh) = naar het heilige | הַקֳּדָשִׁ֗ים (haqodashim) = van de heiligen | וְדַלְתֵ֥י (vedaltei) = en de deuren van | הַבַּ֛יִת (habayit) = het huis | לַהֵיכָ֖ל (laheikhal) = naar de hoofdzaal | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְזַמְּרוֹת (mezammerot), ‘snuitscharen’: om de lampen bij te knippen. כַּפּוֹת (kappot), ‘schalen’. מַחְתּוֹת (machtot), ‘vuurpannen’. Vergelijk 1 Kon. 7:50. Daar staan ook de bekkens en de scharnieren van de deuren. Voetnoot : בֵּית קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (hoogheilige) en הֵיכָל (hekal, hoofdzaal): zoals in 3:8 en 1 Kon. 6:16–17. Zie ook: Ex 37:23; 1 Kon 6:16–17; 1 Kon 7:50; 2 Kon 12:14; 2 Kon 25:14; Jer 52:18 ## 2 Kronieken 5 _De ark komt in het huis en de heerlijkheid van Yahweh vult het_ ### Het werk is klaar **5:1** Zo was al het werk klaar dat Salomo voor het huis van Yahweh deed. Salomo bracht de gewijde gaven van zijn vader David binnen: het zilver, het goud en alle voorwerpen. Hij legde ze in de schatkamers van het huis van Elohim. Brontekst: וַתִּשְׁלַם֙ (vatishlam) = en werd voltooid | כָּל (kal) = al | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּבֵ֨א (vayave) = en bracht binnen | שְׁלֹמֹ֜ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | קָדְשֵׁ֣י (qadeshei) = de gewijde gaven van | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֗יו (aviv) = zijn vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכֶּ֤סֶף (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָב֙ (hazahav) = het goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = voorwerpen | נָתַ֕ן (natan) = legde hij | בְּאֹצְר֖וֹת (beotserot) = in de schatkamers van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדְשֵׁי דָוִיד (qodshe David), ‘de gewijde gaven van David’: wat David aan Yahweh had gewijd (1 Kron. 18:11; 29:2–5). Voetnoot : בֵּית הָאֱלֹהִים (bet ha’Elohim), ‘huis van Elohim’: Kronieken zegt vaak ‘huis van Elohim’ naast ‘huis van Yahweh’. Het is hetzelfde gebouw; wij vertalen beide woordelijk. Voetnoot : Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 7:51 en 8:1–11. Waar de tekst afwijkt, wijzen wij dat aan. Zie ook: 2 Sam 8:11; 1 Kron 18:11; 1 Kron 22:14; 1 Kron 26:26–28; 1 Kron 29:2; 1 Kon 7:51; 1 Kon 8:1 ### De ark wordt omhoog gebracht **5:2** Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen, en alle hoofden van de stammen, de leiders van de vaderhuizen van de zonen van Israël, in Jeruzalem. Dat deed hij om de ark van het verbond van Yahweh omhoog te brengen uit de stad van David, dat is Sion. Brontekst: אָז֩ (az) = toen | יַקְהֵ֨יל (yaqheil) = riep bijeen | שְׁלֹמֹ֜ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | רָאשֵׁ֨י (rashei) = hoofden van | הַמַּטּ֜וֹת (hamatot) = de stammen | נְשִׂיאֵ֧י (nesiei) = leiders van | הָאָב֛וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לְֽהַעֲל֞וֹת (lehaalot) = om omhoog te brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֧וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעִ֥יר (meir) = uit de stad van | דָּוִ֖יד (david) = David | הִ֥יא (hi) = die | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sion (צִיּוֹן, Tsiyyon) is hier de stad van David, het oudste deel van Jeruzalem, op de zuidoostelijke heuvel (nu Oost-Jeruzalem, Israël). Daar stond de ark sinds 1 Kron. 15:1; 16:1. Voetnoot Uitleg: אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘ark van het verbond van Yahweh’: de ark met de tafelen van het verbond (vers 10; Exod. 25:10–22). Zie ook: Ex 25:10–22; 2 Sam 6:12; 1 Kron 15:1; 1 Kron 16:1; Ps 87:2; 1 Kon 8:1–11; 2 Kron 1:4; 2 Kron 5:10; 2 Kron 5:12 **5:3** Alle mannen van Israël kwamen bij de koning bijeen op het feest. Dat is de zevende maand. Brontekst: וַיִּקָּהֲל֧וּ (vayiqahalu) = en kwamen bijeen | אֶל (el) = bij | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | כָּל (kal) = alle | אִ֥ישׁ (ish) = mannen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בֶּחָ֑ג (bechag) = op het feest | ה֖וּא (hu) = dat | הַחֹ֥דֶשׁ (hachodesh) = de maand | הַשְּׁבִעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָג (chag), ‘feest’: het feest van de hutten, op de vijftiende dag van de zevende maand (Lev. 23:34, 39). 1 Kon. 8:2 noemt de maand bij haar naam, Etanim; hier staat die naam niet. Zie ook: Lev 23:34–36; 1 Kon 8:2; 2 Kron 7:8–10 **5:4** Alle oudsten van Israël kwamen, en de Levieten droegen de ark. Brontekst: וַיָּבֹ֕אוּ (vayavou) = en kwamen | כֹּ֖ל (kol) = alle | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en droegen | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֽוֹן (haaron) = de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Volgens Num. 4:15 en 1 Kron. 15:2 horen de Levieten de ark te dragen. Voetnoot Lezing: In dit vers dragen de Levieten de ark. In 1 Kon. 8:3 dragen de priesters haar. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Num 4:15; Joz 3:6; 1 Kron 15:2; 1 Kron 15:12–14; 1 Kon 8:3; 2 Kron 5:7 **5:5** Zij brachten de ark omhoog, en de tent van samenkomst, en alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters, de Levieten, brachten ze omhoog. Brontekst: וַיַּעֲל֤וּ (vayaalu) = en brachten omhoog | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרוֹן֙ (haaron) = de ark | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֥י (kelei) = voorwerpen van | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּאֹ֑הֶל (baohel) = in de tent | הֶעֱל֣וּ (heelu) = brachten omhoog | אֹתָ֔ם (otam) = ze | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviim), ‘de priesters, de Levieten’: letterlijk ‘de priesters de Levieten’, zonder ‘en’. Dezelfde uitdrukking staat in Deut. 17:9. 1 Kon. 8:4 heeft ‘de priesters en de Levieten’. Wij houden de Hebreeuwse vorm. Zie ook: Deut 17:9; 1 Kon 8:4; 1 Kon 8:6; 2 Kron 1:3 **5:6** Koning Salomo en heel de gemeenschap van Israël, die bij hem was samengekomen, waren voor de ark. Zij brachten slachtoffers van kleinvee en runderen, zoveel dat ze niet geteld en niet nagerekend konden worden. Brontekst: וְהַמֶּ֣לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | וְכָל (vekhal) = en heel | עֲדַ֧ת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | הַנּוֹעָדִ֥ים (hanoadim) = die samengekomen waren | עָלָ֖יו (alav) = bij hem | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאָר֑וֹן (haaron) = de ark | מְזַבְּחִים֙ (mezabechim) = die slachtoffers brachten | צֹ֣אן (tson) = kleinvee | וּבָקָ֔ר (uvaqar) = en runderen | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יִסָּפְר֛וּ (yisaferu) = geteld konden worden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִמָּנ֖וּ (yimanu) = nagerekend konden worden | מֵרֹֽב (merov) = vanwege de menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 6:13; 1 Kron 16:1–2; 1 Kron 29:21; 1 Kon 8:5 **5:7** De priesters brachten de ark van het verbond van Yahweh naar haar plaats. Zij brachten haar naar het binnenste vertrek van het huis, naar het hoogheilige, onder de vleugels van de cherubs. Brontekst: וַיָּבִ֣יאוּ (vayaviu) = en brachten | הַ֠כֹּהֲנִים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֨וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | מְקוֹמ֛וֹ (meqomo) = haar plaats | אֶל (el) = naar | דְּבִ֥יר (devir) = het binnenste vertrek van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | אֶל (el) = naar | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = het heilige van | הַקְּדָשִׁ֑ים (haqedashim) = de heiligen | אֶל (el) = naar | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כַּנְפֵ֥י (kanfei) = de vleugels van | הַכְּרוּבִֽים (hakeruvim) = de cherubs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבִיר (devir), ‘binnenste vertrek’, en קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqqodashim), ‘het hoogheilige’: dezelfde woorden als in 1 Kon. 6:16, 19 en 8:6. Zie ook: Ex 37:6–9; Ps 132:8; 1 Kon 6:16; 1 Kon 6:23–28; 1 Kon 8:6–7; Heb 9:4–5 **5:8** De cherubs spreidden hun vleugels uit boven de plaats van de ark. Zo overdekten de cherubs de ark en haar draagstokken van boven. Brontekst: וַיִּהְי֤וּ (vayihyu) = en waren | הַכְּרוּבִים֙ (hakeruvim) = de cherubs | פֹּרְשִׂ֣ים (poresim) = uitspreidend | כְּנָפַ֔יִם (kenafayim) = vleugels | עַל (al) = boven | מְק֖וֹם (meqom) = de plaats van | הָאָר֑וֹן (haaron) = de ark | וַיְכַסּ֧וּ (vaykhasu) = en overdekten | הַכְּרוּבִ֛ים (hakeruvim) = de cherubs | עַל (al) = boven | הָאָר֥וֹן (haaron) = de ark | וְעַל (veal) = en boven | בַּדָּ֖יו (badav) = haar draagstokken | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:12–15; Ex 37:3–5; Num 4:6 **5:9** De draagstokken waren zo lang dat de uiteinden ervan te zien waren vanaf de ark, voor het binnenste vertrek. Buiten waren ze niet te zien. Ze zijn daar tot op deze dag. Brontekst: וַֽיַּאֲרִיכוּ֮ (vayaarikhu) = en waren lang | הַבַּדִּים֒ (habadim) = de draagstokken | וַיֵּרָאוּ֩ (vayerau) = en werden gezien | רָאשֵׁ֨י (rashei) = de uiteinden van | הַבַּדִּ֤ים (habadim) = de draagstokken | מִן (min) = vanaf | הָאָרוֹן֙ (haaron) = de ark | עַל (al) = voor | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | הַדְּבִ֔יר (hadevir) = het binnenste vertrek | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יֵרָא֖וּ (yerau) = werden gezien | הַח֑וּצָה (hachutsa) = buiten | וַֽיְהִי (vayhi) = en ze waren | שָׁ֔ם (sham) = daar | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Tot op deze dag’ staat ook in 1 Kon. 8:8. Het zijn woorden van de schrijver. Voetnoot Lezing: In 1 Kon. 8:8 zijn de uiteinden van de draagstokken ‘vanuit het heilige’ te zien. Hier staat ‘vanaf de ark’ (מִן הָאָרוֹן). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 8:8–9 **5:10** In de ark was niets, alleen de twee tafelen die Mozes erin had gelegd bij de Horeb. Toen sloot Yahweh een verbond met de zonen van Israël, bij hun uittocht uit Egypte. Brontekst: אֵ֚ין (ein) = niets | בָּֽאָר֔וֹן (baaron) = in de ark | רַ֚ק (raq) = alleen | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | הַלֻּח֔וֹת (haluchot) = de tafelen | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥ן (natan) = legde | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּחֹרֵ֑ב (bechorev) = bij de Horeb | אֲשֶׁ֨ר (asher) = toen | כָּרַ֤ת (karat) = sloot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִם (im) = met | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּצֵאתָ֖ם (betsetam) = bij hun uittocht | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Horeb (חֹרֵב) is de berg van het verbond, ook Sinaï genoemd. Horeb en Sinaï zijn dezelfde berg (Deut. 5:2; Exod. 19:11). De ligging is niet zeker: het zuiden van het Sinaï-schiereiland of elders. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נָתַן (natan), ‘geven, leggen’: Mozes legde de tafelen erin (Exod. 25:21; 40:20; Deut. 10:5). 1 Kon. 8:9 heeft hier een ander werkwoord, הִנִּיחַ (hinnich), ‘neerleggen’, en noemt de tafelen ‘stenen’. Zie ook: Ex 19:5; Ex 19:11; Ex 24:7–8; Ex 25:21; Ex 40:20; Deut 5:2; Deut 10:2–5; Deut 10:5; 1 Kon 8:9; 2 Kron 6:11; Heb 9:4 ### De zangers en de wolk van Yahweh **5:11** Het gebeurde dat de priesters uit het heilige naar buiten kwamen. Want alle priesters die aanwezig waren, hadden zich geheiligd. Er werd niet gelet op de afdelingen. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het gebeurde | בְּצֵ֥את (betset) = bij het uitgaan van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | מִן (min) = uit | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | כִּ֠י (ki) = want | כָּל (kal) = alle | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | הַֽנִּמְצְאִים֙ (hanimtseim) = die aanwezig waren | הִתְקַדָּ֔שׁוּ (hitqadashu) = hadden zich geheiligd | אֵ֖ין (ein) = niet | לִשְׁמ֥וֹר (lishmor) = om te letten op | לְמַחְלְקֽוֹת (lemachleqot) = de afdelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de groepen priesters die om beurten dienst deden (1 Kron. 24:1–19). Bij deze plechtigheid hielden alle aanwezige priesters zich niet aan die beurten. Voetnoot : De zin begint hier: ‘Het gebeurde dat de priesters naar buiten kwamen.’ De Hebreeuwse tekst gaat pas in vers 13 verder met wat er toen gebeurde (‘het huis werd gevuld’). De verzen 11–12 vertellen tussendoor wie er aanwezig waren. Zie ook: Job 1:5; 1 Kron 24:1–19; 2 Kron 5:13; 2 Kron 29:5; 2 Kron 29:15; 2 Kron 30:17–20; 2 Kron 35:4 **5:12** De Levieten die zangers waren, allen, Asaf, Heman en Jedutun, met hun zonen en hun broeders, waren gekleed in fijn linnen. Zij stonden aan de oostkant van het altaar, met bekkens, harpen en lieren. Bij hen waren 120 priesters die op trompetten bliezen. Brontekst: וְהַלְוִיִּ֣ם (vehalviyim) = en de Levieten | הַמְשֹׁרֲרִ֣ים (hamshorarim) = de zangers | לְכֻלָּ֡ם (lekhulam) = allen | לְאָסָ֡ף (leasaf) = Asaf | לְהֵימָ֣ן (leheiman) = Heman | לִֽ֠ידֻתוּן (lidutun) = Jedutun | וְלִבְנֵיהֶ֨ם (velivneihem) = en hun zonen | וְלַאֲחֵיהֶ֜ם (velaacheihem) = en hun broeders | מְלֻבָּשִׁ֣ים (melubashim) = gekleed | בּ֗וּץ (buts) = in fijn linnen | בִּמְצִלְתַּ֨יִם֙ (bimtsiltayim) = met bekkens | וּבִנְבָלִ֣ים (uvinvalim) = en harpen | וְכִנֹּר֔וֹת (vekhinorot) = en lieren | עֹמְדִ֖ים (omedim) = staande | מִזְרָ֣ח (mizrach) = ten oosten van | לַמִּזְבֵּ֑חַ (lamizbeach) = het altaar | וְעִמָּהֶ֤ם (veimahem) = en bij hen | כֹּֽהֲנִים֙ (kohanim) = priesters | לְמֵאָ֣ה (lemea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֔ים (veesrim) = en twintig | מַחְצְרִ֖ים (machtserim) = die trompetten bliezen | בַּחֲצֹֽצְרֽוֹת (bachatsotserot) = op trompetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Asaf, Heman en Jedutun zijn de drie zangers die David aanstelde (1 Kron. 15:17; 16:41; 25:1). In 1 Kron. 15:17 en 15:19 heet de derde zanger Etan. בּוּץ (buts), ‘fijn linnen’: een dunne stof van linnen. Voetnoot : מְשֹׁרֲרִים (meshorerim), ‘zangers’; נֵבֶל (nevel), ‘harp’; כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’; מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: zoals in 1 Kron. 15:16, 19. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is מחצררים; de gelezen vorm (qere) is מַחְצְרִים (machtsetsrim), ‘die op trompetten bliezen’. In vers 13 verschilt ook de geschreven vorm van de gelezen vorm. Wij nemen telkens de qere. Zie ook: 1 Kron 6:18; 1 Kron 6:24; 1 Kron 15:16; 1 Kron 15:17; 1 Kron 15:19; 1 Kron 15:24; 1 Kron 16:41; 1 Kron 23:5; 1 Kron 25:1; 2 Kron 5:13; 2 Kron 7:6 **5:13** De trompetblazers en de zangers waren als één. Zij lieten één geluid horen om Yahweh te prijzen en te danken. Zij verhieven hun stem met trompetten, bekkens en instrumenten voor het lied. Zij prezen Yahweh: ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig.’ Het huis werd gevuld met een wolk, het huis van Yahweh. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְ֠אֶחָד (keechad) = als één | לַמְחַצְּרִ֨ים (lamchatserim) = voor de trompetblazers | וְלַמְשֹֽׁרֲרִ֜ים (velamshorarim) = en voor de zangers | לְהַשְׁמִ֣יעַ (lehashmia) = om te laten horen | קוֹל (qol) = geluid | אֶחָ֗ד (echad) = één | לְהַלֵּ֣ל (lehalel) = om te prijzen | וּלְהֹדוֹת֮ (ulehodot) = en te danken | לַיהוָה֒ (laYahweh) = aan Yahweh | וּכְהָרִ֣ים (ukheharim) = en bij het verheffen van | ק֠וֹל (qol) = stem | בַּחֲצֹצְר֨וֹת (bachatsotserot) = met trompetten | וּבִמְצִלְתַּ֜יִם (uvimtsiltayim) = en met bekkens | וּבִכְלֵ֣י (uvikhlei) = en met instrumenten van | הַשִּׁ֗יר (hashir) = het lied | וּבְהַלֵּ֤ל (uvehalel) = en bij het prijzen | לַיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | כִּ֣י (ki) = dat | ט֔וֹב (tov) = goed | כִּ֥י (ki) = want | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | חַסְדּ֑וֹ (chasdo) = Zijn trouw | וְהַבַּ֛יִת (vehabayit) = en het huis | מָלֵ֥א (male) = was vol | עָנָ֖ן (anan) = wolk | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי טוֹב כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (ki tov ki le’olam chasdo), ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’: dit is het vaste lofrefrein, ook in 1 Kron. 16:34, Ps. 136:1 en Ps. 118:1. חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Voetnoot : עָנָן (anan), ‘wolk’: zoals bij de tabernakel (Exod. 40:34–35) en in 1 Kon. 8:10. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is למחצצרים; de gelezen vorm (qere) is לַמְחַצְּרִים (lamechatsetsrim), ‘voor de trompetblazers’. Wij nemen de qere, zoals in vers 12. Zie ook: Ex 40:34–35; 1 Kron 16:34; Ps 118:1; Ps 136:1; 1 Kon 8:10; 2 Kron 5:12; 2 Kron 7:3; Jes 52:8; Jer 33:11; Ezra 3:11; Openb 5:8–14 **5:14** De priesters konden vanwege de wolk niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van Yahweh vulde het huis van Elohim. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָֽכְל֧וּ (yakhelu) = konden | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | לַעֲמ֥וֹד (laamod) = blijven staan | לְשָׁרֵ֖ת (lesharet) = om te dienen | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | הֶעָנָ֑ן (heanan) = de wolk | כִּֽי (ki) = want | מָלֵ֥א (male) = vulde | כְבוֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: letterlijk ‘gewicht’; de zichtbare aanwezigheid van Yahweh. Vergelijk Exod. 40:34–35 en 1 Kon. 8:11. Zie ook: Ex 40:34–35; Ex 40:35; 1 Kon 8:11; 2 Kron 7:2; Jes 6:1–4; Openb 15:8 ## 2 Kronieken 6 _Het gebed van Salomo bij de inwijding van het huis_ ### Salomo spreekt tot het volk **6:1** Toen zei Salomo: „Yahweh heeft gezegd dat Hij in de donkere wolk zou wonen. Brontekst: אָ֖ז (az) = toen | אָמַ֣ר (amar) = zei | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אָמַ֔ר (amar) = heeft gezegd | לִשְׁכּ֖וֹן (lishkon) = te wonen | בָּעֲרָפֶֽל (baarafel) = in de donkere wolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt grotendeels parallel met 1 Kon. 8:12–53. De verzen 41–42 staan daar niet. Waar de tekst afwijkt, wijzen wij dat aan. Voetnoot : עֲרָפֶל (arafel), ‘donkere wolk’: zoals in Exod. 20:21 en Deut. 4:11. De verzen 1–2 zijn een kort lied van Salomo (1 Kon. 8:12–13). Zie ook: Ex 20:21; Lev 16:2; Deut 4:11; Ps 18:9–12; 1 Kon 8:12–50; Nah 1:3 **6:2** Ik heb voor U een verheven huis gebouwd, een vaste plaats voor U om voor altijd te wonen.” Brontekst: וַֽאֲנִ֛י (vaani) = en ik | בָּנִ֥יתִי (baniti) = heb gebouwd | בֵית (beit) = een huis van | זְבֻ֖ל (zevul) = verheffing | לָ֑ךְ (lakh) = voor U | וּמָכ֥וֹן (umakhon) = en een vaste plaats | לְשִׁבְתְּךָ֖ (leshivtekha) = voor Uw woning | עוֹלָמִֽים (olamim) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְבֻל (zevul), ‘verheven woning’. מָכוֹן (makon), ‘vaste plaats’: het woord komt ook voor in de verzen 30, 33 en 39, waar het de hemel is. Zie ook: 2 Sam 7:13; 1 Kron 17:12; 1 Kron 22:10–11; Ps 132:5; 2 Kron 2:3–5 **6:3** De koning draaide zich om en zegende heel de vergadering van Israël. Heel de vergadering van Israël stond. Brontekst: וַיַּסֵּ֤ב (vayasev) = en draaide om | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | פָּנָ֔יו (panav) = zijn gezicht | וַיְבָ֕רֶךְ (vayvarekh) = en zegende | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | קְהַ֣ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְכָל (vekhal) = en heel | קְהַ֥ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עוֹמֵֽד (omed) = staande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 6:23–27; Joz 22:6; 1 Kon 8:14; 1 Kon 8:55–61; Mat 13:2 **6:4** Hij zei: „Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël. Hij heeft met Zijn mond gesproken tot mijn vader David, en met Zijn hand heeft Hij het vervuld. Hij zei: Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend is | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | דִּבֶּ֣ר (diber) = heeft gesproken | בְּפִ֔יו (befiv) = met Zijn mond | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וּבְיָדָ֥יו (uveyadav) = en met Zijn hand | מִלֵּ֖א (mile) = heeft vervuld | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Salomo haalt hier woorden van Yahweh aan (verzen 5–6 en 8–9). Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat een mens ze citeert. Zo ook in 1 Kon. 8:15–19 en bij Natan in 1 Kron. 17:4–14. Voetnoot : בָּרוּךְ (baruch), ‘gezegend’: Yahweh wordt geprezen. De belofte waarnaar Salomo verwijst staat in 2 Sam. 7:12–13 en 1 Kron. 22:7–10. Zie ook: 2 Sam 7:12–13; 1 Kron 17:4–14; 1 Kron 17:12; 1 Kron 22:7–10; Ps 68:33–36; Ps 72:18–19; 1 Kon 8:15–19; Mat 24:35; Luc 1:68–70 **6:5** ‘Vanaf de dag dat Ik Mijn volk uit het land Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad gekozen om een huis te bouwen. Daar zou Mijn naam zijn. En Ik heb geen man gekozen om leider te zijn over Mijn volk Israël. Brontekst: מִן (min) = vanaf | הַיּ֗וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הוֹצֵ֣אתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּי֮ (ami) = Mijn volk | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | לֹא (lo) = niet | בָחַ֣רְתִּֽי (bacharti) = heb Ik gekozen | בְעִ֗יר (beir) = een stad | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לִבְנ֣וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֔יִת (bayit) = een huis | לִהְי֥וֹת (lihyot) = zodat zou zijn | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְלֹא (velo) = en niet | בָחַ֣רְתִּֽי (bacharti) = heb Ik gekozen | בְאִ֔ישׁ (beish) = een man | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | נָגִ֖יד (nagid) = leider | עַל (al) = over | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: een aangewezen leider of vorst, zoals in 1 Kron. 17:7. Voetnoot Lezing: De verzen 5–6 hebben meer dan 1 Kon. 8:16. Hier staat ook: ‘Ik heb geen man gekozen om leider te zijn over Mijn volk.’ Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ex 20:24; 1 Sam 10:24; 2 Sam 7:15–16; 1 Kron 17:7; 1 Kon 8:16; Dan 9:19 **6:6** Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, zodat Mijn naam daar zou zijn. En Ik heb David gekozen om over Mijn volk Israël te zijn.’ Brontekst: וָאֶבְחַר֙ (vaevchar) = en Ik koos | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = Jeruzalem | לִהְי֥וֹת (lihyot) = zodat zou zijn | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | שָׁ֑ם (sham) = daar | וָאֶבְחַ֣ר (vaevchar) = en Ik koos | בְּדָוִ֔יד (bedavid) = David | לִהְי֖וֹת (lihyot) = om te zijn | עַל (al) = over | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier wordt de gekozen stad bij naam genoemd: Jeruzalem. Vergelijk Deut. 12:5, 11: Yahweh zou een plaats kiezen om Zijn naam daar te laten wonen. In 1 Kon. 8:16 staat alleen dat Yahweh David koos. Zie ook: Deut 12:5; 1 Kron 28:4; Ps 48:2; Ps 78:68–70; Ps 132:13; 1 Kon 8:16; 2 Kron 12:13 **6:7** Mijn vader David had het in zijn hart om een huis te bouwen voor de naam van Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | עִם (im) = met | לְבַ֖ב (levav) = het hart van | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | לִבְנ֣וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֔יִת (bayit) = een huis | לְשֵׁ֥ם (leshem) = voor de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 7:2–3; 1 Kron 17:1; 1 Kron 22:7; 1 Kron 28:2–4; 1 Kon 5:17 **6:8** Yahweh zei tegen mijn vader David: ‘Omdat het in je hart was om een huis te bouwen voor Mijn naam, heb je goed gedaan. Het was immers in je hart. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | יַ֗עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | הָיָה֙ (haya) = het was | עִם (im) = met | לְבָ֣בְךָ֔ (levavekha) = je hart | לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֖יִת (bayit) = een huis | לִשְׁמִ֑י (lishmi) = voor Mijn naam | הֱֽטִיב֔וֹתָ (hetivota) = heb je goed gedaan | כִּ֥י (ki) = want | הָיָ֖ה (haya) = het was | עִם (im) = met | לְבָבֶֽךָ (levavekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 8:18–21; Mar 14:8; 2 Kor 8:12 **6:9** Alleen, jij zult het huis niet bouwen. Maar je zoon, die uit je lendenen voortkomt, hij zal het huis bouwen voor Mijn naam.’ Brontekst: רַ֣ק (raq) = alleen | אַתָּ֔ה (ata) = jij | לֹ֥א (lo) = niet | תִבְנֶ֖ה (tivne) = zult bouwen | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | כִּ֤י (ki) = maar | בִנְךָ֙ (binkha) = je zoon | הַיּוֹצֵ֣א (hayotse) = die voortkomt | מֵֽחֲלָצֶ֔יךָ (mechalatseikha) = uit je lendenen | הֽוּא (hu) = hij | יִבְנֶ֥ה (yivne) = zal bouwen | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | לִשְׁמִֽי (lishmi) = voor Mijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלָצַיִם (chalatsayim), ‘lendenen’: ‘uit je lendenen voortkomen’ betekent ‘van jou afstammen’, zoals in Gen. 35:11. Zie ook: Gen 35:11; 2 Sam 7:12–13; 1 Kron 17:4; 1 Kron 17:11–12 **6:10** Yahweh heeft Zijn woord bevestigd dat Hij heeft gesproken. Ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David en ik zit op de troon van Israël, zoals Yahweh heeft gesproken. Ik heb het huis gebouwd voor de naam van Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: וַיָּ֣קֶם (vayaqem) = en bevestigde | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָר֖וֹ (devaro) = Zijn woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבֵּ֑ר (diber) = Hij heeft gesproken | וָאָק֡וּם (vaaqum) = en ik ben opgestaan | תַּחַת֩ (tachat) = in de plaats van | דָּוִ֨יד (david) = David | אָבִ֜י (avi) = mijn vader | וָאֵשֵׁ֣ב (vaeshev) = en ik zit | עַל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij heeft gesproken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וָאֶבְנֶ֣ה (vaevne) = en ik heb gebouwd | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | לְשֵׁ֥ם (leshem) = voor de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 17:11; 1 Kron 28:5; 1 Kron 29:15; 1 Kron 29:23; 1 Kon 3:6–7 **6:11** Daar heb ik de ark neergezet. In de ark ligt het verbond van Yahweh, dat Hij sloot met de zonen van Israël.” Brontekst: וָאָשִׂ֥ים (vaasim) = en ik heb gezet | שָׁם֙ (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אָר֔וֹן (haaron) = de ark | אֲשֶׁר (asher) = waarin | שָׁ֖ם (sham) = daar | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּרַ֖ת (karat) = Hij sloot | עִם (im) = met | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat dat het verbond met ‘de zonen van Israël’ is gesloten. In 1 Kon. 8:21 staat ‘met onze vaders’. Zie ook: Ex 40:20; 1 Kon 8:21; 2 Kron 5:7; 2 Kron 5:10; Heb 9:4 ### Salomo knielt neer **6:12** Hij ging staan voor het altaar van Yahweh, tegenover heel de vergadering van Israël, en spreidde zijn handen uit. Brontekst: וַֽיַּעֲמֹ֗ד (vayaamod) = en ging staan | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נֶ֖גֶד (neged) = tegenover | כָּל (kal) = heel | קְהַ֣ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּפְרֹ֖שׂ (vayifros) = en spreidde uit | כַּפָּֽיו (kapav) = zijn handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers staat geen naam. Het gaat om Salomo, die in de verzen 1–4 spreekt en in vers 13 wordt genoemd. Zie ook: Job 11:13; Ex 9:33; Ps 63:5; Ps 143:6; 2 Kron 6:13; Jes 50:10 **6:13** Want Salomo had een koperen platform gemaakt en midden op de binnenplaats gezet: vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog. Hij ging erop staan, knielde neer tegenover heel de vergadering van Israël en spreidde zijn handen uit naar de hemel. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עָשָׂ֨ה (asa) = maakte | שְׁלֹמֹ֜ה (shelomo) = Salomo | כִּיּ֣וֹר (kiyor) = een platform van | נְחֹ֗שֶׁת (nechoshet) = koper | וַֽיִּתְּנֵהוּ֮ (vayitenehu) = en zette het | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעֲזָרָה֒ (haazara) = de binnenplaats | חָמֵ֨שׁ (chamesh) = vijf | אַמּ֜וֹת (amot) = el | אָרְכּ֗וֹ (arko) = zijn lengte | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | אַמּוֹת֙ (amot) = el | רָחְבּ֔וֹ (rachbo) = zijn breedte | וְאַמּ֥וֹת (veamot) = en el | שָׁל֖וֹשׁ (shalosh) = drie | קוֹמָת֑וֹ (qomato) = zijn hoogte | וַיַּעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en ging staan | עָלָ֗יו (alav) = erop | וַיִּבְרַ֤ךְ (vayivrakh) = en knielde | עַל (al) = op | בִּרְכָּיו֙ (birkav) = zijn knieën | נֶ֚גֶד (neged) = tegenover | כָּל (kal) = heel | קְהַ֣ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּפְרֹ֥שׂ (vayifros) = en spreidde uit | כַּפָּ֖יו (kapav) = zijn handen | הַשָּׁמָֽיְמָה (hashamayema) = naar de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּיּוֹר (kiyyor), ‘platform’: een koperen verhoging. Hetzelfde woord is elders ‘wasbekken’ (Exod. 30:18; 1 Kon. 7:38). Wij kiezen hier ‘platform’, omdat Salomo erop staat. Voetnoot : עֲזָרָה (azarah), ‘binnenplaats’: een plein bij het huis. De tekst zegt niet precies waar. Het is een ander woord dan חָצֵר (chatser), ‘voorhof’. Voetnoot : Een el is ongeveer 45 cm. Vijf el is dus ongeveer 2,25 meter en drie el ongeveer 1,35 meter. Voetnoot Lezing: Dit platform staat niet in 1 Kon. 8:22. Dat vers zegt alleen dat Salomo voor het altaar stond. In 1 Kon. 8:54 staat dat hij op zijn knieën had gelegen. Zie ook: Ex 30:18; Ps 95:6; 1 Kon 7:38; 1 Kon 8:22; 1 Kon 8:54; Dan 6:11; Ezra 9:5; Neh 8:4 ### Het gebed van Salomo **6:14** Hij zei: „Yahweh, Elohim van Israël, er is geen Elohim zoals U, in de hemel en op de aarde. U houdt het verbond en de trouw voor Uw dienaars, die met heel hun hart voor Uw aangezicht gaan. Brontekst: וַיֹּאמַ֗ר (vayomar) = en zei | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֵין (ein) = er is niet | כָּמ֣וֹךָ (kamokha) = zoals U | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | בַּשָּׁמַ֖יִם (bashamayim) = in de hemel | וּבָאָ֑רֶץ (uvaarets) = en op de aarde | שֹׁמֵ֤ר (shomer) = die houdt | הַבְּרִית֙ (haberit) = het verbond | וְֽהַחֶ֔סֶד (vehachesed) = en de trouw | לַעֲבָדֶ֕יךָ (laavadeikha) = aan Uw dienaars | הַהֹלְכִ֥ים (haholekhim) = die gaan | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | בְּכָל (bekhal) = met heel | לִבָּֽם (libam) = hun hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵין כָּמוֹךָ (ein kamokha), ‘er is niemand zoals U’: vergelijk Exod. 15:11 en Deut. 4:35, 39. חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. ‘Het verbond en de trouw houden’ staat ook in Deut. 7:9. Vanaf hier spreekt Salomo Yahweh rechtstreeks aan, tot en met vers 42. Zie ook: Ex 15:11; Deut 4:35; Deut 7:9; Ps 89:7; Ps 89:9; 2 Kron 6:42; Neh 1:5 **6:15** U hebt gehouden wat U tegen Uw dienaar, mijn vader David, hebt gesproken. Met Uw mond hebt U gesproken en met Uw hand hebt U het vervuld, zoals het vandaag is. Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁמַ֗רְתָּ (shamarta) = U hebt gehouden | לְעַבְדְּךָ֙ (leavdekha) = aan Uw dienaar | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = U hebt gesproken | ל֑וֹ (lo) = tegen hem | וַתְּדַבֵּ֥ר (vatedaber) = en U sprak | בְּפִ֛יךָ (befikha) = met Uw mond | וּבְיָדְךָ֥ (uveyadekha) = en met Uw hand | מִלֵּ֖אתָ (mileta) = hebt U vervuld | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 7:12; 1 Kron 22:9–10; 1 Kon 8:24 **6:16** Nu dan, Yahweh, Elohim van Israël, houd wat U tegen Uw dienaar, mijn vader David, hebt gesproken. U zei: ‘Er zal voor jou niemand worden afgesneden die voor Mijn aangezicht op de troon van Israël zit. Alleen als je zonen op hun weg letten, om in Mijn wet te gaan, zoals jij voor Mijn aangezicht bent gegaan.’ Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | שְׁ֠מֹר (shemor) = houd | לְעַבְדְּךָ֨ (leavdekha) = aan Uw dienaar | דָוִ֤יד (david) = David | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | דִּבַּ֤רְתָּ (dibarta) = U hebt gesproken | לּוֹ֙ (lo) = tegen hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹא (lo) = niet | יִכָּרֵ֨ת (yikaret) = zal afgesneden worden | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | אִישׁ֙ (ish) = man | מִלְּפָנַ֔י (milefanay) = van Mijn aangezicht | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = zittend | עַל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | רַ֠ק (raq) = alleen | אִם (im) = als | יִשְׁמְר֨וּ (yishmeru) = bewaken | בָנֶ֜יךָ (baneikha) = je zonen | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכָּ֗ם (darkam) = hun weg | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | בְּת֣וֹרָתִ֔י (betorati) = in Mijn wet | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הָלַ֖כְתָּ (halakhta) = je bent gegaan | לְפָנָֽי (lefanay) = voor Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: de onderwijzing van Yahweh, de wet van Mozes (Deut. 17:18–20). In 1 Kon. 8:25 staat hier ‘voor Mijn aangezicht te gaan’. Voetnoot : לֹא יִכָּרֵת לְךָ אִישׁ (lo yikkaret lekha ish), ‘er zal voor jou niemand worden afgesneden’: David zal altijd een opvolger op de troon hebben. Zie 1 Kon. 2:4 en 2 Sam. 7:12–16. Zie ook: Deut 17:18–20; 2 Sam 7:12–16; Ps 132:12; 1 Kon 2:4; 1 Kon 8:25; 2 Kron 7:18; Joh 15:14–15 **6:17** Nu dan, Yahweh, Elohim van Israël, laat Uw woord bevestigd worden, dat U tegen Uw dienaar David hebt gesproken. Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | יֵֽאָמֵן֙ (yeamen) = laat bevestigd worden | דְּבָ֣רְךָ֔ (devarekha) = Uw woord | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = U hebt gesproken | לְעַבְדְּךָ֥ (leavdekha) = aan Uw dienaar | לְדָוִֽיד (ledavid) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 7:25–29; 2 Kron 6:4; 2 Kron 6:14; Jes 45:3; Jer 11:5 **6:18** Maar zal Elohim werkelijk bij de mens op de aarde wonen? Zie, de hemel en de hemel van de hemelen kunnen U niet bevatten. Hoeveel minder dit huis dat ik heb gebouwd! Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | הַֽאֻמְנָ֔ם (haumnam) = is het werkelijk dat | יֵשֵׁ֧ב (yeshev) = zal wonen | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = bij | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | הִ֠נֵּה (hine) = zie | שָׁמַ֜יִם (shamayim) = de hemel | וּשְׁמֵ֤י (ushemei) = en de hemel van | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemelen | לֹ֣א (lo) = niet | יְכַלְכְּל֔וּךָ (yekhalkelukha) = kunnen U bevatten | אַ֕ף (af) = hoeveel | כִּֽי (ki) = minder | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בָּנִֽיתִי (baniti) = ik heb gebouwd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַאֻמְנָם (ha’umnam), ‘werkelijk’. Hier staat ‘bij de mens op de aarde’ (אֶת הָאָדָם עַל הָאָרֶץ); 1 Kon. 8:27 heeft alleen ‘op de aarde’. Voetnoot : שְׁמֵי הַשָּׁמַיִם (shemei hashamayim), ‘de hemel van de hemelen’: de hoogste hemel, zoals in Deut. 10:14. Zie ook: Deut 10:14; Ps 139:7–10; 1 Kon 8:27; 2 Kron 2:5; 2 Kron 32:15; Jes 66:1; 2 Kor 12:2 **6:19** Wend U tot het gebed van Uw dienaar en tot zijn smeking, Yahweh, mijn Elohim. Luister naar de roep en naar het gebed dat Uw dienaar voor Uw aangezicht bidt. Brontekst: וּפָנִ֜יתָ (ufanita) = en wend U | אֶל (el) = tot | תְּפִלַּ֧ת (tefilat) = het gebed van | עַבְדְּךָ֛ (avdekha) = Uw dienaar | וְאֶל (veel) = en tot | תְּחִנָּת֖וֹ (techinato) = zijn smeking | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑י (elohay) = mijn Elohim | לִשְׁמֹ֤עַ (lishmoa) = om te luisteren | אֶל (el) = naar | הָרִנָּה֙ (harina) = de roep | וְאֶל (veel) = en naar | הַתְּפִלָּ֔ה (hatefila) = het gebed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = Uw dienaar | מִתְפַּלֵּ֥ל (mitpalel) = bidt | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide kreet, van vreugde of in nood. Zie ook: Ps 20:2–4; Ps 74:20; Ps 130:2; 1 Kon 8:28; Luc 18:1–7 **6:20** Laat Uw ogen dag en nacht geopend zijn over dit huis, over de plaats waarvan U hebt gezegd dat U Uw naam daar zou vestigen. Luister naar het gebed dat Uw dienaar bidt in de richting van deze plaats. Brontekst: לִהְיוֹת֩ (lihyot) = opdat zijn | עֵינֶ֨יךָ (eineikha) = Uw ogen | פְתֻח֜וֹת (petuchot) = geopend | אֶל (el) = naar | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַזֶּה֙ (haze) = dit | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלַ֔יְלָה (valayla) = en 's nachts | אֶל (el) = naar | הַ֨מָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָמַ֔רְתָּ (amarta) = U hebt gezegd | לָשׂ֥וּם (lasum) = om te vestigen | שִׁמְךָ֖ (shimkha) = Uw naam | שָׁ֑ם (sham) = daar | לִשְׁמ֨וֹעַ֙ (lishmoa) = om te luisteren | אֶל (el) = naar | הַתְּפִלָּ֔ה (hatefila) = het gebed | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִתְפַּלֵּ֣ל (yitpalel) = zal bidden | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָשׂוּם שִׁמְךָ שָׁם (lasum shimkha sham), ‘Uw naam daar vestigen’: zoals in Deut. 12:5. In 1 Kon. 8:29 staat hier ‘Mijn naam zal daar zijn’. Zie ook: Deut 12:5; Deut 26:2; Ps 34:16; Ps 121:5; 1 Kon 8:29; 2 Kron 6:6; Dan 6:11 **6:21** Luister naar de smekingen van Uw dienaar en van Uw volk Israël, wanneer zij bidden in de richting van deze plaats. Luister, U, vanuit de plaats waar U woont, vanuit de hemel. Luister dan en vergeef. Brontekst: וְשָׁ֨מַעְתָּ֜ (veshamata) = en luister | אֶל (el) = naar | תַּחֲנוּנֵ֤י (tachanunei) = de smekingen van | עַבְדְּךָ֙ (avdekha) = Uw dienaar | וְעַמְּךָ֣ (veamekha) = en Uw volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִֽתְפַּֽלְל֖וּ (yitpallu) = zullen bidden | אֶל (el) = naar | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְ֠אַתָּה (veata) = en U | תִּשְׁמַ֞ע (tishma) = luister | מִמְּק֤וֹם (mimeqom) = vanuit de plaats van | שִׁבְתְּךָ֙ (shivtekha) = Uw woning | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְשָׁמַעְתָּ֖ (veshamata) = en luister | וְסָלָֽחְתָּ (vesalachta) = en vergeef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁמַע (shama), ‘luisteren’: wij vertalen dit werkwoord in het hele gebed met ‘luisteren’. De vormen met ‘en’ (וְשָׁמַעְתָּ, veshamata) zijn hier een bede. Voetnoot : Vanaf het volgende vers volgen zeven situaties (verzen 22–39). Elke situatie begint met ‘wanneer’ en gaat verder met ‘luister dan vanuit de hemel’. Zie ook: Ps 130:3–4; 2 Kron 6:39; Jes 43:25; Mi 7:18; Dan 9:19 ### Bij een eed **6:22** Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt en hem een eed wordt opgelegd om hem te laten zweren, en die eed komt voor Uw altaar in dit huis, Brontekst: אִם (im) = wanneer | יֶחֱטָ֥א (yecheta) = zondigt | אִישׁ֙ (ish) = een man | לְרֵעֵ֔הוּ (lereehu) = tegen zijn naaste | וְנָֽשָׁא (venasha) = en wordt opgelegd | ב֥וֹ (bo) = hem | אָלָ֖ה (ala) = een eed | לְהַֽאֲלֹת֑וֹ (lehaaloto) = om hem te laten zweren | וּבָ֗א (uva) = en komt | אָלָ֛ה (ala) = de eed | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | מִֽזְבַּחֲךָ֖ (mizbachakha) = Uw altaar | בַּבַּ֥יִת (babayit) = in het huis | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘eed’: een eed met een vloek erbij, bijvoorbeeld in een rechtszaak. Vergelijk Exod. 22:6–10 en Num. 5:19–22. Voetnoot : וְנָשָׁא בוֹ אָלָה (venasha vo alah), ‘en een eed wordt hem opgelegd’: letterlijk ‘en men draagt een eed op hem’. Wij volgen 1 Kon. 8:31. Zie ook: Ex 22:6–10; Ex 22:10; Lev 5:1; Num 5:19–22; Spr 30:9; 1 Kon 8:31; Mat 23:18 **6:23** luister dan vanuit de hemel. Handel en spreek recht over Uw dienaars. Vergeld de goddeloze door zijn weg op zijn eigen hoofd te laten neerkomen. Verklaar de rechtvaardige rechtvaardig door hem te geven naar zijn gerechtigheid. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | תִּשְׁמַ֣ע (tishma) = luister | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | וְעָשִׂ֨יתָ֙ (veasita) = en handel | וְשָׁפַטְתָּ֣ (veshafatta) = en spreek recht | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדֶ֔יךָ (avadeikha) = Uw dienaars | לְהָשִׁ֣יב (lehashiv) = om te vergelden | לְרָשָׁ֔ע (lerasha) = de goddeloze | לָתֵ֥ת (latet) = door te geven | דַּרְכּ֖וֹ (darko) = zijn weg | בְּרֹאשׁ֑וֹ (berosho) = op zijn hoofd | וּלְהַצְדִּ֣יק (ulehatsdiq) = en om rechtvaardig te verklaren | צַדִּ֔יק (tsadiq) = de rechtvaardige | לָ֥תֶת (latet) = door te geven | ל֖וֹ (lo) = hem | כְּצִדְקָתֽוֹ (ketsidqato) = naar zijn gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהָשִׁיב (lehashiv), ‘vergelden’: letterlijk ‘terugbrengen’. In 1 Kon. 8:32 staat hier לְהַרְשִׁיעַ (leharshia), ‘schuldig verklaren’. לְהַצְדִּיק (lehatsdiq), ‘rechtvaardig verklaren’: zoals in Deut. 25:1. Zie ook: Deut 25:1; Spr 17:15; 1 Kon 8:32; Jes 3:10–11; Jer 51:56; Ezech 18:20; Rom 2:9–10 ### Bij een nederlaag **6:24** Wanneer Uw volk Israël verslagen wordt door een vijand, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij terugkeren, Uw naam belijden, bidden en voor Uw aangezicht smeken in dit huis, Brontekst: וְֽאִם (veim) = en wanneer | יִנָּגֵ֞ף (yinagef) = verslagen wordt | עַמְּךָ֧ (amekha) = Uw volk | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | אוֹיֵ֖ב (oyev) = een vijand | כִּ֣י (ki) = omdat | יֶֽחֶטְאוּ (yechetu) = zij zondigen | לָ֑ךְ (lakh) = tegen U | וְשָׁ֨בוּ֙ (veshavu) = en terugkeren | וְהוֹד֣וּ (vehodu) = en belijden | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמֶ֔ךָ (shemekha) = Uw naam | וְהִתְפַּֽלְל֧וּ (vehitpallu) = en bidden | וְהִֽתְחַנְּנ֛וּ (vehitchanenu) = en smeken | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | בַּבַּ֥יִת (babayit) = in het huis | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהוֹדוּ אֶת שְׁמֶךָ (vehodu et shemekha), ‘Uw naam belijden’: het werkwoord (יָדָה, yadah) betekent ‘erkennen, belijden, loven’. Hier gaat het om erkennen wie Yahweh is en om berouw. Vergelijk Lev. 26:40. Zie ook: Lev 26:17; Lev 26:40–42; Deut 4:29–31; Deut 28:25; Dan 9:3–19 **6:25** luister dan vanuit de hemel en vergeef de zonde van Uw volk Israël. Breng hen terug naar de grond die U aan hen en aan hun vaders hebt gegeven. Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en U | תִּשְׁמַ֣ע (tishma) = luister | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְסָ֣לַחְתָּ֔ (vesalachta) = en vergeef | לְחַטַּ֖את (lechatat) = de zonde van | עַמְּךָ֣ (amekha) = Uw volk | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַהֲשֵׁיבוֹתָם֙ (vahasheivotam) = en breng hen terug | אֶל (el) = naar | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥תָּה (natata) = U hebt gegeven | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | וְלַאֲבֹתֵיהֶֽם (velaavoteihem) = en aan hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:15; Joz 21:43; Ps 106:40–47; Jer 33:6–13; Ezra 1:1–6 ### Bij droogte **6:26** Wanneer de hemel is gesloten en er geen regen valt, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij bidden in de richting van deze plaats, Uw naam belijden en van hun zonde terugkeren, omdat U hen laat lijden, Brontekst: בְּהֵעָצֵ֧ר (beheatser) = bij het sluiten van | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מָטָ֖ר (matar) = regen | כִּ֣י (ki) = omdat | יֶֽחֶטְאוּ (yechetu) = zij zondigen | לָ֑ךְ (lakh) = tegen U | וְהִֽתְפַּלְל֞וּ (vehitpallu) = en bidden | אֶל (el) = naar | הַמָּק֤וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּה֙ (haze) = deze | וְהוֹד֣וּ (vehodu) = en belijden | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמֶ֔ךָ (shemekha) = Uw naam | מֵחַטָּאתָ֥ם (mechatatam) = van hun zonde | יְשׁוּב֖וּן (yeshuvun) = terugkeren | כִּ֥י (ki) = omdat | תַעֲנֵֽם (taanem) = U laat lijden hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 11:16–17 en 28:23–24: zonder regen wordt de hemel als koper. Voetnoot Lezing: תַעֲנֵם (taanem), ‘U laat hen lijden’: van עָנָה (anah), ‘verdrukken, klein maken’. Sommige oude vertalingen lezen ‘U antwoordt hen’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 26:19; Deut 11:16–17; Deut 11:17; Deut 28:23; 1 Kon 17:1–18; Joël 2:15–17 **6:27** luister dan vanuit de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaars en van Uw volk Israël. Want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan. Geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk hebt gegeven als erfdeel. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | תִּשְׁמַ֣ע (tishma) = luister | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | וְסָ֨לַחְתָּ֜ (vesalachta) = en vergeef | לְחַטַּ֤את (lechatat) = de zonde van | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = Uw dienaars | וְעַמְּךָ֣ (veamekha) = en Uw volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֥י (ki) = want | תוֹרֵ֛ם (torem) = U leert hen | אֶל (el) = naar | הַדֶּ֥רֶךְ (haderekh) = de weg | הַטּוֹבָ֖ה (hatova) = de goede | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | יֵֽלְכוּ (yelekhu) = zij gaan | בָ֑הּ (bah) = erin | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en geef | מָטָר֙ (matar) = regen | עַֽל (al) = op | אַרְצְךָ֔ (artsekha) = Uw land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥תָּה (natata) = U hebt gegeven | לְעַמְּךָ֖ (leamekha) = aan Uw volk | לְנַחֲלָֽה (lenachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרֵם (torem), ‘U leert hen’: van hetzelfde woord als תּוֹרָה (torah), ‘wet’. Zie ook: Ps 25:12; Ps 94:12; 1 Kon 8:35–36; Jer 5:24; Zach 10:1 ### Bij honger en ziekte **6:28** Wanneer er honger is in het land, wanneer er pest is, wanneer er korenbrand, meeldauw, sprinkhanen of rupsen zijn, wanneer zijn vijanden hem belegeren in het land van zijn steden, bij elke plaag en elke ziekte, Brontekst: רָעָ֞ב (raav) = honger | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֣ה (yihye) = er is | בָאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | דֶּ֣בֶר (dever) = pest | כִּֽי (ki) = wanneer | יִֽ֠הְיֶה (yihye) = er is | שִׁדָּפ֨וֹן (shidafon) = korenbrand | וְיֵרָק֜וֹן (veyeraqon) = en meeldauw | אַרְבֶּ֤ה (arbe) = sprinkhaan | וְחָסִיל֙ (vechasil) = en rups | כִּ֣י (ki) = wanneer | יִהְיֶ֔ה (yihye) = er is | כִּ֧י (ki) = wanneer | יָֽצַר (yatsar) = belegert | ל֛וֹ (lo) = hem | אוֹיְבָ֖יו (oyevav) = zijn vijanden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | שְׁעָרָ֑יו (shearav) = zijn steden | כָּל (kal) = elke | נֶ֖גַע (nega) = plaag | וְכָֽל (vekhal) = en elke | מַחֲלָֽה (machala) = ziekte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 28:21–22 (pest, korenbrand, meeldauw). חָסִיל (chasil), ‘rups’: een insectenlarve of een soort sprinkhaan; de betekenis is onzeker. Voetnoot : בְּאֶרֶץ שְׁעָרָיו (be’erets she’arav), ‘in het land van zijn steden’: letterlijk ‘in het land van zijn poorten’. De poorten staan voor de steden. Zie ook: Deut 28:21–61; Ruth 1:1; Joël 2:25; Jak 5:13; Openb 9:3–11 **6:29** elk gebed en elke smeking, van welke mens ook en van heel Uw volk Israël, wanneer ieder zijn plaag en zijn pijn kent en zijn handen uitspreidt naar dit huis: Brontekst: כָּל (kal) = elk | תְּפִלָּ֣ה (tefila) = gebed | כָל (kal) = elke | תְּחִנָּ֗ה (techina) = smeking | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | לְכָל (lekhal) = van elke | הָ֣אָדָ֔ם (haadam) = mens | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en van heel | עַמְּךָ֣ (amekha) = Uw volk | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wanneer | יֵדְע֗וּ (yedeu) = kennen | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | נִגְעוֹ֙ (nigo) = zijn plaag | וּמַכְאֹב֔וֹ (umakhovo) = en zijn pijn | וּפָרַ֥שׂ (ufaras) = en uitspreidt | כַּפָּ֖יו (kapav) = zijn handen | אֶל (el) = naar | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַכְאוֹב (makhov), ‘pijn’. In 1 Kon. 8:38 staat hier ‘de plaag van zijn hart’ (נֶגַע לְבָבוֹ). Zie ook: Ps 33:12–13; Ps 50:15; Ps 91:15; Ps 142:2–3; Spr 14:10; 1 Kon 8:38 **6:30** luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont. Vergeef en geef ieder naar al zijn wegen. U kent zijn hart, want U alleen kent het hart van de mensenkinderen, Brontekst: וְ֠אַתָּה (veata) = en U | תִּשְׁמַ֨ע (tishma) = luister | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֜יִם (hashamayim) = de hemel | מְכ֤וֹן (mekhon) = de vaste plaats van | שִׁבְתֶּ֨ךָ֙ (shivtekha) = Uw woning | וְסָ֣לַחְתָּ֔ (vesalachta) = en vergeef | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en geef | לָאִישׁ֙ (laish) = aan ieder | כְּכָל (kekhal) = naar al | דְּרָכָ֔יו (derakhav) = zijn wegen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תֵּדַ֖ע (teda) = U kent | אֶת (et) = (obj.) | לְבָב֑וֹ (levavo) = zijn hart | כִּ֤י (ki) = want | אַתָּה֙ (ata) = U | לְבַדְּךָ֣ (levadekha) = alleen | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = kent | אֶת (et) = (obj.) | לְבַ֖ב (levav) = het hart van | בְּנֵ֥י (benei) = de kinderen van | הָאָדָֽם (haadam) = de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘U alleen kent het hart’: vergelijk 1 Sam. 16:7 en 1 Kron. 28:9. Voetnoot Lezing: In 1 Kon. 8:39 staat bij ‘vergeef’ ook ‘handel’ (וְעָשִׂיתָ). Hier ontbreekt dat. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Sam 16:7; 1 Kron 28:9; 1 Kon 8:39; Mat 16:27; Heb 4:13; Openb 2:23 **6:31** zodat zij U vrezen en op Uw wegen gaan, al de dagen dat zij leven op de grond die U aan onze vaders hebt gegeven. Brontekst: לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יִֽירָא֗וּךָ (yiraukha) = zij U vrezen | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | בִּדְרָכֶ֔יךָ (bidrakheikha) = op Uw wegen | כָּל (kal) = alle | הַ֨יָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵ֥ם (hem) = zij | חַיִּ֖ים (chayim) = levend zijn | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תָּה (natata) = U hebt gegeven | לַאֲבֹתֵֽינוּ (laavoteinu) = aan onze vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:28; Ex 20:20; 1 Sam 12:24; Ps 128:1; Hand 9:31 ### Voor de buitenlander **6:32** En ook voor de buitenlander, die niet van Uw volk Israël is en uit een ver land komt omwille van Uw grote naam, Uw sterke hand en Uw uitgestrekte arm: wanneer zij komen en bidden in de richting van dit huis, Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אֶל (el) = voor | הַנָּכְרִ֗י (hanakheri) = de buitenlander | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹ֥א (lo) = niet | מֵעַמְּךָ֣ (meamekha) = van Uw volk | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | הוּא֒ (hu) = is | וּבָ֣א (uva) = en komt | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit een land | רְחוֹקָ֗ה (rechoqa) = ver | לְמַ֨עַן (lemaan) = omwille van | שִׁמְךָ֤ (shimkha) = Uw naam | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | וְיָדְךָ֣ (veyadekha) = en Uw hand | הַחֲזָקָ֔ה (hachazaqa) = de sterke | וּֽזְרֽוֹעֲךָ֖ (uzeroakha) = en Uw arm | הַנְּטוּיָ֑ה (hanetuya) = de uitgestrekte | וּבָ֥אוּ (uvau) = en zij komen | וְהִֽתְפַּלְל֖וּ (vehitpallu) = en bidden | אֶל (el) = naar | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand van een ander volk, die niet in het land woont. Dit is een ander woord dan גֵּר (ger), ‘vreemdeling’, die in het land woont (Exod. 22:20). Zie ook: Ex 22:20; 1 Kon 8:41–43; Jes 56:3–7; Zach 14:16–17; Mat 8:10–11; Joh 12:20 **6:33** luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont. Doe alles waarom de buitenlander tot U roept, zodat alle volken van de aarde Uw naam kennen. Zo vrezen zij U zoals Uw volk Israël en weten zij dat Uw naam is uitgeroepen over dit huis dat ik heb gebouwd. Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en U | תִּשְׁמַ֤ע (tishma) = luister | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | מִמְּכ֣וֹן (mimekhon) = vanuit de vaste plaats van | שִׁבְתֶּ֔ךָ (shivtekha) = Uw woning | וְעָשִׂ֕יתָ (veasita) = en doe | כְּכֹ֛ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִקְרָ֥א (yiqra) = roept | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot U | הַנָּכְרִ֑י (hanakheri) = de buitenlander | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יֵדְעוּ֩ (yedeu) = kennen | כָל (kal) = alle | עַמֵּ֨י (amei) = volken van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמֶ֗ךָ (shemekha) = Uw naam | וּלְיִרְאָ֤ה (uleyira) = en om te vrezen | אֹֽתְךָ֙ (otekha) = U | כְּעַמְּךָ֣ (keamekha) = zoals Uw volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְלָדַ֕עַת (veladaat) = en om te weten | כִּֽי (ki) = dat | שִׁמְךָ֣ (shimkha) = Uw naam | נִקְרָ֔א (niqra) = is uitgeroepen | עַל (al) = over | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בָּנִֽיתִי (baniti) = ik heb gebouwd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְךָ נִקְרָא עַל (shimkha niqra al), ‘Uw naam is uitgeroepen over’: het huis hoort bij Yahweh en draagt Zijn naam. Zie ook: Num 6:27; Ps 67:3; 2 Kron 7:14; Jes 54:1–3; Jer 10:7 ### Bij oorlog **6:34** Wanneer Uw volk uittrekt om oorlog te voeren tegen zijn vijanden, op de weg waarop U hen zendt, en zij tot U bidden in de richting van deze stad, die U hebt gekozen, en van het huis dat ik voor Uw naam heb gebouwd, Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יֵצֵ֨א (yetse) = uittrekt | עַמְּךָ֤ (amekha) = Uw volk | לַמִּלְחָמָה֙ (lamilchama) = naar de oorlog | עַל (al) = tegen | א֣וֹיְבָ֔יו (oyevav) = zijn vijanden | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | תִּשְׁלָחֵ֑ם (tishlachem) = U hen zendt | וְהִתְפַּֽלְל֣וּ (vehitpallu) = en zij bidden | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot U | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּחַ֣רְתָּ (bacharta) = U hebt gekozen | בָּ֔הּ (bah) = in haar | וְהַבַּ֖יִת (vehabayit) = en het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּנִ֥יתִי (baniti) = ik heb gebouwd | לִשְׁמֶֽךָ (lishmekha) = voor Uw naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:2–5; 1 Kon 8:13; 2 Kron 14:8–11; 2 Kron 20:6–13; Dan 6:11 **6:35** luister dan vanuit de hemel naar hun gebed en hun smeking en handhaaf hun recht. Brontekst: וְשָׁמַעְתָּ֙ (veshamata) = en luister | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | אֶת (et) = (obj.) | תְּפִלָּתָ֖ם (tefilatam) = hun gebed | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תְּחִנָּתָ֑ם (techinatam) = hun smeking | וְעָשִׂ֖יתָ (veasita) = en handhaaf | מִשְׁפָּטָֽם (mishpatam) = hun recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 9:4–5; Jes 37:21–36; Jer 5:28; Dan 9:17–19 ### Bij ballingschap **6:36** Wanneer zij tegen U zondigen (want er is geen mens die niet zondigt) en U toornig op hen wordt en hen overgeeft aan een vijand, zodat hun gevangennemers hen wegvoeren naar een land, ver weg of dichtbij, Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | יֶחֶטְאוּ (yechetu) = zij zondigen | לָ֗ךְ (lakh) = tegen U | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ין (ein) = er is niet | אָדָם֙ (adam) = mens | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יֶחֱטָ֔א (yecheta) = zondigt | וְאָנַפְתָּ֣ (veanafta) = en U wordt toornig | בָ֔ם (bam) = op hen | וּנְתַתָּ֖ם (unetatam) = en geeft hen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | אוֹיֵ֑ב (oyev) = een vijand | וְשָׁב֧וּם (veshavum) = en voeren hen weg | שׁוֹבֵיהֶ֛ם (shoveihem) = hun gevangennemers | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = een land | רְחוֹקָ֖ה (rechoqa) = ver weg | א֥וֹ (o) = of | קְרוֹבָֽה (qerova) = dichtbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָנַף (anaf), ‘toornig worden’. Dit vers hoort bij de waarschuwingen over ballingschap: Lev. 26:33; Deut. 4:27; 28:36, 64. ‘Er is geen mens die niet zondigt’: vergelijk Pred. 7:20. Voetnoot : שֹׁבֵיהֶם (shovehem), ‘hun gevangennemers’: zoals in 1 Kon. 8:46. Zie ook: Job 15:14–16; Lev 26:33; Deut 4:27; Deut 28:36; Ps 130:3; Pred 7:20; 1 Kon 8:46; Jak 3:2; 1 Joh 1:8–10 **6:37** en zij het ter harte nemen in het land waar zij gevangen zijn gevoerd, en terugkeren en U smeken in het land van hun gevangenschap: ‘Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gehandeld, wij zijn goddeloos geweest,’ Brontekst: וְהֵשִׁ֨יבוּ֙ (veheshivu) = en zij nemen ter harte | אֶל (el) = naar | לְבָבָ֔ם (levavam) = hun hart | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | נִשְׁבּוּ (nishbu) = zij gevangen zijn gevoerd | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְשָׁ֣בוּ (veshavu) = en terugkeren | וְהִֽתְחַנְּנ֣וּ (vehitchanenu) = en smeken | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot U | בְּאֶ֤רֶץ (beerets) = in het land van | שִׁבְיָם֙ (shivyam) = hun gevangenschap | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | חָטָ֥אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | הֶעֱוִ֖ינוּ (heevinu) = wij hebben verkeerd gehandeld | וְרָשָֽׁעְנוּ (verashaenu) = en wij zijn goddeloos geweest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהֵשִׁיבוּ אֶל לְבָבָם (vehesheivu el levavam), ‘ter harte nemen’: letterlijk ‘terugbrengen naar hun hart’, zoals in Deut. 30:1. Voetnoot : הֶעֱוִינוּ (heevinu), ‘wij hebben verkeerd gehandeld’: van עָוָה (avah), zoals in 2 Sam. 7:14. Voetnoot : שִׁבְיָם (shivyam), ‘hun gevangenschap’: in 1 Kon. 8:47 staat hier ‘het land van hun gevangennemers’. Zie ook: Deut 30:1; 2 Sam 7:14; 1 Kon 8:47; Jes 64:5–11; Jer 31:18–20; Dan 9:5–11; Neh 9:26–30; Luc 15:17–19 **6:38** en zij met heel hun hart en met heel hun ziel tot U terugkeren, in het land van hun gevangenschap waar men hen gevangen heeft genomen, en bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaders hebt gegeven, van de stad die U hebt gekozen en van het huis dat ik voor Uw naam heb gebouwd, Brontekst: וְשָׁ֣בוּ (veshavu) = en zij keren terug | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot U | בְּכָל (bekhal) = met heel | לִבָּם֙ (libam) = hun hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשָׁ֔ם (nafsham) = hun ziel | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | שִׁבְיָ֖ם (shivyam) = hun gevangenschap | אֲשֶׁר (asher) = waar | שָׁב֣וּ (shavu) = men gevangen nam | אֹתָ֑ם (otam) = hen | וְהִֽתְפַּֽלְל֗וּ (vehitpallu) = en bidden | דֶּ֤רֶךְ (derekh) = in de richting van | אַרְצָם֙ (artsam) = hun land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נָתַ֣תָּה (natata) = U hebt gegeven | לַאֲבוֹתָ֔ם (laavotam) = aan hun vaders | וְהָעִיר֙ (vehair) = en de stad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּחַ֔רְתָּ (bacharta) = U hebt gekozen | וְלַבַּ֖יִת (velabayit) = en het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּנִ֥יתִי (baniti) = ik heb gebouwd | לִשְׁמֶֽךָ (lishmekha) = voor Uw naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de levende mens met zijn leven en verlangen. ‘Met heel je hart en met heel je ziel’ staat ook in Deut. 6:5 en 30:2. Zie ook: Deut 6:5; Deut 30:2–6; 2 Kron 6:34; Joël 2:12–13; Dan 6:11; Dan 9:3–4 **6:39** luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont, naar hun gebed en hun smekingen. Handhaaf hun recht en vergeef Uw volk dat tegen U gezondigd heeft. Brontekst: וְשָׁמַעְתָּ֨ (veshamata) = en luister | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֜יִם (hashamayim) = de hemel | מִמְּכ֣וֹן (mimekhon) = vanuit de vaste plaats van | שִׁבְתְּךָ֗ (shivtekha) = Uw woning | אֶת (et) = (obj.) | תְּפִלָּתָם֙ (tefilatam) = hun gebed | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תְּחִנֹּ֣תֵיהֶ֔ם (techinoteihem) = hun smekingen | וְעָשִׂ֖יתָ (veasita) = en handhaaf | מִשְׁפָּטָ֑ם (mishpatam) = hun recht | וְסָלַחְתָּ֥ (vesalachta) = en vergeef | לְעַמְּךָ֖ (leamekha) = aan Uw volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | חָֽטְאוּ (chateu) = gezondigd heeft | לָֽךְ (lakh) = tegen U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 25:18; 2 Kron 6:35; Mi 7:18–20; Zach 1:15–16 ### Slot van het gebed **6:40** Nu dan, mijn Elohim, laat Uw ogen toch geopend zijn en Uw oren aandachtig voor het gebed op deze plaats. Brontekst: עַתָּ֣ה (ata) = nu | אֱלֹהַ֗י (elohay) = mijn Elohim | יִֽהְיוּ (yihyu) = laat zijn | נָ֤א (na) = toch | עֵינֶ֨יךָ֙ (eineikha) = Uw ogen | פְּתֻח֔וֹת (petuchot) = geopend | וְאָזְנֶ֖יךָ (veazeneikha) = en Uw oren | קַשֻּׁב֑וֹת (qashuvot) = aandachtig | לִתְפִלַּ֖ת (litfilat) = voor het gebed van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met dit vers begint het slot van het gebed. Het wijkt af van 1 Kon. 8:52–53. De verzen 41–42 hebben daar geen parallel. Voetnoot : לִתְפִלַּת הַמָּקוֹם הַזֶּה (litfillat hamakom hazeh), letterlijk ‘voor het gebed van deze plaats’: het gebed dat op deze plaats wordt gebeden. Zie ook: Ps 17:1; Ps 116:2; 1 Kon 8:52–53; 2 Kron 7:15; Neh 1:6; Neh 1:11 **6:41** Nu dan, sta op, Yahweh Elohim, naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw sterkte. Laat Uw priesters, Yahweh Elohim, zich kleden in redding, en laat Uw getrouwen zich verheugen in het goede. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | קוּמָ֞ה (quma) = sta op | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | לְֽנוּחֶ֔ךָ (lenuchekha) = naar Uw rustplaats | אַתָּ֖ה (ata) = U | וַאֲר֣וֹן (vaaron) = en de ark van | עֻזֶּ֑ךָ (uzekha) = Uw sterkte | כֹּהֲנֶ֜יךָ (kohaneikha) = Uw priesters | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | יִלְבְּשׁ֣וּ (yilbeshu) = laten zich kleden | תְשׁוּעָ֔ה (teshua) = in redding | וַחֲסִידֶ֖יךָ (vachasideikha) = en Uw getrouwen | יִשְׂמְח֥וּ (yismechu) = laten zich verheugen | בַטּֽוֹב (batov) = in het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze verzen lijken sterk op Ps. 132:8–10. Verschillen: Ps. 132:8 heeft alleen ‘Yahweh’. Ps. 132:9 heeft ‘gerechtigheid’ (צֶדֶק) en ‘jubelen’ (יְרַנֵּנוּ); hier staat ‘redding’ (תְשׁוּעָה) en ‘zich verheugen in het goede’. Voetnoot : נוּחַ (nuach), ‘rustplaats’: de plaats waar de ark rust. חֲסִידִים (chasidim), ‘getrouwen’: wie Yahweh trouw is, van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Zie ook: 1 Kron 28:2; Ps 110:2; Ps 132:8–10; Ps 132:9; Jes 61:10; Rom 1:16; Openb 19:8 **6:42** Yahweh Elohim, wijs het aangezicht van Uw gezalfden niet af. Gedenk de blijken van trouw aan David, Uw dienaar.” Brontekst: יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אַל (al) = niet | תָּשֵׁ֖ב (tashev) = wijs af | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | מְשִׁיחֶ֑יךָ (meshicheikha) = Uw gezalfden | זָכְרָ֕ה (zakhera) = gedenk | לְחַֽסְדֵ֖י (lechasdei) = de trouwbewijzen aan | דָּוִ֥יד (david) = David | עַבְדֶּֽךָ (avdekha) = Uw dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיחֶיךָ (meshichekha), ‘Uw gezalfden’: een meervoud. Ps. 132:10 heeft het enkelvoud, ‘Uw gezalfde’. Een מָשִׁיחַ (mashiach) is een gezalfde. De tekst zegt niet wie hier bedoeld wordt. Voetnoot : חַסְדֵי דָוִיד (chasdei David), ‘de trouwbewijzen van David’: wij lezen dit als de blijken van trouw die Yahweh aan David gaf (2 Sam. 7:15; 1 Kron. 17:13). Het kan ook gaan om de trouwe daden van David zelf. Zie ook: 2 Sam 7:15; 1 Kron 17:13; Ps 89:25; Ps 89:29; Ps 132:1; Ps 132:10; 1 Kon 1:34; Jes 55:3 ## 2 Kronieken 7 _Vuur uit de hemel en Yahweh verschijnt aan Salomo_ ### Het vuur uit de hemel **7:1** Toen Salomo klaar was met bidden, kwam het vuur neer uit de hemel. Het verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de heerlijkheid van Yahweh vulde het huis. Brontekst: וּכְכַלּ֤וֹת (ukhekhalot) = en toen klaar was | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | לְהִתְפַּלֵּ֔ל (lehitpalel) = met bidden | וְהָאֵ֗שׁ (vehaesh) = en het vuur | יָֽרְדָה֙ (yareda) = kwam neer | מֵֽהַשָּׁמַ֔יִם (mehashamayim) = uit de hemel | וַתֹּ֥אכַל (vatokhal) = en verteerde | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְהַזְּבָחִ֑ים (vehazevachim) = en de slachtoffers | וּכְב֥וֹד (ukhevod) = en de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מָלֵ֥א (male) = vulde | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 1–3 staan niet in 1 Kon. 8. De verzen 4–10 lopen parallel met 1 Kon. 8:62–66 en de verzen 11–22 met 1 Kon. 9:1–9. Voetnoot : אֵשׁ מִן הַשָּׁמַיִם (esh min hashamayim), ‘vuur uit de hemel’: Yahweh antwoordt met vuur, zoals in Lev. 9:24, 1 Kron. 21:26 en 1 Kon. 18:38. וַתֹּאכַל (vatokhal), ‘en verteerde’: letterlijk ‘en at’. Zie ook: Lev 9:23–24; Lev 9:24; 1 Kron 21:26; 1 Kon 8:62–66; 1 Kon 9:1–9; 1 Kon 18:24; 1 Kon 18:38; Ezech 43:5 **7:2** De priesters konden het huis van Yahweh niet binnengaan, want de heerlijkheid van Yahweh vulde het huis van Yahweh. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | יָֽכְלוּ֙ (yakhelu) = konden | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | לָב֖וֹא (lavo) = binnengaan | אֶל (el) = in | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | מָלֵ֥א (male) = vulde | כְבוֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 5:14 en 1 Kon. 8:11. Ook bij de tabernakel kon Mozes niet binnengaan (Exod. 40:35). Zie ook: Ex 24:17; Ex 40:35; 1 Kon 8:11; 2 Kron 5:14; Jes 6:5; Openb 15:8 **7:3** Alle zonen van Israël zagen het vuur neerkomen en de heerlijkheid van Yahweh boven het huis. Zij knielden met hun gezicht naar de grond op het plaveisel en bogen zich neer. Zij dankten Yahweh: ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig.’ Brontekst: וְכֹ֣ל (vekhol) = en heel | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | רֹאִים֙ (roim) = zagen | בְּרֶ֣דֶת (beredet) = het neerkomen van | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | וּכְב֥וֹד (ukhevod) = en de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וַיִּכְרְעוּ֩ (vayikhreu) = en zij knielden | אַפַּ֨יִם (apayim) = met het gezicht | אַ֤רְצָה (artsa) = naar de grond | עַל (al) = op | הָרִֽצְפָה֙ (haritsfa) = het plaveisel | וַיִּֽשְׁתַּֽחֲו֔וּ (vayishtachavu) = en bogen zich neer | וְהוֹד֤וֹת (vehodot) = en dankten | לַיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | כִּ֣י (ki) = dat | ט֔וֹב (tov) = goed | כִּ֥י (ki) = want | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | חַסְדּֽוֹ (chasdo) = Zijn trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִצְפָה (ritspah), ‘plaveisel’: een vloer van stenen. Het refrein ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’ is hetzelfde als in 5:13 en in Ps. 136:1. Zie ook: Ps 136:1; 2 Kron 5:13; 2 Kron 20:21; Jes 63:7; Luc 1:50; Heb 7:24–25 ### De inwijding van het huis **7:4** De koning en heel het volk brachten slachtoffers voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וְהַמֶּ֖לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֑ם (haam) = het volk | זֹבְחִ֥ים (zovechim) = brengend | זֶ֖בַח (zevach) = slachtoffers | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 8:62–63 **7:5** Koning Salomo bracht als slachtoffer 22.000 runderen en 120.000 stuks kleinvee. Zo wijdden de koning en heel het volk het huis van Elohim in. Brontekst: וַיִּזְבַּ֞ח (vayizbach) = en bracht | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁלֹמֹה֮ (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַבָּקָ֗ר (habaqar) = de runderen | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וּשְׁנַ֨יִם֙ (ushenayim) = en twee | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְצֹ֕אן (vetson) = en kleinvee | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וַֽיַּחְנְכוּ֙ (vayachnekhu) = en zij wijdden in | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getallen (22.000 runderen en 120.000 stuks kleinvee) zijn heel groot. Wij vertalen ze letterlijk. Ze staan ook in 1 Kon. 8:63. Voetnoot : חָנַךְ (chanak), ‘inwijden’: zoals bij een nieuw huis in Deut. 20:5. Voetnoot Lezing: 1 Kon. 8:63 noemt dit vredeoffers. Hier staat alleen ‘slachtoffer’ (זֶבַח, zevach). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Deut 20:5; 1 Kon 8:63; 2 Kron 5:6; 2 Kron 30:24; 2 Kron 35:7–9; Ezech 45:17; Joh 10:22 **7:6** De priesters stonden bij hun wachtdiensten. De Levieten stonden met de instrumenten voor het lied van Yahweh. Koning David had ze gemaakt om Yahweh te danken, want Zijn trouw is voor eeuwig, wanneer David Hem prees door hun handen. De priesters bliezen tegenover hen op trompetten. Heel Israël stond. Brontekst: וְהַכֹּהֲנִ֞ים (vehakohanim) = en de priesters | עַל (al) = bij | מִשְׁמְרוֹתָ֣ם (mishmerotam) = hun wachtdiensten | עֹמְדִ֗ים (omedim) = staande | וְהַלְוִיִּ֞ם (vehalviyim) = en de Levieten | בִּכְלֵי (bikhlei) = met de instrumenten van | שִׁ֤יר (shir) = het lied van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשָׂ֜ה (asa) = maakte | דָּוִ֣יד (david) = David | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְהֹד֤וֹת (lehodot) = om te danken | לַיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | כִּֽי (ki) = want | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | חַסְדּ֔וֹ (chasdo) = Zijn trouw | בְּהַלֵּ֥ל (behalel) = bij het prijzen van | דָּוִ֖יד (david) = David | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = door hun hand | וְהַכֹּהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | מַחְצְרִ֣ים (machtserim) = die op trompetten bliezen | נֶגְדָּ֔ם (negdam) = tegenover hen | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עֹמְדִֽים (omedim) = staande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמְרוֹת (mishmerot), ‘wachtdiensten’: de diensten waarin de priesters om beurten de wacht hielden. Voetnoot : בְּהַלֵּל דָּוִיד בְּיָדָם (behallel David beyadam), ‘terwijl David Hem prees door hun handen’: letterlijk ‘bij het prijzen van David in hun hand’. Het gaat om de lofzang die David voor de Levieten had ingesteld, met instrumenten die hij had laten maken (1 Kron. 16:4–7; 23:5; 25:1). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is מחצצרים; de gelezen vorm (qere) is מַחְצְרִים (machtsetsrim), ‘die op trompetten bliezen’. Wij nemen de qere. Zie ook: 1 Kron 15:16–21; 1 Kron 16:4–6; 1 Kron 23:5; 1 Kron 25:1; 2 Kron 5:12; 2 Kron 7:3; Jes 52:6 **7:7** Salomo heiligde het midden van de voorhof die vóór het huis van Yahweh lag. Want daar bracht hij de brandoffers en het vet van de vredeoffers. Het koperen altaar dat Salomo had gemaakt, kon het brandoffer, het graanoffer en het vet niet bevatten. Brontekst: וַיְקַדֵּ֣שׁ (vayqadesh) = en heiligde | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | תּ֤וֹךְ (tokh) = het midden van | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = de voorhof | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | עָ֤שָׂה (asa) = bracht hij | שָׁם֙ (sham) = daar | הָֽעֹל֔וֹת (haolot) = de brandoffers | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | חֶלְבֵ֣י (chelvei) = het vet van | הַשְּׁלָמִ֑ים (hashelamim) = de vredeoffers | כִּֽי (ki) = want | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = het altaar van | הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | לֹ֣א (lo) = niet | יָכ֗וֹל (yakhol) = kon | לְהָכִ֛יל (lehakhil) = bevatten | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֥ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּנְחָ֖ה (hamincha) = het graanoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֲלָבִֽים (hachalavim) = het vet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het koperen altaar is het brandofferaltaar dat Salomo had gemaakt (2 Kron. 4:1; vergelijk Exod. 27:1–8). Het was te klein voor al die offers. Daarom heiligde Salomo ook het midden van de voorhof. Zie 1 Kon. 8:64. Zie ook: Ex 27:1–8; Num 17:2–3; 1 Kon 8:64–66; 2 Kron 4:1; 2 Kron 36:14; Heb 13:10–12 ### Het feest en het afscheid **7:8** In die tijd hield Salomo het feest, zeven dagen, en heel Israël met hem. Het was een zeer grote vergadering, van de ingang van Chamat tot de beek van Egypte. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hield | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | הֶ֠חָג (hechag) = het feest | בָּעֵ֨ת (baet) = in de tijd | הַהִ֜יא (hahi) = die | שִׁבְעַ֤ת (shivat) = zeven | יָמִים֙ (yamim) = dagen | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | קָהָ֖ל (qahal) = een vergadering | גָּד֣וֹל (gadol) = grote | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | מִלְּב֥וֹא (milevo) = van de ingang van | חֲמָ֖ת (chamat) = Chamat | עַד (ad) = tot | נַ֥חַל (nachal) = de beek van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chamat (חֲמָת) is het huidige Hama in Syrië. ‘De ingang van Chamat’ is de noordgrens van het land (Num. 34:8). De ‘beek van Egypte’ (נַחַל מִצְרַיִם) is waarschijnlijk de Wadi el-Arish in het noorden van de Sinaï (Egypte); de ligging is niet zeker. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï. Dit is de zuidwestgrens van het land. Voetnoot Uitleg: 1 Kon. 8:65 zegt: ‘zeven dagen en nog zeven dagen, 14 dagen’. Hier staat ‘zeven dagen’ voor het feest, en vers 9 noemt de inwijding van het altaar apart. Zie ook: Gen 15:18; Num 34:8; Deut 16:13–15; 1 Kon 5:1–5; 1 Kon 8:65; 2 Kron 7:9; Zach 14:16–19 **7:9** Op de achtste dag hielden zij een slotsamenkomst. Want de inwijding van het altaar hadden zij zeven dagen gehouden, en het feest zeven dagen. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֛וּ (vayaasu) = en zij hielden | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֖י (hashemini) = de achtste | עֲצָ֑רֶת (atsaret) = een slotsamenkomst | כִּ֣י (ki) = want | חֲנֻכַּ֣ת (chanukat) = de inwijding van | הַמִּזְבֵּ֗חַ (hamizbeach) = het altaar | עָשׂוּ֙ (asu) = hadden zij gehouden | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | וְהֶחָ֖ג (vehechag) = en het feest | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצֶרֶת (atseret), ‘slotsamenkomst’: een afsluitende, plechtige bijeenkomst; zie Lev. 23:36 en Num. 29:35. De inwijding van het altaar duurde zeven dagen, daarna volgde het feest van de hutten zeven dagen (Lev. 23:34). De ‘achtste dag’ is de dag daarna. Zie ook: Lev 23:34; Lev 23:36; Num 29:35; Deut 16:8; 2 Kron 30:23; Joël 1:14; Neh 8:18 **7:10** Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde hij het volk naar hun tenten. Ze waren blij en hadden een goed hart om het goede dat Yahweh aan David, aan Salomo en aan Zijn volk Israël had gedaan. Brontekst: וּבְי֨וֹם (uveyom) = en op de dag | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וּשְׁלֹשָׁה֙ (ushelosha) = en drie | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | שִׁלַּ֥ח (shilach) = stuurde hij weg | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לְאָהֳלֵיהֶ֑ם (leaholeihem) = naar hun tenten | שְׂמֵחִים֙ (semechim) = blij | וְט֣וֹבֵי (vetovei) = en goed van | לֵ֔ב (lev) = hart | עַל (al) = over | הַטּוֹבָ֗ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָשָׂ֤ה (asa) = deed | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְדָוִ֣יד (ledavid) = aan David | וְלִשְׁלֹמֹ֔ה (velishlomo) = en aan Salomo | וּלְיִשְׂרָאֵ֖ל (uleyisrael) = en aan Israël | עַמּֽוֹ (amo) = Zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Rekenen wij door vanaf het feest van de hutten (Lev. 23:34, 36), dan is de achtste dag van vers 9 de 22e dag van de zevende maand. Salomo stuurde het volk dan de dag daarna weg. 1 Kon. 8:66 zegt dat hij het volk ‘op de achtste dag’ wegstuurde. Zie ook: Lev 23:34; Deut 16:11; Ps 100:2; Ps 105:3; 1 Kon 8:66; 2 Kron 6:41; 2 Kron 7:9 ### Het huis is klaar **7:11** Zo voltooide Salomo het huis van Yahweh en het huis van de koning. Alles wat Salomo in zijn hart had om te maken in het huis van Yahweh en in zijn eigen huis, daarin slaagde hij. Brontekst: וַיְכַ֧ל (vaykhal) = en voltooide | שְׁלֹמֹ֛ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | הַבָּ֜א (haba) = wat kwam | עַל (al) = in | לֵ֣ב (lev) = het hart van | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | לַעֲשׂ֧וֹת (laasot) = om te maken | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְבֵית֖וֹ (uveveito) = en in zijn huis | הִצְלִֽיחַ (hitsliach) = liet hij slagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 2:4; Pred 2:10–11; 1 Kon 9:1–9; 2 Kron 1:18 ### Yahweh verschijnt aan Salomo **7:12** Yahweh verscheen in de nacht aan Salomo en zei tegen hem: **„Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze plaats voor Mij gekozen als huis voor slachtoffers.** Brontekst: וַיֵּרָ֧א (vayera) = en verscheen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | בַּלָּ֑יְלָה (balayela) = in de nacht | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = Ik heb gehoord | אֶת (et) = (obj.) | תְּפִלָּתֶ֔ךָ (tefilatekha) = je gebed | וּבָחַ֜רְתִּי (uvacharti) = en Ik heb gekozen | בַּמָּק֥וֹם (bamaqom) = de plaats | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | לִ֖י (li) = voor Mij | לְבֵ֥ית (leveit) = als huis van | זָֽבַח (zavach) = slachtoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh verscheen eerder aan Salomo in Gibeon (2 Kron. 1:7–12; 1 Kon. 3:5). Vanaf hier loopt de tekst parallel met 1 Kon. 9:2–9, maar de verzen 13–15 staan daar niet. Voetnoot : בֵּית זָבַח (bet zavach), ‘huis voor slachtoffers’: letterlijk ‘huis van slachting’; de plaats waar slachtoffers worden gebracht. Voetnoot : Yahweh spreekt hier zelf; daarom staan de verzen 12–22 in rood. Aanhalingen binnen Zijn toespraak (verzen 18, 21 en 22) staan tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: Gen 17:1; 1 Kon 3:5; 1 Kon 9:2; 2 Kron 1:7; 2 Kron 7:16; 1 Joh 5:14–15 **7:13** **Wanneer Ik de hemel sluit, zodat er geen regen valt, wanneer Ik de veldsprinkhaan opdracht geef het land op te eten, of wanneer Ik pest onder Mijn volk stuur,** Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | אֶֽעֱצֹ֤ר (eetsor) = Ik sluit | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | מָטָ֔ר (matar) = regen | וְהֵן (vehen) = en zie | אֲצַוֶּ֥ה (atsave) = Ik gebied | עַל (al) = aan | חָגָ֖ב (chagav) = de veldsprinkhaan | לֶאֱכ֣וֹל (leekhol) = om te eten | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְאִם (veim) = en als | אֲשַׁלַּ֥ח (ashalach) = Ik stuur | דֶּ֖בֶר (dever) = pest | בְּעַמִּֽי (beami) = onder Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָגָב (chagav), ‘veldsprinkhaan’: een ander woord dan אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’ in 6:28 (vergelijk Lev. 11:22). Voor de gesloten hemel, vergelijk Deut. 11:17 en 28:23–24. Zie ook: Lev 11:22; Deut 11:17; Deut 28:23; 2 Sam 24:13–15; 2 Kron 6:26–28; Openb 3:7; Openb 11:6 **7:14** **en Mijn volk, waarover Mijn naam is uitgeroepen, zich verootmoedigt, bidt, Mijn aangezicht zoekt en zich afkeert van zijn slechte wegen. Dan zal Ik vanuit de hemel luisteren, hun zonde vergeven en hun land genezen.** Brontekst: וְיִכָּנְע֨וּ (veyikaneu) = en zich verootmoedigen | עַמִּ֜י (ami) = Mijn volk | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarover | נִֽקְרָא (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֣י (shemi) = Mijn naam | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = over hen | וְיִֽתְפַּֽלְלוּ֙ (veyitpallu) = en bidden | וִֽיבַקְשׁ֣וּ (vivaqshu) = en zoeken | פָנַ֔י (panay) = Mijn aangezicht | וְיָשֻׁ֖בוּ (veyashuvu) = en zich afkeren | מִדַּרְכֵיהֶ֣ם (midarkheihem) = van hun wegen | הָרָעִ֑ים (haraim) = de slechte | וַאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | אֶשְׁמַ֣ע (eshma) = zal luisteren | מִן (min) = vanuit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶסְלַח֙ (veeslach) = en vergeven | לְחַטָּאתָ֔ם (lechatatam) = hun zonde | וְאֶרְפָּ֖א (veerpa) = en genezen | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָֽם (artsam) = hun land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּנַע (kana), ‘zich verootmoedigen’: zich klein maken, zich buigen. ‘Mijn naam is over hen uitgeroepen’: zoals in 6:33. Dit vers staat niet in 1 Kon. 9. Vergelijk Lev. 26:40–42 en Deut. 30:1–3. Zie ook: Lev 26:40–42; Deut 30:1–3; Spr 28:13; 2 Kron 6:37–39; Jes 55:6–7; Klaagl 3:40–41; Jak 4:9–10 **7:15** **Nu zullen Mijn ogen geopend zijn en Mijn oren aandachtig voor het gebed op deze plaats.** Brontekst: עַתָּ֗ה (ata) = nu | עֵינַי֙ (einay) = Mijn ogen | יִהְי֣וּ (yihyu) = zullen zijn | פְתֻח֔וֹת (petuchot) = geopend | וְאָזְנַ֖י (veazenay) = en Mijn oren | קַשֻּׁב֑וֹת (qashuvot) = aandachtig | לִתְפִלַּ֖ת (litfilat) = voor het gebed van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 6:40: letterlijk ‘voor het gebed van deze plaats’. Zie ook: Ps 65:3; 2 Kron 6:20; 2 Kron 6:40; Neh 1:6; 1 Petr 3:12 **7:16** **Nu heb Ik dit huis gekozen en geheiligd, zodat Mijn naam daar voor altijd is. Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn, alle dagen.** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | בָּחַ֤רְתִּי (bacharti) = heb Ik gekozen | וְהִקְדַּ֨שְׁתִּי֙ (vehiqdashti) = en geheiligd | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֣יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | לִהְיוֹת (lihyot) = opdat zou zijn | שְׁמִ֥י (shemi) = Mijn naam | שָׁ֖ם (sham) = daar | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = voor altijd | וְהָי֨וּ (vehayu) = en zullen zijn | עֵינַ֧י (einay) = Mijn ogen | וְלִבִּ֛י (velibi) = en Mijn hart | שָׁ֖ם (sham) = daar | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 9:3; 2 Kron 6:5–6; 2 Kron 6:20; 2 Kron 7:12; 2 Kron 7:15 ### De belofte aan Salomo **7:17** **En jij, als je voor Mijn aangezicht gaat zoals je vader David is gegaan, en alles doet wat Ik je geboden heb, en Mijn voorschriften en Mijn rechtsregels bewaart,** Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | אִם (im) = als | תֵּלֵ֣ךְ (telekh) = je gaat | לְפָנַ֗י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | הָלַךְ֙ (halakh) = is gegaan | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | וְלַעֲשׂ֕וֹת (velaasot) = en om te doen | כְּכֹ֖ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוִּיתִ֑יךָ (tsivitikha) = Ik je geboden heb | וְחֻקַּ֥י (vechuqay) = en Mijn voorschriften | וּמִשְׁפָּטַ֖י (umishpatay) = en Mijn rechtsregels | תִּשְׁמֽוֹר (tishmor) = bewaart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:40; Deut 28:1–14; 1 Kon 11:38; Ezech 36:27; Zach 3:7 **7:18** **dan zal Ik de troon van je koningschap laten bestaan. Zo heb Ik met je vader David een verbond gesloten, toen Ik zei: ‘Er zal voor jou niemand worden afgesneden die heerst in Israël.’** Brontekst: וַהֲקִ֣ימוֹתִ֔י (vahaqimoti) = en dan zal Ik laten bestaan | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | מַלְכוּתֶ֑ךָ (malkhutekha) = je koningschap | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | כָּרַ֗תִּי (karati) = Ik heb gesloten | לְדָוִ֤יד (ledavid) = met David | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹֽא (lo) = niet | יִכָּרֵ֤ת (yikaret) = zal afgesneden worden | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | אִ֔ישׁ (ish) = man | מוֹשֵׁ֖ל (moshel) = heersend | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּרַתִּי (karati), ‘Ik heb gesloten’: letterlijk ‘Ik heb gesneden’. Het woord ‘verbond’ staat niet in de tekst. Wij vullen het aan, omdat ‘een verbond snijden’ de gewone uitdrukking is (Gen. 15:18). 1 Kon. 9:5 heeft hier דִּבַּרְתִּי (dibbarti), ‘Ik heb gesproken’. Vergelijk 6:16 en 2 Sam. 7:12–16. Zie ook: Gen 15:18; 2 Sam 7:12–16; 2 Sam 7:13–16; Ps 132:11–12; 1 Kon 9:5; 2 Kron 6:16; Jer 33:20–21 ### De waarschuwing **7:19** **Maar als jullie je afkeren en Mijn voorschriften en Mijn geboden verlaten, die Ik jullie voorgehouden heb, en andere goden gaan dienen en je voor hen neerbuigen,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תְּשׁוּב֣וּן (teshuvun) = jullie je afkeren | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | וַעֲזַבְתֶּם֙ (vaazavtem) = en verlaten | חֻקּוֹתַ֣י (chuqotay) = Mijn voorschriften | וּמִצְוֺתַ֔י (umitsvotay) = en Mijn geboden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb voorgehouden | לִפְנֵיכֶ֑ם (lifneikhem) = voor jullie aangezicht | וַהֲלַכְתֶּ֗ם (vahalakhtem) = en gaan | וַעֲבַדְתֶּם֙ (vaavadtem) = en dienen | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶ֖ם (vehishtachavitem) = en je neerbuigen | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier staat het Hebreeuws in het meervoud (‘jullie’): Yahweh spreekt nu niet meer tot Salomo alleen, maar ook tot zijn zonen en het volk. Zo ook in 1 Kon. 9:6. Zie ook: Lev 26:14; Lev 26:33–46; Deut 28:15; 1 Kon 9:6–7; 1 Kon 11:4–8 **7:20** **dan zal Ik hen uitrukken uit Mijn grond die Ik hun gegeven heb. Het huis dat Ik voor Mijn naam geheiligd heb, werp Ik weg van Mijn aangezicht. Ik maak het tot een spreekwoord en een voorwerp van spot onder alle volken.** Brontekst: וּנְתַשְׁתִּ֗ים (unetashtim) = en dan zal Ik hen uitrukken | מֵעַ֤ל (meal) = van | אַדְמָתִי֙ (admati) = Mijn grond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָתַ֣תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִקְדַּ֣שְׁתִּי (hiqdashti) = Ik heb geheiligd | לִשְׁמִ֔י (lishmi) = voor Mijn naam | אַשְׁלִ֖יךְ (ashlikh) = werp Ik weg | מֵעַ֣ל (meal) = van | פָּנָ֑י (panay) = Mijn aangezicht | וְאֶתְּנֶ֛נּוּ (veetenenu) = en Ik maak het | לְמָשָׁ֥ל (lemashal) = tot een spreekwoord | וְלִשְׁנִינָ֖ה (velishnina) = en een voorwerp van spot | בְּכָל (bekhal) = onder alle | הָעַמִּֽים (haamim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתַשׁ (natash), ‘uitrukken’: zoals een plant uit de grond wordt gerukt; vergelijk Deut. 29:27. In 1 Kon. 9:7 staat hier een ander werkwoord, ‘afsnijden’. Zie ook: Deut 28:37; Deut 29:27; 1 Kon 9:7; 2 Kon 17:20; Jer 24:9 **7:21** **En dit huis, dat hoog was: ieder die erlangs gaat, zal zich verbazen. Hij zal zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh dit land en dit huis zo behandeld?’** Brontekst: וְהַבַּ֤יִת (vehabayit) = en het huis | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֣ה (haya) = was | עֶלְי֔וֹן (elyon) = hoog | לְכָל (lekhal) = voor ieder | עֹבֵ֥ר (over) = die voorbijgaat | עָלָ֖יו (alav) = erlangs | יִשֹּׁ֑ם (yishom) = zal zich verbazen | וְאָמַ֗ר (veamar) = en zal zeggen | בַּמֶּ֨ה (bame) = waarom | עָשָׂ֤ה (asa) = heeft gedaan | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כָּ֔כָה (kakha) = zo | לָאָ֥רֶץ (laarets) = aan het land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | וְלַבַּ֥יִת (velabayit) = en aan het huis | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat alleen ‘zich verbazen’. 1 Kon. 9:8 heeft ook ‘fluiten’. Voetnoot Lezing: עֶלְיוֹן (elyon), ‘hoog’: de Masoretische tekst heeft hier hetzelfde moeilijke woord als 1 Kon. 9:8. Sommige oude vertalingen lezen een andere vorm. Wij volgen de Masoretische tekst. Vergelijk de vraag van de volken in Deut. 29:23. Zie ook: Deut 29:23; 1 Kon 9:8; Jer 16:10–12; Jer 19:8; Jer 22:8–9; Jer 49:17; Jer 50:13 **7:22** **Dan zal men zeggen: ‘Omdat zij Yahweh, de Elohim van hun vaders, hebben verlaten, die hen uit het land Egypte heeft geleid. Zij hielden vast aan andere goden, bogen zich voor hen neer en dienden hen. Daarom heeft Hij al dit onheil over hen gebracht.’”** Brontekst: וְאָמְר֗וּ (veameru) = en men zal zeggen | עַל֩ (al) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָֽזְב֜וּ (azevu) = zij hebben verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתֵיהֶ֗ם (avoteihem) = hun vaders | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הוֹצִיאָם֮ (hotsiam) = hen uitleidde | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | וַֽיַּחֲזִ֨יקוּ֙ (vayachaziqu) = en zij hielden vast | בֵּאלֹהִ֣ים (bElohim) = aan goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיִּשְׁתַּחֲו֥וּ (vayishtachavu) = en bogen zich neer | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וַיַּֽעַבְד֑וּם (vayaavdum) = en dienden hen | עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = zo | הֵבִ֣יא (hevi) = heeft Hij gebracht | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֖ה (haraa) = het onheil | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het onderwerp van ‘heeft gebracht’ is Yahweh. 1 Kon. 9:9 noemt Hem hier bij naam. Vergelijk Deut. 29:23–25. Zie ook: Deut 29:23–25; Re 2:12–13; 1 Kon 9:9; Klaagl 2:16–17; Klaagl 4:13–15; Ezech 14:23; Dan 9:12 ## 2 Kronieken 8 _De bouwwerken, de offers en de vloot van Salomo_ ### Salomo bouwt steden **8:1** Aan het einde van twintig jaar had Salomo het huis van Yahweh en zijn eigen huis gebouwd. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het gebeurde | מִקֵּ֣ץ (miqets) = aan het einde van | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarin | בָּנָ֧ה (bana) = bouwde | שְׁלֹמֹ֛ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 9:10–28 **8:2** De steden die Churam aan Salomo had gegeven, die bouwde Salomo. Hij liet er de zonen van Israël wonen. Brontekst: וְהֶעָרִ֗ים (vehearim) = en de steden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נָתַ֤ן (natan) = gaf | חוּרָם֙ (churam) = Churam | לִשְׁלֹמֹ֔ה (lishlomo) = aan Salomo | בָּנָ֥ה (bana) = bouwde | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וַיּ֥וֹשֶׁב (vayoshev) = en liet wonen | שָׁ֖ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוּרָם (Churam), ‘Churam’: de koning van Tyrus heet in 1 Kon. 5:15 en 9:11 Hiram. Wij houden de vorm van elk boek aan, zoals in 1 Kron. 14:1. Voetnoot : In 1 Kon. 9:10–14 geeft Salomo aan Hiram twintig steden in Galilea. Hier geeft Churam steden aan Salomo. De tekst zegt niet hoe deze twee berichten zich tot elkaar verhouden. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: 1 Kron 14:1; 1 Kon 5:15; 1 Kon 9:10–14; 1 Kon 9:11–18 **8:3** Salomo ging naar Chamat-Tsoba. Hij overmeesterde het. Brontekst: וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | חֲמָ֣ת (chamat) = naar Chamat | צוֹבָ֔ה (tsova) = Tsoba | וַיֶּחֱזַ֖ק (vayechezaq) = en overmeesterde | עָלֶֽיהָ (aleiha) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chamat (חֲמָת) is het huidige Hama, aan de Orontes in Syrië. Tsoba (צוֹבָה) was een Aramees gebied ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië. De precieze ligging van Tsoba is onzeker. Hier staat één naam, Chamat-Tsoba. Zie ook 1 Kron. 18:3. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: וַיֶּחֱזַק עָלֶיהָ (vayyechezaq aleha), ‘hij werd sterk tegen haar’: hij overmeesterde haar. Zie ook: Num 13:21; Num 34:8; 2 Sam 8:3; 1 Kron 18:3; 1 Kon 11:23–25 **8:4** Hij bouwde Tadmor in de woestijn en alle voorraadsteden die hij in Chamat bouwde. Brontekst: וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | תַּדְמֹ֖ר (tadmor) = Tadmor | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַֽמִּסְכְּנ֔וֹת (hamiskenot) = de voorraad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בָּנָ֖ה (bana) = hij bouwde | בַּחֲמָֽת (bachamat) = in Chamat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tadmor (תַּדְמֹר) wordt gewoonlijk gelijkgesteld met de oase Palmyra in Syrië. In 1 Kon. 9:18 heeft de geschreven tekst (ketiv) ‘Tamar’ en de voorgelezen tekst (qere) ‘Tadmor’. Hier staat alleen Tadmor. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: עָרֵי הַמִּסְכְּנוֹת (arei hammiskenot), ‘voorraadsteden’: steden om voorraad op te slaan, zoals in 1 Kon. 9:19 en Exod. 1:11. Zie ook: Ex 1:11; 1 Kon 9:17–19; 1 Kon 9:18; 1 Kon 9:19 **8:5** Hij bouwde Boven-Bet-Choron en Beneden-Bet-Choron, versterkte steden met muren, deuren en grendels. Brontekst: וַיִּ֜בֶן (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = Bet | חוֹרוֹן֙ (choron) = Choron | הָֽעֶלְי֔וֹן (haelyon) = de boven- | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = Bet | חוֹר֖וֹן (choron) = Choron | הַתַּחְתּ֑וֹן (hatachton) = de beneden- | עָרֵ֣י (arei) = steden van | מָצ֔וֹר (matsor) = versterking | חוֹמ֖וֹת (chomot) = muren | דְּלָתַ֥יִם (delatayim) = deuren | וּבְרִֽיחַ (uveriach) = en grendel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Boven-Bet-Choron en Beneden-Bet-Choron lagen aan de weg van Jeruzalem naar de kust, ten noordwesten van Jeruzalem, bij het huidige Bet Ur el-Foqa en Bet Ur et-Tachta op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook Joz. 16:3, 5. Voetnoot Uitleg: עָרֵי מָצוֹר (arei matsor), ‘versterkte steden’. In 1 Kon. 9:17 wordt alleen Beneden-Bet-Choron genoemd. Zie ook: Joz 16:3; Joz 16:5; 1 Kron 7:24; 1 Kon 9:17; 2 Kron 14:6 **8:6** Hij bouwde ook Baälat en alle voorraadsteden die Salomo had. Hij bouwde ook alle steden voor de wagens en de steden voor de ruiters. En alles waar Salomo zijn zin op had gezet, bouwde hij in Jeruzalem, in de Libanon en in het hele land van zijn heerschappij. Brontekst: וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | בַּעֲלָ֗ת (baalat) = Baälat | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֤י (arei) = steden van | הַֽמִּסְכְּנוֹת֙ (hamiskenot) = de voorraad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָי֣וּ (hayu) = waren | לִשְׁלֹמֹ֔ה (lishlomo) = van Salomo | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de wagens | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַפָּרָשִׁ֑ים (haparashim) = de ruiters | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | חֵ֣שֶׁק (chesheq) = wat Salomo wenste | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | חָשַׁק֙ (chashaq) = hij wenste | לִבְנ֤וֹת (livnot) = om te bouwen | בִּירֽוּשָׁלִַ֨ם֙ (birushalaim) = in Jeruzalem | וּבַלְּבָנ֔וֹן (uvalevanon) = en in de Libanon | וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מֶמְשַׁלְתּֽוֹ (memshalto) = zijn heerschappij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baälat: de ligging is onzeker. Joz. 19:44 noemt een Baälat in het gebied van Dan. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘bouwde’ van vers 5 geldt ook hier. Wij herhalen het in de vertaling. Voetnoot : חֵשֶׁק (cheshek), ‘wat men graag wil’: alles waar Salomo zijn zin op had gezet, zoals in 1 Kon. 9:19. Zie ook: Joz 19:44; Hoogl 4:8; Pred 2:10–26; 1 Kon 7:2; 1 Kon 9:18–19; 1 Kon 9:19; 1 Kon 10:26; 2 Kron 8:5 ### De dwangarbeid **8:7** Al het volk dat nog over was van de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, die niet van Israël waren, Brontekst: כָּל (kal) = al | הָ֠עָם (haam) = het volk | הַנּוֹתָ֨ר (hanotar) = dat overbleef | מִן (min) = van | הַחִתִּ֜י (hachiti) = de Hethiet | וְהָאֱמֹרִ֤י (vehaemori) = en de Amoriet | וְהַפְּרִזִּי֙ (vehaperizi) = en de Perizziet | וְהַחִוִּ֣י (vehachivi) = en de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִ֔י (vehayvusi) = en de Jebusiet | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹ֥א (lo) = niet | מִיִּשְׂרָאֵ֖ל (miyisrael) = van Israël | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De opsomming van de volken is die van 1 Kon. 9:20, in een andere volgorde (daar staan de Amorieten vóór de Hethieten). Vergelijk Deut. 7:1. Zie ook: Gen 15:18–21; Deut 7:1; 1 Kon 9:20–22 **8:8** uit hun zonen, die na hen in het land waren overgebleven en die de zonen van Israël niet hadden uitgeroeid: hen liet Salomo opkomen voor dwangarbeid, tot op deze dag. Brontekst: מִן (min) = van | בְּנֵיהֶ֗ם (beneihem) = hun zonen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נוֹתְר֤וּ (noteru) = waren overgebleven | אַחֲרֵיהֶם֙ (achareihem) = na hen | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | כִלּ֖וּם (kilum) = hadden uitgeroeid | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּעֲלֵ֤ם (vayaalem) = en liet opkomen | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | לְמַ֔ס (lemas) = voor dwangarbeid | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּלּוּם (killum), ‘zij hadden hen uitgeroeid’: van כָּלָה (kalah), ‘voltooien, een einde maken aan’. In 1 Kon. 9:21 staat een ander werkwoord: ‘aan de ban wijden’ (lehacharimam). Wij vertalen beide letterlijk. Voetnoot : מַס (mas), ‘dwangarbeid’: zoals in 1 Kon. 9:21. Zie ook: Joz 16:10; Re 1:21–36; 1 Kon 4:6; 1 Kon 5:27–28; 1 Kon 9:21 **8:9** Van de zonen van Israël maakte Salomo geen slaven voor zijn werk. Want zij waren krijgslieden, aanvoerders van zijn derde mannen en aanvoerders van zijn wagens en zijn ruiters. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | נָתַ֧ן (natan) = maakte | שְׁלֹמֹ֛ה (shelomo) = Salomo | לַעֲבָדִ֖ים (laavadim) = tot slaven | לִמְלַאכְתּ֑וֹ (limlakhto) = voor zijn werk | כִּי (ki) = want | הֵ֜מָּה (hema) = zij | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = krijgslieden van | מִלְחָמָה֙ (milchama) = oorlog | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en aanvoerders van | שָׁלִישָׁ֔יו (shalishav) = zijn derde mannen | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en aanvoerders van | רִכְבּ֖וֹ (rikhbo) = zijn wagens | וּפָרָשָֽׁיו (ufarashav) = en zijn ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבָדִים (avadim), ‘slaven’: mensen die gedwongen arbeid moeten doen. Wij vertalen het zoals in 1 Kon. 9:22. Vergelijk 1 Kon. 5:27–28, waar Salomo wel dwangarbeid uit heel Israël hief. Voetnoot : שָׁלִישׁ (shalish), ‘derde man’: een man van hoge rang. Zie 1 Kon. 9:22. Zie ook: Ex 19:5–6; Lev 25:39–46; 1 Sam 8:11–12; 1 Kon 5:27–28; 1 Kon 9:22; Gal 4:26; Gal 4:31 **8:10** Dit waren de leiders van de opzichters van koning Salomo: 250 man. Zij hadden het bevel over het volk. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dit | שָׂרֵ֤י (sarei) = waren de leiders van | הַנִּצָּבִ֛ים (hanitsavim) = de opzichters | אֲשֶׁר (asher) = die | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = van de koning | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתָ֑יִם (umatayim) = en tweehonderd | הָרֹדִ֖ים (harodim) = die heersten | בָּעָֽם (baam) = over het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het getal is hier 250. In 1 Kon. 9:23 staat 550. Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen het getal letterlijk. Voetnoot : De geschreven tekst (ketiv) heeft הנציבים (hanitsivim), de voorgelezen tekst (qere) heeft הַנִּצָּבִים (hanitsavim). Beide betekenen ‘de opzichters’. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kon 5:30; 1 Kon 9:23; 2 Kron 2:17 ### De dochter van Farao **8:11** Salomo bracht de dochter van Farao omhoog uit de stad van David naar het huis dat hij voor haar had gebouwd. Want hij zei: „Mijn vrouw mag niet wonen in het huis van David, de koning van Israël. Want zij zijn heilig, de plaatsen waar de ark van Yahweh is gekomen.” Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּת (bat) = de dochter van | פַּרְעֹ֗ה (paro) = Farao | הֶעֱלָ֤ה (heela) = bracht omhoog | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | מֵעִ֣יר (meir) = uit de stad van | דָּוִ֔יד (david) = David | לַבַּ֖יִת (labayit) = naar het huis | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בָּֽנָה (bana) = hij bouwde | לָ֑הּ (lah) = voor haar | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֗ר (amar) = hij zei | לֹא (lo) = niet | תֵשֵׁ֨ב (teshev) = zal wonen | אִשָּׁ֥ה (isha) = vrouw | לִי֙ (li) = van mij | בְּבֵית֙ (beveit) = in het huis van | דָּוִ֣יד (david) = David | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּי (ki) = want | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig | הֵ֔מָּה (hema) = zij | אֲשֶׁר (asher) = waar | בָּֽאָ֥ה (baa) = is gekomen | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = naar hen | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De dochter van Farao: zie 1 Kon. 3:1 en 9:24. De ark kwam naar de stad van David in 2 Sam. 6:12. Voetnoot : Het Hebreeuwse ‘zij’ (הֵמָּה, hemmah) slaat terug op de plaatsen waar de ark van Yahweh gekomen is. Het woord ‘plaatsen’ voegen wij toe om de zin te laten lopen. Zie ook: Ex 29:43; 2 Sam 6:12; 1 Kon 3:1; 1 Kon 7:8; 1 Kon 9:24; 2 Petr 1:18 ### De offers en de diensten in het huis **8:12** Toen bracht Salomo brandoffers aan Yahweh op het altaar van Yahweh dat hij vóór de voorhal had gebouwd. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | הֶעֱלָ֧ה (heela) = bracht omhoog | שְׁלֹמֹ֛ה (shelomo) = Salomo | עֹל֖וֹת (olot) = brandoffers | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | עַ֚ל (al) = op | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בָּנָ֖ה (bana) = hij bouwde | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָאוּלָֽם (haulam) = de voorhal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de ingang aan de voorkant van het huis (1 Kon. 6:3). Zie voor het altaar 1 Kon. 9:25 en 2 Kron. 4:1. Zie ook: 1 Kron 28:17; 1 Kon 6:3; 1 Kon 9:25; 2 Kron 4:1; Joël 2:17; Ezech 8:16; Joh 10:23 **8:13** Hij bracht ze dag na dag, naar wat elke dag vroeg, zoals het gebod van Mozes. Dat gold voor de sabbatten, de nieuwe manen en de vastgestelde tijden. Drie keer per jaar werd het gedaan: op het feest van de ongezuurde broden, op het feest van de weken en op het feest van de hutten. Brontekst: וּבִדְבַר (uvidvar) = en naar wat nodig was van | י֣וֹם (yom) = een dag | בְּי֗וֹם (beyom) = op zijn dag | לְהַעֲלוֹת֙ (lehaalot) = om omhoog te brengen | כְּמִצְוַ֣ת (kemitsvat) = zoals het gebod van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לַשַּׁבָּתוֹת֙ (lashabatot) = voor de sabbatten | וְלֶ֣חֳדָשִׁ֔ים (velechodashim) = en voor de nieuwe manen | וְלַמּ֣וֹעֲד֔וֹת (velamoadot) = en voor de vastgestelde tijden | שָׁל֥וֹשׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | בַּשָּׁנָ֑ה (bashana) = in het jaar | בְּחַ֧ג (bechag) = op het feest van | הַמַּצּ֛וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | וּבְחַ֥ג (uvechag) = en op het feest van | הַשָּׁבֻע֖וֹת (hashavuot) = de weken | וּבְחַ֥ג (uvechag) = en op het feest van | הַסֻּכּֽוֹת (hasukot) = de hutten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּדְבַר־יוֹם בְּיוֹמוֹ (bidvar-yom beyomo), ‘naar wat elke dag vraagt’: dezelfde woorden staan in 1 Kon. 8:59. Voetnoot : Het gebod van Mozes voor de dagelijkse offers staat in Num. 28:3–8, voor de sabbat in Num. 28:9–10 en voor de nieuwe maan in Num. 28:11–15. De drie feesten staan in Exod. 23:14–17 en Deut. 16:16. Voetnoot : מוֹעֲדִים (moadim), ‘vastgestelde tijden’: zoals in Lev. 23. Zie ook: Ex 23:14–17; Ex 29:38–42; Num 28:3–8; Num 28:9–10; Num 28:11–15; Deut 16:16; 1 Kon 8:59; Ezech 45:17; Ezech 46:3–15 **8:14** Naar de regel van zijn vader David stelde hij de afdelingen van de priesters aan voor hun dienst. De Levieten stelde hij aan voor hun wacht: om te loven en te dienen naast de priesters, naar wat elke dag vroeg. Ook de poortwachters stelde hij aan, in hun afdelingen, voor elke poort. Want zo was het gebod van David, de man van Elohim. Brontekst: וַיַּעֲמֵ֣ד (vayaamed) = en stelde aan | כְּמִשְׁפַּ֣ט (kemishpat) = volgens het recht van | דָּֽוִיד (david) = David | אָ֠בִיו (aviv) = zijn vader | אֶת (et) = (obj.) | מַחְלְק֨וֹת (machleqot) = de afdelingen van | הַכֹּהֲנִ֜ים (hakohanim) = de priesters | עַל (al) = over | עֲבֹדָתָ֗ם (avodatam) = hun dienst | וְהַלְוִיִּ֣ם (vehalviyim) = en de Levieten | עַל (al) = over | מִ֠שְׁמְרוֹתָם (mishmerotam) = hun wacht | לְהַלֵּ֨ל (lehalel) = om te loven | וּלְשָׁרֵ֜ת (ulesharet) = en te dienen | נֶ֤גֶד (neged) = voor het aangezicht van | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | לִדְבַר (lidvar) = naar wat nodig was van | י֣וֹם (yom) = een dag | בְּיוֹמ֔וֹ (beyomo) = op zijn dag | וְהַשּׁוֹעֲרִ֥ים (vehashoarim) = en de poortwachters | בְּמַחְלְקוֹתָ֖ם (bemachleqotam) = in hun afdelingen | לְשַׁ֣עַר (leshaar) = voor poort | וָשָׁ֑עַר (vashaar) = en poort | כִּ֣י (ki) = want | כֵ֔ן (ken) = zo | מִצְוַ֖ת (mitsvat) = het gebod van | דָּוִ֥יד (david) = David | אִישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de indeling van de priesters en Levieten die David maakte (1 Kron. 23–26). מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: zoals in 1 Kron. 23:32. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat) betekent meestal ‘recht’. Hier is het de vaste regeling die David had gemaakt. Wij schrijven ‘regel’. Voetnoot : אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een eretitel. Mozes heet zo in Deut. 33:1. Hier wordt David zo genoemd. Zie ook: Deut 33:1; 1 Kron 9:17; 1 Kron 23:32; 2 Kron 35:10; Ezra 6:18; Neh 12:24; Neh 12:36 **8:15** Zij weken niet af van het gebod van de koning voor de priesters en de Levieten. Dat gold voor elke zaak, ook voor de schatkamers. