# 1 Samuël (שמואל א, Shemuel I) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## 1 Samuël 1 _De geboorte van Samuël_ ### Elkana en zijn twee vrouwen **1:1** Er was een man uit Ramataim-Zofim, uit het bergland van Efraïm. Hij heette Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Elihu, zoon van Tochu, zoon van Zuf, een Efratiet. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | אִ֨ישׁ (ish) = een man | אֶחָ֜ד (echad) = één | מִן (min) = uit | הָרָמָתַ֛יִם (haramatayim) = de Ramataim | צוֹפִ֖ים (tsofim) = Zofim | מֵהַ֣ר (mehar) = van het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וּשְׁמ֡וֹ (ushemo) = en zijn naam | אֶ֠לְקָנָה (elqana) = Elkana | בֶּן (ben) = zoon van | יְרֹחָ֧ם (yerocham) = Jerocham | בֶּן (ben) = zoon van | אֱלִיה֛וּא (elihu) = Elihu | בֶּן (ben) = zoon van | תֹּ֥חוּ (tochu) = Tochu | בֶן (ben) = zoon van | צ֖וּף (tsuf) = Zuf | אֶפְרָתִֽי (efrati) = Efratiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ramataim-Zofim is waarschijnlijk dezelfde plaats als Rama (1:19; 2:11). De ligging is onzeker. Voorgesteld worden er-Ram, ongeveer 8 kilometer ten noorden van Jeruzalem, en Rantis, ongeveer 25 kilometer ten oosten van Tel Aviv (beide Westelijke Jordaanoever). Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: אֶפְרָתִי (Efrati), ‘Efratiet’: dit woord kan een inwoner van Efrata (bij Betlehem) aanduiden, zoals in Ruth 1:2, of iemand uit Efraïm, zoals in Richt. 12:5. Hier staat de man in het bergland van Efraïm; wij laten het woord ‘Efratiet’ staan zoals in Ruth. Voetnoot : צוֹפִים (Zofim) hangt samen met de naam Zuf, een voorvader van Elkana. Zie ook: Re 12:5; Re 17:1; Ruth 1:2; 1 Sam 1:19; 1 Kron 6:10–12; 1 Kron 6:19 **1:2** Hij had twee vrouwen. De ene heette Hanna en de tweede Pennina. Pennina had kinderen, maar Hanna had geen kinderen. Brontekst: וְלוֹ֙ (velo) = en voor hem | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee van | נָשִׁ֔ים (nashim) = vrouwen | שֵׁ֤ם (shem) = naam van | אַחַת֙ (achat) = de ene | חַנָּ֔ה (chana) = Hanna | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | פְּנִנָּ֑ה (penina) = Pennina | וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | לִפְנִנָּה֙ (lifnina) = voor Pennina | יְלָדִ֔ים (yeladim) = kinderen | וּלְחַנָּ֖ה (ulechana) = en voor Hanna | אֵ֥ין (ein) = er waren niet | יְלָדִֽים (yeladim) = kinderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:1–2; Gen 25:21; Gen 29:23–29; Deut 21:15–17; Mat 19:8 ### Het jaarlijkse bezoek aan Silo **1:3** Elk jaar ging die man vanuit zijn stad omhoog. Hij boog zich neer voor Yahweh van de legermachten en bracht Hem in Silo een slachtoffer. Daar waren de twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, priesters van Yahweh. Brontekst: וְעָלָה֩ (veala) = en ging omhoog | הָאִ֨ישׁ (haish) = de man | הַה֤וּא (hahu) = die | מֵֽעִירוֹ֙ (meiro) = uit zijn stad | מִיָּמִ֣ים (miyamim) = van dagen | יָמִ֔ימָה (yamima) = naar dagen | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֧ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | וְלִזְבֹּ֛חַ (velizboach) = en om te slachtofferen | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּשִׁלֹ֑ה (beshilo) = in Silo | וְשָׁ֞ם (vesham) = en daar | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עֵלִ֗י (eli) = Eli | חָפְנִי֙ (chafeni) = Chofni | וּפִ֣נְחָ֔ס (ufinchas) = en Pinechas | כֹּהֲנִ֖ים (kohanim) = priesters | לַיהוָֽה (laYahweh) = van Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo ligt ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem, bij het huidige Khirbet Seilun (Westelijke Jordaanoever). De tent van samenkomst stond hier (Joz. 18:1). Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Deze naam komt hier voor het eerst in de Bijbel voor. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Voetnoot : מִיָּמִים יָמִימָה (miyyamim yamimah), letterlijk ‘van dagen naar dagen’: een uitdrukking voor ‘elk jaar’. Zie ook Exod. 13:10 en Richt. 21:19, waar het jaarfeest in Silo wordt genoemd. Zie ook: Ex 13:10; Ex 23:14; Ex 34:23; Deut 12:5–7; Joz 18:1; Re 21:19; Luc 2:41 **1:4** Op de dag dat Elkana een slachtoffer bracht, gaf hij porties aan zijn vrouw Pennina en aan al haar zonen en dochters. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | וַיִּזְבַּ֖ח (vayizbach) = en hij slachtofferde | אֶלְקָנָ֑ה (elqana) = Elkana | וְנָתַ֞ן (venatan) = en gaf | לִפְנִנָּ֣ה (lifnina) = aan Pennina | אִשְׁתּ֗וֹ (ishto) = zijn vrouw | וּֽלְכָל (ulekhal) = en aan alle | בָּנֶ֛יהָ (baneiha) = haar zonen | וּבְנוֹתֶ֖יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | מָנֽוֹת (manot) = porties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:4; Lev 7:15; Deut 12:5–7; Deut 12:17–18; Deut 16:11 **1:5** Aan Hanna gaf hij één dubbele portie, want hij hield van Hanna. Maar Yahweh had haar schoot gesloten. Brontekst: וּלְחַנָּ֕ה (ulechana) = en aan Hanna | יִתֵּ֛ן (yiten) = hij gaf | מָנָ֥ה (mana) = portie | אַחַ֖ת (achat) = één | אַפָּ֑יִם (apayim) = dubbele | כִּ֤י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | חַנָּה֙ (chana) = Hanna | אָהֵ֔ב (ahev) = hij hield van | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | סָגַ֥ר (sagar) = had gesloten | רַחְמָֽהּ (rachmah) = haar schoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָגַר רַחְמָהּ (sagar rachmah), ‘haar schoot sluiten’: Yahweh geeft geen kinderen. Zo ook in Gen. 29:31 en Gen. 30:22, waar Elohim de baarmoeder opent. Voetnoot Lezing: אַפָּיִם (apayim) komt alleen hier voor en is onzeker. Het woord betekent letterlijk ‘twee neuzen’ of ‘twee gezichten’. Wij vertalen ‘dubbele’: een dubbele portie. Anderen denken aan een portie voor twee personen of aan een eervolle portie. Zie ook: Gen 16:1; Gen 20:18; Gen 29:30–31; Gen 29:31; Gen 30:2; Gen 30:22; Gen 45:22 **1:6** Haar rivale kwelde haar bovendien zwaar, om haar te krenken, omdat Yahweh haar schoot had gesloten. Brontekst: וְכִֽעֲסַ֤תָּה (vekhiasata) = en kwelde haar | צָֽרָתָהּ֙ (tsaratah) = haar rivale | גַּם (gam) = ook | כַּ֔עַס (kaas) = kwelling | בַּעֲב֖וּר (baavur) = om te | הַרְּעִמָ֑הּ (hareimah) = haar te krenken | כִּֽי (ki) = omdat | סָגַ֥ר (sagar) = had gesloten | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעַ֥ד (bead) = rondom | רַחְמָֽהּ (rachmah) = haar schoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַרְעִמָהּ (har’imah), ‘haar krenken’: het woord komt van ‘donderen’ (ra’am) en betekent haar tot klagen of wanhoop brengen. Voetnoot : כַּעַס (ka’as), ‘kwelling’: ook in 1:7 en 1:16. Wij vertalen het werkwoord en het zelfstandig naamwoord met hetzelfde woord, ‘kwellen’. Zie ook: Job 6:14; Job 24:21; Lev 18:18 **1:7** Zo ging het jaar na jaar. Telkens als Hanna omhoogging naar het huis van Yahweh, kwelde Pennina haar zo. Dan huilde Hanna en at niet. Brontekst: וְכֵ֨ן (vekhen) = en zo | יַעֲשֶׂ֜ה (yaase) = hij deed | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | בְשָׁנָ֗ה (beshana) = in jaar | מִדֵּ֤י (midei) = telkens als | עֲלֹתָהּ֙ (alotah) = zij omhoogging | בְּבֵ֣ית (beveit) = naar het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כֵּ֖ן (ken) = zo | תַּכְעִסֶ֑נָּה (takhisena) = zij kwelde haar | וַתִּבְכֶּ֖ה (vativke) = en zij huilde | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֹאכַֽל (tokhal) = zij at Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft alleen ‘zij’ en ‘haar’ zonder namen, en ‘hij deed zo’ zonder onderwerp. Wij noemen de namen Hanna en Pennina, omdat in de Nederlandse zin anders niet te zien is wie wat doet. Zie ook: 1 Sam 2:19 **1:8** Haar man Elkana zei tegen haar: „Hanna, waarom huil je? Waarom eet je niet? Waarom is je hart bedroefd? Ben ik je niet meer waard dan tien zonen?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | לָ֜הּ (lah) = tot haar | אֶלְקָנָ֣ה (elqana) = Elkana | אִישָׁ֗הּ (ishah) = haar man | חַנָּה֙ (chana) = Hanna | לָ֣מֶה (lame) = waarom | תִבְכִּ֗י (tivki) = huil je | וְלָ֨מֶה֙ (velame) = en waarom | לֹ֣א (lo) = niet | תֹֽאכְלִ֔י (tokhli) = eet je | וְלָ֖מֶה (velame) = en waarom | יֵרַ֣ע (yera) = is slecht | לְבָבֵ֑ךְ (levavekh) = je hart | הֲל֤וֹא (halo) = toch niet | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = ik | ט֣וֹב (tov) = goed | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | מֵעֲשָׂרָ֖ה (measara) = dan tien | בָּנִֽים (banim) = zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elkana vraagt of zijn liefde voor Hanna niet meer waard is dan tien zonen. Tien is hier een ronde en grote hoeveelheid. Zie ook: Job 6:14; Ruth 4:15; Ps 43:4; Jes 54:6; 1 Tess 5:14 ### Hanna bidt in het heiligdom **1:9** Na het eten en drinken in Silo stond Hanna op. De priester Eli zat op de stoel bij de deurpost van het heiligdom van Yahweh. Brontekst: וַתָּ֣קָם (vataqam) = en stond op | חַנָּ֔ה (chana) = Hanna | אַחֲרֵ֛י (acharei) = na | אָכְלָ֥ה (akhela) = het eten | בְשִׁלֹ֖ה (beshilo) = in Silo | וְאַחֲרֵ֣י (veacharei) = en na | שָׁתֹ֑ה (shato) = het drinken | וְעֵלִ֣י (veeli) = en Eli | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | יֹשֵׁב֙ (yoshev) = zat | עַל (al) = op | הַכִּסֵּ֔א (hakise) = de stoel | עַל (al) = bij | מְזוּזַ֖ת (mezuzat) = de deurpost van | הֵיכַ֥ל (heikhal) = het heiligdom van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (heichal), ‘heiligdom’: het woord betekent letterlijk ‘groot huis’, ‘paleis’ of ‘tempel’. In Silo stond de tent van samenkomst (Joz. 18:1). Hier en in 3:3 heeft het gebouw deurposten en deuren (3:15). Wij vertalen ‘heiligdom’ en laten de vorm open. Zie ook: Joz 18:1; 1 Sam 3:3; 2 Sam 7:2; Ps 5:8; Ps 27:4; Ps 29:9 **1:10** Zij was bitter van ziel. Zij bad tot Yahweh en huilde hevig. Brontekst: וְהִ֖יא (vehi) = en zij | מָ֣רַת (marat) = bitter van | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = ziel | וַתִּתְפַּלֵּ֥ל (vatitpalel) = en zij bad | עַל (al) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּבָכֹ֥ה (uvakho) = en huilend | תִבְכֶּֽה (tivke) = zij huilde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:11; Job 10:1; Ps 91:15; Luc 22:44; Heb 5:7 **1:11** Zij deed een gelofte. Zij zei: „Yahweh van de legermachten, als U het lijden van Uw dienares werkelijk aanziet en aan mij denkt, als U Uw dienares niet vergeet en haar een zoon geeft, dan geef ik hem aan Yahweh, al de dagen van zijn leven. Er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.” Brontekst: וַתִּדֹּ֨ר (vatidor) = en zij deed | נֶ֜דֶר (neder) = een gelofte | וַתֹּאמַ֗ר (vatomar) = en zij zei | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אִם (im) = als | רָאֹ֥ה (rao) = zien | תִרְאֶ֣ה (tire) = U zult zien | בָּעֳנִ֣י (baoni) = het lijden van | אֲמָתֶ֗ךָ (amatekha) = Uw dienares | וּזְכַרְתַּ֨נִי֙ (uzekhartani) = en U zult denken aan mij | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִשְׁכַּ֣ח (tishkach) = U zult vergeten | אֶת (et) = (obj.) | אֲמָתֶ֔ךָ (amatekha) = Uw dienares | וְנָתַתָּ֥ה (venatata) = en U zult geven | לַאֲמָתְךָ֖ (laamatekha) = aan Uw dienares | זֶ֣רַע (zera) = nageslacht van | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mannen | וּנְתַתִּ֤יו (unetativ) = en ik zal hem geven | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | חַיָּ֔יו (chayav) = zijn leven | וּמוֹרָ֖ה (umora) = en een scheermes | לֹא (lo) = niet | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = zal komen | עַל (al) = op | רֹאשֽׁוֹ (rosho) = zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’: een belofte aan Yahweh die men moet nakomen (Num. 30:3). Voetnoot : זֶרַע אֲנָשִׁים (zera anasjim), letterlijk ‘nageslacht van mannen’: een mannelijk kind. Wij vertalen ‘een zoon’. Voetnoot : וּמוֹרָה לֹא יַעֲלֶה עַל רֹאשׁוֹ (umorah lo ya’aleh al rosjo), ‘en een scheermes zal niet op zijn hoofd komen’: het teken van een nazireeër. Zie Num. 6:5 en Richt. 13:5. Zie ook: Gen 29:32; Num 6:5; Num 30:3; Re 13:5; Ps 25:18; Pred 5:3 ### Eli denkt dat zij dronken is **1:12** Terwijl zij lang bleef bidden voor het aangezicht van Yahweh, lette Eli op haar mond. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het geschiedde | כִּ֣י (ki) = toen | הִרְבְּתָ֔ה (hirbeta) = zij vermenigvuldigde | לְהִתְפַּלֵּ֖ל (lehitpalel) = om te bidden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְעֵלִ֖י (veeli) = en Eli | שֹׁמֵ֥ר (shomer) = lette op | אֶת (et) = (obj.) | פִּֽיהָ (piha) = haar mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eli let op haar mond, omdat zij zonder geluid bidt (vers 13). Zie ook: 1 Sam 1:13; Luc 18:1; Jak 5:16; 1 Tess 5:17; Ef 6:18; Kol 4:2 **1:13** Hanna sprak in haar hart. Alleen haar lippen bewogen, maar haar stem was niet te horen. Eli hield haar voor dronken. Brontekst: וְחַנָּ֗ה (vechana) = en Hanna | הִ֚יא (hi) = zij | מְדַבֶּ֣רֶת (medaberet) = sprekend | עַל (al) = op | לִבָּ֔הּ (libah) = haar hart | רַ֚ק (raq) = alleen | שְׂפָתֶ֣יהָ (sefateiha) = haar lippen | נָּע֔וֹת (naot) = bewegend | וְקוֹלָ֖הּ (veqolah) = en haar stem | לֹ֣א (lo) = niet | יִשָּׁמֵ֑עַ (yishamea) = werd gehoord | וַיַּחְשְׁבֶ֥הָ (vayachsheveha) = en hield haar voor | עֵלִ֖י (eli) = Eli | לְשִׁכֹּרָֽה (leshikora) = dronken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁכֹּרָה (shikkorah), ‘dronken’: Eli ziet haar bewegende lippen en hoort geen woorden. Hij denkt aan dronkenschap. Zie ook: Gen 24:42–45; Ps 25:1; Zach 9:15; Hand 2:13; Rom 8:26 **1:14** Eli zei tegen haar: „Hoelang blijf je nog dronken? Doe je wijn van je weg.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = tot haar | עֵלִ֔י (eli) = Eli | עַד (ad) = tot | מָתַ֖י (matay) = wanneer | תִּשְׁתַּכָּרִ֑ין (tishtakarin) = blijf je dronken | הָסִ֥ירִי (hasiri) = doe weg | אֶת (et) = (obj.) | יֵינֵ֖ךְ (yeinekh) = je wijn | מֵעָלָֽיִךְ (mealayikh) = van je af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 62:4; Spr 6:9; Mat 7:1–3; Ef 4:25; Ef 4:31 **1:15** Hanna antwoordde: „Nee, mijn heer. Ik ben een vrouw met een bedrukte geest. Wijn en sterke drank heb ik niet gedronken. Ik stortte mijn ziel uit voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַתַּ֨עַן (vataan) = en antwoordde | חַנָּ֤ה (chana) = Hanna | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zei | לֹ֣א (lo) = nee | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | אִשָּׁ֤ה (isha) = vrouw van | קְשַׁת (qeshat) = hard van | ר֨וּחַ֙ (ruach) = geest | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ik | וְיַ֥יִן (veyayin) = en wijn | וְשֵׁכָ֖ר (veshekhar) = en sterke drank | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁתִ֑יתִי (shatiti) = ik heb gedronken | וָאֶשְׁפֹּ֥ךְ (vaeshpokh) = en ik stortte uit | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְשַׁת רוּחַ (qeshat ruach), letterlijk ‘hard van geest’: iemand met een zwaar gemoed, bedrukt. Voetnoot : אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Hanna spreekt hier Eli aan, een mens. Daarom met kleine letter en ‘u’, anders dan Adonai voor Yahweh. Zie ook: Ps 42:5; Ps 62:9; Ps 142:3–4; Ps 143:6; Klaagl 2:19 **1:16** Beschouw uw dienares niet als een dochter van Belial. Want uit grote klacht en kwelling heb ik tot nu toe gesproken.” Brontekst: אַל (al) = niet | תִּתֵּן֙ (titen) = geef | אֶת (et) = (obj.) | אֲמָ֣תְךָ֔ (amatekha) = Uw dienares | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | בַּת (bat) = dochter van | בְּלִיָּ֑עַל (beliyaal) = Belial | כִּֽי (ki) = want | מֵרֹ֥ב (merov) = uit de grootte van | שִׂיחִ֛י (sichi) = mijn klacht | וְכַעְסִ֖י (vekhasi) = en mijn kwelling | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = ik heb gesproken | עַד (ad) = tot | הֵֽנָּה (hena) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘waardeloosheid’ of ‘slechtheid’. Een ‘dochter van Belial’ is een vrouw zonder moraal. Zie ook Richt. 19:22 en 1 Sam. 2:12. Voetnoot : אַל תִּתֵּן לִפְנֵי (al titten lifnei), letterlijk ‘zet niet voor het aangezicht van’: beschouw haar niet als. Zie ook: Job 6:2–3; Job 10:1–2; Deut 13:14; Re 19:22; 1 Sam 2:12; Mat 12:34–35 **1:17** Eli antwoordde: „Ga in vrede. Moge de Elohim van Israël je geven wat je van Hem gevraagd hebt.” Brontekst: וַיַּ֧עַן (vayaan) = en antwoordde | עֵלִ֛י (eli) = Eli | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | לְכִ֣י (lekhi) = ga | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = in vrede | וֵאלֹהֵ֣י (velohei) = en de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | יִתֵּן֙ (yiten) = moge geven | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣לָתֵ֔ךְ (shelatekh) = je verzoek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שָׁאַ֖לְתְּ (shaalt) = je hebt gevraagd | מֵעִמּֽוֹ (meimo) = van Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 18:6; 1 Sam 25:35; Ps 20:4–6; 2 Kon 5:19; Mar 5:34 **1:18** Zij zei: „Moge uw dienares gunst vinden in uw ogen.” Toen ging de vrouw haar weg en at. Haar gezicht was niet meer hetzelfde. Brontekst: וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zij zei | תִּמְצָ֧א (timtsa) = moge vinden | שִׁפְחָתְךָ֛ (shifchatekha) = Uw dienares | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in uw ogen | וַתֵּ֨לֶךְ (vatelekh) = en ging | הָאִשָּׁ֤ה (haisha) = de vrouw | לְדַרְכָּהּ֙ (ledarkah) = op haar weg | וַתֹּאכַ֔ל (vatokhal) = en at | וּפָנֶ֥יהָ (ufaneiha) = en haar gezicht | לֹא (lo) = niet | הָיוּ (hayu) = was | לָ֖הּ (lah) = voor haar | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘haar gezichten waren niet meer voor haar’. De bedoeling is dat haar gezicht niet meer bedroefd stond. Wij vertalen ‘niet meer hetzelfde’. Zie ook: Gen 33:15; Ruth 2:13; Pred 9:7; Joh 16:24; Rom 15:13 ### Samuël wordt geboren **1:19** Zij stonden de volgende morgen vroeg op en bogen zich neer voor het aangezicht van Yahweh. Daarna keerden zij terug en kwamen thuis in Rama. Elkana had gemeenschap met zijn vrouw Hanna, en Yahweh dacht aan haar. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֣מוּ (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בַבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּֽשְׁתַּחֲווּ֙ (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּשֻׁ֛בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | בֵּיתָ֖ם (beitam) = hun huis | הָרָמָ֑תָה (haramata) = Rama | וַיֵּ֤דַע (vayeda) = en kende | אֶלְקָנָה֙ (elqana) = Elkana | אֶת (et) = (obj.) | חַנָּ֣ה (chana) = Hanna | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | וַיִּֽזְכְּרֶ֖הָ (vayizkereha) = en dacht aan haar | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama is waarschijnlijk dezelfde plaats als Ramataim-Zofim (1:1). De ligging is onzeker. Zie bij 1:1. Voetnoot Uitleg: וַיֵּדַע (vayyeda), ‘en hij kende’: hij had gemeenschap met haar. Zie ook Gen. 4:1. Voetnoot : וַיִּזְכְּרֶהָ יְהוָה (vayyizkereha Yahweh), ‘en Yahweh dacht aan haar’: Yahweh grijpt in en geeft haar een kind. Zo ook Gen. 30:22. Zie ook: Gen 4:1; Gen 21:1; Gen 30:22; 1 Sam 1:11; Ps 119:147 **1:20** Na verloop van tijd werd Hanna zwanger en beviel van een zoon. Zij noemde hem Samuël: „Want van Yahweh heb ik hem gevraagd.” Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | לִתְקֻפ֣וֹת (litqufot) = bij de omloop van | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וַתַּ֥הַר (vatahar) = en werd zwanger | חַנָּ֖ה (chana) = Hanna | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en baarde | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֤א (vatiqra) = en noemde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | כִּ֥י (ki) = want | מֵיְהוָ֖ה (meYahweh) = van Yahweh | שְׁאִלְתִּֽיו (sheiltiv) = ik heb hem gevraagd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמוּאֵל (Shemu’el), ‘Samuël’. De tekst verbindt de naam met שָׁאַל (sha’al), ‘vragen’: ‘van Yahweh heb ik hem gevraagd’ (שְׁאִלְתִּיו, she’iltiv). De naam klinkt ook als ‘naam van Elohim’ of ‘Elohim heeft gehoord’. Zie ook: Gen 30:6–21; Gen 41:51–52; Ex 2:10; Ex 2:22; Mat 1:21 ### Hanna blijft thuis tot Samuël gespeend is **1:21** De man Elkana trok met heel zijn huis omhoog om aan Yahweh het jaarlijkse slachtoffer en zijn gelofte te brengen. Brontekst: וַיַּ֛עַל (vayaal) = en ging omhoog | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | אֶלְקָנָ֖ה (elqana) = Elkana | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | לִזְבֹּ֧חַ (lizboach) = om te slachtofferen | לַֽיהוָ֛ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֥בַח (zevach) = slachtoffer van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נִדְרֽוֹ (nidro) = zijn gelofte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶבַח הַיָּמִים (zevach hayyamim), ‘het slachtoffer van de dagen’: het jaarlijkse slachtoffer (zie 1:3). Voetnoot : נִדְרוֹ (nidro), ‘zijn gelofte’: wat Elkana aan Yahweh had beloofd te brengen. Zie ook: Gen 18:19; Deut 12:11; Joz 24:15; 1 Sam 1:3; Ps 101:2 **1:22** Hanna ging niet mee omhoog, want zij had tegen haar man gezegd: „Pas als de jongen gespeend is. Dan breng ik hem, en hij zal verschijnen voor het aangezicht van Yahweh en daar blijven wonen, voor altijd.” Brontekst: וְחַנָּ֖ה (vechana) = en Hanna | לֹ֣א (lo) = niet | עָלָ֑תָה (alata) = ging omhoog | כִּֽי (ki) = want | אָמְרָ֣ה (amera) = zij had gezegd | לְאִישָׁ֗הּ (leishah) = tegen haar man | עַ֣ד (ad) = tot | יִגָּמֵ֤ל (yigamel) = gespeend is | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | וַהֲבִאֹתִ֗יו (vahaviotiv) = en ik breng hem | וְנִרְאָה֙ (venira) = en hij zal verschijnen | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיָ֥שַׁב (veyashav) = en hij zal wonen | שָׁ֖ם (sham) = daar | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּמַל (gamal), ‘spenen’: in die tijd werd een kind vaak pas na ongeveer drie jaar van de borst gehaald. Hanna wil niet reizen voordat de jongen kan worden achtergelaten. Zie ook: Lev 25:23; Deut 16:16; 1 Sam 1:11; 1 Sam 1:28; Luc 2:22 **1:23** Haar man Elkana zei tegen haar: „Doe wat goed is in jouw ogen. Blijf tot je hem gespeend hebt. Moge Yahweh maar Zijn woord bevestigen.” Zo bleef de vrouw en gaf haar zoon de borst, tot zij hem speende. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהּ֩ (lah) = tot haar | אֶלְקָנָ֨ה (elqana) = Elkana | אִישָׁ֜הּ (ishah) = haar man | עֲשִׂ֧י (asi) = doe | הַטּ֣וֹב (hatov) = het goede | בְּעֵינַ֗יִךְ (beeinayikh) = in je ogen | שְׁבִי֙ (shevi) = blijf | עַד (ad) = tot | גָּמְלֵ֣ךְ (gamelekh) = je hem speent | אֹת֔וֹ (oto) = hem | אַ֛ךְ (akh) = alleen | יָקֵ֥ם (yaqem) = moge bevestigen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָר֑וֹ (devaro) = Zijn woord | וַתֵּ֤שֶׁב (vateshev) = en bleef | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | וַתֵּ֣ינֶק (vateineq) = en gaf de borst | אֶת (et) = (obj.) | בְּנָ֔הּ (benah) = haar zoon | עַד (ad) = tot | גָּמְלָ֖הּ (gamelah) = zij speende | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אַךְ יָקֵם יְהוָה אֶת דְּבָרוֹ (ach yaqem Yahweh et devaro), ‘alleen moge Yahweh Zijn woord bevestigen’. Welk woord bedoeld is, staat er niet bij: waarschijnlijk wat Yahweh haar bij haar gebed heeft toegezegd. Wij laten het open. Zie ook: Num 30:8–12; 2 Sam 7:25; Ps 22:10; Jes 44:26; Luc 11:27 ### Hanna brengt Samuël naar Silo **1:24** Toen zij hem gespeend had, nam zij hem met zich mee omhoog, met drie stieren, één efa meel en een kruik wijn. Zij bracht hem naar het huis van Yahweh in Silo. De jongen was nog heel jong. Brontekst: וַתַּעֲלֵ֨הוּ (vataalehu) = en zij liet hem omhoog gaan | עִמָּ֜הּ (imah) = met haar | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | גְּמָלַ֗תּוּ (gemalatu) = zij hem speende | בְּפָרִ֤ים (befarim) = met stieren | שְׁלֹשָׁה֙ (shelosha) = drie | וְאֵיפָ֨ה (veeifa) = en efa | אַחַ֥ת (achat) = één | קֶ֨מַח֙ (qemach) = meel | וְנֵ֣בֶל (venevel) = en kruik van | יַ֔יִן (yayin) = wijn | וַתְּבִאֵ֥הוּ (vateviehu) = en zij bracht hem | בֵית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שִׁל֑וֹ (shilo) = Silo | וְהַנַּ֖עַר (vehanaar) = en de jongen | נָֽעַר (naar) = jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo (hier gespeld שִׁלוֹ): zie bij 1:3. Voetnoot Uitleg: אֵיפָה (efa) is een inhoudsmaat van ongeveer 22 liter. נֵבֶל (nevel) is een grote kruik of zak, hier voor wijn. Voetnoot : וְהַנַּעַר נָעַר (vehanna’ar na’ar), letterlijk ‘en de jongen was een jongen’: hij was nog heel klein. Voetnoot Lezing: בְּפָרִים שְׁלֹשָׁה (befarim sheloshah), ‘met drie stieren’. Vers 25 heeft ‘de stier’ in het enkelvoud. Daarom denken sommigen aan ‘een stier van drie jaar’. Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk. Zie ook: Num 15:9–10; Deut 12:5–6; Deut 12:11; Joz 18:1; 1 Sam 1:25; 1 Sam 4:3–4 **1:25** Zij slachtten de stier en brachten de jongen naar Eli. Brontekst: וַֽיִּשְׁחֲט֖וּ (vayishchatu) = en zij slachtten | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֑ר (hapar) = de stier | וַיָּבִ֥יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֶת (et) = (obj.) | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | אֶל (el) = naar | עֵלִֽי (eli) = Eli Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 2:22; Luc 18:15–16 **1:26** Zij zei: „Pardon, mijn heer! Zo waar u leeft, mijn heer: ik ben de vrouw die hier naast u stond om tot Yahweh te bidden. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zij zei | בִּ֣י (bi) = bij mij | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | חֵ֥י (chei) = leeft | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = uw ziel | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | אֲנִ֣י (ani) = ik | הָאִשָּׁ֗ה (haisha) = de vrouw | הַנִּצֶּ֤בֶת (hanitsevet) = die stond | עִמְּכָה֙ (imekha) = naast u | בָּזֶ֔ה (baze) = hier | לְהִתְפַּלֵּ֖ל (lehitpalel) = om te bidden | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּי אֲדֹנִי (bi adoni), letterlijk ‘bij mij, mijn heer’: een beleefde openingsformule bij een verzoek of uitleg. Wij vertalen ‘Pardon, mijn heer’. Voetnoot : חֵי נַפְשְׁךָ (chei nafshecha), ‘zo waar uw ziel leeft’: een eedformule. Zie ook: 1 Sam 20:3; 2 Kon 2:2; 2 Kon 2:4; 2 Kon 2:6; 2 Kon 4:30 **1:27** Om deze jongen heb ik gebeden. Yahweh heeft mij mijn verzoek gegeven, dat ik van Hem gevraagd heb. Brontekst: אֶל (el) = om | הַנַּ֥עַר (hanaar) = de jongen | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | הִתְפַּלָּ֑לְתִּי (hitpalalti) = ik heb gebeden | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לִי֙ (li) = aan mij | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵ֣לָתִ֔י (sheelati) = mijn verzoek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שָׁאַ֖לְתִּי (shaalti) = ik heb gevraagd | מֵעִמּֽוֹ (meimo) = van Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 6:10; Ps 66:19–20; Ps 118:5; Mat 7:7; 1 Joh 5:15 **1:28** Ook ik leen hem uit aan Yahweh. Al de dagen dat hij leeft, is hij aan Yahweh uitgeleend.” Hij boog zich daar neer voor Yahweh. Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | הִשְׁאִלְתִּ֨הוּ֙ (hishiltihu) = heb uitgeleend | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִים֙ (hayamim) = dagen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֔ה (haya) = hij is | ה֥וּא (hu) = hij | שָׁא֖וּל (shaul) = uitgeleend | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וַיִּשְׁתַּ֥חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | שָׁ֖ם (sham) = daar | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִשְׁאִלְתִּהוּ (hish’iltihu), ‘ik leen hem uit’, en שָׁאוּל (sha’ul), ‘uitgeleend’ of ‘gevraagd’: dezelfde stam als שָׁאַל (sha’al), ‘vragen’ in 1:20 en 1:27. Het is ook de stam van de naam Saul. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘hij boog zich neer’. Wie bedoeld is (Elkana, Eli of de jongen), staat er niet bij. Wij laten ‘hij’ staan. Zie ook: Gen 24:26; Gen 24:48; Gen 24:52; 1 Sam 1:11; 2 Tim 3:15 ## 1 Samuël 2 _Het lied van Hanna en de zonen van Eli_ ### Het lied van Hanna **2:1** Hanna bad en zei: „Mijn hart jubelt in Yahweh, mijn hoorn is verheven in Yahweh. Mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden, want ik verheug mij over Uw redding. Brontekst: וַתִּתְפַּלֵּ֤ל (vatitpalel) = en zij bad | חַנָּה֙ (chana) = Hanna | וַתֹּאמַ֔ר (vatomar) = en zij zei | עָלַ֤ץ (alats) = jubelt | לִבִּי֙ (libi) = mijn hart | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = in Yahweh | רָ֥מָה (rama) = is verheven | קַרְנִ֖י (qarni) = mijn hoorn | בַּֽיהוָ֑ה (baYahweh) = in Yahweh | רָ֤חַב (rachav) = is wijd | פִּי֙ (pi) = mijn mond | עַל (al) = over | א֣וֹיְבַ֔י (oyevay) = mijn vijanden | כִּ֥י (ki) = want | שָׂמַ֖חְתִּי (samachti) = ik verheug mij | בִּישׁוּעָתֶֽךָ (bishuatekha) = in Uw redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: het opgeheven hoofd van een sterk dier. ‘Mijn hoorn is verheven’ betekent: ik sta sterk en heb eer. Voetnoot : Hanna’s lied loopt van vers 1 tot en met vers 10. Vergelijk het lied van Maria in Luk. 1:46–55. Zie ook: 1 Sam 2:10; Ps 13:6; Ps 92:11; Jes 12:2–3; Luc 1:46–56; Fil 4:6 **2:2** Niemand is heilig zoals Yahweh. Want er is niemand behalve U. Er is geen rots zoals onze Elohim. Brontekst: אֵין (ein) = er is niet | קָד֥וֹשׁ (qadosh) = heilig | כַּיהוָ֖ה (kaYahweh) = zoals Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֣ין (ein) = er is niet | בִּלְתֶּ֑ךָ (biltekha) = behalve U | וְאֵ֥ין (veein) = en er is niet | צ֖וּר (tsur) = rots | כֵּאלֹהֵֽינוּ (keloheinu) = zoals onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צוּר (tsur), ‘rots’: Yahweh als vaste schuilplaats. Zie ook Deut. 32:4. Voetnoot : בִּלְתֶּךָ (biltecha), ‘behalve U’: Hanna richt zich hier tot Yahweh zelf. Zie ook: Ex 15:11; Deut 32:4; 2 Sam 22:32; Ps 86:8; Jes 44:6; 1 Petr 1:16 **2:3** Spreek niet steeds zo trots, zo trots. Laat geen overmoed uit jullie mond komen. Want Yahweh is een El van kennis. Door Hem worden daden gewogen. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּרְבּ֤וּ (tarbu) = vermeerder | תְדַבְּרוּ֙ (tedaberu) = spreek | גְּבֹהָ֣ה (gevoha) = hoog | גְבֹהָ֔ה (gevoha) = hoog | יֵצֵ֥א (yetse) = laat komen | עָתָ֖ק (ataq) = overmoed | מִפִּיכֶ֑ם (mipikhem) = uit jullie mond | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ל (el) = El van | דֵּעוֹת֙ (deot) = kennis | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְל֥וֹ (velo) = en door Hem | נִתְכְּנ֖וּ (nitkenu) = worden gewogen | עֲלִלֽוֹת (alilot) = daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל (el), ‘El’: een korte vorm van Elohim. Wij laten ‘El’ staan, zoals in Deut. 32:4. Voetnoot : נִתְכְּנוּ (nitkenu), ‘worden gewogen’: Yahweh beoordeelt daden alsof Hij ze weegt. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is ולא (velo), ‘en niet’. De te lezen vorm (qere) is ולו (velo), ‘en door Hem’. Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 32:4; Spr 8:13; Spr 24:12; 1 Kon 8:39; Heb 4:12; Jud 1:15–16 **2:4** De boog van de helden is gebroken. Wie struikelen, hebben zich met kracht omgord. Brontekst: קֶ֥שֶׁת (qeshet) = boog van | גִּבֹּרִ֖ים (giborim) = helden | חַתִּ֑ים (chatim) = gebroken | וְנִכְשָׁלִ֖ים (venikhshalim) = en struikelenden | אָ֥זְרוּ (azeru) = hebben omgord | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:15; Ps 46:10; Ps 76:4; 2 Kor 12:9; Fil 4:13 **2:5** Wie verzadigd waren, hebben zich voor brood verhuurd. Wie honger hadden, zijn opgehouden. Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard. Wie veel zonen had, kwijnt weg. Brontekst: שְׂבֵעִ֤ים (seveim) = verzadigden | בַּלֶּ֨חֶם֙ (balechem) = voor brood | נִשְׂכָּ֔רוּ (niskaru) = hebben zich verhuurd | וּרְעֵבִ֖ים (ureevim) = en hongerigen | חָדֵ֑לּוּ (chadelu) = zijn opgehouden | עַד (ad) = zelfs | עֲקָרָה֙ (aqara) = onvruchtbare | יָלְדָ֣ה (yaleda) = heeft gebaard | שִׁבְעָ֔ה (shiva) = zeven | וְרַבַּ֥ת (verabat) = en rijk aan | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | אֻמְלָֽלָה (umlala) = kwijnt weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getal zeven kan een volle kring van kinderen aanduiden. Hanna krijgt na Samuël nog drie zonen en twee dochters (2:21). Zie ook: Ps 34:11; Ps 113:9; Jes 54:1; Jer 15:9; Luc 1:53 **2:6** Yahweh doet sterven en doet leven. Hij doet afdalen naar de Sjeol en doet weer opkomen. Brontekst: יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵמִ֣ית (memit) = doet sterven | וּמְחַיֶּ֑ה (umechaye) = en doet leven | מוֹרִ֥יד (morid) = doet afdalen | שְׁא֖וֹל (sheol) = Sjeol | וַיָּֽעַל (vayaal) = en doet opkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk. Zie ook Gen. 37:35. Zie ook: Gen 37:35; Job 5:18; Deut 32:39; Jona 2:3–7; Jes 26:19; Openb 1:18 **2:7** Yahweh maakt arm en maakt rijk. Hij vernedert, maar verheft ook. Brontekst: יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מוֹרִ֣ישׁ (morish) = maakt arm | וּמַעֲשִׁ֑יר (umaashir) = en maakt rijk | מַשְׁפִּ֖יל (mashpil) = vernedert | אַף (af) = ook | מְרוֹמֵֽם (meromem) = verheft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:21; Job 5:11; Deut 8:17–18; Ps 75:8; Jak 4:10 **2:8** Hij richt de geringe op uit het stof. Uit de asbelt verheft Hij de arme, om hem te laten zitten bij de edelen. Een troon van eer geeft Hij hun als erfdeel. Want aan Yahweh behoren de zuilen van de aarde. Hij heeft de wereld erop gezet. Brontekst: מֵקִ֨ים (meqim) = richt op | מֵעָפָ֜ר (meafar) = uit stof | דָּ֗ל (dal) = geringe | מֵֽאַשְׁפֹּת֙ (meashpot) = uit de asbelt | יָרִ֣ים (yarim) = verheft | אֶבְי֔וֹן (evyon) = arme | לְהוֹשִׁיב֙ (lehoshiv) = om te laten zitten | עִם (im) = bij | נְדִיבִ֔ים (nedivim) = edelen | וְכִסֵּ֥א (vekhise) = en troon van | כָב֖וֹד (kavod) = eer | יַנְחִלֵ֑ם (yanchilem) = geeft hen als erfdeel | כִּ֤י (ki) = want | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | מְצֻ֣קֵי (metsuqei) = zuilen van | אֶ֔רֶץ (erets) = de aarde | וַיָּ֥שֶׁת (vayashet) = en Hij zette | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = op hen | תֵּבֵֽל (tevel) = de wereld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְׁפֹּת (ashpot), ‘asbelt’: de plaats waar as en afval werden gestort. Voetnoot : מְצֻקֵי אֶרֶץ (metsuqe erets), ‘de zuilen van de aarde’: de steunen waarop de wereld rust. Zie ook: Ps 113:7–8; Pred 4:14; Dan 2:48; Dan 6:4; Jak 2:5 **2:9** De voeten van Zijn getrouwen behoedt Hij. De goddelozen worden in de duisternis het zwijgen opgelegd. Want niet door kracht wint een mens. Brontekst: רַגְלֵ֤י (raglei) = voeten van | חֲסִידָיו֙ (chasidav) = Zijn getrouwen | יִשְׁמֹ֔ר (yishmor) = Hij behoedt | וּרְשָׁעִ֖ים (ureshaim) = en goddelozen | בַּחֹ֣שֶׁךְ (bachoshekh) = in de duisternis | יִדָּ֑מּוּ (yidamu) = worden het zwijgen opgelegd | כִּֽי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | בְכֹ֖חַ (bekhoach) = door kracht | יִגְבַּר (yigbar) = wint | אִֽישׁ (ish) = een mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסִידִים (chasidim), ‘getrouwen’: mensen die trouw (chesed) bewijzen en aan wie Yahweh trouw bewijst. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is חסידו, ‘Zijn getrouwe’ (enkelvoud). De te lezen vorm (qere) is חסידיו, ‘Zijn getrouwen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 33:16–17; Ps 91:11–12; Ps 97:10; Ps 121:3; 1 Petr 1:5 **2:10** Zij die met Yahweh twisten, worden gebroken. Over hen laat Hij het in de hemel donderen. Yahweh richt de einden van de aarde. Hij geeft kracht aan Zijn koning en verheft de hoorn van Zijn gezalfde.” Brontekst: יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | יֵחַ֣תּוּ (yechatu) = worden gebroken | מְרִיבָ֗יו (merivav) = Zijn tegenstanders | עָלָיו֙ (alav) = over hem | בַּשָּׁמַ֣יִם (bashamayim) = in de hemel | יַרְעֵ֔ם (yarem) = Hij laat donderen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יָדִ֣ין (yadin) = Hij zal richten | אַפְסֵי (afsei) = einden van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | וְיִתֶּן (veyiten) = en Hij zal geven | עֹ֣ז (oz) = kracht | לְמַלְכּ֔וֹ (lemalko) = aan Zijn koning | וְיָרֵ֖ם (veyarem) = en Hij zal verheffen | קֶ֥רֶן (qeren) = hoorn van | מְשִׁיחֽוֹ (meshicho) = Zijn gezalfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfde’: iemand die met olie is gezalfd voor een taak van Yahweh. In de wet is dat de gezalfde priester (Lev. 4:3). Hier is het de koning, terwijl Israël nog geen koning heeft (Richt. 21:25). Zie ook 2:35. Voetnoot Lezing: In het geschreven woord (ketiv) staan מריבו (enkelvoud, ‘Zijn tegenstander’) en עלו. De te lezen vormen (qere) zijn מריביו (‘Zijn tegenstanders’) en עליו (‘over hem’). Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 15:6; Lev 4:3; Re 21:25; Ps 2:9; Ps 18:14–15; Ps 89:25; Ps 96:13 ### Samuël dient in Silo **2:11** Elkana ging naar Rama, naar zijn huis. De jongen diende Yahweh voor het aangezicht van Eli, de priester. Brontekst: וַיֵּ֧לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶלְקָנָ֛ה (elqana) = Elkana | הָרָמָ֖תָה (haramata) = naar Rama | עַל (al) = naar | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וְהַנַּ֗עַר (vehanaar) = en de jongen | הָיָ֤ה (haya) = was | מְשָׁרֵת֙ (mesharet) = dienend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֖י (penei) = het aangezicht van | עֵלִ֥י (eli) = Eli | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama is waarschijnlijk dezelfde plaats als Ramataim-Zofim (1:1). De ligging is onzeker. Zie bij 1:1. Zie ook: 1 Sam 1:19; 1 Sam 1:28; 1 Sam 2:18; 1 Sam 3:1; 1 Sam 3:15 ### De zonen van Eli misbruiken de offers **2:12** De zonen van Eli waren zonen van Belial. Zij kenden Yahweh niet. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | עֵלִ֖י (eli) = Eli | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | בְלִיָּ֑עַל (beliyaal) = Belial | לֹ֥א (lo) = niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = zij kenden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘waardeloosheid’. ‘Zonen van Belial’ zijn mannen die zich aan geen regels storen. Zie ook 1:16 en Richt. 19:22. Voetnoot : לֹא יָדְעוּ אֶת יְהוָה (lo yade’u et Yahweh), ‘zij kenden Yahweh niet’: ‘kennen’ betekent hier Yahweh erkennen en Zijn voorschriften houden. Zie ook: Re 2:10; Re 19:22; Jer 2:8; 2 Kor 6:15; Rom 1:21; Rom 1:28–30 **2:13** Dit was de gewoonte van de priesters tegenover het volk. Telkens als iemand een slachtoffer bracht, kwam de jongen van de priester. Het vlees was dan aan het koken. Hij had een vork met drie tanden in zijn hand. Brontekst: וּמִשְׁפַּ֥ט (umishpat) = en gewoonte van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = tegenover | הָעָ֑ם (haam) = het volk | כָּל (kal) = elke | אִ֞ישׁ (ish) = man | זֹבֵ֣חַ (zoveach) = offerend | זֶ֗בַח (zevach) = slachtoffer | וּבָ֨א (uva) = en kwam | נַ֤עַר (naar) = jongen van | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | כְּבַשֵּׁ֣ל (kevashel) = als kookte | הַבָּשָׂ֔ר (habasar) = het vlees | וְהַמַּזְלֵ֛ג (vehamazleg) = en de vork | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie van | הַשִּׁנַּ֖יִם (hashinayim) = de tanden | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat) betekent meestal ‘recht’. Hier gaat het om wat de priesters gewoon waren te doen. Wij vertalen ‘gewoonte’. Vergelijk Deut. 18:3, waar de wet zegt wat de priester van een slachtoffer mag krijgen. Voetnoot : מִזְלָג (mizlag), ‘vork’: een vork met drie tanden. Zie ook: Lev 7:29–34; Deut 18:3 **2:14** Hij stak hem in het bekken, de pot, de ketel of de kookpot. Alles wat de vork omhoogbracht, nam de priester daarmee voor zichzelf. Zo deden zij bij heel Israël dat daar in Silo kwam. Brontekst: וְהִכָּ֨ה (vehika) = en hij stak | בַכִּיּ֜וֹר (bakiyor) = in het bekken | א֣וֹ (o) = of | בַדּ֗וּד (badud) = in de pot | א֤וֹ (o) = of | בַקַּלַּ֨חַת֙ (baqalachat) = in de ketel | א֣וֹ (o) = of | בַפָּר֔וּר (baparur) = in de kookpot | כֹּ֚ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = omhoogbracht | הַמַּזְלֵ֔ג (hamazleg) = de vork | יִקַּ֥ח (yiqach) = nam | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | בּ֑וֹ (bo) = daarmee | כָּ֚כָה (kakha) = zo | יַעֲשׂ֣וּ (yaasu) = zij deden | לְכָל (lekhal) = met heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַבָּאִ֥ים (habaim) = die kwamen | שָׁ֖ם (sham) = daar | בְּשִׁלֹֽה (beshilo) = in Silo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: De vier vaten (כִּיּוֹר, דּוּד, קַלַּחַת en פָּרוּר) zijn soorten bekkens en potten. Het precieze verschil tussen de vaten is onzeker. Zie ook: Ex 29:27–28; 1 Sam 2:29; Jes 56:11; Mal 1:10; 2 Petr 2:13–15 **2:15** Zelfs voordat zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de jongen van de priester. Hij zei tegen de man die het slachtoffer bracht: „Geef vlees om te braden voor de priester. Hij neemt van jou geen gekookt vlees aan, alleen rauw.” Brontekst: גַּם֮ (gam) = ook | בְּטֶרֶם֮ (beterem) = voordat | יַקְטִר֣וּן (yaqtirun) = zij in rook lieten opgaan | אֶת (et) = (obj.) | הַחֵלֶב֒ (hachelev) = het vet | וּבָ֣א (uva) = en kwam | נַ֣עַר (naar) = jongen van | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְאָמַר֙ (veamar) = en zei | לָאִ֣ישׁ (laish) = tegen de man | הַזֹּבֵ֔חַ (hazoveach) = die slachtofferde | תְּנָ֣ה (tena) = geef | בָשָׂ֔ר (basar) = vlees | לִצְל֖וֹת (litslot) = om te braden | לַכֹּהֵ֑ן (lakohen) = voor de priester | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִקַּ֧ח (yiqach) = zal nemen | מִמְּךָ֛ (mimekha) = van jou | בָּשָׂ֥ר (basar) = vlees | מְבֻשָּׁ֖ל (mevushal) = gekookt | כִּ֥י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | חָֽי (chay) = rauw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִקְטִיר (hiqtir), ‘in rook laten opgaan’: het vet van het slachtoffer werd eerst op het altaar verbrand. Al het vet is voor Yahweh (Lev. 3:16; 7:31). De jongen van de priester wil het vlees nog vóór dat gebeurt. Zie ook: Lev 3:3–5; Lev 3:16; Lev 7:31; Rom 16:18; Fil 3:19; Jud 1:12 **2:16** Als de man tegen hem zei: „Laat hen het vet eerst meteen in rook laten opgaan. Neem dan voor jezelf zoveel als je verlangt”, dan zei hij: „Nee, nu moet je het geven. Anders neem ik het met geweld.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | הָאִ֗ישׁ (haish) = de man | קַטֵּ֨ר (qater) = in rook laten opgaan | יַקְטִיר֤וּן (yaqtirun) = zij zullen laten opgaan | כַּיּוֹם֙ (kayom) = meteen | הַחֵ֔לֶב (hachelev) = het vet | וְקַ֨ח (veqach) = en neem | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | תְּאַוֶּ֖ה (teave) = verlangt | נַפְשֶׁ֑ךָ (nafshekha) = je ziel | וְאָמַ֥ר (veamar) = en hij zei | לֹא֙ (lo) = nee | כִּ֚י (ki) = maar | עַתָּ֣ה (ata) = nu | תִתֵּ֔ן (titen) = je moet geven | וְאִם (veim) = en als | לֹ֖א (lo) = niet | לָקַ֥חְתִּי (laqachti) = ik neem | בְחָזְקָֽה (bechazeqa) = met geweld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּיּוֹם (kayyom), letterlijk ‘zoals de dag’: ‘meteen’ of ‘zoals altijd’. Wij vertalen ‘meteen’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘de man zei’ en ‘hij zei’ zonder voorwaarde. Wij lezen het als iets wat telkens gebeurde. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is לו (lo), ‘aan hem’. De te lezen vorm (qere) is לא (lo), ‘nee’. Wij volgen de qere. Zie ook: Lev 3:16; Lev 7:23–25; Mi 2:1–2; Mi 3:5; 1 Petr 5:2–3 **2:17** De zonde van de jongens was zeer groot voor het aangezicht van Yahweh. Want de mannen verachtten de offergave van Yahweh. Brontekst: וַתְּהִ֨י (vatehi) = en was | חַטַּ֧את (chatat) = zonde van | הַנְּעָרִ֛ים (hanearim) = de jongens | גְּדוֹלָ֥ה (gedola) = groot | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | אֶת (et) = voor | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | נִֽאֲצוּ֙ (niatsu) = verachtten | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִנְחַ֥ת (minchat) = offergave van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah) is hier de offergave in het algemeen, dus ook het vlees van het slachtoffer. Wij vertalen ‘offergave’, zoals in Gen. 4:3–5. Het woord ‘graanoffer’ uit Lev. 2 past hier niet. Voetnoot : נִאֲצוּ (ni’atsu), ‘verachten’: de gave van Yahweh als niets behandelen. Zie ook: Gen 4:3–5; Gen 6:11; Gen 10:9; Gen 13:13; Mal 2:7–9; Mal 2:13 ### De kleine mantel van Samuël **2:18** Samuël diende voor het aangezicht van Yahweh, als jongen omgord met een linnen efod. Brontekst: וּשְׁמוּאֵ֕ל (ushemuel) = en Samuël | מְשָׁרֵ֖ת (mesharet) = dienend | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | נַ֕עַר (naar) = jongen | חָג֖וּר (chagur) = omgord | אֵפ֥וֹד (efod) = efod | בָּֽד (bad) = linnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵפוֹד בָּד (efod bad), ‘een linnen efod’: een eenvoudig priesterkleed van linnen. De efod van de hogepriester is rijk versierd (Exod. 28:6). Ook David draagt later een linnen efod (2 Sam. 6:14). Zie ook: Ex 28:4; Ex 28:6; 1 Sam 2:11; 1 Sam 3:1; 1 Sam 22:18; 2 Sam 6:14 **2:19** Zijn moeder maakte hem elk jaar een kleine mantel en bracht die naar hem toe. Dat deed zij wanneer zij met haar man omhoogging om het jaarlijkse slachtoffer te brengen. Brontekst: וּמְעִ֤יל (umeil) = en mantel | קָטֹן֙ (qaton) = klein | תַּעֲשֶׂה (taase) = zij maakte | לּ֣וֹ (lo) = voor hem | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | וְהַעַלְתָ֥ה (vehaalta) = en zij bracht omhoog | ל֖וֹ (lo) = voor hem | מִיָּמִ֣ים (miyamim) = van dagen | יָמִ֑ימָה (yamima) = naar dagen | בַּֽעֲלוֹתָהּ֙ (baalotah) = als zij omhoogging | אֶת (et) = met | אִישָׁ֔הּ (ishah) = haar man | לִזְבֹּ֖חַ (lizboach) = om te slachtofferen | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֥בַח (zevach) = slachtoffer van | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעִיל (me’il), ‘mantel’: een los bovenkleed. Hetzelfde woord staat voor de mantel van de efod in Exod. 28:31. Voetnoot : מִיָּמִים יָמִימָה (miyyamim yamimah), ‘elk jaar’, zoals bij 1:3. Zie ook: Ex 23:14; Ex 28:31; 1 Sam 1:3; 1 Sam 1:21 **2:20** Eli zegende Elkana en zijn vrouw en zei: „Moge Yahweh je nageslacht geven uit deze vrouw, in de plaats van wat aan Yahweh is uitgeleend.” Daarna gingen zij naar hun plaats. Brontekst: וּבֵרַ֨ךְ (uverakh) = en zegende | עֵלִ֜י (eli) = Eli | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְקָנָ֣ה (elqana) = Elkana | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִשְׁתּ֗וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְאָמַר֙ (veamar) = en zei | יָשֵׂם֩ (yasem) = moge zetten | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | זֶ֨רַע֙ (zera) = nageslacht | מִן (min) = van | הָאִשָּׁ֣ה (haisha) = de vrouw | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | תַּ֚חַת (tachat) = in plaats van | הַשְּׁאֵלָ֔ה (hasheela) = het uitgeleende | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שָׁאַ֖ל (shaal) = is uitgeleend | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְהָלְכ֖וּ (vehalekhu) = en zij gingen | לִמְקֹמֽוֹ (limqomo) = naar hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְּׁאֵלָה (hasshe’elah), ‘het uitgeleende’: dezelfde stam als in 1:20 en 1:28 (שָׁאַל, sha’al). Eli ziet Samuël als een lening aan Yahweh. Zie ook: Gen 14:19; Num 6:23–27; Ruth 4:11; 1 Sam 1:27–28; Luc 2:34 **2:21** Want Yahweh bezocht Hanna. Zij werd zwanger en beviel van drie zonen en twee dochters. De jongen Samuël groeide op bij Yahweh. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | פָקַ֤ד (paqad) = bezocht | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | חַנָּ֔ה (chana) = Hanna | וַתַּ֛הַר (vatahar) = en zij werd zwanger | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en zij baarde | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie | בָנִ֖ים (banim) = zonen | וּשְׁתֵּ֣י (ushtei) = en twee van | בָנ֑וֹת (banot) = dochters | וַיִּגְדַּ֛ל (vayigdal) = en groeide op | הַנַּ֥עַר (hanaar) = de jongen | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | עִם (im) = bij | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad), ‘bezoeken’: Yahweh komt zorgend bij mensen. Zo ook Ruth 1:6 en Gen. 21:1. Voetnoot : Hanna krijgt na Samuël nog vijf kinderen: zes in totaal. Zie ook: Gen 21:1; Ruth 1:6; 1 Sam 2:26; 1 Sam 3:19; Luc 1:80; Luc 2:40 ### Eli berispt zijn zonen **2:22** Eli was zeer oud. Hij hoorde alles wat zijn zonen met heel Israël deden. Hij hoorde ook dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van samenkomst. Brontekst: וְעֵלִ֖י (veeli) = en Eli | זָקֵ֣ן (zaqen) = oud | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וְשָׁמַ֗ע (veshama) = en hij hoorde | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יַעֲשׂ֤וּן (yaasun) = zij deden | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | לְכָל (lekhal) = met heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶֽׁר (asher) = wat | יִשְׁכְּבוּן֙ (yishkevun) = zij sliepen | אֶת (et) = met | הַנָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | הַצֹּ֣בְא֔וֹת (hatsoveot) = die dienst deden | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַצֹּבְאוֹת (hatsov’ot), ‘de vrouwen die dienst deden’: dezelfde vrouwen als in Exod. 38:8, bij de ingang van de tent van samenkomst. Wat zij deden, vertelt de tekst niet. Zie ook: Ex 38:8; 1 Sam 2:13–17; 1 Sam 8:1; Hos 4:9–11; Jer 7:9–10 **2:23** Hij zei tegen hen: „Waarom doen jullie zulke dingen? Van heel het volk hoor ik over jullie slechte daden, over deze dingen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | לָ֥מָּה (lama) = waarom | תַעֲשׂ֖וּן (taasun) = doen jullie | כַּדְּבָרִ֣ים (kadevarim) = zulke dingen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | שֹׁמֵ֨עַ֙ (shomea) = hoor | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵיכֶ֣ם (divreikhem) = jullie daden | רָעִ֔ים (raim) = slecht | מֵאֵ֖ת (meet) = van | כָּל (kal) = heel | הָעָ֥ם (haam) = het volk | אֵֽלֶּה (ele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 1:6; Jes 3:9; Jer 3:3; Hand 9:4; Fil 3:19 **2:24** Nee, mijn zonen! Het bericht dat ik hoor, is niet goed. Jullie laten het volk van Yahweh overtreden. Brontekst: אַ֖ל (al) = nee | בָּנָ֑י (banay) = mijn zonen | כִּ֠י (ki) = want | לֽוֹא (lo) = niet | טוֹבָ֤ה (tova) = goed | הַשְּׁמֻעָה֙ (hashemua) = het bericht | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | שֹׁמֵ֔עַ (shomea) = hoor | מַעֲבִרִ֖ים (maavirim) = laten overtreden | עַם (am) = volk van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מַעֲבִרִים (ma’avirim): dit kan ‘laten overtreden’ betekenen, of ‘laten rondgaan’ (het bericht doorgeven). Wij vertalen ‘laten overtreden’. Zie ook: Ex 32:21; 1 Sam 2:17; Mal 2:8; Mat 18:7; Hand 6:3 **2:25** Als iemand tegen een ander zondigt, komt Elohim tussenbeide. Maar als iemand tegen Yahweh zondigt, wie kan dan voor hem bidden?” Zij luisterden niet naar de stem van hun vader. Want Yahweh wilde hen doden. Brontekst: אִם (im) = als | יֶחֱטָ֨א (yecheta) = zondigt | אִ֤ישׁ (ish) = iemand | לְאִישׁ֙ (leish) = tegen iemand | וּפִֽלְל֣וֹ (ufillo) = en komt tussenbeide | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וְאִ֤ם (veim) = maar als | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = tegen Yahweh | יֶֽחֱטָא (yecheta) = zondigt | אִ֔ישׁ (ish) = iemand | מִ֖י (mi) = wie | יִתְפַּלֶּל (yitpalel) = zal bidden | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִשְׁמְעוּ֙ (yishmeu) = zij luisterden | לְק֣וֹל (leqol) = naar de stem van | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | כִּֽי (ki) = want | חָפֵ֥ץ (chafets) = wilde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַהֲמִיתָֽם (lahamitam) = hen te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּלֵּל (pillel), ‘tussenbeide komen’, ‘recht spreken’: dezelfde stam als הִתְפַּלֵּל (hitpallel), ‘bidden’. De zin speelt met dit woord: bij een zonde tegen een mens kan Elohim tussenbeide komen. Bij een zonde tegen Yahweh kan niemand dat voor de zondaar doen. Voetnoot Lezing: אֱלֹהִים (Elohim) kan hier ook ‘de rechters’ betekenen. Wij vertalen ‘Elohim’. Zie ook: Num 15:30; Joz 11:20; 1 Sam 3:14; Spr 15:10; Heb 10:26 **2:26** De jongen Samuël groeide steeds verder op en was goed, zowel bij Yahweh als bij de mensen. Brontekst: וְהַנַּ֣עַר (vehanaar) = en de jongen | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaande | וְגָדֵ֖ל (vegadel) = en groeiend | וָט֑וֹב (vatov) = en goed | גַּ֚ם (gam) = ook | עִם (im) = bij | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | עִם (im) = bij | אֲנָשִֽׁים (anashim) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טוֹב (tov), ‘goed’: Samuël stond in gunst bij Yahweh en bij mensen. Zie ook Luk. 2:52. Zie ook: 1 Sam 2:21; Luc 1:80; Luc 2:40; Luc 2:52; Hand 2:47 ### Een man van Elohim kondigt het oordeel aan **2:27** Er kwam een man van Elohim bij Eli. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Heb Ik Mij duidelijk bekendgemaakt aan het huis van je vader, toen zij in Egypte waren? Zij waren daar in het huis van de farao. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | אִישׁ (ish) = man van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | עֵלִ֑י (eli) = Eli | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֲנִגְלֹ֤ה (haniglo) = heb Ik Mij | נִגְלֵ֨יתִי֙ (nigleiti) = duidelijk bekendgemaakt | אֶל (el) = aan | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | בִּֽהְיוֹתָ֥ם (bihyotam) = toen zij waren | בְּמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | לְבֵ֥ית (leveit) = in het huis van | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אִישׁ אֱלֹהִים (ish Elohim), ‘man van Elohim’: een profeet. Zijn naam wordt niet genoemd. Hij geeft een woord van Yahweh door. Wij zetten de woorden van Yahweh tussen enkele aanhalingstekens en laten ze zwart, omdat een mens ze doorgeeft. Voetnoot : הֲנִגְלֹה נִגְלֵיתִי (hanigloh nigleiti), ‘heb Ik Mij duidelijk bekendgemaakt?’: een vraag waarop het antwoord ‘ja’ is. Voetnoot : Het huis van je vader is het huis van Aäron (Exod. 28:1). Zie ook: Ex 4:14–16; Ex 4:27; Ex 28:1; Deut 33:1; Re 13:6; 1 Kon 13:1 **2:28** Ik koos hem uit alle stammen van Israël voor Mij als priester. Hij moest op Mijn altaar omhoog gaan, reukwerk in rook laten opgaan en een efod dragen voor Mijn aangezicht. Ik gaf aan het huis van je vader alle vuuroffers van de zonen van Israël. Brontekst: וּבָחֹ֣ר (uvachor) = en kiezen | אֹ֠תוֹ (oto) = hem | מִכָּל (mikal) = uit alle | שִׁבְטֵ֨י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | לִי֙ (li) = voor Mij | לְכֹהֵ֔ן (lekhohen) = tot priester | לַעֲל֣וֹת (laalot) = om omhoog te gaan | עַֽל (al) = op | מִזְבְּחִ֗י (mizbechi) = Mijn altaar | לְהַקְטִ֥יר (lehaqtir) = om in rook te laten opgaan | קְטֹ֛רֶת (qetoret) = reukwerk | לָשֵׂ֥את (laset) = om te dragen | אֵפ֖וֹד (efod) = efod | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | וָֽאֶתְּנָה֙ (vaetena) = en Ik gaf | לְבֵ֣ית (leveit) = aan het huis van | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | אִשֵּׁ֖י (ishei) = vuuroffers van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִשֵּׁי (ishshe), ‘vuuroffers’. De priesters mochten reukwerk branden (Exod. 30:7) en kregen een deel van de offers (Lev. 7:34). Zie ook: Ex 28:1; Ex 30:7; Lev 2:10; Lev 6:9; Lev 7:34; Lev 8:7–8; Num 18:19 **2:29** Waarom trappen jullie op Mijn slachtoffer en Mijn offergave, die Ik voor Mijn woning heb geboden? Waarom eer jij je zonen meer dan Mij, zodat jullie jezelf vetmesten met het beste van elke offergave van Israël, Mijn volk? Brontekst: לָ֣מָּה (lama) = waarom | תִבְעֲט֗וּ (tivatu) = trap je | בְּזִבְחִי֙ (bezivchi) = op Mijn slachtoffer | וּבְמִנְחָתִ֔י (uveminchati) = en op Mijn offergave | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = Ik heb geboden | מָע֑וֹן (maon) = woning | וַתְּכַבֵּ֤ד (vatekhabed) = en je eert | אֶת (et) = (obj.) | בָּנֶ֨יךָ֙ (baneikha) = je zonen | מִמֶּ֔נִּי (mimeni) = boven Mij | לְהַבְרִֽיאֲכֶ֗ם (lehavriakhem) = om vet te maken | מֵרֵאשִׁ֛ית (mereshit) = uit het beste van | כָּל (kal) = elke | מִנְחַ֥ת (minchat) = offergave van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְעַמִּֽי (leami) = Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּעַט (ba’at), ‘trappen’: met minachting behandelen. Voetnoot Lezing: מָעוֹן (ma’on), ‘woning’: de woorden ‘die Ik voor Mijn woning heb geboden’ zijn moeilijk en de tekst is hier mogelijk beschadigd. Wij nemen ‘Mijn woning’ als het heiligdom. Zie ook: Deut 32:15; 1 Sam 2:13–17; Mal 1:12–13; Mat 10:37; Luc 14:26 **2:30** Daarom spreekt Yahweh, de Elohim van Israël. Ik heb wel gezegd dat jouw huis en het huis van je vader voor altijd voor Mijn aangezicht zouden wandelen. Maar nu, spreekt Yahweh: dat nooit! Want wie Mij eren, zal Ik eren. Wie Mij verachten, zullen gering worden geacht. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | נְאֻם (neum) = spreekt | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | אָמ֣וֹר (amor) = wel gezegd | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = Ik heb gezegd | בֵּֽיתְךָ֙ (beitekha) = jouw huis | וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | יִתְהַלְּכ֥וּ (yithalekhu) = zouden wandelen | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | וְעַתָּ֤ה (veata) = en nu | נְאֻם (neum) = spreekt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | חָלִ֣ילָה (chalila) = het is ver | לִּ֔י (li) = van Mij | כִּֽי (ki) = want | מְכַבְּדַ֥י (mekhabeday) = wie Mij eren | אֲכַבֵּ֖ד (akhabed) = zal Ik eren | וּבֹזַ֥י (uvozay) = en wie Mij verachten | יֵקָֽלּוּ (yeqalu) = zullen gering worden geacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreekt Yahweh’: de formule van een profetisch woord. Zie ook Num. 14:28. Voetnoot : חָלִילָה לִּי (chalilah li), letterlijk ‘ver zij het van Mij’: dat nooit. Voetnoot : יִתְהַלְּכוּ לְפָנַי (yithallechu lefanay), ‘zij zouden wandelen voor Mijn aangezicht’: de dienst van de priester voor Yahweh. Zie ook Gen. 17:1. Zie ook: Gen 17:1; Num 14:28; Ps 91:14; Spr 3:9–10; Jer 18:9–10; Mal 1:6; Joh 12:26 **2:31** Zie, er komen dagen. Dan hak Ik jouw arm af en de arm van het huis van je vader, zodat er geen oude man meer is in je huis. Brontekst: הִנֵּה֙ (hine) = zie | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | בָּאִ֔ים (baim) = komend | וְגָֽדַעְתִּי֙ (vegadati) = en Ik zal afhakken | אֶת (et) = (obj.) | זְרֹ֣עֲךָ֔ (zeroakha) = je arm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְרֹ֖עַ (zeroa) = arm van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | מִֽהְי֥וֹת (mihyot) = zodat er niet meer is | זָקֵ֖ן (zaqen) = een oude man | בְּבֵיתֶֽךָ (beveitekha) = in je huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: זְרֹעֲךָ (zero’acha), ‘jouw arm’: de medeklinkers (זרעך) kunnen ook ‘jouw nageslacht’ (zar’acha) lezen. De klinkers geven ‘arm’: kracht en hulp. Wij volgen de klinkers; ‘afhakken’ past bij ‘arm’. Zie ook: 1 Sam 4:11–20; 1 Sam 14:3; 1 Sam 22:17–20; 1 Kon 2:26–27; Ezech 30:21–24 **2:32** Je zult, bij al het goede dat Hij Israël doet, een tegenstander in de woning zien. In jouw huis zal geen oude man zijn, al de dagen. Brontekst: וְהִבַּטְתָּ֙ (vehibatta) = en je zult zien | צַ֣ר (tsar) = tegenstander van | מָע֔וֹן (maon) = woning | בְּכֹ֥ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֵיטִ֖יב (yeitiv) = Hij goed doet | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | זָקֵ֛ן (zaqen) = oude man | בְּבֵיתְךָ֖ (beveitekha) = in je huis | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: צַר מָעוֹן (tsar ma’on) is moeilijk. Het kan ‘een tegenstander in de woning’ betekenen of ‘de nood van de woning’. Wij vertalen ‘een tegenstander in de woning’. Het woord ‘Hij’ in ‘dat Hij Israël doet’ is Yahweh, die hier in de derde persoon wordt genoemd. De zin is onzeker. Zie ook: 1 Sam 4:11; 1 Sam 4:22; Ps 78:59–64; 1 Kon 2:26–27; Zach 8:4 **2:33** Een man van de jouwen zal Ik niet van Mijn altaar afsnijden. Dat zal je ogen doen versmachten en je ziel doen kwijnen. Al je nakomelingen zullen als mannen sterven. Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en een man | לֹֽא (lo) = niet | אַכְרִ֤ית (akhrit) = Ik zal afsnijden | לְךָ֙ (lekha) = van jou | מֵעִ֣ם (meim) = van | מִזְבְּחִ֔י (mizbechi) = Mijn altaar | לְכַלּ֥וֹת (lekhalot) = om te doen versmachten | אֶת (et) = (obj.) | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | וְלַאֲדִ֣יב (velaadiv) = en om te doen kwijnen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֶׁ֑ךָ (nafshekha) = je ziel | וְכָל (vekhal) = en alle | מַרְבִּ֥ית (marbit) = aanwas van | בֵּיתְךָ֖ (beitekha) = je huis | יָמ֥וּתוּ (yamutu) = zullen sterven | אֲנָשִֽׁים (anashim) = als mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְאַדִּיב (le’addiv), ‘doen kwijnen’, komt alleen hier voor. מַרְבִּית (marbit), ‘aanwas’: de nakomelingen. Voetnoot Lezing: אֲנָשִׁים (anashim), ‘mannen’, in ‘zullen als mannen sterven’ is onzeker. Het kan ‘in de kracht van hun leven’ of ‘door mensenhand’ betekenen. Wij laten de woorden staan. Zie ook: 1 Sam 22:21–23; 1 Kon 1:7; 1 Kon 1:19; 1 Kon 2:26–27; Mat 2:16–18 **2:34** Dit is voor jou het teken, voor wat over je twee zonen komt, over Chofni en Pinechas: op één dag zullen zij allebei sterven. Brontekst: וְזֶה (veze) = en dit | לְּךָ֣ (lekha) = voor jou | הָא֗וֹת (haot) = het teken | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יָבֹא֙ (yavo) = zal komen | אֶל (el) = over | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee van | בָנֶ֔יךָ (baneikha) = je zonen | אֶל (el) = over | חָפְנִ֖י (chafeni) = Chofni | וּפִֽינְחָ֑ס (ufinechas) = en Pinechas | בְּי֥וֹם (beyom) = op een dag | אֶחָ֖ד (echad) = één | יָמ֥וּתוּ (yamutu) = zullen sterven | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = beiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit teken wordt vervuld in 4:11 en 4:17. Zie ook: 1 Sam 3:12; 1 Sam 4:11; 1 Sam 4:17; 1 Kon 13:3; 1 Kon 14:12 **2:35** Ik zal Mij een betrouwbare priester doen opstaan. Hij zal doen wat in Mijn hart en in Mijn ziel is. Ik zal voor hem een betrouwbaar huis bouwen. Hij zal al de dagen wandelen voor het aangezicht van Mijn gezalfde. Brontekst: וַהֲקִימֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal doen opstaan | לִי֙ (li) = voor Mij | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester | נֶאֱמָ֔ן (neeman) = betrouwbaar | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | בִּלְבָבִ֥י (bilvavi) = in Mijn hart | וּבְנַפְשִׁ֖י (uvenafshi) = en in Mijn ziel | יַעֲשֶׂ֑ה (yaase) = hij zal doen | וּבָנִ֤יתִי (uvaniti) = en Ik zal bouwen | לוֹ֙ (lo) = voor hem | בַּ֣יִת (bayit) = huis | נֶאֱמָ֔ן (neeman) = betrouwbaar | וְהִתְהַלֵּ֥ךְ (vehithalekh) = en hij zal wandelen | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor het aangezicht van | מְשִׁיחִ֖י (meshichi) = Mijn gezalfde | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּהֵן נֶאֱמָן (kohen ne’eman), ‘betrouwbare priester’: een priester die doet wat Yahweh wil. Volgens 1 Kon. 2:27 wordt Abjatar afgezet om het woord van Yahweh over het huis van Eli te vervullen. Volgens 1 Kon. 2:35 komt Zadok in zijn plaats. Voetnoot : מְשִׁיחִי (meshichi), ‘Mijn gezalfde’: de koning. Zie ook 2:10. Zie ook: 1 Sam 25:28; 2 Sam 7:11; 2 Sam 7:27; 1 Kon 2:27; 1 Kon 2:35; 1 Kon 11:38; Heb 7:26–28 **2:36** Wie van je huis overblijft, zal komen om zich voor hem neer te buigen, voor een stukje zilver en een brood. Hij zal zeggen: Neem mij toch aan bij een van de priesterdiensten, om een stuk brood te eten.’” Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כָּל (kal) = ieder | הַנּוֹתָר֙ (hanotar) = overblijvende | בְּבֵ֣יתְךָ֔ (beveitekha) = in je huis | יָבוֹא֙ (yavo) = zal komen | לְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | ל֔וֹ (lo) = voor hem | לַאֲג֥וֹרַת (laagorat) = voor een stukje van | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | וְכִכַּר (vekhikar) = en een brood | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וְאָמַ֗ר (veamar) = en hij zal zeggen | סְפָחֵ֥נִי (sefacheni) = voeg mij toe | נָ֛א (na) = toch | אֶל (el) = bij | אַחַ֥ת (achat) = een van | הַכְּהֻנּ֖וֹת (hakehunot) = de priesterdiensten | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = om te eten | פַּת (pat) = een stuk | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲגוֹרָה (agorah), ‘stukje’, komt alleen hier voor: een klein stukje zilver. Voetnoot : סְפָחֵנִי (sapacheni), ‘voeg mij toe’: neem mij aan om te helpen bij een priesterdienst. Zie ook: 1 Sam 2:29–30; 1 Kon 2:27; Ezech 44:10–12; Mal 1:13 ## 1 Samuël 3 _Yahweh roept Samuël_ ### Het woord van Yahweh is zeldzaam **3:1** De jongen Samuël diende Yahweh voor het aangezicht van Eli. Het woord van Yahweh was zeldzaam in die dagen. Er was geen visioen dat doorbrak. Brontekst: וְהַנַּ֧עַר (vehanaar) = en de jongen | שְׁמוּאֵ֛ל (shemuel) = Samuël | מְשָׁרֵ֥ת (mesharet) = dienend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | עֵלִ֑י (eli) = Eli | וּדְבַר (udevar) = en woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הָיָ֤ה (haya) = was | יָקָר֙ (yaqar) = zeldzaam | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | אֵ֥ין (ein) = er was niet | חָז֖וֹן (chazon) = visioen | נִפְרָֽץ (nifrats) = dat doorbrak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרַץ (parats), ‘doorbreken’: een visioen dat ‘doorbreekt’ is een visioen dat zich verbreidt en vaak voorkomt. Er was geen vaste stroom van woorden van Yahweh. Voetnoot : דְּבַר יְהוָה (devar Yahweh), ‘het woord van Yahweh’, en חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: twee manieren waarop Yahweh zich laat horen en zien. Zie ook: 1 Sam 2:11; 1 Sam 2:18; 1 Sam 3:21; Ps 74:9; Amos 8:11–12 **3:2** Op die dag lag Eli op zijn plaats. Zijn ogen begonnen dof te worden. Hij kon niet zien. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וְעֵלִ֖י (veeli) = en Eli | שֹׁכֵ֣ב (shokhev) = liggend | בִּמְקֹמ֑וֹ (bimqomo) = op zijn plaats | וְעֵינָיו֙ (veeinav) = en zijn ogen | הֵחֵ֣לּוּ (hechelu) = begonnen | כֵה֔וֹת (kehot) = dof te zijn | לֹ֥א (lo) = niet | יוּכַ֖ל (yukhal) = hij kon | לִרְאֽוֹת (lirot) = te zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּהוֹת (kehot), ‘dof’: Eli kan door zijn ouderdom niet meer goed zien. Zie ook 4:15. Zie ook: Gen 27:1; Gen 48:10; Gen 48:19; 1 Sam 4:15; Ps 90:10 **3:3** De lamp van Elohim was nog niet gedoofd. Samuël lag in het heiligdom van Yahweh, waar de ark van Elohim stond. Brontekst: וְנֵ֤ר (vener) = en lamp van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | טֶ֣רֶם (terem) = nog niet | יִכְבֶּ֔ה (yikhbe) = was gedoofd | וּשְׁמוּאֵ֖ל (ushemuel) = en Samuël | שֹׁכֵ֑ב (shokhev) = liggend | בְּהֵיכַ֣ל (beheikhal) = in het heiligdom van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = waar | שָׁ֖ם (sham) = daar | אֲר֥וֹן (aron) = ark van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵר אֱלֹהִים (ner Elohim), ‘de lamp van Elohim’: de lamp in de tent van samenkomst, die van de avond tot de morgen moest branden (Exod. 27:20–21; Lev. 24:2–3). Dat het licht nog brandt, laat zien dat het nog nacht is. Voetnoot : הֵיכָל (heichal), ‘heiligdom’: zie bij 1:9. Zie ook: Ex 27:20–21; Lev 24:2–4; Ps 5:8; Ps 27:4; Ps 29:9 ### Yahweh roept Samuël **3:4** Yahweh riep Samuël. Hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en riep | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנְנִי (hinneni), ‘hier ben ik’: het antwoord van iemand die klaarstaat om te luisteren. Zie ook Gen. 22:1. Zie ook: Gen 22:1; Ex 3:4; Ps 99:6; Jes 6:8; 1 Kor 12:6–11 **3:5** Hij rende naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Eli zei: „Ik heb niet geroepen. Ga terug, ga liggen.” Hij ging en ging liggen. Brontekst: וַיָּ֣רָץ (vayarats) = en hij rende | אֶל (el) = naar | עֵלִ֗י (eli) = Eli | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנְנִי֙ (hinni) = hier ben ik | כִּֽי (ki) = want | קָרָ֣אתָ (qarata) = u hebt geroepen | לִּ֔י (li) = mij | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹֽא (lo) = niet | קָרָ֖אתִי (qarati) = ik heb geroepen | שׁ֣וּב (shuv) = keer terug | שְׁכָ֑ב (shekhav) = ga liggen | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַיִּשְׁכָּֽב (vayishkav) = en hij ging liggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘hij zei’ zonder naam. Wij noemen de naam Eli in ‘Eli zei’, omdat in de Nederlandse zin anders niet te zien is wie spreekt. Zo ook in vers 6. Zie ook: 1 Sam 3:6 **3:6** Yahweh riep Samuël nog een keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Eli zei: „Ik heb niet geroepen, mijn zoon. Ga terug, ga liggen.” Brontekst: וַיֹּ֣סֶף (vayosef) = en voegde toe | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | קְרֹ֣א (qero) = te roepen | עוֹד֮ (od) = nog | שְׁמוּאֵל֒ (shemuel) = Samuël | וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en stond op | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶל (el) = naar | עֵלִ֔י (eli) = Eli | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הִנְנִ֔י (hinni) = hier ben ik | כִּ֥י (ki) = want | קָרָ֖אתָ (qarata) = u hebt geroepen | לִ֑י (li) = mij | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹֽא (lo) = niet | קָרָ֥אתִי (qarati) = ik heb geroepen | בְנִ֖י (beni) = mijn zoon | שׁ֥וּב (shuv) = keer terug | שְׁכָֽב (shekhav) = ga liggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:29; 1 Sam 4:16; 2 Sam 18:22; Mat 9:2 **3:7** Samuël kende Yahweh nog niet. Het woord van Yahweh was hem nog niet geopenbaard. Brontekst: וּשְׁמוּאֵ֕ל (ushemuel) = en Samuël | טֶ֖רֶם (terem) = nog niet | יָדַ֣ע (yada) = kende | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְטֶ֛רֶם (veterem) = en nog niet | יִגָּלֶ֥ה (yigale) = was geopenbaard | אֵלָ֖יו (elav) = aan hem | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָדַע (yada), ‘kennen’: Samuël dient in het heiligdom, maar kent Yahweh nog niet door een eigen ontmoeting. De zonen van Eli ‘kenden Yahweh niet’ (2:12), maar op een andere manier: zij hielden zich niet aan Zijn voorschriften. Zie ook: Jer 9:23; Hand 19:2 **3:8** Yahweh riep Samuël voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Toen begreep Eli dat Yahweh de jongen riep. Brontekst: וַיֹּ֨סֶף (vayosef) = en voegde toe | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | קְרֹא (qero) = te roepen | שְׁמוּאֵל֮ (shemuel) = Samuël | בַּשְּׁלִשִׁית֒ (bashelishit) = de derde keer | וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en stond op | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶל (el) = naar | עֵלִ֔י (eli) = Eli | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הִנְנִ֔י (hinni) = hier ben ik | כִּ֥י (ki) = want | קָרָ֖אתָ (qarata) = u hebt geroepen | לִ֑י (li) = mij | וַיָּ֣בֶן (vayaven) = en begreep | עֵלִ֔י (eli) = Eli | כִּ֥י (ki) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | קֹרֵ֥א (qore) = riep | לַנָּֽעַר (lanaar) = de jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּשְּׁלִשִׁית (bashshelishit), ‘de derde keer’. Eli begrijpt nu dat het Yahweh is die roept. Zie ook: Job 33:14–15; 1 Kor 13:11–12 **3:9** Eli zei tegen Samuël: „Ga liggen. Als Hij je roept, zeg dan: ‘Spreek, Yahweh, want Uw dienaar luistert.’” Samuël ging en ging op zijn plaats liggen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | עֵלִ֣י (eli) = Eli | לִשְׁמוּאֵל֮ (lishmuel) = tot Samuël | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | שְׁכָב֒ (shekhav) = ga liggen | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | יִקְרָ֣א (yiqra) = Hij roept | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot jou | וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zult zeggen | דַּבֵּ֣ר (daber) = spreek | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = luistert | עַבְדֶּ֑ךָ (avdekha) = Uw dienaar | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וַיִּשְׁכַּ֖ב (vayishkav) = en ging liggen | בִּמְקוֹמֽוֹ (bimqomo) = op zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eli leert Samuël hoe hij moet antwoorden: ‘Spreek, Yahweh, want Uw dienaar luistert.’ Samuël spreekt Yahweh aan met ‘U’. Zie ook: Ex 20:19; Ps 85:9; Jes 6:8; Dan 10:19; Hand 9:6 **3:10** Yahweh kwam, ging staan en riep zoals de vorige keren: **„Samuël, Samuël!”** Samuël zei: „Spreek, want Uw dienaar luistert.” Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתְיַצַּ֔ב (vayityatsav) = en ging staan | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | כְפַֽעַם (kefaam) = zoals keer | בְּפַ֖עַם (befaam) = op keer | שְׁמוּאֵ֣ל (shemuel) = Samuël | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | דַּבֵּ֔ר (daber) = spreek | כִּ֥י (ki) = want | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = luistert | עַבְדֶּֽךָ (avdekha) = Uw dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְיַצֵּב (vayyityatsev), ‘en Hij ging staan’: Yahweh is nu ook zelf aanwezig bij Samuël. Wij zetten de roep ‘Samuël, Samuël!’ rood, omdat Yahweh zelf spreekt. De eerdere roepen (3:4, 3:6, 3:8) hebben in de tekst geen woorden. Zie ook: 1 Sam 3:4–6; 1 Sam 3:8 ### Het woord over het huis van Eli **3:11** Yahweh zei tegen Samuël: **„Zie, Ik ga in Israël iets doen. Van ieder die het hoort, zullen beide oren tuiten.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | עֹשֶׂ֥ה (ose) = doend | דָבָ֖ר (davar) = iets | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | כָּל (kal) = ieder | שֹׁ֣מְע֔וֹ (shomeo) = die het hoort | תְּצִלֶּ֖ינָה (tetsileina) = zullen tuiten | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee van | אָזְנָֽיו (azenav) = zijn oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָלַל (tsalal), ‘tuiten’: de oren klinken van schrik. Zie ook 2 Kon. 21:12 en Jer. 19:3. Zie ook: 2 Kon 21:12; Jer 19:3; Hab 1:5; Luc 21:26; Hand 13:41 **3:12** **Op die dag laat Ik tegen Eli alles uitkomen wat Ik over zijn huis heb gesproken, van begin tot einde.** Brontekst: בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | אָקִ֣ים (aqim) = Ik zal doen uitkomen | אֶל (el) = tegen | עֵלִ֔י (eli) = Eli | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֶל (el) = over | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | הָחֵ֖ל (hachel) = beginnen | וְכַלֵּֽה (vekhale) = en voleindigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit verwijst naar de woorden van de man van Elohim aan Eli in 2:27–36. Zie ook: Num 23:19; Joz 23:15; 1 Sam 2:27–36; Zach 1:6; Luc 21:33 **3:13** **Ik heb hem laten weten dat Ik zijn huis voor altijd zal richten. Dat is vanwege de schuld die hij kende: zijn zonen brengen een vloek over zichzelf, en hij heeft hen niet teruggehouden.** Brontekst: וְהִגַּ֣דְתִּי (vehigadti) = en Ik heb bekendgemaakt | ל֔וֹ (lo) = aan hem | כִּֽי (ki) = dat | שֹׁפֵ֥ט (shofet) = richtend | אֲנִ֛י (ani) = Ik | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | בַּעֲוֺ֣ן (baavon) = om de schuld | אֲשֶׁר (asher) = die | יָדַ֗ע (yada) = hij kende | כִּֽי (ki) = omdat | מְקַֽלְלִ֤ים (meqallim) = vervloekend | לָהֶם֙ (lahem) = zichzelf | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | כִהָ֖ה (kiha) = hij hield tegen | בָּֽם (bam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּהָה (kahah), ‘terughouden’: letterlijk ‘dof zijn’, ‘tegenhouden’. Eli zag wat zijn zonen deden (2:22–25) en hield hen niet tegen. Voetnoot Lezing: מְקַלְלִים לָהֶם (meqallelim lahem), ‘zij vervloeken zichzelf’ of ‘zij brengen een vloek over zichzelf’. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘zij vervloeken Elohim’. Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk. Zie ook: 1 Sam 2:12; 1 Sam 2:17; Spr 19:18; Spr 23:13–14; Mat 10:37 **3:14** **Daarom heb Ik het huis van Eli een eed gezworen. Voor de schuld van het huis van Eli zal nooit verzoening worden gedaan, met een slachtoffer of een offergave, tot in eeuwigheid.”** Brontekst: וְלָכֵ֥ן (velakhen) = en daarom | נִשְׁבַּ֖עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לְבֵ֣ית (leveit) = aan het huis van | עֵלִ֑י (eli) = Eli | אִֽם (im) = nooit | יִתְכַּפֵּ֞ר (yitkaper) = wordt verzoend | עֲוֺ֧ן (avon) = schuld van | בֵּית (beit) = huis van | עֵלִ֛י (eli) = Eli | בְּזֶ֥בַח (bezevach) = met slachtoffer | וּבְמִנְחָ֖ה (uvemincha) = en met offergave | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord ‘zweren’ (נִשְׁבַּעְתִּי, nishba’ti) betekent dat Yahweh het oordeel met een eed bekrachtigt. De schuld van het huis van Eli kan niet door een slachtoffer worden verzoend. Vergelijk Num. 15:30–31, waar voor zonde ‘met opgeheven hand’ geen offer is. Zie ook: Num 15:30–31; 1 Sam 2:25; Jes 22:14; Jer 7:16; Jer 15:1 ### Samuël vertelt het aan Eli **3:15** Samuël bleef liggen tot de morgen. Toen deed hij de deuren van het huis van Yahweh open. Samuël was bang om Eli het visioen te vertellen. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֤ב (vayishkav) = en lag | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | וַיִּפְתַּ֖ח (vayiftach) = en opende | אֶת (et) = (obj.) | דַּלְת֣וֹת (daltot) = deuren van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּשְׁמוּאֵ֣ל (ushemuel) = en Samuël | יָרֵ֔א (yare) = was bang | מֵהַגִּ֥יד (mehagid) = om te vertellen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּרְאָ֖ה (hamara) = het visioen | אֶל (el) = aan | עֵלִֽי (eli) = Eli Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְאָה (mar’ah), ‘visioen’: een ander woord dan חָזוֹן (chazon) in 3:1. Zo ook Num. 12:6. Voetnoot : Het ‘huis van Yahweh’ is het heiligdom van 3:3. Zie ook: Num 12:6; 1 Sam 1:9; Jer 1:6–8; Mal 1:10; 1 Kor 16:10–11 **3:16** Eli riep Samuël en zei: „Samuël, mijn zoon!” Hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | עֵלִי֙ (eli) = Eli | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֣ל (shemuel) = Samuël | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:17** Hij zei: „Wat is het woord dat Hij tegen je gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij. Zo moge Elohim jou doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen: als je iets verbergt van alles wat Hij tegen je gesproken heeft!” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | מָ֤ה (ma) = wat | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij sprak | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot jou | אַל (al) = niet | נָ֥א (na) = toch | תְכַחֵ֖ד (tekhached) = verberg | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = voor mij | כֹּ֣ה (ko) = zo | יַעֲשֶׂה (yaase) = moge doen | לְּךָ֤ (lekha) = aan jou | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | וְכֹ֣ה (vekho) = en zo | יוֹסִ֔יף (yosif) = moge toevoegen | אִם (im) = als | תְּכַחֵ֤ד (tekhached) = je verbergt | מִמֶּ֨נִּי֙ (mimeni) = voor mij | דָּבָ֔ר (davar) = woord | מִכָּל (mikal) = van heel | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij sprak | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De formule ‘Zo moge Elohim jou doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen’ is een eed: wie zweert, vraagt Elohim hem te straffen als hij zijn woord niet houdt. Zie ook Ruth 1:17. Zie ook: Ruth 1:17; 2 Sam 3:35; 2 Sam 19:14; Mi 2:7; Mat 26:63 **3:18** Samuël vertelde hem alle woorden en hield niets voor hem verborgen. Hij zei: „Hij is Yahweh. Moge Hij doen wat goed is in Zijn ogen.” Brontekst: וַיַּגֶּד (vayaged) = en vertelde | ל֤וֹ (lo) = hem | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | כִחֵ֖ד (kiched) = verborg | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = voor hem | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en hij zei | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | ה֔וּא (hu) = Hij | הַטּ֥וֹב (hatov) = het goede | בְּעֵינָ֖ו (beeinav) = in Zijn ogen | יַעֲשֶֽׂה (yaase) = moge Hij doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eli aanvaardt het oordeel. Hij noemt de naam Yahweh en geeft zich aan Zijn wil over. Zie ook: Job 1:21; Job 2:10; Re 10:15; Jes 39:8; 1 Petr 5:6 ### Samuël, profeet van Yahweh **3:19** Samuël groeide op. Yahweh was met hem en liet geen van zijn woorden op de grond vallen. Brontekst: וַיִּגְדַּ֖ל (vayigdal) = en groeide op | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | הָיָ֣ה (haya) = was | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִפִּ֥יל (hipil) = liet vallen | מִכָּל (mikal) = van al | דְּבָרָ֖יו (devarav) = zijn woorden | אָֽרְצָה (aretsa) = ter aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: ‘Zijn woorden’: dit kunnen de woorden van Samuël zijn, zoals wij vertalen, of de woorden van Yahweh. De tekst zegt alleen dat geen enkel woord op de grond viel: alles kwam uit. Zie ook: Gen 39:2; 1 Sam 9:6; 1 Kon 8:56; Luc 2:52; 2 Tim 4:22 **3:20** Heel Israël, van Dan tot Beër-Sjeba, wist dat Samuël betrouwbaar was als profeet van Yahweh. Brontekst: וַיֵּ֨דַע֙ (vayeda) = en wist | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִדָּ֖ן (midan) = van Dan | וְעַד (vead) = en tot | בְּאֵ֣ר (beer) = Beër | שָׁ֑בַע (shava) = Sjeba | כִּ֚י (ki) = dat | נֶאֱמָ֣ן (neeman) = betrouwbaar | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | לְנָבִ֖יא (lenavi) = als profeet | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dan (Tel Dan) lag in het uiterste noorden van Israël en Beër-Sjeba (Tel Beër-Sjeba) in het uiterste zuiden, beide in het huidige Israël. ‘Van Dan tot Beër-Sjeba’ betekent: het hele land. Voetnoot Uitleg: נֶאֱמָן (ne’eman), ‘betrouwbaar’: zoals de priester van 2:35. Zie ook: Re 20:1; 2 Sam 3:10; 2 Sam 17:11; 1 Tim 1:12 **3:21** Yahweh bleef zich in Silo laten zien. Want Yahweh maakte Zich in Silo aan Samuël bekend, door het woord van Yahweh. Brontekst: וַיֹּ֥סֶף (vayosef) = en voegde toe | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהֵרָאֹ֣ה (leherao) = om gezien te worden | בְשִׁלֹ֑ה (beshilo) = in Silo | כִּֽי (ki) = want | נִגְלָ֨ה (nigla) = maakte Zich bekend | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | שְׁמוּאֵ֛ל (shemuel) = Samuël | בְּשִׁל֖וֹ (beshilo) = in Silo | בִּדְבַ֥ר (bidvar) = door het woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: נִגְלָה (nigleh), ‘zich bekendmaken’: letterlijk ‘zich ontbloten’, dus zich openbaren. Yahweh maakt Zich bekend door Zijn woord. Zie ook: Gen 12:7; Gen 15:1; 1 Sam 3:1; 1 Sam 3:4; 1 Sam 3:10 ## 1 Samuël 4 _De ark van Elohim wordt genomen_ ### De slag bij Afek **4:1** Het woord van Samuël kwam tot heel Israël. Israël trok uit, de Filistijnen tegemoet, om te strijden. Zij sloegen hun kamp op bij Ebenezer. De Filistijnen hadden hun kamp opgeslagen bij Afek. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = woord van | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | לְכָל (lekhal) = aan heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en trok uit | יִשְׂרָאֵל֩ (yisrael) = Israël | לִקְרַ֨את (liqrat) = om te ontmoeten | פְּלִשְׁתִּ֜ים (pelishtim) = Filistijnen | לַמִּלְחָמָ֗ה (lamilchama) = ten strijde | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en zij legerden zich | עַל (al) = bij | הָאֶ֣בֶן (haeven) = de steen | הָעֵ֔זֶר (haezer) = de hulp | וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en Filistijnen | חָנ֥וּ (chanu) = hadden gelegerd | בַאֲפֵֽק (baafeq) = bij Afek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Afek is waarschijnlijk Tel Afek, ongeveer 15 kilometer ten oosten van Tel Aviv (Israël). Ebenezer lag niet ver van Afek; de precieze ligging is onzeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: הָאֶבֶן הָעֵזֶר (ha’even ha’ezer), ‘de steen van de hulp’: Ebenezer. De plaats staat ook in 5:1 en 7:12. Zie ook: Joz 12:18; 1 Sam 3:11; 1 Sam 5:1; 1 Sam 7:12; 1 Sam 29:1 **4:2** De Filistijnen stelden zich op tegenover Israël. De strijd breidde zich uit, en Israël werd door de Filistijnen verslagen. Zij sloegen in de slagorde, in het veld, ongeveer 4.000 man neer. Brontekst: וַיַּעַרְכ֨וּ (vayaarkhu) = en zij stelden zich op | פְלִשְׁתִּ֜ים (pelishtim) = Filistijnen | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegenover | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַתִּטֹּשׁ֙ (vatitosh) = en breidde zich uit | הַמִּלְחָמָ֔ה (hamilchama) = de strijd | וַיִּנָּ֥גֶף (vayinagef) = en werd verslagen | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיַּכּ֤וּ (vayaku) = en zij sloegen | בַמַּֽעֲרָכָה֙ (bamaarakha) = in de slagorde | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | כְּאַרְבַּ֥עַת (kearbaat) = ongeveer vier van | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizenden | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: וַתִּטֹּשׁ (vattitosh), ‘breidde zich uit’: van נָטַשׁ (natash), ‘uitspreiden’ of ‘verlaten’. De zin is onzeker. Wij vertalen ‘de strijd breidde zich uit’. Zie ook: Joz 7:5–8; Joz 7:12; 1 Sam 17:21; Ps 79:7–8; Klaagl 3:40 ### De ark wordt het kamp in gehaald **4:3** Het volk kwam in het kamp. De oudsten van Israël zeiden: „Waarom heeft Yahweh ons vandaag verslagen voor de Filistijnen? Laten wij de ark van het verbond van Yahweh uit Silo naar ons toe halen. Dan komt hij in ons midden en redt hij ons uit de hand van onze vijanden.” Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | הָעָם֮ (haam) = het volk | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶה֒ (hamachane) = het kamp | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לָ֣מָּה (lama) = waarom | נְגָפָ֧נוּ (negafanu) = heeft verslagen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | נִקְחָ֧ה (niqcha) = laten wij halen | אֵלֵ֣ינוּ (eleinu) = naar ons | מִשִּׁלֹ֗ה (mishilo) = uit Silo | אֶת (et) = (obj.) | אֲרוֹן֙ (aron) = ark van | בְּרִ֣ית (berit) = verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיָבֹ֣א (veyavo) = zodat hij komt | בְקִרְבֵּ֔נוּ (beqirbenu) = in ons midden | וְיֹשִׁעֵ֖נוּ (veyoshienu) = en hij redt ons | מִכַּ֥ף (mikaf) = uit de hand van | אֹיְבֵֽינוּ (oyeveinu) = onze vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo: zie bij 1:3. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘ark van het verbond van Yahweh’: de ark uit Exod. 25:10–22. Hij stond in Silo. Voetnoot Lezing: ‘Hij’ in ‘Dan komt hij in ons midden en redt hij ons’ kan de ark zijn of Yahweh. De oudsten spreken over de ark; wij schrijven ‘hij’ met een kleine letter. Zie ook: Ex 25:10–22; Num 10:35; Joz 6:4–5; Jes 58:3; 1 Kor 10:1–5; 2 Tim 3:5 **4:4** Het volk stuurde naar Silo. Men nam vandaar de ark van het verbond van Yahweh van de legermachten, die op de cherubs zetelt. De twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, waren daar bij de ark van het verbond van Elohim. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | הָעָם֙ (haam) = het volk | שִׁלֹ֔ה (shilo) = naar Silo | וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en zij droegen | מִשָּׁ֗ם (misham) = vandaar | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲר֧וֹן (aron) = ark van | בְּרִית (berit) = verbond van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zetelend | הַכְּרֻבִ֑ים (hakeruvim) = op de cherubs | וְשָׁ֞ם (vesham) = en daar | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עֵלִ֗י (eli) = Eli | עִם (im) = bij | אֲרוֹן֙ (aron) = ark van | בְּרִ֣ית (berit) = verbond van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | חָפְנִ֖י (chafeni) = Chofni | וּפִֽינְחָֽס (ufinechas) = en Pinechas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: יֹשֵׁב הַכְּרֻבִים (yoshev hakeruvim), ‘die op de cherubs zetelt’: Yahweh is aanwezig boven het verzoendeksel, tussen de twee cherubs (Exod. 25:22). Voor ‘Yahweh van de legermachten’ zie bij 1:3. Zie ook: Ex 25:22; Num 7:89; 2 Sam 6:2; Ps 80:2; Ps 99:1; 2 Kon 19:15 **4:5** Toen de ark van het verbond van Yahweh in het kamp kwam, hief heel Israël een groot gejuich aan. De aarde dreunde. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּב֨וֹא (kevo) = bij het komen van | אֲר֤וֹן (aron) = ark van | בְּרִית (berit) = verbond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וַיָּרִ֥עוּ (vayariu) = en juichte | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תְּרוּעָ֣ה (terua) = gejuich | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = groot | וַתֵּהֹ֖ם (vatehom) = en dreunde | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּעָה (teru’ah), ‘gejuich’: een luide kreet, hier het oorlogsgeroep van het volk. Zie ook: Job 20:5; Joz 6:5; Re 15:14; Amos 6:3; Jer 7:4 ### De Filistijnen worden bang **4:6** De Filistijnen hoorden het geluid van het gejuich. Zij zeiden: „Wat is dit geluid van groot gejuich in het kamp van de Hebreeën?” Zij begrepen dat de ark van Yahweh in het kamp was gekomen. Brontekst: וַיִּשְׁמְע֤וּ (vayishmeu) = en hoorden | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = geluid van | הַתְּרוּעָ֔ה (haterua) = het gejuich | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | מֶ֠ה (me) = wat | ק֣וֹל (qol) = geluid van | הַתְּרוּעָ֧ה (haterua) = het gejuich | הַגְּדוֹלָ֛ה (hagedola) = het grote | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | בְּמַחֲנֵ֣ה (bemachane) = in het kamp van | הָעִבְרִ֑ים (haivrim) = de Hebreeën | וַיֵּ֣דְע֔וּ (vayedeu) = en zij begrepen | כִּ֚י (ki) = dat | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בָּ֖א (ba) = is gekomen | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: עִבְרִים (ivrim), ‘Hebreeën’: zo noemen buitenlanders de Israëlieten. Zie ook Gen. 39:14. Zie ook: Gen 39:14; Ex 32:17–18 **4:7** De Filistijnen werden bang, want zij zeiden: „Een god is in het kamp gekomen.” Zij zeiden: „Wee ons! Want zoiets is gisteren en eergisteren niet gebeurd. Brontekst: וַיִּֽרְאוּ֙ (vayiru) = en werden bang | הַפְּלִשְׁתִּ֔ים (hapelishtim) = de Filistijnen | כִּ֣י (ki) = want | אָמְר֔וּ (ameru) = zij zeiden | בָּ֥א (ba) = is gekomen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = een god | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וַיֹּאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | א֣וֹי (oy) = wee | לָ֔נוּ (lanu) = ons | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | הָיְתָ֛ה (hayeta) = is geweest | כָּזֹ֖את (kazot) = zoals dit | אֶתְמ֥וֹל (etmol) = gisteren | שִׁלְשֹֽׁם (shilshom) = eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (Elohim): in de mond van de Filistijnen is dit ‘een god’ of ‘goden’. Het werkwoord staat in het enkelvoud (‘is gekomen’); vers 8 heeft het meervoud. Wij schrijven ‘god’ en ‘goden’ met een kleine letter. Voetnoot : אֶתְמוֹל שִׁלְשׁוֹם (etmol shilshom), letterlijk ‘gisteren en eergisteren’: ‘tot nu toe’. Zie ook Joz. 3:4. Voetnoot Lezing: וַיִּרְאוּ (vayyir’u): met de klinkers van de Masoretische tekst betekent dit ‘zij zagen’. Het verband (‘want zij zeiden’) vraagt om ‘zij werden bang’. Wij lezen de vorm daarom als van יָרֵא (yare), ‘vrezen’. Zie ook: Ex 14:25; Ex 15:14–16; Deut 32:30; Joz 3:4; 1 Sam 4:8 **4:8** Wee ons! Wie redt ons uit de hand van deze machtige goden? Dit zijn de goden die Egypte sloegen met allerlei plagen in de woestijn. Brontekst: א֣וֹי (oy) = wee | לָ֔נוּ (lanu) = ons | מִ֣י (mi) = wie | יַצִּילֵ֔נוּ (yatsilenu) = zal redden ons | מִיַּ֛ד (miyad) = uit de hand van | הָאֱלֹהִ֥ים (haElohim) = de goden | הָאַדִּירִ֖ים (haadirim) = de machtige | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | אֵ֧לֶּה (ele) = deze | הֵ֣ם (hem) = zij | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = de goden | הַמַּכִּ֧ים (hamakim) = die sloegen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּכָל (bekhal) = met allerlei | מַכָּ֖ה (maka) = plaag | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: ‘Met allerlei plagen in de woestijn’: de plagen kwamen in Egypte (Exod. 7:14–25; Exod. 12:29–30), niet in de woestijn. De Filistijnen halen verhalen door elkaar. Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk. Zie ook: Ex 7:5; Ex 7:14–25; Ex 9:14; Ex 12:29–30; Ps 78:43–51 **4:9** Houd stand en word mannen, Filistijnen, anders moeten jullie de Hebreeën dienen, zoals zij jullie hebben gediend. Word mannen en strijd!” Brontekst: הִֽתְחַזְּק֞וּ (hitchazequ) = houd stand | וִֽהְי֤וּ (vihyu) = en word | לַֽאֲנָשִׁים֙ (laanashim) = tot mannen | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | פֶּ֚ן (pen) = opdat niet | תַּעַבְד֣וּ (taavdu) = jullie dienen | לָעִבְרִ֔ים (laivrim) = de Hebreeën | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָבְד֖וּ (avedu) = zij dienden | לָכֶ֑ם (lakhem) = jullie | וִהְיִיתֶ֥ם (vihyitem) = en jullie worden | לַאֲנָשִׁ֖ים (laanashim) = tot mannen | וְנִלְחַמְתֶּֽם (venilchamtem) = en strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: עָבַד (avad), ‘dienen’: onderworpen zijn aan een heerser. Vergelijk Richt. 10:7 en Richt. 13:1. Zie ook: Re 10:7; Re 13:1; 2 Sam 10:12; 1 Kor 16:13; Ef 6:10–11 ### Israël verslagen, de ark genomen **4:10** De Filistijnen vochten en Israël werd verslagen. Ieder vluchtte naar zijn tenten. De nederlaag was zeer groot: van Israël vielen 30.000 man voetvolk. Brontekst: וַיִּלָּחֲמ֣וּ (vayilachamu) = en vochten | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיִּנָּ֤גֶף (vayinagef) = en werd verslagen | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיָּנֻ֨סוּ֙ (vayanusu) = en vluchtten | אִ֣ישׁ (ish) = man | לְאֹהָלָ֔יו (leohalav) = naar zijn tenten | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en was | הַמַּכָּ֖ה (hamaka) = de nederlaag | גְּדוֹלָ֣ה (gedola) = groot | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיִּפֹּל֙ (vayipol) = en viel | מִיִּשְׂרָאֵ֔ל (miyisrael) = van Israël | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | רַגְלִֽי (ragli) = voetvolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: רַגְלִי (ragli), ‘voetvolk’: soldaten te voet. Zie ook: Lev 26:17; Deut 28:25; 1 Sam 4:2; 2 Sam 18:17; 2 Kon 14:12 **4:11** De ark van Elohim werd genomen. De twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, stierven. Brontekst: וַאֲר֥וֹן (vaaron) = en ark van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | נִלְקָ֑ח (nilqach) = werd genomen | וּשְׁנֵ֤י (ushenei) = en twee van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עֵלִי֙ (eli) = Eli | מֵ֔תוּ (metu) = stierven | חָפְנִ֖י (chafeni) = Chofni | וּפִֽינְחָֽס (ufinechas) = en Pinechas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zo wordt het teken van 2:34 vervuld. Zie ook 4:17. Zie ook: 1 Sam 2:32; 1 Sam 2:34; Ps 78:60–61; Ps 78:64; Jes 3:11 ### Eli hoort het bericht **4:12** Een man uit Benjamin rende weg van het slagveld en kwam diezelfde dag in Silo aan. Zijn kleren waren gescheurd en er lag grond op zijn hoofd. Brontekst: וַיָּ֤רָץ (vayarats) = en rende | אִישׁ (ish) = man van | בִּנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | מֵהַמַּ֣עֲרָכָ֔ה (mehamaarakha) = van het slagveld | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | שִׁלֹ֖ה (shilo) = Silo | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וּמַדָּ֣יו (umadav) = en zijn kleren | קְרֻעִ֔ים (qeruim) = gescheurd | וַאֲדָמָ֖ה (vaadama) = en grond | עַל (al) = op | רֹאשֽׁוֹ (rosho) = zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Benjamin was het stamgebied ten noorden van Jeruzalem. De afstand van het slagveld bij Afek tot Silo is ongeveer 30 kilometer. Voetnoot Uitleg: וְאַדָמָה עַל רֹאשׁוֹ (va’adamah al rosho), ‘en grond op zijn hoofd’: een teken van rouw. Zie ook 2 Sam. 1:2. Zie ook: Job 2:12; Joz 7:6; 2 Sam 1:2; 2 Sam 15:32; Neh 9:1 **4:13** Toen hij aankwam, zie, Eli zat op zijn stoel naast de weg uit te kijken. Want zijn hart beefde voor de ark van Elohim. De man kwam de stad in om het te vertellen, en heel de stad slaakte een noodkreet. Brontekst: וַיָּב֗וֹא (vayavo) = en hij kwam | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | עֵ֠לִי (eli) = Eli | יֹשֵׁ֨ב (yoshev) = zittend | עַֽל (al) = op | הַכִּסֵּ֜א (hakise) = de stoel | יַ֥ד (yad) = naast | דֶּ֨רֶךְ֙ (derekh) = de weg | מְצַפֶּ֔ה (metsape) = uitkijkend | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֤ה (haya) = was | לִבּוֹ֙ (libo) = zijn hart | חָרֵ֔ד (chared) = trillend | עַ֖ל (al) = over | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וְהָאִ֗ישׁ (vehaish) = en de man | בָּ֚א (ba) = was gekomen | לְהַגִּ֣יד (lehagid) = om te vertellen | בָּעִ֔יר (bair) = in de stad | וַתִּזְעַ֖ק (vatizaq) = en slaakte een noodkreet | כָּל (kal) = heel | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַד דֶּרֶךְ (yad derech), letterlijk ‘hand van de weg’: naast de weg. Voetnoot : זָעַק (za’aq), ‘een noodkreet slaken’: de stad schreeuwt het uit van schrik. Zie ook: Joz 7:9; 1 Sam 1:9; 1 Sam 4:18; Ps 79:1–8; Neh 1:3–4 **4:14** Eli hoorde het geluid van het geschreeuw. Hij zei: „Wat is dit lawaai van een menigte?” De man haastte zich, kwam en vertelde het aan Eli. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | עֵלִי֙ (eli) = Eli | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = geluid van | הַצְּעָקָ֔ה (hatseaqa) = het geschreeuw | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מֶ֛ה (me) = wat | ק֥וֹל (qol) = geluid van | הֶהָמ֖וֹן (hehamon) = de menigte | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְהָאִ֣ישׁ (vehaish) = en de man | מִהַ֔ר (mihar) = haastte zich | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | וַיַּגֵּ֥ד (vayaged) = en vertelde | לְעֵלִֽי (leeli) = aan Eli Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:15** Eli was 98 jaar oud. Zijn ogen stonden strak en hij kon niet zien. Brontekst: וְעֵלִ֕י (veeli) = en Eli | בֶּן (ben) = zoon van | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וּשְׁמֹנֶ֖ה (ushemone) = en acht | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וְעֵינָ֣יו (veeinav) = en zijn ogen | קָ֔מָה (qama) = stonden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָכ֖וֹל (yakhol) = hij kon | לִרְאֽוֹת (lirot) = te zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָמָה (qamah), letterlijk ‘stonden’: de ogen staan strak en zien niets meer. Zie ook 3:2. Zie ook: Gen 27:1; 1 Sam 3:2; Ps 90:10; 1 Kon 14:4 **4:16** De man zei tegen Eli: „Ik ben degene die van het slagveld komt. Ik ben vandaag van het slagveld gevlucht.” Hij zei: „Hoe is het gegaan, mijn zoon?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הָאִ֜ישׁ (haish) = de man | אֶל (el) = tot | עֵלִ֗י (eli) = Eli | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = ik | הַבָּ֣א (haba) = die komt | מִן (min) = van | הַמַּעֲרָכָ֔ה (hamaarakha) = het slagveld | וַאֲנִ֕י (vaani) = en ik | מִן (min) = van | הַמַּעֲרָכָ֖ה (hamaarakha) = het slagveld | נַ֣סְתִּי (nasti) = ben gevlucht | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | מֶֽה (me) = hoe | הָיָ֥ה (haya) = was | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | בְּנִֽי (beni) = mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:19; 1 Sam 3:6; 2 Sam 1:4 **4:17** De boodschapper antwoordde: „Israël is gevlucht voor de Filistijnen. Er is ook een grote slachting onder het volk geweest. Ook uw twee zonen zijn dood, Chofni en Pinechas, en de ark van Elohim is genomen.” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | הַֽמְבַשֵּׂ֜ר (hamvaser) = de boodschapper | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | נָ֤ס (nas) = is gevlucht | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וְגַ֛ם (vegam) = en ook | מַגֵּפָ֥ה (magefa) = slachting | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = grote | הָיְתָ֣ה (hayeta) = was | בָעָ֑ם (baam) = onder het volk | וְגַם (vegam) = en ook | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee van | בָנֶ֜יךָ (baneikha) = je zonen | מֵ֗תוּ (metu) = zijn gestorven | חָפְנִי֙ (chafeni) = Chofni | וּפִ֣ינְחָ֔ס (ufinechas) = en Pinechas | וַאֲר֥וֹן (vaaron) = en ark van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | נִלְקָֽחָה (nilqacha) = is genomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מְבַשֵּׂר (mevasser), ‘boodschapper’: iemand die nieuws brengt. Hier is het slecht nieuws, in vier stappen: Israël vluchtte, het volk leed een slachting, Eli’s zonen zijn dood, de ark is genomen. Het laatste is het zwaarste voor Eli. Zie ook: 1 Sam 3:11; 1 Sam 4:10–11 **4:18** Zodra hij de ark van Elohim noemde, viel Eli achterover van zijn stoel, naast de poort. Zijn nek brak en hij stierf. Want hij was een oude man en zwaar. Hij was veertig jaar rechter over Israël. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כְּהַזְכִּיר֣וֹ (kehazkiro) = toen hij noemde | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | וַיִּפֹּ֣ל (vayipol) = en viel | מֵֽעַל (meal) = van | הַ֠כִּסֵּא (hakise) = de stoel | אֲחֹ֨רַנִּ֜ית (achoranit) = achterover | בְּעַ֣ד (bead) = naast | יַ֣ד (yad) = zijde van | הַשַּׁ֗עַר (hashaar) = de poort | וַתִּשָּׁבֵ֤ר (vatishaver) = en brak | מַפְרַקְתּוֹ֙ (mafraqto) = zijn nek | וַיָּמֹ֔ת (vayamot) = en stierf | כִּֽי (ki) = want | זָקֵ֥ן (zaqen) = oud | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | וְכָבֵ֑ד (vekhaved) = en zwaar | וְה֛וּא (vehu) = en hij | שָׁפַ֥ט (shafat) = richtte | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁפַט (shafat), ‘rechter zijn’: Eli leidde Israël naast zijn priesterschap. Zie ook 7:15 over Samuël. Zie ook: 1 Sam 4:13; 1 Sam 4:21–22; Ps 26:8; Ps 69:10; 1 Petr 4:17–18 ### De vrouw van Pinechas en de geboorte van Ikabod **4:19** Zijn schoondochter, de vrouw van Pinechas, was zwanger en stond op het punt te bevallen. Zij hoorde het bericht over het nemen van de ark van Elohim en over de dood van haar schoonvader en haar man. Zij zakte door haar knieën en beviel, want de weeën overvielen haar. Brontekst: וְכַלָּת֣וֹ (vekhalato) = en zijn schoondochter | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | פִּינְחָס֮ (pinechas) = Pinechas | הָרָ֣ה (hara) = zwanger | לָלַת֒ (lalat) = om te baren | וַתִּשְׁמַ֣ע (vatishma) = en zij hoorde | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׁמֻעָ֔ה (hashemua) = het bericht | אֶל (el) = over | הִלָּקַח֙ (hilaqach) = het nemen van | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וּמֵ֥ת (umet) = en dat stierf | חָמִ֖יהָ (chamiha) = haar schoonvader | וְאִישָׁ֑הּ (veishah) = en haar man | וַתִּכְרַ֣ע (vatikhra) = en zij zakte in elkaar | וַתֵּ֔לֶד (vateled) = en zij beviel | כִּֽי (ki) = want | נֶהֶפְכ֥וּ (nehefkhu) = keerden zich om | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = over haar | צִרֶֽיהָ (tsireiha) = haar weeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִרֶיהָ (tsireha), ‘haar weeën’: van צִיר (tsir), ‘pijn’. **4:20** Toen zij stervende was, zeiden de vrouwen die bij haar stonden: „Wees niet bang, want je hebt een zoon gebaard.” Maar zij antwoordde niet en nam het zich niet ter harte. Brontekst: וּכְעֵ֣ת (ukheet) = en bij het tijdstip van | מוּתָ֗הּ (mutah) = haar sterven | וַתְּדַבֵּ֨רְנָה֙ (vatedaberena) = en spraken | הַנִּצָּב֣וֹת (hanitsavot) = die stonden | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = bij haar | אַל (al) = niet | תִּֽירְאִ֖י (tirei) = wees bang | כִּ֣י (ki) = want | בֵ֣ן (ben) = een zoon | יָלָ֑דְתְּ (yaladt) = je hebt gebaard | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָנְתָ֖ה (aneta) = zij antwoordde | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁ֥תָה (shata) = zij nam | לִבָּֽהּ (libah) = haar hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא שָׁתָה לִבָּהּ (lo shatah libbah), letterlijk ‘zij zette haar hart niet’: zij schonk er geen aandacht aan. Zie ook: Gen 35:17–18; Ps 77:3; Joh 16:21 **4:21** Zij noemde de jongen Ikabod en zei: „De heerlijkheid is uit Israël weggegaan.” Dat was vanwege het nemen van de ark van Elohim en vanwege haar schoonvader en haar man. Brontekst: וַתִּקְרָ֣א (vatiqra) = en zij noemde | לַנַּ֗עַר (lanaar) = de jongen | אִֽי (i) = niet | כָבוֹד֙ (kavod) = heerlijkheid | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | גָּלָ֥ה (gala) = is weggegaan | כָב֖וֹד (kavod) = heerlijkheid | מִיִּשְׂרָאֵ֑ל (miyisrael) = uit Israël | אֶל (el) = over | הִלָּקַח֙ (hilaqach) = het nemen van | אֲר֣וֹן (aron) = ark van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְאֶל (veel) = en over | חָמִ֖יהָ (chamiha) = haar schoonvader | וְאִישָֽׁהּ (veishah) = en haar man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִי כָבוֹד (i khavod), ‘Ikabod’: ‘geen heerlijkheid’ of ‘waar is de heerlijkheid?’. כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: gewicht, eer. Hetzelfde woord staat voor de heerlijkheid van Yahweh in Exod. 40:34. Zie ook: Ex 40:34; Ps 26:8; Ps 78:61; Ps 78:64; Hos 9:12; Jer 2:11 **4:22** Zij zei: „De heerlijkheid is uit Israël weggegaan, want de ark van Elohim is genomen.” Brontekst: וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zij zei | גָּלָ֥ה (gala) = is weggegaan | כָב֖וֹד (kavod) = heerlijkheid | מִיִּשְׂרָאֵ֑ל (miyisrael) = uit Israël | כִּ֥י (ki) = want | נִלְקַ֖ח (nilqach) = is genomen | אֲר֥וֹן (aron) = ark van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 137:5–6; Joh 2:17 ## 1 Samuël 5 _De ark van Elohim in het land van de Filistijnen_ ### De ark in het huis van Dagon **5:1** De Filistijnen hadden de ark van Elohim genomen. Zij brachten haar van Ebenezer naar Asdod. Brontekst: וּפְלִשְׁתִּים֙ (ufelishtim) = en de Filistijnen | לָֽקְח֔וּ (laqechu) = hadden genomen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וַיְבִאֻ֛הוּ (vayviuhu) = en zij brachten haar | מֵאֶ֥בֶן (meeven) = van Eben | הָעֵ֖זֶר (haezer) = Ezer | אַשְׁדּֽוֹדָה (ashdoda) = naar Asdod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Asdod ligt bij Tel Asdod, aan de kust van Israël. Ebenezer ligt waarschijnlijk dicht bij Afek (1 Sam. 4:1), maar de ligging is onzeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אֶבֶן הָעֵזֶר (even ha-ezer), ‘steen van de hulp’. De naam komt ook voor in 1 Sam. 7:12. Zie ook: Joz 13:3; 1 Sam 4:1; 1 Sam 4:17–18; 1 Sam 4:22; 1 Sam 7:12 **5:2** De Filistijnen namen de ark van Elohim en brachten haar naar het huis van Dagon. Zij zetten haar naast Dagon. Brontekst: וַיִּקְח֤וּ (vayiqchu) = en namen | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | וַיָּבִ֥יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֹת֖וֹ (oto) = haar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | דָּג֑וֹן (dagon) = Dagon | וַיַּצִּ֥יגוּ (vayatsigu) = en zij zetten | אֹת֖וֹ (oto) = haar | אֵ֥צֶל (etsel) = naast | דָּגֽוֹן (dagon) = Dagon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: דָּגוֹן (Dagon) is een god van de Filistijnen. De betekenis van de naam is onzeker. Hij wordt wel verbonden met het woord voor ‘graan’ en met het woord voor ‘vis’. Zie ook: Re 16:23; 1 Kron 10:10; Hab 1:11; Dan 5:2; Dan 5:23 **5:3** De Asdodieten stonden de volgende dag vroeg op. Zie, Dagon lag voorover op de grond, voor de ark van Yahweh. Zij namen Dagon en zetten hem terug op zijn plaats. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֤מוּ (vayashkimu) = en stonden vroeg op | אַשְׁדּוֹדִים֙ (ashdodim) = de Asdodieten | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | דָג֗וֹן (dagon) = Dagon | נֹפֵ֤ל (nofel) = gevallen | לְפָנָיו֙ (lefanav) = op zijn gezicht | אַ֔רְצָה (artsa) = naar de grond | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | דָּג֔וֹן (dagon) = Dagon | וַיָּשִׁ֥בוּ (vayashivu) = en zetten terug | אֹת֖וֹ (oto) = hem | לִמְקוֹמֽוֹ (limqomo) = op zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 19:1; Jes 46:1–2; Jes 46:7; Mar 3:11; Luc 10:18–20 **5:4** Zij stonden de volgende ochtend vroeg op. Zie, Dagon lag voorover op de grond, voor de ark van Yahweh. Het hoofd van Dagon en de twee handpalmen van zijn handen lagen afgehouwen op de drempel. Alleen Dagon bleef van hem over. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֣מוּ (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בַבֹּקֶר֮ (baboqer) = in de ochtend | מִֽמָּחֳרָת֒ (mimachorat) = de volgende dag | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | דָג֗וֹן (dagon) = Dagon | נֹפֵ֤ל (nofel) = gevallen | לְפָנָיו֙ (lefanav) = op zijn gezicht | אַ֔רְצָה (artsa) = naar de grond | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְרֹ֨אשׁ (verosh) = en het hoofd van | דָּג֜וֹן (dagon) = Dagon | וּשְׁתֵּ֣י (ushtei) = en de twee | כַּפּ֣וֹת (kapot) = handpalmen van | יָדָ֗יו (yadav) = zijn handen | כְּרֻתוֹת֙ (kerutot) = afgehouwen | אֶל (el) = op | הַמִּפְתָּ֔ן (hamiftan) = de drempel | רַ֥ק (raq) = alleen | דָּג֖וֹן (dagon) = Dagon | נִשְׁאַ֥ר (nishar) = bleef over | עָלָֽיו (alav) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִפְתָּן (miftan), ‘drempel’. Voetnoot Lezing: Letterlijk staat er: ‘alleen Dagon bleef op hem over’. Waarschijnlijk is bedoeld: alleen het deel van het beeld dat niet was afgehouwen, de romp. Dat is niet zeker. Wij blijven bij de letterlijke tekst. Zie ook: Jes 2:18–19; Mi 1:7; Jer 10:11; Jer 50:2; Dan 11:8 **5:5** Daarom treden de priesters van Dagon en iedereen die het huis van Dagon binnengaat, niet op de drempel van Dagon in Asdod. Dat is zo tot op deze dag. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֡ן (ken) = (zo) | לֹֽא (lo) = niet | יִדְרְכוּ֩ (yidrekhu) = treden | כֹהֲנֵ֨י (kohanei) = de priesters van | דָג֜וֹן (dagon) = Dagon | וְכָֽל (vekhal) = en allen | הַבָּאִ֧ים (habaim) = die binnengaan in | בֵּית (beit) = het huis van | דָּג֛וֹן (dagon) = Dagon | עַל (al) = op | מִפְתַּ֥ן (miftan) = de drempel van | דָּג֖וֹן (dagon) = Dagon | בְּאַשְׁדּ֑וֹד (beashdod) = in Asdod | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Voetnoot Uitleg: עַד הַיּוֹם הַזֶּה (ad hayom hazzeh), ‘tot op deze dag’: de schrijver vertelt dat de gewoonte er in zijn tijd nog was. Zie ook: Joz 5:15; Ps 115:4–7; Ps 135:15–18; Sef 1:9 ### De hand van Yahweh in Asdod **5:6** De hand van Yahweh werd zwaar over de Asdodieten. Hij verwoestte hen en sloeg hen met gezwellen, Asdod en haar gebied. Brontekst: וַתִּכְבַּ֧ד (vatikhbad) = en werd zwaar | יַד (yad) = de hand van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | הָאַשְׁדּוֹדִ֖ים (haashdodim) = de Asdodieten | וַיְשִׁמֵּ֑ם (vayshimem) = en Hij verwoestte hen | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en Hij sloeg | אֹתָם֙ (otam) = hen | בַּטְּחֹרִ֔ים (batechorim) = met gezwellen | אֶת (et) = (obj.) | אַשְׁדּ֖וֹד (ashdod) = Asdod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּבוּלֶֽיהָ (gevuleiha) = haar gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Voetnoot Uitleg: וַתִּכְבַּד (vattikbad), ‘werd zwaar’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 7:14 (‘het hart van de farao is zwaar’). Het wordt ook gebruikt voor de hand van Elohim in 5:11. Voetnoot : וַיְשִׁמֵּם (vayeshimmem), ‘Hij verwoestte hen’: Hij maakte hen ontzet en ten einde raad. Voetnoot Lezing: In de tekst (ketiv) staat עפלים (ofalim); de lezing (qere) is טחרים (techorim). Wij volgen de lezing en vertalen ‘gezwellen’, zoals in Deut. 28:27. Dit geldt ook voor 5:9 en 5:12. Zie ook: Ex 7:14; Ex 9:3; Deut 28:27; 1 Sam 5:11; Ps 32:4; Hand 13:11 **5:7** De mannen van Asdod zagen dat het zo ging. Zij zeiden: „De ark van de Elohim van Israël mag niet bij ons blijven. Want Zijn hand is hard over ons en over Dagon, onze god.” Brontekst: וַיִּרְא֥וּ (vayiru) = en zagen | אַנְשֵֽׁי (anshei) = de mannen van | אַשְׁדּ֖וֹד (ashdod) = Asdod | כִּֽי (ki) = dat | כֵ֑ן (ken) = zo | וְאָמְר֗וּ (veameru) = en zij zeiden | לֹֽא (lo) = niet | יֵשֵׁ֞ב (yeshev) = zal blijven | אֲר֨וֹן (aron) = de ark van | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | עִמָּ֔נוּ (imanu) = bij ons | כִּֽי (ki) = want | קָשְׁתָ֤ה (qasheta) = is hard geworden | יָדוֹ֙ (yado) = Zijn hand | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = over ons | וְעַ֖ל (veal) = en over | דָּג֥וֹן (dagon) = Dagon | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze god Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Zie ook: Ex 8:4; Ex 12:33; 2 Sam 6:9; 1 Kron 15:13; Jer 48:7 ### De ark wordt van stad tot stad gebracht **5:8** Zij stuurden bericht en verzamelden alle vorsten van de Filistijnen bij zich. Zij zeiden: „Wat moeten wij doen met de ark van de Elohim van Israël?” Zij zeiden: „Laat de ark van de Elohim van Israël naar Gat rondgebracht worden.” Toen brachten zij de ark van de Elohim van Israël rond. Brontekst: וַיִּשְׁלְח֡וּ (vayishlechu) = en zij stuurden | וַיַּאַסְפוּ֩ (vayaasfu) = en verzamelden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | סַרְנֵ֨י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֜ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = naar zich | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | מַֽה (ma) = wat | נַּעֲשֶׂ֗ה (naase) = zullen wij doen | לַֽאֲרוֹן֙ (laaron) = met de ark van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | גַּ֣ת (gat) = naar Gat | יִסֹּ֔ב (yisov) = laat rondgebracht worden | אֲר֖וֹן (aron) = de ark van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּסֵּ֕בּוּ (vayasebu) = en zij brachten rond | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֖וֹן (aron) = de ark van | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat ligt waarschijnlijk bij Tel es-Safi, in Israël. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: סַרְנֵי פְלִשְׁתִּים (sarnei Peleshtim), ‘vorsten van de Filistijnen’: de vijf vorsten van de steden Asdod, Gaza, Askelon, Gat en Ekron (Joz. 13:3). Voetnoot : יָסֹב (yasov), ‘laat rondgebracht worden’: het werkwoord סָבַב (savav) betekent ‘rondgaan’ of ‘laten rondgaan’. De ark gaat van stad tot stad. Zie ook: Joz 13:3; 1 Sam 5:11; 1 Sam 17:4; Amos 6:2; Zach 12:3 **5:9** Nadat zij de ark hadden rondgebracht, was de hand van Yahweh tegen de stad. Er ontstond een zeer grote verwarring. Hij sloeg de mannen van de stad, van klein tot groot. Bij hen braken gezwellen uit. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het gebeurde | אַחֲרֵ֣י (acharei) = nadat | הֵסַ֣בּוּ (hesabu) = zij hadden rondgebracht | אֹת֗וֹ (oto) = haar | וַתְּהִ֨י (vatehi) = en was | יַד (yad) = de hand van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | בָּעִיר֙ (bair) = tegen de stad | מְהוּמָה֙ (mehuma) = verwarring | גְּדוֹלָ֣ה (gedola) = grote | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en Hij sloeg | אֶת (et) = (obj.) | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | מִקָּטֹ֖ן (miqaton) = van klein | וְעַד (vead) = tot | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | וַיִּשָּׂתְר֥וּ (vayisateru) = en braken uit | לָהֶ֖ם (lahem) = bij hen | טְחֹרִֽים (techorim) = gezwellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשָּׂתְרוּ (vayyissateru), ‘braken uit’: de betekenis van dit werkwoord is niet helemaal zeker. Zie ook: Deut 2:15; 1 Sam 5:6; 1 Sam 7:13; 1 Sam 12:15; Ps 78:66 ### Ekron roept om hulp **5:10** Zij stuurden de ark van Elohim naar Ekron. Toen de ark van Elohim in Ekron kwam, riepen de Ekronieten om hulp. Zij zeiden: „Zij hebben de ark van de Elohim van Israël naar mij toe gebracht, om mij en mijn volk te doden!” Brontekst: וַֽיְשַׁלְּח֛וּ (vayshalechu) = en zij stuurden | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | עֶקְר֑וֹן (eqron) = naar Ekron | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | כְּב֨וֹא (kevo) = toen kwam | אֲר֤וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = de Elohim | עֶקְר֔וֹן (eqron) = in Ekron | וַיִּזְעֲק֨וּ (vayizaqu) = en riepen om hulp | הָֽעֶקְרֹנִ֜ים (haeqronim) = de Ekronieten | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | הֵסַ֤בּוּ (hesabu) = zij hebben rondgebracht | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | אֶת (et) = (obj.) | אֲרוֹן֙ (aron) = de ark van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לַהֲמִיתֵ֖נִי (lahamiteni) = om mij te doden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמִּֽי (ami) = mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ekron ligt waarschijnlijk bij Tel Miqne, in Israël. Zie ook: Joz 15:45; Re 1:18; 2 Kon 1:2; Amos 1:8 **5:11** Zij stuurden bericht en verzamelden alle vorsten van de Filistijnen. Zij zeiden: „Stuur de ark van de Elohim van Israël weg. Laat hem terugkeren naar zijn plaats. Dan zal hij mij en mijn volk niet doden.” Want in heel de stad was een dodelijke verwarring. De hand van Elohim was daar zeer zwaar. Brontekst: וַיִּשְׁלְח֨וּ (vayishlechu) = en zij stuurden | וַיַּאַסְפ֜וּ (vayaasfu) = en verzamelden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | סַרְנֵ֣י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | שַׁלְּח֞וּ (shalechu) = stuur weg | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֨וֹן (aron) = de ark van | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְיָשֹׁ֣ב (veyashov) = en laat terugkeren | לִמְקֹמ֔וֹ (limqomo) = naar zijn plaats | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָמִ֥ית (yamit) = zal doden | אֹתִ֖י (oti) = mij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | כִּֽי (ki) = want | הָיְתָ֤ה (hayeta) = was | מְהֽוּמַת (mehumat) = verwarring van | מָ֨וֶת֙ (mavet) = dood | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָעִ֔יר (hair) = de stad | כָּבְדָ֥ה (kaveda) = zwaar was | מְאֹ֛ד (meod) = zeer | יַ֥ד (yad) = de hand van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מְהוּמַת מָוֶת (mehumat mavet), ‘verwarring van dood’: een angst en een slag waaraan mensen sterven. Vergelijk Joz. 10:10, waar Yahweh de vijand ‘in verwarring bracht’. Zie ook: Joz 10:10; 1 Sam 5:6; 1 Sam 5:8–9; Jes 13:7–9; Jer 48:42–44 **5:12** De mannen die niet stierven, werden met gezwellen geslagen. De noodkreet van de stad steeg op naar de hemel. Brontekst: וְהָֽאֲנָשִׁים֙ (vehaanashim) = en de mannen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | מֵ֔תוּ (metu) = stierven | הֻכּ֖וּ (huku) = werden geslagen | בַּטְּחֹרִ֑ים (batechorim) = met gezwellen | וַתַּ֛עַל (vataal) = en steeg op | שַֽׁוְעַ֥ת (shavat) = de noodkreet van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = naar de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:30; 1 Kon 19:17; Amos 5:19; Jer 14:2; Jer 48:3 ## 1 Samuël 6 _De ark gaat terug naar Israël_ ### De Filistijnen vragen hun priesters om raad **6:1** De ark van Yahweh bleef zeven maanden in het gebied van de Filistijnen. Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en was | אֲרוֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בִּשְׂדֵ֥ה (bisde) = in het gebied van | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | חֳדָשִֽׁים (chodashim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 5:1; 1 Sam 5:3; 1 Sam 5:10–11; Ps 78:61 **6:2** De Filistijnen riepen de priesters en de waarzeggers en zeiden: „Wat moeten wij doen met de ark van Yahweh? Laat ons weten waarmee wij hem naar zijn plaats terugsturen.” Brontekst: וַיִּקְרְא֣וּ (vayiqreu) = en riepen | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | לַכֹּהֲנִ֤ים (lakohanim) = de priesters | וְלַקֹּֽסְמִים֙ (velaqosemim) = en de waarzeggers | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מַֽה (ma) = wat | נַּעֲשֶׂ֖ה (naase) = zullen wij doen | לַאֲר֣וֹן (laaron) = met de ark van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הוֹדִעֻ֕נוּ (hodiunu) = laat ons weten | בַּמֶּ֖ה (bame) = waarmee | נְשַׁלְּחֶ֥נּוּ (neshalechenu) = zullen wij hem sturen | לִמְקוֹמֽוֹ (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: קֹסְמִים (qosemim), ‘waarzeggers’: mensen die door waarzeggerij de wil van hun goden willen kennen. Zie Deut. 18:10–11, waar Yahweh dit voor Israël verbiedt. Zie ook: Gen 41:8; Ex 7:11; Deut 18:10–11; Mi 6:6–9; Dan 2:2; Dan 5:7 **6:3** Zij zeiden: „Als jullie de ark van de Elohim van Israël wegsturen, stuur hem dan niet leeg weg. Geef Hem zeker een schuldoffer terug. Dan zullen jullie genezen en dan weten jullie waarom Zijn hand niet van jullie wijkt.” Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | אִֽם (im) = als | מְשַׁלְּחִ֞ים (meshalechim) = jullie wegsturen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֨וֹן (aron) = de ark van | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אַל (al) = niet | תְּשַׁלְּח֤וּ (teshalechu) = stuur weg | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | רֵיקָ֔ם (reiqam) = leeg | כִּֽי (ki) = maar | הָשֵׁ֥ב (hashev) = teruggeven | תָּשִׁ֛יבוּ (tashivu) = zul je teruggeven | ל֖וֹ (lo) = aan Hem | אָשָׁ֑ם (asham) = een schuldoffer | אָ֤ז (az) = dan | תֵּרָֽפְאוּ֙ (terafeu) = zullen jullie genezen | וְנוֹדַ֣ע (venoda) = en zal bekend zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | לָ֛מָּה (lama) = waarom | לֹא (lo) = niet | תָס֥וּר (tasur) = wijkt | יָד֖וֹ (yado) = Zijn hand | מִכֶּֽם (mikem) = van jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: een offer om schuld goed te maken, zie Lev. 5:15. Hier gebruiken de Filistijnen het woord voor een herstelgeschenk aan de Elohim van Israël. Voetnoot : Het voornaamwoord ‘Hem’ (לוֹ, lo) wijst op de Elohim van Israël. De ark zelf noemen wij ‘hem’. Zie ook: Ex 23:15; Ex 34:20; Lev 5:15; Lev 7:1–7; Deut 16:16; 1 Sam 6:9 **6:4** Zij zeiden: „Wat is het schuldoffer dat wij Hem moeten teruggeven?” Zij zeiden: „Het aantal van de vorsten van de Filistijnen: vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen. Want er is één plaag voor jullie allemaal en voor jullie vorsten. Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | מָ֣ה (ma) = wat | הָאָשָׁם֮ (haasham) = het schuldoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נָשִׁ֣יב (nashiv) = wij moeten teruggeven | לוֹ֒ (lo) = aan Hem | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | מִסְפַּר֙ (mispar) = het aantal van | סַרְנֵ֣י (sarnei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | טְחֹרֵ֣י (techorei) = gezwellen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וַחֲמִשָּׁ֖ה (vachamisha) = en vijf | עַכְבְּרֵ֣י (akhberei) = muizen van | זָהָ֑ב (zahav) = goud | כִּֽי (ki) = want | מַגֵּפָ֥ה (magefa) = plaag | אַחַ֛ת (achat) = één | לְכֻלָּ֖ם (lekhulam) = voor allen | וּלְסַרְנֵיכֶֽם (ulesarneikhem) = en voor jullie vorsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: עַכְבָּרִים (akhbarim), ‘muizen’: kleine knaagdieren. Zij worden hier ‘het land verdervend’ genoemd (vers 5). Voetnoot : מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: een slag waaraan velen sterven. Voetnoot Lezing: In de tekst (ketiv) staat in de verzen 4 en 5 עפלים (ofalim); de lezing (qere) is טחרים (techorim). Wij volgen de lezing en vertalen ‘gezwellen’, zoals in 1 Sam. 5:6. Zie ook: Joz 13:3; Re 3:3; 1 Sam 5:6; 1 Sam 5:9; 1 Sam 6:5; 1 Sam 6:17–18 **6:5** Maak beelden van jullie gezwellen en beelden van jullie muizen, die het land verderven. Geef eer aan de Elohim van Israël. Misschien maakt Hij Zijn hand lichter, van jullie af, van jullie god en van jullie land. Brontekst: וַעֲשִׂיתֶם֩ (vaasitem) = en jullie zullen maken | צַלְמֵ֨י (tsalmei) = beelden van | טְחֹרֵיכֶ֜ם (techoreikhem) = jullie gezwellen | וְצַלְמֵ֣י (vetsalmei) = en beelden van | עַכְבְּרֵיכֶ֗ם (akhbereikhem) = jullie muizen | הַמַּשְׁחִיתִם֙ (hamashchitim) = die verderven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וּנְתַתֶּ֛ם (unetatem) = en jullie zullen geven | לֵאלֹהֵ֥י (lelohei) = aan de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כָּב֑וֹד (kavod) = eer | אוּלַ֗י (ulay) = misschien | יָקֵ֤ל (yaqel) = maakt Hij lichter | אֶת (et) = (obj.) | יָדוֹ֙ (yado) = Zijn hand | מֵֽעֲלֵיכֶ֔ם (mealeikhem) = van jullie af | וּמֵעַ֥ל (umeal) = en van | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie god | וּמֵעַ֥ל (umeal) = en van | אַרְצְכֶֽם (artsekhem) = jullie land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: eigenlijk ‘gewicht’. De Filistijnen willen de Elohim van Israël eer geven met deze beelden. Voetnoot : יָקֵל (yaqel), ‘maakt lichter’: het tegenovergestelde van ‘zwaar’ (כָּבֵד, kaved) in 5:6 en 6:6. Zie ook: Joz 7:19; 1 Sam 5:3–4; 1 Sam 5:6–7; 1 Sam 5:11; Jes 42:12 **6:6** Waarom maken jullie jullie hart zwaar, zoals Egypte en farao hun hart zwaar maakten? Is het niet zo? Toen Hij Zijn spot met hen dreef, lieten zij hen gaan en zij vertrokken. Brontekst: וְלָ֤מָּה (velama) = en waarom | תְכַבְּדוּ֙ (tekhabedu) = maken jullie zwaar | אֶת (et) = (obj.) | לְבַבְכֶ֔ם (levavkhem) = jullie hart | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = zoals | כִּבְּד֛וּ (kibedu) = maakten zwaar | מִצְרַ֥יִם (mitsrayim) = Egypte | וּפַרְעֹ֖ה (ufaro) = en farao | אֶת (et) = (obj.) | לִבָּ֑ם (libam) = hun hart | הֲלוֹא֙ (halo) = is het niet | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | הִתְעַלֵּ֣ל (hitalel) = Hij speelde | בָּהֶ֔ם (bahem) = met hen | וַֽיְשַׁלְּח֖וּם (vayshalechum) = en zij lieten hen gaan | וַיֵּלֵֽכוּ (vayelekhu) = en zij vertrokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: תְכַבְּדוּ (tekabbedu), ‘maken zwaar’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 7:14 en 8:11, dat bij de farao ‘zwaar’ en ‘hard’ is. De Filistijnen herinneren aan Egypte. Voetnoot : הִתְעַלֵּל (hit‘allel), ‘zijn spot drijven’: zie Exod. 10:2, waar wij vertalen ‘wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan’. Zie ook: Job 9:4; Ex 7:13; Ex 7:14; Ex 8:11; Ex 9:34; Ex 10:2; Ex 14:17 ### Een nieuwe wagen en twee koeien **6:7** Maak nu één nieuwe wagen. Neem twee zogende koeien, waarop nog nooit een juk is gekomen. Span de koeien voor de wagen. Breng hun kalveren van achter hen weg, naar huis. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | קְח֨וּ (qechu) = neem | וַעֲשׂ֜וּ (vaasu) = en maak | עֲגָלָ֤ה (agala) = wagen | חֲדָשָׁה֙ (chadasha) = nieuwe | אֶחָ֔ת (echat) = één | וּשְׁתֵּ֤י (ushtei) = en twee | פָרוֹת֙ (parot) = koeien | עָל֔וֹת (alot) = zogende | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | עָלָ֥ה (ala) = is gekomen | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = op hen | עֹ֑ל (ol) = juk | וַאֲסַרְתֶּ֤ם (vaasartem) = en span | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּרוֹת֙ (haparot) = de koeien | בָּעֲגָלָ֔ה (baagala) = aan de wagen | וַהֲשֵׁיבֹתֶ֧ם (vahasheivotem) = en breng terug | בְּנֵיהֶ֛ם (beneihem) = hun kalveren | מֵאַחֲרֵיהֶ֖ם (meachareihem) = van achter hen | הַבָּֽיְתָה (habayeta) = naar huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָלוֹת (alot), ‘zogende koeien’: koeien met een kalf dat nog drinkt. Een dier ‘waarop nog nooit een juk is gekomen’ is voor heilig gebruik bestemd, zie Num. 19:2 en Deut. 21:3. Zie ook: Num 19:2; Deut 21:3; 2 Sam 6:3; 1 Kron 13:7 **6:8** Neem de ark van Yahweh en zet hem op de wagen. De gouden voorwerpen die jullie Hem als schuldoffer teruggeven, moeten jullie in een kist naast hem zetten. Stuur hem weg. Dan gaat hij. Brontekst: וּלְקַחְתֶּ֞ם (uleqachtem) = en jullie nemen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּנְתַתֶּ֤ם (unetatem) = en jullie zetten | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | אֶל (el) = op | הָ֣עֲגָלָ֔ה (haagala) = de wagen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כְּלֵ֣י (kelei) = de voorwerpen van | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֲשֵׁבֹתֶ֥ם (hashevotem) = jullie hebben teruggegeven | לוֹ֙ (lo) = aan Hem | אָשָׁ֔ם (asham) = als schuldoffer | תָּשִׂ֥ימוּ (tasimu) = zullen jullie plaatsen | בָאַרְגַּ֖ז (baargaz) = in de kist | מִצִּדּ֑וֹ (mitsido) = naast hem | וְשִׁלַּחְתֶּ֥ם (veshilachtem) = en jullie sturen weg | אֹת֖וֹ (oto) = hem | וְהָלָֽךְ (vehalakh) = en hij gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְגָּז (argaz), ‘kist’: een bakje of kistje voor de gouden voorwerpen. Het woord staat alleen in dit hoofdstuk (verzen 8, 11 en 15). Zie ook: 1 Sam 6:3–5 **6:9** Let dan op. Gaat hij omhoog langs de weg naar zijn eigen gebied, naar Bet-Semes? Dan is Hij het die ons dit grote kwaad heeft aangedaan. Zo niet, dan weten wij dat Zijn hand ons niet heeft geslagen. Dan was het toeval dat ons overkwam.” Brontekst: וּרְאִיתֶ֗ם (ureitem) = en jullie zien | אִם (im) = of | דֶּ֨רֶךְ (derekh) = de weg van | גְּבוּל֤וֹ (gevulo) = zijn gebied | יַֽעֲלֶה֙ (yaale) = hij gaat omhoog | בֵּ֣ית (beit) = naar Bet | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | ה֚וּא (hu) = Hij | עָ֣שָׂה (asa) = heeft gedaan | לָ֔נוּ (lanu) = ons | אֶת (et) = (obj.) | הָרָעָ֥ה (haraa) = het kwaad | הַגְּדוֹלָ֖ה (hagedola) = het grote | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | וְאִם (veim) = en indien | לֹ֗א (lo) = niet | וְיָדַ֨עְנוּ֙ (veyadanu) = en wij weten | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֤א (lo) = niet | יָדוֹ֙ (yado) = Zijn hand | נָ֣גְעָה (nagea) = heeft geraakt | בָּ֔נוּ (banu) = ons | מִקְרֶ֥ה (miqre) = toeval | ה֖וּא (hu) = het | הָ֥יָה (haya) = was | לָֽנוּ (lanu) = ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Semes ligt bij Tel Bet-Semes, in het westen van het bergland van Juda, in Israël. Het ligt dicht bij de grens van de Filistijnen. Voetnoot Uitleg: מִקְרֶה (miqreh), ‘toeval’: iets wat gebeurt zonder dat iemand het heeft gestuurd. Zie ook: Joz 15:10; Joz 21:16; 1 Sam 6:3; Pred 9:11; Luc 10:31 ### De koeien trekken de wagen naar Bet-Semes **6:10** De mannen deden zo. Zij namen twee zogende koeien en spanden ze voor de wagen. Hun kalveren sloten zij op in het huis. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֤וּ (vayaasu) = en deden | הָאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | כֵּ֔ן (ken) = zo | וַיִּקְח֗וּ (vayiqchu) = en namen | שְׁתֵּ֤י (shetei) = twee | פָרוֹת֙ (parot) = koeien | עָל֔וֹת (alot) = zogende | וַיַּאַסְר֖וּם (vayaasrum) = en spanden ze | בָּעֲגָלָ֑ה (baagala) = aan de wagen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵיהֶ֖ם (beneihem) = hun kalveren | כָּל֥וּ (kalu) = sloten zij op | בַבָּֽיִת (babayit) = in het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:11** Zij zetten de ark van Yahweh op de wagen. Ook de kist zetten zij erop, met de gouden muizen en de beelden van hun gezwellen. Brontekst: וַיָּשִׂ֛מוּ (vayasimu) = en zij zetten | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = op | הָעֲגָלָ֑ה (haagala) = de wagen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הָאַרְגַּ֗ז (haargaz) = de kist | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | עַכְבְּרֵ֣י (akhberei) = de muizen van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | צַלְמֵ֥י (tsalmei) = de beelden van | טְחֹרֵיהֶֽם (techoreihem) = hun gezwellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 6:3; 1 Kron 13:7; 1 Kron 15:13–15 **6:12** De koeien gingen recht op de weg af, de weg naar Bet-Semes. Zij bleven op één pad. Al lopend loeiden zij en zij weken niet af, naar rechts of naar links. De vorsten van de Filistijnen liepen achter hen aan, tot aan de grens van Bet-Semes. Brontekst: וַיִשַּׁ֨רְנָה (vayisharna) = en gingen recht | הַפָּר֜וֹת (haparot) = de koeien | בַּדֶּ֗רֶךְ (baderekh) = op de weg | עַל (al) = op | דֶּ֨רֶךְ֙ (derekh) = de weg naar | בֵּ֣ית (beit) = Bet | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | בִּמְסִלָּ֣ה (bimsila) = op een pad | אַחַ֗ת (achat) = één | הָלְכ֤וּ (halekhu) = gingen zij | הָלֹךְ֙ (halokh) = lopend | וְגָע֔וֹ (vegao) = en loeiden | וְלֹא (velo) = en niet | סָ֖רוּ (saru) = weken zij af | יָמִ֣ין (yamin) = naar rechts | וּשְׂמֹ֑אול (usemovl) = en naar links | וְסַרְנֵ֤י (vesarnei) = en de vorsten van | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | הֹלְכִ֣ים (holekhim) = gingen | אַחֲרֵיהֶ֔ם (achareihem) = achter hen | עַד (ad) = tot | גְּב֖וּל (gevul) = de grens van | בֵּ֥ית (beit) = Bet | שָֽׁמֶשׁ (shamesh) = Semes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Num 20:19 **6:13** Bet-Semes was bezig met de tarweoogst in het dal. Zij sloegen hun ogen op en zagen de ark. Zij waren blij haar te zien. Brontekst: וּבֵ֣ית (uveit) = en Bet | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | קֹצְרִ֥ים (qotserim) = maaiend | קְצִיר (qetsir) = de oogst van | חִטִּ֖ים (chitim) = tarwe | בָּעֵ֑מֶק (baemeq) = in het dal | וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en zij sloegen op | אֶת (et) = (obj.) | עֵינֵיהֶ֗ם (eineihem) = hun ogen | וַיִּרְאוּ֙ (vayiru) = en zagen | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אָר֔וֹן (haaron) = de ark | וַֽיִּשְׂמְח֖וּ (vayismechu) = en zij waren blij | לִרְאֽוֹת (lirot) = te zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. **6:14** De wagen kwam in het veld van Jozua uit Bet-Semes en bleef daar staan. Daar lag een grote steen. Zij hakten het hout van de wagen aan stukken. De koeien droegen zij op als brandoffer voor Yahweh. Brontekst: וְהָעֲגָלָ֡ה (vehaagala) = en de wagen | בָּ֠אָה (baa) = kwam | אֶל (el) = naar | שְׂדֵ֨ה (sede) = het veld van | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | בֵּֽית (beit) = uit Bet | הַשִּׁמְשִׁי֙ (hashimshi) = Hasjimsji | וַתַּעֲמֹ֣ד (vataamod) = en bleef staan | שָׁ֔ם (sham) = daar | וְשָׁ֖ם (vesham) = en daar | אֶ֣בֶן (even) = steen | גְּדוֹלָ֑ה (gedola) = grote | וַֽיְבַקְּעוּ֙ (vayvaqeu) = en zij hakten aan stukken | אֶת (et) = (obj.) | עֲצֵ֣י (atsei) = het hout van | הָעֲגָלָ֔ה (haagala) = de wagen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֨פָּר֔וֹת (haparot) = de koeien | הֶעֱל֥וּ (heelu) = droegen zij op | עֹלָ֖ה (ola) = als brandoffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Voetnoot Uitleg: בֵּית הַשִּׁמְשִׁי (beit hashimshi), ‘uit Bet-Semes’: Jozua is een inwoner van Bet-Semes. Hij is een andere man dan Jozua, de zoon van Nun. Zie ook: Re 21:4; 1 Sam 7:9–17; 1 Sam 11:5; 1 Sam 20:29; 2 Sam 24:22 **6:15** De Levieten haalden de ark van Yahweh naar beneden, met de kist die erbij stond en waarin de gouden voorwerpen lagen. Zij zetten die op de grote steen. De mannen van Bet-Semes droegen die dag brandoffers op en brachten slachtoffers aan Yahweh. Brontekst: וְהַלְוִיִּ֞ם (vehalviyim) = en de Levieten | הוֹרִ֣ידוּ (horidu) = brachten naar beneden | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַרְגַּ֤ז (haargaz) = de kist | אֲשֶׁר (asher) = die | אִתּוֹ֙ (ito) = bij haar | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֣וֹ (bo) = daarin | כְלֵֽי (kelei) = voorwerpen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | וַיָּשִׂ֖מוּ (vayasimu) = en zij zetten | אֶל (el) = op | הָאֶ֣בֶן (haeven) = de steen | הַגְּדוֹלָ֑ה (hagedola) = de grote | וְאַנְשֵׁ֣י (veanshei) = en de mannen van | בֵֽית (beit) = Bet | שֶׁ֗מֶשׁ (shemesh) = Semes | הֶעֱל֨וּ (heelu) = droegen op | עֹל֜וֹת (olot) = brandoffers | וַֽיִּזְבְּח֧וּ (vayizbechu) = en slachtten | זְבָחִ֛ים (zevachim) = slachtoffers | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op die | הַה֖וּא (hahu) = dag | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Voetnoot Uitleg: Alleen de Levieten mochten de ark dragen en neerzetten, zie Num. 4:15 en Deut. 10:8. Bet-Semes was een stad voor de priesters (Joz. 21:16). Zie ook: Num 4:15; Deut 10:8; Joz 3:3; Joz 21:16 **6:16** De vijf vorsten van de Filistijnen zagen het. Op diezelfde dag keerden zij terug naar Ekron. Brontekst: וַחֲמִשָּׁ֥ה (vachamisha) = en de vijf | סַרְנֵֽי (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | רָא֑וּ (rau) = zagen | וַיָּשֻׁ֥בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | עֶקְר֖וֹן (eqron) = naar Ekron | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = diezelfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Zie ook: Joz 13:3; Re 3:3; Re 16:23–30; 1 Sam 6:4; 1 Sam 6:12 **6:17** Dit zijn de gouden gezwellen die de Filistijnen als schuldoffer aan Yahweh teruggaven. Voor Asdod één, voor Gaza één, voor Askelon één, voor Gat één, voor Ekron één. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | טְחֹרֵ֣י (techorei) = de gezwellen van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֵשִׁ֧יבוּ (heshivu) = teruggaven | פְלִשְׁתִּ֛ים (pelishtim) = de Filistijnen | אָשָׁ֖ם (asham) = als schuldoffer | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | לְאַשְׁדּ֨וֹד (leashdod) = voor Asdod | אֶחָ֜ד (echad) = één | לְעַזָּ֤ה (leaza) = voor Gaza | אֶחָד֙ (echad) = één | לְאַשְׁקְל֣וֹן (leashqelon) = voor Askelon | אֶחָ֔ד (echad) = één | לְגַ֥ת (legat) = voor Gat | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְעֶקְר֥וֹן (leeqron) = voor Ekron | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vijf steden van de Filistijnen zijn Asdod, Gaza, Askelon, Gat en Ekron (Joz. 13:3). Gaza ligt in de Gazastrook, Askelon bij Ashkelon in Israël, Asdod en Ekron liggen ook in Israël. Gat ligt waarschijnlijk bij Tel es-Safi. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Joz 13:3; Re 16:21; 1 Sam 5:8; 2 Sam 1:20; 2 Kon 1:2; Amos 1:7–8 **6:18** De gouden muizen waren naar het aantal van alle steden van de Filistijnen, van de vijf vorsten. Het ging van de ommuurde stad tot het dorp zonder muren en tot aan de grote Abel, waarop zij de ark van Yahweh hadden neergezet. Zij is er tot op deze dag, in het veld van Jozua uit Bet-Semes. Brontekst: וְעַכְבְּרֵ֣י (veakhberei) = en de muizen van | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | מִסְפַּ֞ר (mispar) = het aantal van | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֤י (arei) = steden van | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | לַחֲמֵ֣שֶׁת (lachameshet) = voor de vijf | הַסְּרָנִ֔ים (haseranim) = vorsten | מֵעִ֣יר (meir) = van de stad | מִבְצָ֔ר (mivtsar) = versterkt | וְעַ֖ד (vead) = en tot | כֹּ֣פֶר (kofer) = dorp | הַפְּרָזִ֑י (haperazi) = zonder muren | וְעַ֣ד (vead) = en tot | אָבֵ֣ל (avel) = Abel | הַגְּדוֹלָ֗ה (hagedola) = de grote | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | הִנִּ֤יחוּ (hinichu) = zij hadden neergezet | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = op haar | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַ֚ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | בִּשְׂדֵ֥ה (bisde) = in het veld van | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | בֵּֽית (beit) = uit Bet | הַשִּׁמְשִֽׁי (hashimshi) = Hasjimsji Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Voetnoot Uitleg: כֹּפֶר הַפְּרָזִי (kofer happerazi), ‘dorp zonder muren’: een open dorp op het platteland. Voetnoot Lezing: Er staat אָבֵל (Abel), ‘weide’. In de verzen 14 en 15 gaat het over ‘de grote steen’ (אֶבֶן, even). Waarschijnlijk is dezelfde plaats bedoeld. Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen ‘Abel’. De ligging van deze plek is onzeker. Zie ook: Deut 3:5; Joz 13:3; 1 Sam 6:14–16 ### Yahweh slaat Bet-Semes **6:19** Hij sloeg de mannen van Bet-Semes, omdat zij naar de ark van Yahweh hadden gekeken. Onder het volk sloeg Hij 70 man, 50.000 man. Het volk rouwde, want Yahweh had het volk met een grote slag geslagen. Brontekst: וַיַּ֞ךְ (vayakh) = en Hij sloeg | בְּאַנְשֵׁ֣י (beanshei) = de mannen van | בֵֽית (beit) = Bet | שֶׁ֗מֶשׁ (shemesh) = Semes | כִּ֤י (ki) = omdat | רָאוּ֙ (rau) = zij hadden gekeken | בַּאֲר֣וֹן (baaron) = naar de ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en Hij sloeg | בָּעָם֙ (baam) = onder het volk | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | אִ֔ישׁ (ish) = man | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיִּֽתְאַבְּל֣וּ (vayitabelu) = en rouwde | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כִּֽי (ki) = want | הִכָּ֧ה (hika) = had geslagen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּעָ֖ם (baam) = onder het volk | מַכָּ֥ה (maka) = een slag | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Voetnoot Uitleg: רָאוּ בַּאֲרוֹן (ra’u ba’aron), ‘zij hadden naar de ark gekeken’. Het kan betekenen dat zij in de ark keken, of dat zij er oneerbiedig naar keken. Zie Num. 4:20, waar het verboden is om het heilige te zien. Voetnoot Lezing: Het getal ‘70 man, 50.000 man’ staat zo in de Masoretische tekst. Het is ongewoon voor een kleine stad. Wij volgen de tekst letterlijk. Zie ook: Ex 19:21; Num 4:15; Num 4:20; 2 Sam 6:7; Kol 2:18 **6:20** De mannen van Bet-Semes zeiden: „Wie kan standhouden voor het aangezicht van Yahweh, deze heilige Elohim? En naar wie moet Hij van ons weggaan?” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | בֵֽית (beit) = Bet | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | מִ֚י (mi) = wie | יוּכַ֣ל (yukhal) = kan | לַעֲמֹ֔ד (laamod) = standhouden | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = de Elohim | הַקָּד֖וֹשׁ (haqadosh) = de heilige | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְאֶל (veel) = en naar | מִ֖י (mi) = wie | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = gaat Hij omhoog | מֵעָלֵֽינוּ (mealeinu) = van ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Zie ook: Lev 11:45; 2 Sam 6:9; Ps 76:8; Mal 3:2; Openb 6:17 ### De ark gaat naar Kirjat-Jearim **6:21** Zij stuurden boden naar de inwoners van Kirjat-Jearim. Zij zeiden: „De Filistijnen hebben de ark van Yahweh teruggebracht. Kom naar beneden en breng haar naar jullie omhoog.” Brontekst: וַֽיִּשְׁלְחוּ֙ (vayishlechu) = en zij stuurden | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | יוֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = de inwoners van | קִרְיַת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֖ים (yearim) = Jearim | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הֵשִׁ֤בוּ (heshivu) = hebben teruggebracht | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רְד֕וּ (redu) = kom naar beneden | הַעֲל֥וּ (haalu) = breng omhoog | אֹת֖וֹ (oto) = haar | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = naar jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh, ten westen van Jeruzalem, in Israël. De ligging is niet helemaal zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Joz 9:17; Joz 15:9; Joz 18:14; 1 Kron 13:5–6; Jer 7:14 ## 1 Samuël 7 _Mizpa en Ebenezer: Samuël als rechter_ ### De ark in het huis van Abinadab **7:1** De mannen van Kirjat-Jearim kwamen en brachten de ark van Yahweh omhoog. Zij brachten haar naar het huis van Abinadab op de heuvel. Zijn zoon Eleazar heiligden zij om de ark van Yahweh te bewaren. Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en kwamen | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֗ים (yearim) = Jearim | וַֽיַּעֲלוּ֙ (vayaalu) = en brachten omhoog | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּבִ֣אוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֲבִינָדָ֖ב (avinadav) = Abinadab | בַּגִּבְעָ֑ה (bagiva) = op de heuvel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶלְעָזָ֤ר (elazar) = Eleazar | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | קִדְּשׁ֔וּ (qideshu) = heiligden zij | לִשְׁמֹ֖ר (lishmor) = om te bewaren | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh, ten westen van Jeruzalem, in Israël. De ligging is niet helemaal zeker. Voetnoot Uitleg: קִדְּשׁוּ (qiddeshu), ‘zij heiligden’: Eleazar wordt afgezonderd voor de zorg voor de ark. Het huis van Abinadab komt ook voor in 2 Sam. 6:3. Zie ook: 1 Sam 6:21; 2 Sam 6:2–4; 2 Sam 6:3; 1 Kron 13:5–7; Ps 132:6; Jes 52:11 **7:2** Vanaf de dag dat de ark in Kirjat-Jearim bleef, werden de dagen veel. Het werden 20 jaar. Heel het huis van Israël klaagde verlangend naar Yahweh. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | מִיּ֞וֹם (miyom) = vanaf de dag | שֶׁ֤בֶת (shevet) = het blijven van | הָֽאָרוֹן֙ (haaron) = de ark | בְּקִרְיַ֣ת (beqiryat) = in Kirjat | יְעָרִ֔ים (yearim) = Jearim | וַיִּרְבּוּ֙ (vayirbu) = en werden veel | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וַיִּֽהְי֖וּ (vayihyu) = en werden het | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיִּנָּה֛וּ (vayinahu) = en klaagde | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אַחֲרֵ֥י (acharei) = naar | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּהוּ (vayyinnahu), ‘klaagde verlangend’: dit werkwoord komt zelden voor. Het gaat om een klacht, een zoeken naar Yahweh vol verdriet. De twintig jaar lopen vanaf de komst van de ark in Kirjat-Jearim. Zie ook: Re 2:4; Jer 3:13; Jer 3:22–25; Jer 31:9; Mat 5:4 ### Samuël roept Israël terug tot Yahweh **7:3** Samuël zei tegen heel het huis van Israël. Hij zei: „Als jullie met heel jullie hart terugkeren naar Yahweh, doe dan de vreemde goden weg uit jullie midden, en de Astarten. Richt jullie hart op Yahweh en dien Hem alleen. Dan zal Hij jullie redden uit de hand van de Filistijnen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | אִם (im) = als | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶ֗ם (levavkhem) = jullie hart | אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | שָׁבִים֙ (shavim) = terugkeren | אֶל (el) = naar | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָסִ֜ירוּ (hasiru) = doe weg | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֧י (elohei) = de goden van | הַנֵּכָ֛ר (hanekhar) = de vreemde | מִתּוֹכְכֶ֖ם (mitokhekhem) = uit jullie midden | וְהָעַשְׁתָּר֑וֹת (vehaashtarot) = en de Astarten | וְהָכִ֨ינוּ (vehakhinu) = en richt | לְבַבְכֶ֤ם (levavkhem) = jullie hart | אֶל (el) = op | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְעִבְדֻ֣הוּ (veivduhu) = en dien Hem | לְבַדּ֔וֹ (levado) = alleen | וְיַצֵּ֥ל (veyatsel) = en Hij zal redden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי הַנֵּכָר (elohei hannekhar), ‘vreemde goden’: de goden van andere volken. עַשְׁתָּרוֹת (ashtarot), ‘Astarten’: vrouwelijke godheden, naast Baäl (vers 4). Voetnoot : Terugkeren ‘met heel jullie hart’: zie Deut. 30:2. Zie ook: Deut 6:13; Deut 13:5; Deut 30:2; 1 Sam 7:4; Jes 55:7; Mat 4:10; Luc 4:8 **7:4** De zonen van Israël deden de Baäls en de Astarten weg. Zij dienden Yahweh alleen. Brontekst: וַיָּסִ֨ירוּ֙ (vayasiru) = en deden weg | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּעָלִ֖ים (habealim) = de Baäls | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעַשְׁתָּרֹ֑ת (haashtarot) = de Astarten | וַיַּעַבְד֥וּ (vayaavdu) = en dienden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְבַדּֽוֹ (levado) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 2:11; Re 2:13; 1 Kon 11:33; Hos 14:4; Hos 14:9 **7:5** Samuël zei: „Verzamel heel Israël in Mizpa. Dan zal ik voor jullie bidden tot Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | קִבְצ֥וּ (qivtsu) = verzamel | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הַמִּצְפָּ֑תָה (hamitspata) = naar Mizpa | וְאֶתְפַּלֵּ֥ל (veetpalel) = en ik zal bidden | בַּעַדְכֶ֖ם (baadkhem) = voor jullie | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Re 20:1; 1 Sam 12:23; 2 Kon 25:23; Joël 2:16; Neh 9:1 **7:6** Zij kwamen samen in Mizpa, schepten water en goten het uit voor het aangezicht van Yahweh. Die dag vastten zij. Zij zeiden daar: „Wij hebben gezondigd tegen Yahweh.” Samuël sprak recht over de zonen van Israël in Mizpa. Brontekst: וַיִּקָּבְצ֣וּ (vayiqavetsu) = en zij kwamen samen | הַ֠מִּצְפָּתָה (hamitspata) = naar Mizpa | וַיִּֽשְׁאֲבוּ (vayishavu) = en schepten | מַ֜יִם (mayim) = water | וַֽיִּשְׁפְּכ֣וּ (vayishpekhu) = en goten uit | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּצ֨וּמוּ֙ (vayatsumu) = en vastten | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | שָׁ֔ם (sham) = daar | חָטָ֖אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = tegen Yahweh | וַיִּשְׁפֹּ֧ט (vayishpot) = en sprak recht | שְׁמוּאֵ֛ל (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּמִּצְפָּֽה (bamitspa) = in Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa ligt waarschijnlijk bij Tel en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in de Palestijnse gebieden. Een ander voorstel is Nebi Samwil. Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁאֲבוּ מַיִם וַיִּשְׁפְּכוּ (vayyish’avu mayim vayyishpeku), ‘zij schepten water en goten het uit’: de betekenis van deze handeling is niet vastgesteld. Het is waarschijnlijk een teken van berouw, een uitgieten van zichzelf voor Yahweh. Voetnoot : וַיִּשְׁפֹּט (vayyishpot), ‘sprak recht’: Samuël is hier rechter, zoals de rechters in het boek Richteren. Zie ook: Re 10:10; 1 Sam 1:15; 2 Sam 14:14; Ps 62:9; Ps 106:6 ### De Filistijnen trekken op naar Mizpa **7:7** De Filistijnen hoorden dat de zonen van Israël zich in Mizpa hadden verzameld. De vorsten van de Filistijnen trokken op tegen Israël. De zonen van Israël hoorden het en kregen angst voor de Filistijnen. Brontekst: וַיִּשְׁמְע֣וּ (vayishmeu) = en hoorden | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | כִּֽי (ki) = dat | הִתְקַבְּצ֤וּ (hitqabetsu) = zich hadden verzameld | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הַמִּצְפָּ֔תָה (hamitspata) = naar Mizpa | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en trokken op | סַרְנֵֽי (sarnei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֶל (el) = tegen | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיִּשְׁמְעוּ֙ (vayishmeu) = en hoorden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽרְא֖וּ (vayiru) = en kregen angst | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | פְלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Ex 14:10; 1 Sam 13:6; 1 Sam 17:11; 2 Kron 20:3 **7:8** De zonen van Israël zeiden tegen Samuël: „Zwijg niet voor ons. Blijf roepen tot Yahweh, onze Elohim. Dan redt Hij ons uit de hand van de Filistijnen.” Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | אַל (al) = niet | תַּחֲרֵ֣שׁ (tacharesh) = zwijg | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = voor ons | מִזְּעֹ֖ק (mizeoq) = om te roepen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וְיֹשִׁעֵ֖נוּ (veyoshienu) = dat Hij ons redt | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 12:19–24; Jes 37:4; Jes 62:1; Jes 62:6–7; Jak 5:16 **7:9** Samuël nam een zuiglam en droeg het helemaal als brandoffer op aan Yahweh. Samuël riep om hulp tot Yahweh voor Israël. Yahweh antwoordde hem. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | טְלֵ֤ה (tele) = zuiglam | חָלָב֙ (chalav) = melk | אֶחָ֔ד (echad) = één | וַיַּעֲלֵ֧הוּ (vayaalehu) = en droeg het op | עוֹלָ֛ה (ola) = als brandoffer | כָּלִ֖יל (kalil) = geheel | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וַיִּזְעַ֨ק (vayizaq) = en riep om hulp | שְׁמוּאֵ֤ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּעַ֣ד (bead) = voor | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַֽיַּעֲנֵ֖הוּ (vayaanehu) = en antwoordde hem | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טְלֵה חָלָב (teleh chalav), ‘zuiglam’: een lam dat nog melk drinkt. Voetnoot : עוֹלָה כָּלִיל (olah kalil), ‘geheel brandoffer’: het hele dier gaat in rook op. Zie Lev. 6:15 en Deut. 33:10. Zie ook: Lev 6:15; Deut 33:10; 1 Sam 7:17; 1 Sam 16:2; Ps 50:15; Ps 99:6; Jer 15:1 **7:10** Terwijl Samuël het brandoffer opdroeg, kwamen de Filistijnen naderbij voor de strijd tegen Israël. Op die dag donderde Yahweh met groot geluid over de Filistijnen. Hij bracht hen in verwarring en zij werden verslagen voor het aangezicht van Israël. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het gebeurde | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | מַעֲלֶ֣ה (maale) = opdragend | הָעוֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | וּפְלִשְׁתִּ֣ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | נִגְּשׁ֔וּ (nigeshu) = naderden | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = voor de strijd | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיַּרְעֵ֣ם (vayarem) = en Hij donderde | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | בְּקוֹל (beqol) = met geluid | גָּ֠דוֹל (gadol) = groot | בַּיּ֨וֹם (bayom) = op die | הַה֤וּא (hahu) = dag | עַל (al) = over | פְּלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | וַיְהֻמֵּ֔ם (vayhumem) = en bracht hen in verwarring | וַיִּנָּגְפ֖וּ (vayinagefu) = en zij werden verslagen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: וַיַּרְעֵם (vayyar’em), ‘Hij donderde’: Yahweh laat zijn stem als donder horen. וַיְהֻמֵּם (vayhummem), ‘bracht hen in verwarring’: zoals in Joz. 10:10. Zie ook: Joz 10:10; Re 5:20; 1 Sam 2:10; 1 Sam 12:17; 2 Sam 22:14–15 **7:11** De mannen van Israël trokken uit Mizpa, achtervolgden de Filistijnen en sloegen hen tot onder Bet-Kar. Brontekst: וַיֵּ֨צְא֜וּ (vayetseu) = en trokken uit | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִן (min) = uit | הַמִּצְפָּ֔ה (hamitspa) = Mizpa | וַֽיִּרְדְּפ֖וּ (vayirdefu) = en achtervolgden | אֶת (et) = (obj.) | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיַּכּ֕וּם (vayakum) = en sloegen hen | עַד (ad) = tot | מִתַּ֖חַת (mitachat) = onder | לְבֵ֥ית (leveit) = Bet | כָּֽר (kar) = Kar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Kar is onbekend. De ligging is onzeker; het ligt ten westen van Mizpa, op de weg naar de kust. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. ### Ebenezer: de steen van de hulp **7:12** Samuël nam een steen en zette die tussen Mizpa en Sen. Hij gaf haar de naam Ebenezer en zei: „Tot hier heeft Yahweh ons geholpen.” Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | שְׁמוּאֵ֜ל (shemuel) = Samuël | אֶ֣בֶן (even) = steen | אַחַ֗ת (achat) = één | וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en zette | בֵּֽין (bein) = tussen | הַמִּצְפָּה֙ (hamitspa) = Mizpa | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַשֵּׁ֔ן (hashen) = Sen | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en noemde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמָ֖הּ (shemah) = haar naam | אֶ֣בֶן (even) = Eben | הָעָ֑זֶר (haazer) = Ezer | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en zei | עַד (ad) = tot | הֵ֖נָּה (hena) = hier | עֲזָרָ֥נוּ (azaranu) = heeft ons geholpen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Sen is onzeker. Het ligt ergens ten westen van Mizpa. Voetnoot Uitleg: אֶבֶן הָעֵזֶר (even ha-ezer), ‘steen van de hulp’: Samuël geeft de steen deze naam. De plaatsnaam Ebenezer komt eerder voor in 1 Sam. 4:1 en 5:1. Zie ook: Gen 22:14; Gen 35:14; Joz 4:9; 1 Sam 4:1; 1 Sam 5:1; Hand 26:22; 2 Kor 1:10 **7:13** De Filistijnen werden onderworpen. Zij kwamen niet meer in het gebied van Israël. De hand van Yahweh was tegen de Filistijnen, alle dagen van Samuël. Brontekst: וַיִּכָּֽנְעוּ֙ (vayikaneu) = en werden onderworpen | הַפְּלִשְׁתִּ֔ים (hapelishtim) = de Filistijnen | וְלֹא (velo) = en niet | יָסְפ֣וּ (yasefu) = zij gingen verder | ע֔וֹד (od) = meer | לָב֖וֹא (lavo) = om te komen | בִּגְב֣וּל (bigvul) = in het gebied van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַתְּהִ֤י (vatehi) = en was | יַד (yad) = de hand van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בַּפְּלִשְׁתִּ֔ים (bapelishtim) = tegen de Filistijnen | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | שְׁמוּאֵֽל (shemuel) = Samuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: וַיִּכָּנְעוּ (vayyikkane’u), ‘werden onderworpen’: de Filistijnen buigen onder de macht van Israël. Zie ook: Re 13:1; Re 13:5; 1 Sam 14:20–23; 1 Sam 17:49–53; 1 Sam 28:3–5 **7:14** De steden die de Filistijnen van Israël hadden genomen, kwamen terug bij Israël, van Ekron tot Gat. Ook hun gebied redde Israël uit de hand van de Filistijnen. Er was vrede tussen Israël en de Amoriet. Brontekst: וַתָּשֹׁ֣בְנָה (vatashovena) = en kwamen terug | הֶעָרִ֡ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לָֽקְחוּ (laqechu) = hadden genomen | פְלִשְׁתִּים֩ (pelishtim) = de Filistijnen | מֵאֵ֨ת (meet) = van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = bij Israël | מֵעֶקְר֣וֹן (meeqron) = van Ekron | וְעַד (vead) = en tot | גַּ֔ת (gat) = Gat | וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | גְּבוּלָ֔ן (gevulan) = hun gebied | הִצִּ֥יל (hitsil) = redde | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיְהִ֣י (vayhi) = en er was | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | בֵּ֥ין (bein) = tussen | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הָאֱמֹרִֽי (haemori) = de Amoriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ekron ligt waarschijnlijk bij Tel Miqne en Gat bij Tel es-Safi, beide in Israël. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: הָאֱמֹרִי (ha’emori), ‘de Amoriet’: de bewoners van het bergland, hier als verzamelnaam voor de volken van Kanaän. Zie ook: Deut 7:2; Deut 7:16; Re 4:17; Ps 106:34 ### Samuël als rechter in Israël **7:15** Samuël sprak recht over Israël, alle dagen van zijn leven. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּ֤ט (vayishpot) = en sprak recht | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיָּֽיו (chayav) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 2:16; 1 Sam 7:6; 1 Sam 12:1; 1 Sam 25:1; Hand 13:20–21 **7:16** Elk jaar ging hij rond langs Betel, Gilgal en Mizpa. Op al die plaatsen sprak hij recht over Israël. Brontekst: וְהָלַ֗ךְ (vehalakh) = en hij ging | מִדֵּ֤י (midei) = elk | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | בְּשָׁנָ֔ה (beshana) = in het jaar | וְסָבַב֙ (vesavav) = en ging rond | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֔ל (el) = El | וְהַגִּלְגָּ֖ל (vehagilgal) = en Gilgal | וְהַמִּצְפָּ֑ה (vehamitspa) = en Mizpa | וְשָׁפַט֙ (veshafat) = en sprak recht | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמְּקוֹמ֖וֹת (hameqomot) = de plaatsen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel (Hebreeuws: Bet-El) ligt bij Beitin, in de Palestijnse gebieden. De ligging van Gilgal is onzeker; het ligt waarschijnlijk in de buurt van Jericho. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Re 5:10; Re 10:4; Re 12:14; Ps 75:3; Ps 82:3–4 **7:17** Hij keerde terug naar Rama, want daar was zijn huis. Daar sprak hij recht over Israël. Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh. Brontekst: וּתְשֻׁבָת֤וֹ (uteshuvato) = en zijn terugkeer | הָרָמָ֨תָה֙ (haramata) = naar Rama | כִּֽי (ki) = want | שָׁ֣ם (sham) = daar | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וְשָׁ֖ם (vesham) = en daar | שָׁפָ֣ט (shafat) = sprak hij recht | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽבֶן (vayiven) = en bouwde | שָׁ֥ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = altaar | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Rama is onzeker. Het ligt in het bergland van Efraïm, waarschijnlijk ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Over de plaats waar Israël mag offeren staat de wet in Deut. 12:13–14. Hier meldt de tekst alleen dat Samuël in Rama een altaar bouwde. Zie ook: Deut 12:13–14; Re 21:4–5; 1 Sam 1:1; 1 Sam 1:19; 1 Sam 8:4; 1 Sam 19:18–23 ## 1 Samuël 8 _Israël vraagt om een koning_ ### De zonen van Samuël **8:1** Toen Samuël oud werd, stelde hij zijn zonen aan als rechters over Israël. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het gebeurde | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = toen | זָקֵ֖ן (zaqen) = werd oud | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | וַיָּ֧שֶׂם (vayasem) = en hij stelde aan | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | שֹׁפְטִ֖ים (shofetim) = rechters | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = over Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁפְטִים (shofetim), ‘rechters’: hetzelfde woord als in het boek Richteren. Samuël zelf sprak recht in 1 Sam. 7:15–17. Zie ook: Deut 16:18–19; Re 8:22–23; Re 12:14; 1 Sam 7:15–17; 2 Kron 19:5–6; 1 Tim 5:21 **8:2** De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël. De naam van zijn tweede was Abia. Zij waren rechters in Beër-Sjeba. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en was | שֶׁם (shem) = de naam van | בְּנ֤וֹ (beno) = zijn zoon | הַבְּכוֹר֙ (habekhor) = de eerstgeborene | יוֹאֵ֔ל (yoel) = Joël | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | מִשְׁנֵ֖הוּ (mishnehu) = zijn tweede | אֲבִיָּ֑ה (aviya) = Abia | שֹׁפְטִ֖ים (shofetim) = rechters | בִּבְאֵ֥ר (biver) = in Beër | שָֽׁבַע (shava) = Sjeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër-Sjeba ligt bij Tel Beër-Sjeba, in het zuiden van Israël. Het is de zuidgrens van het land, ver van Rama. Zie ook: Gen 22:19; 1 Kron 6:13; 1 Kron 6:23; 1 Kon 19:3; Amos 5:5 **8:3** Zijn zonen liepen niet in zijn wegen. Zij bogen af, achter het gewin aan. Zij namen steekpenningen en bogen het recht. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | הָלְכ֤וּ (halekhu) = liepen | בָנָיו֙ (banav) = zijn zonen | בִּדְרָכָ֔יו (bidrakhav) = in zijn wegen | וַיִּטּ֖וּ (vayitu) = en zij weken af | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הַבָּ֑צַע (habatsa) = het gewin | וַיִּ֨קְחוּ (vayiqchu) = en zij namen | שֹׁ֔חַד (shochad) = steekpenning | וַיַּטּ֖וּ (vayatu) = en zij bogen | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּצַע (betsa), ‘gewin’: winst die iemand voor zichzelf neemt. שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: zoals in Exod. 23:8 en Deut. 16:19. Voetnoot Lezing: In de tekst (ketiv) staat בדרכו (bidrakho), ‘in zijn weg’; de lezing (qere) is בדרכיו (bidrakhav), ‘in zijn wegen’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ex 18:21; Ex 23:8; Deut 16:19; Ps 15:5; 1 Tim 6:10 ### De oudsten vragen om een koning **8:4** Alle oudsten van Israël kwamen bijeen en gingen naar Samuël in Rama. Brontekst: וַיִּֽתְקַבְּצ֔וּ (vayitqabetsu) = en kwamen bijeen | כֹּ֖ל (kol) = alle | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | אֶל (el) = naar | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | הָרָמָֽתָה (haramata) = naar Rama Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie ook: Ex 3:16; Ex 24:1; 1 Sam 7:17; 2 Sam 5:3 **8:5** Zij zeiden tegen hem: „Zie, jij bent oud geworden en je zonen lopen niet in jouw wegen. Stel nu een koning voor ons aan om ons recht te spreken, zoals alle volken.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | הִנֵּה֙ (hine) = zie | אַתָּ֣ה (ata) = jij | זָקַ֔נְתָּ (zaqanta) = bent oud geworden | וּבָנֶ֕יךָ (uvaneikha) = en je zonen | לֹ֥א (lo) = niet | הָלְכ֖וּ (halekhu) = lopen | בִּדְרָכֶ֑יךָ (bidrakheikha) = in jouw wegen | עַתָּ֗ה (ata) = nu | שִֽׂימָה (sima) = stel aan | לָּ֥נוּ (lanu) = voor ons | מֶ֛לֶךְ (melekh) = een koning | לְשָׁפְטֵ֖נוּ (leshafetenu) = om ons recht te spreken | כְּכָל (kekhal) = zoals alle | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama ligt waarschijnlijk in het bergland van Efraïm, ten noorden van Jeruzalem. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: שִׂימָה לָּנוּ מֶלֶךְ (simah lanu melekh), ‘stel een koning voor ons aan’: de koningswet van Deut. 17:14–15 noemt dezelfde woorden: ‘laat ik een koning over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij’. Daar kiest Yahweh de koning. Zie ook: Deut 17:14–15; 1 Sam 8:6–8; 1 Sam 8:19–20; 1 Sam 12:17; Hos 13:10–11 **8:6** Het woord was slecht in de ogen van Samuël, omdat zij zeiden: „Geef ons een koning om ons recht te spreken.” Samuël bad tot Yahweh. Brontekst: וַיֵּ֤רַע (vayera) = en was slecht | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = omdat | אָמְר֔וּ (ameru) = zij zeiden | תְּנָה (tena) = geef | לָּ֥נוּ (lanu) = ons | מֶ֖לֶךְ (melekh) = een koning | לְשָׁפְטֵ֑נוּ (leshafetenu) = om ons recht te spreken | וַיִּתְפַּלֵּ֥ל (vayitpalel) = en bad | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַע (ra), ‘slecht’: Samuël neemt het de oudsten kwalijk. Hij brengt het eerst naar Yahweh, in een gebed. Zie ook: Ex 32:21; 1 Sam 12:17; 1 Sam 15:11; Luc 6:11–12; Jak 1:5 ### Yahweh antwoordt Samuël **8:7** Yahweh zei tegen Samuël: **„Luister naar de stem van het volk, in alles wat zij tegen je zeggen. Want niet jou hebben zij verworpen. Mij hebben zij verworpen als koning over hen.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | שְׁמַע֙ (shema) = luister | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לְכֹ֥ל (lekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֹאמְר֖וּ (yomru) = zij zeggen | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = tot jou | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | אֹֽתְךָ֙ (otekha) = jou | מָאָ֔סוּ (maasu) = hebben zij verworpen | כִּֽי (ki) = want | אֹתִ֥י (oti) = Mij | מָאֲס֖וּ (maasu) = hebben zij verworpen | מִמְּלֹ֥ךְ (mimelokh) = als koning zijn | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier zelf; daarom staat dit in het rood. Vergelijk Richt. 8:23, waar Gideon zegt: ‘Yahweh zal over jullie heersen’, en 1 Sam. 12:12. Zie ook: Ex 16:8; Re 8:23; 1 Sam 10:19; 1 Sam 12:12; Hos 13:10–11; Luc 10:16; Luc 19:27 **8:8** **Het is zoals met al de daden die zij hebben gedaan vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte liet optrekken tot op deze dag. Zij verlieten Mij en dienden andere goden. Zo doen zij nu ook met jou.** Brontekst: כְּכָֽל (kekhal) = zoals alle | הַמַּעֲשִׂ֣ים (hamaasim) = de daden | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשׂ֗וּ (asu) = zij hebben gedaan | מִיּוֹם֩ (miyom) = vanaf de dag | הַעֲלֹתִ֨י (haaloti) = dat Ik liet optrekken | אֹתָ֤ם (otam) = hen | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = uit Egypte | וְעַד (vead) = en tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַיַּ֣עַזְבֻ֔נִי (vayaazvuni) = en zij verlieten Mij | וַיַּעַבְד֖וּ (vayaavdu) = en dienden | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | כֵּ֛ן (ken) = zo | הֵ֥מָּה (hema) = zij | עֹשִׂ֖ים (osim) = doen | גַּם (gam) = ook | לָֽךְ (lakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים אֲחֵרִים (elohim acherim), ‘andere goden’: zoals in Exod. 20:3. Zie ook: Ex 20:3; Ex 32:1; Re 2:2–3; Re 2:20; Re 13:1; Ps 106:34–40 **8:9** **Luister nu naar hun stem. Maar waarschuw hen goed en maak hun het recht bekend van de koning die over hen zal regeren.”** Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | שְׁמַ֣ע (shema) = luister | בְּקוֹלָ֑ם (beqolam) = naar hun stem | אַ֗ךְ (akh) = alleen | כִּֽי (ki) = dat | הָעֵ֤ד (haed) = waarschuw | תָּעִיד֙ (taid) = zul je waarschuwen | בָּהֶ֔ם (bahem) = hen | וְהִגַּדְתָּ֣ (vehigadta) = en maak bekend | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | מִשְׁפַּ֣ט (mishpat) = het recht van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִמְלֹ֖ךְ (yimlokh) = zal regeren | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֵד תָּעִיד (ha’ed ta’id), ‘waarschuw goed’: een nadrukkelijke waarschuwing, letterlijk ‘getuig zeker tegen hen’. Voetnoot : מִשְׁפַּט הַמֶּלֶךְ (mishpat hammelekh), ‘het recht van de koning’: dit kan betekenen ‘wat de koning mag’ of ‘hoe de koning zich zal gedragen’. Wij vertalen volgens ons vaste woord ‘recht’. Zie ook: 1 Sam 8:11–18; 1 Sam 10:25; 1 Sam 14:52; Ezech 3:18; Ezech 46:18 ### Het recht van de koning **8:10** Samuël zei alle woorden van Yahweh tegen het volk dat een koning van hem vroeg. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | הָעָ֕ם (haam) = het volk | הַשֹּׁאֲלִ֥ים (hashoalim) = die vroegen | מֵאִתּ֖וֹ (meito) = van hem | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:11** Hij zei: „Dit zal het recht zijn van de koning die over jullie regeert. Hij zal jullie zonen nemen en ze voor zich inzetten bij zijn wagen en zijn ruiters. Zij zullen voor zijn wagen uit rennen. Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | זֶ֗ה (ze) = dit | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | מִשְׁפַּ֣ט (mishpat) = het recht van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִמְלֹ֖ךְ (yimlokh) = zal regeren | עֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = over jullie | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיכֶ֣ם (beneikhem) = jullie zonen | יִקָּ֗ח (yiqach) = zal hij nemen | וְשָׂ֥ם (vesam) = en zal inzetten | לוֹ֙ (lo) = voor zich | בְּמֶרְכַּבְתּ֣וֹ (bemerkavto) = bij zijn wagen | וּבְפָרָשָׁ֔יו (uvefarashav) = en bij zijn ruiters | וְרָצ֖וּ (veratsu) = en zij zullen rennen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | מֶרְכַּבְתּֽוֹ (merkavto) = zijn wagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶרְכָּבָה (merkavah), ‘wagen’ en פָּרָשִׁים (parashim), ‘ruiters’: de koning vormt een leger met wagens en paarden. De koningswet verbiedt de koning veel paarden te houden (Deut. 17:16). Zie ook: Deut 17:14–20; Deut 17:16; 1 Sam 10:25; 1 Sam 14:52; 2 Sam 15:1; 1 Kon 10:26 **8:12** Hij zal ze aanstellen als oversten van duizend en oversten van vijftig. Hij zal ze zijn akker laten ploegen en zijn oogst laten maaien. Zij moeten zijn wapens voor de oorlog maken en het gerei voor zijn wagens. Brontekst: וְלָשׂ֣וּם (velasum) = en om aan te stellen | ל֔וֹ (lo) = voor zich | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en oversten van | חֲמִשִּׁ֑ים (chamishim) = vijftig | וְלַחֲרֹ֤שׁ (velacharosh) = en om te ploegen | חֲרִישׁוֹ֙ (charisho) = zijn ploegwerk | וְלִקְצֹ֣ר (veliqtsor) = en om te maaien | קְצִיר֔וֹ (qetsiro) = zijn oogst | וְלַעֲשׂ֥וֹת (velaasot) = en om te maken | כְּלֵֽי (kelei) = de wapens van | מִלְחַמְתּ֖וֹ (milchamto) = zijn oorlog | וּכְלֵ֥י (ukhelei) = en het gerei van | רִכְבּֽוֹ (rikhbo) = zijn wagens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 22:7; 1 Kron 27:1–22; 1 Kon 4:7; 1 Kon 5:7–8; 2 Kron 32:28–29 **8:13** Ook jullie dochters zal hij nemen als zalfmaaksters, koksen en bakkers. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֵיכֶ֖ם (benoteikhem) = jullie dochters | יִקָּ֑ח (yiqach) = zal hij nemen | לְרַקָּח֥וֹת (leraqachot) = als zalfmaaksters | וּלְטַבָּח֖וֹת (uletabachot) = en als koksen | וּלְאֹפֽוֹת (uleofot) = en als bakkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַקָּחוֹת (raqqachot), ‘zalfmaaksters’: vrouwen die zalf en reukwerk maken. **8:14** Jullie akkers, jullie wijngaarden en jullie olijfbomen, de beste, zal hij nemen en aan zijn dienaren geven. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׂ֠דֽוֹתֵיכֶם (sedoteikhem) = jullie akkers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּרְמֵיכֶ֧ם (karmeikhem) = jullie wijngaarden | וְזֵיתֵיכֶ֛ם (vezeiteikhem) = en jullie olijfbomen | הַטּוֹבִ֖ים (hatovim) = de beste | יִקָּ֑ח (yiqach) = zal hij nemen | וְנָתַ֖ן (venatan) = en zal geven | לַעֲבָדָֽיו (laavadav) = aan zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 22:7; 1 Kon 21:7; 1 Kon 21:19; Ezech 46:18 **8:15** Van wat jullie zaaien en van jullie wijngaarden zal hij een tiende nemen. Dat zal hij aan zijn hovelingen en zijn dienaren geven. Brontekst: וְזַרְעֵיכֶ֥ם (vezareikhem) = en jullie zaad | וְכַרְמֵיכֶ֖ם (vekharmeikhem) = en jullie wijngaarden | יַעְשֹׂ֑ר (yasor) = zal hij tienden | וְנָתַ֥ן (venatan) = en zal geven | לְסָרִיסָ֖יו (lesarisav) = aan zijn hovelingen | וְלַעֲבָדָֽיו (velaavadav) = en aan zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַרְעֲכֶם (zar’akhem), ‘wat jullie zaaien’: letterlijk ‘jullie zaad’, hier het gewas van de akker. Voetnoot : סָרִיסִים (sarisim), ‘hovelingen’: mannen aan het hof van de koning. Zie ook: Gen 37:36; Jes 39:7; Dan 1:3; Dan 1:7–10; Dan 1:18 **8:16** Jullie dienaren, jullie dienaressen, jullie beste jongemannen en jullie ezels zal hij nemen en voor zijn eigen werk inzetten. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַבְדֵיכֶם֩ (avdeikhem) = jullie dienaren | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | שִׁפְח֨וֹתֵיכֶ֜ם (shifchoteikhem) = jullie dienaressen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּחוּרֵיכֶ֧ם (bachureikhem) = jullie jongemannen | הַטּוֹבִ֛ים (hatovim) = de beste | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמוֹרֵיכֶ֖ם (chamoreikhem) = jullie ezels | יִקָּ֑ח (yiqach) = zal hij nemen | וְעָשָׂ֖ה (veasa) = en zal inzetten | לִמְלַאכְתּֽוֹ (limlakhto) = voor zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:17** Van jullie kleinvee zal hij een tiende nemen. En jullie zullen zijn dienaren zijn. Brontekst: צֹאנְכֶ֖ם (tsonkhem) = jullie kleinvee | יַעְשֹׂ֑ר (yasor) = zal hij tienden | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | תִּֽהְיוּ (tihyu) = zullen zijn | ל֥וֹ (lo) = voor hem | לַעֲבָדִֽים (laavadim) = tot dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord eved, ‘dienaar’, is hier hard: Israël komt onder een koning en wordt zijn dienaar. De koningswet in Deut. 17:16–20 beperkt de koning juist op paarden, vrouwen en zilver en goud. Zie ook: Deut 17:16–20 **8:18** Op die dag zullen jullie om hulp roepen vanwege jullie koning, die jullie voor jullie zelf hebben gekozen. Maar Yahweh zal jullie op die dag niet antwoorden.” Brontekst: וּזְעַקְתֶּם֙ (uzeaqtem) = en jullie zullen om hulp roepen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op die | הַה֔וּא (hahu) = dag | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = vanwege | מַלְכְּכֶ֔ם (malkekhem) = jullie koning | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּחַרְתֶּ֖ם (bechartem) = jullie hebben gekozen | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַעֲנֶ֧ה (yaane) = zal antwoorden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op die | הַהֽוּא (hahu) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּזְעַקְתֶּם (uze’aqtem), ‘jullie zullen om hulp roepen’: het werkwoord bij het woord noodkreet (za’aqah). Zo riep Israël ook in Egypte om hulp (Exod. 2:23). Zie ook: Job 27:9; Ex 2:23; Spr 1:25–28; Jes 1:15; Jes 8:21; Mi 3:4 ### Het volk blijft bij zijn vraag **8:19** Het volk weigerde te luisteren naar de stem van Samuël. Zij zeiden: „Nee! Maar een koning zal over ons zijn. Brontekst: וַיְמָאֲנ֣וּ (vaymaanu) = en weigerden | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לִשְׁמֹ֖עַ (lishmoa) = om te luisteren | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֹּ֔א (lo) = nee | כִּ֥י (ki) = maar | אִם (im) = wel | מֶ֖לֶךְ (melekh) = een koning | יִֽהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 81:12; Jes 66:4; Jer 7:13; Jer 44:16; Ezech 33:31 **8:20** Dan zijn ook wij zoals alle volken. Onze koning zal ons recht spreken, voor ons uit gaan en onze oorlogen voeren.” Brontekst: וְהָיִ֥ינוּ (vehayinu) = en wij zullen zijn | גַם (gam) = ook | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | כְּכָל (kekhal) = zoals alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וּשְׁפָטָ֤נוּ (ushefatanu) = en zal ons recht spreken | מַלְכֵּ֨נוּ֙ (malkenu) = onze koning | וְיָצָ֣א (veyatsa) = en zal uitgaan | לְפָנֵ֔ינוּ (lefaneinu) = voor ons | וְנִלְחַ֖ם (venilcham) = en zal voeren | אֶת (et) = (obj.) | מִלְחֲמֹתֵֽנוּ (milchamotenu) = onze oorlogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיָצָא לְפָנֵינוּ (veyatsa lefaneinu), ‘voor ons uit gaan’: zoals het volk ook een leider nodig heeft ‘die voor hen uit gaat’ (Num. 27:17). Zie ook: Lev 20:24–26; Num 27:17; 1 Sam 8:5; 2 Kor 6:17; Rom 12:12; Fil 3:20 **8:21** Samuël hoorde alle woorden van het volk en sprak ze uit in de oren van Yahweh. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַֽיְדַבְּרֵ֖ם (vaydaberem) = en sprak ze uit | בְּאָזְנֵ֥י (beazenei) = in de oren van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 11:11 **8:22** Yahweh zei tegen Samuël: **„Luister naar hun stem en laat een koning voor hen regeren.”** Samuël zei tegen de mannen van Israël: „Ga, ieder naar zijn stad.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | שְׁמַ֣ע (shema) = luister | בְּקוֹלָ֔ם (beqolam) = naar hun stem | וְהִמְלַכְתָּ֥ (vehimlakhta) = en laat regeren | לָהֶ֖ם (lahem) = over hen | מֶ֑לֶךְ (melekh) = een koning | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְכ֖וּ (lekhu) = gaat | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְעִירֽוֹ (leiro) = naar zijn stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִמְלַכְתָּ (vehimlakhta), ‘laat regeren’: Samuël moet een koning laten regeren. Yahweh geeft toe aan de vraag van het volk. Zie ook: 1 Sam 8:7; Hos 13:11 ## 1 Samuël 9 _Saul zoekt ezelinnen en ontmoet Samuël_ ### Kis en zijn zoon Saul **9:1** Er was een man uit Benjamin. Hij heette Kis, de zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorat, de zoon van Afiach, de zoon van een Benjaminiet. Hij was een dappere krijger. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en er was | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מבן (mibben) = uit de zoon van | מִבִּנְיָמִ֗ין (mibinyamin) = uit Benjamin | וּ֠שְׁמוֹ (ushemo) = en zijn naam | קִ֣ישׁ (qish) = Kis | בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִיאֵ֞ל (aviel) = Abiël | בֶּן (ben) = zoon van | צְר֧וֹר (tseror) = Zeror | בֶּן (ben) = zoon van | בְּכוֹרַ֛ת (bekhorat) = Bechorat | בֶּן (ben) = zoon van | אֲפִ֖יחַ (afiach) = Afiach | בֶּן (ben) = zoon van | אִ֣ישׁ (ish) = een man | יְמִינִ֑י (yemini) = Benjaminiet | גִּבּ֖וֹר (gibor) = dappere | חָֽיִל (chayil) = krijger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘dappere krijger’: de uitdrukking kan ook ‘man van aanzien en bezit’ betekenen. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft hier מִבֶּן־יָמִין (miben-yamin), ‘uit een zoon van de rechterhand’. De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘uit Benjamin’. Wij volgen de qere. Het eerste woord מִבֶּן (miben) blijft in de tekst staan als overblijfsel van de geschreven vorm. Zie ook: 1 Sam 14:51; 1 Sam 25:2; 1 Kron 8:30–33; 1 Kron 9:36–39; Hand 13:21 **9:2** Hij had een zoon die Saul heette. Saul was jong en knap. Niemand van de zonen van Israël was knapper dan hij. Van zijn schouders omhoog was hij groter dan heel het volk. Brontekst: וְלוֹ (velo) = en voor hem | הָיָ֨ה (haya) = was | בֵ֜ן (ben) = een zoon | וּשְׁמ֤וֹ (ushemo) = en zijn naam | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בָּח֣וּר (bachur) = jongeman | וָט֔וֹב (vatov) = en knap | וְאֵ֥ין (veein) = en niet | אִ֛ישׁ (ish) = een man | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | ט֣וֹב (tov) = knapper | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = dan hij | מִשִּׁכְמ֣וֹ (mishikhmo) = vanaf zijn schouder | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en omhoog | גָּבֹ֖הַּ (gavoha) = hoger | מִכָּל (mikal) = dan heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טוֹב (tov), ‘goed’: hier ‘knap, mooi van uiterlijk’. Zie ook: Gen 6:2; Num 13:33; 1 Sam 16:7; 1 Sam 17:4; 2 Sam 14:25–26 ### De ezelinnen zijn zoek **9:3** De ezelinnen van Kis, de vader van Saul, raakten zoek. Kis zei tegen zijn zoon Saul: „Neem toch een van de jongens met je mee. Sta op en ga de ezelinnen zoeken.” Brontekst: וַתֹּאבַ֨דְנָה֙ (vatovadna) = en raakten zoek | הָאֲתֹנ֔וֹת (haatonot) = de ezelinnen | לְקִ֖ישׁ (leqish) = van Kis | אֲבִ֣י (avi) = vader van | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | קִ֜ישׁ (qish) = Kis | אֶל (el) = tegen | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | בְּנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | קַח (qach) = neem | נָ֤א (na) = toch | אִתְּךָ֙ (itekha) = met je | אֶת (et) = (obj.) | אַחַ֣ד (achad) = een | מֵֽהַנְּעָרִ֔ים (mehanearim) = van de jongens | וְק֣וּם (vequm) = en sta op | לֵ֔ךְ (lekh) = ga | בַּקֵּ֖שׁ (baqesh) = zoek | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲתֹנֹֽת (haatonot) = de ezelinnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲתֹנוֹת (atonot), ‘ezelinnen’. Zie ook: Re 5:10; Re 10:4; 1 Sam 10:2 **9:4** Hij trok door het bergland van Efraïm en door het land Salisa. Zij vonden de ezelinnen niet. Zij trokken door het land Saälim, maar daar waren ze niet. Hij trok door het land van de Benjaminieten. Ook daar vonden zij ze niet. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֧ר (vayaavor) = en hij trok door | בְּהַר (behar) = in het gebergte van | אֶפְרַ֛יִם (efrayim) = Efraïm | וַיַּעֲבֹ֥ר (vayaavor) = en hij trok door | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | שָׁלִ֖שָׁה (shalisha) = Salisa | וְלֹ֣א (velo) = en niet | מָצָ֑אוּ (matsau) = zij vonden | וַיַּעַבְר֤וּ (vayaavru) = en zij trokken door | בְאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | שַׁעֲלִים֙ (shaalim) = Saälim | וָאַ֔יִן (vaayin) = en niets | וַיַּעֲבֹ֥ר (vayaavor) = en hij trok door | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | יְמִינִ֖י (yemini) = de Benjaminieten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מָצָֽאוּ (matsau) = zij vonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het bergland van Efraïm is het middengebergte ten noorden van Benjamin (Westelijke Jordaanoever). De landen Salisa en Saälim zijn niet te lokaliseren. Zij liggen waarschijnlijk in en rond dit gebied. De ligging is onzeker. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie Land Salisa (ligging onzeker): Het land Salisa lag ten noorden of westen van Gibea, bij het bergland van Efraïm. De precieze plaats is niet zeker. Zie Land Saälim (ligging onzeker): Het land Saälim lag in of bij Benjamin en Efraïm. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 33:18; Joz 24:33; Re 17:1; Re 19:1; 2 Kon 4:42 **9:5** Zij kwamen in het land Zuf. Saul zei tegen zijn jongen, die bij hem was: „Kom, laten wij teruggaan. Anders houdt mijn vader op met de ezelinnen en maakt hij zich zorgen om ons.” Brontekst: הֵ֗מָּה (hema) = zij | בָּ֚אוּ (bau) = kwamen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | צ֔וּף (tsuf) = Zuf | וְשָׁא֥וּל (veshaul) = en Saul | אָמַ֛ר (amar) = zei | לְנַעֲר֥וֹ (lenaaro) = tegen zijn jongen | אֲשֶׁר (asher) = die | עִמּ֖וֹ (imo) = bij hem was | לְכָ֣ה (lekha) = kom | וְנָשׁ֑וּבָה (venashuva) = en laten wij teruggaan | פֶּן (pen) = anders | יֶחְדַּ֥ל (yechdal) = houdt op | אָבִ֛י (avi) = mijn vader | מִן (min) = met | הָאֲתֹנ֖וֹת (haatonot) = de ezelinnen | וְדָ֥אַג (vedaag) = en hij maakt zich zorgen | לָֽנוּ (lanu) = om ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land Zuf: de ligging is onzeker. Vergelijk Ramataim-Zofim in 1 Sam. 1:1. Zie Land Zuf (ligging onzeker): Het land Zuf lag rond Ramataim-Zofim, in het bergland van Efraïm. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: 1 Sam 1:1; 1 Sam 10:2; Mat 6:25; Luc 12:11; Luc 12:22 ### De man van Elohim in de stad **9:6** De jongen zei tegen hem: „Zie toch, in deze stad is een man van Elohim. Hij is een geëerd man. Alles wat hij zegt, komt zeker uit. Laten wij nu daarheen gaan. Misschien vertelt hij ons welke weg wij moeten nemen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֤א (na) = toch | אִישׁ (ish) = een man van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְהָאִ֣ישׁ (vehaish) = en de man | נִכְבָּ֔ד (nikhbad) = geëerd | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יְדַבֵּ֖ר (yedaber) = hij spreekt | בּ֣וֹא (bo) = komen | יָב֑וֹא (yavo) = het zal komen | עַתָּה֙ (ata) = nu | נֵ֣לֲכָה (nelakha) = laten wij gaan | שָּׁ֔ם (sham) = daarheen | אוּלַי֙ (ulay) = misschien | יַגִּ֣יד (yagid) = zal hij vertellen | לָ֔נוּ (lanu) = ons | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכֵּ֖נוּ (darkenu) = onze weg | אֲשֶׁר (asher) = die | הָלַ֥כְנוּ (halakhnu) = wij zijn gegaan | עָלֶֽיהָ (aleiha) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ אֱלֹהִים (ish Elohim), ‘man van Elohim’: een man die namens Elohim spreekt. Voetnoot : בּוֹא יָבוֹא (bo javo), ‘komen, het zal komen’: alles wat hij zegt, gebeurt. Zie ook: Deut 33:1; 1 Sam 3:19–20; 1 Kon 13:1; 2 Kon 6:6; 1 Tim 6:11 **9:7** Saul zei tegen zijn jongen: „Maar zie, als wij gaan, wat kunnen wij de man dan brengen? Het brood in onze zakken is op. Wij hebben geen geschenk om de man van Elohim te geven. Wat hebben wij bij ons?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | לְנַעֲר֗וֹ (lenaaro) = tegen zijn jongen | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | נֵלֵךְ֮ (nelekh) = wij gaan | וּמַה (uma) = en wat | נָּבִ֣יא (navi) = zullen wij brengen | לָאִישׁ֒ (laish) = aan de man | כִּ֤י (ki) = want | הַלֶּ֨חֶם֙ (halechem) = het brood | אָזַ֣ל (azal) = is op | מִכֵּלֵ֔ינוּ (mikeleinu) = uit onze zakken | וּתְשׁוּרָ֥ה (uteshura) = en een geschenk | אֵין (ein) = niet | לְהָבִ֖יא (lehavi) = om te brengen | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan de man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | מָ֖ה (ma) = wat | אִתָּֽנוּ (itanu) = met ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 13:15–17; 1 Kon 14:3; 2 Kon 4:42; 2 Kon 5:5; 2 Kon 8:8 **9:8** De jongen antwoordde Saul opnieuw: „Zie, ik heb een kwart sikkel zilver bij me. Dat geef ik aan de man van Elohim. Dan vertelt hij ons de weg.” Brontekst: וַיֹּ֤סֶף (vayosef) = en hij voegde toe | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | לַעֲנ֣וֹת (laanot) = om te antwoorden | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּה֙ (hine) = zie | נִמְצָ֣א (nimtsa) = wordt gevonden | בְיָדִ֔י (beyadi) = in mijn hand | רֶ֖בַע (reva) = een vierde van | שֶׁ֣קֶל (sheqel) = een sikkel | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְנָֽתַתִּי֙ (venatati) = en ik zal geven | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan de man van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְהִגִּ֥יד (vehigid) = en hij zal vertellen | לָ֖נוּ (lanu) = ons | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכֵּֽנוּ (darkenu) = onze weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶבַע שֶׁקֶל (reva shekel), ‘een vierde sikkel’. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. Een vierde sikkel zilver is dus ongeveer 3 gram. **9:9** Vroeger zei men in Israël, als een man ging om Elohim te raadplegen: „Kom, laten wij naar de ziener gaan.” Want de profeet van nu werd vroeger ziener genoemd. Brontekst: לְפָנִ֣ים (lefanim) = vroeger | בְּיִשְׂרָאֵ֗ל (beyisrael) = in Israël | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zei | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | בְּלֶכְתּוֹ֙ (belekhto) = bij zijn gaan | לִדְר֣וֹשׁ (lidrosh) = om te raadplegen | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | לְכ֥וּ (lekhu) = kom | וְנֵלְכָ֖ה (venelekha) = en laten wij gaan | עַד (ad) = naar | הָרֹאֶ֑ה (haroe) = de ziener | כִּ֤י (ki) = want | לַנָּבִיא֙ (lanavi) = de profeet | הַיּ֔וֹם (hayom) = van vandaag | יִקָּרֵ֥א (yiqare) = werd genoemd | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | הָרֹאֶֽה (haroe) = ziener Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאֶה (ro’eh), ‘ziener’: iemand die ziet wat Elohim laat zien. נָבִיא (navi), ‘profeet’. Dit vers is een opmerking van de schrijver: het woord ‘ziener’ was vroeger het gewone woord. Voetnoot : לִדְרֹשׁ אֱלֹהִים (lidrosh Elohim), ‘Elohim raadplegen’: Hem om raad vragen. Zie ook: 1 Kron 26:28; 1 Kron 29:29; 2 Kon 17:13; Amos 7:12; Jes 30:10 **9:10** Saul zei tegen zijn jongen: „Goed gesproken. Kom, laten wij gaan.” Zij gingen naar de stad waar de man van Elohim was. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֧וּל (shaul) = Saul | לְנַעֲר֛וֹ (lenaaro) = tegen zijn jongen | ט֥וֹב (tov) = goed | דְּבָרְךָ֖ (devarekha) = je woord | לְכָ֣ה (lekha) = kom | נֵלֵ֑כָה (nelekha) = laten wij gaan | וַיֵּֽלְכוּ֙ (vayelekhu) = en zij gingen | אֶל (el) = naar | הָעִ֔יר (hair) = de stad | אֲשֶׁר (asher) = waar | שָׁ֖ם (sham) = daar | אִ֥ישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 5:13–14 ### Meisjes bij de helling **9:11** Terwijl zij de helling naar de stad opgingen, vonden zij meisjes die naar buiten kwamen om water te putten. Zij vroegen hun: „Is de ziener hier?” Brontekst: הֵ֗מָּה (hema) = zij | עֹלִים֙ (olim) = gaande omhoog | בְּמַעֲלֵ֣ה (bemaale) = op de helling van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | מָצְא֣וּ (matseu) = vonden | נְעָר֔וֹת (nearot) = meisjes | יֹצְא֖וֹת (yotseot) = uitgaande | לִשְׁאֹ֣ב (lishov) = om te putten | מָ֑יִם (mayim) = water | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | לָהֶ֔ן (lahen) = tot hen | הֲיֵ֥שׁ (hayesh) = is er | בָּזֶ֖ה (baze) = hier | הָרֹאֶֽה (haroe) = de ziener Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:11; Gen 24:18–20; Ex 2:16; Re 5:11 **9:12** Zij antwoordden hun: „Ja, hij is vlak voor je. Haast je nu, want hij is vandaag in de stad gekomen. Er is vandaag een slachtoffer voor het volk op de offerhoogte. Brontekst: וַתַּעֲנֶ֧ינָה (vataaneina) = en zij antwoordden | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | וַתֹּאמַ֥רְנָה (vatomarna) = en zij zeiden | יֵּ֖שׁ (yesh) = er is | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je | מַהֵ֣ר (maher) = haast je | עַתָּ֗ה (ata) = nu | כִּ֤י (ki) = want | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | בָּ֣א (ba) = is gekomen | לָעִ֔יר (lair) = naar de stad | כִּ֣י (ki) = want | זֶ֧בַח (zevach) = een slachtoffer | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | לָעָ֖ם (laam) = voor het volk | בַּבָּמָֽה (babama) = op de offerhoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De stad wordt niet bij naam genoemd. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: בָּמָה (bamah), ‘offerhoogte’: een plaats op een hoogte waar slachtoffers worden gebracht. Zie ook: Gen 31:54; Deut 12:6–7; 1 Sam 10:5; 1 Sam 16:2; 1 Kon 3:2–4 **9:13** Zodra jullie de stad binnengaan, vinden jullie hem, voordat hij naar de offerhoogte opgaat om te eten. Want het volk eet niet voordat hij gekomen is. Hij zegent het slachtoffer. Daarna eten de genodigden. Ga nu omhoog, want juist nu vinden jullie hem.” Brontekst: כְּבֹאֲכֶ֣ם (kevoakhem) = zodra jullie binnengaan | הָעִ֣יר (hair) = de stad | כֵּ֣ן (ken) = zo | תִּמְצְא֣וּן (timtseun) = zullen jullie vinden | אֹת֡וֹ (oto) = hem | בְּטֶרֶם֩ (beterem) = voordat | יַעֲלֶ֨ה (yaale) = hij opgaat | הַבָּמָ֜תָה (habamata) = naar de offerhoogte | לֶאֱכֹ֗ל (leekhol) = om te eten | כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | יֹאכַ֤ל (yokhal) = zal eten | הָעָם֙ (haam) = het volk | עַד (ad) = totdat | בֹּא֔וֹ (boo) = hij komt | כִּֽי (ki) = want | הוּא֙ (hu) = hij | יְבָרֵ֣ךְ (yevarekh) = zal zegenen | הַזֶּ֔בַח (hazevach) = het slachtoffer | אַחֲרֵי (acharei) = daarna | כֵ֖ן (ken) = zo | יֹאכְל֣וּ (yokhlu) = zullen eten | הַקְּרֻאִ֑ים (haqeruim) = de genodigden | וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | עֲל֔וּ (alu) = ga omhoog | כִּֽי (ki) = want | אֹת֥וֹ (oto) = hem | כְהַיּ֖וֹם (kehayom) = zoals vandaag | תִּמְצְא֥וּן (timtseun) = zullen jullie vinden | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקְּרֻאִים (haqqeruim), ‘de genodigden’: de mensen die voor de maaltijd zijn uitgenodigd. Zie ook: Mat 26:26; Luc 24:30; Joh 6:11; Joh 6:23; 1 Kor 10:30 **9:14** Zij gingen de stad in. Terwijl zij midden in de stad kwamen, zie, daar kwam Samuël hun tegemoet. Hij was op weg naar de offerhoogte. Brontekst: וַֽיַּעֲל֖וּ (vayaalu) = en zij gingen omhoog | הָעִ֑יר (hair) = de stad | הֵ֗מָּה (hema) = zij | בָּאִים֙ (baim) = komende | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | יֹצֵ֣א (yotse) = komt uit | לִקְרָאתָ֔ם (liqratam) = hun tegemoet | לַעֲל֖וֹת (laalot) = om op te gaan | הַבָּמָֽה (habama) = naar de offerhoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Yahweh wijst Saul aan **9:15** Een dag voordat Saul kwam, had Yahweh het oor van Samuël geopend. Hij had gezegd: Brontekst: וַֽיהוָ֔ה (vaYahweh) = en Yahweh | גָּלָ֖ה (gala) = had geopend | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣זֶן (ozen) = het oor van | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | י֣וֹם (yom) = een dag | אֶחָ֔ד (echad) = één | לִפְנֵ֥י (lifnei) = vóór | בֽוֹא (bo) = het komen van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּלָה אֶת־אֹזֶן (galah et-ozen), letterlijk ‘het oor ontbloot’: bekendmaken, iets onthullen. Zie ook: Job 33:16; 1 Sam 15:1; 2 Sam 7:27; Ps 25:14; Hand 13:21 **9:16** **„Morgen om deze tijd stuur Ik een man naar je toe uit het land Benjamin. Je zult hem zalven tot leider over Mijn volk Israël. Hij zal Mijn volk redden uit de hand van de Filistijnen. Want Ik heb Mijn volk gezien. Zijn noodkreet is tot Mij gekomen.”** Brontekst: כָּעֵ֣ת (kaet) = zoals de tijd van | מָחָ֡ר (machar) = morgen | אֶשְׁלַח֩ (eshlach) = Ik zal sturen | אֵלֶ֨יךָ (eleikha) = naar je | אִ֜ישׁ (ish) = een man | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | בִּנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | וּמְשַׁחְתּ֤וֹ (umeshachto) = en je zult hem zalven | לְנָגִיד֙ (lenagid) = tot leider | עַל (al) = over | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהוֹשִׁ֥יעַ (vehoshia) = en hij zal redden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | כִּ֤י (ki) = want | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = Ik heb gezien | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | כִּ֛י (ki) = want | בָּ֥אָה (baa) = is gekomen | צַעֲקָת֖וֹ (tsaaqato) = zijn noodkreet | אֵלָֽי (elay) = tot Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: letterlijk ‘iemand die voorop gaat’. Het woord is niet gelijk aan ‘koning’ (מֶלֶךְ, melech). Voetnoot : מָשַׁח (mashach), ‘zalven’: met olie begieten. Zie 1 Sam. 10:1. Voetnoot : צְעָקָה (tse’aqah), ‘noodkreet’: een kreet om hulp, zoals in Exod. 3:9. Zie ook: Ex 3:7–9; Ex 3:9; 1 Sam 10:1; 1 Sam 15:1; Ps 25:18; Ps 106:44 **9:17** Toen Samuël Saul zag, antwoordde Yahweh hem: **„Zie, dat is de man over wie Ik tot je sprak. Hij zal over Mijn volk heersen.”** Brontekst: וּשְׁמוּאֵ֖ל (ushemuel) = en Samuël | רָאָ֣ה (raa) = zag | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיהוָ֣ה (vaYahweh) = en Yahweh | עָנָ֔הוּ (anahu) = antwoordde hem | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָמַ֣רְתִּי (amarti) = Ik sprak | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot je | זֶ֖ה (ze) = deze | יַעְצֹ֥ר (yatsor) = zal in bedwang houden | בְּעַמִּֽי (beami) = Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצַר (atsar), ‘tegenhouden, in bedwang houden’: hier ‘leiding geven, gezag voeren’ over het volk. Zie ook: 1 Sam 3:13; 2 Sam 23:6–7; Hos 13:11; Hand 13:21; Rom 13:3–4 ### Saul bij Samuël **9:18** Saul kwam bij Samuël in de poort en zei: „Wijs mij toch aan waar het huis van de ziener is.” Brontekst: וַיִּגַּ֥שׁ (vayigash) = en hij kwam dichtbij | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַשָּׁ֑עַר (hashaar) = de poort | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | הַגִּֽידָה (hagida) = vertel | נָּ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = mij | אֵי (ei) = waar | זֶ֖ה (ze) = dit is | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָרֹאֶֽה (haroe) = de ziener Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:19** Samuël antwoordde Saul: „Ik ben de ziener. Ga voor mij uit naar de offerhoogte. Jullie eten vandaag met mij. Morgenochtend laat ik je gaan. Alles wat in je hart is, zal ik je vertellen. Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | שְׁמוּאֵ֜ל (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | הָרֹאֶ֔ה (haroe) = de ziener | עֲלֵ֤ה (ale) = ga omhoog | לְפָנַי֙ (lefanay) = voor mij | הַבָּמָ֔ה (habama) = de offerhoogte | וַאֲכַלְתֶּ֥ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | עִמִּ֖י (imi) = met mij | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וְשִׁלַּחְתִּ֣יךָ (veshilachtikha) = en ik zal je laten gaan | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְכֹ֛ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | בִּֽלְבָבְךָ֖ (bilvavekha) = in je hart | אַגִּ֥יד (agid) = ik zal vertellen | לָֽךְ (lakh) = je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joh 4:29; 1 Kor 14:25 **9:20** Maak je geen zorgen over de ezelinnen die drie dagen geleden zoek zijn geraakt, want ze zijn gevonden. En voor wie is alles wat Israël begeert? Is het niet voor jou en voor heel het huis van je vader?” Brontekst: וְלָאֲתֹנ֞וֹת (velaatonot) = en wat betreft de ezelinnen | הָאֹבְד֣וֹת (haovedot) = die verloren zijn | לְךָ֗ (lekha) = van jou | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | אַל (al) = niet | תָּ֧שֶׂם (tasem) = zet | אֶֽת (et) = (obj.) | לִבְּךָ֛ (libekha) = je hart | לָהֶ֖ם (lahem) = op hen | כִּ֣י (ki) = want | נִמְצָ֑אוּ (nimtsau) = zij zijn gevonden | וּלְמִי֙ (ulemi) = en voor wie | כָּל (kal) = alles | חֶמְדַּ֣ת (chemdat) = het begeerde van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אָבִֽיךָ (avikha) = je vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶמְדַּת יִשְׂרָאֵל (chemdat Yisra’el), ‘het begeerde van Israël’: alles wat kostbaar is voor Israël. De tekst zegt niet precies wat bedoeld is. Zie ook: 1 Sam 4:20; 1 Sam 8:5; 1 Sam 9:3; 1 Sam 12:13; 1 Sam 12:15 **9:21** Saul antwoordde: „Ben ik niet een Benjaminiet, uit de kleinste stam van Israël? Is mijn familie niet de geringste van alle families van de stam Benjamin? Waarom zeg je zoiets tegen mij?” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֲל֨וֹא (halo) = is niet | בֶן (ben) = een zoon van | יְמִינִ֤י (yemini) = een Benjaminiet | אָ֨נֹכִי֙ (anokhi) = ik | מִקַּטַנֵּי֙ (miqatanei) = uit de kleinste van | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = de stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּמִשְׁפַּחְתִּי֙ (umishpachti) = en mijn familie | הַצְּעִרָ֔ה (hatseira) = de geringste | מִכָּֽל (mikal) = van alle | מִשְׁפְּח֖וֹת (mishpechot) = families van | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = de stammen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וְלָ֨מָּה֙ (velama) = en waarom | דִּבַּ֣רְתָּ (dibarta) = heb je gesproken | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | כַּדָּבָ֖ר (kadavar) = zoals het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Benjamin was na de oorlog in Richt. 20–21 sterk geslonken (Richt. 21:3 en 21:6). Zie ook: Re 20:46–48; Re 21:3; Re 21:6; 1 Sam 15:17; Ps 68:28; Luc 14:11; Ef 3:8 ### De maaltijd op de offerhoogte **9:22** Samuël nam Saul en zijn jongen mee en bracht hen naar de zaal. Hij gaf hun een plaats vooraan bij de genodigden. Dat waren ongeveer dertig mannen. Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | נַעֲר֔וֹ (naaro) = zijn jongen | וַיְבִיאֵ֖ם (vayviem) = en hij bracht hen | לִשְׁכָּ֑תָה (lishkata) = naar de zaal | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶ֤ם (lahem) = hun | מָקוֹם֙ (maqom) = een plaats | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = aan het hoofd van | הַקְּרוּאִ֔ים (haqeruim) = de genodigden | וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | כִּשְׁלֹשִׁ֥ים (kishloshim) = ongeveer dertig | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִשְׁכָּה (lishkah), ‘zaal’: een vertrek of eetzaal bij de offerhoogte. Zie ook: Gen 43:32; Luc 14:10 **9:23** Samuël zei tegen de kok: „Geef het stuk dat ik je heb gegeven, waarvan ik tegen je zei: ‘Leg het bij je apart.’” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | לַטַּבָּ֔ח (latabach) = tegen de kok | תְּנָה֙ (tena) = geef | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּנָ֔ה (hamana) = het deel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֖תִּי (natati) = ik gaf | לָ֑ךְ (lakh) = aan je | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | אָמַ֣רְתִּי (amarti) = ik zei | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tegen je | שִׂ֥ים (sim) = leg | אֹתָ֖הּ (otah) = het | עִמָּֽךְ (imakh) = bij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:34; 1 Sam 1:5 **9:24** De kok tilde de dij op, met wat erop zat, en legde die voor Saul neer. Hij zei: „Zie, wat bewaard is, is voor je neergelegd. Eet, want het is voor deze bepaalde tijd voor je bewaard, met de woorden: ‘Ik heb het volk uitgenodigd.’” Saul at die dag met Samuël. Brontekst: וַיָּ֣רֶם (vayarem) = en hij tilde op | הַ֠טַּבָּח (hatabach) = de kok | אֶת (et) = (obj.) | הַשּׁ֨וֹק (hashoq) = de dij | וְהֶעָלֶ֜יהָ (vehealeiha) = en wat erop zat | וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en hij legde | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הַנִּשְׁאָר֙ (hanishar) = het overgeblevene | שִׂים (sim) = is neergelegd | לְפָנֶ֣יךָ (lefaneikha) = voor je | אֱכֹ֔ל (ekhol) = eet | כִּ֧י (ki) = want | לַמּוֹעֵ֛ד (lamoed) = voor de bepaalde tijd | שָֽׁמוּר (shamur) = is bewaard | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | הָעָ֣ם (haam) = het volk | קָרָ֑אתִי (qarati) = ik heb uitgenodigd | וַיֹּ֧אכַל (vayokhal) = en at | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | עִם (im) = met | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשּׁוֹק (hashshoq), ‘de dij’: de dij is bij het vredeoffer het deel van de priester (Lev. 7:32–34). Hier legt de kok die dij voor Saul neer. וְהֶעָלִיָּה (veha’aliyyah), letterlijk ‘en wat erop is’: wat erbij zat. De betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Het is niet duidelijk wie in vers 24b spreekt. Wij lezen: Samuël. De woorden ‘Ik heb het volk uitgenodigd’ nemen wij als de aanleiding voor het bewaren van het stuk vlees. Zie ook: Ex 29:22; Ex 29:27; Lev 7:32–33; Num 18:18; Ezech 24:4 ### Samuël spreekt met Saul op het dak **9:25** Zij kwamen van de offerhoogte af naar de stad. Hij sprak met Saul op het dak. Brontekst: וַיֵּרְד֥וּ (vayeredu) = en zij daalden af | מֵהַבָּמָ֖ה (mehabama) = van de offerhoogte | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | עִם (im) = met | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | עַל (al) = op | הַגָּֽג (hagag) = het dak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 22:8; 2 Sam 11:2; Jer 19:13; Neh 8:16; Hand 10:9 **9:26** Zij stonden vroeg op. Toen de dageraad aanbrak, riep Samuël naar Saul op het dak: „Sta op, dan laat ik je gaan.” Saul stond op. Zij gingen beiden naar buiten, hij en Samuël. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֗מוּ (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כַּעֲל֤וֹת (kaalot) = bij het opkomen van | הַשַּׁ֨חַר֙ (hashachar) = de morgenstond | וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | שְׁמוּאֵ֤ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | הַגָּ֣גָה (hagaga) = op het dak | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | ק֖וּמָה (quma) = sta op | וַאֲשַׁלְּחֶ֑ךָּ (vaashalecheka) = en ik zal je laten gaan | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וַיֵּצְא֧וּ (vayetseu) = en zij gingen uit | שְׁנֵיהֶ֛ם (sheneihem) = zij beiden | ה֥וּא (hu) = hij | וּשְׁמוּאֵ֖ל (ushemuel) = en Samuël | הַחֽוּצָה (hachutsa) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft הגג (hagag), ‘het dak’. De voorgelezen tekst (qere) heeft הגגה (haggagah), ‘naar het dak’. Wij volgen de qere. Zie ook: Gen 19:14; Gen 44:4; Joz 7:13; Re 19:28 **9:27** Terwijl zij naar de rand van de stad afdaalden, zei Samuël tegen Saul: „Zeg tegen de jongen dat hij voor ons uit moet gaan.” En de jongen ging voor hen uit. „Maar blijf jij nu staan. Dan laat ik je het woord van Elohim horen.” Brontekst: הֵ֗מָּה (hema) = zij | יֽוֹרְדִים֙ (yoredim) = dalende | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan het einde van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וּשְׁמוּאֵ֞ל (ushemuel) = en Samuël | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֶל (el) = tegen | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | אֱמֹ֥ר (emor) = zeg | לַנַּ֛עַר (lanaar) = tegen de jongen | וְיַעֲבֹ֥ר (veyaavor) = en laat hem voorbijgaan | לְפָנֵ֖ינוּ (lefaneinu) = voor ons | וַֽיַּעֲבֹ֑ר (vayaavor) = en hij ging voorbij | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | עֲמֹ֣ד (amod) = blijf staan | כַּיּ֔וֹם (kayom) = zoals de dag | וְאַשְׁמִיעֲךָ֖ (veashmiakha) = en ik zal je laten horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֥ר (devar) = het woord van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het tweede וַיַּעֲבֹר (vaja’avor), ‘en hij ging voorbij’, nemen wij als verhalende tekst: de jongen ging voor hen uit. Samuëls woorden gaan daarna door. Zie ook: 1 Sam 15:16; 1 Sam 20:38–39; 2 Kon 9:5–6; Joh 15:14–15 ## 1 Samuël 10 _Saul wordt gezalfd en door het lot aangewezen_ ### Samuël zalft Saul **10:1** Samuël nam de oliekruik en goot die over zijn hoofd. Hij kuste hem en zei: „Heeft Yahweh je niet gezalfd tot leider over Zijn erfdeel? Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | שְׁמוּאֵ֜ל (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | פַּ֥ךְ (pakh) = de kruik van | הַשֶּׁ֛מֶן (hashemen) = de olie | וַיִּצֹ֥ק (vayitsoq) = en hij goot | עַל (al) = op | רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיִּשָּׁקֵ֑הוּ (vayishaqehu) = en hij kuste hem | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֲל֗וֹא (halo) = is het niet | כִּֽי (ki) = dat | מְשָׁחֲךָ֧ (meshachakha) = heeft je gezalfd | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | נַחֲלָת֖וֹ (nachalato) = Zijn erfdeel | לְנָגִֽיד (lenagid) = tot leider Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּךְ (pach), ‘kruik’: een klein vat voor olie. מָשַׁח (mashach), ‘zalven’. נָגִיד (nagid), ‘leider’, zoals in 1 Sam. 9:16. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst is hier kort. Sommige oude vertalingen hebben hier een langere tekst. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Sam 9:16; 1 Sam 16:13; Ps 2:12; Ps 78:71; Hand 13:21 ### De tekenen onderweg **10:2** Wanneer je vandaag van mij weggaat, vind je twee mannen bij het graf van Rachel, in het gebied van Benjamin, bij Zelzach. Zij zeggen tegen je: ‘De ezelinnen die je zocht, zijn gevonden. Zie, je vader laat de zaak van de ezelinnen rusten. Hij maakt zich zorgen om jullie en zegt: „Wat moet ik voor mijn zoon doen?”’ Brontekst: בְּלֶכְתְּךָ֤ (belekhtekha) = bij je gaan | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | מֵעִמָּדִ֔י (meimadi) = van mij | וּמָצָאתָ֩ (umatsata) = en je zult vinden | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | עִם (im) = bij | קְבֻרַ֥ת (qevurat) = het graf van | רָחֵ֛ל (rachel) = Rachel | בִּגְב֥וּל (bigvul) = in het gebied van | בִּנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | בְּצֶלְצַ֑ח (betseltsach) = bij Zelzach | וְאָמְר֣וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot je | נִמְצְא֤וּ (nimtseu) = zijn gevonden | הָאֲתֹנוֹת֙ (haatonot) = de ezelinnen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָלַ֣כְתָּ (halakhta) = je bent gegaan | לְבַקֵּ֔שׁ (levaqesh) = om te zoeken | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | נָטַ֤שׁ (natash) = heeft laten rusten | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de zaak van | הָאֲתֹנ֔וֹת (haatonot) = de ezelinnen | וְדָאַ֤ג (vedaag) = en hij maakt zich zorgen | לָכֶם֙ (lakhem) = om jullie | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מָ֥ה (ma) = wat | אֶעֱשֶׂ֖ה (eese) = zal ik doen | לִבְנִֽי (livni) = voor mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het graf van Rachel lag volgens Gen. 35:19–20 langs de weg naar Efrata, dat is Betlehem. Hier wordt het in het gebied van Benjamin geplaatst. De ligging is onzeker. De plaats Zelzach is onbekend. Zie Graf van Rachel (ligging onzeker): Volgens 1 Samuël 10:2 lag het graf van Rachel in het gebied van Benjamin. De overlevering plaatst het bij Betlehem. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het citaat van de vader staat binnen het citaat van de twee mannen, dat weer binnen Samuëls woorden staat. Zie ook: Gen 35:19–20; Joz 18:28; 1 Sam 9:3–5; 1 Sam 10:16; Jer 31:15 **10:3** Ga vandaar verder, tot je bij de eik van Tabor komt. Daar ontmoeten drie mannen je die naar Elohim opgaan in Betel. De ene draagt drie bokjes, de tweede draagt drie broden en de derde draagt een zak wijn. Brontekst: וְחָלַפְתָּ֨ (vechalafta) = en je zult doorgaan | מִשָּׁ֜ם (misham) = vandaar | וָהָ֗לְאָה (vahalea) = en verder | וּבָ֨אתָ֙ (uvata) = en je zult komen | עַד (ad) = tot | אֵל֣וֹן (elon) = de eik van | תָּב֔וֹר (tavor) = Tabor | וּמְצָא֤וּךָ (umetsaukha) = en zij zullen je vinden | שָּׁם֙ (sham) = daar | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | עֹלִ֥ים (olim) = opgaande | אֶל (el) = naar | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֑ל (el) = El | אֶחָ֞ד (echad) = de één | נֹשֵׂ֣א (nose) = draagt | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | גְדָיִ֗ים (gedayim) = bokjes | וְאֶחָד֙ (veechad) = en de één | נֹשֵׂ֗א (nose) = draagt | שְׁלֹ֨שֶׁת֙ (sheloshet) = drie | כִּכְּר֣וֹת (kikerot) = broden van | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וְאֶחָ֥ד (veechad) = en de één | נֹשֵׂ֖א (nose) = draagt | נֵֽבֶל (nevel) = een zak van | יָֽיִן (yayin) = wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De eik van Tabor is onbekend. Het is niet de berg Tabor. Betel is Beitin, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Zie Eik van Tabor (ligging onzeker): De eik van Tabor stond tussen het graf van Rachel en Betel. Dit is niet de berg Tabor in Galilea. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: נֵבֶל יַיִן (nevel jayin), ‘zak wijn’: een huid of kruik voor wijn. Zie ook: Gen 28:19; Gen 28:22; Gen 35:1; Gen 35:3; Lev 1:10 **10:4** Zij vragen hoe het met je gaat. Zij geven je twee broden en die neem je van hen aan. Brontekst: וְשָׁאֲל֥וּ (veshaalu) = en zij zullen vragen | לְךָ֖ (lekha) = naar je | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = naar vrede | וְנָתְנ֤וּ (venatenu) = en zij zullen geven | לְךָ֙ (lekha) = je | שְׁתֵּי (shetei) = twee | לֶ֔חֶם (lechem) = broden | וְלָקַחְתָּ֖ (velaqachta) = en je zult nemen | מִיָּדָֽם (miyadam) = uit hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 18:15 **10:5** Daarna kom je bij Gibea van Elohim, waar een bezetting van de Filistijnen is. Wanneer je daar de stad binnenkomt, ontmoet je een groep profeten die van de offerhoogte afdaalt. Voor hen uit spelen harp, tamboerijn, fluit en lier. Zij profeteren. Brontekst: אַ֣חַר (achar) = daarna | כֵּ֗ן (ken) = zo | תָּבוֹא֙ (tavo) = je zult komen | גִּבְעַ֣ת (givat) = de heuvel van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁר (asher) = waar | שָׁ֖ם (sham) = daar | נְצִבֵ֣י (netsivei) = de bezettingen van | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וִיהִי֩ (vihi) = en het zal zijn | כְבֹאֲךָ֨ (kevoakha) = als je komt | שָׁ֜ם (sham) = daar | הָעִ֗יר (hair) = de stad | וּפָגַעְתָּ֞ (ufagata) = en je zult ontmoeten | חֶ֤בֶל (chevel) = een groep van | נְבִיאִים֙ (neviim) = profeten | יֹרְדִ֣ים (yoredim) = afdalende | מֵֽהַבָּמָ֔ה (mehabama) = van de offerhoogte | וְלִפְנֵיהֶ֞ם (velifneihem) = en vóór hen | נֵ֤בֶל (nevel) = een harp | וְתֹף֙ (vetof) = en een tamboerijn | וְחָלִ֣יל (vechalil) = en een fluit | וְכִנּ֔וֹר (vekhinor) = en een lier | וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | מִֽתְנַבְּאִֽים (mitnabeim) = profeterende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: גִּבְעַת הָאֱלֹהִים (Gibeat ha-Elohim), ‘Gibea van Elohim’ of ‘de heuvel van Elohim’: de ligging is onzeker. Het ligt dicht bij Gibea van Saul. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: נְצִיב (netsiv), ‘bezetting’: een Filistijnse wacht of bestuurder. Vergelijk 1 Sam. 13:3. Voetnoot : De vier instrumenten zijn נֵבֶל (nevel), ‘harp’, תֹּף (tof), ‘tamboerijn’, חָלִיל (chalil), ‘fluit’, en כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’. Wat precies bedoeld wordt, is niet zeker. Voetnoot : הִתְנַבֵּא (hitnabbe), ‘profeteren’: hier in vervoering spreken, bij muziek. Zie ook: 1 Sam 10:10; 1 Sam 13:3; 1 Sam 19:20; 1 Kron 25:1–6; 2 Kon 3:15 **10:6** Dan komt de Geest van Yahweh met kracht over je. Je profeteert met hen mee en je wordt een ander mens. Brontekst: וְצָלְחָ֤ה (vetsalecha) = en zal komen met kracht | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over je | ר֣וּחַ (ruach) = de Geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִתְנַבִּ֖יתָ (vehitnabita) = en je zult profeteren | עִמָּ֑ם (imam) = met hen | וְנֶהְפַּכְתָּ֖ (venehpakhta) = en je zult veranderd worden | לְאִ֥ישׁ (leish) = tot een man | אַחֵֽר (acher) = ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Richt. 14:6, waar de Geest van Yahweh met kracht over Simson komt. Zie ook: Num 11:25; Re 14:6; 1 Sam 10:10; 1 Sam 16:13; 1 Sam 19:23–24 **10:7** Als deze tekenen je overkomen, doe dan wat je hand vindt om te doen. Want Elohim is met je. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֥י (ki) = wanneer | תָבֹ֛אנָה (tavona) = zullen komen | הָאֹת֥וֹת (haotot) = de tekenen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לָ֑ךְ (lakh) = aan je | עֲשֵׂ֤ה (ase) = doe | לְךָ֙ (lekha) = voor jezelf | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | תִּמְצָ֣א (timtsa) = zal vinden | יָדֶ֔ךָ (yadekha) = je hand | כִּ֥י (ki) = want | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשֵׂה לְךָ אֲשֶׁר תִּמְצָא יָדֶךָ (aseh lecha asher timtsa jadecha), letterlijk ‘doe voor jezelf wat je hand vindt’: doe wat de situatie vraagt. Zie ook: Ex 4:8; Joz 1:5; Re 6:12; Re 9:33; Jes 7:14 **10:8** Ga vóór mij uit naar Gilgal. Zie, ik kom bij je af om brandoffers en vredeoffers te brengen. Zeven dagen moet je wachten, totdat ik bij je kom. Dan laat ik je weten wat je moet doen.” Brontekst: וְיָרַדְתָּ֣ (veyaradta) = en je zult afdalen | לְפָנַי֮ (lefanay) = vóór mij | הַגִּלְגָּל֒ (hagilgal) = naar Gilgal | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = ik | יֹרֵ֣ד (yored) = afdalend | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar je | לְהַעֲל֣וֹת (lehaalot) = om op te laten gaan | עֹל֔וֹת (olot) = brandoffers | לִזְבֹּ֖חַ (lizboach) = om te slachten | זִבְחֵ֣י (zivchei) = slachtoffers van | שְׁלָמִ֑ים (shelamim) = vredeoffers | שִׁבְעַ֨ת (shivat) = zeven | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | תּוֹחֵל֙ (tochel) = zul je wachten | עַד (ad) = totdat | בּוֹאִ֣י (boi) = mijn komen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar je | וְהוֹדַעְתִּ֣י (vehodati) = en ik zal bekendmaken | לְךָ֔ (lekha) = aan je | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תַּעֲשֶֽׂה (taase) = je moet doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal ligt bij Jericho (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: De zeven dagen wachten komen terug in 1 Sam. 13:8. Zie ook: 1 Sam 11:14–15; 1 Sam 13:4; 1 Sam 13:8–15; 1 Sam 15:33 ### Saul krijgt een ander hart **10:9** Toen hij zich omdraaide om bij Samuël weg te gaan, gaf Elohim hem een ander hart. Al deze tekenen kwamen die dag uit. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het was | כְּהַפְנֹת֤וֹ (kehafnoto) = toen hij omdraaide | שִׁכְמוֹ֙ (shikhmo) = zijn schouder | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וַיַּהֲפָךְ (vayahafakh) = en Hij veranderde | ל֥וֹ (lo) = voor hem | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לֵ֣ב (lev) = een hart | אַחֵ֑ר (acher) = ander | וַיָּבֹ֛אוּ (vayavou) = en zij kwamen | כָּל (kal) = alle | הָאֹת֥וֹת (haotot) = de tekenen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּהֲפֹךְ (vajahafoch), ‘Hij keerde om, veranderde’: Elohim veranderde zijn hart in een ander hart. Zie ook: Re 6:21; Re 6:36–40; Re 7:11; 1 Sam 10:2–6; Jes 38:7–8 **10:10** Toen zij daar bij de heuvel kwamen, zie, een groep profeten kwam hem tegemoet. De Geest van Elohim kwam met kracht over hem en hij profeteerde in hun midden. Brontekst: וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en zij kwamen | שָׁם֙ (sham) = daar | הַגִּבְעָ֔תָה (hagivata) = naar de heuvel | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | חֶֽבֶל (chevel) = een groep van | נְבִאִ֖ים (neviim) = profeten | לִקְרָאת֑וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַתִּצְלַ֤ח (vatitslach) = en kwam met kracht | עָלָיו֙ (alav) = over hem | ר֣וּחַ (ruach) = de Geest van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וַיִּתְנַבֵּ֖א (vayitnabe) = en hij profeteerde | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגִּבְעָה (haGiv’ah), ‘de heuvel’: mogelijk dezelfde plaats als Gibea van Elohim in vers 5. Zie ook: 1 Sam 10:5–6; 1 Sam 19:20–24 **10:11** Iedereen die hem van vroeger kende, zag dat hij met de profeten profeteerde. De mensen zeiden tegen elkaar: „Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Is ook Saul onder de profeten?” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כָּל (kal) = alle | יֽוֹדְעוֹ֙ (yodeo) = die hem kenden | מֵאִתְּמ֣וֹל (meitemol) = van gisteren | שִׁלְשׁ֔וֹם (shilshom) = eergisteren | וַיִּרְא֕וּ (vayiru) = en zij zagen | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | עִם (im) = met | נְבִאִ֖ים (neviim) = profeten | נִבָּ֑א (niba) = hij profeteerde | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zeiden | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | מַה (ma) = wat | זֶּה֙ (ze) = is dit | הָיָ֣ה (haya) = geschied | לְבֶן (leven) = met de zoon van | קִ֔ישׁ (qish) = Kis | הֲגַ֥ם (hagam) = ook | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | בַּנְּבִיאִֽים (baneviim) = onder de profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde vraag staat in 1 Sam. 19:24. Zie ook: 1 Sam 19:24; Mat 13:54–55; Joh 7:15; Hand 4:13; Hand 9:21 **10:12** Een man daar antwoordde: „En wie is hun vader?” Daarom werd het een spreekwoord: „Is ook Saul onder de profeten?” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | אִ֥ישׁ (ish) = een man | מִשָּׁ֛ם (misham) = vandaar | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | וּמִ֣י (umi) = en wie | אֲבִיהֶ֑ם (avihem) = hun vader | עַל (al) = op | כֵּן֙ (ken) = zo | הָיְתָ֣ה (hayeta) = werd het | לְמָשָׁ֔ל (lemashal) = tot spreekwoord | הֲגַ֥ם (hagam) = ook | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | בַּנְּבִאִֽים (baneviim) = onder de profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָשָׁל (mashal), ‘spreekwoord’. De vraag drukt verbazing uit. ‘En wie is hun vader?’ betekent: profeten hebben geen vaste afkomst. Voetnoot : Dit spreekwoord staat ook in 1 Sam. 19:24. Zie ook: 1 Sam 19:24; Jes 54:13; Joh 6:45; Joh 7:16; Jak 1:17 **10:13** Toen hij ophield met profeteren, ging hij naar de offerhoogte. Brontekst: וַיְכַל֙ (vaykhal) = en hij hield op | מֵֽהִתְנַבּ֔וֹת (mehitnabot) = met profeteren | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | הַבָּמָֽה (habama) = naar de offerhoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Saul en zijn oom **10:14** De oom van Saul zei tegen hem en tegen zijn jongen: „Waar zijn jullie heen gegaan?” Saul zei: „De ezelinnen zoeken. Toen wij zagen dat ze er niet waren, zijn wij naar Samuël gegaan.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en hij zei | דּ֨וֹד (dod) = oom van | שָׁא֥וּל (shaul) = Saul | אֵלָ֛יו (elav) = tegen hem | וְאֶֽל (veel) = en tegen | נַעֲר֖וֹ (naaro) = zijn jongen | אָ֣ן (an) = waarheen | הֲלַכְתֶּ֑ם (halakhtem) = zijn jullie gegaan | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְבַקֵּשׁ֙ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֲתֹנ֔וֹת (haatonot) = de ezelinnen | וַנִּרְאֶ֣ה (vanire) = en wij zagen | כִי (ki) = dat | אַ֔יִן (ayin) = niet | וַנָּב֖וֹא (vanavo) = en wij kwamen | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵֽל (shemuel) = Samuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דּוֹד (dod), ‘oom’: een broer van de vader. Voetnoot Lezing: ‘Saul zei’ in vers 14b is in het Hebreeuws alleen ‘hij zei’. Wij noemen de naam voor de duidelijkheid. Zie ook: 1 Sam 9:3–10; 1 Sam 14:50; 2 Kon 5:25 **10:15** De oom van Saul zei: „Vertel mij toch wat Samuël tegen jullie heeft gezegd.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | דּ֣וֹד (dod) = oom van | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | הַגִּֽידָה (hagida) = vertel | נָּ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = mij | מָֽה (ma) = wat | אָמַ֥ר (amar) = hij zei | לָכֶ֖ם (lakhem) = tegen jullie | שְׁמוּאֵֽל (shemuel) = Samuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:16** Saul zei tegen zijn oom: „Hij heeft ons duidelijk verteld dat de ezelinnen gevonden waren.” Maar wat Samuël over het koningschap had gezegd, vertelde hij hem niet. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | דּוֹד֔וֹ (dodo) = zijn oom | הַגֵּ֤ד (haged) = vertellen | הִגִּיד֙ (higid) = hij heeft verteld | לָ֔נוּ (lanu) = ons | כִּ֥י (ki) = dat | נִמְצְא֖וּ (nimtseu) = zijn gevonden | הָאֲתֹנ֑וֹת (haatonot) = de ezelinnen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּבַ֤ר (devar) = de zaak van | הַמְּלוּכָה֙ (hamelukha) = het koningschap | לֹֽא (lo) = niet | הִגִּ֣יד (higid) = hij vertelde | ל֔וֹ (lo) = hem | אֲשֶׁ֖ר (asher) = wat | אָמַ֥ר (amar) = hij had gezegd | שְׁמוּאֵֽל (shemuel) = Samuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:18; Re 14:6; 1 Sam 9:20; 1 Sam 9:27; Spr 29:11 ### Saul wordt in Mizpa aangewezen **10:17** Samuël riep het volk op bij Yahweh, in Mizpa. Brontekst: וַיַּצְעֵ֤ק (vayatseq) = en hij riep op | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַמִּצְפָּֽה (hamitspa) = naar Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa ligt waarschijnlijk bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Re 20:1; 1 Sam 7:5–6 **10:18** Hij zei tegen de zonen van Israël: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Ik heb Israël uit Egypte laten optrekken. Ik heb jullie gered uit de hand van Egypte en uit de hand van alle koninkrijken die jullie onderdrukten.’ Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | הֶעֱלֵ֥יתִי (heeleiti) = heb laten optrekken | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וָאַצִּ֤יל (vaatsil) = en ik heb gered | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמִיַּד֙ (umiyad) = en uit de hand van | כָּל (kal) = alle | הַמַּמְלָכ֔וֹת (hamamlakhot) = de koninkrijken | הַלֹּחֲצִ֖ים (halochatsim) = die onderdrukten | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Samuël citeert hier Yahweh. Omdat een profeet Yahweh aanhaalt, blijven deze woorden zwart en staan ze tussen enkele aanhalingstekens, zoals in Lev. 10:3. Zie ook: Lev 10:3; Re 2:1; Re 6:8–9; Neh 9:9–12; Neh 9:27–28 **10:19** Maar vandaag hebben jullie jullie Elohim verworpen, Hij die jullie redt uit al jullie rampen en benauwdheden. Jullie zeiden tegen Hem: ‘Nee, stel een koning over ons aan.’ Ga nu voor het aangezicht van Yahweh staan, per stam en per duizendtal.” Brontekst: וְאַתֶּ֨ם (veatem) = en jullie | הַיּ֜וֹם (hayom) = vandaag | מְאַסְתֶּ֣ם (meastem) = hebben verworpen | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | ה֣וּא (hu) = Hij | מוֹשִׁ֣יעַ (moshia) = redder | לָכֶם֮ (lakhem) = voor jullie | מִכָּל (mikal) = uit al | רָעוֹתֵיכֶ֣ם (raoteikhem) = jullie rampen | וְצָרֹֽתֵיכֶם֒ (vetsaroteikhem) = en jullie benauwdheden | וַתֹּ֣אמְרוּ (vatomru) = en jullie hebben gezegd | ל֔וֹ (lo) = tegen Hem | כִּי (ki) = nee | מֶ֖לֶךְ (melekh) = een koning | תָּשִׂ֣ים (tasim) = stel aan | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = over ons | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִֽתְיַצְּבוּ֙ (hityatsevu) = stel jullie op | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְשִׁבְטֵיכֶ֖ם (leshivteikhem) = per jullie stammen | וּלְאַלְפֵיכֶֽם (ulealfeikhem) = en per jullie duizendtallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי (ki), hier ‘nee, maar’: het volk wees het aanbod van Yahweh af en eiste een koning, zoals in 1 Sam. 8:19. Zie ook: Num 17:17; Joz 7:14–26; Joz 24:1; 1 Sam 8:19; 1 Sam 12:12 **10:20** Samuël liet alle stammen van Israël naderen. De stam Benjamin werd gegrepen. Brontekst: וַיַּקְרֵ֣ב (vayaqrev) = en hij liet naderen | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = de stammen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּלָּכֵ֖ד (vayilakhed) = en werd gegrepen | שֵׁ֥בֶט (shevet) = de stam | בִּנְיָמִֽן (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָכַד (lakhad), ‘grijpen’: aanwijzing door het lot, zoals bij Achan in Joz. 7:14–18. Zie ook: Joz 7:14–18; Joz 7:16–18; 1 Sam 14:41; Hand 1:24–26 **10:21** Hij liet de stam Benjamin naderen, per familie. De familie Matri werd gegrepen. Daarna werd Saul, de zoon van Kis, gegrepen. Zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden. Brontekst: וַיַּקְרֵ֞ב (vayaqrev) = en hij liet naderen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֤בֶט (shevet) = de stam | בִּנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו (lemishpechotav) = per zijn families | וַתִּלָּכֵ֖ד (vatilakhed) = en werd gegrepen | מִשְׁפַּ֣חַת (mishpachat) = de familie van | הַמַּטְרִ֑י (hamatri) = de Matri | וַיִּלָּכֵד֙ (vayilakhed) = en werd gegrepen | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | בֶּן (ben) = zoon van | קִ֔ישׁ (qish) = Kis | וַיְבַקְשֻׁ֖הוּ (vayvaqshuhu) = en zij zochten hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נִמְצָֽא (nimtsa) = hij werd gevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘per zijn familie’, enkelvoud. De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘per zijn families’. Wij volgen de qere. **10:22** Zij vroegen Yahweh nog eens: „Komt er nog iemand hierheen?” Yahweh zei: **„Zie, hij heeft zich verborgen bij de bagage.”** Brontekst: וַיִּשְׁאֲלוּ (vayishalu) = en zij vroegen | עוֹד֙ (od) = nog | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = aan Yahweh | הֲבָ֥א (hava) = komt er | ע֖וֹד (od) = nog | הֲלֹ֣ם (halom) = hierheen | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּה (hine) = zie | ה֥וּא (hu) = hij | נֶחְבָּ֖א (nechba) = heeft zich verborgen | אֶל (el) = bij | הַכֵּלִֽים (hakelim) = de bagage Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲבָא עוֹד הֲלֹם אִישׁ (haba od halom ish), ‘komt er nog een man hierheen?’: het kan ook betekenen ‘is hij al hierheen gekomen?’. Zie ook: Num 27:21; Re 1:1; Re 20:18; 1 Sam 9:21; 1 Sam 15:17 **10:23** Zij renden erheen en haalden hem daar weg. Hij ging midden onder het volk staan. Van zijn schouders omhoog was hij groter dan heel het volk. Brontekst: וַיָּרֻ֨צוּ֙ (vayarutsu) = en zij renden | וַיִּקָּחֻ֣הוּ (vayiqachuhu) = en zij namen hem | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | וַיִּתְיַצֵּ֖ב (vayityatsev) = en hij stelde zich op | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיִּגְבַּהּ֙ (vayigbah) = en hij was hoog | מִכָּל (mikal) = boven heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | מִשִּׁכְמ֖וֹ (mishikhmo) = vanaf zijn schouder | וָמָֽעְלָה (vamaela) = en omhoog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 9:2; 1 Sam 16:7; 1 Sam 17:4 **10:24** Samuël zei tegen heel het volk: „Zien jullie wie Yahweh heeft gekozen? Want niemand in heel het volk is zoals hij.” Heel het volk juichte en riep: „Leve de koning!” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁמוּאֵ֜ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | כָּל (kal) = heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | הַרְּאִיתֶם֙ (hareitem) = hebben jullie gezien | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּֽחַר (bachar) = heeft gekozen | בּ֣וֹ (bo) = in hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֛י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niemand | כָּמֹ֖הוּ (kamohu) = zoals hij | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיָּרִ֧עוּ (vayariu) = en zij juichten | כָל (kal) = heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | יְחִ֥י (yechi) = leve | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְחִי הַמֶּלֶךְ (yechi hamelech), ‘leve de koning’: een groet bij het uitroepen van een koning. Zie ook: Deut 17:15; 2 Sam 21:6; 1 Kon 1:25; 1 Kon 1:39; 2 Kon 11:12 ### Het recht van het koningschap **10:25** Samuël vertelde het volk het recht van het koningschap. Hij schreef het in een boek en legde het neer voor het aangezicht van Yahweh. Daarna stuurde Samuël heel het volk weg, ieder naar zijn huis. Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en hij sprak | שְׁמוּאֵ֜ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | הָעָ֗ם (haam) = het volk | אֵ֚ת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֣ט (mishpat) = het recht van | הַמְּלֻכָ֔ה (hamelukha) = het koningschap | וַיִּכְתֹּ֣ב (vayikhtov) = en hij schreef | בַּסֵּ֔פֶר (basefer) = in het boek | וַיַּנַּ֖ח (vayanach) = en hij legde neer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְשַׁלַּ֧ח (vayshalach) = en hij stuurde weg | שְׁמוּאֵ֛ל (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְבֵיתֽוֹ (leveito) = naar zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפַּט הַמְּלֻכָה (mishpat hamelukhah), ‘het recht van het koningschap’. Vergelijk ‘het recht van de koning’ in 1 Sam. 8:9 en de koningswet in Deut. 17:14–20. Zie ook: Deut 17:14–20; 1 Sam 8:9; 1 Sam 8:11–18; Ezech 45:9–10; Tit 3:1; 1 Petr 2:13–14 ### Saul gaat naar Gibea **10:26** Ook Saul ging naar zijn huis in Gibea. Er gingen strijders met hem mee. Elohim had hun hart aangeraakt. Brontekst: וְגַ֨ם (vegam) = en ook | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הָלַ֥ךְ (halakh) = ging | לְבֵית֖וֹ (leveito) = naar zijn huis | גִּבְעָ֑תָה (givata) = naar Gibea | וַיֵּלְכ֣וּ (vayelekhu) = en zij gingen | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | הַחַ֕יִל (hachayil) = de strijdmacht | אֲשֶׁר (asher) = die | נָגַ֥ע (naga) = had aangeraakt | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּלִבָּֽם (belibam) = hun hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: חַיִל (chayil), ‘macht, kracht’: hier een groep strijders. Zie ook: Joz 18:28; 1 Sam 11:4; 1 Sam 15:34; Ps 110:3; Hand 7:10 **10:27** Maar enkele zonen van Belial zeiden: „Hoe kan deze man ons redden?” Zij minachtten hem en brachten hem geen geschenk. Hij hield zich stil. Brontekst: וּבְנֵ֧י (uvenei) = en zonen van | בְלִיַּ֣עַל (beliyaal) = Belial | אָמְר֗וּ (ameru) = zij zeiden | מַה (ma) = hoe | יֹּשִׁעֵ֨נוּ֙ (yoshienu) = zal redden ons | זֶ֔ה (ze) = deze | וַיִּבְזֻ֕הוּ (vayivzuhu) = en zij minachtten hem | וְלֹֽא (velo) = en niet | הֵבִ֥יאוּ (heviu) = zij brachten | ל֖וֹ (lo) = hem | מִנְחָ֑ה (mincha) = een geschenk | וַיְהִ֖י (vayhi) = en hij was | כְּמַחֲרִֽישׁ (kemacharish) = als één die zweeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי בְלִיַּעַל (bene beliyya’al), ‘zonen van Belial’: ‘Belial’ betekent letterlijk ‘waardeloosheid, nietsnut’. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), hier ‘geschenk’: een gave aan een koning. Voetnoot Lezing: כְּמַחֲרִישׁ (kemacharish), ‘als iemand die zweeg’. Sommige oude handschriften en vertalingen hebben hier een andere tekst, die bij hoofdstuk 11 hoort. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Deut 13:14; 1 Kon 5:1; 1 Kon 10:25; 2 Kron 13:7; 2 Kron 17:5 ## 1 Samuël 11 _Saul redt Jabes en wordt koning in Gilgal_ ### Nachasj belegert Jabes **11:1** Nachasj, de Ammoniet, trok op en legerde zich tegen Jabes in Gilead. Alle mannen van Jabes zeiden tegen Nachasj: „Sluit een verbond met ons, dan zullen wij u dienen.” Brontekst: וַיַּ֗עַל (vayaal) = en hij trok op | נָחָשׁ֙ (nachash) = Nachasj | הָֽעַמּוֹנִ֔י (haamoni) = de Ammoniet | וַיִּ֖חַן (vayichan) = en hij legerde zich | עַל (al) = tegen | יָבֵ֣שׁ (yavesh) = Jabes | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zij zeiden | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | יָבֵישׁ֙ (yaveish) = Jabes | אֶל (el) = tot | נָחָ֔שׁ (nachash) = Nachasj | כְּרָת (kerat) = sluit | לָ֥נוּ (lanu) = met ons | בְרִ֖ית (berit) = een verbond | וְנַעַבְדֶֽךָּ (venaavdeka) = en wij zullen u dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan, waarschijnlijk bij Tell el-Maqlub (Jordanië). De ligging is niet helemaal zeker. Voetnoot Uitleg: Nachasj (נָחָשׁ, nachash) was koning van Ammon. De Ammonieten woonden ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Gen 26:28; Re 21:8; 1 Sam 12:12; 1 Kon 20:34; Ezech 17:13 **11:2** Nachasj, de Ammoniet, zei tegen hen: „Op deze voorwaarde sluit ik een verbond met jullie: ik steek van jullie allemaal het rechteroog uit. Zo leg ik smaad op heel Israël.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tegen hen | נָחָשׁ֙ (nachash) = Nachasj | הָעַמּוֹנִ֔י (haamoni) = de Ammoniet | בְּזֹאת֙ (bezot) = hierop | אֶכְרֹ֣ת (ekhrot) = zal ik sluiten | לָכֶ֔ם (lakhem) = met jullie | בִּנְק֥וֹר (binqor) = door uit te steken | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = elk | עֵ֣ין (ein) = oog van | יָמִ֑ין (yamin) = rechter | וְשַׂמְתִּ֥יהָ (vesamtiha) = en ik zal het leggen | חֶרְפָּ֖ה (cherpa) = smaad | עַל (al) = op | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad, schande’. Zie ook: Gen 34:14; Num 16:14; 1 Sam 17:26; Spr 12:10; Jer 39:7 **11:3** De oudsten van Jabes zeiden tegen hem: „Geef ons zeven dagen uitstel. Dan sturen wij boodschappers door heel het gebied van Israël. Als er niemand is die ons redt, komen wij naar u toe.” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | יָבֵ֗ישׁ (yaveish) = Jabes | הֶ֤רֶף (heref) = laat af | לָ֨נוּ֙ (lanu) = ons | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | וְנִשְׁלְחָה֙ (venishlecha) = en wij zullen sturen | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boodschappers | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in heel | גְּב֣וּל (gevul) = het gebied van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאִם (veim) = en als | אֵ֥ין (ein) = niet is | מוֹשִׁ֛יעַ (moshia) = een redder | אֹתָ֖נוּ (otanu) = bij ons | וְיָצָ֥אנוּ (veyatsanu) = en wij zullen uitgaan | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = naar u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ‘Uitgaan naar u’ (וְיָצָאנוּ אֵלֶיךָ, vejatsanu elecha) kan betekenen: zich aan u overgeven. Dezelfde woorden staan in vers 10. Zie ook: 1 Sam 11:10 ### Het nieuws bereikt Saul **11:4** De boodschappers kwamen in Gibea van Saul en vertelden dit aan het volk. Heel het volk verhief zijn stem en huilde. Brontekst: וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en zij kwamen | הַמַּלְאָכִים֙ (hamalakhim) = de boodschappers | גִּבְעַ֣ת (givat) = Gibea van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיְדַבְּר֥וּ (vaydaberu) = en zij spraken | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיִּשְׂא֧וּ (vayisu) = en verhieven | כָל (kal) = heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | קוֹלָ֖ם (qolam) = hun stem | וַיִּבְכּֽוּ (vayivku) = en zij huilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea van Saul (גִּבְעַת שָׁאוּל, Givat Sha’ul) is waarschijnlijk Tell el-Ful, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). De ligging is niet helemaal zeker. Zie ook: Re 2:4; Re 21:2; 1 Sam 10:26; 1 Sam 15:34; 1 Sam 30:4 **11:5** Zie, Saul kwam achter de runderen aan van het veld. Saul vroeg: „Wat is er met het volk, dat zij huilen?” Zij vertelden hem wat de mannen van Jabes hadden gezegd. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | בָּ֣א (ba) = komend | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | הַבָּקָר֙ (habaqar) = de runderen | מִן (min) = uit | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | מַה (ma) = wat | לָּעָ֖ם (laam) = voor het volk | כִּ֣י (ki) = dat | יִבְכּ֑וּ (yivku) = zij huilen | וַיְסַ֨פְּרוּ (vaysaperu) = en zij vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֖י (divrei) = de woorden van | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | יָבֵֽישׁ (yaveish) = Jabes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Gen 21:17; Re 18:23; 1 Sam 9:1; 1 Kon 19:19; Jes 22:1 **11:6** Toen Saul dit hoorde, kwam de Geest van Elohim met kracht over hem. Zijn toorn ontbrandde zeer. Brontekst: וַתִּצְלַ֤ח (vatitslach) = en kwam met kracht | רֽוּחַ (ruach) = de Geest van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | עַל (al) = over | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | כְּשָׁמְע֖וֹ (keshameo) = toen hij hoorde | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיִּ֥חַר (vayichar) = en ontbrandde | אַפּ֖וֹ (apo) = zijn toorn | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft בְּשָׁמְעוֹ (beshom’o), ‘bij zijn horen’. De voorgelezen tekst (qere) heeft כְּשָׁמְעוֹ (keshom’o), ‘toen hij hoorde’. De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Re 3:10; Re 6:34; Re 14:6; 1 Sam 10:10; 1 Sam 16:13 ### Het volk trekt uit **11:7** Hij nam een span runderen en hakte ze in stukken. Hij stuurde de stukken door de boodschappers naar heel het gebied van Israël. Hij liet zeggen: „Wie niet uittrekt achter Saul en Samuël aan, met zijn runderen zal zo gedaan worden.” De schrik van Yahweh viel op het volk. Zij trokken uit als één man. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en hij nam | צֶ֨מֶד (tsemed) = een span van | בָּקָ֜ר (baqar) = runderen | וַֽיְנַתְּחֵ֗הוּ (vaynatechehu) = en hij hakte het in stukken | וַיְשַׁלַּ֞ח (vayshalach) = en hij stuurde | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּב֣וּל (gevul) = het gebied van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | הַמַּלְאָכִ֣ים (hamalakhim) = de boodschappers | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | אֲשֶׁר֩ (asher) = wie | אֵינֶ֨נּוּ (einenu) = niet hij | יֹצֵ֜א (yotse) = uittrekkend | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | וְאַחַ֣ר (veachar) = en achter | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | כֹּ֥ה (ko) = zo | יֵעָשֶׂ֖ה (yease) = zal gedaan worden | לִבְקָר֑וֹ (livqaro) = met zijn runderen | וַיִּפֹּ֤ל (vayipol) = en viel | פַּֽחַד (pachad) = de schrik van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיֵּצְא֖וּ (vayetseu) = en zij trokken uit | כְּאִ֥ישׁ (keish) = als een man | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶמֶד בָּקָר (tsemed baqar), ‘een span runderen’: twee runderen onder één juk. Voetnoot : De stukken vlees gaan als teken naar de stammen. Vergelijk Richt. 19:29. Zie ook: Re 19:29; Re 20:1; Re 21:5–11; 2 Kron 14:13; 2 Kron 17:10 **11:8** Hij telde hen in Bezek. De zonen van Israël waren 300.000 man en de mannen van Juda 30.000. Brontekst: וַֽיִּפְקְדֵ֖ם (vayifqedem) = en hij telde hen | בְּבָ֑זֶק (bevazeq) = in Bezek | וַיִּהְי֤וּ (vayihyu) = en zij waren | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | שְׁלֹ֣שׁ (shelosh) = drie | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְאִ֥ישׁ (veish) = en de man van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bezek ligt waarschijnlijk bij Khirbet Ibziq, ten noordoosten van Nablus (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Lezing: De getallen van de Masoretische tekst zijn 300.000 en 30.000. Andere tekstgetuigen hebben andere getallen. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 1:4–5; Re 20:2; 1 Sam 13:15; 2 Sam 24:9; 2 Kron 17:12–19 ### Het antwoord aan Jabes **11:9** Zij zeiden tegen de boodschappers die gekomen waren: „Zeg zo tegen de mannen van Jabes in Gilead: ‘Morgen komt er redding voor jullie. Dat gebeurt wanneer de zon heet wordt.’” De boodschappers gingen en vertelden het aan de mannen van Jabes. Die waren blij. Brontekst: וַיֹּאמְר֞וּ (vayomru) = en zij zeiden | לַמַּלְאָכִ֣ים (lamalakhim) = aan de boodschappers | הַבָּאִ֗ים (habaim) = die kwamen | כֹּ֤ה (ko) = zo | תֹֽאמְרוּן֙ (tomrun) = zullen jullie zeggen | לְאִישׁ֙ (leish) = tegen de man van | יָבֵ֣ישׁ (yaveish) = Jabes | גִּלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | מָחָ֛ר (machar) = morgen | תִּהְיֶֽה (tihye) = zal zijn | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | תְּשׁוּעָ֖ה (teshua) = redding | כְּחֹ֣ם (kechom) = als de hitte van | הַשָּׁ֑מֶשׁ (hashamesh) = de zon | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | הַמַּלְאָכִ֗ים (hamalakhim) = de boodschappers | וַיַּגִּ֛ידוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לְאַנְשֵׁ֥י (leanshei) = aan de mannen van | יָבֵ֖ישׁ (yaveish) = Jabes | וַיִּשְׂמָֽחוּ (vayismachu) = en zij verheugden zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft בְּחֹם (bechom), ‘bij de hitte’. De voorgelezen tekst (qere) heeft כְּחֹם (kechom), ‘als de hitte’. De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 18:18 **11:10** De mannen van Jabes zeiden: „Morgen komen wij naar jullie toe. Doe dan met ons alles wat jullie goed vinden.” Brontekst: וַֽיֹּאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | יָבֵ֔ישׁ (yaveish) = Jabes | מָחָ֖ר (machar) = morgen | נֵצֵ֣א (netse) = wij zullen uitgaan | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = naar jullie | וַעֲשִׂיתֶ֣ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | לָּ֔נוּ (lanu) = met ons | כְּכָל (kekhal) = zoals alles | הַטּ֖וֹב (hatov) = het goede | בְּעֵינֵיכֶֽם (beeineikhem) = in jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De mannen van Jabes spreken hier tot Nachasj en de Ammonieten. Hun woorden kunnen worden opgevat als een overgave. Zie ook: 1 Sam 11:2–3 ### De overwinning op Ammon **11:11** De volgende dag verdeelde Saul het volk in drie groepen. Bij de morgenwake kwamen zij midden in het kamp. Zij versloegen de Ammonieten tot de dag heet werd. De overgeblevenen werden verspreid. Er bleven geen twee van hen bij elkaar. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֗ת (mimachorat) = op de volgende dag | וַיָּ֨שֶׂם (vayasem) = en hij stelde | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֮ (haam) = het volk | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | רָאשִׁים֒ (rashim) = groepen | וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en zij kwamen | בְתוֹךְ (betokh) = in het midden van | הַֽמַּחֲנֶה֙ (hamachane) = het kamp | בְּאַשְׁמֹ֣רֶת (beashmoret) = bij de wake van | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | עַד (ad) = tot | חֹ֣ם (chom) = de hitte van | הַיּ֑וֹם (hayom) = de dag | וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | הַנִּשְׁאָרִים֙ (hanisharim) = de overgeblevenen | וַיָּפֻ֔צוּ (vayafutsu) = en zij werden verspreid | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נִשְׁאֲרוּ (nisharu) = bleven over | בָ֖ם (bam) = onder hen | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | יָֽחַד (yachad) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: אַשְׁמֹרֶת הַבֹּקֶר (ashmoret haboqer), ‘de wake van de morgen’: het laatste deel van de nacht. Vergelijk Richt. 7:19, de middelste wake. Zie ook: Gen 22:14; Ex 14:24; Re 7:16; Re 7:19; 1 Sam 30:17–18; Jak 2:13 ### Niemand wordt gedood **11:12** Het volk zei tegen Samuël: „Wie zeiden er: ‘Zal Saul over ons koning zijn?’ Geef die mannen aan ons, dan doden wij hen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֶל (el) = tegen | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | מִ֣י (mi) = wie | הָאֹמֵ֔ר (haomer) = die zei | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | יִמְלֹ֣ךְ (yimlokh) = zal koning zijn | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = over ons | תְּנ֥וּ (tenu) = geef | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | וּנְמִיתֵֽם (unemitem) = en wij zullen hen doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gaat terug op 1 Sam. 10:27, waar enkelen Saul minachtten. Zie ook: 1 Sam 10:27; Ps 21:9; Luc 19:27 **11:13** Saul zei: „Vandaag mag niemand gedood worden. Want vandaag heeft Yahweh redding gebracht in Israël.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | לֹֽא (lo) = niet | יוּמַ֥ת (yumat) = zal gedood worden | אִ֖ישׁ (ish) = een man | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֥י (ki) = want | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | עָשָֽׂה (asa) = heeft gedaan | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | תְּשׁוּעָ֖ה (teshua) = redding | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:13; Ex 14:30; 1 Sam 19:5; 2 Sam 19:23; Ps 44:5–9 ### Het koningschap in Gilgal vernieuwd **11:14** Samuël zei tegen het volk: „Kom, laten wij naar Gilgal gaan en daar het koningschap vernieuwen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לְכ֖וּ (lekhu) = kom | וְנֵלְכָ֣ה (venelekha) = en laten wij gaan | הַגִּלְגָּ֑ל (hagilgal) = naar Gilgal | וּנְחַדֵּ֥שׁ (unechadesh) = en laten wij vernieuwen | שָׁ֖ם (sham) = daar | הַמְּלוּכָֽה (hamelukha) = het koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal ligt bij Jericho (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: חָדַשׁ (chadash), ‘vernieuwen’: het koningschap van Saul wordt hier voor het hele volk bevestigd. Zie ook: 1 Sam 5:3; 1 Sam 7:16; 1 Sam 10:8; 1 Sam 10:24–25; 1 Kron 12:39–40 **11:15** Heel het volk ging naar Gilgal. Daar maakten zij Saul voor het aangezicht van Yahweh tot koning, in Gilgal. Zij slachtten daar vredeoffers voor het aangezicht van Yahweh. Saul en alle mannen van Israël waren daar zeer verheugd. Brontekst: וַיֵּלְכ֨וּ (vayelekhu) = en zij gingen | כָל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | הַגִּלְגָּ֗ל (hagilgal) = naar Gilgal | וַיַּמְלִכוּ֩ (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | שָׁ֨ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בַּגִּלְגָּ֔ל (bagilgal) = in Gilgal | וַיִּזְבְּחוּ (vayizbechu) = en zij slachtten | שָׁ֛ם (sham) = daar | זְבָחִ֥ים (zevachim) = slachtoffers | שְׁלָמִ֖ים (shelamim) = vredeoffers | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשְׂמַ֨ח (vayismach) = en verheugde zich | שָׁ֥ם (sham) = daar | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | וְכָל (vekhal) = en alle | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַד (ad) = tot | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: וַיַּמְלִכוּ (vajamlichu), ‘zij maakten tot koning’. Daarna volgen de offers. Vergelijk Lev. 3 voor het vredeoffer. Zie ook: Ex 24:5; 1 Sam 10:8; 1 Sam 10:17; 1 Kron 29:21–24; Hos 13:10–11 ## 1 Samuël 12 _Samuëls afscheidsrede_ ### Samuël legt rekenschap af **12:1** Samuël zei tegen heel Israël: „Zie, ik heb naar jullie stem geluisterd in alles wat jullie tegen mij zeiden. Ik heb een koning over jullie gemaakt. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנֵּה֙ (hine) = zie | שָׁמַ֣עְתִּי (shamati) = ik heb geluisterd | בְקֹֽלְכֶ֔ם (beqolekhem) = naar jullie stem | לְכֹ֥ל (lekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אֲמַרְתֶּ֖ם (amartem) = jullie hebben gezegd | לִ֑י (li) = tegen mij | וָאַמְלִ֥יךְ (vaamlikh) = en ik heb koning gemaakt | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Samuël houdt hier zijn afscheidsrede als leider van het volk. De aanleiding staat in 1 Sam. 8:5–6 (het verzoek om een koning) en 1 Sam. 11:14–15. Zie ook: 1 Sam 8:5–8; 1 Sam 8:19–22; 1 Sam 10:1; 1 Sam 10:24; 1 Sam 11:14–15 **12:2** Zie, nu gaat de koning voor jullie uit. Ik ben oud en grijs geworden. Mijn zonen zijn bij jullie. Ik ben van jongs af tot vandaag voor jullie uit gegaan. Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִתְהַלֵּ֣ךְ (mithalekh) = wandelend | לִפְנֵיכֶ֗ם (lifneikhem) = voor jullie | וַאֲנִי֙ (vaani) = en ik | זָקַ֣נְתִּי (zaqanti) = ben oud geworden | וָשַׂ֔בְתִּי (vasavti) = en ik ben grijs geworden | וּבָנַ֖י (uvanay) = en mijn zonen | הִנָּ֣ם (hinam) = zie | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = bij jullie | וַאֲנִי֙ (vaani) = en ik | הִתְהַלַּ֣כְתִּי (hithalakhti) = heb gewandeld | לִפְנֵיכֶ֔ם (lifneikhem) = voor jullie | מִנְּעֻרַ֖י (mineuray) = van mijn jeugd | עַד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְּעֻרַי (minne’uray), ‘van mijn jeugd af’: van af het begin van zijn dienst, zie 1 Sam. 3. Zie ook: Num 27:17; 1 Sam 3:19–20; 1 Sam 8:1; 1 Sam 8:5; 1 Sam 8:20 **12:3** Hier ben ik. Getuig tegen mij voor het aangezicht van Yahweh en van Zijn gezalfde. Wiens os heb ik genomen? Wiens ezel heb ik genomen? Wie heb ik uitgebuit? Wie heb ik onderdrukt? Uit wiens hand heb ik een afkoopsom genomen om mijn ogen ervoor te sluiten? Ik geef het jullie terug.” Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie mij | עֲנ֣וּ (anu) = getuig | בִי֩ (bi) = tegen mij | נֶ֨גֶד (neged) = tegenover | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | וְנֶ֣גֶד (veneged) = en tegenover | מְשִׁיח֗וֹ (meshicho) = Zijn gezalfde | אֶת (et) = (obj.) | שׁוֹר֩ (shor) = de os van | מִ֨י (mi) = wie | לָקַ֜חְתִּי (laqachti) = heb ik genomen | וַחֲמ֧וֹר (vachamor) = en de ezel van | מִ֣י (mi) = wie | לָקַ֗חְתִּי (laqachti) = heb ik genomen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִ֤י (mi) = wie | עָשַׁ֨קְתִּי֙ (ashaqti) = heb ik uitgebuit | אֶת (et) = (obj.) | מִ֣י (mi) = wie | רַצּ֔וֹתִי (ratsoti) = heb ik onderdrukt | וּמִיַּד (umiyad) = en uit de hand van | מִי֙ (mi) = wie | לָקַ֣חְתִּי (laqachti) = heb ik genomen | כֹ֔פֶר (kofer) = een afkoopsom | וְאַעְלִ֥ים (vealim) = en ik zou verbergen | עֵינַ֖י (einay) = mijn ogen | בּ֑וֹ (bo) = ermee | וְאָשִׁ֖יב (veashiv) = en ik zal teruggeven | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיחוֹ (meshicho), ‘Zijn gezalfde’: de koning Saul (vergelijk vers 5). Voetnoot : כֹּפֶר (kofer), ‘afkoopsom’: een geschenk waarmee men een rechter omkoopt. Het zich afwenden van de ogen is: een misdaad over het hoofd zien. Voetnoot Lezing: In sommige oude vertalingen staat hier ook ‘een paar sandalen’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Num 16:15; Deut 16:19; 1 Sam 12:5; 1 Sam 24:7; Hand 20:33; 1 Petr 5:2 **12:4** Zij zeiden: „U hebt ons niet uitgebuit en niet onderdrukt. U hebt niets uit iemands hand genomen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֹ֥א (lo) = niet | עֲשַׁקְתָּ֖נוּ (ashaqtanu) = u hebt uitgebuit ons | וְלֹ֣א (velo) = en niet | רַצּוֹתָ֑נוּ (ratsotanu) = u hebt onderdrukt ons | וְלֹֽא (velo) = en niet | לָקַ֥חְתָּ (laqachta) = u hebt genomen | מִיַּד (miyad) = uit de hand van | אִ֖ישׁ (ish) = een man | מְאֽוּמָה (meuma) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk spreekt Samuël aan met ‘u’. Zie ook: Ps 37:5–6; Dan 6:5; 3 Joh 1:12 **12:5** Hij zei tegen hen: „Yahweh is getuige tegen jullie, en Zijn gezalfde is vandaag getuige, dat jullie niets in mijn hand hebben gevonden.” Zij zeiden: „Getuige!” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | עֵ֧ד (ed) = getuige | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶ֗ם (bakhem) = tegen jullie | וְעֵ֤ד (veed) = en getuige | מְשִׁיחוֹ֙ (meshicho) = Zijn gezalfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = op de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֧א (lo) = niet | מְצָאתֶ֛ם (metsatem) = jullie hebben gevonden | בְּיָדִ֖י (beyadi) = in mijn hand | מְא֑וּמָה (meuma) = iets | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֵֽד (ed) = getuige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het werkwoord ‘hij zei’ staat in het Hebreeuws in het enkelvoud. Wij nemen het volk als onderwerp. Zie ook: Ex 22:3; Hand 23:9; Hand 24:20; 1 Kor 4:4; 2 Kor 1:12 ### Yahweh heeft Zijn volk steeds gered **12:6** Samuël zei tegen het volk: „Yahweh is het die Mozes en Aäron heeft aangesteld en die jullie vaderen uit het land Egypte heeft laten optrekken. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | הָעָ֑ם (haam) = het volk | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עָשָׂה֙ (asa) = heeft aangesteld | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וַאֲשֶׁ֧ר (vaasher) = en die | הֶעֱלָ֛ה (heela) = heeft laten optrekken | אֶת (et) = (obj.) | אֲבֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaderen | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat hier geen werkwoord: ‘Yahweh, Hij die …’. Wij vullen ‘is het’ aan. Voetnoot : עָשָׂה (asah), ‘maken’: hier ‘aanstellen’, tot leiders maken. Zie ook: Ex 6:26; Ps 77:20–21; Ps 99:6; Ps 105:41; Mi 6:4 **12:7** Ga nu staan, dan treed ik met jullie in het geding voor het aangezicht van Yahweh. Het gaat om alle daden van gerechtigheid van Yahweh, die Hij voor jullie en voor jullie vaderen heeft gedaan. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִֽתְיַצְּב֛וּ (hityatsevu) = stel jullie op | וְאִשָּׁפְטָ֥ה (veishafeta) = en ik zal in het geding gaan | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | צִדְק֣וֹת (tsidqot) = de daden van gerechtigheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֥ה (asa) = Hij heeft gedaan | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = voor jullie | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבוֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִדְקוֹת (tsidqot), ‘daden van gerechtigheid’: de redding en rechtsdaden van Yahweh. Dezelfde woorden staan in Richt. 5:11. Voetnoot : נִשְׁפַּט (nishpat), ‘in het geding treden’: een rechtszaak voeren. Zie ook: Re 5:11; Jes 1:18; Jes 5:3–4; Mi 6:1–5; Ezech 18:25–30; Hand 17:3 **12:8** Toen Jakob in Egypte kwam, riepen jullie vaderen om hulp tot Yahweh. Yahweh stuurde Mozes en Aäron. Zij leidden jullie vaderen uit Egypte en lieten hen op deze plaats wonen. Brontekst: כַּֽאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | בָּ֥א (ba) = kwam | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיִּזְעֲק֤וּ (vayizaqu) = en zij riepen om hulp | אֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaderen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij stuurde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | וַיּוֹצִ֤יאוּ (vayotsiu) = en zij leidden uit | אֶת (et) = (obj.) | אֲבֹֽתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaderen | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיֹּשִׁב֖וּם (vayoshivum) = en zij lieten hen wonen | בַּמָּק֥וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De tekst springt over de tijd tussen Jakobs komst in Egypte en de bevrijding heen. Vergelijk Exod. 2:23–25. Zie ook: Ex 2:23–24; Ex 4:14–16; Ex 14:30–31; Num 20:15; 1 Sam 10:18 **12:9** Zij vergaten Yahweh, hun Elohim. Hij verkocht hen in de hand van Sisera, de aanvoerder van het leger van Chasor. Hij verkocht hen ook in de hand van de Filistijnen en in de hand van de koning van Moab. Die voerden oorlog tegen hen. Brontekst: וַֽיִּשְׁכְּח֖וּ (vayishkechu) = en zij vergaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיִּמְכֹּ֣ר (vayimkor) = en Hij verkocht | אֹתָ֡ם (otam) = hen | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | סִֽיסְרָא֩ (sisera) = Sisera | שַׂר (sar) = de aanvoerder van | צְבָ֨א (tseva) = het leger van | חָצ֜וֹר (chatsor) = Chasor | וּבְיַד (uveyad) = en in de hand van | פְּלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | וּבְיַד֙ (uveyad) = en in de hand van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ (vayilachamu) = en zij streden | בָּֽם (bam) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Richt. 3:12 (Moab), Richt. 4:2 (Sisera, Chasor) en Richt. 10:7 (de Filistijnen). Zie ook: Deut 32:18; Re 3:12; Re 4:2; Re 10:7; Re 13:1 **12:10** Toen riepen zij om hulp tot Yahweh en zeiden: ‘Wij hebben gezondigd, want wij hebben Yahweh verlaten en de Baäls en de Astarten gediend. Red ons nu uit de hand van onze vijanden, dan zullen wij U dienen.’ Brontekst: וַיִּזְעֲק֤וּ (vayizaqu) = en zij riepen om hulp | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | חָטָ֔אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | כִּ֤י (ki) = want | עָזַ֨בְנוּ֙ (azavnu) = wij hebben verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַנַּעֲבֹ֥ד (vanaavod) = en wij dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּעָלִ֖ים (habealim) = de Baäls | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעַשְׁתָּר֑וֹת (haashtarot) = de Astarten | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הַצִּילֵ֛נוּ (hatsilenu) = red ons | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | אֹיְבֵ֖ינוּ (oyeveinu) = onze vijanden | וְנַעַבְדֶֽךָּ (venaavdeka) = en wij zullen U dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het citaat staat binnen Samuëls rede, daarom met enkele aanhalingstekens. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘en hij zei’, enkelvoud. De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘en zij zeiden’. Wij volgen de qere. Zie ook: Re 2:13; Re 3:7; Re 3:9; Re 10:10; Re 10:15–16 **12:11** Yahweh stuurde Jerubbaal, Bedan, Jefta en Samuël. Hij redde jullie uit de hand van jullie vijanden rondom, en jullie woonden veilig. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij stuurde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְרֻבַּ֣עַל (yerubaal) = Jerubbaal | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּדָ֔ן (bedan) = Bedan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יִפְתָּ֖ח (yiftach) = Jefta | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | וַיַּצֵּ֨ל (vayatsel) = en Hij redde | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | מִיַּ֤ד (miyad) = uit de hand van | אֹֽיְבֵיכֶם֙ (oyeveikhem) = jullie vijanden | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = rondom | וַתֵּשְׁב֖וּ (vateshevu) = en jullie woonden | בֶּֽטַח (betach) = veilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jerubbaal is Gideon, zie Richt. 6:32. Jefta: Richt. 11. Voetnoot Lezing: Een richter Bedan is niet bekend. In sommige oude vertalingen staat hier Barak (vergelijk Richt. 4–5). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 4:6; Re 6:14; Re 6:32; Re 8:29; Re 8:35 ### Nu hebben jullie een koning **12:12** Jullie zagen dat Nachasj, de koning van de zonen van Ammon, tegen jullie optrok. Toen zeiden jullie tegen mij: ‘Nee, een koning moet over ons regeren.’ Maar Yahweh, jullie Elohim, was jullie koning. Brontekst: וַתִּרְא֗וּ (vatiru) = en jullie zagen | כִּֽי (ki) = dat | נָחָ֞שׁ (nachash) = Nachasj | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּוֹן֮ (amon) = Ammon | בָּ֣א (ba) = kwam | עֲלֵיכֶם֒ (aleikhem) = tegen jullie | וַתֹּ֣אמְרוּ (vatomru) = en jullie zeiden | לִ֔י (li) = tegen mij | לֹ֕א (lo) = nee | כִּי (ki) = maar | מֶ֖לֶךְ (melekh) = een koning | יִמְלֹ֣ךְ (yimlokh) = zal regeren | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = over ons | וַיהוָ֥ה (vaYahweh) = en Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | מַלְכְּכֶֽם (malkekhem) = jullie koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: De aanval van Nachasj staat in 1 Sam. 11:1, het verzoek om een koning in 1 Sam. 8:5–6. Zie ook: Gen 17:7; Re 8:23; 1 Sam 8:5–7; 1 Sam 10:19; 1 Sam 11:1–2 **12:13** Nu dan, zie de koning die jullie hebben gekozen en om wie jullie hebben gevraagd. Zie, Yahweh heeft een koning over jullie gezet. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּחַרְתֶּ֖ם (bechartem) = jullie hebben gekozen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שְׁאֶלְתֶּ֑ם (sheeltem) = jullie hebben gevraagd | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | נָתַ֧ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 8:5; 1 Sam 10:24; 1 Sam 11:15; Ps 78:29–31; Hos 13:11 **12:14** Als jullie ontzag hebben voor Yahweh en Hem dienen, naar Zijn stem luisteren en jullie je niet verzetten tegen het bevel van Yahweh, dan volgen jullie Yahweh, jullie Elohim. Ook de koning die over jullie regeert, zal Hem volgen. Brontekst: אִם (im) = als | תִּֽירְא֣וּ (tireu) = jullie ontzag hebben voor | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַעֲבַדְתֶּ֤ם (vaavadtem) = en jullie dienen | אֹתוֹ֙ (oto) = Hem | וּשְׁמַעְתֶּ֣ם (ushematem) = en jullie luisteren | בְּקֹל֔וֹ (beqolo) = naar Zijn stem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַמְר֖וּ (tamru) = jullie je verzetten | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣י (pi) = de mond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וִהְיִתֶ֣ם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | גַּם (gam) = zowel | אַתֶּ֗ם (atem) = jullie | וְגַם (vegam) = en zowel | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מָלַ֣ךְ (malakh) = koning is | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | אַחַ֖ר (achar) = achter | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּי יהוה (pi Yahweh), letterlijk ‘de mond van Yahweh’: wat Yahweh gebiedt. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van vers 14 eindigt zonder duidelijke volgzin: ‘en jullie zullen zijn, jullie en de koning, achter Yahweh, jullie Elohim’. Wij lezen dit als de volgzin: dan zullen jullie Hem volgen. Men kan het ook lezen als een tweede voorwaarde, waarna de volgzin ontbreekt (‘het is goed’ of ‘dan is het goed’). Wij voegen niets toe. Zie ook: Deut 28:1–14; Joz 24:14; Joz 24:20; Ps 81:13–16; Jes 3:10 **12:15** Maar als jullie niet naar de stem van Yahweh luisteren en jullie je verzetten tegen het bevel van Yahweh, dan zal de hand van Yahweh tegen jullie zijn, zoals tegen jullie vaderen. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | תִשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = jullie luisteren | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמְרִיתֶ֖ם (umeritem) = en jullie je verzetten | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣י (pi) = de mond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיְתָ֧ה (vehayeta) = en zal zijn | יַד (yad) = de hand van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶ֖ם (bakhem) = tegen jullie | וּבַאֲבֹתֵיכֶֽם (uvaavoteikhem) = en tegen jullie vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft ‘en tegen jullie vaderen’. Sommige oude vertalingen hebben ‘en tegen jullie koning’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 26:14–30; Joz 24:20; 1 Sam 12:9; Jes 1:20; Jes 3:11 ### Donder en regen in de oogsttijd **12:16** Ga ook nu staan en zie deze grote zaak die Yahweh voor jullie ogen doet. Brontekst: גַּם (gam) = ook | עַתָּה֙ (ata) = nu | הִתְיַצְּב֣וּ (hityatsevu) = stel jullie op | וּרְא֔וּ (ureu) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = grote | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשֶׂ֖ה (ose) = doet | לְעֵינֵיכֶֽם (leeineikhem) = voor jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּבָר (davar), ‘woord, zaak’: hier het teken van vers 17–18. Zie ook: Ex 14:13; Ex 14:31; 1 Sam 12:7; 1 Sam 12:17–18; 1 Sam 15:16 **12:17** Is het vandaag niet de tarweoogst? Ik zal tot Yahweh roepen. Dan geeft Hij donder en regen. Dan weten en zien jullie dat jullie kwaad groot is. Dat kwaad hebben jullie voor de ogen van Yahweh gedaan door een koning voor jullie te vragen.” Brontekst: הֲל֤וֹא (halo) = is het niet | קְצִיר (qetsir) = oogst van | חִטִּים֙ (chitim) = tarwe | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | אֶקְרָא֙ (eqra) = ik zal roepen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיִתֵּ֥ן (veyiten) = en Hij zal geven | קֹל֖וֹת (qolot) = stemmen | וּמָטָ֑ר (umatar) = en regen | וּדְע֣וּ (udeu) = en weet | וּרְא֗וּ (ureu) = en zie | כִּֽי (ki) = dat | רָעַתְכֶ֤ם (raatkhem) = jullie kwaad | רַבָּה֙ (raba) = groot is | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עֲשִׂיתֶם֙ (asitem) = jullie hebben gedaan | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִשְׁא֥וֹל (lishol) = om te vragen | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tarweoogst valt in mei–juni, in het droge seizoen. Regen is dan ongewoon. Voetnoot : קֹלֹת (qolot), ‘stemmen’: donder, zoals in Exod. 9:23. Zie ook: Ex 9:23; Joz 10:12; 1 Sam 7:9–10; 1 Sam 8:7; Spr 26:1; Jak 5:16–18 **12:18** Samuël riep tot Yahweh. Yahweh gaf op die dag donder en regen. Heel het volk kreeg groot ontzag voor Yahweh en voor Samuël. Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij riep | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | קֹלֹ֥ת (qolot) = stemmen | וּמָטָ֖ר (umatar) = en regen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וַיִּירָ֨א (vayira) = en kreeg ontzag | כָל (kal) = heel | הָעָ֥ם (haam) = het volk | מְאֹ֛ד (meod) = zeer | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁמוּאֵֽל (shemuel) = Samuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 9:23–25; Ex 14:31; Ps 106:12–13; Ezra 10:9; Openb 11:5–6 **12:19** Heel het volk zei tegen Samuël: „Bid voor uw dienaren tot Yahweh, uw Elohim, zodat wij niet sterven. Want bij al onze zonden hebben wij nog dit kwaad toegevoegd: dat wij een koning voor ons hebben gevraagd.” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zij zeiden | כָל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | הִתְפַּלֵּ֧ל (hitpalel) = bid | בְּעַד (bead) = voor | עֲבָדֶ֛יךָ (avadeikha) = uw dienaren | אֶל (el) = tot | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = uw Elohim | וְאַל (veal) = en niet | נָמ֑וּת (namut) = wij sterven | כִּֽי (ki) = want | יָסַ֤פְנוּ (yasafnu) = wij hebben toegevoegd | עַל (al) = aan | כָּל (kal) = al | חַטֹּאתֵ֨ינוּ֙ (chatoteinu) = onze zonden | רָעָ֔ה (raa) = het kwaad | לִשְׁאֹ֥ל (lishol) = om te vragen | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 9:28; Ex 10:17; 1 Sam 7:5; 1 Sam 12:23; 1 Joh 5:16 ### Wees niet bang, maar volg Yahweh **12:20** Samuël zei tegen het volk: „Wees niet bang. Jullie zelf hebben al dit kwaad gedaan. Maar wijk niet af van Yahweh en dien Yahweh met heel jullie hart. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁמוּאֵ֤ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | הָעָם֙ (haam) = het volk | אַל (al) = niet | תִּירָ֔אוּ (tirau) = wees bang | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | עֲשִׂיתֶ֔ם (asitem) = hebben gedaan | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֖ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | אַ֗ךְ (akh) = maar | אַל (al) = niet | תָּס֨וּרוּ֙ (tasuru) = wijk af | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = van achter | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַעֲבַדְתֶּ֥ם (vaavadtem) = en dien | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶֽם (levavkhem) = jullie hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:16; Joz 23:6; Ps 101:3; Ps 125:5; 1 Petr 3:16 **12:21** Wijk niet af, want dan gaan jullie achter de leegte aan, die niet helpt en niet redt. Want zij zijn leegte. Brontekst: וְלֹ֖א (velo) = en niet | תָּס֑וּרוּ (tasuru) = wijk af | כִּ֣י (ki) = want | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הַתֹּ֗הוּ (hatohu) = de leegte | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יוֹעִ֛ילוּ (yoilu) = zij helpen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַצִּ֖ילוּ (yatsilu) = zij redden | כִּי (ki) = want | תֹ֥הוּ (tohu) = leegte | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּהוּ (tohu), ‘leegte, nietigheid’: hier wat geen houvast geeft. De tekst noemt niet wat bedoeld is; uit het verband kan men afgoden begrijpen. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft geen werkwoord voor ‘gaan achter’. Wij vullen ‘gaan’ aan. Zie ook: Deut 11:16; Jer 10:15; Jer 14:22; Jer 16:19; Hab 2:18 **12:22** Want Yahweh zal Zijn volk niet verstoten, omwille van Zijn grote naam. Want het heeft Yahweh behaagd van jullie een volk voor Zichzelf te maken. Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | יִטֹּ֤שׁ (yitosh) = zal verstoten | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | בַּעֲב֖וּר (baavur) = omwille van | שְׁמ֣וֹ (shemo) = Zijn naam | הַגָּד֑וֹל (hagadol) = de grote | כִּ֚י (ki) = want | הוֹאִ֣יל (hoil) = het behaagde | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te maken | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | ל֖וֹ (lo) = tot Zichzelf | לְעָֽם (leam) = tot een volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹאִיל (ho’il), ‘het behaagde, besloot’. Zie ook: Deut 14:2; Ps 106:8; 1 Kon 6:13; Jer 14:21; Fil 1:6 **12:23** Het zij ver van mij dat ik tegen Yahweh zondig door te stoppen met bidden voor jullie. Ik zal jullie de goede en rechte weg onderwijzen. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | חָלִ֤ילָה (chalila) = ver zij het | לִּי֙ (li) = van mij | מֵחֲטֹ֣א (mechato) = te zondigen | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = tegen Yahweh | מֵחֲדֹ֖ל (mechadol) = door op te houden | לְהִתְפַּלֵּ֣ל (lehitpalel) = te bidden | בַּעַדְכֶ֑ם (baadkhem) = voor jullie | וְהוֹרֵיתִ֣י (vehoreiti) = en ik zal onderwijzen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = in de weg | הַטּוֹבָ֖ה (hatova) = de goede | וְהַיְשָׁרָֽה (vehayshara) = en de rechte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 8:36; 1 Tess 3:10; Rom 1:9; Kol 1:9; 2 Tim 1:3 **12:24** Heb alleen ontzag voor Yahweh en dien Hem in waarheid, met heel jullie hart. Want zie wat groots Hij bij jullie heeft gedaan. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | יְר֣אוּ (yeru) = heb ontzag | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַעֲבַדְתֶּ֥ם (vaavadtem) = en dien | אֹת֛וֹ (oto) = Hem | בֶּאֱמֶ֖ת (beemet) = in waarheid | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶ֑ם (levavkhem) = jullie hart | כִּ֣י (ki) = want | רְא֔וּ (reu) = zie | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | הִגְדִּ֖ל (higdil) = Hij heeft groot gemaakt | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמֶת (emet), ‘waarheid, betrouwbaarheid’. Zie ook Joz. 24:14. Zie ook: Deut 10:21; Joz 24:14; Ps 126:2–3; Spr 1:7; Pred 12:13; Jes 5:12 **12:25** Maar als jullie volhouden in het kwaad, worden jullie weggevaagd, zowel jullie als jullie koning.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | הָרֵ֖עַ (harea) = het kwaad | תָּרֵ֑עוּ (tareu) = jullie zeker doen | גַּם (gam) = ook | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | גַּֽם (gam) = ook | מַלְכְּכֶ֖ם (malkekhem) = jullie koning | תִּסָּפֽוּ (tisafu) = zullen jullie weggevaagd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:36; Joz 24:20; 1 Sam 31:1–5; Hos 10:3; Jes 3:11 ## 1 Samuël 13 _Saul in Gilgal: het offer zonder Samuël_ ### Saul en Jonatan **13:1** Saul was een jaar oud toen hij koning werd. Twee jaar regeerde hij over Israël. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שָׁנָ֖ה (shana) = een jaar | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | בְּמָלְכ֑וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וּשְׁתֵּ֣י (ushtei) = en twee | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Saul was een zoon van een jaar bij zijn koning worden, en twee jaar regeerde hij over Israël.’ De getallen kunnen zo niet kloppen. Een volwassen man met een zoon als Jonatan (13:2) is geen jaar oud, en twee jaar is te kort voor de gebeurtenissen die volgen. Hand. 13:21 noemt voor Saul 40 jaar. Waarschijnlijk is hier bij het overschrijven iets verloren gegaan. Wij vertalen de Masoretische tekst letterlijk en vullen niets aan. Zie ook: Ex 12:5; Mi 6:6; Hand 13:21 **13:2** Saul koos voor zich 3000 man uit Israël. Tweeduizend waren bij Saul in Mikmas en op het gebergte van Betel. Duizend waren bij Jonatan in Gibea van Benjamin. De rest van het volk stuurde hij naar huis, ieder naar zijn tent. Brontekst: וַיִּבְחַר (vayivchar) = en koos | ל֨וֹ (lo) = voor zich | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִים֮ (alafim) = duizend | מִיִּשְׂרָאֵל֒ (miyisrael) = uit Israël | וַיִּהְי֨וּ (vayihyu) = en waren | עִם (im) = met | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אַלְפַּ֗יִם (alpayim) = tweeduizend | בְּמִכְמָשׂ֙ (bemikhmas) = in Mikmas | וּבְהַ֣ר (uvehar) = en op het gebergte van | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֔ל (el) = El | וְאֶ֗לֶף (veelef) = en duizend | הָיוּ֙ (hayu) = waren | עִם (im) = met | י֣וֹנָתָ֔ן (yonatan) = Jonatan | בְּגִבְעַ֖ת (begivat) = in Gibea van | בִּנְיָמִ֑ין (binyamin) = Benjamin | וְיֶ֣תֶר (veyeter) = en de rest van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | שִׁלַּ֖ח (shilach) = stuurde hij | אִ֥ישׁ (ish) = man | לְאֹהָלָֽיו (leohalav) = naar zijn tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mikmas is het huidige Mukhmas, ongeveer 10 kilometer ten noordoosten van Jeruzalem op de Westelijke Jordaanoever. Betel ligt ongeveer 17 kilometer ten noorden van Jeruzalem (Beitin). Gibea van Benjamin wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 kilometer ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: 1 Sam 10:26; 1 Sam 13:5; 1 Sam 13:23; 1 Sam 14:5; 1 Sam 14:31 ### Jonatan slaat de wachtpost; de Filistijnen trekken op **13:3** Jonatan versloeg de wachtpost van de Filistijnen die in Geba lag. De Filistijnen hoorden het. Saul blies overal in het land op de ramshoorn en zei: „Laat de Hebreeën het horen!” Brontekst: וַיַּ֣ךְ (vayakh) = en sloeg | יוֹנָתָ֗ן (yonatan) = Jonatan | אֵ֣ת (et) = (obj.) | נְצִ֤יב (netsiv) = de wachtpost van | פְּלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּגֶ֔בַע (begeva) = in Geba | וַֽיִּשְׁמְע֖וּ (vayishmeu) = en hoorden | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְשָׁאוּל֩ (veshaul) = en Saul | תָּקַ֨ע (taqa) = blies | בַּשּׁוֹפָ֤ר (bashofar) = op de ramshoorn | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יִשְׁמְע֖וּ (yishmeu) = laat horen | הָעִבְרִֽים (haivrim) = de Hebreeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Geba (nu Jaba) ligt ongeveer 9 kilometer ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Mikmas aan de andere kant van het dal (14:5). Het is een andere plaats dan Gibea (13:2). Het Hebreeuws schrijft ze verschillend, en wij houden dat zo. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (sjofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als signaal wordt geblazen, zoals bij Jericho (Joz. 6). Voetnoot : נְצִיב (netsiv), ‘wachtpost’: een bezetting of opzichter van de Filistijnen. Het woord kan ook ‘opzichter’ betekenen. Hier gaat het om een versterkte post. Zie ook: Re 3:27; Re 6:34; 1 Sam 10:5; 1 Sam 13:16; Jes 10:29 **13:4** Heel Israël hoorde zeggen: „Saul heeft de wachtpost van de Filistijnen verslagen. Israël is ook gaan stinken bij de Filistijnen.” Het volk werd opgeroepen om Saul te volgen naar Gilgal. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֞ל (yisrael) = Israël | שָׁמְע֣וּ (shameu) = hoorde | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | הִכָּ֤ה (hika) = heeft verslagen | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | נְצִ֣יב (netsiv) = de wachtpost van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְגַם (vegam) = en ook | נִבְאַשׁ (nivash) = is gaan stinken | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּפְּלִשְׁתִּ֑ים (bapelishtim) = bij de Filistijnen | וַיִּצָּעֲק֥וּ (vayitsaaqu) = en werd opgeroepen | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | הַגִּלְגָּֽל (hagilgal) = naar Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: נִבְאַשׁ (nivasj), ‘is gaan stinken’: ‘bij iemand stinken’ betekent dat hij bij hem gehaat wordt (vergelijk Exod. 5:21, waar het om Farao gaat). Zie ook: Gen 34:30; Ex 5:21; Joz 5:9; 1 Sam 11:14–15; Zach 11:8 **13:5** De Filistijnen verzamelden zich om te strijden tegen Israël: 30.000 wagens en 6000 ruiters. En er was een volk zo talrijk als het zand aan de oever van de zee. Zij trokken op en sloegen hun kamp op in Mikmas, ten oosten van Bet-Aven. Brontekst: וּפְלִשְׁתִּ֞ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | נֶאֶסְפ֣וּ (neesfu) = werden verzameld | לְהִלָּחֵ֣ם (lehilachem) = om te strijden | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | שְׁלֹשִׁ֨ים (sheloshim) = dertig | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | רֶ֨כֶב֙ (rekhev) = wagens | וְשֵׁ֤שֶׁת (vesheshet) = en zes | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | פָּרָשִׁ֔ים (parashim) = ruiters | וְעָ֕ם (veam) = en volk | כַּח֛וֹל (kachol) = als het zand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַֽת (sefat) = de oever van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | לָרֹ֑ב (larov) = in menigte | וַֽיַּעֲלוּ֙ (vayaalu) = en zij trokken op | וַיַּחֲנ֣וּ (vayachanu) = en legerden zich | בְמִכְמָ֔שׂ (bemikhmas) = in Mikmas | קִדְמַ֖ת (qidmat) = ten oosten van | בֵּ֥ית (beit) = Bet | אָֽוֶן (aven) = Aven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Aven (‘huis van onheil’) lag ten oosten van Betel, op de Westelijke Jordaanoever. De juiste plek is niet zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft 30.000 wagens. Dat is een zeer groot getal naast 6000 ruiters. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 11:4; Joz 18:12; 1 Sam 14:23; Hos 4:15; Jes 48:19 **13:6** De mannen van Israël zagen dat zij in het nauw zaten, want het volk werd zwaar bedreigd. Het volk verborg zich in grotten, in struikgewas, in rotsen, in schuilplaatsen en in putten. Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en de man van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | רָאוּ֙ (rau) = zagen | כִּ֣י (ki) = dat | צַר (tsar) = het benauwd was | ל֔וֹ (lo) = voor hem | כִּ֥י (ki) = want | נִגַּ֖שׂ (nigas) = werd gedrongen | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיִּֽתְחַבְּא֣וּ (vayitchabeu) = en verborg zich | הָעָ֗ם (haam) = het volk | בַּמְּעָר֤וֹת (bamearot) = in de grotten | וּבַֽחֲוָחִים֙ (uvachavachim) = en in het struikgewas | וּבַסְּלָעִ֔ים (uvaselaim) = en in de rotsen | וּבַצְּרִחִ֖ים (uvatserichim) = en in de schuilplaatsen | וּבַבֹּרֽוֹת (uvaborot) = en in de putten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְרִחִים (tserichim), ‘schuilplaatsen’: een zeldzaam woord. Het gaat om een plek waar je je kunt verbergen, bijvoorbeeld een holte in de rotsen of een ondergrondse ruimte. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : בֹּרוֹת (borot), ‘putten’: uitgehouwen bronputten of regenputten, die leeg konden zijn. Zie ook: Re 6:2; 1 Sam 24:4; 2 Sam 24:14; Jes 42:22; Heb 11:38 **13:7** Hebreeën staken de Jordaan over, naar het land van Gad en Gilead. Saul was nog in Gilgal. Heel het volk beefde en volgde hem. Brontekst: וְעִבְרִ֗ים (veivrim) = en Hebreeën | עָֽבְרוּ֙ (averu) = staken over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | גָּ֖ד (gad) = Gad | וְגִלְעָ֑ד (vegilad) = en Gilead | וְשָׁאוּל֙ (veshaul) = en Saul | עוֹדֶ֣נּוּ (odenu) = nog | בַגִּלְגָּ֔ל (bagilgal) = in Gilgal | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | חָרְד֥וּ (charedu) = beefde | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws begint met וְעִבְרִים (we-ivrim), ‘en Hebreeën’. Het gaat hier om Israëlieten, zoals in 13:3 en 13:19. Het woord klinkt als het werkwoord ‘oversteken’ (עָבְרוּ, averoe), dat in dezelfde zin staat. Zie ook: Lev 26:17; Lev 26:36–37; Deut 3:12; Deut 28:25; Re 7:3 ### Saul offert in Gilgal **13:8** Hij wachtte zeven dagen, tot de vastgestelde tijd van Samuël. Maar Samuël kwam niet naar Gilgal. Het volk liep uiteen, weg van hem. Brontekst: וַיּ֣וֹחֶל (vayochel) = en wachtte | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | לַמּוֹעֵד֙ (lamoed) = tot de vastgestelde tijd | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וְלֹא (velo) = en niet | בָ֥א (ba) = kwam | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | הַגִּלְגָּ֑ל (hagilgal) = naar Gilgal | וַיָּ֥פֶץ (vayafets) = en verspreidde zich | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מֵעָלָֽיו (mealav) = van hem weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: מוֹעֵד (moëd), ‘vastgestelde tijd’: een afgesproken tijdstip. Samuël had dit gezegd in 1 Sam. 10:8: Saul moest zeven dagen wachten tot Samuël kwam. Zie ook: 1 Sam 10:8 **13:9** Saul zei: „Breng het brandoffer en de vredeoffers hier bij mij.” Toen offerde hij het brandoffer. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הַגִּ֣שׁוּ (hagishu) = breng hier | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְהַשְּׁלָמִ֑ים (vehashelamim) = en de vredeoffers | וַיַּ֖עַל (vayaal) = en offerde | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 15:8; Spr 21:3; Spr 21:27; 1 Kon 3:4; Jes 66:3 **13:10** Toen hij klaar was met het brandoffer, zie: Samuël kwam. Saul ging hem tegemoet om hem te zegenen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּכַלֹּתוֹ֙ (kekhaloto) = toen hij klaar was | לְהַעֲל֣וֹת (lehaalot) = om te offeren | הָעֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | בָּ֑א (ba) = kwam | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | לִקְרָאת֖וֹ (liqrato) = hem tegemoet | לְבָרֲכֽוֹ (levarakho) = om hem te zegenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרַךְ (barak), ‘zegenen’: hier met de betekenis ‘groeten’, zoals in 1 Sam. 25:14. Wij houden het vaste woord ‘zegenen’. Zie ook: Ruth 2:4; 1 Sam 15:13; 1 Sam 25:14; Ps 129:8 **13:11** Samuël zei: „Wat heb je gedaan?” Saul zei: „Ik zag dat het volk van mij wegliep. Ik zag dat jij niet kwam op de vastgestelde tijd van de dagen. En de Filistijnen waren verzameld in Mikmas. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֑יתָ (asita) = heb je gedaan | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֡וּל (shaul) = Saul | כִּֽי (ki) = want | רָאִיתִי֩ (raiti) = ik zag | כִֽי (ki) = dat | נָפַ֨ץ (nafats) = uiteenging | הָעָ֜ם (haam) = het volk | מֵעָלַ֗י (mealay) = van mij weg | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | לֹא (lo) = niet | בָ֨אתָ֙ (bata) = kwam | לְמוֹעֵ֣ד (lemoed) = op de vastgestelde tijd | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = van de dagen | וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | נֶאֱסָפִ֥ים (neesafim) = waren verzameld | מִכְמָֽשׂ (mikhmas) = Mikmas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie ook: Gen 4:10; 1 Sam 13:2; 1 Sam 13:5; 1 Sam 13:16; 1 Sam 13:23 **13:12** Toen zei ik: ‘Nu komen de Filistijnen naar mij af, naar Gilgal. En het aangezicht van Yahweh heb ik nog niet vriendelijk gestemd.’ Daarom dwong ik mijzelf en offerde ik het brandoffer.” Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | עַ֠תָּה (ata) = nu | יֵרְד֨וּ (yeredu) = zullen afdalen | פְלִשְׁתִּ֤ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | הַגִּלְגָּ֔ל (hagilgal) = Gilgal | וּפְנֵ֥י (ufenei) = en het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | חִלִּ֑יתִי (chiliti) = heb ik vriendelijk gestemd | וָֽאֶתְאַפַּ֔ק (vaetapaq) = en ik dwong mezelf | וָאַעֲלֶ֖ה (vaaale) = en ik offerde | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: חִלָּה פָּנִים (chilla panim), ‘het aangezicht vriendelijk stemmen’: letterlijk ‘het gezicht zacht maken’. Het gaat om bidden en offeren om Yahweh gunstig te stemmen. Voetnoot Lezing: הִתְאַפֵּק (hit’appeq) betekent letterlijk ‘zich beheersen’ of ‘zich inhouden’. Saul zegt dat hij zichzelf overwon om te offeren. Het woord kan ook betekenen dat hij zich probeerde in te houden, en toch offerde. Wij kiezen ‘ik dwong mijzelf’. Zie ook: 1 Sam 21:8; Ps 66:3; 1 Kon 12:26–27; Amos 8:5; 2 Kor 9:7 ### Samuël spreekt het oordeel uit **13:13** Samuël zei tegen Saul: „Je hebt dwaas gehandeld. Je hebt het gebod van Yahweh, jouw Elohim, niet bewaard. Hij had het je geboden. Want nu zou Yahweh jouw koningschap over Israël voor altijd hebben bevestigd. Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֛ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | נִסְכָּ֑לְתָּ (niskalta) = je hebt dwaas gehandeld | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמַ֗רְתָּ (shamarta) = heb je bewaard | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוַ֞ת (mitsvat) = het gebod van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = jouw Elohim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוָּ֔ךְ (tsivakh) = Hij je had geboden | כִּ֣י (ki) = want | עַתָּ֗ה (ata) = nu | הֵכִ֨ין (hekhin) = zou hebben bevestigd | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מַֽמְלַכְתְּךָ֛ (mamlakhtekha) = jouw koningschap | אֶל (el) = over | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִסְכַּלְתָּ (niskalta), ‘je hebt dwaas gehandeld’: van het woord voor ‘dwaas’. Voetnoot : עַתָּה (atta), ‘nu’: hier met de betekenis ‘dan’: ‘want dan zou Yahweh…’. Wat had kunnen zijn, is nu voorbij. Zie ook: 1 Sam 15:11; 1 Sam 15:22; 1 Sam 15:28; 1 Kon 18:18; 2 Kron 16:9 **13:14** Maar nu zal jouw koningschap niet standhouden. Yahweh heeft voor Zich een man gezocht naar Zijn hart. Yahweh heeft hem aangesteld als leider over Zijn volk. Want jij hebt niet bewaard wat Yahweh je geboden had.” Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | מַמְלַכְתְּךָ֣ (mamlakhtekha) = jouw koningschap | לֹא (lo) = niet | תָק֑וּם (taqum) = zal standhouden | בִּקֵּשׁ֩ (biqesh) = heeft gezocht | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | ל֜וֹ (lo) = voor Zich | אִ֣ישׁ (ish) = een man | כִּלְבָב֗וֹ (kilvavo) = naar Zijn hart | וַיְצַוֵּ֨הוּ (vaytsavehu) = en heeft aangesteld hem | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לְנָגִיד֙ (lenagid) = als leider | עַל (al) = over | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | כִּ֚י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמַ֔רְתָּ (shamarta) = heb je bewaard | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶֽׁר (asher) = wat | צִוְּךָ֖ (tsivekha) = Hij je had geboden | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: iemand die vooropgaat. Het woord wordt hier gebruikt in plaats van ‘koning’. Zie ook Hand. 13:22 (‘een man naar Mijn hart’). Zie ook: 1 Sam 15:28; 1 Sam 16:1; Ps 78:70; Ps 89:20–38; Hand 13:22 **13:15** Samuël stond op en trok van Gilgal omhoog naar Gibea van Benjamin. Saul telde het volk dat bij hem was: ongeveer 600 man. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | וַיַּ֛עַל (vayaal) = en ging omhoog | מִן (min) = van | הַגִּלְגָּ֖ל (hagilgal) = Gilgal | גִּבְעַ֣ת (givat) = Gibea van | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וַיִּפְקֹ֣ד (vayifqod) = en telde | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | הַנִּמְצְאִ֣ים (hanimtseim) = dat gevonden werd | עִמּ֔וֹ (imo) = bij hem | כְּשֵׁ֥שׁ (keshesh) = ongeveer zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst is hier kort. Er staat letterlijk: ‘Samuël stond op en ging op van Gilgal Gibea van Benjamin’. Wij vullen ‘naar’ aan, zonder meer toe te voegen. Zie ook: 1 Sam 13:2; 1 Sam 13:6–7; 1 Sam 14:2 ### Israël zonder wapens **13:16** Saul, zijn zoon Jonatan en het volk dat bij hen was, bleven in Geba van Benjamin. De Filistijnen hadden hun kamp in Mikmas. Brontekst: וְשָׁא֞וּל (veshaul) = en Saul | וְיוֹנָתָ֣ן (veyonatan) = en Jonatan | בְּנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | וְהָעָם֙ (vehaam) = en het volk | הַנִּמְצָ֣א (hanimtsa) = dat gevonden werd | עִמָּ֔ם (imam) = bij hen | יֹשְׁבִ֖ים (yoshevim) = bleven | בְּגֶ֣בַע (begeva) = in Geba van | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | חָנ֥וּ (chanu) = hadden hun kamp | בְמִכְמָֽשׂ (bemikhmas) = in Mikmas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie ook: 1 Sam 13:3 **13:17** Uit het kamp van de Filistijnen trokken de verwoesters uit, in drie groepen. Eén groep sloeg de weg naar Ofra in, naar het land Sjoeal. Brontekst: וַיֵּצֵ֧א (vayetse) = en ging uit | הַמַּשְׁחִ֛ית (hamashchit) = de verwoesters | מִמַּחֲנֵ֥ה (mimachane) = uit het kamp van | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | רָאשִׁ֑ים (rashim) = groepen | הָרֹ֨אשׁ (harosh) = de groep | אֶחָ֥ד (echad) = één | יִפְנֶ֛ה (yifne) = sloeg in | אֶל (el) = naar | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = de weg van | עָפְרָ֖ה (afera) = Ofra | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | שׁוּעָֽל (shual) = Sjoeal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofra (in Benjamin) ligt waarschijnlijk bij het huidige et-Taiyibeh, ongeveer 6 kilometer ten noordoosten van Betel. Het is een andere plaats dan Ofra van Gideon (Richt. 6:11). Het land Sjoeal (‘land van de vossen’) is onzeker, waarschijnlijk in het noorden van Benjamin. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Land Sjoeal (ligging onzeker): Het land Sjoeal (land van de vossen) lag waarschijnlijk in het noorden van Benjamin. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הַמַּשְׁחִית (hammasjchit), ‘de verwoesters’: een groep die plundert en vernielt. Het woord is enkelvoud met een verzamelende betekenis. Voetnoot : רָאשִׁים (rasjim), ‘groepen’: letterlijk ‘hoofden’; hier de leiders met hun mannen. Zie ook: Joz 18:23; Joz 19:3; Re 6:11; 1 Sam 11:11; 1 Sam 14:15 **13:18** Eén groep sloeg de weg naar Bet-Choron in. Eén groep sloeg de weg in naar de grens die uitziet over het dal van de Tseboïm, naar de woestijn toe. Brontekst: וְהָרֹ֤אשׁ (veharosh) = en de groep | אֶחָד֙ (echad) = één | יִפְנֶ֔ה (yifne) = sloeg in | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = de weg van | בֵּ֣ית (beit) = Bet | חֹר֑וֹן (choron) = Choron | וְהָרֹ֨אשׁ (veharosh) = en de groep | אֶחָ֤ד (echad) = één | יִפְנֶה֙ (yifne) = sloeg in | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | הַגְּב֔וּל (hagevul) = de grens | הַנִּשְׁקָ֛ף (hanishqaf) = die uitziet | עַל (al) = over | גֵּ֥י (gei) = het dal van | הַצְּבֹעִ֖ים (hatsevoim) = de Tseboïm | הַמִּדְבָּֽרָה (hamidbara) = naar de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Choron lag ten noordwesten van Jeruzalem (Boven- en Beneden-Bet-Choron, Joz. 16:3,5). Het dal van de Tseboïm is onzeker; het lag aan de oostkant van Benjamin, richting de woestijn bij Jericho. Zie Dal van de Tseboïm (ligging onzeker): Het dal van de Tseboïm lag aan de oostkant van Benjamin, richting de woestijn bij Jericho. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: צְבֹעִים (tsevoïm), ‘Tseboïm’: dit woord betekent waarschijnlijk ‘hyena’s’. Wij houden de naam, zoals in de Hebreeuwse tekst. Zie ook: Joz 10:11; Joz 16:3; Joz 18:13–14; 2 Kron 8:5; Neh 11:34 **13:19** In heel het land van Israël was geen smid te vinden. Want de Filistijnen hadden gezegd: „Anders maken de Hebreeën een zwaard of een speer.” Brontekst: וְחָרָשׁ֙ (vecharash) = en smid | לֹ֣א (lo) = niet | יִמָּצֵ֔א (yimatse) = werd gevonden | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = want | אָמְר֣וּ (ameru) = zeiden | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | פֶּ֚ן (pen) = opdat niet | יַעֲשׂ֣וּ (yaasu) = maken | הָעִבְרִ֔ים (haivrim) = de Hebreeën | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | א֥וֹ (o) = of | חֲנִֽית (chanit) = speer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: חָרָשׁ (charasj), ‘smid’: iemand die metaal bewerkt. Zonder smid was er geen wapen te maken of te herstellen. Zie ook: Re 5:8; 2 Kon 24:14; Jes 54:16; Jer 24:1 **13:20** Heel Israël moest daarom naar de Filistijnen afdalen om te laten slijpen: ieder zijn houweel, zijn ploegschaar, zijn bijl en zijn houweel. Brontekst: וַיֵּרְד֥וּ (vayeredu) = en daalden af | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הַפְּלִשְׁתִּ֑ים (hapelishtim) = naar de Filistijnen | לִ֠לְטוֹשׁ (liltosh) = om te slijpen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲרַשְׁתּ֤וֹ (macharashto) = zijn houweel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֵתוֹ֙ (eto) = zijn ploegschaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קַרְדֻּמּ֔וֹ (qardumo) = zijn bijl | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | מַחֲרֵשָׁתֽוֹ (machareshato) = zijn houweel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: In deze zin staat het woord מַחֲרֵשָׁה (macharesja) twee keer, aan het begin en aan het einde van de opsomming. Een van beide is misschien een ander werktuig (bijvoorbeeld een sikkel). Wij vertalen letterlijk. **13:21** De prijs was een pim voor de houwelen en voor de ploegscharen. Dat gold ook voor de drietandvork en de bijlen, en om de ossenprikkel vast te zetten. Brontekst: וְֽהָיְתָ֞ה (vehayeta) = en was | הַפְּצִ֣ירָה (hapetsira) = de prijs | פִ֗ים (pim) = een pim | לַמַּֽחֲרֵשֹׁת֙ (lamachareshot) = voor de houwelen | וְלָ֣אֵתִ֔ים (velaetim) = en voor de ploegscharen | וְלִשְׁלֹ֥שׁ (velishlosh) = en voor de drietand | קִלְּשׁ֖וֹן (qileshon) = vork | וּלְהַקַּרְדֻּמִּ֑ים (ulehaqardumim) = en voor de bijlen | וּלְהַצִּ֖יב (ulehatsiv) = en om vast te zetten | הַדָּרְבָֽן (hadarevan) = de ossenprikkel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּים (pim): een gewicht van ongeveer twee derde sikkel, dus ongeveer 7,6 gram zilver. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. Voetnoot : הַפְּצִירָה (happetsira), ‘de prijs’: een zeldzaam woord. De betekenis is niet zeker (mogelijk ‘de beitel’ of ‘de vijl’, het gereedschap waarmee werd geslepen). Wij kiezen ‘de prijs’. Voetnoot : אֵת (et), ‘ploegschaar’ en מַחֲרֵשָׁה (macharesja), ‘houweel’: beide woorden zijn zeldzaam, en welk gereedschap precies bedoeld is, is niet zeker. **13:22** Op de dag van de strijd werd er in de hand van heel het volk geen zwaard of speer gevonden. Dat gold voor allen die bij Saul en Jonatan waren. Alleen bij Saul en bij zijn zoon Jonatan werden ze gevonden. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het was | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | מִלְחֶ֔מֶת (milchemet) = strijd | וְלֹ֨א (velo) = en niet | נִמְצָ֜א (nimtsa) = werd gevonden | חֶ֤רֶב (cherev) = zwaard | וַחֲנִית֙ (vachanit) = en speer | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֶת (et) = met | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | וְאֶת (veet) = en met | יוֹנָתָ֑ן (yonatan) = Jonatan | וַתִּמָּצֵ֣א (vatimatse) = maar werd gevonden | לְשָׁא֔וּל (leshaul) = bij Saul | וּלְיוֹנָתָ֖ן (uleyonatan) = en bij Jonatan | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 5:8; 1 Sam 17:47; 1 Sam 17:50; Zach 4:6; 2 Kor 4:7 **13:23** Een wachtpost van de Filistijnen trok uit naar de pas van Mikmas. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | מַצַּ֣ב (matsav) = de wachtpost van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֶֽל (el) = naar | מַעֲבַ֖ר (maavar) = de pas van | מִכְמָֽשׂ (mikhmas) = Mikmas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie ook: 1 Sam 13:2–3; 1 Sam 13:5; 1 Sam 14:1; 1 Sam 14:4–5; Jes 10:28 ## 1 Samuël 14 _Jonatan verslaat de Filistijnen; Saul zweert een eed_ ### Jonatan en zijn wapendrager **14:1** Op een dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen de jongen die zijn wapens droeg: „Kom. Laten we oversteken naar de wachtpost van de Filistijnen. Die staat daar aan de overkant.” Maar zijn vader vertelde hij het niet. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | הַיּ֗וֹם (hayom) = op de dag | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יוֹנָתָ֤ן (yonatan) = Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | נֹשֵׂ֣א (nose) = die droeg | כֵלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | לְכָ֗ה (lekha) = kom | וְנַעְבְּרָה֙ (venabera) = en laten we oversteken | אֶל (el) = naar | מַצַּ֣ב (matsav) = de wachtpost van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מֵעֵ֣בֶר (meever) = aan de overkant | הַלָּ֑ז (halaz) = daar | וּלְאָבִ֖יו (uleaviv) = en aan zijn vader | לֹ֥א (lo) = niet | הִגִּֽיד (higid) = vertelde hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 13:2; 1 Sam 14:39–45; 1 Sam 18:1–4; 1 Sam 25:19; Mi 7:5 **14:2** Saul zat aan de rand van de heuvel, onder de granaatappelboom die bij Migron staat. Het volk dat bij hem was, was ongeveer 600 man. Brontekst: וְשָׁא֗וּל (veshaul) = en Saul | יוֹשֵׁב֙ (yoshev) = zat | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan de rand van | הַגִּבְעָ֔ה (hagiva) = de heuvel | תַּ֥חַת (tachat) = onder | הָרִמּ֖וֹן (harimon) = de granaatappelboom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּמִגְר֑וֹן (bemigron) = in Migron | וְהָעָם֙ (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | כְּשֵׁ֥שׁ (keshesh) = ongeveer zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Migron lag bij Gibea, in Benjamin. De juiste plek is niet bekend. Het Hebreeuws zegt ‘de heuvel’ (הַגִּבְעָה, haggiva); dat kan Gibea zelf zijn. Voetnoot Uitleg: רִמּוֹן (rimmon), ‘granaatappelboom’: met lidwoord, dus ‘de granaatappelboom’. Het kan ook de naam van een plek zijn (Rimmon), maar wij lezen het als boom. Zie ook: 1 Sam 13:15–16; Jes 10:28–29 **14:3** Achia, de zoon van Achitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinechas, de zoon van Eli, was de priester van Yahweh in Silo. Hij droeg een efod. Het volk wist niet dat Jonatan was weggegaan. Brontekst: וַאֲחִיָּ֣ה (vaachiya) = en Achia | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִט֡וּב (achituv) = Achitub | אֲחִ֡י (achi) = broer van | אִיכָב֣וֹד (ikhavod) = Ikabod | בֶּן (ben) = zoon van | פִּינְחָ֨ס (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = zoon van | עֵלִ֜י (eli) = Eli | כֹּהֵ֧ן (kohen) = priester van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשִׁל֖וֹ (beshilo) = in Silo | נֹשֵׂ֣א (nose) = droeg | אֵפ֑וֹד (efod) = een efod | וְהָעָם֙ (vehaam) = en het volk | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔ע (yada) = wist | כִּ֥י (ki) = dat | הָלַ֖ךְ (halakh) = was gegaan | יוֹנָתָֽן (yonatan) = Jonatan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo lag in het bergland van Efraïm, bij het huidige Khirbet Seilun (Westelijke Jordaanoever), ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: אֵפוֹד (efod): een priesterkleed met een borstschild. Zie Exod. 28:6–14. Voetnoot : אִיכָבוֹד (Ikabod): de naam hangt samen met het woord כָּבוֹד (kavod), ‘eer’. Zie 1 Sam. 4:21. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘Achia, zoon van Achitub, broer van Ikabod, zoon van Pinechas, zoon van Eli’. Of ‘zoon van Pinechas’ bij Achitub of bij Ikabod hoort, staat er niet bij. Achia lijkt dezelfde als Achimelech, de zoon van Achitub (1 Sam. 21:2; 22:9), maar dat is niet zeker. Zie ook: Ex 28:6–14; Ex 28:26–32; 1 Sam 2:28; 1 Sam 4:21; 1 Sam 21:2; 1 Sam 22:9–12; 1 Sam 22:20 **14:4** Jonatan wilde oversteken naar de wachtpost van de Filistijnen. Tussen de doorgangen daar lag aan de ene kant een rotspunt en aan de andere kant een rotspunt. De ene heette Botsets en de andere Sene. Brontekst: וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַֽמַּעְבְּר֗וֹת (hamaberot) = de doorgangen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | בִּקֵּ֤שׁ (biqesh) = zocht | יֽוֹנָתָן֙ (yonatan) = Jonatan | לַֽעֲבֹר֙ (laavor) = om over te steken | עַל (al) = naar | מַצַּ֣ב (matsav) = de wachtpost van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | שֵׁן (shen) = rotspunt van | הַסֶּ֤לַע (hasela) = de rots | מֵהָעֵ֨בֶר֙ (mehaever) = aan de kant | מִזֶּ֔ה (mize) = hier | וְשֵׁן (veshen) = en rotspunt van | הַסֶּ֥לַע (hasela) = de rots | מֵהָעֵ֖בֶר (mehaever) = aan de kant | מִזֶּ֑ה (mize) = daar | וְשֵׁ֤ם (veshem) = en de naam van | הָֽאֶחָד֙ (haechad) = de ene | בּוֹצֵ֔ץ (botsets) = Botsets | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הָאֶחָ֖ד (haechad) = de andere | סֶֽנֶּה (sene) = Sene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De twee rotspunten lagen aan weerszijden van het dal tussen Mikmas (noordzijde) en Geba (zuidzijde): het huidige Wadi es-Suwenit, ten noordoosten van Jeruzalem. De ligging is waarschijnlijk, maar niet zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Botsets en Sene: Botsets en Sene zijn de twee rotspunten aan weerszijden van de Wadi es-Suwenit, tussen Mikmas in het noorden en Geba in het zuiden. Voetnoot Uitleg: סֶנֶּה (Sene) lijkt op het woord סְנֶה (sene), ‘braamstruik’, uit Exod. 3:2. De betekenis van de naam Botsets (בּוֹצֵץ) is onzeker. Zie ook: Ex 3:2; 1 Sam 13:23 **14:5** De ene rotspunt stond als een steile rots aan de noordkant, tegenover Mikmas. De andere stond aan de zuidkant, tegenover Geba. Brontekst: הַשֵּׁ֧ן (hashen) = de rotspunt | הָאֶחָ֛ד (haechad) = de ene | מָצ֥וּק (matsuq) = een steile rots | מִצָּפ֖וֹן (mitsafon) = in het noorden | מ֣וּל (mul) = tegenover | מִכְמָ֑שׂ (mikhmas) = Mikmas | וְהָאֶחָ֥ד (vehaechad) = en de ene | מִנֶּ֖גֶב (minegev) = in het zuiden | מ֥וּל (mul) = tegenover | גָּֽבַע (gava) = Geba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. ### „Misschien zal Yahweh voor ons handelen” **14:6** Jonatan zei tegen de jongen die zijn wapens droeg: „Kom, laten we oversteken naar de wachtpost van deze onbesnedenen. Misschien zal Yahweh voor ons handelen. Want niets belet Yahweh om te redden, door velen of door weinigen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹנָתָ֜ן (yehonatan) = Jonatan | אֶל (el) = tegen | הַנַּ֣עַר (hanaar) = de jongen | נֹשֵׂ֣א (nose) = die droeg | כֵלָ֗יו (kelav) = zijn wapens | לְכָה֙ (lekha) = kom | וְנַעְבְּרָ֗ה (venabera) = en laten we oversteken | אֶל (el) = naar | מַצַּב֙ (matsav) = de wachtpost van | הָעֲרֵלִ֣ים (haarelim) = de onbesnedenen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אוּלַ֛י (ulay) = misschien | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = zal handelen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֑נוּ (lanu) = voor ons | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ין (ein) = niet is er | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | מַעְצ֔וֹר (matsor) = belemmering | לְהוֹשִׁ֥יעַ (lehoshia) = om te redden | בְּרַ֖ב (berav) = door velen | א֥וֹ (o) = of | בִמְעָֽט (bimat) = door weinigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: mannen die niet besneden zijn. Besnijdenis was het teken van het verbond (Gen. 17:10–14). Israël gebruikt het woord voor de Filistijnen. Voetnoot : מַעְצוֹר (maatsor), ‘belemmering’: iets dat Yahweh kan tegenhouden. Het woord komt van het werkwoord ‘tegenhouden’. Zie ook: Gen 17:10–14; Deut 32:30; 2 Kron 14:10; Zach 4:6; Mat 19:26; Rom 8:31 **14:7** Zijn wapendrager zei tegen hem: „Doe alles wat in je hart is. Ga je gang. Zie, ik ben met je, zoals jouw hart is.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | נֹשֵׂ֣א (nose) = de drager van | כֵלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | עֲשֵׂ֖ה (ase) = doe | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בִּלְבָבֶ֑ךָ (bilvavekha) = in je hart | נְטֵ֣ה (nete) = wend je | לָ֔ךְ (lakh) = naar jou | הִנְנִ֥י (hinni) = zie mij | עִמְּךָ֖ (imekha) = met jou | כִּלְבָבֶֽךָ (kilvavekha) = zoals jouw hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְטֵה לָךְ (nete lach), ‘ga je gang’: letterlijk ‘wend je voor jezelf’. Het is een aansporing om te gaan. Voetnoot : כִּלְבָבֶךָ (kilvavecha), ‘zoals jouw hart’: ‘mijn hart is als het jouwe’. Het Hebreeuws zegt niet meer dan dit. Zie ook: 1 Sam 10:7; 2 Sam 7:3; Ps 46:8; Zach 8:23 **14:8** Jonatan zei: „Zie, wij steken over naar die mannen en laten ons aan hen zien. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | עֹבְרִ֖ים (overim) = gaan over | אֶל (el) = naar | הָאֲנָשִׁ֑ים (haanashim) = de mannen | וְנִגְלִ֖ינוּ (veniglinu) = en wij laten ons zien | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 7:9–14 **14:9** Als zij zo tegen ons zeggen: ‘Wacht tot wij bij jullie zijn’, dan blijven wij op onze plaats staan. Wij gaan niet naar hen omhoog. Brontekst: אִם (im) = als | כֹּ֤ה (ko) = zo | יֹֽאמְרוּ֙ (yomru) = zij zeggen | אֵלֵ֔ינוּ (eleinu) = tot ons | דֹּ֕מּוּ (domu) = wacht | עַד (ad) = tot | הַגִּיעֵ֖נוּ (hagienu) = wij komen | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = bij jullie | וְעָמַ֣דְנוּ (veamadnu) = en wij blijven staan | תַחְתֵּ֔ינוּ (tachteinu) = op onze plaats | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נַעֲלֶ֖ה (naale) = gaan wij omhoog | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:13–14; Re 6:36–40 **14:10** Maar als zij zo zeggen: ‘Kom naar ons omhoog’, dan gaan wij omhoog. Want Yahweh heeft hen in onze hand gegeven. Dat is voor ons het teken.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | כֹּ֨ה (ko) = zo | יֹאמְר֜וּ (yomru) = zij zeggen | עֲל֤וּ (alu) = kom omhoog | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = tot ons | וְעָלִ֔ינוּ (vealinu) = en wij gaan omhoog | כִּֽי (ki) = want | נְתָנָ֥ם (netanam) = heeft hen gegeven | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָדֵ֑נוּ (beyadenu) = in onze hand | וְזֶה (veze) = en dit | לָּ֖נוּ (lanu) = voor ons | הָאֽוֹת (haot) = het teken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:14; Re 6:36; Re 7:11; 1 Sam 10:7; Jes 7:11–14 **14:11** Zij lieten zich beiden zien aan de wachtpost van de Filistijnen. De Filistijnen zeiden: „Zie, Hebreeën komen tevoorschijn uit de holen waar zij zich hadden verstopt.” Brontekst: וַיִּגָּל֣וּ (vayigalu) = en lieten zich zien | שְׁנֵיהֶ֔ם (sheneihem) = die twee | אֶל (el) = aan | מַצַּ֖ב (matsav) = de wachtpost van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | עִבְרִים֙ (ivrim) = Hebreeën | יֹֽצְאִ֔ים (yotseim) = komen tevoorschijn | מִן (min) = uit | הַחֹרִ֖ים (hachorim) = de holen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | הִתְחַבְּאוּ (hitchabeu) = zij zich hadden verstopt | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Re 6:2; 1 Sam 13:6; 1 Sam 14:22 **14:12** De mannen van de post antwoordden Jonatan en zijn wapendrager en zeiden: „Kom naar ons omhoog, dan laten wij jullie iets weten.” Jonatan zei tegen zijn wapendrager: „Kom omhoog, achter mij aan, want Yahweh heeft hen in de hand van Israël gegeven.” Brontekst: וַיַּעֲנוּ֩ (vayaanu) = en antwoordden | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = de mannen van | הַמַּצָּבָ֜ה (hamatsava) = de post | אֶת (et) = (obj.) | יוֹנָתָ֣ן (yonatan) = Jonatan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נֹשֵׂ֣א (nose) = de drager van | כֵלָ֗יו (kelav) = zijn wapens | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | עֲל֣וּ (alu) = kom omhoog | אֵלֵ֔ינוּ (eleinu) = naar ons | וְנוֹדִ֥יעָה (venodia) = en wij laten weten | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | דָּבָ֑ר (davar) = iets | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יוֹנָתָ֜ן (yonatan) = Jonatan | אֶל (el) = tegen | נֹשֵׂ֤א (nose) = de drager van | כֵלָיו֙ (kelav) = zijn wapens | עֲלֵ֣ה (ale) = kom omhoog | אַחֲרַ֔י (acharay) = achter mij | כִּֽי (ki) = want | נְתָנָ֥ם (netanam) = heeft hen gegeven | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:42; Re 7:15; 1 Sam 17:43–44; 2 Sam 5:24; 2 Kon 14:8 **14:13** Jonatan klom omhoog op handen en voeten, en zijn wapendrager achter hem aan. De Filistijnen vielen voor Jonatan neer, en zijn wapendrager doodde hen achter hem. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en klom omhoog | יוֹנָתָ֗ן (yonatan) = Jonatan | עַל (al) = op | יָדָיו֙ (yadav) = zijn handen | וְעַל (veal) = en op | רַגְלָ֔יו (raglav) = zijn voeten | וְנֹשֵׂ֥א (venose) = en de drager van | כֵלָ֖יו (kelav) = zijn wapens | אַחֲרָ֑יו (acharav) = achter hem | וַֽיִּפְּלוּ֙ (vayipelu) = en zij vielen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יוֹנָתָ֔ן (yonatan) = Jonatan | וְנֹשֵׂ֥א (venose) = en de drager van | כֵלָ֖יו (kelav) = zijn wapens | מְמוֹתֵ֥ת (memotet) = doodde | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Deut 28:7; Joz 23:10; Ps 18:30; Rom 8:31; Heb 11:34 **14:14** Bij de eerste slag die Jonatan en zijn wapendrager uitdeelden, vielen ongeveer 20 man. Dat gebeurde op een stuk land zo groot als een halve voor van een span ossen. Brontekst: וַתְּהִ֞י (vatehi) = en was | הַמַּכָּ֣ה (hamaka) = de slag | הָרִאשֹׁנָ֗ה (harishona) = de eerste | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִכָּ֧ה (hika) = sloeg | יוֹנָתָ֛ן (yonatan) = Jonatan | וְנֹשֵׂ֥א (venose) = en de drager van | כֵלָ֖יו (kelav) = zijn wapens | כְּעֶשְׂרִ֣ים (keesrim) = ongeveer twintig | אִ֑ישׁ (ish) = man | כְּבַחֲצִ֥י (kevachatsi) = ongeveer de helft van | מַעֲנָ֖ה (maana) = een voor | צֶ֥מֶד (tsemed) = een span | שָׂדֶֽה (sade) = akker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲנָה (maana), ‘voor’ (ploegvoor) en צֶמֶד (tsemed), ‘span’: een span ossen ploegde in een dag een bepaald stuk land. De zin is moeilijk en de woorden komen maar hier voor. Het gaat om een klein stuk land. De maat is niet vast te stellen. ### Verwarring in het kamp van de Filistijnen **14:15** Er kwam schrik in het kamp, in het veld en onder heel het volk. De post en de verwoesters beefden ook. De aarde beefde, en het werd een schrik van Elohim. Brontekst: וַתְּהִי֩ (vatehi) = en kwam | חֲרָדָ֨ה (charada) = schrik | בַמַּחֲנֶ֤ה (bamachane) = in het kamp | בַשָּׂדֶה֙ (basade) = in het veld | וּבְכָל (uvekhal) = en onder heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הַמַּצָּב֙ (hamatsav) = de post | וְהַמַּשְׁחִ֔ית (vehamashchit) = en de verwoesters | חָרְד֖וּ (charedu) = beefden | גַּם (gam) = ook | הֵ֑מָּה (hema) = zij | וַתִּרְגַּ֣ז (vatirgaz) = en beefde | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וַתְּהִ֖י (vatehi) = en het werd | לְחֶרְדַּ֥ת (lecherdat) = tot een schrik van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרְדַּת אֱלֹהִים (chardat Elohim), ‘schrik van Elohim’: een schrik die van Elohim komt. Het kan ook een ‘geweldige’ schrik betekenen. Wij houden de woorden zoals ze staan. Zie ook: Gen 35:5; Ex 19:18; 1 Sam 13:17; 2 Sam 5:24; 2 Kon 7:6–7 **14:16** De uitkijkers van Saul in Gibea van Benjamin zagen het: zie, de menigte smolt weg en liep heen en weer. Brontekst: וַיִּרְא֤וּ (vayiru) = en zagen | הַצֹּפִים֙ (hatsofim) = de uitkijkers | לְשָׁא֔וּל (leshaul) = van Saul | בְּגִבְעַ֖ת (begivat) = in Gibea van | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | הֶהָמ֛וֹן (hehamon) = de menigte | נָמ֖וֹג (namog) = smolt weg | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | וַהֲלֹֽם (vahalom) = en daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: וַהֲלֹם (wahalom): onzeker. Het kan ‘en daarheen’ betekenen (de menigte liep heen en weer) of ‘en sloeg’ (zij sloegen elkaar). Wij vertalen ‘heen en weer’. Zie ook: 1 Sam 14:20; Ps 58:8; Ps 68:3; 2 Kron 20:22–25; Jes 19:2 **14:17** Saul zei tegen het volk dat bij hem was: „Tel nu en kijk wie van ons is weggegaan.” Zij telden, en zie: Jonatan en zijn wapendrager waren er niet. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | לָעָם֙ (laam) = tegen het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתּ֔וֹ (ito) = bij hem | פִּקְדוּ (piqdu) = tel | נָ֣א (na) = toch | וּרְא֔וּ (ureu) = en zie | מִ֖י (mi) = wie | הָלַ֣ךְ (halakh) = is weggegaan | מֵעִמָּ֑נוּ (meimanu) = van ons | וַֽיִּפְקְד֔וּ (vayifqedu) = en zij telden | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | אֵ֥ין (ein) = niet | יוֹנָתָ֖ן (yonatan) = Jonatan | וְנֹשֵׂ֥א (venose) = en de drager van | כֵלָֽיו (kelav) = zijn wapens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:18** Saul zei tegen Achia: „Breng de ark van Elohim hierheen.” Want de ark van Elohim was die dag bij de zonen van Israël. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | לַֽאֲחִיָּ֔ה (laachiya) = tegen Achia | הַגִּ֖ישָׁה (hagisha) = breng hier | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֞ה (haya) = was | אֲר֧וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = Elohim | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op die | הַה֖וּא (hahu) = dag | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt hier ‘de ark van Elohim’. In 1 Sam. 7:1 staat de ark in Kirjat-Jearim, en in 14:3 draagt Achia een efod. Of de ark toen bij het leger was of dat hier de efod bedoeld is, laat de tekst open. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 20:18; Re 20:27–28; 1 Sam 4:3–5; 1 Sam 5:2; 1 Sam 7:1; 2 Sam 11:11 **14:19** Terwijl Saul met de priester sprak, werd het rumoer in het kamp van de Filistijnen steeds groter. Toen zei Saul tegen de priester: „Trek je hand terug.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | עַ֣ד (ad) = terwijl | דִּבֶּ֤ר (diber) = sprak | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהֶהָמ֗וֹן (vehehamon) = en de menigte | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּמַחֲנֵ֣ה (bemachane) = in het kamp van | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = ging | הָל֖וֹךְ (halokh) = steeds | וָרָ֑ב (varav) = en groter | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | אֱסֹ֥ף (esof) = trek terug | יָדֶֽךָ (yadekha) = je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אֱסֹף יָדֶךָ (esof yadecha), ‘trek je hand terug’: Saul stopt het vragen aan Elohim. Hij wil niet langer wachten op het antwoord. Zie ook: Num 27:21; Joz 9:14; 1 Sam 13:11; 1 Sam 14:24; Jes 28:16 **14:20** Saul en heel het volk dat bij hem was, werden bijeengeroepen en kwamen tot de strijd. En zie: het zwaard van de een was tegen zijn naaste. Er was een zeer grote verwarring. Brontekst: וַיִּזָּעֵ֣ק (vayizaeq) = en werd bijeengeroepen | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | הַמִּלְחָמָ֑ה (hamilchama) = de strijd | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | הָיְתָ֜ה (hayeta) = was | חֶ֤רֶב (cherev) = het zwaard van | אִישׁ֙ (ish) = de een | בְּרֵעֵ֔הוּ (bereehu) = tegen zijn naaste | מְהוּמָ֖ה (mehuma) = verwarring | גְּדוֹלָ֥ה (gedola) = groot | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 7:22; 1 Sam 14:16; 2 Kron 20:23; Jes 9:18–20; Jes 19:2 **14:21** De Hebreeën die al eerder bij de Filistijnen hoorden, waren met hen het kamp in getrokken. Ook zij gingen over naar Israël, naar hen die bij Saul en Jonatan waren. Brontekst: וְהָעִבְרִ֗ים (vehaivrim) = en de Hebreeën | הָי֤וּ (hayu) = waren | לַפְּלִשְׁתִּים֙ (lapelishtim) = bij de Filistijnen | כְּאֶתְמ֣וֹל (keetmol) = als gisteren | שִׁלְשׁ֔וֹם (shilshom) = eergisteren | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָל֥וּ (alu) = waren opgetrokken | עִמָּ֛ם (imam) = met hen | בַּֽמַּחֲנֶ֖ה (bamachane) = in het kamp | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְגַם (vegam) = en ook | הֵ֗מָּה (hema) = zij | לִֽהְיוֹת֙ (lihyot) = om te zijn | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עִם (im) = met | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | וְיוֹנָתָֽן (veyonatan) = en Jonatan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: כְּאֶתְמוֹל שִׁלְשׁוֹם (ke-etmol sjilsjom), ‘als gisteren en eergisteren’: een uitdrukking voor ‘al eerder’, ‘tot nu toe’ (vergelijk Joz. 3:4). De Hebreeën die bij de Filistijnen hoorden, waren Israëlieten in hun dienst. Zie ook: Joz 3:4; Re 7:23; 1 Sam 29:4 **14:22** Ook alle mannen van Israël die zich in het gebergte van Efraïm verborgen hielden, hoorden dat de Filistijnen op de vlucht waren. Ook zij zetten hen achterna in de strijd. Brontekst: וְכֹל֩ (vekhol) = en heel | אִ֨ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | הַמִּֽתְחַבְּאִ֤ים (hamitchabeim) = die zich verborgen | בְּהַר (behar) = in het gebergte van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | שָֽׁמְע֔וּ (shameu) = hoorden | כִּֽי (ki) = dat | נָ֖סוּ (nasu) = gevlucht waren | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַֽיַּדְבְּק֥וּ (vayadbequ) = en zetten na | גַם (gam) = ook | הֵ֛מָּה (hema) = zij | אַחֲרֵיהֶ֖ם (achareihem) = achter hen | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 13:6; 1 Sam 31:7 **14:23** Zo redde Yahweh Israël op die dag. De strijd trok door tot voorbij Bet-Aven. Brontekst: וַיּ֧וֹשַׁע (vayosha) = en redde | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op | הַה֖וּא (hahu) = die dag | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהַ֨מִּלְחָמָ֔ה (vehamilchama) = en de strijd | עָבְרָ֖ה (avera) = trok voorbij | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = Bet | אָֽוֶן (aven) = Aven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Aven (ligging onzeker): Bet-Aven (Bet-Awen) lag ten oosten van Betel, bij Ai. De precieze plaats is niet bekend. Zie ook: Ex 14:30; 1 Sam 13:5; Ps 44:7–9; 2 Kon 14:27; Hos 1:7 ### Sauls eed **14:24** De mannen van Israël kwamen die dag in nood. Saul had het volk laten zweren: „Vervloekt is de man die brood eet tot de avond, voordat ik wraak heb genomen op mijn vijanden.” Heel het volk proefde geen brood. Brontekst: וְאִֽישׁ (veish) = en de man van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | נִגַּ֖שׂ (nigas) = kwam in nood | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op die | הַה֑וּא (hahu) = dag | וַיֹּאֶל֩ (vayoel) = en liet zweren | שָׁא֨וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֜ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | אָר֣וּר (arur) = vervloekt | הָ֠אִישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | יֹ֨אכַל (yokhal) = eet | לֶ֜חֶם (lechem) = brood | עַד (ad) = tot | הָעֶ֗רֶב (haerev) = de avond | וְנִקַּמְתִּי֙ (veniqamti) = en ik wraak neem | מֵאֹ֣יְבַ֔י (meoyevay) = op mijn vijanden | וְלֹֽא (velo) = en niet | טָעַ֥ם (taam) = proefde | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִגַּשׂ (niggas), ‘in nood komen’: onder druk staan (vergelijk 1 Sam. 13:6). De mannen waren uitgeput door de strijd en de honger. Voetnoot : וַיֹּאֶל (wayyoel), ‘liet zweren’: Saul sprak een vloek uit en liet het volk daarmee instemmen. De eed werd een vloek over wie hem brak. Zie ook: Lev 27:29; Deut 27:15–26; Joz 6:26; 1 Sam 13:6; Ps 18:48; Rom 10:2 **14:25** Heel het land kwam in het bos. Er lag honing op de grond. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בָּ֣אוּ (bau) = kwam | בַיָּ֑עַר (bayaar) = in het bos | וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | דְבַ֖שׁ (devash) = honing | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Num 13:27; Deut 9:28; Mat 3:4–5 **14:26** Het volk kwam in het bos, en zie: er droop honing. Maar niemand bracht zijn hand naar zijn mond, want het volk was bang voor de eed. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֶל (el) = naar | הַיַּ֔עַר (hayaar) = het bos | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | הֵ֣לֶךְ (helekh) = ging | דְּבָ֑שׁ (devash) = honing | וְאֵין (veein) = en niet | מַשִּׂ֤יג (masig) = was er die bracht | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | אֶל (el) = naar | פִּ֔יו (piv) = zijn mond | כִּֽי (ki) = want | יָרֵ֥א (yare) = vreesde | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׁבֻעָֽה (hashevua) = de eed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 9:2 **14:27** Jonatan had niet gehoord dat zijn vader het volk liet zweren. Hij stak het uiteinde van de staf uit die in zijn hand was. Hij doopte het in de honingraat en bracht zijn hand terug naar zijn mond. Toen werden zijn ogen helder. Brontekst: וְיוֹנָתָ֣ן (veyonatan) = en Jonatan | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמַ֗ע (shama) = hoorde | בְּהַשְׁבִּ֣יעַ (behashbia) = toen liet zweren | אָבִיו֮ (aviv) = zijn vader | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֒ (haam) = het volk | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en stak uit | אֶת (et) = (obj.) | קְצֵ֤ה (qetse) = het uiteinde van | הַמַּטֶּה֙ (hamate) = de staf | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיִּטְבֹּ֥ל (vayitbol) = en doopte | אוֹתָ֖הּ (otah) = het | בְּיַעְרַ֣ת (beyarat) = in de honingraat | הַדְּבָ֑שׁ (hadevash) = van honing | וַיָּ֤שֶׁב (vayashev) = en bracht terug | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | אֶל (el) = naar | פִּ֔יו (piv) = zijn mond | וַתָּאֹ֖רְנָה (vataorena) = en werden helder | עֵינָֽיו (einav) = zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de tekst staat (ketiv) וַתִּרְאֶינָה (wattiren), ‘zijn ogen zagen’. De lezing (qere) is וַתָּאֹרְנָה (wattorena), ‘zijn ogen werden helder’. Wij volgen de lezing, zoals ook in 14:29 (‘mijn ogen zijn helder geworden’). Zie ook: 1 Sam 14:29; 1 Sam 14:43; 1 Sam 30:12; Spr 25:26 **14:28** Een man uit het volk antwoordde: „Je vader heeft het volk met een eed laten zweren: ‘Vervloekt is de man die vandaag brood eet.’ En het volk was uitgeput.” Brontekst: וַיַּעַן֩ (vayaan) = en antwoordde | אִ֨ישׁ (ish) = een man | מֵֽהָעָ֜ם (mehaam) = uit het volk | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הַשְׁבֵּעַ֩ (hashbea) = zeker | הִשְׁבִּ֨יעַ (hishbia) = liet zweren | אָבִ֤יךָ (avikha) = je vader | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אָר֥וּר (arur) = vervloekt | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | יֹ֥אכַל (yokhal) = eet | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וַיָּ֖עַף (vayaaf) = en was uitgeput | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 14:24; 1 Sam 14:43 **14:29** Jonatan zei: „Mijn vader heeft het land in ongeluk gebracht. Kijk toch hoe mijn ogen helder zijn geworden, omdat ik een beetje van deze honing heb geproefd. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יֽוֹנָתָ֔ן (yonatan) = Jonatan | עָכַ֥ר (akhar) = heeft in ongeluk gebracht | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | רְאוּ (reu) = kijk | נָא֙ (na) = toch | כִּֽי (ki) = dat | אֹ֣רוּ (oru) = zijn helder geworden | עֵינַ֔י (einay) = mijn ogen | כִּ֣י (ki) = want | טָעַ֔מְתִּי (taamti) = ik proefde | מְעַ֖ט (meat) = een beetje | דְּבַ֥שׁ (devash) = honing | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:25; 1 Kon 18:18 **14:30** Hoeveel beter was het geweest als het volk vandaag vrij had gegeten van de buit van zijn vijanden, die het gevonden heeft. Want nu is de slag onder de Filistijnen niet groot geworden.” Brontekst: אַ֗ף (af) = hoeveel beter | כִּ֡י (ki) = als | לוּא֩ (lu) = indien | אָכֹ֨ל (akhol) = vrij | אָכַ֤ל (akhal) = had gegeten | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | הָעָ֔ם (haam) = het volk | מִשְּׁלַ֥ל (mishelal) = van de buit van | אֹיְבָ֖יו (oyevav) = zijn vijanden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מָצָ֑א (matsa) = het vond | כִּ֥י (ki) = want | עַתָּ֛ה (ata) = nu | לֹֽא (lo) = niet | רָבְתָ֥ה (raveta) = was groot | מַכָּ֖ה (maka) = de slag | בַּפְּלִשְׁתִּֽים (bapelishtim) = onder de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Pred 9:18 ### Het volk eet met het bloed **14:31** Zij sloegen die dag de Filistijnen van Mikmas tot Ajalon. Het volk was zeer uitgeput. Brontekst: וַיַּכּ֞וּ (vayaku) = en zij sloegen | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | בַּפְּלִשְׁתִּ֔ים (bapelishtim) = onder de Filistijnen | מִמִּכְמָ֖שׂ (mimikhmas) = van Mikmas | אַיָּלֹ֑נָה (ayalona) = naar Ajalon | וַיָּ֥עַף (vayaaf) = en was uitgeput | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela. Zie ook: Joz 10:12; Joz 19:42 **14:32** Het volk stortte zich op de buit. Zij namen schapen, runderen en kalveren en slachtten ze op de grond. Het volk at het vlees met het bloed. Brontekst: וַיַּ֤עַט (vayaat) = en stortte zich | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֶל (el) = op | הַשָּׁלָ֔ל (hashalal) = de buit | וַיִּקְח֨וּ (vayiqchu) = en namen | צֹ֧אן (tson) = schapen | וּבָקָ֛ר (uvaqar) = en runderen | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en kalveren van | בָקָ֖ר (baqar) = runderen | וַיִּשְׁחֲטוּ (vayishchatu) = en slachtten | אָ֑רְצָה (aretsa) = op de grond | וַיֹּ֥אכַל (vayokhal) = en at | הָעָ֖ם (haam) = het volk | עַל (al) = met | הַדָּֽם (hadam) = het bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘het volk at op het bloed’ (עַל הַדָּם, al haddam). Het gaat om vlees dat niet was uitgebloed. Dat is tegen het gebod van Yahweh (Lev. 17:10–14; Lev. 3:17). Wij maken er ‘het vlees met het bloed’ van, omdat het woord ‘vlees’ in het Hebreeuws niet staat. Zie ook: Gen 9:4; Lev 3:17; Lev 17:10–14; Lev 19:26; Deut 12:16; 1 Sam 15:19 **14:33** Men vertelde het Saul: „Zie, het volk zondigt tegen Yahweh door met het bloed te eten.” Hij zei: „Jullie hebben trouweloos gehandeld. Rol vandaag een grote steen naar mij toe.” Brontekst: וַיַּגִּ֤ידוּ (vayagidu) = en men vertelde | לְשָׁאוּל֙ (leshaul) = aan Saul | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הָעָ֛ם (haam) = het volk | חֹטִ֥אים (chotiym) = zondigt | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = tegen Yahweh | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = door te eten | עַל (al) = met | הַדָּ֑ם (hadam) = het bloed | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | בְּגַדְתֶּ֔ם (begadtem) = jullie hebben trouweloos gehandeld | גֹּֽלּוּ (golu) = rol | אֵלַ֥י (elay) = naar mij | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | אֶ֥בֶן (even) = een steen | גְּדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּגַדְתֶּם (bagadtem), ‘jullie hebben trouweloos gehandeld’: het woord voor het breken van trouw. Zie ook: Mat 7:5; Rom 2:1 **14:34** Saul zei: „Verspreid jullie onder het volk en zeg tegen hen: Ieder moet zijn rund en ieder zijn schaap bij mij brengen. Slacht het hier en eet. Zondig niet tegen Yahweh door met het bloed te eten.” Die nacht bracht heel het volk ieder zijn rund mee, en zij slachtten het daar. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | פֻּ֣צוּ (putsu) = verspreid jullie | בָעָ֡ם (baam) = onder het volk | וַאֲמַרְתֶּ֣ם (vaamartem) = en zeg | לָהֶ֡ם (lahem) = tegen hen | הַגִּ֣ישׁוּ (hagishu) = breng | אֵלַי֩ (elay) = naar mij | אִ֨ישׁ (ish) = ieder | שׁוֹר֜וֹ (shoro) = zijn rund | וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | שְׂיֵ֗הוּ (seyehu) = zijn schaap | וּשְׁחַטְתֶּ֤ם (ushechattem) = en slacht | בָּזֶה֙ (baze) = hier | וַאֲכַלְתֶּ֔ם (vaakhaltem) = en eet | וְלֹֽא (velo) = en niet | תֶחֶטְא֥וּ (techetu) = zondig | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = tegen Yahweh | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = door te eten | אֶל (el) = met | הַדָּ֑ם (hadam) = het bloed | וַיַּגִּ֨שׁוּ (vayagishu) = en brachten | כָל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | שׁוֹר֧וֹ (shoro) = zijn rund | בְיָד֛וֹ (beyado) = in zijn hand | הַלַּ֖יְלָה (halayla) = die nacht | וַיִּשְׁחֲטוּ (vayishchatu) = en slachtten | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:35** Saul bouwde een altaar voor Yahweh. Dit begon hij te bouwen: een altaar voor Yahweh. Brontekst: וַיִּ֧בֶן (vayiven) = en bouwde | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = een altaar | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֹת֣וֹ (oto) = dit | הֵחֵ֔ל (hechel) = begon hij | לִבְנ֥וֹת (livnot) = te bouwen | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = een altaar | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Dit begon hij te bouwen: een altaar voor Yahweh.’ Veel lezers verstaan dit als: het was het eerste altaar dat Saul bouwde. Wij houden de woorden zoals ze staan. Zie ook: Re 21:4; 1 Sam 7:9; 1 Sam 7:12; 1 Sam 7:17; Hos 8:14 ### Yahweh antwoordt niet **14:36** Saul zei: „Laten wij 's nachts de Filistijnen achterna gaan en hen plunderen tot het ochtendlicht. Laten wij niemand van hen overlaten.” Zij zeiden: „Doe alles wat goed is in uw ogen.” Maar de priester zei: „Laten wij hier naar Elohim toe gaan.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֡וּל (shaul) = Saul | נֵרְדָ֣ה (nereda) = laten we afdalen | אַחֲרֵי֩ (acharei) = achter | פְלִשְׁתִּ֨ים (pelishtim) = de Filistijnen | לַ֜יְלָה (layla) = 's nachts | וְֽנָבֹ֥זָה (venavoza) = en laten we plunderen | בָהֶ֣ם (bahem) = onder hen | עַד (ad) = tot | א֣וֹר (or) = het licht van | הַבֹּ֗קֶר (haboqer) = de morgen | וְלֹֽא (velo) = en niet | נַשְׁאֵ֤ר (nasher) = laten we overlaten | בָּהֶם֙ (bahem) = onder hen | אִ֔ישׁ (ish) = man | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | כָּל (kal) = alles | הַטּ֥וֹב (hatov) = wat goed is | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in uw ogen | עֲשֵׂ֑ה (ase) = doe | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | נִקְרְבָ֥ה (niqreva) = laten we naderen | הֲלֹ֖ם (halom) = hierheen | אֶל (el) = tot | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: De priester is hier waarschijnlijk Achia (14:3). Zie ook: Num 27:21; Joz 10:9–14; Ps 73:28; Jes 48:1–2; Jer 6:5 **14:37** Saul vroeg Elohim: „Zal ik de Filistijnen achterna gaan? Geeft U hen in de hand van Israël?” Maar Hij antwoordde hem die dag niet. Brontekst: וַיִּשְׁאַ֤ל (vayishal) = en vroeg | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בֵּֽאלֹהִ֔ים (bElohim) = aan Elohim | הַֽאֵרֵד֙ (haered) = zal ik afdalen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | הֲתִתְּנֵ֖ם (hatitenem) = zult U hen geven | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָנָ֖הוּ (anahu) = antwoordde Hij hem | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op die | הַהֽוּא (hahu) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 23:4; 1 Sam 28:6; 2 Sam 5:19; 2 Sam 5:23; 1 Kon 22:5 **14:38** Saul zei: „Kom hier, alle leiders van het volk. Weet en zie waardoor deze zonde vandaag is gebeurd. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | גֹּ֣שֽׁוּ (goshu) = kom hier | הֲלֹ֔ם (halom) = hierheen | כֹּ֖ל (kol) = alle | פִּנּ֣וֹת (pinot) = leiders van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וּדְע֣וּ (udeu) = en weet | וּרְא֔וּ (ureu) = en zie | בַּמָּ֗ה (bama) = waardoor | הָֽיְתָ֛ה (hayeta) = was | הַחַטָּ֥את (hachatat) = de zonde | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּנּוֹת הָעָם (pinnot haam), ‘leiders van het volk’: letterlijk ‘hoeken van het volk’. Een hoek is een belangrijk punt van een gebouw, dus een leider. Zie ook: Num 24:17; Joz 7:11; Joz 7:14–26; Re 20:2; 2 Sam 18:3 **14:39** Want zo waar Yahweh leeft, die Israël redt: al is het mijn zoon Jonatan, hij moet zeker sterven.” Maar niemand van heel het volk antwoordde hem. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הַמּוֹשִׁ֨יעַ֙ (hamoshia) = die redt | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֧י (ki) = want | אִם (im) = als | יֶשְׁנ֛וֹ (yeshno) = het is | בְּיוֹנָתָ֥ן (beyonatan) = in Jonatan | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | כִּ֣י (ki) = want | מ֣וֹת (mot) = sterven | יָמ֑וּת (yamut) = zal hij sterven | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | עֹנֵ֖הוּ (onehu) = antwoordde hem | מִכָּל (mikal) = uit heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 14:24; 1 Sam 14:44; 1 Sam 20:31; 1 Sam 28:10; 2 Sam 12:5 **14:40** Hij zei tegen heel Israël: „Jullie staan aan één kant. Ik en mijn zoon Jonatan staan aan de andere kant.” Het volk zei tegen Saul: „Doe wat goed is in uw ogen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tegen | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | תִּֽהְיוּ֙ (tihyu) = zullen zijn | לְעֵ֣בֶר (leever) = aan kant | אֶחָ֔ד (echad) = één | וַֽאֲנִי֙ (vaani) = en ik | וְיוֹנָתָ֣ן (veyonatan) = en Jonatan | בְּנִ֔י (beni) = mijn zoon | נִהְיֶ֖ה (nihye) = zullen zijn | לְעֵ֣בֶר (leever) = aan kant | אֶחָ֑ד (echad) = één | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֶל (el) = tegen | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הַטּ֥וֹב (hatov) = wat goed is | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in uw ogen | עֲשֵֽׂה (ase) = doe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 14:7; 1 Sam 14:36; 2 Sam 15:15 **14:41** Saul zei tegen Yahweh, de Elohim van Israël: „Geef een onberispelijke uitslag.” Jonatan en Saul werden aangewezen, en het volk ging vrij uit. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הָ֣בָה (hava) = geef | תָמִ֑ים (tamim) = onberispelijk | וַיִּלָּכֵ֧ד (vayilakhed) = en werd aangewezen | יוֹנָתָ֛ן (yonatan) = Jonatan | וְשָׁא֖וּל (veshaul) = en Saul | וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | יָצָֽאוּ (yatsau) = ging vrij uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: הָבָה תָמִים (hava tamim) betekent letterlijk ‘geef onberispelijk’ of ‘geef volkomen’. Het woord ‘uitslag’ is onze aanvulling. De zin is kort en de tekst is hier mogelijk beschadigd. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 7:16–18; 1 Sam 10:20–21; Spr 16:33; Jona 1:7; Hand 1:24 **14:42** Saul zei: „Werp het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan.” En Jonatan werd aangewezen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הַפִּ֕ילוּ (hapilu) = werp | בֵּינִ֕י (beini) = tussen mij | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | יוֹנָתָ֣ן (yonatan) = Jonatan | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | וַיִּלָּכֵ֖ד (vayilakhed) = en werd aangewezen | יוֹנָתָֽן (yonatan) = Jonatan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘werp tussen mij en mijn zoon’. Het woord ‘het lot’ voegen wij toe, omdat het bedoeld is (vergelijk 14:41). ### Jonatan wordt vrijgekocht **14:43** Saul zei tegen Jonatan: „Vertel mij wat je hebt gedaan.” Jonatan vertelde het hem en zei: „Ik heb een beetje honing geproefd met het uiteinde van de staf die in mijn hand was. Zie, hier ben ik. Ik zal sterven.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | י֣וֹנָתָ֔ן (yonatan) = Jonatan | הַגִּ֥ידָה (hagida) = vertel | לִּ֖י (li) = mij | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֑יתָה (asita) = heb je gedaan | וַיַּגֶּד (vayaged) = en vertelde | ל֣וֹ (lo) = hem | יוֹנָתָ֗ן (yonatan) = Jonatan | וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | טָעֹ֨ם (taom) = proeven | טָעַ֜מְתִּי (taamti) = ik proefde | בִּקְצֵ֨ה (biqtse) = met het uiteinde van | הַמַּטֶּ֧ה (hamate) = de staf | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּיָדִ֛י (beyadi) = in mijn hand | מְעַ֥ט (meat) = een beetje | דְּבַ֖שׁ (devash) = honing | הִנְנִ֥י (hinni) = zie mij | אָמֽוּת (amut) = ik zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:19; 1 Sam 14:27; Jona 1:7–10 **14:44** Saul zei: „Zo moge Elohim doen en zo moge Hij nog meer doen: je zult zeker sterven, Jonatan.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | כֹּֽה (ko) = zo | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = moge doen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וְכֹ֣ה (vekho) = en zo | יוֹסִ֑ף (yosif) = moge Hij toevoegen | כִּֽי (ki) = want | מ֥וֹת (mot) = sterven | תָּמ֖וּת (tamut) = zul je sterven | יוֹנָתָֽן (yonatan) = Jonatan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ruth 1:17; 1 Sam 14:39; 1 Sam 25:22; 2 Sam 12:5; 2 Sam 12:31 **14:45** Het volk zei tegen Saul: „Zou Jonatan moeten sterven, die deze grote redding in Israël heeft gebracht? Nooit! Zo waar Yahweh leeft: geen haar van zijn hoofd zal op de grond vallen. Want vandaag heeft hij met Elohim gehandeld.” Zo kocht het volk Jonatan vrij, en hij stierf niet. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tegen | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | הֲֽיוֹנָתָ֤ן (hayonatan) = zal Jonatan | יָמוּת֙ (yamut) = sterven | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָ֠שָׂה (asa) = deed | הַיְשׁוּעָ֨ה (hayshua) = de redding | הַגְּדוֹלָ֣ה (hagedola) = grote | הַזֹּאת֮ (hazot) = deze | בְּיִשְׂרָאֵל֒ (beyisrael) = in Israël | חָלִ֗ילָה (chalila) = nooit | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | יִפֹּ֞ל (yipol) = zal vallen | מִשַּׂעֲרַ֤ת (misaarat) = van het haar van | רֹאשׁוֹ֙ (rosho) = zijn hoofd | אַ֔רְצָה (artsa) = naar de grond | כִּֽי (ki) = want | עִם (im) = met | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | עָשָׂ֖ה (asa) = heeft hij gehandeld | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיִּפְדּ֥וּ (vayifdu) = en kochten vrij | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | יוֹנָתָ֖ן (yonatan) = Jonatan | וְלֹא (velo) = en niet | מֵֽת (met) = stierf hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּדָה (pada), ‘vrijkopen’: loskopen van iemand die zou sterven. Het volk neemt het op voor Jonatan, want hij heeft de redding gebracht. Het woord ‘vrijkopen’ komt uit de rechtstaal, zoals in Exod. 13:13. Zie ook: Ex 13:13; 2 Sam 14:11; 1 Kon 1:52; Mat 10:30; Luc 21:18; Hand 27:34 **14:46** Saul trok weg van de achtervolging van de Filistijnen, en de Filistijnen gingen terug naar hun eigen plaats. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en ging op | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | מֵאַחֲרֵ֖י (meacharei) = van achter | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | הָלְכ֥וּ (halekhu) = gingen | לִמְקוֹמָֽם (limqomam) = naar hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. ### Sauls oorlogen en zijn familie **14:47** Saul had het koningschap over Israël in handen genomen. Hij voerde oorlog rondom tegen al zijn vijanden: tegen Moab, de zonen van Ammon, Edom, de koningen van Tsoba en de Filistijnen. Overal waar hij zich heen wendde, sprak hij een schuldig oordeel uit. Brontekst: וְשָׁא֛וּל (veshaul) = en Saul | לָכַ֥ד (lakhad) = nam in bezit | הַמְּלוּכָ֖ה (hamelukha) = het koningschap | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּלָּ֣חֶם (vayilachem) = en streed | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | בְּֽכָל (bekhal) = tegen al | אֹיְבָ֡יו (oyevav) = zijn vijanden | בְּמוֹאָ֣ב (bemoav) = tegen Moab | וּבִבְנֵי (uvivnei) = en tegen de zonen van | עַמּ֨וֹן (amon) = Ammon | וּבֶאֱד֜וֹם (uveedom) = en tegen Edom | וּבְמַלְכֵ֤י (uvemalkhei) = en tegen de koningen van | צוֹבָה֙ (tsova) = Tsoba | וּבַפְּלִשְׁתִּ֔ים (uvapelishtim) = en tegen de Filistijnen | וּבְכֹ֥ל (uvekhol) = en overal | אֲשֶׁר (asher) = waar | יִפְנֶ֖ה (yifne) = hij zich wendde | יַרְשִֽׁיעַ (yarshia) = velde hij een schuldig oordeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tsoba (צוֹבָה) lag waarschijnlijk in het huidige Syrië of Libanon, ten noorden van Damascus. De ligging is onzeker. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon. De precieze ligging is niet vast te stellen. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: יַרְשִׁיעַ (yarsjia), ‘hij sprak schuldig’ of ‘hij handelde als de rechter’: een zeldzame vorm. Wij vertalen het werkwoord letterlijk. De betekenis is onzeker. Zie ook: 1 Sam 12:2; 1 Sam 14:52; 2 Sam 10:6; 1 Kon 11:23; 2 Kon 14:27 **14:48** Hij toonde kracht. Hij versloeg Amalek en redde Israël uit de hand van zijn plunderaars. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | חַ֔יִל (chayil) = kracht | וַיַּ֖ךְ (vayakh) = en versloeg | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | וַיַּצֵּ֥ל (vayatsel) = en redde | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | שֹׁסֵֽהוּ (shosehu) = zijn plunderaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 17:14; Deut 25:19; 1 Sam 15:3–7 **14:49** De zonen van Saul waren Jonatan, Isjwi en Malkisua. De namen van zijn twee dochters waren: de oudste heette Merab en de jongste Michal. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | יוֹנָתָ֥ן (yonatan) = Jonatan | וְיִשְׁוִ֖י (veyishvi) = en Isjwi | וּמַלְכִּי (umalki) = en Malki | שׁ֑וּעַ (shua) = Sjoea | וְשֵׁם֙ (veshem) = en de naam van | שְׁתֵּ֣י (shetei) = zijn twee | בְנֹתָ֔יו (benotav) = dochters | שֵׁ֤ם (shem) = de naam van | הַבְּכִירָה֙ (habekhira) = de oudste | מֵרַ֔ב (merav) = Merab | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הַקְּטַנָּ֖ה (haqetana) = de jongste | מִיכַֽל (mikhal) = Michal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan drie zonen van Saul: Jonatan, Isjwi en Malkisua. In 1 Sam. 31:2 staan Jonatan, Abinadab en Malkisua. Isjwi wordt daar niet genoemd. De lijsten verschillen; wij vertalen elke tekst zoals zij staat. Zie ook: 1 Sam 18:7–21; 1 Sam 31:2; 2 Sam 6:20–23; 1 Kron 8:33; 1 Kron 9:39 **14:50** De naam van de vrouw van Saul was Achinoam, de dochter van Achimaäts. De naam van de bevelhebber van zijn leger was Abner, de zoon van Ner, de oom van Saul. Brontekst: וְשֵׁם֙ (veshem) = en de naam van | אֵ֣שֶׁת (eshet) = de vrouw van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אֲחִינֹ֖עַם (achinoam) = Achinoam | בַּת (bat) = dochter van | אֲחִימָ֑עַץ (achimaats) = Achimaäts | וְשֵׁ֤ם (veshem) = en de naam van | שַׂר (sar) = de bevelhebber van | צְבָאוֹ֙ (tsevao) = zijn leger | אֲבִינֵ֔ר (aviner) = Abner | בֶּן (ben) = zoon van | נֵ֖ר (ner) = Ner | דּ֥וֹד (dod) = oom van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:55; 2 Sam 2:8; 2 Sam 3:27 **14:51** Kis was de vader van Saul. Ner, de vader van Abner, was een zoon van Abiël. Brontekst: וְקִ֧ישׁ (veqish) = en Kis | אֲבִֽי (avi) = vader van | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | וְנֵ֥ר (vener) = en Ner | אֲבִֽי (avi) = vader van | אַבְנֵ֖ר (avner) = Abner | בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִיאֵֽל (aviel) = Abiël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier kort: ‘Kis, vader van Saul, en Ner, vader van Abner, zoon van Abiël’. Wij vertalen letterlijk. Zie ook 1 Sam. 9:1, waar Kis een zoon van Abiël is. Zie ook: 1 Sam 9:1; 1 Sam 9:21 **14:52** De oorlog tegen de Filistijnen was zwaar, alle dagen van Saul. Als Saul een sterke man zag, of een dappere strijder, nam hij hem bij zich. Brontekst: וַתְּהִ֤י (vatehi) = en was | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de oorlog | חֲזָקָ֣ה (chazaqa) = zwaar | עַל (al) = tegen | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וְרָאָ֨ה (veraa) = en zag | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | כָּל (kal) = alle | אִ֤ישׁ (ish) = man | גִּבּוֹר֙ (gibor) = sterk | וְכָל (vekhal) = en alle | בֶּן (ben) = zoon van | חַ֔יִל (chayil) = kracht | וַיַּאַסְפֵ֖הוּ (vayaasfehu) = en verzamelde hem | אֵלָֽיו (elav) = bij zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 8:1; 1 Sam 8:11 ## 1 Samuël 15 _Saul en Amalek: Yahweh verwerpt Saul als koning_ ### Samuël stuurt Saul tegen Amalek **15:1** Samuël zei tegen Saul: „Mij heeft Yahweh gestuurd om je te zalven tot koning over Zijn volk, over Israël. Luister nu naar de stem van de woorden van Yahweh. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אֹתִ֨י (oti) = mij | שָׁלַ֤ח (shalach) = heeft gestuurd | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִמְשָׁחֳךָ֣ (limshachokha) = om je te zalven | לְמֶ֔לֶךְ (lemelekh) = tot koning | עַל (al) = over | עַמּ֖וֹ (amo) = Zijn volk | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | שְׁמַ֔ע (shema) = luister | לְק֖וֹל (leqol) = naar de stem van | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Samuël herinnert Saul eraan dat Yahweh hem heeft gezalfd (1 Sam. 10:1). Het woord ‘stem’ (קוֹל, qol) is hier het sleutelwoord van het hoofdstuk: luisteren naar de stem van Yahweh (15:1, 19, 20, 22, 24). Zie ook: 1 Sam 9:16; 1 Sam 10:1; 1 Sam 12:14; 1 Sam 13:13; 1 Kron 22:12–13; Ps 2:10–11 **15:2** Zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Ik zal afrekenen met wat Amalek Israël heeft aangedaan. Hij stelde zich tegen hen op onderweg, toen zij uit Egypte optrokken. Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | פָּקַ֕דְתִּי (paqadti) = ik reken af | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֥ה (asa) = deed | עֲמָלֵ֖ק (amaleq) = Amalek | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = aan Israël | אֲשֶׁר (asher) = hoe | שָׂ֥ם (sam) = stelde zich op | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | בַּדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = onderweg | בַּעֲלֹת֖וֹ (baaloto) = toen zij optrokken | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: פָּקַדְתִּי (paqadti), ‘Ik reken af’: letterlijk ‘Ik heb mijn aandacht gericht op’. Het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’, ‘nazien’ en ook ‘straffen’. Hier gaat het om het straffen van wat Amalek deed. Voetnoot : De aanval van Amalek staat in Exod. 17:8–16. Zie ook Deut. 25:17–19. Samuël citeert hier Yahweh van de legermachten. De woorden staan daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: Ex 17:8–16; Num 24:20; Deut 25:17–19; Amos 8:7; Hos 7:2 **15:3** Ga nu, versla Amalek en spreek de ban uit over alles wat van hem is. Spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel.’” Brontekst: עַתָּה֩ (ata) = nu | לֵ֨ךְ (lekh) = ga | וְהִכִּֽיתָ֜ה (vehikita) = en versla | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָלֵ֗ק (amaleq) = Amalek | וְהַֽחֲרַמְתֶּם֙ (vehacharamtem) = en spreek de ban uit over | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֔וֹ (lo) = van hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַחְמֹ֖ל (tachmol) = spaar | עָלָ֑יו (alav) = hem | וְהֵמַתָּ֞ה (vehemata) = en dood | מֵאִ֣ישׁ (meish) = man | עַד (ad) = tot | אִשָּׁ֗ה (isha) = vrouw | מֵֽעֹלֵל֙ (meolel) = kind | וְעַד (vead) = en tot | יוֹנֵ֔ק (yoneq) = zuigeling | מִשּׁ֣וֹר (mishor) = rund | וְעַד (vead) = en tot | שֶׂ֔ה (se) = schaap | מִגָּמָ֖ל (migamal) = kameel | וְעַד (vead) = en tot | חֲמֽוֹר (chamor) = ezel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat aan Yahweh is gewijd en niet voor eigen gebruik mag dienen. Het woord הֶחֱרִים (hecherim) betekent ‘met de ban slaan’, zoals in Deut. 20:17. Zie ook: Num 24:20; Num 31:17; Deut 20:16–18; Deut 20:17; 1 Sam 22:19; Jes 14:21–22 ### Saul verslaat Amalek **15:4** Saul riep het volk op en telde hen in Telaim: 200.000 man te voet, en daarbij 10.000 man uit Juda. Brontekst: וַיְשַׁמַּ֤ע (vayshama) = en riep op | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַֽיִּפְקְדֵם֙ (vayifqedem) = en telde hen | בַּטְּלָאִ֔ים (batelaim) = in Telaim | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | רַגְלִ֑י (ragli) = te voet | וַעֲשֶׂ֥רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | אֶת (et) = (obj.) | אִ֥ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Telaim of Telem lag in het zuiden van Juda, in de Negev. De juiste plek is niet bekend. Voetnoot Uitleg: וַיְשַׁמַּע (wayyeshamma), ‘riep op’: letterlijk ‘liet horen’. Saul riep het volk bijeen met een oproep. Voetnoot Lezing: בַּטְּלָאִים (battela’im): wij lezen dit als de plaatsnaam Telaim, misschien dezelfde als Telem in Joz. 15:24. Het woord betekent ook ‘lammeren’; dan zou Saul het volk ‘bij de lammeren’ hebben geteld, naar het aantal lammeren. De betekenis is onzeker. Zie ook: Joz 15:24; 1 Sam 11:8; 1 Sam 13:15 **15:5** Saul kwam bij de stad van Amalek en lag op de loer in het dal. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | עַד (ad) = tot | עִ֣יר (ir) = de stad van | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | וַיָּ֖רֶב (vayarev) = en lag op de loer | בַּנָּֽחַל (banachal) = in het dal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De stad van Amalek is niet bij naam genoemd. De Amalekieten leefden in de Negev en op de Sinaï (Num. 13:29). De juiste plek is onzeker. Zie ook: Num 13:29 **15:6** Saul zei tegen de Kenieten: „Ga, trek weg, kom weg uit het midden van de Amalekieten. Anders vaag ik jullie met hen weg. Want jullie hebben trouw bewezen aan alle zonen van Israël, toen zij uit Egypte optrokken.” Toen trokken de Kenieten weg uit het midden van Amalek. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | אֶֽל (el) = tegen | הַקֵּינִ֡י (haqeini) = de Keniet | לְכוּ֩ (lekhu) = ga | סֻּ֨רוּ (suru) = trek weg | רְד֜וּ (redu) = kom af | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | עֲמָלֵקִ֗י (amaleqi) = de Amalekiet | פֶּן (pen) = opdat niet | אֹֽסִפְךָ֙ (osifkha) = ik jullie wegvaag | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | עָשִׂ֤יתָה (asita) = hebt bewezen | חֶ֨סֶד֙ (chesed) = trouw | עִם (im) = met | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בַּעֲלוֹתָ֖ם (baalotam) = toen zij optrokken | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיָּ֥סַר (vayasar) = en trok weg | קֵינִ֖י (qeini) = de Keniet | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | עֲמָלֵֽק (amaleq) = Amalek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הַקֵּינִי (haqqeni), ‘de Keniet’: de Kenieten waren verwant aan Mozes’ schoonfamilie (Richt. 1:16). Zij woonden tussen de Amalekieten, in de Negev. Het Hebreeuws gebruikt het enkelvoud; wij vertalen het als meervoud. Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: de Kenieten hadden Israël eerder gesteund (zie Num. 10:29–32). Zie ook: Ex 18:19; Num 10:29–32; Num 24:21–22; Re 1:16; Re 4:11 **15:7** Saul versloeg Amalek, van Chavila tot waar je bij Sur komt, dat tegenover Egypte ligt. Brontekst: וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en versloeg | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | מֵֽחֲוִילָה֙ (mechavila) = van Chavila | בּוֹאֲךָ֣ (boakha) = toen je komt | שׁ֔וּר (shur) = Sur | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chavila is onzeker; het lag ergens in het zuiden of oosten van Kanaän. Sur is een woestijngebied ten oosten van Egypte, aan de weg naar Egypte (Exod. 15:22; Gen. 16:7). Dezelfde woorden ‘van Chavila tot Sur, tegenover Egypte’ staan in Gen. 25:18. Zie ook: Gen 2:11; Gen 16:7; Gen 25:18; Ex 15:22; 1 Sam 14:48; 1 Sam 27:8 **15:8** Hij nam Agag, de koning van Amalek, levend gevangen. Heel het volk sloeg hij met de ban, met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וַיִּתְפֹּ֛שׂ (vayitpos) = en nam gevangen | אֶת (et) = (obj.) | אֲגַ֥ג (agag) = Agag | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | עֲמָלֵ֖ק (amaleq) = Amalek | חָ֑י (chay) = levend | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הֶחֱרִ֥ים (hecherim) = sloeg hij met de ban | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְפִי חֶרֶב (lefi cherev), ‘met de scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘naar de mond van het zwaard’. Wij vertalen zoals in Joz. 6:21. Zie ook: Num 24:7; Joz 6:21; Joz 10:39; 1 Sam 30:1; 1 Kon 20:34–42; Est 3:1 **15:9** Maar Saul en het volk spaarden Agag. Ook spaarden zij het beste van de schapen, de runderen, de dieren van de tweede worp, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden hen niet met de ban slaan. Maar al het goed dat verachtelijk en waardeloos was, sloegen zij met de ban. Brontekst: וַיַּחְמֹל֩ (vayachmol) = en spaarde | שָׁא֨וּל (shaul) = Saul | וְהָעָ֜ם (vehaam) = en het volk | עַל (al) = over | אֲגָ֗ג (agag) = Agag | וְעַל (veal) = en over | מֵיטַ֣ב (meitav) = het beste van | הַצֹּאן֩ (hatson) = de schapen | וְהַבָּקָ֨ר (vehabaqar) = en de runderen | וְהַמִּשְׁנִ֤ים (vehamishnim) = en de tweede worp | וְעַל (veal) = en over | הַכָּרִים֙ (hakarim) = de lammeren | וְעַל (veal) = en over | כָּל (kal) = alles | הַטּ֔וֹב (hatov) = wat goed was | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָב֖וּ (avu) = wilden zij | הַחֲרִימָ֑ם (hacharimam) = hen met de ban slaan | וְכָל (vekhal) = en al | הַמְּלָאכָ֛ה (hamelakha) = het goed | נְמִבְזָ֥ה (nemivza) = verachtelijk | וְנָמֵ֖ס (venames) = en waardeloos | אֹתָ֥הּ (otah) = dat | הֶחֱרִֽימוּ (hecherimu) = sloegen zij met de ban Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּשְׁנִים (hammishnim): ‘de tweede’ – waarschijnlijk dieren van de tweede worp of van de tweede klasse. De betekenis is niet zeker. הַכָּרִים (hakkarim) zijn rammen of jonge schapen. Wij vertalen ‘lammeren’. Voetnoot : מְלָאכָה (melacha), ‘goed’: letterlijk ‘werk’. Hier gaat het om het bezit, de buit. Zie ook: Joz 7:21; 1 Sam 15:3; 1 Sam 15:15; 1 Sam 15:19; 2 Sam 6:13 ### Yahweh heeft spijt dat Hij Saul koning maakte **15:10** Het woord van Yahweh kwam tot Samuël. Hij zei: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden van Yahweh in 15:11 staan rood. In 15:2–3 en 15:18 citeert Samuël Yahweh. Die woorden staan zwart, tussen enkele aanhalingstekens. **15:11** **„Het spijt Mij dat Ik Saul koning heb gemaakt. Want hij heeft zich van Mij afgekeerd en Mijn woorden niet uitgevoerd.”** Samuël werd boos en riep de hele nacht tot Yahweh. Brontekst: נִחַ֗מְתִּי (nichamti) = het spijt Mij | כִּֽי (ki) = dat | הִמְלַ֤כְתִּי (himlakhti) = Ik koning maakte | אֶת (et) = (obj.) | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | לְמֶ֔לֶךְ (lemelekh) = tot koning | כִּֽי (ki) = want | שָׁב֙ (shav) = hij is teruggekeerd | מֵאַֽחֲרַ֔י (meacharay) = van achter Mij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּבָרַ֖י (devaray) = Mijn woorden | לֹ֣א (lo) = niet | הֵקִ֑ים (heqim) = heeft hij uitgevoerd | וַיִּ֨חַר֙ (vayichar) = en het ontstak | לִשְׁמוּאֵ֔ל (lishmuel) = voor Samuël | וַיִּזְעַ֥ק (vayizaq) = en hij riep | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = heel | הַלָּֽיְלָה (halayela) = de nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִחַמְתִּי (nichamti), ‘Het spijt Mij’: het werkwoord נָחַם (nacham) betekent ‘spijt hebben’ of ‘zich bedroeven’. Het staat ook in 15:29 en 15:35. Wij houden steeds hetzelfde woord. In 15:29 staat het in de ontkenning. Voetnoot : שָׁב מֵאַחֲרַי (sjav me-acharay), ‘hij heeft zich van Mij afgekeerd’: letterlijk ‘hij is teruggekeerd van achter Mij’, dus: hij volgt Mij niet meer. Zie ook: Gen 6:6; 1 Sam 13:13; 2 Sam 24:16; Ps 119:136; Jer 9:17 **15:12** Samuël stond vroeg op om Saul in de morgen te ontmoeten. Men vertelde Samuël: „Saul is naar Karmel gekomen. En zie, hij heeft voor zichzelf een gedenkteken opgericht. Daarna is hij omgedraaid, verder getrokken en afgedaald naar Gilgal.” Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֧ם (vayashkem) = en stond vroeg op | שְׁמוּאֵ֛ל (shemuel) = Samuël | לִקְרַ֥את (liqrat) = om te ontmoeten | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיֻּגַּ֨ד (vayugad) = en men vertelde | לִשְׁמוּאֵ֜ל (lishmuel) = aan Samuël | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | בָּֽא (ba) = is gekomen | שָׁא֤וּל (shaul) = Saul | הַכַּרְמֶ֨לָה֙ (hakarmela) = naar Karmel | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | מַצִּ֥יב (matsiv) = richt op | לוֹ֙ (lo) = voor zich | יָ֔ד (yad) = een hand | וַיִּסֹּב֙ (vayisov) = en draaide om | וַֽיַּעֲבֹ֔ר (vayaavor) = en trok verder | וַיֵּ֖רֶד (vayered) = en daalde af | הַגִּלְגָּֽל (hagilgal) = naar Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Karmel ligt in Juda, bij het huidige Khirbet el-Kermel, ongeveer 12 kilometer ten zuiden van Hebron (Joz. 15:55). De berg Karmel bij de kust heeft dezelfde naam. Gilgal ligt in het Jordaandal bij Jericho. Voetnoot Uitleg: יָד (yad), ‘hand’: een gedenkteken of zuil. Saul richtte voor zichzelf een gedenkteken op. Zie ook: Joz 4:8–9; Joz 15:55; 1 Sam 25:2; 2 Sam 18:18; 1 Kon 18:42 ### Samuël ontmoet Saul in Gilgal **15:13** Samuël kwam bij Saul. Saul zei tegen hem: „Gezegend ben jij door Yahweh. Ik heb het woord van Yahweh uitgevoerd.” Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | ל֣וֹ (lo) = tegen hem | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend | אַתָּה֙ (ata) = jij | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = door Yahweh | הֲקִימֹ֖תִי (haqimoti) = ik heb uitgevoerd | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֥ר (devar) = het woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרוּךְ (baruch), ‘gezegend’: Saul spreekt een zegen over Samuël uit. Hij zegt direct dat hij het woord van Yahweh heeft uitgevoerd. Zie ook: Gen 3:12; Re 17:2; Ruth 3:10; 1 Sam 15:9; 1 Sam 15:11 **15:14** Samuël zei: „Wat is dan dit geluid van schapen in mijn oren, en het geluid van runderen dat ik hoor?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וּמֶ֛ה (ume) = en wat | קֽוֹל (qol) = het geluid van | הַצֹּ֥אן (hatson) = de schapen | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בְּאָזְנָ֑י (beazenay) = in mijn oren | וְק֣וֹל (veqol) = en het geluid van | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = de runderen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | שֹׁמֵֽעַ (shomea) = hoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 50:16–21; Jer 2:18–19; Jer 2:34–37; Luc 19:22; 1 Kor 4:5 **15:15** Saul zei: „Van de Amalekieten hebben zij ze gebracht. Want het volk spaarde het beste van de schapen en de runderen, om aan Yahweh, jouw Elohim, te offeren. De rest hebben wij met de ban geslagen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | מֵעֲמָלֵקִ֣י (meamaleqi) = van de Amalekiet | הֱבִיא֗וּם (hevium) = hebben zij ze gebracht | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | חָמַ֤ל (chamal) = spaarde | הָעָם֙ (haam) = het volk | עַל (al) = over | מֵיטַ֤ב (meitav) = het beste van | הַצֹּאן֙ (hatson) = de schapen | וְהַבָּקָ֔ר (vehabaqar) = en de runderen | לְמַ֥עַן (lemaan) = om | זְבֹ֖חַ (zevoach) = te offeren | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיּוֹתֵ֖ר (hayoter) = de rest | הֶחֱרַֽמְנוּ (hecheramnu) = hebben wij met de ban geslagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Saul zegt ‘Yahweh, jouw Elohim’ (ook in 15:21 en 15:30). Hij noemt Yahweh de Elohim van Samuël. Het Hebreeuws zegt niet ‘mijn Elohim’. Zie ook: Gen 3:12–13; Ex 32:22–23; 1 Sam 15:9; 1 Sam 15:21; Spr 28:13 **15:16** Samuël zei tegen Saul: „Houd op! Laat mij je vertellen wat Yahweh vannacht tegen mij heeft gesproken.” Hij zei tegen hem: „Spreek.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הֶ֚רֶף (heref) = houd op | וְאַגִּ֣ידָה (veagida) = en laat mij vertellen | לְּךָ֔ (lekha) = je | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | דִּבֶּ֧ר (diber) = sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֖י (elay) = tegen mij | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = vannacht | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֖וֹ (lo) = tegen hem | דַּבֵּֽר (daber) = spreek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 9:27; 1 Sam 12:7; 1 Kon 22:16 **15:17** Samuël zei: „Ook al was je klein in je eigen ogen: ben je niet het hoofd van de stammen van Israël? Yahweh heeft je tot koning over Israël gezalfd. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | הֲל֗וֹא (halo) = is het niet | אִם (im) = als | קָטֹ֤ן (qaton) = klein | אַתָּה֙ (ata) = jij | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in je ogen | רֹ֛אשׁ (rosh) = hoofd van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = de stammen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אָ֑תָּה (ata) = jij | וַיִּמְשָׁחֲךָ֧ (vayimshachakha) = en zalfde je | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְמֶ֖לֶךְ (lemelekh) = tot koning | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 6:15; 1 Sam 9:21; 1 Sam 10:1; 1 Sam 10:22; 1 Sam 15:1–3 **15:18** Yahweh stuurde je op weg en zei: ‘Ga, spreek de ban uit over de zondaars, over Amalek. Voer oorlog tegen hen, totdat zij zijn vernietigd.’ Brontekst: וַיִּשְׁלָחֲךָ֥ (vayishlachakha) = en stuurde je | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּדָ֑רֶךְ (bedarekh) = op weg | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | וְהַחֲרַמְתָּ֞ה (vehacharamta) = en spreek de ban uit over | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחַטָּאִים֙ (hachataim) = de zondaars | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָלֵ֔ק (amaleq) = Amalek | וְנִלְחַמְתָּ֣ (venilchamta) = en voer oorlog | ב֔וֹ (bo) = tegen hen | עַ֥ד (ad) = totdat | כַּלּוֹתָ֖ם (kalotam) = zij zijn vernietigd | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Samuël citeert wat Yahweh Saul liet zeggen. Dat staat zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Het gaat om dezelfde opdracht als in 15:3. Zie ook: Gen 13:13; Gen 15:16; Job 31:3; Num 17:3; Spr 10:29 **15:19** Waarom heb je dan niet geluisterd naar de stem van Yahweh? Waarom stortte je je op de buit en deed je wat kwaad is in de ogen van Yahweh?” Brontekst: וְלָ֥מָּה (velama) = en waarom | לֹא (lo) = niet | שָׁמַ֖עְתָּ (shamata) = luisterde je | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַתַּ֨עַט֙ (vataat) = en stortte je | אֶל (el) = op | הַשָּׁלָ֔ל (hashalal) = de buit | וַתַּ֥עַשׂ (vataas) = en deed je | הָרַ֖ע (hara) = wat kwaad is | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 14:32; Spr 15:27; 2 Kron 33:6; 2 Kron 36:12; Hab 2:9–12 **15:20** Saul zei tegen Samuël: „Ik heb toch geluisterd naar de stem van Yahweh! Ik ben gegaan op de weg waarop Yahweh mij heeft gestuurd. Ik heb Agag, de koning van Amalek, gebracht en Amalek met de ban geslagen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | אֲשֶׁ֤ר (asher) = toch | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = heb ik geluisterd | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וָאֵלֵ֕ךְ (vaelekh) = en ben ik gegaan | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁר (asher) = waarop | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָאָבִ֗יא (vaavi) = en bracht ik | אֶת (et) = (obj.) | אֲגַג֙ (agag) = Agag | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | עֲמָלֵ֔ק (amaleq) = Amalek | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲמָלֵ֖ק (amaleq) = Amalek | הֶחֱרַֽמְתִּי (hecheramti) = heb ik met de ban geslagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֶׁר (asjer): hier met de betekenis ‘toch’ of ‘ja’: Saul bevestigt dat hij luisterde. Zie ook: 1 Sam 15:13; Mat 19:20; Luc 10:29; Luc 18:11; Rom 10:3 **15:21** Maar het volk nam van de buit schapen en runderen, het beste van wat onder de ban viel. Zij wilden dat offeren aan Yahweh, jouw Elohim, in Gilgal.” Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | הָעָ֧ם (haam) = het volk | מֵהַשָּׁלָ֛ל (mehashalal) = van de buit | צֹ֥אן (tson) = schapen | וּבָקָ֖ר (uvaqar) = en runderen | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = het beste van | הַחֵ֑רֶם (hacherem) = wat onder de ban viel | לִזְבֹּ֛חַ (lizboach) = om te offeren | לַֽיהוָ֥ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | בַּגִּלְגָּֽל (bagilgal) = in Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 3:13; Ex 32:22–23; 1 Sam 15:15 ### „Luisteren is beter dan een slachtoffer” **15:22** Samuël zei: „Heeft Yahweh evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers als in het luisteren naar de stem van Yahweh? Zie, luisteren is beter dan een slachtoffer, aandachtig horen beter dan het vet van rammen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | הַחֵ֤פֶץ (hachefets) = heeft behagen | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = Yahweh | בְּעֹל֣וֹת (beolot) = in brandoffers | וּזְבָחִ֔ים (uzevachim) = en slachtoffers | כִּשְׁמֹ֖עַ (kishmoa) = als in het luisteren | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | שְׁמֹ֨עַ֙ (shemoa) = luisteren | מִזֶּ֣בַח (mizevach) = is beter dan een slachtoffer | ט֔וֹב (tov) = goed | לְהַקְשִׁ֖יב (lehaqshiv) = aandachtig horen | מֵחֵ֥לֶב (mechelev) = dan het vet van | אֵילִֽים (eilim) = rammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמֹעַ (sjemoa), ‘luisteren’, en לְהַקְשִׁיב (lehaqsjiv), ‘aandachtig horen’: gehoorzaamheid wordt hier gesteld tegenover offeren. Zie ook Hos. 6:6. Zie ook: Ps 51:18–19; Spr 21:3; Amos 5:21–24; Hos 6:6; Mar 12:33 **15:23** Want weerspannigheid is de zonde van waarzeggerij, en eigenzinnigheid is ongerechtigheid en terafim. Omdat je het woord van Yahweh hebt verworpen, heeft Hij jou verworpen als koning.” Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | חַטַּאת (chatat) = zonde van | קֶ֨סֶם֙ (qesem) = waarzeggerij | מֶ֔רִי (meri) = weerspannigheid | וְאָ֥וֶן (veaven) = en ongerechtigheid | וּתְרָפִ֖ים (uterafim) = en terafim | הַפְצַ֑ר (haftsar) = eigenzinnigheid | יַ֗עַן (yaan) = omdat | מָאַ֨סְתָּ֙ (maasta) = je hebt verworpen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּמְאָסְךָ֖ (vayimasekha) = en heeft jou verworpen | מִמֶּֽלֶךְ (mimelekh) = als koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: verboden in Deut. 18:10. אָוֶן (aven), ‘ongerechtigheid’: onrecht of afgoderij. תְּרָפִים (terafim): huisgoden (Gen. 31:19). Zie ook: Gen 31:19; Lev 20:6; Deut 18:10; 1 Sam 13:14; Jer 28:16; Jer 29:32; Gal 5:20 ### Saul erkent zijn zonde **15:24** Saul zei tegen Samuël: „Ik heb gezondigd. Want ik heb het bevel van Yahweh en jouw woorden overtreden. Ik was bang voor het volk en luisterde naar hun stem. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֤וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | חָטָ֔אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | כִּֽי (ki) = want | עָבַ֥רְתִּי (avarti) = ik heb overtreden | אֶת (et) = (obj.) | פִּֽי (pi) = het bevel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּבָרֶ֑יךָ (devareikha) = jouw woorden | כִּ֤י (ki) = want | יָרֵ֨אתִי֙ (yareti) = ik was bang | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וָאֶשְׁמַ֖ע (vaeshma) = en luisterde | בְּקוֹלָֽם (beqolam) = naar hun stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּי יְהוָה (pi Yahweh), ‘het bevel van Yahweh’: letterlijk ‘de mond van Yahweh’. Zie ook: Num 22:34; 2 Sam 12:13; Spr 29:25; Jes 51:12–13; Gal 1:10 **15:25** Maar vergeef nu toch mijn zonde. Keer met mij terug, dan zal ik mij neerbuigen voor Yahweh.” Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | שָׂ֥א (sa) = vergeef | נָ֖א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | חַטָּאתִ֑י (chatati) = mijn zonde | וְשׁ֣וּב (veshuv) = en keer terug | עִמִּ֔י (imi) = met mij | וְאֶֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה (veeshtachave) = en ik zal mij neerbuigen | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂא (sa), ‘vergeef’: van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’. ‘Een zonde dragen’ betekent hier: haar wegnemen, vergeven. Zie ook: Ex 10:17 **15:26** Samuël zei tegen Saul: „Ik keer niet met je terug. Want je hebt het woord van Yahweh verworpen, en Yahweh heeft jou verworpen, zodat je geen koning meer bent over Israël.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | לֹ֥א (lo) = niet | אָשׁ֖וּב (ashuv) = keer ik terug | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | כִּ֤י (ki) = want | מָאַ֨סְתָּה֙ (maasta) = je hebt verworpen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּמְאָסְךָ֣ (vayimasekha) = en heeft verworpen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִהְי֥וֹת (mihyot) = dat je bent | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 13:14; 1 Sam 15:23; 1 Sam 16:1; Hos 4:6; Jer 6:19 **15:27** Samuël draaide zich om om weg te gaan. Toen greep Saul de slip van zijn mantel, en die scheurde. Brontekst: וַיִּסֹּ֥ב (vayisov) = en draaide zich om | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | לָלֶ֑כֶת (lalekhet) = om te gaan | וַיַּחֲזֵ֥ק (vayachazeq) = en greep | בִּכְנַף (bikhnaf) = de slip van | מְעִיל֖וֹ (meilo) = zijn mantel | וַיִּקָּרַֽע (vayiqara) = en die scheurde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעִיל (me’il), ‘mantel’: een lang bovenkleed, ook van Samuël (1 Sam. 2:19). Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat geen naam bij ‘greep’. Wij lezen Saul als onderwerp en noemen hem erbij. Dat past bij 15:28: de gescheurde mantel is een teken voor het koningschap van Saul. Het kan ook zijn dat Samuël zijn eigen mantel greep. Het Hebreeuws laat dit open. Zie ook: 1 Sam 2:19; 1 Kon 11:30–31 **15:28** Samuël zei tegen hem: „Yahweh heeft het koningschap over Israël vandaag van je afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan je naaste, die beter is dan jij. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tegen hem | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | קָרַ֨ע (qara) = heeft gescheurd | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | מַמְלְכ֧וּת (mamlekhut) = het koningschap van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מֵעָלֶ֖יךָ (mealeikha) = van je weg | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וּנְתָנָ֕הּ (unetanah) = en heeft het gegeven | לְרֵעֲךָ֖ (lereakha) = aan je naaste | הַטּ֥וֹב (hatov) = die beter is | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = dan jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַמְלְכוּת (mamlechut), ‘koningschap’: een zeldzame vorm van het woord voor ‘koninkrijk’. Zie ook 1 Sam. 13:14. Zie ook: 1 Sam 13:14; 1 Sam 28:17–18; Jer 27:5–6; Hand 13:22; Rom 13:1 **15:29** Ook liegt de Standvastige van Israël niet en heeft Hij geen spijt. Want Hij is geen mens, dat Hij spijt zou hebben.” Brontekst: וְגַם֙ (vegam) = en ook | נֵ֣צַח (netsach) = de Standvastige van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | יְשַׁקֵּ֖ר (yeshaqer) = liegt | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִנָּחֵ֑ם (yinachem) = heeft spijt | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | אָדָ֛ם (adam) = mens | ה֖וּא (hu) = Hij | לְהִנָּחֵֽם (lehinachem) = om spijt te hebben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵצַח (netsach), ‘de Standvastige’: het woord betekent ‘duur’, ‘blijvend’ en ook ‘overwinning’. Het is hier een titel van Yahweh. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : נָחַם (nacham), ‘spijt hebben’: hetzelfde werkwoord als in 15:11 en 15:35. Hier staat het in de ontkenning: Hij heeft geen spijt, want Hij is geen mens. Zie ook: Num 23:19; Ezech 24:14; Tit 1:2; 2 Tim 2:13; Heb 6:18 **15:30** Hij zei: „Ik heb gezondigd. Eer mij toch voor de oudsten van mijn volk en voor Israël. Keer met mij terug, dan zal ik mij neerbuigen voor Yahweh, jouw Elohim.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חָטָ֔אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | עַתָּ֗ה (ata) = nu | כַּבְּדֵ֥נִי (kabedeni) = eer mij | נָ֛א (na) = toch | נֶ֥גֶד (neged) = voor | זִקְנֵֽי (ziqnei) = de oudsten van | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | וְנֶ֣גֶד (veneged) = en voor | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְשׁ֣וּב (veshuv) = en keer terug | עִמִּ֔י (imi) = met mij | וְהִֽשְׁתַּחֲוֵ֖יתִי (vehishtachaveiti) = en ik zal mij neerbuigen | לַֽיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = jouw Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 29:13; Luc 18:9–14; Joh 5:44; Joh 12:43; 2 Tim 3:5 **15:31** Samuël keerde terug, achter Saul aan, en Saul boog zich neer voor Yahweh. Brontekst: וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en keerde terug | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיִּשְׁתַּ֥חוּ (vayishtachu) = en boog zich neer | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Agag wordt gedood **15:32** Samuël zei: „Breng Agag, de koning van Amalek, bij mij.” Agag ging onbezorgd naar hem toe. Agag zei: „Waarlijk, de bitterheid van de dood is geweken.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | הַגִּ֤ישׁוּ (hagishu) = breng hier | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | אֶת (et) = (obj.) | אֲגַג֙ (agag) = Agag | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | עֲמָלֵ֔ק (amaleq) = Amalek | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | אֲגַ֖ג (agag) = Agag | מַעֲדַנֹּ֑ת (maadanot) = onbezorgd | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲגָ֔ג (agag) = Agag | אָכֵ֖ן (akhen) = waarlijk | סָ֥ר (sar) = is geweken | מַר (mar) = de bitterheid van | הַמָּֽוֶת (hamavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲדַנֹּת (ma’adannot): een zeldzaam woord. Het kan ‘onbezorgd’, ‘vrolijk’ of ‘in boeien’ betekenen. De betekenis is niet zeker. Wij kiezen ‘onbezorgd’. Zie ook: Jer 48:44; 1 Tess 5:3; Openb 18:7 **15:33** Samuël zei: „Zoals jouw zwaard vrouwen kinderloos heeft gemaakt, zo zal jouw moeder kinderloos worden onder de vrouwen.” En Samuël hakte Agag in stukken voor het aangezicht van Yahweh in Gilgal. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | שִׁכְּלָ֤ה (shikela) = heeft kinderloos gemaakt | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | חַרְבֶּ֔ךָ (charbekha) = jouw zwaard | כֵּן (ken) = zo | תִּשְׁכַּ֥ל (tishkal) = zal kinderloos worden | מִנָּשִׁ֖ים (minashim) = onder de vrouwen | אִמֶּ֑ךָ (imekha) = jouw moeder | וַיְשַׁסֵּ֨ף (vayshasef) = en hakte in stukken | שְׁמוּאֵ֧ל (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | אֲגָ֛ג (agag) = Agag | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּגִּלְגָּֽל (bagilgal) = in Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שִׁסֵּף (sjissef), ‘in stukken hakken’: een woord dat alleen hier voorkomt. Het gaat om doden door hakken. Zie ook: Gen 9:6; Re 1:7; Mat 7:2; Openb 16:6; Openb 18:6 ### Samuël en Saul gaan uiteen **15:34** Samuël ging naar Rama. Saul ging op naar zijn huis, naar Gibea van Saul. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | הָרָמָ֑תָה (haramata) = naar Rama | וְשָׁא֛וּל (veshaul) = en Saul | עָלָ֥ה (ala) = ging op | אֶל (el) = naar | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | גִּבְעַ֥ת (givat) = Gibea van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama (Ramataim-Zofim, 1 Sam. 1:1) lag in het bergland van Efraïm, ten noorden van Jeruzalem. De juiste plek is onzeker. Gibea van Saul is Gibea in Benjamin, waarschijnlijk Tell el-Ful. Zie ook: 1 Sam 1:1; 1 Sam 7:17; 1 Sam 11:4 **15:35** Samuël zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood, want Samuël rouwde om Saul. En Yahweh had spijt dat Hij Saul koning over Israël had gemaakt. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָסַ֨ף (yasaf) = voegde toe | שְׁמוּאֵ֜ל (shemuel) = Samuël | לִרְא֤וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | עַד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = de dag van | מוֹת֔וֹ (moto) = zijn dood | כִּֽי (ki) = want | הִתְאַבֵּ֥ל (hitabel) = rouwde | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = om | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיהוָ֣ה (vaYahweh) = en Yahweh | נִחָ֔ם (nicham) = had spijt | כִּֽי (ki) = dat | הִמְלִ֥יךְ (himlikh) = Hij koning maakte | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָאָה (ra’a), ‘zien’: het gaat om ontmoeten. In 1 Sam. 19:22–24 is Saul wel in de buurt van Samuël. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Gen 6:6; 1 Sam 15:11; 1 Sam 16:1; 1 Sam 19:22–24; 1 Sam 19:24; Jer 8:23–9:1 ## 1 Samuël 16 _David wordt gezalfd; hij komt bij Saul_ ### Yahweh stuurt Samuël naar Isaï **16:1** Yahweh zei tegen Samuël: **„Hoelang rouw jij nog om Saul, terwijl Ik hem heb verworpen als koning over Israël? Vul je hoorn met olie en ga. Ik stuur je naar Isaï, de Betlehemiet. Want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | עַד (ad) = tot | מָתַי֙ (matay) = wanneer | אַתָּה֙ (ata) = jij | מִתְאַבֵּ֣ל (mitabel) = rouwt | אֶל (el) = om | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | מְאַסְתִּ֔יו (meastiv) = heb hem verworpen | מִמְּלֹ֖ךְ (mimelokh) = als koning | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מַלֵּ֨א (male) = vul | קַרְנְךָ֜ (qarnekha) = je hoorn | שֶׁ֗מֶן (shemen) = met olie | וְלֵ֤ךְ (velekh) = en ga | אֶֽשְׁלָחֲךָ֙ (eshlachakha) = Ik zal je sturen | אֶל (el) = naar | יִשַׁ֣י (yishay) = Isaï | בֵּֽית (beit) = Bet | הַלַּחְמִ֔י (halachmi) = de Lechemiet | כִּֽי (ki) = want | רָאִ֧יתִי (raiti) = Ik heb gezien | בְּבָנָ֛יו (bevanav) = onder zijn zonen | לִ֖י (li) = voor Mij | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem is het huidige Bethlehem, ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Isaï is de kleinzoon van Boaz en Ruth; zie Ruth 4:17–22. Voetnoot Uitleg: קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: een dierenhoorn waarin olie werd bewaard, zoals in 1 Kon. 1:39. Voetnoot : רָאִיתִי (ra’iti), ‘Ik heb gezien’: ‘zien’ betekent hier uitkiezen: Yahweh heeft zich uit de zonen van Isaï een koning uitgezocht. Wij houden het woord ‘gezien’, omdat het in 16:7 belangrijk is. Voetnoot : De woorden van Yahweh in 16:1–3, 16:7 en 16:12 staan rood. Samuëls eigen woorden in 16:2 en 16:4–5 staan zwart. Zie ook: Ruth 4:17–22; 1 Sam 15:23; 1 Sam 15:26; 1 Sam 15:35; Ps 78:68–71; 1 Kon 1:39; 2 Kon 9:1 **16:2** Samuël zei: „Hoe kan ik gaan? Saul zal het horen en mij doden.” Yahweh zei: **„Neem een jonge koe van het rund in je hand en zeg: ‘Ik ben gekomen om aan Yahweh te offeren.’** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | אֵלֵ֔ךְ (elekh) = kan ik gaan | וְשָׁמַ֥ע (veshama) = en zal horen | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | וַהֲרָגָ֑נִי (vaharagani) = en doodt mij | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עֶגְלַ֤ת (eglat) = een jonge koe van | בָּקָר֙ (baqar) = het rund | תִּקַּ֣ח (tiqach) = neem | בְּיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in je hand | וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en zeg | לִזְבֹּ֥חַ (lizboach) = om te offeren | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | בָּֽאתִי (bati) = ben ik gekomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh draagt Samuël op een offer te brengen. Het offer vindt echt plaats (16:5). Het Hebreeuws zegt ‘een jonge koe van het rund’ (עֶגְלַת בָּקָר, eglat baqar). Zie ook: 1 Sam 9:12; 1 Sam 20:29; 1 Kon 18:9–14; Mat 10:16; Luc 1:34 **16:3** **Roep Isaï bij het slachtoffer. Dan laat Ik je weten wat je moet doen. Je moet voor Mij zalven wie Ik je zal noemen.”** Brontekst: וְקָרָ֥אתָ (veqarata) = en roep | לְיִשַׁ֖י (leyishay) = Isaï | בַּזָּ֑בַח (bazavach) = bij het slachtoffer | וְאָֽנֹכִ֗י (veanokhi) = en Ik | אוֹדִֽיעֲךָ֙ (odiakha) = zal je laten weten | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶֽׁר (asher) = wat | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = je moet doen | וּמָשַׁחְתָּ֣ (umashachta) = en zalf | לִ֔י (li) = voor Mij | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | אֹמַ֖ר (omar) = Ik zal zeggen | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:15; 1 Sam 9:16; 1 Sam 16:12–13; 2 Sam 15:11; Hand 9:6 ### Samuël in Betlehem **16:4** Samuël deed wat Yahweh had gesproken en kwam in Betlehem. De oudsten van de stad kwamen bevend naar hem toe en zeiden: „Komt u in vrede?” Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | בֵּ֣ית (beit) = Bet | לָ֑חֶם (lachem) = Lechem | וַיֶּחֶרְד֞וּ (vayecherdu) = en beefden | זִקְנֵ֤י (ziqnei) = de oudsten van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | לִקְרָאת֔וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zeiden | שָׁלֹ֥ם (shalom) = vrede | בּוֹאֶֽךָ (boekha) = uw komst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: וַיֶּחֶרְדוּ (wayecheredu), ‘zij beefden’: de oudsten van de stad waren bang voor Samuël. Zij vroegen of hij in vrede kwam. Voetnoot : Het Hebreeuws gebruikt het enkelvoud ‘hij zei’; wij vertalen het als meervoud, omdat de oudsten spreken. Zie ook: 1 Sam 21:2; 1 Kron 12:18–19; 1 Kon 2:13; 2 Kon 9:22; Luc 5:8 **16:5** Hij zei: „In vrede. Ik ben gekomen om aan Yahweh te offeren. Heilig jullie en kom met mij mee naar het slachtoffer.” Hij heiligde Isaï en zijn zonen en riep hen bij het slachtoffer. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁל֗וֹם (shalom) = vrede | לִזְבֹּ֤חַ (lizboach) = om te offeren | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | בָּ֔אתִי (bati) = ben ik gekomen | הִֽתְקַדְּשׁ֔וּ (hitqadeshu) = heilig jullie | וּבָאתֶ֥ם (uvatem) = en kom | אִתִּ֖י (iti) = met mij | בַּזָּ֑בַח (bazavach) = bij het slachtoffer | וַיְקַדֵּ֤שׁ (vayqadesh) = en heiligde | אֶת (et) = (obj.) | יִשַׁי֙ (yishay) = Isaï | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | לָהֶ֖ם (lahem) = hen | לַזָּֽבַח (lazavach) = bij het slachtoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:10; Ex 19:14–15; Lev 20:7–8; Joz 3:5; Joz 7:13 **16:6** Toen zij kwamen, zag hij Eliab. Hij zei: „Zeker, voor het aangezicht van Yahweh staat Zijn gezalfde.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בְּבוֹאָ֔ם (bevoam) = toen zij kwamen | וַיַּ֖רְא (vayar) = en hij zag | אֶת (et) = (obj.) | אֱלִיאָ֑ב (eliav) = Eliab | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | אַ֛ךְ (akh) = zeker | נֶ֥גֶד (neged) = voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְשִׁיחֽוֹ (meshicho) = Zijn gezalfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיחוֹ (meshicho), ‘Zijn gezalfde’: de gezalfde van Yahweh. Eliab is de oudste zoon van Isaï (1 Sam. 17:13). Zie ook: Re 8:18; 1 Sam 17:13; 1 Sam 17:22; 1 Kron 2:13; 1 Kron 27:18 ### „Yahweh ziet naar het hart” **16:7** Yahweh zei tegen Samuël: **„Kijk niet naar zijn uiterlijk en niet naar zijn lange gestalte. Want Ik heb hem verworpen. Want niet zoals de mens ziet, ziet Yahweh. Want de mens ziet wat voor ogen is, maar Yahweh ziet naar het hart.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | שְׁמוּאֵ֗ל (shemuel) = Samuël | אַל (al) = niet | תַּבֵּ֧ט (tabet) = kijk | אֶל (el) = naar | מַרְאֵ֛הוּ (marehu) = zijn uiterlijk | וְאֶל (veel) = en naar | גְּבֹ֥הַּ (gevoha) = de hoogte van | קוֹמָת֖וֹ (qomato) = zijn gestalte | כִּ֣י (ki) = want | מְאַסְתִּ֑יהוּ (meastihu) = Ik heb hem verworpen | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֗א (lo) = niet | אֲשֶׁ֤ר (asher) = zoals | יִרְאֶה֙ (yire) = ziet | הָאָדָ֔ם (haadam) = de mens | כִּ֤י (ki) = want | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | יִרְאֶ֣ה (yire) = ziet | לַעֵינַ֔יִם (laeinayim) = naar de ogen | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = maar Yahweh | יִרְאֶ֥ה (yire) = ziet | לַלֵּבָֽב (lalevav) = naar het hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘de mens ziet naar de ogen’ (לַעֵינַיִם, la’einayim) en ‘Yahweh ziet naar het hart’ (לַלֵּבָב, lalevav). Het hart is in het Hebreeuws de plaats van denken en willen. Wij houden ‘zien’ steeds hetzelfde. Zie ook: Jes 55:8–9; Jer 17:10; Luc 16:15; Joh 7:24; 1 Petr 3:4 **16:8** Isaï riep Abinadab en liet hem voor Samuël langsgaan. Hij zei: „Ook deze heeft Yahweh niet uitgekozen.” Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | יִשַׁי֙ (yishay) = Isaï | אֶל (el) = tot | אֲבִ֣ינָדָ֔ב (avinadav) = Abinadab | וַיַּעֲבִרֵ֖הוּ (vayaavirehu) = en liet hem langsgaan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | גַּם (gam) = ook | בָּזֶ֖ה (baze) = deze | לֹֽא (lo) = niet | בָחַ֥ר (bachar) = heeft uitgekozen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:13; 1 Kron 2:13 **16:9** Isaï liet Samma langsgaan. Hij zei: „Ook deze heeft Yahweh niet uitgekozen.” Brontekst: וַיַּעֲבֵ֥ר (vayaaver) = en liet langsgaan | יִשַׁ֖י (yishay) = Isaï | שַׁמָּ֑ה (shama) = Samma | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | גַּם (gam) = ook | בָּזֶ֖ה (baze) = deze | לֹא (lo) = niet | בָחַ֥ר (bachar) = heeft uitgekozen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Samma (שַׁמָּה, Sjamma) is een zoon van Isaï, de derde. Zie ook 1 Sam. 17:13. Zie ook: 1 Sam 17:13; 2 Sam 13:3; 1 Kron 2:13 **16:10** Isaï liet zeven van zijn zonen voor Samuël langsgaan. Samuël zei tegen Isaï: „Yahweh heeft hen niet uitgekozen.” Brontekst: וַיַּעֲבֵ֥ר (vayaaver) = en liet langsgaan | יִשַׁ֛י (yishay) = Isaï | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | יִשַׁ֔י (yishay) = Isaï | לֹא (lo) = niet | בָחַ֥ר (bachar) = heeft uitgekozen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּאֵֽלֶּה (baele) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 2:13–15 ### De jongste zoon **16:11** Samuël zei tegen Isaï: „Zijn dit alle jongens?” Hij zei: „Er is nog de jongste. Zie, hij hoedt de kudde.” Samuël zei tegen Isaï: „Stuur iemand en laat hem halen. Want wij gaan niet zitten tot hij hier komt.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֣ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | יִשַׁי֮ (yishay) = Isaï | הֲתַ֣מּוּ (hatamu) = zijn ze compleet | הַנְּעָרִים֒ (hanearim) = de jongens | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | ע֚וֹד (od) = nog | שָׁאַ֣ר (shaar) = is overgebleven | הַקָּטָ֔ן (haqatan) = de jongste | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | רֹעֶ֖ה (roe) = hij hoedt | בַּצֹּ֑אן (batson) = de kudde | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֤ל (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tegen | יִשַׁי֙ (yishay) = Isaï | שִׁלְחָ֣ה (shilcha) = stuur | וְקָחֶ֔נּוּ (veqachenu) = en laat hem halen | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | נָסֹ֖ב (nasov) = gaan wij zitten | עַד (ad) = totdat | בֹּא֥וֹ (boo) = hij komt | פֹֽה (po) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתַּמּוּ (hatammu), ‘zijn ze compleet’: zijn alle jongens hier? Het Hebreeuws gebruikt het werkwoord ‘voltooid zijn’. Voetnoot : נָסֹב (nasov), ‘gaan zitten’: ‘rondgaan’ of ‘aan tafel gaan’, rond het slachtofferfeest. Zij gaan pas zitten als David er is. Zie ook: 1 Sam 17:28; 2 Sam 7:8; 2 Sam 13:3; 1 Kron 17:7; Ps 78:70–71 **16:12** Isaï stuurde iemand en liet hem brengen. Hij was roodachtig, met mooie ogen en een goed uiterlijk. Yahweh zei: **„Sta op, zalf hem, want dit is hij.”** Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | וַיְבִיאֵ֨הוּ֙ (vayviehu) = en liet hem brengen | וְה֣וּא (vehu) = en hij | אַדְמוֹנִ֔י (admoni) = roodachtig | עִם (im) = met | יְפֵ֥ה (yefe) = mooi van | עֵינַ֖יִם (einayim) = ogen | וְט֣וֹב (vetov) = en goed | רֹ֑אִי (roi) = om te zien | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | ק֥וּם (qum) = sta op | מְשָׁחֵ֖הוּ (meshachehu) = zalf hem | כִּֽי (ki) = want | זֶ֥ה (ze) = deze | הֽוּא (hu) = is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַדְמוֹנִי (admoni), ‘roodachtig’: rossig van haar of van huid. Dit wordt ook van Ezau gezegd (Gen. 25:25). Voetnoot : Het Hebreeuws noemt de naam van de jongste zoon nog niet. Hij wordt pas in 16:13 ‘David’ genoemd. Zie ook: Gen 25:25; 1 Sam 9:17; 1 Sam 17:42; Ps 89:20–21; Hoogl 5:10; Klaagl 4:7 ### David wordt gezalfd **16:13** Samuël nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. De Geest van Yahweh kwam krachtig over David, vanaf die dag en verder. Samuël stond op en ging naar Rama. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | שְׁמוּאֵ֜ל (shemuel) = Samuël | אֶת (et) = (obj.) | קֶ֣רֶן (qeren) = de hoorn van | הַשֶּׁ֗מֶן (hashemen) = de olie | וַיִּמְשַׁ֣ח (vayimshach) = en zalfde | אֹתוֹ֮ (oto) = hem | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = te midden van | אֶחָיו֒ (echav) = zijn broers | וַתִּצְלַ֤ח (vatitslach) = en kwam krachtig | רֽוּחַ (ruach) = de Geest van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | דָּוִ֔ד (david) = David | מֵהַיּ֥וֹם (mehayom) = vanaf de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en verder | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | הָרָמָֽתָה (haramata) = naar Rama Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Voetnoot Uitleg: וַתִּצְלַח (wattitslach), ‘kwam krachtig’: van het werkwoord צָלַח (tsalach). Het werd ook gezegd van Simson (Richt. 14:6) en van Saul (1 Sam. 10:6). Voetnoot : Het zalven met olie is hier een teken van de uitverkiezing. David wordt in 16:13 gezalfd, maar hij wordt pas veel later koning (2 Sam. 2:4; 5:3). Zie ook: Re 11:29; Re 14:6; 1 Sam 10:1; 1 Sam 10:6; 2 Sam 2:4; 2 Sam 5:3; Joh 3:34; Heb 1:9 ### Een boze geest van Yahweh bij Saul **16:14** De Geest van Yahweh week van Saul, en een boze geest van Yahweh joeg hem schrik aan. Brontekst: וְר֧וּחַ (veruach) = en de Geest van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | סָ֖רָה (sara) = week | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וּבִֽעֲתַ֥תּוּ (uviatatu) = en joeg schrik aan hem | רֽוּחַ (ruach) = een geest | רָעָ֖ה (raa) = boze | מֵאֵ֥ת (meet) = van bij | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ רָעָה מֵאֵת יְהוָה (ruach ra’a me’et Yahweh), ‘een boze geest van Yahweh’: een boze geest die van Yahweh komt. Het Hebreeuws zegt niet meer over wat voor wezen het is. Wij vertalen letterlijk. Hetzelfde woord רָעָה (ra’a) kan ook ‘kwaad’ of ‘ellendig’ betekenen. Zie ook Richt. 9:23. Voetnoot : בִּעֲתַתּוּ (bi’atatu), ‘joeg hem schrik aan’: een angst die Saul overviel. Zie ook: Re 9:23; Re 16:20; 1 Sam 18:12; 1 Sam 28:15; Ps 51:13 **16:15** De dienaren van Saul zeiden tegen hem: „Zie toch, een boze geest van Elohim jaagt u schrik aan. Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | עַבְדֵֽי (avdei) = de dienaren van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֵלָ֑יו (elav) = tegen hem | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֧א (na) = toch | רֽוּחַ (ruach) = een geest van | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | רָעָ֖ה (raa) = boze | מְבַעִתֶּֽךָ (mevaitekha) = jaagt u schrik aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 16:15–16 zeggen de dienaren ‘een boze geest van Elohim’. In 16:14 staat ‘van Yahweh’. Wij vertalen steeds zoals het Hebreeuws zegt. **16:16** Laat onze heer toch zeggen dat uw dienaren, die voor u staan, een man zoeken die kan spelen op de lier. Als de boze geest van Elohim over u komt, zal hij met zijn hand spelen, en het zal goed met u zijn.” Brontekst: יֹאמַר (yomar) = laat zeggen | נָ֤א (na) = toch | אֲדֹנֵ֨נוּ֙ (adonenu) = onze heer | עֲבָדֶ֣יךָ (avadeikha) = uw dienaren | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor u | יְבַקְשׁ֕וּ (yevaqshu) = zij zoeken | אִ֕ישׁ (ish) = een man | יֹדֵ֖עַ (yodea) = die kan | מְנַגֵּ֣ן (menagen) = spelen | בַּכִּנּ֑וֹר (bakinor) = op de lier | וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בִּֽהְי֨וֹת (bihyot) = als er is | עָלֶ֤יךָ (aleikha) = over u | רֽוּחַ (ruach) = een geest van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | רָעָ֔ה (raa) = boze | וְנִגֵּ֥ן (venigen) = dan zal hij spelen | בְּיָד֖וֹ (beyado) = met zijn hand | וְט֥וֹב (vetov) = en goed | לָֽךְ (lakh) = voor u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’: een snaarinstrument dat men met de hand bespeelt (16:23). Zie ook: 1 Sam 16:21–23; 1 Sam 18:10; 1 Sam 19:9; 1 Kon 10:8; 2 Kon 3:15 **16:17** Saul zei tegen zijn dienaren: „Zoek voor mij toch een man die goed kan spelen en breng hem bij mij.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | רְאוּ (reu) = zoek | נָ֣א (na) = toch | לִ֗י (li) = voor mij | אִ֚ישׁ (ish) = een man | מֵיטִ֣יב (meitiv) = die goed is | לְנַגֵּ֔ן (lenagen) = in spelen | וַהֲבִיאוֹתֶ֖ם (vahaviotem) = en breng hem | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘breng hen’ (וַהֲבִיאוֹתֶם). Wij vertalen ‘breng hem’, omdat het om één man gaat. ### David komt bij Saul **16:18** Een van de jongens antwoordde: „Zie, ik heb een zoon van Isaï, de Betlehemiet, gezien. Hij kan spelen. Hij is een krachtige held en een man van de oorlog, verstandig in spreken en mooi van gedaante. En Yahweh is met hem.” Brontekst: וַיַּעַן֩ (vayaan) = en antwoordde | אֶחָ֨ד (echad) = een | מֵהַנְּעָרִ֜ים (mehanearim) = van de jongens | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | רָאִ֜יתִי (raiti) = ik heb gezien | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | לְיִשַׁי֮ (leyishay) = van Isaï | בֵּ֣ית (beit) = Bet | הַלַּחְמִי֒ (halachmi) = de Lechemiet | יֹדֵ֣עַ (yodea) = die weet | נַ֠גֵּן (nagen) = te spelen | וְגִבּ֨וֹר (vegibor) = en een held van | חַ֜יִל (chayil) = kracht | וְאִ֧ישׁ (veish) = en een man van | מִלְחָמָ֛ה (milchama) = oorlog | וּנְב֥וֹן (unevon) = en verstandig van | דָּבָ֖ר (davar) = spraak | וְאִ֣ישׁ (veish) = en een man van | תֹּ֑אַר (toar) = gedaante | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘krachtige held’: een dappere man. Zie ook Ruth 2:1. Voetnoot : אִישׁ תֹּאַר (isj to’ar), ‘mooi van gedaante’: letterlijk ‘man van gedaante’. Zie ook: Gen 39:2; Gen 39:23; Ruth 2:1; 1 Sam 3:19; 1 Sam 10:7; 1 Sam 17:32–36 **16:19** Saul stuurde boden naar Isaï en zei: „Stuur je zoon David, die bij de kudde is, naar mij.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en stuurde | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | מַלְאָכִ֖ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | יִשָׁ֑י (yishay) = Isaï | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁלְחָ֥ה (shilcha) = stuur | אֵלַ֛י (elay) = naar mij | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֥ד (david) = David | בִּנְךָ֖ (binkha) = je zoon | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בַּצֹּֽאן (batson) = bij de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 16:11; 1 Sam 17:15; Ps 78:70–72; 1 Kon 19:19; Mat 4:18–22 **16:20** Isaï nam een ezel met brood, een zak wijn en één geitenbokje. Hij stuurde die met zijn zoon David naar Saul. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | יִשַׁ֜י (yishay) = Isaï | חֲמ֥וֹר (chamor) = een ezel | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = brood | וְנֹ֣אד (venod) = en een zak van | יַ֔יִן (yayin) = wijn | וּגְדִ֥י (ugedi) = en een bokje van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | אֶחָ֑ד (echad) = één | וַיִּשְׁלַ֛ח (vayishlach) = en stuurde | בְּיַד (beyad) = door de hand van | דָּוִ֥ד (david) = David | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אֶל (el) = naar | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:11; 1 Sam 10:27; 1 Sam 17:18; 1 Sam 25:18; Spr 18:16 **16:21** David kwam bij Saul en stond voor hem. Saul kreeg hem zeer lief, en hij werd zijn wapendrager. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | דָוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = naar | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַֽיַּעֲמֹ֖ד (vayaamod) = en stond | לְפָנָ֑יו (lefanav) = voor hem | וַיֶּאֱהָבֵ֣הֽוּ (vayeehavehu) = en hij kreeg hem lief | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַֽיְהִי (vayhi) = en hij werd | ל֖וֹ (lo) = voor hem | נֹשֵׂ֥א (nose) = drager van | כֵלִֽים (kelim) = wapens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹשֵׂא כֵלִים (nose kelim), ‘wapendrager’: letterlijk ‘drager van gerei’. Hetzelfde woord als in 14:1. Zie ook: Gen 41:46; Deut 10:8; Ps 118:9; Ps 146:3; Spr 22:29 **16:22** Saul stuurde naar Isaï en zei: „Laat David voor mij blijven staan, want hij heeft gunst gevonden in mijn ogen.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = naar | יִשַׁ֖י (yishay) = Isaï | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יַעֲמָד (yaamad) = laat staan | נָ֤א (na) = toch | דָוִד֙ (david) = David | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor mij | כִּֽי (ki) = want | מָ֥צָא (matsa) = heeft gevonden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינָֽי (beeinay) = in mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵן (chen), ‘gunst’: wij houden de vaste weergave. **16:23** Telkens wanneer de geest van Elohim over Saul kwam, nam David de lier en speelde met zijn hand. Dan kreeg Saul ruimte, het ging goed met hem, en de boze geest week van hem. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בִּֽהְי֤וֹת (bihyot) = als er is | רֽוּחַ (ruach) = een geest van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = over | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וְלָקַ֥ח (velaqach) = en nam | דָּוִ֛ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הַכִּנּ֖וֹר (hakinor) = de lier | וְנִגֵּ֣ן (venigen) = en speelde | בְּיָד֑וֹ (beyado) = met zijn hand | וְרָוַ֤ח (veravach) = en kreeg ruimte | לְשָׁאוּל֙ (leshaul) = voor Saul | וְט֣וֹב (vetov) = en goed | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וְסָ֥רָה (vesara) = en week | מֵעָלָ֖יו (mealav) = van hem | ר֥וּחַ (ruach) = de geest | הָרָעָֽה (haraa) = de boze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְרָוַח (werawach), ‘kreeg ruimte’: van רֶוַח (revach), ‘ruimte’, ‘adempauze’, ‘verlichting’. Zie ook Exod. 8:11. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘de geest van Elohim’ zonder het woord ‘boze’. Het verband met 16:15–16 en het slot van dit vers laat zien dat het de boze geest is. Wij vertalen zoals het Hebreeuws is. Zie ook: Ex 8:11; 1 Sam 16:14–16; 1 Sam 18:10–11; Mat 12:43–45; Luc 11:24–26 ## 1 Samuël 17 _David en Goliat_ ### De Filistijnen en Israël tegenover elkaar **17:1** De Filistijnen verzamelden hun legers voor de oorlog. Zij verzamelden zich bij Soko, dat bij Juda hoort. Zij legerden zich tussen Soko en Azeka, bij Efes-Dammim. Brontekst: וַיַּאַסְפ֨וּ (vayaasfu) = en ze verzamelden | פְלִשְׁתִּ֤ים (pelishtim) = Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | מַֽחֲנֵיהֶם֙ (machaneihem) = hun legers | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = voor de oorlog | וַיֵּאָ֣סְפ֔וּ (vayeasefu) = en ze verzamelden zich | שֹׂכֹ֖ה (sokho) = Soko | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לִיהוּדָ֑ה (lihuda) = van Juda | וַֽיַּחֲנ֛וּ (vayachanu) = en ze legerden zich | בֵּין (bein) = tussen | שׂוֹכֹ֥ה (sokho) = Soko | וּבֵין (uvein) = en tussen | עֲזֵקָ֖ה (azeqa) = Azeka | בְּאֶ֥פֶס (beefes) = in Efes | דַּמִּֽים (damim) = Dammim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Soko ligt bij Khirbet Shuweikeh, in het Judese heuvelland (Israël). Azeka is Tel Zakariya (Israël). Efes-Dammim, ‘einde van bloed’, ligt tussen die twee plaatsen. De precieze plek is onzeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Joz 10:10–11; Joz 15:35; 1 Sam 13:5; 1 Kron 11:13; 2 Kron 28:18 **17:2** Saul en de mannen van Israël verzamelden zich en legerden zich in het dal van Ela. Zij stelden zich in slagorde op, de Filistijnen tegemoet. Brontekst: וְשָׁא֤וּל (veshaul) = en Saul | וְאִֽישׁ (veish) = en de mannen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | נֶאֶסְפ֔וּ (neesfu) = werden verzameld | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en ze legerden zich | בְּעֵ֣מֶק (beemeq) = in het dal van | הָאֵלָ֑ה (haela) = Ela | וַיַּעַרְכ֥וּ (vayaarkhu) = en ze stelden op | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | לִקְרַ֥את (liqrat) = tegemoet | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Ela is het huidige Wadi es-Sant, in het Judese heuvelland (Israël). Zie Dal van Ela: Het dal van Ela (Wadi es-Sant) ligt in de Sefela, ten westen van Betlehem. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אֵלָה (elah), ‘terebint’: een grote boom. Het dal heet naar die boom. Zie ook: 1 Sam 17:19; 1 Sam 21:10 **17:3** De Filistijnen stonden op de berg aan de ene kant. Israël stond op de berg aan de andere kant. Het dal lag tussen hen in. Brontekst: וּפְלִשְׁתִּ֞ים (ufelishtim) = en Filistijnen | עֹמְדִ֤ים (omedim) = staand | אֶל (el) = op | הָהָר֙ (hahar) = de berg | מִזֶּ֔ה (mize) = aan deze kant | וְיִשְׂרָאֵ֛ל (veyisrael) = en Israël | עֹמְדִ֥ים (omedim) = staand | אֶל (el) = op | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | מִזֶּ֑ה (mize) = aan gene kant | וְהַגַּ֖יְא (vehagay) = en het dal | בֵּינֵיהֶֽם (beineihem) = tussen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. ### Goliat daagt Israël uit **17:4** Uit de legerplaatsen van de Filistijnen kwam een kampioen naar voren. Zijn naam was Goliat, uit Gat. Hij was zes el en een span lang. Brontekst: וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en hij kwam naar buiten | אִֽישׁ (ish) = een man van | הַבֵּנַ֨יִם֙ (habenayim) = de tussenruimte | מִמַּחֲנ֣וֹת (mimachanot) = uit de legerplaatsen van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | גָּלְיָ֥ת (galeyat) = Goliat | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | מִגַּ֑ת (migat) = uit Gat | גָּבְה֕וֹ (gaveho) = zijn lengte | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | אַמּ֖וֹת (amot) = el | וָזָֽרֶת (vazaret) = en een span Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat is waarschijnlijk Tell es-Safi (Israël), een stad van de Filistijnen. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אִישׁ הַבֵּנַיִם (ish habbenayim), letterlijk ‘man van de tussenruimte’: de strijder die in de ruimte tussen de twee legers vecht, dus een kampioen. Voetnoot : Een el is ongeveer 45 cm en een span ongeveer 22 cm. Zes el en een span is ongeveer 2,9 meter. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst (zes el en een span). Sommige oude vertalingen hebben hier een kleiner getal. Zie ook: Deut 3:11; Joz 11:22; 1 Sam 17:23; 2 Sam 21:16–22; 1 Kron 20:4–8 **17:5** Op zijn hoofd had hij een bronzen helm. Hij droeg een schubbenpantser. Het pantser woog 5.000 sikkel brons. Brontekst: וְכ֤וֹבַע (vekhova) = en een helm van | נְחֹ֨שֶׁת֙ (nechoshet) = brons | עַל (al) = op | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְשִׁרְי֥וֹן (veshiryon) = en een pantser van | קַשְׂקַשִּׂ֖ים (qasqasim) = schubben | ה֣וּא (hu) = hij | לָב֑וּשׁ (lavush) = gekleed | וּמִשְׁקַל֙ (umishqal) = en het gewicht van | הַשִּׁרְי֔וֹן (hashiryon) = het pantser | חֲמֵשֶׁת (chameshet) = vijf | אֲלָפִ֥ים (alafim) = duizend | שְׁקָלִ֖ים (sheqalim) = sikkel | נְחֹֽשֶֽׁת (nechoshet) = brons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. 5.000 sikkel is ongeveer 57 kilo. **17:6** Hij had bronzen beenplaten om zijn benen en een bronzen werpspies tussen zijn schouders. Brontekst: וּמִצְחַ֥ת (umitschat) = en beenplaten van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = brons | עַל (al) = op | רַגְלָ֑יו (raglav) = zijn benen | וְכִיד֥וֹן (vekhidon) = en een werpspies van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = brons | בֵּ֥ין (bein) = tussen | כְּתֵפָֽיו (ketefav) = zijn schouders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּידוֹן (kidon), ‘werpspies’: een korter wapen dat op de rug werd gedragen of geworpen. De betekenis is niet helemaal zeker. Het kan ook een kromzwaard zijn. Het woord staat ook in vers 45. Zie ook: 1 Sam 17:45; 1 Kon 10:16; 2 Kron 9:15 **17:7** De schacht van zijn speer was als een weversbalk. De punt van zijn speer woog 600 sikkel ijzer. De man die zijn schild droeg, liep voor hem uit. Brontekst: וְעֵ֣ץ (veets) = en de schacht van | חֲנִית֗וֹ (chanito) = zijn speer | כִּמְנוֹר֙ (kimnor) = als een balk van | אֹֽרְגִ֔ים (oregim) = wevers | וְלַהֶ֣בֶת (velahevet) = en de punt van | חֲנִית֔וֹ (chanito) = zijn speer | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | שְׁקָלִ֖ים (sheqalim) = sikkel | בַּרְזֶ֑ל (barzel) = ijzer | וְנֹשֵׂ֥א (venose) = en dragend | הַצִּנָּ֖ה (hatsina) = het schild | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaand | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een weversbalk is de dikke balk van een weefgetouw. Het beeld laat zien hoe zwaar de speer was. 600 sikkel is ongeveer 6,8 kilo. Voetnoot Lezing: In het geschreven Hebreeuws staat וחץ (vechets), ‘en een pijl’. De voorgelezen tekst heeft וְעֵץ (ve'ets), ‘en de schacht’. Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: 1 Sam 17:41; 2 Sam 21:19; 1 Kron 11:23; 1 Kron 20:5 **17:8** Hij ging staan en riep naar de slagorde van Israël. Hij zei tegen hen: „Waarom komen jullie naar buiten om je in slagorde op te stellen? Ben ik niet de Filistijn, en zijn jullie niet de dienaren van Saul? Kies een man uit en laat hem naar mij afdalen. Brontekst: וַֽיַּעֲמֹ֗ד (vayaamod) = en hij ging staan | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en hij riep | אֶל (el) = naar | מַעַרְכֹ֣ת (maarkhot) = de slagorde van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | לָ֥מָּה (lama) = waarom | תֵצְא֖וּ (tetseu) = komen jullie uit | לַעֲרֹ֣ךְ (laarokh) = om op te stellen | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | הֲל֧וֹא (halo) = is niet | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | הַפְּלִשְׁתִּ֗י (hapelishti) = de Filistijn | וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | עֲבָדִ֣ים (avadim) = dienaren | לְשָׁא֔וּל (leshaul) = van Saul | בְּרוּ (beru) = kiest uit | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | אִ֖ישׁ (ish) = een man | וְיֵרֵ֥ד (veyered) = en laat hem afdalen | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 8:17; 1 Sam 17:26; 2 Sam 11:11; 1 Kron 21:3 **17:9** Als hij met mij kan vechten en mij verslaat, worden wij jullie dienaren. Maar als ik hem overwin en hem versla, worden jullie onze dienaren. Dan dienen jullie ons.” Brontekst: אִם (im) = als | יוּכַ֞ל (yukhal) = hij kan | לְהִלָּחֵ֤ם (lehilachem) = vechten | אִתִּי֙ (iti) = met mij | וְהִכָּ֔נִי (vehikani) = en mij verslaat | וְהָיִ֥ינוּ (vehayinu) = dan zullen wij zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לַעֲבָדִ֑ים (laavadim) = tot dienaren | וְאִם (veim) = en als | אֲנִ֤י (ani) = ik | אֽוּכַל (ukhal) = ik overwin | לוֹ֙ (lo) = hem | וְהִכִּיתִ֔יו (vehikitiv) = en ik hem versla | וִהְיִ֤יתֶם (vihyitem) = dan zullen jullie zijn | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | לַעֲבָדִ֔ים (laavadim) = tot dienaren | וַעֲבַדְתֶּ֖ם (vaavadtem) = en jullie zullen dienen | אֹתָֽנוּ (otanu) = ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 11:1 **17:10** De Filistijn zei: „Ik hoon vandaag de slagorden van Israël. Geef mij een man, dan vechten wij samen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | אֲנִ֗י (ani) = ik | חֵרַ֛פְתִּי (cherafti) = ik hoon | אֶת (et) = (obj.) | מַעַרְכ֥וֹת (maarkhot) = de slagorden van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | תְּנוּ (tenu) = geef | לִ֣י (li) = mij | אִ֔ישׁ (ish) = een man | וְנִֽלָּחֲמָ֖ה (venilachama) = en laat ons vechten | יָֽחַד (yachad) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:7–8; 1 Sam 17:25–26; 1 Sam 17:36; 1 Sam 17:45; Neh 2:19 **17:11** Saul en heel Israël hoorden deze woorden van de Filistijn. Zij schrokken en werden zeer bang. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hij hoorde | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיֵּחַ֥תּוּ (vayechatu) = en ze schrokken | וַיִּֽרְא֖וּ (vayiru) = en ze werden bang | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:8; Joz 1:9; Spr 28:1; Jes 51:12–13; Jes 57:11 ### David en zijn broers **17:12** David was de zoon van een Efratiet uit Betlehem in Juda. Zijn naam was Isaï. Hij had acht zonen. In de dagen van Saul was die man oud en op leeftijd onder de mannen. Brontekst: וְדָוִד֩ (vedavid) = en David | בֶּן (ben) = zoon van | אִ֨ישׁ (ish) = een man | אֶפְרָתִ֜י (efrati) = Efratiet | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit Bet | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = Lechem | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּשְׁמ֣וֹ (ushemo) = en zijn naam | יִשַׁ֔י (yishay) = Isaï | וְל֖וֹ (velo) = en voor hem | שְׁמֹנָ֣ה (shemona) = acht | בָנִ֑ים (banim) = zonen | וְהָאִישׁ֙ (vehaish) = en de man | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | זָקֵ֖ן (zaqen) = oud | בָּ֥א (ba) = gekomen | בַאֲנָשִֽׁים (baanashim) = onder de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem is het huidige Bethlehem (Westelijke Jordaanoever). Een Efratiet is iemand uit Efrata, de oude naam van de streek van Betlehem. Zie Ruth 4:11 en 4:17. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen zijn in dit hoofdstuk korter dan de Masoretische tekst. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : De laatste woorden van het vers (‘gekomen onder de mannen’) zijn moeilijk. Wij nemen ze als: al op leeftijd, onder de mannen. Zie ook: Gen 35:19; Ruth 4:11; Ruth 4:17; Ruth 4:22; 1 Sam 16:10–11; 1 Sam 16:18; 1 Kron 2:13–16 **17:13** De drie oudste zonen van Isaï waren Saul gevolgd naar de oorlog. De namen van zijn drie zonen die naar de oorlog waren gegaan: Eliab, de eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Samma, de derde. Brontekst: וַיֵּ֨לְכ֜וּ (vayelekhu) = en ze gingen | שְׁלֹ֤שֶׁת (sheloshet) = drie | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יִשַׁי֙ (yishay) = Isaï | הַגְּדֹלִ֔ים (hagedolim) = de oudste | הָלְכ֥וּ (halekhu) = ze gingen | אַחֲרֵי (acharei) = achter | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = naar de oorlog | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | בָּנָ֗יו (banav) = zijn zonen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הָלְכוּ֙ (halekhu) = gingen | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de oorlog | אֱלִיאָ֣ב (eliav) = Eliab | הַבְּכ֗וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | וּמִשְׁנֵ֨הוּ֙ (umishnehu) = en zijn tweede | אֲבִ֣ינָדָ֔ב (avinadav) = Abinadab | וְהַשְּׁלִשִׁ֖י (vehashelishi) = en de derde | שַׁמָּֽה (shama) = Samma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De derde zoon heet hier שַׁמָּה (Shammah). Wij schrijven ‘Samma’. Zie ook: 1 Sam 16:6–9; 1 Sam 17:28; 2 Sam 13:3; 2 Sam 13:32; 1 Kron 2:13 **17:14** David was de jongste. De drie oudsten waren Saul gevolgd. Brontekst: וְדָוִ֖ד (vedavid) = en David | ה֣וּא (hu) = hij | הַקָּטָ֑ן (haqatan) = de jongste | וּשְׁלֹשָׁה֙ (ushelosha) = en drie | הַגְּדֹלִ֔ים (hagedolim) = de oudsten | הָלְכ֖וּ (halekhu) = gingen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:23; 1 Sam 16:11 **17:15** David ging steeds weer bij Saul weg om in Betlehem de schapen van zijn vader te hoeden. Brontekst: וְדָוִ֛ד (vedavid) = en David | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaand | וָשָׁ֖ב (vashav) = en terugkerend | מֵעַ֣ל (meal) = van bij | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | לִרְע֛וֹת (lirot) = om te hoeden | אֶת (et) = (obj.) | צֹ֥אן (tson) = de schapen van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | בֵּֽית (beit) = Bet | לָֽחֶם (lachem) = Lechem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: 1 Sam 16:11; 1 Sam 16:19–23 **17:16** De Filistijn kwam elke morgen en elke avond naar voren. Veertig dagen lang stelde hij zich op. Brontekst: וַיִּגַּ֥שׁ (vayigash) = en hij kwam naar voren | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | הַשְׁכֵּ֣ם (hashkem) = in de morgen | וְהַעֲרֵ֑ב (vehaarev) = en in de avond | וַיִּתְיַצֵּ֖ב (vayityatsev) = en hij stelde zich op | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 4:2; Luc 4:2 **17:17** Isaï zei tegen zijn zoon David: „Neem voor je broers deze efa geroosterd koren en deze tien broden. Breng ze snel naar je broers in het kamp. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִשַׁ֜י (yishay) = Isaï | לְדָוִ֣ד (ledavid) = tot David | בְּנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | קַח (qach) = neem | נָ֤א (na) = toch | לְאַחֶ֨יךָ֙ (leacheikha) = voor je broers | אֵיפַ֤ת (eifat) = efa | הַקָּלִיא֙ (haqali) = het geroosterde koren | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַעֲשָׂרָ֥ה (vaasara) = en tien | לֶ֖חֶם (lechem) = broden | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְהָרֵ֥ץ (veharets) = en ren | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = naar het kamp | לְאַחֶֽיךָ (leacheikha) = naar je broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een efa is ongeveer 22 liter. Voetnoot : קָלִי (qali), ‘geroosterd koren’: geroosterde graanaren of -korrels. Zie Lev. 2:14 en Ruth 2:14. Zie ook: Lev 2:14; Ruth 2:14; 1 Sam 25:18; 2 Sam 17:28; Mat 7:11; Luc 11:13 **17:18** Breng ook deze tien kazen naar de aanvoerder van de duizend. Ga na hoe het met je broers gaat. En neem van hen een pand mee.” Brontekst: וְ֠אֵת (veet) = en (obj.) | עֲשֶׂ֜רֶת (aseret) = tien | חֲרִצֵ֤י (charitsei) = kazen van | הֶֽחָלָב֙ (hechalav) = de melk | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | תָּבִ֖יא (tavi) = zul je brengen | לְשַׂר (lesar) = naar de aanvoerder van | הָאָ֑לֶף (haalef) = de duizend | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַחֶ֨יךָ֙ (acheikha) = je broers | תִּפְקֹ֣ד (tifqod) = zul je opzoeken | לְשָׁל֔וֹם (leshalom) = naar het welzijn | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲרֻבָּתָ֖ם (arubatam) = hun pand | תִּקָּֽח (tiqach) = zul je nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲרִצֵי הֶחָלָב (charitsei hechalav), letterlijk ‘sneden van de melk’: stukken kaas of gestremde melk. Wij vertalen ‘kazen’. Voetnoot : שַׂר הָאֶלֶף (sar ha'elef), ‘aanvoerder van de duizend’: de commandant van een eenheid van ongeveer duizend man. Voetnoot : עֲרֻבָּתָם (arubbatam), ‘hun pand’: een teken of bewijs dat het goed met de broers ging. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 37:14; Job 10:10; 1 Sam 16:20; Hand 15:36; 1 Tess 3:5–6 **17:19** Saul, zij en alle mannen van Israël waren in het dal van Ela. Zij streden tegen de Filistijnen. Brontekst: וְשָׁא֤וּל (veshaul) = en Saul | וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | וְכָל (vekhal) = en alle | אִ֣ישׁ (ish) = mannen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּעֵ֖מֶק (beemeq) = in het dal van | הָֽאֵלָ֑ה (haela) = Ela | נִלְחָמִ֖ים (nilchamim) = strijdend | עִם (im) = met | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Ela: Het dal van Ela (Wadi es-Sant) ligt in de Sefela, ten westen van Betlehem. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. ### David in het kamp **17:20** David stond 's morgens vroeg op. Hij liet de schapen achter bij een hoeder, nam alles mee en ging, zoals Isaï hem had geboden. Hij kwam bij de wagenkring toen het leger naar de slagorde uittrok. Zij hieven de strijdkreet aan voor de oorlog. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | דָּוִ֜ד (david) = David | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּטֹּ֤שׁ (vayitosh) = en hij liet achter | אֶת (et) = (obj.) | הַצֹּאן֙ (hatson) = de schapen | עַל (al) = bij | שֹׁמֵ֔ר (shomer) = een hoeder | וַיִּשָּׂ֣א (vayisa) = en hij laadde op | וַיֵּ֔לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֖הוּ (tsivahu) = hij had geboden | יִשָׁ֑י (yishay) = Isaï | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij kwam | הַמַּעְגָּ֔לָה (hamagala) = bij de wagenkring | וְהַחַ֗יִל (vehachayil) = en het leger | הַיֹּצֵא֙ (hayotse) = dat uittrok | אֶל (el) = naar | הַמַּ֣עֲרָכָ֔ה (hamaarakha) = de slagorde | וְהֵרֵ֖עוּ (vehereu) = en ze hieven de strijdkreet aan | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = voor de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּעְגָּלָה (hamma'galah), ‘de wagenkring’: de kring van wagens om het kamp. Het is de rand van het legerkamp. Zie ook: 1 Sam 17:28; 1 Sam 26:5; 1 Sam 26:7; Luc 19:43; Ef 6:1–2 **17:21** Israël en de Filistijnen stelden zich op, slagorde tegenover slagorde. Brontekst: וַתַּעֲרֹ֤ךְ (vataarokh) = en ze stelden op | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וּפְלִשְׁתִּ֔ים (ufelishtim) = en Filistijnen | מַעֲרָכָ֖ה (maarakha) = slagorde | לִקְרַ֥את (liqrat) = tegenover | מַעֲרָכָֽה (maarakha) = slagorde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. **17:22** David liet zijn bagage achter bij de bewaker van de bagage. Hij rende naar de slagorde, ging erheen en vroeg zijn broers hoe het met hen ging. Brontekst: וַיִּטֹּשׁ֩ (vayitosh) = en hij liet achter | דָּוִ֨ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הַכֵּלִ֜ים (hakelim) = de bagage | מֵעָלָ֗יו (mealav) = van zich | עַל (al) = bij | יַד֙ (yad) = de hand van | שׁוֹמֵ֣ר (shomer) = bewaker van | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = de bagage | וַיָּ֖רָץ (vayarats) = en hij rende | הַמַּעֲרָכָ֑ה (hamaarakha) = naar de slagorde | וַיָּבֹ֕א (vayavo) = en hij kwam | וַיִּשְׁאַ֥ל (vayishal) = en hij vroeg | לְאֶחָ֖יו (leechav) = naar zijn broers | לְשָׁלֽוֹם (leshalom) = naar het welzijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֵּלִים (hakelim), ‘de bagage’: de spullen en het gereedschap die David had meegenomen. Zie ook: Gen 37:14; Re 18:15; Jes 10:28; Mat 10:12–13; Luc 10:5–6 **17:23** Terwijl hij met hen sprak, kwam de kampioen omhoog uit de slagorden van de Filistijnen. Hij heette Goliat, de Filistijn uit Gat. Hij sprak dezelfde woorden als eerst. David hoorde het. Brontekst: וְה֣וּא (vehu) = en hij | מְדַבֵּ֣ר (medaber) = sprekend | עִמָּ֗ם (imam) = met hen | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | אִ֣ישׁ (ish) = een man van | הַבֵּנַ֡יִם (habenayim) = de tussenruimte | עוֹלֶ֞ה (ole) = omhoogkomend | גָּלְיָת֩ (galeyat) = Goliat | הַפְּלִשְׁתִּ֨י (hapelishti) = de Filistijn | שְׁמ֤וֹ (shemo) = zijn naam | מִגַּת֙ (migat) = uit Gat | מִמַּעַרְכ֣וֹת (mimaarkhot) = uit de slagorden van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיְדַבֵּ֖ר (vaydaber) = en hij sprak | כַּדְּבָרִ֣ים (kadevarim) = zoals de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיִּשְׁמַ֖ע (vayishma) = en hij hoorde | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Voetnoot Lezing: In het geschreven Hebreeuws staat מִמְּעָרוֹת (mimme'arot), ‘uit de grotten’. De voorgelezen tekst heeft מִמַּעַרְכוֹת (mimma'arkhot), ‘uit de slagorden’. Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: 1 Sam 17:8–10 **17:24** Alle mannen van Israël vluchtten voor hem toen zij die man zagen. Zij werden zeer bang. Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בִּרְאוֹתָ֖ם (birotam) = bij hun zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וַיָּנֻ֨סוּ֙ (vayanusu) = en ze vluchtten | מִפָּנָ֔יו (mipanav) = voor zijn aangezicht | וַיִּֽירְא֖וּ (vayireu) = en ze werden bang | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:33; Deut 32:30; 1 Sam 13:6–7; 1 Sam 17:11; Jes 30:17 **17:25** De mannen van Israël zeiden: „Hebben jullie die man gezien die opkomt? Hij komt op om Israël te honen. Wie hem verslaat, maakt de koning zeer rijk. Hij geeft hem zijn dochter. Het huis van zijn vader maakt hij vrij in Israël.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הַרְּאִיתֶם֙ (hareitem) = hebben jullie gezien | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הָֽעֹלֶה֙ (haole) = die opkomt | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּ֛י (ki) = want | לְחָרֵ֥ף (lecharef) = om te honen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עֹלֶ֑ה (ole) = hij komt op | וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | הָאִ֨ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | יַכֶּ֜נּוּ (yakenu) = hem verslaat | יַעְשְׁרֶ֥נּוּ (yasherenu) = hij zal hem rijk maken | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | עֹ֣שֶׁר (osher) = rijkdom | גָּד֗וֹל (gadol) = grote | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּתּוֹ֙ (bito) = zijn dochter | יִתֶּן (yiten) = hij zal geven | ל֔וֹ (lo) = aan hem | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = hij zal maken | חָפְשִׁ֖י (chafeshi) = vrij | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָפְשִׁי (chofshi), ‘vrij’: vrij gemaakt van de lasten en diensten die een familie aan de koning moest geven. De tekst zegt niet precies waarvan. Wij laten dat ook open. Zie ook: Joz 15:16; 1 Sam 18:17–27; Openb 2:7; Openb 3:5; Openb 3:12 **17:26** David vroeg de mannen die bij hem stonden: „Wat wordt er gedaan voor de man die deze Filistijn verslaat en de hoon van Israël wegneemt? Want wie is deze onbesneden Filistijn? Hij heeft de slagorden van de levende Elohim gehoond.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֗ד (david) = David | אֶֽל (el) = tot | הָאֲנָשִׁ֞ים (haanashim) = de mannen | הָעֹמְדִ֣ים (haomedim) = die staan | עִמּוֹ֮ (imo) = bij hem | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | מַה (ma) = wat | יֵּעָשֶׂ֗ה (yease) = wordt gedaan | לָאִישׁ֙ (laish) = voor de man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יַכֶּה֙ (yake) = verslaat | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּלִשְׁתִּ֣י (hapelishti) = de Filistijn | הַלָּ֔ז (halaz) = die daar | וְהֵסִ֥יר (vehesir) = en wegneemt | חֶרְפָּ֖ה (cherpa) = hoon | מֵעַ֣ל (meal) = van op | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֣י (ki) = want | מִ֗י (mi) = wie | הַפְּלִשְׁתִּ֤י (hapelishti) = de Filistijn | הֶֽעָרֵל֙ (hearel) = de onbesneden | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = want | חֵרֵ֔ף (cheref) = hij heeft gehoond | מַעַרְכ֖וֹת (maarkhot) = slagorden van | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | חַיִּֽים (chayim) = levende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵל (arel), ‘onbesneden’: iemand buiten het verbond (Gen. 17:10–14). David gebruikt het woord om te zeggen dat de Filistijn niet bij Elohim hoort. Voetnoot : אֱלֹהִים חַיִּים (elohim chayyim), ‘levende Elohim’: zie Deut. 5:26. Zie ook: Gen 17:10–14; Deut 5:26; 1 Sam 11:2; 1 Sam 14:6; 1 Sam 17:10; 1 Sam 17:36 **17:27** Het volk antwoordde hem met dezelfde woorden: „Zo wordt er gedaan voor de man die hem verslaat.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = volgens het woord | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּ֣ה (ko) = zo | יֵעָשֶׂ֔ה (yease) = wordt gedaan | לָאִ֖ישׁ (laish) = voor de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יַכֶּֽנּוּ (yakenu) = hem verslaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:25 **17:28** Zijn oudste broer Eliab hoorde hem met de mannen spreken. Eliab werd zeer boos op David. Hij zei: „Waarom ben je hierheen gekomen? Bij wie heb je die paar schapen in de woestijn achtergelaten? Ik ken je overmoed en de slechtheid van je hart. Want je bent gekomen om de strijd te zien.” Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hij hoorde | אֱלִיאָב֙ (eliav) = Eliab | אָחִ֣יו (achiv) = zijn broer | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de oudste | בְּדַבְּר֖וֹ (bedabero) = bij zijn spreken | אֶל (el) = tot | הָאֲנָשִׁ֑ים (haanashim) = de mannen | וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַף֩ (af) = de toorn van | אֱלִיאָ֨ב (eliav) = Eliab | בְּדָוִ֜ד (bedavid) = op David | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָמָּה (lama) = waarom | זֶּ֣ה (ze) = dit | יָרַ֗דְתָּ (yaradta) = ben je afgedaald | וְעַל (veal) = en bij | מִ֨י (mi) = wie | נָטַ֜שְׁתָּ (natashta) = heb je achtergelaten | מְעַ֨ט (meat) = die paar | הַצֹּ֤אן (hatson) = schapen | הָהֵ֨נָּה֙ (hahena) = die daar | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | אֲנִ֧י (ani) = ik | יָדַ֣עְתִּי (yadati) = ik ken | אֶת (et) = (obj.) | זְדֹנְךָ֗ (zedonekha) = je overmoed | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | רֹ֣עַ (roa) = de slechtheid van | לְבָבֶ֔ךָ (levavekha) = je hart | כִּ֗י (ki) = want | לְמַ֛עַן (lemaan) = om | רְא֥וֹת (reot) = te zien | הַמִּלְחָמָ֖ה (hamilchama) = de strijd | יָרָֽדְתָּ (yaradta) = ben je afgedaald Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְדֹנְךָ (zedonkha), ‘je overmoed’: trots die te ver gaat. Zie ook: Gen 37:4; Gen 37:8; Gen 37:11; Spr 18:19; Mat 10:36 **17:29** David zei: „Wat heb ik nu gedaan? Was het niet maar een vraag?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֔ד (david) = David | מֶ֥ה (me) = wat | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = heb ik gedaan | עָ֑תָּה (ata) = nu | הֲל֖וֹא (halo) = is het niet | דָּבָ֥ר (davar) = een vraag | הֽוּא (hu) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘Is het niet een woord?’ Wij vertalen ‘vraag’: David bedoelt dat hij alleen iets gevraagd heeft. Zie ook: Spr 15:1; Hand 11:2–4; 1 Kor 2:15; 1 Petr 3:9 **17:30** Hij draaide zich van hem af naar een ander en zei hetzelfde. Het volk antwoordde hem hetzelfde als de eerste keer. Brontekst: וַיִּסֹּ֤ב (vayisov) = en hij draaide zich om | מֵֽאֶצְלוֹ֙ (meetslo) = van naast hem | אֶל (el) = naar | מ֣וּל (mul) = tegenover | אַחֵ֔ר (acher) = een andere | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | כַּדָּבָ֣ר (kadavar) = volgens het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וַיְשִׁבֻ֤הוּ (vayshivuhu) = en ze antwoordden hem | הָעָם֙ (haam) = het volk | דָּבָ֔ר (davar) = een woord | כַּדָּבָ֖ר (kadavar) = volgens het woord | הָרִאשֽׁוֹן (harishon) = het eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:26–27 **17:31** De woorden die David had gesproken, werden gehoord en aan Saul verteld. Saul liet hem halen. Brontekst: וַיְּשָּֽׁמְעוּ֙ (vayeshameu) = en ze hoorden | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיַּגִּ֥דוּ (vayagidu) = en ze vertelden | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | וַיִּקָּחֵֽהוּ (vayiqachehu) = en hij liet hem halen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 22:29 ### David voor Saul **17:32** David zei tegen Saul: „Niemand hoeft om hem de moed te verliezen. Uw dienaar zal gaan en met deze Filistijn strijden.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = tot | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אַל (al) = niet | יִפֹּ֥ל (yipol) = laat vallen | לֵב (lev) = het hart van | אָדָ֖ם (adam) = een mens | עָלָ֑יו (alav) = om hem | עַבְדְּךָ֣ (avdekha) = uw dienaar | יֵלֵ֔ךְ (yelekh) = zal gaan | וְנִלְחַ֖ם (venilcham) = en zal strijden | עִם (im) = met | הַפְּלִשְׁתִּ֥י (hapelishti) = de Filistijn | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David spreekt Saul aan met ‘u’ en noemt zichzelf ‘uw dienaar’. Dat is de beleefde vorm tegenover de koning. Zie ook: Deut 20:1–3; 1 Sam 16:18; Ps 3:7; Ps 27:1–3; Jes 35:4 **17:33** Saul zei tegen David: „Je kunt niet naar deze Filistijn gaan om met hem te strijden. Want je bent nog een jongen, en hij is een krijgsman van jongs af aan.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | דָּוִ֗ד (david) = David | לֹ֤א (lo) = niet | תוּכַל֙ (tukhal) = je kunt | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = gaan | אֶל (el) = naar | הַפְּלִשְׁתִּ֣י (hapelishti) = de Filistijn | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | כִּֽי (ki) = want | נַ֣עַר (naar) = een jongen | אַ֔תָּה (ata) = jij | וְה֛וּא (vehu) = en hij | אִ֥ישׁ (ish) = een man van | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | מִנְּעֻרָֽיו (mineurav) = van zijn jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:31; Deut 9:2; 1 Sam 17:56; Ps 11:1; Openb 13:4 **17:34** David zei tegen Saul: „Uw dienaar hoedde de schapen voor zijn vader. Soms kwam er een leeuw, of een beer, en nam een lam uit de kudde mee. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = tot | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | רֹעֶ֨ה (roe) = herder | הָיָ֧ה (haya) = was | עַבְדְּךָ֛ (avdekha) = uw dienaar | לְאָבִ֖יו (leaviv) = voor zijn vader | בַּצֹּ֑אן (batson) = bij de schapen | וּבָ֤א (uva) = en kwam | הָֽאֲרִי֙ (haari) = de leeuw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדּ֔וֹב (hadov) = de beer | וְנָשָׂ֥א (venasa) = en nam mee | שֶׂ֖ה (se) = een lam | מֵהָעֵֽדֶר (mehaeder) = uit de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws vertelt dit als iets dat vaker gebeurde. Wij vertalen daarom ‘soms kwam er’. **17:35** Dan ging ik achter hem aan, sloeg hem en redde het lam uit zijn bek. Stond hij tegen mij op, dan greep ik hem bij zijn baard, sloeg hem en doodde hem. Brontekst: וְיָצָ֧אתִי (veyatsati) = en ik ging uit | אַחֲרָ֛יו (acharav) = achter hem | וְהִכִּתִ֖יו (vehikitiv) = en ik sloeg hem | וְהִצַּ֣לְתִּי (vehitsalti) = en ik redde | מִפִּ֑יו (mipiv) = uit zijn bek | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | עָלַ֔י (alay) = tegen mij | וְהֶחֱזַ֨קְתִּי֙ (vehechezaqti) = en ik greep vast | בִּזְקָנ֔וֹ (bizqano) = zijn baard | וְהִכִּתִ֖יו (vehikitiv) = en ik sloeg hem | וַהֲמִיתִּֽיו (vahamitiv) = en ik doodde hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 14:5–6; Ps 91:13; Amos 3:12; Dan 6:23; 2 Tim 4:17–18 **17:36** Zowel de leeuw als de beer heeft uw dienaar verslagen. Deze onbesneden Filistijn zal zijn als een van die twee. Want hij heeft de slagorde van de levende Elohim gehoond.” Brontekst: גַּ֧ם (gam) = ook | אֶֽת (et) = (obj.) | הָאֲרִ֛י (haari) = de leeuw | גַּם (gam) = ook | הַדּ֖וֹב (hadov) = de beer | הִכָּ֣ה (hika) = heeft verslagen | עַבְדֶּ֑ךָ (avdekha) = uw dienaar | וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en hij zal zijn | הַפְּלִשְׁתִּ֨י (hapelishti) = de Filistijn | הֶעָרֵ֤ל (hearel) = de onbesneden | הַזֶּה֙ (haze) = deze | כְּאַחַ֣ד (keachad) = als één | מֵהֶ֔ם (mehem) = van hen | כִּ֣י (ki) = want | חֵרֵ֔ף (cheref) = hij heeft gehoond | מַעַרְכֹ֖ת (maarkhot) = de slagorde van | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | חַיִּֽים (chayim) = levende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:10; Jes 37:28–29; Zach 2:12; Hand 5:38–39; Rom 2:28–29 **17:37** David zei: „Yahweh heeft mij gered uit de poot van de leeuw en uit de poot van de beer. Hij zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.” Saul zei tegen David: „Ga. Yahweh zal met je zijn.