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | סָרוּ֩ (saru) = weken af | מִצְוַ֨ת (mitsvat) = van het gebod van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = over | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֛ם (vehalviyim) = en de Levieten | לְכָל (lekhal) = voor elke | דָּבָ֖ר (davar) = zaak | וְלָאֹצָרֽוֹת (velaotsarot) = en voor de schatkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹצָרוֹת (otsarot), ‘schatkamers’: zoals in 1 Kron. 26:20. Zie ook: Ex 39:42–43; 1 Kron 9:29; 1 Kron 26:20–26; 1 Kon 7:51; 2 Kron 30:12 **8:16** Al het werk van Salomo kwam tot stand, vanaf de dag dat de grondslag van het huis van Yahweh werd gelegd tot de voltooiing ervan. Het huis van Yahweh was af. Brontekst: וַתִּכֹּן֙ (vatikon) = en werd tot stand gebracht | כָּל (kal) = al | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = het werk van | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | עַד (ad) = tot | הַיּ֛וֹם (hayom) = de dag | מוּסַ֥ד (musad) = van de grondslag van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְעַד (vead) = en tot | כְּלֹת֑וֹ (keloto) = zijn voltooiing | שָׁלֵ֖ם (shalem) = af | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het huis van Yahweh was in zeven jaar gebouwd (1 Kon. 6:38). Het woord שָׁלֵם (shalem) betekent ‘af, volledig’. Zie ook: 1 Kon 5:32; 1 Kon 6:7; 1 Kon 6:38 ### De vloot naar Ofir **8:17** Toen ging Salomo naar Ezjon-Geber en naar Elat, aan de oever van de zee in het land Edom. Brontekst: אָז֩ (az) = toen | הָלַ֨ךְ (halakh) = ging | שְׁלֹמֹ֜ה (shelomo) = Salomo | לְעֶצְיֽוֹן (leetsyon) = naar Ezjon | גֶּ֧בֶר (gever) = Geber | וְאֶל (veel) = en naar | אֵיל֛וֹת (eilot) = Elat | עַל (al) = aan | שְׂפַ֥ת (sefat) = de oever van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ezjon-Geber lag aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba (Jordanië) en Eilat (Israël). De precieze plek is onzeker. Elat (אֵילוֹת, in de tekst: Eloth) ligt dichtbij. Edom is het gebied ten zuiden en oosten van de Zoutzee. Zie ook 1 Kon. 9:26. Zie ook: Deut 2:8; 1 Kon 9:26; 1 Kon 22:49; 2 Kon 14:22; 2 Kon 16:6; 2 Kron 20:36 **8:18** Churam stuurde hem schepen door zijn dienaren, en dienaren die de zee kenden. Zij kwamen met de dienaren van Salomo in Ofir. Daar haalden zij 450 talent goud en brachten het naar koning Salomo. Brontekst: וַיִּֽשְׁלַֽח (vayishlach) = en stuurde | לוֹ֩ (lo) = hem | חוּרָ֨ם (churam) = Churam | בְּיַד (beyad) = door de hand van | עֲבָדָ֜יו (avadav) = zijn dienaren | אֳנִיּ֗וֹת (oniyot) = schepen | וַעֲבָדִים֮ (vaavadim) = en dienaren | י֣וֹדְעֵי (yodeei) = die kenden | יָם֒ (yam) = de zee | וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עִם (im) = met | עַבְדֵ֤י (avdei) = de dienaren van | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | אוֹפִ֔ירָה (ofira) = naar Ofir | וַיִּקְח֣וּ (vayiqchu) = en zij namen | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | אַרְבַּע (arba) = vier | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּׁ֖ים (vachamishim) = en vijftig | כִּכַּ֣ר (kikar) = talent | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וַיָּבִ֖יאוּ (vayaviu) = en brachten | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁלֹמֹֽה (shelomo) = Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofir is een land dat bekend was om zijn goud. De ligging is onzeker. Voorgesteld worden Zuid-Arabië, Oost-Afrika en India. Voetnoot Uitleg: Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram. 450 talent is dus ongeveer 15.300 kilogram goud. In 1 Kon. 9:28 staat 420 talent (ongeveer 14.300 kilogram). Wij vertalen het getal letterlijk. In 1 Kon. 9:27 stuurt Hiram zijn dienaren mee met de vloot. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft אוניות (aniyyot), de voorgelezen tekst (qere) heeft אֳנִיּוֹת (aniyyot). Beide betekenen ‘schepen’; alleen de spelling verschilt. Wij volgen de qere. Zie ook: Pred 2:8; 1 Kon 9:27–28; 1 Kon 9:28; 1 Kon 10:22; 2 Kron 9:10; 2 Kron 9:13 ## 2 Kronieken 9 _De koningin van Sjeba, de rijkdom en de dood van Salomo_ ### De koningin van Sjeba bij Salomo **9:1** De koningin van Sjeba hoorde de faam van Salomo. Zij kwam om Salomo met raadsels te beproeven, in Jeruzalem. Zij kwam met een zeer groot gevolg: kamelen met specerijen, heel veel goud en edelstenen. Zij kwam bij Salomo en sprak met hem over alles wat zij op haar hart had. Brontekst: וּמַֽלְכַּת (umalkat) = en de koningin van | שְׁבָ֗א (sheva) = Sjeba | שָֽׁמְעָה֮ (shamea) = hoorde | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣מַע (shema) = de faam van | שְׁלֹמֹה֒ (shelomo) = Salomo | וַתָּב֣וֹא (vatavo) = en kwam | לְנַסּוֹת֩ (lenasot) = om te beproeven | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלֹמֹ֨ה (shelomo) = Salomo | בְחִיד֜וֹת (bechidot) = met raadsels | בִּירֽוּשָׁלִַ֗ם (birushalaim) = in Jeruzalem | בְּחַ֣יִל (bechayil) = met een gevolg | כָּבֵ֣ד (kaved) = zwaar | מְאֹ֡ד (meod) = zeer | וּ֠גְמַלִּים (ugemalim) = en kamelen | נֹשְׂאִ֨ים (noseim) = dragend | בְּשָׂמִ֧ים (besamim) = specerijen | וְזָהָ֛ב (vezahav) = en goud | לָרֹ֖ב (larov) = in menigte | וְאֶ֣בֶן (veeven) = en steen | יְקָרָ֑ה (yeqara) = kostbare | וַתָּבוֹא֙ (vatavo) = en kwam | אֶל (el) = naar | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | וַתְּדַבֵּ֣ר (vatedaber) = en sprak | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | הָיָ֖ה (haya) = was | עִם (im) = met | לְבָבָֽהּ (levavah) = haar hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sjeba (שְׁבָא) lag in het zuidwesten van Arabië, waarschijnlijk in het huidige Jemen. De afstand naar Jeruzalem is meer dan 2.000 kilometer. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt grotendeels parallel met 1 Kon. 10. De woorden ‘in verband met de naam van Yahweh’ (1 Kon. 10:1) staan hier niet. Voetnoot : חִידוֹת (chidot), ‘raadsels’: moeilijke vragen en spreuken, om te toetsen of iemand echt wijs is. Zie ook: 1 Kon 10:1–13; 2 Kron 9:9; Jes 60:6; Mat 12:42; Luc 11:31 **9:2** Salomo gaf haar uitleg over al haar woorden. Er was niets verborgen voor Salomo wat hij haar niet kon uitleggen. Brontekst: וַיַּגֶּד (vayaged) = en gaf uitleg | לָ֥הּ (lah) = haar | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | דְּבָרֶ֑יהָ (devareiha) = haar woorden | וְלֹֽא (velo) = en niet | נֶעְלַ֤ם (nelam) = was verborgen | דָּבָר֙ (davar) = iets | מִשְּׁלֹמֹ֔ה (mishelomo) = voor Salomo | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | לֹ֦א (lo) = niet | הִגִּ֖יד (higid) = hij uitlegde | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 5:9; Mar 4:34; Joh 15:15; Jak 1:5; Kol 2:3 **9:3** De koningin van Sjeba zag de wijsheid van Salomo en het huis dat hij gebouwd had, Brontekst: וַתֵּ֨רֶא֙ (vatere) = en zag | מַֽלְכַּת (malkat) = de koningin van | שְׁבָ֔א (sheva) = Sjeba | אֵ֖ת (et) = (obj.) | חָכְמַ֣ת (chakhemat) = de wijsheid van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | וְהַבַּ֖יִת (vehabayit) = en het huis | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בָּנָֽה (bana) = hij bouwde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen. Zie ook: 1 Kon 6:1–7; 1 Kon 10:3; 2 Kron 3:1–4; Hand 11:23 **9:4** het eten op zijn tafel, de zitplaatsen van zijn dienaren, het staan van zijn bedienden en hun kleding, zijn schenkers en hun kleding, en zijn opgang, waarmee hij opging naar het huis van Yahweh. Toen was er geen adem meer in haar. Brontekst: וּמַאֲכַ֣ל (umaakhal) = en het eten van | שֻׁלְחָנ֡וֹ (shulchano) = zijn tafel | וּמוֹשַׁ֣ב (umoshav) = en de zitplaats van | עֲבָדָיו֩ (avadav) = zijn dienaren | וּמַעֲמַ֨ד (umaamad) = en het staan van | מְשָׁרְתָ֜יו (mesharetav) = zijn bedienden | וּמַלְבּֽוּשֵׁיהֶ֗ם (umalbusheihem) = en hun kleding | וּמַשְׁקָיו֙ (umashqav) = en zijn schenkers | וּמַלְבּ֣וּשֵׁיהֶ֔ם (umalbusheihem) = en hun kleding | וַעֲלִיָּת֔וֹ (vaaliyato) = en zijn opgang | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | יַעֲלֶ֖ה (yaale) = hij opging | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יָה (haya) = was | ע֛וֹד (od) = meer | בָּ֖הּ (bah) = in haar | רֽוּחַ (ruach) = adem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘adem, geest’: ‘er was geen adem meer in haar’ betekent dat zij overweldigd was en geen woord kon uitbrengen. Voetnoot Lezing: וַעֲלִיָּתוֹ (va’aliyyato), ‘en zijn opgang’: de trap of de weg waarlangs hij naar het huis van Yahweh opging. In 1 Kon. 10:5 staat וְעֹלָתוֹ (ve’olato), ‘en zijn brandoffer’. De twee woorden verschillen in één letter. Wij volgen in beide boeken de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 143:7; 1 Kon 10:5; 2 Kon 16:18; Ezech 44:3; Ezech 46:2; Luc 12:37 **9:5** Zij zei tegen de koning: „Het was waar wat ik in mijn land gehoord heb over uw woorden en uw wijsheid. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zei | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֱמֶת֙ (emet) = waar | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שָׁמַ֖עְתִּי (shamati) = ik hoorde | בְּאַרְצִ֑י (beartsi) = in mijn land | עַל (al) = over | דְּבָרֶ֖יךָ (devareikha) = uw woorden | וְעַל (veal) = en over | חָכְמָתֶֽךָ (chakhematekha) = uw wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 10:6 **9:6** Ik geloofde hun woorden niet, tot ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. En zie, de helft van de grootheid van uw wijsheid is mij niet verteld. U overtreft het gerucht dat ik gehoord heb. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | הֶאֱמַ֣נְתִּי (heemanti) = ik geloofde | לְדִבְרֵיהֶ֗ם (ledivreihem) = hun woorden | עַ֤ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּ֨אתִי֙ (bati) = ik kwam | וַתִּרְאֶ֣ינָה (vatireina) = en zagen | עֵינַ֔י (einay) = mijn ogen | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | לֹ֣א (lo) = niet | הֻגַּד (hugad) = is verteld | לִ֔י (li) = mij | חֲצִ֖י (chatsi) = de helft | מַרְבִּ֣ית (marbit) = van de grootheid van | חָכְמָתֶ֑ךָ (chakhematekha) = uw wijsheid | יָסַ֕פְתָּ (yasafta) = u hebt toegevoegd | עַל (al) = aan | הַשְּׁמוּעָ֖ה (hashemua) = het gerucht | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שָׁמָֽעְתִּי (shamati) = ik hoorde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵרֹב חָכְמָתֶךָ (merov chokhmatekha), ‘de grootheid van uw wijsheid’: letterlijk ‘de menigte van uw wijsheid’. Zie ook: Hoogl 5:9–16; 1 Kon 5:11; 1 Kon 10:7; 2 Kron 9:5; Joh 20:25–29 **9:7** Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig zijn deze dienaren van u, die voortdurend voor u staan en uw wijsheid horen! Brontekst: אַשְׁרֵ֣י (ashrei) = gelukkig zijn | אֲנָשֶׁ֔יךָ (anasheikha) = uw mannen | וְאַשְׁרֵ֖י (veashrei) = en gelukkig zijn | עֲבָדֶ֣יךָ (avadeikha) = uw dienaren | אֵ֑לֶּה (ele) = deze | הָעֹמְדִ֤ים (haomedim) = die staan | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor u | תָּמִ֔יד (tamid) = voortdurend | וְשֹׁמְעִ֖ים (veshomeim) = en horen | אֶת (et) = (obj.) | חָכְמָתֶֽךָ (chakhematekha) = uw wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 33:9; Spr 10:21; Spr 13:20; 1 Kon 10:8; Luc 10:39–42 **9:8** Gezegend zij Yahweh, uw Elohim, die vreugde in u heeft gehad. Hij heeft u op Zijn troon gezet als koning voor Yahweh, uw Elohim. Omdat uw Elohim Israël liefheeft en het voor altijd wil laten bestaan, heeft Hij u over hen tot koning gemaakt, om recht en gerechtigheid te doen.” Brontekst: יְהִ֨י (yehi) = laat zijn | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = uw Elohim | בָּר֔וּךְ (barukh) = gezegend | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָפֵ֣ץ (chafets) = vreugde had | בְּךָ֗ (bekha) = in u | לְתִתְּךָ֤ (letitekha) = om u te zetten | עַל (al) = op | כִּסְאוֹ֙ (kiso) = Zijn troon | לְמֶ֔לֶךְ (lemelekh) = als koning | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = uw Elohim | בְּאַהֲבַ֨ת (beahavat) = in het liefhebben van | אֱלֹהֶ֤יךָ (eloheikha) = uw Elohim | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְהַעֲמִיד֣וֹ (lehaamido) = om het te laten bestaan | לְעוֹלָ֔ם (leolam) = voor altijd | וַיִּתֶּנְךָ֤ (vayitenkha) = en Hij zette u | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | לְמֶ֔לֶךְ (lemelekh) = als koning | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | מִשְׁפָּ֥ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָֽה (utsedaqa) = en gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 10:9 staat ‘op de troon van Israël’. Hier staat ‘op Zijn troon’ en ‘als koning voor Yahweh, uw Elohim’: de troon is die van Yahweh. Zie ook 1 Kron. 28:5 en 29:23. Voetnoot : צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’. Zie ook: Deut 7:8; 1 Kron 28:5; 1 Kron 29:23; 1 Kon 10:9; 2 Kron 2:10; Jes 32:1–2; Heb 1:8–9 **9:9** Zij gaf de koning 120 talent goud en heel veel specerijen en edelstenen. Er was geen specerij zoals die welke de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf. Brontekst: וַתִּתֵּ֨ן (vatiten) = en zij gaf | לַמֶּ֜לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֣ים (veesrim) = en twintig | כִּכַּ֣ר (kikar) = talent | זָהָ֗ב (zahav) = goud | וּבְשָׂמִ֛ים (uvesamim) = en specerijen | לָרֹ֥ב (larov) = in menigte | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | וְאֶ֣בֶן (veeven) = en steen | יְקָרָ֑ה (yeqara) = kostbare | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הָיָה֙ (haya) = was | כַּבֹּ֣שֶׂם (kabosem) = zoals de specerij | הַה֔וּא (hahu) = die | אֲשֶׁר (asher) = welke | נָתְנָ֥ה (natena) = gaf | מַֽלְכַּת (malkat) = de koningin van | שְׁבָ֖א (sheva) = Sjeba | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | שְׁלֹמֹֽה (shelomo) = Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen. Voetnoot Uitleg: Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram. 120 talent is dus ongeveer 4.100 kilogram goud. Voetnoot : בְּשָׂמִים (besamim), ‘specerijen’: welriekende stoffen, zoals wierook en balsem. Zie ook: Ps 72:10; Ps 72:15; 1 Kon 9:14; 1 Kon 10:10; 2 Kron 9:1 **9:10** Ook de dienaren van Churam en de dienaren van Salomo, die goud uit Ofir brachten, brachten almoeghout en edelstenen. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | עַבְדֵ֤י (avdei) = de dienaren van | חוּרָם֙ (churam) = Churam | וְעַבְדֵ֣י (veavdei) = en de dienaren van | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵבִ֥יאוּ (heviu) = brachten | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מֵאוֹפִ֑יר (meofir) = uit Ofir | הֵבִ֛יאוּ (heviu) = brachten | עֲצֵ֥י (atsei) = hout van | אַלְגּוּמִּ֖ים (algumim) = almoeg | וְאֶ֥בֶן (veeven) = en steen | יְקָרָֽה (yeqara) = kostbare Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofir: zie bij 8:18. Voetnoot Uitleg: אַלְגֻּמִּים (algummim), ‘almoeghout’: in 1 Kon. 10:11 staat אַלְמֻגִּים (almuggim). Dat is waarschijnlijk dezelfde houtsoort, met twee letters in andere volgorde. Welke boom het was, weten wij niet zeker. Daarom houden wij het woord ‘almoeghout’. Voetnoot Lezing: Er staat een ketiv (חירם, ‘Hiram’) en een qere (חוּרָם, ‘Churam’). Wij nemen de qere, zoals in 8:2. Zie ook: 1 Kon 9:27–28; 1 Kon 10:11; 1 Kon 10:22; 2 Kron 8:18 **9:11** De koning maakte van het almoeghout opgangen voor het huis van Yahweh en voor het huis van de koning. Ook maakte hij lieren en harpen voor de zangers. Zulke dingen waren eerder niet gezien in het land Juda. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en maakte | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | עֲצֵ֨י (atsei) = hout van | הָֽאַלְגּוּמִּ֜ים (haalgumim) = het almoeg | מְסִלּ֤וֹת (mesilot) = opgangen | לְבֵית (leveit) = voor het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּלְבֵ֣ית (uleveit) = en voor het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְכִנֹּר֥וֹת (vekhinorot) = en lieren | וּנְבָלִ֖ים (unevalim) = en harpen | לַשָּׁרִ֑ים (lasharim) = voor de zangers | וְלֹא (velo) = en niet | נִרְא֥וּ (niru) = werden gezien | כָהֵ֛ם (kahem) = zoals zij | לְפָנִ֖ים (lefanim) = eerder | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְסִלּוֹת (mesillot), ‘opgangen’: het woord hangt samen met een werkwoord voor ‘ophogen’ en kan trappen, terrassen of opgaande wegen betekenen. De betekenis is onzeker. In 1 Kon. 10:12 staat een ander woord: מִסְעָד (mis’ad), ‘steunen’. Voetnoot : כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’, en נֵבֶל (nevel), ‘harp’: twee snaarinstrumenten. Zie ook: 1 Kron 23:5; 1 Kron 25:1; Ps 150:3–5; 1 Kon 10:12; Openb 5:8 **9:12** Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba alles wat zij wenste, alles wat zij vroeg, afgezien van wat zij aan de koning had gebracht. Toen keerde zij om en ging naar haar land, zij en haar dienaren. Brontekst: וְהַמֶּ֨לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | שְׁלֹמֹ֜ה (shelomo) = Salomo | נָתַ֣ן (natan) = gaf | לְמַֽלְכַּת (lemalkat) = aan de koningin van | שְׁבָ֗א (sheva) = Sjeba | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | חֶפְצָהּ֙ (cheftsah) = haar wens | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | שָׁאָ֔לָה (shaala) = zij vroeg | מִלְּבַ֖ד (milevad) = afgezien van | אֲשֶׁר (asher) = wat | הֵבִ֣יאָה (hevia) = zij bracht | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַֽתַּהֲפֹ֛ךְ (vatahafokh) = en zij keerde om | וַתֵּ֥לֶךְ (vatelekh) = en ging | לְאַרְצָ֖הּ (leartsah) = naar haar land | הִ֥יא (hi) = zij | וַעֲבָדֶֽיהָ (vaavadeiha) = en haar dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen. Voetnoot Uitleg: מִלְּבַד (millevad), ‘afgezien van’: de tekst zegt niet precies wat bedoeld wordt. Misschien gaf Salomo haar méér dan wat zij had gebracht. Wij vertalen letterlijk. Zie ook 1 Kon. 10:13. Zie ook: Ps 20:5; 1 Kon 10:13; Ef 3:20 ### De rijkdom van Salomo **9:13** Het gewicht van het goud dat in één jaar bij Salomo binnenkwam, was 666 talent goud, Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִשְׁקַ֣ל (mishqal) = het gewicht van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּ֥א (ba) = kwam | לִשְׁלֹמֹ֖ה (lishlomo) = aan Salomo | בְּשָׁנָ֣ה (beshana) = in jaar | אֶחָ֑ת (echat) = één | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֛וֹת (meot) = honderd | וְשִׁשִּׁ֥ים (veshishim) = en zestig | וָשֵׁ֖שׁ (vashesh) = en zes | כִּכְּרֵ֥י (kikerei) = talenten van | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 666 talent is ongeveer 22.600 kilogram goud. Zie ook 1 Kon. 10:14. Zie ook: Ps 68:30; Ps 72:10; Ps 72:15; 1 Kon 10:14–28 **9:14** afgezien van wat de handelsreizigers en de kooplieden brachten. Ook alle koningen van Arabië en de landvoogden van het land brachten goud en zilver naar Salomo. Brontekst: לְבַ֞ד (levad) = afgezien van | מֵאַנְשֵׁ֧י (meanshei) = de mannen van | הַתָּרִ֛ים (hatarim) = de handelsreizigers | וְהַסֹּחֲרִ֖ים (vehasocharim) = en de kooplieden | מְבִיאִ֑ים (meviim) = die brachten | וְכָל (vekhal) = en alle | מַלְכֵ֤י (malkhei) = koningen van | עֲרַב֙ (arav) = Arabië | וּפַח֣וֹת (ufachot) = en landvoogden van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מְבִיאִ֛ים (meviim) = die brachten | זָהָ֥ב (zahav) = goud | וָכֶ֖סֶף (vakhesef) = en zilver | לִשְׁלֹמֹֽה (lishlomo) = aan Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Voetnoot Uitleg: הַתָּרִים (hattarim), ‘handelsreizigers’: mensen die rondtrekken om handel te drijven. הַסֹּחֲרִים (hassochrim), ‘kooplieden’. Zie ook 1 Kon. 10:15. Zie ook: Ps 68:30; Ps 72:10; 1 Kon 10:15 **9:15** Koning Salomo maakte 200 grote schilden van geslagen goud. Er ging 600 sikkel geslagen goud op elk groot schild. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en maakte | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁלֹמֹ֛ה (shelomo) = Salomo | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | צִנָּ֖ה (tsina) = grote schilden | זָהָ֣ב (zahav) = van goud | שָׁח֑וּט (shachut) = geslagen | שֵׁ֤שׁ (shesh) = zes | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | זָהָ֣ב (zahav) = goud | שָׁח֔וּט (shachut) = geslagen | יַעֲלֶ֖ה (yaale) = ging op | עַל (al) = op | הַצִּנָּ֥ה (hatsina) = het grote schild | הָאֶחָֽת (haechat) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִנָּה (tsinnah), ‘groot schild’, dat het hele lichaam bedekt, en מָגֵן (magen), ‘klein schild’ (vers 16). Voetnoot : Het Hebreeuws noemt bij ‘600’ geen eenheid. Wij vullen ‘sikkel’ aan, zoals in 1 Kon. 10:16. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram; 600 sikkel is dus ongeveer 6,8 kilogram. Zie ook: 1 Kon 10:16–17; 2 Kron 9:16; 2 Kron 12:9–10 **9:16** Hij maakte ook 300 kleine schilden van geslagen goud. Er ging 300 sikkel goud op elk klein schild. De koning plaatste ze in het Huis van het Woud van de Libanon. Brontekst: וּשְׁלֹשׁ (ushelosh) = en drie | מֵא֤וֹת (meot) = honderd | מָֽגִנִּים֙ (maginim) = kleine schilden | זָהָ֣ב (zahav) = van goud | שָׁח֔וּט (shachut) = geslagen | שְׁלֹ֤שׁ (shelosh) = drie | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | זָהָ֔ב (zahav) = goud | יַעֲלֶ֖ה (yaale) = ging op | עַל (al) = op | הַמָּגֵ֣ן (hamagen) = het kleine schild | הָאֶחָ֑ת (haechat) = één | וַיִּתְּנֵ֣ם (vayitenem) = en plaatste ze | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּבֵ֖ית (beveit) = in het huis van | יַ֥עַר (yaar) = het woud van | הַלְּבָנֽוֹן (halevanon) = de Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Huis van het Libanonwoud (Jeruzalem; ligging onzeker): Het Huis van het Libanonwoud was een gebouw van Salomo, vermoedelijk in Jeruzalem; het had zijn naam van het cederhout van de Libanon. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Ook hier noemt het Hebreeuws bij ‘300’ geen eenheid. Wij vullen ‘sikkel’ aan. 300 sikkel is ongeveer 3,4 kilogram. Voetnoot : In 1 Kon. 10:17 staat ‘3 mina’. Een mina is ongeveer 570 gram (50 sikkel); 3 mina is dus ongeveer 1,7 kilogram. Wij vertalen beide getallen letterlijk. Voetnoot : בֵּית יַעַר הַלְּבָנוֹן (beit ya’ar haLevanon), ‘Huis van het Woud van de Libanon’: een gebouw van Salomo in Jeruzalem (1 Kon. 7:2). Zie ook: 1 Kon 7:2; 1 Kon 10:17 **9:17** De koning maakte ook een grote troon van ivoor en bekleedde die met zuiver goud. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en maakte | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּסֵּא (kise) = troon | שֵׁ֖ן (shen) = van ivoor | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | וַיְצַפֵּ֖הוּ (vaytsapehu) = en bekleedde hem | זָהָ֥ב (zahav) = met goud | טָהֽוֹר (tahor) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָהָב טָהוֹר (zahav tahor), ‘zuiver goud’. In 1 Kon. 10:18 staat een ander woord, מוּפָז (mufaz), ‘gezuiverd goud’. Zie ook: Ps 45:9; 1 Kon 10:18–20; Openb 20:11 **9:18** De troon had zes treden en een voetbank van goud, vastgemaakt aan de troon. Aan beide kanten van de zitplaats waren armleuningen. Twee leeuwen stonden naast de armleuningen. Brontekst: וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en zes | מַעֲל֣וֹת (maalot) = treden | לַ֠כִּסֵּא (lakise) = voor de troon | וְכֶ֨בֶשׁ (vekhevesh) = en een voetbank | בַּזָּהָ֤ב (bazahav) = van goud | לַכִּסֵּא֙ (lakise) = voor de troon | מָאֳחָזִ֔ים (maochazim) = vastgemaakt | וְיָד֛וֹת (veyadot) = en armleuningen | מִזֶּ֥ה (mize) = aan de ene kant | וּמִזֶּ֖ה (umize) = en aan de andere kant | עַל (al) = bij | מְק֣וֹם (meqom) = de plaats van | הַשָּׁ֑בֶת (hashavet) = de zitplaats | וּשְׁנַ֣יִם (ushenayim) = en twee | אֲרָי֔וֹת (arayot) = leeuwen | עֹמְדִ֖ים (omedim) = staande | אֵ֥צֶל (etsel) = naast | הַיָּדֽוֹת (hayadot) = de armleuningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֶּבֶשׁ (kevesh), ‘voetbank’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : יָדוֹת (yadot), letterlijk ‘handen’: armleuningen, waar de armen op rusten. Voetnoot Lezing: In 1 Kon. 10:19 staat ook een ‘kalfskop’ aan de achterkant van de troon. Dat staat hier niet. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: Gen 49:9–10; Num 23:24; Num 24:9; 1 Kon 10:19; Openb 5:5 **9:19** Twaalf leeuwen stonden daar op de zes treden, aan beide kanten. Zoiets was voor geen enkel koninkrijk gemaakt. Brontekst: וּשְׁנֵ֧ים (usheneim) = en twee | עָשָׂ֣ר (asar) = tien | אֲרָי֗וֹת (arayot) = leeuwen | עֹמְדִ֥ים (omedim) = staande | שָׁ֛ם (sham) = daar | עַל (al) = op | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | הַֽמַּעֲל֖וֹת (hamaalot) = de treden | מִזֶּ֣ה (mize) = van hier | וּמִזֶּ֑ה (umize) = en van daar | לֹא (lo) = niet | נַעֲשָׂ֥ה (naasa) = werd gemaakt | כֵ֖ן (ken) = zo | לְכָל (lekhal) = voor alle | מַמְלָכָֽה (mamlakha) = koninkrijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 19:28; Openb 21:12 **9:20** Alle drinkvaten van koning Salomo waren van goud. Alle vaten van het Huis van het Woud van de Libanon waren van zuiver goud. Zilver werd in de dagen van Salomo nergens voor gerekend. Brontekst: וְ֠כֹל (vekhol) = en alle | כְּלֵ֞י (kelei) = vaten van | מַשְׁקֵ֨ה (mashqe) = drinken van | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וְכֹ֗ל (vekhol) = en alle | כְּלֵ֛י (kelei) = vaten van | בֵּֽית (beit) = huis van | יַ֥עַר (yaar) = woud van | הַלְּבָנ֖וֹן (halevanon) = de Libanon | זָהָ֣ב (zahav) = goud | סָג֑וּר (sagur) = zuiver | אֵ֣ין (ein) = niet | כֶּ֗סֶף (kesef) = zilver | נֶחְשָׁ֛ב (nechshav) = werd gerekend | בִּימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | לִמְאֽוּמָה (limuma) = voor iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Huis van het Libanonwoud (Jeruzalem; ligging onzeker): Het Huis van het Libanonwoud was een gebouw van Salomo, vermoedelijk in Jeruzalem; het had zijn naam van het cederhout van de Libanon. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: זָהָב סָגוּר (zahav sagur), ‘zuiver goud’: letterlijk ‘omsloten goud’. Wij vertalen het zoals in 1 Kon. 6:20 en 10:21. Zie ook: 1 Kon 6:20; 1 Kon 10:21; 2 Kron 9:27; Jes 2:22; Jer 31:5; Est 1:7 **9:21** Want de schepen van de koning gingen naar Tarsis, met de dienaren van Churam. Eén keer in de drie jaar kwamen de Tarsis-schepen aan, met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֳנִיּ֤וֹת (oniyot) = schepen | לַמֶּ֨לֶךְ֙ (lamelekh) = van de koning | הֹלְכ֣וֹת (holekhot) = gaande | תַּרְשִׁ֔ישׁ (tarshish) = naar Tarsis | עִ֖ם (im) = met | עַבְדֵ֣י (avdei) = de dienaren van | חוּרָ֑ם (churam) = Churam | אַחַת֩ (achat) = eens | לְשָׁל֨וֹשׁ (leshalosh) = per drie | שָׁנִ֜ים (shanim) = jaren | תָּב֣וֹאנָה (tavona) = kwamen | אֳנִיּ֣וֹת (oniyot) = schepen van | תַּרְשִׁ֗ישׁ (tarshish) = Tarsis | נֹֽשְׂאוֹת֙ (noseot) = dragend | זָהָ֣ב (zahav) = goud | וָכֶ֔סֶף (vakhesef) = en zilver | שֶׁנְהַבִּ֥ים (shenhabim) = ivoor | וְקוֹפִ֖ים (veqofim) = en apen | וְתוּכִּיִּֽים (vetukiyim) = en pauwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tarsis (תַּרְשִׁישׁ) is een ver land aan de zee. De ligging is onzeker. Vaak wordt gedacht aan het zuiden van Spanje; andere voorstellen zijn Sardinië en een plaats in Afrika. Voetnoot Uitleg: Hier gaan de schepen van de koning ‘naar Tarsis’ (הֹלְכוֹת תַּרְשִׁישׁ), samen met de dienaren van Churam. In 1 Kon. 10:22 staat ‘een Tarsis-vloot’ samen met de vloot van Hiram. Een ‘Tarsis-schip’ kan ook een soort schip voor lange zeereizen zijn. Voetnoot : שֶׁנְהַבִּים (shenhabbim), ‘ivoor’; קֹפִים (qofim), ‘apen’; תֻכִּיִּים (tukkiyyim), ‘pauwen’. Het laatste woord is onzeker; het kan ook een andere exotische vogel zijn. Zie ook: Job 39:13; 1 Kon 10:22; 1 Kon 22:49; 2 Kron 20:36–37 ### Salomo, groter dan alle koningen **9:22** Koning Salomo werd groter dan alle koningen van de aarde, in rijkdom en in wijsheid. Brontekst: וַיִּגְדַּל֙ (vayigdal) = en werd groot | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | מִכֹּ֖ל (mikol) = meer dan alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | לְעֹ֖שֶׁר (leosher) = in rijkdom | וְחָכְמָֽה (vechakhema) = en wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 89:28; 1 Kon 3:12–13; 1 Kon 5:10–11; 1 Kon 10:23–24; 2 Kron 1:12 **9:23** Alle koningen van de aarde zochten Salomo op om zijn wijsheid te horen, die Elohim in zijn hart had gelegd. Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | מְבַקְשִׁ֖ים (mevaqshim) = zoekend | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | לִשְׁמֹ֨עַ֙ (lishmoa) = om te horen | אֶת (et) = (obj.) | חָכְמָת֔וֹ (chakhemato) = zijn wijsheid | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥ן (natan) = gaf | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | בְּלִבּֽוֹ (belibo) = in zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie 1 Kon. 3:12: Elohim gaf Salomo een wijs en verstandig hart. Zie ook: Spr 2:6; 1 Kon 3:12; 1 Kon 3:28; 1 Kon 5:14; Jak 1:5; Jak 3:17 **9:24** Zij brachten ieder hun geschenk mee: zilveren vaten en gouden vaten, kleren, wapens, specerijen, paarden en muildieren. Zo ging het jaar na jaar. Brontekst: וְהֵ֣ם (vehem) = en zij | מְבִיאִ֣ים (meviim) = brengend | אִ֣ישׁ (ish) = man | מִנְחָת֡וֹ (minchato) = zijn geschenk | כְּלֵ֣י (kelei) = vaten van | כֶסֶף֩ (kesef) = zilver | וּכְלֵ֨י (ukhelei) = en vaten van | זָהָ֤ב (zahav) = goud | וּשְׂלָמוֹת֙ (uselamot) = en kleren | נֵ֣שֶׁק (nesheq) = wapens | וּבְשָׂמִ֔ים (uvesamim) = en specerijen | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | וּפְרָדִ֑ים (uferadim) = en muildieren | דְּבַר (devar) = aandeel van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בְּשָׁנָֽה (beshana) = in jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah): hier niet het graanoffer, maar een geschenk dat men een koning brengt. Wij vertalen ‘geschenk’. Zie ook: Ps 72:10; 1 Kon 9:14; 1 Kon 10:10; 1 Kon 10:25; 2 Kron 9:9 **9:25** Salomo had 4.000 stallen voor paarden en wagens, en 12.000 ruiters. Hij liet ze achter in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en was | לִשְׁלֹמֹ֜ה (lishlomo) = aan Salomo | אַרְבַּעַת֩ (arbaat) = vier | אֲלָפִ֨ים (alafim) = duizend | אֻֽרְי֤וֹת (uryot) = stallen | סוּסִים֙ (susim) = paarden | וּמַרְכָּב֔וֹת (umarkavot) = en wagens | וּשְׁנֵים (usheneim) = en twee | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | פָּרָשִׁ֑ים (parashim) = ruiters | וַיַּנִּיחֵם֙ (vayanichem) = en hij legde ze neer | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in steden van | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de wagens | וְעִם (veim) = en bij | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֻרְיוֹת (uryot), ‘stallen’: plaatsen voor paarden. Voetnoot Lezing: Het getal 4.000 verschilt van 1 Kon. 5:6 (Hebreeuwse telling), waar 40.000 stallen staan (met ook 12.000 ruiters). Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen letterlijk. Zie ook: Deut 17:16; 1 Kon 5:6; 1 Kon 10:26; 2 Kron 1:14 **9:26** Hij was heerser over alle koningen, van de Rivier tot het land van de Filistijnen en tot de grens van Egypte. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij was | מוֹשֵׁ֖ל (moshel) = heerser | בְּכָל (bekhal) = over alle | הַמְּלָכִ֑ים (hamelakhim) = koningen | מִן (min) = van | הַנָּהָר֙ (hanahar) = de Rivier | וְעַד (vead) = en tot | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְעַ֖ד (vead) = en tot | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat, zoals in Gen. 15:18. Zie ook 1 Kon. 5:1. Zie ook: Gen 15:18; Ex 23:31; 1 Kon 5:1; 1 Kon 5:4; Openb 19:16 **9:27** De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo gewoon als stenen. De cederbomen maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen in de Sefela. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֛סֶף (hakesef) = het zilver | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | כָּאֲבָנִ֑ים (kaavanim) = als stenen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הָאֲרָזִ֗ים (haarazim) = de cederbomen | נָתַ֛ן (natan) = hij gaf | כַּשִּׁקְמִ֥ים (kashiqmim) = als wilde vijgenbomen | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּשְּׁפֵלָ֖ה (bashefela) = in de Sefela | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Sefela (הַשְּׁפֵלָה) is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda, in het zuidwesten van Israël. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: een boom met zacht hout die in groten getale in het laagland groeide. Zie ook: Job 22:24–25; 1 Kon 10:27–29; 2 Kron 1:15–17; Amos 7:14; Luc 19:4 **9:28** Er werden paarden voor Salomo gehaald uit Egypte en uit alle landen. Brontekst: וּמוֹצִיאִ֨ים (umotsiim) = en brengend uit | סוּסִ֧ים (susim) = paarden | מִמִּצְרַ֛יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לִשְׁלֹמֹ֖ה (lishlomo) = voor Salomo | וּמִכָּל (umikal) = en uit alle | הָאֲרָצֽוֹת (haaratsot) = de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 10:28 worden ook de paarden uit Kewe genoemd. Hier staat ‘uit alle landen’. Zie ook: 1 Kon 10:28; 2 Kron 1:16; 2 Kron 9:25; Jes 2:7–8; Jes 31:1 ### De dood van Salomo **9:29** De rest van de geschiedenis van Salomo, de eerste en de laatste: staat die niet opgeschreven in de geschiedenis van Natan, de profeet, en in de profetie van Achia uit Silo? Ook in de visioenen van Iddo, de ziener, over Jerobeam, de zoon van Nebat? Brontekst: וּשְׁאָר֙ (ushear) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de geschiedenis van | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאֲחֲרוֹנִ֑ים (vehaacharonim) = en de laatste | הֲלֹא (halo) = is het niet | הֵ֣ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = opgeschreven | עַל (al) = in | דִּבְרֵי֙ (divrei) = de geschiedenis van | נָתָ֣ן (natan) = Natan | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | וְעַל (veal) = en in | נְבוּאַ֞ת (nevuat) = de profetie van | אֲחִיָּ֣ה (achiya) = Achia | הַשִּֽׁילוֹנִ֗י (hashiloni) = uit Silo | וּבַחֲזוֹת֙ (uvachazot) = en in de visioenen van | יֶעְדּ֣וֹ (yedo) = Iddo | הַחֹזֶ֔ה (hachoze) = de ziener | עַל (al) = over | יָרָבְעָ֖ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = de zoon van | נְבָֽט (nevat) = Nebat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’, ook ‘zaken’ en ‘daden’. Wij houden ‘geschiedenis’, zoals in 1 Kron. 29:29. De drie werken die hier genoemd worden, kennen wij niet als losse boeken. Vergelijk 1 Kon. 11:41, waar het ‘boek van de verhalen van Salomo’ wordt genoemd. Voetnoot : הָרִאשֹׁנִים וְהָאַחֲרֹנִים (harishonim vehaacharonim), ‘de eerste en de laatste’: van het begin tot het einde. Voetnoot : הַחֹזֶה (hachozeh), ‘de ziener’. Achia uit Silo is de profeet van 1 Kon. 11:29–39. Wat Achia zei, staat in 1 Kon. 11:31–39. Voetnoot Lezing: Bij Iddo staat een ketiv (יעדי, ‘Jedi’) en een qere (יֶעְדּוֹ, ‘Jedo’). Wij nemen de qere en schrijven de naam als Iddo. Een profeet Iddo wordt ook genoemd in 2 Kron. 12:15 en 13:22. Of het dezelfde man is, zegt de tekst hier niet. Zie ook: 1 Kron 29:29; 1 Kon 11:29; 1 Kon 11:31–39; 1 Kon 11:41–43; 2 Kron 12:15; 2 Kron 13:22 **9:30** Salomo was 40 jaar koning in Jeruzalem, over heel Israël. Brontekst: וַיִּמְלֹ֨ךְ (vayimlokh) = en regeerde | שְׁלֹמֹ֧ה (shelomo) = Salomo | בִֽירוּשָׁלִַ֛ם (birushalaim) = in Jeruzalem | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie ook 1 Kon. 11:42. Zie ook: 1 Kon 11:42–43 **9:31** Salomo ging bij zijn vaderen liggen. Hij werd begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Rechabeam werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en lag | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | עִם (im) = met | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַֽיִּקְבְּרֻ֔הוּ (vayiqberuhu) = en begroeven hem | בְּעִ֖יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en regeerde | רְחַבְעָ֥ם (rechavam) = Rechabeam | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 7:12; 1 Kon 1:21; 1 Kon 2:10 ## 2 Kronieken 10 _Het rijk splitst zich_ ### Rechabeam in Sichem **10:1** Rechabeam ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | רְחַבְעָ֖ם (rechavam) = Rechabeam | שְׁכֶ֑מָה (shekhema) = naar Sichem | כִּ֥י (ki) = want | שְׁכֶ֛ם (shekhem) = Sichem | בָּ֥אוּ (bau) = waren gekomen | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְהַמְלִ֥יךְ (lehamlikh) = om koning te maken | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem lag bij het huidige Tell Balata, bij Nabloes, op de Westelijke Jordaanoever. Het ligt in het bergland van Efraïm, ongeveer 50 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 12:1–19. Zie ook: Joz 20:7; Joz 24:1; Re 9:1; 1 Kon 4:1; 1 Kon 12:1–19; Mat 1:7 **10:2** Toen Jerobeam, de zoon van Nebat, het hoorde, was hij in Egypte. Daarheen was hij gevlucht voor koning Salomo. Jerobeam keerde terug uit Egypte. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het gebeurde | כִּשְׁמֹ֨עַ (kishmoa) = toen hoorde | יָרָבְעָ֤ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = de zoon van | נְבָט֙ (nevat) = Nebat | וְה֣וּא (vehu) = en hij | בְמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | בָּרַ֔ח (barach) = hij was gevlucht | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en keerde terug | יָרָבְעָ֖ם (yaraveam) = Jerobeam | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: וַיָּשָׁב (vayyashav), ‘en hij keerde terug’: zo staat het met de klinkers van de Masoretische tekst. In 1 Kon. 12:2 hebben dezelfde medeklinkers de klinkers van ‘en hij woonde’ (vayyeshev). Wij volgen in beide boeken de klinkers van de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 11:26; 1 Kon 11:28; 1 Kon 11:40; 1 Kon 12:2 **10:3** Zij stuurden boden en riepen hem. Jerobeam kwam, met heel Israël. Zij spraken tot Rechabeam: Brontekst: וַֽיִּשְׁלְחוּ֙ (vayishlechu) = en zij stuurden | וַיִּקְרְאוּ (vayiqreu) = en zij riepen | ל֔וֹ (lo) = hem | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | יָרָבְעָ֖ם (yaraveam) = Jerobeam | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיְדַבְּר֔וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֶל (el) = tot | רְחַבְעָ֖ם (rechavam) = Rechabeam | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij stuurden en zij riepen hem’. Het woord ‘boden’ voegen wij toe om de zin te laten lopen. Zie ook: 1 Kon 12:3 **10:4** „Je vader heeft ons juk hard gemaakt. Maak jij nu de harde dienst van je vader lichter, en zijn zware juk dat hij op ons gelegd heeft. Dan zullen wij je dienen.” Brontekst: אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | הִקְשָׁ֣ה (hiqsha) = heeft hard gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | עֻלֵּ֑נוּ (ulenu) = ons juk | וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | הָקֵל֩ (haqel) = maak lichter | מֵעֲבֹדַ֨ת (meavodat) = van de dienst van | אָבִ֜יךָ (avikha) = je vader | הַקָּשָׁ֗ה (haqasha) = de harde | וּמֵעֻלּ֧וֹ (umeulo) = en van zijn juk | הַכָּבֵ֛ד (hakaved) = het zware | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = hij legde | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = op ons | וְנַֽעַבְדֶֽךָּ (venaavdeka) = en wij zullen je dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹל (ol), ‘juk’: het houten juk op de nek van een rund. Hier is het een beeld voor zware dienst en zware belasting. Het ‘harde’ werk van Salomo is de dwangarbeid van 1 Kon. 5:27–28 en 9:15–22. Zie ook: Ex 2:23; 1 Sam 8:11–18; 1 Kon 5:27–28; 1 Kon 9:15; 1 Kon 9:22; 1 Kon 12:4; 1 Joh 5:3 **10:5** Hij zei tegen hen: „Nog drie dagen. Kom daarna terug bij mij.” Het volk ging weg. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | ע֛וֹד (od) = nog | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וְשׁ֣וּבוּ (veshuvu) = en keer terug | אֵלָ֑י (elay) = naar mij | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:28; 1 Kon 12:5 ### Het advies van de oudsten en de jonge mannen **10:6** Koning Rechabeam overlegde met de oudsten die voor zijn vader Salomo hadden gestaan toen die nog leefde. Hij zei: „Hoe raden jullie aan om dit volk te antwoorden?” Brontekst: וַיִּוָּעַ֞ץ (vayivaats) = en overlegde | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | רְחַבְעָ֗ם (rechavam) = Rechabeam | אֶת (et) = met | הַזְּקֵנִים֙ (hazeqenim) = de oudsten | אֲשֶׁר (asher) = die | הָי֣וּ (hayu) = waren | עֹֽמְדִ֗ים (omedim) = staande | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | בִּֽהְיֹת֥וֹ (bihyoto) = toen hij was | חַ֖י (chay) = levend | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | נֽוֹעָצִ֔ים (noatsim) = raden aan | לְהָשִׁ֥יב (lehashiv) = om terug te brengen | לָֽעָם (laam) = aan het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | דָּבָֽר (davar) = woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:12–13; Job 32:7; 2 Sam 16:20; 2 Sam 17:5–6; Jer 42:20 **10:7** Zij zeiden tegen hem: „Als je goed bent voor dit volk, hen tevreden stelt en goede woorden tegen hen spreekt, dan zullen zij alle dagen jouw dienaren zijn.” Brontekst: וַיְדַבְּר֨וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | אִם (im) = als | תִּֽהְיֶ֨ה (tihye) = je zult zijn | לְט֜וֹב (letov) = tot goed | לְהָעָ֤ם (lehaam) = voor het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | וּרְצִיתָ֔ם (uretsitam) = en je hen tevreden stelt | וְדִבַּרְתָּ֥ (vedibarta) = en je spreekt | אֲלֵהֶ֖ם (alehem) = tot hen | דְּבָרִ֣ים (devarim) = woorden | טוֹבִ֑ים (tovim) = goede | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | עֲבָדִ֖ים (avadim) = dienaren | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּרְצִיתָם (uretsitam), ‘en je hen tevreden stelt’: van רָצָה (ratsah), ‘behagen, gunstig zijn’. Dit woord staat niet in 1 Kon. 12:7. Zie ook: Gen 49:21; 2 Sam 15:2–6; Spr 15:1; 1 Kon 12:7 **10:8** Maar hij verliet het advies van de oudsten dat zij hem gegeven hadden. Hij overlegde met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en voor hem stonden. Brontekst: וַֽיַּעֲזֹ֛ב (vayaazov) = en hij verliet | אֶת (et) = (obj.) | עֲצַ֥ת (atsat) = het advies van | הַזְּקֵנִ֖ים (hazeqenim) = de oudsten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יְעָצֻ֑הוּ (yeatsuhu) = zij hem hadden geadviseerd | וַיִּוָּעַ֗ץ (vayivaats) = en overlegde | אֶת (et) = met | הַיְלָדִים֙ (hayladim) = de jonge mannen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | גָּדְל֣וּ (gadelu) = waren opgegroeid | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = de staanden | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיְלָדִים (hayeladim), ‘de jonge mannen’: een ander woord dan נַעַר (na’ar), ‘jongen’. Het zijn mannen van Rechabeams eigen leeftijd (zie 1 Kon. 12:8). Zie ook: 2 Sam 17:14; Spr 1:25; Spr 19:20; Pred 10:2–3; 1 Kon 12:8; 2 Kron 25:15–16 **10:9** Hij zei tegen hen: „Wat raden jullie aan? Wat antwoorden wij aan dit volk dat tegen mij heeft gezegd: ‘Maak het juk lichter dat je vader op ons heeft gelegd’?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | מָ֚ה (ma) = wat | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | נֽוֹעָצִ֔ים (noatsim) = raden aan | וְנָשִׁ֥יב (venashiv) = en wij zullen antwoorden | דָּבָ֖ר (davar) = woord | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | דִּבְּר֤וּ (diberu) = zij spraken | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הָקֵל֙ (haqel) = maak lichter | מִן (min) = van | הָעֹ֔ל (haol) = het juk | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = gaf | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | עָלֵֽינוּ (aleinu) = op ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 17:5–6; 1 Kon 22:6–8; 2 Kron 10:6 **10:10** De jonge mannen die met hem waren opgegroeid, spraken met hem: „Zo moet je zeggen tegen het volk dat tot je sprak: ‘Je vader maakte ons juk zwaar. Maar maak jij het lichter voor ons.’ Zo moet je tegen hen zeggen: ‘Mijn kleinste is dikker dan de heupen van mijn vader. Brontekst: וַיְדַבְּר֣וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אִתּ֗וֹ (ito) = met hem | הַיְלָדִים֙ (hayladim) = de jonge mannen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | גָּדְל֣וּ (gadelu) = waren opgegroeid | אִתּוֹ֮ (ito) = met hem | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | כֹּֽה (ko) = zo | תֹאמַ֡ר (tomar) = zult zeggen | לָעָם֩ (laam) = tot het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבְּר֨וּ (diberu) = zij spraken | אֵלֶ֜יךָ (eleikha) = tot jou | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | הִכְבִּ֣יד (hikhbid) = maakte zwaar | אֶת (et) = (obj.) | עֻלֵּ֔נוּ (ulenu) = ons juk | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | הָקֵ֣ל (haqel) = maak lichter | מֵעָלֵ֑ינוּ (mealeinu) = van ons | כֹּ֚ה (ko) = zo | תֹּאמַ֣ר (tomar) = zult zeggen | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | קָֽטָנִּ֥י (qatani) = mijn kleinste | עָבָ֖ה (ava) = is dikker | מִמָּתְנֵ֥י (mimatenei) = dan de heupen van | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָטֹנִּי (qotonni), ‘mijn kleinste’: de tekst zegt niet wat het kleinste is. Wij vertalen letterlijk. מָתְנַיִם (motnayim), ‘heupen’ of ‘lendenen’: de plaats van kracht en vruchtbaarheid. Zie ook: Spr 10:14; Spr 21:30; Spr 28:25; 1 Kon 12:10–11; Jes 19:11–13 **10:11** Nu dan: mijn vader heeft jullie een zwaar juk opgelegd. Ik zal jullie juk nog zwaarder maken. Mijn vader tuchtigde jullie met zwepen, maar ik met schorpioenen.’” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | הֶעְמִ֤יס (hemis) = legde op | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = op jullie | עֹ֣ל (ol) = juk | כָּבֵ֔ד (kaved) = zwaar | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | אֹסִ֣יף (osif) = zal toevoegen | עַֽל (al) = aan | עֻלְּכֶ֑ם (ulekhem) = jullie juk | אָבִ֗י (avi) = mijn vader | יִסַּ֤ר (yisar) = tuchtigde | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | בַּשּׁוֹטִ֔ים (bashotim) = met zwepen | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | בָּֽעֲקְרַבִּֽים (baaqrabim) = met schorpioenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַקְרַבִּים (aqrabbim), ‘schorpioenen’: een zweep met scherpe punten, waarmee de slagen veel pijnlijker waren dan met gewone zwepen. De tekst kan ook zijn bedoeld als beeld voor een nog strengere tucht. Zie ook: Ex 1:13–14; Jer 28:13–14; Luc 10:19; Openb 9:3; Openb 9:5 ### Rechabeam antwoordt hard **10:12** Op de derde dag kwamen Jerobeam en heel het volk bij Rechabeam, zoals de koning had gezegd: „Kom op de derde dag terug bij mij.” Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | יָרָבְעָ֧ם (yaraveam) = Jerobeam | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֶל (el) = naar | רְחַבְעָ֖ם (rechavam) = Rechabeam | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִשִׁ֑י (hashelishi) = de derde | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֤ר (diber) = sprak | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | שׁ֥וּבוּ (shuvu) = keer terug | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִשִֽׁי (hashelishi) = de derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 12:12–15; 2 Kron 10:5 **10:13** De koning antwoordde hen hard. Koning Rechabeam verliet het advies van de oudsten. Brontekst: וַיַּעֲנֵ֥ם (vayaanem) = en antwoordde hen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | קָשָׁ֑ה (qasha) = hard | וַֽיַּעֲזֹב֙ (vayaazov) = en verliet | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | רְחַבְעָ֔ם (rechavam) = Rechabeam | אֵ֖ת (et) = (obj.) | עֲצַ֥ת (atsat) = het advies van | הַזְּקֵנִֽים (hazeqenim) = de oudsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:7; Gen 42:30; Ex 10:28; 1 Sam 25:10–11; 1 Kon 20:6–11 **10:14** Hij sprak tot hen naar het advies van de jonge mannen: „Ik zal jullie juk zwaar maken, en ik zal er nog meer aan toevoegen. Mijn vader tuchtigde jullie met zwepen, maar ik met schorpioenen.” Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | כַּעֲצַ֤ת (kaatsat) = naar het advies van | הַיְלָדִים֙ (hayladim) = de jonge mannen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אַכְבִּיד֙ (akhbid) = ik zal zwaar maken | אֶֽת (et) = (obj.) | עֻלְּכֶ֔ם (ulekhem) = jullie juk | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | אֹסִ֣יף (osif) = zal toevoegen | עָלָ֑יו (alav) = eraan | אָבִ֗י (avi) = mijn vader | יִסַּ֤ר (yisar) = tuchtigde | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | בַּשּׁוֹטִ֔ים (bashotim) = met zwepen | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | בָּעֲקְרַבִּֽים (baaqrabim) = met schorpioenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat: ‘Ik zal jullie juk zwaar maken, en ik zal er nog aan toevoegen.’ In 1 Kon. 12:14 staat: ‘Mijn vader heeft jullie juk zwaar gemaakt. Ik zal jullie juk nog zwaarder maken.’ Zie ook: Spr 12:5; Spr 17:14; Pred 7:8; 1 Kon 12:14; Dan 6:8; Jak 3:14–4:2 **10:15** De koning luisterde niet naar het volk. Want de wending kwam van Elohim. Zo zou Yahweh Zijn woord bevestigen dat Hij door Achia uit Silo had gesproken tot Jerobeam, de zoon van Nebat. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁמַ֥ע (shama) = luisterde | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | הָעָ֑ם (haam) = het volk | כִּֽי (ki) = want | הָיְתָ֤ה (hayeta) = was | נְסִבָּה֙ (nesiba) = een wending | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | הָקִ֨ים (haqim) = bevestigde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָר֗וֹ (devaro) = Zijn woord | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | דִּבֶּר֙ (diber) = Hij sprak | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | אֲחִיָּ֣הוּ (achiyahu) = Achia | הַשִּֽׁלוֹנִ֔י (hashiloni) = uit Silo | אֶל (el) = tot | יָרָבְעָ֖ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = de zoon van | נְבָֽט (nevat) = Nebat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo (שִׁלוֹ) lag bij het huidige Khirbet Seilun, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: סִבָּה (sibbah), ‘wending’: een gebeurtenis die door Elohim wordt gestuurd. Het woord komt alleen hier voor (en in 1 Kon. 12:15, waar de wending ‘van Yahweh’ komt). Hier staat ‘van Elohim’. Voetnoot : אֲחִיָּהוּ (Achiyahu), ‘Achia’: een langere vorm van de naam in 9:29. Het woord dat Yahweh door Achia sprak, staat in 1 Kon. 11:29–39. Zie ook: 1 Sam 2:25; 1 Kon 11:29–39; 1 Kon 12:15; 1 Kon 22:20; 2 Kron 25:16–20; Hand 2:23 ### Israël breekt met het huis van David **10:16** Omdat de koning niet naar hen luisterde, antwoordde het volk, heel Israël, de koning: „Welk deel hebben wij aan David? Geen erfdeel hebben wij in de zoon van Isaï. Ieder naar je tenten, Israël! Zie nu naar je eigen huis, David!” Heel Israël ging naar zijn tenten. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כִּ֠י (ki) = omdat | לֹא (lo) = niet | שָׁמַ֣ע (shama) = luisterde | הַמֶּלֶךְ֮ (hamelekh) = de koning | לָהֶם֒ (lahem) = naar hen | וַיָּשִׁ֣יבוּ (vayashivu) = en antwoordde | הָעָ֣ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹ֡ר (lemor) = zeggende | מַה (ma) = wat | לָּנוּ֩ (lanu) = voor ons | חֵ֨לֶק (cheleq) = deel | בְּדָוִ֜יד (bedavid) = in David | וְלֹֽא (velo) = en niet | נַחֲלָ֣ה (nachala) = erfdeel | בְּבֶן (beven) = in de zoon van | יִשַׁ֗י (yishay) = Isaï | אִ֤ישׁ (ish) = man | לְאֹהָלֶ֨יךָ֙ (leohaleikha) = naar je tenten | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַתָּ֕ה (ata) = nu | רְאֵ֥ה (ree) = zie | בֵיתְךָ֖ (beitekha) = naar je huis | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְאֹהָלָֽיו (leohalav) = naar zijn tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 12:16 staat ‘Heel Israël zag dat de koning niet naar hen luisterde’. Hier ontbreekt het werkwoord ‘zag’, en de zin loopt anders. Wij vertalen wat er staat. Voetnoot : De kreet ‘Welk deel hebben wij aan David?’ staat ook in 2 Sam. 20:1. ‘Naar je tenten’ is een oude roep om uiteen te gaan: ieder gaat naar huis. Voetnoot : נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’. Israël zegt: wij horen niet meer bij het huis van David. Zie ook: 2 Sam 20:1; 1 Kon 12:16; 2 Kron 10:19; Jes 9:5–6; Joh 6:66; Openb 22:16 **10:17** Maar over de zonen van Israël die in de steden van Juda woonden, was Rechabeam koning. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַיֹּֽשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die woonden | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en regeerde | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | רְחַבְעָֽם (rechavam) = Rechabeam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 11:36; 1 Kon 12:17; 2 Kron 11:1 **10:18** Koning Rechabeam stuurde Hadoram, die over de dwangarbeid was. De zonen van Israël stenigden hem met stenen en hij stierf. Koning Rechabeam wist met moeite op zijn wagen te komen om naar Jeruzalem te vluchten. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en stuurde | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | רְחַבְעָ֗ם (rechavam) = Rechabeam | אֶת (et) = (obj.) | הֲדֹרָם֙ (hadoram) = Hadoram | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = over | הַמַּ֔ס (hamas) = de dwangarbeid | וַיִּרְגְּמוּ (vayirgemu) = en stenigden | ב֧וֹ (bo) = hem | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶ֖בֶן (even) = met stenen | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en hij stierf | וְהַמֶּ֣לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | רְחַבְעָ֗ם (rechavam) = Rechabeam | הִתְאַמֵּץ֙ (hitamets) = verzamelde kracht | לַֽעֲל֣וֹת (laalot) = om op te klimmen | בַּמֶּרְכָּבָ֔ה (bamerkava) = op de wagen | לָנ֖וּס (lanus) = om te vluchten | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הֲדֹרָם (Hadoram), ‘Hadoram’: de man heet in 1 Kon. 12:18 Adoram (zie ook 1 Kon. 4:6, waar hij Adoniram heet). Het verhaal is hetzelfde; de naam is anders gespeld. מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplichte arbeid voor de koning. Voetnoot : הִתְאַמֵּץ (hit’ammets), ‘kracht verzamelen’: Rechabeam wist met moeite op zijn wagen te komen. Zie ook: 1 Kon 4:6; 1 Kon 5:28; 1 Kon 12:18; 2 Kron 24:21; Hand 7:57–58 **10:19** Zo kwam Israël in opstand tegen het huis van David, tot op deze dag. Brontekst: וַיִּפְשְׁע֤וּ (vayifsheu) = en kwamen in opstand | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּבֵ֣ית (beveit) = tegen het huis van | דָּוִ֔יד (david) = David | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּשַׁע (pasha), ‘in opstand komen’: ‘opstand’ tegen een gezag (pesha). ‘Tot op deze dag’ is de stem van de schrijver. Zie ook 1 Kon. 12:19. Zie ook: Joz 4:9; Ps 89:31; 1 Kon 12:19; 2 Kron 5:9; 2 Kron 10:16; Ezra 9:7 ## 2 Kronieken 11 _Rechabeam versterkt Juda_ ### Rechabeam wil Israël terugwinnen **11:1** Rechabeam kwam in Jeruzalem. Hij riep het huis van Juda en Benjamin bijeen: 180.000 uitgelezen krijgers. Zij moesten strijden tegen Israël, om het koninkrijk terug te brengen aan Rechabeam. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam | רְחַבְעָם֮ (rechavam) = Rechabeam | יְרוּשָׁלִַם֒ (yerushalaim) = in Jeruzalem | וַיַּקְהֵל֩ (vayaqhel) = en hij riep bijeen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֨ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֗ן (uvinyamin) = en Benjamin | מֵאָ֨ה (mea) = honderd | וּשְׁמוֹנִ֥ים (ushemonim) = en tachtig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | בָּח֖וּר (bachur) = uitgelezen man | עֹשֵׂ֣ה (ose) = die doen | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | לְהִלָּחֵם֙ (lehilachem) = om te strijden | עִם (im) = tegen | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְהָשִׁ֥יב (lehashiv) = om terug te brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּמְלָכָ֖ה (hamamlakha) = het koninkrijk | לִרְחַבְעָֽם (lirchavam) = aan Rechabeam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt deels parallel met 1 Kon. 12:21–24. Daar staat ‘heel het huis van Juda en de stam Benjamin’; hier ‘het huis van Juda en Benjamin’. Voetnoot : בָּחוּר (bachur), ‘uitgelezen’: een uitgekozen, jonge krijger. Wij vertalen overal ‘uitgelezen’, zoals in 1 Kon. 12:21. Voetnoot : הַמַּמְלָכָה (hammamlakhah), ‘het koninkrijk’: het koninkrijk als staat. Het woord מְלוּכָה (meluchah), ‘koningschap’, staat in vers 17. Zie ook: Ps 33:10; Ps 33:16; Spr 21:30–31; 1 Kon 12:21–24; 2 Kron 11:17 **11:2** Het woord van Yahweh kwam tot Sjemaja, de man van Elohim: Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | שְׁמַֽעְיָ֥הוּ (shemayahu) = Sjemaja | אִישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een naam voor een profeet. In 1 Kon. 12:22 staat ‘het woord van Elohim’; hier staat ‘het woord van Yahweh’. Zie ook: Deut 33:1; 1 Sam 2:27; 1 Kon 12:22–24; 2 Kron 12:15; 1 Tim 6:11 **11:3** „Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel Israël in Juda en Benjamin: Brontekst: אֱמֹ֕ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tegen | רְחַבְעָ֥ם (rechavam) = Rechabeam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְאֶל֙ (veel) = en tegen | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בִּיהוּדָ֥ה (bihuda) = in Juda | וּבִנְיָמִ֖ן (uvinyamin) = en in Benjamin | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wij zetten de opdracht aan Sjemaja zwart, met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’ (vers 4), zoals in 1 Kon. 12:23–24. Het is een boodschap die Sjemaja moet doorgeven. Voetnoot : ‘Heel Israël in Juda en Benjamin’ zijn de Israëlieten die in deze twee stamgebieden wonen. In 1 Kon. 12:23 staat: ‘de rest van het volk’. Zie ook: Gen 49:28; Ex 24:4; 1 Kon 12:23–24; 2 Kon 17:34; 2 Kron 11:4; Fil 3:5; Openb 7:4–8 **11:4** ‘Zo zegt Yahweh: Jullie mogen niet optrekken en niet strijden tegen jullie broeders. Ga terug, ieder naar zijn huis, want van Mij is deze zaak gekomen.’” Zij luisterden naar de woorden van Yahweh en keerden terug, zonder tegen Jerobeam op te trekken. Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | תַעֲלוּ֩ (taalu) = jullie zullen optrekken | וְלֹא (velo) = en niet | תִלָּ֨חֲמ֜וּ (tilachamu) = jullie zullen strijden | עִם (im) = tegen | אֲחֵיכֶ֗ם (acheikhem) = jullie broeders | שׁ֚וּבוּ (shuvu) = keert terug | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְבֵית֔וֹ (leveito) = naar zijn huis | כִּ֧י (ki) = want | מֵֽאִתִּ֛י (meiti) = van Mij | נִהְיָ֖ה (nihya) = is gekomen | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַֽיִּשְׁמְעוּ֙ (vayishmeu) = en zij luisterden | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | מִלֶּ֥כֶת (milekhet) = van het gaan | אֶל (el) = tegen | יָרָבְעָֽם (yaraveam) = Jerobeam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאִתִּי נִהְיָה הַדָּבָר הַזֶּה (me’itti nihyah haddavar hazzeh), ‘van Mij is deze zaak gekomen’: Yahweh laat de splitsing van het rijk toe, zoals 1 Kon. 12:15 en 12:24 zeggen. Voetnoot : מִלֶּכֶת (milleket), ‘van het gaan’: zij zagen af van de tocht tegen Jerobeam. Zie ook: Gen 50:20; 1 Kon 11:29–38; 1 Kon 12:15; 1 Kon 12:24; 2 Kron 10:15–16; 2 Kron 25:7–10; 2 Kron 28:8–15 ### Rechabeam bouwt vestingsteden **11:5** Rechabeam bleef in Jeruzalem wonen. Hij bouwde steden tot vestingen in Juda. Brontekst: וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef wonen | רְחַבְעָ֖ם (rechavam) = Rechabeam | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַיִּ֧בֶן (vayiven) = en hij bouwde | עָרִ֛ים (arim) = steden | לְמָצ֖וֹר (lematsor) = tot vesting | בִּיהוּדָֽה (bihuda) = in Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מָצוֹר (matsor), ‘vesting’, en in vers 10 מְצֻרוֹת (metsurot), ‘vestingen’: versterkte steden met muren. Wij vertalen alle vormen met ‘vesting’. Zie ook: 2 Kron 8:2–6; 2 Kron 11:10; 2 Kron 11:23; 2 Kron 17:12; 2 Kron 27:4; Jes 22:8–11 **11:6** Hij bouwde Betlehem, Etam en Tekoa. Brontekst: וַיִּ֧בֶן (vayiven) = en hij bouwde | אֶת (et) = (obj.) | בֵּֽית (beit) = Bet | לֶ֛חֶם (lechem) = Lechem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵיטָ֖ם (eitam) = Etam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תְּקֽוֹעַ (teqoa) = Tekoa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Zie Etam (bij Betlehem; ligging onzeker): Dit Etam lag in het bergland van Juda, ten zuiden van Betlehem; Khirbet el-Khokh is voorgesteld. Het is niet het Etam aan de rand van de woestijn bij Egypte. Dit is niet zeker. Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda. Voetnoot : Etam ligt waarschijnlijk in de buurt van de Pools van Salomo, ten zuiden van Betlehem. De ligging is onzeker. Voetnoot : Tekoa ligt bij Khirbet Tuqu’, ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Uitleg: De steden uit vers 6–10 liggen rondom Jeruzalem en vormen een ring van vestingen in het zuiden, het westen en het bergland van Juda. Wij nemen aan dat Rechabeam ze versterkte; ‘bouwen’ kan ook ‘herbouwen’ en ‘versterken’ betekenen. Zie ook: 1 Sam 17:12; 2 Sam 14:2; 1 Kron 4:32; Neh 3:27; Mat 2:5–6 **11:7** Hij bouwde ook Bet-Tsur, Soko en Adullam. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּֽית (beit) = Bet | צ֥וּר (tsur) = Tsur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שׂוֹכ֖וֹ (sokho) = Soko | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲדֻלָּֽם (adulam) = Adullam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Tsur ligt bij Khirbet et-Tubeiqah, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Zie Soko (Khirbet Shuweikeh): Soko (Khirbet Shuweikeh) lag in de Sefela, aan de zuidkant van het Elahdal. Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot : Soko (in Juda) ligt bij Khirbet Shuweikeh, ongeveer 25 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël), in de Sefela. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot : Adullam ligt waarschijnlijk bij Tel Adullam, in de Sefela, ongeveer 25 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël). Zie ook: Joz 15:35; Joz 15:58; 1 Sam 22:1; 2 Sam 23:13; Mi 1:15 **11:8** Hij bouwde ook Gat, Maresa en Zif. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | גַּ֥ת (gat) = Gat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מָרֵשָׁ֖ה (maresha) = Maresa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זִֽיף (zif) = Zif Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat ligt waarschijnlijk bij Tell es-Safi in de kustvlakte (Israël). Het is niet zeker of dit de Filistijnse stad Gat is of een andere plaats met dezelfde naam in Juda. Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela. Zie Zif: Zif wordt gezocht bij Tell Zif, ten zuidoosten van Hebron. Voetnoot : Maresa ligt bij Tel Maresja, naast Bet-Gubrin (Israël), ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot : Zif ligt bij Tell Zif, ongeveer 7 km ten zuidoosten van Hebron (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Zie ook: Joz 15:24; 1 Sam 23:14; 1 Sam 23:19; 1 Kron 18:1; Ps 54:3 **11:9** Hij bouwde ook Adoraïm, Lachis en Azeka. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲדוֹרַ֥יִם (adorayim) = Adoraïm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לָכִ֖ישׁ (lakhish) = Lachis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲזֵקָֽה (azeqa) = Azeka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Adoraïm ligt waarschijnlijk bij Dura, ongeveer 8 km ten zuidwesten van Hebron (Westelijke Jordaanoever). Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela. Voetnoot : Lachis ligt bij Tel Lachis (Tell ed-Duweir), ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël). Dat is waarschijnlijk. Voetnoot : Azeka ligt bij Tel Azeka, ongeveer 30 km ten westen van Betlehem (Israël). Dat is waarschijnlijk. Zie ook: Joz 10:5; Joz 10:11; Joz 15:35; Joz 15:39; 2 Kron 32:9 **11:10** Hij bouwde ook Tsora, Ajalon en Hebron. Dat zijn de vestingsteden in Juda en Benjamin. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | צָרְעָה֙ (tsarea) = Tsora | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַיָּל֔וֹן (ayalon) = Ajalon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֶבְר֔וֹן (chevron) = Hebron | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּיהוּדָ֖ה (bihuda) = in Juda | וּבְבִנְיָמִ֑ן (uvevinyamin) = en in Benjamin | עָרֵ֖י (arei) = steden van | מְצֻרֽוֹת (metsurot) = vestingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tsora ligt bij Tel Tsora, ongeveer 25 km ten westen van Jeruzalem (Israël). Dat is waarschijnlijk. Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot : Ajalon ligt bij het huidige Yalo, ongeveer 23 km ten noordwesten van Jeruzalem, aan de rand van het dal van Ajalon (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Voetnoot : Hebron ligt ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: Soko, Adullam, Azeka, Lachis en Maresa komen ook voor in Joz. 15:35, 15:39 en 15:44. Zie ook: Joz 14:14; Joz 15:33; Joz 15:35; Joz 15:39; Joz 15:44; Joz 19:41–42; Joz 20:7; 2 Sam 2:11 **11:11** Hij versterkte de vestingen. Hij stelde er leiders aan. Hij richtte er voorraadkamers in met voedsel, olie en wijn. Brontekst: וַיְחַזֵּ֖ק (vaychazeq) = en hij versterkte | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּצֻר֑וֹת (hametsurot) = de vestingen | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en hij plaatste | בָּהֶם֙ (bahem) = daarin | נְגִידִ֔ים (negidim) = leiders | וְאֹצְר֥וֹת (veotserot) = en voorraadkamers van | מַאֲכָ֖ל (maakhal) = voedsel | וְשֶׁ֥מֶן (veshemen) = en olie | וָיָֽיִן (vayayin) = en wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְגִידִים (negidim), ‘leiders’: zo vertalen wij het woord overal, ook in vers 22 en in 1 Sam. 9:16. Voetnoot : אֹצְרוֹת (otsarot), ‘voorraadkamers’: hetzelfde woord staat in 12:9 voor de ‘schatten’ van het huis van Yahweh. Het gaat om opslagplaatsen. Zie ook: 1 Sam 9:16; 2 Kron 11:22; 2 Kron 11:23; 2 Kron 17:19; Jes 22:10–11 **11:12** In elke stad zette hij schilden en speren. Hij versterkte ze buitengewoon. Juda en Benjamin waren van hem. Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en in elke | עִ֤יר (ir) = stad | וָעִיר֙ (vair) = en stad | צִנּ֣וֹת (tsinot) = grote schilden | וּרְמָחִ֔ים (uremachim) = en speren | וַֽיְחַזְּקֵ֖ם (vaychazeqem) = en hij versterkte ze | לְהַרְבֵּ֣ה (leharbe) = tot overvloed | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיְהִי (vayhi) = en het was | ל֖וֹ (lo) = van hem | יְהוּדָ֥ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִֽן (uvinyamin) = en Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִנּוֹת (tsinnot), ‘grote schilden’: schilden die het hele lichaam bedekken; het kleine schild heet מָגֵן (magen), zoals in 14:7. Zie ook 1 Kon. 10:16–17. Voetnoot : Het werkwoord ‘zette’ loopt door uit vers 11 (‘plaatste’). Het Hebreeuws heeft het in dit vers niet. Zie ook: 2 Sam 13:19; 2 Sam 13:22; 1 Kon 10:16–17; 2 Kron 11:11; 2 Kron 26:14–15; 2 Kron 32:5 ### Priesters en Levieten komen naar Juda **11:13** De priesters en de Levieten die in heel Israël waren, kwamen aan zijn kant staan, uit al hun gebieden. Brontekst: וְהַכֹּהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּכָל (bekhal) = in heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הִֽתְיַצְּב֥וּ (hityatsevu) = stelden zich op | עָלָ֖יו (alav) = aan zijn kant | מִכָּל (mikal) = uit al | גְּבוּלָֽם (gevulam) = hun gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְיַצְּבוּ עָלָיו (hityatsevu alav), ‘zij stelden zich naast hem op’: zij kozen zijn kant. Dit zijn de priesters en de Levieten uit het noordelijke rijk. **11:14** Want de Levieten verlieten hun weidegrond en hun bezit en gingen naar Juda en Jeruzalem. Want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, zodat zij niet meer als priesters voor Yahweh dienden. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עָזְב֣וּ (azevu) = verlieten | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | אֶת (et) = (obj.) | מִגְרְשֵׁיהֶם֙ (migresheihem) = hun weidegronden | וַאֲחֻזָּתָ֔ם (vaachuzatam) = en hun bezit | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en zij gingen | לִיהוּדָ֖ה (lihuda) = naar Juda | וְלִֽירוּשָׁלִָ֑ם (velirushalaim) = en naar Jeruzalem | כִּֽי (ki) = want | הִזְנִיחָ֤ם (hiznicham) = had verstoten hen | יָֽרָבְעָם֙ (yaraveam) = Jerobeam | וּבָנָ֔יו (uvanav) = en zijn zonen | מִכַּהֵ֖ן (mikahen) = van het priesterschap | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִגְרָשׁ (migrash), ‘weidegrond’: het land rondom de Levietensteden (Num. 35:2–5; Joz. 21). Hun bezit (אֲחֻזָּה, achuzzah) was het land dat daarbij hoorde. Voetnoot : מִכַּהֵן לַיהוָה (mikkahen laYahweh), ‘van het priesterschap voor Yahweh’: letterlijk ‘van het priester zijn voor Yahweh’. Jerobeam maakte andere priesters; zie 1 Kon. 12:31 en 13:33. Zie ook: Lev 27:30–34; Num 35:2–5; Joz 21:20–42; 1 Kon 12:28–33; 1 Kon 12:31; 1 Kon 13:33; 2 Kron 13:9 **11:15** Jerobeam stelde voor zichzelf priesters aan voor de hoogten, voor de bokgeesten en voor de kalveren die hij had gemaakt. Brontekst: וַיַּֽעֲמֶד (vayaamed) = en hij stelde aan | לוֹ֙ (lo) = voor zich | כֹּֽהֲנִ֔ים (kohanim) = priesters | לַבָּמ֖וֹת (labamot) = voor de hoogten | וְלַשְּׂעִירִ֑ים (velaseirim) = en voor de bokgeesten | וְלָעֲגָלִ֖ים (velaagalim) = en voor de kalveren | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָֽׂה (asa) = hij maakte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier geen naam bij het werkwoord. Wij noemen Jerobeam, omdat 1 Kon. 12:31 en 13:33 hetzelfde van hem zeggen. Voetnoot : לַשְּׂעִירִים (lassa’irim), ‘de bokgeesten’: letterlijk ‘de harigen’. Zie Lev. 17:7, waar wij hetzelfde woord zo vertalen. Het is geen gewone bokken. Voetnoot : בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. De kalveren van Jerobeam staan in 1 Kon. 12:28–32. De bokgeesten komen in 1 Kon. niet voor. Zie ook: Lev 17:7; Deut 32:17; 1 Kon 12:28; 1 Kon 12:31; 1 Kon 13:33; 1 Kon 14:9 **11:16** Na hen kwamen uit alle stammen van Israël zij die hun hart erop richtten om Yahweh, de Elohim van Israël, te zoeken. Zij kwamen naar Jeruzalem om te offeren aan Yahweh, de Elohim van hun vaderen. Brontekst: וְאַחֲרֵיהֶ֗ם (veachareihem) = en na hen | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַנֹּֽתְנִים֙ (hanotenim) = zij die richten | אֶת (et) = (obj.) | לְבָבָ֔ם (levavam) = hun hart | לְבַקֵּ֕שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בָּ֚אוּ (bau) = zij kwamen | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = naar Jeruzalem | לִזְבּ֕וֹחַ (lizboach) = om te offeren | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers en vers 17 staan niet in Koningen. De Kronieken laten zien dat ook gewone Israëlieten uit het noorden naar Jeruzalem trokken, omdat zij Yahweh zochten. Zie ook: Joz 22:19; 1 Kron 16:29; Ps 108:2; 2 Kron 11:17; 2 Kron 15:9; 2 Kron 30:11 **11:17** Zij versterkten het koningschap van Juda. Zij maakten Rechabeam, de zoon van Salomo, sterk, drie jaar lang. Want zij liepen drie jaar lang op de weg van David en Salomo. Brontekst: וַֽיְחַזְּקוּ֙ (vaychazequ) = en zij versterkten | אֶת (et) = (obj.) | מַלְכ֣וּת (malkhut) = het koningschap van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַֽיְאַמְּצ֛וּ (vayametsu) = en zij maakten sterk | אֶת (et) = (obj.) | רְחַבְעָ֥ם (rechavam) = Rechabeam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | לְשָׁנִ֣ים (leshanim) = voor jaren | שָׁל֑וֹשׁ (shalosh) = drie | כִּ֣י (ki) = want | הָֽלְכ֗וּ (halekhu) = zij liepen | בְּדֶ֧רֶךְ (bederekh) = op de weg van | דָּוִ֛יד (david) = David | וּשְׁלֹמֹ֖ה (ushelomo) = en Salomo | לְשָׁנִ֥ים (leshanim) = voor jaren | שָׁלֽוֹשׁ (shalosh) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Drie jaar lang: de tijd tot Rechabeam de wet van Yahweh verliet (12:1). De ‘weg van David en Salomo’ is hier de weg van trouw aan Yahweh. Zie ook: 2 Kron 1:1–12; 2 Kron 7:17–19; 2 Kron 8:13–16; 2 Kron 12:1; Mat 13:20–21 ### De vrouwen en kinderen van Rechabeam **11:18** Rechabeam nam Machalat tot vrouw, de dochter van Jerimot, de zoon van David, en van Abihaïl, de dochter van Eliab, de zoon van Isaï. Brontekst: וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en hij nam | ל֤וֹ (lo) = voor zich | רְחַבְעָם֙ (rechavam) = Rechabeam | אִשָּׁ֔ה (isha) = tot vrouw | אֶת (et) = (obj.) | מָ֣חֲלַ֔ת (machalat) = Machalat | בַּת (bat) = dochter van | יְרִימ֖וֹת (yerimot) = Jerimot | בֶּן (ben) = zoon van | דָּוִ֑יד (david) = David | אֲבִיהַ֕יִל (avihayil) = Abihaïl | בַּת (bat) = dochter van | אֱלִיאָ֖ב (eliav) = Eliab | בֶּן (ben) = zoon van | יִשָֽׁי (yishay) = Isaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Machalat is de dochter van Jerimot, een zoon van David, en van Abihaïl, de dochter van Eliab, de broer van David (1 Sam. 17:13). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft tussen ‘de zoon van David’ en ‘Abihaïl’ geen woord ‘en’. Zowel Jerimot als Abihaïl worden dus als ouders van Machalat genoemd. Wij vullen ‘en van’ aan. Dat Abihaïl de vrouw of de moeder is, volgt uit de enkelvoudige vorm van vers 19: ‘zij beviel hem’. Het kan ook zijn dat Abihaïl een tweede vrouw is. Het Hebreeuws zegt het niet. Voetnoot : Een van de twee woorden ‘dochter van’ heeft een ketiv en een qere: de geschreven tekst (ketiv) heeft בן (ben), ‘zoon’, de voorgelezen tekst (qere) heeft בַּת (bat), ‘dochter’. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Sam 16:6; 1 Sam 17:13; 1 Sam 17:28; 1 Kron 2:13; 1 Kron 27:18; 2 Kron 11:19 **11:19** Zij beviel hem van zonen: Jeüs, Sjemarja en Zaham. Brontekst: וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en zij beviel | ל֖וֹ (lo) = hem | בָּנִ֑ים (banim) = zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְע֥וּשׁ (yeush) = Jeüs | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁמַרְיָ֖ה (shemarya) = Sjemarja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זָֽהַם (zaham) = Zaham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְעוּשׁ (Ye’ush), ‘Jeüs’: zoals in 1 Kron. 7:10. שְׁמַרְיָה (Shemaryah), ‘Sjemarja’: zoals in 1 Kron. 12:6. זַהַם (Zaham), ‘Zaham’: deze naam komt verder niet in onze tekst voor. Zie ook: 1 Kron 7:10; 1 Kron 12:6 **11:20** Na haar nam hij Maächa, de dochter van Absalom. Zij beviel hem van Abia, Attai, Ziza en Sjelomit. Brontekst: וְאַחֲרֶ֣יהָ (veachareiha) = en na haar | לָקַ֔ח (laqach) = hij nam | אֶֽת (et) = (obj.) | מַעֲכָ֖ה (maakha) = Maächa | בַּת (bat) = dochter van | אַבְשָׁל֑וֹם (avshalom) = Absalom | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en zij beviel | ל֗וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִיָּה֙ (aviya) = Abia | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַתַּ֔י (atay) = Attai | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זִיזָ֖א (ziza) = Ziza | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁלֹמִֽית (shelomit) = Sjelomit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Maächa heet hier ‘dochter van Absalom’, zoals in 1 Kon. 15:2. De moeder van Absalom heette ook Maächa, maar zij was een dochter van Talmai (2 Sam. 3:3). In 13:2 heet de moeder van Abia ‘Michaja, de dochter van Uriël’. Wij laten beide zoals het staat. ‘Dochter’ kan in het Hebreeuws ook ‘kleindochter’ betekenen. Voetnoot : אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: in Koningen heet hij Abijam (אֲבִיָּם, 1 Kon. 14:31). Zie ook: 2 Sam 3:3; 1 Kon 14:31; 1 Kon 15:1–2; 1 Kon 15:2; 2 Kron 11:21; 2 Kron 12:16; 2 Kron 13:2; Mat 1:7 **11:21** Rechabeam hield van Maächa, de dochter van Absalom, meer dan van al zijn vrouwen en bijvrouwen. Want hij had 18 vrouwen genomen en 60 bijvrouwen. Hij verwekte 28 zonen en 60 dochters. Brontekst: וַיֶּאֱהַ֨ב (vayeehav) = en hij hield van | רְחַבְעָ֜ם (rechavam) = Rechabeam | אֶת (et) = (obj.) | מַעֲכָ֣ה (maakha) = Maächa | בַת (bat) = dochter van | אַבְשָׁל֗וֹם (avshalom) = Absalom | מִכָּל (mikal) = meer dan al | נָשָׁיו֙ (nashav) = zijn vrouwen | וּפִ֣ילַגְשָׁ֔יו (ufilagshav) = en zijn bijvrouwen | כִּ֠י (ki) = want | נָשִׁ֤ים (nashim) = vrouwen | שְׁמוֹנֶֽה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | נָשָׂ֔א (nasa) = hij nam | וּפִֽילַגְשִׁ֖ים (ufilagshim) = en bijvrouwen | שִׁשִּׁ֑ים (shishim) = zestig | וַיּ֗וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | עֶשְׂרִ֧ים (esrim) = twintig | וּשְׁמוֹנָ֛ה (ushemona) = en acht | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וְשִׁשִּׁ֥ים (veshishim) = en zestig | בָּנֽוֹת (banot) = dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּילַגְשִׁים (pilagshim), ‘bijvrouwen’: vrouwen met een lagere rang dan de eerste vrouwen. Het getal van 18 vrouwen en 60 bijvrouwen staat alleen hier. Vergelijk Deut. 17:17. Zie ook: Deut 17:17; Re 8:30; 2 Sam 3:2–5; 2 Sam 5:13; 1 Kon 11:3 **11:22** Rechabeam stelde Abia, de zoon van Maächa, aan tot hoofd, tot leider onder zijn broers. Want hij wilde hem koning maken. Brontekst: וַיַּֽעֲמֵ֨ד (vayaamed) = en hij stelde aan | לָרֹ֧אשׁ (larosh) = tot hoofd | רְחַבְעָ֛ם (rechavam) = Rechabeam | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִיָּ֥ה (aviya) = Abia | בֶֽן (ben) = zoon van | מַעֲכָ֖ה (maakha) = Maächa | לְנָגִ֣יד (lenagid) = tot leider | בְּאֶחָ֑יו (beechav) = onder zijn broers | כִּ֖י (ki) = want | לְהַמְלִיכֽוֹ (lehamlikho) = om hem koning te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’, en נָגִיד (nagid), ‘leider’: Rechabeam maakt Abia de eerste onder zijn broers. Hij wilde hem koning maken: Abia volgt hem later op (12:16). Zie ook: Deut 21:15–17; 1 Kron 5:1–2; 1 Kron 29:1 **11:23** Hij handelde verstandig. Hij verspreidde een aantal van zijn zonen over alle landstreken van Juda en Benjamin, over alle vestingsteden. Hij gaf hun voedsel in overvloed. En hij vroeg een grote menigte vrouwen voor hen. Brontekst: וַיָּבֶן֩ (vayaven) = en hij handelde verstandig | וַיִּפְרֹ֨ץ (vayifrots) = en hij verspreidde | מִכָּל (mikal) = uit al | בָּנָ֜יו (banav) = zijn zonen | לְֽכָל (lekhal) = over alle | אַרְצ֧וֹת (artsot) = landstreken van | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֗ן (uvinyamin) = en Benjamin | לְכֹל֙ (lekhol) = over alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַמְּצֻר֔וֹת (hametsurot) = de vestingen | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶ֛ם (lahem) = hun | הַמָּז֖וֹן (hamazon) = het voedsel | לָרֹ֑ב (larov) = in overvloed | וַיִּשְׁאַ֖ל (vayishal) = en hij vroeg | הֲמ֥וֹן (hamon) = menigte van | נָשִֽׁים (nashim) = vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּבֶן (wayyaven), ‘hij handelde verstandig’: het werkwoord komt van בִּין (bin), ‘begrijpen, inzicht hebben’. Het is niet het werkwoord ‘bouwen’ (בָּנָה). Dit staat in tegenstelling tot Rechabeams eerdere antwoord aan het volk (1 Kon. 12:13–14). Voetnoot : מִכָּל (mikkol), ‘uit alle’: Rechabeam spreidde een deel van zijn zonen over het land. ‘Voor hen’ vullen wij aan: de vrouwen worden voor de zonen gevraagd. Zie ook: Gen 25:6; 1 Kon 1:5–6; 1 Kon 12:13–14; 2 Kron 10:8–15; 2 Kron 21:3; Luc 16:8 ## 2 Kronieken 12 _Sisak trekt op tegen Jeruzalem_ ### Rechabeam verlaat de wet van Yahweh **12:1** Toen het koningschap van Rechabeam stevig stond en hij sterk was geworden, verliet hij de wet van Yahweh, en heel Israël met hem. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּהָכִ֞ין (kehakhin) = toen stevig stond | מַלְכ֤וּת (malkhut) = het koningschap van | רְחַבְעָם֙ (rechavam) = Rechabeam | וּכְחֶזְקָת֔וֹ (ukhechezqato) = en toen hij sterk was | עָזַ֖ב (azav) = verliet hij | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 14:21–31. De Kronieken vertellen meer: het gaat over Rechabeams afvalligheid, de woorden van Sjemaja en zijn vernedering voor Yahweh (vers 1, 5–8, 12). In Koningen staat daarover niets. Voetnoot : תּוֹרַת יְהוָה (torat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: תּוֹרָה (torah) betekent ‘onderricht’ en ‘wet’. Het gaat om de wet die Yahweh aan Israël gaf. Voetnoot : ‘Heel Israël’ zijn hier de inwoners van Juda; het noordelijke rijk is sinds de splitsing een apart rijk. Zie ook: 1 Kon 12:17; 1 Kon 14:21–31; 1 Kon 14:22–24; 2 Kron 11:17; 2 Kron 12:5; 2 Kron 12:13; 2 Kron 26:13–16 ### Sisak trekt op tegen Jeruzalem **12:2** In het vijfde jaar van koning Rechabeam trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem. Want zij hadden ontrouw gepleegd tegen Yahweh. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | בַּשָּׁנָ֤ה (bashana) = in het jaar | הַֽחֲמִישִׁית֙ (hachamishit) = het vijfde | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van koning | רְחַבְעָ֔ם (rechavam) = Rechabeam | עָלָ֛ה (ala) = trok op | שִׁישַׁ֥ק (shishaq) = Sisak | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | כִּ֥י (ki) = want | מָעֲל֖וּ (maalu) = zij pleegden ontrouw | בַּיהוָֽה (baYahweh) = tegen Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שִׁישַׁק (Shishaq), ‘Sisak’: farao Sjosjenq I van Egypte. Het ‘vijfde jaar’ is gerekend vanaf het begin van Rechabeams regering. Zie 1 Kon. 14:25. Voetnoot : מָעַל (ma’al), ‘ontrouw plegen’: de trouw aan Yahweh breken, zoals Lev. 5:15 en 1 Kron. 10:13. Zie ook: Lev 5:15; Re 2:13–15; 1 Kron 10:13; 1 Kon 11:40; 1 Kon 14:25; 2 Kron 7:19–20; 2 Kron 36:14–19; Jer 44:22–23 **12:3** Hij kwam met 1.200 strijdwagens en 60.000 ruiters. Het volk dat met hem uit Egypte was gekomen, was niet te tellen: Libiërs, Sukkieten en Kushieten. Brontekst: בְּאֶ֤לֶף (beelef) = met duizend | וּמָאתַ֨יִם֙ (umatayim) = en tweehonderd | רֶ֔כֶב (rekhev) = strijdwagen | וּבְשִׁשִּׁ֥ים (uveshishim) = en met zestig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | פָּרָשִׁ֑ים (parashim) = ruiters | וְאֵ֣ין (veein) = en niet was er | מִסְפָּ֗ר (mispar) = getal | לָעָ֞ם (laam) = voor het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּ֤אוּ (bau) = kwam | עִמּוֹ֙ (imo) = met hem | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לוּבִ֥ים (luvim) = Libiërs | סֻכִּיִּ֖ים (sukiyim) = Sukkieten | וְכוּשִֽׁים (vekhushim) = en Kushieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: רֶכֶב (rekev), ‘strijdwagens’, en פָּרָשִׁים (parashim), ‘ruiters’. Dit getal staat niet in Koningen. Voetnoot : לוּבִים (luvim), ‘Libiërs’, סֻכִּיִּים (sukkiyyim), ‘Sukkieten’ en כּוּשִׁים (kushim), ‘Kushieten’: volken uit Afrika die met Sisak meetrokken. Wie de Sukkieten waren, is onzeker. Zie ook: Gen 10:6–8; 2 Kron 16:8; Nah 3:9; Ezech 30:5; Dan 11:43 **12:4** Hij nam de vestingsteden van Juda in en kwam tot aan Jeruzalem. Brontekst: וַיִּלְכֹּ֛ד (vayilkod) = en hij nam in | אֶת (et) = (obj.) | עָרֵ֥י (arei) = steden van | הַמְּצֻר֖וֹת (hametsurot) = de vestingen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לִֽיהוּדָ֑ה (lihuda) = van Juda | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | עַד (ad) = tot | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De vestingsteden zijn de steden die Rechabeam in 11:5–10 bouwde. Zie ook: 2 Kon 18:17; 2 Kron 11:5–12; Jes 8:8; Jes 36:1; Jer 5:10 ### Het woord van Sjemaja **12:5** De profeet Sjemaja kwam naar Rechabeam en naar de oversten van Juda, die zich vanwege Sisak in Jeruzalem hadden verzameld. Hij zei tegen hen: „Zo zegt Yahweh: ‘Jullie hebben Mij verlaten. Ook Ik heb jullie verlaten, in de hand van Sisak.’” Brontekst: וּֽשְׁמַֽעְיָ֤ה (ushemaya) = en Sjemaja | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | בָּ֣א (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | רְחַבְעָ֔ם (rechavam) = Rechabeam | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en de oversten van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁר (asher) = die | נֶאֶסְפ֥וּ (neesfu) = zich verzameld hadden | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | שִׁישָׁ֑ק (shishaq) = Sisak | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֜ם (lahem) = tot hen | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | עֲזַבְתֶּ֣ם (azavtem) = hebben verlaten | אֹתִ֔י (oti) = Mij | וְאַף (veaf) = en ook | אֲנִ֛י (ani) = Ik | עָזַ֥בְתִּי (azavti) = heb verlaten | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּיַד (beyad) = in de hand van | שִׁישָֽׁק (shishaq) = Sisak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Sjemaja namens Yahweh. Zijn woorden staan zwart, met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’, zoals bij Natan in 2 Sam. 7:5. Voetnoot : בְּיַד־שִׁישַׁק (beyad Shishaq), ‘in de hand van Sisak’: Yahweh laat Juda in de macht van Sisak komen. Het is een gevolg van het verlaten van Hem. Voetnoot : שָׂרֵי יְהוּדָה (sarei Yehudah), ‘de oversten van Juda’: leiders van het volk. Zie ook: 2 Sam 7:5; 1 Kron 28:9; 1 Kon 12:22; 2 Kron 11:2; 2 Kron 12:1–2; 2 Kron 15:2 **12:6** De oversten van Israël en de koning vernederden zich. Zij zeiden: „Yahweh is rechtvaardig.” Brontekst: וַיִּכָּנְע֥וּ (vayikaneu) = en zij vernederden zich | שָׂרֵֽי (sarei) = oversten van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְהַמֶּ֑לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardig | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִכְנְעוּ (nichnetu), ‘zij vernederden zich’: het werkwoord כָּנַע (kana) betekent ‘zich buigen’ of ‘zich onderwerpen’ in nederigheid. Het staat ook in vers 7 en 12. Zie 1 Kon. 21:29 voor Achab. Voetnoot : ‘Oversten van Israël’: hier de leiders van Juda (vers 5). Voetnoot : צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: Zij erkennen dat Yahweh terecht handelt. Zie ook: Ex 9:27; Re 1:7; 1 Kon 21:29; 2 Kron 12:5; 2 Kron 12:7; 2 Kron 12:12; 2 Kron 33:12; Dan 5:22; Dan 9:14 ### Yahweh ziet dat zij zich vernederen **12:7** Toen Yahweh zag dat zij zich vernederd hadden, kwam het woord van Yahweh tot Sjemaja: „Zij hebben zich vernederd. Ik zal hen niet vernietigen. Ik zal hun enige ontkoming geven. Mijn woede zal niet over Jeruzalem uitgestort worden door de hand van Sisak. Brontekst: וּבִרְא֤וֹת (uvirot) = en toen Hij zag | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = dat | נִכְנָ֔עוּ (nikhnau) = zij zich vernederd hadden | הָיָה֩ (haya) = was | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | שְׁמַֽעְיָ֧ה (shemaya) = Sjemaja | לֵאמֹ֛ר (lemor) = zeggende | נִכְנְע֖וּ (nikhneu) = zij hebben zich vernederd | לֹ֣א (lo) = niet | אַשְׁחִיתֵ֑ם (ashchitem) = Ik zal vernietigen hen | וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | לָהֶ֤ם (lahem) = hun | כִּמְעַט֙ (kimat) = een weinig | לִפְלֵיטָ֔ה (lifleita) = tot ontkoming | וְלֹא (velo) = en niet | תִתַּ֧ךְ (titakh) = zal uitgestort worden | חֲמָתִ֛י (chamati) = Mijn woede | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | בְּיַד (beyad) = door de hand van | שִׁישָֽׁק (shishaq) = Sisak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het woord van Yahweh tot Sjemaja is ingeleid als aangehaald woord (‘kwam het woord van Yahweh tot Sjemaja’). Het staat daarom zwart, met aanhalingstekens, net als in 11:2–4. Voetnoot : כִּמְעָט (kim’at), ‘een weinig’: kan ook ‘binnenkort’ betekenen. Wij nemen aan dat Yahweh enige ontkoming schenkt, ook al plundert Sisak nog (vers 9). Voetnoot : פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkoming’: het ontsnappen, of de overgeblevenen. Het hangt samen met ‘de rest’. Voetnoot : חֵמָה (chemah), ‘woede’: wij vertalen dit woord als ‘woede’ en אַף (af) in vers 12 als ‘toorn’. Zie ook: Re 10:15–16; 1 Kon 21:28–29; 2 Kron 12:9; 2 Kron 12:12; 2 Kron 34:25; Jes 42:25; Openb 14:10 **12:8** Maar zij zullen zijn dienaren worden. Dan zullen zij weten wat Mijn dienst is, en wat de dienst van de koninkrijken van de landen is.” Brontekst: כִּ֥י (ki) = maar | יִהְיוּ (yihyu) = zij zullen zijn | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לַעֲבָדִ֑ים (laavadim) = tot dienaren | וְיֵדְעוּ֙ (veyedeu) = en zij zullen weten | עֲב֣וֹדָתִ֔י (avodati) = Mijn dienst | וַעֲבוֹדַ֖ת (vaavodat) = en de dienst van | מַמְלְכ֥וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאֲרָצֽוֹת (haaratsot) = de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבוֹדָתִי (avodati), ‘Mijn dienst’, en עֲבוֹדַת מַמְלְכוֹת הָאֲרָצוֹת (avodat mamlekhot ha’aratsot), ‘de dienst van de koninkrijken van de landen’: Juda moet ervaren hoe het is om een vreemde koning te dienen, zodat het het verschil kent met de dienst aan Yahweh. Zie ook: Deut 28:47–48; Re 3:1; Hos 8:10; Jes 26:13; Jer 10:24 ### Sisak plundert de schatten **12:9** Sisak, de koning van Egypte, trok op tegen Jeruzalem. Hij nam de schatten van het huis van Yahweh en de schatten van het huis van de koning. Alles nam hij. Hij nam ook de gouden schilden die Salomo had gemaakt. Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en hij trok op | שִׁישַׁ֥ק (shishaq) = Sisak | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַיִם֮ (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִַם֒ (yerushalaim) = Jeruzalem | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (obj.) | אֹצְר֣וֹת (otserot) = de schatten van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹֽצְרוֹת֙ (otserot) = de schatten van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּ֖ל (hakol) = alles | לָקָ֑ח (laqach) = hij nam | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (obj.) | מָגִנֵּ֣י (maginei) = de schilden van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte | שְׁלֹמֹֽה (shelomo) = Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֹצְרוֹת (otsarot), ‘schatten’: schatkamers of voorraden; zie 11:11. Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:26. Voetnoot : מָגִנֵּי הַזָּהָב (maginnei hazzahav), ‘gouden schilden’: de schilden die Salomo liet maken (1 Kon. 10:16–17). Zie ook: 1 Kon 10:16–17; 1 Kon 14:25–28; 1 Kon 14:26; 1 Kon 15:18; 2 Kon 16:8; 2 Kron 9:15–16 **12:10** Koning Rechabeam maakte in hun plaats koperen schilden. Hij vertrouwde ze toe aan de oversten van de lopers, die de wacht hielden bij de ingang van het huis van de koning. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | רְחַבְעָם֙ (rechavam) = Rechabeam | תַּחְתֵּיהֶ֔ם (tachteihem) = in hun plaats | מָגִנֵּ֖י (maginei) = schilden van | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וְהִפְקִ֗יד (vehifqid) = en hij vertrouwde toe | עַל (al) = aan | יַד֙ (yad) = de hand van | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הָרָצִ֔ים (haratsim) = de lopers | הַשֹּׁ֣מְרִ֔ים (hashomerim) = die bewaken | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרָצִים (haratsim), ‘de lopers’: de lijfwacht van de koning. Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:27. Zie ook 1 Sam. 22:17. Voetnoot : נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: de oude naam van het metaal, ook gebruikt voor brons. Zie ook: 1 Sam 22:17; 2 Sam 8:18; 2 Sam 23:23; 1 Kron 11:25; Hoogl 3:7–8; 1 Kon 14:27; Klaagl 4:1 **12:11** Telkens als de koning het huis van Yahweh binnenging, kwamen de lopers en droegen ze. Daarna brachten zij ze terug naar de kamer van de lopers. Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | מִדֵּי (midei) = telkens als | ב֥וֹא (bo) = binnenging | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בָּ֤אוּ (bau) = kwamen | הָרָצִים֙ (haratsim) = de lopers | וּנְשָׂא֔וּם (unesaum) = en zij droegen hen | וֶהֱשִׁב֖וּם (veheshivum) = en zij brachten hen terug | אֶל (el) = naar | תָּ֥א (ta) = de kamer van | הָרָצִֽים (haratsim) = de lopers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:28. De lopers dragen de schilden alleen als de koning naar het huis van Yahweh gaat; verder liggen ze in de kamer van de lopers. Zie ook: 1 Kon 14:28 **12:12** Toen hij zich vernederde, keerde de toorn van Yahweh zich van hem af. Hij vernietigde hem niet helemaal. Ook in Juda waren goede dingen. Brontekst: וּבְהִכָּֽנְע֗וֹ (uvehikaneo) = en toen hij zich vernederde | שָׁ֤ב (shav) = keerde terug | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = van hem | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לְהַשְׁחִ֖ית (lehashchit) = om te vernietigen | לְכָלָ֑ה (lekhala) = helemaal | וְגַם֙ (vegam) = en ook | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = in Juda | הָיָ֖ה (haya) = was | דְּבָרִ֥ים (devarim) = dingen | טוֹבִֽים (tovim) = goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבָרִים טוֹבִים (devarim tovim), ‘goede dingen’: er was ook iets goeds in Juda. De tekst zegt niet precies wat. Vergelijk 11:13–17. Voetnoot : לְכָלָה (lekhalah), ‘helemaal’: letterlijk ‘tot voltooiing’; Yahweh maakt geen einde aan Juda. Voetnoot : הִשְׁחִית (hishchit), ‘vernietigen’: zo vertalen wij dit werkwoord in vers 7 en hier. Zie ook: 1 Kon 14:13; 2 Kron 12:6–7; 2 Kron 12:7; 2 Kron 19:3; 2 Kron 33:12–13; Klaagl 3:22 ### Het einde van Rechabeam **12:13** Koning Rechabeam versterkte zich in Jeruzalem en regeerde. Rechabeam was 41 jaar toen hij koning werd. Hij regeerde 17 jaar in Jeruzalem, de stad die Yahweh uit alle stammen van Israël had gekozen om Zijn naam daar te vestigen. De naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische. Brontekst: וַיִּתְחַזֵּ֞ק (vayitchazeq) = en hij versterkte zich | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | רְחַבְעָ֛ם (rechavam) = Rechabeam | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַיִּמְלֹ֑ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | כִּ֣י (ki) = want | בֶן (ben) = zoon van | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | וְאַחַ֣ת (veachat) = en een | שָׁנָה֩ (shana) = jaar | רְחַבְעָ֨ם (rechavam) = Rechabeam | בְּמָלְכ֜וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וּֽשֲׁבַ֨ע (ushava) = en zeven | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | מָלַ֣ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּֽירוּשָׁלִַ֗ם (birushalaim) = in Jeruzalem | הָ֠עִיר (hair) = de stad | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּחַ֨ר (bachar) = koos | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לָשׂ֨וּם (lasum) = om te zetten | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֥וֹ (shemo) = Zijn naam | שָׁם֙ (sham) = daar | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | נַעֲמָ֖ה (naama) = Naäma | הָֽעַמֹּנִֽית (haamonit) = de Ammonitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:21. Het getal 41 en 17 is hetzelfde als daar. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft na ‘regeerde’ het woord כִּי (ki), ‘want’; wij laten het in de vertaling weg omdat het de zin niet verandert. In de glosses staat het. Voetnoot : נָעֲמָה (Na’amah), ‘Naäma’: een Ammonitische vrouw van Salomo (1 Kon. 14:21). Zie ook: Deut 12:5; Ps 48:2–4; 1 Kon 14:21; 2 Kron 6:6; Neh 13:26 **12:14** Hij deed wat slecht was, want hij had zijn hart er niet op gericht om Yahweh te zoeken. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הָרָ֑ע (hara) = het kwaad | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | הֵכִין֙ (hekhin) = richtte | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | לִדְר֖וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵכִין לִבּוֹ (hekhin libbo), ‘zijn hart richtte’: letterlijk ‘zijn hart vast maken’. Rechabeam richtte zijn hart niet vast op het zoeken van Yahweh. Dit vers staat niet in Koningen. Zie ook: 2 Kron 19:3; Jes 45:19; Jes 55:6–7; Ezech 33:31; 1 Kor 16:13 **12:15** De geschiedenis van Rechabeam, van begin tot einde: staat die niet geschreven in het verslag van de profeet Sjemaja en van de ziener Iddo, volgens de geslachtsregisters? Er waren oorlogen tussen Rechabeam en Jerobeam, al die dagen. Brontekst: וְדִבְרֵ֣י (vedivrei) = en de geschiedenis van | רְחַבְעָ֗ם (rechavam) = Rechabeam | הָרִאשֹׁנִים֙ (harishonim) = de eerste | וְהָאֲ֣חַרוֹנִ֔ים (vehaacharonim) = en de laatste | הֲלֹא (halo) = niet waar | הֵ֨ם (hem) = zij | כְּתוּבִ֜ים (ketuvim) = geschreven | בְּדִבְרֵ֨י (bedivrei) = in het verslag van | שְׁמַֽעְיָ֧ה (shemaya) = Sjemaja | הַנָּבִ֛יא (hanavi) = de profeet | וְעִדּ֥וֹ (veido) = en Iddo | הַחֹזֶ֖ה (hachoze) = de ziener | לְהִתְיַחֵ֑שׂ (lehityaches) = volgens geslachtsregistratie | וּמִלְחֲמ֧וֹת (umilchamot) = en oorlogen | רְחַבְעָ֛ם (rechavam) = Rechabeam | וְיָרָבְעָ֖ם (veyaraveam) = en Jerobeam | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’; ook ‘zaken’ en ‘daden’. Wij vertalen het zo in de formule over bronnen. In Koningen staat daar ‘het dagboek van de koningen van Juda’ (1 Kon. 14:29). Hier verwijzen de Kronieken naar profeten: Sjemaja en Iddo. Voetnoot : הַחֹזֶה (hachozeh), ‘de ziener’: iemand die visioenen ziet. Voetnoot : לְהִתְיַחֵשׂ (lehityachesh), ‘volgens de geslachtsregisters’: het werkwoord betekent ‘zich laten inschrijven’ in een geslachtslijst. De betekenis hier is niet helemaal zeker; wij houden het bij de woorden zoals ze staan. Voetnoot : מִלְחָמוֹת (milchamot), ‘oorlogen’: het Hebreeuws heeft een meervoud. Vergelijk 1 Kon. 14:30. Zie ook: 1 Kon 12:22; 1 Kon 14:29–30; 1 Kon 14:30; 2 Kron 9:29; 2 Kron 12:5; 2 Kron 13:22 **12:16** Rechabeam ging liggen bij zijn vaderen en werd begraven in de stad van David. Zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en hij ging liggen | רְחַבְעָם֙ (rechavam) = Rechabeam | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקָּבֵ֖ר (vayiqaver) = en hij werd begraven | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en hij werd koning | אֲבִיָּ֥ה (aviya) = Abia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: in Koningen heet hij Abijam (אֲבִיָּם, 1 Kon. 14:31). Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:31. Zie ook: 1 Kron 3:10; 1 Kon 14:29–31; 1 Kon 14:31; 2 Kron 11:20; 2 Kron 13:1; Mat 1:7 ## 2 Kronieken 13 _Abia wint van Jerobeam_ ### Abia, koning van Juda **13:1** In het achttiende jaar van koning Jerobeam werd Abia koning over Juda. Brontekst: בִּשְׁנַ֛ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁמוֹנֶ֥ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van koning | יָרָבְעָ֑ם (yaraveam) = Jerobeam | וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en hij werd koning | אֲבִיָּ֖ה (aviya) = Abia | עַל (al) = over | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk heeft in 1 Kon. 15:1–8 een korte parallel. Het verhaal van de berg Semaraïm, de rede van Abia en de overwinning staan alleen in de Kronieken. Voetnoot : אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: in Koningen heet hij Abijam (אֲבִיָּם, 1 Kon. 15:1). In vers 20 en 21 staat de vorm אֲבִיָּהוּ (Aviyyahu). Wij schrijven overal ‘Abia’. Voetnoot : Het achttiende jaar van Jerobeam: de tijdrekening is gelijk aan die van 1 Kon. 15:1. Zie ook: 1 Kon 15:1–8; 2 Kron 12:16; 2 Kron 13:20; 2 Kron 13:21 **13:2** Hij regeerde 3 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël uit Gibea. Er was oorlog tussen Abia en Jerobeam. Brontekst: שָׁל֣וֹשׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֗ים (shanim) = jaar | מָלַךְ֙ (malakh) = hij regeerde | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | מִיכָיָ֥הוּ (mikhayahu) = Michaja | בַת (bat) = dochter van | אוּרִיאֵ֖ל (uriel) = Uriël | מִן (min) = uit | גִּבְעָ֑ה (giva) = Gibea | וּמִלְחָמָ֥ה (umilchama) = en oorlog | הָיְתָ֛ה (hayeta) = was | בֵּ֥ין (bein) = tussen | אֲבִיָּ֖ה (aviya) = Abia | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | יָרָבְעָֽם (yaraveam) = Jerobeam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea (גִּבְעָה) is de naam van meer dan één plaats in Juda en Benjamin. Het is niet zeker welke bedoeld is. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier heet de moeder van Abia ‘Michaja, de dochter van Uriël uit Gibea’ (מִיכָיָהוּ, Mikhayahu). In 11:20 en 1 Kon. 15:2 heet zij Maächa, de dochter van Absalom. Wij laten beide namen staan zoals ze staan. Het kan om dezelfde vrouw gaan, onder twee namen; het Hebreeuws zegt dat niet. Zie ook: Joz 18:28; Re 19:14; Re 19:16; 1 Kon 15:2; 1 Kon 15:6–7; 2 Kron 11:20 ### Het leger van Abia en van Jerobeam **13:3** Abia opende de strijd met een leger van oorlogshelden: 400.000 uitgelezen mannen. Jerobeam stelde zich met 800.000 uitgelezen mannen, dappere krijgers, in slagorde tegen hem op. Brontekst: וַיֶּאְסֹ֨ר (vayesor) = en hij opende | אֲבִיָּ֜ה (aviya) = Abia | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּלְחָמָ֗ה (hamilchama) = de strijd | בְּחַ֨יִל֙ (bechayil) = met leger van | גִּבּוֹרֵ֣י (giborei) = helden van | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | אַרְבַּע (arba) = vier | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִ֣ישׁ (ish) = man | בָּח֑וּר (bachur) = uitgelezen | וְיָרָבְעָ֗ם (veyaraveam) = en Jerobeam | עָרַ֤ךְ (arakh) = stelde in slagorde | עִמּוֹ֙ (imo) = met hem | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | בִּשְׁמוֹנֶ֨ה (bishmone) = met acht | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֥ישׁ (ish) = man | בָּח֖וּר (bachur) = uitgelezen | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹרֵי מִלְחָמָה (gibborei milchamah), ‘oorlogshelden’, en גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘dappere krijger’: twee uitdrukkingen voor sterke krijgers. Wij vertalen de tweede als ‘dappere krijgers’, zoals elders. Voetnoot : בָּחוּר (bachur), ‘uitgelezen’: zie 11:1. Voetnoot : עָרַךְ מִלְחָמָה (arakh milchamah), ‘in slagorde opstellen’: de legers staan tegenover elkaar klaar. Voetnoot : De getallen zijn die van de Masoretische tekst: 400.000 tegen 800.000, en 500.000 gesneuvelden (vers 17). Wij vertalen ze letterlijk. Zie ook: 1 Sam 17:1–3; 1 Kron 21:5; 2 Kron 13:17; 2 Kron 14:7–8; 2 Kron 17:14–18; 2 Kron 26:12–13 ### Abia spreekt vanaf de berg Semaraïm **13:4** Abia stond boven op de berg Semaraïm, in het gebergte van Efraïm. Hij zei: „Luister naar mij, Jerobeam en heel Israël! Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | אֲבִיָּ֗ה (aviya) = Abia | מֵעַל֙ (meal) = boven op | לְהַ֣ר (lehar) = de berg | צְמָרַ֔יִם (tsemarayim) = Semaraïm | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּהַ֣ר (behar) = in het gebergte van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁמָע֖וּנִי (shemauni) = luister naar mij | יָרָבְעָ֥ם (yaraveam) = Jerobeam | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Semaraïm ligt in het gebergte van Efraïm, in de buurt van Betel. De precieze ligging is onzeker. Zie ook Joz. 18:22, waar Semaraïm in het gebied van Benjamin wordt genoemd. Zie Berg Semaraïm (ligging onzeker): De berg Semaraïm lag in het bergland van Efraïm, in de buurt van Betel. In Jozua 18:22 ligt Semaraïm in Benjamin. De precieze plaats is niet bekend. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: De rede van Abia loopt van vers 4 tot en met vers 12. Zie ook: Gen 10:18; Joz 18:22; Re 9:7; 2 Kron 13:12; 2 Kron 15:2 **13:5** Jullie behoren toch te weten dat Yahweh, de Elohim van Israël, het koninkrijk over Israël voor altijd aan David heeft gegeven? Aan hem en aan zijn zonen, met een verbond van zout. Brontekst: הֲלֹ֤א (halo) = niet waar | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לָדַ֔עַת (ladaat) = om te weten | כִּ֞י (ki) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | נָתַ֨ן (natan) = gaf | מַמְלָכָ֧ה (mamlakha) = koninkrijk | לְדָוִ֛יד (ledavid) = aan David | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְעוֹלָ֑ם (leolam) = voor altijd | ל֥וֹ (lo) = aan hem | וּלְבָנָ֖יו (ulevanav) = en aan zijn zonen | בְּרִ֥ית (berit) = verbond van | מֶֽלַח (melach) = zout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית מֶלַח (berit melach), ‘verbond van zout’: zout bewaart en vergaat niet; het verbond blijft dus. Zie ook Num. 18:19. Voetnoot : Het verbond met David staat in 2 Sam. 7:12–16 en 1 Kron. 17:11–14. In Num. 18:19 gaat het over de heffingen voor de priesters. Voetnoot : מַמְלָכָה (mamlakhah), ‘koninkrijk’: de koninklijke heerschappij. Zie ook: Lev 2:13; Num 18:19; 2 Sam 7:12–16; 1 Kron 17:11–14; 1 Kon 8:20; Mar 9:49–50 **13:6** Maar Jerobeam, de zoon van Nebat, de dienaar van Salomo, de zoon van David, stond op. Hij kwam in opstand tegen zijn heer. Brontekst: וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en hij stond op | יָרָבְעָ֣ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | נְבָ֔ט (nevat) = Nebat | עֶ֖בֶד (eved) = dienaar van | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | בֶן (ben) = zoon van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיִּמְרֹ֖ד (vayimrod) = en hij kwam in opstand | עַל (al) = tegen | אֲדֹנָֽיו (adonav) = zijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד (eved), ‘dienaar’: Jerobeam was een hoge beambte van Salomo (1 Kon. 11:26–28). ‘Zijn heer’ is Salomo; zie 1 Kon. 11:26. Zie ook: 1 Kon 11:26; 1 Kon 12:20; 1 Kon 12:27; 2 Kron 10:19 **13:7** Er verzamelden zich bij hem mannen zonder waarde, zonen van Belial. Zij maakten zich sterk tegen Rechabeam, de zoon van Salomo. Rechabeam was een jongen en week van hart. Hij hield tegenover hen geen stand. Brontekst: וַיִּקָּבְצ֣וּ (vayiqavetsu) = en zij verzamelden zich | עָלָ֗יו (alav) = bij hem | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | רֵקִים֙ (reqim) = waardeloze | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | בְלִיַּ֔עַל (beliyaal) = Belial | וַיִּֽתְאַמְּצ֖וּ (vayitametsu) = en zij maakten zich sterk | עַל (al) = tegen | רְחַבְעָ֣ם (rechavam) = Rechabeam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | וּרְחַבְעָ֗ם (urechavam) = en Rechabeam | הָ֤יָה (haya) = was | נַ֨עַר֙ (naar) = jongen | וְרַךְ (verakh) = en week van | לֵבָ֔ב (levav) = hart | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הִתְחַזַּ֖ק (hitchazaq) = maakte zich sterk | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = tegenover hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵקִים (reqim), ‘mannen zonder waarde’: letterlijk ‘lege mannen’. בְּנֵי בְלִיַּעַל (bnei beliyya’al), ‘zonen van Belial’: letterlijk ‘zonen van waardeloosheid’, zie Deut. 13:14. Voetnoot : נַעַר (na’ar), ‘jongen’: ook ‘jongeman’ of ‘onervaren’. Rechabeam was 41 jaar toen hij koning werd (12:13). ‘Jongen’ betekent hier dat hij onervaren was en niet standhield. Voetnoot : רַךְ לֵבָב (rakh levav), ‘week van hart’: zonder moed of vastberadenheid. Zie ook: Deut 13:14; Re 9:4; Spr 28:19; 2 Kron 12:13; 1 Kor 14:20 **13:8** En nu zeggen jullie dat jullie je sterk zullen maken tegenover het koninkrijk van Yahweh, dat in de hand van de zonen van David is. Jullie zijn een grote menigte. En bij jullie zijn de gouden kalveren die Jerobeam voor jullie tot goden heeft gemaakt. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹֽמְרִ֗ים (omerim) = zeggen | לְהִתְחַזֵּק֙ (lehitchazeq) = om jezelf sterk te maken | לִפְנֵי֙ (lifnei) = tegenover | מַמְלֶ֣כֶת (mamlekhet) = het koninkrijk van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | דָוִ֑יד (david) = David | וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | הָמ֣וֹן (hamon) = menigte | רָ֔ב (rav) = groot | וְעִמָּכֶם֙ (veimakhem) = en met jullie | עֶגְלֵ֣י (eglei) = kalveren van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | יָרָבְעָ֖ם (yaraveam) = Jerobeam | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶגְלֵי זָהָב (eglei zahav), ‘gouden kalveren’: de kalveren die Jerobeam in Betel en Dan liet zetten (1 Kon. 12:28–30). Abia noemt ze ‘goden’ (לֵאלֹהִים, le’elohim) voor wie ze maakte. Het zijn voor Abia geen Elohim. Voetnoot : הִתְחַזֵּק (hitchazzeq), ‘zich sterk maken’: tegenover het koninkrijk van Yahweh. Dat is het koningschap van het huis van David. Zie ook: 1 Kon 12:28; 1 Kon 14:9; 2 Kron 11:15; 2 Kron 14:8–10; Jes 7:6–7 **13:9** Hebben jullie niet de priesters van Yahweh verjaagd, de zonen van Aäron, en de Levieten? Hebben jullie niet priesters voor jullie gemaakt, zoals de volken van de landen? Iedereen die komt om zich in te laten wijden met een jonge stier en zeven rammen, wordt priester voor wat geen goden zijn. Brontekst: הֲלֹ֤א (halo) = niet waar | הִדַּחְתֶּם֙ (hidachtem) = jullie hebben verjaagd | אֶת (et) = (obj.) | כֹּהֲנֵ֣י (kohanei) = de priesters van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְהַלְוִיִּ֑ם (vehalviyim) = en de Levieten | וַתַּעֲשׂ֨וּ (vataasu) = en jullie hebben gemaakt | לָכֶ֤ם (lakhem) = voor jullie | כֹּהֲנִים֙ (kohanim) = priesters | כְּעַמֵּ֣י (keamei) = zoals de volken van | הָאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | כָּל (kal) = ieder | הַבָּ֗א (haba) = die komt | לְמַלֵּ֨א (lemale) = om te vullen | יָד֜וֹ (yado) = zijn hand | בְּפַ֤ר (befar) = met een stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָר֙ (baqar) = rund | וְאֵילִ֣ם (veeilim) = en rammen | שִׁבְעָ֔ה (shiva) = zeven | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en hij werd | כֹהֵ֖ן (kohen) = priester | לְלֹ֥א (lelo) = voor wat niet is | אֱלֹהִֽים (Elohim) = goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֵּא יָדוֹ (mille yado), ‘zijn hand vullen’: dit betekent ‘inwijden’ (Exod. 29:9; Lev. 8:33). Volgens Abia kan bij Jerobeam iedereen priester worden die komt met een jonge stier en zeven rammen. Vergelijk 1 Kon. 12:31 en 13:33. Voetnoot : בְּנֵי אַהֲרֹן (bnei Aharon), ‘zonen van Aäron’: de priesters; de Levieten zijn de anderen uit de stam Levi. Voetnoot : הִדִּיחַ (hiddiach), ‘verjagen’: letterlijk ‘wegdrijven’. Zie 11:13–14. Voetnoot : לָלֹא אֱלֹהִים (lo Elohim), ‘wat geen goden zijn’: letterlijk ‘voor niet-goden’. Zie ook: Ex 29:9; Ex 29:35; Lev 8:2; Lev 8:33; 1 Kon 12:31; 1 Kon 13:33; 2 Kron 11:14–15; Jer 2:11; Gal 4:8 **13:10** Maar wij: Yahweh is onze Elohim, en wij hebben Hem niet verlaten. De priesters die Yahweh dienen zijn zonen van Aäron, en de Levieten zijn bij het werk. Brontekst: וַאֲנַ֛חְנוּ (vaanachnu) = en wij | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וְלֹ֣א (velo) = en niet | עֲזַבְנֻ֑הוּ (azavnuhu) = wij hebben verlaten Hem | וְכֹ֨הֲנִ֜ים (vekhohanim) = en priesters | מְשָׁרְתִ֤ים (mesharetim) = die dienen | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = Yahweh | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וְהַלְוִיִּ֖ם (vehalviyim) = en de Levieten | בַּמְלָֽאכֶת (bamlakhet) = bij het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier beschrijft Abia de dienst in Jeruzalem. In vers 11 worden de vaste onderdelen genoemd. Voetnoot : בַּמְּלָאכָה (bammelakhah), ‘bij het werk’: de Levieten verrichten de taken in het heiligdom. Het Hebreeuws zegt niet meer. Zie ook: Ex 19:5–6; Ex 29:1–37; Num 17:5; Num 18:1–7; 2 Kron 13:11; Zach 13:9 **13:11** Zij laten voor Yahweh brandoffers opgaan in rook, elke ochtend en elke avond, en welriekende wierook. Het toonbrood ligt op de zuivere tafel. De gouden kandelaar met zijn lampen laten zij elke avond branden. Want wij houden de wacht van Yahweh, onze Elohim. Maar jullie hebben Hem verlaten. Brontekst: וּמַקְטִרִ֣ים (umaqtirim) = en die laten opgaan in rook | לַיהוָ֡ה (laYahweh) = voor Yahweh | עֹל֣וֹת (olot) = brandoffers | בַּבֹּֽקֶר (baboqer) = in de ochtend | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = in de ochtend | וּבָעֶֽרֶב (uvaerev) = en in de avond | בָּעֶ֣רֶב (baerev) = in de avond | וּקְטֹֽרֶת (uqetoret) = en wierook van | סַמִּים֩ (samim) = specerijen | וּמַעֲרֶ֨כֶת (umaarekhet) = en rij van | לֶ֜חֶם (lechem) = brood | עַל (al) = op | הַשֻּׁלְחָ֣ן (hashulchan) = de tafel | הַטָּה֗וֹר (hatahor) = de zuivere | וּמְנוֹרַ֨ת (umenorat) = en kandelaar van | הַזָּהָ֤ב (hazahav) = het goud | וְנֵרֹתֶ֨יהָ֙ (veneroteiha) = en zijn lampen | לְבָעֵר֙ (levaer) = om te laten branden | בָּעֶ֣רֶב (baerev) = in de avond | בָּעֶ֔רֶב (baerev) = in de avond | כִּֽי (ki) = want | שֹׁמְרִ֣ים (shomerim) = bewakers | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֖רֶת (mishmeret) = wacht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | עֲזַבְתֶּ֥ם (azavtem) = hebben verlaten | אֹתֽוֹ (oto) = Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלוֹת (olot), ‘brandoffers’: elke ochtend en elke avond, zoals Exod. 29:38–42. De herhaling בַּבֹּקֶר בַּבֹּקֶר (baboqer baboqer), ‘in de ochtend, in de ochtend’, betekent ‘elke ochtend’. Voetnoot : קְטֹרֶת סַמִּים (qetoret sammim), ‘welriekende wierook’: Exod. 30:7. Voetnoot : מַעֲרֶכֶת לֶחֶם (ma’arekhet lechem), ‘rij van brood’: het toonbrood, in rijen op de zuivere tafel. Zie Lev. 24:5–9 en Exod. 25:30. Voetnoot : מְנוֹרַת הַזָּהָב (menorat hazzahav), ‘de gouden kandelaar’ met zijn lampen: Lev. 24:2–4. Voetnoot : מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: wat Yahweh te bewaken heeft opgedragen; zie Lev. 8:35 en Num. 3:7. Zie ook: Ex 25:30–39; Ex 27:20–21; Ex 29:38; Ex 30:7; Lev 8:35; Lev 24:2–9; Lev 24:5–9; Num 3:7; 2 Kron 2:3 **13:12** Zie, Elohim is met ons, aan het hoofd. Zijn priesters zijn er ook, en de trompetten voor het schallende signaal, om het signaal tegen jullie te blazen. Zonen van Israël, strijd niet tegen Yahweh, de Elohim van jullie vaderen, want het zal jullie niet lukken.” Brontekst: וְהִנֵּה֩ (vehine) = en zie | עִמָּ֨נוּ (imanu) = met ons | בָרֹ֜אשׁ (barosh) = aan het hoofd | הָאֱלֹהִ֧ים (haElohim) = de Elohim | וְכֹהֲנָ֛יו (vekhohanav) = en Zijn priesters | וַחֲצֹצְר֥וֹת (vachatsotserot) = en trompetten van | הַתְּרוּעָ֖ה (haterua) = het schallende signaal | לְהָרִ֣יעַ (leharia) = om te blazen | עֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = tegen jullie | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אַל (al) = niet | תִּלָּֽחֲמ֛וּ (tilachamu) = strijdt | עִם (im) = tegen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaderen | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | תַצְלִֽיחוּ (tatslichu) = jullie zult slagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּעָה (teru’ah), ‘schallend signaal’: de trompetten van Num. 10:9, bij oorlog. Zie ook Num. 10:8: de zonen van Aäron blazen op de trompetten. Voetnoot : אַל־תִּלָּחֲמוּ עִם־יְהוָה (al tillachamu im Yahweh), ‘strijd niet tegen Yahweh’: wie tegen Juda en zijn priesters strijdt, strijdt volgens Abia tegen Yahweh. Voetnoot : Het slot van Abia’s rede. De aanhalingstekens sluiten hier. Zie ook: Num 10:8–9; Num 10:9; Ps 20:8; Zach 10:5; Hand 5:39; Rom 8:31 ### De hinderlaag van Jerobeam **13:13** Jerobeam liet de hinderlaag omtrekken, zodat die van achteren op hen kwam. Zij zelf stonden voor Juda, en de hinderlaag was achter hen. Brontekst: וְיָֽרָבְעָ֗ם (veyaraveam) = en Jerobeam | הֵסֵב֙ (hesev) = liet omtrekken | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּאְרָ֔ב (hamarav) = de hinderlaag | לָב֖וֹא (lavo) = om te komen | מֵֽאַחֲרֵיהֶ֑ם (meachareihem) = van achter hen | וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en zij waren | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְהַמַּאְרָ֖ב (vehamarav) = en de hinderlaag | מֵאַחֲרֵיהֶֽם (meachareihem) = achter hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְאָרָב (hamma’arav), ‘de hinderlaag’: een deel van het leger van Jerobeam dat zich verborgen had gehouden. Het werd rond het leger van Juda geleid, zodat Juda van twee kanten werd omsingeld. Zie ook: Joz 8:4; Joz 8:9; Spr 21:30; 2 Kron 20:22; Jer 4:22 **13:14** Juda keerde zich om, en zie: de strijd kwam hun tegemoet van voren en van achteren. Zij riepen in nood tot Yahweh. De priesters bliezen op de trompetten. Brontekst: וַיִּפְנ֣וּ (vayifnu) = en zij keerden zich om | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de strijd | פָּנִ֣ים (panim) = voorkant | וְאָח֔וֹר (veachor) = en achterkant | וַֽיִּצְעֲק֖וּ (vayitsaqu) = en zij riepen in nood | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = tot Yahweh | וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים (vehakohanim) = en de priesters | מַחְצְרִ֖ים (machtserim) = bliezen | בַּחֲצֹצְרֽוֹת (bachatsotserot) = op de trompetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּצְעֲקוּ (wayyits’aqu), ‘zij riepen in nood’: het werkwoord hoort bij de noodkreet (za’aqah). Zie ook 14:10. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft מחצצרים (machatsetsrim), de voorgelezen tekst (qere) heeft מַחְצְרִים (machtsrim). Beide betekenen ‘zij die op de trompetten blazen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 14:10; Re 20:33–43; 2 Sam 10:8–14; Ps 91:5; 2 Kron 14:10 ### Elohim geeft de overwinning **13:15** De mannen van Juda hieven de krijgskreet aan. Toen de mannen van Juda de krijgskreet aanhieven, sloeg Elohim Jerobeam en heel Israël voor Abia en Juda. Brontekst: וַיָּרִ֖יעוּ (vayariu) = en zij hieven de krijgskreet aan | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בְּהָרִ֨יעַ֙ (beharia) = bij het aanheffen van de krijgskreet | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְהָאֱלֹהִ֗ים (vehaelohim) = en de Elohim | נָגַ֤ף (nagaf) = sloeg | אֶת (et) = (obj.) | יָֽרָבְעָם֙ (yaraveam) = Jerobeam | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | אֲבִיָּ֖ה (aviya) = Abia | וִיהוּדָֽה (vihuda) = en Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵרִיעַ (heri’a), ‘de krijgskreet aanheffen’: het werkwoord hoort bij תְּרוּעָה (teru’ah, vers 12). Bij de trompetten is het een ‘signaal’, bij mensen een krijgskreet. Voetnoot : נָגַף (nagaf), ‘slaan’: Elohim zelf slaat de vijand; zie ook 14:11. Zie ook: Re 7:18–22; Ps 47:2; Ps 47:6; 2 Kon 5:1; 2 Kron 13:12; 2 Kron 14:11 **13:16** De zonen van Israël vluchtten voor Juda. Elohim gaf hen in hun hand. Brontekst: וַיָּנ֥וּסוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | בְנֵי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיִּתְּנֵ֥ם (vayitenem) = en Hij gaf hen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּיָדָֽם (beyadam) = in hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 2:36; Joz 10:12; Joz 21:44; Re 1:4; 2 Kron 16:8 **13:17** Abia en zijn volk sloegen hen met een zware slag. Uit Israël vielen 500.000 uitgelezen mannen, gesneuveld. Brontekst: וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en zij sloegen | בָהֶ֛ם (bahem) = onder hen | אֲבִיָּ֥ה (aviya) = Abia | וְעַמּ֖וֹ (veamo) = en zijn volk | מַכָּ֣ה (maka) = slag | רַבָּ֑ה (raba) = groot | וַיִּפְּל֤וּ (vayipelu) = en zij vielen | חֲלָלִים֙ (chalalim) = gesneuvelden | מִיִּשְׂרָאֵ֔ל (miyisrael) = uit Israël | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִ֥ישׁ (ish) = man | בָּחֽוּר (bachur) = uitgelezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלָלִים (chalalim), ‘gesneuvelden’: doodgeslagenen in de strijd. Zie ook: 2 Kron 13:12; Jes 10:16–19; Jes 37:36; Nah 1:5; 1 Kor 10:22 **13:18** In die tijd werden de zonen van Israël onderworpen. De zonen van Juda werden sterk, want zij steunden op Yahweh, de Elohim van hun vaderen. Brontekst: וַיִּכָּנְע֥וּ (vayikaneu) = en zij werden onderworpen | בְנֵי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֑יא (hahi) = die | וַיֶּֽאֶמְצוּ֙ (vayeemtsu) = en zij werden sterk | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | כִּ֣י (ki) = want | נִשְׁעֲנ֔וּ (nishanu) = zij steunden | עַל (al) = op | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּכָּנְעוּ (wayyikkane’u), ‘zij werden onderworpen’: dezelfde stam van het werkwoord als in 12:6, 12:7 en 12:12, maar hier worden de zonen van Israël verslagen en onderworpen. Voetnoot : נִשְׁעֲנוּ עַל־יְהוָה (nish’anu al Yahweh), ‘zij steunden op Yahweh’: zie ook 14:10. Zie ook: 1 Kron 5:20; 2 Kon 18:5; 2 Kron 14:10; Nah 1:7; Dan 3:28 **13:19** Abia achtervolgde Jerobeam. Hij nam steden van hem in: Betel met de dorpen eromheen, Jesjana met de dorpen eromheen en Efraïn met de dorpen eromheen. Brontekst: וַיִּרְדֹּ֣ף (vayirdof) = en hij achtervolgde | אֲבִיָּה֮ (aviya) = Abia | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | יָרָבְעָם֒ (yaraveam) = Jerobeam | וַיִּלְכֹּ֤ד (vayilkod) = en hij nam in | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = van hem | עָרִ֔ים (arim) = steden | אֶת (et) = (obj.) | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵל֙ (el) = El | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֶ֔יהָ (benoteiha) = haar dochters | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְשָׁנָ֖ה (yeshana) = Jesjana | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֶ֑יהָ (benoteiha) = haar dochters | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֶפְרַ֖יִן (efrayin) = Efraïn | וּבְנֹתֶֽיהָ (uvenoteiha) = en haar dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel ligt bij Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Zie Jesjana (ligging onzeker): Jesjana lag ten noorden van Betel. Burj el-Isaneh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Zie Efraïn (ligging onzeker): Efraïn (in de geschreven tekst Efron) lag ten noordoosten van Betel. Et-Taiyibeh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Voetnoot : Jesjana (יְשָׁנָה) is een plaats in de buurt van Betel. De ligging is onzeker; sommigen zoeken haar bij Burj el-Isaneh, ten noorden van Betel. Efraïn ligt waarschijnlijk in dezelfde streek, bij et-Taiyibeh, ten noordoosten van Betel. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: בְּנוֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: de dorpen rondom een stad, die van haar afhangen; zie 1 Kron. 18:1. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft עֶפְרוֹן (Efron), de voorgelezen tekst (qere) heeft עֶפְרַיִן (Efrayin). Wij volgen de qere en schrijven ‘Efraïn’. Zie ook: Joz 10:19; Joz 10:39; Joz 11:12; Joz 15:9; 1 Kron 18:1; 2 Kron 15:8 **13:20** Jerobeam behield in de dagen van Abia geen kracht meer. Yahweh trof hem, en hij stierf. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | עָצַ֧ר (atsar) = hield vast | כֹּֽחַ (koach) = kracht van | יָרָבְעָ֛ם (yaraveam) = Jerobeam | ע֖וֹד (od) = meer | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | אֲבִיָּ֑הוּ (aviyahu) = Abia | וַיִּגְּפֵ֥הוּ (vayigefehu) = en Hij trof hem | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt de man die door Yahweh getroffen werd niet bij naam. Wij nemen aan dat het Jerobeam is, het onderwerp van de zin ervoor. In 1 Kon. 14:20 regeert Jerobeam 22 jaar; zijn dood kwam dus na de dagen van Abia. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier de langere vorm ‘Abijahu’ (אֲבִיָּהוּ); zie bij vers 1. Zie ook: 1 Sam 25:38; Ps 18:38–39; 1 Kon 14:20; 2 Kron 13:1; Ezech 24:16; Hand 12:23 **13:21** Abia werd sterk. Hij nam 14 vrouwen en verwekte 22 zonen en 16 dochters. Brontekst: וַיִּתְחַזֵּ֣ק (vayitchazeq) = en hij werd sterk | אֲבִיָּ֔הוּ (aviyahu) = Abia | וַיִּ֨שָּׂא (vayisa) = en hij nam | ל֔וֹ (lo) = voor zich | נָשִׁ֖ים (nashim) = vrouwen | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | עֶשְׂרֵ֑ה (esre) = tien | וַיּ֗וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וּשְׁנַ֨יִם֙ (ushenayim) = en twee | בָּנִ֔ים (banim) = zonen | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | בָּנֽוֹת (banot) = dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het aantal vrouwen en kinderen staat alleen hier. Het laat zien dat Abia sterk was. Vergelijk 11:21. Zie ook: Re 8:30–31; Re 9:5; Re 10:4; 2 Sam 5:12–13; 2 Kron 11:21 ### Het einde van Abia **13:22** De rest van de geschiedenis van Abia, zijn wegen en zijn woorden, staat geschreven in het geschrift van de profeet Iddo. Brontekst: וְיֶ֨תֶר֙ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de geschiedenis van | אֲבִיָּ֔ה (aviya) = Abia | וּדְרָכָ֖יו (uderakhav) = en zijn wegen | וּדְבָרָ֑יו (udevarav) = en zijn woorden | כְּתוּבִ֕ים (ketuvim) = geschreven | בְּמִדְרַ֖שׁ (bemidrash) = in het geschrift van | הַנָּבִ֥יא (hanavi) = de profeet | עִדּֽוֹ (ido) = Iddo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִדְרָשׁ (midrash), ‘geschrift’: letterlijk ‘onderzoek’ of ‘uitleg’. De profeet Iddo wordt ook in 12:15 genoemd. Koningen verwijst voor Abijam naar ‘het dagboek van de koningen van Juda’ (1 Kon. 15:7). De Kronieken verwijzen naar het geschrift van Iddo. Zie ook: 1 Kon 15:7; 2 Kron 9:29; 2 Kron 12:15; 2 Kron 24:27 **13:23** Abia ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem in de stad van David. Zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen had het land rust, tien jaar lang. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֨ב (vayishkav) = en hij ging liggen | אֲבִיָּ֜ה (aviya) = Abia | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֗יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקְבְּר֤וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֔יד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en hij werd koning | אָסָ֥א (asa) = Asa | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּ֑יו (tachtav) = in zijn plaats | בְּיָמָ֛יו (beyamav) = in zijn dagen | שָׁקְטָ֥ה (shaqeta) = had rust | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit is Hebr. 13:23. In de Nederlandse telling is dit 14:1; de Hebreeuwse verzen 14:1–14 zijn in de Nederlandse telling 14:2–15. Voetnoot : שָׁקְטָה הָאָרֶץ (shaqetah ha’arets), ‘het land had rust’: zo ook Richt. 3:30. Voetnoot : Dit vers komt overeen met 1 Kon. 15:8. Zie ook: Re 3:30; 1 Kron 3:10; 1 Kon 2:10; 1 Kon 14:31; 1 Kon 15:8–24; 2 Kron 9:31; Heb 13:23 ## 2 Kronieken 14 _Asa en de overwinning op Zerach_ ### Asa zuivert het land **14:1** Asa deed wat goed en juist was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij deed | אָסָא֙ (asa) = Asa | הַטּ֣וֹב (hatov) = het goede | וְהַיָּשָׁ֔ר (vehayashar) = en het juiste | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is Hebr. 14:1. In de Nederlandse telling is dit 14:2: het laatste vers van Hebr. hoofdstuk 13 is NL 14:1, en Hebr. 14:1–14 is NL 14:2–15. Voetnoot : Dit vers komt overeen met 1 Kon. 15:11. In Koningen staat alleen ‘wat juist was’; hier staat ‘wat goed en juist was’. Zie ook: 1 Kon 15:11; 1 Kon 15:14; 2 Kron 31:20; Luc 1:75; Heb 14:1 **14:2** Hij verwijderde de vreemde altaren en de hoogten. Hij brak de gewijde stenen stuk en hieuw de heilige palen om. Brontekst: וַיָּ֛סַר (vayasar) = en hij verwijderde | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבְּח֥וֹת (mizbechot) = altaren van | הַנֵּכָ֖ר (hanekhar) = de vreemde | וְהַבָּמ֑וֹת (vehabamot) = en de hoogten | וַיְשַׁבֵּר֙ (vayshaber) = en hij brak stuk | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּצֵּב֔וֹת (hamatsevot) = de gewijde stenen | וַיְגַדַּ֖ע (vaygada) = en hij hieuw om | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲשֵׁרִֽים (haasherim) = de heilige palen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. Voetnoot : מַצֵּבוֹת (matstsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij heiligdommen, zie Deut. 7:5 en 12:3. Voetnoot : אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij de hoogten, zie Richt. 6:25. Voetnoot : מִזְבְּחוֹת הַנֵּכָר (mizbechot hannekhar), ‘de vreemde altaren’: letterlijk ‘de altaren van het vreemde’, dat wil zeggen van vreemde goden. Voetnoot : Dit vers staat niet in Koningen; 1 Kon. 15:12–13 noemt andere hervormingen van Asa. Zie ook: Ex 34:13; Deut 7:5; Deut 12:3; Re 6:25; 1 Kon 15:12–14; 2 Kon 23:14; 2 Kron 15:17 **14:3** Hij zei tegen Juda dat zij Yahweh, de Elohim van hun vaderen, moesten zoeken en de wet en het gebod moesten uitvoeren. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לִֽיהוּדָ֔ה (lihuda) = tot Juda | לִדְר֕וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶ֑ם (avoteihem) = hun vaderen | וְלַעֲשׂ֖וֹת (velaasot) = en om uit te voeren | הַתּוֹרָ֥ה (hatora) = de wet | וְהַמִּצְוָֽה (vehamitsva) = en het gebod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderricht’. הַמִּצְוָה (hammitswah), ‘het gebod’: het Hebreeuws heeft hier een enkelvoud. Voetnoot : לַעֲשׂוֹת (la’asot), ‘uitvoeren’: letterlijk ‘doen’. Zie ook: Joz 24:15; Ps 101:2–8; 2 Kron 33:16; Neh 10:30–40; Neh 13:9 **14:4** Hij verwijderde uit alle steden van Juda de hoogten en de wierookaltaren. Het koninkrijk had rust onder hem. Brontekst: וַיָּ֨סַר֙ (vayasar) = en hij verwijderde | מִכָּל (mikal) = uit alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּמ֖וֹת (habamot) = de hoogten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽחַמָּנִ֑ים (hachamanim) = de wierookaltaren | וַתִּשְׁקֹ֥ט (vatishqot) = en had rust | הַמַּמְלָכָ֖ה (hamamlakha) = het koninkrijk | לְפָנָֽיו (lefanav) = onder hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het woord is niet helemaal zeker. Zie ook Lev. 26:30. Voetnoot : In 1 Kon. 15:14 staat dat de hoogten niet verdwenen. Hier verwijdert Asa ze uit de steden van Juda (vers 2 en 4). Wij laten beide zoals ze staan. Zie ook: Lev 26:30; 1 Kon 15:14; 2 Kron 14:2; 2 Kron 34:4; 2 Kron 34:7 ### Asa bouwt vestingsteden **14:5** Hij bouwde vestingsteden in Juda, want het land had rust. In die jaren was er geen oorlog tegen hem, want Yahweh had hem rust gegeven. Brontekst: וַיִּ֛בֶן (vayiven) = en hij bouwde | עָרֵ֥י (arei) = steden van | מְצוּרָ֖ה (metsura) = vesting | בִּיהוּדָ֑ה (bihuda) = in Juda | כִּֽי (ki) = want | שָׁקְטָ֣ה (shaqeta) = had rust | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | וְאֵין (veein) = en niet was er | עִמּ֤וֹ (imo) = bij hem | מִלְחָמָה֙ (milchama) = oorlog | בַּשָּׁנִ֣ים (bashanim) = in jaren | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | כִּֽי (ki) = want | הֵנִ֥יחַ (heniach) = gaf rust | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵי מְצוּרָה (arei metsurah), ‘vestingsteden’: zie 11:5. Voetnoot : הֵנִיחַ (heni’ach), ‘rust geven’: Yahweh zelf geeft rust. Vergelijk 13:23: ‘het land had rust’. Zie ook: Re 5:31; 1 Kron 22:9; Ps 46:10; 1 Kon 5:18; 2 Kron 15:15 **14:6** Hij zei tegen Juda: „Laten wij deze steden bouwen. Laten wij er muren omheen zetten, met torens, deuren en grendels, zolang het land nog voor ons ligt. Want wij hebben Yahweh, onze Elohim, gezocht. Wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom rust gegeven.” Zo bouwden zij, en het lukte hun. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | לִֽיהוּדָ֜ה (lihuda) = tot Juda | נִבְנֶ֣ה (nivne) = laten wij bouwen | אֶת (et) = (obj.) | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | וְנָסֵ֨ב (venasev) = en laten wij omringen | חוֹמָ֣ה (choma) = muur | וּמִגְדָּלִים֮ (umigdalim) = en torens | דְּלָתַ֣יִם (delatayim) = deuren | וּבְרִיחִים֒ (uverichim) = en grendels | עוֹדֶ֨נּוּ (odenu) = nog | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | לְפָנֵ֗ינוּ (lefaneinu) = voor ons | כִּ֤י (ki) = want | דָרַ֨שְׁנוּ֙ (darashnu) = wij hebben gezocht | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | דָּרַ֕שְׁנוּ (darashnu) = wij hebben gezocht | וַיָּ֥נַֽח (vayanach) = en Hij gaf rust | לָ֖נוּ (lanu) = aan ons | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = rondom | וַיִּבְנ֖וּ (vayivnu) = en zij bouwden | וַיַּצְלִֽיחוּ (vayatslichu) = en het lukte hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּלָתַיִם (delatayim), ‘deuren’: de dubbele deuren of poorten. בְּרִיחִים (berichim), ‘grendels’: balken om de poort te sluiten. Voetnoot : עוֹדֶנּוּ הָאָרֶץ לְפָנֵינוּ (odennu ha’arets lefaneinu), ‘het land is nog voor ons’: het land is nog open voor ons; er is nog geen vijand. Dit is de tijd om te bouwen. Zie ook: 1 Kron 28:9; 2 Kron 14:5; Jer 29:12–14; Joh 12:35–36; 1 Petr 3:12 ### Het leger van Asa **14:7** Asa had een leger dat een groot schild en een speer droeg: 300.000 man uit Juda. Uit Benjamin had hij 280.000 man die een klein schild droegen en de boog spanden. Zij allen waren dappere krijgers. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | לְאָסָ֗א (leasa) = aan Asa | חַיִל֮ (chayil) = leger | נֹשֵׂ֣א (nose) = dragend | צִנָּ֣ה (tsina) = groot schild | וָרֹמַח֒ (varomach) = en speer | מִֽיהוּדָה֙ (mihuda) = uit Juda | שְׁלֹ֣שׁ (shelosh) = drie | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וּמִבִּנְיָמִ֗ן (umibinyamin) = en uit Benjamin | נֹשְׂאֵ֤י (noseei) = dragers van | מָגֵן֙ (magen) = klein schild | וְדֹ֣רְכֵי (vedorekhei) = en spanners van | קֶ֔שֶׁת (qeshet) = boog | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | וּשְׁמוֹנִ֖ים (ushemonim) = en tachtig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | כָּל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | גִּבּ֥וֹרֵי (giborei) = helden van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Voetnoot Uitleg: צִנָּה (tsinnah), ‘groot schild’, en מָגֵן (magen), ‘klein schild’: zie 1 Kon. 10:16–17 en 2 Kron. 11:12. De mannen van Juda dragen het grote schild en een speer, die van Benjamin het kleine schild en de boog. Voetnoot : דֹּרְכֵי קֶשֶׁת (dorekhei qeshet), ‘boogspanners’: boogschutters. Voetnoot : גִּבּוֹרֵי חַיִל (gibborei chayil), ‘dappere krijgers’. Zie ook: 1 Kon 10:16–17; 2 Kron 11:1; 2 Kron 11:12; 2 Kron 13:3; 2 Kron 17:14–19; 2 Kron 25:5 ### Zerach, de Kushiet, trekt op **14:8** Zerach, de Kushiet, trok tegen hen op met een leger van 1.000.000 man en 300 strijdwagens. Hij kwam tot Maresa. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en hij trok uit | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | זֶ֣רַח (zerach) = Zerach | הַכּוּשִׁ֗י (hakushi) = de Kushiet | בְּחַ֨יִל֙ (bechayil) = met een leger van | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וּמַרְכָּב֖וֹת (umarkavot) = en strijdwagens | שְׁלֹ֣שׁ (shelosh) = drie | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | עַד (ad) = tot | מָרֵשָֽׁה (maresha) = Maresa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Maresa ligt bij Tel Maresja, naast Bet-Gubrin, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël). Dat is waarschijnlijk. Zie ook 11:8. Voetnoot Uitleg: אֶלֶף אֲלָפִים (elef alafim), ‘duizend duizenden’: dat is 1.000.000. Het Hebreeuws noemt geen eenheid; ‘man’ vullen wij aan. Wij vertalen het getal letterlijk. Voetnoot : זֶרַח הַכּוּשִׁי (Zerach hakkushi), ‘Zerach, de Kushiet’: Kush ligt ten zuiden van Egypte. Wie Zerach was, is onzeker. Het Hebreeuws noemt hem geen koning. Zie ook: Joz 15:44; 2 Kron 11:8; 2 Kron 12:2–3; 2 Kron 16:8; Mi 1:15 **14:9** Asa trok hem tegemoet. Zij stelden zich in slagorde op in het dal Zefata, bij Maresa. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij trok uit | אָסָ֖א (asa) = Asa | לְפָנָ֑יו (lefanav) = tegemoet hem | וַיַּֽעַרְכוּ֙ (vayaarkhu) = en zij stelden op | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = slagorde | בְּגֵ֥יא (begei) = in het dal van | צְפַ֖תָה (tsefata) = Zefata | לְמָרֵשָֽׁה (lemaresha) = bij Maresa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal Zefata (צְפָתָה, Tsefatah) bij Maresa: de ligging is onzeker. Het ligt waarschijnlijk in de vlakte ten zuiden of ten westen van Tel Maresja (Israël). Zie Dal Zefata (ligging onzeker): Het dal Zefata lag bij Maresa, waarschijnlijk in de vlakte ten zuiden of ten westen van Tel Maresja. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen deze plaatsaanduiding anders. Wij volgen de Masoretische tekst en schrijven de naam van het dal als ‘Zefata’. Zie ook: Joz 19:4; Re 1:17 ### Het gebed van Asa **14:10** Asa riep tot Yahweh, zijn Elohim. Hij zei: „Yahweh, voor U maakt het geen verschil om te helpen, tussen wie machtig is en wie geen kracht heeft. Help ons, Yahweh, onze Elohim. Want wij steunen op U, en in Uw naam zijn wij gekomen tegen deze menigte. Yahweh, onze Elohim, U bent het: laat geen sterfelijk mens tegen U standhouden.” Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | אָסָ֜א (asa) = Asa | אֶל (el) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָיו֮ (elohav) = zijn Elohim | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en hij zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֵֽין (ein) = niet is | עִמְּךָ֤ (imekha) = bij U | לַעְזוֹר֙ (lazor) = om te helpen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | רַב֙ (rav) = machtig | לְאֵ֣ין (leein) = en wie geen | כֹּ֔חַ (koach) = kracht | עָזְרֵ֜נוּ (azerenu) = help ons | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | כִּֽי (ki) = want | עָלֶ֣יךָ (aleikha) = op U | נִשְׁעַ֔נּוּ (nishanu) = wij steunen | וּבְשִׁמְךָ֣ (uveshimkha) = en in Uw naam | בָ֔אנוּ (banu) = wij zijn gekomen | עַל (al) = tegen | הֶהָמ֖וֹן (hehamon) = de menigte | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | אַ֔תָּה (ata) = U | אַל (al) = laat niet | יַעְצֹ֥ר (yatsor) = standhouden | עִמְּךָ֖ (imekha) = tegen U | אֱנֽוֹשׁ (enosh) = sterfelijk mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gebed is proza met een gebedsformule. Wij verdelen het niet in regels. Voetnoot : אַתָּה (attah), ‘U’: het voornaamwoord staat apart en nadrukkelijk. אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterfelijk mens’: de mens in zijn zwakheid. Voetnoot : נִשְׁעַנּוּ (nish’anu), ‘wij steunen’: letterlijk ‘wij leunen’. Zie ook 13:18. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is kort en moeilijk: ‘niet is bij U om te helpen tussen veel en zonder kracht’. Wij lezen: voor Yahweh maakt het geen verschil of Hij een machtige of een krachteloze helpt. Een andere lezing is: ‘niemand dan U kan helpen, tussen de machtige en de krachteloze’. Zie ook: Ps 20:8; Ps 22:6; Jer 1:19; 2 Kor 12:9–10; Rom 8:31 ### Yahweh slaat de Kushieten **14:11** Yahweh sloeg de Kushieten voor Asa en voor Juda. De Kushieten vluchtten. Brontekst: וַיִּגֹּ֤ף (vayigof) = en Hij sloeg | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַכּוּשִׁ֔ים (hakushim) = de Kushieten | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | אָסָ֖א (asa) = Asa | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיָּנֻ֖סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | הַכּוּשִֽׁים (hakushim) = de Kushieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגַף (nagaf), ‘slaan’: Yahweh zelf slaat de vijand; zie ook 13:15. Zie ook: Ps 60:14; Ps 136:17–18; 2 Kron 13:15; 1 Kor 9:26; 1 Kor 15:57 **14:12** Asa en het volk dat met hem was, achtervolgden hen tot Gerar. De Kushieten vielen, zodat er voor hen geen herstel meer was. Want zij werden verpletterd voor het aangezicht van Yahweh en voor Zijn leger. Zij droegen zeer veel buit weg. Brontekst: וַיִּרְדְּפֵ֨ם (vayirdefem) = en hij achtervolgde hen | אָסָ֜א (asa) = Asa | וְהָעָ֣ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | עִמּוֹ֮ (imo) = met hem | עַד (ad) = tot | לִגְרָר֒ (ligrar) = Gerar | וַיִּפֹּ֤ל (vayipol) = en er viel | מִכּוּשִׁים֙ (mikushim) = van de Kushieten | לְאֵ֣ין (leein) = zodat niet is | לָהֶ֣ם (lahem) = voor hen | מִֽחְיָ֔ה (michya) = herstel | כִּֽי (ki) = want | נִשְׁבְּר֥וּ (nishberu) = zij werden verpletterd | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor | מַחֲנֵ֑הוּ (machanehu) = Zijn leger | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en zij droegen weg | שָׁלָ֖ל (shalal) = buit | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = veel | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gerar ligt in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Uitleg: מִחְיָה (michyah), ‘herstel’: letterlijk ‘levensonderhoud’ of ‘het in leven blijven’. Er bleef niemand over die de strijd kon voortzetten. Voetnoot : מַחֲנֵהוּ (machanehu), ‘Zijn leger’: letterlijk ‘zijn kamp’. Het kan Yahweh zijn, of Asa. Wij lezen: het leger van Yahweh, omdat Yahweh de vijand slaat (vers 11). Zie ook: Gen 10:19; Gen 20:1; Gen 26:1; 1 Kron 12:23; 2 Kron 14:11; 2 Kron 14:13 **14:13** Zij sloegen alle steden rondom Gerar, want de schrik van Yahweh was over hen gekomen. Zij plunderden al die steden, want er was veel buit in. Brontekst: וַיַּכּ֗וּ (vayaku) = en zij sloegen | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הֶֽעָרִים֙ (hearim) = de steden | סְבִיב֣וֹת (sevivot) = rondom | גְּרָ֔ר (gerar) = Gerar | כִּי (ki) = want | הָיָ֥ה (haya) = was | פַֽחַד (pachad) = schrik van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | וַיָּבֹ֨זּוּ֙ (vayavozu) = en zij plunderden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הֶ֣עָרִ֔ים (hearim) = de steden | כִּֽי (ki) = want | בִזָּ֥ה (biza) = plundering | רַבָּ֖ה (raba) = groot | הָיְתָ֥ה (hayeta) = was | בָהֶֽם (bahem) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Voetnoot Uitleg: פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘de schrik van Yahweh’: een schrik die Yahweh zelf over mensen brengt. Zie ook Gen. 35:5. Zie ook: Gen 35:5; 1 Sam 14:15; 2 Kron 17:10; 2 Kron 20:29; Jes 33:23 **14:14** Ook de tenten van het vee sloegen zij neer. Zij voerden kleinvee weg in grote aantallen, en kamelen. Daarna keerden zij terug naar Jeruzalem. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אָהֳלֵ֥י (aholei) = tenten van | מִקְנֶ֖ה (miqne) = vee | הִכּ֑וּ (hiku) = zij sloegen | וַיִּשְׁבּ֨וּ (vayishbu) = en zij voerden weg | צֹ֤אן (tson) = kleinvee | לָרֹב֙ (larov) = in menigte | וּגְמַלִּ֔ים (ugemalim) = en kamelen | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אָהֳלֵי מִקְנֶה (aholei miqneh), ‘tenten van het vee’: de tenten van de veehouders. Het Hebreeuws heeft hier ‘vee’. Voetnoot : וַיִּשְׁבּוּ (wayyishbu), ‘zij voerden weg’: het werkwoord שָׁבָה (shavah) betekent ‘gevangen nemen’ of ‘wegvoeren’. In het laatste woord van dit vers staat וַיָּשֻׁבוּ (wayyashuvu), ‘zij keerden terug’ van שׁוּב (shuv). Voetnoot : Het hoofdstuk eindigt hier met Hebr. 14:14, in de Nederlandse telling 14:15. Zie ook: Num 31:9; Num 31:30–47; 1 Sam 30:20; 1 Kron 4:41; 1 Kron 5:21; Heb 14:14 ## 2 Kronieken 15 _De boodschap van Azarja en de hervorming van Asa_ ### Azarja spreekt tot Asa **15:1** De Geest van Elohim kwam over Azarja, de zoon van Oded. Brontekst: וַעֲזַרְיָ֨הוּ֙ (vaazaryahu) = en Azarja | בֶּן (ben) = zoon van | עוֹדֵ֔ד (oded) = Oded | הָיְתָ֥ה (hayeta) = kwam | עָלָ֖יו (alav) = over hem | ר֥וּחַ (ruach) = Geest van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ אֱלֹהִים (ruach Elohim), ‘Geest van Elohim’: de Geest van Elohim komt over iemand om te spreken, zoals ook in 1 Sam. 10:10. Voetnoot : עוֹדֵד (Oded), ‘Oded’: de naam staat zo in de tekst, ook in vers 8. Azarja is de zoon van Oded. Zie ook: Num 24:2; Re 3:10; 1 Sam 10:10; 2 Kron 15:8; 2 Kron 20:14; 2 Kron 24:20; 2 Petr 1:21 **15:2** Hij ging Asa tegemoet en zei tegen hem: „Luister naar mij, Asa en heel Juda en Benjamin! Yahweh is met jullie, zolang jullie met Hem zijn. Als jullie Hem zoeken, laat Hij Zich door jullie vinden. Maar als jullie Hem verlaten, verlaat Hij jullie. Brontekst: וַיֵּצֵא֮ (vayetse) = en ging uit | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | אָסָא֒ (asa) = Asa | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | שְׁמָע֕וּנִי (shemauni) = luister naar mij | אָסָ֖א (asa) = Asa | וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֑ן (uvinyamin) = en Benjamin | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶם֙ (imakhem) = is met jullie | בִּֽהְיֽוֹתְכֶ֣ם (bihyotekhem) = in jullie zijn | עִמּ֔וֹ (imo) = met Hem | וְאִֽם (veim) = en als | תִּדְרְשֻׁ֨הוּ֙ (tidreshuhu) = jullie Hem zoeken | יִמָּצֵ֣א (yimatse) = Hij laat Zich vinden | לָכֶ֔ם (lakhem) = door jullie | וְאִם (veim) = en als | תַּעַזְבֻ֖הוּ (taazvuhu) = jullie Hem verlaten | יַעֲזֹ֥ב (yaazov) = Hij verlaat | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Azarja is een profeet. Hij spreekt over Yahweh, maar Yahweh spreekt hier niet zelf. Zijn woorden staan daarom in zwart. Voetnoot : דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken’: Yahweh zoeken is Hem raadplegen en Hem dienen. Het woord keert terug in de verzen 4, 12, 13 en 15. Zie ook: 1 Kron 28:9; 2 Kron 15:4; 2 Kron 24:20; Jer 29:12–14; Jak 4:8 **15:3** Lange tijd was Israël zonder Elohim van waarheid, zonder priester die onderwees en zonder wet. Brontekst: וְיָמִ֥ים (veyamim) = en dagen | רַבִּ֖ים (rabim) = veel | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = voor Israël | לְלֹ֣א (lelo) = zonder | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אֱמֶ֗ת (emet) = waarheid | וּלְלֹ֛א (ulelo) = en zonder | כֹּהֵ֥ן (kohen) = priester | מוֹרֶ֖ה (more) = onderwijzend | וּלְלֹ֥א (ulelo) = en zonder | תוֹרָֽה (tora) = wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: wij vertalen ‘Elohim van waarheid’, letterlijk. Het gaat om de enige Elohim die trouw en betrouwbaar is. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijs en voorschrift van Yahweh. Zie Deut. 17:18. Voetnoot : יָמִים רַבִּים (yamim rabbim), ‘veel dagen’: de tekst zegt niet welke tijd bedoeld is. Wij vertalen ‘lange tijd’ en voegen niets toe. Zie ook: Lev 10:11; Deut 17:18; 2 Kron 17:8–9; Hos 3:4; Jer 10:10; Neh 8:9 **15:4** Maar in hun nood keerden zij terug tot Yahweh, de Elohim van Israël. Zij zochten Hem en Hij liet Zich door hen vinden. Brontekst: וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en keerde terug | בַּצַּר (batsar) = in nood | ל֔וֹ (lo) = voor hem | עַל (al) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיְבַקְשֻׁ֖הוּ (vayvaqshuhu) = en zij zochten Hem | וַיִּמָּצֵ֥א (vayimatse) = en Hij liet Zich vinden | לָהֶֽם (lahem) = door hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּצַּר־לוֹ (batsar lo), ‘in zijn nood’: het Hebreeuws heeft hier het enkelvoud, ‘in zijn nood’; Israël als geheel. Wij schrijven ‘in hun nood’, omdat de zin daarna in het meervoud doorgaat. Zie ook: Deut 4:29–30; 2 Kron 15:15; Hos 6:1; Jes 55:6; Jes 65:1–2 **15:5** In die tijden was er geen vrede voor wie uitging en voor wie binnenkwam. Want er was veel verwarring onder alle inwoners van de landen. Brontekst: וּבָעִתִּ֣ים (uvaitim) = en in tijden | הָהֵ֔ם (hahem) = die | אֵ֥ין (ein) = niet is | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | לַיּוֹצֵ֣א (layotse) = voor de uitgaande | וְלַבָּ֑א (velaba) = en voor de inkomende | כִּ֚י (ki) = want | מְהוּמֹ֣ת (mehumot) = verwarring van | רַבּ֔וֹת (rabot) = grote | עַ֥ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | יוֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = inwoners van | הָאֲרָצֽוֹת (haaratsot) = de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְהוּמֹת (mehumot), ‘verwarring’: onrust en paniek. Het woord hangt samen met הֲמָמָם (hammam), ‘bracht in verwarring’ in vers 6. Wij gebruiken daarom beide keren ‘verwarring’. Zie ook: Re 5:6; 1 Sam 13:6; Ps 121:8; 2 Kron 15:6; Mat 24:6–7; Luc 21:25 **15:6** Het ene volk werd door het andere volk verbrijzeld en de ene stad door de andere, want Elohim bracht hen in verwarring met allerlei benauwdheid. Brontekst: וְכֻתְּת֥וּ (vekhutetu) = en zij werden verbrijzeld | גוֹי (goy) = volk | בְּג֖וֹי (begoy) = door volk | וְעִ֣יר (veir) = en stad | בְּעִ֑יר (beir) = door stad | כִּֽי (ki) = want | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | הֲמָמָ֖ם (hamamam) = bracht in verwarring hen | בְּכָל (bekhal) = met allerlei | צָרָֽה (tsara) = benauwdheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 2:14; 2 Kron 13:17; Mar 13:8; Luc 21:9–10; Luc 21:22–24 **15:7** Maar jullie, wees sterk! Laat jullie handen niet slap worden, want er is loon voor jullie werk.” Brontekst: וְאַתֶּ֣ם (veatem) = en jullie | חִזְק֔וּ (chizqu) = wees sterk | וְאַל (veal) = en niet | יִרְפּ֖וּ (yirpu) = laat verslappen | יְדֵיכֶ֑ם (yedeikhem) = jullie handen | כִּ֛י (ki) = want | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | שָׂכָ֖ר (sakhar) = loon | לִפְעֻלַּתְכֶֽם (lifulatkhem) = voor jullie werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De toespraak van Azarja eindigt hier. Het begint in vers 2. Zie ook: Joz 1:7; Joz 1:9; 1 Kron 28:20; 2 Kron 15:2; 1 Kor 15:58; Heb 10:35 ### Asa vernieuwt de dienst **15:8** Toen Asa deze woorden en de profetie van Oded, de profeet, hoorde, vatte hij moed. Hij verwijderde de gruwelbeelden uit heel het land van Juda en Benjamin en uit de steden die hij had veroverd in het bergland van Efraïm. Hij vernieuwde het altaar van Yahweh dat voor de voorhal van Yahweh stond. Brontekst: וְכִשְׁמֹ֨עַ (vekhishmoa) = en bij het horen van | אָסָ֜א (asa) = Asa | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | וְהַנְּבוּאָה֮ (vehanevua) = en de profetie van | עֹדֵ֣ד (oded) = Oded | הַנָּבִיא֒ (hanavi) = de profeet | הִתְחַזַּ֗ק (hitchazaq) = vatte moed | וַיַּעֲבֵ֤ר (vayaaver) = en verwijderde | הַשִּׁקּוּצִים֙ (hashiqutsim) = de gruwelbeelden | מִכָּל (mikal) = uit heel | אֶ֤רֶץ (erets) = land van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | וּמִן (umin) = en uit | הֶ֣עָרִ֔ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לָכַ֖ד (lakhad) = hij had veroverd | מֵהַ֣ר (mehar) = uit het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיְחַדֵּשׁ֙ (vaychadesh) = en vernieuwde | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֕ר (asher) = dat | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אוּלָ֥ם (ulam) = voorhal van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: Het bergland van Efraïm is het gebergte ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever. De steden die Asa had veroverd, liggen daar; zie 2 Kron. 17:2. Voetnoot : שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’: afgoden waarvoor Yahweh walgt. Zo staat het ook in Deut. 29:16. Voetnoot : אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: het portaal van de tempel. De tekst zegt ‘voorhal van Yahweh’; wij vertalen letterlijk. Zie 1 Kon. 6:3. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘de profetie van Oded, de profeet’. In vers 1 is Azarja de zoon van Oded en dus degene die spreekt. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘de profetie van Azarja, de zoon van Oded, de profeet’. Wij volgen de Masoretische tekst, zoals hij er staat. Zie ook: Deut 29:16; 1 Kon 6:3; 1 Kon 11:5; 2 Kron 4:1; 2 Kron 8:12; 2 Kron 13:19; 2 Kron 15:1; 2 Kron 17:2; 1 Petr 4:3 **15:9** Hij verzamelde heel Juda en Benjamin en de vreemdelingen die bij hen woonden, uit Efraïm, Manasse en Simeon. Want uit Israël waren er velen naar hem overgelopen, toen zij zagen dat Yahweh, zijn Elohim, met hem was. Brontekst: וַיִּקְבֹּ֗ץ (vayiqbots) = en verzamelde | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | וְהַגָּרִים֙ (vehagarim) = en de vreemdelingen | עִמָּהֶ֔ם (imahem) = bij hen | מֵאֶפְרַ֥יִם (meefrayim) = uit Efraïm | וּמְנַשֶּׁ֖ה (umenashe) = en Manasse | וּמִשִּׁמְע֑וֹן (umishimon) = en uit Simeon | כִּֽי (ki) = want | נָפְל֨וּ (nafelu) = zij vielen | עָלָ֤יו (alav) = naar hem | מִיִּשְׂרָאֵל֙ (miyisrael) = uit Israël | לָרֹ֔ב (larov) = in menigte | בִּרְאֹתָ֕ם (birotam) = bij hun zien | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֖יו (elohav) = zijn Elohim | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרִים (gerim), ‘vreemdelingen’: mensen uit andere stammen die in Juda wonen. Zie ook Lev. 19:34. Voetnoot : נָפְלוּ עָלָיו (nafelu alav), ‘zij vielen naar hem’: zij liepen over naar Asa, omdat zij zagen dat Yahweh met hem was. Zie ook: Gen 39:3; Lev 19:34; 2 Kron 11:16; 2 Kron 30:1–11; Zach 8:21–23; Hand 9:31 ### Het verbond in Jeruzalem **15:10** Zij kwamen bijeen in Jeruzalem in de derde maand van het vijftiende jaar van de regering van Asa. Brontekst: וַיִּקָּבְצ֥וּ (vayiqavetsu) = en zij kwamen bijeen | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = de derde | לִשְׁנַ֥ת (lishnat) = in het jaar van | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | לְמַלְכ֥וּת (lemalkhut) = van de regering van | אָסָֽא (asa) = Asa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De derde maand is de maand Sivan (mei–juni). Wij rekenen de jaren van Asa niet na; zie ook vers 19. Zie ook: 2 Kron 15:19; Est 8:9 **15:11** Op die dag offerden zij aan Yahweh van de buit die zij hadden meegebracht: 700 runderen en 7000 stuks kleinvee. Brontekst: וַיִּזְבְּח֤וּ (vayizbechu) = en zij offerden | לַיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | מִן (min) = van | הַשָּׁלָ֖ל (hashalal) = de buit | הֵבִ֑יאוּ (heviu) = zij hadden gebracht | בָּקָר֙ (baqar) = runderen | שְׁבַ֣ע (sheva) = zeven | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | וְצֹ֖אן (vetson) = en kleinvee | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | אֲלָפִֽים (alafim) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָבַח (zavach), ‘offeren’: dieren slachten en offeren. De buit komt uit de strijd tegen Zerach, de Kushiet (2 Kron. 14:8–14). Voetnoot : Het getal 700 en 7000 staat letterlijk in de tekst. Zie ook: Num 31:28–29; 1 Sam 15:15; 1 Kron 26:26–27; 2 Kron 1:6; 2 Kron 14:8–14; 2 Kron 14:12–14 **15:12** Zij gingen een verbond aan om Yahweh, de Elohim van hun vaderen, te zoeken met heel hun hart en met heel hun ziel. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij gingen | בַבְּרִ֔ית (baberit) = in verbond | לִדְר֕וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶ֑ם (avoteihem) = hun vaderen | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָבָ֖ם (levavam) = hun hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשָֽׁם (nafsham) = hun ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de ziel is hier het hele innerlijke leven van een mens, de kern van wie hij is. ‘Met heel je hart en met heel je ziel’ staat ook in Deut. 6:5. Zie ook: Deut 6:5; Deut 10:12; Deut 28:69; 2 Kron 23:16; 2 Kron 29:10; Hand 24:14 **15:13** Ieder die Yahweh, de Elohim van Israël, niet zou zoeken, moest gedood worden, van klein tot groot, van man tot vrouw. Brontekst: וְכֹ֨ל (vekhol) = en ieder | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יִדְרֹ֛שׁ (yidrosh) = zou zoeken | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יוּמָ֑ת (yumat) = moet gedood worden | לְמִן (lemin) = van | קָטֹן֙ (qaton) = klein | וְעַד (vead) = en tot | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | לְמֵאִ֖ישׁ (lemeish) = van man | וְעַד (vead) = en tot | אִשָּֽׁה (isha) = vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit lijkt op de wet voor wie andere goden dient (Deut. 13:7–12 en 17:2–7). Zie ook Exod. 22:19. Hier staat de dood op het niet zoeken van Yahweh. Zie ook: Ex 22:19; Deut 13:6–16; Deut 13:7–12; Deut 17:2; Deut 29:17; Ps 115:13; 1 Kon 18:40 **15:14** Zij zwoeren een eed aan Yahweh, met luide stem, met gejuich, met trompetten en met ramshoorns. Brontekst: וַיִּשָּֽׁבְעוּ֙ (vayishaveu) = en zij zwoeren | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | בְּק֥וֹל (beqol) = met stem | גָּד֖וֹל (gadol) = luid | וּבִתְרוּעָ֑ה (uvitrua) = en met gejuich | וּבַחֲצֹצְר֖וֹת (uvachatsotserot) = en met trompetten | וּבְשׁוֹפָרֽוֹת (uveshofarot) = en met ramshoorns Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn van een ram die men blaast. Zie 1 Kron. 15:28. Zie ook: 1 Kron 15:28; Ps 81:2–5; Neh 5:13; Neh 10:30 **15:15** Heel Juda was blij over de eed, want zij hadden met heel hun hart gezworen en met hun volle wil Hem gezocht. Hij liet Zich door hen vinden. Yahweh gaf hun rust rondom. Brontekst: וַיִּשְׂמְח֨וּ (vayismechu) = en waren blij | כָל (kal) = heel | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | עַל (al) = over | הַשְּׁבוּעָ֗ה (hashevua) = de eed | כִּ֤י (ki) = want | בְכָל (bekhal) = met heel | לְבָבָם֙ (levavam) = hun hart | נִשְׁבָּ֔עוּ (nishbau) = zij hadden gezworen | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | רְצוֹנָ֣ם (retsonam) = hun wil | בִּקְשֻׁ֔הוּ (biqshuhu) = zij zochten Hem | וַיִּמָּצֵ֖א (vayimatse) = en Hij liet Zich vinden | לָהֶ֑ם (lahem) = door hen | וַיָּ֧נַח (vayanach) = en gaf rust | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְצוֹנָם (retsonam), ‘hun wil’: zij zochten Hem uit eigen wil, met hun volle instemming. Zie ook vers 2, 4 en 12. Zie ook: Ps 119:111; 2 Kron 14:6; 2 Kron 15:2; 2 Kron 15:4; 2 Kron 15:12; Jes 26:8; 2 Kor 1:12 ### Asa zet zijn moeder af **15:16** Ook Maächa, de moeder van koning Asa, zette hij af als koninginmoeder, omdat zij een gruwelbeeld voor de heilige paal had gemaakt. Asa hakte haar gruwelbeeld om, vergruisde het en verbrandde het in de beek Kidron. Brontekst: וְגַֽם (vegam) = en ook | מַעֲכָ֞ה (maakha) = Maächa | אֵ֣ם (em) = moeder van | אָסָ֣א (asa) = Asa | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | הֱסִירָהּ֙ (hesirah) = zette hij af | מִגְּבִירָ֔ה (migevira) = van gebiedster zijn | אֲשֶׁר (asher) = omdat | עָשְׂתָ֥ה (aseta) = zij had gemaakt | לַאֲשֵׁרָ֖ה (laashera) = voor de heilige paal | מִפְלָ֑צֶת (miflatset) = een gruwelbeeld | וַיִּכְרֹ֤ת (vayikhrot) = en hakte om | אָסָא֙ (asa) = Asa | אֶת (et) = (obj.) | מִפְלַצְתָּ֔הּ (miflatstah) = haar gruwelbeeld | וַיָּ֕דֶק (vayadeq) = en vergruisde | וַיִּשְׂרֹ֖ף (vayisrof) = en verbrandde | בְּנַ֥חַל (benachal) = in de beek | קִדְרֽוֹן (qidron) = Kidron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Voetnoot Uitleg: De beek Kidron is het dal ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Het ligt in het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot : אֲשֵׁרָה (asjerah), ‘heilige paal’: een houten paal of een heilige boom bij een heiligdom. Het woord is ook de naam van een godin, Asjera. In 1 Kon. 15:13 staat hetzelfde verhaal met hetzelfde woord, ‘heilige paal’. Voetnoot : מִפְלֶצֶת (miflezet), ‘gruwelbeeld’: een afschuwelijk beeld. De betekenis is niet helemaal zeker. In vers 8 staat een ander woord, שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’. Voetnoot : גְּבִירָה (gevirah), ‘koninginmoeder’: de moeder van de koning, met een eigen plaats aan het hof. Voetnoot : מַעֲכָה (Maächa): in 1 Kon. 15:13 heet zij ook de moeder van Asa. In 1 Kon. 15:10 is zij de dochter van Absalom. Wij vertalen zoals het hier staat. Zie ook: Ex 34:13; 1 Kon 15:2; 1 Kon 15:10; 1 Kon 15:13–24; 2 Kon 23:15; 2 Kron 15:8 **15:17** Maar de hoogten verdwenen niet uit Israël. Toch was het hart van Asa al zijn dagen volledig. Brontekst: וְהַ֨בָּמ֔וֹת (vehabamot) = en de hoogten | לֹא (lo) = niet | סָ֖רוּ (saru) = verdwenen | מִיִּשְׂרָאֵ֑ל (miyisrael) = uit Israël | רַ֧ק (raq) = alleen | לְבַב (levav) = het hart van | אָסָ֛א (asa) = Asa | הָיָ֥ה (haya) = was | שָׁלֵ֖ם (shalem) = volledig | כָּל (kal) = alle | יָמָֽיו (yamav) = zijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers lijkt op 1 Kon. 15:14. Hier staat ‘uit Israël’; in 2 Kron. 17:6 gaat het om Juda. De hoogten (bamot) waren offerplaatsen buiten Jeruzalem; zie Deut. 12:2–14. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Deut 12:2–14; 1 Kon 11:4; 1 Kon 15:14; 1 Kon 22:43; 2 Kon 12:4; 2 Kon 14:4; 2 Kron 14:2–4; 2 Kron 17:6 **15:18** Hij bracht de gewijde gaven van zijn vader en zijn gewijde gaven in het huis van Elohim: zilver, goud en voorwerpen. Brontekst: וַיָּבֵ֞א (vayave) = en hij bracht | אֶת (et) = (obj.) | קָדְשֵׁ֥י (qadeshei) = gewijde gaven van | אָבִ֛יו (aviv) = zijn vader | וְקָֽדָשָׁ֖יו (veqadashav) = en zijn gewijde gaven | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | כֶּ֥סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֖ב (vezahav) = en goud | וְכֵלִֽים (vekhelim) = en voorwerpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 26:20–26; 1 Kon 7:51; 1 Kon 15:14–15 **15:19** Tot het vijfendertigste jaar van de regering van Asa was er geen oorlog. Brontekst: וּמִלְחָמָ֖ה (umilchama) = en oorlog | לֹ֣א (lo) = niet | הָיָ֑תָה (hayata) = was | עַ֛ד (ad) = tot | שְׁנַת (shenat) = jaar van | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְחָמֵ֖שׁ (vechamesh) = en vijf | לְמַלְכ֥וּת (lemalkhut) = van de regering van | אָסָֽא (asa) = Asa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 15:16 en 15:32 staat dat er oorlog was tussen Asa en Baësa ‘al hun dagen’. Dat past niet bij dit vers. Wij vertalen beide teksten zoals zij er staan en rekenen de jaren niet na. Zie ook: 1 Kon 15:16–17; 1 Kon 15:31; 1 Kon 15:32; 1 Kon 15:33; 2 Kron 16:1 ## 2 Kronieken 16 _Asa, Baësa en Chanani de ziener_ ### Baësa bouwt Rama **16:1** In het zesendertigste jaar van de regering van Asa trok Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda. Hij bouwde Rama, zodat niemand meer kon uitgaan of binnengaan bij Asa, de koning van Juda. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וָשֵׁשׁ֙ (vashesh) = en zes | לְמַלְכ֣וּת (lemalkhut) = van de regering van | אָסָ֔א (asa) = Asa | עָלָ֞ה (ala) = trok op | בַּעְשָׁ֤א (basha) = Baësa | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | עַל (al) = tegen | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיִּ֖בֶן (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | הָרָמָ֑ה (harama) = Rama | לְבִלְתִּ֗י (levilti) = om niet | תֵּ֚ת (tet) = toe te laten | יוֹצֵ֣א (yotse) = een uitgaande | וָבָ֔א (vava) = en een inkomende | לְאָסָ֖א (leasa) = naar Asa | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Voetnoot Uitleg: Rama (nu er-Ram) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. Wie Rama bouwde, kon het verkeer van en naar Juda afsluiten. Voetnoot : In 1 Kon. 15:33 begint Baësa in het derde jaar van Asa en regeert hij 24 jaar. Dat past niet bij een aanval in het 36e jaar van Asa. Wij vertalen zoals het hier staat en rekenen de jaren niet na. Voetnoot : Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 15:16–22. Zie ook: 1 Kon 12:27; 1 Kon 15:16–22; 1 Kon 15:33; 2 Kron 11:13–17; 2 Kron 15:5; 2 Kron 15:9 **16:2** Asa haalde zilver en goud tevoorschijn uit de schatkamers van het huis van Yahweh en van het huis van de koning. Hij liet Ben-Hadad, de koning van Aram, die in Damascus woonde, zeggen: Brontekst: וַיֹּצֵ֨א (vayotse) = en haalde tevoorschijn | אָסָ֜א (asa) = Asa | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֗ב (vezahav) = en goud | מֵאֹֽצְר֛וֹת (meotserot) = uit schatkamers van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en zond | אֶל (el) = naar | בֶּן (ben) = Ben | הֲדַד֙ (hadad) = Hadad | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | הַיּוֹשֵׁ֥ב (hayoshev) = die woonde | בְּדַרְמֶ֖שֶׂק (bedarmeseq) = in Damascus | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Damascus ligt in het huidige Syrië. Ben-Hadad was de koning van Aram; zie 1 Kon. 15:18. Voetnoot : Hier staat dat Asa zilver en goud uit de schatkamers van het huis van Yahweh en van het huis van de koning haalde. Zo staat het ook in 1 Kon. 15:18. Daar noemt de tekst ook de namen van de vader en de grootvader van Ben-Hadad; hier ontbreken die. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij zond naar Ben-Hadad … zeggende’. Wij schrijven ‘hij liet … zeggen’. Zie ook: 1 Kon 15:18; 2 Kon 12:19; 2 Kon 16:8; 2 Kon 18:15; 2 Kron 28:21 **16:3** „Er is een verbond tussen mij en jou, tussen mijn vader en jouw vader. Zie, ik stuur je zilver en goud. Ga, verbreek je verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij van mij wegtrekt.” Brontekst: בְּרִית֙ (berit) = verbond | בֵּינִ֣י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶ֔ךָ (uveinekha) = en tussen jou | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | אָבִ֑יךָ (avikha) = jouw vader | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | שָׁלַ֤חְתִּֽי (shalachti) = ik heb gestuurd | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֔ב (vezahav) = en goud | לֵ֞ךְ (lekh) = ga | הָפֵ֣ר (hafer) = verbreek | בְּרִֽיתְךָ֗ (beritekha) = jouw verbond | אֶת (et) = met | בַּעְשָׁא֙ (basha) = Baësa | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְיַעֲלֶ֖ה (veyaale) = zodat hij wegtrekt | מֵעָלָֽי (mealay) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbond tussen Asa en Ben-Hadad wordt gelijk aan een verbond tussen hun vaders genoemd. De tekst zegt niet wanneer dat gesloten is. Zie ook: Gen 20:9–10; Ps 15:4; 2 Kron 18:3; Ezech 17:18–19; 2 Tim 3:3 **16:4** Ben-Hadad luisterde naar koning Asa. Hij stuurde de aanvoerders van zijn legers tegen de steden van Israël. Zij sloegen Ijjon, Dan, Abel-Majim en alle voorraadplaatsen van de steden van Naftali. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֨ע (vayishma) = en hoorde | בֶּן (ben) = Ben | הֲדַ֜ד (hadad) = Hadad | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָסָ֗א (asa) = Asa | וַ֠יִּשְׁלַח (vayishlach) = en zond | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֨י (sarei) = aanvoerders van | הַחֲיָלִ֤ים (hachayalim) = de legers | אֲשֶׁר (asher) = die | לוֹ֙ (lo) = van hem | אֶל (el) = tegen | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיַּכּוּ֙ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | עִיּ֣וֹן (iyon) = Ijjon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דָּ֔ן (dan) = Dan | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | אָבֵ֣ל (avel) = Abel | מָ֑יִם (mayim) = Majim | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּֽל (kal) = alle | מִסְכְּנ֖וֹת (miskenot) = voorraadplaatsen van | עָרֵ֥י (arei) = steden van | נַפְתָּלִֽי (naftali) = Naftali Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Zie Ijjon: Ijjon wordt gezocht bij Tel Dibbin (Marj Ayyun), ten noorden van Dan, in het zuiden van het huidige Libanon. Zie Abel-Majim (Abel-Bet-Maächa): Abel-Bet-Maäka (Tell Abil el-Qamh) lag in het noorden, bij Metoella, niet ver van Dan. Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Voetnoot Uitleg: Ijjon ligt in het noorden, bij het huidige Marj Ayyun in Libanon. Dan ligt bij Tel Dan, in het noorden van Israël. Abel-Majim is dezelfde plaats als Abel-Bet-Maächa in 1 Kon. 15:20; de ligging is bij Tel Abil el-Qamh, in het noorden van Israël, bij de grens met Libanon (waarschijnlijk). Voetnoot : אָבֵל מַיִם (Abel-Majim): in 1 Kon. 15:20 heet de plaats Abel-Bet-Maächa. Wij schrijven in elk boek de vorm die er staat. Voetnoot : מִסְכְּנוֹת (miskenot), ‘voorraadplaatsen’: plaatsen waar voorraden werden bewaard. Hier staat ‘alle voorraadplaatsen van de steden van Naftali’. In 1 Kon. 15:20 staat ‘heel Kinneret samen met heel het land Naftali’. Wij vertalen beide teksten zoals zij zijn. Zie ook: Gen 14:14; Ex 1:11; Re 20:1; 1 Kon 9:19; 1 Kon 15:20; 2 Kron 17:12 **16:5** Toen Baësa dit hoorde, hield hij op met het bouwen van Rama. Hij liet zijn werk stilleggen. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּשְׁמֹ֣עַ (kishmoa) = bij het horen van | בַּעְשָׁ֔א (basha) = Baësa | וַיֶּחְדַּ֕ל (vayechdal) = en hield op | מִבְּנ֖וֹת (mibenot) = met het bouwen van | אֶת (et) = (obj.) | הָרָמָ֑ה (harama) = Rama | וַיַּשְׁבֵּ֖ת (vayashbet) = en liet ophouden | אֶת (et) = (obj.) | מְלַאכְתּֽוֹ (melakhto) = zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Voetnoot Uitleg: וַיַּשְׁבֵּת (vayashbet), ‘liet ophouden’: Baësa liet zijn werk stoppen. Hier staat niet dat hij naar Tirza ging, zoals in 1 Kon. 15:21. Zie ook: 1 Kon 15:21 **16:6** Koning Asa nam heel Juda mee. Zij droegen de stenen van Rama en het hout ervan weg, waarmee Baësa had gebouwd. Hij bouwde daarmee Geba en Mizpa. Brontekst: וְאָסָ֣א (veasa) = en Asa | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | לָקַח֙ (laqach) = nam | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיִּשְׂא֞וּ (vayisu) = en zij droegen weg | אֶת (et) = (obj.) | אַבְנֵ֤י (avnei) = stenen van | הָֽרָמָה֙ (harama) = Rama | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵצֶ֔יהָ (etseiha) = haar hout | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בָּנָ֖ה (bana) = had gebouwd | בַּעְשָׁ֑א (basha) = Baësa | וַיִּ֣בֶן (vayiven) = en hij bouwde | בָּהֶ֔ם (bahem) = daarmee | אֶת (et) = (obj.) | גֶּ֖בַע (geva) = Geba | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּצְפָּֽה (hamitspa) = de Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: Geba (nu Jaba) en Mizpa (Tell en-Nasbeh) liggen in Benjamin, ten noorden van Jeruzalem; zie 1 Kon. 15:22. Zie ook: Joz 18:24–26; 1 Sam 7:6; 1 Kon 15:22; 2 Kron 21:17; Zach 14:10 ### Chanani de ziener bestraft Asa **16:7** In die tijd kwam Chanani, de ziener, naar Asa, de koning van Juda. Hij zei tegen hem: „Je hebt gesteund op de koning van Aram en niet op Yahweh, je Elohim. Daarom is het leger van de koning van Aram uit je hand ontkomen. Brontekst: וּבָעֵ֣ת (uvaet) = en in tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | בָּ֚א (ba) = kwam | חֲנָ֣נִי (chanani) = Chanani | הָרֹאֶ֔ה (haroe) = de ziener | אֶל (el) = naar | אָסָ֖א (asa) = Asa | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | בְּהִשָּׁ֨עֶנְךָ֜ (behishaenkha) = omdat je steunde | עַל (al) = op | מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָם֙ (aram) = Aram | וְלֹ֤א (velo) = en niet | נִשְׁעַ֨נְתָּ֙ (nishanta) = je steunde | עַל (al) = op | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = zo | נִמְלַ֛ט (nimlat) = is ontkomen | חֵ֥יל (cheil) = leger van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | מִיָּדֶֽךָ (miyadekha) = uit je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: חֲנָנִי (Chanani), ‘Chanani’: de ziener. Zijn zoon Jehu is de profeet die Baësa bestrafte (1 Kon. 16:1). Zie ook 2 Kron. 19:2. Voetnoot : הָרֹאֶה (haro'eh), ‘de ziener’: iemand die van Elohim ziet wat hij moet zeggen. Zie 1 Sam. 9:9. Voetnoot : עַל־כֵּן (al ken), ‘daarom’: het volgende is het gevolg van de keuze van Asa. Wij schrijven het letterlijk. Zie ook: 1 Sam 9:9; Ps 146:3–6; 1 Kon 16:1; 2 Kron 19:2; 2 Kron 32:7–8; Jes 31:1 **16:8** Waren de Kushieten en de Libiërs niet een enorm leger, met zeer veel wagens en ruiters? Maar omdat je op Yahweh steunde, gaf Hij hen in je hand. Brontekst: הֲלֹ֧א (halo) = is het niet | הַכּוּשִׁ֣ים (hakushim) = de Kushieten | וְהַלּוּבִ֗ים (vehaluvim) = en de Libiërs | הָי֨וּ (hayu) = waren zij | לְחַ֧יִל (lechayil) = tot een leger | לָרֹ֛ב (larov) = in menigte | לְרֶ֥כֶב (lerekhev) = in wagens | וּלְפָרָשִׁ֖ים (ulefarashim) = en in ruiters | לְהַרְבֵּ֣ה (leharbe) = tot veelheid | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וּבְהִשָּֽׁעֶנְךָ֥ (uvehishaenkha) = en in je steunen | עַל (al) = op | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נְתָנָ֥ם (netanam) = gaf hen | בְּיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Kushieten komen uit Kush, ten zuiden van Egypte (het huidige Soedan en zuidelijk Egypte). De Libiërs (in het Hebreeuws Luvim) wonen ten westen van Egypte, in het huidige Libië. Zie 2 Kron. 14:8–14, waar Zerach de Kushiet tegen Asa optrok. Voetnoot : De Kushieten en de Libiërs waren een groot leger. Chanani herinnert Asa aan die overwinning, die hij door steun van Yahweh won. Zie ook: Ps 9:10–11; 2 Kron 12:3; 2 Kron 13:16; 2 Kron 14:8–11; 2 Kron 16:7 **16:9** Want de ogen van Yahweh gaan over heel de aarde rond, om Zich sterk te tonen voor wie met een volledig hart bij Hem zijn. Hierin heb je dwaas gehandeld. Want van nu af aan zul je oorlogen hebben.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עֵינָ֞יו (einav) = Zijn ogen | מְשֹׁטְט֤וֹת (meshotetot) = zwervend | בְּכָל (bekhal) = over heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | לְ֠הִתְחַזֵּק (lehitchazeq) = om Zich sterk te tonen | עִם (im) = met | לְבָבָ֥ם (levavam) = hun hart | שָׁלֵ֛ם (shalem) = volledig | אֵלָ֖יו (elav) = naar Hem | נִסְכַּ֣לְתָּ (niskalta) = je hebt dwaas gehandeld | עַל (al) = over | זֹ֑את (zot) = dit | כִּ֣י (ki) = want | מֵעַ֔תָּה (meata) = van nu af | יֵ֥שׁ (yesh) = is er | עִמְּךָ֖ (imekha) = met jou | מִלְחָמֽוֹת (milchamot) = oorlogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵינֵי יְהוָה (einei Yahweh), ‘de ogen van Yahweh’: Yahweh ziet alles en grijpt in. Zie ook Spr. 15:3. Voetnoot : נִסְכַּלְתָּ (niskalta), ‘je hebt dwaas gehandeld’: van een werkwoord dat ‘dwaas zijn’ betekent. Zo vertalen wij het ook in 1 Sam. 13:13. Voetnoot : De toespraak van Chanani begint in vers 7 en eindigt hier. Hij is een profeet; zijn woorden staan in zwart. Zie ook: 1 Sam 13:13; Ps 34:16; Spr 5:21; Spr 15:3; 2 Kron 16:7; Jer 16:17; 1 Petr 3:12 **16:10** Asa werd boos op de ziener. Hij zette hem in de gevangenis, het huis van de blokken, want hij was woedend op hem om dit. Op dat moment onderdrukte Asa sommigen van het volk. Brontekst: וַיִּכְעַ֨ס (vayikhas) = en werd boos | אָסָ֜א (asa) = Asa | אֶל (el) = op | הָרֹאֶ֗ה (haroe) = de ziener | וַֽיִּתְּנֵ֨הוּ֙ (vayitenehu) = en gaf hem | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמַּהְפֶּ֔כֶת (hamahpekhet) = de blokken | כִּֽי (ki) = want | בְזַ֥עַף (bezaaf) = in woede | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | עַל (al) = over | זֹ֑את (zot) = dit | וַיְרַצֵּ֥ץ (vayratsets) = en onderdrukte | אָסָ֛א (asa) = Asa | מִן (min) = van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בָּעֵ֥ת (baet) = in tijd | הַהִֽיא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הַמַּהְפֶּכֶת (beit hamahpechet), ‘huis van de blokken’: een gevangenis waar gevangenen worden vastgezet. Het woord mahpechet komt ook voor in Jer. 20:2. Voetnoot : וַיְרַצֵּץ (vayeratsets), ‘onderdrukte’: hard optreden tegen mensen. De tekst zegt niet wie het waren. Zie ook: 2 Sam 12:13; 2 Kron 18:26; 2 Kron 26:19; Jer 20:2; Jer 51:34; Klaagl 3:34 ### Het einde van Asa **16:11** Zie, de geschiedenis van Asa, van begin tot einde, staat geschreven in het dagboek van de koningen van Juda en Israël. Brontekst: וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | אָסָ֔א (asa) = Asa | הָרִאשׁוֹנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאַחֲרוֹנִ֑ים (vehaacharonim) = en de laatste | הִנָּ֤ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִים֙ (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֣פֶר (sefer) = boek van | הַמְּלָכִ֔ים (hamelakhim) = de koningen | לִיהוּדָ֖ה (lihuda) = van Juda | וְיִשְׂרָאֵֽל (veyisrael) = en Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר הַמְּלָכִים לִיהוּדָה וְיִשְׂרָאֵל (sefer hamelakhim liyhudah veyisra'el), ‘boek van de koningen van Juda en Israël’: wij vertalen ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’, zoals ook in 1 Kon. 15:23 (‘dagboek van de koningen van Juda’). Letterlijk staat in Koningen ‘boek van de woorden van de dagen’ (דִּבְרֵי הַיָּמִים, divrei hayamim). Hier staat de kortere vorm. Wat voor werk dit precies is, zegt de tekst niet. Voetnoot : דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis’: letterlijk ‘woorden’ of ‘zaken’. Zo vertalen wij het ook in 1 Kon. 15:23. Zie ook: 1 Kon 15:23–24; 2 Kron 20:34; 2 Kron 25:26; 2 Kron 26:22; 2 Kron 27:7 **16:12** In het negenendertigste jaar van zijn regering werd Asa ziek aan zijn voeten. Zijn ziekte was uiterst ernstig. Ook in zijn ziekte zocht hij Yahweh niet, maar de artsen. Brontekst: וַיֶּחֱלֶ֣א (vayechele) = en werd ziek | אָסָ֡א (asa) = Asa | בִּשְׁנַת֩ (bishnat) = in jaar van | שְׁלוֹשִׁ֨ים (sheloshim) = dertig | וָתֵ֤שַׁע (vatesha) = en negen | לְמַלְכוּתוֹ֙ (lemalkhuto) = van zijn regering | בְּרַגְלָ֔יו (beraglav) = aan zijn voeten | עַד (ad) = tot | לְמַ֖עְלָה (lemala) = in het uiterste | חָלְי֑וֹ (chaleyo) = zijn ziekte | וְגַם (vegam) = en ook | בְּחָלְיוֹ֙ (bechaleyo) = in zijn ziekte | לֹא (lo) = niet | דָרַ֣שׁ (darash) = zocht hij | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֖י (ki) = maar | בָּרֹפְאִֽים (barofeim) = bij de artsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹפְאִים (rofe'im), ‘artsen’: mensen die genezen. Zie ook Gen. 50:2. Voetnoot : לְמַעְלָה (lema'lah), ‘uiterst’: letterlijk ‘naar boven’. Zo vertalen wij het ook in 2 Kron. 17:12. Voetnoot : Wij rekenen de jaren niet na (zie vers 1). Zie ook: Gen 50:2; 1 Kron 10:14; 2 Kron 16:1; 2 Kron 16:9; 2 Kron 17:12; 2 Kron 28:22; Jer 17:5; Mar 5:26 **16:13** Asa ging liggen bij zijn vaderen. Hij stierf in het eenenveertigste jaar van zijn regering. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֥ב (vayishkav) = en lag | אָסָ֖א (asa) = Asa | עִם (im) = met | אֲבֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaderen | וַיָּ֕מָת (vayamat) = en stierf | בִּשְׁנַ֛ת (bishnat) = in jaar van | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וְאַחַ֖ת (veachat) = en één | לְמָלְכֽוֹ (lemalekho) = van zijn regering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 15:24 **16:14** Zij begroeven hem in zijn graf dat hij voor zichzelf had uitgehouwen in de stad van David. Zij legden hem op een rustbed dat vol was met specerijen en allerlei soorten geurmengsels, bereid volgens het werk van een zalfmaker. Voor hem verbrandden zij een zeer groot vuur. Brontekst: וַיִּקְבְּרֻ֣הוּ (vayiqberuhu) = en begroeven hem | בְקִבְרֹתָ֗יו (beqivrotav) = in zijn graven | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | כָּֽרָה (kara) = hij had uitgehouwen | לוֹ֮ (lo) = voor hem | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִיד֒ (david) = David | וַיַּשְׁכִּיבֻ֗הוּ (vayashkivuhu) = en legden hem neer | בַּמִּשְׁכָּב֙ (bamishkav) = op een rustbed | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | מִלֵּא֙ (mile) = was gevuld | בְּשָׂמִ֣ים (besamim) = met specerijen | וּזְנִ֔ים (uzenim) = en soorten | מְרֻקָּחִ֖ים (meruqachim) = mengsels | בְּמִרְקַ֣חַת (bemirqachat) = in het bereiden | מַעֲשֶׂ֑ה (maase) = werk van | וַיִּשְׂרְפוּ (vayisrefu) = en zij verbrandden | ל֥וֹ (lo) = voor hem | שְׂרֵפָ֖ה (serefa) = een brandvuur | גְּדוֹלָ֥ה (gedola) = groot | עַד (ad) = tot | לִמְאֹֽד (limod) = uitermate Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קְבָרוֹת (qevarot), ‘graven’: het Hebreeuws heeft hier het meervoud; wij schrijven ‘graf’. Voetnoot : מִרְקָחִים (mirqachim), ‘geurmengsels’: samengestelde geurstoffen, zoals zalven of balsems. De zin zegt dat de mengsels door een zalfmaker bereid waren. Voetnoot : שְׂרֵפָה (serefah), ‘vuur’: letterlijk ‘een verbranding’. De tekst zegt niet wat er verbrand werd. Zie ook Jer. 34:5, waar voor een koning ‘verbrandingen’ worden gemaakt. Zie ook: Gen 50:2; Ex 30:25–37; 2 Kron 21:19; Jer 34:5; Mar 16:1 ## 2 Kronieken 17 _Josafat versterkt Juda en laat de wet onderwijzen_ ### Josafat wordt koning **17:1** Zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats. Hij maakte zich sterk tegen Israël. Brontekst: וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יְהוֹשָׁפָ֥ט (yehoshafat) = Josafat | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּ֑יו (tachtav) = in zijn plaats | וַיִּתְחַזֵּ֖ק (vayitchazeq) = en maakte zich sterk | עַל (al) = tegen | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk volgt op het verhaal van Asa. Josafat is de zoon van Asa; zie 1 Kon. 22:41. Voetnoot : עַל־יִשְׂרָאֵל (al Yisra'el), ‘tegen Israël’: het woord ‘al’ kan ook ‘over’ of ‘tegenover’ betekenen. De tekst zegt niet hoe Josafat zich sterk maakte. Wij vertalen ‘tegen Israël’; in 18:1 sluit hij een verbond met Achab. Zie ook: 1 Kon 15:24; 1 Kon 22:41; 2 Kron 26:8; 2 Kron 32:5; Mat 1:8; Ef 6:10 **17:2** Hij legde troepen in alle versterkte steden van Juda. Ook stelde hij bezettingen aan in het land Juda en in de steden van Efraïm die zijn vader Asa had veroverd. Brontekst: וַיִּ֨תֶּן (vayiten) = en gaf | חַ֔יִל (chayil) = leger | בְּכָל (bekhal) = in alle | עָרֵ֥י (arei) = steden van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | הַבְּצֻר֑וֹת (habetsurot) = de versterkte | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en gaf | נְצִיבִים֙ (netsivim) = bezettingen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּבְעָרֵ֣י (uvearei) = en in steden van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לָכַ֖ד (lakhad) = had veroverd | אָסָ֥א (asa) = Asa | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: נְצִיבִים (netsivim), ‘bezettingen’: aangestelde mannen of troepen die een stad bewaken. Het woord hangt samen met het ‘aangestelde’ in 1 Kon. 22:48. Voetnoot : De steden van Efraïm zijn de steden die Asa had veroverd; zie 2 Kron. 15:8. Zie ook: 1 Kon 22:48; 2 Kron 11:5; 2 Kron 11:11–12; 2 Kron 15:8 ### Yahweh is met Josafat **17:3** Yahweh was met Josafat, want hij liep op de eerste wegen van David, zijn vader. Hij zocht de Baäls niet. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִם (im) = met | יְהוֹשָׁפָ֑ט (yehoshafat) = Josafat | כִּ֣י (ki) = want | הָלַ֗ךְ (halakh) = hij liep | בְּדַרְכֵ֞י (bedarkhei) = in wegen van | דָּוִ֤יד (david) = David | אָבִיו֙ (aviv) = zijn vader | הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים (harishonim) = de eerste | וְלֹ֥א (velo) = en niet | דָרַ֖שׁ (darash) = zocht hij | לַבְּעָלִֽים (labealim) = de Baäls Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרִאשֹׁנִים (harishonim), ‘de eerste’: de tekst zegt niet waarop ‘eerste’ slaat. Wij vertalen letterlijk, zonder iets toe te voegen. Voetnoot : הַבְּעָלִים (haba'alim), ‘de Baäls’: het meervoud. Het gaat om de afgoden die onder de naam Baäl worden gediend. Zie ook: Ps 46:12; 2 Kon 22:2; Jes 41:10; Mat 28:20; 2 Tim 4:22 **17:4** Want hij zocht de Elohim van zijn vader. Hij liep in Zijn geboden en deed niet wat Israël deed. Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | לֵֽאלֹהֵ֤י (lelohei) = naar Elohim van | אָבִיו֙ (aviv) = zijn vader | דָּרָ֔שׁ (darash) = zocht hij | וּבְמִצְוֺתָ֖יו (uvemitsvotav) = en in Zijn geboden | הָלָ֑ךְ (halakh) = liep hij | וְלֹ֖א (velo) = en niet | כְּמַעֲשֵׂ֥ה (kemaase) = zoals het doen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִצְוֹת (mitsvot), ‘geboden’: de geboden van Yahweh. Het woord ‘Zijn’ verwijst naar de Elohim van zijn vader. Zie ook: 1 Kon 12:28; Hos 4:15; Luc 1:6; 1 Tess 2:12; 1 Tess 4:1 **17:5** Yahweh bevestigde het koningschap in zijn hand. Heel Juda gaf Josafat geschenken. Hij kreeg rijkdom en eer in overvloed. Brontekst: וַיָּ֨כֶן (vayakhen) = en bevestigde | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּמְלָכָה֙ (hamamlakha) = het koningschap | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיִּתְּנ֧וּ (vayitenu) = en gaven | כָל (kal) = heel | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | מִנְחָ֖ה (mincha) = geschenk | לִיהוֹשָׁפָ֑ט (lihoshafat) = aan Josafat | וַֽיְהִי (vayhi) = en was | ל֥וֹ (lo) = voor hem | עֹֽשֶׁר (osher) = rijkdom | וְכָב֖וֹד (vekhavod) = en eer | לָרֹֽב (larov) = in overvloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: hier geen offer maar een gave van een volk aan zijn koning. Zie ook vers 11. In offerwetten vertalen wij het woord met ‘graanoffer’. Zie ook: Job 42:12; Ps 127:1; 2 Kron 17:11; 2 Kron 18:1; Mat 2:11; Mat 6:33 **17:6** Zijn hart kreeg moed op de wegen van Yahweh. Hij verwijderde bovendien de hoogten en de heilige palen uit Juda. Brontekst: וַיִּגְבַּ֥הּ (vayigbah) = en werd hoog | לִבּ֖וֹ (libo) = zijn hart | בְּדַרְכֵ֣י (bedarkhei) = op de wegen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְע֗וֹד (veod) = en bovendien | הֵסִ֛יר (hesir) = verwijderde hij | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּמ֥וֹת (habamot) = de hoogten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֲשֵׁרִ֖ים (haasherim) = de heilige palen | מִיהוּדָֽה (mihuda) = uit Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Voetnoot Uitleg: וַיִּגְבַּהּ לִבּוֹ (vayigbah libbo), ‘zijn hart werd hoog’: hier in goede zin, moed en vastberadenheid voor de wegen van Yahweh. Elders kan hetzelfde woord trots betekenen. Wij schrijven ‘kreeg moed’. Voetnoot : אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen of heilige bomen bij een heiligdom, ook verbonden met de godin Asjera. Zie 2 Kron. 15:16. Voetnoot : הַבָּמוֹת (habamot), ‘de hoogten’: offerplaatsen buiten Jeruzalem; zie Deut. 12:2–14. Volgens 1 Kon. 22:44 verdwenen de hoogten niet. Wij vertalen beide teksten zoals zij zijn. Zie ook: Deut 12:2–14; Ps 119:1; Ps 138:5; 1 Kon 22:44; 2 Kron 15:16; 2 Kron 15:17; 2 Kron 20:33; Hos 14:10 ### De wet wordt onderwezen in de steden van Juda **17:7** In het derde jaar van zijn regering zond hij zijn oversten Ben-Chaïl, Obadja, Zacharia, Netanel en Micha om les te geven in de steden van Juda. Brontekst: וּבִשְׁנַ֨ת (uvishnat) = en in het jaar van | שָׁל֜וֹשׁ (shalosh) = drie | לְמָלְכ֗וֹ (lemalekho) = van zijn regering | שָׁלַ֤ח (shalach) = zond hij | לְשָׂרָיו֙ (lesarav) = zijn oversten | לְבֶן (leven) = Ben | חַ֨יִל֙ (chayil) = Chaïl | וּלְעֹבַדְיָ֣ה (uleovadya) = en Obadja | וְלִזְכַרְיָ֔ה (velizkharya) = en Zacharia | וְלִנְתַנְאֵ֖ל (velintanel) = en Netanel | וּלְמִיכָיָ֑הוּ (ulemikhayahu) = en Micha | לְלַמֵּ֖ד (lelamed) = om te onderwijzen | בְּעָרֵ֥י (bearei) = in steden van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן־חַיִל (ben-chayil), ‘Ben-Chaïl’: letterlijk ‘zoon van kracht’. Wij nemen het als een naam, zoals de andere namen in de lijst. Het kan ook een beschrijving zijn. De tekst zegt niet meer. Voetnoot : מִיכָיָהוּ (Micha): de naam is dezelfde als die van de profeet Micha, de zoon van Jimla (2 Kron. 18:8). Het is waarschijnlijk een andere man. Voetnoot : לְלַמֵּד (lelammed), ‘om les te geven’: het onderwijzen van de wet; zie vers 9. Zie ook: Pred 12:9–10; 2 Kron 15:3; 2 Kron 17:9; 2 Kron 18:8; 2 Kron 35:3; Neh 8:7–8; Neh 8:13–14 **17:8** Bij hen waren de Levieten Sjemaja, Netanja, Zebadja, Asaël, Sjemiramot, Jonatan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, de Levieten. Bij hen waren ook de priesters Elisjama en Joram. Brontekst: וְעִמָּהֶ֣ם (veimahem) = en met hen | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | שְֽׁמַֽעְיָ֡הוּ (shemayahu) = Sjemaja | וּנְתַנְיָ֡הוּ (unetanyahu) = en Netanja | וּזְבַדְיָ֡הוּ (uzevadyahu) = en Zebadja | וַעֲשָׂהאֵ֡ל (vaasahel) = en Asaël | וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת (ushemiramot) = en Sjemiramot | וִֽיהוֹנָתָן֩ (vihonatan) = en Jonatan | וַאֲדֹ֨נִיָּ֧הוּ (vaadoniyahu) = en Adonia | וְטֽוֹבִיָּ֛הוּ (vetoviyahu) = en Tobia | וְט֥וֹב (vetov) = en Tob | אֲדוֹנִיָּ֖ה (adoniya) = Adonia | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | וְעִמָּהֶ֛ם (veimahem) = en met hen | אֱלִישָׁמָ֥ע (elishama) = Elisjama | וִֽיהוֹרָ֖ם (vihoram) = en Joram | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Tob-Adonia’ (טוֹב אֲדוֹנִיָּה) is één naam; ‘Tobia’ (טוֹבִיָּהוּ) is een andere man. Samen met de vijf oversten van vers 7 gaat het om zestien mannen: vijf oversten, negen Levieten en twee priesters. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft וּשְׁמֵרִימוֹת, de gelezen tekst (qere) וּשְׁמִירָמוֹת (Sjemiramot). Wij volgen de qere. Zo staat de naam ook in 1 Kron. 15:18. Zie ook: 1 Kron 15:18; 2 Kron 17:7; 2 Kron 19:8; Ezra 7:1–6; Mal 2:7 **17:9** Zij onderwezen in Juda. Het boek van de wet van Yahweh was bij hen. Zij trokken rond door alle steden van Juda en onderwezen onder het volk. Brontekst: וַֽיְלַמְּדוּ֙ (vaylamedu) = en zij onderwezen | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = in Juda | וְעִ֨מָּהֶ֔ם (veimahem) = en met hen | סֵ֖פֶר (sefer) = boek van | תּוֹרַ֣ת (torat) = wet van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּסֹ֨בּוּ֙ (vayasobu) = en zij trokken rond | בְּכָל (bekhal) = door alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַֽיְלַמְּד֖וּ (vaylamedu) = en zij onderwezen | בָּעָֽם (baam) = onder het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het boek van de wet van Yahweh. Zie ook Deut. 31:9–13. Voetnoot : וַיְלַמְּדוּ (vayelammedu), ‘zij onderwezen’: het woord komt twee keer voor in dit vers. De wet werd in alle steden van Juda aan het volk onderwezen. Zie ook: Deut 31:9–13; Joz 1:7–8; Jes 8:20; Joh 5:39; Joh 5:46; Rom 3:2 ### Josafats macht **17:10** De schrik van Yahweh kwam over alle koninkrijken van de landen rondom Juda. Zij voerden geen oorlog tegen Josafat. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | פַּ֣חַד (pachad) = schrik van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַ֚ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָֽאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | סְבִיב֣וֹת (sevivot) = rondom | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נִלְחֲמ֖וּ (nilchamu) = streden zij | עִם (im) = met | יְהוֹשָׁפָֽט (yehoshafat) = Josafat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘de schrik van Yahweh’: een angst die Yahweh zelf op mensen legt. Zo vertalen wij het ook in 1 Sam. 11:7. Zie ook: Ex 15:14–16; Ex 34:24; 1 Sam 11:7; Spr 16:7; 2 Kron 14:13; 2 Kron 16:9 **17:11** Sommige Filistijnen brachten Josafat geschenken en zilver als tribuut. Ook de Arabieren brachten hem kleinvee: 7700 rammen en 7700 bokken. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | פְּלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = Filistijnen | מְבִיאִ֧ים (meviim) = brengend | לִֽיהוֹשָׁפָ֛ט (lihoshafat) = aan Josafat | מִנְחָ֖ה (mincha) = geschenk | וְכֶ֣סֶף (vekhesef) = en zilver | מַשָּׂ֑א (masa) = last | גַּ֣ם (gam) = ook | הָֽעַרְבִיאִ֗ים (haarviim) = de Arabieren | מְבִיאִ֥ים (meviim) = brengend | לוֹ֙ (lo) = aan hem | צֹ֕אן (tson) = kleinvee | אֵילִ֔ים (eilim) = rammen | שִׁבְעַ֤ת (shivat) = zeven | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | וּשְׁבַ֣ע (usheva) = en zeven | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | וּתְיָשִׁ֕ים (uteyashim) = en bokken | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: zie vers 5. Voetnoot : מַשָּׂא (massa), ‘tribuut’: letterlijk ‘last’, wat men moet dragen: een belasting van zilver. Wij schrijven ‘tribuut’. Voetnoot : עַרְבִיאִים (Arabieren): het volk uit de woestijn ten oosten en zuiden van Juda. Zie ook 1 Kon. 10:15 (koningen van Arabië). Voetnoot : Het getal 7700 voor zowel rammen als bokken staat zo in de tekst. Zie ook: 2 Sam 8:2; 1 Kon 10:15; 2 Kon 3:4; 2 Kron 9:14; 2 Kron 17:5; 2 Kron 26:8 **17:12** Josafat werd steeds groter, tot hij uiterst machtig was. Hij bouwde in Juda burchten en voorraadsteden. Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en was | יְהוֹשָׁפָ֛ט (yehoshafat) = Josafat | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaand | וְגָדֵ֖ל (vegadel) = en groot wordend | עַד (ad) = tot | לְמָ֑עְלָה (lemaela) = boven | וַיִּ֧בֶן (vayiven) = en bouwde | בִּֽיהוּדָ֛ה (bihuda) = in Juda | בִּירָנִיּ֖וֹת (biraniyot) = burchten | וְעָרֵ֥י (vearei) = en steden van | מִסְכְּנֽוֹת (miskenot) = voorraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּירָנִיּוֹת (biraniyot), ‘burchten’: versterkte gebouwen. Voetnoot : מִסְכְּנוֹת (miskenot), ‘voorraadsteden’: steden waar voorraden werden bewaard. Zie 1 Kon. 9:19. Zie ook: 1 Kon 9:19; 2 Kron 8:2–6; 2 Kron 18:1; 2 Kron 27:4; 2 Kron 32:5; 2 Kron 32:27–29 **17:13** Hij had veel werk in de steden van Juda. In Jeruzalem had hij krijgers, dappere mannen. Brontekst: וּמְלָאכָ֥ה (umelakha) = en werk | רַבָּ֛ה (raba) = veel | הָ֥יָה (haya) = was | ל֖וֹ (lo) = hem | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in steden van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְאַנְשֵׁ֧י (veanshei) = en mannen van | מִלְחָמָ֛ה (milchama) = oorlog | גִּבּ֥וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מְלָאכָה (melakhah), ‘werk’: het woord kan ook ‘bezit’ of ‘voorraad’ betekenen. De tekst zegt niet precies wat Josafat in de steden had. Wij vertalen ‘veel werk’. Zie ook: 1 Kron 27:25–31; 2 Kron 26:10–15 ### Zijn krijgers **17:14** Dit is hun telling naar hun families. Voor Juda: de aanvoerders van duizendtallen. Adna, de overste, en met hem 300.000 dappere mannen. Brontekst: וְאֵ֥לֶּה (veele) = en dit | פְקֻדָּתָ֖ם (pequdatam) = hun telling | לְבֵ֣ית (leveit) = naar huis van | אֲבוֹתֵיהֶ֑ם (avoteihem) = hun vaderen | לִֽיהוּדָה֙ (lihuda) = voor Juda | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizendtallen | עַדְנָ֣ה (adna) = Adna | הַשָּׂ֔ר (hasar) = de overste | וְעִמּוֹ֙ (veimo) = en met hem | גִּבּ֣וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֔יִל (chayil) = kracht | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלֶף (eleph), ‘duizend’: het woord kan ook ‘familie’ of ‘onderdeel van een stam’ betekenen (Richt. 6:15). Wij vertalen de getallen letterlijk als cijfers. Voetnoot : Het totaal van de legers is 300.000 (Adna), 280.000 (Jochanan), 200.000 (Amasja), 200.000 (Eljada) en 180.000 (Jozabad). Wij rekenen dit niet verder uit. Zie ook: Gen 12:2; Gen 15:5; Num 1:2; Re 6:15; 2 Kron 11:1; 2 Kron 26:13 **17:15** Naast hem was Jochanan, de overste, en met hem 280.000. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | יְהוֹחָנָ֣ן (yehochanan) = Jochanan | הַשָּׂ֑ר (hasar) = de overste | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | וּשְׁמוֹנִ֖ים (ushemonim) = en tachtig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:16** Naast hem was Amasja, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig had aangeboden voor Yahweh, en met hem 200.000 dappere mannen. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עֲמַסְיָ֣ה (amasya) = Amasja | בֶן (ben) = zoon van | זִכְרִ֔י (zikhri) = Zichri | הַמִּתְנַדֵּ֖ב (hamitnadev) = de vrijwillige | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְעִמּ֛וֹ (veimo) = en met hem | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּתְנַדֵּב (hamitnadev), ‘die zich vrijwillig had aangeboden’: iemand die uit eigen wil iets aan Yahweh geeft of doet. De tekst zegt niet wat Amasja deed. Zie ook Richt. 5:2. Zie ook: Re 5:2; Re 5:9; 1 Kron 29:9; Ps 110:3; 2 Kor 8:12 **17:17** Uit Benjamin: Eljada, een dappere held, en met hem 200.000 man, bewapend met boog en schild. Brontekst: וּמִ֨ן (umin) = en uit | בִּנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | אֶלְיָדָ֑ע (elyada) = Eljada | וְעִמּ֛וֹ (veimo) = en met hem | נֹֽשְׁקֵי (nosheqei) = gewapenden met | קֶ֥שֶׁת (qeshet) = boog | וּמָגֵ֖ן (umagen) = en schild | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹשְׁקֵי קֶשֶׁת וּמָגֵן (nosheqei qeshet umagen), ‘bewapend met boog en schild’: boogschutters met een schild. Benjamin staat bekend om zijn boogschutters; zie 1 Kron. 12:2. Zie ook: 2 Sam 1:21–22; 1 Kron 12:2; 2 Kron 14:7 **17:18** Naast hem was Jozabad, en met hem 180.000 man, toegerust voor het leger. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | יְהוֹזָבָ֑ד (yehozavad) = Jozabad | וְעִמּ֛וֹ (veimo) = en met hem | מֵאָֽה (mea) = honderd | וּשְׁמוֹנִ֥ים (ushemonim) = en tachtig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | חֲלוּצֵ֥י (chalutsei) = toegerusten van | צָבָֽא (tsava) = het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:19** Dit zijn zij die de koning dienden, behalve degenen die de koning had geplaatst in de versterkte steden in heel Juda. Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | הַמְשָׁרְתִ֣ים (hamsharetim) = de dienenden | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִלְּבַ֞ד (milevad) = afgezien van | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥ן (natan) = had geplaatst | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּעָרֵ֥י (bearei) = in steden van | הַמִּבְצָ֖ר (hamivtsar) = de versterking | בְּכָל (bekhal) = in heel | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze mannen dienden de koning in Jeruzalem. De bezettingen in de versterkte steden van Juda (vers 2) staan hier los van. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: 2 Kron 11:12; 2 Kron 11:23; 2 Kron 17:2; 2 Kron 17:12 ## 2 Kronieken 18 _Micha, de zoon van Jimla, en de dood van Achab_ ### Josafat bij Achab **18:1** Josafat had rijkdom en eer in overvloed. Hij verbond zich door een huwelijk met Achab. Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en was | לִֽיהוֹשָׁפָ֛ט (lihoshafat) = voor Josafat | עֹ֥שֶׁר (osher) = rijkdom | וְכָב֖וֹד (vekhavod) = en eer | לָרֹ֑ב (larov) = in overvloed | וַיִּתְחַתֵּ֖ן (vayitchaten) = en verbond zich door huwelijk | לְאַחְאָֽב (leachav) = met Achab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְחַתֵּן (vayitchatten), ‘hij verbond zich door een huwelijk’: Josafat werd door een huwelijk familie van Achab. De tekst noemt hier geen namen. Zijn zoon Joram trouwde met Atalia, een dochter van Achab; zie 2 Kron. 21:6 en 2 Kon. 8:18. Voetnoot : Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 22:1–35. Waar de Hebreeuwse tekst gelijk is, vertalen wij gelijk aan 1 Kon. 22. Zie ook: 1 Kon 22:1–35; 2 Kon 8:18; 2 Kron 17:5; 2 Kron 19:2; 2 Kron 21:6; Mat 6:33 **18:2** Na een aantal jaren ging hij naar Achab in Samaria. Achab slachtte voor hem en voor het volk dat bij hem was veel kleinvee en runderen. Hij zette hem aan om op te trekken naar Ramot in Gilead. Brontekst: וַיֵּרֶד֩ (vayered) = en ging af | לְקֵ֨ץ (leqets) = aan het einde van | שָׁנִ֤ים (shanim) = jaren | אֶל (el) = naar | אַחְאָב֙ (achav) = Achab | לְשֹׁ֣מְר֔וֹן (leshomeron) = naar Samaria | וַיִּֽזְבַּֽח (vayizbach) = en slachtte | ל֨וֹ (lo) = voor hem | אַחְאָ֜ב (achav) = Achab | צֹ֤אן (tson) = kleinvee | וּבָקָר֙ (uvaqar) = en runderen | לָרֹ֔ב (larov) = in menigte | וְלָעָ֖ם (velaam) = en voor het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | וַיְסִיתֵ֕הוּ (vaysitehu) = en hij zette aan hem | לַעֲל֖וֹת (laalot) = om op te trekken | אֶל (el) = naar | רָמ֥וֹת (ramot) = Ramot | גִּלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Samaria was de hoofdstad van het noordrijk Israël, bij het huidige Sebastiya, op de Westelijke Jordaanoever. Ramot in Gilead lag in het noorden van Gilead, ten oosten van de Jordaan; de ligging is niet zeker. Zie 1 Kon. 22:3. Voetnoot : וַיְסִיתֵהוּ (vayesitehu), ‘hij zette hem aan’: hij drong bij hem aan om iets te doen. Het woord komt ook voor in vers 31. In 1 Kon. 22 staat dit niet; daar vraagt Achab het alleen. Voetnoot : לְקֵץ שָׁנִים (leqetz shanim), ‘na een aantal jaren’: letterlijk ‘aan het einde van jaren’. Het getal wordt niet genoemd. Zie ook: 1 Kon 1:9; 1 Kon 22:2–35; 1 Kon 22:3; 2 Kon 9:1; 2 Kron 18:31; 2 Kron 19:2; Jes 22:12–13 **18:3** Achab, de koning van Israël, zei tegen Josafat, de koning van Juda: „Ga je met mij mee naar Ramot in Gilead?” Hij zei tegen hem: „Ik ben als u en mijn volk is als uw volk. Wij zijn met u in de strijd.” Brontekst: וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en zei | אַחְאָ֣ב (achav) = Achab | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהֽוֹשָׁפָט֙ (yehoshafat) = Josafat | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הֲתֵלֵ֥ךְ (hatelekh) = zul je gaan | עִמִּ֖י (imi) = met mij | רָמֹ֣ת (ramot) = Ramot | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֗וֹ (lo) = tot hem | כָּמ֤וֹנִי (kamoni) = zoals ik | כָמ֨וֹךָ֙ (kamokha) = zoals jij | וּכְעַמְּךָ֣ (ukheamekha) = en zoals jouw volk | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | וְעִמְּךָ֖ (veimekha) = en met jou | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Josafat spreekt Achab aan met ‘u’, omdat hij tot de koning van Israël spreekt. Wij volgen hierin 1 Kon. 22:4. Zie ook: Ps 139:21; 1 Kon 22:4; 2 Kon 3:7; Ef 5:11; 2 Joh 1:10–11 ### De profeten van Achab **18:4** Josafat zei tegen de koning van Israël: „Vraag toch eerst vandaag naar het woord van Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | אֶל (el) = tot | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | דְּרָשׁ (derash) = vraag | נָ֥א (na) = toch | כַיּ֖וֹם (kayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֥ר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 23:4; 2 Sam 2:1; 2 Sam 5:19; 2 Sam 5:23; Jer 21:2 **18:5** De koning van Israël verzamelde de profeten, 400 man. Hij zei tegen hen: „Moeten wij naar Ramot in Gilead gaan om te strijden, of moet ik ervan afzien?” Zij zeiden: „Trek op. Elohim zal het in de hand van de koning geven.” Brontekst: וַיִּקְבֹּ֨ץ (vayiqbots) = en verzamelde | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | אֶֽת (et) = (obj.) | הַנְּבִאִים֮ (haneviim) = de profeten | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אִישׁ֒ (ish) = man | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | הֲנֵלֵ֞ךְ (hanelekh) = zullen wij gaan | אֶל (el) = naar | רָמֹ֥ת (ramot) = Ramot | גִּלְעָ֛ד (gilad) = Gilead | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = tot strijd | אִם (im) = of | אֶחְדָּ֑ל (echdal) = zal ik afzien | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | עֲלֵ֔ה (ale) = trek op | וְיִתֵּ֥ן (veyiten) = en zal geven | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Hier staat ‘400 man’; in 1 Kon. 22:6 staat ‘ongeveer 400 man’. Voetnoot : הָאֱלֹהִים (ha'elohim), ‘Elohim’: de profeten zeggen hier ‘Elohim’. In 1 Kon. 22:6 staat Adonai (‘mijn Heer’). Wij vertalen beide teksten zoals zij zijn. Zie ook: 1 Kon 22:6; 2 Kon 3:13; Jer 23:17; Jer 38:14–28; Ezech 13:3–16; 2 Tim 4:3 **18:6** Josafat zei: „Is er hier niet nog een profeet van Yahweh? Dan kunnen wij via hem vragen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יְה֣וֹשָׁפָ֔ט (yehoshafat) = Josafat | הַאֵ֨ין (haein) = is er niet | פֹּ֥ה (po) = hier | נָבִ֛יא (navi) = profeet | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = van Yahweh | ע֑וֹד (od) = nog | וְנִדְרְשָׁ֖ה (venidresha) = en laten wij vragen | מֵאֹתֽוֹ (meoto) = via hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Josafat vraagt naar een ‘profeet van Yahweh’. De vierhonderd noemen alleen Elohim; hij wil ook een profeet van Yahweh zelf horen. Zie 1 Kon. 22:7. Zie ook: 1 Kon 22:7–9; 2 Kon 3:11–13 ### Micha, de zoon van Jimla **18:7** De koning van Israël zei tegen Josafat: „Er is nog één man door wie wij Yahweh kunnen raadplegen. Maar ik haat hem, want hij profeteert niet goed over mij, maar kwaad, al zijn dagen. Het is Micha, de zoon van Jimla.” Josafat zei: „Laat de koning dat niet zeggen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | אֶֽל (el) = tot | יְהוֹשָׁפָ֡ט (yehoshafat) = Josafat | ע֣וֹד (od) = nog | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֡ד (echad) = een | לִדְרוֹשׁ֩ (lidrosh) = om te raadplegen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | מֵֽאֹת֜וֹ (meoto) = via hem | וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | שְׂנֵאתִ֗יהוּ (senetihu) = haat hem | כִּֽי (ki) = want | אֵ֠ינֶנּוּ (einenu) = niet is | מִתְנַבֵּ֨א (mitnabe) = profeterend | עָלַ֤י (alay) = over mij | לְטוֹבָה֙ (letova) = tot goed | כִּ֣י (ki) = want | כָל (kal) = alle | יָמָ֣יו (yamav) = zijn dagen | לְרָעָ֔ה (leraa) = tot kwaad | ה֖וּא (hu) = hij | מִיכָ֣יְהוּ (mikhayehu) = Micha | בֶן (ben) = zoon van | יִמְלָ֑א (yimla) = Jimla | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יְה֣וֹשָׁפָ֔ט (yehoshafat) = Josafat | אַל (al) = niet | יֹאמַ֥ר (yomar) = laat zeggen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִיכָיְהוּ (mikhayehu), ‘Micha’: in de naam zit de Naam van Yahweh. Wij schrijven ‘Micha’. Hij is een andere man dan Micha, de overste in 2 Kron. 17:7. Zie ook: 1 Kon 21:20; 2 Kron 17:7; Amos 5:10; Jes 30:10; Mi 2:7; Luc 6:22 **18:8** De koning van Israël riep een hofdienaar en zei: „Haal snel Micha, de zoon van Jimla.” Brontekst: וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en riep | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | סָרִ֖יס (saris) = hofdienaar | אֶחָ֑ד (echad) = een | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מַהֵ֖ר (maher) = haast | מִיכָ֥יְהוּ (mikhayehu) = Micha | בֶן (ben) = zoon van | יִמְלָֽא (yimla) = Jimla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: iemand in dienst van het hof. Het woord kan ook ‘eunuch’ betekenen; wij kiezen het algemene ‘hofdienaar’, zoals in 1 Kon. 22:9. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft מיכהו, de gelezen tekst (qere) מִיכָיְהוּ (Micha). Wij volgen de qere. In vers 14 staat de korte vorm מִיכָה. Zie ook: 1 Sam 8:15; 1 Kron 28:1; 1 Kon 22:9; 2 Kron 18:14; Jes 39:7; Dan 1:3; Dan 1:7–8 **18:9** De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten ieder op zijn troon, gekleed in gewaden. Zij zaten op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. Alle profeten profeteerden voor hen. Brontekst: וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en koning van | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוֹשָׁפָ֣ט (vihoshafat) = en Josafat | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֡ה (yehuda) = Juda | יוֹשְׁבִים֩ (yoshevim) = zittend | אִ֨ישׁ (ish) = man | עַל (al) = op | כִּסְא֜וֹ (kiso) = zijn troon | מְלֻבָּשִׁ֤ים (melubashim) = gekleed | בְּגָדִים֙ (begadim) = in gewaden | וְיֹשְׁבִ֣ים (veyoshevim) = en zittend | בְּגֹ֔רֶן (begoren) = op de dorsvloer | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | שֹׁמְר֑וֹן (shomeron) = Samaria | וְכָל (vekhal) = en alle | הַ֨נְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | מִֽתְנַבְּאִ֖ים (mitnabeim) = profeterend | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: De dorsvloer lag bij de poort van Samaria; zie 1 Kon. 22:10. Zie ook: 1 Kon 22:10–12; Jes 14:9; Jer 27:14–16; Mat 11:8; Mat 19:28 **18:10** Zedekia, de zoon van Kenaäna, maakte ijzeren hoorns voor zich. Hij zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Hiermee stoot je Aram, tot zij vernietigd zijn.’” Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en maakte | ל֛וֹ (lo) = voor zich | צִדְקִיָּ֥הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בֶֽן (ben) = zoon van | כְּנַעֲנָ֖ה (kenaana) = Kenaäna | קַרְנֵ֣י (qarnei) = hoorns van | בַרְזֶ֑ל (barzel) = ijzer | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּאֵ֛לֶּה (beele) = hiermee | תְּנַגַּ֥ח (tenagach) = zul je stoten | אֶת (et) = (obj.) | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | עַד (ad) = tot | כַּלּוֹתָֽם (kalotam) = hun vernietiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Zedekia citeert Yahweh. Zijn woorden staan daarom in zwart, met enkele aanhalingstekens, zoals bij de profeten in 1 Kon. 22:11. De uitkomst laat zien dat zijn woorden niet uitkomen. Voetnoot : קַרְנֵי בַרְזֶל (qarnei barzel), ‘hoorns van ijzer’: een beeld van kracht, zoals de hoorns van een stier. Zie ook: 1 Kon 22:11; Jer 23:21; Jer 28:2–3; Jer 28:10–14; Zach 2:1–4; 2 Tim 3:8 **18:11** Alle profeten profeteerden hetzelfde: „Trek op naar Ramot in Gilead en wees succesvol. Yahweh zal het in de hand van de koning geven.” Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | הַ֨נְּבִאִ֔ים (haneviim) = de profeten | נִבְּאִ֥ים (nibeim) = profeterend | כֵּ֖ן (ken) = zo | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | עֲלֵ֞ה (ale) = trek op | רָמֹ֤ת (ramot) = Ramot | גִּלְעָד֙ (gilad) = Gilead | וְהַצְלַ֔ח (vehatslach) = en wees succesvol | וְנָתַ֥ן (venatan) = en zal geven | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Spr 24:24–25; 2 Kron 18:5; 2 Kron 18:12; 2 Petr 2:1–3; Openb 16:13–14 ### Micha spreekt **18:12** De bode die Micha was gaan roepen, zei tegen hem: „Zie, de woorden van de profeten zijn met één mond goed voor de koning. Laat uw woord toch zijn als het woord van een van hen. Spreek goed.” Brontekst: וְהַמַּלְאָ֞ךְ (vehamalakh) = en de bode | אֲשֶׁר (asher) = die | הָלַ֣ךְ (halakh) = was gegaan | לִקְרֹ֣א (liqro) = om te roepen | לְמִיכָ֗יְהוּ (lemikhayehu) = Micha | דִּבֶּ֤ר (diber) = sprak | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֞ה (hine) = zie | דִּבְרֵ֧י (divrei) = woorden van | הַנְּבִאִ֛ים (haneviim) = de profeten | פֶּֽה (pe) = mond | אֶחָ֥ד (echad) = één | ט֖וֹב (tov) = goed | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וִֽיהִי (vihi) = laat zijn | נָ֧א (na) = toch | דְבָרְךָ֛ (devarekha) = uw woord | כְּאַחַ֥ד (keachad) = als één | מֵהֶ֖ם (mehem) = van hen | וְדִבַּ֥רְתָּ (vedibarta) = en spreek | טּֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאָךְ (mal'akh), ‘bode’: iemand die gestuurd wordt. Het gaat hier om een gewone bode van de koning. Zo vertalen wij het ook in 1 Kon. 22:13. Voetnoot : Wij schrijven ‘uw woord’, zoals in 1 Kon. 22:13. Zie ook: Ps 10:11; 1 Kon 22:13; Hos 7:3; Mi 2:6; Mi 2:11; 1 Kor 2:14–16 **18:13** Micha zei: „Zo waar Yahweh leeft: wat mijn Elohim zal zeggen, dat zal ik spreken.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | מִיכָ֑יְהוּ (mikhayehu) = Micha | חַי (chay) = leeft | יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֛י (ki) = dat | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֹאמַ֥ר (yomar) = zal zeggen | אֱלֹהַ֖י (elohay) = mijn Elohim | אֹת֥וֹ (oto) = (obj.)-hem | אֲדַבֵּֽר (adaber) = zal ik spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier zegt Micha ‘wat mijn Elohim zal zeggen’. In 1 Kon. 22:14 staat ‘wat Yahweh tegen mij zegt’. Wij vertalen zoals het hier staat. Zie ook: Num 22:18–20; Num 22:35; Num 24:13; 1 Kon 22:14; Hand 20:27; 1 Tess 2:4 **18:14** Hij kwam bij de koning. De koning zei tegen hem: „Micha, moeten wij naar Ramot in Gilead gaan om te strijden, of moet ik ervan afzien?” Hij zei: „Trek op en wees succesvol. Zij zullen in jullie hand worden gegeven.” Brontekst: וַיָּבֹא֮ (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = naar | הַמֶּלֶךְ֒ (hamelekh) = de koning | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | מִיכָה֙ (mikha) = Micha | הֲנֵלֵ֞ךְ (hanelekh) = zullen wij gaan | אֶל (el) = naar | רָמֹ֥ת (ramot) = Ramot | גִּלְעָ֛ד (gilad) = Gilead | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = tot strijd | אִם (im) = of | אֶחְדָּ֑ל (echdal) = zal ik afzien | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | עֲל֣וּ (alu) = trek op | וְהַצְלִ֔יחוּ (vehatslichu) = en wees succesvol | וְיִנָּתְנ֖וּ (veyinatenu) = en zij zullen worden gegeven | בְּיֶדְכֶֽם (beyedkhem) = in jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Micha herhaalt hier de woorden van de andere profeten. Het Hebreeuws heeft hier meervoudsvormen: ‘trek op’, ‘wees succesvol’ en ‘in jullie hand’. In 1 Kon. 22:15 staat: ‘Yahweh zal het in de hand van de koning geven’. Hier staat: ‘zij zullen in jullie hand worden gegeven’. Wij vertalen zoals het hier staat. Voetnoot : De koning reageert in vers 15 alsof Micha niet de waarheid spreekt. De tekst zegt niet hoe Micha het zegt. Zie ook: Pred 11:1; 1 Kon 22:15; 2 Kron 18:15; Amos 4:4–5; Klaagl 4:21; Mat 26:45 **18:15** De koning zei tegen hem: „Hoe vaak moet ik je laten zweren dat je mij in de naam van Yahweh niets dan waarheid spreekt?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַד (ad) = tot | כַּמֶּ֥ה (kame) = hoeveel | פְעָמִ֖ים (peamim) = keren | אֲנִ֣י (ani) = ik | מַשְׁבִּיעֶ֑ךָ (mashbiekha) = laat je zweren | אֲ֠שֶׁר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | תְדַבֵּ֥ר (tedaber) = je zult spreken | אֵלַ֛י (elay) = tot mij | רַק (raq) = alleen | אֱמֶ֖ת (emet) = waarheid | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = in de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 14:24; 1 Kon 22:16; Mat 26:63; Mar 5:7; Hand 19:13 ### Het visioen van Micha **18:16** Hij zei: „Ik zag heel Israël verspreid over de bergen, als kleinvee dat geen herder heeft. Yahweh zei: **‘Dezen hebben geen heren. Laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.’**” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | רָאִ֤יתִי (raiti) = ik zag | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | נְפוֹצִ֣ים (nefotsim) = verspreid | עַל (al) = op | הֶֽהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | כַּצֹּ֕אן (katson) = als kleinvee | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֵין (ein) = niet is | לָהֶ֖ן (lahen) = voor hen | רֹעֶ֑ה (roe) = herder | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | אֲדֹנִ֣ים (adonim) = heren | לָאֵ֔לֶּה (laele) = voor dezen | יָשׁ֥וּבוּ (yashuvu) = laat terugkeren | אִישׁ (ish) = man | לְבֵית֖וֹ (leveito) = naar zijn huis | בְּשָׁלֽוֹם (beshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint Micha te vertellen wat hij gezien heeft. De woorden van Yahweh in dit visioen (vers 16, 19, 20 en 21) staan in rood. De rest van het verhaal van Micha staat in zwart. Voetnoot : רֹעֶה (ro'eh), ‘herder’ en אֲדֹנִים (adonim), ‘heren’: het woord ‘heren’ staat in het meervoud. Wij vertalen letterlijk. ‘Als kleinvee dat geen herder heeft’ staat ook in Num. 27:17. In 1 Kon. 22:17 schrijven wij ‘schapen’. Zie ook: Num 27:17; 1 Kon 22:17; 2 Kron 18:19; 2 Kron 18:20; 2 Kron 18:21; Ezech 34:5–6; Ezech 34:8; Mat 9:36 **18:17** De koning van Israël zei tegen Josafat: „Heb ik je niet gezegd: Over mij profeteert hij nooit iets goeds, alleen kwaad?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוֹשָׁפָ֑ט (yehoshafat) = Josafat | הֲלֹא֙ (halo) = is het niet | אָמַ֣רְתִּי (amarti) = ik heb gezegd | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot jou | לֹא (lo) = niet | יִתְנַבֵּ֥א (yitnabe) = zal profeteren | עָלַ֛י (alay) = over mij | ט֖וֹב (tov) = goed | כִּ֥י (ki) = maar | אִם (im) = als | לְרָֽע (lera) = tot kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 29:1; 1 Kon 22:18; 2 Kron 18:7; Jer 43:2–3 **18:18** Micha zei: „Luister daarom naar het woord van Yahweh. Ik zag Yahweh zitten op Zijn troon. Heel het leger van de hemel stond aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand. Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָכֵ֖ן (lakhen) = daarom | שִׁמְע֣וּ (shimu) = luister | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | רָאִ֤יתִי (raiti) = ik zag | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zittend | עַל (al) = op | כִּסְא֔וֹ (kiso) = Zijn troon | וְכָל (vekhal) = en heel | צְבָ֤א (tseva) = leger van | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | עֹֽמְדִ֔ים (omedim) = staand | עַל (al) = aan | יְמִינ֖וֹ (yemino) = Zijn rechterhand | וּשְׂמֹאלֽוֹ (usemolo) = en Zijn linkerhand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier alleen ‘en hij zei’. Wij noemen Micha als spreker, zoals in 1 Kon. 22:19. Voetnoot : צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘leger van de hemel’: de hemelse wezens rondom de troon van Yahweh. Dit gedeelte tot en met vers 22 beschrijft een visioen: Micha ziet Yahweh en Zijn raad. Zie ook: Gen 32:2; Ps 103:20–21; 1 Kon 22:19–23; 2 Kron 18:22; Jes 6:1–5; Dan 7:9 **18:19** Yahweh zei: **‘Wie wil Achab, de koning van Israël, overhalen, zodat hij optrekt en bij Ramot in Gilead valt?’** De een zei dit en de ander zei dat. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | מִ֤י (mi) = wie | יְפַתֶּה֙ (yefate) = zal overhalen | אֶת (et) = (obj.) | אַחְאָ֣ב (achav) = Achab | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְיַ֕עַל (veyaal) = zodat hij optrekt | וְיִפֹּ֖ל (veyipol) = en valt | בְּרָמ֣וֹת (beramot) = bij Ramot | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | זֶ֚ה (ze) = de een | אֹמֵ֣ר (omer) = zegt | כָּ֔כָה (kakha) = zo | וְזֶ֖ה (veze) = en de ander | אֹמֵ֥ר (omer) = zegt | כָּֽכָה (kakha) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: פָּתָה (patah), ‘overhalen’: iemand door woorden meekrijgen, ook door misleiding. Dezelfde werkwoordsvorm staat in vers 20 en 21. Zie 1 Kon. 22:20. Zie ook: 1 Kon 22:20; 2 Kron 18:20; 2 Kron 18:21; 2 Kron 25:8; Jes 54:16; Ezech 14:9; 2 Tess 2:11–12 **18:20** Toen kwam de geest naar voren en ging staan voor het aangezicht van Yahweh. Hij zei: ‘Ik zal hem overhalen.’ Yahweh zei tegen hem: **‘Waarmee?’** Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en kwam naar voren | הָר֗וּחַ (haruach) = de geest | וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en stond | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אֲנִ֣י (ani) = ik | אֲפַתֶּ֑נּוּ (afatenu) = ik zal hem overhalen | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | בַּמָּֽה (bama) = waarmee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרוּחַ (haruach), ‘de geest’: met het lidwoord, dus een bepaalde geest. De tekst zegt niet welke geest het is en hoe hij heet. Wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter; het gaat niet om de Geest van Elohim. Zie ook: Job 1:6; Job 2:1; 2 Kor 11:3; 2 Kor 11:13–15 **18:21** Hij zei: ‘Ik ga eropuit en word een leugengeest in de mond van al zijn profeten.’ Hij zei: **‘Je zult hem overhalen en je zult het ook kunnen. Ga eropuit en doe zo.’** Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵצֵא֙ (etse) = ik zal uitgaan | וְהָיִ֨יתִי֙ (vehayiti) = en ik zal worden | לְר֣וּחַ (leruach) = tot een geest van | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | בְּפִ֖י (befi) = in de mond van | כָּל (kal) = alle | נְבִיאָ֑יו (neviav) = zijn profeten | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | תְּפַתֶּה֙ (tefate) = je zult overhalen | וְגַם (vegam) = en ook | תּוּכָ֔ל (tukhal) = je zult kunnen | צֵ֖א (tse) = ga uit | וַעֲשֵׂה (vaase) = en doe | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ שֶׁקֶר (ruach sheqer), ‘leugengeest’: letterlijk ‘een geest van leugen’. Yahweh zegt ‘je zult het ook kunnen’ en vers 22 zegt dat Yahweh de leugengeest in de mond van de profeten heeft gegeven. Wij vertalen letterlijk en leggen niets uit wat er niet staat. Zie ook 1 Sam. 16:14 (‘een boze geest van Yahweh’). Voetnoot : De woorden van Yahweh in het visioen staan in rood, de woorden van de geest in zwart. Zie ook: Re 9:23; 1 Sam 16:14; 1 Kon 22:21–22; 2 Kron 18:22; Joh 8:44; Openb 12:9; Openb 20:8 **18:22** Zie nu, Yahweh heeft een leugengeest gegeven in de mond van deze profeten van u. En Yahweh heeft onheil over u gesproken.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | נָתַ֤ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | בְּפִ֖י (befi) = in de mond van | נְבִיאֶ֣יךָ (nevieikha) = uw profeten | אֵ֑לֶּה (ele) = deze | וַֽיהוָ֔ה (vaYahweh) = en Yahweh | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = over u | רָעָֽה (raa) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier eindigt de toespraak van Micha, die in vers 18 begon. Hier staat niet ‘al deze profeten’ maar ‘deze profeten’; in 1 Kon. 22:23 staat ‘al deze profeten’. Zie ook: Job 12:16; 1 Kon 22:23; 2 Kron 18:17; 2 Kron 18:18; Jes 19:14; Ezech 14:9; 1 Tim 4:1–2 ### Zedekia slaat Micha **18:23** Zedekia, de zoon van Kenaäna, kwam naderbij en sloeg Micha op de kaak. Hij zei: „Langs welke weg is de Geest van Yahweh van mij weggegaan om met jou te spreken?” Brontekst: וַיִּגַּשׁ֙ (vayigash) = en kwam naderbij | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בֶֽן (ben) = zoon van | כְּנַעֲנָ֔ה (kenaana) = Kenaäna | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | מִיכָ֖יְהוּ (mikhayehu) = Micha | עַל (al) = op | הַלֶּ֑חִי (halechi) = de kaak | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אֵ֣י (ei) = waar | זֶ֤ה (ze) = dit | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | עָבַ֧ר (avar) = ging voorbij | רֽוּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאִתִּ֖י (meiti) = van mij | לְדַבֵּ֥ר (ledaber) = om te spreken | אֹתָֽךְ (otakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘Geest van Yahweh’: Zedekia zegt dat de Geest van Yahweh bij hem was. Hij geeft Micha daarmee een klap op de kaak. Wij schrijven ‘Geest’ met een hoofdletter, omdat het gaat om de Geest van Yahweh. Zie ook: 1 Kon 22:23–25; Jes 50:5–6; Jer 20:2; Mat 26:67–68; Mar 14:65 **18:24** Micha zei: „Zie, je zult het zien op die dag, wanneer je een kamer binnen een kamer ingaat om je te verbergen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מִיכָ֔יְהוּ (mikhayehu) = Micha | הִנְּךָ֥ (hinekha) = zie jij | רֹאֶ֖ה (roe) = ziend | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wanneer | תָּב֛וֹא (tavo) = je zult binnengaan | חֶ֥דֶר (cheder) = kamer | בְּחֶ֖דֶר (becheder) = in kamer | לְהֵחָבֵֽא (lehechave) = om je te verbergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶדֶר בְּחֶדֶר (cheder becheder), ‘kamer in kamer’: een binnenkamer, een schuilplaats. Micha spreekt hier tot Zedekia (vers 23). Zie 1 Kon. 22:25. Zie ook: 1 Kon 20:30; 1 Kon 22:25; 2 Kron 18:23; Jes 26:11; Jes 26:20; Jer 28:16–17; Jer 29:21–22 **18:25** De koning van Israël zei: „Neem Micha en breng hem terug naar Amon, de stadsoverste, en naar Joas, de zoon van de koning. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | קְחוּ֙ (qechu) = neem | אֶת (et) = (obj.) | מִיכָ֔יְהוּ (mikhayehu) = Micha | וַהֲשִׁיבֻ֖הוּ (vahashivuhu) = en breng hem terug | אֶל (el) = naar | אָמ֣וֹן (amon) = Amon | שַׂר (sar) = overste van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וְאֶל (veel) = en naar | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן־הַמֶּלֶךְ (ben hamelekh), ‘zoon van de koning’: de tekst zegt niet of dit een echte zoon is of een titel. Wij vertalen letterlijk. ‘Neem’ staat hier in het meervoud (קְחוּ). Zie ook: 2 Kron 18:8; 2 Kron 34:8; Jer 37:15–21; Jer 38:6–7; Hand 24:25–27 **18:26** Jullie moeten zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis. Geef hem brood van de nood en water van de nood, tot ik in vrede terugkom.” Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֗ם (vaamartem) = en jullie zullen zeggen | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | שִׂ֥ימוּ (simu) = zet | זֶ֖ה (ze) = deze | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַכֶּ֑לֶא (hakele) = de gevangenis | וְהַאֲכִלֻ֜הוּ (vehaakhiluhu) = en laat hem eten | לֶ֤חֶם (lechem) = brood van | לַ֨חַץ֙ (lachats) = nood | וּמַ֣יִם (umayim) = en water van | לַ֔חַץ (lachats) = nood | עַ֖ד (ad) = tot | שׁוּבִ֥י (shuvi) = mijn terugkeer | בְשָׁלֽוֹם (beshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם לַחַץ (lechem lachats), ‘brood van de nood’: een karig rantsoen, brood van onderdrukking. ‘Jullie moeten zeggen’ staat in het meervoud; in 1 Kon. 22:27 staat het enkelvoud. Zie ook: 1 Kon 22:27; 2 Kron 16:10; Luc 23:2; Hand 5:18; 2 Kor 11:23; Openb 11:10 **18:27** Micha zei: „Als u werkelijk in vrede terugkeert, heeft Yahweh niet door mij gesproken.” Hij zei: „Luister, alle volken!” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מִיכָ֔יְהוּ (mikhayehu) = Micha | אִם (im) = als | שׁ֤וֹב (shov) = terugkeren | תָּשׁוּב֙ (tashuv) = je zult terugkeren | בְּשָׁל֔וֹם (beshalom) = in vrede | לֹא (lo) = niet | דִבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בִּ֑י (bi) = door mij | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | שִׁמְע֖וּ (shimu) = luister | עַמִּ֥ים (amim) = volken | כֻּלָּֽם (kulam) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְעוּ עַמִּים כֻּלָּם (shim'u ammim kullam), ‘luister, alle volken’: dezelfde woorden staan in Micha 1:2. Zo staat het ook in 1 Kon. 22:28. Zie ook: 1 Kon 22:28; Amos 9:10; Mi 1:2; Mat 13:9; Mat 15:10; Luc 20:45–46 ### De dood van Achab **18:28** De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, trokken op naar Ramot in Gilead. Brontekst: וַיַּ֧עַל (vayaal) = en trok op | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוֹשָׁפָ֥ט (vihoshafat) = en Josafat | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = naar | רָמֹ֥ת (ramot) = Ramot | גִּלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: 1 Kon 22:29–33 **18:29** De koning van Israël zei tegen Josafat: „Ik ga mij verkleden en de strijd ingaan. Maar jij moet je eigen kleren aantrekken.” De koning van Israël verkleedde zich en zij gingen de strijd in. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | מֶ֨לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוֹשָׁפָ֗ט (yehoshafat) = Josafat | הִתְחַפֵּשׂ֙ (hitchapes) = mij verkleden | וָב֣וֹא (vavo) = en gaan | בַמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de strijd | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | לְבַ֣שׁ (levash) = trek aan | בְּגָדֶ֑יךָ (begadeikha) = je kleren | וַיִּתְחַפֵּשׂ֙ (vayitchapes) = en verkleedde zich | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij gingen | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat ‘en zij gingen de strijd in’, in het meervoud. In 1 Kon. 22:30 staat ‘en hij ging de strijd in’. Wij vertalen zoals het hier staat. Voetnoot : Achab verkleedt zich en laat Josafat zijn eigen kleren dragen. De tekst zegt niet waarom. Zie ook: 1 Sam 28:8; Spr 26:25; 1 Kon 20:38; 1 Kon 22:30; 2 Kron 35:22–23; Jer 23:24 **18:30** De koning van Aram had zijn wagencommandanten bevolen: „Val niemand aan, klein of groot, behalve alleen de koning van Israël.” Brontekst: וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en koning van | אֲרָ֡ם (aram) = Aram | צִוָּה֩ (tsiva) = beval | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֨י (sarei) = oversten van | הָרֶ֤כֶב (harekhev) = de wagens | אֲשֶׁר (asher) = die | לוֹ֙ (lo) = van hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹ֚א (lo) = niet | תִּלָּ֣חֲמ֔וּ (tilachamu) = jullie zullen strijden | אֶת (et) = (obj.) | הַקָּטֹ֖ן (haqaton) = klein | אֶת (et) = (obj.) | הַגָּד֑וֹל (hagadol) = groot | כִּ֛י (ki) = maar | אִֽם (im) = als | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְבַדּֽוֹ (levado) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Hier staat niet het getal tweeëndertig dat in 1 Kon. 22:31 staat. Wij vertalen zoals het hier staat. Zie ook: Gen 19:11; Deut 1:17; 1 Kon 20:33–34; 1 Kon 20:42; 1 Kon 22:31; 2 Kron 15:13 **18:31** Toen de wagencommandanten Josafat zagen, zeiden zij: „Dat is de koning van Israël!” Zij omsingelden hem om tegen hem te strijden. Josafat schreeuwde, en Yahweh hielp hem. Elohim zette hen ertoe aan van hem weg te gaan. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | כִּרְאוֹת֩ (kirot) = bij het zien van | שָׂרֵ֨י (sarei) = oversten van | הָרֶ֜כֶב (harekhev) = de wagens | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשָׁפָ֗ט (yehoshafat) = Josafat | וְהֵ֤מָּה (vehema) = en zij | אָֽמְרוּ֙ (ameru) = zeiden | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | ה֔וּא (hu) = hij | וַיָּסֹ֥בּוּ (vayasobu) = en zij omringden | עָלָ֖יו (alav) = hem | לְהִלָּחֵ֑ם (lehilachem) = om te strijden | וַיִּזְעַ֤ק (vayizaq) = en schreeuwde | יְהֽוֹשָׁפָט֙ (yehoshafat) = Josafat | וַֽיהוָ֣ה (vaYahweh) = en Yahweh | עֲזָר֔וֹ (azaro) = hielp hem | וַיְסִיתֵ֥ם (vaysitem) = en zette hen aan | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers heeft een toevoeging ten opzichte van 1 Kon. 22:32: ‘en Yahweh hielp hem. Elohim zette hen ertoe aan van hem weg te gaan.’ Het werkwoord ‘aanzetten’ (סוּת, sut) is hetzelfde als in vers 2. Voetnoot : Josafat schreeuwt. De tekst zegt niet tot wie hij roept. Het volgende zinsdeel zegt dat Yahweh hem hielp. Zie ook: Ps 46:2; Ps 46:12; Ps 118:13; Spr 21:1; 1 Kon 22:32; 2 Kron 13:14; 2 Kron 18:2 **18:32** Toen de wagencommandanten zagen dat het niet de koning van Israël was, keerden zij zich van hem af. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּרְאוֹת֙ (kirot) = bij het zien van | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de wagens | כִּ֥י (ki) = dat | לֹא (lo) = niet | הָיָ֖ה (haya) = was | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | מֵאַחֲרָֽיו (meacharav) = van achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 22:33 **18:33** Een man spande zijn boog zonder te mikken en trof de koning van Israël tussen de voegen en het pantser. Hij zei tegen de wagenmenner: „Draai om en breng mij uit het kamp, want ik ben gewond.” Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en een man | מָשַׁ֤ךְ (mashakh) = trok | בַּקֶּ֨שֶׁת֙ (baqeshet) = de boog | לְתֻמּ֔וֹ (letumo) = in zijn onschuld | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en trof | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַדְּבָקִ֖ים (hadevaqim) = de voegen | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַשִּׁרְיָ֑ן (hashiryan) = het pantser | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָֽרַכָּ֗ב (larakav) = tot de wagenmenner | הֲפֹ֧ךְ (hafokh) = keer om | יָדְךָ֛ (yadekha) = je hand | וְהוֹצֵאתַ֥נִי (vehotsetani) = en breng mij uit | מִן (min) = uit | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het kamp | כִּ֥י (ki) = want | הָחֳלֵֽיתִי (hacholeiti) = ik ben gewond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ידי, ‘mijn hand’; de gelezen tekst (qere) heeft יָדְךָ, ‘jouw hand’. Wij volgen de qere. Voetnoot : לְתֻמּוֹ (letummo), ‘zonder te mikken’: letterlijk ‘in zijn onschuld’ of ‘in zijn eenvoud’. De man trof de koning dus zonder dat hij wist wie het was. Voetnoot : הַדְּבָקִים (hadvaqim), ‘de voegen’: de betekenis is niet zeker; het gaat om de plek waar de delen van het pantser (הַשִּׁרְיָן, hashiryan) samenkomen. Zie ook: 2 Sam 15:11; 1 Kon 22:34–35; 2 Kron 35:23 **18:34** De strijd werd heftig op die dag. De koning van Israël hield zich rechtop in de wagen, tegenover Aram, tot de avond. Hij stierf op het moment dat de zon onderging. Brontekst: וַתַּ֤עַל (vataal) = en nam toe | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de strijd | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הָיָ֨ה (haya) = was | מַעֲמִ֧יד (maamid) = zich staande houdend | בַּמֶּרְכָּבָ֛ה (bamerkava) = in de wagen | נֹ֥כַח (nokhach) = tegenover | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וַיָּ֕מָת (vayamat) = en stierf | לְעֵ֖ת (leet) = op het moment van | בּ֥וֹא (bo) = het komen van | הַשָּֽׁמֶשׁ (hashamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: מַעֲמִיד (ma'amid), ‘hield zich rechtop’: de koning bleef rechtop staan in de wagen, tegenover Aram. In 1 Kon. 22:35 staat een lijdende vorm, ‘werd rechtgehouden’. Hier staat dat hij zichzelf staande hield. Voetnoot : Hier eindigt het verhaal met de dood van de koning bij zonsondergang. Dat de wagen werd afgespoeld en dat de honden zijn bloed likten (1 Kon. 22:38) staat in Kronieken niet. Zie ook: Num 32:23; Spr 13:21; Spr 28:17; 1 Kon 22:35; 1 Kon 22:38; 2 Kron 18:16; 2 Kron 18:27 ## 2 Kronieken 19 _Josafat stelt rechters aan_ ### Jehu berispt Josafat **19:1** Josafat, de koning van Juda, keerde in vrede terug naar zijn huis in Jeruzalem. Brontekst: וַ֠יָּשָׁב (vayashav) = en keerde terug | יְהוֹשָׁפָ֨ט (yehoshafat) = Josafat | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֧ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = naar | בֵּית֛וֹ (beito) = zijn huis | בְּשָׁל֖וֹם (beshalom) = in vrede | לִֽירוּשָׁלִָֽם (lirushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kron 18:31–32 **19:2** Jehu, de zoon van Chanani, de ziener, ging hem tegemoet. Hij zei tegen koning Josafat: „Moet je de goddeloze helpen? Moet je liefhebben wie Yahweh haten? Daarom rust er toorn op je van Yahweh. Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | אֶל (el) = naar | פָּנָ֗יו (panav) = zijn aangezicht | יֵה֣וּא (yehu) = Jehu | בֶן (ben) = zoon van | חֲנָ֘נִי֮ (chanani) = Chanani | הַחֹזֶה֒ (hachoze) = de ziener | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tegen | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | יְהוֹשָׁפָ֔ט (yehoshafat) = Josafat | הֲלָרָשָׁ֣ע (halarasha) = aan de goddeloze | לַעְזֹ֔ר (lazor) = om te helpen | וּלְשֹׂנְאֵ֥י (ulesoneei) = en wie haten | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תֶּאֱהָ֑ב (teehav) = heb je lief | וּבָזֹאת֙ (uvazot) = en hierom | עָלֶ֣יךָ (aleikha) = over jou | קֶּ֔צֶף (qetsef) = toorn | מִלִּפְנֵ֖י (milifnei) = van voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹזֶה (choze), ‘ziener’: iemand die ziet wat Yahweh laat zien. Jehu, de zoon van Chanani, komt ook voor in 1 Kon. 16:1. Zijn vader Chanani, ook een ziener, is in 2 Kron. 16:7–10 door Asa in de gevangenis gezet. Voetnoot : De goddeloze is Achab, met wie Josafat zich had verbonden (2 Kron. 18:1–3). Voetnoot : מִלִּפְנֵי יְהוָה (millifnei Yahweh), ‘van Yahweh’: letterlijk ‘van voor het aangezicht van Yahweh’. Zie ook: Ps 139:21–22; 1 Kon 16:1; 2 Kron 16:7–10; 2 Kron 18:1–3; 2 Kron 18:3; Jak 4:4; Ef 5:11; 2 Joh 1:10–11 **19:3** Toch zijn er ook goede dingen bij je gevonden. Want je hebt de heilige palen uit het land verwijderd. Je hebt je hart erop gericht Elohim te zoeken.” Brontekst: אֲבָ֕ל (aval) = maar | דְּבָרִ֥ים (devarim) = dingen | טוֹבִ֖ים (tovim) = goede | נִמְצְא֣וּ (nimtseu) = zijn gevonden | עִמָּ֑ךְ (imakh) = bij jou | כִּֽי (ki) = want | בִעַ֤רְתָּ (biarta) = je hebt verwijderd | הָאֲשֵׁרוֹת֙ (haasherot) = de heilige palen | מִן (min) = uit | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וַהֲכִינ֥וֹתָ (vahakhinota) = en je hebt gericht | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | לִדְרֹ֥שׁ (lidrosh) = om te zoeken | הָֽאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֵׁרוֹת (asherot), ‘heilige palen’: meervoud van אֲשֵׁרָה (asjerah), ‘heilige paal’. Dat is een houten paal of boom bij een heiligdom, ook de naam van een godin, Asjera. Zo vertalen wij het ook in Deut. 16:21. Voetnoot : בִּעַרְתָּ (bi’arta), ‘je hebt verwijderd’: letterlijk ‘je hebt weggebrand’, dus helemaal opgeruimd. Zie ook 2 Kron. 17:6. Voetnoot : הֲכִינוֹתָ לְבָבְךָ (hakhinota levavkha), ‘je hebt je hart erop gericht’: letterlijk ‘je hebt je hart vastgezet’. Hetzelfde werkwoord staat in 2 Kron. 20:33. Zie ook: Deut 16:21; 1 Kon 14:13; 2 Kron 12:12; 2 Kron 12:14; 2 Kron 17:6; 2 Kron 20:33; 2 Kron 30:19; Ezra 7:10 ### Josafat brengt het volk terug naar Yahweh **19:4** Josafat woonde in Jeruzalem. Daarna ging hij weer uit onder het volk, van Beër-Sjeba tot het bergland van Efraïm. Hij bracht hen terug naar Yahweh, de Elohim van hun vaderen. Brontekst: וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en woonde | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַיָּ֜שָׁב (vayashav) = en keerde weer | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | בָעָ֗ם (baam) = onder het volk | מִבְּאֵ֥ר (mibeer) = van Beër | שֶׁ֨בַע֙ (sheva) = Sjeba | עַד (ad) = tot | הַ֣ר (har) = berg | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וַיְשִׁיבֵ֕ם (vayshivem) = en bracht hen terug | אֶל (el) = naar | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: Beër-Sjeba lag in het uiterste zuiden van Juda, bij het huidige Tel Beër-Sjeva, vlak bij de stad Beër-Sjeba in Israël. Het bergland van Efraïm is het middengebied ten noorden van Juda, in het huidige Westelijke Jordaanoever. Voetnoot : De tekst noemt het zuidelijke en het noordelijke einde van het land: zo reisde Josafat door het hele gebied van zijn volk. Zie ook: 1 Sam 7:3–4; 2 Kron 15:8–13; 2 Kron 29:10–11; Mal 3:24; Luc 1:17 ### Rechters in de steden van Juda **19:5** Hij stelde rechters aan in het land, in alle versterkte steden van Juda, voor elke stad. Brontekst: וַיַּעֲמֵ֨ד (vayaamed) = en stelde aan | שֹֽׁפְטִ֜ים (shofetim) = rechters | בָּאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | בְּכָל (bekhal) = in alle | עָרֵ֧י (arei) = steden van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | הַבְּצֻר֖וֹת (habetsurot) = de versterkte | לְעִ֥יר (leir) = voor stad | וָעִֽיר (vair) = en stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit komt overeen met Deut. 16:18, waar Mozes gebiedt rechters en beambten aan te stellen in alle steden. Zie ook: Deut 16:18–20; 2 Kron 19:8; Rom 13:1–5; 1 Petr 2:13–14 **19:6** Hij zei tegen de rechters: „Let op wat jullie doen. Want jullie spreken geen recht voor mensen, maar voor Yahweh. Hij is bij jullie als het om recht gaat. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tegen | הַשֹּֽׁפְטִ֗ים (hashofetim) = de rechters | רְאוּ֙ (reu) = ziet | מָֽה (ma) = wat | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | עֹשִׂ֔ים (osim) = doende | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֧א (lo) = niet | לְאָדָ֛ם (leadam) = voor een mens | תִּשְׁפְּט֖וּ (tishpetu) = spreekt jullie recht | כִּ֣י (ki) = want | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְעִמָּכֶ֖ם (veimakhem) = en met jullie | בִּדְבַ֥ר (bidvar) = in de zaak van | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבַר מִשְׁפָּט (devar mishpat), ‘als het om recht gaat’: letterlijk ‘in de zaak van recht’. Het werkwoord ‘is’ ontbreekt; wij vullen het aan. Zie ook: Lev 19:15; Deut 1:17; Pred 5:7; Luc 12:15; Luc 21:8 **19:7** Laat daarom de schrik voor Yahweh op jullie rusten. Wees zorgvuldig en handel. Want bij Yahweh, onze Elohim, is geen onrecht, geen voortrekken van mensen en geen aannemen van steekpenningen.” Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | יְהִ֥י (yehi) = laat zijn | פַֽחַד (pachad) = schrik van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = over jullie | שִׁמְר֣וּ (shimru) = let op | וַעֲשׂ֔וּ (vaasu) = en doe | כִּֽי (ki) = want | אֵ֞ין (ein) = er is niet | עִם (im) = bij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | עַוְלָ֛ה (avla) = onrecht | וּמַשֹּׂ֥א (umaso) = en het opheffen van | פָנִ֖ים (panim) = gezicht | וּמִקַּח (umiqach) = en het aannemen van | שֹֽׁחַד (shochad) = geschenk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘schrik voor Yahweh’: het gaat om ontzag dat voor onrecht behoedt. In vers 9 staat een ander woord, יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘de vrees voor Yahweh’. Het woord pachad staat ook in 2 Kron. 17:10 en 20:29, waar de schrik van Yahweh of Elohim over de volken komt. Voetnoot : עַוְלָה (avlah), ‘onrecht’, מַשָּׂא פָנִים (massa fanim), ‘voortrekken’ (letterlijk ‘het opheffen van het gezicht’) en מִקַּח שֹׁחַד (miqqach shochad), ‘steekpenning aannemen’ (letterlijk ‘het aannemen van een geschenk’): zie Deut. 10:17 en 16:19. Zie ook: Gen 18:25; Deut 10:17–18; Deut 16:19; Deut 32:4; 2 Kron 17:10; 2 Kron 19:9; 2 Kron 20:29; Rom 2:11; Rom 9:14 ### Rechters in Jeruzalem **19:8** Ook in Jeruzalem stelde Josafat enkele Levieten en priesters aan, en enkele familiehoofden van Israël. Zij moesten het recht van Yahweh uitspreken en geschillen beslechten. Zij keerden terug naar Jeruzalem. Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | בִּ֠ירוּשָׁלִַם (birushalaim) = in Jeruzalem | הֶעֱמִ֨יד (heemid) = stelde aan | יְהוֹשָׁפָ֜ט (yehoshafat) = Josafat | מִן (min) = uit | הַלְוִיִּ֣ם (halviyim) = de Levieten | וְהַכֹּהֲנִ֗ים (vehakohanim) = en de priesters | וּמֵרָאשֵׁ֤י (umerashei) = en uit de hoofden van | הָאָבוֹת֙ (haavot) = de families | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = van Israël | לְמִשְׁפַּ֥ט (lemishpat) = voor het recht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלָרִ֑יב (velariv) = en voor geschil | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘geschil’: een rechtszaak tussen twee partijen. Zie ook Deut. 17:8–9, waar het hoogste gerecht bij de priesters en de rechter hoort. Voetnoot : וַיָּשֻׁבוּ (vayyashuvu), ‘zij keerden terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent ‘terugkeren’. Het kan ook gelezen worden als ‘zij woonden’ (van יָשַׁב, yashav). Wij volgen de klinkers van de tekst. Zie ook: Ex 18:19–26; Deut 17:8–13; Deut 25:1; 1 Kron 23:4; 2 Kron 17:8–9 **19:9** Hij gaf hun de opdracht: „Zo moeten jullie handelen, in de vrees voor Yahweh, met betrouwbaarheid en met een volledig hart. Brontekst: וַיְצַ֥ו (vaytsav) = en gebood | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = hun | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּ֤ה (ko) = zo | תַעֲשׂוּן֙ (taasun) = zullen jullie doen | בְּיִרְאַ֣ת (beyirat) = in de vrees voor | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּאֱמוּנָ֖ה (beemuna) = met betrouwbaarheid | וּבְלֵבָ֥ב (uvelevav) = en met hart | שָׁלֵֽם (shalem) = volledig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּאֱמוּנָה (be’emunah), ‘met betrouwbaarheid’: dat wat vaststaat en waarop men kan bouwen. Voetnoot : לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh blijft. Zie ook: Deut 1:16–17; 2 Sam 23:3; 2 Kron 19:7; Jes 11:3–5; Jes 32:1 **19:10** Er kan een geschil bij jullie komen van jullie broeders die in hun steden wonen. Het kan gaan om bloed tegen bloed, of om wet, gebod, voorschriften en rechtsregels. Dan moeten jullie hen waarschuwen, zodat zij zich niet schuldig maken tegenover Yahweh. Anders komt er toorn over jullie en over jullie broeders. Doe zo, dan maken jullie je niet schuldig. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | רִיב֩ (riv) = geschil | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָב֨וֹא (yavo) = komt | עֲלֵיכֶ֜ם (aleikhem) = naar jullie | מֵאֲחֵיכֶ֣ם (meacheikhem) = van jullie broeders | הַיֹּשְׁבִ֣ים (hayoshevim) = die wonen | בְּעָרֵיהֶ֗ם (beareihem) = in hun steden | בֵּֽין (bein) = tussen | דָּ֣ם (dam) = bloed | לְדָם֮ (ledam) = en bloed | בֵּין (bein) = tussen | תּוֹרָ֣ה (tora) = wet | לְמִצְוָה֮ (lemitsva) = en gebod | לְחֻקִּ֣ים (lechuqim) = en voorschriften | וּלְמִשְׁפָּטִים֒ (ulemishpatim) = en rechtsregels | וְהִזְהַרְתֶּ֣ם (vehizhartem) = en jullie zullen waarschuwen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יֶאְשְׁמוּ֙ (yeshemu) = zullen schuldig worden | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = tegenover Yahweh | וְהָֽיָה (vehaya) = en zal zijn | קֶ֥צֶף (qetsef) = toorn | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | וְעַל (veal) = en over | אֲחֵיכֶ֑ם (acheikhem) = jullie broeders | כֹּ֥ה (ko) = zo | תַעֲשׂ֖וּן (taasun) = zullen jullie doen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֶאְשָֽׁמוּ (teshamu) = zullen jullie schuldig worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderricht’. Hier staat het naast מִצְוָה (mitsvah), ‘gebod’, חֻקִּים (chuqqim), ‘voorschriften’, en מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’. Voetnoot : בֵּין דָּם לְדָם (bein dam ledam), ‘bloed tegen bloed’: zaken van bloedvergieten, zoals in Deut. 17:8. Zie ook: Num 17:11; Deut 17:8–13; Joz 22:18–20; Hand 20:31; 1 Tess 5:14 **19:11** Zie, Amarja, de hoofdpriester, is over jullie gesteld voor alles wat Yahweh aangaat. Zebadja, de zoon van Jisjmaël, de leider van het huis van Juda, is gesteld voor alles wat de koning aangaat. Ook de Levieten zijn voor jullie als beambten. Wees sterk en handel. Moge Yahweh met de goede zijn.” Brontekst: וְהִנֵּ֡ה (vehine) = en zie | אֲמַרְיָ֣הוּ (amaryahu) = Amarja | כֹהֵן֩ (kohen) = priester | הָרֹ֨אשׁ (harosh) = het hoofd | עֲלֵיכֶ֜ם (aleikhem) = over jullie | לְכֹ֣ל (lekhol) = voor alles | דְּבַר (devar) = wat betreft | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּזְבַדְיָ֨הוּ (uzevadyahu) = en Zebadja | בֶן (ben) = zoon van | יִשְׁמָעֵ֜אל (yishmael) = Jisjmaël | הַנָּגִ֤יד (hanagid) = de leider | לְבֵית (leveit) = van het huis van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | לְכֹ֣ל (lekhol) = voor alles | דְּבַר (devar) = wat betreft | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְשֹׁטְרִ֥ים (veshoterim) = en beambten | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | לִפְנֵיכֶ֑ם (lifneikhem) = voor jullie | חִזְק֣וּ (chizqu) = wees sterk | וַעֲשׂ֔וּ (vaasu) = en doe | וִיהִ֥י (vihi) = en moge zijn | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִם (im) = met | הַטּֽוֹב (hatov) = de goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֵן הָרֹאשׁ (hakkohen harosh), ‘de priester, het hoofd’: wij vertalen ‘hoofdpriester’. De ‘hogepriester’ (הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל, hakkohen hagadol) is een ander woord. Amarja komt ook voor in 1 Kron. 5:33. Voetnoot : נָגִיד (nagid), ‘leider’: de leider van de stam Juda. Voetnoot : יִשְׁמָעֵאל (Yishmael), ‘Jisjmaël’: dit is dezelfde naam als Ismaël, de zoon van Abraham. In 2 Kon. en 2 Kron. schrijven wij Jisjmaël. Zebadja is zijn zoon; zie ook 1 Kron. 8:38. Voetnoot : שֹׁטְרִים (shoterim), ‘beambten’: mensen die helpen het recht uit te voeren, zoals in Deut. 16:18. Voetnoot : וִיהִי יְהוָה עִם הַטּוֹב (vihi Yahweh im hattov), ‘moge Yahweh met de goede zijn’: de vorm kan ook betekenen ‘Yahweh zal met de goede zijn’. ‘De goede’ is wie goed handelt. Zie ook: Deut 16:18; 1 Kron 5:33; 1 Kron 8:38; Ps 18:26–27; Ps 37:23; 2 Kron 19:8; Fil 4:8–9; 2 Tim 2:1 ## 2 Kronieken 20 _De overwinning van Josafat zonder strijd_ ### Een grote menigte komt tegen Juda op **20:1** Daarna kwamen de zonen van Moab en de zonen van Ammon tegen Josafat op om oorlog te voeren. Met hen kwamen ook enkele Ammonieten. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | אַֽחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֡ן (ken) = zo | בָּ֣אוּ (bau) = kwamen | בְנֵי (benei) = zonen van | מוֹאָב֩ (moav) = Moab | וּבְנֵ֨י (uvenei) = en zonen van | עַמּ֜וֹן (amon) = Ammon | וְעִמָּהֶ֧ם (veimahem) = en met hen | מֵֽהָעַמּוֹנִ֛ים (mehaamonim) = van de Ammonieten | עַל (al) = tegen | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | לַמִּלְחָמָֽה (lamilchama) = voor oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit verhaal komt niet voor in 1 en 2 Koningen. Een verbond van volken tegen Israël met Moab en Ammon staat ook in Psalm 83:6–9. Voetnoot Lezing: מֵהָעַמּוֹנִים (mehaammonim), ‘enkele van de Ammonieten’: de zonen van Ammon zijn al genoemd, dus de tekst klinkt hier dubbel. Sommige oude vertalingen lezen een ander volk. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 83:6–9; 2 Kron 19:11; 2 Kron 32:1; Jes 8:9–10; Jes 16:6 **20:2** Men kwam en meldde aan Josafat: „Een grote menigte komt tegen je op van de overkant van de zee, uit Aram. Zie, zij zijn al in Chasason-Tamar.” Dat is En-Gedi. Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en kwamen | וַיַּגִּ֤ידוּ (vayagidu) = en meldden | לִֽיהוֹשָׁפָט֙ (lihoshafat) = aan Josafat | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בָּ֣א (ba) = is gekomen | עָלֶ֜יךָ (aleikha) = tegen jou | הָמ֥וֹן (hamon) = menigte | רָ֛ב (rav) = grote | מֵעֵ֥בֶר (meever) = van de overkant van | לַיָּ֖ם (layam) = de zee | מֵאֲרָ֑ם (mearam) = van Aram | וְהִנָּם֙ (vehinam) = en zie ze | בְּחַֽצְצ֣וֹן (bechatstson) = in Chasason | תָּמָ֔ר (tamar) = Tamar | הִ֖יא (hi) = het | עֵ֥ין (ein) = En | גֶּֽדִי (gedi) = Gedi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram (lezing; Edom?; ligging onzeker): In de Hebreeuwse tekst staat hier Aram. Sommige oude vertalingen hebben Edom, dat beter past bij Chasason-Tamar (En-Gedi). Dit is niet zeker. Zie En-Gedi: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Chasason-Tamar is hetzelfde als En-Gedi, zegt de tekst. Het lag aan de westkant van de Zoutzee, bij het huidige En Gedi in Israël. Zie ook Gen. 14:7. Voetnoot Lezing: מֵאֲרָם (me’aram), ‘uit Aram’: sommige oude vertalingen lezen hier ‘Edom’, wat beter past bij de ligging van En-Gedi en bij de volken in vers 10. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 14:7; Joz 3:16; Joz 15:62; 1 Sam 24:1; Hoogl 1:14; 2 Kron 20:10 ### Josafat zoekt Yahweh **20:3** Josafat werd bang. Hij richtte zich erop Yahweh te zoeken en riep een vasten uit voor heel Juda. Brontekst: וַיִּרָ֕א (vayira) = en werd bang | וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en richtte | יְהוֹשָׁפָ֛ט (yehoshafat) = Josafat | אֶת (et) = (obj.) | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | לִדְר֣וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = Yahweh | וַיִּקְרָא (vayiqra) = en riep uit | צ֖וֹם (tsom) = vasten | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּרָא (vayyira), ‘hij werd bang’: het werkwoord kan ook ‘hij zag’ betekenen, maar de vorm komt van יָרֵא (yare), ‘vrezen’. Voetnoot : צוֹם (tsom), ‘vasten’: een tijd zonder eten om Yahweh te zoeken. Zie ook: 2 Kron 19:3; Joël 1:14; Jona 3:5–9; Jer 36:9; Dan 9:3 **20:4** Juda kwam bijeen om bij Yahweh hulp te zoeken. Ook uit alle steden van Juda kwamen zij om Yahweh te zoeken. Brontekst: וַיִּקָּבְצ֣וּ (vayiqavetsu) = en kwamen bijeen | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לְבַקֵּ֖שׁ (levaqesh) = om te zoeken | מֵֽיְהוָ֑ה (meYahweh) = bij Yahweh | גַּ֚ם (gam) = ook | מִכָּל (mikal) = uit alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | בָּ֖אוּ (bau) = kwamen | לְבַקֵּ֥שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבַקֵּשׁ מֵיְהוָה (levaqqesh meYahweh), ‘bij Yahweh te zoeken’: het woord ‘hulp’ staat niet in het Hebreeuws; wij vullen het aan. In het tweede deel staat לְבַקֵּשׁ אֶת־יְהוָה (levaqqesh et Yahweh), ‘Yahweh te zoeken’. Zie ook: Ps 34:6–7; Ps 50:15; Ps 60:12–14; Ps 69:36; 2 Kron 19:5 ### Het gebed van Josafat **20:5** Josafat ging staan in de vergadering van Juda en Jeruzalem, in het huis van Yahweh, voor de nieuwe voorhof. Brontekst: וַיַּעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en stond | יְהוֹשָׁפָ֗ט (yehoshafat) = Josafat | בִּקְהַ֧ל (biqhal) = in de vergadering van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִַ֖ם (virushalaim) = en Jeruzalem | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | הֶחָצֵ֥ר (hechatser) = de voorhof | הַחֲדָשָֽׁה (hachadasha) = de nieuwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Nieuwe voorhof (ligging onzeker): De nieuwe voorhof was een deel van het tempelplein in Jeruzalem. De ligging binnen de tempel is niet bekend. Voetnoot Uitleg: De nieuwe voorhof lag bij het huis van Yahweh in Jeruzalem. De tekst zegt niet waar precies. Voetnoot : חָצֵר (chatser), ‘voorhof’: het open stuk rond het tempelgebouw. Zie ook: 2 Kon 19:15–19; 2 Kron 6:12–13; 2 Kron 34:31 **20:6** Hij zei: „Yahweh, Elohim van onze vaderen, bent U niet de Elohim in de hemel? U heerst over alle koninkrijken van de volken. In Uw hand zijn kracht en macht. Niemand kan tegen U standhouden. Brontekst: וַיֹּאמַ֗ר (vayomar) = en zei | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתֵ֨ינוּ֙ (avoteinu) = onze vaderen | הֲלֹ֨א (halo) = niet | אַתָּֽה (ata) = U | ה֤וּא (hu) = Hij | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בַּשָּׁמַ֔יִם (bashamayim) = in de hemel | וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | מוֹשֵׁ֔ל (moshel) = heerser | בְּכֹ֖ל (bekhol) = over alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וּבְיָדְךָ֙ (uveyadekha) = en in Uw hand | כֹּ֣חַ (koach) = kracht | וּגְבוּרָ֔ה (ugevura) = en macht | וְאֵ֥ין (veein) = en er is niet | עִמְּךָ֖ (imekha) = bij U | לְהִתְיַצֵּֽב (lehityatsev) = om stand te houden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 6–12 vormen één gebed. In vers 6 klinken de woorden van David in 1 Kron. 29:12 door (‘In Uw hand zijn kracht en macht’). De verzen 8–9 verwijzen naar het gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel (1 Kon. 8:33–37; 2 Kron. 6:28–30). Voetnoot : מוֹשֵׁל (moshel), ‘U heerst’: Yahweh regeert over de volken, niet alleen over Israël. Zie ook: Deut 4:39; Joz 2:11; 1 Kron 29:11–12; 1 Kron 29:12; Ps 47:9; 1 Kon 8:33–37; 2 Kron 6:28–30; Dan 4:14 **20:7** Bent U niet onze Elohim? U hebt de bewoners van dit land verdreven voor het aangezicht van Uw volk Israël. U hebt het voor eeuwig gegeven aan het nageslacht van Abraham, die U liefhad. Brontekst: הֲלֹ֣א (halo) = niet | אַתָּ֣ה (ata) = U | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הוֹרַ֨שְׁתָּ֙ (horashta) = U hebt verdreven | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵי֙ (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | מִלִּפְנֵ֖י (milifnei) = voor het aangezicht van | עַמְּךָ֣ (amekha) = Uw volk | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽתִּתְּנָ֗הּ (vatitenah) = en U gaf het | לְזֶ֛רַע (lezera) = aan het nageslacht van | אַבְרָהָ֥ם (avraham) = Abraham | אֹֽהַבְךָ֖ (ohavkha) = die U liefhad | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹהַבְךָ (ohavkha), ‘die U liefhad’: letterlijk ‘Uw liefhebber’ of ‘wie U liefheeft’. Hij wordt hier de vriend van Elohim genoemd. Zie ook Jes. 41:8. Voetnoot : De belofte van het land aan het nageslacht van Abraham staat in Gen. 12:7 en 15:18. Zie ook: Gen 12:7; Gen 15:18; Ps 44:3; Jes 41:8; Neh 9:8; Jak 2:23 **20:8** Zij woonden erin en bouwden daar voor U een heiligdom voor Uw naam. Zij zeiden: Brontekst: וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en woonden | בָ֑הּ (bah) = daarin | וַיִּבְנ֨וּ (vayivnu) = en bouwden | לְךָ֧ (lekha) = voor U | בָּ֛הּ (bah) = daarin | מִקְדָּ֖שׁ (miqdash) = heiligdom | לְשִׁמְךָ֥ (leshimkha) = voor Uw naam | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: een plaats die voor Yahweh is afgezonderd. Hier gaat het om de tempel (het huis van Yahweh) die Salomo bouwde. Zie ook: 2 Kron 2:3; 2 Kron 6:10 **20:9** ‘Als er onheil over ons komt, het zwaard, een oordeel, pest of honger, dan willen wij voor dit huis en voor U gaan staan. Want Uw naam is in dit huis. Dan roepen wij tot U uit onze nood, en U hoort en redt.’ Brontekst: אִם (im) = als | תָּב֨וֹא (tavo) = komt | עָלֵ֜ינוּ (aleinu) = over ons | רָעָ֗ה (raa) = onheil | חֶרֶב֮ (cherev) = zwaard | שְׁפוֹט֮ (shefot) = oordeel | וְדֶ֣בֶר (vedever) = en pest | וְרָעָב֒ (veraav) = en honger | נַֽעַמְדָ֞ה (naamda) = laten wij staan | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַזֶּה֙ (haze) = dit | וּלְפָנֶ֔יךָ (ulefaneikha) = en voor Uw aangezicht | כִּ֥י (ki) = want | שִׁמְךָ֖ (shimkha) = Uw naam | בַּבַּ֣יִת (babayit) = in het huis | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וְנִזְעַ֥ק (venizaq) = en laten wij roepen | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = tot U | מִצָּרָתֵ֖נוּ (mitsaratenu) = uit onze nood | וְתִשְׁמַ֥ע (vetishma) = en U hoort | וְתוֹשִֽׁיעַ (vetoshia) = en U redt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁפוֹט (shafot), ‘oordeel’: letterlijk ‘een oordeel’, een straf die Yahweh laat komen. In 1 Kon. 8:37 en 2 Kron. 6:28 staan soortgelijke rampen: honger, pest en de vijand. Voetnoot : נַעַמְדָה (na’amdah), ‘willen wij gaan staan’: de vorm is een uitnodiging aan onszelf, ‘laten wij gaan staan’. Het gaat om bidden voor het huis. Voetnoot : Het aangehaalde gebed van Salomo staat tussen enkele aanhalingstekens, omdat het binnen het gebed van Josafat staat. Zie ook: Ex 20:24; 1 Kon 8:33; 1 Kon 8:37; 2 Kron 6:20; 2 Kron 6:28–30; Mat 18:20 **20:10** En nu, zie: de zonen van Ammon en Moab en het bergland Seïr. Bij hen liet U Israël niet binnengaan, toen zij uit het land Egypte kwamen. Want zij weken van hen af en vernietigden hen niet. Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | הִנֵּה֩ (hine) = zie | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עַמּ֨וֹן (amon) = Ammon | וּמוֹאָ֜ב (umoav) = en Moab | וְהַר (vehar) = en het bergland | שֵׂעִ֗יר (seir) = Seïr | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | נָתַ֤תָּה (natata) = U gaf | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = aan Israël | לָב֣וֹא (lavo) = om binnen te gaan | בָהֶ֔ם (bahem) = bij hen | בְּבֹאָ֖ם (bevoam) = toen zij kwamen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֛י (ki) = want | סָ֥רוּ (saru) = zij weken af | מֵעֲלֵיהֶ֖ם (mealeihem) = van hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הִשְׁמִידֽוּם (hishmidum) = vernietigden zij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit verwijst naar de tocht van Israël uit Egypte. Yahweh verbood Israël toen om strijd te beginnen met Edom (Seïr), Moab en Ammon (Deut. 2:4–5, 9, 19). Voetnoot : Seïr is het bergland van Edom, ten zuiden en zuidoosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. Moab ligt ten oosten van de Zoutzee en Ammon rond het huidige Amman. Zie ook: Deut 2:4–5; Deut 2:9; Deut 2:19; Re 11:15–18; 2 Kron 20:1 **20:11** Zie, zij vergelden het ons. Zij komen om ons te verdrijven uit Uw erfbezit, dat U ons hebt laten erven. Brontekst: וְהִ֨נֵּה (vehine) = en zie | הֵ֔ם (hem) = zij | גֹּמְלִ֖ים (gomelim) = vergelden | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = ons | לָבוֹא֙ (lavo) = door te komen | לְגָ֣רְשֵׁ֔נוּ (legareshenu) = om ons te verdrijven | מִיְּרֻשָּׁתְךָ֖ (miyerushatekha) = uit Uw erfbezit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הֽוֹרַשְׁתָּֽנוּ (horashtanu) = U ons hebt laten erven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּמַל (gamal), ‘vergelden’: het werkwoord kan goed of kwaad betekenen, naar wat iemand eerder deed. Hier is het vergelden slecht, want zij komen om Juda te verdrijven. Voetnoot : מוֹרָשָׁה (morashah), ‘erfbezit’: een bezit dat men ontvangt en dat blijft. Het is van dezelfde stam als ‘laten erven’ in het slot van het vers. Zie ook: Re 11:23–24; Ps 35:12; Ps 83:4–13; Spr 17:13; Jer 18:20 **20:12** Onze Elohim, wilt U hen niet oordelen? Want wij hebben geen kracht tegenover deze grote menigte die tegen ons optrekt. Wij weten niet wat wij moeten doen. Maar onze ogen zijn op U gericht.” Brontekst: אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | הֲלֹ֣א (halo) = niet | תִשְׁפָּט (tishpat) = wilt U oordelen | בָּ֔ם (bam) = hen | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = er is niet | בָּ֨נוּ֙ (banu) = in ons | כֹּ֔חַ (koach) = kracht | לִ֠פְנֵי (lifnei) = voor het aangezicht van | הֶהָמ֥וֹן (hehamon) = de menigte | הָרָ֛ב (harav) = grote | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | הַבָּ֣א (haba) = die komt | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = tegen ons | וַאֲנַ֗חְנוּ (vaanachnu) = en wij | לֹ֤א (lo) = niet | נֵדַע֙ (neda) = weten | מַֽה (ma) = wat | נַּעֲשֶׂ֔ה (naase) = zullen doen | כִּ֥י (ki) = maar | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = op U | עֵינֵֽינוּ (eineinu) = onze ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּשְׁפָּט־בָּם (tishpot bam), ‘wilt U hen oordelen’: Juda vraagt Yahweh om recht te doen. Het is een vraag die ‘ja’ verwacht. Zie ook: Deut 32:36; Ps 25:15; Ps 121:1–2; Ps 123:1–2; Ps 141:8 **20:13** Heel Juda stond voor het aangezicht van Yahweh, ook hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen. Brontekst: וְכָ֨ל (vekhal) = en heel | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עֹמְדִ֖ים (omedim) = staande | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גַּם (gam) = ook | טַפָּ֖ם (tapam) = hun kleine kinderen | נְשֵׁיהֶ֥ם (nesheihem) = hun vrouwen | וּבְנֵיהֶֽם (uveneihem) = en hun zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַפָּם (tappam), ‘hun kleine kinderen’: hetzelfde Hebreeuwse woord als in Exod. 10:10. De hele gemeenschap staat er, zelfs de jongsten. Zie ook: Ex 10:10; Deut 29:9; Jona 3:5; Ezra 10:1; Hand 21:5 ### Het woord van Jachaziël **20:14** Jachaziël was de zoon van Zacharia, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïël, de zoon van Mattanja. Hij was een Leviet, uit de zonen van Asaf. Midden in de vergadering kwam de Geest van Yahweh over hem. Brontekst: וְיַחֲזִיאֵ֡ל (veyachaziel) = en Jachaziël | בֶּן (ben) = zoon van | זְכַרְיָ֡הוּ (zekharyahu) = Zacharia | בֶּן (ben) = zoon van | בְּ֠נָיָה (benaya) = Benaja | בֶּן (ben) = zoon van | יְעִיאֵ֧ל (yeiel) = Jeïël | בֶּן (ben) = zoon van | מַתַּנְיָ֛ה (matanya) = Mattanja | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Leviet | מִן (min) = uit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אָסָ֑ף (asaf) = Asaf | הָיְתָ֤ה (hayeta) = kwam | עָלָיו֙ (alav) = over hem | ר֣וּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | הַקָּהָֽל (haqahal) = de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst noemt eerst de naam en de voorvaderen van Jachaziël. Het werkwoord ‘kwam’ staat in het Hebreeuws achteraan. Voetnoot : Jachaziël is een Leviet uit de familie van Asaf (1 Kron. 15:17). Voetnoot : רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de Geest van Yahweh’: wij schrijven Geest met een hoofdletter. Zie ook: 1 Kron 15:17; 2 Kron 15:1; 2 Kron 24:20; Jes 65:24; Dan 9:20–21; Hand 10:4 **20:15** Hij zei: „Luister, heel Juda, inwoners van Jeruzalem en koning Josafat. Zo zegt Yahweh tegen jullie: ‘Wees niet bang en schrik niet terug voor deze grote menigte. Want de strijd is niet van jullie, maar van Elohim. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הַקְשִׁ֤יבוּ (haqshivu) = luistert | כָל (kal) = heel | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְהַמֶּ֖לֶךְ (vehamelekh) = en koning | יְהוֹשָׁפָ֑ט (yehoshafat) = Josafat | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֗ם (lakhem) = tegen jullie | אַ֠תֶּם (atem) = jullie | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֤וּ (tireu) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחַ֨תּוּ֙ (techatu) = schrik terug | מִפְּנֵ֨י (mipenei) = vanwege | הֶהָמ֤וֹן (hehamon) = de menigte | הָרָב֙ (harav) = grote | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | לָכֶ֛ם (lakhem) = van jullie | הַמִּלְחָמָ֖ה (hamilchama) = de strijd | כִּ֥י (ki) = maar | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = van Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Jachaziël spreekt namens Yahweh. Hij zegt ‘Zo zegt Yahweh’. Zijn woorden staan daarom niet in rood, maar in zwart met enkele aanhalingstekens, zoals bij profeten in 1 Kon. 22:11. Zie ook: Ex 14:13–14; Deut 31:6; Deut 31:8; 1 Sam 17:47; 1 Kon 22:11; 2 Kron 32:7–8 **20:16** Morgen moeten jullie tegen hen afdalen. Zie, zij komen omhoog via de klim van Ziz. Jullie zullen hen vinden aan het einde van het beekdal, tegenover de woestijn van Jeruël. Brontekst: מָחָר֙ (machar) = morgen | רְד֣וּ (redu) = daal af | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | הִנָּ֥ם (hinam) = zie ze | עֹלִ֖ים (olim) = komen op | בְּמַעֲלֵ֣ה (bemaale) = via de klim van | הַצִּ֑יץ (hatsits) = Ziz | וּמְצָאתֶ֤ם (umetsatem) = en jullie zullen vinden | אֹתָם֙ (otam) = hen | בְּס֣וֹף (besof) = aan het einde van | הַנַּ֔חַל (hanachal) = het beekdal | פְּנֵ֖י (penei) = tegenover | מִדְבַּ֥ר (midbar) = woestijn van | יְרוּאֵֽל (yeruel) = Jeruël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Klim van Ziz (ligging onzeker): De klim van Ziz was het pad van de Zoutzee bij En-Gedi omhoog naar de hoogvlakte van Tekoa. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: De klim van Ziz (מַעֲלֵה הַצִּיץ, ma’aleh hatsits) liep waarschijnlijk van de Zoutzee, bij En-Gedi, omhoog naar de hoogvlakte van Tekoa. De woestijn van Jeruël lag aan het einde van het beekdal. De ligging is onzeker. Voetnoot : נַחַל (nachal), ‘beekdal’: een dal waar bij regen water stroomt, en dat anders droog is. **20:17** Het is niet aan jullie om hierin te strijden. Neem jullie plaats in, blijf staan en zie de redding van Yahweh, die met jullie is. Juda en Jeruzalem, wees niet bang en schrik niet terug. Trek morgen tegen hen uit. Yahweh is met jullie.’” Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְהִלָּחֵ֣ם (lehilachem) = om te strijden | בָּזֹ֑את (bazot) = in dit | הִתְיַצְּב֣וּ (hityatsevu) = neem plaats in | עִמְד֡וּ (imdu) = blijf staan | וּרְא֣וּ (ureu) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | יְשׁוּעַת֩ (yeshuat) = de redding van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶ֜ם (imakhem) = met jullie | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | וִֽירוּשָׁלִַ֗ם (virushalaim) = en Jeruzalem | אַל (al) = niet | תִּֽירְאוּ֙ (tireu) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחַ֔תּוּ (techatu) = schrik terug | מָחָר֙ (machar) = morgen | צְא֣וּ (tseu) = trek uit | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = tegenover hen | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הִתְיַצְּבוּ עִמְדוּ וּרְאוּ אֶת־יְשׁוּעַת יְהוָה (hityatsvu imdu ure’u et yeshuat Yahweh), ‘neem jullie plaats in, blijf staan en zie de redding van Yahweh’: bijna dezelfde woorden als Mozes sprak bij de Rietzee (Exod. 14:13). Zie ook: Ex 14:13–14; Ps 46:11–12; 2 Kron 15:2; Jes 41:10; Mat 28:20 ### Aanbidding en vertrouwen **20:18** Josafat boog zijn gezicht naar de grond. Heel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neer voor het aangezicht van Yahweh en wierpen zich voor Yahweh neer. Brontekst: וַיִּקֹּ֧ד (vayiqod) = en boog zich | יְהוֹשָׁפָ֛ט (yehoshafat) = Josafat | אַפַּ֖יִם (apayim) = gezicht | אָ֑רְצָה (aretsa) = naar de grond | וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָ֞ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | נָֽפְלוּ֙ (nafelu) = vielen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֖ת (lehishtachavot) = om zich neer te werpen | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיִּקֹּד (vayyiqqod), ‘hij boog’: het buigen van het hoofd. Daarna volgt het diepere neerwerpen met het gezicht naar de grond (‘zich neerwerpen’). Zie ook: Gen 24:26; Job 1:20; Ex 4:31; Ps 95:6; 2 Kron 7:3 **20:19** De Levieten uit de zonen van de Kehatieten en uit de zonen van de Korachieten stonden op. Zij prezen Yahweh, de Elohim van Israël, met een zeer luide stem. Brontekst: וַיָּקֻ֧מוּ (vayaqumu) = en stonden op | הַלְוִיִּ֛ם (halviyim) = de Levieten | מִן (min) = uit | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הַקְּהָתִ֖ים (haqehatim) = de Kehatieten | וּמִן (umin) = en uit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הַקָּרְחִ֑ים (haqarechim) = de Korachieten | לְהַלֵּ֗ל (lehalel) = om te prijzen | לַיהוָה֙ (laYahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּק֥וֹל (beqol) = met stem | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | לְמָֽעְלָה (lemaela) = omhoog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Kehatieten en de Korachieten zijn Levitische families. Korach was een Kehatiet (Num. 16:1). Wie in de tempel zong, kwam uit deze families. Voetnoot : לְמַעְלָה (lemalah), ‘omhoog’: wij lezen het als versterking van ‘met een luide stem’. Zie ook: Num 16:1; 1 Kron 15:16–22; 1 Kron 16:5; 1 Kron 16:42; 1 Kron 23:5; 2 Kron 5:13 ### Lofzang voor het leger uit **20:20** Zij stonden vroeg op in de ochtend en trokken uit naar de woestijn van Tekoa. Toen zij uittrokken, ging Josafat staan. Hij zei: „Luister naar mij, Juda en inwoners van Jeruzalem. Vertrouw op Yahweh, jullie Elohim, dan zullen jullie standhouden. Vertrouw op Zijn profeten, dan zal het jullie lukken.” Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ (vayashkimu) = en stonden vroeg op | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de ochtend | וַיֵּצְא֖וּ (vayetseu) = en gingen uit | לְמִדְבַּ֣ר (lemidbar) = naar de woestijn van | תְּק֑וֹעַ (teqoa) = Tekoa | וּבְצֵאתָ֞ם (uvetsetam) = en bij hun uittrekken | עָמַ֣ד (amad) = stond | יְהוֹשָׁפָ֗ט (yehoshafat) = Josafat | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | שְׁמָע֗וּנִי (shemauni) = luistert naar mij | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הַאֲמִ֜ינוּ (haaminu) = vertrouwt | בַּיהוָ֤ה (baYahweh) = op Yahweh | אֱלֹהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | וְתֵ֣אָמֵ֔נוּ (veteamenu) = en jullie zullen vaststaan | הַאֲמִ֥ינוּ (haaminu) = vertrouwt | בִנְבִיאָ֖יו (binviav) = op Zijn profeten | וְהַצְלִֽיחוּ (vehatslichu) = en jullie zullen slagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Woestijn van Tekoa: De woestijn van Tekoa is het deel van de woestijn van Juda ten oosten van Tekoa (Khirbet Tuqu’). Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Tekoa lag ongeveer 17 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, bij het huidige Khirbet Tuqu’, op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot : הַאֲמִינוּ (ha’aminu), ‘vertrouw’, en תֵאָמֵנוּ (te’amenu), ‘jullie zullen standhouden’ (letterlijk ‘jullie zullen vaststaan’): beide woorden komen van dezelfde stam. Zo’n woordspel staat ook in Jes. 7:9. Zie ook: Jes 7:9; Luc 16:31; Joh 11:40; Joh 14:1; Rom 8:31; Heb 11:6 **20:21** Hij overlegde met het volk en stelde zangers aan voor Yahweh, die Hem prezen in heilige pracht. Zij trokken voor de gewapende mannen uit en zeiden: „Dank Yahweh, want Zijn trouw is voor eeuwig.” Brontekst: וַיִּוָּעַץ֙ (vayivaats) = en overlegde | אֶל (el) = met | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיַּעֲמֵ֤ד (vayaamed) = en stelde aan | מְשֹֽׁרֲרִים֙ (meshorarim) = zangers | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּֽמְהַֽלְלִ֖ים (umehallim) = en loveners | לְהַדְרַת (lehadrat) = in de pracht van | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | בְּצֵאת֙ (betset) = bij het uittrekken | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הֶֽחָל֔וּץ (hechaluts) = de gewapenden | וְאֹֽמְרִים֙ (veomerim) = en zeggenden | הוֹד֣וּ (hodu) = dankt | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | חַסְדּֽוֹ (chasdo) = Zijn trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het refrein הוֹדוּ לַיהוָה כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (hodu laYahweh ki leolam chasdo), ‘Dank Yahweh, want Zijn trouw is voor eeuwig’, staat ook in Ps. 106:1, 118:1 en 136:1. Voetnoot : הֲדְרַת־קֹדֶשׁ (hadrat qodesh), ‘heilige pracht’: zie ook 1 Kron. 16:29. Voetnoot : הֶחָלוּץ (hechalutz), ‘de gewapende mannen’: de mannen die vooraan lopen, uitgerust voor de strijd. Zie ook: 1 Kron 16:29; 1 Kron 16:34; Ps 106:1; Ps 107:1; Ps 118:1; Ps 136:1; 2 Kron 5:13 ### Yahweh verslaat de vijanden **20:22** Toen zij met jubelzang en lofzang begonnen, stelde Yahweh hinderlagen op tegen de zonen van Ammon, Moab en het bergland Seïr. Zij waren tegen Juda gekomen. Zij werden verslagen. Brontekst: וּבְעֵת֩ (uveet) = en op het moment | הֵחֵ֨לּוּ (hechelu) = zij begonnen | בְרִנָּ֜ה (berina) = met jubelzang | וּתְהִלָּ֗ה (utehila) = en lofzang | נָתַ֣ן (natan) = stelde | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | מְ֠אָֽרְבִים (mearevim) = hinderlagen | עַל (al) = tegen | בְּנֵ֨י (benei) = zonen van | עַמּ֜וֹן (amon) = Ammon | מוֹאָ֧ב (moav) = Moab | וְהַר (vehar) = en het bergland | שֵׂעִ֛יר (seir) = Seïr | הַבָּאִ֥ים (habaim) = die kwamen | לִֽיהוּדָ֖ה (lihuda) = tegen Juda | וַיִּנָּגֵֽפוּ (vayinagefu) = en zij werden verslagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מְאָרְבִים (me’arvim), ‘hinderlagen’: letterlijk ‘wie in hinderlaag liggen’. De tekst zegt niet wie het waren: mensen of hemelse wezens. Wij laten dat open. Zie ook: Re 7:22; 1 Sam 14:20; 2 Kon 6:17; Jes 19:2; Ezech 38:21 **20:23** De zonen van Ammon en Moab stonden op tegen de bewoners van het bergland Seïr. Zij wilden hen onder de ban brengen en vernietigen. Toen zij met de bewoners van Seïr klaar waren, hielp ieder mee om zijn naaste te vernietigen. Brontekst: וַ֠יַּֽעַמְדוּ (vayaamdu) = en stonden op | בְּנֵ֨י (benei) = zonen van | עַמּ֧וֹן (amon) = Ammon | וּמוֹאָ֛ב (umoav) = en Moab | עַל (al) = tegen | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | הַר (har) = het bergland | שֵׂעִ֖יר (seir) = Seïr | לְהַחֲרִ֣ים (lehacharim) = om onder de ban te brengen | וּלְהַשְׁמִ֑יד (ulehashmid) = en te vernietigen | וּכְכַלּוֹתָם֙ (ukhekhalotam) = en toen zij klaar waren | בְּיוֹשְׁבֵ֣י (beyoshevei) = met de bewoners van | שֵׂעִ֔יר (seir) = Seïr | עָזְר֥וּ (azeru) = hielpen | אִישׁ (ish) = ieder | בְּרֵעֵ֖הוּ (bereehu) = zijn naaste | לְמַשְׁחִֽית (lemashchit) = tot vernietiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: לְהַחֲרִים (lehacharim), ‘onder de ban te brengen’: het woord komt van חֵרֶם (cherem), ‘de ban’: het volledig wijden aan vernietiging, zoals in Deut. 7:2. Voetnoot : עָזְרוּ אִישׁ בְּרֵעֵהוּ (azru ish bereehu), ‘ieder hielp mee om zijn naaste’: zij hielpen elkaar, maar tot verderf. Zo vernietigden zij zichzelf. Zie ook: Gen 36:8–9; Deut 7:2; Joz 24:4; Re 7:22; 1 Sam 14:20; Ezech 35:2–3 **20:24** Juda kwam bij de uitkijkpost in de woestijn. Zij keerden zich naar de menigte. Zie, daar lagen lijken, op de grond gevallen. Niemand was ontkomen. Brontekst: וִֽיהוּדָ֛ה (vihuda) = en Juda | בָּ֥א (ba) = kwam | עַל (al) = bij | הַמִּצְפֶּ֖ה (hamitspe) = de uitkijkpost | לַמִּדְבָּ֑ר (lamidbar) = in de woestijn | וַיִּפְנוּ֙ (vayifnu) = en zij wendden zich | אֶל (el) = naar | הֶ֣הָמ֔וֹן (hehamon) = de menigte | וְהִנָּ֧ם (vehinam) = en zie ze | פְּגָרִ֛ים (pegarim) = lijken | נֹפְלִ֥ים (nofelim) = gevallen | אַ֖רְצָה (artsa) = naar de grond | וְאֵ֥ין (veein) = en er was niet | פְּלֵיטָֽה (peleita) = ontkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Uitkijkpost in de woestijn (ligging onzeker): De uitkijkpost lag op een hoogte in de woestijn van Juda. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: De uitkijkpost (הַמִּצְפֶּה, hammitspeh) lag in de woestijn van Juda. Welke hoogte bedoeld is, is niet bekend. Voetnoot : פְּגָרִים (pegarim), ‘lijken’: dezelfde letters als in vers 25. Zie ook: Ex 14:30; 1 Kron 5:22; Ps 110:6; 2 Kron 20:25; Jes 37:36; Ezra 9:14 **20:25** Josafat en zijn volk kwamen om te plunderen en hun buit weg te halen. Zij vonden bij hen volop bezittingen, lijken en kostbare voorwerpen. Zij roofden zoveel dat zij het niet konden dragen. Drie dagen lang waren zij bezig de buit te plunderen, want die was groot. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | יְהוֹשָׁפָ֣ט (yehoshafat) = Josafat | וְעַמּוֹ֮ (veamo) = en zijn volk | לָבֹ֣ז (lavoz) = om te plunderen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלָלָם֒ (shelalam) = hun buit | וַיִּמְצְאוּ֩ (vayimtseu) = en zij vonden | בָהֶ֨ם (bahem) = bij hen | לָרֹ֜ב (larov) = in overvloed | וּרְכ֤וּשׁ (urekhush) = en bezittingen | וּפְגָרִים֙ (ufegarim) = en lijken | וּכְלֵ֣י (ukhelei) = en voorwerpen van | חֲמֻד֔וֹת (chamudot) = kostbaarheden | וַיְנַצְּל֥וּ (vaynatselu) = en zij ontdeden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zichzelf | לְאֵ֣ין (leein) = tot er niet was | מַשָּׂ֑א (masa) = dragen | וַיִּֽהְי֞וּ (vayihyu) = en zij waren | יָמִ֧ים (yamim) = dagen | שְׁלוֹשָׁ֛ה (shelosha) = drie | בֹּזְזִ֥ים (bozezim) = plunderend | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁלָ֖ל (hashalal) = de buit | כִּ֥י (ki) = want | רַב (rav) = groot | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְנַצְּלוּ לָהֶם (vayenatselu lahem), ‘zij roofden’: letterlijk ‘zij ontdeden voor zichzelf’, zij haalden alles weg. Voetnoot Lezing: פְּגָרִים (pegarim), ‘lijken’: sommige oude vertalingen lezen hier ‘kleren’ (בגדים). Dat past bij ‘kostbare voorwerpen’ in de rij van de buit. Wij volgen de Masoretische tekst en laten het open. Zie ook: Num 31:15; 1 Sam 30:19–20; Spr 3:15; 2 Kon 7:9–16; Ezech 39:8–9 ### Het dal van Beracha **20:26** Op de vierde dag kwamen zij bijeen in het dal van Beracha, want daar zegenden zij Yahweh. Daarom noemde men die plaats het dal van Beracha, tot op deze dag. Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הָרְבִעִ֗י (harevii) = de vierde | נִקְהֲלוּ֙ (niqhalu) = zij kwamen bijeen | לְעֵ֣מֶק (leemeq) = in het dal van | בְּרָכָ֔ה (berakha) = Beracha | כִּי (ki) = want | שָׁ֖ם (sham) = daar | בֵּרֲכ֣וּ (berakhu) = zegenden zij | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = daarom | כֵּ֡ן (ken) = zo | קָֽרְא֞וּ (qareu) = zij noemden | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֨ם (shem) = naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֛וּא (hahu) = die | עֵ֥מֶק (emeq) = dal van | בְּרָכָ֖ה (berakha) = Beracha | עַד (ad) = tot | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Beracha (Khirbet Berekut): Het dal van Beracha (‘zegen’) wordt gezocht bij Khirbet Berekut, tussen Tekoa en Hebron. Voetnoot Uitleg: Het dal van Beracha lag waarschijnlijk bij het huidige Khirbet Berekut, tussen Tekoa en Hebron, ten zuiden van Betlehem op de Westelijke Jordaanoever. De naam leeft in de plaatsnaam voort. Voetnoot : בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: het werkwoord בֵּרְכוּ (berekhu), ‘zij zegenden’, heeft dezelfde stam. De plaats is zo genoemd. Zie ook: Gen 32:20; Ex 17:15; 2 Kron 5:9; Jes 62:4; Luc 1:68 **20:27** Alle mannen van Juda en Jeruzalem keerden om, met Josafat aan hun hoofd. Zij gingen vol vreugde terug naar Jeruzalem. Want Yahweh had hen verblijd over hun vijanden. Brontekst: וַ֠יָּשֻׁבוּ (vayashuvu) = en keerden terug | כָּל (kal) = alle | אִ֨ישׁ (ish) = mannen van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | וִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙ (virushalaim) = en Jeruzalem | וִֽיהוֹשָׁפָ֣ט (vihoshafat) = en Josafat | בְּרֹאשָׁ֔ם (berosham) = aan hun hoofd | לָשׁ֥וּב (lashuv) = om terug te keren | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בְּשִׂמְחָ֑ה (besimcha) = met vreugde | כִּֽי (ki) = want | שִׂמְּחָ֥ם (simecham) = had verblijd hen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵֽאוֹיְבֵיהֶֽם (meoyeveihem) = over hun vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt twee keer het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’: ‘zij keerden terug om terug te keren’. Wij vertalen ‘keerden om’ en ‘gingen terug’. Zie ook: 1 Sam 2:1; Ps 20:6; Ps 30:2; Jes 51:11; Neh 12:43 **20:28** Zij kwamen in Jeruzalem aan, met harpen, lieren en trompetten, bij het huis van Yahweh. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בִּנְבָלִ֥ים (binvalim) = met harpen | וּבְכִנֹּר֖וֹת (uvekhinorot) = en met lieren | וּבַחֲצֹצְר֑וֹת (uvachatsotserot) = en met trompetten | אֶל (el) = naar | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Harpen (נְבָלִים, nevalim), lieren (כִּנּוֹרוֹת, kinnorot) en trompetten (חֲצֹצְרוֹת, chatsotserot): dezelfde instrumenten als in 1 Kron. 16:5–6. Zie ook: 1 Kron 16:5–6; 1 Kron 23:5; 1 Kron 25:6; Ps 149:3; Ps 150:3–5; Openb 14:2–3 **20:29** De schrik van Elohim kwam over alle koninkrijken van de landen, toen zij hoorden dat Yahweh had gestreden tegen de vijanden van Israël. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en was | פַּ֣חַד (pachad) = schrik van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | עַ֖ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | בְּשָׁמְעָ֕ם (beshameam) = bij hun horen | כִּ֚י (ki) = dat | נִלְחַ֣ם (nilcham) = had gestreden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עִ֖ם (im) = met | אוֹיְבֵ֥י (oyevei) = vijanden van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַד אֱלֹהִים (pachad Elohim), ‘de schrik van Elohim’: een schrik die Elohim zelf over de volken brengt. Zie ook 2 Kron. 17:10, ‘de schrik van Yahweh’, en 19:7, ‘schrik voor Yahweh’. Zie ook: Gen 35:5; Ex 23:27; 2 Kon 7:6; 2 Kron 14:13; 2 Kron 17:10 **20:30** Het koninkrijk van Josafat kreeg rust. Zijn Elohim gaf hem rust aan alle kanten. Brontekst: וַתִּשְׁקֹ֖ט (vatishqot) = en kreeg rust | מַלְכ֣וּת (malkhut) = het koninkrijk van | יְהוֹשָׁפָ֑ט (yehoshafat) = Josafat | וַיָּ֧נַֽח (vayanach) = en gaf rust | ל֦וֹ (lo) = hem | אֱלֹהָ֖יו (elohav) = zijn Elohim | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 23:1; 2 Sam 7:1; 2 Kron 14:5–6; 2 Kron 15:15; Joh 14:27 ### Het einde van de regering van Josafat **20:31** Josafat werd koning over Juda. Hij was 35 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 25 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silhi. Brontekst: וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | עַל (al) = over | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹשִׁים֩ (sheloshim) = dertig | וְחָמֵ֨שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֜ה (shana) = jaar | בְּמָלְכ֗וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וְעֶשְׂרִ֨ים (veesrim) = en twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | מָלַ֣ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּֽירוּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | עֲזוּבָ֖ה (azuva) = Azuba | בַּת (bat) = dochter van | שִׁלְחִֽי (shilchi) = Silhi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vers 31–33 komen overeen met 1 Kon. 22:42–44. Daar staat dezelfde leeftijd en regeertijd, met Azuba, de dochter van Silhi, als moeder. Zie ook: 1 Kon 22:41–45; 1 Kon 22:42–44 **20:32** Hij liep op de weg van zijn vader Asa en week er niet van af. Hij deed wat juist is in de ogen van Yahweh. Brontekst: וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en liep | בְּדֶ֛רֶךְ (bederekh) = op de weg van | אָבִ֥יו (aviv) = zijn vader | אָסָ֖א (asa) = Asa | וְלֹא (velo) = en niet | סָ֣ר (sar) = week | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = ervan | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = wat juist is | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיָּשָׁר (hayyashar), ‘wat juist is’: wat recht is in de ogen van Yahweh. Zie ook: Ps 36:4; 1 Kon 15:11; 2 Kron 14:1–4; 2 Kron 14:10–12; 2 Kron 16:7–12 **20:33** Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk had zijn hart nog niet gericht op de Elohim van hun vaderen. Brontekst: אַ֥ךְ (akh) = alleen | הַבָּמ֖וֹת (habamot) = de hoogten | לֹא (lo) = niet | סָ֑רוּ (saru) = verdwenen | וְע֤וֹד (veod) = en nog | הָעָם֙ (haam) = het volk | לֹא (lo) = niet | הֵכִ֣ינוּ (hekhinu) = hadden gericht | לְבָבָ֔ם (levavam) = hun hart | לֵאלֹהֵ֖י (lelohei) = op de Elohim van | אֲבֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels buiten Jeruzalem. In 2 Kron. 17:6 staat dat Josafat de hoogten uit Juda verwijderde. Hier en in 1 Kon. 22:44 staat dat ze bleven. Wij vertalen beide teksten zoals ze staan. Zie ook: 1 Sam 7:3; 1 Kon 22:44; 2 Kron 12:14; 2 Kron 14:2; 2 Kron 17:6; 2 Kron 19:3 **20:34** De rest van de geschiedenis van Josafat, de eerste en de laatste: zie, die staat geschreven in de woorden van Jehu, de zoon van Chanani. Die zijn opgenomen in het boek van de koningen van Israël. Brontekst: וְיֶ֨תֶר֙ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | יְהוֹשָׁפָ֔ט (yehoshafat) = Josafat | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאַחֲרֹנִ֑ים (vehaacharonim) = en de laatste | הִנָּ֣ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | בְּדִבְרֵי֙ (bedivrei) = in de woorden van | יֵה֣וּא (yehu) = Jehu | בֶן (ben) = zoon van | חֲנָ֔נִי (chanani) = Chanani | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֹֽעֲלָ֔ה (hoala) = is opgenomen | עַל (al) = in | סֵ֖פֶר (sefer) = boek van | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל (sefer malkhe Yisrael), ‘het boek van de koningen van Israël’: dit is een ander geschrift dan het ‘dagboek van de koningen’ in de Koningenboeken (letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’). Jehu, de zoon van Chanani, is de ziener uit 2 Kron. 19:2. Dit boek is niet bewaard. Zie ook: 1 Kon 16:1; 1 Kon 16:7; 2 Kron 13:22; 2 Kron 16:11; 2 Kron 19:2 ### De schepen van Josafat en Achazia **20:35** Daarna sloot Josafat, de koning van Juda, zich aan bij Achazia, de koning van Israël. Die handelde goddeloos. Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֗ן (ken) = zo | אֶתְחַבַּר֙ (etchabar) = sloot zich aan | יְהוֹשָׁפָ֣ט (yehoshafat) = Josafat | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עִ֖ם (im) = bij | אֲחַזְיָ֣ה (achazya) = Achazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | ה֖וּא (hu) = hij | הִרְשִׁ֥יעַ (hirshia) = handelde goddeloos | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִתְחַבֵּר (ithabber), ‘hij sloot zich aan’: hij ging een samenwerking aan. Josafat had zich ook eerder met Achab verbonden (2 Kron. 18:1). Achazia is de zoon van Achab (1 Kon. 22:52). Zie ook: 1 Kon 22:49–50; 1 Kon 22:52; 2 Kon 1:2–16; 2 Kron 18:1 **20:36** Hij verbond hem aan zich om schepen te maken die naar Tarsis konden gaan. Zij maakten de schepen in Ezjon-Geber. Brontekst: וַיְחַבְּרֵ֣הוּ (vaychaberehu) = en verbond hem | עִמּ֔וֹ (imo) = aan zich | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te maken | אֳנִיּ֖וֹת (oniyot) = schepen | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | תַּרְשִׁ֑ישׁ (tarshish) = naar Tarsis | וַיַּעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en zij maakten | אֳנִיּ֖וֹת (oniyot) = schepen | בְּעֶצְי֥וֹן (beetsyon) = in Ezjon | גָּֽבֶר (gaver) = Geber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat. Voetnoot Uitleg: Ezjon-Geber lag aan de noordpunt van de Rietzee, bij het huidige Elat/Aqaba. Zie 1 Kon. 9:26. Voetnoot : וַיְחַבְּרֵהוּ עִמּוֹ (vayechabberehu immo), ‘hij verbond hem aan zich’: wie het onderwerp is, zegt het Hebreeuws niet. Het kan Achazia zijn of Josafat. Wij laten ‘hij’ staan. Voetnoot : Het doel is Tarsis. In 1 Kon. 22:49–50 gaan de schepen naar Ofir en wil Josafat niet dat Achazia meegaat. De twee verhalen verschillen hierin. Zie ook: 1 Kon 9:26; 1 Kon 10:22; 1 Kon 22:49–50; 2 Kron 9:21 **20:37** Eliëzer, de zoon van Dodavahu uit Maresa, profeteerde over Josafat: „Omdat je je hebt aangesloten bij Achazia, heeft Yahweh je werk doorbroken.” De schepen werden verbrijzeld. Zij konden niet naar Tarsis gaan. Brontekst: וַיִּתְנַבֵּ֞א (vayitnabe) = en profeteerde | אֱלִיעֶ֤זֶר (eliezer) = Eliëzer | בֶּן (ben) = zoon van | דֹּדָוָ֨הוּ֙ (dodavahu) = Dodavahu | מִמָּ֣רֵשָׁ֔ה (mimaresha) = uit Maresa | עַל (al) = over | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כְּהִֽתְחַבֶּרְךָ֣ (kehitchaberkha) = omdat je je aansloot | עִם (im) = bij | אֲחַזְיָ֗הוּ (achazyahu) = Achazia | פָּרַ֤ץ (parats) = heeft doorbroken | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | מַעֲשֶׂ֔יךָ (maaseikha) = je werk | וַיִּשָּׁבְר֣וּ (vayishaveru) = en zij werden verbrijzeld | אֳנִיּ֔וֹת (oniyot) = schepen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָצְר֖וּ (atseru) = konden | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = om te gaan | אֶל (el) = naar | תַּרְשִֽׁישׁ (tarshish) = Tarsis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela. Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: Maresa lag in de Sefela, in het zuiden van Juda, bij het huidige Tel Maresha, ongeveer 40 kilometer ten zuidwesten van Jeruzalem, in Israël. Voetnoot : Eliëzer is alleen hier bekend. Zijn woorden zijn de woorden van een profeet over wat Yahweh deed. Daarom staan ze niet in rood. Voetnoot : פָּרַץ (parats), ‘doorbreken’: zoals een muur wordt doorbroken. Het werkwoord klinkt als het ‘verbrijzelen’ van de schepen. Zie ook: Joz 7:11–12; Spr 13:20; 1 Kon 22:49; 2 Kron 9:21; 2 Kron 19:2 ## 2 Kronieken 21 _Joram, de koning van Juda_ ### Joram wordt koning en doodt zijn broers **21:1** Josafat ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en lag neer | יְהֽוֹשָׁפָט֙ (yehoshafat) = Josafat | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקָּבֵ֥ר (vayiqaver) = en werd begraven | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יְהוֹרָ֥ם (yehoram) = Joram | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kon 22:51; 2 Kon 8:16–17; 2 Kron 9:31; 2 Kron 12:16; 2 Kron 21:20 **21:2** Joram had broers, zonen van Josafat: Azaria, Jechiël, Zacharia, Azarja, Michaël en Sefatja. Zij allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël. Brontekst: וְלֽוֹ (velo) = en voor hem | אַחִ֞ים (achim) = broers | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יְהוֹשָׁפָ֗ט (yehoshafat) = Josafat | עֲזַרְיָ֤ה (azarya) = Azaria | וִֽיחִיאֵל֙ (vichiel) = en Jechiël | וּזְכַרְיָ֣הוּ (uzekharyahu) = en Zacharia | וַעֲזַרְיָ֔הוּ (vaazaryahu) = en Azarja | וּמִיכָאֵ֖ל (umikhael) = en Michaël | וּשְׁפַטְיָ֑הוּ (ushefatyahu) = en Sefatja | כָּל (kal) = alle | אֵ֕לֶּה (ele) = dezen | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יְהוֹשָׁפָ֖ט (yehoshafat) = Josafat | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Twee namen lijken veel op elkaar: עֲזַרְיָה (Azaryah), ‘Azaria’, en עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’. Het zijn twee verschillende zonen van Josafat. Wij schrijven de twee vormen zoals ze in het Hebreeuws verschillen. Voetnoot Lezing: מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל (melekh Yisrael), ‘koning van Israël’: Josafat was koning van Juda. ‘Israël’ is hier de naam van het hele volk. Sommige oude vertalingen lezen ‘Juda’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kron 12:6; 2 Kron 21:4; 2 Kron 23:2; 2 Kron 24:5; 2 Kron 28:23 **21:3** Hun vader had hun veel geschenken gegeven: zilver, goud en kostbaarheden, met versterkte steden in Juda. Maar het koninkrijk gaf hij aan Joram, want die was de eerstgeborene. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | לָהֶ֣ם (lahem) = aan hen | אֲ֠בִיהֶם (avihem) = hun vader | מַתָּנ֨וֹת (matanot) = geschenken | רַבּ֜וֹת (rabot) = vele | לְכֶ֤סֶף (lekhesef) = van zilver | וּלְזָהָב֙ (ulezahav) = en van goud | וּלְמִגְדָּנ֔וֹת (ulemigdanot) = en van kostbaarheden | עִם (im) = met | עָרֵ֥י (arei) = steden van | מְצֻר֖וֹת (metsurot) = versterking | בִּֽיהוּדָ֑ה (bihuda) = in Juda | וְאֶת (veet) = en | הַמַּמְלָכָ֛ה (hamamlakha) = het koninkrijk | נָתַ֥ן (natan) = gaf hij | לִֽיהוֹרָ֖ם (lihoram) = aan Joram | כִּי (ki) = want | ה֥וּא (hu) = hij | הַבְּכֽוֹר (habekhor) = de eerstgeborene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵי מְצֻרוֹת (arei metsurot), ‘versterkte steden’: steden met muren. Het zijn gaven aan de andere zonen, naast zilver en goud. Voetnoot : מִגְדָּנוֹת (migdanot), ‘kostbaarheden’: kostbare geschenken. Het woord komt ook voor in Gen. 24:53. Zie ook: Gen 24:53; Gen 25:6; Deut 21:15–17; 2 Kron 11:5; 2 Kron 11:23 **21:4** Joram nam het koninkrijk van zijn vader over en maakte zich sterk. Hij doodde al zijn broers met het zwaard, en ook enkele leiders van Israël. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | יְהוֹרָ֜ם (yehoram) = Joram | עַל (al) = over | מַמְלֶ֤כַת (mamlekhat) = het koninkrijk van | אָבִיו֙ (aviv) = zijn vader | וַיִּתְחַזַּ֔ק (vayitchazaq) = en maakte zich sterk | וַיַּהֲרֹ֥ג (vayaharog) = en doodde | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | בֶּחָ֑רֶב (becharev) = met het zwaard | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | מִשָּׂרֵ֥י (misarei) = van de leiders van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּקָם עַל (vayyaqom al), ‘hij nam over’: letterlijk ‘hij stond op over’. Het gaat om het innemen van de macht. Daarna maakt Joram zich sterk door de dood van zijn broers. Voetnoot : ‘Israël’ is hier waarschijnlijk het volk als geheel, zoals in vers 2. Zie ook: Gen 4:8; Re 9:5; 2 Kron 21:2; 2 Kron 21:17; 2 Kron 22:10; 1 Joh 3:12 ### Joram doet wat slecht is **21:5** Joram was 32 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 8 jaar in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁתַּ֛יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | יְהוֹרָ֣ם (yehoram) = Joram | בְּמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁמוֹנֶ֣ה (ushemone) = en acht | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vers 5–10 komen overeen met 2 Kon. 8:17–22. Het getal 32 en 8 zijn letterlijk dezelfde als in vers 20. Zie ook: 2 Kon 8:17–22; 2 Kron 21:20 **21:6** Hij liep op de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed. Want een dochter van Achab was zijn vrouw. Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh. Brontekst: וַיֵּ֜לֶךְ (vayelekh) = en liep | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | עָשׂוּ֙ (asu) = deed | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֔ב (achav) = Achab | כִּ֚י (ki) = want | בַּת (bat) = dochter van | אַחְאָ֔ב (achav) = Achab | הָ֥יְתָה (hayeta) = was | לּ֖וֹ (lo) = hem | אִשָּׁ֑ה (isha) = vrouw | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vrouw van Joram was Atalia, de dochter van Achab (zie ook 2 Kron. 22:2 en 2 Kon. 8:18). Over het huis van Achab: 1 Kon. 16:30–33. Zie ook: 1 Kon 12:28–30; 1 Kon 16:25–33; 1 Kon 16:30–33; 2 Kon 8:18; 2 Kron 18:1; 2 Kron 22:2 **21:7** Toch wilde Yahweh het huis van David niet vernietigen, om het verbond dat Hij met David had gesloten. Hij had gezegd dat Hij hem en zijn zonen alle dagen een lamp zou geven. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | אָבָ֣ה (ava) = wilde | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַשְׁחִית֙ (lehashchit) = om te vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | דָּוִ֔יד (david) = David | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּרַ֖ת (karat) = Hij had gesloten | לְדָוִ֑יד (ledavid) = met David | וְכַאֲשֶׁ֣ר (vekhaasher) = en zoals | אָמַ֗ר (amar) = Hij had gezegd | לָתֵ֨ת (latet) = om te geven | ל֥וֹ (lo) = hem | נִ֛יר (nir) = een lamp | וּלְבָנָ֖יו (ulevanav) = en aan zijn zonen | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִיר (nir), ‘lamp’: een lamp die blijft branden, een beeld van een nageslacht dat voortleeft, zoals in 1 Kon. 11:36. Voetnoot : Het verbond met David staat in 2 Sam. 7:12–16. Zie ook: 2 Sam 7:12–17; Ps 132:17–18; 1 Kon 11:36; Luc 1:69; Luc 1:79 ### Edom en Libna komen in opstand **21:8** In zijn dagen kwam Edom in opstand tegen de macht van Juda. Zij stelden een koning over zich aan. Brontekst: בְּיָמָיו֙ (beyamav) = in zijn dagen | פָּשַׁ֣ע (pasha) = kwam in opstand | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | יַד (yad) = de hand van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיַּמְלִ֥יכוּ (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over zich | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: פָּשַׁע (pasha), ‘in opstand komen’: zich losmaken van een heer. In 1 Kon. 22:48 staat dat Edom nog onder Juda was; nu maakt Edom zich los. Zie ook: 1 Kon 22:48; 2 Kon 3:9; 2 Kon 8:20–22; 2 Kron 20:22–23; 2 Kron 21:10 **21:9** Joram trok over met zijn bevelhebbers en al zijn wagens. ’s Nachts stond hij op en sloeg Edom, dat hem omringde, en ook de bevelhebbers van de wagens. Brontekst: וַיַּֽעֲבֹ֤ר (vayaavor) = en trok over | יְהוֹרָם֙ (yehoram) = Joram | עִם (im) = met | שָׂרָ֔יו (sarav) = zijn bevelhebbers | וְכָל (vekhal) = en alle | הָרֶ֖כֶב (harekhev) = wagens | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | וַיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | קָ֣ם (qam) = opstaand | לַ֔יְלָה (layla) = in de nacht | וַיַּ֗ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | אֱדוֹם֙ (edom) = Edom | הַסּוֹבֵ֣ב (hasovev) = die omringde | אֵלָ֔יו (elav) = hem | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שָׂרֵ֥י (sarei) = bevelhebbers van | הָרָֽכֶב (harakhev) = de wagens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: וַיַּעֲבֹר (vayya’avor), ‘hij trok over’: letterlijk ‘hij ging naar de overkant’. De tekst zegt niet waarheen. Joram sloeg Edom ’s nachts, maar vers 10 laat zien dat Edom toch in opstand bleef. Zie ook: 2 Kron 21:10 **21:10** Edom bleef in opstand tegen de macht van Juda, tot op deze dag. In die tijd kwam ook Libna in opstand tegen zijn macht. Want hij had Yahweh, de Elohim van zijn vaderen, verlaten. Brontekst: וַיִּפְשַׁ֨ע (vayifsha) = en kwam in opstand | אֱד֜וֹם (edom) = Edom | מִתַּ֣חַת (mitachat) = van onder | יַד (yad) = de hand van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | עַ֚ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אָ֣ז (az) = toen | תִּפְשַׁ֥ע (tifsha) = kwam in opstand | לִבְנָ֛ה (livna) = Libna | בָּעֵ֥ת (baet) = in tijd | הַהִ֖יא (hahi) = die | מִתַּ֣חַת (mitachat) = van onder | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | כִּ֣י (ki) = want | עָזַ֔ב (azav) = had verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Libna was een stad in de Sefela, in het zuidwesten van Juda. Het was ook een stad voor de priesters (Joz. 21:13). De precieze plek is onzeker; vaak wordt aan Tel Burna gedacht. Voetnoot : ‘Tot op deze dag’ is de stem van de schrijver van Kronieken. Zie ook: Deut 32:21; Joz 21:13; 1 Kon 11:31; 1 Kon 11:33; 2 Kon 19:8; 2 Kron 13:10 **21:11** Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda. Hij liet de inwoners van Jeruzalem hoereren en dreef Juda af. Brontekst: גַּם (gam) = ook | ה֥וּא (hu) = hij | עָשָֽׂה (asa) = maakte | בָמ֖וֹת (bamot) = hoogten | בְּהָרֵ֣י (beharei) = op de bergen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיֶּ֨זֶן֙ (vayezen) = en liet hoereren | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וַיַּדַּ֖ח (vayadach) = en dreef af | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיֶּזֶן (vayyezen), ‘hij liet hoereren’: het werkwoord (זָנָה, zanah) staat voor ontrouw aan Yahweh, in beeld van hoererij. Zie ook vers 13 en Exod. 34:15. Voetnoot : וַיַּדַּח (vayyadach), ‘hij dreef af’: hij leidde Juda van Yahweh weg. Zie ook: Ex 34:15; Lev 17:7; Lev 20:5; Ps 106:39; 1 Kon 11:7; 2 Kron 21:13 ### De brief van Elia **21:12** Er kwam een brief naar hem toe van Elia, de profeet. Daarin stond: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van je vader David: ‘Omdat je niet bent gegaan op de wegen van je vader Josafat en op de wegen van Asa, de koning van Juda, Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | מִכְתָּ֔ב (mikhtav) = een brief | מֵֽאֵלִיָּ֥הוּ (meeliyahu) = van Elia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | תַּ֗חַת (tachat) = omdat | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | הָלַ֨כְתָּ֙ (halakhta) = je bent gegaan | בְּדַרְכֵי֙ (bedarkhei) = op de wegen van | יְהוֹשָׁפָ֣ט (yehoshafat) = Josafat | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | וּבְדַרְכֵ֖י (uvedarkhei) = en op de wegen van | אָסָ֥א (asa) = Asa | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכְתָּב (mikhtav), ‘brief’: een geschrift. De tekst zegt niet hoe de brief bij Joram kwam. Elia is de profeet uit 1 Kon. 17–19. Voetnoot : De zin van vers 12 loopt door tot en met vers 15: ‘Omdat je … zie, Yahweh zal …’. Het Hebreeuws heeft hier één lange zin. Wij splitsen hem niet, omdat de reden (vers 12–13) en de straf (vers 14–15) bij elkaar horen. Voetnoot : De woorden in de brief zijn de woorden van een profeet, die Yahweh citeert. Daarom staan ze niet in rood, maar in zwart met enkele aanhalingstekens, zoals bij andere profeten. Zie ook: 2 Kon 2:1; 2 Kron 14:1–4; 2 Kron 17:3–4; 2 Kron 21:14–15; 2 Kron 21:15; Jer 36:28–32; Dan 5:5 **21:13** maar op de weg van de koningen van Israël bent gegaan, en Juda en de inwoners van Jeruzalem hebt laten hoereren zoals het huis van Achab liet hoereren, en ook je broers hebt gedood, het huis van je vader, die beter waren dan jij: Brontekst: וַתֵּ֗לֶךְ (vatelekh) = maar je bent gegaan | בְּדֶ֨רֶךְ֙ (bederekh) = op de weg van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַתַּזְנֶ֤ה (vatazne) = en je liet hoereren | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | כְּהַזְנ֖וֹת (kehaznot) = zoals het hoereren laten van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | וְגַ֨ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | אַחֶ֧יךָ (acheikha) = je broers | בֵית (beit) = het huis van | אָבִ֛יךָ (avikha) = je vader | הַטּוֹבִ֥ים (hatovim) = die beter waren | מִמְּךָ֖ (mimekha) = dan jij | הָרָֽגְתָּ (haragta) = heb je gedood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַתַּזְנֶה (vattaznèh), ‘je hebt laten hoereren’: zie vers 11. Het huis van Achab liet het volk afdwalen naar de Baäl (1 Kon. 16:31–33). Voetnoot : הָרַגְתָּ (haragta), ‘je hebt gedood’: zie vers 4. Zie ook: Gen 42:21–22; 1 Kon 16:30–33; 1 Kon 16:31–33; 2 Kron 21:4; 2 Kron 21:6; 2 Kron 21:11 **21:14** zie, Yahweh zal je volk, je zonen, je vrouwen en al je bezit treffen met een grote plaag. Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נֹגֵ֛ף (nogef) = gaat treffen | מַגֵּפָ֥ה (magefa) = met een plaag | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = grote | בְּעַמֶּ֑ךָ (beamekha) = je volk | וּבְבָנֶ֥יךָ (uvevaneikha) = en je zonen | וּבְנָשֶׁ֖יךָ (uvenasheikha) = en je vrouwen | וּבְכָל (uvekhal) = en al | רְכוּשֶֽׁךָ (rekhushekha) = je bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: een slag die Yahweh laat komen. Zie vers 16–19. Zie ook: Ex 20:5; Lev 26:21; 2 Kron 21:16–19; Hos 5:11; Mi 6:16 **21:15** Jijzelf zult veel ziektes krijgen, een ziekte in je ingewanden, tot je ingewanden uitgaan vanwege de ziekte, dag na dag.’” Brontekst: וְאַתָּ֛ה (veata) = en jij | בָּחֳלָיִ֥ים (bacholayim) = met ziektes | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | בְּמַחֲלֵ֣ה (bemachale) = met een ziekte van | מֵעֶ֑יךָ (meeikha) = je ingewanden | עַד (ad) = totdat | יֵצְא֤וּ (yetseu) = uitgaan | מֵעֶ֨יךָ֙ (meeikha) = je ingewanden | מִן (min) = vanwege | הַחֹ֔לִי (hacholi) = de ziekte | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | עַל (al) = na | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘ziektes’ en ‘een ziekte van de ingewanden’. De ziekte komt in vers 18–19 uit. Zie ook: Num 5:27; Deut 28:37; Deut 28:59; 2 Kron 21:18–19; Hand 1:18 ### De straf op Joram **21:16** Yahweh wekte tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren die naast de Kushieten wonen. Brontekst: וַיָּ֨עַר (vayaar) = en wekte | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = tegen | יְהוֹרָ֗ם (yehoram) = Joram | אֵ֣ת (et) = (obj.) | ר֤וּחַ (ruach) = de geest van | הַפְּלִשְׁתִּים֙ (hapelishtim) = de Filistijnen | וְהָ֣עַרְבִ֔ים (vehaarvim) = en de Arabieren | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = naast | יַ֥ד (yad) = hand van | כּוּשִֽׁים (kushim) = Kushieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Kush (Kushieten; ligging onzeker): Hier worden de Kushieten genoemd als buren van de Arabieren. Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië; waar deze Kushieten woonden, is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De Filistijnen woonden aan de kust, in het westen. De Arabieren die naast de Kushieten woonden, leefden waarschijnlijk in het zuiden. De ligging van deze groep is onzeker. Voetnoot : וַיָּעַר (vayya’er), ‘hij wekte op’: dit woord staat ook in 1 Kron. 5:26, waar Elohim de geest van de koning van Assyrië opwekte. Zie ook: 1 Kron 5:26; 1 Kon 11:14; 1 Kon 11:23; 2 Kron 17:11; 2 Kron 22:1; 2 Kron 33:11 **21:17** Zij trokken op tegen Juda en braken erin binnen. Zij voerden al het bezit weg dat in het huis van de koning werd gevonden. Ook zijn zonen en zijn vrouwen namen zij mee. Er bleef hem geen zoon over, behalve Joachaz, de jongste van zijn zonen. Brontekst: וַיַּעֲל֤וּ (vayaalu) = en trokken op | בִֽיהוּדָה֙ (bihuda) = in Juda | וַיִּבְקָע֔וּהָ (vayivqauha) = en braken erin binnen | וַיִּשְׁבּ֗וּ (vayishbu) = en voerden weg | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרְכוּשׁ֙ (harekhush) = het bezit | הַנִּמְצָ֣א (hanimtsa) = dat gevonden werd | לְבֵית (leveit) = in het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְגַם (vegam) = en ook | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | וְנָשָׁ֑יו (venashav) = en zijn vrouwen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | נִשְׁאַר (nishar) = bleef over | לוֹ֙ (lo) = hem | בֵּ֔ן (ben) = zoon | כִּ֥י (ki) = dan | אִם (im) = alleen | יְהוֹאָחָ֖ז (yehoachaz) = Joachaz | קְטֹ֥ן (qeton) = de jongste van | בָּנָֽיו (banav) = zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joachaz (יְהוֹאָחָז, Yehoachaz) is dezelfde man als Achazia in 2 Kron. 22:1. De twee delen van de naam staan hier in een andere volgorde. In 2 Kron. 22:6 staat voor hem nog een vorm: Azarja. Voetnoot : וַיִּבְקָעוּהָ (vayyivqa’uha), ‘zij braken erin’: letterlijk ‘zij splijtten haar’, zij braken door de stadsmuren of het land heen. Zie ook: Job 5:3–4; 2 Kron 22:1; 2 Kron 22:6; 2 Kron 24:7; 2 Kron 25:23 **21:18** Na dit alles trof Yahweh hem in zijn ingewanden met een ziekte waarvoor geen genezing was. Brontekst: וְאַחֲרֵ֖י (veacharei) = en na | כָּל (kal) = al | זֹ֑את (zot) = dit | נְגָפ֨וֹ (negafo) = trof | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | בְּמֵעָ֛יו (bemeav) = in zijn ingewanden | לָחֳלִ֖י (lacholi) = met een ziekte | לְאֵ֥ין (leein) = zonder | מַרְפֵּֽא (marpe) = genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵין מַרְפֵּא (ein marpe), ‘waarvoor geen genezing was’: ook in 2 Kron. 36:16. Zie ook: 2 Kon 9:29; 2 Kron 21:15; 2 Kron 36:16; Hand 12:23 **21:19** Zo ging het van dag tot dag. Toen het einde kwam, na twee jaar, kwamen zijn ingewanden naar buiten door zijn ziekte. Hij stierf aan ernstige ziekten. Zijn volk ontstak voor hem geen vuur, zoals het vuur voor zijn vaderen. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | לְיָמִ֣ים (leyamim) = van dag | מִיָּמִ֡ים (miyamim) = tot dag | וּכְעֵת֩ (ukheet) = en toen | צֵ֨את (tset) = uitging | הַקֵּ֜ץ (haqets) = het einde | לְיָמִ֣ים (leyamim) = van dagen | שְׁנַ֗יִם (shenayim) = twee | יָצְא֤וּ (yatseu) = gingen uit | מֵעָיו֙ (meav) = zijn ingewanden | עִם (im) = met | חָלְי֔וֹ (chaleyo) = zijn ziekte | וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | בְּתַחֲלֻאִ֣ים (betachaluim) = aan ziekten | רָעִ֑ים (raim) = ernstige | וְלֹא (velo) = en niet | עָ֨שׂוּ (asu) = maakten | ל֥וֹ (lo) = voor hem | עַמּ֛וֹ (amo) = zijn volk | שְׂרֵפָ֖ה (serefa) = een brand | כִּשְׂרֵפַ֥ת (kisrefat) = zoals de brand van | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘aan het einde van dagen, twee jaar’. Dat betekent: na twee jaar ziekte. Voetnoot : שְׂרֵפָה (serefah), ‘vuur’: bij de begrafenis van sommige koningen werd een vuur gemaakt ter ere van hem, zoals voor Asa in 2 Kron. 16:14. Zie ook: 2 Kron 16:14; Jer 34:5 ### De dood van Joram **21:20** Hij was 32 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 8 jaar in Jeruzalem. Hij ging heen zonder dat iemand hem miste. Men begroef hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁתַּ֨יִם֙ (ushtayim) = en twee | הָיָ֣ה (haya) = was hij | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁמוֹנֶ֣ה (ushemone) = en acht | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַיֵּ֨לֶךְ֙ (vayelekh) = en ging | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | חֶמְדָּ֔ה (chemda) = verlangen | וַֽיִּקְבְּרֻ֨הוּ֙ (vayiqberuhu) = en men begroef hem | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֔יד (david) = David | וְלֹ֖א (velo) = en niet | בְּקִבְר֥וֹת (beqivrot) = in de graven van | הַמְּלָכִֽים (hamelakhim) = de koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בְּלֹא חֶמְדָּה (belo chemdah), ‘zonder dat iemand hem miste’: letterlijk ‘zonder verlangen’. Het kan ook betekenen ‘zonder dat iemand verdriet had’. Voetnoot : Hij is niet in de graven van de koningen begraven, wel in de stad van David. Zie ook: Spr 10:7; 2 Kron 24:25; 2 Kron 28:27; Jer 22:18; Jer 22:28 ## 2 Kronieken 22 _Achazia en Atalia_ ### Achazia wordt koning **22:1** De inwoners van Jeruzalem maakten Achazia, zijn jongste zoon, koning in zijn plaats. Want de bende die met de Arabieren naar het kamp was gekomen, had alle oudere zonen gedood. Zo werd Achazia, de zoon van Joram, koning van Juda. Brontekst: וַיַּמְלִיכוּ֩ (vayamlikhu) = en maakten koning | יוֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | אֶת (et) = (obj.) | אֲחַזְיָ֨הוּ (achazyahu) = Achazia | בְנ֤וֹ (beno) = zijn zoon | הַקָּטֹן֙ (haqaton) = de jongste | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = alle | הָרִאשֹׁנִים֙ (harishonim) = de eersten | הָרַ֣ג (harag) = doodde | הַגְּד֔וּד (hagedud) = de bende | הַבָּ֥א (haba) = die kwam | בָֽעַרְבִ֖ים (baarvim) = met de Arabieren | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = naar het kamp | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אֲחַזְיָ֥הוּ (achazyahu) = Achazia | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹרָ֖ם (yehoram) = Joram | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vers 1–6 komen gedeeltelijk overeen met 2 Kon. 8:24–29. Het verhaal over de bende van de Arabieren staat alleen hier (zie ook 2 Kron. 21:16–17). Voetnoot : הָרִאשֹׁנִים (harishonim), ‘de eersten’: wij vertalen ‘de oudere zonen’, de zonen die eerder geboren waren. Voetnoot : בְּעֲרָבִים (ba’aravim), ‘met de Arabieren’: het kan ook ‘in de woestijnvlakte’ betekenen. Wij volgen de eerste lezing, die past bij 2 Kron. 21:16. Zie ook: 2 Kon 8:24–29; 2 Kron 21:16–17; 2 Kron 23:3; 2 Kron 26:1; 2 Kron 33:25 **22:2** Achazia was 42 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 1 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Atalia, de dochter van Omri. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אַרְבָּעִ֨ים (arbaim) = veertig | וּשְׁתַּ֤יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | אֲחַזְיָ֣הוּ (achazyahu) = Achazia | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וְשָׁנָ֣ה (veshana) = en jaar | אַחַ֔ת (achat) = een | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | עֲתַלְיָ֖הוּ (atalyahu) = Atalia | בַּת (bat) = dochter van | עָמְרִֽי (ameri) = Omri Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘Dochter van Omri’: Atalia was de dochter van Achab (2 Kron. 21:6), dus de kleindochter van Omri. Het Hebreeuwse woord voor ‘dochter’ kan ook ‘kleindochter’ betekenen. Voetnoot Lezing: Hier staat ‘42 jaar’. Joram stierf op 40 jaar (2 Kron. 21:5, 20), dus zijn zoon kan niet 42 zijn geweest. In 2 Kon. 8:26 staat ‘22 jaar’. Sommige oude vertalingen hebben ook hier 22. Wij volgen de Masoretische tekst en melden het verschil. Zie ook: 1 Kon 16:28; 2 Kon 8:26; 2 Kron 21:5; 2 Kron 21:6 **22:3** Ook hij liep op de wegen van het huis van Achab. Want zijn moeder was zijn raadgeefster om goddeloos te handelen. Brontekst: גַּם (gam) = ook | ה֣וּא (hu) = hij | הָלַ֔ךְ (halakh) = liep | בְּדַרְכֵ֖י (bedarkhei) = op de wegen van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | כִּ֥י (ki) = want | אִמּ֛וֹ (imo) = zijn moeder | הָיְתָ֥ה (hayeta) = was | יֽוֹעַצְתּ֖וֹ (yoatsto) = zijn raadgeefster | לְהַרְשִֽׁיעַ (leharshia) = om goddeloos te handelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹעֶצֶת (yo’etset), ‘raadgeefster’: iemand die raad geeft. Het gaat hier om slechte raad, ‘om goddeloos te handelen’. Zie ook: Gen 6:4–5; Gen 27:12–13; Deut 7:3–4; Deut 13:7–11; Mal 2:15 **22:4** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, zoals het huis van Achab. Want zij waren na de dood van zijn vader zijn raadgevers, tot zijn ondergang. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֛ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כְּבֵ֣ית (keveit) = zoals het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | כִּי (ki) = want | הֵ֜מָּה (hema) = zij | הָֽיוּ (hayu) = waren | ל֣וֹ (lo) = hem | יֽוֹעֲצִ֗ים (yoatsim) = raadgevers | אַחֲרֵ֛י (acharei) = na | מ֥וֹת (mot) = de dood van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | לְמַשְׁחִ֥ית (lemashchit) = tot ondergang | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמַשְׁחִית (lemashchit), ‘tot zijn ondergang’: letterlijk ‘tot verderf’. Het raadgeven van het huis van Achab maakte het einde van Achazia. Zie ook: Spr 1:10; Spr 12:5; Spr 13:20; Spr 19:27; 2 Kron 24:17–18 ### Achazia en Joram tegen Hazaël **22:5** Ook naar hun raad liep hij. Hij ging met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, ten strijde. Het ging tegen Hazaël, de koning van Aram, bij Ramot in Gilead. De Arameeërs sloegen Joram. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | בַּעֲצָתָם֮ (baatsatam) = naar hun raad | הָלַךְ֒ (halakh) = liep hij | וַיֵּלֶךְ֩ (vayelekh) = en ging | אֶת (et) = met | יְהוֹרָ֨ם (yehoram) = Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָ֜ב (achav) = Achab | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לַמִּלְחָמָ֛ה (lamilchama) = naar de oorlog | עַל (al) = tegen | חֲזָאֵ֥ל (chazael) = Hazaël | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | בְּרָמ֣וֹת (beramot) = bij Ramot | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en sloegen | הָֽרַמִּ֖ים (haramim) = de Arameeërs | אֶת (et) = (obj.) | יוֹרָֽם (yoram) = Joram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Ramot in Gilead lag in het noorden van Gilead, oostelijk van de Jordaan. De ligging is niet zeker; vaak wordt gedacht aan Tell Ramith, in het noorden van het huidige Jordanië. Zie ook 1 Kon. 22:3. Voetnoot : הָרַמִּים (harammim), ‘de Arameeërs’: een korte schrijfwijze van אֲרַמִּים (aramim). Joram, de koning van Israël, is niet dezelfde man als Joram van Juda. Zie ook: 1 Kon 22:3; 2 Kon 8:9; 2 Kon 8:28–29; 2 Kron 18:3; Mi 6:16 **22:6** Hij keerde terug om in Jizreël te genezen van de wonden die zij hem bij Rama hadden toegebracht. Dat was toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, ging naar Jizreël om Joram, de zoon van Achab, te bezoeken, want die was ziek. Brontekst: וַיָּ֜שָׁב (vayashav) = en keerde terug | לְהִתְרַפֵּ֣א (lehitrape) = om te genezen | בְיִזְרְעֶ֗אל (beyizreel) = in Jizreël | כִּ֤י (ki) = want | הַמַּכִּים֙ (hamakim) = de wonden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִכֻּ֣הוּ (hikuhu) = hem sloegen | בָֽרָמָ֔ה (barama) = bij Rama | בְּהִלָּ֣חֲמ֔וֹ (behilachamo) = bij zijn strijden | אֶת (et) = tegen | חֲזָהאֵ֖ל (chazahel) = Hazaël | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַעֲזַרְיָ֨הוּ (vaazaryahu) = en Azarja | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹרָ֜ם (yehoram) = Joram | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | יָרַ֡ד (yarad) = ging af | לִרְא֞וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹרָ֧ם (yehoram) = Joram | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְאָ֛ב (achav) = Achab | בְּיִזְרְעֶ֖אל (beyizreel) = in Jizreël | כִּי (ki) = want | חֹלֶ֥ה (chole) = was ziek | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Zie Rama (Ramot in Gilead; ligging onzeker): Rama is hier de korte vorm van Ramot in Gilead. Het wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Rama (רָמָה, ramah) is een korte vorm van Ramot in Gilead. Jizreël lag in de vallei van Jizreël, in het noorden van Israël, bij het huidige Zer’in. Voetnoot : Het onderwerp van ‘keerde terug’ is Joram, de koning van Israël. De tekst zegt alleen ‘hij’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’, voor de koning die ook אֲחַזְיָהוּ (Achazia) heet. Het zijn twee vormen van dezelfde naam, met de delen omgekeerd. Sommige oude vertalingen lezen ‘Achazia’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 8:29; 2 Kon 9:15; 2 Kon 10:13–14; 2 Kron 21:17; 2 Kron 22:1 ### De ondergang van Achazia **22:7** Van Elohim kwam de ondergang van Achazia, doordat hij naar Joram ging. Toen hij daar kwam, trok hij met Joram uit naar Jehu, de zoon van Nimsi. Yahweh had hem gezalfd om het huis van Achab uit te roeien. Brontekst: וּמֵֽאֱלֹהִ֗ים (umeelohim) = en van Elohim | הָיְתָה֙ (hayeta) = was | תְּבוּסַ֣ת (tevusat) = ondergang van | אֲחַזְיָ֔הוּ (achazyahu) = Achazia | לָב֖וֹא (lavo) = door te komen | אֶל (el) = naar | יוֹרָ֑ם (yoram) = Joram | וּבְבֹא֗וֹ (uvevoo) = en bij zijn komen | יָצָ֤א (yatsa) = trok hij uit | עִם (im) = met | יְהוֹרָם֙ (yehoram) = Joram | אֶל (el) = naar | יֵה֣וּא (yehu) = Jehu | בֶן (ben) = zoon van | נִמְשִׁ֔י (nimshi) = Nimsi | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מְשָׁח֣וֹ (meshacho) = had gezalfd hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַכְרִ֖ית (lehakhrit) = om uit te roeien | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אַחְאָֽב (achav) = Achab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּבוּסָה (tevusah), ‘ondergang’: letterlijk ‘vertrapt worden’. De tekst zegt dat dit van Elohim kwam, zodat Achazia zijn einde vond. Voetnoot : Het zalven van Jehu staat in 2 Kon. 9:1–10. Zie ook: 1 Kon 12:15; 1 Kon 19:16; 2 Kon 9:1–10; 2 Kon 9:21; 2 Kron 10:15; Hos 14:10 **22:8** Toen Jehu het oordeel uitvoerde over het huis van Achab, vond hij de leiders van Juda en de zonen van de broers van Achazia. Zij dienden Achazia. Hij doodde hen. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het gebeurde | כְּהִשָּׁפֵ֥ט (kehishafet) = toen uitvoerde het oordeel | יֵה֖וּא (yehu) = Jehu | עִם (im) = over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַחְאָ֑ב (achav) = Achab | וַיִּמְצָא֩ (vayimtsa) = en vond | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֨י (sarei) = leiders van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וּבְנֵ֨י (uvenei) = en zonen van | אֲחֵ֧י (achei) = broers van | אֲחַזְיָ֛הוּ (achazyahu) = Achazia | מְשָׁרְתִ֥ים (mesharetim) = dienend | לַאֲחַזְיָ֖הוּ (laachazyahu) = aan Achazia | וַיַּהַרְגֵֽם (vayahargem) = en doodde hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De zonen van de broers van Achazia’: Joram had zijn broers gedood (2 Kron. 21:4), dus dit zijn hun zonen, de neven van Achazia. Zie ook 2 Kon. 10:12–14. Zie ook: 2 Kon 10:10–14; 2 Kon 10:12–14; 2 Kron 21:4 **22:9** Zij zochten Achazia en grepen hem, terwijl hij zich in Samaria verborgen hield. Zij brachten hem bij Jehu en doodden hem. Zij begroeven hem, want zij zeiden: „Hij is een zoon van Josafat, die Yahweh zocht met heel zijn hart.” Niemand in het huis van Achazia was sterk genoeg om het koninkrijk te behouden. Brontekst: וַיְבַקֵּשׁ֩ (vayvaqesh) = en zocht | אֶת (et) = (obj.) | אֲחַזְיָ֨הוּ (achazyahu) = Achazia | וַֽיִּלְכְּדֻ֜הוּ (vayilkeduhu) = en zij grepen hem | וְה֧וּא (vehu) = en hij | מִתְחַבֵּ֣א (mitchabe) = zich verbergend | בְשֹֽׁמְר֗וֹן (beshomeron) = in Samaria | וַיְבִאֻ֣הוּ (vayviuhu) = en zij brachten hem | אֶל (el) = naar | יֵהוּא֮ (yehu) = Jehu | וַיְמִתֻהוּ֒ (vaymituhu) = en zij doodden hem | וַֽיִּקְבְּרֻ֔הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | כִּ֤י (ki) = want | אָֽמְרוּ֙ (ameru) = zeiden zij | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹשָׁפָ֣ט (yehoshafat) = Josafat | ה֔וּא (hu) = hij | אֲשֶׁר (asher) = die | דָּרַ֥שׁ (darash) = zocht | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָב֑וֹ (levavo) = zijn hart | וְאֵין֙ (veein) = en er was niet | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | אֲחַזְיָ֔הוּ (achazyahu) = Achazia | לַעְצֹ֥ר (latsor) = om te behouden | כֹּ֖חַ (koach) = kracht | לְמַמְלָכָֽה (lemamlakha) = voor het koninkrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Samaria was de hoofdstad van het noordelijke rijk Israël, het huidige Sebaste, op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot : De werkwoorden in het begin van dit vers staan in het Hebreeuws in het enkelvoud: ‘hij zocht’, ‘hij greep’. Wij vertalen met ‘zij’, voor Jehu en zijn mannen. Voetnoot : In 2 Kon. 9:27 staat dat Achazia naar Megiddo vluchtte en daar stierf. Wij vertalen beide teksten zoals ze staan. Zie ook: 1 Kon 13:21; 2 Kon 9:27; 2 Kron 17:3–4; 2 Kron 21:4; 2 Kron 21:20–22:1; 2 Kron 22:8 ### Atalia grijpt de macht **22:10** Toen Atalia, de moeder van Achazia, zag dat haar zoon dood was, stond zij op. Zij vernietigde het hele koninklijke nageslacht van het huis van Juda. Brontekst: וַעֲתַלְיָ֨הוּ֙ (vaatalyahu) = en Atalia | אֵ֣ם (em) = moeder van | אֲחַזְיָ֔הוּ (achazyahu) = Achazia | רָאֲתָ֖ה (raata) = zag | כִּ֣י (ki) = dat | מֵ֣ת (met) = gestorven was | בְּנָ֑הּ (benah) = haar zoon | וַתָּ֗קָם (vataqam) = en stond op | וַתְּדַבֵּ֛ר (vatedaber) = en sprak | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | זֶ֥רַע (zera) = het nageslacht van | הַמַּמְלָכָ֖ה (hamamlakha) = het koninkrijk | לְבֵ֥ית (leveit) = van het huis van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתְּדַבֵּר (vattedabber), ‘zij sprak’: dit werkwoord betekent gewoonlijk ‘spreken’. Hier gaat het om een uitspraak die tot vernietiging leidt; de zin heeft een direct voorwerp (‘al het nageslacht’). Wij vertalen ‘zij vernietigde’. In 2 Kon. 11:1 staat een ander werkwoord, ‘zij liet omkomen’. Voetnoot : זֶרַע הַמַּמְלָכָה (zera hammamlakhah), ‘het koninklijke nageslacht’: letterlijk ‘het zaad van het koningschap’. Zie ook: 2 Kon 11:1–3; 2 Kron 22:2–4 ### Josjeba redt Joas **22:11** Maar Josjeba, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Achazia. Zij stal hem weg uit de zonen van de koning die werden gedood. Zij bracht hem met zijn voedster in de slaapkamer. Josjeba, de dochter van koning Joram, de vrouw van Joiada, de priester, verborg hem voor Atalia. Want zij was de zus van Achazia. Atalia doodde hem niet. Brontekst: וַתִּקַּח֩ (vatiqach) = en nam | יְהוֹשַׁבְעַ֨ת (yehoshavat) = Josjeba | בַּת (bat) = dochter van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | יוֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחַזְיָ֗הוּ (achazyahu) = Achazia | וַתִּגְנֹ֤ב (vatignov) = en stal | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | מִתּ֤וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַמּ֣וּמָתִ֔ים (hamumatim) = die gedood werden | וַתִּתֵּ֥ן (vatiten) = en plaatste | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵֽינִקְתּ֖וֹ (meiniqto) = zijn voedster | בַּחֲדַ֣ר (bachadar) = in de kamer van | הַמִּטּ֑וֹת (hamitot) = de bedden | וַתַּסְתִּירֵ֡הוּ (vatastirehu) = en verborg hem | יְהוֹשַׁבְעַ֣ת (yehoshavat) = Josjeba | בַּת (bat) = dochter van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = koning | יְהוֹרָ֡ם (yehoram) = Joram | אֵשֶׁת֩ (eshet) = vrouw van | יְהוֹיָדָ֨ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | כִּ֣י (ki) = want | הִיא֩ (hi) = zij | הָיְתָ֨ה (hayeta) = was | אֲח֧וֹת (achot) = zus van | אֲחַזְיָ֛הוּ (achazyahu) = Achazia | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | עֲתַלְיָ֖הוּ (atalyahu) = Atalia | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֱמִיתָֽתְהוּ (hemitatehu) = doodde hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹשַׁבְעַת (Yehoshav’at), ‘Josjeba’: in 2 Kon. 11:2 staat de vorm Jehoseba (יְהוֹשֶׁבַע, Yehosheva). Josjeba was de dochter van koning Joram en de vrouw van de priester Joiada. Zij was de zus van Achazia, waarschijnlijk zijn halfzus (dezelfde vader, andere moeder). Voetnoot : חֲדַר הַמִּטּוֹת (cheder hammittot), ‘de slaapkamer’: letterlijk ‘de kamer van de bedden’. Het kan een bergplaats voor beddengoed zijn, in het huis van Yahweh (vers 12). Voetnoot : Het onderwerp van het laatste zinsdeel, ‘doodde hem niet’, is Atalia; wij noemen haar naam. Zie ook: 2 Sam 7:13; Ps 33:10; Spr 21:30; 2 Kon 11:2; 2 Kron 22:12; Ezech 40:45–46 **22:12** Zes jaar lang bleef hij bij hen, verborgen in het huis van Elohim. Atalia regeerde over het land. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en hij was | אִתָּם֙ (itam) = bij hen | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | מִתְחַבֵּ֖א (mitchabe) = zich verbergend | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | וַעֲתַלְיָ֖ה (vaatalya) = en Atalia | מֹלֶ֥כֶת (molekhet) = regerend | עַל (al) = over | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הָאֱלֹהִים (beit haElohim), ‘het huis van Elohim’: de tempel in Jeruzalem. Joas bleef er zes jaar verborgen. Zie ook 2 Kon. 11:3. Zie ook: Ps 12:9; Ps 27:5; Ps 73:14; Ps 73:18–19; 2 Kon 11:3; Jer 12:1 ## 2 Kronieken 23 _Joiada zet Joas op de troon_ ### Joiada sluit een verbond met de bevelhebbers **23:1** In het zevende jaar toonde Joiada zich sterk. Hij nam de bevelhebbers over honderd bij zich in een verbond. Dat waren Azarja, de zoon van Jerocham, Jisjmaël, de zoon van Jochanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisjafat, de zoon van Zichri. Brontekst: וּבַשָּׁנָ֨ה (uvashana) = en in het jaar | הַשְּׁבִעִ֜ית (hasheviit) = het zevende | הִתְחַזַּ֣ק (hitchazaq) = toonde zich sterk | יְהוֹיָדָ֗ע (yehoyada) = Joiada | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֣י (sarei) = bevelhebbers van | הַמֵּא֡וֹת (hameot) = de honderd | לַעֲזַרְיָ֣הוּ (laazaryahu) = Azarja | בֶן (ben) = zoon van | יְרֹחָ֡ם (yerocham) = Jerocham | וּלְיִשְׁמָעֵ֣אל (uleyishmael) = en Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | יְ֠הוֹחָנָן (yehochanan) = Jochanan | וְלַֽעֲזַרְיָ֨הוּ (velaazaryahu) = en Azarja | בֶן (ben) = zoon van | עוֹבֵ֜ד (oved) = Obed | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַעֲשֵׂיָ֧הוּ (maaseyahu) = Maäseja | בֶן (ben) = zoon van | עֲדָיָ֛הוּ (adayahu) = Adaja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֱלִישָׁפָ֥ט (elishafat) = Elisjafat | בֶּן (ben) = zoon van | זִכְרִ֖י (zikhri) = Zichri | עִמּ֥וֹ (imo) = met hem | בַבְּרִֽית (baberit) = in het verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְחַזֵּק (hitchazzeq), ‘toonde zich sterk’: letterlijk ‘sterkte zichzelf’. Joiada treedt nu openlijk op tegen Atalia, die sinds 2 Kron. 22:12 over het land regeert. Het zevende jaar is het zevende jaar van haar heerschappij. Voetnoot : Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 11. De namen van de vijf bevelhebbers over honderd staan alleen in Kronieken. Voetnoot : בְּרִית (berit), ‘verbond’: Joiada bindt hen met een verbond aan zich. Zie ook: 1 Sam 18:3; 2 Kon 11:4–20; 2 Kron 15:12; 2 Kron 22:12; Neh 10:1 **23:2** Zij trokken door Juda. Zij verzamelden de Levieten uit alle steden van Juda en de familiehoofden van Israël. Zo kwamen zij in Jeruzalem. Brontekst: וַיָּסֹ֨בּוּ֙ (vayasobu) = en zij gingen rond | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = in Juda | וַיִּקְבְּצ֤וּ (vayiqbetsu) = en zij verzamelden | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | מִכָּל (mikal) = uit alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְרָאשֵׁ֥י (verashei) = en hoofden van | הָאָב֖וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = van Israël | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Kronieken noemt hier de Levieten en de familiehoofden uit heel Juda als medewerkers van Joiada. Zij brengen de beweging naar Jeruzalem. Zie ook: 1 Kron 15:12; 1 Kron 24:6; 2 Kron 11:13–17; Mat 10:16; Ef 5:15 ### Het plan in het huis van Elohim **23:3** Heel de vergadering sloot in het huis van Elohim een verbond met de koning. Joiada zei tegen hen: „Zie, de zoon van de koning zal koning zijn, zoals Yahweh heeft gesproken over de zonen van David. Brontekst: וַיִּכְרֹ֨ת (vayikhrot) = en sloot | כָּל (kal) = heel | הַקָּהָ֥ל (haqahal) = de vergadering | בְּרִ֛ית (berit) = een verbond | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | עִם (im) = met | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tegen hen | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | בֶן (ben) = de zoon van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | יִמְלֹ֔ךְ (yimlokh) = zal koning zijn | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | דָוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָהָל (qahal), ‘vergadering’: de samengekomen gemeente. Het verbond wordt gesloten in het huis van Elohim. Voetnoot : De belofte dat een zoon van David koning zal zijn staat in 2 Sam. 7:12–16 en 1 Kron. 17:11–14. Zie ook 2 Kron. 21:7. Voetnoot : Het woord van Joiada loopt door tot en met vers 7. Wij zetten daarom het eerste aanhalingsteken in vers 3 en het laatste in vers 7. Zie ook: 2 Sam 7:12; 1 Kron 17:11–14; 2 Kon 11:17; 2 Kron 6:16; 2 Kron 7:18; 2 Kron 21:7; 2 Kron 23:7 **23:4** Dit moeten jullie doen: een derde deel van jullie, de priesters en de Levieten die op de sabbat komen, moet poortwachter zijn bij de drempels. Brontekst: זֶ֥ה (ze) = dit | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | הַשְּׁלִשִׁ֨ית (hashelishit) = het derde deel | מִכֶּ֜ם (mikem) = van jullie | בָּאֵ֣י (baei) = die komen van | הַשַּׁבָּ֗ת (hashabat) = de sabbat | לַכֹּֽהֲנִים֙ (lakohanim) = van de priesters | וְלַלְוִיִּ֔ם (velalviyim) = en van de Levieten | לְשֹֽׁעֲרֵ֖י (leshoarei) = als poortwachters van | הַסִּפִּֽים (hasipim) = de drempels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסִּפִּים (hassippim), ‘de drempels’: de drempels van de ingangen van het huis van Yahweh. Wie daar de wacht houdt, bewaakt de toegang. Voetnoot : De verdeling in drie delen loopt door in vers 5. Zie ook: 1 Kron 9:25; 1 Kron 23:3–6; 1 Kron 24:3–6; 1 Kron 26:13–16; 2 Kron 23:5; Luc 1:8–9 **23:5** Een derde deel moet in het huis van de koning zijn en een derde deel bij de Grondpoort. Heel het volk moet in de voorhoven van het huis van Yahweh zijn. Brontekst: וְהַשְּׁלִשִׁית֙ (vehashelishit) = en het derde deel | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשְּׁלִשִׁ֖ית (vehashelishit) = en het derde deel | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = bij de poort | הַיְס֑וֹד (haysod) = de Grondslag | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | בְּחַצְר֖וֹת (bechatsrot) = in de voorhoven van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַיְּסוֹד (sha’ar hayesod), ‘de Grondpoort’: letterlijk ‘de poort van de grondslag’. Waar die poort lag, is onzeker. In 2 Kon. 11:6 heet zij ‘de poort Sur’. Zie ook: 2 Kon 11:5–6; 2 Kon 11:6; Ezech 44:2–3; Ezech 46:2–3; Hand 3:2 **23:6** Niemand mag het huis van Yahweh binnengaan, behalve de priesters en de Levieten die dienst doen. Zij mogen binnengaan, want zij zijn heilig. Heel het volk moet de wacht van Yahweh houden. Brontekst: וְאַל (veal) = en niet | יָב֣וֹא (yavo) = zal binnengaan | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | אִם (im) = tenzij | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | וְהַמְשָׁרְתִ֣ים (vehamsharetim) = en de dienstdoenden | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = van de Levieten | הֵ֥מָּה (hema) = zij | יָבֹ֖אוּ (yavou) = zullen binnengaan | כִּי (ki) = want | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig | הֵ֑מָּה (hema) = zij | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | יִשְׁמְר֖וּ (yishmeru) = zal houden | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = de wacht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת יְהוָה (mishmeret Yahweh), ‘de wacht van Yahweh’: wat Yahweh aan het volk heeft toevertrouwd om te bewaken. Het woord wordt ook gebruikt voor de taken van de Levieten (Num. 3:7–8). Hier moet het volk in de voorhoven blijven en het huis niet zelf binnengaan. Zie ook: Num 3:7–8; 1 Kron 23:28–32; 2 Kon 11:6–7 **23:7** De Levieten moeten rondom de koning staan, ieder met zijn wapens in zijn hand. Wie het huis binnenkomt, moet gedood worden. Blijf bij de koning, wanneer hij binnenkomt en wanneer hij weggaat.” Brontekst: וְהִקִּיפוּ֩ (vehiqifu) = en zij zullen omringen | הַלְוִיִּ֨ם (halviyim) = de Levieten | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | סָבִ֗יב (saviv) = rondom | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | וְכֵלָ֣יו (vekhelav) = met zijn wapens | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וְהַבָּ֥א (vehaba) = en wie binnenkomt | אֶל (el) = in | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | יוּמָ֑ת (yumat) = zal gedood worden | וִֽהְי֥וּ (vihyu) = en wees | אֶת (et) = met | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּבֹא֥וֹ (bevoo) = wanneer hij binnenkomt | וּבְצֵאתֽוֹ (uvetseto) = en wanneer hij weggaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּלָיו (kelav), ‘zijn wapens’: het woord betekent letterlijk ‘zijn voorwerpen’ of ‘zijn gereedschap’. In vers 10 staat een ander woord, שֶׁלַח (shelach), ‘wapen’. Het laatste aanhalingsteken van de toespraak van Joiada staat in dit vers. Zie ook: Ex 19:12–13; Ex 21:14; Num 3:10; Num 3:38; 2 Kon 11:8–9; 2 Kron 23:10 ### De opstelling bij het huis van Yahweh **23:8** De Levieten en heel Juda deden alles wat de priester Joiada had bevolen. Ieder nam zijn mannen, zowel zij die op de sabbat kwamen als zij die op de sabbat vertrokken. Want de priester Joiada had de afdelingen niet laten gaan. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֨וּ (vayaasu) = en deden | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | כְּכֹ֣ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּה֮ (tsiva) = had bevolen | יְהוֹיָדָ֣ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵן֒ (hakohen) = de priester | וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אֲנָשָׁ֔יו (anashav) = zijn mannen | בָּאֵ֣י (baei) = die kwamen | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | עִ֖ם (im) = met | יוֹצְאֵ֣י (yotseei) = die vertrokken | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | פָטַ֛ר (patar) = had laten gaan | יְהוֹיָדָ֥ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמַּחְלְקֽוֹת (hamachleqot) = de afdelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּחְלְקוֹת (hammachloqot), ‘de afdelingen’: de groepen priesters en Levieten die om beurten dienst deden (1 Kron. 24; 1 Kron. 25). De tekst zegt dat Joiada de afdelingen niet liet gaan, dus niet afloste. Ook de groep die op de sabbat vertrok, bleef. Zie ook: 1 Kron 24:1–26; 2 Kon 11:9 **23:9** De priester Joiada gaf aan de bevelhebbers over honderd de speren, de schilden en de rondschilden van koning David. Die lagen in het huis van Elohim. Brontekst: וַיִּתֵּן֩ (vayiten) = en gaf | יְהוֹיָדָ֨ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | לְשָׂרֵ֣י (lesarei) = aan de bevelhebbers van | הַמֵּא֗וֹת (hameot) = de honderd | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחֲנִיתִים֙ (hachanitim) = de speren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמָּגִנּוֹת֙ (hamaginot) = de schilden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשְּׁלָטִ֔ים (hashelatim) = de rondschilden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van de koning | דָּוִ֑יד (david) = David | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בֵּ֥ית (beit) = in het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחֲנִיתִים (hachanitim), ‘de speren’; הַמָּגִנּוֹת (hammaginnot), ‘de schilden’; הַשְּׁלָטִים (hashelatim), ‘de rondschilden’: het laatste woord komt ook voor in 2 Sam. 8:7 en 1 Kron. 18:7, daar bij de schilden van goud. De betekenis is niet helemaal vast. Wij denken aan kleine, ronde schilden. Voetnoot : Deze wapens van David lagen in het huis van Elohim. Zie ook: 1 Sam 21:10; 2 Sam 8:7; 1 Kron 18:7 **23:10** Hij liet heel het volk opstellen, ieder met zijn wapen in zijn hand. Zij stonden van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, bij het altaar en bij het huis, rondom de koning. Brontekst: וַיַּעֲמֵ֨ד (vayaamed) = en liet staan | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | שִׁלְח֣וֹ (shilcho) = zijn wapen | בְיָד֗וֹ (beyado) = in zijn hand | מִכֶּ֨תֶף (miketef) = van de zijde van | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַיְמָנִית֙ (haymanit) = de rechter | עַד (ad) = tot | כֶּ֤תֶף (ketef) = de zijde van | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | הַשְּׂמָאלִ֔ית (hasemalit) = de linker | לַמִּזְבֵּ֖חַ (lamizbeach) = bij het altaar | וְלַבָּ֑יִת (velabayit) = en bij het huis | עַל (al) = om | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | סָבִֽיב (saviv) = heen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:6; 2 Kon 11:11; 2 Kron 6:12 ### Joas wordt koning gemaakt **23:11** Zij brachten de zoon van de koning naar buiten. Zij zetten hem de kroon op en gaven hem het getuigenis. Zij maakten hem koning. Joiada en zijn zonen zalfden hem. Zij riepen: „Leve de koning!” Brontekst: וַיּוֹצִ֣יאוּ (vayotsiu) = en zij brachten naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | בֶּן (ben) = de zoon van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij gaven | עָלָיו֙ (alav) = op hem | אֶת (et) = (obj.) | הַנֵּ֨זֶר֙ (hanezer) = de kroon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָ֣עֵד֔וּת (haedut) = het getuigenis | וַיַּמְלִ֖יכוּ (vayamlikhu) = en zij maakten koning | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וַיִּמְשָׁחֻ֨הוּ֙ (vayimshachuhu) = en zalfde hem | יְהוֹיָדָ֣ע (yehoyada) = Joiada | וּבָנָ֔יו (uvanav) = en zijn zonen | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | יְחִ֥י (yechi) = leve | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵזֶר (nezer), ‘kroon’: een teken van wijding en koningschap; letterlijk ‘wijding’ of ‘diadeem’. עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’: wat hier precies wordt overhandigd, zegt de tekst niet. Het woord ‘getuigenis’ wordt elders gebruikt voor wat Yahweh aan Mozes gaf (Exod. 25:16). Vergelijk ook Deut. 17:18–20. Voetnoot : וַיִּמְלִיכוּ אֹתוֹ (vayamlikhu oto), ‘zij maakten hem koning’: het werkwoord staat in het meervoud. Het gaat om degenen die bij Joiada waren. Zie ook: Ex 25:16; Deut 17:18–20; 1 Sam 10:24; Ps 89:40; 2 Kon 11:12 ### Atalia wordt gedood **23:12** Atalia hoorde het geluid van het volk dat rende en de koning prees. Zij kwam naar het volk in het huis van Yahweh. Brontekst: וַתִּשְׁמַ֣ע (vatishma) = en hoorde | עֲתַלְיָ֗הוּ (atalyahu) = Atalia | אֶת (et) = (obj.) | ק֤וֹל (qol) = het geluid van | הָעָם֙ (haam) = het volk | הָֽרָצִ֔ים (haratsim) = dat rende | וְהַֽמְהַֽלְלִ֖ים (vehamhallim) = en prees | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַתָּב֥וֹא (vatavo) = en zij kwam | אֶל (el) = naar | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Atalia is de koningin die de troon had gegrepen na de dood van haar zoon Achazia (2 Kron. 22:10–12). Zie ook: 2 Kon 9:32–37; 2 Kon 11:13–16; 2 Kron 22:10–12 **23:13** Zij keek, en zie, de koning stond bij zijn zuil bij de ingang. De bevelhebbers en de trompetten waren bij de koning. Heel het volk van het land was blij en blies op de trompetten. De zangers met de instrumenten voor het lied leidden de lofzang. Atalia scheurde haar kleren en riep: „Samenzwering! Samenzwering!” Brontekst: וַתֵּ֡רֶא (vatere) = en zij zag | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | הַמֶּלֶךְ֩ (hamelekh) = de koning | עוֹמֵ֨ד (omed) = stond | עַֽל (al) = bij | עַמּוּד֜וֹ (amudo) = zijn zuil | בַּמָּב֗וֹא (bamavo) = bij de ingang | וְהַשָּׂרִ֣ים (vehasarim) = en de bevelhebbers | וְהַחֲצֹצְרוֹת֮ (vehachatsotserot) = en de trompetten | עַל (al) = bij | הַמֶּלֶךְ֒ (hamelekh) = de koning | וְכָל (vekhal) = en heel | עַ֨ם (am) = het volk van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | שָׂמֵ֗חַ (sameach) = was blij | וְתוֹקֵ֨עַ֙ (vetoqea) = en blies | בַּחֲצֹ֣צְר֔וֹת (bachatsotserot) = op de trompetten | וְהַמְשֽׁוֹרֲרִים֙ (vehamshorarim) = en de zangers | בִּכְלֵ֣י (bikhlei) = met instrumenten van | הַשִּׁ֔יר (hashir) = het lied | וּמוֹדִיעִ֖ים (umodiim) = en die lieten weten | לְהַלֵּ֑ל (lehalel) = om te loven | וַתִּקְרַ֤ע (vatiqra) = en scheurde | עֲתַלְיָ֨הוּ֙ (atalyahu) = Atalia | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדֶ֔יהָ (begadeiha) = haar kleren | וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en zei | קֶ֥שֶׁר (qesher) = samenzwering | קָֽשֶׁר (qasher) = samenzwering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמּוּד (ammud), ‘zuil’: de plaats bij de zuil bij de ingang van het huis van Yahweh, waar de koning volgens gebruik stond. In 2 Kron. 34:31 staat een verwant woord (עָמְדוֹ, omdo), ‘zijn plaats’. Voetnoot : וּמוֹדִיעִים לְהַלֵּל (umodi’im lehallel), ‘leidden de lofzang’: letterlijk ‘die lieten weten om te loven’, dat wil zeggen: zij gaven aan wanneer het loflied moest beginnen. Voetnoot : קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: hetzelfde stamwoord als in 2 Kron. 24:21,25. Zie ook: 1 Kron 15:24; Ps 14:5; Spr 11:10; Spr 29:2; 1 Kon 18:17–18; 2 Kron 24:21; 2 Kron 34:31 **23:14** Toen liet de priester Joiada de bevelhebbers over honderd, de aangestelden van het leger, naar buiten komen. Hij zei tegen hen: „Breng haar naar buiten, naar het midden van de rijen. Wie haar volgt, moet met het zwaard gedood worden.” Want de priester had gezegd: „Doodt haar niet in het huis van Yahweh.” Brontekst: וַיּוֹצֵא֩ (vayotse) = en liet naar buiten komen | יְהוֹיָדָ֨ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֥י (sarei) = bevelhebbers van | הַמֵּא֣וֹת (hameot) = de honderd | פְּקוּדֵ֣י (pequdei) = de aangestelden van | הַחַ֗יִל (hachayil) = het leger | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tegen hen | הֽוֹצִיא֨וּהָ֙ (hotsiuha) = breng haar naar buiten | אֶל (el) = naar | מִבֵּ֣ית (mibeit) = binnen | הַשְּׂדֵר֔וֹת (hasederot) = de rijen | וְהַבָּ֥א (vehaba) = en wie komt | אַחֲרֶ֖יהָ (achareiha) = achter haar | יוּמַ֣ת (yumat) = zal gedood worden | בֶּחָ֑רֶב (becharev) = met het zwaard | כִּ֚י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = had gezegd | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | לֹ֥א (lo) = niet | תְמִית֖וּהָ (temituha) = jullie zullen haar doden | בֵּ֥ית (beit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂדֵרוֹת (sederot), ‘rijen’: het woord komt weinig voor. Het betekent waarschijnlijk de rijen van de opgestelde mannen. Ook is een betekenis als ‘zijkamers’ of ‘balken’ mogelijk. Wij volgen de eerste: Atalia werd tussen de wachters door naar buiten geleid, weg van het huis van Yahweh. Zie ook 2 Kon. 11:15. Zie ook: Ex 21:14; 2 Kon 10:25; 2 Kon 11:8; 2 Kon 11:15; Ezech 9:7 **23:15** Zij grepen haar. Zij kwam bij de ingang van de Paardenpoort bij het huis van de koning. Daar doodden zij haar. Brontekst: וַיָּשִׂ֤ימוּ (vayasimu) = en zij legden | לָהּ֙ (lah) = aan haar | יָדַ֔יִם (yadayim) = handen | וַתָּב֛וֹא (vatavo) = en zij kwam | אֶל (el) = naar | מְב֥וֹא (mevo) = de ingang van | שַֽׁעַר (shaar) = de poort van | הַסּוּסִ֖ים (hasusim) = de paarden | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיְמִית֖וּהָ (vaymituha) = en zij doodden haar | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Volgens de tekst ligt de ingang van de Paardenpoort bij het huis van de koning. De precieze ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: וַיָּשִׂימוּ לָהּ יָדַיִם (vayasimu lah yadayim), ‘zij grepen haar’: letterlijk ‘zij legden handen aan haar’. Het gaat om vastgrijpen, niet om zegenen. Zie ook: Ps 5:7; Ps 55:24; 2 Kron 22:10; Jer 31:40; Neh 3:28 ### Het volk keert terug naar Yahweh **23:16** Joiada sloot een verbond tussen zichzelf, heel het volk en de koning: zij zouden een volk voor Yahweh zijn. Brontekst: וַיִּכְרֹ֤ת (vayikhrot) = en sloot | יְהוֹיָדָע֙ (yehoyada) = Joiada | בְּרִ֔ית (berit) = een verbond | בֵּינ֕וֹ (beino) = tussen hemzelf | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לְעָ֖ם (leam) = tot een volk | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbond in vers 16 heeft drie partijen: Joiada, het volk en de koning. Het doel is dat zij ‘een volk voor Yahweh’ zijn. Vergelijk Deut. 7:6 en 2 Kron. 15:12–14. Zie ook: Deut 7:6; 2 Kon 11:17; 2 Kron 15:12–14; 2 Kron 29:10; 2 Kron 34:31–32; Neh 10:1; Neh 10:30–40 **23:17** Heel het volk ging naar het huis van Baäl en zij braken het af. Zijn altaren en zijn beelden sloegen zij kapot. Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ (vayavou) = en kwamen | כָל (kal) = heel | הָעָ֤ם (haam) = het volk | בֵּית (beit) = het huis van | הַבַּ֨עַל֙ (habaal) = Baäl | וַֽיִּתְּצֻ֔הוּ (vayitetsuhu) = en braken het af | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִזְבְּחֹתָ֥יו (mizbechotav) = zijn altaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צְלָמָ֖יו (tselamav) = zijn beelden | שִׁבֵּ֑רוּ (shiberu) = zij sloegen kapot | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | מַתָּן֙ (matan) = Mattan | כֹּהֵ֣ן (kohen) = de priester van | הַבַּ֔עַל (habaal) = Baäl | הָרְג֖וּ (haregu) = zij doodden | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַֽמִּזְבְּחֽוֹת (hamizbechot) = de altaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבַּעַל (haba’al), ‘Baäl’: in het Hebreeuws staat het lidwoord voor de naam; wij schrijven ‘Baäl’ zonder lidwoord, zoals in de andere boeken. Zie ook 2 Kron. 24:7, waar de zonen van Atalia de heilige dingen van het huis van Yahweh voor ‘de Baäls’ gebruiken. Voetnoot : צְלָמָיו (tselamav), ‘zijn beelden’: figuren van de godheid. Mattan is de priester van Baäl. Zie ook: 1 Kon 18:40; 2 Kon 18:4; 2 Kron 24:7; 2 Kron 34:4; Jes 2:18; Zach 13:2–3 **23:18** Joiada legde het toezicht over het huis van Yahweh in de hand van de priesters, de Levieten. David had hen over het huis van Yahweh ingedeeld om de brandoffers van Yahweh op te dragen. Zo staat het geschreven in de wet van Mozes. Het gebeurde met vreugde en met gezang, naar de aanwijzing van David. Brontekst: וַיָּשֶׂם֩ (vayasem) = en legde | יְהוֹיָדָ֨ע (yehoyada) = Joiada | פְּקֻדֹּ֜ת (pequdot) = het toezicht over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַ֨ד (beyad) = in de hand van | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּם֮ (halviyim) = de Levieten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָלַ֣ק (chalaq) = had ingedeeld | דָּוִיד֮ (david) = David | עַל (al) = over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | לְֽהַעֲל֞וֹת (lehaalot) = om op te laten gaan | עֹל֣וֹת (olot) = brandoffers van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כַּכָּת֛וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בְּתוֹרַ֥ת (betorat) = in de wet van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּשִׂמְחָ֣ה (besimcha) = met vreugde | וּבְשִׁ֑יר (uveshir) = en met gezang | עַ֖ל (al) = door | יְדֵ֥י (yedei) = de handen van | דָוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקֻדֹּת (pequddot), ‘toezicht’: de taak om het huis te bewaken en te beheren. Joiada zet de dienst van het huis weer op de orde die David had ingesteld. Voetnoot : עַל יְדֵי דָוִיד (al yede David), ‘naar de aanwijzing van David’: letterlijk ‘op de handen van David’. Zie 1 Kron. 23–26. Voetnoot : תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Moshe), ‘de wet van Mozes’: voor de brandoffers zie Num. 28–29. Zie ook: Num 28:1–31; 1 Kron 23:1–24; 1 Kron 25:1–31; 2 Kron 5:5; 2 Kron 29:25 **23:19** Hij stelde de poortwachters op bij de poorten van het huis van Yahweh. Niemand die om welke reden ook onrein was, mocht binnenkomen. Brontekst: וַֽיַּעֲמֵד֙ (vayaamed) = en liet staan | הַשּׁ֣וֹעֲרִ֔ים (hashoarim) = de poortwachters | עַֽל (al) = bij | שַׁעֲרֵ֖י (shaarei) = de poorten van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָבֹ֥א (yavo) = zou binnenkomen | טָמֵ֖א (tame) = een onreine | לְכָל (lekhal) = voor elke | דָּבָֽר (davar) = zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit herinnert aan de regel dat niets onreins het huis van Yahweh mag binnenkomen. Zie ook Lev. 15:31 en Num. 19:20. Zie ook: Lev 15:31; Num 19:20; 1 Kron 9:22–24; 1 Kron 26:1–32 ### Joas op de troon **23:20** Hij nam de bevelhebbers over honderd, de edelen, de heersers over het volk en heel het volk van het land. Hij liet de koning uit het huis van Yahweh naar beneden komen. Zij kwamen door de Bovenpoort naar het huis van de koning. Daar zetten zij de koning op de troon van het koninkrijk. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֣י (sarei) = bevelhebbers van | הַמֵּא֡וֹת (hameot) = de honderd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽאַדִּירִים֩ (haadirim) = de edelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמּֽוֹשְׁלִ֨ים (hamoshelim) = de heersers | בָּעָ֜ם (baam) = over het volk | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | וַיּ֤וֹרֶד (vayored) = en liet naar beneden komen | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּבֹ֛אוּ (vayavou) = en zij kwamen | בְּתֽוֹךְ (betokh) = door het midden van | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort | הָֽעֶלְי֖וֹן (haelyon) = de bovenste | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיּוֹשִׁ֨יבוּ֙ (vayoshivu) = en zij lieten zitten | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַ֖ל (al) = op | כִּסֵּ֥א (kise) = de troon van | הַמַּמְלָכָֽה (hamamlakha) = het koninkrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאַדִּירִים (ha’addirim), ‘de edelen’: letterlijk ‘de machtigen’. Voetnoot : שַׁעַר הָעֶלְיוֹן (sha’ar ha’elyon), ‘de Bovenpoort’: de tekst zegt alleen dat zij hier het huis van de koning binnengingen. De ‘Bovenpoort van het huis van Yahweh’ in 2 Kron. 27:3 is een andere poort. Zie ook: 2 Kon 11:9–10; 2 Kon 11:19; 2 Kon 15:35; 2 Kron 27:3 **23:21** Heel het volk van het land was blij en de stad was rustig. Atalia hadden zij met het zwaard gedood. Brontekst: וַיִּשְׂמְח֥וּ (vayismechu) = en verheugden zich | כָל (kal) = heel | עַם (am) = het volk van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | וְהָעִ֣יר (vehair) = en de stad | שָׁקָ֑טָה (shaqata) = was rustig | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲתַלְיָ֖הוּ (atalyahu) = Atalia | הֵמִ֥יתוּ (hemitu) = zij hadden gedood | בֶחָֽרֶב (becharev) = met het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Atalia’s dood is al verteld (vers 15); hier komt hij nog eens als slot van het verhaal. Vergelijk 2 Kon. 11:20. Zie ook: Ps 58:11–12; Spr 11:10; 2 Kon 11:20; 2 Kron 23:15; Openb 18:20; Openb 19:1–4 ## 2 Kronieken 24 _Joas herstelt het huis van Yahweh en verlaat Yahweh_ ### Joas wordt koning **24:1** Joas was 7 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 40 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zibja en kwam uit Beër-Sjeba. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | שָׁנִים֙ (shanim) = jaar | יֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְאַרְבָּעִ֣ים (vearbaim) = en veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | צִבְיָ֖ה (tsivya) = Zibja | מִבְּאֵ֥ר (mibeer) = uit Beër | שָֽׁבַע (shava) = Sjeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër-Sjeba (בְּאֵר שֶׁבַע) lag in het zuiden van Juda, bij het huidige Tel Beër-Sjeva in het zuiden van Israël. De ligging is vrij zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 12 (Hebreeuwse telling: 2 Kon. 12:1 is 11:21 in Nederlandse Bijbels). De naam צִבְיָה (Tsivyah), ‘Zibja’, betekent waarschijnlijk ‘gazelle’. Zie ook: 1 Kron 3:11; 2 Kon 12:1–16 **24:2** Joas deed wat juist was in de ogen van Yahweh, al de dagen van de priester Joiada. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en deed | יוֹאָ֛שׁ (yoash) = Joas | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֖י (yemei) = dagen van | יְהוֹיָדָ֥ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kronieken legt de nadruk op ‘al de dagen van de priester Joiada’. Wat daarna gebeurt (vers 17–22), volgt op de dood van Joiada. Zie ook: Ps 78:36–37; 2 Kron 24:17–22; 2 Kron 25:2; 2 Kron 26:4–5; Jes 29:13 **24:3** Joiada nam voor hem twee vrouwen. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַיִּשָּׂא (vayisa) = en nam | ל֥וֹ (lo) = voor hem | יְהוֹיָדָ֖ע (yehoyada) = Joiada | נָשִׁ֣ים (nashim) = vrouwen | שְׁתָּ֑יִם (shetayim) = twee | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij kreeg | בָּנִ֥ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Hij kreeg’ (וַיּוֹלֶד, vayyoled): de tekst noemt het onderwerp niet. Wij lezen: Joas kreeg zonen en dochters. Zie ook: Gen 4:19; Gen 21:21; Gen 24:4; 2 Kron 24:15; Mat 19:4–8 ### Het huis van Yahweh wordt hersteld **24:4** Daarna nam Joas zich voor het huis van Yahweh te vernieuwen. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֑ן (ken) = dit | הָיָה֙ (haya) = het was | עִם (im) = met | לֵ֣ב (lev) = het hart van | יוֹאָ֔שׁ (yoash) = Joas | לְחַדֵּ֖שׁ (lechadesh) = om te vernieuwen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָיָה עִם לֵב (hayah im lev), ‘nam zich voor’: letterlijk ‘het was met het hart van Joas’. Dezelfde uitdrukking staat in 1 Kron. 22:7 en 2 Kron. 6:7, daar over David die een huis voor Yahweh wilde bouwen. Zie ook: 1 Kron 22:7; 2 Kron 6:7 **24:5** Hij verzamelde de priesters en de Levieten en zei tegen hen: „Ga naar de steden van Juda. Verzamel van heel Israël geld om het huis van jullie Elohim te herstellen, elk jaar opnieuw. Haast je met deze zaak.” Maar de Levieten haastten zich niet. Brontekst: וַיִּקְבֹּץ֮ (vayiqbots) = en verzamelde | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּם֒ (vehalviyim) = en de Levieten | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֡ם (lahem) = tegen hen | צְא֣וּ (tseu) = ga uit | לְעָרֵ֪י (learei) = naar de steden van | יְהוּדָ֟ה (yehuda) = Juda | וְקִבְצוּ֩ (veqivtsu) = en verzamel | מִכָּל (mikal) = van heel | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | כֶּ֜סֶף (kesef) = geld | לְחַזֵּ֣ק (lechazeq) = om te herstellen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | מִדֵּ֤י (midei) = van elk | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | בְּשָׁנָ֔ה (beshana) = in het jaar | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | תְּמַהֲר֣וּ (temaharu) = zullen haasten | לַדָּבָ֑ר (ladavar) = met de zaak | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | מִֽהֲר֖וּ (miharu) = haastten zich | הַֽלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְחַזֵּק (lechazzeq), ‘herstellen’: letterlijk ‘sterk maken’. Dit is een ander werkwoord dan ‘vernieuwen’ (לְחַדֵּשׁ, lechadesh) in vers 4. Voetnoot : מִדֵּי שָׁנָה בְּשָׁנָה (middei shanah beshanah), ‘elk jaar opnieuw’: letterlijk ‘van de keren van jaar tot jaar’, een vaste uitdrukking voor ‘jaar na jaar’. Voetnoot : De geschiedenis van dit geld komt ook voor in 2 Kon. 12:5–17. Zie ook: 2 Kon 12:5–8; 2 Kron 21:2; 2 Kron 24:4; 2 Kron 29:3; 2 Kron 34:8–9 **24:6** De koning riep Joiada, het hoofd, en zei tegen hem: „Waarom heb je niet van de Levieten geëist dat zij de bijdrage brengen uit Juda en uit Jeruzalem? Die bijdrage is van Mozes, de dienaar van Yahweh, en van de vergadering van Israël, voor de tent van het getuigenis. Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | הַמֶּלֶךְ֮ (hamelekh) = de koning | לִֽיהוֹיָדָ֣ע (lihoyada) = Joiada | הָרֹאשׁ֒ (harosh) = het hoofd | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | מַדּ֨וּעַ֙ (madua) = waarom | לֹֽא (lo) = niet | דָרַ֣שְׁתָּ (darashta) = heb je geëist | עַל (al) = van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | לְהָבִ֞יא (lehavi) = om te brengen | מִֽיהוּדָ֣ה (mihuda) = uit Juda | וּמִֽירוּשָׁלִַ֗ם (umirushalaim) = en uit Jeruzalem | אֶת (et) = (obj.) | מַשְׂאַת֙ (masat) = de bijdrage van | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהַקָּהָ֖ל (vehaqahal) = en de vergadering | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = van Israël | לְאֹ֖הֶל (leohel) = voor de tent van | הָעֵדֽוּת (haedut) = het getuigenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הָרֹאשׁ (harosh), ‘het hoofd’: de leider van de priesters. In vers 11 staat de gelijkluidende titel כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘de priester die het hoofd is’; wij vertalen daar ‘hoofdpriester’. Voetnoot : מַשְׂאַת מֹשֶׁה (masat Moshe), ‘de bijdrage van Mozes’: מַשְׂאַת (masat) betekent letterlijk ‘wat wordt opgetild’; dat kan een last, een bijdrage of een schatting zijn. Het gaat om de bijdrage die Mozes voor de tent heeft ingesteld, zie Exod. 30:11–16 en Exod. 38:25–28. Voetnoot : אֹהֶל הָעֵדֻת (ohel ha’edut), ‘tent van het getuigenis’: de tabernakel; zie Num. 9:15 en 17:22–23. Zie ook: Ex 30:11–16; Ex 30:12–16; Ex 38:25–28; Num 1:50; Num 9:15; Num 17:22–23; Num 18:2; 2 Kron 24:11; Hand 7:44 **24:7** Want Atalia, die goddeloze vrouw, en haar zonen hadden het huis van Elohim opengebroken. Ook alle heilige dingen van het huis van Yahweh hadden zij voor de Baäls gebruikt.” Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עֲתַלְיָ֨הוּ֙ (atalyahu) = Atalia | הַמִּרְשַׁ֔עַת (hamirshaat) = de goddeloze | בָּנֶ֥יהָ (baneiha) = haar zonen | פָרְצ֖וּ (paretsu) = braken open | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וְגַם֙ (vegam) = en ook | כָּל (kal) = alle | קָדְשֵׁ֣י (qadeshei) = heilige dingen van | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עָשׂ֖וּ (asu) = zij maakten | לַבְּעָלִֽים (labealim) = voor de Baäls Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעָלִים (be’alim), ‘Baäls’: het meervoud. Er worden meerdere Baäl-goden of -beelden bedoeld. De tekst noemt de zonen van Atalia niet bij naam. Voetnoot : עָשׂוּ לַבְּעָלִים (asu laba’alim), ‘zij gebruikten voor de Baäls’: letterlijk ‘zij maakten voor de Baäls’. Zie ook: Deut 32:15–17; 2 Kron 21:17; 2 Kron 28:22–24; Hos 2:10–11; Hos 2:15 **24:8** De koning gaf het bevel. Zij maakten één kist en zetten die buiten, bij de poort van het huis van Yahweh. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַֽיַּעֲשׂ֖וּ (vayaasu) = en zij maakten | אֲר֣וֹן (aron) = een kist | אֶחָ֑ד (echad) = één | וַֽיִּתְּנֻ֛הוּ (vayitenuhu) = en zij zetten hem | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = bij de poort van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | חֽוּצָה (chutsa) = buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָרוֹן (aron), ‘kist’: hetzelfde woord als ‘ark’, maar hier gaat het om een gewone kist voor de bijdragen. Zie ook 2 Kon. 12:10. Zie ook: 2 Kon 12:9–10; 2 Kon 12:10; Mar 12:41 **24:9** Zij lieten in Juda en in Jeruzalem uitroepen dat men voor Yahweh de bijdrage moest brengen. Mozes, de dienaar van Elohim, had die Israël in de woestijn opgelegd. Brontekst: וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en zij gaven | ק֞וֹל (qol) = een stem | בִּֽיהוּדָ֣ה (bihuda) = in Juda | וּבִֽירוּשָׁלִַ֗ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | לְהָבִ֤יא (lehavi) = om te brengen | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | מַשְׂאַ֞ת (masat) = de bijdrage van | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = de Elohim | עַל (al) = op | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיִּתְּנוּ קוֹל (vayittenu qol), ‘zij lieten uitroepen’: letterlijk ‘zij gaven een stem’. De bijdrage is die uit Exod. 30:12–16. Zie ook: Ex 30:12–16; 2 Kron 24:6; Mat 17:24–27 **24:10** Alle leiders en heel het volk waren blij. Zij brachten het en wierpen het in de kist, tot zij klaar waren. Brontekst: וַיִּשְׂמְח֥וּ (vayismechu) = en verheugden zich | כָל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֖ים (hasarim) = de leiders | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיָּבִ֛יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | וַיַּשְׁלִ֥יכוּ (vayashlikhu) = en wierpen | לָאָר֖וֹן (laaron) = in de kist | עַד (ad) = tot | לְכַלֵּֽה (lekhale) = zij klaar waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד לְכַלֵּה (ad lechalleh), ‘tot zij klaar waren’: letterlijk ‘tot het voleindigen’. Het kan betekenen dat men bleef geven tot de kist vol was of tot er genoeg was. Wij vertalen zoals de tekst staat. Zie ook: 1 Kron 29:9; Jes 64:4; Hand 2:45–47; 2 Kor 8:2; 2 Kor 9:7 **24:11** Telkens als de kist door de Levieten naar de toezichthouders van de koning werd gebracht, zagen zij dat er veel geld was. Dan kwamen de secretaris van de koning en de opzichter van de hoofdpriester. Zij leegden de kist, tilden haar op en zetten haar terug op haar plaats. Zo deden zij dag na dag. Zij verzamelden geld in grote hoeveelheid. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | בְּעֵת֩ (beet) = wanneer | יָבִ֨יא (yavi) = men bracht | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאָר֜וֹן (haaron) = de kist | אֶל (el) = naar | פְּקֻדַּ֣ת (pequdat) = het toezicht van | הַמֶּלֶךְ֮ (hamelekh) = de koning | בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | הַלְוִיִּם֒ (halviyim) = de Levieten | וְכִרְאוֹתָ֞ם (vekhirotam) = en toen zij zagen | כִּי (ki) = dat | רַ֣ב (rav) = veel was | הַכֶּ֗סֶף (hakesef) = het geld | וּבָ֨א (uva) = en kwam | סוֹפֵ֤ר (sofer) = de secretaris van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וּפְקִיד֙ (ufeqid) = en de opzichter van | כֹּהֵ֣ן (kohen) = de priester | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | וִיעָ֨רוּ֙ (viaru) = en zij leegden | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אָר֔וֹן (haaron) = de kist | וְיִשָּׂאֻ֖הוּ (veyisauhu) = en tilden hem op | וִֽישִׁיבֻ֣הוּ (vishivuhu) = en zetten hem terug | אֶל (el) = naar | מְקֹמ֑וֹ (meqomo) = zijn plaats | כֹּ֤ה (ko) = zo | עָשׂוּ֙ (asu) = deden zij | לְי֣וֹם (leyom) = dag | בְּי֔וֹם (beyom) = na dag | וַיַּֽאַסְפוּ (vayaasfu) = en zij verzamelden | כֶ֖סֶף (kesef) = geld | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקֻדַּת הַמֶּלֶךְ (pequddat hamelekh), ‘de toezichthouders van de koning’: letterlijk ‘het toezicht van de koning’. Hier zijn de mensen van de koning bedoeld die het geld controleerden. Voetnoot : כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘hoofdpriester’: zie vers 6. Zie ook: 2 Kon 12:11–13; 2 Kron 24:6; 1 Kor 16:2 **24:12** De koning en Joiada gaven het geld aan wie het werk voor de dienst van het huis van Yahweh leidde. Dezen huurden steenhouwers en vaklieden om het huis van Yahweh te vernieuwen. Ook huurden zij vaklieden in ijzer en koper om het huis van Yahweh te herstellen. Brontekst: וַיִּתְּנֵ֨הוּ (vayitenehu) = en gaf het | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | וִֽיהוֹיָדָ֗ע (vihoyada) = en Joiada | אֶל (el) = aan | עוֹשֵׂה֙ (ose) = wie deed | מְלֶ֨אכֶת֙ (melekhet) = het werk van | עֲבוֹדַ֣ת (avodat) = de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּֽהְי֤וּ (vayihyu) = en zij waren | שֹׂכְרִים֙ (sokherim) = huurders van | חֹצְבִ֣ים (chotsevim) = steenhouwers | וְחָרָשִׁ֔ים (vecharashim) = en vaklieden | לְחַדֵּ֖שׁ (lechadesh) = om te vernieuwen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְ֠גַם (vegam) = en ook | לְחָרָשֵׁ֤י (lecharashei) = vaklieden van | בַרְזֶל֙ (barzel) = ijzer | וּנְחֹ֔שֶׁת (unechoshet) = en koper | לְחַזֵּ֖ק (lechazeq) = om te herstellen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרָשִׁים (charashim), ‘vaklieden’: mensen met een ambacht. Bij ijzer en koper zijn dat smeden of metaalbewerkers; de tekst gebruikt voor hen hetzelfde woord. Zie ook: 1 Kon 5:29; 2 Kron 34:9–11 **24:13** De werklieden deden hun werk. Het herstel van het werk kwam vooruit onder hun handen. Zij zetten het huis van Elohim weer op zijn maat en maakten het sterk. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂוּ֙ (vayaasu) = en deden | עֹשֵׂ֣י (osei) = de makers van | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | וַתַּ֧עַל (vataal) = en kwam op | אֲרוּכָ֛ה (arukha) = het herstel | לַמְּלָאכָ֖ה (lamelakha) = aan het werk | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = door hun hand | וַֽיַּעֲמִ֜ידוּ (vayaamidu) = en zij lieten staan | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֧ית (beit) = het huis van | הָֽאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = de Elohim | עַל (al) = op | מַתְכֻּנְתּ֖וֹ (matkunto) = zijn maat | וַֽיְאַמְּצֻֽהוּ (vayametsuhu) = en versterkten het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרוּכָה (arukhah), ‘herstel’: letterlijk ‘genezing’, zoals het nieuwe vlees dat een wond sluit. Het werk aan het huis genas het huis als het ware. Voetnoot : מַתְכֻּנְתּוֹ (matkunto), ‘zijn maat’: de juiste maat of vorm van het huis. Het huis kreeg zijn oude vorm terug. Zie ook: 1 Kron 22:5; Hag 2:3; Neh 4:1; Mar 13:1–2 **24:14** Toen zij klaar waren, brachten zij de rest van het geld voor de koning en Joiada. Daarvan maakte men voorwerpen voor het huis van Yahweh: voorwerpen voor de dienst en voor het offeren, schalen en voorwerpen van goud en zilver. Zolang Joiada leefde, droeg men voortdurend brandoffers op in het huis van Yahweh. Brontekst: וּֽכְכַלּוֹתָ֡ם (ukhekhalotam) = en toen zij klaar waren | הֵבִ֣יאוּ (heviu) = brachten zij | לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | וִֽיהוֹיָדָ֜ע (vihoyada) = en Joiada | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאָ֣ר (shear) = de rest van | הַכֶּ֗סֶף (hakesef) = het geld | וַיַּעֲשֵׂ֨הוּ (vayaasehu) = en men maakte het | כֵלִ֤ים (kelim) = voorwerpen | לְבֵית (leveit) = voor het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen voor | שָׁרֵ֔ת (sharet) = de dienst | וְהַעֲל֣וֹת (vehaalot) = en voor het offeren | וְכַפּ֔וֹת (vekhapot) = en schalen | וּכְלֵ֥י (ukhelei) = en voorwerpen van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | וָכָ֑סֶף (vakhasef) = en zilver | וַ֠יִּֽהְיוּ (vayihyu) = en zij waren | מַעֲלִ֨ים (maalim) = die opdroegen | עֹל֤וֹת (olot) = brandoffers | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | תָּמִ֔יד (tamid) = voortdurend | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | יְהוֹיָדָֽע (yehoyada) = Joiada Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלֵי שָׁרֵת (kele sharet), ‘voorwerpen voor de dienst’: dezelfde uitdrukking als in Num. 4:12. כַּפּוֹת (kappot), ‘schalen’: kleine schalen of lepels, zoals de gouden schalen in Num. 7:14. Voetnoot : In 2 Kon. 12:14 (Hebreeuwse telling) staat dat het geld niet voor zilveren voorwerpen werd gebruikt, maar alleen voor het herstel. Kronieken zegt dat men met het restant voorwerpen maakte. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Zie ook: Ex 29:38–42; Num 4:12; Num 7:14; Num 28:2–29; Spr 27:22; 1 Kon 7:50; 2 Kon 12:14–15 ### De dood van Joiada **24:15** Joiada werd oud en verzadigd van dagen en stierf. Hij was 130 jaar oud toen hij stierf. Brontekst: וַיִּזְקַ֧ן (vayizqan) = en werd oud | יְהוֹיָדָ֛ע (yehoyada) = Joiada | וַיִּשְׂבַּ֥ע (vayisba) = en werd verzadigd van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en stierf | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָ֧ה (mea) = honderd | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בְּמוֹתֽוֹ (bemoto) = bij zijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂבַע יָמִים (seva yamim), ‘verzadigd van dagen’: een uitdrukking voor een lang en vol leven; zie Gen. 25:8. Joiada wordt 130 jaar oud, zo oud als Jakob toen hij voor Farao stond (Gen. 47:9). Zie ook: Gen 15:15; Gen 25:8; Gen 47:9; 1 Kron 23:1; Ps 90:10 **24:16** Zij begroeven hem in de stad van David, bij de koningen. Want hij had het goede gedaan in Israël, voor Elohim en voor Zijn huis. Brontekst: וַיִּקְבְּרֻ֥הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בְעִיר (beir) = in de stad van | דָּוִ֖יד (david) = David | עִם (im) = bij | הַמְּלָכִ֑ים (hamelakhim) = de koningen | כִּֽי (ki) = want | עָשָׂ֤ה (asa) = hij had gedaan | טוֹבָה֙ (tova) = het goede | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | וְעִ֥ם (veim) = en voor | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | וּבֵיתֽוֹ (uveito) = en Zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Joiada was priester, maar hij wordt begraven in de stad van David ‘bij de koningen’. In vers 25 wordt Joas juist niet in de graven van de koningen begraven. Zie ook: 2 Kron 23:1–21; 2 Kron 24:25; 2 Kron 31:20; Neh 13:14; Hand 2:29; Heb 6:10 ### Joas en de leiders verlaten Yahweh **24:17** Na de dood van Joiada kwamen de leiders van Juda en bogen zich neer voor de koning. Toen luisterde de koning naar hen. Brontekst: וְאַֽחֲרֵ֥י (veacharei) = en na | מוֹת֙ (mot) = de dood van | יְה֣וֹיָדָ֔ע (yehoyada) = Joiada | בָּ֚אוּ (bau) = kwamen | שָׂרֵ֣י (sarei) = de leiders van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ (vayishtachavu) = en bogen zich neer | לַמֶּ֑לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | אָ֛ז (az) = toen | שָׁמַ֥ע (shama) = luisterde | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁתַּחֲווּ (vayishtachavu), ‘bogen zich neer’: het werkwoord kan buigen voor een koning betekenen, maar ook aanbidden. Hier is het een eerbetoon aan de koning. In vers 18 verlaten zij daarna Yahweh. Zie ook: Deut 31:27; 2 Kron 22:3–4; 2 Kron 24:18; Dan 11:32; Hand 20:29–30; 2 Petr 1:15 **24:18** Zij verlieten het huis van Yahweh, de Elohim van hun vaderen, en dienden de heilige palen en de afgodsbeelden. Er kwam toorn over Juda en Jeruzalem vanwege deze schuld. Brontekst: וַיַּֽעַזְב֗וּ (vayaazvu) = en zij verlieten | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶ֔ם (avoteihem) = hun vaderen | וַיַּֽעַבְד֥וּ (vayaavdu) = en dienden | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲשֵׁרִ֖ים (haasherim) = de heilige palen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽעֲצַבִּ֑ים (haatsabim) = de afgodsbeelden | וַֽיְהִי (vayhi) = en er was | קֶ֗צֶף (qetsef) = toorn | עַל (al) = over | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (virushalaim) = en Jeruzalem | בְּאַשְׁמָתָ֖ם (beashmatam) = vanwege hun schuld | זֹֽאת (zot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הָאֲשֵׁרִים (ha’asherim), ‘de heilige palen’: houten palen of beelden bij de verering van de godin Asjera. De Hebreeuwse naam heeft hier een mannelijke meervoudsvorm. Zie ook Richt. 6:25–30. Voetnoot : הָעֲצַבִּים (ha’atsabbim), ‘afgodsbeelden’: beelden die als god werden vereerd. Zie ook: Joz 22:20; Re 6:25–30; 2 Kron 19:2; 2 Kron 24:4; Hos 5:10–11; Ef 5:6 **24:19** Hij zond profeten onder hen om hen terug te brengen naar Yahweh. Zij getuigden tegen hen, maar zij luisterden niet. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en Hij zond | בָּהֶם֙ (bahem) = onder hen | נְבִאִ֔ים (neviim) = profeten | לַהֲשִׁיבָ֖ם (lahashivam) = om hen terug te brengen | אֶל (el) = naar | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּעִ֥ידוּ (vayaidu) = en zij getuigden | בָ֖ם (bam) = tegen hen | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | הֶאֱזִֽינוּ (heezinu) = luisterden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁלַח (vayishlach), ‘Hij zond’: de tekst noemt het onderwerp niet. Wij lezen Yahweh, zoals in 2 Kron. 36:15, waar Yahweh herhaaldelijk boodschappers stuurt. Voetnoot : וַיָּעִידוּ בָם (vaya’idu vam), ‘zij getuigden tegen hen’: de profeten waarschuwen als getuigen tegen het volk. Zie ook: 2 Kron 36:15; Jes 51:4; Jer 26:5; Jer 44:4–5; Mat 13:9; Luc 16:31 ### Zacharia wordt gestenigd **24:20** De Geest van Elohim bekleedde Zacharia, de zoon van de priester Joiada. Hij ging boven het volk staan en zei tegen hen: „Zo zegt Elohim: ‘Waarom overtreden jullie de geboden van Yahweh? Jullie zullen niet slagen. Want jullie hebben Yahweh verlaten, en daarom heeft Hij jullie verlaten.’” Brontekst: וְר֣וּחַ (veruach) = en de Geest van | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | לָֽבְשָׁה֙ (lavesha) = bekleedde | אֶת (et) = (obj.) | זְכַרְיָה֙ (zekharya) = Zacharia | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹיָדָ֣ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וַֽיַּעֲמֹ֖ד (vayaamod) = en hij ging staan | מֵעַ֣ל (meal) = boven | לָעָ֑ם (laam) = het volk | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֜ם (lahem) = tegen hen | כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = de Elohim | לָמָה֩ (lama) = waarom | אַתֶּ֨ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֜ים (overim) = overtreden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺ֤ת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַצְלִ֔יחוּ (tatslichu) = zullen jullie slagen | כִּֽי (ki) = want | עֲזַבְתֶּ֥ם (azavtem) = jullie hebben verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּֽעֲזֹ֥ב (vayaazov) = en Hij heeft verlaten | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָבְשָׁה (lavshah), ‘bekleedde’: letterlijk ‘trok aan als een kleed’. Vergelijk Richt. 6:34 en 1 Kron. 12:19, waar de Geest iemand bekleedt. Voetnoot : De woorden ‘Zo zegt Elohim’ en wat daarop volgt spreekt Zacharia uit. Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat een profeet Elohim citeert. Voetnoot : Vergelijk Matt. 23:35 en Luk. 11:51, waar Yeshua spreekt over Zacharia die bij het altaar werd gedood. Voetnoot : לֹא תַצְלִיחוּ (lo tatslichu), ‘jullie zullen niet slagen’: het werkwoord betekent dat een onderneming goed uitkomt. Vergelijk Num. 14:41. Zie ook: Num 14:41; Re 6:34; 1 Kron 12:19; 2 Kron 15:1–2; 2 Kron 20:14; Jer 5:25; Mat 23:35; Luc 11:51 **24:21** Zij smeedden een samenzwering tegen hem en stenigden hem op bevel van de koning in de voorhof van het huis van Yahweh. Brontekst: וַיִּקְשְׁר֣וּ (vayiqsheru) = en zij smeedden een samenzwering | עָלָ֔יו (alav) = tegen hem | וַיִּרְגְּמֻ֥הוּ (vayirgemuhu) = en stenigden hem | אֶ֖בֶן (even) = met stenen | בְּמִצְוַ֣ת (bemitsvat) = op bevel van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | בַּחֲצַ֖ר (bachatsar) = in de voorhof van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּרְגְּמֻהוּ אֶבֶן (vayirgemuhu aven), ‘zij stenigden hem met stenen’: steniging was een straf voor ernstige misdaden (Lev. 24:16). Hier gebeurt het in de voorhof van het huis van Yahweh, op bevel van de koning. Zie ook: Lev 24:16; Jer 18:18; Neh 9:26; Mat 21:35; Mat 23:34–37; Hand 7:58–59 **24:22** Koning Joas dacht niet aan de trouw die Joiada, zijn vader, hem had bewezen. Hij doodde zijn zoon. Bij zijn dood zei hij: „Moge Yahweh het zien en het opeisen.” Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | זָכַ֞ר (zakhar) = dacht aan | יוֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַחֶ֨סֶד֙ (hachesed) = de trouw | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשָׂ֜ה (asa) = had bewezen | יְהוֹיָדָ֤ע (yehoyada) = Joiada | אָבִיו֙ (aviv) = zijn vader | עִמּ֔וֹ (imo) = aan hem | וַֽיַּהֲרֹ֖ג (vayaharog) = en hij doodde | אֶת (et) = (obj.) | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וּכְמוֹת֣וֹ (ukhemoto) = en bij zijn dood | אָמַ֔ר (amar) = zei hij | יֵ֥רֶא (yere) = moge zien | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְיִדְרֹֽשׁ (veyidrosh) = en opeisen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn vader’ en ‘zijn zoon’: in het Hebreeuws staat ‘zijn’ zonder naam. Uit het verband blijkt dat Joiada de vader van Zacharia is (vers 20). Wij houden het onbepaald zoals de tekst. Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Joiada had Joas in leven gehouden en tot koning laten maken (2 Kron. 22:11–23:21). Voetnoot : יִרֶא יְהוָה וְיִדְרֹשׁ (yere Yahweh veyidrosh), ‘moge Yahweh het zien en het opeisen’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) betekent ook ‘terugvragen’ of ‘rekenschap vragen’, zoals bij bloedschuld in Gen. 9:5. Zie ook: Gen 9:5; 2 Kron 22:11–23:21; 2 Kron 24:20; Luc 11:51; Joh 10:32; Openb 6:9–11; Openb 19:2 ### Aram trekt op tegen Joas **24:23** Bij de wisseling van het jaar trok het leger van Aram tegen hem op. Zij kwamen in Juda en Jeruzalem. Zij vernietigden alle leiders van het volk uit het volk. Heel hun buit stuurden zij naar de koning van Damascus. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | לִתְקוּפַ֣ת (litqufat) = bij de wisseling van | הַשָּׁנָ֗ה (hashana) = het jaar | עָלָ֣ה (ala) = trok op | עָלָיו֮ (alav) = tegen hem | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | אֲרָם֒ (aram) = Aram | וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (virushalaim) = en Jeruzalem | וַיַּשְׁחִ֛יתוּ (vayashchitu) = en zij vernietigden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = leiders van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מֵעָ֑ם (meam) = uit het volk | וְכָל (vekhal) = en heel | שְׁלָלָ֥ם (shelalam) = hun buit | שִׁלְּח֖וּ (shilechu) = zij stuurden | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = naar de koning van | דַּרְמָֽשֶׂק (darmaseq) = Damascus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: לִתְקוּפַת הַשָּׁנָה (litqufat hashanah), ‘bij de wisseling van het jaar’: dezelfde uitdrukking als in Exod. 34:22. Het gaat om het einde van het jaar. Voetnoot : Het leger van Aram trok toen het jaar zich keerde op tegen Juda. Vergelijk 2 Kon. 12:18–19 (Hebreeuwse telling) waar Hazaël Jeruzalem bedreigt en Joas hem de schatten geeft. Zie ook: Ex 34:22; Deut 32:35; Ps 2:10–11; Ps 82:6–7; 2 Kon 12:18–19; 2 Kron 24:17–18 **24:24** Het leger van Aram kwam met maar weinig mannen. Toch gaf Yahweh een zeer groot leger in hun hand, omdat men Yahweh, de Elohim van hun vaderen, had verlaten. Zo voerden zij oordelen uit tegen Joas. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | בְמִצְעַ֨ר (bemitsar) = met een klein aantal | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | בָּ֣אוּ (bau) = kwam | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | אֲרָ֗ם (aram) = Aram | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | נָתַ֨ן (natan) = gaf | בְּיָדָ֥ם (beyadam) = in hun hand | חַ֨יִל֙ (chayil) = een leger | לָרֹ֣ב (larov) = groot in aantal | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | כִּ֣י (ki) = omdat | עָֽזְב֔וּ (azevu) = zij hadden verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶ֑ם (avoteihem) = hun vaderen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | עָשׂ֥וּ (asu) = zij voerden uit | שְׁפָטִֽים (shefatim) = oordelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁפָטִים (shefatim), ‘oordelen’: de uitspraken van Elohim als rechter. Zie Exod. 6:6 en 7:4 voor hetzelfde woord bij Egypte. Dat een klein leger wint van een groot leger is een teken dat Yahweh het doet; vergelijk Lev. 26:8 en Deut. 32:30, waar Yahweh zelf bepaalt wie wint. Zie ook: Ex 6:6; Ex 7:4; Lev 26:8; Lev 26:25; Lev 26:37; Deut 32:30; 2 Kron 22:8; Jes 30:17 ### De dood van Joas **24:25** Toen zij van hem weggingen, want zij lieten hem achter met veel ziekten, smeedden zijn dienaren een samenzwering tegen hem. Dat was vanwege het bloed van de zonen van de priester Joiada. Zij doodden hem op zijn bed en hij stierf. Zij begroeven hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen. Brontekst: וּבְלֶכְתָּ֣ם (uvelekhtam) = en toen zij weggingen | מִמֶּ֗נּוּ (mimenu) = van hem | כִּֽי (ki) = want | עָזְב֣וּ (azevu) = zij lieten achter | אֹתוֹ֮ (oto) = hem | בְּמַחֲלוּיִ֣ם (bemachaluyim) = met ziekten | רַבִּים֒ (rabim) = veel | הִתְקַשְּׁר֨וּ (hitqasheru) = smeedden een samenzwering | עָלָ֜יו (alav) = tegen hem | עֲבָדָ֗יו (avadav) = zijn dienaren | בִּדְמֵי֙ (bidmei) = vanwege het bloed van | בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | יְהוֹיָדָ֣ע (yehoyada) = Joiada | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וַיַּֽהַרְגֻ֥הוּ (vayaharguhu) = en doodden hem | עַל (al) = op | מִטָּת֖וֹ (mitato) = zijn bed | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en hij stierf | וַֽיִּקְבְּרֻ֨הוּ֙ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֔יד (david) = David | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | קְבָרֻ֖הוּ (qevaruhu) = zij begroeven hem | בְּקִבְר֥וֹת (beqivrot) = in de graven van | הַמְּלָכִֽים (hamelakhim) = de koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: In 2 Kon. 12:21–22 (Hebreeuwse telling) wordt Joas bij Bet-Millo vermoord, op de afdaling naar Silla. Kronieken noemt zijn bed. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws schrijft (ketiv) een iets andere vorm van het woord ‘ziekten’ (בְּמַחֲלִיִּים) dan het leest (qere, בְּמַחֲלוּיִם). De betekenis blijft gelijk. Het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : De tekst heeft ‘de zonen van Joiada’ (בְּנֵי, bene), het meervoud. Sommige oude vertalingen hebben ‘zoon’; dat zou passen bij vers 20–22, waar alleen Zacharia wordt genoemd. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 12:21–22; 2 Kron 21:18–20; 2 Kron 24:16; 2 Kron 24:20–22; 2 Kron 24:21–22; 2 Kron 28:27; Openb 16:6 **24:26** Dit zijn zij die een samenzwering tegen hem smeedden: Zabad, de zoon van Sjimeat, de Ammonitische, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit, de Moabitische. Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit zijn | הַמִּתְקַשְּׁרִ֣ים (hamitqasherim) = die een samenzwering smeedden | עָלָ֑יו (alav) = tegen hem | זָבָ֗ד (zavad) = Zabad | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁמְעָת֙ (shimat) = Sjimeat | הָֽעַמּוֹנִ֔ית (haamonit) = de Ammonitische | וִיה֣וֹזָבָ֔ד (vihozavad) = en Jehozabad | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁמְרִ֖ית (shimrit) = Sjimrit | הַמּוֹאָבִֽית (hamoavit) = de Moabitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kronieken noemt de moeders van de samenzweerders: een Ammonitische en een Moabitische. In 2 Kon. 12:22 (Hebreeuwse telling) staan Jozabad, de zoon van Sjimeat, en Jehozabad, de zoon van Sjomer. Kronieken heeft Zabad, de zoon van Sjimeat, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit. Wij schrijven de namen zoals in het Hebreeuws van elk boek. Zie ook: 2 Kon 12:22 **24:27** Over zijn zonen, over de zware last die op hem kwam en over de nieuwe grondvesting van het huis van Elohim: zie, het staat geschreven in de uitleg van het boek van de koningen. Zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וּבָנָ֞יו (uvanav) = en zijn zonen | יִ֧רֶ֞ב (yirev) = groot was | הַמַּשָּׂ֣א (hamasa) = de last | עָלָ֗יו (alav) = op hem | וִיסוֹד֙ (visod) = en de grondvesting van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | הִנָּ֣ם (hinam) = zie zij | כְּתוּבִ֔ים (ketuvim) = staan geschreven | עַל (al) = in | מִדְרַ֖שׁ (midrash) = de uitleg van | סֵ֣פֶר (sefer) = het boek van | הַמְּלָכִ֑ים (hamelakhim) = de koningen | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אֲמַצְיָ֥הוּ (amatsyahu) = Amazia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּשָּׂא (hammassa), ‘de last’: dat kan ook ‘godsspraak’ betekenen. Het gaat om de zware uitspraken tegen Joas. Voetnoot : מִדְרַשׁ סֵפֶר הַמְּלָכִים (midrash sefer hamelakhim), ‘de uitleg van het boek van de koningen’: מִדְרָשׁ (midrash) betekent ‘onderzoek’ of ‘uitleg’. Of dit hetzelfde werk is als het ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’ (2 Kron. 25:26), zegt de tekst niet. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws schrijft (ketiv) וְרֹב (verov), ‘en de grote hoeveelheid van’, maar leest (qere) יִרֶב (yerev), ‘groot was’. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kron 3:12; 2 Kon 12:19; 2 Kon 12:22; 2 Kron 9:29; 2 Kron 13:22; 2 Kron 25:26 ## 2 Kronieken 25 _Amazia wint van Edom en verliest van Israël_ ### Amazia wordt koning **25:1** Amazia was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Joaddan en kwam uit Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | מָלַ֣ךְ (malakh) = toen hij koning werd | אֲמַצְיָ֔הוּ (amatsyahu) = Amazia | וְעֶשְׂרִ֣ים (veesrim) = en twintig | וָתֵ֨שַׁע֙ (vatesha) = en negen | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | יְהוֹעַדָּ֖ן (yehoadan) = Joaddan | מִירוּשָׁלָֽיִם (mirushalayim) = uit Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 14. De naam van de moeder, יְהוֹעַדָּן (Jehoaddan), schrijven wij ‘Joaddan’. In 2 Kon. 14:2 staat dezelfde naam. Zie ook: 2 Kon 14:1–6; 2 Kon 14:2 **25:2** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, maar niet met een volledig hart. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | רַ֕ק (raq) = alleen | לֹ֖א (lo) = niet | בְּלֵבָ֥ב (belevav) = met een hart | שָׁלֵֽם (shalem) = volledig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַק לֹא בִלְבָב שָׁלֵם (raq lo bilvav shalem), ‘maar niet met een volledig hart’: in 2 Kon. 14:3 staat een andere toevoeging: ‘maar niet zoals zijn vader David’. Kronieken legt de nadruk op het hart. Zie ook: 2 Kon 14:3; 2 Kron 24:2; 2 Kron 25:14; Jes 29:13; Hand 8:21; Jak 4:8 **25:3** Toen het koningschap stevig in zijn hand was, doodde hij zijn dienaren die zijn vader, de koning, hadden geslagen. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = toen | חָזְקָ֥ה (chazeqa) = sterk was geworden | הַמַּמְלָכָ֖ה (hamamlakha) = het koningschap | עָלָ֑יו (alav) = over hem | וַֽיַּהֲרֹג֙ (vayaharog) = en hij doodde | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | הַמַּכִּ֖ים (hamakim) = die sloegen | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit komt overeen met 2 Kon. 14:5. De moord op zijn vader Joas staat in 2 Kron. 24:25–26. Zie ook: Gen 9:5–6; Ex 21:14; Num 35:31–33; 2 Kon 14:5–22; 2 Kron 24:25–26 **25:4** Hun zonen doodde hij niet. Want zo staat het geschreven in de wet, in het boek van Mozes. Daar gebood Yahweh: ‘Vaders mogen niet sterven vanwege hun zonen, en zonen mogen niet sterven vanwege hun vaders. Ieder moet sterven vanwege zijn eigen zonde.’ Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵיהֶ֖ם (beneihem) = hun zonen | לֹ֣א (lo) = niet | הֵמִ֑ית (hemit) = doodde hij | כִּ֣י (ki) = want | כַכָּת֣וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בַּתּוֹרָ֡ה (batora) = in de wet | בְּסֵ֣פֶר (besefer) = in het boek van | מֹשֶׁה֩ (moshe) = Mozes | אֲשֶׁר (asher) = waar | צִוָּ֨ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לֹא (lo) = niet | יָמ֨וּתוּ (yamutu) = zullen sterven | אָב֤וֹת (avot) = vaders | עַל (al) = vanwege | בָּנִים֙ (banim) = zonen | וּבָנִים֙ (uvanim) = en zonen | לֹא (lo) = niet | יָמ֣וּתוּ (yamutu) = zullen sterven | עַל (al) = vanwege | אָב֔וֹת (avot) = vaders | כִּ֛י (ki) = maar | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | בְּחֶטְא֖וֹ (becheto) = in zijn zonde | יָמֽוּתוּ (yamutu) = zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De aangehaalde wet staat in Deut. 24:16. Wij zetten de woorden uit de wet tussen enkele aanhalingstekens en laten ze zwart, omdat het verslag ze aanhaalt en Yahweh niet zelf in het verhaal spreekt. Zie ook 2 Kon. 14:6. Voetnoot : עַל (al), ‘vanwege’: het voorzetsel betekent hier ‘om wille van’ of ‘ten gevolge van’. De schuld van de vader mag niet de zoon treffen, en andersom. Zie ook: Deut 24:16; 2 Kon 14:5–6; 2 Kon 14:6; Jer 31:29–30; Ezech 18:4; Ezech 18:20 ### Amazia telt zijn leger en huurt mannen uit Israël **25:5** Amazia verzamelde Juda. Hij stelde hen op naar vaderhuizen, onder bevelhebbers over duizend en bevelhebbers over honderd, voor heel Juda en Benjamin. Hij telde hen van 20 jaar en ouder. Hij vond er 300.000 uitgelezen mannen, geschikt voor het leger, die lans en schild konden hanteren. Brontekst: וַיִּקְבֹּ֤ץ (vayiqbots) = en verzamelde | אֲמַצְיָ֨הוּ֙ (amatsyahu) = Amazia | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיַּֽעֲמִידֵ֣ם (vayaamidem) = en stelde hen op | לְבֵית (leveit) = naar het huis van | אָב֗וֹת (avot) = vaders | לְשָׂרֵ֤י (lesarei) = onder bevelhebbers van | הָאֲלָפִים֙ (haalafim) = de duizenden | וּלְשָׂרֵ֣י (ulesarei) = en onder bevelhebbers van | הַמֵּא֔וֹת (hameot) = de honderden | לְכָל (lekhal) = voor heel | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֑ן (uvinyamin) = en Benjamin | וַֽיִּפְקְדֵ֗ם (vayifqedem) = en telde hen | לְמִבֶּ֨ן (lemiben) = van zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | וַיִּמְצָאֵ֗ם (vayimtsaem) = en vond hen | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֨וֹת (meot) = honderd | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | בָּחוּר֙ (bachur) = uitgelezen man | יוֹצֵ֣א (yotse) = die uittrok | צָבָ֔א (tsava) = naar het leger | אֹחֵ֖ז (ochez) = die hanteerde | רֹ֥מַח (romach) = lans | וְצִנָּֽה (vetsina) = en schild Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verhaal over het leger, de huurlingen en de man van Elohim (vers 5–10) staat niet in 2 Kon. 14. Voetnoot : בָּחוּר (bachur), ‘uitgelezen man’: een jongeman, geschikt voor de strijd. Het telwoord ‘300.000’ staat er zoals de Masoretische tekst het geeft. Voetnoot : רֹמַח (romach), ‘lans’, en צִנָּה (tsinnah), ‘schild’. Zie ook: Num 1:3; 1 Kron 13:1; 2 Kron 11:1; 2 Kron 14:7; 2 Kron 17:14–18 **25:6** Ook huurde hij uit Israël 100.000 dappere krijgers voor 100 talent zilver. Brontekst: וַיִּשְׂכֹּ֣ר (vayiskor) = en huurde | מִיִּשְׂרָאֵ֗ל (miyisrael) = uit Israël | מֵ֥אָה (mea) = honderd | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | חָ֖יִל (chayil) = kracht | בְּמֵאָ֥ה (bemea) = voor honderd | כִכַּר (kikar) = talent | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘dappere krijger’: letterlijk ‘held van kracht’. Voetnoot : כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilogram. 100 talent zilver is dus ongeveer 3.400 kilogram, ofwel 3,4 ton. ### De man van Elohim waarschuwt **25:7** Maar een man van Elohim kwam naar hem en zei: „Koning, laat het leger van Israël niet met je meegaan. Want Yahweh is niet met Israël, met geen van de zonen van Efraïm. Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en een man van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = de Elohim | בָּ֤א (ba) = kwam | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַמֶּ֕לֶךְ (hamelekh) = koning | אַל (al) = niet | יָבֹ֥א (yavo) = laat komen | עִמְּךָ֖ (imekha) = met je | צְבָ֣א (tseva) = het leger van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ין (ein) = niet is | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֹּ֖ל (kol) = alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: de tekst noemt zijn naam niet. Het is een profeet. Zijn woorden zijn zwart, omdat hij als mens spreekt. Wat hij zegt over Yahweh, zetten wij niet rood. Voetnoot : Efraïm staat hier voor het hele noordelijke rijk Israël. ‘Yahweh is niet met Israël’ betekent dat Yahweh dat rijk niet bijstaat. Voetnoot : Het woord van de man van Elohim loopt door tot en met vers 8; het slotteken staat in vers 8. Zie ook: 1 Kon 12:28; 1 Kon 13:1; 2 Kron 19:2; 2 Kron 25:8; Hos 5:13–15; Hos 9:13 **25:8** Maar als jij gaat: doe het, wees sterk voor de strijd. Elohim zal je laten struikelen voor de vijand. Want Elohim heeft de kracht om te helpen en om te laten struikelen.” Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | אִם (im) = als | בֹּ֣א (bo) = gaat | אַתָּ֔ה (ata) = jij | עֲשֵׂ֖ה (ase) = doe het | חֲזַ֣ק (chazaq) = wees sterk | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = voor de strijd | יַכְשִֽׁילְךָ֤ (yakhshilekha) = laat je struikelen | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | אוֹיֵ֔ב (oyev) = een vijand | כִּ֥י (ki) = want | יֶשׁ (yesh) = er is | כֹּ֛חַ (koach) = kracht | בֵּאלֹהִ֖ים (bElohim) = bij Elohim | לַעְז֥וֹר (lazor) = om te helpen | וּלְהַכְשִֽׁיל (ulehakhshil) = en om te laten struikelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּחַ בֵּאלֹהִים (koach be’Elohim), ‘kracht bij Elohim’: Elohim heeft de kracht om te helpen en om te laten struikelen. Vergelijk 2 Kron. 14:10 en 20:6. Voetnoot Lezing: De Hebreeuwse tekst van dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘Maar als jij gaat, doe het, wees sterk voor de strijd: Elohim laat je struikelen voor de vijand.’ Of het een ironisch bevel is (‘ga maar, maar je zult falen’) of een voorwaarde, zegt de tekst niet. Wij vertalen zonder iets toe te voegen en volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 7:7; 2 Kron 14:10; 2 Kron 20:6; Luc 18:29–30; Fil 4:19 **25:9** Amazia zei tegen de man van Elohim: „En wat moet er gebeuren met de 100 talent die ik aan de troep van Israël heb gegeven?” De man van Elohim zei: „Yahweh kan je veel meer geven dan dit.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲמַצְיָ֨הוּ֙ (amatsyahu) = Amazia | לְאִ֣ישׁ (leish) = tegen de man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | וּמַֽה (uma) = en wat | לַּעֲשׂוֹת֙ (laasot) = te doen | לִמְאַ֣ת (limat) = met de honderd | הַכִּכָּ֔ר (hakikar) = talent | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = ik heb gegeven | לִגְד֣וּד (ligdud) = aan de troep van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | יֵ֚שׁ (yesh) = er is | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = bij Yahweh | לָ֥תֶת (latet) = om te geven | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = veel meer | מִזֶּֽה (mize) = dan dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Amazia vraagt wat er met het geld moet gebeuren dat hij al aan de huurlingen heeft gegeven. De man van Elohim antwoordt dat Yahweh veel meer kan geven. Zie ook: Deut 8:18; Spr 10:22 **25:10** Amazia scheidde de troep af die uit Efraïm naar hem was gekomen, zodat zij naar hun plaats zouden gaan. Hun toorn laaide hevig op tegen Juda. Zij keerden terug naar hun plaats, gloeiend van toorn. Brontekst: וַיַּבְדִּילֵ֣ם (vayavdilem) = en scheidde hen af | אֲמַצְיָ֗הוּ (amatsyahu) = Amazia | לְהַגְּדוּד֙ (lehagedud) = de troep | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֤א (ba) = was gekomen | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | מֵֽאֶפְרַ֔יִם (meefrayim) = uit Efraïm | לָלֶ֖כֶת (lalekhet) = om te gaan | לִמְקוֹמָ֑ם (limqomam) = naar hun plaats | וַיִּ֨חַר (vayichar) = en brandde | אַפָּ֤ם (apam) = hun toorn | מְאֹד֙ (meod) = zeer | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = tegen Juda | וַיָּשׁ֥וּבוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | לִמְקוֹמָ֖ם (limqomam) = naar hun plaats | בָּחֳרִי (bachori) = in gloed van | אָֽף (af) = toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּבְדִּילֵם (vayavdilem), ‘scheidde hen af’: hij stuurde de huurlingen weg, terug naar Efraïm. Hun woede loopt door tot de overval in vers 13. Zie ook: 2 Sam 19:44; Spr 29:22; 1 Kon 12:24; 2 Kron 25:13 ### De overwinning op Seïr **25:11** Amazia vond moed. Hij leidde zijn volk en ging naar het Zoutdal. Daar versloeg hij 10.000 zonen van Seïr. Brontekst: וַאֲמַצְיָ֨הוּ֙ (vaamatsyahu) = en Amazia | הִתְחַזַּ֔ק (hitchazaq) = vond moed | וַיִּנְהַג֙ (vayinhag) = en leidde | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֔וֹ (amo) = zijn volk | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | גֵּ֣יא (gei) = naar het dal van | הַמֶּ֑לַח (hamelach) = het zout | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = de zonen van | שֵׂעִ֖יר (seir) = Seïr | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִֽים (alafim) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het Zoutdal (גֵּיא הַמֶּלַח, gey hamelach) lag waarschijnlijk in het gebied ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van Israël en Jordanië. De ligging is onzeker. Zie ook 2 Sam. 8:13 en 2 Kon. 14:7. Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: In dit hoofdstuk zijn de ‘zonen van Seïr’ de Edomieten (vers 14 en 20). Het bergland Seïr is het land van Edom; zie Gen. 36:8–9. Zie ook: Gen 36:8–9; 2 Sam 8:13; Ps 60:3; 2 Kon 14:7; 2 Kron 25:14; 2 Kron 25:20 **25:12** De zonen van Juda namen nog eens 10.000 levend gevangen. Zij brachten hen naar de top van de rots en wierpen hen van de top van de rots naar beneden. Allen werden verbrijzeld. Brontekst: וַעֲשֶׂ֨רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֜ים (alafim) = duizend | חַיִּ֗ים (chayim) = levend | שָׁבוּ֙ (shavu) = namen gevangen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיְבִיא֖וּם (vayvium) = en brachten hen | לְרֹ֣אשׁ (lerosh) = naar de top van | הַסָּ֑לַע (hasala) = de rots | וַיַּשְׁלִיכ֛וּם (vayashlikhum) = en wierpen hen | מֵֽרֹאשׁ (merosh) = van de top van | הַסֶּ֖לַע (hasela) = de rots | וְכֻלָּ֥ם (vekhulam) = en allen | נִבְקָֽעוּ (nivqau) = werden verbrijzeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: הַסֶּלַע (hasela), ‘de rots’: in 2 Kon. 14:7 heet de plaats Sela en geeft Amazia haar de naam Jokteël. Sela lag waarschijnlijk in Edom, misschien bij het latere Petra in Jordanië. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: נִבְקָעוּ (nivqa’u), ‘werden verbrijzeld’: letterlijk ‘werden gespleten’ of ‘barstten uiteen’. Zie ook: 2 Sam 12:31; 1 Kron 20:3; 2 Kon 14:7; 2 Kron 20:10; 2 Kron 21:8–10 **25:13** Amazia had de mannen van de troep teruggestuurd, zodat zij niet met hem mee ten strijde trokken. Die mannen overvielen de steden van Juda, van Samaria tot Bet-Choron. Zij sloegen 3.000 van hen neer en maakten veel buit. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | הַגְּד֗וּד (hagedud) = de troep | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֵשִׁ֤יב (heshiv) = had teruggestuurd | אֲמַצְיָ֨הוּ֙ (amatsyahu) = Amazia | מִלֶּ֤כֶת (milekhet) = van gaan | עִמּוֹ֙ (imo) = met hem | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = naar de strijd | וַֽיִּפְשְׁטוּ֙ (vayifshetu) = en overvielen | בְּעָרֵ֣י (bearei) = de steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מִשֹּׁמְר֖וֹן (mishomeron) = vanaf Samaria | וְעַד (vead) = tot | בֵּ֣ית (beit) = Bet | חוֹר֑וֹן (choron) = Choron | וַיַּכּ֤וּ (vayaku) = en sloegen | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | וַיָּבֹ֖זּוּ (vayavozu) = en plunderden | בִּזָּ֥ה (biza) = buit | רַבָּֽה (raba) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Choron (בֵּית חוֹרוֹן) lag ten noordwesten van Jeruzalem, bij het huidige Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur at-Tahta op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook Joz. 16:3. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Samaria ligt in Israël, Bet-Choron aan de noordgrens van Juda. De overval komt voort uit de woede van vers 10. Zie ook: Joz 16:3; 1 Kon 9:17; 1 Kon 16:24; 1 Kon 16:29; 2 Kron 8:5; 2 Kron 25:10 ### Amazia dient de goden van Seïr **25:14** Nadat Amazia was teruggekomen van het verslaan van de Edomieten, bracht hij de goden van de zonen van Seïr mee. Hij stelde ze voor zichzelf op als goden. Hij boog zich voor hen neer en liet voor hen offerrook opgaan. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵ֨י (acharei) = na | ב֤וֹא (bo) = het terugkomen van | אֲמַצְיָ֨הוּ֙ (amatsyahu) = Amazia | מֵֽהַכּ֣וֹת (mehakot) = van het slaan van | אֶת (et) = (obj.) | אֲדוֹמִ֔ים (adomim) = de Edomieten | וַיָּבֵ֗א (vayave) = en hij bracht | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = de goden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שֵׂעִ֔יר (seir) = Seïr | וַיַּֽעֲמִידֵ֥ם (vayaamidem) = en stelde hen op | ל֖וֹ (lo) = voor zichzelf | לֵאלֹהִ֑ים (lElohim) = als goden | וְלִפְנֵיהֶ֥ם (velifneihem) = en voor hen | יִֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה (yishtachave) = boog hij zich neer | וְלָהֶ֥ם (velahem) = en voor hen | יְקַטֵּֽר (yeqater) = liet hij offerrook opgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: יַקְטִר (yaqtir), ‘liet offerrook opgaan’: het werkwoord gaat over offers die in rook opgaan, vooral reukoffers. Het wordt ook voor offers aan andere goden gebruikt. Vergelijk 2 Kron. 28:23. Zie ook: Ex 20:3–5; Deut 7:5; Deut 7:25; 2 Kron 28:23; Jes 44:19 **25:15** Toen laaide de toorn van Yahweh op tegen Amazia. Hij zond een profeet naar hem. Die zei tegen hem: „Waarom heb je de goden gezocht van het volk dat zijn eigen volk niet uit jouw hand heeft gered?” Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en brandde | אַ֥ף (af) = de toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּאֲמַצְיָ֑הוּ (baamatsyahu) = tegen Amazia | וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en Hij zond | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | נָבִ֔יא (navi) = een profeet | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | לָ֤מָּה (lama) = waarom | דָרַ֨שְׁתָּ֙ (darashta) = heb je gezocht | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | הִצִּ֥ילוּ (hitsilu) = hebben gered | אֶת (et) = (obj.) | עַמָּ֖ם (amam) = hun volk | מִיָּדֶֽךָ (miyadekha) = uit jouw hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De profeet wordt niet bij naam genoemd. Zijn woorden zijn zwart. Zie ook: Ps 96:5; 2 Kron 25:11–12; Jes 46:1–2; Jer 10:7; 1 Kor 10:20 **25:16** Terwijl hij tegen hem sprak, zei Amazia tegen hem: „Hebben wij je aangesteld als raadgever van de koning? Houd op. Waarom zou men je slaan?” De profeet hield op en zei: „Ik weet dat Elohim heeft besloten je te verderven, omdat je dit hebt gedaan en niet naar mijn raad hebt geluisterd.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בְּדַבְּר֣וֹ (bedabero) = toen hij sprak | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei hij | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | הַלְיוֹעֵ֤ץ (halyoets) = is het tot raadgever | לַמֶּ֨לֶךְ֙ (lamelekh) = van de koning | נְתַנּ֔וּךָ (netanukha) = hebben wij je gesteld | חֲדַל (chadal) = houd op | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | לָ֣מָּה (lama) = waarom | יַכּ֑וּךָ (yakukha) = zou men je slaan | וַיֶּחְדַּ֣ל (vayechdal) = en hield op | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יָדַ֗עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּֽי (ki) = dat | יָעַ֤ץ (yaats) = heeft besloten | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | לְהַשְׁחִיתֶ֔ךָ (lehashchitekha) = om je te verderven | כִּֽי (ki) = omdat | עָשִׂ֣יתָ (asita) = je hebt gedaan | זֹּ֔את (zot) = dit | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖עְתָּ (shamata) = je hebt geluisterd | לַעֲצָתִֽי (laatsati) = naar mijn raad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתַנּוּךָ (netannukha), ‘hebben wij je aangesteld’: het meervoud ‘wij’ is het meervoud van de koning en zijn hof. Amazia verwijt de profeet dat hij ongevraagd raad geeft. Zie ook: 2 Kron 18:25; Jes 46:10; Mat 21:23; Rom 9:22; Openb 11:10 ### Amazia daagt Joas uit **25:17** Amazia, de koning van Juda, hield overleg. Daarna zond hij bericht naar Joas, de zoon van Joachaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël: „Kom, laten wij elkaar in het gezicht zien.” Brontekst: וַיִּוָּעַ֗ץ (vayivaats) = en hield overleg | אֲמַצְיָ֨הוּ֙ (amatsyahu) = Amazia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַ֠יִּשְׁלַח (vayishlach) = en zond | אֶל (el) = naar | יוֹאָ֨שׁ (yoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹאָחָ֧ז (yehoachaz) = Joachaz | בֶּן (ben) = zoon van | יֵה֛וּא (yehu) = Jehu | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לְכָ֖ה (lekha) = kom | נִתְרָאֶ֥ה (nitrae) = laten wij elkaar zien | פָנִֽים (panim) = gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִתְרָאֶה פָנִים (nitra’eh panim), ‘laten wij elkaar in het gezicht zien’: een uitnodiging tot een treffen, hier een uitdaging tot de strijd. Zie ook 2 Kon. 14:8. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws schrijft (ketiv) לֵךְ (lekh), ‘ga’, maar leest (qere) לְכָה (lekhah), ‘kom’. Wij volgen de qere. Zie ook: 2 Sam 2:14; Spr 20:3; 2 Kon 14:8–14; 2 Kron 25:13 **25:18** Joas, de koning van Israël, zond bericht naar Amazia, de koning van Juda: „De doornstruik in de Libanon zond bericht naar de ceder in de Libanon: ‘Geef je dochter aan mijn zoon als vrouw.’ Toen kwam een dier van het veld in de Libanon voorbij en trapte de doornstruik plat. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en zond | יוֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | אֲמַצְיָ֣הוּ (amatsyahu) = Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָה֮ (yehuda) = Juda | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | הַח֜וֹחַ (hachoach) = de doornstruik | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּלְּבָנ֗וֹן (balevanon) = in de Libanon | שָׁ֠לַח (shalach) = zond | אֶל (el) = naar | הָאֶ֜רֶז (haerez) = de ceder | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בַּלְּבָנוֹן֙ (balevanon) = in de Libanon | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | תְּנָֽה (tena) = geef | אֶת (et) = (obj.) | בִּתְּךָ֥ (bitekha) = je dochter | לִבְנִ֖י (livni) = aan mijn zoon | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = als vrouw | וַֽתַּעֲבֹ֞ר (vataavor) = en kwam voorbij | חַיַּ֤ת (chayat) = een dier van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בַּלְּבָנ֔וֹן (balevanon) = in de Libanon | וַתִּרְמֹ֖ס (vatirmos) = en trapte plat | אֶת (et) = (obj.) | הַחֽוֹחַ (hachoach) = de doornstruik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: Dit gelijkenisverhaal staat ook in 2 Kon. 14:9. Een ander gelijkenisverhaal met bomen staat in Richt. 9:8–15. Voetnoot : הַחוֹחַ (hachoach), ‘de doornstruik’: een stekelige struik, hier het kleine tegenover de grote ceder. Zie ook: Re 9:8–15; Ps 80:14; 1 Kon 5:13; 2 Kon 14:9 **25:19** Je hebt gezegd: ‘Zie, je hebt Edom verslagen.’ Je hart heeft je verheven om roem te zoeken. Blijf nu thuis. Waarom zou je onheil uitlokken, zodat je valt, jij en Juda met je?” Brontekst: אָמַ֗רְתָּ (amarta) = je hebt gezegd | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הִכִּ֨יתָ֙ (hikita) = je hebt geslagen | אֶת (et) = (obj.) | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | וּנְשָׂאֲךָ֥ (unesaakha) = en heeft opgeheven | לִבְּךָ֖ (libekha) = je hart | לְהַכְבִּ֑יד (lehakhbid) = om zwaar te maken | עַתָּה֙ (ata) = nu | שְׁבָ֣ה (sheva) = blijf | בְּבֵיתֶ֔ךָ (beveitekha) = in je huis | לָ֤מָּה (lama) = waarom | תִתְגָּרֶה֙ (titgare) = zou je uitlokken | בְּרָעָ֔ה (beraa) = onheil | וְנָ֣פַלְתָּ֔ (venafalta) = en zou vallen | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וִיהוּדָ֥ה (vihuda) = en Juda | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: לְהַכְבִּיד (lehakhbid), ‘om roem te zoeken’: letterlijk ‘om zwaar te maken’. Het hangt samen met כָּבוֹד (kavod), ‘eer’, dat letterlijk ‘gewicht’ betekent. Zie ook: Spr 13:10; Spr 20:3; 2 Kron 26:16; 2 Kron 32:25; 2 Kron 35:21 **25:20** Maar Amazia luisterde niet. Want het kwam van Elohim, zodat Hij hen in de hand zou geven, omdat zij de goden van Edom hadden gezocht. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמַ֣ע (shama) = luisterde | אֲמַצְיָ֔הוּ (amatsyahu) = Amazia | כִּ֤י (ki) = want | מֵהָֽאֱלֹהִים֙ (mehaelohim) = van Elohim | הִ֔יא (hi) = het was | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | תִּתָּ֣ם (titam) = Hij hen zou geven | בְּיָ֑ד (beyad) = in de hand | כִּ֣י (ki) = omdat | דָֽרְשׁ֔וּ (dareshu) = zij hadden gezocht | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de goden van | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Kronieken zegt hier dat Elohim de nederlaag liet komen. Vergelijk 2 Kron. 10:15 en 22:7. Zie ook: Ps 81:12–13; 1 Kon 12:15; 2 Kron 10:15; 2 Kron 22:7; Hand 28:25–27; 1 Petr 2:8 ### De nederlaag bij Bet-Semes **25:21** Joas, de koning van Israël, trok op. Hij en Amazia, de koning van Juda, zagen elkaar in het gezicht bij Bet-Semes, dat bij Juda hoort. Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en trok op | יוֹאָ֤שׁ (yoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיִּתְרָא֣וּ (vayitrau) = en zij zagen elkaar | פָנִ֔ים (panim) = in het gezicht | ה֖וּא (hu) = hij | וַאֲמַצְיָ֣הוּ (vaamatsyahu) = en Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | בְּבֵ֥ית (beveit) = bij Bet | שֶׁ֖מֶשׁ (shemesh) = Semes | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לִיהוּדָֽה (lihuda) = van Juda is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Semes (בֵּית שֶׁמֶשׁ) in Juda lag bij het huidige Tel Bet Semes (Tel er-Rumeila), ongeveer 30 kilometer ten westen van Jeruzalem, in Israël. De ligging is vrij zeker. Zie ook 1 Sam. 6:9–15. Zie ook: Joz 21:16; 1 Sam 6:9; 1 Sam 6:19–20 **25:22** Juda werd verslagen door Israël, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. Brontekst: וַיִּנָּ֥גֶף (vayinagef) = en werd verslagen | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּנֻ֖סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְאֹהָלָֽיו (leohalav) = naar zijn tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 4:10; 1 Kon 22:36; 2 Kron 28:5–6 **25:23** Joas, de koning van Israël, greep bij Bet-Semes Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joachaz. Hij bracht hem naar Jeruzalem. Hij brak de muur van Jeruzalem door, van de Efraïmpoort tot de Hoekpoort: 400 el. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | אֲמַצְיָ֨הוּ (amatsyahu) = Amazia | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹאָחָ֗ז (yehoachaz) = Joachaz | תָּפַ֛שׂ (tafas) = greep | יוֹאָ֥שׁ (yoash) = Joas | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּבֵ֣ית (beveit) = bij Bet | שָׁ֑מֶשׁ (shamesh) = Semes | וַיְבִיאֵ֨הוּ֙ (vayviehu) = en bracht hem | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = naar Jeruzalem | וַיִּפְרֹ֞ץ (vayifrots) = en brak door | בְּחוֹמַ֣ת (bechomat) = de muur van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִשַּׁ֤עַר (mishaar) = vanaf de poort van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | עַד (ad) = tot | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort | הַפּוֹנֶ֔ה (hapone) = die zich keert | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beide poorten lagen waarschijnlijk in de noordelijke muur van Jeruzalem. Waar precies, is niet zeker. Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Zie Efraïmpoort (ligging onzeker): De Efraïmpoort was een poort in de noordmuur van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Zie Hoekpoort (ligging onzeker): De Hoekpoort was een poort in de muur van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noordwesten. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הַפּוֹנֶה (hapoyneh), ‘die zich keert’: de poort aan de hoek. In 2 Kon. 14:13 staat שַׁעַר הַפִּנָּה (sha’ar happinnah), ‘Hoekpoort’. Wij schrijven in beide gevallen ‘Hoekpoort’. Voetnoot : מֵאוֹת אַמָּה (me’ot ammah), ‘400 el’: een el is ongeveer 45 centimeter. 400 el is dus ongeveer 180 meter. Voetnoot : In 2 Kon. 14:13 staat Amazia als ‘zoon van Joas, zoon van Achazia’; hier staat ‘zoon van Joas, zoon van Joachaz’. Zie ook: 2 Kon 14:13; 2 Kron 21:17; 2 Kron 22:1; 2 Kron 26:9; Jer 31:38; Neh 8:16 **25:24** Hij nam al het goud en het zilver en alle voorwerpen die in het huis van Elohim werden gevonden bij Obed-Edom. Hij nam ook de schatkamers van het huis van de koning en gijzelaars. Toen keerde hij terug naar Samaria. Brontekst: וְכָֽל (vekhal) = en al | הַזָּהָ֣ב (hazahav) = het goud | וְהַכֶּ֡סֶף (vehakesef) = en het zilver | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַ֠כֵּלִים (hakelim) = voorwerpen | הַנִּמְצְאִ֨ים (hanimtseim) = die gevonden werden | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | הָאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = de Elohim | עִם (im) = bij | עֹבֵ֣ד (oved) = Obed | אֱד֗וֹם (edom) = Edom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹצְרוֹת֙ (otserot) = de schatkamers van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַתַּֽעֲרֻב֑וֹת (hataaruvot) = de onderpanden | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = naar Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws ontbreekt het werkwoord ‘nam’. Wij vullen het aan uit het verband (vers 23) en uit 2 Kon. 14:14. Voetnoot : עֹבֵד אֱדֹם (Oved Edom): de naam verwijst waarschijnlijk naar de familie van Obed-Edom, die de voorraadkamers van het huis van Elohim bewaakte (1 Kron. 26:15). Voetnoot : בְּנֵי הַתַּעֲרֻבוֹת (bene hatta’arubot), ‘gijzelaars’: letterlijk ‘zonen van de onderpanden’; mensen die als waarborg werden meegenomen. Zie ook: 1 Kron 26:15; 2 Kon 14:14; 2 Kron 12:9; 2 Kron 25:23 ### Het einde van Amazia **25:25** Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde nog 15 jaar na de dood van Joas, de zoon van Joachaz, de koning van Israël. Brontekst: וַיְחִ֨י (vaychi) = en leefde | אֲמַצְיָ֤הוּ (amatsyahu) = Amazia | בֶן (ben) = zoon van | יוֹאָשׁ֙ (yoash) = Joas | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | מ֔וֹת (mot) = de dood van | יוֹאָ֥שׁ (yoash) = Joas | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹאָחָ֖ז (yehoachaz) = Joachaz | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit komt overeen met 2 Kon. 14:17. Joas van Israël stierf eerder dan Amazia (2 Kon. 14:15–16). Zie ook: 2 Kon 14:15–16; 2 Kon 14:17–22 **25:26** De rest van de daden van Amazia, de eerste en de laatste: staan die niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda en Israël? Brontekst: וְיֶ֨תֶר֙ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de daden van | אֲמַצְיָ֔הוּ (amatsyahu) = Amazia | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאַחֲרוֹנִ֑ים (vehaacharonim) = en de laatste | הֲלֹא֙ (halo) = is het niet zo | הִנָּ֣ם (hinam) = zie zij | כְּתוּבִ֔ים (ketuvim) = staan geschreven | עַל (al) = in | סֵ֥פֶר (sefer) = het boek van | מַלְכֵי (malkhei) = de koningen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְיִשְׂרָאֵֽל (veyisrael) = en Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר מַלְכֵי יְהוּדָה וְיִשְׂרָאֵל (sefer malkhe Yehudah veYisrael), ‘boek van de koningen van Juda en Israël’: wij vertalen ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’, zoals ook in 1 Kon. Letterlijk staat in 1 en 2 Koningen ‘boek van de woorden van de dagen’. Hier staat de kortere vorm. Wat voor werk dit precies is, zegt de tekst niet. Zie ook: 2 Kon 14:15; 2 Kron 20:34 **25:27** Vanaf de tijd dat Amazia zich van Yahweh had afgekeerd, smeedden zij in Jeruzalem een samenzwering tegen hem. Hij vluchtte naar Lachis. Zij zonden mannen achter hem aan naar Lachis en doodden hem daar. Brontekst: וּמֵעֵ֗ת (umeet) = en vanaf de tijd | אֲשֶׁר (asher) = dat | סָ֤ר (sar) = zich afkeerde | אֲמַצְיָ֨הוּ֙ (amatsyahu) = Amazia | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = van achter | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּקְשְׁר֨וּ (vayiqsheru) = en zij smeedden | עָלָ֥יו (alav) = tegen hem | קֶ֛שֶׁר (qesher) = een samenzwering | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַיָּ֣נָס (vayanas) = en hij vluchtte | לָכִ֑ישָׁה (lakhisha) = naar Lachis | וַיִּשְׁלְח֤וּ (vayishlechu) = en zij zonden | אַחֲרָיו֙ (acharav) = achter hem aan | לָכִ֔ישָׁה (lakhisha) = naar Lachis | וַיְמִיתֻ֖הוּ (vaymituhu) = en doodden hem | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lachis (לָכִישָׁה) lag bij het huidige Tel Lakhish, ongeveer 40 kilometer ten zuidwesten van Jeruzalem, in Israël. Zie ook Joz. 10:3. Voetnoot Uitleg: Dit komt overeen met 2 Kon. 14:19. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:31; 2 Kon 14:19; 2 Kron 15:2; 2 Kron 24:25 **25:28** Zij brachten hem op paarden terug en begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van Juda. Brontekst: וַיִּשָּׂאֻ֖הוּ (vayisauhu) = en zij tilden hem | עַל (al) = op | הַסּוּסִ֑ים (hasusim) = de paarden | וַֽיִּקְבְּר֥וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹת֛וֹ (oto) = hem | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | בְּעִ֥יר (beir) = in de stad van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘in de stad van Juda’. In 2 Kon. 14:20 staat ‘in de stad van David’, dus Jeruzalem. Sommige oude vertalingen hebben ook hier ‘stad van David’. Wij volgen de Masoretische tekst en nemen aan dat Jeruzalem bedoeld is. Zie ook: 2 Kon 14:20 ## 2 Kronieken 26 _Uzzia, koning van Juda: kracht, hoogmoed en melaatsheid_ ### Uzzia wordt koning **26:1** Heel het volk van Juda nam Uzzia, die 16 jaar oud was. Zij maakten hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. Brontekst: וַיִּקְח֞וּ (vayiqchu) = en zij namen | כָּל (kal) = heel | עַ֤ם (am) = het volk van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֶת (et) = (obj.) | עֻזִּיָּ֔הוּ (uziyahu) = Uzzia | וְה֕וּא (vehu) = en hij | בֶּן (ben) = zoon van | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zestien (zes) | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיַּמְלִ֣יכוּ (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | אֹת֔וֹ (oto) = hem | תַּ֖חַת (tachat) = in plaats van | אָבִ֥יו (aviv) = zijn vader | אֲמַצְיָֽהוּ (amatsyahu) = Amazia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֻזִּיָּהוּ (Uzziyahu), ‘Uzzia’: in Koningen heet deze koning Azaria (עֲזַרְיָה), in 2 Kon. 14:21 en 15:1. Het is dezelfde man; Jesaja noemt hem Uzzia (Jes. 6:1). Wij schrijven in Kronieken ‘Uzzia’ en in Koningen ‘Azaria’. Voetnoot : De verzen 1–4 en 21–23 komen overeen met 2 Kon. 14:21–22 en 15:1–7. De verzen 5–20 staan alleen in Kronieken. Zie ook: 2 Kon 14:21; 2 Kon 15:1–7; 2 Kron 22:1; 2 Kron 33:25; Jes 6:1; Mat 1:8–9 **26:2** Hij bouwde Elat en bracht het terug aan Juda, nadat de koning bij zijn vaderen was gaan liggen. Brontekst: ה֚וּא (hu) = hij | בָּנָ֣ה (bana) = bouwde | אֶת (et) = (obj.) | אֵיל֔וֹת (eilot) = Elat | וַיְשִׁיבֶ֖הָ (vayshiveha) = en liet terugkeren | לִֽיהוּדָ֑ה (lihuda) = het aan Juda | אַחֲרֵ֥י (acharei) = nadat | שְׁכַֽב (shekhav) = was gaan liggen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | עִם (im) = bij | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat. Voetnoot Uitleg: אֵילוֹת (Eilot), ‘Elat’: de havenstad aan de Rietzee, genoemd in 1 Kon. 9:26. Zie ook 2 Kon. 14:22, waar staat dat Azaria (Uzzia) de stad bouwde en terugbracht aan Juda. Zie ook: 1 Kon 9:26; 2 Kon 14:22; 2 Kon 16:6; 2 Kron 8:17; 2 Kron 25:23; 2 Kron 25:28 **26:3** Uzzia was 16 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 52 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jekolja, uit Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שֵׁ֨שׁ (shesh) = zes | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | עֻזִּיָּ֣הוּ (uziyahu) = Uzzia | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וַחֲמִשִּׁ֤ים (vachamishim) = en vijftig | וּשְׁתַּ֨יִם֙ (ushtayim) = en twee | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | יְכָלְיָ֖ה (yekhaleya) = Jekolja | מִן (min) = uit | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat יכיליה (Jekilja). De lezing (qere) is יְכָלְיָה (Jekolja). Wij volgen de lezing. Zie ook: 2 Kon 15:2–3; Amos 1:1; Hos 1:1; Jes 1:1; Zach 14:5 **26:4** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, precies zoals zijn vader Amazia had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | אֲמַצְיָ֥הוּ (amatsyahu) = Amazia | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 25:2 **26:5** Hij zocht Elohim in de dagen van Zacharia, die inzicht had in het zien van Elohim. In de dagen dat hij Yahweh zocht, deed Elohim hem slagen. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en hij was | לִדְרֹ֣שׁ (lidrosh) = om te zoeken | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | זְכַרְיָ֔הוּ (zekharyahu) = Zacharia | הַמֵּבִ֖ין (hamevin) = die inzicht had | בִּרְאֹ֣ת (birot) = in het zien van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וּבִימֵי֙ (uvimei) = en in de dagen | דָּרְשׁ֣וֹ (daresho) = van zijn zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִצְלִיח֖וֹ (hitslicho) = deed hem slagen | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Over Zacharia weten wij verder niets. Voetnoot Lezing: בִּרְאֹת (bir’ot), ‘in het zien van’. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘in de vrees voor’ Elohim. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 41:38; 1 Kron 22:13; 2 Kron 15:2; 2 Kron 24:2; Dan 5:16 ### Oorlogen en bouwwerken **26:6** Hij trok uit en voerde oorlog tegen de Filistijnen. Hij brak door de muur van Gat, de muur van Jabne en de muur van Asdod. Hij bouwde steden in het gebied van Asdod en onder de Filistijnen. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en hij trok uit | וַיִּלָּ֣חֶם (vayilachem) = en voerde oorlog | בַּפְּלִשְׁתִּ֔ים (bapelishtim) = tegen de Filistijnen | וַיִּפְרֹ֞ץ (vayifrots) = en brak door | אֶת (et) = (obj.) | ח֣וֹמַת (chomat) = de muur van | גַּ֗ת (gat) = Gat | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | חוֹמַ֣ת (chomat) = de muur van | יַבְנֵ֔ה (yavne) = Jabne | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | חוֹמַ֣ת (chomat) = de muur van | אַשְׁדּ֑וֹד (ashdod) = Asdod | וַיִּבְנֶ֣ה (vayivne) = en bouwde | עָרִ֔ים (arim) = steden | בְּאַשְׁדּ֖וֹד (beashdod) = in Asdod | וּבַפְּלִשְׁתִּֽים (uvapelishtim) = en onder de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat lag waarschijnlijk bij Tell es-Safi, Israël. Jabne (Jamnia) is het huidige Yavne, Israël, ongeveer 20 kilometer ten zuiden van Tel Aviv. Asdod is het huidige Ashdod, Israël, aan de kust. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 5:1; 1 Sam 5:6; 2 Sam 8:1; 2 Kron 21:16; Jes 14:29 **26:7** Elohim hielp hem tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden en tegen de Meünieten. Brontekst: וַיַּעְזְרֵ֨הוּ (vayazerehu) = en hielp hem | הָֽאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = de Elohim | עַל (al) = tegen | פְּלִשְׁתִּ֧ים (pelishtim) = Filistijnen | וְעַל (veal) = en tegen | הָֽעַרְבִ֛ים (haarvim) = de Arabieren | הַיֹּשְׁבִ֥ים (hayoshevim) = die woonden | בְּגוּר (begur) = in Gur | בָּ֖עַל (baal) = Baäl | וְהַמְּעוּנִֽים (vehameunim) = en de Meünieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gur-Baäl (גּוּר־בַּעַל): de ligging is onbekend. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: De Meünieten (הַמְּעוּנִים) zijn een volk in het zuiden, bij of ten zuiden van Edom. Hun precieze woongebied is onzeker. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat een andere schrijfwijze van ‘de Arabieren’ (הָעַרְבִיִּים); de lezing (qere) is הָעַרְבִים. De betekenis is gelijk. Wij volgen de lezing. Zie ook: 1 Kron 5:20; Ps 18:30; 2 Kron 17:11; 2 Kron 21:16; Hand 26:22 **26:8** De Ammonieten gaven Uzzia geschenken. Zijn naam ging tot aan de grens van Egypte, want hij was uitermate sterk geworden. Brontekst: וַיִּתְּנ֧וּ (vayitenu) = en gaven | הָֽעַמּוֹנִ֛ים (haamonim) = de Ammonieten | מִנְחָ֖ה (mincha) = geschenk | לְעֻזִּיָּ֑הוּ (leuziyahu) = aan Uzzia | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | עַד (ad) = tot | לְב֣וֹא (levo) = de ingang van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֥י (ki) = want | הֶחֱזִ֖יק (hecheziq) = was sterk geworden | עַד (ad) = tot | לְמָֽעְלָה (lemaela) = uitermate Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘geschenken’: hier is het een gave van onderworpen volken, een soort schatting. Bij de offers vertalen wij hetzelfde woord als ‘graanoffer’. Voetnoot : עַד לְמַעְלָה (ad lemalah), ‘uitermate’: letterlijk ‘tot naar boven’. Zie ook: Gen 19:38; 1 Sam 11:1; 2 Sam 8:2; 2 Sam 8:13; 2 Kron 17:11 **26:9** Uzzia bouwde torens in Jeruzalem, bij de Hoekpoort, bij de Dalpoort en bij de Hoek. Hij versterkte ze. Brontekst: וַיִּ֨בֶן (vayiven) = en bouwde | עֻזִּיָּ֤הוּ (uziyahu) = Uzzia | מִגְדָּלִים֙ (migdalim) = torens | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | עַל (al) = bij | שַׁ֧עַר (shaar) = de poort van | הַפִּנָּ֛ה (hapina) = de hoek | וְעַל (veal) = en bij | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | הַגַּ֖יְא (hagay) = het dal | וְעַל (veal) = en bij | הַמִּקְצ֑וֹעַ (hamiqtsoa) = de hoek | וַֽיְחַזְּקֵֽם (vaychazeqem) = en versterkte ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Hoekpoort en de Dalpoort lagen in de westelijke muur van Jeruzalem. Hun precieze ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: הַמִּקְצוֹעַ (hammiqtsoa), ‘de Hoek’: een hoek of buiging in de stadsmuur. Zie ook 2 Kron. 25:23 voor de Hoekpoort. Zie ook: 2 Kon 14:13; 2 Kron 25:23; Jer 31:38; Neh 2:15; Neh 3:13 **26:10** Hij bouwde ook torens in de woestijn en hakte vele waterputten uit, want hij had veel vee. Dat was in het laagland en op de hoogvlakte. Hij had landbouwers en wijnbouwers in het bergland en in het vruchtbare land, want hij hield van de grond. Brontekst: וַיִּ֨בֶן (vayiven) = en bouwde | מִגְדָּלִ֜ים (migdalim) = torens | בַּמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | וַיַּחְצֹב֙ (vayachtsov) = en hakte uit | בֹּר֣וֹת (borot) = waterputten | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | כִּ֤י (ki) = want | מִקְנֶה (miqne) = vee | רַּב֙ (rav) = veel | הָ֣יָה (haya) = was | ל֔וֹ (lo) = aan hem | וּבַשְּׁפֵלָ֖ה (uvashefela) = en in het laagland | וּבַמִּישׁ֑וֹר (uvamishor) = en op de hoogvlakte | אִכָּרִ֣ים (ikarim) = landbouwers | וְכֹֽרְמִ֗ים (vekhoremim) = en wijnbouwers | בֶּהָרִים֙ (beharim) = in het bergland | וּבַכַּרְמֶ֔ל (uvakarmel) = en in het vruchtbare land | כִּֽי (ki) = want | אֹהֵ֥ב (ohev) = hield van | אֲדָמָ֖ה (adama) = grond | הָיָֽה (haya) = hij was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּרוֹת (borot), ‘waterputten’: uitgehouwen regenputten in de rots. Voetnoot : שְׁפֵלָה (shefelah), ‘laagland’: het heuvelland tussen het gebergte van Juda en de kustvlakte. Wij vertalen overal zo; zie Joz. 15:33. Voetnoot : מִישׁוֹר (mishor), ‘hoogvlakte’: een vlak gebied. De naam wordt meestal gebruikt voor het plateau ten oosten van de Dode Zee (Deut. 3:10). Hier is de ligging niet duidelijk. Voetnoot : כַּרְמֶל (karmel), ‘vruchtbaar land’: het woord is ook de naam van de berg Karmel. Door de tegenstelling met het bergland is hier ‘vruchtbaar land’ bedoeld. De keuze is niet zeker. Voetnoot : אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: hier de landbouwgrond. Zie ook: Gen 26:18–21; Deut 3:10; Joz 15:33; 1 Kron 27:26–31; 2 Kon 3:4; 2 Kon 19:23; Jes 29:17 ### Uzzia’s leger **26:11** Uzzia had een leger dat oorlog voerde. Het trok in afdelingen uit, naar het getal van hun telling door Jeïël, de schrijver, en Maäseja, de opzichter. Zij stonden onder Chananja, een van de leiders van de koning. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | לְעֻזִּיָּ֡הוּ (leuziyahu) = aan Uzzia | חַיִל֩ (chayil) = een leger | עֹשֵׂ֨ה (ose) = dat voerde | מִלְחָמָ֜ה (milchama) = oorlog | יוֹצְאֵ֧י (yotseei) = uittrekkend naar | צָבָ֣א (tsava) = het leger | לִגְד֗וּד (ligdud) = in afdelingen | בְּמִסְפַּר֙ (bemispar) = naar het getal van | פְּקֻדָּתָ֔ם (pequdatam) = hun telling | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | יְעִיאֵ֣ל (yeiel) = Jeïël | הַסּוֹפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | וּמַעֲשֵׂיָ֖הוּ (umaaseyahu) = en Maäseja | הַשּׁוֹטֵ֑ר (hashoter) = de opzichter | עַ֚ל (al) = onder | יַד (yad) = de hand van | חֲנַנְיָ֔הוּ (chananyahu) = Chananja | מִשָּׂרֵ֖י (misarei) = uit de leiders van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטֵר (shoter), ‘opzichter’: iemand die toezicht houdt en bijhoudt. Het woord wijst hier op een ambtenaar van de legertelling. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat יעואל (Jeüël). De lezing (qere) is יְעִיאֵל (Jeïël). Wij volgen de lezing. Zie ook: 2 Kon 5:2 **26:12** Het hele aantal van de familiehoofden, de dappere krijgers, was 2.600. Brontekst: כֹּ֠ל (kol) = heel | מִסְפַּ֞ר (mispar) = het aantal van | רָאשֵׁ֤י (rashei) = hoofden van | הָאָבוֹת֙ (haavot) = de families | לְגִבּ֣וֹרֵי (legiborei) = van dappere | חָ֔יִל (chayil) = krijgers | אַלְפַּ֖יִם (alpayim) = tweeduizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getal 2.600 telt de familiehoofden, de dappere krijgers. Het leger in het volgende vers is veel groter. Het getal is letterlijk overgenomen. **26:13** Onder hun leiding stond een leger van 307.500 man. Zij voerden oorlog met grote kracht, om de koning te helpen tegen de vijand. Brontekst: וְעַל (veal) = en onder | יָדָם֩ (yadam) = hun hand | חֵ֨יל (cheil) = een leger van | צָבָ֜א (tsava) = strijdkracht | שְׁלֹ֧שׁ (shelosh) = drie | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אֶ֗לֶף (elef) = duizend | וְשִׁבְעַ֤ת (veshivat) = en zeven | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | וַחֲמֵ֣שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | עוֹשֵׂ֥י (osei) = die voerden | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | בְּכֹ֣חַ (bekhoach) = met kracht van | חָ֑יִל (chayil) = leger | לַעְזֹ֥ר (lazor) = om te helpen | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = de koning | עַל (al) = tegen | הָאוֹיֵֽב (haoyev) = de vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: drie honderd duizend, zeven duizend en vijf honderd. Dat is 307.500. Zie ook: 2 Kron 11:1; 2 Kron 13:3; 2 Kron 14:7; 2 Kron 17:14–19; 2 Kron 25:5 **26:14** Uzzia maakte voor heel het leger schilden, speren, helmen, pantsers, bogen en slingerstenen gereed. Brontekst: וַיָּכֶן֩ (vayakhen) = en maakte gereed | לָהֶ֨ם (lahem) = voor hen | עֻזִּיָּ֜הוּ (uziyahu) = Uzzia | לְכָל (lekhal) = voor heel | הַצָּבָ֗א (hatsava) = het leger | מָגִנִּ֤ים (maginim) = schilden | וּרְמָחִים֙ (uremachim) = en speren | וְכ֣וֹבָעִ֔ים (vekhovaim) = en helmen | וְשִׁרְיֹנ֖וֹת (veshiryonot) = en pantsers | וּקְשָׁת֑וֹת (uqeshatot) = en bogen | וּלְאַבְנֵ֖י (uleavnei) = en stenen van | קְלָעִֽים (qelaim) = slingers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁרְיֹנוֹת (shiryonot), ‘pantsers’: beschermend kleed van metaal of van leer met metaal. Het precieze soort is onzeker. Voetnoot : אַבְנֵי קְלָעִים (avnei qela’im), ‘slingerstenen’: stenen die men met een slinger wegwerpt. Zie ook: Re 20:16; 1 Sam 17:49 **26:15** In Jeruzalem maakte hij werktuigen, bedacht door een vernuftig man. Die moesten op de torens en op de hoeken staan om pijlen en grote stenen te schieten. Zijn naam ging tot ver weg, want hij werd wonderbaarlijk geholpen, tot hij sterk was. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en maakte | בִּירוּשָׁלִַ֨ם (birushalaim) = in Jeruzalem | חִשְּׁבֹנ֜וֹת (chishevonot) = werktuigen | מַחֲשֶׁ֣בֶת (machashevet) = uitgedacht door | חוֹשֵׁ֗ב (choshev) = een vernuftig man | לִהְי֤וֹת (lihyot) = om te zijn | עַל (al) = op | הַמִּגְדָּלִים֙ (hamigdalim) = de torens | וְעַל (veal) = en op | הַפִּנּ֔וֹת (hapinot) = de hoeken | לִירוֹא֙ (liro) = om te schieten | בַּֽחִצִּ֔ים (bachitsim) = met pijlen | וּבָאֲבָנִ֖ים (uvaavanim) = en met stenen | גְּדֹל֑וֹת (gedolot) = grote | וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en ging uit | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | עַד (ad) = tot | לְמֵ֣רָח֔וֹק (lemerachoq) = ver weg | כִּֽי (ki) = want | הִפְלִ֥יא (hifli) = wonderbaarlijk | לְהֵעָזֵ֖ר (leheazer) = geholpen te worden | עַ֥ד (ad) = tot | כִּֽי (ki) = dat | חָזָֽק (chazaq) = hij sterk was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חִשְּׁבֹנוֹת מַחֲשֶׁבֶת חוֹשֵׁב (chishvonot machashevet choshev), ‘werktuigen, bedacht door een vernuftig man’: dit zijn toestellen die pijlen en grote stenen wegschoten. Het woord חִשְּׁבֹנוֹת (chishvonot) betekent letterlijk ‘bedenksels’ of ‘ontwerpen’. Voetnoot : הֻפְלָא לְהֵעָזֵר (hifli lehe’azer), ‘wonderbaarlijk geholpen worden’: dat wijst terug op vers 7: Elohim hielp hem. Zie ook: Ex 31:4; 2 Kron 2:6; 2 Kron 2:13; 2 Kron 26:7; Mat 4:24 ### Hoogmoed en melaatsheid **26:16** Maar toen hij sterk was, werd zijn hart hoogmoedig, tot zijn verderf. Hij handelde trouweloos tegen Yahweh, zijn Elohim. Hij ging de tempel van Yahweh binnen om wierook te laten opgaan op het wierookaltaar. Brontekst: וּכְחֶזְקָת֗וֹ (ukhechezqato) = en toen hij sterk was | גָּבַ֤הּ (gavah) = werd hoog | לִבּוֹ֙ (libo) = zijn hart | עַד (ad) = tot | לְהַשְׁחִ֔ית (lehashchit) = verderf | וַיִּמְעַ֖ל (vayimal) = en hij handelde trouweloos | בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij ging | אֶל (el) = naar | הֵיכַ֣ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַקְטִ֖יר (lehaqtir) = om wierook te laten opgaan | עַל (al) = op | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = het altaar van | הַקְּטֹֽרֶת (haqetoret) = de wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעַל (ma’al), ‘trouweloos handelen’: het woord staat voor het breken van trouw aan Yahweh, vooral bij heilige zaken. Het komt in dit hoofdstuk twee keer voor (vers 16 en 18). Voetnoot : הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: de hoofdzaal van het huis van Yahweh, waar het wierookaltaar stond (Exod. 30:1–8). Alleen de priesters uit het nageslacht van Aäron mochten wierook laten opgaan (Num. 17:5; 18:7). Zie ook: Ex 30:1–8; Num 17:5; Num 18:7; Deut 8:14; Spr 16:18; 2 Kron 25:19; 2 Kron 26:18; 2 Kron 32:25; Hab 2:4 **26:17** Azarja, de priester, ging achter hem aan. Met hem gingen 80 priesters van Yahweh, dappere mannen. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en ging | אַחֲרָ֖יו (acharav) = achter hem | עֲזַרְיָ֣הוּ (azaryahu) = Azarja | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וְעִמּ֞וֹ (veimo) = en met hem | כֹּהֲנִ֧ים (kohanim) = priesters | לַיהוָ֛ה (laYahweh) = van Yahweh | שְׁמוֹנִ֖ים (shemonim) = tachtig | בְּנֵי (benei) = zonen van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 5:36; 1 Kron 12:29; 1 Kron 26:6 **26:18** Zij stelden zich tegen koning Uzzia op en zeiden tegen hem: „Het is niet aan u, Uzzia, om wierook te laten opgaan voor Yahweh. Dat is voor de priesters, de zonen van Aäron, die geheiligd zijn om wierook te laten opgaan. Ga weg uit het heiligdom, want u hebt trouweloos gehandeld. Het zal u niet tot eer zijn bij Yahweh Elohim.” Brontekst: וַיַּעַמְד֞וּ (vayaamdu) = en zij stonden | עַל (al) = tegen | עֻזִּיָּ֣הוּ (uziyahu) = Uzzia | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֹּ֤אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | לוֹ֙ (lo) = tot hem | לֹא (lo) = niet | לְךָ֣ (lekha) = aan u | עֻזִּיָּ֗הוּ (uziyahu) = Uzzia | לְהַקְטִיר֙ (lehaqtir) = om wierook te laten opgaan | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | לַכֹּהֲנִ֧ים (lakohanim) = voor de priesters | בְּנֵי (benei) = zonen van | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | הַמְקֻדָּשִׁ֖ים (hamqudashim) = de geheiligden | לְהַקְטִ֑יר (lehaqtir) = om wierook te laten opgaan | צֵ֤א (tse) = ga uit | מִן (min) = uit | הַמִּקְדָּשׁ֙ (hamiqdash) = het heiligdom | כִּ֣י (ki) = want | מָעַ֔לְתָּ (maalta) = u hebt trouweloos gehandeld | וְלֹֽא (velo) = en niet | לְךָ֥ (lekha) = aan u | לְכָב֖וֹד (lekhavod) = tot eer | מֵיְהוָ֥ה (meYahweh) = van Yahweh | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh Elohim (יְהוָה אֱלֹהִים) staat hier in de tekst als één naam. Voetnoot : מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: hier de heilige ruimte van de tempel. Zie ook: Ex 30:7–8; Num 18:7; 2 Kron 19:2; Jer 13:18; Heb 5:4 **26:19** Uzzia werd woedend. In zijn hand had hij een wierookvat om wierook te laten opgaan. Terwijl hij woedend was op de priesters, brak de melaatsheid uit op zijn voorhoofd. Dat gebeurde voor de ogen van de priesters, in het huis van Yahweh, bij het wierookaltaar. Brontekst: וַיִּזְעַף֙ (vayizaf) = en werd woedend | עֻזִּיָּ֔הוּ (uziyahu) = Uzzia | וּבְיָד֥וֹ (uveyado) = en in zijn hand | מִקְטֶ֖רֶת (miqteret) = een wierookvat | לְהַקְטִ֑יר (lehaqtir) = om wierook te laten opgaan | וּבְזַעְפּ֣וֹ (uvezapo) = en bij zijn woede | עִם (im) = op | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | וְ֠הַצָּרַעַת (vehatsaraat) = en de melaatsheid | זָרְחָ֨ה (zarecha) = brak uit | בְמִצְח֜וֹ (bemitscho) = op zijn voorhoofd | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֖ל (meal) = van boven | לְמִזְבַּ֥ח (lemizbach) = het altaar van | הַקְּטֹֽרֶת (haqetoret) = de wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרַעַת (tsara’at), ‘melaatsheid’: een verzamelnaam voor huidaandoeningen. Het is niet dezelfde ziekte als lepra in onze tijd (Lev. 13). Wij vertalen het steeds met ‘melaatsheid’. Voetnoot : מִקְטֶרֶת (miqteret), ‘wierookvat’: een schaal of vat voor het laten opgaan van wierook. Zie ook: Num 12:10; 2 Kon 5:25–27; 2 Kron 16:10; 2 Kron 25:16 **26:20** Azarja, de hoofdpriester, en alle priesters keken naar hem. Zie, hij was melaats op zijn voorhoofd. Zij joegen hem haastig van daar weg. Ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, want Yahweh had hem getroffen. Brontekst: וַיִּ֣פֶן (vayifen) = en keerde zich | אֵלָ֡יו (elav) = naar hem | עֲזַרְיָהוּ֩ (azaryahu) = Azarja | כֹהֵ֨ן (kohen) = priester van | הָרֹ֜אשׁ (harosh) = de eerste | וְכָל (vekhal) = en alle | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ה֤וּא (hu) = hij | מְצֹרָע֙ (metsora) = melaats | בְּמִצְח֔וֹ (bemitscho) = op zijn voorhoofd | וַיַּבְהִל֖וּהוּ (vayavhiluhu) = en zij haastten hem | מִשָּׁ֑ם (misham) = vandaar | וְגַם (vegam) = en ook | הוּא֙ (hu) = hij | נִדְחַ֣ף (nidchaf) = haastte zich | לָצֵ֔את (latset) = om uit te gaan | כִּ֥י (ki) = want | נִגְּע֖וֹ (nigeo) = had hem getroffen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘hoofdpriester’: letterlijk ‘de priester van het hoofd’, de eerste onder de priesters. Zie ook: Lev 14:34; Deut 28:22; Deut 28:35; Est 6:12 **26:21** Koning Uzzia was melaats tot de dag van zijn dood. Hij woonde als melaatse in een afgezonderd huis, want hij was afgesneden van het huis van Yahweh. Zijn zoon Jotam stond over het huis van de koning en sprak recht over het volk van het land. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en was | עֻזִּיָּ֨הוּ (uziyahu) = Uzzia | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | מְצֹרָ֣ע (metsora) = melaats | עַד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = de dag van | מוֹת֗וֹ (moto) = zijn dood | וַיֵּ֜שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בֵּ֤ית (beit) = in het huis van | הַֽחָפְשִׁית֙ (hachafeshit) = de afzondering | מְצֹרָ֔ע (metsora) = melaats | כִּ֥י (ki) = want | נִגְזַ֖ר (nigzar) = hij was afgesneden | מִבֵּ֣ית (mibeit) = van het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְיוֹתָ֤ם (veyotam) = en Jotam | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | עַל (al) = over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | שׁוֹפֵ֖ט (shofet) = rechtsprekend | אֶת (et) = (obj.) | עַ֥ם (am) = het volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הַחָפְשִׁית (beit hachofshit), ‘afgezonderd huis’: letterlijk ‘huis van de vrijheid’. De betekenis is niet zeker. Het gaat om een aparte woning, buiten het gewone leven. Vergelijk Lev. 13:46: de melaatse woont alleen, buiten het kamp. In 2 Kon. 15:5 staat dezelfde uitdrukking. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat een andere vorm, ה־חפשות. De lezing (qere) is הַחָפְשִׁית. Wij volgen de lezing. Zie ook: Lev 13:46; Num 5:2–3; Num 12:15; 2 Kon 7:3; 2 Kon 15:5–7 ### Slot: de dood van Uzzia **26:22** De rest van de geschiedenis van Uzzia, van het begin tot het einde, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, opgeschreven. Brontekst: וְיֶ֨תֶר֙ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de zaken van | עֻזִּיָּ֔הוּ (uziyahu) = Uzzia | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאֲחֲרֹנִ֑ים (vehaacharonim) = en de laatste | כָּתַ֛ב (katav) = schreef op | יְשַֽׁעְיָ֥הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֖וֹץ (amots) = Amoz | הַנָּבִֽיא (hanavi) = de profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het geschrift van Jesaja over Uzzia is niet bewaard. Jesaja ontving zijn roeping in het jaar dat Uzzia stierf (Jes. 6:1). Zie ook: 2 Kron 9:29; 2 Kron 12:15; Jes 1:1; Jes 6:1 **26:23** Uzzia ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem bij zijn vaderen, op het veld van de graven dat van de koningen was, want zij zeiden: „Hij is melaats.” Zijn zoon Jotam werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֨ב (vayishkav) = en ging liggen | עֻזִּיָּ֜הוּ (uziyahu) = Uzzia | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֗יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקְבְּר֨וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹת֤וֹ (oto) = hem | עִם (im) = bij | אֲבֹתָיו֙ (avotav) = zijn vaderen | בִּשְׂדֵ֤ה (bisde) = op het veld van | הַקְּבוּרָה֙ (haqevura) = de begraafplaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לַמְּלָכִ֔ים (lamelakhim) = voor de koningen | כִּ֥י (ki) = want | אָמְר֖וּ (ameru) = zij zeiden | מְצוֹרָ֣ע (metsora) = melaats | ה֑וּא (hu) = hij | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יוֹתָ֥ם (yotam) = Jotam | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit komt overeen met 2 Kon. 15:7. Daar staat dat hij ‘in de stad van David’ werd begraven. Hier staat meer: ‘op het veld van de graven dat van de koningen was’, ‘want zij zeiden: Hij is melaats’. Zie ook: 2 Kon 15:6–7; 2 Kon 15:7; 2 Kron 21:20; 2 Kron 26:18; 2 Kron 28:27; Jes 6:1 ## 2 Kronieken 27 _Jotam, koning van Juda_ ### Jotam wordt koning **27:1** Jotam was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יוֹתָ֣ם (yotam) = Jotam | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | יְרוּשָׁ֖ה (yerusha) = Jerusa | בַּת (bat) = dochter van | צָדֽוֹק (tsadoq) = Zadok Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk komt overeen met 2 Kon. 15:32–38. Daar staat ook ‘Jerusa, de dochter van Zadok’ (2 Kon. 15:33). Zie ook: 1 Kron 3:12; 2 Kon 15:32–38; 2 Kon 15:33; Hos 1:1; Jes 1:1; Mat 1:9 **27:2** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, precies zoals zijn vader Uzzia had gedaan. Alleen ging hij niet de tempel van Yahweh binnen. Het volk handelde nog steeds verdorven. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הַיָּשָׁ֜ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֤ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂה֙ (asa) = deed | עֻזִּיָּ֣הוּ (uziyahu) = Uzzia | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | רַ֕ק (raq) = alleen | לֹא (lo) = niet | בָ֖א (ba) = ging binnen | אֶל (el) = naar | הֵיכַ֣ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְע֥וֹד (veod) = en nog | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מַשְׁחִיתִֽים (mashchitim) = verdorven handelend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Uzzia ging wel de tempel binnen en werd daarvoor getroffen (2 Kron. 26:16–21). Jotam deed dat niet. Voetnoot : מַשְׁחִיתִים (mashchitim), ‘verdorven handelend’: het werkwoord betekent letterlijk ‘verderven’, hier in de zin van verkeerd en verdorven leven. Zie ook 2 Kon. 15:35, waar staat dat de hoogten bleven. Zie ook: Ps 119:120; 2 Kon 15:34–35; 2 Kon 15:35; 2 Kron 26:4; 2 Kron 26:16–21; Hand 5:13 ### Bouwwerken en oorlog **27:3** Hij bouwde de Bovenpoort van het huis van Yahweh. Ook bouwde hij veel aan de muur van de Ofel. Brontekst: ה֗וּא (hu) = hij | בָּנָ֛ה (bana) = bouwde | אֶת (et) = (obj.) | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הָעֶלְי֑וֹן (haelyon) = de bovenste | וּבְחוֹמַ֥ת (uvechomat) = en aan de muur van | הָעֹ֛פֶל (haofel) = de Ofel | בָּנָ֖ה (bana) = bouwde | לָרֹֽב (larov) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Ofel (הָעֹפֶל, ha’ofel) is de heuvel ten zuiden van de tempelberg in Jeruzalem. De ligging is waarschijnlijk. De Bovenpoort van het huis van Yahweh is de poort aan de bovenkant van de tempelvoorhof. Haar precieze ligging is onzeker. Zie Bovenste poort van het huis van Yahweh (ligging onzeker): De bovenste poort van het huis van Yahweh lag aan de noordkant van het tempelplein in Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Zie 2 Kon. 15:35, waar dezelfde poort ‘de bovenste poort van het huis van Yahweh’ heet. Zie ook: 2 Kon 15:35; 2 Kron 23:20; 2 Kron 33:14; Jer 20:2; Neh 3:26–27 **27:4** Hij bouwde steden in het bergland van Juda. In de wouden bouwde hij burchten en torens. Brontekst: וְעָרִ֥ים (vearim) = en steden | בָּנָ֖ה (bana) = bouwde | בְּהַר (behar) = in het bergland van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּבֶחֳרָשִׁ֣ים (uvechorashim) = en in de wouden | בָּנָ֔ה (bana) = bouwde | בִּֽירָנִיּ֖וֹת (biraniyot) = burchten | וּמִגְדָּלִֽים (umigdalim) = en torens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֳרָשִׁים (choreshim), ‘wouden’: bosrijk gebied. בִּירָנִיּוֹת (biraniyot), ‘burchten’: versterkte gebouwen. Zie ook: Joz 14:12–13; 2 Kron 11:5–10; 2 Kron 14:6; 2 Kron 26:9–10; Luc 1:39 **27:5** Hij voerde oorlog met de koning van de Ammonieten en overwon hen. In dat jaar gaven de Ammonieten hem 100 talent zilver, 10.000 kor tarwe en 10.000 kor gerst. Dat brachten de Ammonieten hem ook in het tweede en in het derde jaar. Brontekst: וְ֠הוּא (vehu) = en hij | נִלְחַ֞ם (nilcham) = voerde oorlog | עִם (im) = met | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עַמּוֹן֮ (amon) = Ammon | וַיֶּחֱזַ֣ק (vayechezaq) = en overwon | עֲלֵיהֶם֒ (aleihem) = hen | וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en gaven | ל֨וֹ (lo) = hem | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּ֜וֹן (amon) = Ammon | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַהִ֗יא (hahi) = dat | מֵאָה֙ (mea) = honderd | כִּכַּר (kikar) = talent | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וַעֲשֶׂ֨רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֤ים (alafim) = duizend | כֹּרִים֙ (korim) = kor | חִטִּ֔ים (chitim) = tarwe | וּשְׂעוֹרִ֖ים (useorim) = en gerst | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizend | זֹ֗את (zot) = dit | הֵשִׁ֤יבוּ (heshivu) = brachten terug | לוֹ֙ (lo) = hem | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וּבַשָּׁנָ֥ה (uvashana) = en in het jaar | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = het tweede | וְהַשְּׁלִשִֽׁית (vehashelishit) = en het derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van 3.000 sikkel, ongeveer 34 kilogram. 100 talent is dus ongeveer 3,4 ton. כֹּר (kor): een inhoudsmaat van ongeveer 220 liter. 10.000 kor is dus ongeveer 2,2 miljoen liter. Voetnoot : הֵשִׁיבוּ (heshivu), ‘brachten terug’: letterlijk ‘lieten terugkeren’. Het gaat om jaarlijkse schatting. Zie ook: Re 11:4–33; 2 Sam 10:1–14; 2 Kron 20:1; Jer 49:1–6 **27:6** Jotam werd sterk, want hij richtte zijn wegen in voor het aangezicht van Yahweh, zijn Elohim. Brontekst: וַיִּתְחַזֵּ֖ק (vayitchazeq) = en werd sterk | יוֹתָ֑ם (yotam) = Jotam | כִּ֚י (ki) = want | הֵכִ֣ין (hekhin) = hij richtte in | דְּרָכָ֔יו (derakhav) = zijn wegen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵכִין דְּרָכָיו (hekhin derakhav), ‘hij richtte zijn wegen in’: letterlijk ‘hij maakte zijn wegen vast’. Hij liet zijn levenswandel bepalen door Yahweh. Zie ook: 2 Kron 19:3; 2 Kron 26:5 ### Slot: de dood van Jotam **27:7** De rest van de geschiedenis van Jotam, al zijn oorlogen en zijn wegen: zie, dat staat opgeschreven in het dagboek van de koningen van Israël en Juda. Brontekst: וְיֶתֶר֙ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de zaken van | יוֹתָ֔ם (yotam) = Jotam | וְכָל (vekhal) = en al | מִלְחֲמֹתָ֖יו (milchamotav) = zijn oorlogen | וּדְרָכָ֑יו (uderakhav) = en zijn wegen | הִנָּ֣ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִ֔ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֥פֶר (sefer) = het dagboek van | מַלְכֵֽי (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וִיהוּדָֽה (vihuda) = en Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל וִיהוּדָה (sefer malkhei yisra’el vihudah), ‘boek van de koningen van Israël en Juda’. In 2 Kon. 15:36 heet het ‘boek van de woorden van de dagen van de koningen van Juda’ (zie 1 Kon. 14:19). Wij vertalen ‘dagboek’. Wat voor werk dit precies is, zegt de tekst niet. De titel wisselt in Kronieken tussen ‘Israël en Juda’ en ‘Juda en Israël’ (vergelijk 2 Kron. 28:26). Zie ook: 1 Kon 14:19; 2 Kon 15:36; 2 Kron 20:34; 2 Kron 26:22–23; 2 Kron 28:26; 2 Kron 32:32–33 **27:8** Hij was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֧ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֛שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | הָיָ֣ה (haya) = hij was | בְמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers herhaalt vers 1 bijna woord voor woord. Wij laten de herhaling staan, zoals in het Hebreeuws. Zie ook: 2 Kron 27:1 **27:9** Jotam ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem in de stad van David. Zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en ging liggen | יוֹתָם֙ (yotam) = Jotam | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַיִּקְבְּר֥וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit komt overeen met 2 Kon. 15:38. Daar staat ook dat hij ‘in de stad van David, zijn vader’ werd begraven. Zie ook: 2 Kon 15:38 ## 2 Kronieken 28 _Achaz, koning van Juda, en de gevangenen van Samaria_ ### Achaz doet wat kwaad is **28:1** Achaz was 20 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. Hij deed niet wat juist was in de ogen van Yahweh, zoals David, zijn vader, had gedaan. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | אָחָ֣ז (achaz) = Achaz | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְלֹא (velo) = en niet | עָשָׂ֧ה (asa) = deed | הַיָּשָׁ֛ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כְּדָוִ֥יד (kedavid) = zoals David | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk komt overeen met 2 Kon. 16 (zie ook Jes. 7). De verzen 5–15 over Oded en de gevangenen staan alleen in Kronieken. Voetnoot : In 2 Kon. 16:2 staat dat hij 20 jaar oud was en 16 jaar regeerde, zoals hier. Zie ook: 1 Kron 3:13; 2 Kon 16:2; Hos 1:1; Jes 1:1; Mi 1:1; Mat 1:9 **28:2** Hij liep in de wegen van de koningen van Israël. Ook maakte hij gegoten beelden voor de Baäls. Brontekst: וַיֵּ֕לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | בְּדַרְכֵ֖י (bedarkhei) = in de wegen van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְגַ֧ם (vegam) = en ook | מַסֵּכ֛וֹת (masekhot) = gegoten beelden | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte hij | לַבְּעָלִֽים (labealim) = voor de Baäls Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַסֵּכוֹת (massekot), ‘gegoten beelden’: beelden van gesmolten metaal. הַבְּעָלִים (habbe’alim), ‘de Baäls’: het meervoud wijst op de verschillende plaatselijke Baäl-goden. Zie ook Exod. 34:17. Zie ook: Ex 34:17; Re 2:11; Re 2:13; 2 Kron 22:3–4; Hos 2:19 **28:3** Hij liet wierook opgaan in het dal van de zoon van Hinnom. Hij verbrandde zijn zonen in het vuur, volgens de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven. Brontekst: וְה֥וּא (vehu) = en hij | הִקְטִ֖יר (hiqtir) = liet wierook opgaan | בְּגֵ֣יא (begei) = in het dal van | בֶן (ben) = de zoon van | הִנֹּ֑ם (hinom) = Hinnom | וַיַּבְעֵ֤ר (vayaver) = en verbrandde | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = in het vuur | כְּתֹֽעֲבוֹת֙ (ketoavot) = volgens de gruwelen van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | הֹרִ֣ישׁ (horish) = had verdreven | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van de zoon van Hinnom ligt ten zuiden en ten westen van Jeruzalem (Joz. 15:8). Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: וַיַּבְעֵר (vayav’er), ‘hij verbrandde’: in 2 Kon. 16:3 staat ‘zijn zoon’ (enkelvoud) en ‘liet door het vuur gaan’. Hier staat ‘zijn zonen’ en ‘verbrandde’. Het offeren van kinderen aan Molech is verboden in Lev. 18:21 en Deut. 18:10. Zie ook: Lev 18:21; Deut 18:10; Joz 15:8; 2 Kon 16:3; 2 Kon 23:10; 2 Kron 33:2; 2 Kron 33:6 **28:4** Hij bracht offers en liet wierook opgaan op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom. Brontekst: וַיְזַבֵּ֧חַ (vayzabeach) = en hij bracht offers | וַיְקַטֵּ֛ר (vayqater) = en liet wierook opgaan | בַּבָּמ֖וֹת (babamot) = op de hoogten | וְעַל (veal) = en op | הַגְּבָע֑וֹת (hagevaot) = de heuvels | וְתַ֖חַת (vetachat) = en onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֥ץ (ets) = boom | רַעֲנָֽן (raanan) = groene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergen. Wij vertalen overal ‘hoogten’. Zie ook 2 Kon. 16:4, waar dit vers bijna woord voor woord staat. Zie ook: Lev 26:30; Deut 12:2–3; 2 Kon 16:4 ### Aram en Israël slaan Juda **28:5** Yahweh, zijn Elohim, gaf hem in de hand van de koning van Aram. Zij sloegen hem en voerden een grote groep gevangenen van hem weg. Zij brachten hen naar Damascus. Ook in de hand van de koning van Israël werd hij gegeven. Die sloeg hem met een zware slag. Brontekst: וַֽיִּתְּנֵ֜הוּ (vayitenehu) = en gaf hem | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָיו֮ (elohav) = zijn Elohim | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אֲרָם֒ (aram) = Aram | וַיַּ֨כּוּ (vayaku) = en zij sloegen | ב֔וֹ (bo) = hem | וַיִּשְׁבּ֤וּ (vayishbu) = en voerden weg | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = van hem | שִׁבְיָ֣ה (shivya) = gevangenen | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = grote groep | וַיָּבִ֖יאוּ (vayaviu) = en brachten | דַּרְמָ֑שֶׂק (darmaseq) = naar Damascus | וְ֠גַם (vegam) = en ook | בְּיַד (beyad) = in de hand van | מֶ֤לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | נִתָּ֔ן (nitan) = werd hij gegeven | וַיַּךְ (vayakh) = en die sloeg | בּ֖וֹ (bo) = hem | מַכָּ֥ה (maka) = slag | גְדוֹלָֽה (gedola) = zware Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Damascus is het huidige Damascus, Syrië. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: De koning van Aram is in 2 Kon. 16:5 Rezin. In Kronieken staat zijn naam niet. Ook de koning van Israël (Pekach, zie vers 6) wordt hier nog niet bij naam genoemd. Voetnoot : שִׁבְיָה גְדוֹלָה (shivyah gedolah), ‘een grote groep gevangenen’: letterlijk ‘een grote gevangenschap’. Zie ook: Ex 20:2–3; 2 Kon 16:5–6; 2 Kron 24:24; 2 Kron 28:6; 2 Kron 36:17; Jes 7:1 **28:6** Pekach, de zoon van Remalja, doodde in Juda 120.000 man op één dag, allen dappere mannen. Dat gebeurde omdat zij Yahweh, de Elohim van hun vaderen, hadden verlaten. Brontekst: וַיַּהֲרֹג֩ (vayaharog) = en doodde | פֶּ֨קַח (peqach) = Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֜הוּ (remalyahu) = Remalja | בִּֽיהוּדָ֗ה (bihuda) = in Juda | מֵאָ֨ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | בְּי֥וֹם (beyom) = op een dag | אֶחָ֖ד (echad) = één | הַכֹּ֣ל (hakol) = allen | בְּנֵי (benei) = zonen van | חָ֑יִל (chayil) = kracht | בְּעָזְבָ֕ם (beazevam) = omdat zij verlieten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getal 120.000 staat niet in Koningen. Wij vertalen het letterlijk. Pekach was koning van Israël (2 Kon. 15:27). Het Hebreeuws zegt ‘zonen van kracht’: dappere mannen. Voetnoot : בְּעָזְבָם (be’azvam), ‘omdat zij hadden verlaten’: Yahweh’s oordeel hangt hier samen met het verlaten van Yahweh, zoals in 2 Kron. 24:20. Zie ook: Joz 24:20; 2 Kon 15:27; 2 Kron 24:20; Jes 1:28; Jer 2:19; Jer 15:6 **28:7** Zichri, een held uit Efraïm, doodde Maäseja, de zoon van de koning. Hij doodde ook Azrikam, de leider van het huis, en Elkana, de tweede na de koning. Brontekst: וַֽיַּהֲרֹ֞ג (vayaharog) = en doodde | זִכְרִ֣י (zikhri) = Zichri | גִּבּ֣וֹר (gibor) = held van | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | אֶת (et) = (obj.) | מַעֲשֵׂיָ֨הוּ֙ (maaseyahu) = Maäseja | בֶּן (ben) = zoon van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַזְרִיקָ֖ם (azriqam) = Azrikam | נְגִ֣יד (negid) = leider van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶלְקָנָ֖ה (elqana) = Elkana | מִשְׁנֵ֥ה (mishne) = tweede van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְגִיד הַבַּיִת (nagid habayit), ‘leider van het huis’: de hoogste ambtenaar van het hof. מִשְׁנֶה הַמֶּלֶךְ (mishneh hamelekh), ‘de tweede na de koning’: de tweede man in het rijk. Maäseja is een zoon van de koning, dus waarschijnlijk van Achaz. Zie ook: Gen 41:43; Gen 43:12; Gen 43:15; Est 10:3 **28:8** De zonen van Israël voerden 200.000 van hun broeders gevangen weg: vrouwen, zonen en dochters. Ook plunderden zij veel buit van hen. Zij brachten de buit naar Samaria. Brontekst: וַיִּשְׁבּוּ֩ (vayishbu) = en zij voerden gevangen weg | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | מֵֽאֲחֵיהֶ֜ם (meacheihem) = van hun broeders | מָאתַ֣יִם (matayim) = tweehonderd | אֶ֗לֶף (elef) = duizend | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | וּבָנ֔וֹת (uvanot) = en dochters | וְגַם (vegam) = en ook | שָׁלָ֥ל (shalal) = buit | רָ֖ב (rav) = veel | בָּזְז֣וּ (bazezu) = plunderden zij | מֵהֶ֑ם (mehem) = van hen | וַיָּבִ֥יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁלָ֖ל (hashalal) = de buit | לְשֹׁמְרֽוֹן (leshomeron) = naar Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Samaria was de hoofdstad van het rijk Israël, bij het huidige Sebastia, Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: Het getal 200.000 staat alleen in Kronieken. Wij vertalen het letterlijk. Zie ook: Deut 28:25; Deut 28:41; 2 Kron 11:4; Hand 7:26; Hand 13:26 ### Oded en de gevangenen uit Juda **28:9** Daar was een profeet van Yahweh. Zijn naam was Oded. Hij ging het leger tegemoet dat naar Samaria kwam. Hij zei tegen hen: „Zie, Yahweh, de Elohim van jullie vaderen, was woedend op Juda. Daarom heeft Hij hen in jullie hand gegeven. Maar jullie hebben hen gedood met een woede die tot de hemel reikt. Brontekst: וְ֠שָׁם (vesham) = en daar | הָיָ֨ה (haya) = was | נָבִ֥יא (navi) = een profeet | לַֽיהוָה֮ (laYahweh) = van Yahweh | עֹדֵ֣ד (oded) = Oded | שְׁמוֹ֒ (shemo) = zijn naam | וַיֵּצֵ֗א (vayetse) = en hij ging uit | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַצָּבָא֙ (hatsava) = het leger | הַבָּ֣א (haba) = dat kwam | לְשֹׁמְר֔וֹן (leshomeron) = naar Samaria | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | הִ֠נֵּה (hine) = zie | בַּחֲמַ֨ת (bachamat) = vanwege de woede van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיכֶ֛ם (avoteikhem) = jullie vaderen | עַל (al) = tegen | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | נְתָנָ֣ם (netanam) = heeft hen gegeven | בְּיֶדְכֶ֑ם (beyedkhem) = in jullie hand | וַתַּֽהַרְגוּ (vatahargu) = en jullie hebben gedood | בָ֣ם (bam) = onder hen | בְזַ֔עַף (bezaaf) = in een woede | עַ֥ד (ad) = tot | לַשָּׁמַ֖יִם (lashamayim) = de hemel | הִגִּֽיעַ (higia) = die reikt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: עֹדֵד (Oded) is een profeet die verder niet bekend is. Een andere Oded is de vader van Azarja in 2 Kron. 15:1. Voetnoot : בְּחֲמַת (bachamat), ‘vanwege de woede van’: Yahweh’s grimmige toorn over Juda. De profeet spreekt in zijn eigen woorden; hij zegt niet ‘Zo zegt Yahweh’. Voetnoot : הַצָּבָא (hatsava), ‘het leger’: dat is het leger van Israël, dat met de buit uit Juda terugkomt. Zie ook: 2 Kron 15:1; 2 Kron 25:15–16; Jes 47:6; Ezra 9:6; Zach 1:15; Openb 18:5 **28:10** En nu zeggen jullie dat je de zonen van Juda en van Jeruzalem zult onderwerpen als dienaren en dienaressen voor jezelf. Maar is er bij jullie zelf niet ook schuld tegenover Yahweh, jullie Elohim? Brontekst: וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | וִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙ (virushalaim) = en Jeruzalem | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹמְרִ֔ים (omerim) = zeggen | לִכְבֹּ֛שׁ (likhbosh) = om te onderwerpen | לַעֲבָדִ֥ים (laavadim) = tot dienaren | וְלִשְׁפָח֖וֹת (velishfachot) = en tot dienaressen | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | הֲלֹ֤א (halo) = is er niet | רַק (raq) = alleen | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | עִמָּכֶ֣ם (imakhem) = bij jullie | אֲשָׁמ֔וֹת (ashamot) = schuld | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = tegenover Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רַק (raq), ‘alleen’: de zin kan ook betekenen ‘zijn er bij jullie niet ook zelf schulden?’ Het gaat erom dat Israël zelf ook schuldig is. Wij vertalen met ‘ook’. Voetnoot : עֶבֶד (eved), ‘dienaar’, en שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’: hier gaat het om mensen die gedwongen moeten dienen, zoals slaven. Zie ook: Lev 25:39–46; Jer 25:29; Mat 7:2–4; Rom 12:20–21; 1 Petr 4:17–18 **28:11** Luister nu naar mij. Breng de gevangenen terug die jullie van jullie broeders hebben weggevoerd. Want de gloed van Yahweh’s toorn is over jullie.” Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | שְׁמָע֔וּנִי (shemauni) = luister naar mij | וְהָשִׁ֨יבוּ֙ (vehashivu) = en breng terug | הַשִּׁבְיָ֔ה (hashivya) = de gevangenen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שְׁבִיתֶ֖ם (shevitem) = jullie hebben weggevoerd | מֵאֲחֵיכֶ֑ם (meacheikhem) = van jullie broeders | כִּ֛י (ki) = want | חֲר֥וֹן (charon) = de gloed van | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = over jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲרוֹן אַף יְהוָה (charon af Yahweh), ‘de gloed van Yahweh’s toorn’: letterlijk ‘de gloed van de neus van Yahweh’. Zie ook vers 13. Zie ook: 2 Kron 28:8; 2 Kron 28:13; Jer 34:14–15; Ezra 10:14; Mat 5:7; Jak 2:13 **28:12** Enkele mannen uit de hoofden van de zonen van Efraïm stonden op tegen hen die van het leger kwamen. Dat waren Azarja, de zoon van Jochanan, Berechja, de zoon van Mesjillemot, Hizkia, de zoon van Sjallum, en Amasa, de zoon van Chadlai. Brontekst: וַיָּקֻ֨מוּ (vayaqumu) = en stonden op | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | מֵרָאשֵׁ֣י (merashei) = uit de hoofden van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | עֲזַרְיָ֤הוּ (azaryahu) = Azarja | בֶן (ben) = zoon van | יְהֽוֹחָנָן֙ (yehochanan) = Jochanan | בֶּרֶכְיָ֣הוּ (berekhyahu) = Berechja | בֶן (ben) = zoon van | מְשִׁלֵּמ֔וֹת (meshilemot) = Mesjillemot | וִֽיחִזְקִיָּ֨הוּ֙ (vichizqiyahu) = en Hizkia | בֶּן (ben) = zoon van | שַׁלֻּ֔ם (shalum) = Sjallum | וַעֲמָשָׂ֖א (vaamasa) = en Amasa | בֶּן (ben) = zoon van | חַדְלָ֑י (chadlay) = Chadlai | עַל (al) = tegen | הַבָּאִ֖ים (habaim) = hen die kwamen | מִן (min) = van | הַצָּבָֽא (hatsava) = het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hizkia (יְחִזְקִיָּהוּ, Yechizkiyahu) is hier een man uit Efraïm. Het is dezelfde naam als die van de koning Hizkia in vers 27, maar het is een andere man. Ook Azarja is hier een andere man dan de priester Azarja uit 2 Kron. 26:17. Zie ook: 1 Kron 28:1; 2 Kron 26:17; 2 Kron 28:27; Jer 26:6 **28:13** Zij zeiden tegen hen: „Jullie mogen de gevangenen niet hierheen brengen. Want dan komt er schuld tegenover Yahweh op ons. Jullie zeggen dat jullie onze zonden en onze schuld willen vermeerderen. Maar onze schuld is al groot, en er is een brandende toorn over Israël.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | לֹא (lo) = niet | תָבִ֤יאוּ (taviu) = jullie mogen brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַשִּׁבְיָה֙ (hashivya) = de gevangenen | הֵ֔נָּה (hena) = hierheen | כִּי֩ (ki) = want | לְאַשְׁמַ֨ת (leashmat) = tot schuld tegenover | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = op ons | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹמְרִ֔ים (omerim) = zeggen | לְהֹסִ֥יף (lehosif) = om toe te voegen | עַל (al) = aan | חַטֹּאתֵ֖ינוּ (chatoteinu) = onze zonden | וְעַל (veal) = en aan | אַשְׁמָתֵ֑ינוּ (ashmateinu) = onze schuld | כִּֽי (ki) = want | רַבָּ֤ה (raba) = groot | אַשְׁמָה֙ (ashma) = schuld | לָ֔נוּ (lanu) = voor ons | וַחֲר֥וֹן (vacharon) = en gloed van | אָ֖ף (af) = toorn | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְחָרוֹן אָף עַל יִשְׂרָאֵל (vecharon af al yisra’el), ‘en er is een brandende toorn over Israël’: dezelfde uitdrukking als in vers 11, nu met ‘Israël’. Zie ook: Num 32:14; Joz 22:17–18; 2 Kron 28:11; Mat 23:32; Mat 23:35; Rom 2:5 **28:14** De gewapende mannen lieten de gevangenen en de buit achter voor de ogen van de leiders en heel de vergadering. Brontekst: וַיַּעֲזֹ֣ב (vayaazov) = en liet achter | הֶֽחָל֗וּץ (hechaluts) = de gewapende | אֶת (et) = (obj.) | הַשִּׁבְיָה֙ (hashivya) = de gevangenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבִּזָּ֔ה (habiza) = de buit | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַשָּׂרִ֖ים (hasarim) = de leiders | וְכָל (vekhal) = en heel | הַקָּהָֽל (haqahal) = de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחָלוּץ (hechalutz), ‘de gewapende’: een man die gereed is voor de strijd. Hier zijn de krijgers van Israël bedoeld die de gevangenen bewaakten. **28:15** De mannen die bij naam waren aangewezen, stonden op. Zij namen de gevangenen onder hun hoede. Alle naakten onder hen kleedden zij met kleren uit de buit. Zij kleedden hen, gaven hun sandalen, gaven hun te eten en te drinken en zalfden hen. Alle zwakken zetten zij op ezels. Zij brachten hen naar Jericho, de stad van de palmen, bij hun broeders. Daarna keerden zij terug naar Samaria. Brontekst: וַיָּקֻ֣מוּ (vayaqumu) = en stonden op | הָאֲנָשִׁים֩ (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | נִקְּב֨וּ (niqevu) = waren aangewezen | בְשֵׁמ֜וֹת (beshemot) = bij namen | וַיַּחֲזִ֣יקוּ (vayachaziqu) = en namen | בַשִּׁבְיָ֗ה (bashivya) = de gevangenen | וְכָֽל (vekhal) = en alle | מַעֲרֻמֵּיהֶם֮ (maarumeihem) = hun naakten | הִלְבִּ֣ישׁוּ (hilbishu) = kleedden zij | מִן (min) = uit | הַשָּׁלָל֒ (hashalal) = de buit | וַיַּלְבִּשׁ֣וּם (vayalbishum) = en kleedden hen | וַ֠יַּנְעִלוּם (vayanilum) = en gaven hun sandalen | וַיַּאֲכִל֨וּם (vayaakhilum) = en gaven hun te eten | וַיַּשְׁק֜וּם (vayashqum) = en gaven hun te drinken | וַיְסֻכ֗וּם (vaysukhum) = en zalfden hen | וַיְנַהֲל֤וּם (vaynahalum) = en voerden hen | בַּחֲמֹרִים֙ (bachamorim) = op ezels | לְכָל (lekhal) = alle | כּוֹשֵׁ֔ל (koshel) = struikelende | וַיְבִיא֛וּם (vayvium) = en brachten hen | יְרֵח֥וֹ (yerecho) = naar Jericho | עִיר (ir) = stad van | הַתְּמָרִ֖ים (hatemarim) = de palmen | אֵ֣צֶל (etsel) = bij | אֲחֵיהֶ֑ם (acheihem) = hun broeders | וַיָּשׁ֖וּבוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = naar Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jericho (יְרֵחוֹ) lag bij het huidige Tell es-Sultan, Westelijke Jordaanoever. De stad heet hier ‘de stad van de palmen’, zoals in Deut. 34:3. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: מַעֲרֻמֵּיהֶם (ma’arummeihem), ‘hun naakten’: gevangenen die geen kleren hadden. De mannen die ‘bij naam waren aangewezen’ zijn de vier mannen uit vers 12. Voetnoot : וַיְנַהֲלוּם (vaynahalum), ‘zij voerden hen’: het werkwoord betekent ook ‘leiden’ of ‘zachtjes begeleiden’. Zij lieten de zwakken op ezels rijden. Zie ook: Deut 34:3; Re 1:16; Spr 25:21–22; 2 Kon 6:22; 2 Kron 28:12; Luc 6:27 ### Achaz zoekt hulp bij Assyrië **28:16** In die tijd stuurde koning Achaz een boodschap naar de koningen van Assyrië om hem te helpen. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | שָׁלַ֞ח (shalach) = stuurde | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֛ז (achaz) = Achaz | עַל (al) = naar | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | לַעְזֹ֥ר (lazor) = om te helpen | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Lezing: מַלְכֵי אַשּׁוּר (malkhei ashur), ‘de koningen van Assyrië’: meervoud. In 2 Kon. 16:7 staat Tiglat-Pileser, ‘de koning van Assyrië’ (enkelvoud). Sommige oude vertalingen hebben ook hier het enkelvoud. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 16:5–7; 2 Kon 16:7; Jes 7:1–9; Jes 7:17 **28:17** Ook kwamen de Edomieten opnieuw. Zij sloegen Juda en voerden gevangenen weg. Brontekst: וְע֥וֹד (veod) = en nog | אֲדוֹמִ֖ים (adomim) = Edomieten | בָּ֑אוּ (bau) = kwamen | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en sloegen | בִיהוּדָ֖ה (bihuda) = in Juda | וַיִּשְׁבּוּ (vayishbu) = en voerden weg | שֶֽׁבִי (shevi) = gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De inval van de Edomieten staat niet in 2 Kon. 16. Daar staat dat Rezin de Judeeërs uit Elat verdreef en dat Edomieten in Elat gingen wonen (2 Kon. 16:6). Zie ook: Lev 26:18; 2 Kon 16:6; 2 Kron 25:11–12; Ob 1:10; Ob 1:13–14 **28:18** De Filistijnen vielen de steden aan in het laagland en in de Negev van Juda. Zij namen Bet-Semes, Ajalon, Gederot en Socho met hun dorpen in. Ook namen zij Timna met zijn dorpen in en Gimzo met zijn dorpen. Zij gingen daar wonen. Brontekst: וּפְלִשְׁתִּ֣ים (ufelishtim) = en Filistijnen | פָּשְׁט֗וּ (pashetu) = vielen aan | בְּעָרֵ֨י (bearei) = de steden van | הַשְּׁפֵלָ֣ה (hashefela) = het laagland | וְהַנֶּגֶב֮ (vehanegev) = en de Negev | לִֽיהוּדָה֒ (lihuda) = van Juda | וַֽ֠יִּלְכְּדוּ (vayilkedu) = en namen in | אֶת (et) = (obj.) | בֵּֽית (beit) = Bet | שֶׁ֨מֶשׁ (shemesh) = Semes | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַיָּל֜וֹן (ayalon) = Ajalon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַגְּדֵר֗וֹת (hagederot) = Gederot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שׂוֹכ֤וֹ (sokho) = Socho | וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙ (uvenoteiha) = en haar dorpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תִּמְנָ֣ה (timna) = Timna | וּבְנוֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גִּמְז֖וֹ (gimzo) = Gimzo | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתֶ֑יהָ (benoteiha) = haar dorpen | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en zij woonden | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Semes: Tel Bet Shemesh, Israël. Ajalon: bij het huidige Yalo, in het dal van Ajalon, Israël. Socho: Khirbet Shuweikeh, Israël. Timna: Tel Batash, Israël. Gimzo: het huidige Jimzu, Israël. Gederot: de ligging is onzeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Soko (Khirbet Shuweikeh): Soko (Khirbet Shuweikeh) lag in de Sefela, aan de zuidkant van het Elahdal. Voetnoot Uitleg: בְּנוֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dorpen’: letterlijk ‘haar dochters’, de dorpen rond een stad. Voetnoot : הַנֶּגֶב (hanegev), ‘de Negev’: het droge zuiden van Juda. Zie ook: Joz 15:10; Joz 15:41; Joz 15:48; Ezech 16:27; Ezech 16:57 **28:19** Want Yahweh vernederde Juda vanwege Achaz, de koning van Israël. Hij had in Juda de teugels laten vieren en had zeer trouweloos gehandeld tegen Yahweh. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִכְנִ֤יעַ (hikhnia) = vernederde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | בַּעֲב֖וּר (baavur) = vanwege | אָחָ֣ז (achaz) = Achaz | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֤י (ki) = want | הִפְרִ֨יעַ֙ (hifria) = had laten verwilderen | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = in Juda | וּמָע֥וֹל (umaol) = en zeer | מַ֖עַל (maal) = trouweloos handelen | בַּיהוָֽה (baYahweh) = tegen Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִפְרִיעַ (hifria), ‘de teugels laten vieren’: letterlijk ‘ongebonden laten worden’. Zie Exod. 32:25. Voetnoot Lezing: מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל (melekh yisra’el), ‘koning van Israël’. Achaz was koning van Juda. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘koning van Juda’. Wij volgen de Masoretische tekst. ‘Israël’ kan hier voor heel het volk van Yahweh staan. Zie ook vers 27. Zie ook: Job 40:12; Ex 32:25; 1 Sam 2:7; Spr 29:23; 2 Kron 21:2; 2 Kron 28:27; Hos 5:11 **28:20** Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, kwam tegen hem op. Hij bracht hem in nood en versterkte hem niet. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | עָלָ֔יו (alav) = tegen hem | תִּלְּגַ֥ת (tilegat) = Tiglat | פִּלְנְאֶ֖סֶר (pilneeser) = Pilneser | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וַיָּ֥צַר (vayatsar) = en benauwde | ל֖וֹ (lo) = hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | חֲזָקֽוֹ (chazaqo) = versterkte hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: תִּלְּגַת פִּלְנֶאסֶר (Tilgat-Pilne’ser), ‘Tiglat-Pilneser’: in 1 Kron. 5:6 staat dezelfde spelling. In 2 Kon. 16:7 staat Tiglat-Pileser. Het is dezelfde koning. Voetnoot : וַיָּצַר לוֹ וְלֹא חֲזָקוֹ (vayatsar lo velo chazaqo), ‘hij bracht hem in nood en versterkte hem niet’. In 2 Kon. 16:9 trekt de koning van Assyrië op tegen Damascus en neemt de stad in. Zie ook: 1 Kron 5:6; 1 Kron 5:26; 2 Kon 15:29; 2 Kon 16:7; 2 Kon 16:9; 2 Kon 17:5; Jes 7:20; Jes 30:16 **28:21** Want Achaz plunderde het huis van Yahweh, het huis van de koning en de leiders. Hij gaf het aan de koning van Assyrië, maar het was hem niet tot hulp. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | חָלַ֤ק (chalaq) = plunderde | אָחָז֙ (achaz) = Achaz | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשָּׂרִ֑ים (vehasarim) = en de leiders | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en gaf | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לְעֶזְרָ֖ה (leezra) = tot hulp | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: חָלַק (chalaq), ‘plunderde’: letterlijk ‘verdeelde’. In 2 Kon. 16:8 neemt Achaz zilver en goud uit het huis van Yahweh en de schatkamers van het huis van de koning en stuurt het als geschenk naar de koning van Assyrië. Zie ook: Spr 20:25; 2 Kon 16:8–9; 2 Kon 18:15–16; 2 Kron 12:9 ### Achaz wordt steeds trouwelozer **28:22** Ook in de tijd van zijn benauwdheid bleef hij trouweloos handelen tegen Yahweh. Dat deed hij, koning Achaz. Brontekst: וּבְעֵת֙ (uveet) = en in de tijd van | הָצֵ֣ר (hatser) = de benauwdheid | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וַיּ֖וֹסֶף (vayosef) = en hij voegde toe | לִמְע֣וֹל (limol) = om trouweloos te handelen | בַּיהוָ֑ה (baYahweh) = tegen Yahweh | ה֖וּא (hu) = hij | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָֽז (achaz) = Achaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 52:9; Hos 5:15; Jes 1:5; Jer 5:3; Ezech 21:18 **28:23** Hij bracht offers aan de goden van Damascus, die hem hadden geslagen. Hij zei: „De goden van de koningen van Aram helpen hen. Daarom zal ik aan hen offeren, dan helpen zij mij.” Maar zij werden voor hem en voor heel Israël een struikelblok. Brontekst: וַיִּזְבַּ֗ח (vayizbach) = en hij offerde | לֵֽאלֹהֵ֣י (lelohei) = aan de goden van | דַרְמֶשֶׂק֮ (darmeseq) = Damascus | הַמַּכִּ֣ים (hamakim) = die sloegen | בּוֹ֒ (bo) = hem | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | כִּ֠י (ki) = want | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de goden van | מַלְכֵֽי (malkhei) = de koningen van | אֲרָם֙ (aram) = Aram | הֵ֚ם (hem) = zij | מַעְזְרִ֣ים (mazerim) = helpen | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | לָהֶ֥ם (lahem) = aan hen | אֲזַבֵּ֖חַ (azabeach) = zal ik offeren | וְיַעְזְר֑וּנִי (veyazeruni) = zodat zij mij helpen | וְהֵ֛ם (vehem) = maar zij | הָֽיוּ (hayu) = werden | ל֥וֹ (lo) = voor hem | לְהַכְשִׁיל֖וֹ (lehakhshilo) = tot struikeling | וּלְכָל (ulekhal) = en voor heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי דַרְמֶשֶׂק (elohei darmesek), ‘de goden van Damascus’: hier is Elohim een meervoud voor goden. In 2 Kon. 16:10–16 bouwt Achaz een altaar naar het voorbeeld van een altaar in Damascus. Zie ook: 2 Kon 16:10–16; 2 Kon 16:12–13; 2 Kron 25:14; Hos 13:9; Jes 1:28; Hab 1:11 **28:24** Achaz verzamelde de voorwerpen van het huis van Elohim en hakte de voorwerpen van het huis van Elohim in stukken. Hij sloot de deuren van het huis van Yahweh. Hij maakte altaren voor zichzelf op elke hoek in Jeruzalem. Brontekst: וַיֶּאֱסֹ֨ף (vayeesof) = en verzamelde | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | אֶת (et) = (obj.) | כְּלֵ֣י (kelei) = de voorwerpen van | בֵית (beit) = het huis van | הָֽאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = de Elohim | וַיְקַצֵּץ֙ (vayqatsets) = en hakte in stukken | אֶת (et) = (obj.) | כְּלֵ֣י (kelei) = de voorwerpen van | בֵית (beit) = het huis van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | וַיִּסְגֹּ֖ר (vayisgor) = en sloot | אֶת (et) = (obj.) | דַּלְת֣וֹת (daltot) = de deuren van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en maakte | ל֧וֹ (lo) = voor zich | מִזְבְּח֛וֹת (mizbechot) = altaren | בְּכָל (bekhal) = op elke | פִּנָּ֖ה (pina) = hoek | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בֵּית הָאֱלֹהִים (beit ha’Elohim), ‘huis van Elohim’, en בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: beide woorden gaan over de tempel in Jeruzalem. Zie ook 2 Kron. 29:3, waar Hizkia de deuren van het huis van Yahweh weer opent. Voetnoot : In 2 Kon. 16:17–18 staan andere ingrepen van Achaz in de tempel. Zie ook: 2 Kon 16:17–18; 2 Kron 29:3; 2 Kron 29:7; 2 Kron 30:14; 2 Kron 33:3–5; Hos 12:12 **28:25** In elke stad van Juda maakte hij hoogten om wierook te laten opgaan voor andere goden. Zo tartte hij Yahweh, de Elohim van zijn vaderen. Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en in elke | עִ֨יר (ir) = stad | וָעִ֤יר (vair) = en stad | לִֽיהוּדָה֙ (lihuda) = van Juda | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte hij | בָמ֔וֹת (bamot) = hoogten | לְקַטֵּ֖ר (leqater) = om wierook te laten opgaan | לֵֽאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וַיַּכְעֵ֕ס (vayakhes) = en tartte | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 28:3 ### Slot: de dood van Achaz **28:26** De rest van zijn geschiedenis en al zijn wegen, van het begin tot het einde: zie, dat staat opgeschreven in het dagboek van de koningen van Juda en Israël. Brontekst: וְיֶ֤תֶר (veyeter) = en de rest van | דְּבָרָיו֙ (devarav) = zijn zaken | וְכָל (vekhal) = en al | דְּרָכָ֔יו (derakhav) = zijn wegen | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאַחֲרוֹנִ֑ים (vehaacharonim) = en de laatste | הִנָּ֣ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִ֔ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֥פֶר (sefer) = het dagboek van | מַלְכֵֽי (malkhei) = de koningen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְיִשְׂרָאֵֽל (veyisrael) = en Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’ is dezelfde kroniek als in 2 Kron. 27:7, daar met de titel ‘Israël en Juda’. Zie daar. Zie ook: 2 Kon 16:19–20; 2 Kron 20:34; 2 Kron 27:7–9 **28:27** Achaz ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem in de stad, in Jeruzalem, want zij brachten hem niet naar de graven van de koningen van Israël. Zijn zoon Hizkia werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֨ב (vayishkav) = en ging liggen | אָחָ֜ז (achaz) = Achaz | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֗יו (avotav) = zijn vaderen | וַֽיִּקְבְּרֻ֤הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בָעִיר֙ (bair) = in de stad | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | כִּ֚י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | הֱבִיאֻ֔הוּ (heviuhu) = zij brachten hem | לְקִבְרֵ֖י (leqivrei) = naar de graven van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יְחִזְקִיָּ֥הֽוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: In 2 Kon. 16:20 staat dat hij ‘in de stad van David’ werd begraven. Hier staat dat hij ‘in de stad, in Jeruzalem’ werd begraven, maar niet in de graven van de koningen. Ook hier staat ‘koningen van Israël’, zoals in vers 19 ‘koning van Israël’. Zie ook: Spr 10:7; 2 Kon 16:20; 2 Kron 21:20; 2 Kron 24:25; 2 Kron 26:23; 2 Kron 28:19; 2 Kron 33:20 ## 2 Kronieken 29 _Hizkia reinigt het huis van Yahweh_ ### Hizkia wordt koning **29:1** Hizkia was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Abia, de dochter van Zacharia. Brontekst: יְחִזְקִיָּ֣הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | מָלַ֗ךְ (malakh) = werd koning | בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וְחָמֵשׁ֙ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְעֶשְׂרִ֤ים (veesrim) = en twintig | וָתֵ֨שַׁע֙ (vatesha) = en negen | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | אֲבִיָּ֖ה (aviya) = Abia | בַּת (bat) = dochter van | זְכַרְיָֽהוּ (zekharyahu) = Zacharia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk begint het verhaal van Hizkia in Kronieken (29–32). Hij heet hier יְחִזְקִיָּהוּ (Yechizkiyahu), ‘Yahweh maakt sterk’. Wij schrijven overal ‘Hizkia’. Voetnoot : De verzen 1–2 komen overeen met 2 Kon. 18:2–3. In 2 Kon. 18:2 heet zijn moeder Abi (אֲבִי); hier heet zij Abia (אֲבִיָּה). Wij nemen aan dat het dezelfde vrouw is. Haar vader is in beide boeken Zacharia. Voetnoot : De verzen 3–36 staan alleen in Kronieken. 2 Kon. 18:4–6 vertelt over zijn hervorming veel korter. Zie ook: 1 Kron 3:13; 2 Kon 18:1–3; 2 Kon 18:2–3; 2 Kon 18:4–6; 2 Kron 26:5; Hos 1:1; Mi 1:1 **29:2** Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, geheel zoals David, zijn vader, had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = had gedaan | דָּוִ֥יד (david) = David | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat woord voor woord ook in 2 Kon. 18:3. Zie ook: 2 Kon 18:3; 2 Kron 28:1; 2 Kron 34:2 ### Hizkia opent het huis van Yahweh **29:3** In het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, opende hij de deuren van het huis van Yahweh en herstelde ze. Brontekst: ה֣וּא (hu) = hij | בַשָּׁנָה֩ (bashana) = in het jaar | הָרִאשׁוֹנָ֨ה (harishona) = eerste | לְמָלְכ֜וֹ (lemalekho) = van zijn koningschap | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרִאשׁ֗וֹן (harishon) = eerste | פָּתַ֛ח (patach) = opende hij | אֶת (et) = (obj.) | דַּלְת֥וֹת (daltot) = de deuren van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיְחַזְּקֵֽם (vaychazeqem) = en hij herstelde ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְחַזְּקֵם (vayechazzeqem), ‘hij herstelde ze’: letterlijk ‘hij maakte ze sterk’. Zie ook 2 Kron. 24:5. Voetnoot : Achaz had de deuren gesloten (2 Kron. 28:24). Hizkia opent ze in het allereerste jaar van zijn regering, in de eerste maand. Zie ook: Pred 9:10; 2 Kron 24:5; 2 Kron 28:24; 2 Kron 29:7; 2 Kron 34:3; Mat 6:33 **29:4** Hij liet de priesters en de Levieten komen en verzamelde hen op het plein aan de oostkant. Brontekst: וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij liet komen | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | וַיַּֽאַסְפֵ֖ם (vayaasfem) = en hij verzamelde hen | לִרְח֥וֹב (lirchov) = op het plein van | הַמִּזְרָֽח (hamizrach) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְחוֹב הַמִּזְרָח (rechov hammizrach), ‘het plein aan de oostkant’: een breed open terrein. De tekst zegt niet welk plein. Wij nemen aan dat het ten oosten van het tempelterrein lag. Zie ook: 2 Kron 32:6; Jer 19:2; Neh 3:29 **29:5** Hij zei tegen hen: „Luister naar mij, Levieten. Heilig jullie nu. Heilig ook het huis van Yahweh, de Elohim van jullie vaderen. Breng de onreinheid uit het heilige naar buiten. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֖ם (lahem) = tot hen | שְׁמָע֣וּנִי (shemauni) = luister naar mij | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = Levieten | עַתָּ֣ה (ata) = nu | הִֽתְקַדְּשׁ֗וּ (hitqadeshu) = heiligt jullie | וְקַדְּשׁוּ֙ (veqadeshu) = en heiligt | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתֵיכֶ֔ם (avoteikhem) = jullie vaderen | וְהוֹצִ֥יאוּ (vehotsiu) = en breng naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | הַנִּדָּ֖ה (hanida) = de onreinheid | מִן (min) = uit | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדָּה (niddah), ‘onreinheid’: alles wat onrein maakt. Hetzelfde woord staat voor de onreinheid van een vrouw in Lev. 15:19. Hier gaat het om wat in het heiligdom onrein is geworden (vers 16). Voetnoot : הַקֹּדֶשׁ (haqodesh), ‘het heilige’: het heiligdom van de tempel. Zo ook in vers 7. Zie ook: Lev 15:19; 1 Kron 15:12; 2 Kron 29:7; 2 Kron 29:16; 2 Kron 34:3–8; 2 Kron 35:6; Ezech 8:9–18; 1 Kor 3:16–17 **29:6** Want onze vaders waren trouweloos. Zij deden wat slecht is in de ogen van Yahweh, onze Elohim. Zij verlieten Hem. Zij wendden hun gezicht af van de tabernakel van Yahweh en keerden Hem de nek toe. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מָעֲל֣וּ (maalu) = waren trouweloos | אֲבֹתֵ֗ינוּ (avoteinu) = onze vaders | וְעָשׂ֥וּ (veasu) = en deden | הָרַ֛ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַיַּֽעַזְבֻ֑הוּ (vayaazvuhu) = en verlieten Hem | וַיַּסֵּ֧בּוּ (vayasebu) = en wendden af | פְנֵיהֶ֛ם (peneihem) = hun gezicht | מִמִּשְׁכַּ֥ן (mimishkan) = van de tabernakel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en gaven | עֹֽרֶף (oref) = de nek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְּנוּ עֹרֶף (vayyitnu oref), ‘zij keerden de nek toe’: letterlijk ‘zij gaven de nek’. Het betekent: zich van iemand afkeren. Voetnoot : מִשְׁכַּן (mishkan), ‘tabernakel’: het woord voor de tent in de woestijn (Exod. 25:9). Hier staat het voor de tempel in Jeruzalem, de woonplaats van Yahweh. Voetnoot : מָעַל (ma’al), ‘trouweloos zijn’: zoals in 2 Kron. 28:19 en 28:22. Zie ook: Ex 25:9; 2 Kron 28:19; 2 Kron 28:22; Jer 2:27; Jer 16:19; Klaagl 5:7; Ezech 8:16; Mat 10:37 **29:7** Zij sloten ook de deuren van de voorhal en doofden de lampen. Zij lieten geen wierook opgaan en brachten in het heilige geen brandoffer op voor de Elohim van Israël. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | סָֽגְר֞וּ (sageru) = sloten zij | דַּלְת֣וֹת (daltot) = de deuren van | הָאוּלָ֗ם (haulam) = de voorhal | וַיְכַבּוּ֙ (vaykhabu) = en doofden | אֶת (et) = (obj.) | הַנֵּר֔וֹת (hanerot) = de lampen | וּקְטֹ֖רֶת (uqetoret) = en wierook | לֹ֣א (lo) = niet | הִקְטִ֑ירוּ (hiqtiru) = lieten zij opgaan | וְעֹלָה֙ (veola) = en brandoffer | לֹא (lo) = niet | הֶעֱל֣וּ (heelu) = brachten zij op | בַקֹּ֔דֶשׁ (baqodesh) = in het heilige | לֵאלֹהֵ֖י (lelohei) = voor de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de ingang van het huis (2 Kron. 3:4). Achaz sloot ook de deuren van het huis van Yahweh (2 Kron. 28:24). Voetnoot : De lampen, de wierook en het brandoffer horen bij de vaste dienst (Exod. 30:7–8; Lev. 24:2–4). Zie ook: Ex 30:7–8; Lev 24:2–8; 2 Kon 16:17–18; 2 Kron 3:4; 2 Kron 28:24; 2 Kron 29:3; Mal 1:10 **29:8** De toorn van Yahweh kwam over Juda en Jeruzalem. Hij maakte hen tot een voorwerp van schrik, tot verwoesting en tot spot, zoals jullie met eigen ogen zien. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en was | קֶ֣צֶף (qetsef) = toorn van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָ֑ם (virushalaim) = en Jeruzalem | וַיִּתְּנֵ֤ם (vayitenem) = en Hij gaf hen | לְזַֽעֲוָה֙ (lezaava) = tot schrik | לְשַׁמָּ֣ה (leshama) = tot verwoesting | וְלִשְׁרֵקָ֔ה (velishreqa) = en tot spot | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | רֹאִ֖ים (roim) = zien | בְּעֵינֵיכֶֽם (beeineikhem) = met jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לִשְׁרֵקָה (lishreqah), ‘tot spot’: letterlijk ‘tot gesis’. Mensen sissen van schrik of spot als zij kijken naar wat verwoest is. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat לזועה; gelezen wordt (qere) לזעוה. Het is hetzelfde woord, met een andere spelling. Wij volgen de gelezen vorm: ‘een voorwerp van schrik’. Zie ook: 2 Kron 24:18; Jer 19:8; Jer 25:9; Jer 25:18; Jer 29:18 **29:9** Zie, onze vaders zijn door het zwaard gevallen. Onze zonen, onze dochters en onze vrouwen zijn hierom in gevangenschap. Brontekst: וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | נָפְל֥וּ (nafelu) = zijn gevallen | אֲבוֹתֵ֖ינוּ (avoteinu) = onze vaders | בֶּחָ֑רֶב (becharev) = door het zwaard | וּבָנֵ֨ינוּ (uvaneinu) = en onze zonen | וּבְנוֹתֵ֧ינוּ (uvenoteinu) = en onze dochters | וְנָשֵׁ֛ינוּ (venasheinu) = en onze vrouwen | בַּשְּׁבִ֖י (bashevi) = in gevangenschap | עַל (al) = om | זֹֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie 2 Kron. 28:5–8 en 28:17 voor het zwaard en de gevangenschap in de dagen van Achaz. Zie ook: Lev 26:17; 2 Kron 28:5–8; 2 Kron 28:17; Klaagl 5:7 **29:10** Nu ben ik van plan een verbond te sluiten met Yahweh, de Elohim van Israël. Dan zal de gloed van Zijn toorn zich van ons afkeren. Brontekst: עַתָּה֙ (ata) = nu | עִם (im) = met | לְבָבִ֔י (levavi) = mijn hart | לִכְר֣וֹת (likhrot) = om te sluiten | בְּרִ֔ית (berit) = verbond | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = met Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְיָשֹׁ֥ב (veyashov) = opdat zal terugkeren | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van ons | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִם לְבָבִי (im levavi), ‘ik ben van plan’: letterlijk ‘met mijn hart’. Het is een voornemen. Dezelfde uitdrukking staat in 2 Kron. 24:4. Voetnoot : חֲרוֹן אַפּוֹ (charon appo), ‘de gloed van Zijn toorn’: zoals in 2 Kron. 28:11 en 28:13. Voetnoot : Een verbond met Yahweh sluiten gebeurde ook onder Asa (2 Kron. 15:12) en Joiada (2 Kron. 23:16). Zie ook: 2 Kon 23:26; 2 Kron 15:12; 2 Kron 23:16; 2 Kron 24:4; 2 Kron 28:11; 2 Kron 28:13; Jer 50:5; Ezra 10:3; Neh 10:1–40 **29:11** Mijn zonen, wees nu niet nalatig. Want Yahweh heeft jullie gekozen om voor Zijn aangezicht te staan, om Hem te dienen en om voor Hem dienaren en wierookbranders te zijn.” Brontekst: בָּנַ֕י (banay) = mijn zonen | עַתָּ֖ה (ata) = nu | אַל (al) = niet | תִּשָּׁל֑וּ (tishalu) = wees nalatig | כִּֽי (ki) = want | בָכֶ֞ם (bakhem) = in jullie | בָּחַ֣ר (bachar) = heeft gekozen | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲמֹ֤ד (laamod) = om te staan | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor Zijn aangezicht | לְשָׁ֣רְת֔וֹ (leshareto) = om Hem te dienen | וְלִהְי֥וֹת (velihyot) = en om te zijn | ל֖וֹ (lo) = voor Hem | מְשָׁרְתִ֥ים (mesharetim) = dienaren | וּמַקְטִרִֽים (umaqtirim) = en wierookbranders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּשָּׁלוּ (tishshalu), ‘wees nalatig’: dit werkwoord komt zelden voor. Het betekent: onachtzaam zijn, een taak laten liggen. Voetnoot : De Levieten zijn afgezonderd om voor Yahweh te staan en Hem te dienen (Deut. 10:8; Num. 3:6). Het Hebreeuws zegt ‘dienaren en wierookbranders’. Voetnoot : De toespraak van Hizkia loopt van vers 5 tot en met vers 11. Zij is zwart: het zijn de woorden van de koning. Zie ook: Num 3:6–9; Num 8:6–14; Num 16:35–17:5; Num 18:2–7; Deut 10:8; 2 Kron 29:5 ### De Levieten heiligen zich **29:12** De Levieten stonden op. Van de zonen van de Kehatieten: Machat, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja. Van de zonen van Merari: Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehallelel. Van de Gersjonieten: Joach, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joach. Brontekst: וַיָּקֻ֣מוּ (vayaqumu) = en stonden op | הַ֠לְוִיִּם (halviyim) = de Levieten | מַ֣חַת (machat) = Machat | בֶּן (ben) = zoon van | עֲמָשַׂ֞י (amasay) = Amasai | וְיוֹאֵ֣ל (veyoel) = en Joël | בֶּן (ben) = zoon van | עֲזַרְיָהוּ֮ (azaryahu) = Azarja | מִן (min) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַקְּהָתִי֒ (haqehati) = de Kehatieten | וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֔י (merari) = Merari | קִ֚ישׁ (qish) = Kis | בֶּן (ben) = zoon van | עַבְדִּ֔י (avdi) = Abdi | וַעֲזַרְיָ֖הוּ (vaazaryahu) = en Azarja | בֶּן (ben) = zoon van | יְהַלֶּלְאֵ֑ל (yehalelel) = Jehallelel | וּמִן (umin) = en van | הַגֵּ֣רְשֻׁנִּ֔י (hagereshuni) = de Gersjoniet | יוֹאָח֙ (yoach) = Joach | בֶּן (ben) = zoon van | זִמָּ֔ה (zima) = Zimma | וְעֵ֖דֶן (veeden) = en Eden | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָֽח (yoach) = Joach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de verzen 12–14 staan zeven families van de Levieten, elk met twee mannen. Kehat, Merari en Gersjon zijn de drie zonen van Levi (Num. 3:17). Elizafan hoort bij Kehat (Num. 3:30). Asaf, Heman en Jedutun zijn de drie leiders van de zangers (1 Kron. 25:1). Voetnoot : De naam Azarja staat twee keer: bij de Kehatieten en bij de Merarieten. Het zijn twee verschillende mannen. Zimma en Joach staan ook in de lijst van de Gersjonieten in 1 Kron. 6:5–6. Zie ook: Num 3:17; Num 3:19–20; Num 3:30; 1 Kron 6:1–6; 1 Kron 6:5–6; 1 Kron 15:5–7; 1 Kron 25:1; 2 Kron 31:13 **29:13** Van de zonen van Elizafan: Sjimri en Jeïël. Van de zonen van Asaf: Zacharia en Mattanja. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | אֱלִ֣יצָפָ֔ן (elitsafan) = Elizafan | שִׁמְרִ֖י (shimri) = Sjimri | וִיעִיאֵ֑ל (viiel) = en Jeïël | וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אָסָ֔ף (asaf) = Asaf | זְכַרְיָ֖הוּ (zekharyahu) = Zacharia | וּמַתַּנְיָֽהוּ (umatanyahu) = en Mattanja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וִיעוּאֵל (vi’u’el) staat in de tekst (ketiv). Gelezen wordt וִיעִיאֵל (vi’i’el, qere). Wij volgen de gelezen vorm: ‘Jeïël’. Zie ook: Lev 10:4; 1 Kron 6:24; 1 Kron 15:8; 1 Kron 15:17; 1 Kron 25:2 **29:14** Van de zonen van Heman: Jechiël en Simi. Van de zonen van Jedutun: Sjemaja en Uzziël. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | הֵימָ֖ן (heiman) = Heman | יְחִיאֵ֣ל (yechiel) = Jechiël | וְשִׁמְעִ֑י (veshimi) = en Simi | וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְדוּת֔וּן (yedutun) = Jedutun | שְׁמַֽעְיָ֖ה (shemaya) = Sjemaja | וְעֻזִּיאֵֽל (veuziel) = en Uzziël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יְחוּאֵל (yechu’el) staat in de tekst (ketiv). Gelezen wordt יְחִיאֵל (yechi’el, qere). Wij volgen de gelezen vorm: ‘Jechiël’. Zie ook: 1 Kron 6:18; 1 Kron 15:19; 1 Kron 25:1; 1 Kron 25:3; 1 Kron 25:6 **29:15** Zij verzamelden hun broeders en heiligden zich. Zij kwamen om het huis van Yahweh te reinigen, volgens het gebod van de koning, naar de woorden van Yahweh. Brontekst: וַיַּֽאַסְפ֤וּ (vayaasfu) = en zij verzamelden | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֵיהֶם֙ (acheihem) = hun broeders | וַיִּֽתְקַדְּשׁ֔וּ (vayitqadeshu) = en zij heiligden zich | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en zij kwamen | כְמִצְוַת (kemitsvat) = volgens het gebod van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּדִבְרֵ֣י (bedivrei) = volgens de woorden van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לְטַהֵ֖ר (letaher) = om te reinigen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebod van de koning rust op ‘de woorden van Yahweh’. Vers 25 zegt het zo: het gebod over de muziek kwam van Yahweh, door Zijn profeten. Zie ook: 1 Kron 23:28; 2 Kron 29:5; 2 Kron 29:25; 2 Kron 30:12 ### Het huis van Yahweh wordt gereinigd **29:16** De priesters gingen naar binnen in het huis van Yahweh om het te reinigen. Alle onreinheid die zij in de tempel van Yahweh vonden, brachten zij naar buiten, naar de voorhof van het huis van Yahweh. De Levieten namen het over om het naar buiten te brengen, naar de beek Kidron. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | הַ֠כֹּהֲנִים (hakohanim) = de priesters | לִפְנִ֣ימָה (lifnima) = naar binnen in | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | לְטַהֵר֒ (letaher) = om te reinigen | וַיּוֹצִ֗יאוּ (vayotsiu) = en brachten naar buiten | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַטֻּמְאָה֙ (hatuma) = onreinheid | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | מָֽצְאוּ֙ (matseu) = zij vonden | בְּהֵיכַ֣ל (beheikhal) = in de tempel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַחֲצַ֖ר (lachatsar) = naar de voorhof van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיְקַבְּלוּ֙ (vayqabelu) = en namen over | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | לְהוֹצִ֥יא (lehotsi) = om naar buiten te brengen | לְנַֽחַל (lenachal) = naar de beek | קִדְר֖וֹן (qidron) = Kidron | חֽוּצָה (chutsa) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek Kidron is het dal ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Het ligt in het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever. Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: hier de hoofdzaal van het huis, het grote vertrek vóór het binnenste vertrek (zie 1 Kon. 6:17). חָצֵר (chatser), ‘voorhof’: het open terrein rond het huis. Voetnoot : De priesters mochten naar binnen gaan. De onreine voorwerpen worden door hen in de voorhof gebracht. De Levieten brengen alles verder naar buiten, naar de beek Kidron. Zo ook in 2 Kron. 15:16 en 30:14. Zie ook: 1 Kon 6:17; 2 Kon 23:4–6; 2 Kron 15:16; 2 Kron 30:14; Mat 21:12–13; Heb 9:2–8; Heb 9:23–24 **29:17** Op de eerste dag van de eerste maand begonnen zij met heiligen. Op de achtste dag van de maand kwamen zij bij de voorhal van Yahweh. Acht dagen lang heiligden zij het huis van Yahweh. Op de zestiende dag van de eerste maand waren zij klaar. Brontekst: וַ֠יָּחֵלּוּ (vayachelu) = en zij begonnen | בְּאֶחָ֞ד (beechad) = op de eerste van | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = de maand | הָרִאשׁוֹן֮ (harishon) = de eerste | לְקַדֵּשׁ֒ (leqadesh) = om te heiligen | וּבְי֧וֹם (uveyom) = en op de dag | שְׁמוֹנָ֣ה (shemona) = achtste | לַחֹ֗דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בָּ֚אוּ (bau) = kwamen zij | לְאוּלָ֣ם (leulam) = naar de voorhal van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְקַדְּשׁ֥וּ (vayqadeshu) = en zij heiligden | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְיָמִ֣ים (leyamim) = gedurende dagen | שְׁמוֹנָ֑ה (shemona) = acht | וּבְי֨וֹם (uveyom) = en op de dag | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | עָשָׂ֛ר (asar) = tien | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | כִּלּֽוּ (kilu) = waren zij klaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het hele werk duurt 16 dagen: 8 dagen tot zij bij de voorhal komen en nog 8 dagen voor het huis zelf. De tekst zegt niet precies wat in die dagen gebeurde. Voetnoot : De eerste maand is de maand Aviv (Exod. 13:4; zie ook Exod. 12:2). Op de veertiende dag van die maand hoort het Pesach te vallen. Daarom kan het in 2 Kron. 30:2–3 niet op tijd worden gevierd. Zie ook: Ex 12:2–8; Ex 13:4; 1 Kron 28:11; 1 Kon 6:3; 2 Kron 3:4; 2 Kron 29:3; 2 Kron 30:2–3 ### Het verslag aan de koning **29:18** Zij gingen naar binnen, naar koning Hizkia. Zij zeiden: „Wij hebben heel het huis van Yahweh gereinigd: het altaar van het brandoffer met al zijn voorwerpen en de tafel van het toonbrood met al zijn voorwerpen. Brontekst: וַיָּב֤וֹאוּ (vayavou) = en zij kwamen | פְנִ֨ימָה֙ (penima) = naar binnen | אֶל (el) = tot | חִזְקִיָּ֣הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | טִהַ֖רְנוּ (tiharnu) = wij hebben gereinigd | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = het altaar van | הָעוֹלָה֙ (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֻׁלְחַ֥ן (shulchan) = de tafel van | הַֽמַּעֲרֶ֖כֶת (hamaarekhet) = de schikking | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָֽיו (kelav) = zijn voorwerpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲרֶכֶת (ma’arekhet), ‘schikking’: hier de tafel waarop het toonbrood in rijen werd gelegd (Lev. 24:6; Exod. 25:30). Wij zeggen: ‘tafel van het toonbrood’. Zie ook: Ex 25:30; Lev 24:6; 2 Kron 4:1; 2 Kron 4:7–8; 2 Kron 13:11 **29:19** Ook alle voorwerpen die koning Achaz tijdens zijn regering, in zijn trouweloosheid, had weggegooid, hebben wij in orde gemaakt en geheiligd. Zie, zij staan voor het altaar van Yahweh.” Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַכֵּלִ֗ים (hakelim) = de voorwerpen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִזְנִיחַ֩ (hizniach) = had weggegooid | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֧ז (achaz) = Achaz | בְּמַלְכוּת֛וֹ (bemalkhuto) = in zijn koningschap | בְּמַעֲל֖וֹ (bemaalo) = in zijn trouweloosheid | הֵכַ֣נּוּ (hekhanu) = wij hebben in orde gemaakt | וְהִקְדָּ֑שְׁנוּ (vehiqdashenu) = en wij hebben geheiligd | וְהִנָּ֕ם (vehinam) = en zie ze | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִזְנִיחַ (hiznich), ‘wegwerpen’: Achaz had de voorwerpen in stukken gehakt (2 Kron. 28:24). Wat hij weggooide, is nu weer in orde gemaakt en geheiligd. Voetnoot : בְּמַעֲלוֹ (bemaalo), ‘in zijn trouweloosheid’: hetzelfde woord als in vers 6. Zie ook: 2 Kron 28:24; 2 Kron 29:6 ### Het zondoffer voor het koninkrijk **29:20** Koning Hizkia stond vroeg op, verzamelde de leiders van de stad en ging omhoog naar het huis van Yahweh. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּם֙ (vayashkem) = en hij stond vroeg op | יְחִזְקִיָּ֣הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֶּאֱסֹ֕ף (vayeesof) = en hij verzamelde | אֵ֖ת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֣י (sarei) = de leiders van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיַּ֖עַל (vayaal) = en hij ging omhoog | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 22:3; Ex 24:4; Joz 6:12; Jer 25:4 **29:21** Zij brachten 7 stieren, 7 rammen, 7 lammeren en 7 geitenbokken als zondoffer voor het koninkrijk, voor het heiligdom en voor Juda. Hij droeg de priesters, de zonen van Aäron, op om ze op het altaar van Yahweh op te brengen. Brontekst: וַיָּבִ֣יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | פָרִים (parim) = stieren | שִׁבְעָה֩ (shiva) = zeven | וְאֵילִ֨ים (veeilim) = en rammen | שִׁבְעָ֜ה (shiva) = zeven | וּכְבָשִׂ֣ים (ukhevasim) = en lammeren | שִׁבְעָ֗ה (shiva) = zeven | וּצְפִירֵ֨י (utsefirei) = en bokken van | עִזִּ֤ים (izim) = geiten | שִׁבְעָה֙ (shiva) = zeven | לְחַטָּ֔את (lechatat) = als zondoffer | עַל (al) = voor | הַמַּמְלָכָ֥ה (hamamlakha) = het koninkrijk | וְעַל (veal) = en voor | הַמִּקְדָּ֖שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | וְעַל (veal) = en voor | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | לִבְנֵ֤י (livnei) = tot de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | לְהַעֲל֖וֹת (lehaalot) = om op te brengen | עַל (al) = op | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zondoffers zijn voor drie dingen: het koninkrijk (הַמַּמְלָכָה, hammamlakhah), het heiligdom (הַמִּקְדָּשׁ, hammiqdash) en Juda. In vers 24 zijn ze voor ‘heel Israël’. Voetnoot : צְפִירֵי עִזִּים (tsefirei izzim), ‘geitenbokken’: in vers 23 heten ze ‘bokken’ (שְׂעִירִים, se’irim). Het zijn dezelfde dieren. Voetnoot : Zevenmaal zeven dieren: het getal zeven wijst op volledigheid. Het zijn er in totaal 28. Zie ook: Job 42:8; Lev 4:3–14; Num 23:14; Num 23:29; 2 Kron 29:23; 2 Kron 29:24; Ezech 45:23 **29:22** Zij slachtten de runderen en de priesters ontvingen het bloed. Zij sprenkelden het op het altaar. Zij slachtten de rammen en sprenkelden het bloed op het altaar. Zij slachtten de lammeren en sprenkelden het bloed op het altaar. Brontekst: וַֽיִּשְׁחֲטוּ֙ (vayishchatu) = en zij slachtten | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = de runderen | וַיְקַבְּל֤וּ (vayqabelu) = en ontvingen | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וַֽיִּזְרְק֖וּ (vayizrequ) = en sprenkelden | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = naar het altaar | וַיִּשְׁחֲט֣וּ (vayishchatu) = en zij slachtten | הָאֵלִ֗ים (haelim) = de rammen | וַיִּזְרְק֤וּ (vayizrequ) = en sprenkelden | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = naar het altaar | וַֽיִּשְׁחֲטוּ֙ (vayishchatu) = en zij slachtten | הַכְּבָשִׂ֔ים (hakevasim) = de lammeren | וַיִּזְרְק֥וּ (vayizrequ) = en sprenkelden | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | הַמִּזְבֵּֽחָה (hamizbecha) = naar het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָרַק (zaraq), ‘sprenkelen’: zoals in Lev. 1:5. De ‘runderen’ van vers 22 zijn de stieren uit vers 21. Het Hebreeuws gebruikt hier een algemeen woord voor runderen (בָּקָר, baqar). Zie ook: Lev 1:5; Lev 4:18; Lev 4:34; Lev 8:14–15; Lev 8:19; Lev 8:24; 2 Kron 29:21 **29:23** Zij brachten de bokken voor het zondoffer vlak voor de koning en de vergadering. Zij legden hun handen op hen. Brontekst: וַיַּגִּ֨ישׁוּ֙ (vayagishu) = en zij lieten naderen | אֶת (et) = (obj.) | שְׂעִירֵ֣י (seirei) = de bokken van | הַֽחַטָּ֔את (hachatat) = het zondoffer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַקָּהָ֑ל (vehaqahal) = en de vergadering | וַיִּסְמְכ֥וּ (vayismekhu) = en zij legden | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De koning en de vergadering leggen hun handen op de bokken. Zo ook bij het zondoffer voor de gemeenschap (Lev. 4:15) en voor een leider (Lev. 4:24). Zie ook: Lev 1:4; Lev 4:15; Lev 4:24 **29:24** De priesters slachtten ze en ontzondigden het altaar met hun bloed, om verzoening te doen voor heel Israël. Want de koning had gezegd dat het brandoffer en het zondoffer voor heel Israël waren. Brontekst: וַיִּשְׁחָטוּם֙ (vayishchatum) = en zij slachtten ze | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | וַֽיְחַטְּא֤וּ (vaychateu) = en ontzondigden | אֶת (et) = (obj.) | דָּמָם֙ (damam) = hun bloed | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = het altaar | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = voor | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֤י (ki) = want | לְכָל (lekhal) = voor heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אָמַ֣ר (amar) = had gezegd | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | הָעוֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְהַחַטָּֽאת (vehachatat) = en het zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְחַטְּאוּ אֶת דָּמָם הַמִּזְבֵּחָה (vaychatte’u et damam hammizbeachah), ‘zij ontzondigden het altaar met hun bloed’: letterlijk ‘zij ontzondigden hun bloed naar het altaar toe’. Het bloed van de zondoffers reinigt het altaar van zonde, zoals in Lev. 8:15. Voetnoot : Het Hebreeuws van het laatste deel heeft geen werkwoord: ‘want voor heel Israël zei de koning: het brandoffer en het zondoffer’. Wij lezen: de koning had gezegd dat deze offers voor heel Israël waren. Zie ook: Lev 4:13–35; Lev 8:15; Lev 14:20; Ezech 45:15; Kol 1:20–21 ### Het lied van Yahweh begint **29:25** Hij liet de Levieten in het huis van Yahweh staan met bekkens, harpen en lieren. Dat was volgens het gebod van David, van Gad, de ziener van de koning, en van Natan, de profeet. Want het gebod kwam van Yahweh, door Zijn profeten. Brontekst: וַיַּֽעֲמֵ֨ד (vayaamed) = en hij liet staan | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | בֵּ֣ית (beit) = in het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בִּמְצִלְתַּ֨יִם֙ (bimtsiltayim) = met bekkens | בִּנְבָלִ֣ים (binvalim) = met harpen | וּבְכִנֹּר֔וֹת (uvekhinorot) = en met lieren | בְּמִצְוַ֥ת (bemitsvat) = volgens het gebod van | דָּוִ֛יד (david) = David | וְגָ֥ד (vegad) = en Gad | חֹזֵֽה (choze) = ziener van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְנָתָ֣ן (venatan) = en Natan | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | כִּ֧י (ki) = want | בְיַד (beyad) = door de hand van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | הַמִּצְוָ֖ה (hamitsva) = het gebod | בְּיַד (beyad) = door de hand van | נְבִיאָֽיו (neviav) = Zijn profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebod over de muziek van de Levieten wordt in Samuël niet verteld. 1 Kron. 25:1 vertelt dat David de zonen van Asaf, Heman en Jedutun afzonderde voor de dienst met lieren, harpen en bekkens. Gad is de ziener van 1 Kron. 21:9. Natan is de profeet uit 2 Sam. 7. Voetnoot : בְּיַד נְבִיאָיו (beyad neviav), ‘door Zijn profeten’: letterlijk ‘door de hand van Zijn profeten’. Zie ook: 2 Sam 24:11; 1 Kron 9:33; 1 Kron 21:9; 1 Kron 23:5; 1 Kron 25:1; 2 Kron 8:14; 2 Kron 35:15 **29:26** De Levieten stonden daar met de instrumenten van David en de priesters met de trompetten. Brontekst: וַיַּֽעַמְד֤וּ (vayaamdu) = en stonden | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | בִּכְלֵ֣י (bikhlei) = met de instrumenten van | דָוִ֔יד (david) = David | וְהַכֹּהֲנִ֖ים (vehakohanim) = en de priesters | בַּחֲצֹצְרֽוֹת (bachatsotserot) = met de trompetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלֵי דָוִיד (kelei David), ‘de instrumenten van David’: de muziekinstrumenten die David liet maken om Yahweh te loven (1 Kron. 23:5). Zie ook: Joz 6:4–9; 1 Kron 15:24; 1 Kron 23:5; 2 Kron 5:12–13; Amos 6:5 **29:27** Hizkia zei dat men het brandoffer op het altaar moest opbrengen. Op het moment dat het brandoffer begon, begon ook het lied van Yahweh. Dat ging met de trompetten en onder begeleiding van de instrumenten van David, de koning van Israël. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לְהַעֲל֥וֹת (lehaalot) = om op te brengen | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | לְהַמִּזְבֵּ֑חַ (lehamizbeach) = op het altaar | וּבְעֵ֞ת (uveet) = en op het moment | הֵחֵ֣ל (hechel) = begon | הָֽעוֹלָ֗ה (haola) = het brandoffer | הֵחֵ֤ל (hechel) = begon | שִׁיר (shir) = het lied van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְהַחֲצֹ֣צְר֔וֹת (vehachatsotserot) = en de trompetten | וְעַ֨ל (veal) = en onder | יְדֵ֔י (yedei) = de handen van | כְּלֵ֖י (kelei) = de instrumenten van | דָּוִ֥יד (david) = David | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁיר יְהוָה (shir Yahweh), ‘het lied van Yahweh’: het lied voor Yahweh, dat de Levieten zongen. Het lied begint op het moment dat het brandoffer begint, met de trompetten van de priesters. Zie ook: Ps 136:1; Ps 137:3–4; 2 Kron 7:3; 2 Kron 20:21; 2 Kron 23:18 **29:28** Heel de vergadering boog zich neer. Het lied werd gezongen en de trompetten klonken. Dit alles duurde tot het brandoffer voltooid was. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הַקָּהָל֙ (haqahal) = de vergadering | מִֽשְׁתַּחֲוִ֔ים (mishtachavim) = zich neerbuigend | וְהַשִּׁ֣יר (vehashir) = en het lied | מְשׁוֹרֵ֔ר (meshorer) = zingend | וְהַחֲצֹצְר֖וֹת (vehachatsotserot) = en de trompetten | מַחְצְרִ֑ים (machtserim) = klinkend | הַכֹּ֕ל (hakol) = alles | עַ֖ד (ad) = tot | לִכְל֥וֹת (likhlot) = voltooid te zijn | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מחצצרים (machatsetsrim) staat in de tekst (ketiv). Gelezen wordt מַחְצְרִים (machtserim, qere). Beide vormen horen bij het werkwoord ‘op de trompet blazen’ (חֲצוֹצְרָה, chatsotserah, ‘trompet’). Wij vertalen ‘de trompetten klonken’. Zie ook: Ps 68:25–27; Ps 89:16; Openb 5:8–14 **29:29** Toen zij klaar waren met het opbrengen, knielden de koning en allen die bij hem waren en bogen zich neer. Brontekst: וּכְכַלּ֖וֹת (ukhekhalot) = en toen voltooid was | לְהַעֲל֑וֹת (lehaalot) = om op te brengen | כָּרְע֗וּ (kareu) = knielden | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְכָֽל (vekhal) = en allen | הַנִּמְצְאִ֥ים (hanimtseim) = die aanwezig waren | אִתּ֖וֹ (ito) = bij hem | וַיִּֽשְׁתַּחֲוֽוּ (vayishtachavu) = en bogen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 29:20; Ps 72:11; 2 Kron 20:18; Rom 14:11; Fil 2:10–11 **29:30** Koning Hizkia en de leiders zeiden tegen de Levieten dat zij Yahweh moesten prijzen met de woorden van David en van Asaf, de ziener. Zij prezen met blijdschap, bogen het hoofd en wierpen zich neer. Brontekst: וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en hij zei | יְחִזְקִיָּ֨הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשָּׂרִים֙ (vehasarim) = en de leiders | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = tegen de Levieten | לְהַלֵּל֙ (lehalel) = om te prijzen | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = Yahweh | בְּדִבְרֵ֥י (bedivrei) = met de woorden van | דָוִ֖יד (david) = David | וְאָסָ֣ף (veasaf) = en Asaf | הַחֹזֶ֑ה (hachoze) = de ziener | וַֽיְהַלְלוּ֙ (vayhallu) = en zij prezen | עַד (ad) = tot | לְשִׂמְחָ֔ה (lesimcha) = blijdschap | וַֽיִּקְּד֖וּ (vayiqedu) = en zij bogen het hoofd | וַיִּֽשְׁתַּחֲוֽוּ (vayishtachavu) = en wierpen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד לְשִׂמְחָה (ad lesimchah), ‘met blijdschap’: letterlijk ‘tot blijdschap’, dat is: tot grote vreugde toe. Voetnoot : דִּבְרֵי דָוִיד וְאָסָף (divrei David ve’asaf), ‘de woorden van David en Asaf’: liederen die aan hen worden toegeschreven. Asaf kreeg van David opdracht tot het danken (1 Kron. 16:7). Zie ook: 1 Kron 16:7–36; Ps 32:11–33:1; Ps 95:1–2; Ps 149:2; Fil 4:4 ### De offers van de vergadering **29:31** Hizkia nam het woord en zei: „Nu hebben jullie jullie hand voor Yahweh gevuld. Kom dichterbij en breng slachtoffers en dankoffers naar het huis van Yahweh.” De vergadering bracht slachtoffers en dankoffers. Iedereen met een bereidwillig hart bracht brandoffers. Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יְחִזְקִיָּ֜הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | עַתָּ֨ה (ata) = nu | מִלֵּאתֶ֤ם (miletem) = hebben jullie gevuld | יֶדְכֶם֙ (yedkhem) = jullie hand | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | גֹּ֧שׁוּ (goshu) = komt dichterbij | וְהָבִ֛יאוּ (vehaviu) = en brengt | זְבָחִ֥ים (zevachim) = slachtoffers | וְתוֹד֖וֹת (vetodot) = en dankoffers | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּבִ֤יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | הַקָּהָל֙ (haqahal) = de vergadering | זְבָחִ֣ים (zevachim) = slachtoffers | וְתוֹד֔וֹת (vetodot) = en dankoffers | וְכָל (vekhal) = en ieder | נְדִ֥יב (nediv) = bereidwillig van | לֵ֖ב (lev) = hart | עֹלֽוֹת (olot) = brandoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֵּאתֶם יֶדְכֶם (mille’tem yedkhem), ‘jullie hand gevuld’: een uitdrukking voor inwijding, zoals bij de wijding van de priesters (Exod. 28:41; zie ook 1 Kron. 29:5). Hizkia spreekt hier tot de vergadering, want die brengt daarna de offers. Wij lezen: jullie hebben je aan Yahweh gewijd. Voetnoot : תּוֹדוֹת (todot), ‘dankoffers’: zie Lev. 7:12. Zie ook: Ex 28:41; Ex 35:5; Ex 35:22; Lev 7:12; 1 Kron 29:5; 2 Kron 13:9; Ezra 1:4 **29:32** Het aantal brandoffers dat de vergadering bracht, was: 70 runderen, 100 rammen en 200 lammeren. Dit alles was als brandoffer voor Yahweh. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en was | מִסְפַּ֣ר (mispar) = het aantal van | הָעֹלָה֮ (haola) = het brandoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הֵבִ֣יאוּ (heviu) = brachten | הַקָּהָל֒ (haqahal) = de vergadering | בָּקָ֣ר (baqar) = runderen | שִׁבְעִ֔ים (shivim) = zeventig | אֵילִ֥ים (eilim) = rammen | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | כְּבָשִׂ֣ים (kevasim) = lammeren | מָאתָ֑יִם (matayim) = tweehonderd | לְעֹלָ֥ה (leola) = als brandoffer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | כָּל (kal) = al | אֵֽלֶּה (ele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 29:21; 1 Kon 3:4; 1 Kon 8:63; Ezra 6:17 **29:33** De geheiligde gaven waren 600 runderen en 3.000 stuks kleinvee. Brontekst: וְֽהַקֳּדָשִׁ֑ים (vehaqodashim) = en de geheiligde gaven | בָּקָר֙ (baqar) = runderen | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | וְצֹ֖אן (vetson) = en kleinvee | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִֽים (alafim) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקֳּדָשִׁים (haqodashim), ‘de geheiligde gaven’: dieren die voor Yahweh waren afgezonderd. Het Hebreeuws zegt niet voor welk offer. Vers 35 noemt ook vredeoffers. Zie ook: 2 Kron 29:35 ### De Levieten helpen de priesters **29:34** Alleen waren er te weinig priesters. Zij konden niet alle brandoffers afstropen. Hun broeders, de Levieten, steunden hen tot het werk klaar was en tot de priesters zich hadden geheiligd. Want de Levieten waren oprechter van hart om zich te heiligen dan de priesters. Brontekst: רַ֤ק (raq) = alleen | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | הָי֣וּ (hayu) = waren | לִמְעָ֔ט (limat) = te weinig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָֽכְל֔וּ (yakhelu) = konden zij | לְהַפְשִׁ֖יט (lehafshit) = afstropen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָעֹל֑וֹת (haolot) = de brandoffers | וַֽיְּחַזְּק֞וּם (vayechazequm) = en versterkten hen | אֲחֵיהֶ֣ם (acheihem) = hun broeders | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | עַד (ad) = tot | כְּל֤וֹת (kelot) = voltooid was | הַמְּלָאכָה֙ (hamelakha) = het werk | וְעַ֣ד (vead) = en tot | יִתְקַדְּשׁ֣וּ (yitqadeshu) = zich heiligden | הַכֹּֽהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | כִּ֤י (ki) = want | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | יִשְׁרֵ֣י (yishrei) = oprecht van | לֵבָ֔ב (levav) = hart | לְהִתְקַדֵּ֖שׁ (lehitqadesh) = om zich te heiligen | מֵֽהַכֹּהֲנִֽים (mehakohanim) = meer dan de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפְשִׁיט (hifshit), ‘afstropen’: de huid van het geslachte dier halen (Lev. 1:6). Voetnoot : יִשְׁרֵי לֵבָב (yishrei levav), ‘oprecht van hart’: letterlijk ‘recht van hart’. Zie ook: Lev 1:6; Num 8:15; 2 Kron 29:5; 2 Kron 30:3; 2 Kron 30:16–17; 2 Kron 35:11 **29:35** Ook waren er veel brandoffers, met het vet van de vredeoffers en met de plengoffers bij het brandoffer. Zo werd de dienst van het huis van Yahweh weer ingesteld. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | עֹלָ֨ה (ola) = brandoffer | לָרֹ֜ב (larov) = in menigte | בְּחֶלְבֵ֧י (bechelvei) = met het vet van | הַשְּׁלָמִ֛ים (hashelamim) = de vredeoffers | וּבַנְּסָכִ֖ים (uvanesakhim) = en met plengoffers | לָעֹלָ֑ה (laola) = bij het brandoffer | וַתִּכּ֖וֹן (vatikon) = en werd ingesteld | עֲבוֹדַ֥ת (avodat) = de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּכּוֹן (vattikon), ‘werd ingesteld’: de vaste dienst werd opnieuw op zijn plaats gezet. Het plengoffer hoort bij het brandoffer (Num. 15:1–10). Zie ook: Gen 35:14; Ex 29:13; Lev 3:15–16; Num 15:1–10; Num 15:5–10; 1 Kron 16:37–42 ### Vreugde over het herstel **29:36** Hizkia en heel het volk verheugden zich over wat Elohim voor het volk had klaargemaakt. Want de zaak was plotseling gebeurd. Brontekst: וַיִּשְׂמַ֤ח (vayismach) = en verheugde zich | יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ (yechizqiyahu) = Hizkia | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | עַ֛ל (al) = over | הַהֵכִ֥ין (hahekhin) = het klaarmaken door | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | לָעָ֑ם (laam) = voor het volk | כִּ֥י (ki) = want | בְּפִתְאֹ֖ם (befitom) = plotseling | הָיָ֥ה (haya) = was | הַדָּבָֽר (hadavar) = de zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּפִתְאֹם (pit’om), ‘plotseling’: het werk was in 16 dagen klaar (vers 17). Hizkia en het volk zien daarin dat Elohim het had voorbereid. Zie ook: 1 Kron 29:9; Spr 16:1; 2 Kron 29:17; Ezra 6:22; Hand 2:41; 1 Tess 3:8–9 ## 2 Kronieken 30 _Het Pesach van Hizkia_ ### Hizkia nodigt heel Israël uit voor het Pesach **30:1** Hizkia stuurde bericht naar heel Israël en Juda. Hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse. Zij moesten naar het huis van Yahweh in Jeruzalem komen om het Pesach te vieren voor Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij stuurde | יְחִזְקִיָּ֜הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עַל (al) = naar | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָ֗ה (vihuda) = en Juda | וְגַֽם (vegam) = en ook | אִגְּרוֹת֙ (igerot) = brieven | כָּתַב֙ (katav) = schreef hij | עַל (al) = aan | אֶפְרַ֣יִם (efrayim) = Efraïm | וּמְנַשֶּׁ֔ה (umenashe) = en Manasse | לָב֥וֹא (lavo) = om te komen | לְבֵית (leveit) = naar het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te houden | פֶּ֔סַח (pesach) = Pesach | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Pesach van Hizkia staat alleen in Kronieken. Het werkwoord ‘stuurde’ (וַיִּשְׁלַח, vayishlach) heeft in het Hebreeuws geen voorwerp: ‘hij stuurde naar heel Israël’. Wij lezen ‘bericht’. Vers 6 vertelt dat het de renners met brieven waren. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wanneer dit gebeurde. Het noorden was al zwaar getroffen door Assyrië (2 Kon. 15:29; 2 Kon. 17:6). Daarom spreekt vers 6 over ‘de ontkomenen’. Zie ook: Ex 12:3–20; Deut 16:2–6; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:6; 2 Kron 11:13; 2 Kron 30:6; Hos 7:8–9; 1 Kor 5:7–8 **30:2** De koning, zijn leiders en heel de vergadering in Jeruzalem overlegden om het Pesach in de tweede maand te vieren. Brontekst: וַיִּוָּעַ֨ץ (vayivaats) = en overlegde | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְשָׂרָ֛יו (vesarav) = en zijn leiders | וְכָל (vekhal) = en heel | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te houden | הַפֶּ֖סַח (hapesach) = het Pesach | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשֵּׁנִֽי (hasheni) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De tweede maand voor het Pesach is geregeld in Num. 9:10–11: wie onrein is of ver weg, mag het Pesach op de veertiende dag van de tweede maand houden. Het Pesach hoort op de veertiende dag van de eerste maand te vallen (zie 2 Kron. 29:17). Zie ook: Num 9:10–11; 1 Kron 13:1–3; Spr 11:14; Pred 4:13; 2 Kron 29:17; 2 Kron 30:13 **30:3** Want zij konden het op dat moment niet vieren. De priesters hadden zich niet in voldoende aantal geheiligd en het volk was nog niet naar Jeruzalem verzameld. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֧א (lo) = niet | יָכְל֛וּ (yakhelu) = konden zij | לַעֲשֹׂת֖וֹ (laasoto) = het te houden | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֑יא (hahi) = die | כִּ֤י (ki) = want | הַכֹּהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | לֹֽא (lo) = niet | הִתְקַדְּשׁ֣וּ (hitqadeshu) = hadden zich geheiligd | לְמַ (lema) = voor | דַּ֔י (day) = genoeg | וְהָעָ֖ם (vehaam) = en het volk | לֹא (lo) = niet | נֶאֶסְפ֥וּ (neesfu) = was verzameld | לִֽירוּשָׁלִָֽם (lirushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Lezing: לְמַדַּי (lemaddai), ‘voldoende’: het Hebreeuws zegt alleen ‘genoeg’. Wij lezen: in voldoende aantal. Het heiligen van het huis duurde tot de zestiende dag van de eerste maand (2 Kron. 29:17). Het Pesach op de veertiende dag was toen al voorbij. Zie ook: Ex 12:6; Ex 12:18; 2 Kron 29:17; 2 Kron 29:34 **30:4** Het plan was goed in de ogen van de koning en van heel de vergadering. Brontekst: וַיִּישַׁ֥ר (vayishar) = en was goed | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּבְעֵינֵ֖י (uveeinei) = en in de ogen van | כָּל (kal) = heel | הַקָּהָֽל (haqahal) = de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 13:4 **30:5** Zij namen het besluit om in heel Israël, van Beër-Sjeba tot Dan, een oproep te laten uitgaan. Men moest naar Jeruzalem komen om het Pesach te vieren voor Yahweh, de Elohim van Israël. Want zij hadden het niet in grote aantallen gevierd, zoals geschreven staat. Brontekst: וַיַּֽעֲמִ֣ידוּ (vayaamidu) = en zij stelden vast | דָבָ֗ר (davar) = een besluit | לְהַעֲבִ֨יר (lehaavir) = om te laten gaan | ק֤וֹל (qol) = een stem | בְּכָל (bekhal) = in heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִבְּאֵֽר (mibeer) = van Beër | שֶׁ֣בַע (sheva) = Sjeba | וְעַד (vead) = en tot | דָּ֔ן (dan) = Dan | לָב֞וֹא (lavo) = om te komen | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te houden | פֶּ֛סַח (pesach) = Pesach | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | לָרֹ֛ב (larov) = in menigte | עָשׂ֖וּ (asu) = deden zij het | כַּכָּתֽוּב (kakatuv) = zoals geschreven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, in het zuiden van Juda (Israël). Dan ligt in het uiterste noorden van het land, bij Tel Dan (Israël). Samen vormen zij de grenzen van het land. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De volgorde is hier ‘van Beër-Sjeba tot Dan’. In 1 Sam. 3:20 staat ‘van Dan tot Beër-Sjeba’. Voetnoot : קוֹל (qol), ‘stem’: hier een oproep die in het hele land wordt uitgeroepen. Voetnoot : לָרֹב (larov), ‘in grote aantallen’: de woorden kunnen ook betekenen ‘al lange tijd’. Wij volgen ‘in grote aantallen’. Zie ook: Re 20:1; 1 Sam 3:20; 2 Kron 36:22; Dan 6:9; Ezra 6:8–12; 1 Kor 11:2 ### De brieven van de koning **30:6** De renners gingen met de brieven uit de hand van de koning en zijn leiders door heel Israël en Juda. Op bevel van de koning zeiden zij: „Zonen van Israël, keer terug naar Yahweh, de Elohim van Abraham, Isaak en Israël. Dan zal Hij terugkeren naar de ontkomenen die van jullie zijn overgebleven uit de hand van de koningen van Assyrië. Brontekst: וַיֵּלְכוּ֩ (vayelekhu) = en gingen | הָרָצִ֨ים (haratsim) = de renners | בָּֽאִגְּר֜וֹת (baigerot) = met de brieven | מִיַּ֧ד (miyad) = uit de hand van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְשָׂרָ֗יו (vesarav) = en zijn leiders | בְּכָל (bekhal) = in heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָ֔ה (vihuda) = en Juda | וּכְמִצְוַ֥ת (ukhemitsvat) = en volgens het gebod van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | שׁ֚וּבוּ (shuvu) = keert terug | אֶל (el) = tot | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = de Elohim van | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | וְיִשְׂרָאֵ֔ל (veyisrael) = en Israël | וְיָשֹׁב֙ (veyashov) = dan zal Hij terugkeren | אֶל (el) = tot | הַפְּלֵיטָ֔ה (hapeleita) = de ontkomenen | הַנִּשְׁאֶ֣רֶת (hanisheret) = die zijn overgebleven | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | מִכַּ֖ף (mikaf) = uit de handpalm van | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: רָצִים (ratsim), ‘renners’: mannen die te voet boodschappen brengen. Zie ook 1 Kon. 1:5 (mannen die voor Adonia uit renden) en 2 Kon. 10:25 (de lopers van de koning). Voetnoot : פְּלֵיטָה (peletah), ‘de ontkomenen’: wie na de aanvallen van Assyrië is overgebleven. ‘De koningen van Assyrië’ staat in het meervoud, zoals in 2 Kron. 28:16. Voetnoot : יִצְחָק וְיִשְׂרָאֵל (Yitschaq veyisra’el), ‘Isaak en Israël’: Israël is hier de naam van Jakob, zoals in 1 Kon. 18:36. Voetnoot : De brief loopt van vers 6 tot en met vers 9. Zij is zwart: het zijn de woorden van de koning. Zie ook: 1 Kon 1:5; 1 Kon 18:36; 2 Kon 10:25; 2 Kon 15:19; 2 Kon 15:29; 2 Kron 28:16; 2 Kron 30:9; Jer 4:1; Jer 51:31; Est 8:14 **30:7** Wees niet zoals jullie vaders en jullie broeders. Zij waren trouweloos tegenover Yahweh, de Elohim van hun vaderen. Daarom gaf Hij hen over tot verwoesting, zoals jullie zien. Brontekst: וְאַל (veal) = en niet | תִּֽהְי֗וּ (tihyu) = wees | כַּאֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (kaavoteikhem) = zoals jullie vaders | וְכַ֣אֲחֵיכֶ֔ם (vekhaacheikhem) = en zoals jullie broeders | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מָעֲל֔וּ (maalu) = waren trouweloos | בַּיהוָ֖ה (baYahweh) = tegenover Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶ֑ם (avoteihem) = hun vaderen | וַיִּתְּנֵ֣ם (vayitenem) = en Hij gaf hen | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot verwoesting | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | רֹאִֽים (roim) = zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁמָּה (shammah), ‘verwoesting’: hetzelfde woord als in 2 Kron. 29:8. Zie ook 2 Kron. 28:19 voor de trouweloosheid (מָעַל, ma’al). Zie ook: 2 Kron 28:19; 2 Kron 29:8; Ezech 20:13–18; Zach 1:3–4 **30:8** Wees nu niet halsstarrig zoals jullie vaders. Geef Yahweh de hand en kom naar Zijn heiligdom, dat Hij voor eeuwig geheiligd heeft. Dien Yahweh, jullie Elohim. Dan zal de gloed van Zijn toorn zich van jullie afkeren. Brontekst: עַתָּ֕ה (ata) = nu | אַל (al) = niet | תַּקְשׁ֥וּ (taqshu) = maak hard | עָרְפְּכֶ֖ם (arpekhem) = jullie nek | כַּאֲבוֹתֵיכֶ֑ם (kaavoteikhem) = zoals jullie vaders | תְּנוּ (tenu) = geef | יָ֣ד (yad) = hand | לַיהוָ֗ה (laYahweh) = aan Yahweh | וּבֹ֤אוּ (uvou) = en kom | לְמִקְדָּשׁוֹ֙ (lemiqdasho) = naar Zijn heiligdom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִקְדִּ֣ישׁ (hiqdish) = Hij heeft geheiligd | לְעוֹלָ֔ם (leolam) = voor eeuwig | וְעִבְדוּ֙ (veivdu) = en dien | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְיָשֹׁ֥ב (veyashov) = opdat zal terugkeren | מִכֶּ֖ם (mikem) = van jullie | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַל תַּקְשׁוּ עָרְפְּכֶם (al taqshu orpekhem), ‘wees niet halsstarrig’: letterlijk ‘maak jullie nek niet hard’. Zie ook Deut. 10:16. Voetnoot : תְּנוּ יָד (tenu yad), ‘geef de hand’: een gebaar van onderwerping en trouw. Zie ook 1 Kron. 29:24. Zie ook: Ex 32:9; Deut 10:16; 1 Kron 29:24; Ps 78:49; 2 Kron 29:10; Rom 6:22 **30:9** Want als jullie terugkeren naar Yahweh, zullen jullie broeders en zonen ontferming vinden bij hun gevangennemers. Zij zullen terugkeren naar dit land. Want Yahweh, jullie Elohim, is genadig en barmhartig. Hij zal Zijn aangezicht niet van jullie afwenden, als jullie naar Hem terugkeren.