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֒ (david) = David | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִצִּלַ֜נִי (hitsilani) = mij heeft gered | מִיַּ֤ד (miyad) = uit de hand van | הָֽאֲרִי֙ (haari) = de leeuw | וּמִיַּ֣ד (umiyad) = en uit de hand van | הַדֹּ֔ב (hadov) = de beer | ה֣וּא (hu) = Hij | יַצִּילֵ֔נִי (yatsileni) = zal mij redden | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֤וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | דָּוִד֙ (david) = David | לֵ֔ךְ (lekh) = ga | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David zegt: ‘uit de poot’. Het Hebreeuws heeft hier יָד (yad), ‘hand’, ook voor de poot van een dier. Dat spel met ‘hand’ keert terug in vers 46–47. Zie ook: 1 Sam 17:46–47; Ps 18:17–18; Ps 63:8; Ps 138:7–8; 2 Kor 1:9–10; 2 Tim 4:17–18 **17:38** Saul trok David zijn eigen legerkleding aan. Hij zette een bronzen helm op zijn hoofd en trok hem een pantser aan. Brontekst: וַיַּלְבֵּ֨שׁ (vayalbesh) = en hij kleedde | שָׁא֤וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִד֙ (david) = David | מַדָּ֔יו (madav) = in zijn legerkleding | וְנָתַ֛ן (venatan) = en hij zette | ק֥וֹבַע (qova) = een helm van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = brons | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיַּלְבֵּ֥שׁ (vayalbesh) = en hij kleedde | אֹת֖וֹ (oto) = hem | שִׁרְיֽוֹן (shiryon) = in een pantser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַדָּיו (maddav), ‘zijn legerkleding’: de kleding en wapenrusting van Saul. **17:39** David gespte zijn zwaard over zijn legerkleding. Hij probeerde te lopen, want hij had het nog nooit geprobeerd. David zei tegen Saul: „Hierin kan ik niet lopen, want ik heb het nog nooit geprobeerd.” Toen deed David alles uit. Brontekst: וַיַּחְגֹּ֣ר (vayachgor) = en hij gespte om | דָּוִ֣ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | חַ֠רְבּוֹ (charbo) = zijn zwaard | מֵעַ֨ל (meal) = boven | לְמַדָּ֜יו (lemadav) = zijn legerkleding | וַיֹּ֣אֶל (vayoel) = en hij probeerde | לָלֶכֶת֮ (lalekhet) = om te gaan | כִּ֣י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | נִסָּה֒ (nisa) = hij had geprobeerd | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֜ד (david) = David | אֶל (el) = tot | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | לֹ֥א (lo) = niet | אוּכַ֛ל (ukhal) = ik kan | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = gaan | בָּאֵ֖לֶּה (baele) = hierin | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | נִסִּ֑יתִי (nisiti) = ik heb geprobeerd | וַיְסִרֵ֥ם (vaysirem) = en hij deed ze uit | דָּוִ֖ד (david) = David | מֵעָלָֽיו (mealav) = van zich af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 1:7; Zach 4:6; 2 Kor 10:4–5 **17:40** Hij nam zijn staf in zijn hand en koos vijf gladde stenen uit de beek. Hij deed ze in zijn herderstas, in de buidel. Zijn slinger had hij in zijn hand. Zo kwam hij dichter bij de Filistijn. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | מַקְל֜וֹ (maqlo) = zijn staf | בְּיָד֗וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיִּבְחַר (vayivchar) = en hij koos | ל֣וֹ (lo) = voor zich | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijf | חַלֻּקֵֽי (chaluqei) = gladde | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | מִן (min) = uit | הַנַּ֡חַל (hanachal) = de beek | וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en hij legde | אֹ֠תָם (otam) = ze | בִּכְלִ֨י (bikhli) = in de tas van | הָרֹעִ֧ים (haroim) = de herders | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֛וֹ (lo) = voor hem | וּבַיַּלְק֖וּט (uvayalqut) = en in de buidel | וְקַלְּע֣וֹ (veqaleo) = en zijn slinger | בְיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיִּגַּ֖שׁ (vayigash) = en hij kwam dichterbij | אֶל (el) = naar | הַפְּלִשְׁתִּֽי (hapelishti) = de Filistijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek is het droge dal van het Wadi es-Sant (Israël). Voetnoot Uitleg: חַלְּקֵי־אֲבָנִים (challeqei avanim), ‘gladde stenen’: stenen die door het water glad zijn geslepen. Voetnoot : קֶלַע (qela), ‘slinger’: een band van leer waarmee je stenen wegslingert. Zie ook: Re 3:31; Re 15:15–16; Re 20:16; Mat 10:10; 1 Kor 1:27–29 ### David en Goliat **17:41** De Filistijn kwam steeds dichter bij David. De man die zijn schild droeg, liep voor hem uit. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ֙ (vayelekh) = en hij ging | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaande | וְקָרֵ֖ב (veqarev) = en naderend | אֶל (el) = naar | דָּוִ֑ד (david) = David | וְהָאִ֛ישׁ (vehaish) = en de man | נֹשֵׂ֥א (nose) = dragend | הַצִּנָּ֖ה (hatsina) = het schild | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:42** De Filistijn keek en zag David. Hij verachtte hem, want David was nog een jongen, rossig en met een mooi uiterlijk. Brontekst: וַיַּבֵּ֧ט (vayabet) = en hij keek | הַפְּלִשְׁתִּ֛י (hapelishti) = de Filistijn | וַיִּרְאֶ֥ה (vayire) = en hij zag | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | וַיִּבְזֵ֑הוּ (vayivzehu) = en hij verachtte hem | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֣ה (haya) = hij was | נַ֔עַר (naar) = een jongen | וְאַדְמֹנִ֖י (veadmoni) = en rossig | עִם (im) = met | יְפֵ֥ה (yefe) = mooi | מַרְאֶֽה (mare) = uiterlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַדְמֹנִי (admoni), ‘rossig’: met een rode, gezonde kleur. Het woord staat ook bij David in 1 Sam. 16:12. Zie ook: 1 Sam 16:12; 1 Sam 17:33; Ps 123:3–4; Spr 16:18; 2 Kor 11:27–29 **17:43** De Filistijn zei tegen David: „Ben ik een hond, dat je met stokken naar mij komt?” De Filistijn vervloekte David bij zijn goden. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַפְּלִשְׁתִּי֙ (hapelishti) = de Filistijn | אֶל (el) = tot | דָּוִ֔ד (david) = David | הֲכֶ֣לֶב (hakhelev) = de hond | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ik | כִּֽי (ki) = dat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בָֽא (ba) = komt | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | בַּמַּקְל֑וֹת (bamaqlot) = met stokken | וַיְקַלֵּ֧ל (vayqalel) = en hij vervloekte | הַפְּלִשְׁתִּ֛י (hapelishti) = de Filistijn | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | בֵּאלֹהָֽיו (belohav) = bij zijn goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּאלֹהָיו (be'lohav), ‘bij zijn goden’: de Filistijn vloekt bij zijn eigen goden, zoals Dagon (1 Sam. 5:2). Zie ook: 1 Sam 5:2; 1 Sam 24:15; 2 Sam 3:8; 2 Sam 9:8; Spr 26:2; 2 Kon 8:13 **17:44** De Filistijn zei tegen David: „Kom naar mij toe. Dan geef ik je vlees aan de vogels van de hemel en aan de dieren van het veld.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | אֶל (el) = tot | דָּוִ֑ד (david) = David | לְכָ֣ה (lekha) = kom | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְאֶתְּנָה֙ (veetena) = en ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂ֣רְךָ֔ (besarekha) = je vlees | לְע֥וֹף (leof) = aan de vogel van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְבֶהֱמַ֥ת (ulevehemat) = en aan de dieren van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 18:12; 1 Kon 20:10–11; Jer 9:22; Ezech 28:2; Ezech 28:9–10 **17:45** David zei tegen de Filistijn: „Jij komt naar mij met een zwaard, een speer en een werpspies. Maar ik kom naar jou in de naam van Yahweh van de legermachten, de Elohim van de slagorden van Israël, die jij hebt gehoond. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = tot | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | אַתָּה֙ (ata) = jij | בָּ֣א (ba) = komt | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | בְּחֶ֖רֶב (becherev) = met zwaard | וּבַחֲנִ֣ית (uvachanit) = en met speer | וּבְכִיד֑וֹן (uvekhidon) = en met werpspies | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en ik | בָֽא (ba) = kom | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = naar jou | בְּשֵׁם֙ (beshem) = in de naam van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֛י (elohei) = de Elohim van | מַעַרְכ֥וֹת (maarkhot) = de slagorden van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חֵרַֽפְתָּ (cherafta) = je hebt gehoond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהוה צבאות (Yahweh Tsevaot), ‘Yahweh van de legermachten’: צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Hier staat het in tegenstelling met de slagorden van de Filistijn. Zie ook: Ps 18:3; 2 Kron 32:8; 2 Kor 3:5; 2 Kor 10:4; Fil 4:13 **17:46** Vandaag geeft Yahweh je over in mijn hand. Ik zal je verslaan en je hoofd van je afnemen. Vandaag geef ik de lijken van het leger van de Filistijnen aan de vogels van de hemel en aan de wilde dieren van de aarde. Heel de aarde zal weten dat Israël een Elohim heeft. Brontekst: הַיּ֣וֹם (hayom) = deze dag | הַזֶּ֡ה (haze) = de ene | יְסַגֶּרְךָ֩ (yesagerkha) = zal overleveren | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָדִ֜י (beyadi) = in mijn hand | וְהִכִּיתִ֗ךָ (vehikitikha) = en ik zal je verslaan | וַהֲסִרֹתִ֤י (vahasiroti) = en ik zal wegnemen | אֶת (et) = (obj.) | רֹֽאשְׁךָ֙ (roshkha) = je hoofd | מֵעָלֶ֔יךָ (mealeikha) = van je | וְנָ֨תַתִּ֜י (venatati) = en ik zal geven | פֶּ֣גֶר (peger) = het lijk van | מַחֲנֵ֤ה (machane) = het leger van | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = Filistijnen | הַיּ֣וֹם (hayom) = deze dag | הַזֶּ֔ה (haze) = de ene | לְע֥וֹף (leof) = aan de vogel van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְחַיַּ֣ת (ulechayat) = en aan de wilde dieren van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְיֵֽדְעוּ֙ (veyedeu) = en ze zullen weten | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כִּ֛י (ki) = dat | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Vers 45–47 zijn de woorden van David aan Goliat en aan heel de vergadering. Wij sluiten de aanhalingstekens pas na vers 47. Zie ook: Deut 28:26; Joz 4:24; 1 Sam 17:45–47; 1 Sam 17:47; 1 Kon 8:43; 2 Kon 19:19; Jes 52:10 **17:47** En heel deze vergadering zal weten dat Yahweh niet met zwaard en speer redt. Want de strijd is van Yahweh. Hij zal jullie in onze hand geven.” Brontekst: וְיֵֽדְעוּ֙ (veyedeu) = en ze zullen weten | כָּל (kal) = heel | הַקָּהָ֣ל (haqahal) = de vergadering | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּֽי (ki) = dat | לֹ֛א (lo) = niet | בְּחֶ֥רֶב (becherev) = met zwaard | וּבַחֲנִ֖ית (uvachanit) = en met speer | יְהוֹשִׁ֣יעַ (yehoshia) = redt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = van Yahweh | הַמִּלְחָמָ֔ה (hamilchama) = de strijd | וְנָתַ֥ן (venatan) = en Hij zal geven | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּיָדֵֽנוּ (beyadenu) = in onze hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David zegt: ‘de strijd is van Yahweh’. Zie ook Exod. 14:14 en Deut. 20:4. Zie ook: Ex 14:14; Deut 20:4; 1 Sam 14:6; Ps 44:7–8; Spr 21:30–31; Hos 1:7; Zach 4:6 **17:48** De Filistijn stond op en kwam dichterbij om David tegemoet te gaan. David haastte zich en rende naar de slagorde, de Filistijn tegemoet. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het was | כִּֽי (ki) = toen | קָ֣ם (qam) = opstond | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | וַיִּקְרַ֖ב (vayiqrav) = en dichterbij kwam | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegemoet | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיְמַהֵ֣ר (vaymaher) = en haastte zich | דָּוִ֔ד (david) = David | וַיָּ֥רָץ (vayarats) = en rende | הַמַּעֲרָכָ֖ה (hamaarakha) = naar de slagorde | לִקְרַ֥את (liqrat) = tegemoet | הַפְּלִשְׁתִּֽי (hapelishti) = de Filistijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 27:1; Spr 28:1 **17:49** David stak zijn hand in de tas en nam daar een steen uit. Hij slingerde hem en trof de Filistijn op zijn voorhoofd. De steen drong in zijn voorhoofd en hij viel met zijn gezicht op de grond. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en hij stak uit | דָּוִ֨ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | יָד֜וֹ (yado) = zijn hand | אֶל (el) = naar | הַכֶּ֗לִי (hakeli) = de tas | וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | מִשָּׁ֥ם (misham) = vandaar | אֶ֨בֶן֙ (even) = een steen | וַיְקַלַּ֔ע (vayqala) = en hij slingerde | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en hij trof | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | אֶל (el) = op | מִצְח֑וֹ (mitscho) = zijn voorhoofd | וַתִּטְבַּ֤ע (vatitba) = en zonk | הָאֶ֨בֶן֙ (haeven) = de steen | בְּמִצְח֔וֹ (bemitscho) = in zijn voorhoofd | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en hij viel | עַל (al) = op | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 22:34; 2 Kon 9:24; 1 Kor 1:27–28 **17:50** Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen. Hij trof de Filistijn en doodde hem. David had geen zwaard in zijn hand. Brontekst: וַיֶּחֱזַ֨ק (vayechezaq) = en hij overwon | דָּוִ֤ד (david) = David | מִן (min) = over | הַפְּלִשְׁתִּי֙ (hapelishti) = de Filistijn | בַּקֶּ֣לַע (baqela) = met een slinger | וּבָאֶ֔בֶן (uvaeven) = en met een steen | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en hij trof | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | וַיְמִיתֵ֑הוּ (vaymitehu) = en hij doodde hem | וְחֶ֖רֶב (vecherev) = en een zwaard | אֵ֥ין (ein) = niet | בְּיַד (beyad) = in de hand van | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 3:31; Re 15:15; 1 Sam 17:39; 1 Sam 21:10; 1 Sam 23:21 ### De Filistijnen op de vlucht **17:51** David rende naar de Filistijn en ging bij hem staan. Hij nam diens zwaard, trok het uit de schede en doodde hem. Daarmee sneed hij zijn hoofd af. De Filistijnen zagen dat hun krijgsheld dood was en vluchtten. Brontekst: וַיָּ֣רָץ (vayarats) = en hij rende | דָּ֠וִד (david) = David | וַיַּעֲמֹ֨ד (vayaamod) = en hij ging staan | אֶל (el) = bij | הַפְּלִשְׁתִּ֜י (hapelishti) = de Filistijn | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (obj.) | חַ֠רְבּוֹ (charbo) = zijn zwaard | וַֽיִּשְׁלְפָ֤הּ (vayishlefah) = en hij trok het | מִתַּעְרָהּ֙ (mitarah) = uit zijn schede | וַיְמֹ֣תְתֵ֔הוּ (vaymotetehu) = en hij doodde hem | וַיִּכְרָת (vayikhrat) = en hij sneed af | בָּ֖הּ (bah) = daarmee | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיִּרְא֧וּ (vayiru) = en ze zagen | הַפְּלִשְׁתִּ֛ים (hapelishtim) = de Filistijnen | כִּֽי (ki) = dat | מֵ֥ת (met) = dood was | גִּבּוֹרָ֖ם (giboram) = hun krijgsheld | וַיָּנֻֽסוּ (vayanusu) = en ze vluchtten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 21:10; 2 Sam 23:21; Ps 7:16–17; Est 7:10; Heb 11:34 **17:52** De mannen van Israël en Juda stonden op en hieven de strijdkreet aan. Zij achtervolgden de Filistijnen tot waar je in het dal komt en tot de poorten van Ekron. De gesneuvelde Filistijnen lagen langs de weg van Saaraim, tot Gat en tot Ekron. Brontekst: וַיָּקֻ֣מוּ (vayaqumu) = en ze stonden op | אַנְשֵׁי֩ (anshei) = mannen van | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | וִיהוּדָ֜ה (vihuda) = en Juda | וַיָּרִ֗עוּ (vayariu) = en ze hieven de strijdkreet aan | וַֽיִּרְדְּפוּ֙ (vayirdefu) = en ze achtervolgden | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּלִשְׁתִּ֔ים (hapelishtim) = de Filistijnen | עַד (ad) = tot | בּוֹאֲךָ֣ (boakha) = je komt in | גַ֔יְא (gay) = dal | וְעַ֖ד (vead) = en tot | שַׁעֲרֵ֣י (shaarei) = poorten van | עֶקְר֑וֹן (eqron) = Ekron | וַֽיִּפְּל֞וּ (vayipelu) = en ze vielen | חַֽלְלֵ֤י (challei) = gesneuvelden van | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = Filistijnen | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg | שַׁעֲרַ֔יִם (shaarayim) = Saaraim | וְעַד (vead) = en tot | גַּ֖ת (gat) = Gat | וְעַד (vead) = en tot | עֶקְרֽוֹן (eqron) = Ekron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ekron is Tel Miqne (Israël). Saaraim ligt mogelijk bij Khirbet Qeiyafa, in het Judese heuvelland (Israël). Zie ook Joz. 15:36. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Saäraïm (ligging onzeker): Saäraïm wordt gezocht bij Khirbet Qeiyafa, in de Sefela. Dit is niet zeker. Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft ‘tot waar je in het dal komt’ (גַּיְא, gay). Gat en Ekron worden daarna genoemd. Daarom denken sommigen dat hier oorspronkelijk ‘Gat’ stond. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 15:11; Joz 15:33–36; Joz 15:36; Joz 15:45–46; Re 7:23; 2 Sam 23:10 **17:53** De zonen van Israël keerden terug van hun vurige achtervolging van de Filistijnen. Zij plunderden hun legerplaatsen. Brontekst: וַיָּשֻׁ֨בוּ֙ (vayashuvu) = en ze keerden terug | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִדְּלֹ֖ק (mideloq) = van het vurig achtervolgen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיָּשֹׁ֖סּוּ (vayashosu) = en ze plunderden | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵיהֶֽם (machaneihem) = hun legerplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מִדְּלֹק (middelok), ‘van het branden’: van het hete, vurige achtervolgen. Zie ook: 2 Kon 7:7–16; Jer 4:20; Jer 30:16 **17:54** David nam het hoofd van de Filistijn en bracht het naar Jeruzalem. Zijn wapens legde hij in zijn tent. Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | דָּוִד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | וַיְבִאֵ֖הוּ (vayviehu) = en hij bracht het | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כֵּלָ֖יו (kelav) = zijn wapens | שָׂ֥ם (sam) = hij legde | בְּאָהֳלֽוֹ (beaholo) = in zijn tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem was in die tijd nog een stad van de Jebusieten (2 Sam. 5:6–9). Het Hebreeuws noemt de stad hier al bij haar latere naam. Voetnoot Uitleg: Waarom David het hoofd naar Jeruzalem bracht, zegt de tekst niet. Het hoofd is een teken van de overwinning. Zie ook: Ex 16:33; Joz 4:7–8; 1 Sam 21:10; 2 Sam 5:6–9 ### Saul vraagt naar David **17:55** Toen Saul David zag uitgaan, de Filistijn tegemoet, zei hij tegen Abner, de legeraanvoerder: „Abner, van wie is deze jongen de zoon?” Abner zei: „Zo waar uw ziel leeft, koning, ik weet het niet.” Brontekst: וְכִרְא֨וֹת (vekhirot) = en toen zag | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֗ד (david) = David | יֹצֵא֙ (yotse) = uitgaand | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegemoet | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | אָמַ֗ר (amar) = hij zei | אֶל (el) = tot | אַבְנֵר֙ (avner) = Abner | שַׂ֣ר (sar) = aanvoerder van | הַצָּבָ֔א (hatsava) = het leger | בֶּן (ben) = zoon van | מִי (mi) = wie | זֶ֥ה (ze) = deze | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | אַבְנֵ֑ר (avner) = Abner | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְנֵ֔ר (avner) = Abner | חֵֽי (chei) = zo waar leeft | נַפְשְׁךָ֥ (nafshekha) = je ziel | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = koning | אִם (im) = als | יָדָֽעְתִּי (yadati) = ik weet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Saul kende David al uit 1 Sam. 16:21–23. Het Hebreeuws laat Saul hier vragen van wie David de zoon is: hij vraagt naar zijn familie, niet naar zijn naam. Voetnoot : שַׂר הַצָּבָא (sar hatsava), ‘legeraanvoerder’. Zie ook: 1 Sam 16:21–22; 1 Sam 17:58 **17:56** De koning zei: „Vraag jij van wie deze jongeman de zoon is.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁאַ֣ל (sheal) = vraag | אַתָּ֔ה (ata) = jij | בֶּן (ben) = zoon van | מִי (mi) = wie | זֶ֖ה (ze) = deze | הָעָֽלֶם (haalem) = de jongeman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:57** Toen David terugkwam van het verslaan van de Filistijn, nam Abner hem mee en bracht hem voor Saul. Het hoofd van de Filistijn was in zijn hand. Brontekst: וּכְשׁ֣וּב (ukheshuv) = en toen terugkwam | דָּוִ֗ד (david) = David | מֵֽהַכּוֹת֙ (mehakot) = van het verslaan van | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | אַבְנֵ֔ר (avner) = Abner | וַיְבִאֵ֖הוּ (vayviehu) = en hij bracht hem | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וְרֹ֥אשׁ (verosh) = en het hoofd van | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:54 **17:58** Saul zei tegen hem: „Jongen, van wie ben jij de zoon?” David zei: „De zoon van uw dienaar Isaï uit Betlehem.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | בֶּן (ben) = zoon van | מִ֥י (mi) = wie | אַתָּ֖ה (ata) = jij | הַנָּ֑עַר (hanaar) = de jongen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֔ד (david) = David | בֶּֽן (ben) = zoon van | עַבְדְּךָ֥ (avdekha) = uw dienaar | יִשַׁ֖י (yishay) = Isaï | בֵּ֥ית (beit) = uit Betlehem | הַלַּחְמִֽי (halachmi) = de Betlehemiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בֵּית הַלַּחְמִי (beit hallachmi), ‘de Betlehemiet’. Wij vertalen ‘uit Betlehem’. Zie ook: 1 Sam 16:18–19; 1 Sam 17:12 ## 1 Samuël 18 _Jonatan, Saul en David_ ### Jonatan sluit een verbond met David **18:1** Toen David klaar was met spreken tot Saul, werd de ziel van Jonatan verbonden met de ziel van David. Jonatan had hem lief als zijn eigen ziel. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּכַלֹּתוֹ֙ (kekhaloto) = toen hij klaar was | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = met spreken | אֶל (el) = tot | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וְנֶ֨פֶשׁ֙ (venefesh) = en de ziel van | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | נִקְשְׁרָ֖ה (niqshera) = werd verbonden | בְּנֶ֣פֶשׁ (benefesh) = met de ziel van | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיֶּאֱהָבֵ֥הוּ (vayeehavehu) = en hij had hem lief | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | כְּנַפְשֽׁוֹ (kenafsho) = als zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het diepste van een mens, zijn leven. Jonatans leven werd aan dat van David vastgebonden. Wij vertalen steeds ‘ziel’ (ook in vers 3). Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen zijn in dit hoofdstuk korter dan de Masoretische tekst. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Sam 18:3; 1 Sam 20:17; 2 Sam 1:26; Spr 18:24; Kol 2:2 **18:2** Saul nam hem op die dag bij zich. Hij liet hem niet terugkeren naar het huis van zijn vader. Brontekst: וַיִּקָּחֵ֥הוּ (vayiqachehu) = en hij nam hem | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נְתָנ֔וֹ (netano) = hij liet hem | לָשׁ֖וּב (lashuv) = terugkeren | בֵּ֥ית (beit) = naar het huis van | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 16:21–23; 1 Sam 17:15 **18:3** Jonatan sloot een verbond met David, omdat hij hem liefhad als zijn eigen ziel. Brontekst: וַיִּכְרֹ֧ת (vayikhrot) = en hij sloot | יְהוֹנָתָ֛ן (yehonatan) = Jonatan | וְדָוִ֖ד (vedavid) = en David | בְּרִ֑ית (berit) = een verbond | בְּאַהֲבָת֥וֹ (beahavato) = in zijn liefde | אֹת֖וֹ (oto) = voor hem | כְּנַפְשֽׁוֹ (kenafsho) = als zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית (berit), ‘verbond’: een plechtige afspraak voor Yahweh. Jonatan en David sluiten dit verbond opnieuw in 1 Sam. 20:8, 20:16–17 en 23:18. Zie ook: 1 Sam 20:8–17; 1 Sam 20:16; 1 Sam 20:42; 1 Sam 23:18; 2 Sam 9:1–3; 2 Sam 21:7 **18:4** Jonatan trok de mantel uit die hij aanhad en gaf hem aan David. Hij gaf hem ook zijn legerkleding, en zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn riem. Brontekst: וַיִּתְפַּשֵּׁ֣ט (vayitpashet) = en hij trok uit | יְהוֹנָתָ֗ן (yehonatan) = Jonatan | אֶֽת (et) = (obj.) | הַמְּעִיל֙ (hameil) = de mantel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָלָ֔יו (alav) = aan hem | וַֽיִּתְּנֵ֖הוּ (vayitenehu) = en hij gaf hem | לְדָוִ֑ד (ledavid) = aan David | וּמַדָּ֕יו (umadav) = en zijn legerkleding | וְעַד (vead) = en zelfs | חַרְבּ֥וֹ (charbo) = zijn zwaard | וְעַד (vead) = en zelfs | קַשְׁתּ֖וֹ (qashto) = zijn boog | וְעַד (vead) = en zelfs | חֲגֹרֽוֹ (chagoro) = zijn riem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet waarom Jonatan zijn mantel en wapens geeft. Het is in elk geval een groot geschenk van de zoon van de koning aan David. Zie ook: Gen 41:42; Jes 61:10; Est 6:8–9; Luc 15:22; Fil 2:7–8 **18:5** David ging overal heen waarheen Saul hem zond. Hij had succes. Saul stelde hem aan over de krijgslieden. Dat was goed in de ogen van heel het volk, en ook in de ogen van de dienaren van Saul. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en hij ging uit | דָוִ֜ד (david) = David | בְּכֹל֩ (bekhol) = overal | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | יִשְׁלָחֶ֤נּוּ (yishlachenu) = hij hem zond | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | יַשְׂכִּ֔יל (yaskil) = hij had succes | וַיְשִׂמֵ֣הוּ (vaysimehu) = en hij stelde hem aan | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | עַ֖ל (al) = over | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | הַמִּלְחָמָ֑ה (hamilchama) = de oorlog | וַיִּיטַב֙ (vayitav) = en het was goed | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | כָל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְגַ֕ם (vegam) = en ook | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | עַבְדֵ֥י (avdei) = de dienaren van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘succes hebben’, ook ‘verstandig handelen’. Wij vertalen steeds ‘succes hebben’ (ook in vers 14, 15 en 30). Zie ook: 1 Sam 18:14–15; 1 Sam 18:15; 1 Sam 18:30; Hand 7:10; Ef 5:17; Kol 4:5 ### Het lied van de vrouwen **18:6** Zij kwamen terug toen David terugkeerde van het verslaan van de Filistijn. De vrouwen uit alle steden van Israël gingen naar buiten om koning Saul tegemoet te gaan. Zij zongen en dansden, met tamboerijnen, met vreugde en met triangels. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בְּבוֹאָ֗ם (bevoam) = bij hun komen | בְּשׁ֤וּב (beshuv) = bij het terugkeren van | דָּוִד֙ (david) = David | מֵהַכּ֣וֹת (mehakot) = van het verslaan van | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּלִשְׁתִּ֔י (hapelishti) = de Filistijn | וַתֵּצֶ֨אנָה (vatetsena) = en ze gingen uit | הַנָּשִׁ֜ים (hanashim) = de vrouwen | מִכָּל (mikal) = uit alle | עָרֵ֤י (arei) = steden van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לָשִׁ֣יר (lashir) = om te zingen | וְהַמְּחֹל֔וֹת (vehamecholot) = en te dansen | לִקְרַ֖את (liqrat) = tegemoet | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּתֻפִּ֥ים (betupim) = met tamboerijnen | בְּשִׂמְחָ֖ה (besimcha) = met vreugde | וּבְשָׁלִשִֽׁים (uveshalishim) = en met triangels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלִשִׁים (shalishim), ‘triangels’: letterlijk ‘drietallen’. Het is een muziekinstrument. Wat voor instrument precies, is onzeker. Mogelijk een driehoekig of driesnarig instrument. Voetnoot Lezing: In het geschreven Hebreeuws staat לשור (lashur). De voorgelezen tekst heeft לָשִׁיר (lashir), ‘om te zingen’. Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: Ex 15:20; Re 11:34; Ps 68:26; Jer 31:11–13 **18:7** De vrouwen zongen elkaar toe terwijl zij speelden. Zij zeiden: „Saul versloeg zijn duizenden, en David zijn tienduizenden.” Brontekst: וַֽתַּעֲנֶ֛ינָה (vataaneina) = en ze zongen elkaar toe | הַנָּשִׁ֥ים (hanashim) = de vrouwen | הַֽמְשַׂחֲק֖וֹת (hamsachaqot) = de spelende | וַתֹּאמַ֑רְןָ (vatomarna) = en ze zeiden | הִכָּ֤ה (hika) = versloeg | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בַּאֲלָפָ֔יו (baalafav) = zijn duizenden | וְדָוִ֖ד (vedavid) = en David | בְּרִבְבֹתָֽיו (berivvotav) = zijn tienduizenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een lied met twee regels die op elkaar antwoorden: duizenden en tienduizenden. Het keert terug in 1 Sam. 21:12 en 29:5. Zie ook: Ex 15:21; 1 Sam 21:12; 1 Sam 29:5; Ps 24:7–8 **18:8** Saul werd zeer boos. Dit woord was kwaad in zijn ogen. Hij zei: „Aan David hebben zij tienduizenden gegeven. Aan mij hebben zij de duizenden gegeven. Nu mist hij alleen nog het koningschap.” Brontekst: וַיִּ֨חַר (vayichar) = en hij werd boos | לְשָׁא֜וּל (leshaul) = voor Saul | מְאֹ֗ד (meod) = zeer | וַיֵּ֤רַע (vayera) = en het was kwaad | בְּעֵינָיו֙ (beeinav) = in zijn ogen | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | נָתְנ֤וּ (natenu) = ze hebben gegeven | לְדָוִד֙ (ledavid) = aan David | רְבָב֔וֹת (revavot) = tienduizenden | וְלִ֥י (veli) = en aan mij | נָתְנ֖וּ (natenu) = ze hebben gegeven | הָאֲלָפִ֑ים (haalafim) = de duizenden | וְע֥וֹד (veod) = en nog | ל֖וֹ (lo) = aan hem | אַ֥ךְ (akh) = alleen | הַמְּלוּכָֽה (hamelukha) = het koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Saul begrijpt wat het lied zegt: er blijft voor David nog maar één ding over, het koningschap. Vergelijk 1 Sam. 15:28. Zie ook: 1 Sam 15:28; 1 Sam 20:31; Spr 13:10; Est 3:5; Jak 4:5 **18:9** Vanaf die dag keek Saul David met argwaan aan. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | עוֹיֵ֣ן (oyen) = kijkend met argwaan naar | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֑ד (david) = David | מֵהַיּ֥וֹם (mehayom) = vanaf de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | וָהָֽלְאָה (vahalea) = en verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De voorgelezen tekst heeft עוֹיֵן (oyen). Dat woord komt van עַיִן (ayin), ‘oog’: Saul keek hem kritisch en wantrouwig aan. In het geschreven Hebreeuws staat de letterreeks עון (avon). Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: Gen 4:5–6; Gen 31:2; Mat 20:15; Jak 5:9; Ef 4:27 ### Saul werpt de speer **18:10** De volgende dag kwam een boze geest van Elohim met kracht over Saul. Hij profeteerde in het huis. David speelde met zijn hand, zoals elke dag. Saul had de speer in zijn hand. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֗ת (mimachorat) = de volgende dag | וַתִּצְלַ֣ח (vatitslach) = en kwam met kracht | רוּחַ֩ (ruach) = de geest van | אֱלֹהִ֨ים (Elohim) = Elohim | רָעָ֤ה (raa) = boze | אֶל (el) = over | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | וַיִּתְנַבֵּ֣א (vayitnabe) = en hij profeteerde | בְתוֹךְ (betokh) = in het midden van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וְדָוִ֛ד (vedavid) = en David | מְנַגֵּ֥ן (menagen) = spelend | בְּיָד֖וֹ (beyado) = met zijn hand | כְּי֣וֹם (keyom) = zoals dag | בְּי֑וֹם (beyom) = op dag | וְהַחֲנִ֖ית (vehachanit) = en de speer | בְּיַד (beyad) = in de hand van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ אֱלֹהִים רָעָה (ruach elohim ra'ah), ‘een boze geest van Elohim’. Zie ook 1 Sam. 16:14–16 en 16:23. Voetnoot : וַיִּתְנַבֵּא (vayitnabbe), ‘hij profeteerde’: Saul raakt buiten zichzelf en spreekt of beweegt onbeheerst. De tekst noemt hier geen boodschap. Voetnoot : וַתִּצְלַח (vattitslach), ‘kwam met kracht’: zoals de geest van Yahweh over Simson kwam (Richt. 14:6). Zie ook: Re 14:6; 1 Sam 16:14–16; 1 Sam 16:23; 1 Sam 19:9; 1 Kon 18:29; 2 Tess 2:11 **18:11** Saul wierp de speer. Hij zei: „Ik zal David en de muur treffen.” David week twee keer voor hem uit. Brontekst: וַיָּ֤טֶל (vayatel) = en hij wierp | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶֽת (et) = (obj.) | הַחֲנִ֔ית (hachanit) = de speer | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַכֶּ֥ה (ake) = ik zal treffen | בְדָוִ֖ד (bedavid) = David | וּבַקִּ֑יר (uvaqir) = en de muur | וַיִּסֹּ֥ב (vayisov) = en hij week uit | דָּוִ֛ד (david) = David | מִפָּנָ֖יו (mipanav) = voor hem | פַּעֲמָֽיִם (paamayim) = twee keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde aanval staat in 1 Sam. 19:10. Zie ook: 1 Sam 19:10; 1 Sam 20:33; Ps 37:32–33; Jes 54:17; Luc 4:30; Joh 8:59 **18:12** Saul was bang voor David, want Yahweh was met hem. Maar van Saul was Hij weggegaan. Brontekst: וַיִּרָ֥א (vayira) = en hij was bang | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = voor het aangezicht van | דָוִ֑ד (david) = David | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֤ה (haya) = was | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וּמֵעִ֥ם (umeim) = en van bij | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | סָֽר (sar) = was Hij weggegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘Hij’ bedoelt de tekst Yahweh. Zie 1 Sam. 16:14. Zie ook: 1 Sam 16:13–14; 1 Sam 16:14; 1 Sam 16:18; 1 Sam 18:15; 1 Sam 18:29; 1 Sam 28:15 **18:13** Saul stuurde hem bij zich weg. Hij stelde hem aan als aanvoerder over duizend. David ging uit en kwam binnen, aan het hoofd van het volk. Brontekst: וַיְסִרֵ֤הוּ (vaysirehu) = en hij liet hem weggaan | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | מֵֽעִמּ֔וֹ (meimo) = van zich | וַיְשִׂמֵ֥הוּ (vaysimehu) = en hij stelde hem aan | ל֖וֹ (lo) = voor zich | שַׂר (sar) = aanvoerder van | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging uit | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam binnen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂר אָלֶף (sar alef), ‘aanvoerder van duizend’: zie 1 Sam. 17:18. Voetnoot : וַיֵּצֵא וַיָּבֹא (vayyetse vayyavo), ‘hij ging uit en kwam binnen’: het gewone beeld voor een leider van het volk in de strijd. Zie Num. 27:17. Zie ook: Num 27:16–17; Num 27:17; 1 Sam 17:18; 1 Sam 18:16–17; 1 Sam 18:25; 2 Sam 5:2; Ps 121:8 **18:14** David had succes op al zijn wegen, en Yahweh was met hem. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דָוִ֛ד (david) = David | לְכָל (lekhal) = in al | דָּרְכָ֖ו (darekhav) = zijn wegen | מַשְׂכִּ֑יל (maskil) = had succes | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 39:2–3; Gen 39:23; Joz 6:27; 1 Sam 16:18; Mat 28:20 **18:15** Saul zag dat hij zeer veel succes had. Hij huiverde voor hem. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אֲשֶׁר (asher) = dat | ה֖וּא (hu) = hij | מַשְׂכִּ֣יל (maskil) = succes had | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיָּ֖גָר (vayagar) = en hij huiverde | מִפָּנָֽיו (mipanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 112:5; Dan 6:5–6; Jak 1:5; Jak 3:17; Kol 4:5 **18:16** Heel Israël en Juda hadden David lief, want hij ging uit en kwam binnen aan hun hoofd. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וִיהוּדָ֔ה (vihuda) = en Juda | אֹהֵ֖ב (ohev) = had lief | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֑ד (david) = David | כִּֽי (ki) = want | ה֛וּא (hu) = hij | יוֹצֵ֥א (yotse) = uitging | וָבָ֖א (vava) = en binnenkwam | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hun aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 27:17; 1 Sam 18:5; 2 Sam 5:2; 1 Kon 3:7; Luc 19:48 ### Merab en Michal **18:17** Saul zei tegen David: „Zie, mijn oudste dochter Merab. Haar geef ik je tot vrouw. Wees alleen dapper voor mij en voer de oorlogen van Yahweh.” Want Saul zei: „Mijn hand zal niet tegen hem zijn. De hand van de Filistijnen zal tegen hem zijn.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | דָּוִ֗ד (david) = David | הִנֵּה֩ (hine) = zie | בִתִּ֨י (biti) = mijn dochter | הַגְּדוֹלָ֤ה (hagedola) = de oudste | מֵרַב֙ (merav) = Merab | אֹתָהּ֙ (otah) = haar | אֶתֶּן (eten) = zal ik geven | לְךָ֣ (lekha) = aan jou | לְאִשָּׁ֔ה (leisha) = tot vrouw | אַ֚ךְ (akh) = alleen | הֱיֵה (heye) = wees | לִּ֣י (li) = voor mij | לְבֶן (leven) = een zoon van | חַ֔יִל (chayil) = kracht | וְהִלָּחֵ֖ם (vehilachem) = en voer | מִלְחֲמ֣וֹת (milchamot) = de oorlogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְשָׁא֣וּל (veshaul) = en Saul | אָמַ֗ר (amar) = zei | אַל (al) = niet | תְּהִ֤י (tehi) = zal zijn | יָדִי֙ (yadi) = mijn hand | בּ֔וֹ (bo) = tegen hem | וּתְהִי (utehi) = en zal zijn | ב֖וֹ (bo) = tegen hem | יַד (yad) = de hand van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: בֶּן־חַיִל (ben chayil), letterlijk ‘zoon van kracht’: een dappere man. Voetnoot : מִלְחֲמוֹת יהוה (milchamot Yahweh), ‘de oorlogen van Yahweh’: zie Num. 21:14. Zie ook: Num 21:14; 1 Sam 17:25; 1 Sam 17:47; 1 Sam 18:21; 1 Sam 18:25; 1 Sam 25:28 **18:18** David zei tegen Saul: „Wie ben ik, en wat is mijn leven? Wat is de familie van mijn vader in Israël, dat ik de schoonzoon van de koning zou worden?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֜ד (david) = David | אֶל (el) = tot | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | מִ֤י (mi) = wie | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = ik | וּמִ֣י (umi) = en wie | חַיַּ֔י (chayay) = mijn leven | מִשְׁפַּ֥חַת (mishpachat) = de familie van | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | כִּֽי (ki) = dat | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = ik zal worden | חָתָ֖ן (chatan) = schoonzoon van | לַמֶּֽלֶךְ (lamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי חַיָּי (mi chayyai), ‘wat is mijn leven’: de woorden zijn moeilijk. Sommigen lezen ‘wat is mijn familie’. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Ex 3:11; Ruth 2:10; 1 Sam 9:21; 1 Sam 18:23; 2 Sam 7:18 **18:19** Toen de tijd kwam om Merab, de dochter van Saul, aan David te geven, werd zij als vrouw gegeven aan Adriël, de Mecholatiet. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בְּעֵ֥ת (beet) = in de tijd | תֵּ֛ת (tet) = om te geven | אֶת (et) = (obj.) | מֵרַ֥ב (merav) = Merab | בַּת (bat) = dochter van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לְדָוִ֑ד (ledavid) = aan David | וְהִ֧יא (vehi) = en zij | נִתְּנָ֛ה (nitena) = werd gegeven | לְעַדְרִיאֵ֥ל (leadriel) = aan Adriël | הַמְּחֹלָתִ֖י (hamecholati) = de Mecholatiet | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mechola, ook Abel-Mechola, ligt waarschijnlijk in het Jordaandal (Westelijke Jordaanoever of Jordanië). De ligging is onzeker. Adriël komt ook voor in 2 Sam. 21:8. Zie ook: Re 7:22; Re 14:20; 2 Sam 21:8 **18:20** Michal, de dochter van Saul, had David lief. Men vertelde het aan Saul, en het was goed in zijn ogen. Brontekst: וַתֶּאֱהַ֛ב (vateehav) = en ze had lief | מִיכַ֥ל (mikhal) = Michal | בַּת (bat) = dochter van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיַּגִּ֣דוּ (vayagidu) = en ze vertelden | לְשָׁא֔וּל (leshaul) = aan Saul | וַיִּשַׁ֥ר (vayishar) = en het was goed | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | בְּעֵינָֽיו (beeinav) = in zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 18:28 **18:21** Saul zei: „Ik zal haar aan hem geven. Zij zal een valstrik voor hem zijn, en de hand van de Filistijnen zal tegen hem zijn.” Saul zei tegen David: „Door de tweede kun je vandaag mijn schoonzoon worden.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶתְּנֶ֤נָּה (etenena) = ik zal haar geven | לּוֹ֙ (lo) = aan hem | וּתְהִי (utehi) = en ze zal zijn | ל֣וֹ (lo) = voor hem | לְמוֹקֵ֔שׁ (lemoqesh) = tot valstrik | וּתְהִי (utehi) = en zal zijn | ב֖וֹ (bo) = tegen hem | יַד (yad) = de hand van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | דָּוִ֔ד (david) = David | בִּשְׁתַּ֛יִם (bishtayim) = door de tweede | תִּתְחַתֵּ֥ן (titchaten) = zul je schoonzoon worden | בִּ֖י (bi) = van mij | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: בִּשְׁתַּיִם (bishtayim), letterlijk ‘in twee’. De betekenis is niet zeker. Het kan zijn: ‘door de tweede’ (de tweede dochter, na Merab, of de tweede kans). Het kan ook zijn: ‘met twee dingen’. Wij vertalen ‘door de tweede’. Zie ook: Ex 10:7; 1 Sam 18:17; 1 Sam 18:26; 1 Sam 19:11–12; Jer 9:7 **18:22** Saul gaf zijn dienaren opdracht: „Spreek in het geheim met David. Zeg: ‘Zie, de koning heeft behagen in je, en al zijn dienaren hebben je lief. Word nu de schoonzoon van de koning.’” Brontekst: וַיְצַ֨ו (vaytsav) = en hij gaf opdracht | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדָ֗ו (avadav) = zijn dienaren | דַּבְּר֨וּ (daberu) = spreekt | אֶל (el) = tot | דָּוִ֤ד (david) = David | בַּלָּט֙ (balat) = in het geheim | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | חָפֵ֤ץ (chafets) = heeft behagen | בְּךָ֙ (bekha) = in je | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְכָל (vekhal) = en al | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | אֲהֵב֑וּךָ (ahevukha) = hebben je lief | וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | הִתְחַתֵּ֥ן (hitchaten) = word schoonzoon | בַּמֶּֽלֶךְ (bamelekh) = van de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 13:28–29; Ps 36:2–4; Ps 55:22; Spr 29:12 **18:23** De dienaren van Saul spraken deze woorden in de oren van David. David zei: „Is het gering in jullie ogen om de schoonzoon van de koning te worden? Ik ben een arme man en onbelangrijk.” Brontekst: וַֽיְדַבְּר֞וּ (vaydaberu) = en ze spraken | עַבְדֵ֤י (avdei) = de dienaren van | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | דָוִ֔ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֗ד (david) = David | הַֽנְקַלָּ֤ה (hanqala) = is het gering | בְעֵֽינֵיכֶם֙ (beeineikhem) = in jullie ogen | הִתְחַתֵּ֣ן (hitchaten) = om schoonzoon te worden | בַּמֶּ֔לֶךְ (bamelekh) = van de koning | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | אִֽישׁ (ish) = een man | רָ֥שׁ (rash) = arm | וְנִקְלֶֽה (veniqle) = en onbelangrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשׁ (rash), ‘arm’: David noemt zichzelf en zijn familie arm. Zie ook: 1 Sam 9:21; Ps 119:141; Spr 14:20; Pred 9:15–16; 1 Joh 3:1 **18:24** De dienaren van Saul vertelden hem: „Dit zijn de woorden die David heeft gesproken.” Brontekst: וַיַּגִּ֜דוּ (vayagidu) = en ze vertelden | עַבְדֵ֥י (avdei) = de dienaren van | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | ל֖וֹ (lo) = aan hem | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כַּדְּבָרִ֥ים (kadevarim) = zoals de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:25** Saul zei: „Zeg dit tegen David: ‘De koning wil geen bruidsprijs. Hij wil alleen honderd voorhuiden van de Filistijnen, om wraak te nemen op de vijanden van de koning.’” Saul wilde David laten vallen door de hand van de Filistijnen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | כֹּֽה (ko) = zo | תֹאמְר֣וּ (tomru) = zul je zeggen | לְדָוִ֗ד (ledavid) = tegen David | אֵֽין (ein) = niet | חֵ֤פֶץ (chefets) = verlangen | לַמֶּ֨לֶךְ֙ (lamelekh) = de koning | בְּמֹ֔הַר (bemohar) = naar een bruidsprijs | כִּ֗י (ki) = maar | בְּמֵאָה֙ (bemea) = naar honderd | עָרְל֣וֹת (arelot) = voorhuiden van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | לְהִנָּקֵ֖ם (lehinaqem) = om wraak te nemen | בְּאֹיְבֵ֣י (beoyevei) = op de vijanden van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְשָׁא֣וּל (veshaul) = en Saul | חָשַׁ֔ב (chashav) = dacht | לְהַפִּ֥יל (lehapil) = te laten vallen | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | בְּיַד (beyad) = door de hand van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מֹהַר (mohar), ‘bruidsprijs’: het bedrag dat de bruidegom aan de familie van de bruid geeft. Zie Gen. 34:12 en Exod. 22:16. Voetnoot : ערלות (arlot), ‘voorhuiden’: de voorhuiden zijn het bewijs dat David de Filistijnen heeft gedood. Filistijnen waren onbesneden. Zie ook: Gen 34:12; Ex 22:15–16; Ex 22:16; 1 Sam 14:24; 1 Sam 18:17; 2 Sam 17:8–11 **18:26** Zijn dienaren vertelden David deze woorden. Het woord was goed in de ogen van David, om de schoonzoon van de koning te worden. De dagen waren nog niet voorbij. Brontekst: וַיַּגִּ֨דוּ (vayagidu) = en ze vertelden | עֲבָדָ֤יו (avadav) = zijn dienaren | לְדָוִד֙ (ledavid) = aan David | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וַיִּשַׁ֤ר (vayishar) = en het was goed | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | דָוִ֔ד (david) = David | לְהִתְחַתֵּ֖ן (lehitchaten) = om schoonzoon te worden | בַּמֶּ֑לֶךְ (bamelekh) = van de koning | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מָלְא֖וּ (maleu) = waren vol | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 18:21 **18:27** David stond op en ging, hij en zijn mannen. Hij versloeg 200 man van de Filistijnen. David bracht hun voorhuiden en telde ze vol voor de koning, om de schoonzoon van de koning te worden. Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en hij stond op | דָּוִ֜ד (david) = David | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | ה֣וּא (hu) = hij | וַאֲנָשָׁ֗יו (vaanashav) = en zijn mannen | וַיַּ֣ךְ (vayakh) = en hij versloeg | בַּפְּלִשְׁתִּים֮ (bapelishtim) = onder de Filistijnen | מָאתַ֣יִם (matayim) = tweehonderd | אִישׁ֒ (ish) = man | וַיָּבֵ֤א (vayave) = en hij bracht | דָוִד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | עָרְלֹ֣תֵיהֶ֔ם (areloteihem) = hun voorhuiden | וַיְמַלְא֣וּם (vaymalum) = en ze maakten ze vol | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | לְהִתְחַתֵּ֖ן (lehitchaten) = om schoonzoon te worden | בַּמֶּ֑לֶךְ (bamelekh) = van de koning | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | ל֥וֹ (lo) = aan hem | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | מִיכַ֥ל (mikhal) = Michal | בִּתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘tweehonderd’. In 2 Sam. 3:14 spreekt David over honderd voorhuiden. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 14:19; 1 Sam 18:13; 2 Sam 3:14 ### Saul wordt een vijand van David **18:28** Saul zag en wist dat Yahweh met David was. Ook Michal, de dochter van Saul, had hem lief. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en hij zag | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | וַיֵּ֔דַע (vayeda) = en hij wist | כִּ֥י (ki) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִם (im) = met | דָּוִ֑ד (david) = David | וּמִיכַ֥ל (umikhal) = en Michal | בַּת (bat) = dochter van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֲהֵבַֽתְהוּ (ahevathu) = had hem lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:8–11; Gen 39:3; 1 Sam 24:21; 1 Sam 26:25; Openb 3:9 **18:29** Saul werd nog banger voor David. Saul bleef al die dagen een vijand van David. Brontekst: וַיֹּ֣אסֶף (vayosef) = en hij voegde toe | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | לֵרֹ֛א (lero) = te vrezen | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor het aangezicht van | דָוִ֖ד (david) = David | ע֑וֹד (od) = nog | וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij was | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | אֹיֵ֥ב (oyev) = vijand van | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:4–8; Pred 4:4; Joh 11:53; Jak 2:19; 1 Joh 3:12–15 **18:30** De vorsten van de Filistijnen trokken ten strijde. Telkens als zij uittrokken, had David meer succes dan alle dienaren van Saul. Zijn naam werd zeer hoog geacht. Brontekst: וַיֵּצְא֖וּ (vayetseu) = en ze trokken uit | שָׂרֵ֣י (sarei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | מִדֵּ֣י (midei) = telkens | צֵאתָ֗ם (tsetam) = hun uittrekken | שָׂכַ֤ל (sakhal) = had succes | דָּוִד֙ (david) = David | מִכֹּל֙ (mikol) = meer dan alle | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיִּיקַ֥ר (vayiqar) = en het werd kostbaar | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 2:30; 1 Sam 18:5; 2 Sam 11:1; Ps 119:99; Ef 5:15 ## 1 Samuël 19 _Saul wil David doden_ ### Jonatan pleit voor David **19:1** Saul sprak tot zijn zoon Jonatan en tot al zijn dienaren over het doden van David. Maar Jonatan, de zoon van Saul, had zeer veel behagen in David. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | יוֹנָתָ֤ן (yonatan) = Jonatan | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | וְאֶל (veel) = en tot | כָּל (kal) = alle | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | לְהָמִ֖ית (lehamit) = om te doden | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֑ד (david) = David | וִיהֽוֹנָתָן֙ (vihonatan) = en Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | חָפֵ֥ץ (chafets) = had behagen | בְּדָוִ֖ד (bedavid) = in David | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 18:1; 1 Sam 18:9 **19:2** Jonatan vertelde het aan David: „Mijn vader Saul probeert je te doden. Wees daarom morgenochtend op je hoede. Blijf op een schuilplaats en verberg je. Brontekst: וַיַּגֵּ֤ד (vayaged) = en hij vertelde | יְהוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | לְדָוִ֣ד (ledavid) = aan David | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מְבַקֵּ֛שׁ (mevaqesh) = zoekt | שָׁא֥וּל (shaul) = Saul | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | לַהֲמִיתֶ֑ךָ (lahamitekha) = je te doden | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הִשָּֽׁמֶר (hishamer) = wees op je hoede | נָ֣א (na) = toch | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְיָשַׁבְתָּ֥ (veyashavta) = en blijf | בַסֵּ֖תֶר (baseter) = in een schuilplaats | וְנַחְבֵּֽאתָ (venachbeta) = en verberg je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 20:2; Ps 16:3; Spr 17:17; Hand 9:24; 1 Joh 3:12–14 **19:3** Dan ga ik naar buiten en blijf naast mijn vader staan op het veld waar jij bent. Ik zal met mijn vader over jou spreken. Ik zal zien wat er is en het je vertellen.” Brontekst: וַאֲנִ֨י (vaani) = en ik | אֵצֵ֜א (etse) = zal uitgaan | וְעָמַדְתִּ֣י (veamadti) = en zal staan | לְיַד (leyad) = naast | אָבִ֗י (avi) = mijn vader | בַּשָּׂדֶה֙ (basade) = in het veld | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שָׁ֔ם (sham) = daar | וַאֲנִ֕י (vaani) = en ik | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = zal spreken | בְּךָ֖ (bekha) = over je | אֶל (el) = tot | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וְרָאִ֥יתִי (veraiti) = en ik zal zien | מָ֖ה (ma) = wat | וְהִגַּ֥דְתִּי (vehigadti) = en ik zal vertellen | לָֽךְ (lakh) = je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 20:9; 1 Sam 20:13 **19:4** Jonatan sprak goed over David tegen zijn vader Saul. Hij zei: „Laat de koning niet zondigen tegen zijn dienaar David. Want hij heeft niet tegen u gezondigd, en wat hij deed, is zeer goed voor u. Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en hij sprak | יְהוֹנָתָ֤ן (yehonatan) = Jonatan | בְּדָוִד֙ (bedavid) = over David | ט֔וֹב (tov) = goed | אֶל (el) = tot | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵ֠לָיו (elav) = tot hem | אַל (al) = niet | יֶחֱטָ֨א (yecheta) = laat zondigen | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּעַבְדּ֣וֹ (beavdo) = tegen zijn dienaar | בְדָוִ֗ד (bedavid) = tegen David | כִּ֣י (ki) = want | ל֤וֹא (lo) = niet | חָטָא֙ (chata) = hij heeft gezondigd | לָ֔ךְ (lakh) = tegen u | וְכִ֥י (vekhi) = en want | מַעֲשָׂ֖יו (maasav) = zijn daden | טוֹב (tov) = goed | לְךָ֥ (lekha) = voor u | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jonatan spreekt zijn vader, de koning, aan met ‘u’. Zo doet hij ook in vers 5. Zie ook: Gen 42:22; 1 Sam 19:5; 1 Sam 20:32; Spr 17:13; Spr 31:8–9; Jer 18:20 **19:5** Hij nam zijn leven in zijn hand en versloeg de Filistijn. Yahweh bracht een grote redding voor heel Israël. U hebt het gezien en u was blij. Waarom zou u zondigen tegen onschuldig bloed door David zonder reden te doden?” Brontekst: וַיָּשֶׂם֩ (vayasem) = en hij zette | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁ֨וֹ (nafsho) = zijn leven | בְכַפּ֜וֹ (bekhapo) = in zijn hand | וַיַּ֣ךְ (vayakh) = en hij versloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּלִשְׁתִּ֗י (hapelishti) = de Filistijn | וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij bracht | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | תְּשׁוּעָ֤ה (teshua) = redding | גְדוֹלָה֙ (gedola) = grote | לְכָל (lekhal) = voor heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | רָאִ֖יתָ (raita) = u hebt gezien | וַתִּשְׂמָ֑ח (vatismach) = en u was blij | וְלָ֤מָּה (velama) = en waarom | תֶֽחֱטָא֙ (techeta) = zou u zondigen | בְּדָ֣ם (bedam) = tegen bloed | נָקִ֔י (naqi) = onschuldig | לְהָמִ֥ית (lehamit) = om te doden | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | חִנָּֽם (chinam) = zonder reden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn leven in zijn hand nemen’ betekent: een groot risico nemen. Zie ook Richt. 12:3. Voetnoot : דָּם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: zie Deut. 19:10. Zie ook: Deut 19:10; Re 9:17; Re 12:3; 1 Sam 11:13; 1 Sam 20:32; 1 Kron 11:14; Mat 27:4 **19:6** Saul luisterde naar de stem van Jonatan. Saul zwoer: „Zo waar Yahweh leeft: hij zal niet gedood worden.” Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en hij luisterde | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוֹנָתָ֑ן (yehonatan) = Jonatan | וַיִּשָּׁבַ֣ע (vayishava) = en hij zwoer | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | יוּמָֽת (yumat) = hij gedood wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zo waar Yahweh leeft’ is een eedformule. Saul houdt zijn eed niet lang vol, zie vers 9–10. Zie ook: 1 Sam 14:39; 1 Sam 19:9–10; 1 Sam 19:10–11; Ps 15:4; Spr 26:24–25; Jer 5:2 **19:7** Jonatan riep David en vertelde hem al deze woorden. Jonatan bracht David bij Saul. David was bij hem zoals eerder, gisteren en eergisteren. Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij riep | יְהוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | לְדָוִ֔ד (ledavid) = David | וַיַּגֶּד (vayaged) = en hij vertelde | לוֹ֙ (lo) = hem | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיָּבֵ֨א (vayave) = en hij bracht | יְהוֹנָתָ֤ן (yehonatan) = Jonatan | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = naar | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij was | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor hem | כְּאֶתְמ֥וֹל (keetmol) = zoals gisteren | שִׁלְשֽׁוֹם (shilshom) = eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:10; 1 Sam 16:21; 1 Sam 18:2; 1 Sam 18:10; 1 Sam 18:13 ### Saul werpt opnieuw de speer **19:8** De oorlog ging weer door. David ging uit en streed tegen de Filistijnen. Hij versloeg hen met een grote slag, en zij vluchtten voor hem. Brontekst: וַתּ֥וֹסֶף (vatosef) = en ging door | הַמִּלְחָמָ֖ה (hamilchama) = de oorlog | לִֽהְי֑וֹת (lihyot) = om te zijn | וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en hij ging uit | דָוִ֜ד (david) = David | וַיִּלָּ֣חֶם (vayilachem) = en hij streed | בַּפְּלִשְׁתִּ֗ים (bapelishtim) = tegen de Filistijnen | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en hij versloeg | בָּהֶם֙ (bahem) = onder hen | מַכָּ֣ה (maka) = een slag | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = grote | וַיָּנֻ֖סוּ (vayanusu) = en ze vluchtten | מִפָּנָֽיו (mipanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Ps 18:33–51; Ps 27:3 **19:9** Een boze geest van Yahweh kwam over Saul. Hij zat in zijn huis, met zijn speer in zijn hand. David speelde met zijn hand. Brontekst: וַתְּהִי֩ (vatehi) = en kwam | ר֨וּחַ (ruach) = een geest van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | רָעָה֙ (raa) = boze | אֶל (el) = over | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | בְּבֵית֣וֹ (beveito) = in zijn huis | יוֹשֵׁ֔ב (yoshev) = zittend | וַחֲנִית֖וֹ (vachanito) = en zijn speer | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וְדָוִ֖ד (vedavid) = en David | מְנַגֵּ֥ן (menagen) = spelend | בְּיָֽד (beyad) = met de hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ־יהוה רָעָה (ruach Yahweh ra'ah), ‘een boze geest van Yahweh’: zie 1 Sam. 16:14. In 1 Sam. 18:10 staat ‘een boze geest van Elohim’. Zie ook: 1 Sam 16:14; 1 Sam 16:16; 1 Sam 18:10–11 **19:10** Saul probeerde David en de muur met de speer te treffen. David glipte weg voor Saul, en Saul trof met de speer de muur. David vluchtte en ontkwam in die nacht. Brontekst: וַיְבַקֵּ֨שׁ (vayvaqesh) = en hij probeerde | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | לְהַכּ֤וֹת (lehakot) = te treffen | בַּֽחֲנִית֙ (bachanit) = met de speer | בְּדָוִ֣ד (bedavid) = David | וּבַקִּ֔יר (uvaqir) = en de muur | וַיִּפְטַר֙ (vayiftar) = en hij glipte weg | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en hij trof | אֶֽת (et) = (obj.) | הַחֲנִ֖ית (hachanit) = de speer | בַּקִּ֑יר (baqir) = in de muur | וְדָוִ֛ד (vedavid) = en David | נָ֥ס (nas) = vluchtte | וַיִּמָּלֵ֖ט (vayimalet) = en ontkwam | בַּלַּ֥יְלָה (balayla) = in de nacht | הֽוּא (hu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde aanval staat in 1 Sam. 18:11. Zie ook: 1 Sam 18:11; 1 Sam 20:33; Spr 21:30; Luc 11:24–26; 2 Petr 2:20–22 ### Michal redt David **19:11** Saul stuurde boodschappers naar het huis van David om hem te bewaken en 's morgens te doden. Zijn vrouw Michal vertelde het aan David: „Als jij vannacht je leven niet in veiligheid brengt, word je morgen gedood.” Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en hij zond | שָׁא֨וּל (shaul) = Saul | מַלְאָכִ֜ים (malakhim) = boodschappers | אֶל (el) = naar | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | דָּוִד֙ (david) = David | לְשָׁמְר֔וֹ (leshamero) = om hem te bewaken | וְלַהֲמִית֖וֹ (velahamito) = en om hem te doden | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de morgen | וַתַּגֵּ֣ד (vataged) = en ze vertelde | לְדָוִ֗ד (ledavid) = aan David | מִיכַ֤ל (mikhal) = Michal | אִשְׁתּוֹ֙ (ishto) = zijn vrouw | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אִם (im) = als | אֵ֨ינְךָ֜ (einekha) = niet jij | מְמַלֵּ֤ט (memalet) = in veiligheid brengt | אֶֽת (et) = (obj.) | נַפְשְׁךָ֙ (nafshekha) = je leven | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = de nacht | מָחָ֖ר (machar) = morgen | אַתָּ֥ה (ata) = jij | מוּמָֽת (mumat) = word je gedood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Boodschappers sturen om iemands huis te bewaken: zie het opschrift van Psalm 59. Zie ook: Re 16:2; Ps 59:2–18 **19:12** Michal liet David door het raam naar beneden. Hij ging weg, vluchtte en ontkwam. Brontekst: וַתֹּ֧רֶד (vatored) = en ze liet neer | מִיכַ֛ל (mikhal) = Michal | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | בְּעַ֣ד (bead) = door | הַחַלּ֑וֹן (hachalon) = het raam | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַיִּבְרַ֖ח (vayivrach) = en hij vluchtte | וַיִּמָּלֵֽט (vayimalet) = en hij ontkwam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 2:15; Ps 34:20; Hand 9:24–25; 2 Kor 11:32–33 **19:13** Michal nam de terafim en legde ze op het bed. Bij het hoofdeind legde zij een geitenharen kleed en zij bedekte het met een gewaad. Brontekst: וַתִּקַּ֨ח (vatiqach) = en ze nam | מִיכַ֜ל (mikhal) = Michal | אֶת (et) = (obj.) | הַתְּרָפִ֗ים (haterafim) = de terafim | וַתָּ֨שֶׂם֙ (vatasem) = en ze legde | אֶל (el) = op | הַמִּטָּ֔ה (hamita) = het bed | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כְּבִ֣יר (kevir) = een kleed van | הָֽעִזִּ֔ים (haizim) = de geit | שָׂ֖מָה (sama) = daarheen | מְרַֽאֲשֹׁתָ֑יו (meraashotav) = bij zijn hoofd | וַתְּכַ֖ס (vatekhas) = en ze bedekte | בַּבָּֽגֶד (babaged) = met een gewaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרָפִים (terafim), ‘terafim’: huisbeelden, zoals Rachel er had meegenomen (Gen. 31:19). Dit beeld was groot genoeg om voor een mens door te gaan. Voetnoot : כְּבִיר הָעִזִּים (kevir ha'izzim), ‘geitenharen kleed’: een weefsel van geitenhaar. Voetnoot Lezing: De betekenis van כביר (kevir) is onzeker. Het kan een kleed, een kussen of een net zijn. Wij vertalen ‘geitenharen kleed’. Zie ook: Gen 31:19; Re 17:5; Re 18:14; Re 18:17; Hos 3:4 **19:14** Saul stuurde boodschappers om David te halen. Michal zei: „Hij is ziek.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en hij zond | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | מַלְאָכִ֖ים (malakhim) = boodschappers | לָקַ֣חַת (laqachat) = om te nemen | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֑ד (david) = David | וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en ze zei | חֹלֶ֥ה (chole) = ziek | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 2:5; 2 Sam 16:17–19; 2 Sam 17:20 **19:15** Saul stuurde de boodschappers terug om David te zien. Hij zei: „Breng hem met het bed naar mij, zodat ik hem kan doden.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij zond | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּלְאָכִ֔ים (hamalakhim) = de boodschappers | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הַעֲל֨וּ (haalu) = breng | אֹת֧וֹ (oto) = hem | בַמִּטָּ֛ה (bamita) = op het bed | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | לַהֲמִתֽוֹ (lahamito) = om hem te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:31; 1 Sam 19:6; Ps 37:12; Spr 27:3–4; Rom 3:15 **19:16** De boodschappers kwamen. En zie, de terafim lagen op het bed, met het geitenharen kleed bij het hoofdeind. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en ze kwamen | הַמַּלְאָכִ֔ים (hamalakhim) = de boodschappers | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | הַתְּרָפִ֖ים (haterafim) = de terafim | אֶל (el) = op | הַמִּטָּ֑ה (hamita) = het bed | וּכְבִ֥יר (ukhevir) = en het kleed van | הָעִזִּ֖ים (haizim) = de geit | מְרַאֲשֹׁתָֽיו (meraashotav) = bij zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:17** Saul zei tegen Michal: „Waarom heb je mij zo bedrogen? Je hebt mijn vijand laten gaan, zodat hij is ontkomen.” Michal zei tegen Saul: „Hij zei tegen mij: ‘Laat mij gaan. Waarom zou ik je doden?’” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | מִיכַ֗ל (mikhal) = Michal | לָ֤מָּה (lama) = waarom | כָּ֨כָה֙ (kakha) = zo | רִמִּיתִ֔נִי (rimitini) = heb je mij bedrogen | וַתְּשַׁלְּחִ֥י (vateshalechi) = en je hebt laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבִ֖י (oyevi) = mijn vijand | וַיִּמָּלֵ֑ט (vayimalet) = en hij is ontkomen | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | מִיכַל֙ (mikhal) = Michal | אֶל (el) = tot | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הוּא (hu) = hij | אָמַ֥ר (amar) = zei | אֵלַ֛י (elay) = tot mij | שַׁלְּחִ֖נִי (shalechini) = laat mij gaan | לָמָ֥ה (lama) = waarom | אֲמִיתֵֽךְ (amitekh) = zou ik je doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Michal geeft Saul een andere reden dan in vers 11–12. De tekst oordeelt er niet over. Zie ook: Ex 1:17–19; 1 Sam 19:11–12; 1 Sam 19:14; 2 Sam 2:22; Mat 2:16; Gal 4:16 ### David bij Samuël in Najot **19:18** David vluchtte en ontkwam. Hij kwam bij Samuël in Rama en vertelde hem alles wat Saul hem had aangedaan. Hij en Samuël gingen en bleven in Najot. Brontekst: וְדָוִ֨ד (vedavid) = en David | בָּרַ֜ח (barach) = vluchtte | וַיִּמָּלֵ֗ט (vayimalet) = en ontkwam | וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | הָרָמָ֔תָה (haramata) = naar Rama | וַיַּ֨גֶּד (vayaged) = en hij vertelde | ל֔וֹ (lo) = hem | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָֽשָׂה (asa) = had gedaan | ל֖וֹ (lo) = hem | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | הוּא֙ (hu) = hij | וּשְׁמוּאֵ֔ל (ushemuel) = en Samuël | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en ze bleven | בְּנָֽיוֹת (benayot) = in Najot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama is de woonplaats van Samuël (1 Sam. 7:17). De ligging is onzeker. Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot : Najot (נָיוֹת, nayot) is een plek of wijk in Rama. De betekenis van de naam is onzeker; sommigen denken aan ‘woningen’ of ‘weidegrond’. Voetnoot Lezing: In het geschreven Hebreeuws staat נוית (nawit). De voorgelezen tekst heeft בְּנָיוֹת (benayot), ‘in Najot’. Wij volgen de voorgelezen tekst (ook in vers 19, 22 en 23). Zie ook: 1 Sam 7:17; 1 Sam 15:34; 1 Sam 19:19; 1 Sam 19:22; 1 Sam 19:23; 1 Sam 28:3; Ps 116:11; Jak 5:16 **19:19** Het werd aan Saul gemeld: „Zie, David is in Najot in Rama.” Brontekst: וַיֻּגַּ֥ד (vayugad) = en het werd gemeld | לְשָׁא֖וּל (leshaul) = aan Saul | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | דָוִ֔ד (david) = David | בְּנָי֖וֹת (benayot) = in Najot | בָּרָמָֽה (barama) = in Rama Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama. De precieze plaats is niet bekend. Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie ook: 1 Sam 22:9–10; 1 Sam 23:19; 1 Sam 26:1; Spr 29:12 **19:20** Saul stuurde boodschappers om David te halen. Zij zagen de groep profeten die profeteerde. Samuël stond daar als hun leider. De geest van Elohim kwam over de boodschappers van Saul, en ook zij profeteerden. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij zond | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | מַלְאָכִים֮ (malakhim) = boodschappers | לָקַ֣חַת (laqachat) = om te nemen | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִד֒ (david) = David | וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | אֶֽת (et) = (obj.) | לַהֲקַ֤ת (lahaqat) = de groep van | הַנְּבִיאִים֙ (haneviim) = de profeten | נִבְּאִ֔ים (nibeim) = profeterend | וּשְׁמוּאֵ֕ל (ushemuel) = en Samuël | עֹמֵ֥ד (omed) = staand | נִצָּ֖ב (nitsav) = leider | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | וַתְּהִ֞י (vatehi) = en kwam | עַֽל (al) = over | מַלְאֲכֵ֤י (malakhei) = de boodschappers van | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | ר֣וּחַ (ruach) = de geest van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ (vayitnabeu) = en ze profeteerden | גַּם (gam) = ook | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַהֲקַת הַנְּבִיאִים (lahakat hannevi'im), ‘de groep profeten’: een gemeenschap van profeten. Zie ook 1 Sam. 10:5 en 10:10. Voetnoot : וַיִּתְנַבְּאוּ (vayitnabbe'u), ‘zij profeteerden’: zoals bij Saul in 1 Sam. 10:10. Het gaat om een bijzonder, door de geest gegeven spreken. De tekst vertelt de inhoud niet. Zie ook: 1 Sam 10:5–6; 1 Sam 10:10; Joël 3:1; Joh 7:32; 1 Kor 14:3; 1 Kor 14:24–25 **19:21** Men vertelde het aan Saul. Hij stuurde andere boodschappers, en ook zij profeteerden. Saul stuurde voor de derde keer boodschappers, en ook zij profeteerden. Brontekst: וַיַּגִּ֣דוּ (vayagidu) = en ze vertelden | לְשָׁא֗וּל (leshaul) = aan Saul | וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en hij zond | מַלְאָכִ֣ים (malakhim) = boodschappers | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ (vayitnabeu) = en ze profeteerden | גַּם (gam) = ook | הֵ֑מָּה (hema) = zij | וַיֹּ֣סֶף (vayosef) = en hij voegde toe | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en hij zond | מַלְאָכִ֣ים (malakhim) = boodschappers | שְׁלִשִׁ֔ים (shelishim) = derde | וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ (vayitnabeu) = en ze profeteerden | גַּם (gam) = ook | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 27:22; 2 Kon 1:9–13; Joël 3:1; Jer 13:23 **19:22** Toen ging hij zelf naar Rama. Hij kwam bij de grote put die in Seku is. Hij vroeg: „Waar zijn Samuël en David?” Men zei: „Zie, in Najot in Rama.” Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | גַּם (gam) = ook | ה֜וּא (hu) = hij | הָרָמָ֗תָה (haramata) = naar Rama | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij kwam | עַד (ad) = tot | בּ֤וֹר (bor) = put | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּשֶּׂ֔כוּ (basekhu) = in Seku | וַיִּשְׁאַ֣ל (vayishal) = en hij vroeg | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵיפֹ֥ה (eifo) = waar | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | וְדָוִ֑ד (vedavid) = en David | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | בְּנָי֥וֹת (benayot) = in Najot | בָּרָמָֽה (barama) = in Rama Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Seku (שֵׂכוּ, sekhu) ligt bij Rama. De ligging is onzeker. Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama. De precieze plaats is niet bekend. **19:23** Hij ging daarheen, naar Najot in Rama. Ook over hem kwam de geest van Elohim. Hij liep verder en profeteerde, totdat hij bij Najot in Rama kwam. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שָׁ֔ם (sham) = daarheen | אֶל (el) = naar | נָי֖וֹת (nayot) = Najot | בָּרָמָ֑ה (barama) = in Rama | וַתְּהִי֩ (vatehi) = en kwam | עָלָ֨יו (alav) = over hem | גַּם (gam) = ook | ה֜וּא (hu) = hij | ר֣וּחַ (ruach) = de geest van | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij liep | הָלוֹךְ֙ (halokh) = lopend | וַיִּתְנַבֵּ֔א (vayitnabe) = en profeteerde | עַד (ad) = tot | בֹּא֖וֹ (boo) = hij kwam | בְּנָי֥וֹת (benayot) = bij Najot | בָּרָמָֽה (barama) = in Rama Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama. De precieze plaats is niet bekend. Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie ook: Num 24:2; 1 Sam 10:10; 1 Sam 19:20; Spr 16:9; Joh 11:51 **19:24** Ook hij trok zijn kleren uit en profeteerde ook, voor Samuël. Hij lag naakt, de hele dag en de hele nacht. Daarom zegt men: „Is ook Saul onder de profeten?” Brontekst: וַיִּפְשַׁ֨ט (vayifshat) = en hij trok uit | גַּם (gam) = ook | ה֜וּא (hu) = hij | בְּגָדָ֗יו (begadav) = zijn kleren | וַיִּתְנַבֵּ֤א (vayitnabe) = en hij profeteerde | גַם (gam) = ook | הוּא֙ (hu) = hij | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וַיִּפֹּ֣ל (vayipol) = en hij viel | עָרֹ֔ם (arom) = naakt | כָּל (kal) = alle | הַיּ֥וֹם (hayom) = die dag | הַה֖וּא (hahu) = die | וְכָל (vekhal) = en alle | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = de nacht | עַל (al) = om | כֵּן֙ (ken) = dit | יֹֽאמְר֔וּ (yomru) = zegt men | הֲגַ֥ם (hagam) = ook | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | בַּנְּבִיאִֽם (baneviim) = onder de profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֹם (arom), ‘naakt’: ook ‘zonder bovenkleed’. Saul trok zijn kleren uit. Voetnoot : Het gezegde ‘Is ook Saul onder de profeten?’ staat eerder in 1 Sam. 10:11–12. Daar krijgt het een andere uitleg. Zie ook: 1 Sam 10:10–12; 1 Sam 10:11–12; 2 Sam 6:14; 2 Sam 6:20; Jes 20:2; Mi 1:8 ## 1 Samuël 20 _David en Jonatan: de pijlen_ ### David vraagt Jonatan om hulp **20:1** David vluchtte uit Najot in Rama. Hij kwam bij Jonatan en zei: „Wat heb ik gedaan? Wat is mijn schuld? Wat is mijn zonde tegenover je vader, dat hij mijn leven zoekt?” Brontekst: וַיִּבְרַ֣ח (vayivrach) = en hij vluchtte | דָּוִ֔ד (david) = David | מִנָּי֖וֹת (minayot) = uit Najot | בָּרָמָ֑ה (barama) = in Rama | וַיָּבֹ֞א (vayavo) = en hij kwam | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוֹנָתָ֗ן (yehonatan) = Jonatan | מֶ֤ה (me) = wat | עָשִׂ֨יתִי֙ (asiti) = heb ik gedaan | מֶֽה (me) = wat | עֲוֺנִ֤י (avoni) = mijn schuld | וּמֶֽה (ume) = en wat | חַטָּאתִי֙ (chatati) = mijn zonde | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | כִּ֥י (ki) = dat | מְבַקֵּ֖שׁ (mevaqesh) = hij zoekt | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama. De precieze plaats is niet bekend. Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Voetnoot Lezing: In het geschreven Hebreeuws staat מנוות (minnavot). De voorgelezen tekst heeft מִנָּיוֹת (minnayot), ‘uit Najot’. Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie 1 Sam. 19:18. Zie ook: 1 Sam 12:3; 1 Sam 19:18; Ps 18:21–25; 2 Kor 1:12; 2 Petr 2:9; 1 Joh 3:21 **20:2** Jonatan zei tegen hem: „Nooit! Je zult niet sterven. Zie, mijn vader doet niets, groot of klein, zonder het mij te zeggen. Waarom zou mijn vader dit voor mij verbergen? Het is niet zo.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֣וֹ (lo) = tot hem | חָלִילָה֮ (chalila) = nooit | לֹ֣א (lo) = niet | תָמוּת֒ (tamut) = je zult sterven | הִנֵּ֡ה (hine) = zie | לו (lo) = (geschreven lu, niet voorgelezen) | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲשֶׂ֨ה (yaase) = doet | אָבִ֜י (avi) = mijn vader | דָּבָ֣ר (davar) = zaak | גָּד֗וֹל (gadol) = groot | א֚וֹ (o) = of | דָּבָ֣ר (davar) = zaak | קָטֹ֔ן (qaton) = klein | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִגְלֶ֖ה (yigle) = hij onthult | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנִ֑י (azeni) = mijn oor | וּמַדּוּעַ֩ (umadua) = en waarom | יַסְתִּ֨יר (yastir) = zou hij verbergen | אָבִ֥י (avi) = mijn vader | מִמֶּ֛נִּי (mimeni) = voor mij | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | אֵ֥ין (ein) = niet | זֹֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘zonder mijn oor te openen’: zonder het mij te zeggen. Voetnoot Lezing: Het geschreven Hebreeuws heeft hier nog een klein woord (לו), dat niet wordt voorgelezen. Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: Gen 44:7; Joz 24:16; 1 Sam 9:15; 1 Sam 14:45; Joh 17:8 **20:3** David zwoer nog eens en zei: „Je vader weet goed dat ik gunst in je ogen heb gevonden. Hij heeft gezegd: ‘Jonatan mag dit niet weten, anders heeft hij verdriet.’ Maar zo waar Yahweh leeft en zo waar jij leeft: er is maar één stap tussen mij en de dood.” Brontekst: וַיִּשָּׁבַ֨ע (vayishava) = en hij zwoer | ע֜וֹד (od) = nog | דָּוִ֗ד (david) = David | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | יָדֹ֨עַ (yadoa) = weet | יָדַ֜ע (yada) = hij weet | אָבִ֗יךָ (avikha) = je vader | כִּֽי (ki) = dat | מָצָ֤אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in je ogen | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = niet | יֵֽדַע (yeda) = mag weten | זֹ֥את (zot) = dit | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | פֶּן (pen) = anders | יֵֽעָצֵ֑ב (yeatsev) = heeft hij verdriet | וְאוּלָ֗ם (veulam) = en toch | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְחֵ֣י (vechei) = en zo waar leeft | נַפְשֶׁ֔ךָ (nafshekha) = je ziel | כִּ֣י (ki) = dat | כְפֶ֔שַׂע (kefesa) = als een stap | בֵּינִ֖י (beini) = tussen mij | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הַמָּֽוֶת (hamavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּפֶשַׁע (kefesha), ‘als een stap’: het woord is zeldzaam. Het gaat om de kleine afstand tussen David en de dood. Zie ook: Deut 6:13; 1 Sam 25:26; 1 Sam 27:1; 2 Kon 2:2; 2 Kon 2:6 **20:4** Jonatan zei tegen David: „Wat je ook wilt, ik zal het voor je doen.