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בְשׁוּבְכֶ֞ם (beshuvekhem) = bij jullie terugkeer | עַל (al) = tot | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲחֵיכֶ֨ם (acheikhem) = jullie broeders | וּבְנֵיכֶ֤ם (uveneikhem) = en jullie zonen | לְרַחֲמִים֙ (lerachamim) = zullen tot ontferming zijn | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | שֽׁוֹבֵיהֶ֔ם (shoveihem) = hun gevangennemers | וְלָשׁ֖וּב (velashuv) = en om terug te keren | לָאָ֣רֶץ (laarets) = naar het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | כִּֽי (ki) = want | חַנּ֤וּן (chanun) = genadig | וְרַחוּם֙ (verachum) = en barmhartig | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְלֹא (velo) = en niet | יָסִ֤יר (yasir) = zal Hij afwenden | פָּנִים֙ (panim) = aangezicht | מִכֶּ֔ם (mikem) = van jullie | אִם (im) = als | תָּשׁ֖וּבוּ (tashuvu) = jullie terugkeren | אֵלָֽיו (elav) = tot Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַחֲמִים לִפְנֵי שׁוֹבֵיהֶם (rachamim lifnei shoveihem), ‘ontferming bij hun gevangennemers’: dezelfde woorden staan in het gebed van Salomo, 1 Kon. 8:50. Voetnoot : חַנּוּן וְרַחוּם (channun verachum), ‘genadig en barmhartig’: de woorden uit Exod. 34:6, daar in omgekeerde volgorde. Zie ook Deut. 30:3. Zie ook: Ex 34:6; Deut 30:2–4; Deut 30:3; Ps 86:5; Ps 106:46; 1 Kon 8:50; Jes 55:7; Mi 7:18 ### Spot en bereidheid **30:10** De renners trokken van stad naar stad door het land Efraïm en Manasse, tot aan Zebulon. Maar men lachte hen uit en spotte met hen. Brontekst: וַיִּֽהְי֨וּ (vayihyu) = en waren | הָרָצִ֜ים (haratsim) = de renners | עֹבְרִ֨ים (overim) = die trokken | מֵעִ֧יר (meir) = van stad | לָעִ֛יר (lair) = naar stad | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | אֶפְרַ֥יִם (efrayim) = Efraïm | וּמְנַשֶּׁ֖ה (umenashe) = en Manasse | וְעַד (vead) = en tot | זְבֻל֑וּן (zevulun) = Zebulon | וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en zij waren | מַשְׂחִיקִ֣ים (maschiqim) = uitlachend | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | וּמַלְעִגִ֖ים (umaligim) = en spottend | בָּֽם (bam) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt niet wie lachte. Wij vertalen ‘men’. Zie ook: Job 9:25; 2 Kron 30:6; 2 Kron 36:16; Neh 2:19; Luc 22:63–64 **30:11** Toch vernederden enkele mannen uit Aser, Manasse en Zebulon zich en kwamen naar Jeruzalem. Brontekst: אַךְ (akh) = maar | אֲנָשִׁ֛ים (anashim) = mannen | מֵאָשֵׁ֥ר (measher) = uit Aser | וּמְנַשֶּׁ֖ה (umenashe) = en uit Manasse | וּמִזְּבֻל֑וּן (umizevulun) = en uit Zebulon | נִֽכְנְע֔וּ (nikhneu) = zich vernederden | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | לִירוּשָׁלִָֽם (lirushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נִכְנְעוּ (nikne’u), ‘zij vernederden zich’: zij deden afstand van hun trots. Zie ook 2 Kron. 7:14. Zie ook: 2 Kron 7:14; 2 Kron 30:18; 2 Kron 30:21; 2 Kron 30:25; Luc 14:11; Luc 18:14 **30:12** Ook in Juda was de hand van Elohim. Hij gaf hun één hart om het gebod van de koning en de leiders uit te voeren, naar het woord van Yahweh. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | בִּיהוּדָ֗ה (bihuda) = in Juda | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = was | יַ֣ד (yad) = de hand van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | לֵ֣ב (lev) = hart | אֶחָ֑ד (echad) = één | לַעֲשׂ֞וֹת (laasot) = om te doen | מִצְוַ֥ת (mitsvat) = het gebod van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשָּׂרִ֖ים (vehasarim) = en de leiders | בִּדְבַ֥ר (bidvar) = op het woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵב אֶחָד (lev echad), ‘één hart’: eensgezind, zoals in 1 Kron. 12:39. Zie ook: 1 Kron 12:39; Ps 110:3; Jer 24:7; Jer 32:39; 2 Tess 2:13–14; Fil 2:13 ### Het Pesach in de tweede maand **30:13** Een groot volk verzamelde zich in Jeruzalem om het feest van de ongezuurde broden te vieren in de tweede maand. Het was een zeer grote vergadering. Brontekst: וַיֵּֽאָסְפ֤וּ (vayeasefu) = en verzamelden zich | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | עַם (am) = volk | רָ֔ב (rav) = veel | לַעֲשׂ֛וֹת (laasot) = om te houden | אֶת (et) = (obj.) | חַ֥ג (chag) = het feest van | הַמַּצּ֖וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשֵּׁנִ֑י (hasheni) = de tweede | קָהָ֖ל (qahal) = een vergadering | לָרֹ֥ב (larov) = in menigte | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חַג הַמַּצּוֹת (chag hammatsot), ‘het feest van de ongezuurde broden’: zeven dagen, vanaf de vijftiende dag van de eerste maand (Exod. 12:15–20; Lev. 23:6). Het Pesach en het feest van de ongezuurde broden worden hier samen gevierd, zij het in de tweede maand. Zie ook: Ex 12:15–20; Lev 23:6; Ps 84:8; 2 Kron 30:2 **30:14** Zij stonden op en haalden de altaren weg die in Jeruzalem waren. Ook alle wierookaltaren haalden zij weg en gooiden ze in de beek Kidron. Brontekst: וַיָּקֻ֕מוּ (vayaqumu) = en zij stonden op | וַיָּסִ֨ירוּ֙ (vayasiru) = en verwijderden | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמִּזְבְּח֔וֹת (hamizbechot) = de altaren | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַֽמְקַטְּרוֹת֙ (hamqaterot) = de wierookaltaren | הֵסִ֔ירוּ (hesiru) = verwijderden zij | וַיַּשְׁלִ֖יכוּ (vayashlikhu) = en wierpen | לְנַ֥חַל (lenachal) = naar de beek | קִדְרֽוֹן (qidron) = Kidron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek Kidron is het dal ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg (Israël en Westelijke Jordaanoever). Zie ook 2 Kron. 29:16. Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Voetnoot Uitleg: הַמְקַטְּרוֹת (hammeqattarot), ‘de wierookaltaren’: het woord komt zelden voor. Het gaat om plaatsen om wierook te laten opgaan voor andere goden. Zie 2 Kron. 28:24. Zie ook: 2 Sam 15:23; 2 Kon 23:12–13; 2 Kron 15:16; 2 Kron 28:24; 2 Kron 29:16 **30:15** Zij slachtten het Pesach op de veertiende dag van de tweede maand. De priesters en de Levieten schaamden zich. Zij heiligden zich en brachten brandoffers naar het huis van Yahweh. Brontekst: וַיִּשְׁחֲט֣וּ (vayishchatu) = en zij slachtten | הַפֶּ֔סַח (hapesach) = het Pesach | בְּאַרְבָּעָ֥ה (bearbaa) = op vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשֵּׁנִ֑י (hasheni) = de tweede | וְהַכֹּהֲנִ֨ים (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּ֤ם (vehalviyim) = en de Levieten | נִכְלְמוּ֙ (nikhlemu) = schaamden zich | וַיִּֽתְקַדְּשׁ֔וּ (vayitqadeshu) = en heiligden zich | וַיָּבִ֥יאוּ (vayaviu) = en brachten | עֹל֖וֹת (olot) = brandoffers | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De veertiende dag van de tweede maand is de dag uit Num. 9:11. Voetnoot : נִכְלְמוּ (nikhlemu), ‘zij schaamden zich’: het Hebreeuws zegt niet waarom. Vers 3 vertelt dat de priesters zich niet genoeg hadden geheiligd. Zie ook: Ex 19:10; Num 9:11; 2 Kron 5:11; 2 Kron 29:34; 2 Kron 30:3; 2 Kron 31:18; Ezech 43:10–11 **30:16** Zij gingen op hun plaats staan volgens hun recht, volgens de wet van Mozes, de man van Elohim. De priesters sprenkelden het bloed dat zij uit de hand van de Levieten ontvingen. Brontekst: וַיַּֽעַמְד֤וּ (vayaamdu) = en zij stonden | עַל (al) = op | עָמְדָם֙ (amedam) = hun post | כְּמִשְׁפָּטָ֔ם (kemishpatam) = volgens hun recht | כְּתוֹרַ֖ת (ketorat) = volgens de wet van | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אִישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | זֹרְקִ֣ים (zoreqim) = sprenkelend | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijs, aanwijzing. De wet van Mozes bepaalt wie het bloed sprenkelt: de priesters (Lev. 1:5). Voetnoot : אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: zo heet Mozes ook in Deut. 33:1 en Joz. 14:6. Zie ook: Lev 1:5; Deut 33:1; Joz 14:6; 2 Kon 11:14; 2 Kron 35:15; Heb 11:28 **30:17** Want velen in de vergadering hadden zich niet geheiligd. De Levieten waren belast met het slachten van de Pesachoffers voor ieder die niet rein was, om het aan Yahweh te wijden. Brontekst: כִּי (ki) = want | רַבַּ֥ת (rabat) = velen | בַּקָּהָ֖ל (baqahal) = in de vergadering | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | הִתְקַדָּ֑שׁוּ (hitqadashu) = zich hadden geheiligd | וְהַלְוִיִּ֞ם (vehalviyim) = en de Levieten | עַל (al) = waren belast met | שְׁחִיטַ֣ת (shechitat) = het slachten van | הַפְּסָחִ֗ים (hapesachim) = de Pesachoffers | לְכֹל֙ (lekhol) = voor ieder | לֹ֣א (lo) = niet | טָה֔וֹר (tahor) = rein | לְהַקְדִּ֖ישׁ (lehaqdish) = om te wijden | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפְּסָחִים (happesachim), ‘de Pesachoffers’: het meervoud van ‘Pesach’. Gewoonlijk slachtte ieder gezin het eigen dier (Exod. 12:6). Nu doen de Levieten het voor wie niet rein is. Zie ook: Ex 12:6; 2 Kron 29:34; 2 Kron 35:3–6 ### Het gebed van Hizkia **30:18** Want het grootste deel van het volk, velen uit Efraïm, Manasse, Issachar en Zebulon, had zich niet gereinigd. Toch aten zij het Pesach, niet zoals geschreven staat. Maar Hizkia bad voor hen. Hij zei: „Moge Yahweh, die goed is, verzoening doen voor Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מַרְבִּ֣ית (marbit) = het grootste deel van | הָעָ֡ם (haam) = het volk | רַ֠בַּת (rabat) = velen | מֵֽאֶפְרַ֨יִם (meefrayim) = uit Efraïm | וּמְנַשֶּׁ֜ה (umenashe) = en Manasse | יִשָּׂשכָ֤ר (yisashkhar) = Issachar | וּזְבֻלוּן֙ (uzevulun) = en Zebulon | לֹ֣א (lo) = niet | הִטֶּהָ֔רוּ (hiteharu) = hadden zich gereinigd | כִּֽי (ki) = maar | אָכְל֥וּ (akhelu) = zij aten | אֶת (et) = (obj.) | הַפֶּ֖סַח (hapesach) = het Pesach | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | כַכָּת֑וּב (kakatuv) = zoals geschreven | כִּי֩ (ki) = want | הִתְפַּלֵּ֨ל (hitpalel) = bad | יְחִזְקִיָּ֤הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = voor hen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | הַטּ֖וֹב (hatov) = de goede | יְכַפֵּ֥ר (yekhaper) = moge verzoening doen | בְּעַֽד (bead) = voor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie onrein was, mocht niet eten van het vlees van een vredeoffer (Lev. 7:20). Voor het Pesach geldt in Num. 9:6–12 een eigen regeling. Voetnoot : Het vers loopt door in vers 19: Hizkia’s gebed. Het gebed is zwart, want het zijn de woorden van de koning. Zie ook: Lev 7:20; Num 9:6–12; Num 9:10–14; 2 Kron 6:21; 2 Kron 30:19; Dan 9:19; Jak 5:15–16; 1 Kor 11:28 **30:19** ieder die zijn hart erop gericht heeft Elohim te zoeken, Yahweh, de Elohim van zijn vaderen, ook al is hij niet rein volgens de reinheid van het heilige.” Brontekst: כָּל (kal) = ieder | לְבָב֣וֹ (levavo) = zijn hart | הֵכִ֔ין (hekhin) = heeft gericht | לִדְר֛וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | הָאֱלֹהִ֥ים (haElohim) = de Elohim | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaderen | וְלֹ֖א (velo) = en niet | כְּטָהֳרַ֥ת (ketahorat) = volgens de reinheid van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טָהֳרַת הַקֹּדֶשׁ (taharat haqodesh), ‘de reinheid van het heilige’: de reinheid die voor het heiligdom vereist is. Zie ook: Job 11:13; Ps 10:17; Spr 23:26; 2 Kron 19:3; Ezra 7:10 **30:20** Yahweh hoorde Hizkia en genas het volk. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | יְחִזְקִיָּ֔הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | וַיִּרְפָּ֖א (vayirpa) = en genas | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּרְפָּא (vayirpa), ‘hij genas’: de tekst zegt niet van welke ziekte of straf. Zie ook 2 Kron. 7:14. Zie ook: Ex 15:26; Ps 103:3; 2 Kron 7:14; Jak 5:15–16 ### Het feest van de ongezuurde broden **30:21** De zonen van Israël die in Jeruzalem aanwezig waren, vierden zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden met grote blijdschap. Dag na dag loofden de Levieten en de priesters Yahweh, met krachtige instrumenten ter ere van Yahweh. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֣וּ (vayaasu) = en hielden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | הַנִּמְצְאִ֨ים (hanimtseim) = die aanwezig waren | בִּירוּשָׁלִַ֜ם (birushalaim) = in Jeruzalem | אֶת (et) = (obj.) | חַ֧ג (chag) = het feest van | הַמַּצּ֛וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | בְּשִׂמְחָ֣ה (besimcha) = met blijdschap | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = grote | וּֽמְהַלְלִ֣ים (umehallim) = en loofden | לַ֠יהוָה (laYahweh) = Yahweh | י֣וֹם (yom) = dag | בְּי֞וֹם (beyom) = op dag | הַלְוִיִּ֧ם (halviyim) = de Levieten | וְהַכֹּהֲנִ֛ים (vehakohanim) = en de priesters | בִּכְלֵי (bikhlei) = met instrumenten van | עֹ֖ז (oz) = kracht | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בִּכְלֵי עֹז (bikhlei oz), ‘met krachtige instrumenten’: letterlijk ‘met instrumenten van kracht’. Wij nemen aan dat het om luid klinkende instrumenten gaat. Zie ook: Ex 12:15; Ex 13:6; Deut 16:14; Neh 8:10; Fil 4:4 **30:22** Hizkia sprak tot het hart van alle Levieten die goed inzicht toonden voor Yahweh. Zij aten zeven dagen lang tijdens het feest. Zij brachten vredeoffers en dankten Yahweh, de Elohim van hun vaderen. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְחִזְקִיָּ֗הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עַל (al) = tot | לֵב֙ (lev) = het hart van | כָּל (kal) = alle | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | הַמַּשְׂכִּילִ֥ים (hamaskilim) = die inzicht hadden | שֵֽׂכֶל (sekhel) = inzicht | ט֖וֹב (tov) = goed | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיֹּאכְל֤וּ (vayokhlu) = en zij aten | אֶת (et) = (obj.) | הַמּוֹעֵד֙ (hamoed) = het feest | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | מְזַבְּחִים֙ (mezabechim) = offerend | זִבְחֵ֣י (zivchei) = slachtoffers van | שְׁלָמִ֔ים (shelamim) = vredeoffers | וּמִ֨תְוַדִּ֔ים (umitvadim) = en dankend | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבֶּר עַל לֵב (dibber al lev), ‘sprak tot het hart’: bemoedigen, zoals in Gen. 34:3 en 50:21. Voetnoot : הַמַּשְׂכִּילִים שֵׂכֶל טוֹב (hammaskilim sekhel tov), ‘die goed inzicht toonden’. Voetnoot Lezing: מִתְוַדִּים (mitvaddim): dit werkwoord kan ‘danken’ betekenen, maar ook ‘schuld belijden’. Wij kiezen ‘danken’. Zie ook: Gen 34:3; Gen 50:21; 2 Kron 32:6; 2 Kron 35:3; Jes 40:1–2; Ezra 10:11; Neh 9:3 **30:23** Heel de vergadering overlegde om nog zeven andere dagen te vieren. Zij vierden zeven dagen met vreugde. Brontekst: וַיִּוָּֽעֲצוּ֙ (vayivaatsu) = en overlegden | כָּל (kal) = heel | הַקָּהָ֔ל (haqahal) = de vergadering | לַעֲשׂ֕וֹת (laasot) = om te houden | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וַיַּֽעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en zij hielden | שִׁבְעַת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | שִׂמְחָֽה (simcha) = blijdschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 8:65; 2 Kron 7:9 **30:24** Want Hizkia, de koning van Juda, schonk de vergadering 1.000 stieren en 7.000 stuks kleinvee. Ook de leiders schonken de vergadering 1.000 stieren en 10.000 stuks kleinvee. Veel priesters heiligden zich. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | חִזְקִיָּ֣הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְ֠הוּדָה (yehuda) = Juda | הֵרִ֨ים (herim) = schonk | לַקָּהָ֜ל (laqahal) = aan de vergadering | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | פָּרִים֮ (parim) = stieren | וְשִׁבְעַ֣ת (veshivat) = en zeven | אֲלָפִ֣ים (alafim) = duizend | צֹאן֒ (tson) = kleinvee | וְהַשָּׂרִ֞ים (vehasarim) = en de leiders | הֵרִ֤ימוּ (herimu) = schonken | לַקָּהָל֙ (laqahal) = aan de vergadering | פָּרִ֣ים (parim) = stieren | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְצֹ֖אן (vetson) = en kleinvee | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizend | וַיִּֽתְקַדְּשׁ֥וּ (vayitqadeshu) = en zij heiligden zich | כֹהֲנִ֖ים (kohanim) = priesters | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵרִים (herim), ‘schonk’: letterlijk ‘hief op’. Het is dezelfde stam als ‘heffing’ (תְּרוּמָה, terumah). Samen schonken de koning en de leiders 2.000 stieren en 17.000 stuks kleinvee. Zie ook: 1 Kron 29:3–9; 2 Kron 29:34; 2 Kron 30:3; 2 Kron 35:7–8; Ezech 45:17 **30:25** Heel de vergadering van Juda verheugde zich, met de priesters en de Levieten. Ook heel de vergadering die uit Israël was gekomen verheugde zich. Ook de vreemdelingen die uit het land Israël waren gekomen verheugden zich, en zij die in Juda woonden. Brontekst: וַֽיִּשְׂמְח֣וּ (vayismechu) = en verheugden zich | כָּל (kal) = heel | קְהַ֣ל (qehal) = de vergadering van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְהַכֹּהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְכָל (vekhal) = en heel | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | הַבָּאִ֣ים (habaim) = die kwamen | מִיִּשְׂרָאֵ֑ל (miyisrael) = uit Israël | וְהַגֵּרִ֗ים (vehagerim) = en de vreemdelingen | הַבָּאִים֙ (habaim) = die kwamen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהַיּוֹשְׁבִ֖ים (vehayoshevim) = en die woonden | בִּיהוּדָֽה (bihuda) = in Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּר (ger), ‘vreemdeling’: iemand die als gast in het land woont. Het Hebreeuws spreekt hier van vreemdelingen die uit het land Israël kwamen, en van ‘hen die in Juda woonden’. Wij laten open of die laatsten ook vreemdelingen waren. Zie ook: Ex 12:43–49; 1 Kron 16:10–11; Ps 104:34; 2 Kron 30:11; 2 Kron 30:18 ### Grote blijdschap in Jeruzalem **30:26** Er was grote blijdschap in Jeruzalem. Want sinds de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was er in Jeruzalem niets zoals dit geweest. Brontekst: וַתְּהִ֥י (vatehi) = en was | שִׂמְחָֽה (simcha) = blijdschap | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = grote | בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | כִּ֠י (ki) = want | מִימֵ֞י (mimei) = sinds de dagen van | שְׁלֹמֹ֤ה (shelomo) = Salomo | בֶן (ben) = zoon van | דָּוִיד֙ (david) = David | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | כָזֹ֖את (kazot) = zoals deze | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het grote feest van Salomo staat in 1 Kon. 8:65 en 2 Kron. 7:8–10: zeven dagen en nog eens zeven dagen. Zie ook: 1 Kon 8:65; 2 Kron 7:8–10 **30:27** De priesters, de Levieten, stonden op en zegenden het volk. Hun stem werd gehoord en hun gebed kwam bij Zijn heilige woning, in de hemel. Brontekst: וַיָּקֻ֜מוּ (vayaqumu) = en stonden op | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | וַיְבָרֲכ֣וּ (vayvarakhu) = en zegenden | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיִּשָּׁמַ֖ע (vayishama) = en werd gehoord | בְּקוֹלָ֑ם (beqolam) = hun stem | וַתָּב֧וֹא (vatavo) = en kwam | תְפִלָּתָ֛ם (tefilatam) = hun gebed | לִמְע֥וֹן (limon) = tot de woning van | קָדְשׁ֖וֹ (qadesho) = Zijn heiligheid | לַשָּׁמָֽיִם (lashamayim) = tot de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעוֹן קָדְשׁוֹ (me’on qodsho), ‘Zijn heilige woning’: de hemel, zoals in Deut. 26:15. De priesters zegenen het volk zoals in Num. 6:23–27. Voetnoot : הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: het Hebreeuws heeft hier geen ‘en’. Het zijn de priesters uit de stam Levi. Zie ook: Num 6:23–27; Deut 10:8; Deut 26:15; Ps 68:6; 2 Kron 23:18; Hand 10:4 ## 2 Kronieken 31 _Hizkia ordent de dienst en het volk brengt de tiende_ ### Het land wordt gereinigd **31:1** Toen dit alles voltooid was, ging heel Israël, allen die daar aanwezig waren, naar de steden van Juda. Zij braken de gewijde stenen in stukken en hieuwen de heilige palen om. Zij braken de hoogten en de altaren af in heel Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse, totdat alles vernietigd was. Alle zonen van Israël keerden terug, ieder naar zijn bezit, naar hun steden. Brontekst: וּכְכַלּ֣וֹת (ukhekhalot) = en toen voltooid waren | כָּל (kal) = alles | זֹ֗את (zot) = dit | יָצְא֨וּ (yatseu) = gingen uit | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | הַֽנִּמְצְאִים֮ (hanimtseim) = die aanwezig waren | לְעָרֵ֣י (learei) = naar de steden van | יְהוּדָה֒ (yehuda) = Juda | וַיְשַׁבְּר֣וּ (vayshaberu) = en zij braken | הַמַּצֵּב֣וֹת (hamatsevot) = de gewijde stenen | וַיְגַדְּע֣וּ (vaygadeu) = en hieuwen om | הָאֲשֵׁרִ֡ים (haasherim) = de heilige palen | וַיְנַתְּצ֣וּ (vaynatetsu) = en braken af | אֶת (et) = (obj.) | הַ֠בָּמוֹת (habamot) = de hoogten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽמִּזְבְּחֹ֞ת (hamizbechot) = de altaren | מִכָּל (mikal) = uit heel | יְהוּדָ֧ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֛ן (uvinyamin) = en Benjamin | וּבְאֶפְרַ֥יִם (uveefrayim) = en Efraïm | וּמְנַשֶּׁ֖ה (umenashe) = en Manasse | עַד (ad) = tot | לְכַלֵּ֑ה (lekhale) = volledige vernietiging | וַיָּשׁ֜וּבוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֧י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לַאֲחֻזָּת֖וֹ (laachuzato) = naar zijn bezit | לְעָרֵיהֶֽם (leareihem) = naar hun steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּמְצָאִים (hanimtsa’im), ‘die aanwezig waren’: dat zijn de mensen die bij het Pesachfeest in Jeruzalem waren (2 Kron. 30). Voetnoot : מַצֵּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij offerplaatsen. אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij de hoogten, genoemd naar de godin Aschera. בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. Zie ook 2 Kon. 18:4. Voetnoot : לְכַלֵּה (lekhalleh), ‘totdat alles vernietigd was’: letterlijk ‘tot voltooiing’. Zie ook: Deut 7:5; 1 Kon 18:38–40; 2 Kon 18:4; 2 Kon 23:2–20; 2 Kron 32:12 ### Hizkia ordent de dienst **31:2** Hizkia stelde de afdelingen van de priesters en de Levieten aan, ieder op zijn afdeling en volgens zijn dienst. Dat gold voor de priesters en de Levieten, voor het brandoffer en de vredeoffers. Zij moesten dienen, danken en prijzen in de poorten van de kampen van Yahweh. Brontekst: וַיַּעֲמֵ֣ד (vayaamed) = en stelde aan | יְחִזְקִיָּ֡הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | אֶת (et) = (obj.) | מַחְלְק֣וֹת (machleqot) = de afdelingen van | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְ֠הַלְוִיִּם (vehalviyim) = en de Levieten | עַֽל (al) = op | מַחְלְקוֹתָ֞ם (machleqotam) = hun afdelingen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | כְּפִ֣י (kefi) = volgens | עֲבֹדָת֗וֹ (avodato) = zijn dienst | לַכֹּהֲנִים֙ (lakohanim) = de priesters | וְלַלְוִיִּ֔ם (velalviyim) = en de Levieten | לְעֹלָ֖ה (leola) = voor het brandoffer | וְלִשְׁלָמִ֑ים (velishlamim) = en voor de vredeoffers | לְשָׁרֵת֙ (lesharet) = om te dienen | וּלְהֹד֣וֹת (ulehodot) = en te danken | וּלְהַלֵּ֔ל (ulehalel) = en te prijzen | בְּשַׁעֲרֵ֖י (beshaarei) = in de poorten van | מַחֲנ֥וֹת (machanot) = de kampen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de groepen waarin de priesters en Levieten dienst deden (1 Kron. 23–26). Wij vertalen overal ‘afdelingen’. Voetnoot : מַחֲנוֹת יְהוָה (machanot Yahweh), ‘de kampen van Yahweh’: de tempel wordt hier als een kamp van Yahweh genoemd, met poorten. De Levieten stonden daar op wacht en zongen. Zie ook: 1 Kron 16:40–41; 1 Kron 23:28–31; 1 Kron 24:1; 2 Kron 29:24–26; Neh 11:17 **31:3** Het deel van de koning, uit zijn eigen bezit, was voor de brandoffers. Dat waren de brandoffers van de morgen en van de avond, en de brandoffers voor de sabbatten, de nieuwe manen en de vastgestelde tijden. Zo staat geschreven in de wet van Yahweh. Brontekst: וּמְנָת֩ (umenat) = en het deel van | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִן (min) = uit | רְכוּשׁ֜וֹ (rekhusho) = zijn bezit | לָעֹל֗וֹת (laolot) = voor brandoffers | לְעֹלוֹת֙ (leolot) = voor brandoffers | הַבֹּ֣קֶר (haboqer) = van de morgen | וְהָעֶ֔רֶב (vehaerev) = en van de avond | וְהָ֣עֹל֔וֹת (vehaolot) = en de brandoffers | לַשַּׁבָּת֖וֹת (lashabatot) = voor de sabbatten | וְלֶחֳדָשִׁ֣ים (velechodashim) = en voor de nieuwe manen | וְלַמֹּעֲדִ֑ים (velamoadim) = en voor de vastgestelde tijden | כַּכָּת֖וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בְּתוֹרַ֥ת (betorat) = in de wet van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנָת (menat), ‘deel’: het deel dat de koning uit zijn eigen bezit gaf. Voor de offers van elke dag, sabbat en nieuwe maan zie Num. 28:1–15. De offers voor de feesten staan in Num. 28:16–29:39. Zie ook 1 Kron. 23:31. Zie ook: Num 28:1–30:1; Num 28:16–29:39; 1 Kron 23:31; 2 Kron 35:7; Ezech 45:17; Ezech 46:12–18; Kol 2:16–17 ### Het volk brengt het deel van de priesters en Levieten **31:4** Hij zei tegen het volk, de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel van de priesters en de Levieten moesten geven. Zo konden zij standvastig blijven in de wet van Yahweh. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָעָם֙ (laam) = tegen het volk | לְיוֹשְׁבֵ֣י (leyoshevei) = tegen de inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לָתֵ֕ת (latet) = om te geven | מְנָ֥ת (menat) = het deel van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֑ם (vehalviyim) = en de Levieten | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | יֶחֶזְק֖וּ (yechezqu) = zij standvastig zouden blijven | בְּתוֹרַ֥ת (betorat) = in de wet van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יֶחֱזְקוּ (yechezqu), ‘zij zouden standvastig blijven’: letterlijk ‘zij zouden sterk worden’. Het deel zorgt ervoor dat de priesters en Levieten zich aan de dienst kunnen wijden. Zie ook: Num 18:8–21; Num 18:26–28; Mal 2:7; Gal 6:6; 1 Kor 9:9–14 **31:5** Zodra dit woord zich verspreidde, brachten de zonen van Israël in overvloed het eerste van het koren, de most, de olie en de honing. Ook van alle opbrengst van het veld brachten zij het eerste. Van alles brachten zij de tiende, in grote hoeveelheid. Brontekst: וְכִפְרֹ֣ץ (vekhifrots) = en zodra verspreidde | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | הִרְבּ֤וּ (hirbu) = brachten in overvloed | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = het eerste van | דָּגָ֗ן (dagan) = koren | תִּיר֤וֹשׁ (tirosh) = most | וְיִצְהָר֙ (veyitshar) = en olie | וּדְבַ֔שׁ (udevash) = en honing | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | תְּבוּאַ֣ת (tevuat) = opbrengst van | שָׂדֶ֑ה (sade) = het veld | וּמַעְשַׂ֥ר (umasar) = en de tiende van | הַכֹּ֛ל (hakol) = alles | לָרֹ֖ב (larov) = in grote hoeveelheid | הֵבִֽיאוּ (heviu) = brachten zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּפְרֹץ (kifrots), ‘zodra het zich verspreidde’: letterlijk ‘zoals het doorbrak’. רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerste opbrengst van de oogst. Zie Deut. 18:4. Voetnoot : מַעְשַׂר (ma’aser), ‘tiende’: een tiende deel van de opbrengst (Lev. 27:30–32; Num. 18:21–28; Deut. 14:22–29). Zie ook: Ex 35:5; Ex 36:5–6; Lev 27:30–32; Num 18:21–28; Deut 14:22–29; Deut 18:4; 2 Kron 24:10–11; Neh 13:12; Neh 13:31 **31:6** Ook de zonen van Israël en Juda die in de steden van Juda woonden, brachten de tiende van het rundvee en het kleinvee. Ook brachten zij de tiende van de heilige dingen, die aan Yahweh, hun Elohim, waren gewijd. Zij legden die neer in hopen, hoop naast hoop. Brontekst: וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָ֗ה (vihuda) = en Juda | הַיּֽוֹשְׁבִים֮ (hayoshevim) = die woonden | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָה֒ (yehuda) = Juda | גַּם (gam) = ook | הֵ֗ם (hem) = zij | מַעְשַׂ֤ר (masar) = de tiende van | בָּקָר֙ (baqar) = rundvee | וָצֹ֔אן (vatson) = en kleinvee | וּמַעְשַׂ֣ר (umasar) = en de tiende van | קָֽדָשִׁ֔ים (qadashim) = heilige dingen | הַמְקֻדָּשִׁ֖ים (hamqudashim) = die gewijd waren | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | הֵבִ֕יאוּ (heviu) = brachten zij | וַֽיִּתְּנ֖וּ (vayitenu) = en zij legden neer | עֲרֵמ֥וֹת (aremot) = hopen | עֲרֵמֽוֹת (aremot) = hopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדָשִׁים (qodashim), ‘heilige dingen’: alles wat aan Yahweh was gewijd. Het woord ‘heilige dingen’ geldt hier voor de gewijde gaven die los staan van de tiende van de oogst en van het vee. Zie Lev. 27:30–33. Voetnoot : עֲרֵמוֹת (aremot), ‘hopen’: opgestapelde voorraad. Zie ook: Lev 27:30; Deut 14:28; 2 Kron 11:16–17 **31:7** In de derde maand begonnen zij de hopen op te stapelen. In de zevende maand waren zij klaar. Brontekst: בַּחֹ֨דֶשׁ֙ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁלִשִׁ֔י (hashelishi) = de derde | הֵחֵ֥לּוּ (hechelu) = begonnen zij | הָעֲרֵמ֖וֹת (haaremot) = de hopen | לְיִסּ֑וֹד (leyisod) = op te stapelen | וּבַחֹ֥דֶשׁ (uvachodesh) = en in de maand | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | כִּלּֽוּ (kilu) = waren zij klaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַיְסוֹד (leyesod), ‘op te stapelen’: letterlijk ‘tot een fundament’. De hopen werden opgebouwd, laag op laag. De tekst legt zelf geen verband met een oogstfeest. Het feest van de hutten viel in de zevende maand (Lev. 23:34). Zie ook: Lev 23:16–24; Lev 23:34 **31:8** Hizkia en de leiders kwamen en zagen de hopen. Zij zegenden Yahweh en Zijn volk Israël. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | יְחִזְקִיָּ֣הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | וְהַשָּׂרִ֔ים (vehasarim) = en de leiders | וַיִּרְא֖וּ (vayiru) = en zagen | אֶת (et) = (obj.) | הָעֲרֵמ֑וֹת (haaremot) = de hopen | וַֽיְבָרֲכוּ֙ (vayvarakhu) = en zegenden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | עַמּ֥וֹ (amo) = Zijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 144:15; 2 Kor 8:16; Ef 1:3; Fil 4:10; Fil 4:19 **31:9** Hizkia vroeg de priesters en de Levieten naar de hopen. Brontekst: וַיִּדְרֹ֣שׁ (vayidrosh) = en vroeg | יְחִזְקִיָּ֗הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עַל (al) = naar | הַכֹּֽהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֖ם (vehalviyim) = en de Levieten | עַל (al) = naar | הָעֲרֵמֽוֹת (haaremot) = de hopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּדְרשׁ עַל (vayidrosh al), ‘hij vroeg naar’: hij onderzocht, hij vroeg uitleg over de hopen. **31:10** Azarja, de hoofdpriester uit het huis van Zadok, zei tegen hem. Hij zei: „Sinds men begon de heffing naar het huis van Yahweh te brengen, is er gegeten. Wij zijn verzadigd en er is veel overgebleven. Want Yahweh heeft Zijn volk gezegend. Wat er overblijft, is deze grote hoeveelheid.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | עֲזַרְיָ֧הוּ (azaryahu) = Azarja | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | הָרֹ֖אשׁ (harosh) = het hoofd | לְבֵ֣ית (leveit) = van het huis van | צָד֑וֹק (tsadoq) = Zadok | וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en hij zei | מֵהָחֵ֨ל (mehachel) = sinds begon | הַתְּרוּמָ֜ה (hateruma) = de heffing | לָבִ֣יא (lavi) = te brengen naar | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אָכ֨וֹל (akhol) = eten | וְשָׂב֤וֹעַ (vesavoa) = en verzadigd worden | וְהוֹתֵר֙ (vehoter) = en overhouden | עַד (ad) = tot | לָר֔וֹב (larov) = overvloed | כִּ֤י (ki) = want | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בֵּרַ֣ךְ (berakh) = heeft gezegend | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | וְהַנּוֹתָ֖ר (vehanotar) = en wat overblijft | אֶת (et) = (obj.) | הֶהָמ֥וֹן (hehamon) = deze grote hoeveelheid | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’: de hoofdpriester (הַכֹּהֵן הָרֹאשׁ, hakohen harosh) uit het huis van Zadok. Dit is een ander woord dan ‘hogepriester’ (kohen gadol, 2 Kron. 34:9). Hij is een andere man dan Azarja, de zoon van Oded (2 Kron. 15:1). Voor Zadok zie 1 Kron. 5:34. Voetnoot : הַתְּרוּמָה (hatterumah), ‘de heffing’: wat men voor Yahweh opheft, zoals in Num. 18:8. Voetnoot : הָמוֹן (hamon), ‘menigte’: hier wordt het woord gebruikt voor de grote hoop voorraad. Wij vertalen ‘grote hoeveelheid’. In 2 Kron. 32:7 betekent het woord ‘menigte’ (van mensen). Voetnoot : אָכוֹל וְשָׂבוֹעַ וְהוֹתֵר (akhol vesavoa vehoter), ‘eten, verzadigd worden en overhouden’: drie werkwoordsvormen na elkaar, zonder onderwerp. De zin zegt dat men at, genoeg had en nog overhield. Voetnoot Lezing: De laatste zin (וְהַנּוֹתָר אֶת־הֶהָמוֹן הַזֶּה, vehannotar et hehamon hazeh) is kort en moeilijk. Letterlijk staat er: ‘en het overgeblevene, (obj.) deze menigte’. Wij lezen: ‘wat er overblijft, is deze grote hoeveelheid’. Zie ook: Gen 30:27–30; Num 18:8; 1 Kron 5:34; 2 Kon 4:43–44; 2 Kron 15:1; 2 Kron 32:7; 2 Kron 34:9; Ezech 44:15; Mal 3:10 ### De kamers en de uitdeling **31:11** Hizkia zei dat men kamers moest inrichten in het huis van Yahweh. Zij richtten ze in. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְחִזְקִיָּ֗הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | לְהָכִ֧ין (lehakhin) = om in te richten | לְשָׁכ֛וֹת (leshakhot) = kamers | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּכִֽינוּ (vayakhinu) = en zij richtten in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשָׁכוֹת (leshakhot), ‘kamers’: ruimtes bij de tempel, hier gebruikt om voorraad op te slaan (zie ook 1 Kron. 9:26 en 28:12). Wij vertalen overal ‘kamers’, waar het geen schatkamers zijn. Zie ook: 1 Kron 9:26; 1 Kron 28:12; Neh 10:39–40; Neh 13:5; Neh 13:12–13 **31:12** Zij brachten de heffing, de tiende en de heilige dingen met betrouwbaarheid binnen. Over hen was Kenanja, de Leviet, de leider. Zijn broer Simeï was de tweede. Brontekst: וַיָּבִ֨יאוּ (vayaviu) = en zij brachten binnen | אֶת (et) = (obj.) | הַתְּרוּמָ֧ה (hateruma) = de heffing | וְהַֽמַּעֲשֵׂ֛ר (vehamaaser) = en de tiende | וְהַקֳּדָשִׁ֖ים (vehaqodashim) = en de heilige dingen | בֶּאֱמוּנָ֑ה (beemuna) = met betrouwbaarheid | וַעֲלֵיהֶ֤ם (vaaleihem) = en over hen | נָגִיד֙ (nagid) = leider | כָּֽנַנְיָ֣הוּ (kananyahu) = Kenanja | הַלֵּוִ֔י (halevi) = de Leviet | וְשִׁמְעִ֥י (veshimi) = en Simeï | אָחִ֖יהוּ (achihu) = zijn broer | מִשְׁנֶֽה (mishne) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּאֱמוּנָה (be’emunah), ‘met betrouwbaarheid’: zonder iets achter te houden. Het woord staat ook in vers 15 en 18, en in 2 Kron. 19:9 en 34:12. Voetnoot : נָגִיד (nagid), ‘leider’: de hoogste in zijn taak. מִשְׁנֶה (mishneh), ‘de tweede’: de tweede na hem. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat de naam van Kenanja hier met een andere spelling (כונניהו, Kononyahu). Wij volgen de gelezen tekst (qere). Hetzelfde geldt voor vers 13. Over Kenanja zie 1 Kron. 15:22. Zie ook: 1 Kron 15:22; 1 Kron 26:20–26; 2 Kon 12:16; 2 Kron 19:9; 2 Kron 31:13; 2 Kron 31:15; 2 Kron 31:18; 2 Kron 34:12; 2 Kron 35:9 **31:13** Jechiël, Azazja, Nachat, Asaël, Jerimot, Jozabad, Eliël, Jismachja, Machat en Benaja waren opzichters onder de hand van Kenanja en van zijn broer Simeï. Zij waren aangesteld door koning Hizkia. Azarja was de leider van het huis van Elohim. Brontekst: וִֽיחִיאֵ֡ל (vichiel) = en Jechiël | וַ֠עֲזַזְיָהוּ (vaazazyahu) = en Azazja | וְנַ֨חַת (venachat) = en Nachat | וַעֲשָׂהאֵ֜ל (vaasahel) = en Asaël | וִֽירִימ֤וֹת (virimot) = en Jerimot | וְיוֹזָבָד֙ (veyozavad) = en Jozabad | וֶאֱלִיאֵ֣ל (veeliel) = en Eliël | וְיִסְמַכְיָ֔הוּ (veyismakhyahu) = en Jismachja | וּמַ֖חַת (umachat) = en Machat | וּבְנָיָ֑הוּ (uvenayahu) = en Benaja | פְּקִידִ֗ים (peqidim) = opzichters | מִיַּ֤ד (miyad) = onder de hand van | כָּֽנַנְיָ֨הוּ֙ (kananyahu) = Kenanja | וְשִׁמְעִ֣י (veshimi) = en Simeï | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | בְּמִפְקַד֙ (bemifqad) = op aanstelling van | יְחִזְקִיָּ֣הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַעֲזַרְיָ֖הוּ (vaazaryahu) = en Azarja | נְגִ֥יד (negid) = leider van | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקִידִים (peqidim), ‘opzichters’: mannen die zijn aangesteld om toezicht te houden. בְּמִפְקַד (bemifqad), ‘op aanstelling van’: letterlijk ‘in de aanstelling van’. Twee van deze namen komen ook voor in 1 Kron. 15: Jechiël (vers 18) en Azazja (vers 21). Dat kunnen andere mannen zijn met dezelfde naam. Voetnoot : עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’: de hoofdpriester uit vers 10. נְגִיד בֵּית הָאֱלֹהִים (nagid beit ha’Elohim), ‘leider van het huis van Elohim’: de titel van de hoogste priester, zoals in 1 Kron. 9:11. Zie ook: 1 Kron 9:11; 1 Kron 24:5; 2 Kron 31:4; 2 Kron 31:10–11; 2 Kron 31:18; 2 Kron 31:21; Neh 11:11 **31:14** Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortwachter aan de oostkant, was aangesteld over de vrijwillige gaven aan Elohim. Hij moest de heffing van Yahweh en de hoogheilige dingen uitdelen. Brontekst: וְקוֹרֵ֨א (veqore) = en Kore | בֶן (ben) = zoon van | יִמְנָ֤ה (yimna) = Jimna | הַלֵּוִי֙ (halevi) = de Leviet | הַשּׁוֹעֵ֣ר (hashoer) = de poortwachter | לַמִּזְרָ֔חָה (lamizracha) = aan de oostkant | עַ֖ל (al) = over | נִדְב֣וֹת (nidvot) = de vrijwillige gaven van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | לָתֵת֙ (latet) = om uit te delen | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = de heffing van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְקָדְשֵׁ֖י (veqadeshei) = en de heilige dingen van | הַקֳּדָשִֽׁים (haqodashim) = de hoogheilige dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹרֵא (Qore), ‘Kore’: een Leviet, de zoon van Jimna. Hij is een andere man dan Kore de Korachiet (1 Kron. 26:1). נִדְבוֹת (nidvot), ‘vrijwillige gaven’: gaven die men uit eigen wil aan Elohim bracht, naast wat de wet vroeg. קָדְשֵׁי הַקֳּדָשִׁים (qodshei haqodashim), ‘de hoogheilige dingen’: de delen die alleen de priesters mochten eten (Lev. 2:3). Voetnoot : שׁוֹעֵר (sho’er), ‘poortwachter’. De oostelijke poort was de belangrijkste ingang van de tempel. Zie ook: Lev 2:3; Lev 27:28; 1 Kron 26:1; 1 Kron 26:14; Ps 119:108; Ezra 1:4; Ezra 3:5 **31:15** Onder zijn hand stonden Eden, Minjamin, Jesua, Sjemaja, Amarja en Sjekanja in de steden van de priesters. Zij moesten met betrouwbaarheid uitdelen aan hun broeders, volgens de afdelingen, aan groot en klein. Brontekst: וְעַל (veal) = en onder | יָד֡וֹ (yado) = zijn hand | עֵ֣דֶן (eden) = Eden | וּ֠מִנְיָמִן (uminyamin) = en Minjamin | וְיֵשׁ֨וּעַ (veyeshua) = en Jesua | וּֽשְׁמַֽעְיָ֜הוּ (ushemayahu) = en Sjemaja | אֲמַרְיָ֧הוּ (amaryahu) = Amarja | וּשְׁכַנְיָ֛הוּ (ushekhanyahu) = en Sjekanja | בְּעָרֵ֥י (bearei) = in de steden van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | בֶּאֱמוּנָ֑ה (beemuna) = met betrouwbaarheid | לָתֵ֤ת (latet) = om uit te delen | לַאֲחֵיהֶם֙ (laacheihem) = aan hun broeders | בְּמַחְלְק֔וֹת (bemachleqot) = volgens de afdelingen | כַּגָּד֖וֹל (kagadol) = als de grote | כַּקָּטָֽן (kaqatan) = als de kleine Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵדֶן (Eden), ‘Eden’: hier de naam van een man. Het is niet de tuin van Genesis 2. Dezelfde naam komt voor in 2 Kron. 29:12. Voetnoot : מִנְיָמִן (Minyamin), ‘Minjamin’: een andere man dan Benjamin (בִּנְיָמִן) en dan Mijamin uit 1 Kron. 24:9. Voetnoot : בְּעָרֵי הַכֹּהֲנִים (be’arei hakohanim), ‘in de steden van de priesters’: de steden die aan de priesters waren gegeven (Joz. 21:9–19). Zie ook: Joz 21:9–19; 1 Kron 6:39–45; 1 Kron 9:22; 1 Kron 24:9; 1 Kron 25:8; 2 Kron 29:12; 2 Kron 31:13 **31:16** Dit kwam bovenop de inschrijving van de mannen van 3 jaar oud en ouder. Het gold voor iedereen die in het huis van Yahweh binnenkwam voor het werk van elke dag. Het was voor hun dienst, in hun wachtdiensten, volgens hun afdelingen. Brontekst: מִלְּבַ֞ד (milevad) = behalve | הִתְיַחְשָׂ֣ם (hityachsam) = hun inschrijving | לִזְכָרִ֗ים (lizkharim) = van de mannen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de leeftijd van | שָׁל֤וֹשׁ (shalosh) = drie | שָׁנִים֙ (shanim) = jaar | וּלְמַ֔עְלָה (ulemala) = en ouder | לְכָל (lekhal) = voor iedereen | הַבָּ֥א (haba) = die binnenkomt | לְבֵית (leveit) = in het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִדְבַר (lidvar) = voor het werk van | י֣וֹם (yom) = elke dag | בְּיוֹמ֑וֹ (beyomo) = op zijn dag | לַעֲב֣וֹדָתָ֔ם (laavodatam) = voor hun dienst | בְּמִשְׁמְרוֹתָ֖ם (bemishmerotam) = in hun wachtdiensten | כְּמַחְלְקוֹתֵיהֶֽם (kemachleqoteihem) = volgens hun afdelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin is niet af: hij sluit aan bij de uitdeling in vers 15. Het gaat om de mannen vanaf 3 jaar oud die in de lijsten stonden en die ook een deel kregen. Zij mochten dag aan dag het huis van Yahweh binnengaan. Wij vertalen de Hebreeuwse tekst zoals hij er staat. Voetnoot : מִשְׁמָרוֹת (mishmarot), ‘wachtdiensten’, en מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: zie vers 2. Voetnoot Lezing: De leeftijd van 3 jaar is hier opvallend: in 1 Kron. 23:3 worden de Levieten geteld vanaf 30 jaar en in 23:24 en 23:27 vanaf 20 jaar. Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk. Zie ook: Lev 21:22–23; 1 Kron 23:3; 2 Kron 31:2; 2 Kron 31:15; Ezra 3:4 **31:17** Ook de priesters werden ingeschreven naar het huis van hun vaderen. Zo ook de Levieten van 20 jaar oud en ouder, in hun wachtdiensten, volgens hun afdelingen. Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | הִתְיַחֵ֤שׂ (hityaches) = de inschrijving van | הַכֹּהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֲבוֹתֵיהֶ֔ם (avoteihem) = hun vaderen | וְהַ֨לְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | מִבֶּ֛ן (miben) = vanaf de leeftijd van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּלְמָ֑עְלָה (ulemaela) = en ouder | בְּמִשְׁמְרוֹתֵיהֶ֖ם (bemishmeroteihem) = in hun wachtdiensten | בְּמַחְלְקוֹתֵיהֶֽם (bemachleqoteihem) = volgens hun afdelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook dit vers is een afgebroken zin: ‘en de inschrijving van de priesters’. Wij lezen: ook de priesters en Levieten werden ingeschreven, de Levieten vanaf 20 jaar (zie 1 Kron. 23:24–27). Zie ook: Num 3:15; 1 Kron 23:24; 1 Kron 23:27; 1 Kron 24:20–25:26; Ezra 2:59 **31:18** Zij werden ingeschreven met al hun kleine kinderen, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, voor heel de vergadering. Want in hun betrouwbaarheid maakten zij zich heilig, heilig. Brontekst: וּלְהִתְיַחֵ֗שׂ (ulehityaches) = en om in te schrijven | בְּכָל (bekhal) = met al | טַפָּ֧ם (tapam) = hun kleine kinderen | נְשֵׁיהֶ֛ם (nesheihem) = hun vrouwen | וּבְנֵיהֶ֥ם (uveneihem) = en hun zonen | וּבְנוֹתֵיהֶ֖ם (uvenoteihem) = en hun dochters | לְכָל (lekhal) = voor heel | קָהָ֑ל (qahal) = de vergadering | כִּ֥י (ki) = want | בֶאֱמוּנָתָ֖ם (beemunatam) = in hun betrouwbaarheid | יִתְקַדְּשׁוּ (yitqadeshu) = zij maakten zich heilig | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַפָּם (tappam), ‘hun kleine kinderen’: de kinderen die nog niet kunnen lopen of nog klein zijn. קָהָל (qahal), ‘vergadering’: de hele groep van priesters en Levieten. Voetnoot : יִתְקַדְּשׁוּ קֹדֶשׁ (yitqaddeshu qodesh), ‘zij maakten zich heilig, heilig’: letterlijk ‘zij heiligden zich in heiligheid’. De betekenis is waarschijnlijk dat zij zich met grote zorg aan het heilige wijdden. Wij laten de herhaling staan. Zie ook: 1 Kron 9:22; 2 Kron 31:15; Jes 5:16; Rom 15:16 **31:19** Ook waren er voor de zonen van Aäron, de priesters, mannen die bij naam waren aangewezen. Zij waren er op de velden van de weidegrond van hun steden, in elke stad. Zij moesten porties geven aan elke man onder de priesters en aan iedereen die onder de Levieten was ingeschreven. Brontekst: וְלִבְנֵי֩ (velivnei) = en voor de zonen van | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֲנִ֜ים (hakohanim) = de priesters | בִּשְׂדֵ֨י (bisdei) = op de velden van | מִגְרַ֤שׁ (migrash) = de weidegrond van | עָרֵיהֶם֙ (areihem) = hun steden | בְּכָל (bekhal) = in elke | עִ֣יר (ir) = stad | וָעִ֔יר (vair) = en stad | אֲנָשִׁ֕ים (anashim) = mannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִקְּב֖וּ (niqevu) = waren aangewezen | בְּשֵׁמ֑וֹת (beshemot) = bij naam | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | מָנ֗וֹת (manot) = porties | לְכָל (lekhal) = aan elke | זָכָר֙ (zakhar) = man | בַּכֹּ֣הֲנִ֔ים (bakohanim) = onder de priesters | וּלְכָל (ulekhal) = en aan elke | הִתְיַחֵ֖שׂ (hityaches) = ingeschrevene | בַּלְוִיִּֽם (balviyim) = onder de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De steden van de priesters lagen in Juda en Benjamin (Joz. 21:9–19). Voetnoot Uitleg: מִגְרָשׁ (migrash), ‘weidegrond’: het land rond een stad dat bij de stad hoorde, zoals in Num. 35:2–5. Voetnoot : מָנוֹת (manot), ‘porties’: een deel van het eten dat men uitdeelde. Zie ook: Lev 25:34; Num 35:2–5; Joz 21:9–19; 1 Kron 6:39; 2 Kron 28:15; 2 Kron 31:12–15 ### Hizkia handelt trouw **31:20** Zo deed Hizkia in heel Juda. Hij deed wat goed en juist en waar was voor het aangezicht van Yahweh, zijn Elohim. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en deed | כָּזֹ֛את (kazot) = zo | יְחִזְקִיָּ֖הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | בְּכָל (bekhal) = in heel | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הַטּ֤וֹב (hatov) = het goede | וְהַיָּשָׁר֙ (vehayashar) = en het juiste | וְהָ֣אֱמֶ֔ת (vehaemet) = en de waarheid | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַטּוֹב וְהַיָּשָׁר וְהָאֱמֶת (hatov vehayashar vehe’emet), ‘het goede, het juiste en de waarheid’: drie woorden die samen zeggen dat Hizkia volledig deed wat Yahweh vraagt. Het woord אֱמֶת (emet), ‘waarheid’, komt terug in 2 Kron. 32:1. Zie ook: 2 Kon 20:3; 2 Kon 22:2; 2 Kron 32:1; Hand 24:16; 1 Tess 2:10; 3 Joh 1:5 **31:21** Bij elk werk dat hij begon voor de dienst van het huis van Elohim, voor de wet en voor het gebod, zocht hij zijn Elohim. Hij deed het met heel zijn hart en had succes. Brontekst: וּבְכָֽל (uvekhal) = en in elk | מַעֲשֶׂ֞ה (maase) = werk | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵחֵ֣ל (hechel) = hij begon | בַּעֲבוֹדַ֣ת (baavodat) = in de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | וּבַתּוֹרָה֙ (uvatora) = en in de wet | וּבַמִּצְוָ֔ה (uvamitsva) = en in het gebod | לִדְרֹ֖שׁ (lidrosh) = om te zoeken | לֵֽאלֹהָ֑יו (lelohav) = zijn Elohim | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָב֥וֹ (levavo) = zijn hart | עָשָׂ֖ה (asa) = deed hij | וְהִצְלִֽיחַ (vehitsliach) = en had succes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִדְרשׁ (lidrosh), ‘zoeken’: Yahweh of Elohim zoeken is in Kronieken vaak een kernwoord (zie 2 Kron. 15:2). Dit hoofdstuk heeft geen parallel in Koningen. Zie ook: Deut 6:5; Joz 1:7–8; Pred 9:10; 2 Kron 15:2; Jer 29:13; Mat 6:33 ## 2 Kronieken 32 _Sanherib tegen Jeruzalem; Hizkia's ziekte, rijkdom en dood_ ### Sanherib valt Juda binnen **32:1** Na deze zaken en deze waarheid kwam Sanherib, de koning van Assyrië. Hij drong Juda binnen en legerde zich tegen de versterkte steden. Hij nam zich voor ze voor zichzelf open te breken. Brontekst: אַחֲרֵ֨י (acharei) = na | הַדְּבָרִ֤ים (hadevarim) = de zaken | וְהָאֱמֶת֙ (vehaemet) = en de waarheid | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | בָּ֖א (ba) = kwam | סַנְחֵרִ֣יב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam binnen | בִֽיהוּדָ֗ה (bihuda) = in Juda | וַיִּ֨חַן֙ (vayichan) = en hij legerde zich | עַל (al) = tegen | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הַבְּצֻר֔וֹת (habetsurot) = de versterkte | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְבִקְעָ֥ם (leviqam) = om ze open te breken | אֵלָֽיו (elav) = voor zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 18:13–20:21 en Jes. 36–39. Kronieken vertelt korter en laat veel weg, zoals de betaling van Hizkia (2 Kon. 18:14–16). Voetnoot : הַדְּבָרִים וְהָאֱמֶת (haddevarim vehe’emet), ‘de zaken en de waarheid’: letterlijk ‘de woorden en de waarheid’. Het verwijst naar wat Hizkia deed in 2 Kron. 29–31, vooral naar 31:20, waar ook ‘de waarheid’ staat. Wij laten het woord ‘waarheid’ staan. Voetnoot : סַנְחֵרִיב (Sancheriv), ‘Sanherib’: koning van Assyrië. Voetnoot : וַיֹּאמֶר (vayomer), ‘hij zei’: letterlijk staat er ‘hij zei’. Wij lezen: hij nam zich dit voor, in zijn hart. Zie ook: 2 Kon 18:11; 2 Kon 18:13–37; 2 Kon 18:14–16; Jes 7:17–18; Jes 10:5–11; Mi 2:13 ### Hizkia versterkt Jeruzalem **32:2** Hizkia zag dat Sanherib was gekomen. Hij zag dat Sanherib zijn gezicht op de oorlog tegen Jeruzalem had gericht. Brontekst: וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | יְחִזְקִיָּ֔הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | כִּי (ki) = dat | בָ֖א (ba) = gekomen was | סַנְחֵרִ֑יב (sancheriv) = Sanherib | וּפָנָ֕יו (ufanav) = en zijn gezicht | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = gericht op de oorlog | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וּפָנָיו לַמִּלְחָמָה (ufanav lammilchamah), ‘zijn gezicht op de oorlog gericht’: Sanherib was uit op oorlog tegen Jeruzalem. Zie ook: 2 Kon 12:18; Luc 9:51; Luc 9:53 **32:3** Hij overlegde met zijn leiders en zijn helden om het water van de bronnen buiten de stad af te sluiten. Zij hielpen hem. Brontekst: וַיִּוָּעַ֗ץ (vayivaats) = en overlegde | עִם (im) = met | שָׂרָיו֙ (sarav) = zijn leiders | וְגִבֹּרָ֔יו (vegiborav) = en zijn helden | לִסְתּוֹם֙ (listom) = om af te sluiten | אֶת (et) = (obj.) | מֵימֵ֣י (meimei) = het water van | הָעֲיָנ֔וֹת (haayanot) = de bronnen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לָעִ֑יר (lair) = de stad | וַֽיַּעְזְרֽוּהוּ (vayazeruhu) = en zij hielpen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De bronnen buiten de stad liggen rond Jeruzalem. Waarschijnlijk is de Gihon er een van (vers 30), in het Kidrondal aan de oostkant van de oude stad. Voetnoot Uitleg: שָׂרָיו וְגִבֹּרָיו (sarav vegibborav), ‘zijn leiders en zijn helden’: de hoge ambtenaren en de krijgers. Zie ook: Spr 15:22; Spr 20:18; Spr 24:6; 2 Kon 20:20; 2 Kron 32:30; Rom 11:34 **32:4** Een grote groep mensen kwam samen. Zij sloten alle bronnen af en de beek die midden door het land stroomde. Zij zeiden: „Waarom zouden de koningen van Assyrië komen en veel water vinden?” Brontekst: וַיִּקָּבְצ֣וּ (vayiqavetsu) = en zij kwamen samen | עַם (am) = volk | רָ֔ב (rav) = groot | וַֽיִּסְתְּמוּ֙ (vayistemu) = en zij sloten af | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמַּעְיָנ֔וֹת (hamayanot) = de bronnen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנַּ֛חַל (hanachal) = de beek | הַשּׁוֹטֵ֥ף (hashotef) = die stroomt | בְּתוֹךְ (betokh) = midden in | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לָ֤מָּה (lama) = waarom | יָב֨וֹאוּ֙ (yavou) = zouden komen | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וּמָצְא֖וּ (umatseu) = en vinden | מַ֥יִם (mayim) = water | רַבִּֽים (rabim) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: הַנַּחַל הַשּׁוֹטֵף בְּתוֹךְ הָאָרֶץ (hannachal hashoteph betokh ha’arets), ‘de beek die midden door het land stroomde’: welke beek dit is, weten wij niet zeker. Men denkt aan een beek bij Jeruzalem. Voetnoot : מַלְכֵי אַשּׁוּר (malkhei ashur), ‘de koningen van Assyrië’: het meervoud. Zo ook in 2 Kron. 28:16. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 19:21; 2 Kon 18:13; 2 Kon 19:17; 2 Kron 28:16; 2 Kron 32:1; 2 Kron 32:30 **32:5** Hij sterkte zichzelf en bouwde heel de muur op die doorbroken was. Hij liet torens op de muur bouwen. Aan de buitenkant bouwde hij nog een muur. Hij versterkte de Millo in de stad van David. Ook maakte hij in grote aantallen werpwapens en schilden. Brontekst: וַיִּתְחַזַּ֡ק (vayitchazaq) = en hij sterkte zich | וַיִּבֶן֩ (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַחוֹמָ֨ה (hachoma) = de muur | הַפְּרוּצָ֜ה (haperutsa) = die doorbroken was | וַיַּ֣עַל (vayaal) = en hij ging omhoog | עַל (al) = op | הַמִּגְדָּל֗וֹת (hamigdalot) = de torens | וְלַח֨וּצָה֙ (velachutsa) = en aan de buitenkant van | הַחוֹמָ֣ה (hachoma) = de muur | אַחֶ֔רֶת (acheret) = een andere | וַיְחַזֵּ֥ק (vaychazeq) = en hij versterkte | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּלּ֖וֹא (hamilo) = de Millo | עִ֣יר (ir) = stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | שֶׁ֛לַח (shelach) = werpwapens | לָרֹ֖ב (larov) = in overvloed | וּמָגִנִּֽים (umaginim) = en schilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Millo (הַמִּלּוֹא) lag in de stad van David, in Jeruzalem. De precieze ligging is onzeker. Zie 1 Kon. 9:15 en 1 Kron. 11:8. Voetnoot Uitleg: שֶׁלַח (shelach), ‘werpwapen’: een wapen dat men werpt, zoals een speer of een werpspies. Wij kiezen het algemene woord ‘werpwapens’. Voetnoot Lezing: וַיַּעַל עַל הַמִּגְדָּלוֹת (vaya’al al hammigdalot), ‘hij ging omhoog op de torens’: de tekst is kort en niet zeker. Mogelijk wordt de muur tot aan de torens verhoogd, of worden er torens op gebouwd. Wij vertalen ‘hij liet torens op de muur bouwen’. Zie ook: 2 Sam 5:9; 1 Kron 11:8; 1 Kon 9:15; 1 Kon 9:24; 2 Kon 25:4; 2 Kron 25:23; Jes 22:9–10 **32:6** Hij stelde aanvoerders in de oorlog aan over het volk. Hij bracht hen bij zich samen op het plein bij de stadspoort. Hij sprak hun moed in en zei: Brontekst: וַיִּתֵּ֛ן (vayiten) = en hij stelde aan | שָׂרֵ֥י (sarei) = aanvoerders van | מִלְחָמ֖וֹת (milchamot) = oorlogen | עַל (al) = over | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיִּקְבְּצֵ֣ם (vayiqbetsem) = en hij verzamelde hen | אֵלָ֗יו (elav) = bij zich | אֶל (el) = op | רְחוֹב֙ (rechov) = het plein van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | עַל (al) = op | לְבָבָ֖ם (levavam) = hun hart | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרֵי מִלְחָמוֹת (sarei milchamot), ‘aanvoerders in de oorlog’: bevelhebbers over het volk. רְחוֹב שַׁעַר הָעִיר (rechov sha’ar ha’ir), ‘het plein bij de stadspoort’: het open plein achter of bij de poort. Voetnoot : וַיְדַבֵּר עַל לִבָּם (vayedabber al libbam), ‘hij sprak hun moed in’: letterlijk ‘hij sprak op hun hart’. Zie ook: Gen 34:3; 2 Kron 30:22; Jes 40:2; Ezra 10:9; Neh 8:16 **32:7** „Wees sterk en moedig. Wees niet bang en laat jullie niet ontmoedigen voor de koning van Assyrië en voor heel de menigte die bij hem is. Want met ons is er meer dan met hem. Brontekst: חִזְק֣וּ (chizqu) = wees sterk | וְאִמְצ֔וּ (veimtsu) = en wees moedig | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֣וּ (tireu) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחַ֗תּוּ (techatu) = wees ontmoedigd | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וּמִלִּפְנֵ֖י (umilifnei) = en voor het aangezicht van | כָּל (kal) = heel | הֶהָמ֣וֹן (hehamon) = de menigte | אֲשֶׁר (asher) = die | עִמּ֑וֹ (imo) = bij hem is | כִּֽי (ki) = want | עִמָּ֥נוּ (imanu) = met ons | רַ֖ב (rav) = is meer | מֵעִמּֽוֹ (meimo) = dan met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: חִזְקוּ וְאִמְצוּ (chizqu ve’imtsu), ‘wees sterk en moedig’: dezelfde woorden als in Deut. 31:6. אַל תִּירְאוּ וְאַל תֵּחַתּוּ (al tir’u ve’al techattu), ‘wees niet bang en laat jullie niet ontmoedigen’. Voetnoot : הָהָמוֹן (hehamon), ‘de menigte’: het leger van Sanherib. Zie ook 2 Kron. 31:10, waar hetzelfde woord een grote hoop voorraad is. Zie ook: Deut 31:6; 2 Kon 6:16; 2 Kron 20:15; 2 Kron 31:10; Rom 8:31; Ef 6:10; 1 Joh 4:4 **32:8** Met hem is de arm van vlees. Maar met ons is Yahweh, onze Elohim, om ons te helpen en om onze strijd te voeren.” Het volk steunde op de woorden van Hizkia, de koning van Juda. Brontekst: עִמּוֹ֙ (imo) = met hem | זְר֣וֹעַ (zeroa) = de arm van | בָּשָׂ֔ר (basar) = vlees | וְעִמָּ֜נוּ (veimanu) = maar met ons | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | לְעָזְרֵ֔נוּ (leazerenu) = om ons te helpen | וּלְהִלָּחֵ֖ם (ulehilachem) = en om te strijden | מִלְחֲמֹתֵ֑נוּ (milchamotenu) = onze strijd | וַיִּסָּמְכ֣וּ (vayisamekhu) = en zij steunden | הָעָ֔ם (haam) = het volk | עַל (al) = op | דִּבְרֵ֖י (divrei) = de woorden van | יְחִזְקִיָּ֥הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְרוֹעַ בָּשָׂר (zero’a basar), ‘de arm van vlees’: menselijke kracht. Het staat tegenover Yahweh, onze Elohim. Het woord ‘vlees’ staat voor wat zwak en sterfelijk is. Voetnoot : וַיִּסָּמְכוּ (vayissamkhu), ‘zij steunden’: het volk leunde op de woorden van de koning. Zie ook: 2 Kron 20:15; 2 Kron 20:17; Jer 17:5; Hand 18:10; 2 Tim 4:17 ### De boodschap van Sanherib **32:9** Hierna stuurde Sanherib, de koning van Assyrië, zijn dienaren naar Jeruzalem. Zelf lag hij met al zijn macht voor Lachis. Zijn boodschap was voor Hizkia, de koning van Juda, en voor heel Juda dat in Jeruzalem was. Hij zei: Brontekst: אַ֣חַר (achar) = hierna | זֶ֗ה (ze) = dit | שָׁ֠לַח (shalach) = stuurde | סַנְחֵרִ֨יב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֤וּר (ashur) = Assyrië | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | יְר֣וּשָׁלַ֔יְמָה (yerushalayma) = naar Jeruzalem | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | עַל (al) = voor | לָכִ֔ישׁ (lakhish) = Lachis | וְכָל (vekhal) = en heel | מֶמְשַׁלְתּ֖וֹ (memshalto) = zijn macht | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | עַל (al) = tegen | יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ (yechizqiyahu) = Hizkia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְעַל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lachis lag in het laagland van Juda, bij het huidige Tel Lachish, Israël. Sanherib belegerde de stad. In 2 Kon. 18:17 stuurt hij zijn mannen vanuit Lachis naar Jeruzalem. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: מֶמְשַׁלְתּוֹ (memshaltoh), ‘zijn macht’: letterlijk ‘zijn heerschappij’: alles wat bij zijn heerschappij hoorde, zijn leger en zijn gevolg. Zie ook: Joz 10:31; Joz 12:11; 2 Kon 18:17; Jes 36:2; Jes 37:8 **32:10** „Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarop vertrouwen jullie, dat jullie in Jeruzalem blijven zitten onder de belegering? Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֔ר (amar) = zegt | סַנְחֵרִ֖יב (sancheriv) = Sanherib | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | עַל (al) = waarop | מָה֙ (ma) = wat | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | בֹּטְחִ֔ים (botechim) = vertrouwen | וְיֹשְׁבִ֥ים (veyoshevim) = en blijven zitten | בְּמָצ֖וֹר (bematsor) = in de belegering | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De woorden van Sanherib (verzen 10–15) staan niet rood, want Yahweh spreekt hier niet. Zij vormen één boodschap. Zie 2 Kon. 18:19–35. Voetnoot : בַּמָּצוֹר (bammatsor), ‘in de belegering’: de stad is omsingeld. Zie ook: 2 Kon 18:19; Jes 36:4 **32:11** Misleidt Hizkia jullie niet, om jullie te laten sterven van honger en dorst? Hij zegt: ‘Yahweh, onze Elohim, zal ons redden uit de hand van de koning van Assyrië.’ Brontekst: הֲלֹ֤א (halo) = is het niet | יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ (yechizqiyahu) = Hizkia | מַסִּ֣ית (masit) = die misleidt | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | לָתֵ֣ת (latet) = om over te geven | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | לָמ֛וּת (lamut) = om te sterven | בְּרָעָ֥ב (beraav) = door honger | וּבְצָמָ֖א (uvetsama) = en door dorst | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | יַצִּילֵ֕נוּ (yatsilenu) = zal ons redden | מִכַּ֖ף (mikaf) = uit de hand van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: מַסִּית (massit), ‘misleidt’: het werkwoord betekent ook ‘aanzetten’ of ‘verleiden’. Wij vertalen overal ‘misleiden’. Zie 2 Kon. 18:32. Zie ook: Ps 3:3; Ps 42:11; 2 Kon 18:30; 2 Kon 18:32; 2 Kron 32:15; Jes 36:12 **32:12** Is het niet Hizkia zelf die Zijn hoogten en Zijn altaren heeft weggenomen? Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: ‘Voor één altaar moeten jullie je neerbuigen, en daarop moeten jullie wierook laten opgaan.’ Brontekst: הֲלֹא (halo) = is het niet | הוּא֙ (hu) = hij | יְחִזְקִיָּ֔הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | הֵסִ֥יר (hesir) = die heeft weggenomen | אֶת (et) = (obj.) | בָּמֹתָ֖יו (bamotav) = Zijn hoogten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִזְבְּחֹתָ֑יו (mizbechotav) = Zijn altaren | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | לִֽיהוּדָ֤ה (lihuda) = tegen Juda | וְלִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙ (velirushalaim) = en tegen Jeruzalem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | מִזְבֵּ֧חַ (mizbeach) = altaar | אֶחָ֛ד (echad) = één | תִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ (tishtachavu) = moeten jullie je neerbuigen | וְעָלָ֥יו (vealav) = en daarop | תַּקְטִֽירוּ (taqtiru) = moeten jullie wierook laten opgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Sanherib spreekt over de hoogten en altaren van Yahweh alsof het gewone offerplaatsen van een god zijn. Hizkia had ze weggenomen (2 Kon. 18:4; 2 Kron. 31:1). Zie ook Deut. 12:5. In 2 Kon. 18:22 staat dit vers in een andere vorm. Zie ook: Deut 12:5; Deut 12:13–14; Deut 12:26–27; 2 Kon 18:4; 2 Kon 18:22; 2 Kron 4:1; 2 Kron 31:1; Jes 36:7 **32:13** Weten jullie niet wat ik en mijn vaderen hebben gedaan met alle volken van de landen? Waren de goden van de volken van de landen in staat om hun land uit mijn hand te redden? Brontekst: הֲלֹ֣א (halo) = is het niet | תֵדְע֗וּ (tedeu) = jullie weten | מֶ֤ה (me) = wat | עָשִׂ֨יתִי֙ (asiti) = ik heb gedaan | אֲנִ֣י (ani) = ik | וַאֲבוֹתַ֔י (vaavotay) = en mijn vaderen | לְכֹ֖ל (lekhol) = aan alle | עַמֵּ֣י (amei) = volken van | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | הֲיָכ֣וֹל (hayakhol) = zijn zij in staat | יָֽכְל֗וּ (yakhelu) = konden zij | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = de goden van | גּוֹיֵ֣ (goye) = de volken van | הָאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = om te redden | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֖ם (artsam) = hun land | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי גוֹיֵ הָאֲרָצוֹת (elohei goyei ha’aratsot), ‘de goden van de volken van de landen’: hier is Elohim een meervoud voor goden. Zo ook in de verzen 14, 15 en 17. Zie ook: 2 Kon 15:29; 2 Kon 18:33–35; Jes 44:8–10; Dan 5:19; 1 Kor 8:4 **32:14** Wie onder alle goden van deze volken, die mijn vaderen aan de ban hebben gewijd, kon zijn volk uit mijn hand redden? Hoe zou dan jullie Elohim jullie uit mijn hand kunnen redden? Brontekst: מִ֠י (mi) = wie | בְּֽכָל (bekhal) = onder alle | אֱלֹהֵ֞י (elohei) = goden van | הַגּוֹיִ֤ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֶחֱרִ֣ימוּ (hecherimu) = aan de ban hebben gewijd | אֲבוֹתַ֔י (avotay) = mijn vaderen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָכ֔וֹל (yakhol) = in staat was | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = om te redden | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | מִיָּדִ֑י (miyadi) = uit mijn hand | כִּ֤י (ki) = dat | יוּכַל֙ (yukhal) = zal kunnen | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = om te redden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱרִימוּ (hecherimu), ‘zij hebben aan de ban gewijd’: de ban (cherem) is de volledige vernietiging van een stad of volk. Zie Joz. 6:17. Zie ook: Ex 14:3; Ex 15:9–11; Joz 6:17; Jes 10:11–12; Jes 42:8 **32:15** En nu: laat Hizkia jullie niet bedriegen en jullie niet zo misleiden. Geloof hem niet. Want geen enkele god van enig volk of rijk kon zijn volk redden uit mijn hand en uit de hand van mijn vaderen. Hoeveel minder zullen jullie Elohim jullie redden uit mijn hand!” Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | אַל (al) = niet | יַשִּׁיא֩ (yashi) = laat bedriegen | אֶתְכֶ֨ם (etkhem) = jullie | חִזְקִיָּ֜הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | וְאַל (veal) = en niet | יַסִּ֨ית (yasit) = laat misleiden | אֶתְכֶ֣ם (etkhem) = jullie | כָּזֹאת֮ (kazot) = zo | וְאַל (veal) = en niet | תַּאֲמִ֣ינוּ (taaminu) = geloof | לוֹ֒ (lo) = hem | כִּי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יוּכַ֗ל (yukhal) = kon | כָּל (kal) = enige | אֱל֨וֹהַ֙ (eloha) = god van | כָּל (kal) = enig | גּ֣וֹי (goy) = volk | וּמַמְלָכָ֔ה (umamlakha) = en rijk | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = om te redden | עַמּ֛וֹ (amo) = zijn volk | מִיָּדִ֖י (miyadi) = uit mijn hand | וּמִיַּ֣ד (umiyad) = en uit de hand van | אֲבוֹתָ֑י (avotay) = mijn vaderen | אַ֚ף (af) = hoeveel minder | כִּ֣י (ki) = dat | אֱֽלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לֹא (lo) = niet | יַצִּ֥ילוּ (yatsilu) = zullen redden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַצִּילוּ (yatsilu), ‘zij zullen redden’: een meervoudig werkwoord bij אֱלֹהֵיכֶם (elohekhem), ‘jullie Elohim’. Sanherib spreekt over Yahweh alsof Hij een van de vele goden is. Wij vertalen ‘jullie Elohim’. Voetnoot : אֱלוֹהַּ (eloah), ‘god’: enkelvoud, ‘geen enkele god’. Zie ook: Ex 5:2; 2 Kon 18:29; Jes 36:18; Dan 3:15; Gal 1:10 **32:16** Zijn dienaren spraken nog meer tegen Yahweh, de Elohim, en tegen Hizkia, Zijn dienaar. Brontekst: וְעוֹד֙ (veod) = en nog | דִּבְּר֣וּ (diberu) = spraken | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | עַל (al) = tegen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | יְחִזְקִיָּ֥הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עַבְדּֽוֹ (avdo) = Zijn dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה הָאֱלֹהִים (Yahweh ha’Elohim), ‘Yahweh, de Elohim’. עַבְדּוֹ (avdo), ‘Zijn dienaar’: Hizkia is de dienaar van Yahweh. Zie ook: Job 15:25–26; Ps 73:9; Joh 15:21 **32:17** Ook schreef hij brieven om Yahweh, de Elohim van Israël, te smaden en over Hem te spreken. Hij schreef: „De goden van de volken van de landen hebben hun volk niet uit mijn hand gered. Zo zal ook de Elohim van Hizkia zijn volk niet uit mijn hand redden.” Brontekst: וּסְפָרִ֣ים (usefarim) = en brieven | כָּתַ֔ב (katav) = schreef hij | לְחָרֵ֕ף (lecharef) = om te smaden | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֵֽאמֹ֨ר (velemor) = en om te zeggen | עָלָ֜יו (alav) = over Hem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֵּֽאלֹהֵ֞י (kelohei) = zoals de goden van | גּוֹיֵ֤ (goye) = de volken van | הָאֲרָצוֹת֙ (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | הִצִּ֤ילוּ (hitsilu) = hebben gered | עַמָּם֙ (amam) = hun volk | מִיָּדִ֔י (miyadi) = uit mijn hand | כֵּ֣ן (ken) = zo | לֹֽא (lo) = niet | יַצִּ֞יל (yatsil) = zal redden | אֱלֹהֵ֧י (elohei) = de Elohim van | יְחִזְקִיָּ֛הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְפָרִים (sefarim), ‘brieven’: in 2 Kon. 19:9–14 stuurt Sanherib boodschappers met een brief naar Hizkia. לְחָרֵף (lecharef), ‘smaden’: Yahweh uitdagen en bespotten, zoals in 2 Kon. 19:4 en 19:16. Zie ook: 2 Kon 19:4; 2 Kon 19:9–14; 2 Kon 19:12; 2 Kon 19:14; 2 Kon 19:16; Jes 10:15; Jes 37:14; Jes 37:28–29 **32:18** Zij riepen met luide stem in het Judees naar het volk van Jeruzalem dat op de muur stond. Zij wilden hen bang maken en schrik aanjagen, zodat zij de stad zouden innemen. Brontekst: וַיִּקְרְא֨וּ (vayiqreu) = en zij riepen | בְקוֹל (beqol) = met stem | גָּד֜וֹל (gadol) = luide | יְהוּדִ֗ית (yehudit) = in het Judees | עַל (al) = tegen | עַ֤ם (am) = het volk van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַֽחוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | לְיָֽרְאָ֖ם (leyaream) = om hen bang te maken | וּֽלְבַהֲלָ֑ם (ulevahalam) = en om hen schrik aan te jagen | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | יִלְכְּד֥וּ (yilkedu) = zij zouden innemen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוּדִית (yehudit), ‘in het Judees’: de taal van Juda. Zie 2 Kon. 18:26–28, waar de Rabsake in het Judees roept, zodat het volk het kan verstaan. Zie ook: 1 Sam 17:10; 1 Sam 17:26; 2 Kon 18:26–28; Jes 36:13; Neh 6:9 **32:19** Zij spraken over de Elohim van Jeruzalem zoals over de goden van de volken van de aarde, het werk van de handen van de mens. Brontekst: וַֽיְדַבְּר֔וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֶל (el) = over | אֱלֹהֵ֖י (elohei) = de Elohim van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | כְּעַ֗ל (keal) = zoals over | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = de goden van | עַמֵּ֣י (amei) = de volken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = het werk van | יְדֵ֥י (yedei) = de handen van | הָאָדָֽם (haadam) = de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עַמֵּי הָאָרֶץ (ammei ha’arets), ‘de volken van de aarde’: andere volken. מַעֲשֵׂה יְדֵי הָאָדָם (ma’aseh yedei ha’adam), ‘het werk van de handen van de mens’: de afgodsbeelden. Zo wordt de Elohim van Jeruzalem op één lijn gesteld met beelden van mensen. Zie ook: Ps 10:13–14; Ps 87:1–3; 2 Kon 19:18; Jes 2:8; Jes 14:32 ### Hizkia en Jesaja bidden; Yahweh redt **32:20** Koning Hizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden hierom. Zij riepen om hulp naar de hemel. Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּ֞ל (vayitpalel) = en bad | יְחִזְקִיָּ֣הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וִֽישַֽׁעְיָ֧הוּ (vishayahu) = en Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֛וֹץ (amots) = Amoz | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | עַל (al) = over | זֹ֑את (zot) = dit | וַֽיִּזְעֲק֖וּ (vayizaqu) = en zij riepen om hulp | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = naar de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְשַׁעְיָהוּ בֶן אָמוֹץ (Yesha’yahu ben Amots), ‘Jesaja, de zoon van Amoz’: de profeet. Vers 20 vat samen wat in 2 Kon. 19:1–4 en 19:15–19 uitvoeriger staat (zie ook Jes. 37:1–4 en 37:15–20). Voetnoot : וַיִּזְעֲקוּ (vayiz’aqu), ‘zij riepen om hulp’: het woord hoort bij de noodkreet (za’aqah) van het volk. Zie ook: Ps 91:14–15; 2 Kon 19:1–4; 2 Kon 19:2–4; 2 Kon 19:15; 2 Kron 14:10; 2 Kron 20:6–12; Jes 37:1–4; Jes 37:14–20; Jes 37:15 **32:21** Yahweh stuurde een engel. Die vernietigde elke dappere held, leider en bevelhebber in het kamp van de koning van Assyrië. Hij keerde met een beschaamd gezicht terug naar zijn land. Hij ging het huis van zijn god binnen. Daar lieten zij die uit zijn eigen lichaam waren voortgekomen hem vallen door het zwaard. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מַלְאָ֔ךְ (malakh) = een engel | וַיַּכְחֵ֞ד (vayakhched) = en die vernietigde | כָּל (kal) = elke | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | חַ֨יִל֙ (chayil) = kracht | וְנָגִ֣יד (venagid) = en leider | וְשָׂ֔ר (vesar) = en bevelhebber | בְּמַחֲנֵ֖ה (bemachane) = in het kamp van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וַיָּשָׁב֩ (vayashav) = en hij keerde terug | בְּבֹ֨שֶׁת (bevoshet) = met schaamte van | פָּנִ֜ים (panim) = gezicht | לְאַרְצ֗וֹ (leartso) = naar zijn land | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij ging binnen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֱלֹהָ֔יו (elohav) = zijn god | וּמִֽיצִיאֵ֣י (umitsiei) = en die voortkwamen uit | מֵעָ֔יו (meav) = zijn lichaam | שָׁ֖ם (sham) = daar | הִפִּילֻ֥הוּ (hipiluhu) = lieten hem vallen | בֶחָֽרֶב (becharev) = door het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: מַלְאָךְ (mal’akh), ‘een engel’: zonder lidwoord en zonder de naam ‘engel van Yahweh’. Wij vertalen neutraal ‘een engel’. Zie 2 Kon. 19:35–37 en Jes. 37:36–38. Voetnoot : מִיצִיאֵי מֵעָיו (mitsi’ei me’av), ‘zij die uit zijn lichaam voortkwamen’: letterlijk ‘die uit zijn ingewanden kwamen’: zijn eigen zonen. In 2 Kon. 19:37 worden twee zonen met naam genoemd. De ‘god’ van Sanherib is daar Nisroch. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat een andere spelling van het woord ‘zij die voortkwamen uit’. Wij volgen de gelezen tekst (qere). Zie ook: Ps 18:51; Ps 76:6; Ps 76:8; 2 Kon 19:35–37; 2 Kon 19:37; Jes 37:36–38; Hand 12:23 **32:22** Zo redde Yahweh Hizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de hand van Sanherib, de koning van Assyrië, en uit de hand van allen. Hij leidde hen aan alle kanten. Brontekst: וַיּוֹשַׁע֩ (vayosha) = en redde | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְחִזְקִיָּ֜הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִיַּ֛ד (miyad) = uit de hand van | סַנְחֵרִ֥יב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | וּמִיַּד (umiyad) = en uit de hand van | כֹּ֑ל (kol) = allen | וַֽיְנַהֲלֵ֖ם (vaynahalem) = en hij leidde hen | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: וַיְנַהֲלֵם (vaynahalem), ‘hij leidde hen’: het werkwoord betekent ‘zorgzaam leiden’, zoals ook in 2 Kron. 28:15. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘uit de hand van allen’ (כֹּל, kol). Wij vullen niets aan. Zie ook: Ps 18:49–51; Ps 144:10; 2 Kron 28:15; Hos 1:7; Jes 31:4–5; Joh 16:13 **32:23** Velen brachten een offergave voor Yahweh naar Jeruzalem en kostbare geschenken voor Hizkia, de koning van Juda. Daarna werd hij verheven in de ogen van alle volken. Brontekst: וְ֠רַבִּים (verabim) = en velen | מְבִיאִ֨ים (meviim) = die brengen | מִנְחָ֤ה (mincha) = offergave | לַיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | לִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (lirushalaim) = naar Jeruzalem | וּמִ֨גְדָּנ֔וֹת (umigdanot) = en kostbare geschenken | לִֽיחִזְקִיָּ֖הוּ (lichizqiyahu) = voor Hizkia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיִּנַּשֵּׂ֛א (vayinase) = en hij werd verheven | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = in de ogen van | כָל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | מֵאַֽחֲרֵי (meacharei) = na | כֵֽן (ken) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘offergave’: hier een gave die men aan Yahweh bracht, niet specifiek een graanoffer. מִגְדָּנוֹת (migdanot), ‘kostbare geschenken’: zoals in Gen. 24:53. Hizkia werd groot in de ogen van de volken, ná de redding. Zie ook: Gen 24:53; 2 Kron 1:1; 2 Kron 9:24; 2 Kron 17:5; Jes 60:7–9; Mat 2:11 ### Hizkia's ziekte en hoogmoed **32:24** In die dagen werd Hizkia ziek, tot sterven toe. Hij bad tot Yahweh. Yahweh sprak tot hem en gaf hem een wonderteken. Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | חָלָ֥ה (chala) = werd ziek | יְחִזְקִיָּ֖הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עַד (ad) = tot | לָמ֑וּת (lamut) = sterven | וַיִּתְפַּלֵּל֙ (vayitpalel) = en hij bad | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | וּמוֹפֵ֖ת (umofet) = en een wonderteken | נָ֥תַן (natan) = gaf Hij | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers vat Hizkia's ziekte kort samen. Zie 2 Kon. 20:1–11 en Jes. 38. In het Hebreeuws staat alleen ‘hij zei tot hem’; het onderwerp is Yahweh. Wij zetten de naam erbij. Voetnoot : מוֹפֵת (mofet), ‘wonderteken’: een teken dat een wonder is. In 2 Kon. 20:8–11 gaat de schaduw terug over de treden. Zie ook: 2 Kon 20:1–11; 2 Kon 20:8–11; Jes 38:1–8; Jes 38:21–22 **32:25** Maar Hizkia vergold niet naar wat hem was gegeven, want zijn hart werd hoogmoedig. Er kwam toorn over hem en over Juda en Jeruzalem. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | כִגְמֻ֤ל (kigmul) = naar de weldaad | עָלָיו֙ (alav) = aan hem | הֵשִׁ֣יב (heshiv) = vergold | יְחִזְקִיָּ֔הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | כִּ֥י (ki) = want | גָבַ֖הּ (gavah) = werd hoog | לִבּ֑וֹ (libo) = zijn hart | וַיְהִ֤י (vayhi) = en er kwam | עָלָיו֙ (alav) = over hem | קֶ֔צֶף (qetsef) = toorn | וְעַל (veal) = en over | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushalaim) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: גְּמֻל (gemul), ‘weldaad’: wat iemand voor jou heeft gedaan. Hier is dat de genezing en de redding. Hizkia antwoordde daar niet naar, want zijn hart werd hoog (hoogmoedig). Zie ook: 2 Sam 24:1; 1 Kron 21:12–17; 2 Kron 24:18; 2 Kron 26:16; 2 Kron 32:31 **32:26** Toen boog Hizkia zich neer over de hoogmoed van zijn hart, hij en de inwoners van Jeruzalem. En de toorn van Yahweh kwam niet over hen in de dagen van Hizkia. Brontekst: וַיִּכָּנַ֤ע (vayikana) = en boog zich neer | יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ (yechizqiyahu) = Hizkia | בְּגֹ֣בַהּ (begovah) = over de hoogte van | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | ה֖וּא (hu) = hij | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en de inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְלֹא (velo) = en niet | בָ֤א (ba) = kwam | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | קֶ֣צֶף (qetsef) = toorn van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּימֵ֖י (bimei) = in de dagen van | יְחִזְקִיָּֽהוּ (yechizqiyahu) = Hizkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בְּגֹבַהּ לִבּוֹ (begovah libbo), ‘over de hoogte van zijn hart’: over zijn hoogmoed. Hij boog zich neer en erkende dit, samen met de inwoners van Jeruzalem. Zie ook: 1 Kon 21:19; 2 Kron 33:12; 2 Kron 34:27–28; Jer 26:18–19; Jak 4:10 ### Hizkia's rijkdom en werken **32:27** Hizkia had zeer veel rijkdom en eer. Hij liet voor zichzelf schatkamers maken voor het zilver, het goud, de kostbare stenen, de specerijen, de schilden en alle kostbare voorwerpen. Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en er was | לִֽיחִזְקִיָּ֛הוּ (lichizqiyahu) = voor Hizkia | עֹ֥שֶׁר (osher) = rijkdom | וְכָב֖וֹד (vekhavod) = en eer | הַרְבֵּ֣ה (harbe) = zeer | מְאֹ֑ד (meod) = veel | וְאֹֽצָר֣וֹת (veotsarot) = en schatkamers | עָֽשָׂה (asa) = maakte hij | ל֠וֹ (lo) = voor zich | לְכֶ֨סֶף (lekhesef) = voor zilver | וּלְזָהָ֜ב (ulezahav) = en voor goud | וּלְאֶ֣בֶן (uleeven) = en voor steen | יְקָרָ֗ה (yeqara) = kostbare | וְלִבְשָׂמִים֙ (velivsamim) = en voor specerijen | וּלְמָ֣גִנִּ֔ים (ulemaginim) = en voor schilden | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor alle | כְּלֵ֥י (kelei) = voorwerpen van | חֶמְדָּֽה (chemda) = kostbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹצָרוֹת (otsarot), ‘schatkamers’: ruimtes voor kostbare voorwerpen. Zie 2 Kon. 20:13, waar Hizkia zijn schatten laat zien. Zie ook: 1 Kron 27:25–31; Spr 10:22; 2 Kon 20:13; 2 Kron 1:12; 2 Kron 9:27; 2 Kron 17:5 **32:28** Ook maakte hij voorraadhuizen voor de opbrengst van koren, most en olie. Hij maakte stallen voor elk soort vee, en kudden in stallen. Brontekst: וּמִ֨סְכְּנ֔וֹת (umiskenot) = en voorraadhuizen | לִתְבוּאַ֥ת (litvuat) = voor de opbrengst van | דָּגָ֖ן (dagan) = koren | וְתִיר֣וֹשׁ (vetirosh) = en most | וְיִצְהָ֑ר (veyitshar) = en olie | וְאֻֽרָוֺת֙ (veuravot) = en stallen | לְכָל (lekhal) = voor alle | בְּהֵמָ֣ה (behema) = soorten vee | וּבְהֵמָ֔ה (uvehema) = en vee | וַעֲדָרִ֖ים (vaadarim) = en kudden | לָאֲוֵרֽוֹת (laaverot) = in stallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִסְכְּנוֹת (miskenot), ‘voorraadhuizen’: zoals ‘voorraadsteden’ in 2 Kron. 8:4. Voetnoot Lezing: אָרוֹת (arot) en אוּרוֹת (urot), ‘stallen’: het woord wordt twee keer verschillend gespeld en het zinsdeel ‘en vee en kudden in stallen’ is kort en niet zeker. Wij vertalen: ‘stallen voor elk soort vee, en kudden in stallen’. Zie ook: 2 Sam 7:8; 1 Kon 5:6; 2 Kron 8:4; 2 Kron 26:10 **32:29** Hij bouwde steden voor zichzelf. Hij had ook kleinvee en runderen in groten getale. Want Elohim had hem zeer veel bezit gegeven. Brontekst: וְעָרִים֙ (vearim) = en steden | עָ֣שָׂה (asa) = maakte hij | ל֔וֹ (lo) = voor zich | וּמִקְנֵה (umiqne) = en bezit van | צֹ֥אן (tson) = kleinvee | וּבָקָ֖ר (uvaqar) = en runderen | לָרֹ֑ב (larov) = in overvloed | כִּ֤י (ki) = want | נָֽתַן (natan) = gaf | לוֹ֙ (lo) = hem | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | רְכ֖וּשׁ (rekhush) = bezit | רַ֥ב (rav) = veel | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְעָרִים (ve’arim), ‘en steden’: hij bouwde steden of dorpen voor zijn kudden. Dit komt alleen in Kronieken voor. Zie ook: Job 42:12; Deut 8:18; 1 Sam 2:7; 1 Kron 29:12; 2 Kron 26:10 **32:30** Het was Hizkia zelf die de bovenste uitgang van het water van de Gihon afsloot. Hij leidde het recht naar beneden, westwaarts naar de stad van David. Hizkia had succes in al zijn werk. Brontekst: וְה֣וּא (vehu) = en hij | יְחִזְקִיָּ֗הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | סָתַם֙ (satam) = sloot af | אֶת (et) = (obj.) | מוֹצָ֞א (motsa) = de uitgang van | מֵימֵ֤י (meimei) = het water van | גִיחוֹן֙ (gichon) = Gihon | הָֽעֶלְי֔וֹן (haelyon) = de bovenste | וַֽיַּישְּׁרֵ֥ם (vayayshrem) = en hij leidde het recht | לְמַֽטָּה (lemata) = naar beneden | מַּעְרָ֖בָה (marava) = westwaarts | לְעִ֣יר (leir) = naar de stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיַּצְלַ֥ח (vayatslach) = en had succes | יְחִזְקִיָּ֖הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | בְּכָֽל (bekhal) = in al | מַעֲשֵֽׂהוּ (maasehu) = zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Gihon (גִּיחוֹן) is de bron aan de oostkant van de oude stad Jeruzalem, in het Kidrondal, nu de Maagdenbron. Zie 1 Kon. 1:33. De tunnel die het water van de Gihon naar het zuidwesten leidt naar de vijver van Siloam, wordt de tunnel van Hizkia genoemd. De verbinding met 2 Kon. 20:20 is waarschijnlijk. Zie Vijver van Siloam (tunnel van Hizkia): Hizkia liet het water van de Gihon door een tunnel naar de vijver van Siloam leiden, aan de zuidkant van de oude stad van Jeruzalem. De tekst noemt Siloam zelf niet. Voetnoot Uitleg: מוֹצָא (motsa), ‘uitgang’: de plek waar het water uit de rots komt. וַיַּיְשְׁרֵם (vayyashrem), ‘hij leidde het recht’: hij liet het recht naar beneden stromen. Zie ook: Joz 1:7–8; 1 Kon 1:33; 1 Kon 1:38; 1 Kon 1:45; 2 Kon 20:20; Jes 22:9–11 ### De gezanten uit Babel **32:31** Maar in de zaak van de gezanten van de leiders van Babel liet Elohim hem aan zichzelf over. Zij waren naar hem gestuurd om te vragen naar het wonderteken dat in het land was gebeurd. Hij wilde hem op de proef stellen en weten wat er in heel zijn hart was. Brontekst: וְכֵ֞ן (vekhen) = en zo | בִּמְלִיצֵ֣י (bimlitsei) = bij de gezanten van | שָׂרֵ֣י (sarei) = de leiders van | בָּבֶ֗ל (bavel) = Babel | הַֽמְשַׁלְּחִ֤ים (hamshalechim) = die gestuurd waren | עָלָיו֙ (alav) = naar hem | לִדְרֹ֗שׁ (lidrosh) = om te vragen naar | הַמּוֹפֵת֙ (hamofet) = het wonderteken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֣ה (haya) = had plaatsgevonden | בָאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | עֲזָב֖וֹ (azavo) = liet hem alleen | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | לְנַ֨סּוֹת֔וֹ (lenasoto) = om hem op de proef te stellen | לָדַ֖עַת (ladaat) = om te weten | כָּל (kal) = alles | בִּלְבָבֽוֹ (bilvavo) = in zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מְלִיצֵי (melitsei), ‘gezanten’: ook ‘tolken’ of ‘woordvoerders’. In 2 Kon. 20:12–19 en Jes. 39 stuurt Berodach-Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk. Hier wordt hij niet bij naam genoemd. Voetnoot : הַמּוֹפֵת (hammofet), ‘het wonderteken’: het teken van de ziekte en genezing (vers 24). Voetnoot : עֲזָבוֹ הָאֱלֹהִים (azavo ha’Elohim), ‘Elohim liet hem alleen’: Elohim hield Zijn hand van hem af om hem te beproeven. Zie ook 2 Kron. 15:2. Zie ook: Gen 22:1; Deut 8:2; Spr 17:3; 2 Kon 20:12–19; 2 Kron 15:2; 2 Kron 32:24; Joh 15:5 ### Slot: de dood van Hizkia **32:32** De rest van de geschiedenis van Hizkia en zijn daden van trouw: zie, die staan opgeschreven in het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, in het dagboek van de koningen van Juda en Israël. Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de zaken van | יְחִזְקִיָּ֖הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | וַחֲסָדָ֑יו (vachasadav) = en zijn daden van trouw | הִנָּ֣ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = opgeschreven | בַּחֲז֞וֹן (bachazon) = in het visioen van | יְשַֽׁעְיָ֤הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמוֹץ֙ (amots) = Amoz | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | עַל (al) = in | סֵ֥פֶר (sefer) = het dagboek van | מַלְכֵי (malkhei) = de koningen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְיִשְׂרָאֵֽל (veyisrael) = en Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסָדָיו (chasadav), ‘zijn daden van trouw’: chesed is ‘trouw’. בְּחֲזוֹן יְשַׁעְיָהוּ (bechazon Yesha’yahu), ‘in het visioen van Jesaja’: zie Jes. 1:1. Voetnoot : סֵפֶר מַלְכֵי יְהוּדָה וְיִשְׂרָאֵל (sefer malkhei yehudah veyisra’el), ‘het dagboek van de koningen van Juda en Israël’: letterlijk ‘boek van de koningen van Juda en Israël’. Wij schrijven overal ‘dagboek’, ook waar het Hebreeuws in Koningen ‘boek van de woorden van de dagen’ heeft (1 Kon. 14:19). Zie ook 2 Kron. 27:7. Zie ook: 1 Kon 14:19; 2 Kon 18:1–20; 2 Kron 27:7; 2 Kron 31:20–21; Jes 1:1; Jes 36:1–22 **32:33** Hizkia ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem bij de opgang naar de graven van de zonen van David. Heel Juda en de inwoners van Jeruzalem bewezen hem eer bij zijn dood. Zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֨ב (vayishkav) = en ging liggen | יְחִזְקִיָּ֜הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | עִם (im) = bij | אֲבֹתָ֗יו (avotav) = zijn vaderen | וַֽיִּקְבְּרֻהוּ֮ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בְּֽמַעֲלֵה֮ (bemaale) = bij de opgang naar | קִבְרֵ֣י (qivrei) = de graven van | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָוִיד֒ (david) = David | וְכָבוֹד֙ (vekhavod) = en eer | עָֽשׂוּ (asu) = bewezen | ל֣וֹ (lo) = hem | בְמוֹת֔וֹ (bemoto) = bij zijn dood | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en de inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De graven van de zonen van David lagen in de stad van David, het oudste deel van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: מַעֲלֵה (ma’aleh), ‘opgang’: de helling of de trap naar de graven. Het woord kan ook ‘het hoogste deel’ betekenen. Wij vertalen ‘de opgang’. Zie 2 Kon. 20:21. Zie ook: 1 Sam 25:1; Spr 10:7; 1 Kon 2:10; 1 Kon 11:43; 2 Kon 20:21; 2 Kron 33:1–20 ## 2 Kronieken 33 _Manasse en Amon, koningen van Juda_ ### Manasse, koning van Juda **33:1** Manasse was 12 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 55 jaar in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֛ה (esre) = tien | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | בְמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וַחֲמִשִּׁ֤ים (vachamishim) = en vijftig | וְחָמֵשׁ֙ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Leeftijd en regeringsjaren staan zoals in de Masoretische tekst. Wij rekenen niet na. Voetnoot : Dit hoofdstuk loopt deels parallel met 2 Kon. 21:1–26. In Kronieken ontbreekt de naam van de moeder van Manasse (Chefzi-Ba, 2 Kon. 21:1). De verzen 10–17 over Manasse in Babel staan alleen in Kronieken. Zie ook: 1 Kron 3:13; Pred 10:16; 2 Kon 21:1–18; Jes 3:4; Jes 3:12 **33:2** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, naar de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּתֽוֹעֲבוֹת֙ (ketoavot) = naar de gruwelen van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | הוֹרִ֣ישׁ (horish) = verdreef | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 20:22–23; Deut 18:9; 2 Kron 28:3; 2 Kron 36:14; Ezech 11:12 **33:3** Hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Hizkia had afgebroken. Hij richtte altaren op voor de Baäls en maakte heilige palen. Hij wierp zich neer voor heel het leger van de hemel en diende hen. Brontekst: וַיָּ֗שָׁב (vayashav) = en keerde terug | וַיִּ֨בֶן֙ (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּמ֔וֹת (habamot) = de hoogten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִתַּ֖ץ (nitats) = had afgebroken | יְחִזְקִיָּ֣הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיָּ֨קֶם (vayaqem) = en richtte op | מִזְבְּח֤וֹת (mizbechot) = altaren | לַבְּעָלִים֙ (labealim) = voor de Baäls | וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en maakte | אֲשֵׁר֔וֹת (asherot) = heilige palen | וַיִּשְׁתַּ֨חוּ֙ (vayishtachu) = en wierp zich neer | לְכָל (lekhal) = voor heel | צְבָ֣א (tseva) = leger van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַֽיַּעֲבֹ֖ד (vayaavod) = en diende | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergen. Hizkia had ze afgebroken (2 Kron. 31:1; 2 Kon. 18:4). Voetnoot : אֲשֵׁרוֹת (asherot), ‘heilige palen’: houten palen of bomen bij de hoogten, genoemd naar de godin Aschera. In 2 Kon. 21:3 staat het enkelvoud ‘heilige paal’. Voetnoot : הַבְּעָלִים (habbe’alim), ‘de Baäls’: meervoud, zoals in 2 Kron. 28:2. Voetnoot : צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren, die als goden werden aanbeden (Deut. 4:19). Zie ook: Deut 4:19; Deut 16:21; Deut 17:3; Pred 9:18; 2 Kon 18:4; 2 Kon 21:3; 2 Kron 28:2; 2 Kron 30:14; 2 Kron 31:1 **33:4** Hij bouwde altaren in het huis van Yahweh, waarvan Yahweh had gezegd: „In Jeruzalem zal Mijn naam zijn voor altijd.” Brontekst: וּבָנָ֥ה (uvana) = en bouwde | מִזְבְּח֖וֹת (mizbechot) = altaren | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר֙ (asher) = waarvan | אָמַ֣ר (amar) = had gezegd | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּירוּשָׁלִַ֥ם (birushalaim) = in Jeruzalem | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | שְּׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het woord van Yahweh dat hier wordt aangehaald, staat ook in 2 Kron. 6:6 en 7:16. Hier is het een verslag van de verteller. Daarom staat het in zwart, met aanhalingstekens. Voetnoot : Vergelijk 2 Kon. 21:4, waar de woorden iets anders luiden. Zie ook: Deut 12:11; 1 Kon 8:29; 2 Kon 21:4; 2 Kron 6:6; 2 Kron 7:16; 2 Kron 34:3–4 **33:5** Hij bouwde altaren voor heel het leger van de hemel in de twee voorhoven van het huis van Yahweh. Brontekst: וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en bouwde | מִזְבְּח֖וֹת (mizbechot) = altaren | לְכָל (lekhal) = voor heel | צְבָ֣א (tseva) = leger van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | בִּשְׁתֵּ֖י (bishtei) = in twee | חַצְר֥וֹת (chatsrot) = voorhoven van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 4:9; Jer 32:34–35; Ezech 8:7–18 **33:6** Hij liet zijn zonen door het vuur gaan in het dal van de zoon van Hinnom. Hij duidde tekens, zocht voortekenen en bedreef toverij. Hij stelde een dodengeest en waarzeggers in. Hij deed in overvloed wat slecht is in de ogen van Yahweh, om Hem tot toorn te prikkelen. Brontekst: וְהוּא֩ (vehu) = en hij | הֶעֱבִ֨יר (heevir) = liet doorgaan | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָ֤יו (banav) = zijn zonen | בָּאֵשׁ֙ (baesh) = door het vuur | בְּגֵ֣י (begei) = in het dal van | בֶן (ben) = zoon van | הִנֹּ֔ם (hinom) = Hinnom | וְעוֹנֵ֤ן (veonen) = en duidde tekens | וְנִחֵשׁ֙ (venichesh) = en zocht voortekenen | וְֽכִשֵּׁ֔ף (vekhishef) = en bedreef toverij | וְעָ֥שָׂה (veasa) = en stelde in | א֖וֹב (ov) = dodengeest | וְיִדְּעוֹנִ֑י (veyideoni) = en waarzeggers | הִרְבָּ֗ה (hirba) = veel | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הָרַ֛ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַכְעִיסֽוֹ (lehakhiso) = om Hem tot toorn te prikkelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van de zoon van Hinnom ligt ten zuiden en ten westen van Jeruzalem (Joz. 15:8). Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: הֶעֱבִיר בָּאֵשׁ (he’evir ba’esh), ‘door het vuur laten gaan’: een kind aan een afgod offeren (Deut. 18:10). In 2 Kon. 21:6 staat ‘zijn zoon’ in het enkelvoud; hier staat ‘zijn zonen’. Vergelijk 2 Kron. 28:3. Voetnoot : עוֹנֵן (onen), ‘tekens duiden’, נִחֵשׁ (nichesh), ‘voortekenen zoeken’, אוֹב (ov), ‘dodengeest’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: dezelfde reeks als in 2 Kon. 21:6 en Deut. 18:10–11. Hier staat één werkwoord extra: כִּשֵּׁף (kishef), ‘toverij bedrijven’. Zie ook: Lev 18:21; Lev 19:31; Lev 20:6; Deut 18:10; Joz 15:8; 2 Kon 21:6; 2 Kron 28:3 **33:7** Hij zette het gesneden beeld, het afbeeldsel dat hij had gemaakt, in het huis van Elohim. Over dat huis had Elohim tegen David en tegen zijn zoon Salomo gesproken. Hij had gezegd: „In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn naam vestigen voor altijd. Brontekst: וַיָּ֕שֶׂם (vayasem) = en zette | אֶת (et) = (obj.) | פֶּ֥סֶל (pesel) = gesneden beeld van | הַסֶּ֖מֶל (hasemel) = het afbeeldsel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֑ה (asa) = maakte | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarvan | אָמַ֤ר (amar) = had gezegd | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | דָּוִיד֙ (david) = David | וְאֶל (veel) = en tot | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | בְנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | בַּבַּ֨יִת (babayit) = in huis | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | וּבִֽירוּשָׁלִַ֗ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | בָּחַ֨רְתִּי֙ (bacharti) = Ik heb gekozen | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אָשִׂ֥ים (asim) = Ik zal vestigen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | לְעֵילֽוֹם (leeilom) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פֶּסֶל הַסֶּמֶל (pesel hasemel), ‘het gesneden beeld, het afbeeldsel’: סֶמֶל (semel) betekent ‘afbeelding’ en staat ook in Deut. 4:16. In 2 Kon. 21:7 staat ‘het gesneden beeld van de heilige paal’. Voetnoot : De woorden van Elohim aan David en Salomo staan in 1 Kon. 9:3 en 2 Kron. 7:16. Hier zijn zij een verslag van de verteller, daarom zwart. Het citaat loopt door in vers 8. Zie ook: Deut 4:16; Ps 132:13–14; 1 Kon 9:3; 1 Kon 11:13; 2 Kon 21:7; 2 Kron 7:16; 2 Kron 33:4; 2 Kron 33:8; 2 Kron 33:15 **33:8** En Ik zal de voet van Israël niet meer laten wijken van de grond die Ik voor jullie vaders heb vastgesteld. Alleen: als zij erop letten alles te doen wat Ik hun geboden heb, naar heel de wet, de voorschriften en de rechtsregels, door Mozes.” Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | אוֹסִ֗יף (osif) = Ik zal toevoegen | לְהָסִיר֙ (lehasir) = om te laten wijken | אֶת (et) = (obj.) | רֶ֣גֶל (regel) = voet van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מֵעַל֙ (meal) = van op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶֽעֱמַ֖דְתִּי (heemadti) = Ik heb vastgesteld | לַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם (laavoteikhem) = voor jullie vaders | רַ֣ק (raq) = alleen | אִם (im) = als | יִשְׁמְר֣וּ (yishmeru) = zij letten erop | לַעֲשׂ֗וֹת (laasot) = om te doen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוִּיתִ֔ים (tsivitim) = Ik heb geboden | לְכָל (lekhal) = naar heel | הַתּוֹרָ֛ה (hatora) = de wet | וְהַֽחֻקִּ֥ים (vehachuqim) = en de voorschriften | וְהַמִּשְׁפָּטִ֖ים (vehamishpatim) = en de rechtsregels | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶעֱמַדְתִּי (he’emadti), ‘Ik heb vastgesteld’: letterlijk ‘Ik heb laten staan’. In 2 Kon. 21:8 staat ‘Ik heb gegeven’ en ‘hun vaders’. Hier staat ‘jullie vaders’, want de woorden zijn gericht tot David en Salomo. Voetnoot : בְּיַד מֹשֶׁה (beyad Mosheh), ‘door de hand van Mozes’: door Mozes gegeven. Zie ook: Deut 5:1; Deut 30:15–20; 2 Sam 7:10; 2 Kon 21:8; Ezech 33:25–26; Gal 3:10–13 **33:9** Manasse liet Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen. Zij deden meer kwaad dan de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had vernietigd. Brontekst: וַיֶּ֣תַע (vayeta) = en liet dwalen | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | רָ֔ע (ra) = kwaad | מִן (min) = meer dan | הַ֨גּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | הִשְׁמִ֣יד (hishmid) = vernietigde | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Spr 29:12; 2 Kon 17:8–11; 2 Kon 21:9–11; 2 Kon 24:3–4; 2 Kron 33:2 ### Manasse in Babel **33:10** Yahweh sprak tot Manasse en tot zijn volk, maar zij letten er niet op. Brontekst: וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | וְאֶל (veel) = en tot | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הִקְשִֽׁיבוּ (hiqshivu) = zij letten op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat niet in 2 Kon. 21. De tekst zegt niet wat Yahweh tot Manasse sprak. Vergelijk 2 Kon. 21:10–15, waar Yahweh door de profeten spreekt. Er is hier geen toespraak, dus geen rood. Zie ook: 2 Kon 21:10–15; 2 Kron 36:15–16; Jer 25:4–7; Jer 44:4–5; Zach 1:4; Neh 9:29–30 **33:11** Yahweh bracht de legeroversten van de koning van Assyrië over hen. Zij namen Manasse gevangen met haken. Zij bonden hem met koperen boeien en voerden hem weg naar Babel. Brontekst: וַיָּבֵ֨א (vayave) = en bracht | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֤י (sarei) = oversten van | הַצָּבָא֙ (hatsava) = het leger | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = van de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וַיִּלְכְּד֥וּ (vayilkedu) = en zij namen gevangen | אֶת (et) = (obj.) | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | בַּחֹחִ֑ים (bachochim) = met haken | וַיַּֽאַסְרֻ֨הוּ֙ (vayaasruhu) = en zij bonden hem | בַּֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם (banchushtayim) = met koperen boeien | וַיּוֹלִיכֻ֖הוּ (vayolikhuhu) = en zij voerden hem weg | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Babel (בָּבֶלָה, bavelah, ‘naar Babel’) is de stad Babel in het zuiden van het huidige Irak. De tekst noemt de koning van Assyrië niet bij naam. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: חֹחִים (chochim), ‘haken’: het woord kan ook ‘doornen’ betekenen. Vergelijk 2 Kon. 19:28, waar Yahweh een haak in de neus van de koning van Assyrië legt. Voetnoot : נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘koperen boeien’: letterlijk ‘dubbel koper’. Zie ook: Deut 28:36; Ps 107:10–14; 2 Kon 19:28; 2 Kon 23:33; 2 Kron 36:6; Jes 10:8 **33:12** Toen hij in nood was, smeekte hij Yahweh, zijn Elohim. Hij vernederde zich zeer voor het aangezicht van de Elohim van zijn vaders. Brontekst: וּכְהָצֵ֣ר (ukhehatser) = en toen hij in nood was | ל֔וֹ (lo) = voor hem | חִלָּ֕ה (chila) = smeekte hij | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֖י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | וַיִּכָּנַ֣ע (vayikana) = en vernederde zich | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | מִלִּפְנֵ֖י (milifnei) = voor het aangezicht van | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִלָּה פְּנֵי (chilla penei), ‘het aangezicht zacht maken’: Yahweh om gunst smeken. Zo vertalen wij ook in Exod. 32:11. Voetnoot : וַיִּכָּנַע (vayikkana), ‘hij vernederde zich’: dit werkwoord is een sleutelwoord in dit verhaal (vers 19 en 23). Zie ook: Ex 10:3; Ex 32:11; Ps 50:15; 2 Kron 32:26; 2 Kron 33:19; 2 Kron 33:23; Luc 18:14–15; Hand 9:11 **33:13** Hij bad tot Hem. Hij liet Zich door hem verbidden, hoorde zijn smeking en bracht hem terug naar Jeruzalem, naar zijn koningschap. Toen wist Manasse dat Yahweh, Hij, de Elohim is. Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּ֣ל (vayitpalel) = en bad | אֵלָ֗יו (elav) = tot Hem | וַיֵּעָ֤תֶר (vayeater) = en Hij liet Zich verbidden | לוֹ֙ (lo) = door hem | וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en Hij hoorde | תְּחִנָּת֔וֹ (techinato) = zijn smeking | וַיְשִׁיבֵ֥הוּ (vayshivehu) = en Hij bracht hem terug | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = naar Jeruzalem | לְמַלְכוּת֑וֹ (lemalkhuto) = naar zijn koningschap | וַיֵּ֣דַע (vayeda) = en wist | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | כִּ֥י (ki) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | ה֥וּא (hu) = Hij | הָֽאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיֵּעָתֵר לוֹ (vayye’ater lo), ‘Hij liet Zich door hem verbidden’: Yahweh gaf toe aan het gebed. Voetnoot : יְהוָה הוּא הָאֱלֹהִים (Yahweh hu ha’Elohim), ‘Yahweh, Hij is de Elohim’: dezelfde belijdenis als in 1 Kon. 18:39. Zie ook: 1 Kron 5:20; 1 Kon 18:39; Dan 4:22; Ezra 8:23; Mat 6:33; Mat 7:7–8 ### Manasse bouwt en herstelt **33:14** Daarna bouwde hij een buitenmuur voor de stad van David, ten westen van Gihon, in het beekdal. Die liep tot aan de ingang van de Vispoort. Hij liet haar om de Ofel lopen en maakte haar zeer hoog. Hij zette bevelhebbers in alle versterkte steden van Juda. Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵ֡ן (ken) = dat | בָּנָ֣ה (bana) = bouwde hij | חוֹמָ֣ה (choma) = muur | חִֽיצוֹנָ֣ה (chitsona) = buitenste | לְעִיר (leir) = voor de stad van | דָּוִ֡יד (david) = David | מַעְרָבָה֩ (marava) = ten westen | לְגִיח֨וֹן (legichon) = van Gihon | בַּנַּ֜חַל (banachal) = in het beekdal | וְלָב֨וֹא (velavo) = en tot het komen | בְשַׁ֤עַר (beshaar) = bij de poort van | הַדָּגִים֙ (hadagim) = de Vissen | וְסָבַ֣ב (vesavav) = en liet rondgaan | לָעֹ֔פֶל (laofel) = om de Ofel | וַיַּגְבִּיהֶ֖הָ (vayagbiheha) = en maakte haar hoog | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיָּ֧שֶׂם (vayasem) = en zette | שָֽׂרֵי (sarei) = oversten van | חַ֛יִל (chayil) = strijdkracht | בְּכָל (bekhal) = in alle | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הַבְּצֻר֖וֹת (habetsurot) = de versterkte | בִּיהוּדָֽה (bihuda) = in Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gihon is de bron in het Kidrondal, aan de oostkant van de stad van David in Jeruzalem. De Vispoort lag waarschijnlijk in de noordmuur van de stad; de precieze ligging is onzeker. De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg (2 Kron. 27:3). Voetnoot Uitleg: חוֹמָה חִיצוֹנָה (chomah chitsonah), ‘buitenmuur’: een muur buiten de oude stadsmuur. Hizkia bouwde al een andere muur (2 Kron. 32:5). Zie ook: 1 Kon 1:33; 2 Kron 27:3; 2 Kron 32:5; Sef 1:10; Neh 3:3; Neh 12:39 **33:15** Hij verwijderde de vreemde goden en het afbeeldsel uit het huis van Yahweh. Ook alle altaren die hij had gebouwd op de berg van het huis van Yahweh en in Jeruzalem, wierp hij buiten de stad. Brontekst: וַ֠יָּסַר (vayasar) = en verwijderde | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = goden van | הַנֵּכָ֤ר (hanekhar) = de vreemde | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסֶּ֨מֶל֙ (hasemel) = het afbeeldsel | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְכָל (vekhal) = en alle | הַֽמִּזְבְּח֗וֹת (hamizbechot) = de altaren | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בָּנָ֛ה (bana) = hij had gebouwd | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּבִירוּשָׁלִָ֑ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | וַיַּשְׁלֵ֖ךְ (vayashlekh) = en wierp | ח֥וּצָה (chutsa) = naar buiten | לָעִֽיר (lair) = van de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי הַנֵּכָר (elohei hanekhar), ‘de goden van het vreemde’: afgoden van vreemde volken. Hier staat het woord אֱלֹהִים in het meervoud en vertalen wij ‘goden’. Zie ook: 2 Kon 21:7; 2 Kron 33:3–7; Hos 14:2–4; Jes 2:17–21; Ezech 18:20–22 **33:16** Hij bouwde het altaar van Yahweh en offerde daarop vredeoffers en dankoffers. Hij zei tegen Juda dat zij Yahweh, de Elohim van Israël, moesten dienen. Brontekst: וַיִּ֨בֶן֙ (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּזְבַּ֣ח (vayizbach) = en offerde | עָלָ֔יו (alav) = daarop | זִבְחֵ֥י (zivchei) = slachtoffers van | שְׁלָמִ֖ים (shelamim) = vredeoffers | וְתוֹדָ֑ה (vetoda) = en dankoffer | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | לִֽיהוּדָ֔ה (lihuda) = tot Juda | לַעֲב֕וֹד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִבְחֵי שְׁלָמִים (zivchei shelamim), ‘vredeoffers’, en תּוֹדָה (todah), ‘dankoffer’: zie Lev. 7:12. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft וַיָּכֶן (vayyaken), ‘hij richtte op’; het qere is וַיִּבֶן (vayyiven), ‘hij bouwde’. Wij volgen het qere. Zie ook: Gen 18:19; Lev 7:11–18; Lev 7:12; 1 Kon 18:30; 2 Kron 14:3; Luc 22:32 **33:17** Maar het volk bracht nog offers op de hoogten, alleen voor Yahweh, hun Elohim. Brontekst: אֲבָל֙ (aval) = maar | ע֣וֹד (od) = nog | הָעָ֔ם (haam) = het volk | זֹבְחִ֖ים (zovechim) = offerend | בַּבָּמ֑וֹת (babamot) = op de hoogten | רַ֖ק (raq) = alleen | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 22:43; 2 Kon 15:4; 2 Kron 15:17; 2 Kron 32:12 ### Het slot van Manasse **33:18** De rest van de geschiedenis van Manasse, zijn gebed tot zijn Elohim en de woorden van de zieners: zie, dat staat in de geschiedenis van de koningen van Israël. Die zieners spraken tot hem in de naam van Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: וְיֶ֨תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = zaken van | מְנַשֶּׁה֮ (menashe) = Manasse | וּתְפִלָּת֣וֹ (utefilato) = en zijn gebed | אֶל (el) = tot | אֱלֹהָיו֒ (elohav) = zijn Elohim | וְדִבְרֵי֙ (vedivrei) = en woorden van | הַֽחֹזִ֔ים (hachozim) = de zieners | הַֽמְדַבְּרִ֣ים (hamdaberim) = die spraken | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הִנָּ֕ם (hinam) = zie ze | עַל (al) = bij | דִּבְרֵ֖י (divrei) = zaken van | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל (divrei malkhei Yisra’el), ‘de geschiedenis van de koningen van Israël’: het Hebreeuws heeft hier geen woord ‘boek’. Het is misschien dezelfde kroniek als het ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’ (2 Kron. 28:26), maar de tekst zegt dat niet. Voetnoot : חֹזִים (chozim), ‘zieners’: profeten die in een visioen zien. Zie ook: 2 Kron 20:34; 2 Kron 28:26; 2 Kron 33:12–13; 2 Kron 33:19; Amos 7:12; Jes 30:10 **33:19** Zijn gebed en hoe Hij Zich door hem liet verbidden, heel zijn zonde en zijn trouweloosheid, en de plaatsen waar hij hoogten bouwde en de heilige palen en de gesneden beelden oprichtte, voordat hij zich vernederde: zie, dat staat opgeschreven in de woorden van de zieners. Brontekst: וּתְפִלָּת֣וֹ (utefilato) = en zijn gebed | וְהֵֽעָתֶר (veheater) = en dat Hij Zich liet verbidden | לוֹ֮ (lo) = door hem | וְכָל (vekhal) = en heel | חַטָּאת֣וֹ (chatato) = zijn zonde | וּמַעְלוֹ֒ (umalo) = en zijn trouweloosheid | וְהַמְּקֹמ֗וֹת (vehameqomot) = en de plaatsen | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | בָּנָ֨ה (bana) = hij bouwde | בָהֶ֤ם (bahem) = daar | בָּמוֹת֙ (bamot) = hoogten | וְהֶעֱמִיד֙ (veheemid) = en richtte op | הָאֲשֵׁרִ֣ים (haasherim) = de heilige palen | וְהַפְּסִלִ֔ים (vehapesilim) = en de gesneden beelden | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voordat | הִכָּנְע֑וֹ (hikaneo) = hij zich vernederde | הִנָּ֣ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִ֔ים (ketuvim) = geschreven | עַ֖ל (al) = bij | דִּבְרֵ֥י (divrei) = zaken van | חוֹזָֽי (chozay) = de zieners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהֵעָתֶר לוֹ (vehe’ater lo), ‘en dat Hij Zich door hem liet verbidden’: de verteller noemt het gebed en de verhoring als twee dingen die in de geschiedenis staan. Voetnoot : מַעְלוֹ (ma’alo), ‘zijn trouweloosheid’: het woord voor ontrouw tegenover Yahweh. Voetnoot Lezing: חוֹזָי (chozai) kan ‘mijn zieners’ betekenen of de eigennaam Chozai zijn. Sommige oude vertalingen lezen hier een eigennaam. Wij vertalen ‘zieners’, zoals in vers 18. Zie ook: 2 Kron 33:18; Jer 44:10; Dan 5:22; Hand 9:11; Rom 5:16; 1 Joh 1:9 **33:20** Manasse ging liggen bij zijn vaderen. Men begroef hem in zijn huis. Zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en lag | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | עִם (im) = met | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaderen | וַֽיִּקְבְּרֻ֖הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בֵּית֑וֹ (beito) = in zijn huis | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אָמ֥וֹן (amon) = Amon | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּיתוֹ (beito), ‘zijn huis’: in 2 Kon. 21:18 staat ‘in de tuin van zijn huis, in de tuin van Uzza’. Kronieken noemt de tuin niet. Zie ook: 1 Kron 3:14; 2 Kon 21:18–25; 2 Kron 32:33; Mat 1:10 ### Amon, koning van Juda **33:21** Amon was 22 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 2 jaar in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֧ים (esrim) = twintig | וּשְׁתַּ֛יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | אָמ֣וֹן (amon) = Amon | בְּמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁתַּ֣יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּֽירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit verhaal van Amon loopt parallel met 2 Kon. 21:19–26. Kronieken laat de naam van zijn moeder weg (Mesjullemet, 2 Kon. 21:19). Zie ook: 2 Kon 21:19–24; 2 Kron 33:1; Luc 12:19–20; Jak 4:13–15 **33:22** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, zoals zijn vader Manasse had gedaan. Amon offerde aan alle gesneden beelden die zijn vader Manasse had gemaakt, en hij diende ze. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַע֙ (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וּֽלְכָל (ulekhal) = en voor alle | הַפְּסִילִ֗ים (hapesilim) = de gesneden beelden | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עָשָׂה֙ (asa) = maakte | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | זִבַּ֥ח (zibach) = offerde | אָמ֖וֹן (amon) = Amon | וַיַּֽעַבְדֵֽם (vayaavdem) = en diende ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:1–11; 2 Kon 21:20; 2 Kron 33:1–10; 2 Kron 34:3–4; Ezech 20:18 **33:23** Hij vernederde zich niet voor het aangezicht van Yahweh, zoals zijn vader Manasse zich had vernederd. Want hij, Amon, vermeerderde de schuld. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | נִכְנַע֙ (nikhna) = vernederde zich | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כְּהִכָּנַ֖ע (kehikana) = zoals zich vernederde | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | כִּ֛י (ki) = want | ה֥וּא (hu) = hij | אָמ֖וֹן (amon) = Amon | הִרְבָּ֥ה (hirba) = vermeerderde | אַשְׁמָֽה (ashma) = schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִכָּנַע (hikkana), ‘zich vernederen’: Amon deed dit niet, anders dan Manasse (vers 12–13). Daarom werd zijn schuld alleen maar groter. Zie ook: 2 Kron 33:12; 2 Kron 33:19; Jer 7:26; Jer 8:12; 2 Tim 3:13 **33:24** Zijn dienaren smeedden een samenzwering tegen hem en doodden hem in zijn huis. Brontekst: וַיִּקְשְׁר֤וּ (vayiqsheru) = en smeedden een samenzwering | עָלָיו֙ (alav) = tegen hem | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | וַיְמִיתֻ֖הוּ (vaymituhu) = en doodden hem | בְּבֵיתֽוֹ (beveito) = in zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 4:5–12; Ps 55:24; 2 Kon 21:23–26; 2 Kron 25:27–28; Rom 11:22 **33:25** Het volk van het land sloeg alle samenzweerders tegen koning Amon dood. Het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. Brontekst: וַיַּכּוּ֙ (vayaku) = en sloegen | עַם (am) = volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַקֹּֽשְׁרִ֖ים (haqosherim) = de samenzweerders | עַל (al) = tegen | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָמ֑וֹן (amon) = Amon | וַיַּמְלִ֧יכוּ (vayamlikhu) = en maakten koning | עַם (am) = volk van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | יֹאשִׁיָּ֥הוּ (yoshiyahu) = Josia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: zie 2 Kon. 21:24. Zie ook: Gen 9:5–6; Num 35:31; Num 35:33; 2 Kon 21:24; 2 Kron 34:1; 2 Kron 36:1 ## 2 Kronieken 34 _Josia, het boek van de wet en het verbond_ ### Josia, koning van Juda **34:1** Josia was 8 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמוֹנֶ֥ה (shemone) = acht | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaar | יֹאשִׁיָּ֣הוּ (yoshiyahu) = Josia | בְמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁלֹשִׁ֤ים (usheloshim) = en dertig | וְאַחַת֙ (veachat) = en één | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Leeftijd en regeringsjaren staan zoals in de Masoretische tekst. Wij rekenen niet na. Voetnoot : Dit hoofdstuk loopt deels parallel met 2 Kon. 22:1–23:3. Kronieken laat de naam van de moeder van Josia weg (Jedida, 2 Kon. 22:1). Zie ook: 1 Kon 13:2; 2 Kon 22:1–23:3; 2 Kron 33:1; 2 Kron 33:25; Sef 1:1; Jer 1:2 **34:2** Hij deed wat juist is in de ogen van Yahweh. Hij liep op de wegen van zijn vader David. Hij week niet af, niet naar rechts en niet naar links. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הַיָּשָׁ֖ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en liep | בְּדַרְכֵי֙ (bedarkhei) = in de wegen van | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וְלֹא (velo) = en niet | סָ֖ר (sar) = week af | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹֽאול (usemovl) = en links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:7; Joz 23:6; 2 Kron 14:1; 2 Kron 17:3; 2 Kron 29:2 ### Josia reinigt Juda en Israël **34:3** In het achtste jaar van zijn koningschap, toen hij nog een jongen was, begon hij de Elohim van zijn vader David te zoeken. In het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de heilige palen, de gesneden beelden en de gegoten beelden. Brontekst: וּבִשְׁמוֹנֶ֨ה (uvishmone) = en in acht | שָׁנִ֜ים (shanim) = jaren | לְמָלְכ֗וֹ (lemalekho) = van zijn koningschap | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | עוֹדֶ֣נּוּ (odenu) = nog | נַ֔עַר (naar) = jongen | הֵחֵ֕ל (hechel) = begon | לִדְר֕וֹשׁ (lidrosh) = te zoeken | לֵאלֹהֵ֖י (lelohei) = de Elohim van | דָּוִ֣יד (david) = David | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וּבִשְׁתֵּ֧ים (uvishteim) = en in twee | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | הֵחֵל֙ (hechel) = begon | לְטַהֵ֔ר (letaher) = te reinigen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (virushalaim) = en Jeruzalem | מִן (min) = van | הַבָּמוֹת֙ (habamot) = de hoogten | וְהָ֣אֲשֵׁרִ֔ים (vehaasherim) = en de heilige palen | וְהַפְּסִלִ֖ים (vehapesilim) = en de gesneden beelden | וְהַמַּסֵּכֽוֹת (vehamasekhot) = en de gegoten beelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: In 2 Kon. 22:3 en 23:23 begint het verhaal bij het achttiende jaar van Josia. Kronieken vertelt eerst over zijn zoeken in het achtste jaar en zijn reiniging in het twaalfde jaar. Wij rekenen niet na en leggen de teksten niet gelijk. Voetnoot : לִדְרֹשׁ (lidrosh), ‘zoeken’: hetzelfde werkwoord als ‘raadplegen’ in vers 21 en 26. Voetnoot : מַסֵּכוֹת (massekhot), ‘gegoten beelden’: zoals in 2 Kron. 28:2. Zie ook: Spr 8:17; 2 Kon 18:4; 2 Kon 22:3; 2 Kon 23:23; 2 Kron 15:2; 2 Kron 28:2; 2 Kron 33:17; 2 Kron 33:22; 2 Kron 34:21; 2 Kron 34:26 **34:4** Voor zijn aangezicht braken zij de altaren van de Baäls af. De wierookaltaren die erboven stonden, hakte hij om. De heilige palen, de gesneden beelden en de gegoten beelden brak hij stuk en vermaalde hij. Hij strooide het over de graven van hen die aan hen hadden geofferd. Brontekst: וַיְנַתְּצ֣וּ (vaynatetsu) = en zij braken af | לְפָנָ֗יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | אֵ֚ת (et) = (obj.) | מִזְבְּח֣וֹת (mizbechot) = altaren van | הַבְּעָלִ֔ים (habealim) = de Baäls | וְהַֽחַמָּנִ֛ים (vehachamanim) = en de wierookaltaren | אֲשֶׁר (asher) = die | לְמַ֥עְלָה (lemala) = boven | מֵעֲלֵיהֶ֖ם (mealeihem) = erop | גִּדֵּ֑עַ (gidea) = hij hakte om | וְ֠הָאֲשֵׁרִים (vehaasherim) = en de heilige palen | וְהַפְּסִלִ֤ים (vehapesilim) = en de gesneden beelden | וְהַמַּסֵּכוֹת֙ (vehamasekhot) = en de gegoten beelden | שִׁבַּ֣ר (shibar) = hij brak | וְהֵדַ֔ק (vehedaq) = en vermaalde | וַיִּזְרֹק֙ (vayizroq) = en strooide | עַל (al) = over | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הַקְּבָרִ֔ים (haqevarim) = de graven | הַזֹּבְחִ֖ים (hazovechim) = van hen die offerden | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het woord is niet helemaal zeker. Het staat ook in Lev. 26:30. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt eerst ‘zij braken af’ (de mannen om hem heen) en dan ‘hij hakte om’ (Josia zelf). Zie ook: Ex 32:20; Lev 26:30; 2 Kon 23:4–6; 2 Kon 23:11–12; 2 Kron 14:4 **34:5** De botten van de priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem. Brontekst: וְעַצְמוֹת֙ (veatsmot) = en botten van | כֹּֽהֲנִ֔ים (kohanim) = priesters | שָׂרַ֖ף (saraf) = verbrandde hij | עַל (al) = op | מִזְבְּחוֹתָ֑ם (mizbechotam) = hun altaren | וַיְטַהֵ֥ר (vaytaher) = en reinigde | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft מזבחותים (mizbechotaim); het qere is מִזְבְּחוֹתָם (mizbechotam), ‘hun altaren’. Wij volgen het qere. Zie ook: Num 35:33; 1 Kon 13:2; 2 Kron 34:7; Jer 3:10; Jer 8:1–2 **34:6** Dat deed hij ook in de steden van Manasse, Efraïm en Simeon, tot aan Naftali, in hun verwoeste plaatsen rondom. Brontekst: וּבְעָרֵ֨י (uvearei) = en in steden van | מְנַשֶּׁ֧ה (menashe) = Manasse | וְאֶפְרַ֛יִם (veefrayim) = en Efraïm | וְשִׁמְע֖וֹן (veshimon) = en Simeon | וְעַד (vead) = en tot | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | בְּחַרְבֹתֵיהֶ֖ם (becharvoteihem) = in hun verwoeste plaatsen | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord. Wij vullen ‘dat deed hij ook’ aan uit vers 3–5. Voetnoot : De steden van Manasse, Efraïm en Naftali liggen in het noorden, het vroegere rijk Israël. Simeon lag in het zuiden van Juda. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft בתיהם (batteihem), ‘hun huizen’. Het qere is בְּחַרְבֹתֵיהֶם (becharvoteihem), ‘in hun verwoeste plaatsen’. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Sam 13:20–21; 2 Kon 23:15–20; 2 Kron 30:1; 2 Kron 30:10–11; 2 Kron 34:3–5; Jes 7:25 **34:7** Hij brak de altaren en de heilige palen af. De gesneden beelden sloeg hij fijn. Alle wierookaltaren hakte hij om in heel het land Israël. Toen keerde hij terug naar Jeruzalem. Brontekst: וַיְנַתֵּ֣ץ (vaynatets) = en brak af | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמִּזְבְּח֗וֹת (hamizbechot) = de altaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֲשֵׁרִ֤ים (haasherim) = de heilige palen | וְהַפְּסִלִים֙ (vehapesilim) = en de gesneden beelden | כִּתַּ֣ת (kitat) = sloeg hij stuk | לְהֵדַ֔ק (lehedaq) = tot poeder | וְכָל (vekhal) = en alle | הַֽחַמָּנִ֥ים (hachamanim) = de wierookaltaren | גִּדַּ֖ע (gida) = hakte hij om | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | לִירוּשָׁלִָֽם (lirushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Deut 9:21; 2 Kron 31:1; 2 Kron 34:1 ### Het huis van Yahweh wordt hersteld **34:8** In het achttiende jaar van zijn koningschap had hij het land en het huis gereinigd. Toen stuurde hij Safan, de zoon van Azalja, Maäseja, de overste van de stad, en Joach, de zoon van Joachaz, de archivaris. Zij moesten het huis van Yahweh, zijn Elohim, herstellen. Brontekst: וּבִשְׁנַ֨ת (uvishnat) = en in het jaar | שְׁמוֹנֶ֤ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | לְמָלְכ֔וֹ (lemalekho) = van zijn koningschap | לְטַהֵ֥ר (letaher) = om te reinigen | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | וְהַבָּ֑יִת (vehabayit) = en het huis | שָׁ֠לַח (shalach) = stuurde hij | אֶת (et) = (obj.) | שָׁפָ֨ן (shafan) = Safan | בֶּן (ben) = zoon van | אֲצַלְיָ֜הוּ (atsalyahu) = Azalja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַעֲשֵׂיָ֣הוּ (maaseyahu) = Maäseja | שַׂר (sar) = overste van | הָעִ֗יר (hair) = de stad | וְ֠אֵת (veet) = en (obj.) | יוֹאָ֤ח (yoach) = Joach | בֶּן (ben) = zoon van | יֽוֹאָחָז֙ (yoachaz) = Joachaz | הַמַּזְכִּ֔יר (hamazkir) = de archivaris | לְחַזֵּ֕ק (lechazeq) = om te herstellen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֖ית (beit) = huis van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲצַלְיָהוּ (Atsalyahu): dezelfde man als Azalja in 2 Kon. 22:3. Maäseja en Joach worden alleen in Kronieken genoemd. Voetnoot : הַמַּזְכִּיר (hamazkir), ‘de archivaris’: zoals in 2 Sam. 8:16 en 1 Kon. 4:3. Voetnoot : לְחַזֵּק (lechazzeq), ‘herstellen’: letterlijk ‘sterk maken’. Zie 2 Kron. 24:5. Zie ook: 2 Sam 8:16; 1 Kon 4:3; 2 Kon 22:3; 2 Kron 24:5; Jer 26:24; Jer 29:21; Jer 36:10; Jer 40:11 **34:9** Zij kwamen bij Hilkia, de hogepriester, en gaven het geld dat in het huis van Elohim was binnengebracht. De Levieten, de wachters van de drempel, hadden het ingezameld uit de hand van Manasse en Efraïm, van heel het overblijfsel van Israël, van heel Juda en Benjamin. Daarna keerden zij terug naar Jeruzalem. Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = tot | חִלְקִיָּ֣הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֗וֹל (hagadol) = de grote | וַֽיִּתְּנוּ֮ (vayitenu) = en zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּסֶף֮ (hakesef) = het geld | הַמּוּבָ֣א (hamuva) = dat werd binnengebracht | בֵית (beit) = huis van | אֱלֹהִים֒ (Elohim) = Elohim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אָסְפֽוּ (asefu) = hadden verzameld | הַלְוִיִּם֩ (halviyim) = de Levieten | שֹׁמְרֵ֨י (shomerei) = bewakers van | הַסַּ֜ף (hasaf) = de drempel | מִיַּ֧ד (miyad) = uit de hand van | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | וְאֶפְרַ֗יִם (veefrayim) = en Efraïm | וּמִכֹּל֙ (umikol) = en van heel | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overblijfsel van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּמִכָּל (umikal) = en van heel | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֑ן (uvinyamin) = en Benjamin | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | יְרֽוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het geld kwam niet alleen uit Juda, maar ook uit het noorden, van Manasse en Efraïm en van het overblijfsel van Israël. Vergelijk 2 Kon. 22:4. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft וְיֹשְׁבֵי (veyoshvei), ‘en de inwoners van’. Het qere is וַיָּשֻׁבוּ (vayyashuvu), ‘en zij keerden terug’. Wij volgen het qere. Met het ketiv zou de zin eindigen met ‘en de inwoners van Jeruzalem’. Zie ook: 2 Kon 22:4; 2 Kron 30:10; 2 Kron 30:18; 2 Kron 34:18; 2 Kron 34:20; 2 Kron 35:8 **34:10** Zij gaven het in de hand van de werkleiders, de aangestelden in het huis van Yahweh. Zij gaven het aan de mannen die het werk deden in het huis van Yahweh, om het huis te onderzoeken en te herstellen. Brontekst: וַֽיִּתְּנ֗וּ (vayitenu) = en zij gaven | עַל (al) = in | יַד֙ (yad) = de hand van | עֹשֵׂ֣ה (ose) = uitvoerders van | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | הַמֻּפְקָדִ֖ים (hamufqadim) = de aangestelden | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en zij gaven | אֹת֜וֹ (oto) = het | עוֹשֵׂ֣י (osei) = uitvoerders van | הַמְּלָאכָ֗ה (hamelakha) = het werk | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עֹשִׂים֙ (osim) = doen | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִבְדּ֥וֹק (livdoq) = om te onderzoeken | וּלְחַזֵּ֖ק (ulechazeq) = en te herstellen | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִבְדּוֹק (livdok), ‘onderzoeken’: het werkwoord is zeldzaam. Het hangt samen met בֶּדֶק (bedeq), ‘schade’ in 2 Kon. 22:5: men onderzoekt de schade en herstelt haar. Zie ook: 2 Kon 12:12–13; 2 Kon 12:15; 2 Kon 22:5–6; Ezra 3:7 **34:11** Zij gaven het aan de timmerlieden en de bouwers. Zij moesten gehouwen stenen en hout kopen voor de klemmen. Ook moesten zij de gebouwen van balken voorzien, die de koningen van Juda hadden verwoest. Brontekst: וַֽיִּתְּנ֗וּ (vayitenu) = en zij gaven | לֶחָֽרָשִׁים֙ (lecharashim) = aan de timmerlieden | וְלַבֹּנִ֔ים (velabonim) = en de bouwers | לִקְנוֹת֙ (liqnot) = om te kopen | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | מַחְצֵ֔ב (machtsev) = uithouwing | וְעֵצִ֖ים (veetsim) = en hout | לַֽמְחַבְּר֑וֹת (lamchaberot) = voor de klemmen | וּלְקָרוֹת֙ (uleqarot) = en om balken te leggen | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּ֣תִּ֔ים (habatim) = de huizen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִשְׁחִ֖יתוּ (hishchitu) = hadden verwoest | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחַבְּרוֹת (mechabberot), ‘klemmen’: metalen verbindingen. De betekenis van het woord is niet helemaal zeker. Zo vertalen wij ook in 1 Kron. 22:3. Voetnoot : הַבָּתִּים (habbattim), ‘de huizen’: de gebouwen bij het huis van Yahweh. Zie ook: 1 Kron 22:3; 2 Kron 33:4–7; 2 Kron 33:22 **34:12** De mannen deden het werk met betrouwbaarheid. Over hen waren Jachat en Obadja, Levieten uit de zonen van Merari, aangesteld, en Zacharia en Mesjullam uit de zonen van de Kehatieten, om leiding te geven. De Levieten, allen die kundig waren met muziekinstrumenten, Brontekst: וְהָאֲנָשִׁים֩ (vehaanashim) = en de mannen | עֹשִׂ֨ים (osim) = doen | בֶּאֱמוּנָ֜ה (beemuna) = in betrouwbaarheid | בַּמְּלָאכָ֗ה (bamelakha) = het werk | וַעֲלֵיהֶ֣ם (vaaleihem) = en over hen | מֻ֠פְקָדִים (mufqadim) = aangesteld | יַ֣חַת (yachat) = Jachat | וְעֹבַדְיָ֤הוּ (veovadyahu) = en Obadja | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | מִן (min) = uit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | מְרָרִ֔י (merari) = Merari | וּזְכַרְיָ֧ה (uzekharya) = en Zacharia | וּמְשֻׁלָּ֛ם (umeshulam) = en Mesjullam | מִן (min) = uit | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הַקְּהָתִ֖ים (haqehatim) = de Kehatieten | לְנַצֵּ֑חַ (lenatseach) = om leiding te geven | וְהַ֨לְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | כָּל (kal) = allen | מֵבִ֖ין (mevin) = kundig | בִּכְלֵי (bikhlei) = met instrumenten van | שִֽׁיר (shir) = lied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 16:4–5; 1 Kron 16:41; 1 Kron 23:5; 2 Kon 12:16; Neh 7:2 **34:13** waren over de lastdragers aangesteld. Zij leidden allen die in elke dienst werk deden. Uit de Levieten kwamen ook schrijvers, opzichters en poortwachters. Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en over | הַסַּבָּלִ֗ים (hasabalim) = de lastdragers | וּֽמְנַצְּחִים֙ (umenatsechim) = en leiders | לְכֹל֙ (lekhol) = bij elke | עֹשֵׂ֣ה (ose) = doener van | מְלָאכָ֔ה (melakha) = werk | לַעֲבוֹדָ֖ה (laavoda) = voor dienst | וַעֲבוֹדָ֑ה (vaavoda) = en dienst | וּמֵֽהַלְוִיִּ֔ם (umehalviyim) = en uit de Levieten | סוֹפְרִ֥ים (soferim) = schrijvers | וְשֹׁטְרִ֖ים (veshoterim) = en opzichters | וְשׁוֹעֲרִֽים (veshoarim) = en poortwachters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in 1 Kron. 23:4. Zie ook: 1 Kron 9:17; 1 Kron 16:42; 1 Kron 23:4; 1 Kron 26:1–19; 2 Kron 2:17; Neh 4:4 ### Het boek van de wet wordt gevonden **34:14** Zij brachten het geld naar buiten dat in het huis van Yahweh was binnengebracht. Toen vond de priester Hilkia het boek van de wet van Yahweh, gegeven door Mozes. Brontekst: וּבְהוֹצִיאָ֣ם (uvehotsiam) = en bij hun naar buiten brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = het geld | הַמּוּבָ֖א (hamuva) = dat werd binnengebracht | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מָצָא֙ (matsa) = vond | חִלְקִיָּ֣הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | סֵ֥פֶר (sefer) = boek van | תּֽוֹרַת (torat) = wet van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר תּוֹרַת יְהוָה בְּיַד מֹשֶׁה (sefer torat Yahweh beyad Mosheh), ‘het boek van de wet van Yahweh door de hand van Mozes’. In 2 Kon. 22:8 staat ‘het boek van de wet’. Welk boek dit was, zegt de tekst niet. Zie ook Deut. 31:24–26. Zie ook: Lev 10:11; Deut 31:24–26; 2 Kon 22:8; 2 Kron 35:26; Jer 8:8; Ezra 7:10 **34:15** Hilkia nam het woord en zei tegen Safan, de schrijver: „Ik heb het boek van de wet gevonden in het huis van Yahweh.” Hilkia gaf het boek aan Safan. Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en antwoordde | חִלְקִיָּ֗הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | שָׁפָ֣ן (shafan) = Safan | הַסּוֹפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | סֵ֧פֶר (sefer) = boek van | הַתּוֹרָ֛ה (hatora) = de wet | מָצָ֖אתִי (matsati) = ik heb gevonden | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en gaf | חִלְקִיָּ֛הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | אֶת (et) = (obj.) | הַסֵּ֖פֶר (hasefer) = het boek | אֶל (el) = aan | שָׁפָֽן (shafan) = Safan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:16** Safan bracht het boek naar de koning. Ook bracht hij de koning bericht en zei: „Alles wat in de hand van uw dienaren is gegeven, voeren zij uit. Brontekst: וַיָּבֵ֨א (vayave) = en bracht | שָׁפָ֤ן (shafan) = Safan | אֶת (et) = (obj.) | הַסֵּ֨פֶר֙ (hasefer) = het boek | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיָּ֨שֶׁב (vayashev) = en bracht terug | ע֧וֹד (od) = nog | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּבָ֖ר (davar) = bericht | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | נִתַּ֥ן (nitan) = is gegeven | בְּיַד (beyad) = in de hand van | עֲבָדֶ֖יךָ (avadeikha) = uw dienaren | הֵ֥ם (hem) = zij | עֹשִֽׂים (osim) = doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 22:9–10; Jer 36:20–21 **34:17** Zij hebben het geld dat in het huis van Yahweh gevonden werd, uitgegoten. Zij hebben het in de hand van de aangestelden en van de mannen die het werk doen, gegeven.” Brontekst: וַיַּתִּ֕יכוּ (vayatikhu) = en zij hebben uitgegoten | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het geld | הַנִּמְצָ֣א (hanimtsa) = dat werd gevonden | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיִּתְּנ֗וּהוּ (vayitenuhu) = en zij hebben het gegeven | עַל (al) = in | יַד֙ (yad) = de hand van | הַמֻּפְקָדִ֔ים (hamufqadim) = de aangestelden | וְעַל (veal) = en in | יַ֖ד (yad) = de hand van | עוֹשֵׂ֥י (osei) = uitvoerders van | הַמְּלָאכָֽה (hamelakha) = het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּתִּיכוּ (vayyattikhu), ‘zij hebben uitgegoten’: letterlijk ‘gesmolten’. Zo vertalen wij ook in 2 Kon. 22:9. Zie ook: 2 Kon 22:9 **34:18** Safan, de schrijver, vertelde de koning: „Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven.” Safan las eruit voor aan de koning. Brontekst: וַיַּגֵּ֞ד (vayaged) = en vertelde | שָׁפָ֤ן (shafan) = Safan | הַסּוֹפֵר֙ (hasofer) = de schrijver | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | סֵ֚פֶר (sefer) = boek | נָ֣תַן (natan) = gaf | לִ֔י (li) = aan mij | חִלְקִיָּ֖הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וַיִּקְרָא (vayiqra) = en las voor | ב֥וֹ (bo) = daaruit | שָׁפָ֖ן (shafan) = Safan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 17:19; Joz 1:8; Ps 119:46; Ps 119:97–99; Jer 36:20–21 **34:19** Toen de koning de woorden van de wet hoorde, scheurde hij zijn kleren. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּשְׁמֹ֣עַ (kishmoa) = bij het horen van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֑ה (hatora) = de wet | וַיִּקְרַ֖ע (vayiqra) = en scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָֽיו (begadav) = zijn kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:6; 2 Kon 19:1; 2 Kon 22:11; Gal 3:10–13; Rom 7:7–11 **34:20** De koning gaf een bevel aan Hilkia, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Abdon, de zoon van Micha, aan Safan, de schrijver, en aan Asaja, de dienaar van de koning. Hij zei: Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gebood | הַמֶּ֡לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | חִלְקִיָּ֡הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲחִיקָ֣ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁ֠פָן (shafan) = Safan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַבְדּ֨וֹן (avdon) = Abdon | בֶּן (ben) = zoon van | מִיכָ֜ה (mikha) = Micha | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שָׁפָ֣ן (shafan) = Safan | הַסּוֹפֵ֗ר (hasofer) = de schrijver | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | עֲשָׂיָ֥ה (asaya) = Asaja | עֶֽבֶד (eved) = dienaar van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדּוֹן בֶּן מִיכָה (Avdon ben Mikha), ‘Abdon, de zoon van Micha’: in 2 Kon. 22:12 heet de man Achbor, de zoon van Michaja. Het is onzeker of dit dezelfde man is. Zie ook: 2 Kon 22:12; 2 Kon 25:22; Jer 26:24; Jer 40:6; Jer 40:9 **34:21** „Ga, raadpleeg Yahweh voor mij en voor wie in Israël en in Juda zijn overgebleven, over de woorden van het boek dat gevonden is. Want groot is de woede van Yahweh, die over ons is uitgegoten. Onze vaders hebben het woord van Yahweh niet gehouden en niet gedaan naar alles wat in dit boek geschreven staat.” Brontekst: לְכוּ֩ (lekhu) = gaat | דִרְשׁ֨וּ (dirshu) = raadpleegt | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בַּעֲדִ֗י (baadi) = voor mij | וּבְעַד֙ (uvead) = en voor | הַנִּשְׁאָר֙ (hanishar) = de overgeblevenen | בְּיִשְׂרָאֵ֣ל (beyisrael) = in Israël | וּבִֽיהוּדָ֔ה (uvihuda) = en in Juda | עַל (al) = over | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַסֵּ֖פֶר (hasefer) = het boek | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נִמְצָ֑א (nimtsa) = is gevonden | כִּֽי (ki) = want | גְדוֹלָ֤ה (gedola) = groot | חֲמַת (chamat) = woede van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִתְּכָ֣ה (nitekha) = is uitgegoten | בָ֔נוּ (banu) = over ons | עַל֩ (al) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | שָׁמְר֤וּ (shameru) = zij hielden | אֲבוֹתֵ֨ינוּ֙ (avoteinu) = onze vaders | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֣ר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂ֕וֹת (laasot) = om te doen | כְּכָל (kekhal) = naar alles | הַכָּת֖וּב (hakatuv) = wat is geschreven | עַל (al) = in | הַסֵּ֥פֶר (hasefer) = het boek | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּשְׁאָר בְּיִשְׂרָאֵל וּבִיהוּדָה (hanish’ar beYisra’el uvihudah), ‘wie in Israël en in Juda is overgebleven’: dit staat niet in 2 Kon. 22:13. Voetnoot : דִּרְשׁוּ (dirshu), ‘raadpleeg’: zie vers 3. Zie ook: 1 Kon 22:5–7; 2 Kon 22:13; 2 Kron 28:6; 2 Kron 33:11; 2 Kron 34:3; Jer 21:2; Ezech 14:1–11 ### Hulda, de profetes **34:22** Hilkia en de mannen van de koning gingen naar Hulda, de profetes. Zij was de vrouw van Sjallum, de zoon van Tokhat, de zoon van Chasra, de bewaarder van de kleren. Zij woonde in Jeruzalem, in het tweede stadsdeel. Zij spraken zo met haar. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | חִלְקִיָּ֜הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | חֻלְדָּ֨ה (chulda) = Hulda | הַנְּבִיאָ֜ה (hanevia) = de profetes | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | שַׁלֻּ֣ם (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | תָּקְהַ֗ת (taqehat) = Tokhat | בֶּן (ben) = zoon van | חַסְרָה֙ (chasra) = Chasra | שׁוֹמֵ֣ר (shomer) = bewaarder van | הַבְּגָדִ֔ים (habegadim) = de kleren | וְהִ֛יא (vehi) = en zij | יוֹשֶׁ֥בֶת (yoshevet) = woonde | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | בַּמִּשְׁנֶ֑ה (bamishne) = in het tweede stadsdeel | וַיְדַבְּר֥וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = tot haar | כָּזֹֽאת (kazot) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het tweede stadsdeel (הַמִּשְׁנֶה, hammishneh) was een nieuwe wijk van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noorden of noordwesten. De ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: חֻלְדָּה (Chuldah), ‘Hulda’: een profetes, zoals ook Mirjam (Exod. 15:20) en Debora (Richt. 4:4). In 2 Kon. 22:14 heet haar man Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Charchas. Hier staan de vormen ‘Sjallum’ (zoals in 1 Kron.), ‘Tokhat’ en ‘Chasra’. Wij houden de vorm van elk boek. Voetnoot : וַאֲשֶׁר הַמֶּלֶךְ (va’asher hamelekh), ‘en die van de koning’: de mannen die in vers 20 worden genoemd. Voetnoot : כָּזֹאת (kazot), ‘zo’: zij brachten de opdracht van vers 21 over. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft תוקהת (Tokhat). Het qere is תָּקְהַת (Toqhat). Wij schrijven in beide gevallen ‘Tokhat’. Zie ook: Ex 15:20; Re 4:4; 2 Kon 22:14; 2 Kron 34:20; 2 Kron 34:21; Luc 1:41–45; Luc 2:36; Hand 21:9 **34:23** Zij zei tegen hen: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Zeg tegen de man die jullie naar mij heeft gestuurd: Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אִמְר֣וּ (imru) = zegt | לָאִ֔ישׁ (laish) = tot de man | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥ח (shalach) = stuurde | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hulda spreekt in naam van Yahweh. Haar woorden staan in zwart, met enkele aanhalingstekens waar zij Yahweh citeert. Dat is de regel voor profeten, zoals bij 2 Kon. 22:15. Zie ook: 2 Kon 22:15–20; Jer 21:3–7; Jer 37:7–10 **34:24** Zo zegt Yahweh: Zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners. Dat zijn alle eden die geschreven staan in het boek dat zij voor de koning van Juda hebben gelezen. Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | רָעָ֛ה (raa) = onheil | עַל (al) = over | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וְעַל (veal) = en over | יוֹשְׁבָ֑יו (yoshevav) = haar inwoners | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָאָלוֹת֙ (haalot) = de eden | הַכְּתוּב֣וֹת (haketuvot) = die geschreven staan | עַל (al) = in | הַסֵּ֔פֶר (hasefer) = het boek | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | קָֽרְא֔וּ (qareu) = zij lazen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלוֹת (alot), ‘eden’: meervoud van אָלָה (alah), een eed waaraan een vloek is verbonden. Zo vertalen wij ook in Deut. 29:20. In 2 Kon. 22:16 staat ‘alle woorden van het boek’. Zie ook: Deut 28:15–68; Deut 29:20; Joz 23:16; 2 Kon 22:16; 2 Kon 23:26–27; 2 Kron 36:14–20; Jer 6:19 **34:25** Omdat zij Mij hebben verlaten en offerrook hebben laten opgaan voor andere goden, is Mijn woede uitgegoten over deze plaats. Zij deden dat om Mij tot toorn te prikkelen met alle werken van hun handen. Die woede zal niet gedoofd worden. Brontekst: תַּ֣חַת (tachat) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲזָב֗וּנִי (azavuni) = zij hebben Mij verlaten | וַֽיְקַטְּרוּ֙ (vayqateru) = en zij lieten offerrook opgaan | לֵֽאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | הַכְעִיסֵ֔נִי (hakhiseni) = zij Mij tot toorn prikten | בְּכֹ֖ל (bekhol) = met alle | מַעֲשֵׂ֣י (maasei) = werken van | יְדֵיהֶ֑ם (yedeihem) = hun handen | וְתִתַּ֧ךְ (vetitakh) = en is uitgegoten | חֲמָתִ֛י (chamati) = Mijn woede | בַּמָּק֥וֹם (bamaqom) = over de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִכְבֶּֽה (tikhbe) = zal gedoofd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּתַּךְ (vattattakh), ‘zij is uitgegoten’: de woede wordt als een vloeistof uitgegoten. In 2 Kon. 22:17 staat ‘is ontbrand’. Voetnoot : וַיְקַטְּרוּ (vayeqatteru), ‘zij lieten offerrook opgaan’: de geschreven tekst (ketiv) heeft ויקטירו (vayaqtiru). Wij volgen het qere en vertalen zoals in 2 Kon. 22:17. Zie ook: 2 Kon 22:17; Jes 42:25; Nah 1:6; Jer 7:20; Jer 15:1–4; Mar 9:43–48 **34:26** Maar tegen de koning van Juda, die jullie heeft gestuurd om Yahweh te raadplegen, moeten jullie zeggen: Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël. Over de woorden die je hebt gehoord: Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | הַשֹּׁלֵ֤חַ (hasholeach) = die stuurde | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | לִדְר֣וֹשׁ (lidrosh) = om te raadplegen | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = Yahweh | כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמְר֖וּ (tomru) = zullen jullie zeggen | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁמָֽעְתָּ (shamata) = je hebt gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 34:21; 2 Kron 34:23 **34:27** Omdat je hart week was en je je hebt vernederd voor het aangezicht van Elohim, toen je Zijn woorden over deze plaats en over haar inwoners hoorde. Omdat je je hebt vernederd voor Mijn aangezicht, je kleren hebt gescheurd en voor Mijn aangezicht hebt gehuild: ook Ik heb het gehoord, spreekt Yahweh. Brontekst: יַ֠עַן (yaan) = omdat | רַךְ (rakh) = week | לְבָ֨בְךָ֜ (levavekha) = je hart | וַתִּכָּנַ֣ע (vatikana) = en je vernederde je | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = voor het aangezicht van | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | בְּשָׁמְעֲךָ֤ (beshameakha) = bij je horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרָיו֙ (devarav) = Zijn woorden | עַל (al) = over | הַמָּק֤וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּה֙ (haze) = deze | וְעַל (veal) = en over | יֹ֣שְׁבָ֔יו (yoshevav) = haar inwoners | וַתִּכָּנַ֣ע (vatikana) = en je vernederde je | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | וַתִּקְרַ֥ע (vatiqra) = en je scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדֶ֖יךָ (begadeikha) = je kleren | וַתֵּ֣בְךְּ (vatevek) = en je huilde | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֥י (ani) = Ik | שָׁמַ֖עְתִּי (shamati) = heb gehoord | נְאֻם (neum) = spreken van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers spreekt Yahweh eerst over Elohim in de derde persoon (‘voor het aangezicht van Elohim’, ‘Zijn woorden’) en daarna in de eerste persoon (‘voor Mijn aangezicht’). Het Hebreeuws schakelt hier. Wij laten dat zo staan. Vergelijk 2 Kon. 22:19. Zie ook: Ps 34:19; 2 Kon 22:19; 2 Kron 32:26; 2 Kron 34:19; Jes 65:24; Ezech 9:4 **34:28** Zie, Ik zal je verzamelen bij je vaderen. Je wordt in vrede verzameld in je graven. Je ogen zullen al het onheil niet zien dat Ik over deze plaats en over haar inwoners breng.’” Zij brachten de koning antwoord. Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | אֹֽסִפְךָ֜ (osifkha) = zal je verzamelen | אֶל (el) = bij | אֲבֹתֶ֗יךָ (avoteikha) = je vaderen | וְנֶאֱסַפְתָּ֣ (veneesafta) = en je wordt verzameld | אֶל (el) = naar | קִבְרֹתֶיךָ֮ (qivroteikha) = je graven | בְּשָׁלוֹם֒ (beshalom) = in vrede | וְלֹא (velo) = en niet | תִרְאֶ֣ינָה (tireina) = zullen zien | עֵינֶ֔יךָ (eineikha) = je ogen | בְּכֹל֙ (bekhol) = in al | הָֽרָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | מֵבִ֛יא (mevi) = breng | עַל (al) = over | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וְעַל (veal) = en over | יֹשְׁבָ֑יו (yoshevav) = haar inwoners | וַיָּשִׁ֥יבוּ (vayashivu) = en zij brachten terug | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּבָֽר (davar) = antwoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘In vrede verzameld in je graven’: de belofte aan Josia. Zijn dood in de strijd staat in 2 Kron. 35:20–24 en 2 Kon. 23:29–30. Wij leggen beide niet gelijk. Zie ook: Ps 37:37; 1 Kon 21:29; 2 Kon 23:29–30; 2 Kron 35:20–24; 2 Kron 35:24; Jes 39:8; Jer 15:1 ### Josia sluit het verbond **34:29** De koning stuurde bericht en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֖ח (vayishlach) = en stuurde | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֶּאֱסֹ֕ף (vayeesof) = en verzamelde | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushalaim) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Sam 12:23; 1 Kron 29:2–9; 2 Kon 23:1–3; 2 Kron 30:2; Mar 14:8 **34:30** De koning ging op naar het huis van Yahweh. Alle mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem, de priesters, de Levieten en heel het volk gingen met hem mee, van groot tot klein. Hij las hun alle woorden voor van het boek van het verbond dat in het huis van Yahweh was gevonden. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en ging op | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | בֵּית (beit) = naar het huis van | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | וְכָל (vekhal) = en alle | אִ֨ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְהַכֹּֽהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מִגָּד֣וֹל (migadol) = van groot | וְעַד (vead) = en tot | קָטָ֑ן (qatan) = klein | וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en las | בְאָזְנֵיהֶ֗ם (beazeneihem) = in hun oren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | סֵ֣פֶר (sefer) = boek van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | הַנִּמְצָ֖א (hanimtsa) = dat werd gevonden | בֵּ֥ית (beit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: In 2 Kon. 23:2 gaan ‘de priesters en de profeten’ mee en staat ‘van klein tot groot’. Hier staan ‘de priesters en de Levieten’ en ‘van groot tot klein’. Zie ook: Ex 24:7; Deut 1:17; Deut 17:18–20; 2 Kon 23:2; 2 Kron 18:30 **34:31** De koning ging op zijn plaats staan en sloot het verbond voor het aangezicht van Yahweh. Hij zou achter Yahweh aan gaan en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn voorschriften houden, met heel zijn hart en heel zijn ziel. Zo zou hij de woorden van het verbond uitvoeren die in dit boek geschreven staan. Brontekst: וַיַּעֲמֹ֨ד (vayaamod) = en stond | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = op | עָמְד֗וֹ (amedo) = zijn plaats | וַיִּכְרֹ֣ת (vayikhrot) = en sloot | אֶֽת (et) = (obj.) | הַבְּרִית֮ (haberit) = het verbond | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | לָלֶ֜כֶת (lalekhet) = om te gaan | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְלִשְׁמ֤וֹר (velishmor) = en om te houden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺתָיו֙ (mitsvotav) = Zijn geboden | וְעֵֽדְוֺתָ֣יו (veedevotav) = en Zijn getuigenissen | וְחֻקָּ֔יו (vechuqav) = en Zijn voorschriften | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבָב֖וֹ (levavo) = zijn hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn ziel | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | הַכְּתוּבִ֖ים (haketuvim) = die geschreven staan | עַל (al) = op | הַסֵּ֥פֶר (hasefer) = het boek | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל עָמְדוֹ (al omdo), ‘op zijn plaats’: in 2 Kon. 23:3 staat ‘bij de zuil’ (עַל הָעַמּוּד, al ha’ammud). Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en het innerlijk van de mens. Zie ook: 2 Kon 11:14; 2 Kon 23:3; 2 Kron 6:13; 2 Kron 15:12; 2 Kron 23:16 **34:32** Hij liet allen die in Jeruzalem en in Benjamin aanwezig waren, zich eraan binden. De inwoners van Jeruzalem handelden naar het verbond van Elohim, de Elohim van hun vaders. Brontekst: וַיַּעֲמֵ֕ד (vayaamed) = en liet staan | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנִּמְצָ֥א (hanimtsa) = die gevonden werd | בִירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וּבִנְיָמִ֑ן (uvinyamin) = en in Benjamin | וַֽיַּעֲשׂוּ֙ (vayaasu) = en zij deden | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | כִּבְרִ֥ית (kivrit) = naar het verbond van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Benjamin: Benjamin is het stamgebied ten noorden van Jeruzalem, tussen Juda en Efraïm. Voetnoot Uitleg: וַיַּעֲמֵד (vaya’amed), ‘hij liet staan’: de koning liet allen zich aan het verbond verbinden. In 2 Kon. 23:3 staat dat heel het volk ‘in het verbond’ stond. Wij vertalen ‘zich eraan binden’. Zie ook: Gen 18:19; Pred 8:2; 2 Kon 23:3; 2 Kron 14:3; 2 Kron 29:29; Jer 3:10 **34:33** Josia verwijderde alle gruwelen uit alle landen die aan de zonen van Israël toebehoorden. Hij liet allen die in Israël aanwezig waren, Yahweh, hun Elohim, dienen. Heel zijn leven weken zij niet af van Yahweh, de Elohim van hun vaders. Brontekst: וַיָּ֨סַר (vayasar) = en verwijderde | יֹֽאשִׁיָּ֜הוּ (yoshiyahu) = Josia | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַתּוֹעֵב֗וֹת (hatoevot) = de gruwelen | מִֽכָּל (mikal) = uit alle | הָאֲרָצוֹת֮ (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לִבְנֵ֣י (livnei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַֽיַּעֲבֵ֗ד (vayaaved) = en liet dienen | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנִּמְצָא֙ (hanimtsa) = die gevonden werd | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | לַעֲב֖וֹד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | כָּל (kal) = al | יָמָ֕יו (yamav) = zijn dagen | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֔רוּ (saru) = weken af | מֵֽאַחֲרֵ֕י (meacharei) = van achter | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאַחֲרֵי יְהוָה (me’acharei Yahweh), ‘van achter Yahweh’: niet meer achter Yahweh aan lopen. Zie vers 31. Voetnoot : De gruwelen worden verwijderd uit alle landen van Israël, dus ook uit het noorden (vers 6–7). Zie ook: Joz 24:31; 1 Kon 11:5–7; 2 Kon 23:4–20; 2 Kron 34:3–7; 2 Kron 34:6–7; 2 Kron 34:31; Jer 3:10 ## 2 Kronieken 35 _Josia viert het Pesach en sterft bij Megiddo_ ### Josia viert het Pesach **35:1** Josia vierde in Jeruzalem het Pesach voor Yahweh. Zij slachtten het Pesach op de veertiende van de eerste maand. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en vierde | יֹאשִׁיָּ֧הוּ (yoshiyahu) = Josia | בִֽירוּשָׁלִַ֛ם (birushalaim) = in Jeruzalem | פֶּ֖סַח (pesach) = Pesach | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיִּשְׁחֲט֣וּ (vayishchatu) = en zij slachtten | הַפֶּ֔סַח (hapesach) = het Pesach | בְּאַרְבָּעָ֥ה (bearbaa) = op vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = in de maand | הָרִאשֽׁוֹן (harishon) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 23:21–23 (het Pesach) en 2 Kon. 23:28–30 (de dood van Josia). Kronieken vertelt het Pesach veel uitvoeriger dan Koningen. Voetnoot : פֶּסַח (pesach), ‘Pesach’: het woord noemt zowel het feest als het dier dat geslacht wordt. Wij schrijven ‘Pesach’ en ‘het Pesach slachten’, zoals in Exod. 12 en Deut. 16:1–8. Voetnoot : De veertiende dag van de eerste maand is de dag van het Pesach (Exod. 12:6, Lev. 23:5, Num. 28:16). Zie ook: Ex 12:6; Lev 23:5; Num 9:3; Num 28:16; Deut 16:1–8; 2 Kon 23:21–23; 2 Kon 23:28–30; Ezra 6:19 **35:2** Hij stelde de priesters aan op hun posten en gaf hun moed voor de dienst in het huis van Yahweh. Brontekst: וַיַּעֲמֵ֥ד (vayaamed) = en hij stelde aan | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | עַל (al) = op | מִשְׁמְרוֹתָ֑ם (mishmerotam) = hun posten | וַֽיְחַזְּקֵ֔ם (vaychazeqem) = en hij gaf hun moed | לַעֲבוֹדַ֖ת (laavodat) = voor de dienst van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמְרוֹת (mishmerot), ‘posten’: de plaatsen en taken van de dienst, ook ‘wacht’. In 2 Kron. 8:14 vertalen wij hetzelfde woord bij de Levieten met ‘wacht’. Voetnoot : וַיְחַזְּקֵם (vaychazzeqem), ‘en gaf hun moed’: letterlijk ‘en hij versterkte hen’. Zie ook: 1 Kron 22:19; 1 Kron 24:1–31; 2 Kron 8:14; 2 Kron 23:18; 2 Kron 29:5–11; 2 Kron 31:2 ### De opdracht aan de Levieten **35:3** Hij zei tegen de Levieten, die heel Israël onderwijzen en aan Yahweh geheiligd zijn. Hij zei: „Zet de heilige ark in het huis dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, heeft gebouwd. Het is geen last meer voor jullie schouder. Dien nu Yahweh, jullie Elohim, en Zijn volk Israël. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לַ֠לְוִיִּם (lalviyim) = tegen de Levieten | הַמְּבִינִ֨ים (hamevinim) = die onderwijzen | לְכָל (lekhal) = heel | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | הַקְּדוֹשִׁ֣ים (haqedoshim) = de geheiligden | לַיהוָ֗ה (laYahweh) = aan Yahweh | תְּנ֤וּ (tenu) = plaats | אֶת (et) = (obj.) | אֲרוֹן (aron) = ark van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = de heiligheid | בַּ֠בַּיִת (babayit) = in het huis | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | בָּנָ֜ה (bana) = heeft gebouwd | שְׁלֹמֹ֤ה (shelomo) = Salomo | בֶן (ben) = zoon van | דָּוִיד֙ (david) = David | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵין (ein) = er is niet | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | מַשָּׂ֖א (masa) = last | בַּכָּתֵ֑ף (bakatef) = op de schouder | עַתָּ֗ה (ata) = nu | עִבְדוּ֙ (ivdu) = dient | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | עַמּ֥וֹ (amo) = Zijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְּבִינִים (hamevinim), ‘die onderwijzen’: letterlijk ‘die inzicht geven’. De Levieten onderwezen het volk in de wet. Voetnoot : אֲרוֹן הַקֹּדֶשׁ (aron haqodesh), ‘de heilige ark’: de ark van het verbond (Exod. 25:10–22). De tekst zegt niet waarom de ark verplaatst moest worden of waar hij tot dan toe stond. Wij voegen daar niets aan toe. Voetnoot : אֵין לָכֶם מַשָּׂא בַּכָּתֵף (ein lakhem massa bakkatef), ‘het is geen last voor jullie schouder’: de Levieten droegen de ark vroeger op hun schouders (Num. 7:9, 1 Kron. 15:15). Nu staat hij vast in het huis van Salomo. Voetnoot : De toespraak van Josia loopt door tot vers 6. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat המבונים (hamevonim), in de gelezen tekst (qere) הַמְּבִינִים (hamevinim). Het is hetzelfde woord, ‘die onderwijzen’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ex 25:10–22; Num 7:9; Deut 33:10; 1 Kron 15:15; 1 Kron 23:26; 2 Kron 17:8–9; 2 Kron 30:22; 2 Kron 35:6; Mal 2:7 **35:4** Maak jullie gereed per vaderhuis, volgens jullie afdelingen. Doe dat volgens het geschrift van David, de koning van Israël, en volgens het geschrift van Salomo, zijn zoon. Brontekst: וְהָכִ֥ונוּ (vehakhinu) = en maak gereed | לְבֵית (leveit) = per huis van | אֲבוֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaders | כְּמַחְלְקוֹתֵיכֶ֑ם (kemachleqoteikhem) = volgens jullie afdelingen | בִּכְתָ֗ב (bikhtav) = volgens het geschrift van | דָּוִיד֙ (david) = David | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּבְמִכְתַּ֖ב (uvemikhtav) = en volgens het geschrift van | שְׁלֹמֹ֥ה (shelomo) = Salomo | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘geschrift van David’ en het ‘geschrift van Salomo’ verwijzen naar de indeling van de priesters, Levieten, zangers en poortwachters door David (1 Kron. 23–26) en door Salomo (2 Kron. 8:14). Zie ook: 1 Kron 9:10–34; 1 Kron 23:1–26; 1 Kron 24:1; 2 Kron 8:14; Neh 11:10–20 **35:5** Ga in het heiligdom staan, per afdeling van de vaderhuizen, voor jullie broeders, de zonen van het volk. En voor de Levieten is er een deel van een vaderhuis. Brontekst: וְעִמְד֣וּ (veimdu) = en ga staan | בַקֹּ֗דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | לִפְלֻגּוֹת֙ (liflugot) = volgens de afdelingen van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָֽאָב֔וֹת (haavot) = de vaders | לַאֲחֵיכֶ֖ם (laacheikhem) = voor jullie broeders | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַחֲלֻקַּ֥ת (vachaluqat) = en een deel van | בֵּֽית (beit) = huis van | אָ֖ב (av) = een vader | לַלְוִיִּֽם (lalviyim) = voor de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘en een deel van een vaderhuis voor de Levieten’. Wij vertalen letterlijk. Het gaat waarschijnlijk om een indeling waarbij bij elke groep van het volk (een vaderhuis) een groep Levieten hoort, die bij het offeren helpt (zie vers 12–14). Voetnoot : בְּנֵי הָעָם (benei ha’am), ‘de zonen van het volk’: gewone mensen, tegenover de priesters en de Levieten. Zie ook: Ps 134:1; Ps 135:2; 2 Kron 35:12–14; Ezra 6:18 **35:6** Slacht het Pesach. Heilig jullie zelf en maak het klaar voor jullie broeders. Doe het volgens het woord van Yahweh door de hand van Mozes.” Brontekst: וְשַׁחֲט֖וּ (veshachatu) = en slacht | הַפָּ֑סַח (hapasach) = het Pesach | וְהִתְקַדְּשׁוּ֙ (vehitqadeshu) = en heilig jullie | וְהָכִ֣ינוּ (vehakhinu) = en maak gereed | לַאֲחֵיכֶ֔ם (laacheikhem) = voor jullie broeders | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | כִּדְבַר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְקַדְּשׁוּ (hitqaddeshu), ‘heilig jullie zelf’: zich wijden voor de dienst, zoals in 2 Kron. 29:5 en 29:15. Voetnoot : ‘Het woord van Yahweh door de hand van Mozes’: zie Exod. 12:1–28 en Deut. 16:1–8 voor de regels van het Pesach. Zie ook: Ex 12:1–28; Ex 12:6; Ex 12:21–22; Deut 16:1–8; 2 Kron 29:5; 2 Kron 29:15; Heb 9:13–14 ### De gaven voor de Pesachoffers **35:7** Josia schonk aan de zonen van het volk kleinvee: lammeren en jonge geiten, alles voor de Pesachoffers, voor allen die aanwezig waren. Het waren 30.000 stuks, en 3.000 runderen. Dat kwam uit het bezit van de koning. Brontekst: וַיָּ֣רֶם (vayarem) = en schonk | יֹאשִׁיָּ֣הוּ (yoshiyahu) = Josia | לִבְנֵ֪י (livnei) = aan de zonen van | הָעָ֟ם (haam) = het volk | צֹ֞אן (tson) = kleinvee | כְּבָשִׂ֣ים (kevasim) = lammeren | וּבְנֵֽי (uvenei) = en jonge | עִזִּים֮ (izim) = geiten | הַכֹּ֣ל (hakol) = alles | לַפְּסָחִים֒ (lapesachim) = voor de Pesachoffers | לְכָל (lekhal) = voor allen | הַנִּמְצָ֗א (hanimtsa) = die aanwezig waren | לְמִסְפַּר֙ (lemispar) = tot een aantal van | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וּבָקָ֖ר (uvaqar) = en runderen | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizend | אֵ֖לֶּה (ele) = dit | מֵרְכ֥וּשׁ (merekhush) = uit het bezit van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּרֶם (vayarem), ‘schonk’: letterlijk ‘hief op’. Het werkwoord is verwant met תְּרוּמָה (terumah), ‘bijdrage’ (Exod. 25:2). Wij gebruiken ‘schonk’ voor dit werkwoord in de verzen 7, 8 en 9. Voetnoot : צֹאן (tson), ‘kleinvee’: schapen en geiten. Hier worden lammeren en jonge geiten bedoeld, zoals Exod. 12:5 toestaat. Voetnoot : לַפְּסָחִים (lapsachim), ‘voor de Pesachoffers’: het meervoud van pesach; het gaat om de dieren voor het Pesach. Voetnoot : De getallen 30.000 en 3.000 vertalen wij zoals ze staan. Dit vers staat niet in Koningen. Zie ook: Ex 12:5; Ex 25:2; 1 Kron 29:3; 1 Kon 8:63; 2 Kron 30:24; Jes 32:8; Ezech 45:17 **35:8** Ook zijn leiders schonken uit vrije wil aan het volk, aan de priesters en aan de Levieten. Hilkia, Zacharia en Jechiël, de leiders van het huis van Elohim, gaven aan de priesters voor de Pesachoffers 2.600 stuks en 300 runderen. Brontekst: וְשָׂרָ֞יו (vesarav) = en zijn leiders | לִנְדָבָ֥ה (lindava) = als vrijwillige gift | לָעָ֛ם (laam) = aan het volk | לַכֹּהֲנִ֥ים (lakohanim) = aan de priesters | וְלַלְוִיִּ֖ם (velalviyim) = en aan de Levieten | הֵרִ֑ימוּ (herimu) = schonken | חִלְקִיָּ֨ה (chilqiya) = Hilkia | וּזְכַרְיָ֜הוּ (uzekharyahu) = en Zacharia | וִֽיחִיאֵ֗ל (vichiel) = en Jechiël | נְגִידֵי֙ (negidei) = leiders van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | לַכֹּהֲנִ֞ים (lakohanim) = aan de priesters | נָתְנ֣וּ (natenu) = gaven | לַפְּסָחִ֗ים (lapesachim) = voor de Pesachoffers | אַלְפַּ֨יִם֙ (alpayim) = tweeduizend | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | וּבָקָ֖ר (uvaqar) = en runderen | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְגִיד בֵּית הָאֱלֹהִים (nagid beit ha’Elohim), ‘leider van het huis van Elohim’: de hoogste opzichter van het huis. Zie 1 Kron. 9:11, waar Azaria zo heet. Hilkia is waarschijnlijk de hogepriester uit 2 Kon. 22:4 (zie ook 2 Kron. 34:9). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt bij ‘2.600’ en ‘300’ alleen de getallen; in vers 7 staat ‘kleinvee’. Wij schrijven ‘stuks’. Zie ook: 1 Kron 9:11; 2 Kon 22:4; 2 Kron 29:31–33; 2 Kron 34:9; 2 Kron 35:7; Ezra 1:6; Ezra 2:68–69; Ezra 7:16; Hand 4:1 **35:9** Kenanja, Sjemaja en Netanel, zijn broers, en Chasabja, Jeïël en Jozabad, de leiders van de Levieten, schonken aan de Levieten voor de Pesachoffers 5.000 stuks en 500 runderen. Brontekst: וְ֠כָֽנַנְיָהוּ (vekhananyahu) = en Kenanja | וּשְׁמַֽעְיָ֨הוּ (ushemayahu) = en Sjemaja | וּנְתַנְאֵ֜ל (unetanel) = en Netanel | אֶחָ֗יו (echav) = zijn broers | וַחֲשַׁבְיָ֧הוּ (vachashavyahu) = en Chasabja | וִיעִיאֵ֛ל (viiel) = en Jeïël | וְיוֹזָבָ֖ד (veyozavad) = en Jozabad | שָׂרֵ֣י (sarei) = leiders van | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | הֵרִ֨ימוּ (herimu) = schonken | לַלְוִיִּ֤ם (lalviyim) = aan de Levieten | לַפְּסָחִים֙ (lapesachim) = voor de Pesachoffers | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = vijf | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | וּבָקָ֖ר (uvaqar) = en runderen | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶחָיו (achiv), ‘zijn broers’: ‘broer’ kan in het Hebreeuws ook ‘stamverwant’ of ‘collega’ betekenen. Het ‘zijn’ slaat waarschijnlijk op Kenanja, de eerste naam. Voetnoot : Jeïël (יְעִיאֵל, Ye‘i’el) is een andere man dan Jechiël (יְחִיאֵל, Yechi’el) in vers 8. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat de naam Kenanja in een andere spelling (וכונניהו, Kononyahu), in de gelezen tekst (qere) וְכָנַנְיָהוּ (Kenanjahu). Wij volgen het qere, zoals in 2 Kron. 31:12. Zie ook: 2 Kron 31:12; 2 Kron 35:8; Jes 1:10–15; Mi 6:6–8; Jer 3:10; Jer 7:21–28 ### De dienst bij het Pesach **35:10** De dienst werd geregeld. De priesters gingen op hun plaats staan en de Levieten bij hun afdelingen, volgens het gebod van de koning. Brontekst: וַתִּכּ֖וֹן (vatikon) = en werd geregeld | הָעֲבוֹדָ֑ה (haavoda) = de dienst | וַיַּֽעַמְד֨וּ (vayaamdu) = en gingen staan | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | עַל (al) = op | עָמְדָ֛ם (amedam) = hun plaats | וְהַלְוִיִּ֥ם (vehalviyim) = en de Levieten | עַל (al) = bij | מַחְלְקוֹתָ֖ם (machleqotam) = hun afdelingen | כְּמִצְוַ֥ת (kemitsvat) = volgens het gebod van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּכּוֹן (vattikkon), ‘werd geregeld’: de dienst stond klaar en iedereen had zijn plaats. Het werkwoord כּוּן (kun) komt hier in twee vormen voor: ‘geregeld worden’ (vers 10 en 16) en ‘klaarmaken’ (vers 4, 6, 14, 15). Zie ook: 2 Kron 30:16; 2 Kron 35:4–5; 2 Kron 35:6; 2 Kron 35:14; 2 Kron 35:15; 2 Kron 35:16; Ezra 6:18 **35:11** Zij slachtten het Pesach. De priesters sprenkelden het bloed uit hun hand, terwijl de Levieten de huid afstroopten. Brontekst: וַֽיִּשְׁחֲט֖וּ (vayishchatu) = en zij slachtten | הַפָּ֑סַח (hapasach) = het Pesach | וַיִּזְרְק֤וּ (vayizrequ) = en sprenkelden | הַכֹּהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | מִיָּדָ֔ם (miyadam) = uit hun hand | וְהַלְוִיִּ֖ם (vehalviyim) = en de Levieten | מַפְשִׁיטִֽים (mafshitim) = die afstroopten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּזְרְקוּ (vayizreqú), ‘zij sprenkelden’: het bloed staat er niet bij, maar het werkwoord hoort bij het bloed van het offer (Lev. 1:5). Voetnoot : מַפְשִׁיטִים (mafshitim), ‘die afstroopten’: de huid van de dieren afstropen. Vergelijk 2 Kron. 29:34. Zie ook: Lev 1:5–6; 2 Kron 29:22–24; 2 Kron 29:34; 2 Kron 30:16; Heb 9:21–22 **35:12** Zij zetten het brandoffer apart om het te geven aan de afdelingen van de vaderhuizen van de zonen van het volk. Dat was om het aan Yahweh te brengen, zoals geschreven staat in het boek van Mozes. Zo deden zij ook met de runderen. Brontekst: וַיָּסִ֨ירוּ (vayasiru) = en zij zetten apart | הָעֹלָ֜ה (haola) = het brandoffer | לְ֠תִתָּם (letitam) = om te geven | לְמִפְלַגּ֤וֹת (lemiflagot) = aan de afdelingen van | לְבֵית (leveit) = het huis van | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לְהַקְרִיב֙ (lehaqriv) = om te brengen | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | כַּכָּת֖וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בְּסֵ֣פֶר (besefer) = in het boek van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וְכֵ֖ן (vekhen) = en zo | לַבָּקָֽר (labaqar) = met de runderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֹלָה (ha’olah), ‘het brandoffer’: de tekst zegt niet precies welke delen van de dieren bedoeld zijn. In vers 14 staan ‘het brandoffer en het vet’ naast elkaar. Wij vertalen zoals het er staat. Voetnoot : Voor de offers in de week van het Pesach, zie Num. 28:16–25. Zie ook: Lev 3:3; Lev 3:5; Lev 3:9–11; Lev 3:14–16; Num 28:16–25; 2 Kron 35:14 **35:13** Zij kookten het Pesach op het vuur, volgens het recht. De heilige gaven kookten zij in potten, ketels en pannen. Zij brachten ze snel bij alle zonen van het volk. Brontekst: וַֽיְבַשְּׁל֥וּ (vayvashelu) = en zij kookten | הַפֶּ֛סַח (hapesach) = het Pesach | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = op het vuur | כַּמִּשְׁפָּ֑ט (kamishpat) = volgens het recht | וְהַקֳּדָשִׁ֣ים (vehaqodashim) = en de heilige gaven | בִּשְּׁל֗וּ (bishelu) = kookten zij | בַּסִּיר֤וֹת (basirot) = in de potten | וּבַדְּוָדִים֙ (uvadevadim) = en in de ketels | וּבַצֵּ֣לָח֔וֹת (uvatselachot) = en in de pannen | וַיָּרִ֖יצוּ (vayaritsu) = en zij brachten snel | לְכָל (lekhal) = naar alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּשֵּׁל (bishel), ‘koken’: wij vertalen dit werkwoord overal met ‘koken’ (zie Deut. 16:7). Exod. 12:8–9 zegt dat het vlees van het Pesach op het vuur gebraden moet worden en niet in water gekookt. Hier staat ‘koken op het vuur, volgens het recht’. Wij zeggen niet meer dan de tekst. Voetnoot : קֳדָשִׁים (qodashim), ‘heilige gaven’: de andere offers, die niet het Pesach zelf zijn. Zij worden in vaten gekookt. Zie ook: Ex 12:8–9; Lev 6:21; Deut 16:7; 1 Sam 2:13–15; Ps 22:15 **35:14** Daarna maakten zij het klaar voor hen en voor de priesters. Want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot in de nacht bezig het brandoffer en het vet op te brengen. De Levieten maakten het klaar voor hen en voor de priesters, de zonen van Aäron. Brontekst: וְאַחַ֗ר (veachar) = en daarna | הֵכִ֤ינוּ (hekhinu) = maakten klaar | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | וְלַכֹּ֣הֲנִ֔ים (velakohanim) = en voor de priesters | כִּ֤י (ki) = want | הַכֹּהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | בְּהַֽעֲל֛וֹת (behaalot) = bij het opbrengen van | הָעוֹלָ֥ה (haola) = het brandoffer | וְהַחֲלָבִ֖ים (vehachalavim) = en het vet | עַד (ad) = tot | לָ֑יְלָה (layela) = de nacht | וְהַלְוִיִּם֙ (vehalviyim) = en de Levieten | הֵכִ֣ינוּ (hekhinu) = maakten klaar | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | וְלַכֹּהֲנִ֖ים (velakohanim) = en voor de priesters | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אַהֲרֹֽן (aharon) = Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָהֶם (lahem), ‘voor hen’: de Levieten. Het slot van het vers maakt dat duidelijk. De priesters hadden geen tijd om voor zichzelf te zorgen, omdat zij tot in de nacht met de offers bezig waren. Zie ook: Hand 6:2–4 **35:15** De zangers, de zonen van Asaf, stonden op hun plaats, volgens het gebod van David, van Asaf, van Heman en van Jedutun, de ziener van de koning. De poortwachters waren bij elke poort. Zij hoefden hun dienst niet te verlaten, want hun broeders, de Levieten, maakten het voor hen klaar. Brontekst: וְהַמְשֹֽׁרֲרִ֨ים (vehamshorarim) = en de zangers | בְּנֵי (benei) = zonen van | אָסָ֜ף (asaf) = Asaf | עַל (al) = op | מַעֲמָדָ֗ם (maamadam) = hun plaats | כְּמִצְוַ֤ת (kemitsvat) = volgens het gebod van | דָּוִיד֙ (david) = David | וְאָסָ֞ף (veasaf) = en Asaf | וְהֵימָ֤ן (veheiman) = en Heman | וִֽידֻתוּן֙ (vidutun) = en Jedutun | חוֹזֵ֣ה (choze) = ziener van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשֹּׁעֲרִ֖ים (vehashoarim) = en de poortwachters | לְשַׁ֣עַר (leshaar) = bij poort | וָשָׁ֑עַר (vashaar) = en poort | אֵ֣ין (ein) = er is niet | לָהֶ֗ם (lahem) = voor hen | לָסוּר֙ (lasur) = om af te wijken | מֵעַ֣ל (meal) = van | עֲבֹֽדָתָ֔ם (avodatam) = hun dienst | כִּֽי (ki) = want | אֲחֵיהֶ֥ם (acheihem) = hun broeders | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | הֵכִ֥ינוּ (hekhinu) = maakten klaar | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְשֹׁרֲרִים (hamsho’rerim), ‘de zangers’, en הַשֹּׁעֲרִים (hasho’arim), ‘de poortwachters’: zie 1 Kron. 25 en 26 voor hun indeling. Voetnoot : חוֹזֵה הַמֶּלֶךְ (choze hamelekh), ‘de ziener van de koning’: Jedutun. In 1 Kron. 25:5 krijgt Heman dezelfde titel. Zie ook: 1 Kron 9:17–19; 1 Kron 25:1–7; 1 Kron 25:5; 1 Kron 26:12–19; Ps 79:1; 2 Kron 29:25–26 **35:16** Zo werd op die dag heel de dienst van Yahweh geregeld. Het Pesach werd gevierd en er werden brandoffers opgedragen op het altaar van Yahweh, volgens het gebod van koning Josia. Brontekst: וַ֠תִּכּוֹן (vatikon) = en werd geregeld | כָּל (kal) = heel | עֲבוֹדַ֨ת (avodat) = de dienst van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te vieren | הַפֶּ֔סַח (hapesach) = het Pesach | וְהַעֲל֣וֹת (vehaalot) = en om op te dragen | עֹל֔וֹת (olot) = brandoffers | עַ֖ל (al) = op | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּמִצְוַ֖ת (kemitsvat) = volgens het gebod van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | יֹאשִׁיָּֽהוּ (yoshiyahu) = Josia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:17** De zonen van Israël die aanwezig waren, vierden in die tijd het Pesach en zeven dagen het feest van de ongezuurde broden. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֨וּ (vayaasu) = en vierden | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | הַֽנִּמְצְאִ֛ים (hanimtseim) = die aanwezig waren | אֶת (et) = (obj.) | הַפֶּ֖סַח (hapesach) = het Pesach | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֑יא (hahi) = die | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חַ֥ג (chag) = feest van | הַמַּצּ֖וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּמְצָאִים (hannimtsa’im), ‘die aanwezig waren’: letterlijk ‘die gevonden werden’. Het zijn de zonen van Israël die in Jeruzalem bijeen waren. Voetnoot : Het feest van de ongezuurde broden volgt direct op het Pesach: Exod. 12:15–20 en Lev. 23:5–6. Zie ook: Ex 12:15–20; Ex 13:6–7; Ex 23:15; Ex 34:18; Lev 23:5–8 **35:18** Er was in Israël geen Pesach gevierd zoals dit sinds de dagen van Samuël, de profeet. Geen van alle koningen van Israël vierde het Pesach zoals Josia het vierde. Hij deed dat met de priesters, de Levieten, heel Juda en Israël dat aanwezig was en de inwoners van Jeruzalem. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | נַעֲשָׂ֨ה (naasa) = werd gevierd | פֶ֤סַח (pesach) = Pesach | כָּמֹ֨הוּ֙ (kamohu) = zoals het | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | מִימֵ֖י (mimei) = sinds de dagen van | שְׁמוּאֵ֣ל (shemuel) = Samuël | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | וְכָל (vekhal) = en alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | לֹֽא (lo) = niet | עָשׂ֡וּ (asu) = vierden | כַּפֶּ֣סַח (kapesach) = zoals het Pesach | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשָׂ֣ה (asa) = vierde | יֹֽ֠אשִׁיָּהוּ (yoshiyahu) = Josia | וְהַכֹּהֲנִ֨ים (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּ֤ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְיִשְׂרָאֵ֣ל (veyisrael) = en Israël | הַנִּמְצָ֔א (hanimtsa) = dat aanwezig was | וְיוֹשְׁבֵ֖י (veyoshevei) = en de inwoners van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: In 2 Kon. 23:22 staat ‘sinds de dagen van de rechters die Israël richtten’. Hier staat ‘sinds de dagen van Samuël, de profeet’. Wij vertalen beide letterlijk. Voetnoot : Over het Pesach van Hizkia, zie 2 Kron. 30. Voetnoot : הַנִּמְצָא (hannimtsa), ‘dat aanwezig was’: zie vers 17. Zie ook: 2 Kon 23:21–23; 2 Kon 23:22; 2 Kron 30:5; 2 Kron 30:26–27; 2 Kron 35:17 **35:19** In het achttiende jaar van de regering van Josia werd dit Pesach gevierd. Brontekst: בִּשְׁמוֹנֶ֤ה (bishmone) = in acht | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְמַלְכ֖וּת (lemalkhut) = van de regering van | יֹאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | נַעֲשָׂ֖ה (naasa) = werd gevierd | הַפֶּ֥סַח (hapesach) = het Pesach | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het achttiende jaar van Josia is ook het jaar van 2 Kon. 22:3 en 2 Kron. 34:8. Zie ook 2 Kon. 23:23. Zie ook: 2 Kon 22:3; 2 Kon 23:23; 2 Kron 34:8 ### Josia trekt Necho tegemoet **35:20** Na dit alles, nadat Josia het huis had klaargemaakt, trok Necho, de koning van Egypte, op om te strijden bij Karkemis, aan de Eufraat. Josia trok uit om hem tegemoet te gaan. Brontekst: אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | כָל (kal) = al | זֹ֗את (zot) = dit | אֲשֶׁ֨ר (asher) = toen | הֵכִ֤ין (hekhin) = had klaargemaakt | יֹֽאשִׁיָּ֨הוּ֙ (yoshiyahu) = Josia | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | עָלָ֞ה (ala) = trok op | נְכ֧וֹ (nekho) = Necho | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | לְהִלָּחֵ֥ם (lehilachem) = om te strijden | בְּכַרְכְּמִ֖ישׁ (bekharkemish) = bij Karkemis | עַל (al) = aan | פְּרָ֑ת (perat) = de Eufraat | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij trok uit | לִקְרָאת֖וֹ (liqrato) = hem tegemoet | יֹאשִׁיָּֽהוּ (yoshiyahu) = Josia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Karkemis lag aan de Eufraat, bij het huidige Jerablus, op de grens van Syrië en Turkije. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הַבַּיִת (habayit), ‘het huis’: het huis van Yahweh, de tempel. Josia had het hersteld en in orde gebracht (zie 2 Kron. 34:8–13). Voetnoot : In 2 Kon. 23:29 staat dat Necho optrok ‘naar de koning van Assyrië’. Kronieken noemt alleen Karkemis. Zie ook: 2 Kon 23:29–30; 2 Kron 34:8–13; Jes 10:9; Jer 46:2–12 **35:21** Necho stuurde boodschappers naar hem en liet zeggen: „Wat heb ik met u te maken, koning van Juda? Niet tegen u kom ik vandaag, maar naar het huis van mijn oorlog. Elohim heeft gezegd dat ik mij moet haasten. Laat Elohim, die met mij is, met rust, anders vernietigt Hij u.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en hij stuurde | אֵלָ֣יו (elav) = naar hem | מַלְאָכִ֣ים (malakhim) = boodschappers | לֵאמֹר֩ (lemor) = zeggende | מַה (ma) = wat | לִּ֨י (li) = voor mij | וָלָ֜ךְ (valakh) = en voor u | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | לֹא (lo) = niet | עָלֶ֨יךָ (aleikha) = tegen u | אַתָּ֤ה (ata) = u zelf | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | כִּ֚י (ki) = maar | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִלְחַמְתִּ֔י (milchamti) = mijn oorlog | וֵאלֹהִ֖ים (vElohim) = en Elohim | אָמַ֣ר (amar) = heeft gezegd | לְבַֽהֲלֵ֑נִי (levahaleni) = om mij te haasten | חֲדַל (chadal) = houd op | לְךָ֛ (lekha) = voor u | מֵאֱלֹהִ֥ים (meElohim) = met Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | עִמִּ֖י (imi) = met mij is | וְאַל (veal) = en niet | יַשְׁחִיתֶֽךָ (yashchitekha) = opdat Hij u vernietigt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַה לִּי וָלָךְ (mah li valakh), ‘wat heb ik met u te maken?’: letterlijk ‘wat is er voor mij en voor u?’ Dezelfde woorden staan in 1 Kon. 17:18. Voetnoot : בֵּית מִלְחַמְתִּי (beit milchamti), ‘het huis van mijn oorlog’: de tekst zegt niet wie of wat bedoeld wordt. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij stuurde’. Wij schrijven ‘Necho’. Voetnoot : Een aanspreking met ‘u’ past bij een koning tegen een koning. Voetnoot : Necho zegt hier ‘Elohim’ en niet ‘Yahweh’. Welke god hij bedoelt, zegt de tekst niet. In vers 22 zegt de schrijver dat de woorden van Necho ‘uit de mond van Elohim’ kwamen. Wij vertalen ‘Elohim’ en schrijven ‘Hij’ met een hoofdletter. Voetnoot : לְבַהֲלֵנִי (levahaleni), ‘om mij te haasten’: hetzelfde werkwoord kan ook ‘angst aanjagen’ betekenen. Voetnoot : חֲדַל לְךָ מֵאֱלֹהִים (chadal lekha me’Elohim), ‘laat Elohim met rust’: letterlijk ‘houd op voor u van Elohim’. De betekenis is: stop met je te verzetten tegen Elohim. Zie ook: 2 Sam 16:10; 1 Kon 17:18; 2 Kon 18:25; 2 Kron 25:19; 2 Kron 35:22; Jes 36:10; Mat 8:29 **35:22** Josia keerde zijn gezicht niet van hem af. Hij verkleedde zich om met hem te strijden. Hij luisterde niet naar de woorden van Necho uit de mond van Elohim. Hij kwam om te strijden in de vlakte van Megiddo. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | הֵסֵב֩ (hesev) = keerde af | יֹאשִׁיָּ֨הוּ (yoshiyahu) = Josia | פָנָ֜יו (panav) = zijn gezicht | מִמֶּ֗נּוּ (mimenu) = van hem | כִּ֤י (ki) = maar | לְהִלָּחֵֽם (lehilachem) = om te strijden | בּוֹ֙ (bo) = tegen hem | הִתְחַפֵּ֔שׂ (hitchapes) = verkleedde hij zich | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֛ע (shama) = luisterde hij | אֶל (el) = naar | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | נְכ֖וֹ (nekho) = Necho | מִפִּ֣י (mipi) = uit de mond van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַיָּבֹ֕א (vayavo) = en hij kwam | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | בְּבִקְעַ֥ת (beviqat) = in de vlakte van | מְגִדּֽוֹ (megido) = Megiddo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vlakte van Megiddo ligt in het noorden van Israël, bij Tel Megiddo in de Jizreëlvlakte. Voetnoot Uitleg: הִתְחַפֵּשׂ (hitchappes), ‘verkleedde zich’: hetzelfde werkwoord staat in 1 Kon. 22:30 bij Achab. Voetnoot : מִפִּי אֱלֹהִים (mippi Elohim), ‘uit de mond van Elohim’: de schrijver vat de woorden van Necho op als woorden van Elohim. Zie ook vers 21. Voetnoot : In 2 Kon. 23:29 staat korter dat Necho Josia doodde bij Megiddo. Zie ook: Re 5:19; 1 Kon 14:2; 1 Kon 22:30; 2 Kon 23:29; 2 Kron 18:29; 2 Kron 35:21 **35:23** De schutters schoten op koning Josia. De koning zei tegen zijn dienaren: „Breng mij weg, want ik ben zwaar gewond.” Brontekst: וַיֹּרוּ֙ (vayoru) = en schoten | הַיֹּרִ֔ים (hayorim) = de schutters | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = op de koning | יֹאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | לַעֲבָדָיו֙ (laavadav) = tegen zijn dienaren | הַעֲבִיר֔וּנִי (haaviruni) = breng mij weg | כִּ֥י (ki) = want | הָחֳלֵ֖יתִי (hacholeiti) = ik ben gewond | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיֹּרִים (hayorim), ‘de schutters’: boogschutters, zoals in 1 Kon. 22:34. Voetnoot : הָחֳלֵיתִי (hocholeiti), ‘ik ben gewond’: het werkwoord chalah betekent ‘ziek worden’ en ‘gewond raken’. Achab zegt hetzelfde woord in 1 Kon. 22:34. Zie ook: Gen 49:23; 1 Kon 22:34; 2 Kon 8:29; 2 Kon 9:24; Klaagl 3:13 ### De rouw om Josia **35:24** Zijn dienaren brachten hem van de wagen af. Zij lieten hem rijden op de tweede wagen die hij had en brachten hem naar Jeruzalem. Hij stierf en werd begraven in de graven van zijn vaderen. Heel Juda en Jeruzalem rouwden om Josia. Brontekst: וַיַּֽעֲבִירֻ֨הוּ (vayaaviruhu) = en zij brachten hem over | עֲבָדָ֜יו (avadav) = zijn dienaren | מִן (min) = van | הַמֶּרְכָּבָ֗ה (hamerkava) = de wagen | וַֽיַּרְכִּיבֻהוּ֮ (vayarkivuhu) = en zij lieten hem rijden | עַ֣ל (al) = op | רֶ֣כֶב (rekhev) = wagen van | הַמִּשְׁנֶה֮ (hamishne) = de tweede | אֲשֶׁר (asher) = die | לוֹ֒ (lo) = van hem | וַיּוֹלִיכֻ֨הוּ֙ (vayolikhuhu) = en zij brachten hem | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = naar Jeruzalem | וַיָּ֕מָת (vayamat) = en hij stierf | וַיִּקָּבֵ֖ר (vayiqaver) = en werd begraven | בְּקִבְר֣וֹת (beqivrot) = in de graven van | אֲבֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaderen | וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (virushalaim) = en Jeruzalem | מִֽתְאַבְּלִ֖ים (mitabelim) = rouwden | עַל (al) = om | יֹאשִׁיָּֽהוּ (yoshiyahu) = Josia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רֶכֶב הַמִּשְׁנֶה (rekhev hamishneh), ‘de tweede wagen’: letterlijk ‘wagen van de tweede’. De tekst zegt niet precies wat dat is. Voetnoot : In 2 Kon. 23:30 staat: ‘Zijn dienaren vervoerden hem dood, vanuit Megiddo.’ Kronieken laat hem in vers 23 nog spreken en vertelt dat hij in Jeruzalem stierf. Wij vertalen beide teksten letterlijk. Zie ook: Ps 36:7; Pred 8:14; Pred 9:1–2; 2 Kon 23:30; 2 Kron 35:23; Zach 12:11 **35:25** Jeremia hief een klaaglied aan over Josia. Alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen over Josia, tot op de dag van vandaag. Zij maakten ze tot een vaste regel voor Israël. Zie, ze staan opgeschreven bij de klaagliederen. Brontekst: וַיְקוֹנֵ֣ן (vayqonen) = en hief een klaaglied aan | יִרְמְיָהוּ֮ (yirmeyahu) = Jeremia | עַל (al) = over | יֹאשִׁיָּהוּ֒ (yoshiyahu) = Josia | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | כָֽל (kal) = alle | הַשָּׁרִ֣ים (hasharim) = de zangers | וְ֠הַשָּׁרוֹת (vehasharot) = en de zangeressen | בְּקִינ֨וֹתֵיהֶ֤ם (beqinoteihem) = in hun klaagliederen | עַל (al) = over | יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙ (yoshiyahu) = Josia | עַד (ad) = tot | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | וַיִּתְּנ֥וּם (vayitenum) = en zij maakten ze | לְחֹ֖ק (lechoq) = tot een vaste regel | עַל (al) = voor | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהִנָּ֥ם (vehinam) = en zie ze | כְּתוּבִ֖ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = bij | הַקִּינֽוֹת (haqinot) = de klaagliederen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִינוֹת (qinot), ‘klaagliederen’: Jeremia’s klaaglied over Josia. Welke verzameling met ‘de klaagliederen’ bedoeld is, weten wij niet. Het boek Klaagliederen wordt ook aan Jeremia toegeschreven, maar de tekst zegt niet dat dit hetzelfde is. Voetnoot : שָׁרִים וְשָׁרוֹת (sharim vesharot), ‘zangers en zangeressen’: zie 2 Sam. 19:36. Voetnoot : לְחֹק (lechoq), ‘tot een vaste regel’: een gewoonte die blijft. Zie ook: Job 3:8; 2 Sam 19:36; Jer 9:16–20; Jer 22:10; Klaagl 4:20; Mat 9:23 ### Slot: de geschiedenis van Josia **35:26** De rest van de geschiedenis van Josia en zijn daden van trouw, zoals geschreven staat in de wet van Yahweh, Brontekst: וְיֶ֛תֶר (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de zaken van | יֹאשִׁיָּ֖הוּ (yoshiyahu) = Josia | וַחֲסָדָ֑יו (vachasadav) = en zijn daden van trouw | כַּכָּת֖וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בְּתוֹרַ֥ת (betorat) = in de wet van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסָדָיו (chasadav), ‘zijn daden van trouw’: chesed betekent ‘trouw’. Het meervoud wijst op daden, zoals de hervormingen van Josia in 2 Kron. 34–35. Voetnoot : Het vers loopt door in vers 27. Zie ook: 2 Kron 31:20; 2 Kron 32:32; 2 Kron 35:27 **35:27** en zijn daden, de eerste en de laatste: zie, ze staan opgeschreven in het dagboek van de koningen van Israël en Juda. Brontekst: וּדְבָרָ֕יו (udevarav) = en zijn zaken | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאַחֲרֹנִ֑ים (vehaacharonim) = en de laatste | הִנָּ֣ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִ֔ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֥פֶר (sefer) = het boek van | מַלְכֵֽי (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וִיהוּדָֽה (vihuda) = en Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל וִיהוּדָה (sefer malkhei yisra’el vihudah), ‘het boek van de koningen van Israël en Juda’: wij schrijven overal ‘dagboek van de koningen’, ook waar het Hebreeuws in Koningen דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘woorden van de dagen’, heeft (1 Kon. 14:19; 2 Kon. 23:28). Of dit hetzelfde werk is als de boeken Koningen, weten wij niet. Zie ook: 1 Kon 14:19; 2 Kon 10:34; 2 Kon 21:25; 2 Kon 23:28; 2 Kron 24:27; 2 Kron 25:26; 2 Kron 33:19 ## 2 Kronieken 36 _De val van Juda en het besluit van Kores_ ### Joachaz, koning van Juda **36:1** Het volk van het land nam Joachaz, de zoon van Josia. Zij maakten hem koning in Jeruzalem, in de plaats van zijn vader. Brontekst: וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en namen | עַם (am) = volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹאָחָ֖ז (yehoachaz) = Joachaz | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | וַיַּמְלִיכֻ֥הוּ (vayamlikhuhu) = en maakten hem koning | תַֽחַת (tachat) = in de plaats van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 23:30–24:20 en 2 Kon. 25 (zie ook Jer. 52). Kronieken vertelt veel korter dan Koningen. Voetnoot : יְהוֹאָחָז (yehoachaz), ‘Joachaz’: in vers 2 en 4 staat de korte vorm יוֹאָחָז (yoachaz). Het is dezelfde man; wij schrijven overal ‘Joachaz’. Voetnoot : In 1 Kron. 3:15 staat een zoon van Josia die Sjallum heet. In Jer. 22:11 staat ‘Sjallum, de zoon van Josia’, die koning werd in plaats van zijn vader. Veel lezers zien in hem dezelfde man als Joachaz. De tekst hier noemt die naam niet. Zie ook: 1 Kron 3:15; 2 Kon 23:30–37; 2 Kron 26:1; 2 Kron 33:25; 2 Kron 36:2; 2 Kron 36:4; Jer 22:11 **36:2** Joachaz was 23 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 3 maanden in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שָׁל֧וֹשׁ (shalosh) = drie | וְעֶשְׂרִ֛ים (veesrim) = en twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | יוֹאָחָ֣ז (yoachaz) = Joachaz | בְּמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | חֳדָשִׁ֔ים (chodashim) = maanden | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De leeftijd van 23 jaar en de regeringsduur van 3 maanden staan ook in 2 Kon. 23:31. Zie ook: 2 Kon 23:31 **36:3** De koning van Egypte zette hem af in Jeruzalem. Hij legde het land een boete op van 100 talent zilver en 1 talent goud. Brontekst: וַיְסִירֵ֥הוּ (vaysirehu) = en zette hem af | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַֽיַּעֲנֹשׁ֙ (vayaanosh) = en legde een boete op | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | כִכַּר (kikar) = talent | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | וְכִכַּ֥ר (vekhikar) = en een talent | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיְסִירֵהוּ (vayesirehu), ‘zette hem af’: letterlijk ‘verwijderde hem’. Volgens 2 Kon. 23:33 zette Necho hem gevangen in Ribla, zodat hij niet meer koning was in Jeruzalem. Voetnoot : כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilo. Honderd talent zilver is ongeveer 3.400 kilo; één talent goud is ongeveer 34 kilo. Dezelfde boete staat in 2 Kon. 23:33. Voetnoot : וַיַּעֲנֹשׁ (vaya‘anosh), ‘legde een boete op’: zo vertalen wij ook het verwante woord ‘boete’ in 2 Kon. 23:33. Zie ook: 2 Kon 23:33 ### Jojakim, koning van Juda **36:4** De koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem. Hij veranderde zijn naam in Jojakim. Zijn broer Joachaz nam Necho mee en bracht hem naar Egypte. Brontekst: וַיַּמְלֵ֨ךְ (vayamlekh) = en maakte koning | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְיָקִ֣ים (elyaqim) = Eljakim | אָחִ֗יו (achiv) = zijn broer | עַל (al) = over | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (virushalaim) = en Jeruzalem | וַיַּסֵּ֥ב (vayasev) = en veranderde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יְהוֹיָקִ֑ים (yehoyaqim) = Jojakim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יוֹאָחָ֤ז (yoachaz) = Joachaz | אָחִיו֙ (achiv) = zijn broer | לָקַ֣ח (laqach) = nam | נְכ֔וֹ (nekho) = Necho | וַיְבִיאֵ֖הוּ (vayviehu) = en bracht hem | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’: de broer van Joachaz. Eljakim was een zoon van Josia (2 Kon. 23:34). Voetnoot : אֶלְיָקִים (elyaqim), ‘Eljakim’, betekent ‘Elohim richt op’; יְהוֹיָקִים (yehoyaqim), ‘Jojakim’, betekent ‘Yahweh richt op’. Necho veranderde de naam en liet zo zien dat hij over hem heerste (2 Kon. 23:34). Voetnoot : Necho nam Joachaz mee naar Egypte, waar hij stierf (2 Kon. 23:34). Zie ook: 1 Kron 3:15; 2 Kon 23:34–35; Jer 22:10–12; Ezech 19:3–4 **36:5** Jojakim was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יְהוֹיָקִ֣ים (yehoyaqim) = Jojakim | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְאַחַ֤ת (veachat) = en één | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֔ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De leeftijd van 25 jaar en de regeringsduur van 11 jaar staan ook in 2 Kon. 23:36. De zin ‘Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim’ lijkt op 2 Kon. 23:37, maar heeft hier ‘zijn Elohim’. Zie ook: 2 Kon 23:36–37; 2 Kon 23:37; Jer 22:13–19; Jer 26:1; Jer 35:1; Jer 36:27–32 **36:6** Tegen hem trok Nebukadnezar, de koning van Babel, op. Hij bond hem met koperen boeien, om hem naar Babel te brengen. Brontekst: עָלָ֣יו (alav) = tegen hem | עָלָ֔ה (ala) = trok op | נְבוּכַדְנֶאצַּ֖ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | וַיַּֽאַסְרֵ֨הוּ֙ (vayaasrehu) = en bond hem | בַּֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם (banchushtayim) = met koperen boeien | לְהֹלִיכ֖וֹ (leholikho) = om hem te brengen | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, bij het huidige Hilla in Irak, ten zuiden van Bagdad. Voetnoot Uitleg: בַּנְחֻשְׁתַּיִם (banechushtayim), ‘met koperen boeien’: een tweevoud, dus een paar boeien. נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: zo vertalen wij in alle boeken. Voetnoot : De tekst zegt dat Nebukadnezar Jojakim naar Babel wilde brengen. Of dat gebeurd is, zegt de tekst niet. In 2 Kon. 24:1–6 staat dat Jojakim eerst diende, toen in opstand kwam en bij zijn vaderen ging liggen. Zie ook Dan. 1:1–2. Zie ook: 2 Kon 24:1–6; 2 Kon 24:13–20; 2 Kron 33:11; Hab 1:5–10; Ezech 19:5–9; Dan 1:1–2 **36:7** Een deel van de voorwerpen van het huis van Yahweh bracht Nebukadnezar naar Babel. Hij zette ze in zijn tempel in Babel. Brontekst: וּמִכְּלֵי֙ (umikelei) = en van de voorwerpen van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֵבִ֥יא (hevi) = bracht | נְבוּכַדְנֶאצַּ֖ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | לְבָבֶ֑ל (levavel) = naar Babel | וַיִּתְּנֵ֥ם (vayitenem) = en zette ze | בְּהֵיכָל֖וֹ (beheikhalo) = in zijn tempel | בְּבָבֶֽל (bevavel) = in Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: het woord kan ook ‘paleis’ betekenen. Wij vertalen ‘tempel’; de tekst zegt niet welk gebouw bedoeld is. Zie ook Dan. 1:2, waar de voorwerpen in het huis van de god van Nebukadnezar komen. Voetnoot : מִכְּלֵי (mikkelei), ‘een deel van de voorwerpen’: het voorzetsel mi- betekent hier ‘uit’, dus een deel van de voorwerpen. Zie ook 2 Kon. 24:13. Zie ook: 2 Kon 24:13; Jer 27:16–18; Jer 28:3; Dan 1:2; Dan 5:2–4 **36:8** De rest van de geschiedenis van Jojakim, de gruwelen die hij deed en wat er tegen hem gevonden is: zie, die staan opgeschreven in het dagboek van de koningen van Israël en Juda. Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. Brontekst: וְיֶתֶר֩ (veyeter) = en de rest van | דִּבְרֵ֨י (divrei) = de zaken van | יְהֽוֹיָקִ֜ים (yehoyaqim) = Jojakim | וְתֹֽעֲבֹתָ֤יו (vetoavotav) = en zijn gruwelen | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂה֙ (asa) = hij deed | וְהַנִּמְצָ֣א (vehanimtsa) = en wat gevonden is | עָלָ֔יו (alav) = tegen hem | הִנָּ֣ם (hinam) = zie ze | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֛פֶר (sefer) = het dagboek van | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָ֑ה (vihuda) = en Juda | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | יְהוֹיָכִ֥ין (yehoyakhin) = Jojachin | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהַנִּמְצָא עָלָיו (vehannimtsa alav), ‘wat er tegen hem gevonden is’: letterlijk ‘wat op hem gevonden is’. De betekenis is niet zeker; het gaat waarschijnlijk om wat hem ten laste werd gelegd. Voetnoot : תּוֹעֲבוֹת (to‘avot), ‘gruwelen’. Voetnoot : סֵפֶר מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל וִיהוּדָה: zie de voetnoot bij 2 Kron. 35:27. Zie ook: 1 Kron 3:16–17; 2 Kon 24:5–6; 2 Kron 35:27; Jer 22:24; Jer 22:28; Mat 1:11–12 ### Jojachin, koning van Juda **36:9** Jojachin was 8 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 3 maanden en 10 dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמוֹנֶ֤ה (shemone) = acht | שָׁנִים֙ (shanim) = jaar | יְהוֹיָכִ֣ין (yehoyakhin) = Jojachin | בְּמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וּשְׁלֹשָׁ֤ה (ushelosha) = en drie | חֳדָשִׁים֙ (chodashim) = maanden | וַעֲשֶׂ֣רֶת (vaaseret) = en tien | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het getal 8 jaar staat zo in de Masoretische tekst van Kronieken. In 2 Kon. 24:8 staat 18 jaar. Sommige oude vertalingen hebben ook hier ‘achttien’. Wij vertalen de Masoretische tekst. Voetnoot : De regeringsduur is hier 3 maanden en 10 dagen; in 2 Kon. 24:8 staat 3 maanden. Zie ook: 2 Kon 24:8–17 **36:10** Toen het jaar weer rond was, liet koning Nebukadnezar hem halen. Hij liet hem naar Babel brengen, met de kostbare voorwerpen van het huis van Yahweh. Hij maakte Zedekia, zijn broer, koning over Juda en Jeruzalem. Brontekst: וְלִתְשׁוּבַ֣ת (velitshuvat) = en bij het rond zijn van | הַשָּׁנָ֗ה (hashana) = het jaar | שָׁלַח֙ (shalach) = stuurde | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | נְבֽוּכַדְנֶאצַּ֔ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | וַיְבִאֵ֣הוּ (vayviehu) = en liet hem brengen | בָבֶ֔לָה (bavela) = naar Babel | עִם (im) = met | כְּלֵ֖י (kelei) = voorwerpen van | חֶמְדַּ֣ת (chemdat) = het kostbare van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּמְלֵךְ֙ (vayamlekh) = en maakte koning | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | עַל (al) = over | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִֽירוּשָׁלִָֽם (virushalaim) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לִתְשׁוּבַת הַשָּׁנָה (litshuvat hashanah), ‘toen het jaar weer rond was’: letterlijk ‘bij de terugkeer van het jaar’, het begin van het nieuwe jaar in het voorjaar. Zie 2 Sam. 11:1 en 1 Kon. 20:22. Voetnoot : שָׁלַח (shalach), ‘stuurde’: de koning stuurde mensen om Jojachin te halen. Wij vertalen ‘liet hem halen’ en ‘liet hem brengen’. Voetnoot : אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’: Zedekia was een oom van Jojachin (2 Kon. 24:17) en een zoon van Josia (1 Kron. 3:15). ‘Broer’ kan in het Hebreeuws ook ‘familielid’ betekenen. Voetnoot : חֶמְדָּה (chemdah), ‘het kostbare’: de kostbare voorwerpen van het huis. Zie ook vers 19. Voetnoot : Zie voor de wegvoering van Jojachin 2 Kon. 24:10–17. Zie ook: 2 Sam 11:1; 1 Kron 3:15; 1 Kon 20:22; 2 Kon 24:10–17; 2 Kon 24:17; 2 Kron 36:7; 2 Kron 36:19; Jer 24:1; Jer 27:18–22; Jer 37:1; Ezech 1:2 ### Zedekia, koning van Juda **36:11** Zedekia was 21 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֧ים (esrim) = twintig | וְאַחַ֛ת (veachat) = en één | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = toen hij koning werd | וְאַחַ֤ת (veachat) = en één | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kon 24:18–20; Jer 27:1; Jer 28:1; Jer 52:1–3 **36:12** Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim. Hij vernederde zich niet voor Jeremia, de profeet, die sprak uit de mond van Yahweh. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | הָרַ֔ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | לֹ֣א (lo) = niet | נִכְנַ֗ע (nikhna) = vernederde hij zich | מִלִּפְנֵ֛י (milifnei) = voor het aangezicht van | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | מִפִּ֥י (mipi) = uit de mond van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִכְנַע (nikhna), ‘vernederde zich’: hetzelfde werkwoord staat in 2 Kron. 33:12 en in 2 Kon. 22:19. Voetnoot : מִפִּי יְהוָה (mippi Yahweh), ‘uit de mond van Yahweh’: het Hebreeuws heeft geen werkwoord; wij schrijven ‘die sprak’. Voor Jeremia’s woorden aan Zedekia, zie Jer. 37:1–2. Zie ook: 2 Kon 22:19; 2 Kron 33:12; 2 Kron 33:23; Jer 37:1–2; Jer 37:2–21; Jer 38:14–28; Dan 5:22–23; Jak 4:10 **36:13** Ook kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem bij Elohim had laten zweren. Hij maakte zijn nek hard en zijn hart onbuigzaam, zodat hij niet terugkeerde tot Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: וְ֠גַם (vegam) = en ook | בַּמֶּ֤לֶךְ (bamelekh) = tegen de koning | נְבֽוּכַדְנֶאצַּר֙ (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מָרָ֔ד (marad) = kwam hij in opstand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִשְׁבִּיע֖וֹ (hishbio) = had laten zweren hem | בֵּֽאלֹהִ֑ים (bElohim) = bij Elohim | וַיֶּ֤קֶשׁ (vayeqesh) = en hij maakte hard | אֶת (et) = (obj.) | עָרְפּוֹ֙ (arpo) = zijn nek | וַיְאַמֵּ֣ץ (vayamets) = en hij maakte onbuigzaam | אֶת (et) = (obj.) | לְבָב֔וֹ (levavo) = zijn hart | מִשּׁ֕וּב (mishuv) = van terugkeren | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִשְׁבִּיעוֹ בֵאלֹהִים (hishbi’o be’Elohim), ‘liet hem bij Elohim zweren’: Zedekia had een eed afgelegd. Zie Ezech. 17:13–19 en 2 Kon. 24:20. Voetnoot : וַיֶּקֶשׁ אֶת עָרְפּוֹ (vayeqesh et orpo), ‘hij maakte zijn nek hard’: een vaste uitdrukking voor halsstarrigheid (Exod. 32:9). Voetnoot : וַיְאַמֵּץ אֶת לְבָבוֹ (vay’ammets et levavo), ‘hij maakte zijn hart onbuigzaam’: het werkwoord אמץ betekent ‘sterk maken’, hier in de zin van ‘hard, onbuigzaam’. Zie ook: Ex 32:9; 2 Kon 24:20; 2 Kron 30:8; Jer 52:2–3; Ezech 17:11–20; Ezech 17:13–19; Neh 9:16–17; Heb 3:8 **36:14** Ook alle leiders van de priesters en het volk handelden steeds trouwelozer, naar alle gruwelen van de volken. Zij maakten het huis van Yahweh onrein, dat Hij in Jeruzalem had geheiligd. Brontekst: גַּ֠ם (gam) = ook | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֨י (sarei) = leiders van | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | וְהָעָם֙ (vehaam) = en het volk | הִרְבּ֣וּ (hirbu) = deden toenemen | לִמְעָול (limavl) = om trouweloos te handelen | מַ֔עַל (maal) = trouweloosheid | כְּכֹ֖ל (kekhol) = naar alle | תֹּעֲב֣וֹת (toavot) = gruwelen van | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וַֽיְטַמְּאוּ֙ (vaytameu) = en maakten onrein | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הִקְדִּ֖ישׁ (hiqdish) = had geheiligd | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לִמְעוֹל מַעַל (lim‘ol ma‘al), ‘trouweloos handelen’: מַעַל betekent ‘trouweloosheid’. Zo vertalen wij ook in 2 Kron. 28:19 en 28:22. Voetnoot : וַיְטַמְּאוּ (vayetammeu), ‘zij maakten onrein’: zie Lev. 15:31, waar staat dat het onrein maken van de tabernakel de dood brengt. Voetnoot : אֲשֶׁר הִקְדִּישׁ (asher hiqdish), ‘dat Hij had geheiligd’: zie 2 Kron. 7:16. Het onderwerp is Yahweh. Zie ook: Lev 15:31; 2 Kon 16:10–16; 2 Kron 7:16; 2 Kron 28:19; 2 Kron 28:22; Mi 3:9–11; Ezech 22:6; Ezech 22:26–28; Dan 9:8 ### Yahweh stuurt Zijn boodschappers **36:15** Yahweh, de Elohim van hun vaderen, stuurde bericht naar hen door de hand van Zijn boodschappers. Hij deed dat vroeg in de morgen en telkens opnieuw, want Hij had medelijden met Zijn volk en met Zijn verblijf. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֡ח (vayishlach) = en stuurde | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶ֧ם (avoteihem) = hun vaderen | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = naar hen | בְּיַ֥ד (beyad) = door de hand van | מַלְאָכָ֖יו (malakhav) = Zijn boodschappers | הַשְׁכֵּ֣ם (hashkem) = vroeg opstaand | וְשָׁל֑וֹחַ (veshaloach) = en zendend | כִּֽי (ki) = want | חָמַ֥ל (chamal) = had medelijden | עַל (al) = met | עַמּ֖וֹ (amo) = Zijn volk | וְעַל (veal) = en met | מְעוֹנֽוֹ (meono) = Zijn verblijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁכֵּם וְשָׁלוֹחַ (hashkem veshaloach), ‘vroeg in de morgen en telkens opnieuw’: letterlijk ‘vroeg opstaand en zendend’; een vaste uitdrukking voor ‘steeds weer’. Zie Jer. 7:25. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘Hij stuurde naar hen’. Wij voegen ‘bericht’ toe voor het Nederlands. Voetnoot : מְעוֹן (me‘on), ‘verblijf’: de plaats waar Yahweh woont, het huis. Zo vertalen wij ook in Ps. 26:8. Zie ook: Ps 26:8; Jer 7:13; Jer 7:25; Jer 25:3–4; Jer 26:5; Jer 35:15; Jer 44:4–5 **36:16** Zij bespotten de boodschappers van Elohim, verachtten Zijn woorden en dreven de spot met Zijn profeten. Dat duurde tot de woede van Yahweh tegen Zijn volk opsteeg, tot er geen genezing meer was. Brontekst: וַיִּֽהְי֤וּ (vayihyu) = en zij waren | מַלְעִבִים֙ (malivim) = bespotters | בְּמַלְאֲכֵ֣י (bemalakhei) = van de boodschappers van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וּבוֹזִ֣ים (uvozim) = en verachters van | דְּבָרָ֔יו (devarav) = Zijn woorden | וּמִֽתַּעְתְּעִ֖ים (umitateim) = en spotters met | בִּנְבִאָ֑יו (binviav) = Zijn profeten | עַ֠ד (ad) = totdat | עֲל֧וֹת (alot) = opsteeg | חֲמַת (chamat) = de woede van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעַמּ֖וֹ (beamo) = tegen Zijn volk | עַד (ad) = tot | לְאֵ֥ין (leein) = er was geen | מַרְפֵּֽא (marpe) = genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאָכִים (mal’akhim), ‘boodschappers’: hier mensen, namelijk de profeten van de volgende regels. Wij vertalen mal’akh bij mensen met ‘boodschapper’. Voetnoot : מַרְפֵּא (marpe), ‘genezing’: er was geen herstel meer mogelijk. Zie ook: Spr 6:15; 2 Kron 30:10; Jer 5:12–13; Luc 22:63–64; 1 Tess 4:8 ### De val van Jeruzalem **36:17** Hij liet de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken. Die doodde hun jonge mannen met het zwaard in het huis van hun heiligdom. Die had geen medelijden met jongeman of maagd, met grijsaard of bejaarde. Alles gaf Hij in zijn hand. Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en liet optrekken | עֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | כַּשְׂדִּ֗ים (kasdim) = Chaldeeën | וַיַּהֲרֹ֨ג (vayaharog) = en doodde | בַּחוּרֵיהֶ֤ם (bachureihem) = hun jonge mannen | בַּחֶ֨רֶב֙ (bacherev) = met het zwaard | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | מִקְדָּשָׁ֔ם (miqdasham) = hun heiligdom | וְלֹ֥א (velo) = en niet | חָמַ֛ל (chamal) = had medelijden | עַל (al) = met | בָּח֥וּר (bachur) = jongeman | וּבְתוּלָ֖ה (uvetula) = en maagd | זָקֵ֣ן (zaqen) = grijsaard | וְיָשֵׁ֑שׁ (veyashesh) = en bejaarde | הַכֹּ֖ל (hakol) = alles | נָתַ֥ן (natan) = gaf | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Chaldeeën (כַּשְׂדִּים, kasdim) zijn de Babyloniërs, het volk van Nebukadnezar in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Het onderwerp van ‘liet optrekken’ en van ‘gaf’ is Yahweh (zie vers 15–16). ‘Zijn hand’ is de hand van de koning van de Chaldeeën. De koning is het onderwerp van ‘doodde’ en ‘had geen medelijden’. Voetnoot : בָּחוּר (bachur), ‘jongeman’, בְּתוּלָה (betulah), ‘maagd’, זָקֵן (zaqen), ‘grijsaard’, יָשֵׁשׁ (yashesh), ‘bejaarde’: vier groepen die laten zien dat niemand gespaard werd. Zie voor het verslag 2 Kon. 25:1–21. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat כשדיים (kasdiyim), in de gelezen tekst (qere) כַּשְׂדִּים (kasdim). Het is dezelfde naam, ‘Chaldeeën’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 74:20; 2 Kon 25:1–21; 2 Kron 36:15–16; Jer 32:42; Jer 40:3; Ezech 9:5–7; Ezra 9:7 **36:18** Alle voorwerpen van het huis van Elohim, de grote en de kleine, de schatten van het huis van Yahweh en de schatten van de koning en zijn leiders: alles bracht hij naar Babel. Brontekst: וְ֠כֹל (vekhol) = en alle | כְּלֵ֞י (kelei) = voorwerpen van | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | הַגְּדֹלִ֣ים (hagedolim) = de grote | וְהַקְּטַנִּ֔ים (vehaqetanim) = en de kleine | וְאֹֽצְרוֹת֙ (veotserot) = en de schatten van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֹצְר֥וֹת (veotserot) = en de schatten van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְשָׂרָ֑יו (vesarav) = en zijn leiders | הַכֹּ֖ל (hakol) = alles | הֵבִ֥יא (hevi) = bracht hij | בָבֶֽל (bavel) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De voorwerpen en schatten: zie 2 Kon. 24:13 en 25:13–17. Zie ook: 2 Kon 20:13–17; 2 Kon 24:13; 2 Kon 25:13; 2 Kron 36:7; 2 Kron 36:10; Jer 27:18–22; Zach 1:6 **36:19** Zij verbrandden het huis van Elohim. Zij braken de muur van Jeruzalem af. Al haar paleizen verbrandden zij met vuur, en zij vernietigden al haar kostbare voorwerpen. Brontekst: וַֽיִּשְׂרְפוּ֙ (vayisrefu) = en zij verbrandden | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וַֽיְנַתְּצ֔וּ (vaynatetsu) = en braken af | אֵ֖ת (et) = (obj.) | חוֹמַ֣ת (chomat) = de muur van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְכָל (vekhal) = en alle | אַרְמְנוֹתֶ֨יהָ֙ (armenoteiha) = haar paleizen | שָׂרְפ֣וּ (sarefu) = verbrandden zij | בָאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | וְכָל (vekhal) = en alle | כְּלֵ֥י (kelei) = voorwerpen van | מַחֲמַדֶּ֖יהָ (machamadeiha) = haar kostbaarheden | לְהַשְׁחִֽית (lehashchit) = om te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אַרְמְנוֹת (armenot), ‘paleizen’: versterkte gebouwen of paleizen. Zie 2 Kon. 25:8–10 voor het verslag van de verwoesting van het huis, de muur en de huizen. Voetnoot : לְהַשְׁחִית (lehashchit), ‘vernietigen’: zie ook 2 Kon. 25:9. Zie ook: Ps 79:1; 2 Kon 25:8–10; 2 Kon 25:9; Mi 3:12; Jer 7:4; Jer 7:14; Klaagl 4:1 ### De ballingschap **36:20** Wie van het zwaard was overgebleven, voerde hij in ballingschap weg naar Babel. Zij werden dienaren voor hem en zijn zonen, totdat het koninkrijk van Perzië ging regeren. Brontekst: וַיֶּ֛גֶל (vayegel) = en voerde in ballingschap weg | הַשְּׁאֵרִ֥ית (hasheerit) = de rest | מִן (min) = van | הַחֶ֖רֶב (hacherev) = het zwaard | אֶל (el) = naar | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | וַֽיִּהְיוּ (vayihyu) = en zij werden | ל֤וֹ (lo) = voor hem | וּלְבָנָיו֙ (ulevanav) = en voor zijn zonen | לַעֲבָדִ֔ים (laavadim) = tot dienaren | עַד (ad) = tot | מְלֹ֖ךְ (melokh) = het regeren van | מַלְכ֥וּת (malkhut) = het koninkrijk van | פָּרָֽס (paras) = Perzië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: וַיֶּגֶל (vayegel), ‘voerde in ballingschap weg’: zie 2 Kon. 25:11. Voetnoot : פָּרָס (paras), ‘Perzië’: het Perzische rijk onder Kores, zie vers 22. Zie ook: Deut 28:47–48; 2 Kon 25:11; 2 Kron 36:22; Jer 27:7; Ezra 1:1–11 **36:21** Zo werd het woord van Yahweh door de mond van Jeremia vervuld, totdat het land zijn sabbatten had goedgemaakt. Alle dagen van de verwoesting hield het sabbat, tot er 70 jaar vol waren. Brontekst: לְמַלֹּ֤אות (lemalovt) = om te vervullen | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּפִ֣י (befi) = door de mond van | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | עַד (ad) = totdat | רָצְתָ֥ה (ratseta) = had goedgemaakt | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתוֹתֶ֑יהָ (shabetoteiha) = zijn sabbatten | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֤י (yemei) = dagen van | הָשַּׁמָּה֙ (hashama) = het verwoest zijn | שָׁבָ֔תָה (shavata) = hield het sabbat | לְמַלֹּ֖אות (lemalovt) = om vol te maken | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord van Yahweh door Jeremia over de 70 jaar: Jer. 25:11–12 en Jer. 29:10. Voetnoot : רָצְתָה (ratsta), ‘had goedgemaakt’: hetzelfde werkwoord staat in Lev. 26:34, 26:41 en 26:43 bij de sabbatten van het land. Zie ook Lev. 25:1–7. Zie ook: Lev 25:1–7; Lev 26:34–35; Lev 26:41; Lev 26:43; Jer 25:11–12; Jer 29:10; Dan 9:2; Zach 1:12 ### Het besluit van Kores **36:22** In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte Yahweh de geest van Kores, de koning van Perzië, op. Dat was om het woord van Yahweh door de mond van Jeremia te voltooien. Hij liet een oproep door heel zijn koninkrijk gaan, en ook in een geschrift. Hij zei: Brontekst: וּבִשְׁנַ֣ת (uvishnat) = en in het jaar van | אַחַ֗ת (achat) = één | לְכ֨וֹרֶשׁ֙ (lekhoresh) = van Kores | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֔ס (paras) = Perzië | לִכְל֥וֹת (likhlot) = om te voltooien | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּפִ֣י (befi) = door de mond van | יִרְמְיָ֑הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הֵעִ֣יר (heir) = wekte op | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | ר֨וּחַ֙ (ruach) = de geest van | כּ֣וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֔ס (paras) = Perzië | וַיַּֽעֲבֶר (vayaaver) = en liet gaan | קוֹל֙ (qol) = een stem | בְּכָל (bekhal) = door heel | מַלְכוּת֔וֹ (malkhuto) = zijn koninkrijk | וְגַם (vegam) = en ook | בְּמִכְתָּ֖ב (bemikhtav) = in een geschrift | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Perzië was een groot rijk, dat vanuit het huidige Iran regeerde. Voetnoot Uitleg: Dit vers en het volgende staan ook aan het begin van het boek Ezra (Ezra 1:1–3). Voetnoot : הֵעִיר יְהוָה אֶת רוּחַ כּוֹרֶשׁ (he’ir Yahweh et ruach Koresh), ‘Yahweh wekte de geest van Kores op’: Yahweh zette de gedachten van Kores in beweging. Voetnoot : קוֹל (qol), ‘oproep’: letterlijk ‘stem’. De oproep werd uitgeroepen en ook opgeschreven. Zie ook: 2 Kron 36:21; Jes 44:28–45:5; Jer 25:12; Jer 29:10; Ezra 1:1–3 **36:23** „Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft Yahweh, de Elohim van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt. Wie onder jullie bij heel Zijn volk hoort, Yahweh, zijn Elohim, zij met hem. Laat hem optrekken.” Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | כּ֣וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֗ס (paras) = Perzië | כָּל (kal) = alle | מַמְלְכ֤וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | נָ֣תַן (natan) = heeft gegeven | לִ֗י (li) = mij | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְהֽוּא (vehu) = en Hij | פָקַ֤ד (paqad) = heeft opgedragen | עָלַי֙ (alay) = aan mij | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen | ל֣וֹ (lo) = voor Hem | בַ֔יִת (bayit) = een huis | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = in Jeruzalem | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בִּֽיהוּדָ֑ה (bihuda) = in Juda | מִֽי (mi) = wie | בָכֶ֣ם (bakhem) = onder jullie | מִכָּל (mikal) = van heel | עַמּ֗וֹ (amo) = Zijn volk | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֛יו (elohav) = zijn Elohim | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | וְיָֽעַל (veyaal) = en laat hem optrekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron. Voetnoot Uitleg: De woorden van Kores staan in zwart, want het zijn woorden van een koning. Hij noemt Yahweh ‘de Elohim van de hemel’. Hoofdletters bij Zijn, Hem en Hij verwijzen naar Yahweh. Voetnoot : יְהוָה אֱלֹהָיו עִמּוֹ (Yahweh elohav immo), ‘Yahweh, zijn Elohim, zij met hem’: het Hebreeuws heeft geen werkwoord. Wij lezen het als een wens, zoals in Ezra 1:3, waar het werkwoord יְהִי (yehi), ‘zij’, staat. Voetnoot : וְיָעַל (veya‘al), ‘en laat hem optrekken’: het boek eindigt hier met dit woord. In Ezra 1:3 gaat de zin verder met ‘naar Jeruzalem’. Wij laten het slot zoals het staat. Voetnoot : In de Hebreeuwse indeling van de Schrift is dit het slot van het laatste boek, Kronieken. Zie ook: Ps 75:6–8; Dan 2:21; Dan 2:37; Dan 4:32; Ezra 1:3; Zach 2:10–11