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | אֶל (el) = tot | דָּוִ֑ד (david) = David | מַה (ma) = wat | תֹּאמַ֥ר (tomar) = je zegt | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = je ziel | וְאֶֽעֱשֶׂה (veeese) = en ik zal doen | לָּֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘wat je ziel zegt’: wat je ook wilt. ### Het plan voor de nieuwe maan **20:5** David zei tegen Jonatan: „Zie, morgen is het nieuwe maan. Dan moet ik met de koning aan tafel zitten om te eten. Laat mij gaan. Dan verberg ik mij in het veld tot de derde avond. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֜ד (david) = David | אֶל (el) = tot | יְהוֹנָתָ֗ן (yehonatan) = Jonatan | הִֽנֵּה (hine) = zie | חֹ֨דֶשׁ֙ (chodesh) = nieuwe maan | מָחָ֔ר (machar) = morgen | וְאָנֹכִ֛י (veanokhi) = en ik | יָשֹׁב (yashov) = zittend | אֵשֵׁ֥ב (eshev) = ik zal zitten | עִם (im) = met | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֶאֱכ֑וֹל (leekhol) = om te eten | וְשִׁלַּחְתַּ֨נִי֙ (veshilachtani) = en je zult mij laten gaan | וְנִסְתַּרְתִּ֣י (venistarti) = en ik zal mij verbergen | בַשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | עַ֖ד (ad) = tot | הָעֶ֥רֶב (haerev) = de avond | הַשְּׁלִשִֽׁית (hashelishit) = de derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹדֶשׁ (chodesh), ‘nieuwe maan’: de eerste dag van de maand. Er werden dan offers gebracht (Num. 10:10; Num. 28:11–15) en er was een maaltijd. Voetnoot : De ‘derde avond’ is de avond van de derde dag, geteld vanaf de nieuwe maan. Zie ook: Num 10:10; Num 28:11; 1 Sam 19:2; Ps 81:4; Kol 2:16 **20:6** Als je vader mij mist, zeg dan: ‘David heeft dringend aan mij gevraagd naar zijn stad Betlehem te mogen rennen. Want daar is het jaarlijkse slachtoffer voor heel de familie.’ Brontekst: אִם (im) = als | פָּקֹ֥ד (paqod) = vermissen | יִפְקְדֵ֖נִי (yifqedeni) = hij mist mij | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = dan zul je zeggen | נִשְׁאֹל֩ (nishol) = dringend gevraagd | נִשְׁאַ֨ל (nishal) = hij heeft gevraagd | מִמֶּ֤נִּי (mimeni) = van mij | דָוִד֙ (david) = David | לָרוּץ֙ (laruts) = om te rennen | בֵּֽית (beit) = Bet | לֶ֣חֶם (lechem) = Lechem | עִיר֔וֹ (iro) = zijn stad | כִּ֣י (ki) = want | זֶ֧בַח (zevach) = slachtoffer van | הַיָּמִ֛ים (hayamim) = de dagen | שָׁ֖ם (sham) = daar | לְכָל (lekhal) = voor heel | הַמִּשְׁפָּחָֽה (hamishpacha) = de familie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem is het huidige Bethlehem (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: זֶבַח הַיָּמִים (zevach hayamim), ‘het slachtoffer van de dagen’: het jaarlijkse slachtoffer van de familie, zoals in 1 Sam. 1:21. Zie ook: Deut 12:5; 1 Sam 1:21; 1 Sam 9:12; 1 Sam 16:2–5; 1 Sam 17:58; Joh 7:42 **20:7** Als hij zegt: ‘Goed’, dan is het vrede voor je dienaar. Maar als hij hevig in woede ontsteekt, weet dan dat het kwaad bij hem vaststaat. Brontekst: אִם (im) = als | כֹּ֥ה (ko) = zo | יֹאמַ֛ר (yomar) = hij zegt | ט֖וֹב (tov) = goed | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | לְעַבְדֶּ֑ךָ (leavdekha) = voor je dienaar | וְאִם (veim) = en als | חָרֹ֤ה (charo) = hij ontsteekt | יֶֽחֱרֶה֙ (yechere) = hij ontsteekt | ל֔וֹ (lo) = in hem | דַּ֕ע (da) = weet | כִּֽי (ki) = dat | כָלְתָ֥ה (kaleta) = is vastgesteld | הָרָעָ֖ה (haraa) = het kwaad | מֵעִמּֽוֹ (meimo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּלְתָה הָרָעָה (kaltah hara'ah), letterlijk ‘het kwaad is voltooid’: het staat vast en is besloten. Zo ook in vers 9 en 33. Zie ook: Deut 1:23; 1 Sam 20:9; 1 Sam 20:33; 1 Sam 25:17; 2 Sam 17:4; Est 7:7 **20:8** Bewijs dan trouw aan je dienaar. Want je hebt je dienaar met jou in het verbond van Yahweh gebracht. Maar als er schuld in mij is, dood mij dan zelf. Waarom zou je mij naar je vader brengen?” Brontekst: וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en je zult doen | חֶ֨סֶד֙ (chesed) = trouw | עַל (al) = aan | עַבְדֶּ֔ךָ (avdekha) = je dienaar | כִּ֚י (ki) = want | בִּבְרִ֣ית (bivrit) = in het verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֵבֵ֥אתָ (heveta) = heb je gebracht | אֶֽת (et) = (obj.) | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = je dienaar | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | וְאִם (veim) = en als | יֶשׁ (yesh) = er is | בִּ֤י (bi) = in mij | עָוֺן֙ (avon) = schuld | הֲמִיתֵ֣נִי (hamiteni) = dood mij | אַ֔תָּה (ata) = jij | וְעַד (vead) = en tot | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | לָמָּה (lama) = waarom | זֶּ֥ה (ze) = dit | תְבִיאֵֽנִי (tevieni) = zou je mij brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. De verbondstrouw tussen Jonatan en David werd gesloten in 1 Sam. 18:3. Zie ook: 1 Sam 18:3; 1 Sam 20:16; 1 Sam 23:18; 2 Sam 14:32; 1 Kron 12:18 **20:9** Jonatan zei: „Nooit! Als ik zeker weet dat het kwaad bij mijn vader vaststaat om over jou te komen, zou ik het je dan niet vertellen?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | חָלִ֣ילָה (chalila) = nooit | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jou | כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = als | יָדֹ֣עַ (yadoa) = weten | אֵדַ֗ע (eda) = ik weet | כִּֽי (ki) = dat | כָלְתָ֨ה (kaleta) = is vastgesteld | הָרָעָ֜ה (haraa) = het kwaad | מֵעִ֤ם (meim) = van | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = over je | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֹתָ֖הּ (otah) = jij | אַגִּ֥יד (agid) = zou ik vertellen | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 19:2; 1 Sam 20:38; 1 Sam 20:42 **20:10** David zei tegen Jonatan: „Wie zal het mij vertellen? Of wat als je vader je hard antwoordt?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = tot | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | מִ֖י (mi) = wie | יַגִּ֣יד (yagid) = zal vertellen | לִ֑י (li) = mij | א֛וֹ (o) = of | מַה (ma) = wat | יַּעַנְךָ֥ (yaankha) = zal antwoorden | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | קָשָֽׁה (qasha) = hard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:7; 1 Sam 25:14; 1 Sam 25:17; Spr 18:23; 1 Kon 12:13 **20:11** Jonatan zei tegen David: „Kom, laten wij het veld in gaan.” Zij gingen samen het veld in. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | אֶל (el) = tot | דָּוִ֔ד (david) = David | לְכָ֖ה (lekha) = kom | וְנֵצֵ֣א (venetse) = en laten wij uitgaan | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld in | וַיֵּצְא֥וּ (vayetseu) = en ze gingen uit | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = allebei | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Jonatans eed en het verbond **20:12** Jonatan zei tegen David: „Bij Yahweh, de Elohim van Israël! Als ik morgen om deze tijd, of op de derde dag, mijn vader heb gepeild en zie: het is goed voor David, en ik stuur dan niet naar je om het je te laten horen, Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹנָתָ֜ן (yehonatan) = Jonatan | אֶל (el) = tot | דָּוִ֗ד (david) = David | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = wanneer | אֶחְקֹ֣ר (echqor) = ik zal peilen | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֗י (avi) = mijn vader | כָּעֵ֤ת (kaet) = als dit moment | מָחָר֙ (machar) = morgen | הַשְּׁלִשִׁ֔ית (hashelishit) = de derde | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ט֖וֹב (tov) = goed | אֶל (el) = voor | דָּוִ֑ד (david) = David | וְלֹֽא (velo) = en niet | אָז֙ (az) = dan | אֶשְׁלַ֣ח (eshlach) = ik stuur | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar je | וְגָלִ֖יתִי (vegaliti) = en ik laat horen | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנֶֽךָ (azenekha) = je oor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in de eerste regel geen werkwoord: ‘Yahweh, Elohim van Israël’ is een eedformule. Wij vertalen ‘Bij Yahweh, de Elohim van Israël’. Voetnoot : כְּעֵת מָחָר הַשְּׁלִשִׁית (ke'et machar hashelishit), ‘om deze tijd morgen, de derde’. Wij nemen: morgen om deze tijd, of op de derde dag. Voetnoot Lezing: De zin loopt door tot vers 13 en is moeilijk. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 31:4; Joz 22:22; 1 Sam 20:13; Ps 139:1–4; Spr 20:5; Spr 25:2–3 **20:13** dan moge Yahweh Jonatan zo doen, en zo nog meer toevoegen. Als mijn vader het goed vindt om kwaad over jou te brengen, dan laat ik het je horen. Ik stuur je weg, en je gaat in vrede. Yahweh zij met je, zoals Hij met mijn vader is geweest. Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | יַעֲשֶׂה֩ (yaase) = moge doen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | לִֽיהוֹנָתָ֜ן (lihonatan) = aan Jonatan | וְכֹ֣ה (vekho) = en zo | יֹסִ֗יף (yosif) = moge toevoegen | כִּֽי (ki) = als | יֵיטִ֨ב (yeitiv) = het goed is | אֶל (el) = voor | אָבִ֤י (avi) = mijn vader | אֶת (et) = (obj.) | הָֽרָעָה֙ (haraa) = het kwaad | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = over je | וְגָלִ֨יתִי֙ (vegaliti) = en ik laat horen | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנֶ֔ךָ (azenekha) = je oor | וְשִׁלַּחְתִּ֖יךָ (veshilachtikha) = en ik stuur je weg | וְהָלַכְתָּ֣ (vehalakhta) = en je gaat | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = in vrede | וִיהִ֤י (vihi) = en moge zijn | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הָיָ֖ה (haya) = Hij was | עִם (im) = met | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zo moge Yahweh doen en zo nog meer toevoegen’ is een eedformule, zoals in Ruth 1:17. Zie ook: Joz 1:5; Ruth 1:17; 1 Sam 17:37; 1 Kron 22:11; 1 Kron 22:16 **20:14** En als ik nog leef, bewijs mij dan de trouw van Yahweh, zodat ik niet sterf. Brontekst: וְלֹ֖א (velo) = en niet | אִם (im) = als | עוֹדֶ֣נִּי (odeni) = nog ik | חָ֑י (chay) = levend | וְלֹֽא (velo) = en niet | תַעֲשֶׂ֧ה (taase) = zul je doen | עִמָּדִ֛י (imadi) = met mij | חֶ֥סֶד (chesed) = trouw van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָמֽוּת (amut) = ik sterf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד יהוה (chesed Yahweh), ‘de trouw van Yahweh’: de trouw die Yahweh zelf toont en waarmee Jonatan David vraagt trouw te zijn. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van vers 14–15 is moeilijk. Het woord ‘niet’ (ולא) staat er meermalen, en de zinsbouw is onduidelijk. Wij volgen de zin: David vraagt trouw voor zichzelf en voor het huis van Jonatan. Zie ook: 2 Sam 9:3; Ef 5:1–2 **20:15** En neem je trouw nooit weg van mijn huis, ook niet wanneer Yahweh de vijanden van David allemaal van de grond heeft weggenomen.” Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תַכְרִ֧ת (takhrit) = zul je afsnijden | אֶֽת (et) = (obj.) | חַסְדְּךָ֛ (chasdekha) = je trouw | מֵעִ֥ם (meim) = van bij | בֵּיתִ֖י (beiti) = mijn huis | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | וְלֹ֗א (velo) = en niet | בְּהַכְרִ֤ת (behakhrit) = bij het afsnijden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבֵ֣י (oyevei) = de vijanden van | דָוִ֔ד (david) = David | אִ֕ישׁ (ish) = elk man | מֵעַ֖ל (meal) = van op | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 24:22; 2 Sam 9:1–7; 2 Sam 21:7 **20:16** Zo sloot Jonatan een verbond met het huis van David. Yahweh zal het opeisen uit de hand van de vijanden van David. Brontekst: וַיִּכְרֹ֥ת (vayikhrot) = en hij sloot | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | עִם (im) = met | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | דָּוִ֑ד (david) = David | וּבִקֵּ֣שׁ (uviqesh) = en zal opeisen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | אֹיְבֵ֥י (oyevei) = de vijanden van | דָוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit verbond bewaakt ook het huis van Jonatan. David houdt het later, zie 2 Sam. 9:1–7. Zie ook: Gen 15:18; 1 Sam 18:3; 1 Sam 25:22; 1 Sam 31:2; 2 Sam 4:7–8; 2 Sam 9:1–7 **20:17** Jonatan liet David nog een keer zweren, vanwege zijn liefde voor hem. Want hij had hem lief zoals hij zijn eigen ziel liefhad. Brontekst: וַיּ֤וֹסֶף (vayosef) = en hij voegde toe | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | לְהַשְׁבִּ֣יעַ (lehashbia) = om te laten zweren | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֔ד (david) = David | בְּאַהֲבָת֖וֹ (beahavato) = in zijn liefde | אֹת֑וֹ (oto) = voor hem | כִּֽי (ki) = want | אַהֲבַ֥ת (ahavat) = liefde van | נַפְשׁ֖וֹ (nafsho) = zijn ziel | אֲהֵבֽוֹ (ahevo) = hij had hem lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 13:7; 1 Sam 18:1; 1 Sam 18:3; 2 Sam 1:26; Spr 18:24 **20:18** Jonatan zei tegen hem: „Morgen is het nieuwe maan. Men zal je missen, want je zitplaats zal leeg zijn. Brontekst: וַיֹּֽאמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֥וֹ (lo) = tot hem | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | מָחָ֣ר (machar) = morgen | חֹ֑דֶשׁ (chodesh) = nieuwe maan | וְנִפְקַ֕דְתָּ (venifqadta) = en je zult gemist worden | כִּ֥י (ki) = want | יִפָּקֵ֖ד (yipaqed) = zal leeg zijn | מוֹשָׁבֶֽךָ (moshavekha) = je zitplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 20:5; 1 Sam 20:25 **20:19** Op de derde dag moet je snel afdalen. Ga naar de plaats waar je je had verborgen op de dag dat het gebeurde. Blijf bij de steen Ezel. Brontekst: וְשִׁלַּשְׁתָּ֙ (veshilashta) = en op de derde dag | תֵּרֵ֣ד (tered) = zul je afdalen | מְאֹ֔ד (meod) = snel | וּבָאתָ֙ (uvata) = en je zult komen | אֶל (el) = naar | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | נִסְתַּ֥רְתָּ (nistarta) = je was verborgen | שָּׁ֖ם (sham) = daar | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַֽמַּעֲשֶׂ֑ה (hamaase) = de zaak | וְיָ֣שַׁבְתָּ֔ (veyashavta) = en je zult blijven | אֵ֖צֶל (etsel) = bij | הָאֶ֥בֶן (haeven) = de steen | הָאָֽזֶל (haazel) = Ezel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיוֹם הַמַּעֲשֶׂה (beyom hamma'aseh), ‘op de dag van de zaak’: de dag dat het gebeurde. Waarschijnlijk de eerdere keer dat David zich verborg (1 Sam. 19:2–3). Het is niet zeker. Voetnoot : הָאָזֶל (ha'azel), ‘de steen Ezel’: de betekenis van het woord is onzeker. Het kan een plaatsnaam zijn, of ‘steen van het vertrek’. Wij laten de naam staan. Zie ook: 1 Sam 19:2; 1 Sam 20:5 **20:20** Ik schiet drie pijlen naar de zijkant, alsof ik op een doel schiet. Brontekst: וַאֲנִ֕י (vaani) = en ik | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | הַחִצִּ֖ים (hachitsim) = de pijlen | צִדָּ֣ה (tsida) = naar de zijkant | אוֹרֶ֑ה (ore) = ik zal schieten | לְשַֽׁלַּֽח (leshalach) = om te zenden | לִ֖י (li) = voor mij | לְמַטָּרָֽה (lematara) = naar een doel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:21** Dan stuur ik de jongen en zeg: ‘Ga, zoek de pijlen.’ Als ik tegen de jongen zeg: ‘Zie, de pijlen liggen aan deze kant van je, haal ze’, kom dan. Want het is vrede voor je en er is niets aan de hand, zo waar Yahweh leeft. Brontekst: וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | אֶשְׁלַ֣ח (eshlach) = ik zal zenden | אֶת (et) = (obj.) | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | לֵ֖ךְ (lekh) = ga | מְצָ֣א (metsa) = zoek | אֶת (et) = (obj.) | הַחִצִּ֑ים (hachitsim) = de pijlen | אִם (im) = als | אָמֹר֩ (amor) = ik zeg | אֹמַ֨ר (omar) = ik zeg | לַנַּ֜עַר (lanaar) = tegen de jongen | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הַחִצִּ֣ים (hachitsim) = de pijlen | מִמְּךָ֣ (mimekha) = van je | וָהֵ֗נָּה (vahena) = en zie | קָחֶ֧נּוּ (qachenu) = haal ze | וָבֹ֛אָה (vavoa) = en kom | כִּֽי (ki) = want | שָׁל֥וֹם (shalom) = vrede | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | וְאֵ֥ין (veein) = en niet | דָּבָ֖ר (davar) = zaak | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jonatan spreekt twee tekens af. Zegt hij dat de pijlen aan deze kant van de jongen liggen, dan is het veilig voor David. Zegt hij dat ze verderop liggen, dan moet David vluchten. Zie ook: Amos 8:14; Jer 4:2; Jer 5:2; Jer 12:16 **20:22** Maar als ik tegen de jongen zeg: ‘Zie, de pijlen liggen verderop, voorbij je’, ga dan. Want Yahweh heeft je weggestuurd. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | כֹּ֤ה (ko) = zo | אֹמַר֙ (omar) = ik zeg | לָעֶ֔לֶם (laelem) = tegen de jongen | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הַחִצִּ֖ים (hachitsim) = de pijlen | מִמְּךָ֣ (mimekha) = van je | וָהָ֑לְאָה (vahalea) = en verder | לֵ֕ךְ (lekh) = ga | כִּ֥י (ki) = want | שִֽׁלַּחֲךָ֖ (shilachakha) = heeft je weggestuurd | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 20:37 **20:23** Wat wij hebben besproken, jij en ik: zie, Yahweh is tussen mij en jou tot in eeuwigheid.” Brontekst: וְהַ֨דָּבָ֔ר (vehadavar) = en de zaak | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | דִּבַּ֖רְנוּ (dibarnu) = we hebben gesproken | אֲנִ֣י (ani) = ik | וָאָ֑תָּה (vaata) = en jij | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵינְךָ֖ (uveinekha) = en tussen jou | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:5; Gen 31:50; 1 Sam 20:14–15; 1 Sam 20:42 ### Het maal van de nieuwe maan **20:24** David verborg zich in het veld. Toen het nieuwe maan werd, ging de koning aan tafel om te eten. Brontekst: וַיִּסָּתֵ֥ר (vayisater) = en hij verborg zich | דָּוִ֖ד (david) = David | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | וַיְהִ֣י (vayhi) = en het werd | הַחֹ֔דֶשׁ (hachodesh) = de nieuwe maan | וַיֵּ֧שֶׁב (vayeshev) = en hij ging zitten | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = aan | הַלֶּ֖חֶם (halechem) = het brood | לֶאֱכֽוֹל (leekhol) = om te eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם (lechem), ‘brood’: hier de maaltijd. Voetnoot Lezing: In het geschreven Hebreeuws staat על (al), voorgelezen wordt אֶל (el). Beide betekenen hier ‘bij (het brood)’. Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: Ps 50:16–21; Spr 4:17; Spr 17:1; Spr 21:3; Jes 1:11–15 **20:25** De koning zat op zijn plaats, zoals altijd, de plaats bij de muur. Jonatan stond op en Abner ging naast Saul zitten. De plaats van David bleef leeg. Brontekst: וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en hij zat | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = op | מ֨וֹשָׁב֜וֹ (moshavo) = zijn zitplaats | כְּפַ֣עַם (kefaam) = zoals keer | בְּפַ֗עַם (befaam) = op keer | אֶל (el) = op | מוֹשַׁב֙ (moshav) = de zitplaats van | הַקִּ֔יר (haqir) = de muur | וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en hij stond op | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij ging zitten | אַבְנֵ֖ר (avner) = Abner | מִצַּ֣ד (mitsad) = aan de zijde van | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיִּפָּקֵ֖ד (vayipaqed) = en werd leeg | מְק֥וֹם (meqom) = plaats van | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַיָּקָם (vayyaqom), ‘en hij stond op’: de tekst is hier moeilijk. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 16:20; 1 Sam 20:18 **20:26** Saul zei die dag niets, want hij dacht: „Het is toeval. Hij is niet rein. Zeker, hij is niet rein.” Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | דִבֶּ֥ר (diber) = zei | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | מְא֖וּמָה (meuma) = iets | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | כִּ֤י (ki) = want | אָמַר֙ (amar) = hij zei | מִקְרֶ֣ה (miqre) = toeval | ה֔וּא (hu) = het is | בִּלְתִּ֥י (bilti) = niet | טָה֛וֹר (tahor) = rein | ה֖וּא (hu) = hij | כִּֽי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | טָהֽוֹר (tahor) = rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְרֶה (miqreh), ‘toeval’. Saul denkt dat David onrein is geworden. Zie Lev. 15:16 en Deut. 23:11–12. Zie ook: Lev 7:20–21; Lev 11:24; Lev 11:27; Lev 15:5; Lev 15:16–17; Deut 23:11–12 **20:27** De dag na de nieuwe maan, de tweede dag, was de plaats van David weer leeg. Saul zei tegen zijn zoon Jonatan: „Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet aan tafel gekomen?” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרַ֤ת (mimachorat) = de dag na | הַחֹ֨דֶשׁ֙ (hachodesh) = de maand | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | וַיִּפָּקֵ֖ד (vayipaqed) = en werd leeg | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | יְהוֹנָתָ֣ן (yehonatan) = Jonatan | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | מַדּ֜וּעַ (madua) = waarom | לֹא (lo) = niet | בָ֧א (ba) = is gekomen | בֶן (ben) = de zoon van | יִשַׁ֛י (yishay) = Isaï | גַּם (gam) = ook | תְּמ֥וֹל (temol) = gisteren | גַּם (gam) = ook | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | אֶל (el) = naar | הַלָּֽחֶם (halachem) = het brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Saul noemt David in dit gesprek niet bij zijn naam, maar ‘de zoon van Isaï’ (ook in vers 30 en 31). Zie ook: 1 Sam 18:11; 1 Sam 19:15; 1 Sam 20:30; 1 Sam 20:31; 1 Sam 22:7–9; Jes 11:1–2; 1 Petr 2:4 **20:28** Jonatan antwoordde Saul: „David heeft dringend aan mij gevraagd naar Betlehem te mogen gaan. Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | נִשְׁאֹ֨ל (nishol) = dringend gevraagd | נִשְׁאַ֥ל (nishal) = hij heeft gevraagd | דָּוִ֛ד (david) = David | מֵעִמָּדִ֖י (meimadi) = van mij | עַד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = Bet | לָֽחֶם (lachem) = Lechem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: 1 Sam 20:6 **20:29** Hij zei: ‘Laat mij toch gaan, want wij hebben een familieslachtoffer in de stad, en mijn broer heeft mij bevolen te komen. Als ik gunst in je ogen heb gevonden, laat mij dan toch wegkomen, zodat ik mijn broers kan zien.’ Daarom is hij niet gekomen aan de tafel van de koning.” Brontekst: וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en hij zei | שַׁלְּחֵ֣נִי (shalecheni) = laat mij gaan | נָ֡א (na) = toch | כִּ֣י (ki) = want | זֶבַח֩ (zevach) = slachtoffer van | מִשְׁפָּחָ֨ה (mishpacha) = familie | לָ֜נוּ (lanu) = voor ons | בָּעִ֗יר (bair) = in de stad | וְה֤וּא (vehu) = en hij | צִוָּֽה (tsiva) = heeft bevolen | לִי֙ (li) = mij | אָחִ֔י (achi) = mijn broer | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אִם (im) = als | מָצָ֤אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in je ogen | אִמָּ֥לְטָה (imaleta) = laat ik wegkomen | נָּ֖א (na) = toch | וְאֶרְאֶ֣ה (veere) = en ik zal zien | אֶת (et) = (obj.) | אֶחָ֑י (echay) = mijn broers | עַל (al) = om | כֵּ֣ן (ken) = dit | לֹא (lo) = niet | בָ֔א (ba) = hij is gekomen | אֶל (el) = naar | שֻׁלְחַ֖ן (shulchan) = de tafel van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶבַח מִשְׁפָּחָה (zevach mishpachah), ‘familieslachtoffer’: zoals in vers 6. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘mijn broer’ in het enkelvoud. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: 1 Sam 17:28; 1 Sam 20:6 ### Sauls woede tegen Jonatan **20:30** Saul werd zeer boos op Jonatan. Hij zei tegen hem: „Jij zoon van een verdorven, opstandige vrouw! Weet ik niet dat jij de zoon van Isaï hebt gekozen, tot jouw schaamte en tot de schaamte van de naaktheid van je moeder? Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֤ף (af) = de toorn van | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בִּיה֣וֹנָתָ֔ן (bihonatan) = tegen Jonatan | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | בֶּֽן (ben) = zoon van | נַעֲוַ֖ת (naavat) = een verdorven vrouw | הַמַּרְדּ֑וּת (hamardut) = opstandige | הֲל֣וֹא (halo) = is niet | יָדַ֗עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּֽי (ki) = dat | בֹחֵ֤ר (bocher) = je kiest | אַתָּה֙ (ata) = jij | לְבֶן (leven) = de zoon van | יִשַׁ֔י (yishay) = Isaï | לְבָ֨שְׁתְּךָ֔ (levashtekha) = tot jouw schaamte | וּלְבֹ֖שֶׁת (ulevoshet) = en tot de schaamte van | עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אִמֶּֽךָ (imekha) = je moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן־נַעֲוַת הַמַּרְדּוּת (ben na'avat hammardut), ‘zoon van een verdorven, opstandige vrouw’: een zware belediging, ook voor Jonatans moeder. De betekenis van het eerste woord is niet helemaal zeker. Voetnoot : עֶרְוַת אִמֶּךָ (ervat immekha), ‘de naaktheid van je moeder’: vergelijk Lev. 18:7. Zie ook: Lev 18:7; Spr 14:29; Spr 21:24; Spr 25:28; Spr 27:3; Jak 1:19–20 **20:31** Want zolang de zoon van Isaï op de grond leeft, zul jij niet stevig staan, en je koningschap ook niet. Stuur nu iemand en laat hem bij mij halen. Want hij moet sterven.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כָל (kal) = alle | הַיָּמִ֗ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | בֶּן (ben) = de zoon van | יִשַׁי֙ (yishay) = Isaï | חַ֣י (chay) = leeft | עַל (al) = op | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | לֹ֥א (lo) = niet | תִכּ֖וֹן (tikon) = zul je stevig staan | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וּמַלְכוּתֶ֑ךָ (umalkhutekha) = en je koningschap | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שְׁלַ֨ח (shelach) = zend | וְקַ֤ח (veqach) = en haal | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | כִּ֥י (ki) = want | בֶן (ben) = zoon van | מָ֖וֶת (mavet) = de dood | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן־מָוֶת (ben mavet), ‘zoon van de dood’: iemand die moet sterven. Zie ook 2 Sam. 12:5. Zie ook: 1 Sam 19:6; 1 Sam 19:11–15; 1 Sam 20:8; 2 Sam 12:5; 2 Sam 19:29; Ps 79:11 **20:32** Jonatan antwoordde Saul, zijn vader, en zei tegen hem: „Waarom moet hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan?” Brontekst: וַיַּ֨עַן֙ (vayaan) = en hij antwoordde | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֛יו (elav) = tot hem | לָ֥מָּה (lama) = waarom | יוּמַ֖ת (yumat) = moet hij gedood worden | מֶ֥ה (me) = wat | עָשָֽׂה (asa) = heeft hij gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:36; 1 Sam 19:5; Pred 7:9; Mat 27:23; Luc 23:22 **20:33** Saul wierp de speer naar hem om hem te treffen. Toen wist Jonatan dat zijn vader had besloten David te doden. Brontekst: וַיָּ֨טֶל (vayatel) = en hij wierp | שָׁא֧וּל (shaul) = Saul | אֶֽת (et) = (obj.) | הַחֲנִ֛ית (hachanit) = de speer | עָלָ֖יו (alav) = naar hem | לְהַכֹּת֑וֹ (lehakoto) = om hem te treffen | וַיֵּ֨דַע֙ (vayeda) = en hij wist | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | כִּֽי (ki) = dat | כָ֥לָה (kala) = is besloten | הִ֛יא (hi) = het | מֵעִ֥ם (meim) = van bij | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | לְהָמִ֥ית (lehamit) = om te doden | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 18:11; 1 Sam 19:10; 1 Sam 20:7 **20:34** Jonatan stond woedend van tafel op. Hij at op de tweede dag van de nieuwe maan geen brood. Want hij was bedroefd om David, omdat zijn vader hem had vernederd. Brontekst: וַיָּ֧קָם (vayaqam) = en hij stond op | יְהוֹנָתָ֛ן (yehonatan) = Jonatan | מֵעִ֥ם (meim) = van bij | הַשֻּׁלְחָ֖ן (hashulchan) = de tafel | בָּחֳרִי (bachori) = in gloeiende | אָ֑ף (af) = toorn | וְלֹא (velo) = en niet | אָכַ֞ל (akhal) = hij at | בְּיוֹם (beyom) = op de dag van | הַחֹ֤דֶשׁ (hachodesh) = de nieuwe maan | הַשֵּׁנִי֙ (hasheni) = de tweede | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | כִּ֤י (ki) = want | נֶעְצַב֙ (netsav) = hij was bedroefd | אֶל (el) = om | דָּוִ֔ד (david) = David | כִּ֥י (ki) = want | הִכְלִמ֖וֹ (hikhlimo) = had hem vernederd | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De nieuwe maan duurde hier twee dagen. De tweede dag is de dag na de nieuwe maan (vers 27). Zie ook: 1 Sam 20:27; Pred 7:20; Mar 3:5; Ef 4:26 ### De pijlen en het afscheid **20:35** De volgende morgen ging Jonatan het veld in, naar de afgesproken tijd met David. Een kleine jongen was bij hem. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיֵּצֵ֧א (vayetse) = en hij ging uit | יְהוֹנָתָ֛ן (yehonatan) = Jonatan | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld in | לְמוֹעֵ֣ד (lemoed) = voor de afgesproken tijd van | דָּוִ֑ד (david) = David | וְנַ֥עַר (venaar) = en een jongen | קָטֹ֖ן (qaton) = klein | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמוֹעֵד דָּוִד (lemo'ed David), ‘voor de afgesproken tijd van David’: de tijd die zij hadden afgesproken. Zie ook: 1 Sam 20:19; 2 Sam 20:5 **20:36** Hij zei tegen zijn jongen: „Ren, zoek de pijlen die ik schiet.” De jongen rende, en hij schoot de pijl over hem heen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְנַעֲר֔וֹ (lenaaro) = tegen zijn jongen | רֻ֗ץ (ruts) = ren | מְצָ֥א (metsa) = zoek | נָא֙ (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חִצִּ֔ים (hachitsim) = de pijlen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מוֹרֶ֑ה (more) = schiet | הַנַּ֣עַר (hanaar) = de jongen | רָ֔ץ (rats) = rende | וְהֽוּא (vehu) = en hij | יָרָ֥ה (yara) = schoot | הַחֵ֖צִי (hachetsi) = de pijl | לְהַעֲבִרֽוֹ (lehaaviro) = om hem te laten overgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 20:20–22 **20:37** De jongen kwam bij de plaats van de pijl die Jonatan had geschoten. Jonatan riep achter de jongen aan: „Ligt de pijl niet verderop, voorbij jou?” Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en hij kwam | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | עַד (ad) = tot | מְק֣וֹם (meqom) = de plaats van | הַחֵ֔צִי (hachetsi) = de pijl | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָרָ֖ה (yara) = had geschoten | יְהוֹנָתָ֑ן (yehonatan) = Jonatan | וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | יְהוֹנָתָ֜ן (yehonatan) = Jonatan | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֲל֥וֹא (halo) = is niet | הַחֵ֖צִי (hachetsi) = de pijl | מִמְּךָ֥ (mimekha) = van jou | וָהָֽלְאָה (vahalea) = en verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 20:22 **20:38** Jonatan riep achter de jongen aan: „Vlug, haast je, blijf niet staan.” De jongen van Jonatan raapte de pijlen op en kwam bij zijn heer. Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij riep | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | מְהֵרָ֥ה (mehera) = snel | ח֖וּשָׁה (chusha) = haast je | אַֽל (al) = niet | תַּעֲמֹ֑ד (taamod) = blijf staan | וַיְלַקֵּ֞ט (vaylaqet) = en hij raapte op | נַ֤עַר (naar) = de jongen van | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חִצִּ֔ים (hachitsim) = de pijlen | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | אֲדֹנָֽיו (adonav) = zijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In het geschreven Hebreeuws staat het enkelvoud ‘de pijl’ (החצי). De voorgelezen tekst heeft ‘de pijlen’ (הַחִצִּים). Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: Ps 55:7–10; Spr 6:4–5; Mat 24:16–18; Mar 13:14–16; Luc 17:31–32 **20:39** De jongen wist van niets. Alleen Jonatan en David wisten wat er speelde. Brontekst: וְהַנַּ֖עַר (vehanaar) = en de jongen | לֹֽא (lo) = niet | יָדַ֣ע (yada) = wist | מְא֑וּמָה (meuma) = iets | אַ֤ךְ (akh) = alleen | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | וְדָוִ֔ד (vedavid) = en David | יָדְע֖וּ (yadeu) = wisten | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָֽר (hadavar) = de zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:40** Jonatan gaf zijn wapens aan de jongen die bij hem was en zei: „Ga, breng ze naar de stad.” Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en hij gaf | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | אֶת (et) = (obj.) | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | אֶל (el) = aan | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֑וֹ (lo) = bij hem | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | לֵ֖ךְ (lekh) = ga | הָבֵ֥יא (havei) = breng | הָעִֽיר (hair) = de stad in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּלָיו (kelav), ‘zijn wapens’: boog en pijlen. **20:41** Zodra de jongen weg was, stond David op vanaf de zuidkant. Hij viel met zijn gezicht op de grond en boog zich drie keer neer. Zij kusten elkaar en huilden samen, David nog meer. Brontekst: הַנַּעַר֮ (hanaar) = de jongen | בָּא֒ (ba) = was gekomen | וְדָוִ֗ד (vedavid) = en David | קָ֚ם (qam) = stond op | מֵאֵ֣צֶל (meetsel) = van bij | הַנֶּ֔גֶב (hanegev) = het zuiden | וַיִּפֹּ֨ל (vayipol) = en hij viel | לְאַפָּ֥יו (leapav) = op zijn gezicht | אַ֛רְצָה (artsa) = naar de grond | וַיִּשְׁתַּ֖חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וַֽיִּשְּׁק֣וּ (vayishequ) = en ze kusten | אִ֣ישׁ (ish) = de een | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = de ander | וַיִּבְכּוּ֙ (vayivku) = en ze huilden | אִ֣ישׁ (ish) = de een | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = de ander | עַד (ad) = tot | דָּוִ֖ד (david) = David | הִגְדִּֽיל (higdil) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאֵצֶל הַנֶּגֶב (me'etsel hannegev), letterlijk ‘van naast het zuiden’. Wij vertalen ‘vanaf de zuidkant’. Voetnoot Lezing: עַד־דָּוִד הִגְדִּיל (ad David higdil), letterlijk ‘tot David groot maakte’: David huilde nog meer dan Jonatan. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 29:11; 1 Sam 10:1; 1 Sam 18:3; 2 Sam 1:26; 2 Sam 9:6 **20:42** Jonatan zei tegen David: „Ga in vrede. Wij hebben beiden gezworen in de naam van Yahweh: ‘Yahweh zij tussen mij en jou, en tussen mijn nageslacht en jouw nageslacht, tot in eeuwigheid.’” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹנָתָ֛ן (yehonatan) = Jonatan | לְדָוִ֖ד (ledavid) = tegen David | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = in vrede | אֲשֶׁר֩ (asher) = wat | נִשְׁבַּ֨עְנוּ (nishbanu) = wij hebben gezworen | שְׁנֵ֜ינוּ (sheneinu) = wij tweeën | אֲנַ֗חְנוּ (anachnu) = wij | בְּשֵׁ֤ם (beshem) = in de naam van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = moge zijn | בֵּינִ֣י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶ֗ךָ (uveinekha) = en tussen jou | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | זַרְעִ֛י (zari) = mijn nageslacht | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = jouw nageslacht | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Versnummering: in dit hoofdstuk volgen wij de Hebreeuwse telling. In de Nederlandse telling hoort de laatste regel van 20:42 (‘Hij stond op en vertrok, en Jonatan ging de stad in’) in het Hebreeuws bij 1 Sam. 21:1. Voetnoot : Het nageslacht van David en Jonatan wordt in dit verbond opgenomen. Zie 2 Sam. 9:1–7. Zie ook: Num 6:26; 1 Sam 1:17; 1 Sam 20:22–23; 1 Sam 21:1; 1 Sam 23:18; 2 Sam 9:1–7; Luc 7:50 ## 1 Samuël 21 _David bij de priester in Nob en bij Achis in Gat_ ### David vlucht naar Nob **21:1** David stond op en vertrok. Jonatan ging de stad in. Brontekst: וַיָּ֖קָם (vayaqam) = en hij stond op | וַיֵּלַ֑ךְ (vayelakh) = en hij ging | וִיהוֹנָתָ֖ן (vihonatan) = en Jonatan | בָּ֥א (ba) = kwam | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse telling loopt hier anders dan de Nederlandse. Wat in Nederlandse Bijbels 1 Sam. 20:42b is, is hier vers 1. Daarom is 1 Sam. 21:2–16 gelijk aan Nederlands 21:1–15. Zie ook: Num 6:26; 1 Sam 1:17; 1 Sam 20:22–23; 1 Sam 20:42; 1 Sam 21:2–16; 1 Sam 23:18; Luc 7:50 ### Het heilige brood en het zwaard van Goliat **21:2** David kwam in Nob bij de priester Achimelech. Achimelech kwam bevend David tegemoet. Hij zei tegen hem: „Waarom ben je alleen? Er is niemand bij je.” Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en hij kwam | דָוִד֙ (david) = David | נֹ֔בֶה (nove) = naar Nob | אֶל (el) = naar | אֲחִימֶ֖לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וַיֶּחֱרַ֨ד (vayecherad) = en hij beefde | אֲחִימֶ֜לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | לִקְרַ֣את (liqrat) = om te ontmoeten | דָּוִ֗ד (david) = David | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | מַדּ֤וּעַ (madua) = waarom | אַתָּה֙ (ata) = jij | לְבַדֶּ֔ךָ (levadekha) = alleen | וְאִ֖ישׁ (veish) = en een man | אֵ֥ין (ein) = niet is | אִתָּֽךְ (itakh) = bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Nob was een stad van de priesters (1 Sam. 22:19). De ligging is onzeker. Men denkt aan een plek op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem, bij de Scopusberg (Israël/Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘beven’ (vayecherad) wijst op schrik. Zie ook: 1 Sam 14:3; 1 Sam 16:4; 1 Sam 22:19; Jes 10:32; Neh 11:32; Mar 2:26 **21:3** David zei tegen de priester Achimelech: „De koning heeft mij een opdracht gegeven. Hij zei tegen mij: ‘Niemand mag iets weten van de zaak waarvoor ik je stuur en die ik je heb opgedragen.’ De jongens heb ik naar die en die plaats laten gaan.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֜ד (david) = David | לַאֲחִימֶ֣לֶךְ (laachimelekh) = tegen Achimelech | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | הַמֶּלֶךְ֮ (hamelekh) = de koning | צִוַּ֣נִי (tsivani) = heeft mij geboden | דָבָר֒ (davar) = een zaak | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אַל (al) = niet | יֵ֧דַע (yeda) = laat hem weten | מְא֛וּמָה (meuma) = iets | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁר (asher) = waarvoor | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | שֹׁלֵֽחֲךָ֖ (sholechakha) = ik stuur je | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en waarvoor | צִוִּיתִ֑ךָ (tsivitikha) = ik heb je geboden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנְּעָרִ֣ים (hanearim) = de jongens | יוֹדַ֔עְתִּי (yodati) = ik heb bekendgemaakt | אֶל (el) = naar | מְק֥וֹם (meqom) = een plaats | פְּלֹנִ֖י (peloni) = die-en-die | אַלְמוֹנִֽי (almoni) = zo-en-zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David zegt dat de koning hem een opdracht heeft gegeven. Dat staat nergens in het verhaal. David verbergt dat hij voor Saul op de vlucht is (vers 11). Voetnoot Lezing: יוֹדַעְתִּי (jodati) betekent letterlijk ‘ik heb bekendgemaakt’. Wij vertalen: David heeft de jongens laten weten waar zij moeten zijn. Zie ook: Gen 27:20; Gen 27:24; 1 Sam 19:17; 1 Sam 21:11; Gal 2:12; Kol 3:9 **21:4** „Wat heb je nu bij de hand? Geef mij vijf broden, of wat er maar te vinden is.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | מַה (ma) = wat | יֵּ֧שׁ (yesh) = er is | תַּֽחַת (tachat) = onder | יָדְךָ֛ (yadekha) = je hand | חֲמִשָּׁה (chamisha) = vijf | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | תְּנָ֣ה (tena) = geef | בְיָדִ֑י (beyadi) = in mijn hand | א֖וֹ (o) = of | הַנִּמְצָֽא (hanimtsa) = wat gevonden wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:29; 1 Sam 21:5; Jes 3:6 **21:5** De priester antwoordde David: „Ik heb geen gewoon brood bij de hand. Er is alleen heilig brood, als de jongens zich tenminste van vrouwen hebben onthouden.” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִד֙ (david) = David | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵֽין (ein) = geen | לֶ֥חֶם (lechem) = brood | חֹ֖ל (chol) = gewoon | אֶל (el) = bij | תַּ֣חַת (tachat) = onder | יָדִ֑י (yadi) = mijn hand | כִּֽי (ki) = want | אִם (im) = tenzij | לֶ֤חֶם (lechem) = brood | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heilig | יֵ֔שׁ (yesh) = er is | אִם (im) = als | נִשְׁמְר֥וּ (nishmeru) = zij zich hebben onthouden | הַנְּעָרִ֖ים (hanearim) = de jongens | אַ֥ךְ (akh) = alleen | מֵאִשָּֽׁה (meisha) = van een vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָל (chol), ‘gewoon’, is het tegenovergestelde van קֹדֶשׁ (qodesh), ‘heilig’. Het heilige brood is het toonbrood (vers 7). Volgens Lev. 24:9 mogen alleen Aäron en zijn zonen het eten, op een heilige plaats. Voetnoot : Wie een zaadlozing had, was onrein tot de avond (Lev. 15:18). Dat verklaart de vraag over de jongens. Zie ook: Ex 19:15; Ex 25:30; Lev 15:18; Lev 24:9; 1 Sam 21:7; Zach 7:3; Mat 12:3–4; 1 Kor 7:5 **21:6** David antwoordde de priester: „Zeker, vrouwen zijn bij ons weggehouden, zoals altijd wanneer ik uittrek. De uitrusting van de jongens is heilig, ook al is het een gewone reis. Hoeveel te meer zal zij vandaag heilig zijn door de uitrusting.” Brontekst: וַיַּעַן֩ (vayaan) = en hij antwoordde | דָּוִ֨ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | כִּ֣י (ki) = ja | אִם (im) = zeker | אִשָּׁ֤ה (isha) = een vrouw | עֲצֻֽרָה (atsura) = is tegengehouden | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | כִּתְמ֣וֹל (kitmol) = zoals gisteren | שִׁלְשֹׁ֔ם (shilshom) = eergisteren | בְּצֵאתִ֕י (betseti) = bij mijn uittrekken | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en zij werden | כְלֵֽי (kelei) = de uitrusting van | הַנְּעָרִ֖ים (hanearim) = de jongens | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heilig | וְהוּא֙ (vehu) = en het | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = een reis | חֹ֔ל (chol) = gewoon | וְאַ֕ף (veaf) = hoeveel | כִּ֥י (ki) = te meer | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | יִקְדַּ֥שׁ (yiqdash) = zal geheiligd worden | בַּכֶּֽלִי (bakeli) = in de uitrusting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּלִי (keli) is ‘gereedschap, vat, uitrusting’. Het kan hier de wapens en bagage van de jongens zijn, of hun lichaam. Voetnoot Lezing: De laatste zin is in het Hebreeuws kort en moeilijk: ‘hoeveel te meer zal het vandaag geheiligd worden in het gereedschap’. Wij vertalen: de uitrusting van de jongens is heilig, dus het brood kan ook heilig zijn. De betekenis is onzeker. Zie ook: Lev 8:26; Lev 24:9; Hand 9:15; 1 Tess 4:3–4; 2 Tim 2:20–21 **21:7** De priester gaf hem het heilige brood. Er was daar namelijk geen ander brood dan het toonbrood. Dat was voor het aangezicht van Yahweh weggenomen. Men legde warm brood neer op de dag dat het werd weggenomen. Brontekst: וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | ל֥וֹ (lo) = hem | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heilig | כִּי֩ (ki) = want | לֹא (lo) = niet | הָ֨יָה (haya) = was | שָׁ֜ם (sham) = daar | לֶ֗חֶם (lechem) = brood | כִּֽי (ki) = maar | אִם (im) = alleen | לֶ֤חֶם (lechem) = brood van | הַפָּנִים֙ (hapanim) = het aangezicht | הַמּֽוּסָרִים֙ (hamusarim) = dat werd weggenomen | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָשׂוּם֙ (lasum) = om neer te leggen | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | חֹ֔ם (chom) = warm | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag | הִלָּקְחֽוֹ (hilaqecho) = dat het werd weggenomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם הַפָּנִים (lechem hapanim), ‘brood van het aangezicht’, is het toonbrood: twaalf koeken die elke sabbat vers op de tafel worden gelegd (Lev. 24:5–9; Exod. 25:30). Het oude brood is voor de priesters. Jezus noemt deze gebeurtenis in Matt. 12:3–4. Zie ook: Ex 25:30; Lev 24:5–9; Mat 12:3–4; Mar 2:25–27; Luc 6:3–4 **21:8** Daar was die dag ook een man uit de dienst van Saul. Hij werd vastgehouden voor het aangezicht van Yahweh. Zijn naam was Doëg, de Edomiet, de voornaamste van de herders van Saul. Brontekst: וְשָׁ֡ם (vesham) = en daar | אִישׁ֩ (ish) = een man | מֵעַבְדֵ֨י (meavdei) = van de dienaren van | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֗וּא (hahu) = die | נֶעְצָר֙ (netsar) = vastgehouden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּשְׁמ֖וֹ (ushemo) = en zijn naam | דֹּאֵ֣ג (doeg) = Doëg | הָאֲדֹמִ֑י (haadomi) = de Edomiet | אַבִּ֥יר (abir) = de voornaamste van | הָרֹעִ֖ים (haroim) = de herders | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לְשָׁאֽוּל (leshaul) = van Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶעְצָר (ne'etsar), ‘vastgehouden’: de reden staat er niet bij. Misschien was hij gebonden aan een gelofte, een reiniging of een zaak voor de heilige plaats. Wij laten het open. Voetnoot : דֹּאֵג (Do'eg), de Edomiet, speelt in 1 Sam. 22:9–19 een grote rol. Zie ook: 1 Sam 11:5; 1 Sam 22:9; 1 Kron 27:29; Ps 52:3–11; 2 Kron 26:10 **21:9** David zei tegen Achimelech: „Is er hier bij de hand niet een speer of een zwaard? Ik heb mijn eigen zwaard en mijn wapens niet meegenomen, want de opdracht van de koning was dringend.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֙ (david) = David | לַאֲחִימֶ֔לֶךְ (laachimelekh) = tegen Achimelech | וְאִ֛ין (vein) = en niet | יֶשׁ (yesh) = er is | פֹּ֥ה (po) = hier | תַֽחַת (tachat) = onder | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | חֲנִ֣ית (chanit) = speer | אוֹ (o) = of | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | כִּ֣י (ki) = want | גַם (gam) = ook | חַרְבִּ֤י (charbi) = mijn zwaard | וְגַם (vegam) = en ook | כֵּלַי֙ (kelay) = mijn wapens | לֹֽא (lo) = niet | לָקַ֣חְתִּי (laqachti) = ik heb genomen | בְיָדִ֔י (beyadi) = in mijn hand | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֥ה (haya) = was | דְבַר (devar) = de zaak van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | נָחֽוּץ (nachuts) = dringend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּלִי (keli) is hier ‘wapens’. David zegt dat hij haast had. **21:10** De priester zei: „Het zwaard van Goliat, de Filistijn, die je in het dal van Ela hebt verslagen. Zie, het ligt in een kleed gewikkeld, achter de efod. Wil je het nemen, neem het dan. Er is hier geen ander behalve dat.” David zei: „Er is er geen zoals dat. Geef het mij.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | חֶרֶב֩ (cherev) = het zwaard van | גָּלְיָ֨ת (galeyat) = Goliat | הַפְּלִשְׁתִּ֜י (hapelishti) = de Filistijn | אֲשֶׁר (asher) = die | הִכִּ֣יתָ (hikita) = jij hebt verslagen | בְּעֵ֣מֶק (beemeq) = in het dal | הָאֵלָ֗ה (haela) = Ela | הִנֵּה (hine) = zie | הִ֞יא (hi) = het | לוּטָ֣ה (luta) = is gewikkeld | בַשִּׂמְלָה֮ (basimla) = in een kleed | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הָאֵפוֹד֒ (haefod) = de efod | אִם (im) = als | אֹתָ֤הּ (otah) = jij | תִּֽקַּח (tiqach) = het wilt nemen | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | קָ֔ח (qach) = neem | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet is | אַחֶ֛רֶת (acheret) = een ander | זוּלָתָ֖הּ (zulatah) = behalve het | בָּזֶ֑ה (baze) = hier | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֛ד (david) = David | אֵ֥ין (ein) = niet is | כָּמ֖וֹהָ (kamoha) = zoals het | תְּנֶ֥נָּה (tenena) = geef het | לִּֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Ela (emeq ha'Elah) ligt in de Sefela, bij het huidige Wadi es-Sant, ten westen van Betlehem (Israël). Zie 1 Sam. 17:2. Zie Dal van Ela: Het dal van Ela (Wadi es-Sant) ligt in de Sefela, ten westen van Betlehem. Voetnoot Uitleg: אֵפוֹד (efod): een priesterkleed (Exod. 28:6–14). Het zwaard van Goliat ligt hier bewaard in de heilige plaats, achter dat kleed. Zie ook: Ex 28:6–14; 1 Sam 17:2; 1 Sam 17:50–54; 1 Sam 31:10 ### David bij Achis, de koning van Gat **21:11** David stond op en vluchtte die dag voor Saul. Hij kwam bij Achis, de koning van Gat. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | דָּוִ֔ד (david) = David | וַיִּבְרַ֥ח (vayivrach) = en hij vluchtte | בַּיּוֹם (bayom) = op dag | הַה֖וּא (hahu) = die | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיָּבֹ֕א (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | אָכִ֖ישׁ (akhish) = Achis | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | גַּֽת (gat) = Gat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Zie ook: 1 Sam 27:1–2; Ps 34:2–23; 1 Kon 19:3; Jer 26:21 **21:12** De dienaren van Achis zeiden tegen hem: „Is dit niet David, de koning van het land? Zingen zij niet over hem in de rondedansen: ‘Saul heeft zijn duizenden verslagen, en David zijn tienduizenden’?” Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zij zeiden | עַבְדֵ֤י (avdei) = de dienaren van | אָכִישׁ֙ (akhish) = Achis | אֵלָ֔יו (elav) = tegen hem | הֲלוֹא (halo) = is niet | זֶ֥ה (ze) = dit | דָוִ֖ד (david) = David | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | הֲל֣וֹא (halo) = is niet | לָזֶ֗ה (laze) = over dit | יַעֲנ֤וּ (yaanu) = zij zongen | בַמְּחֹלוֹת֙ (bamecholot) = in de rondedansen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִכָּ֤ה (hika) = verslagen heeft | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בַּאֲלָפָ֔יו (baalafav) = in zijn duizenden | וְדָוִ֖ד (vedavid) = en David | בְּרִבְבֹתָֽיו (berivvotav) = in zijn tienduizenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַעֲנוּ (ja'anu) betekent letterlijk ‘zij antwoordden’. Hier is het ‘zij zongen om beurten’ (beurtzang), zoals in Exod. 15:21. Het lied staat in 1 Sam. 18:7 en komt terug in 1 Sam. 29:5. Zie ook: Ex 15:21; 1 Sam 16:1; 1 Sam 18:7–8; 1 Sam 29:5; Ps 56:2–14 **21:13** David nam deze woorden ter harte. Hij was zeer bang voor Achis, de koning van Gat. Brontekst: וַיָּ֧שֶׂם (vayasem) = en hij legde | דָּוִ֛ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | בִּלְבָב֑וֹ (bilvavo) = in zijn hart | וַיִּרָ֣א (vayira) = en hij was bang | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | אָכִ֥ישׁ (akhish) = Achis | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | גַּֽת (gat) = Gat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Zie ook: Gen 12:11–13; Gen 26:7; Ps 34:5; Ps 56:4; Luc 2:19 **21:14** Hij veranderde zijn gedrag in hun ogen. Hij gedroeg zich als een gek, in hun handen. Hij krabbelde op de deuren van de poort. Hij liet zijn speeksel in zijn baard lopen. Brontekst: וַיְשַׁנּ֤וֹ (vayshano) = en hij veranderde | אֶת (et) = (obj.) | טַעְמוֹ֙ (tamo) = zijn gedrag | בְּעֵ֣ינֵיהֶ֔ם (beeineihem) = in hun ogen | וַיִּתְהֹלֵ֖ל (vayitholel) = en hij gedroeg zich als gek | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = in hun hand | וַיְתָיו֙ (vaytav) = en hij krabbelde | עַל (al) = op | דַּלְת֣וֹת (daltot) = deuren van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | וַיּ֥וֹרֶד (vayored) = en hij liet lopen | רִיר֖וֹ (riro) = zijn speeksel | אֶל (el) = op | זְקָנֽוֹ (zeqano) = zijn baard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat was een Filistijnse stad; waarschijnlijk Tel es-Safi (Israël). Voetnoot Uitleg: ‘In hun handen’ is: onder hun bereik, terwijl zij hem vasthielden. Het opschrift van Psalm 34 verwijst naar deze gebeurtenis en noemt de koning Abimelech. Voetnoot Lezing: Het woord ‘hij krabbelde’ (vayyatav) wordt anders gelezen dan het geschreven staat. Het hangt samen met ‘een teken maken, krassen’. Wij vertalen dat zo. Zie ook: Ps 34:2–23; Spr 29:25; Pred 7:7 **21:15** Achis zei tegen zijn dienaren: „Zie, jullie zien dat deze man waanzinnig is. Waarom brengen jullie hem bij mij?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָכִ֖ישׁ (akhish) = Achis | אֶל (el) = tegen | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | תִרְאוּ֙ (tiru) = jullie zien | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מִשְׁתַּגֵּ֔עַ (mishtagea) = die waanzinnig is | לָ֛מָּה (lama) = waarom | תָּבִ֥יאוּ (taviu) = jullie brengen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 7:7 **21:16** „Heb ik gekken tekort? Jullie hebben deze man gebracht om voor mijn ogen te razen. Zal zo iemand mijn huis binnenkomen?” Brontekst: חֲסַ֤ר (chasar) = ontbreekt | מְשֻׁגָּעִים֙ (meshugaim) = waanzinnigen | אָ֔נִי (ani) = ik | כִּי (ki) = dat | הֲבֵאתֶ֣ם (havetem) = jullie hebben gebracht | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֔ה (ze) = deze | לְהִשְׁתַּגֵּ֖עַ (lehishtagea) = om waanzinnig te zijn | עָלָ֑י (alay) = bij mij | הֲזֶ֖ה (haze) = deze | יָב֥וֹא (yavo) = zal komen | אֶל (el) = naar | בֵּיתִֽי (beiti) = mijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt in vers 15 en 16 samen drie keer het werkwoord ‘waanzinnig zijn’ (shiggea). Wij houden dat in de vertaling vast. Zie ook: 1 Sam 21:15 ## 1 Samuël 22 _David in de grot van Adullam, Saul laat de priesters van Nob doden_ ### David in de grot van Adullam **22:1** David ging daarvandaan weg en ontkwam naar de grot van Adullam. Zijn broers en heel het huis van zijn vader hoorden het. Zij kwamen daarheen naar hem toe. Brontekst: וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | דָּוִד֙ (david) = David | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | וַיִּמָּלֵ֖ט (vayimalet) = en hij ontkwam | אֶל (el) = naar | מְעָרַ֣ת (mearat) = de grot van | עֲדֻלָּ֑ם (adulam) = Adullam | וַיִּשְׁמְע֤וּ (vayishmeu) = en zij hoorden | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיֵּרְד֥וּ (vayeredu) = en zij daalden af | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Adullam ligt in de Sefela, waarschijnlijk bij Tel Adullam (Israël). Zie ook Joz. 12:15 en 15:35. Voetnoot Uitleg: De opschriften van Psalm 57 en Psalm 142 noemen een grot waarin David zich verborg. Zie ook: Joz 12:15; Joz 15:35; 1 Kron 11:15; Ps 34:2; Ps 57:2–12; Ps 142:2–8; Heb 11:38 **22:2** Iedereen die in nood zat, iedereen die een schuldeiser had en iedereen die bitter van ziel was, kwam bij hem samen. Hij werd hun aanvoerder. Er waren ongeveer 400 man bij hem. Brontekst: וַיִּֽתְקַבְּצ֣וּ (vayitqabetsu) = en zij verzamelden zich | אֵ֠לָיו (elav) = bij hem | כָּל (kal) = alle | אִ֨ישׁ (ish) = man van | מָצ֜וֹק (matsoq) = nood | וְכָל (vekhal) = en alle | אִ֨ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֤וֹ (lo) = hem | נֹשֶׁא֙ (noshe) = een schuldeiser | וְכָל (vekhal) = en alle | אִ֣ישׁ (ish) = man | מַר (mar) = bitter van | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = ziel | וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij werd | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | לְשָׂ֑ר (lesar) = tot aanvoerder | וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en zij waren | עִמּ֔וֹ (imo) = bij hem | כְּאַרְבַּ֥ע (kearba) = ongeveer vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַר נֶפֶשׁ (mar nefesh), ‘bitter van ziel’: mensen die bitter gestemd waren. Voetnoot : נֹשֶׁה (noshe), ‘schuldeiser’: wie een schuldeiser had, zat in schulden. Zie ook: 1 Sam 1:10; 1 Sam 25:13; 1 Sam 30:22–24; Ps 72:12–14; Mat 11:28 ### David brengt zijn ouders naar Moab **22:3** David ging van daar naar Mizpe in Moab. Hij zei tegen de koning van Moab: „Laat mijn vader en moeder toch bij u komen, tot ik weet wat Elohim voor mij zal doen.” Brontekst: וַיֵּ֧לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | דָּוִ֛ד (david) = David | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | מִצְפֵּ֣ה (mitspe) = naar Mizpe | מוֹאָ֑ב (moav) = van Moab | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֗ב (moav) = Moab | יֵֽצֵא (yetse) = laat uitgaan | נָ֞א (na) = toch | אָבִ֤י (avi) = mijn vader | וְאִמִּי֙ (veimi) = en mijn moeder | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = bij u | עַ֚ד (ad) = totdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֵדַ֔ע (eda) = ik weet | מַה (ma) = wat | יַּֽעֲשֶׂה (yaase) = hij zal doen | לִּ֖י (li) = met mij | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpe in Moab (mitspeh Moav), ‘uitkijkpunt van Moab’, is onzeker. Het lag in het bergland van Moab, ten oosten van de Zoutzee (Jordanië). Voetnoot Uitleg: David had Moabitische voorouders: Ruth was zijn overgrootmoeder (Ruth 4:17–22). Dat verklaart misschien waarom hij zijn ouders daarheen brengt. Voetnoot : יֵצֵא (jetse) betekent letterlijk ‘laat uitgaan’: laat hen naar u toe komen. Zie ook: Gen 47:11; Re 11:29; Ruth 4:10; Ruth 4:17; 1 Sam 14:47 **22:4** Hij bracht hen bij de koning van Moab. Zij bleven bij hem, de hele tijd dat David in de bergvesting was. Brontekst: וַיַּנְחֵ֕ם (vayanchem) = en hij bracht hen | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֖י (penei) = het gezicht van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | וַיֵּשְׁב֣וּ (vayeshevu) = en zij bleven | עִמּ֔וֹ (imo) = bij hem | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | הֱיוֹת (heyot) = het zijn van | דָּוִ֖ד (david) = David | בַּמְּצוּדָֽה (bametsuda) = in de bergvesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מְצוּדָה (metsudah), ‘bergvesting’: een onherbergzame schuilplaats of vesting op een rots. Wij gebruiken dit woord overal in dit boek. Zie ook: 1 Kron 21:9; 1 Kron 29:29; Ps 11:1; Jes 8:12–14; Mat 10:23 **22:5** De profeet Gad zei tegen David: „Blijf niet in de bergvesting. Ga naar het land Juda.” David ging weg en kwam in het woud van Cheret. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en hij zei | גָּ֨ד (gad) = Gad | הַנָּבִ֜יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tegen | דָּוִ֗ד (david) = David | לֹ֤א (lo) = niet | תֵשֵׁב֙ (teshev) = blijf | בַּמְּצוּדָ֔ה (bametsuda) = in de bergvesting | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | וּבָֽאתָ (uvata) = en kom | לְּךָ֖ (lekha) = voor jou | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | דָּוִ֔ד (david) = David | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | יַ֥עַר (yaar) = woud van | חָֽרֶת (charet) = Cheret Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Cheret (Chereth) is onzeker. Men denkt aan Khirbet Choreisa, ten zuiden van Hebron (Westelijke Jordaanoever). De naam betekent misschien ‘bos’. Zie Woud van Cheret (ligging onzeker): Het woud van Cheret lag in Juda, mogelijk bij Khirbet Choreisa, ten zuiden van Hebron. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Gad is een profeet, hier voor het eerst genoemd. Hij komt terug in 2 Sam. 24:11. Zie ook: 2 Sam 24:11; 1 Kron 21:9; 1 Kron 29:29; 2 Kron 29:25 ### Saul hoort waar David is **22:6** Saul hoorde dat David en de mannen die bij hem waren, ontdekt waren. Saul zat in Gibea onder de tamarisk, op de hoogte. Zijn speer had hij in zijn hand. Al zijn dienaren stonden bij hem. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hij hoorde | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | כִּ֚י (ki) = dat | נוֹדַ֣ע (noda) = bekend was geworden | דָּוִ֔ד (david) = David | וַאֲנָשִׁ֖ים (vaanashim) = en de mannen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וְשָׁאוּל֩ (veshaul) = en Saul | יוֹשֵׁ֨ב (yoshev) = zat | בַּגִּבְעָ֜ה (bagiva) = in Gibea | תַּֽחַת (tachat) = onder | הָאֶ֤שֶׁל (haeshel) = de tamarisk | בָּֽרָמָה֙ (barama) = op de hoogte | וַחֲנִית֣וֹ (vachanito) = en zijn speer | בְיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וְכָל (vekhal) = en al | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | נִצָּבִ֥ים (nitsavim) = stonden | עָלָֽיו (alav) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea is het Gibea van Saul, waarschijnlijk Tell el-Ful, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: בָּרָמָה (baramah) kan ‘op de hoogte’ of ‘in Rama’ betekenen. Wij nemen ‘op de hoogte’, omdat Saul in Gibea zat. Zie ook: Gen 21:33; Re 4:5; 1 Sam 18:10; 1 Sam 19:9; 1 Sam 20:33 **22:7** Saul zei tegen zijn dienaren die bij hem stonden: „Luister toch, Benjaminieten. Zal de zoon van Isaï ook aan jullie allemaal akkers en wijngaarden geven? Zal hij jullie allemaal tot aanvoerders over duizend en over honderd maken? Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | לַֽעֲבָדָיו֙ (laavadav) = tegen zijn dienaren | הַנִּצָּבִ֣ים (hanitsavim) = die stonden | עָלָ֔יו (alav) = bij hem | שִׁמְעוּ (shimu) = luister | נָ֖א (na) = toch | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יְמִינִ֑י (yemini) = de Benjaminiet | גַּם (gam) = ook | לְכֻלְּכֶ֗ם (lekhulekhem) = aan jullie allemaal | יִתֵּ֤ן (yiten) = zal hij geven | בֶּן (ben) = de zoon van | יִשַׁי֙ (yishay) = Isaï | שָׂד֣וֹת (sadot) = akkers | וּכְרָמִ֔ים (ukheramim) = en wijngaarden | לְכֻלְּכֶ֣ם (lekhulekhem) = aan jullie allemaal | יָשִׂ֔ים (yasim) = zal hij maken | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en oversten van | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי יְמִינִי (bene jemini), ‘zonen van de Benjaminiet’: stamgenoten van Saul, uit Benjamin. Zie ook: 1 Sam 8:14–15; 1 Sam 18:14; 1 Sam 20:30; 2 Sam 20:1; 1 Kon 12:16 **22:8** Want jullie hebben je allemaal tegen mij verbonden. Niemand vertelt mij dat mijn zoon een verbond sluit met de zoon van Isaï. Niemand van jullie is bezorgd om mij. Niemand vertelt mij dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgezet, om mij te overvallen, zoals het nu gaat.” Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | קְשַׁרְתֶּ֨ם (qeshartem) = jullie hebben samengespannen | כֻּלְּכֶ֜ם (kulekhem) = jullie allemaal | עָלַ֗י (alay) = tegen mij | וְאֵין (veein) = en niemand is er | גֹּלֶ֤ה (gole) = die onthult | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנִי֙ (azeni) = mijn oor | בִּכְרָת (bikhrat) = bij het sluiten van een verbond door | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | עִם (im) = met | בֶּן (ben) = de zoon van | יִשַׁ֔י (yishay) = Isaï | וְאֵין (veein) = en niemand is er | חֹלֶ֥ה (chole) = die bezorgd is | מִכֶּ֛ם (mikem) = van jullie | עָלַ֖י (alay) = om mij | וְגֹלֶ֣ה (vegole) = en die onthult | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנִ֑י (azeni) = mijn oor | כִּ֣י (ki) = dat | הֵקִים֩ (heqim) = heeft opgezet | בְּנִ֨י (beni) = mijn zoon | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדִּ֥י (avdi) = mijn dienaar | עָלַ֛י (alay) = tegen mij | לְאֹרֵ֖ב (leorev) = om te loeren | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘mijn zoon’ bedoelt Saul Jonatan, met ‘mijn dienaar’ David. Het ‘verbond’ is dat van 1 Sam. 18:3 en 20:16. Zie ook: 1 Sam 18:3; 1 Sam 20:8; 1 Sam 20:16; 1 Sam 20:30–34; 1 Sam 23:16–18; 1 Sam 23:21 ### Doëg verraadt Achimelech **22:9** Doëg, de Edomiet, stond bij de dienaren van Saul. Hij antwoordde: „Ik heb de zoon van Isaï gezien. Hij kwam naar Nob, naar Achimelech, de zoon van Achitub. Brontekst: וַיַּ֜עַן (vayaan) = en hij antwoordde | דֹּאֵ֣ג (doeg) = Doëg | הָאֲדֹמִ֗י (haadomi) = de Edomiet | וְה֛וּא (vehu) = en hij | נִצָּ֥ב (nitsav) = stond | עַל (al) = bij | עַבְדֵֽי (avdei) = de dienaren van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = ik heb gezien | אֶת (et) = (obj.) | בֶּן (ben) = de zoon van | יִשַׁ֔י (yishay) = Isaï | בָּ֣א (ba) = komend | נֹ֔בֶה (nove) = naar Nob | אֶל (el) = naar | אֲחִימֶ֖לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | בֶּן (ben) = de zoon van | אֲחִטֽוּב (achituv) = Achitub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg). Dit is niet zeker. Zie ook: 1 Sam 14:3; 1 Sam 21:2–16; Ps 52:3–11; Spr 29:12; Mat 26:59–61 **22:10** Achimelech heeft Yahweh voor hem geraadpleegd. Hij heeft hem proviand gegeven. Ook het zwaard van Goliat, de Filistijn, heeft hij hem gegeven.” Brontekst: וַיִּשְׁאַל (vayishal) = en hij raadpleegde | לוֹ֙ (lo) = voor hem | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = bij Yahweh | וְצֵידָ֖ה (vetseida) = en proviand | נָ֣תַן (natan) = hij gaf | ל֑וֹ (lo) = hem | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | חֶ֛רֶב (cherev) = zwaard van | גָּלְיָ֥ת (galeyat) = Goliat | הַפְּלִשְׁתִּ֖י (hapelishti) = de Filistijn | נָ֥תַן (natan) = hij gaf | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zegt Doëg. In 1 Sam. 21 staat niet dat Achimelech Yahweh raadpleegde. Of dat gebeurd is, weten wij niet. Zie ook: Num 27:21; 1 Sam 23:2; 1 Sam 23:4; 1 Sam 23:12; 1 Sam 30:8 ### Saul roept de priesters van Nob **22:11** De koning liet de priester Achimelech roepen, de zoon van Achitub. Ook liet hij heel het huis van zijn vader roepen, de priesters die in Nob waren. Zij kwamen allemaal bij de koning. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en hij zond | הַמֶּ֡לֶךְ (hamelekh) = de koning | לִקְרֹא֩ (liqro) = om te roepen | אֶת (et) = (obj.) | אֲחִימֶ֨לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | בֶּן (ben) = de zoon van | אֲחִיט֜וּב (achituv) = Achitub | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אָבִ֛יו (aviv) = zijn vader | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּנֹ֑ב (benov) = in Nob | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en zij kwamen | כֻלָּ֖ם (kulam) = allen | אֶל (el) = naar | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg). Dit is niet zeker. Zie ook: Rom 3:15 **22:12** Saul zei: „Luister toch, zoon van Achitub.” Hij antwoordde: „Hier ben ik, mijn heer.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | שְֽׁמַֽע (shema) = luister | נָ֖א (na) = toch | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיט֑וּב (achituv) = Achitub | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנְנִ֥י (hinni) = zie mij | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 22:7; 1 Sam 22:13; 2 Sam 9:6; Jes 65:1 **22:13** Saul zei tegen hem: „Waarom hebben jij en de zoon van Isaï zich tegen mij verbonden? Jij hebt hem brood en een zwaard gegeven en Elohim voor hem geraadpleegd. Nu staat hij tegen mij op, om mij te overvallen, zoals het nu gaat.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tegen hem | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | לָ֚מָּה (lama) = waarom | קְשַׁרְתֶּ֣ם (qeshartem) = jullie hebben samengespannen | עָלַ֔י (alay) = tegen mij | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וּבֶן (uven) = en de zoon van | יִשָׁ֑י (yishay) = Isaï | בְּתִתְּךָ֨ (betitekha) = doordat jij gaf | ל֜וֹ (lo) = hem | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | וְחֶ֗רֶב (vecherev) = en zwaard | וְשָׁא֥וֹל (veshaol) = en raadplegen | לוֹ֙ (lo) = voor hem | בֵּֽאלֹהִ֔ים (bElohim) = bij Elohim | לָק֥וּם (laqum) = om op te staan | אֵלַ֛י (elay) = tegen mij | לְאֹרֵ֖ב (leorev) = om te loeren | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 22:8; Ps 119:69; Amos 7:10; Luc 23:2–5 **22:14** Achimelech antwoordde de koning: „Wie van al uw dienaren is zo trouw als David? Hij is de schoonzoon van de koning. Hij staat tot uw beschikking en wordt geëerd in uw huis. Brontekst: וַיַּ֧עַן (vayaan) = en hij antwoordde | אֲחִימֶ֛לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | וּמִ֤י (umi) = en wie | בְכָל (bekhal) = onder al | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = uw dienaren | כְּדָוִ֣ד (kedavid) = zoals David | נֶאֱמָ֔ן (neeman) = trouw | וַחֲתַ֥ן (vachatan) = en schoonzoon van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְסָ֥ר (vesar) = en hij wijkt | אֶל (el) = naar | מִשְׁמַעְתֶּ֖ךָ (mishmatekha) = uw gehoor | וְנִכְבָּ֥ד (venikhbad) = en geëerd | בְּבֵיתֶֽךָ (beveitekha) = in uw huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְסָר אֶל־מִשְׁמַעְתֶּךָ (vesar el mishma'techa) is moeilijk. Letterlijk ‘en hij wijkt naar uw gehoor’. Wij vertalen: hij staat tot uw beschikking, hij hoort bij uw gezelschap. Anderen lezen ‘aanvoerder van uw lijfwacht’. De betekenis is onzeker. Zie ook: 1 Sam 18:27; 1 Sam 19:4–5; 1 Sam 20:32; 1 Sam 21:3; Spr 31:8–9 **22:15** Is het vandaag voor het eerst dat ik Elohim voor hem raadpleeg? Dat nooit! Laat de koning geen schuld leggen op zijn dienaar, noch op heel het huis van mijn vader. Want uw dienaar weet van dit alles niets, niets, groot of klein.” Brontekst: הַיּ֧וֹם (hayom) = de dag | הַחִלֹּ֛תִי (hachiloti) = ik ben begonnen | לִשְׁאָל (lishal) = om te raadplegen | ל֥וֹ (lo) = voor hem | בֵאלֹהִ֖ים (bElohim) = bij Elohim | חָלִ֣ילָה (chalila) = ver zij het | לִּ֑י (li) = van mij | אַל (al) = niet | יָשֵׂם֩ (yasem) = laat leggen | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּעַבְדּ֤וֹ (beavdo) = op zijn dienaar | דָבָר֙ (davar) = een zaak | בְּכָל (bekhal) = op heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | יָדַ֤ע (yada) = weet | עַבְדְּךָ֙ (avdekha) = uw dienaar | בְּכָל (bekhal) = van heel | זֹ֔את (zot) = dit | דָּבָ֥ר (davar) = zaak | קָטֹ֖ן (qaton) = klein | א֥וֹ (o) = of | גָדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij lezen de eerste zin als een vraag: het raadplegen van Elohim voor David was voor Achimelech niets nieuws. Zie ook: Gen 20:5–6; 1 Sam 25:36; 2 Sam 15:11; 2 Kor 1:12; 1 Petr 3:16–17 ### De priesters van Nob worden gedood **22:16** De koning zei: „Je zult zeker sterven, Achimelech, jij en heel het huis van je vader.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | מ֥וֹת (mot) = sterven | תָּמ֖וּת (tamut) = je zult sterven | אֲחִימֶ֑לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אָבִֽיךָ (avikha) = je vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 28:15; 1 Kon 18:4; 1 Kon 19:2; Dan 2:5; Mat 2:16 **22:17** De koning zei tegen de lijfwachten die bij hem stonden: „Draai je om en dood de priesters van Yahweh. Want ook hun hand is met David. Zij wisten dat hij vluchtte en hebben het mij niet verteld.” Maar de dienaren van de koning wilden hun hand niet uitsteken om de priesters van Yahweh neer te slaan. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַמֶּ֡לֶךְ (hamelekh) = de koning | לָרָצִים֩ (laratsim) = tegen de lopers | הַנִּצָּבִ֨ים (hanitsavim) = die stonden | עָלָ֜יו (alav) = bij hem | סֹ֥בּוּ (sobu) = draai je om | וְהָמִ֣יתוּ (vehamitu) = en dood | כֹּהֲנֵ֣י (kohanei) = priesters van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | גַם (gam) = ook | יָדָם֙ (yadam) = hun hand | עִם (im) = met | דָּוִ֔ד (david) = David | וְכִ֤י (vekhi) = en omdat | יָֽדְעוּ֙ (yadeu) = zij wisten | כִּֽי (ki) = dat | בֹרֵ֣חַ (boreach) = hij vluchtte | ה֔וּא (hu) = hij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | גָל֖וּ (galu) = zij onthulden | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנִ֑י (azeni) = mijn oor | וְלֹֽא (velo) = en niet | אָב֞וּ (avu) = wilden | עַבְדֵ֤י (avdei) = dienaren van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לִשְׁלֹ֣חַ (lishloach) = om uit te steken | אֶת (et) = (obj.) | יָדָ֔ם (yadam) = hun hand | לִפְגֹ֖עַ (lifgoa) = om neer te slaan | בְּכֹהֲנֵ֥י (bekhohanei) = de priesters van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצִים (ratsim), ‘lopers’: de lijfwachten van de koning (zie ook 1 Sam. 8:11). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord heeft ‘zijn oor’ (ketiv); gelezen wordt ‘mijn oor’ (qere). Wij volgen de leeswijze. Zie ook: Ex 1:17; 1 Sam 8:11; 1 Sam 14:45; 2 Sam 15:1; 2 Kon 1:13–14; Hand 4:19 **22:18** De koning zei tegen Doëg: „Draai jij je om en sla de priesters neer.” Doëg, de Edomiet, draaide zich om en sloeg zelf de priesters neer. Op die dag doodde hij 85 man die een linnen efod droegen. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לְדוֹאֵ֔ג (ledoeg) = tegen Doëg | סֹ֣ב (sov) = draai je om | אַתָּ֔ה (ata) = jij | וּפְגַ֖ע (ufega) = en sla neer | בַּכֹּהֲנִ֑ים (bakohanim) = de priesters | וַיִּסֹּ֞ב (vayisov) = en hij draaide zich om | דּוֹאֵ֣ג (doeg) = Doëg | הָאֲדֹמִ֗י (haadomi) = de Edomiet | וַיִּפְגַּע (vayifga) = en hij sloeg neer | הוּא֙ (hu) = hij | בַּכֹּ֣הֲנִ֔ים (bakohanim) = de priesters | וַיָּ֣מֶת (vayamet) = en hij doodde | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֗וּא (hahu) = die | שְׁמֹנִ֤ים (shemonim) = tachtig | וַחֲמִשָּׁה֙ (vachamisha) = en vijf | אִ֔ישׁ (ish) = man | נֹשֵׂ֖א (nose) = dragend | אֵפ֥וֹד (efod) = een efod | בָּֽד (bad) = van linnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵפוֹד בָּד (efod bad): een linnen efod, het eenvoudige priesterkleed (1 Sam. 2:18). Voetnoot Lezing: Het getal 85 staat zo in de Masoretische tekst. De naam Doëg wordt geschreven als דויג en gelezen als דּוֹאֵג; het is dezelfde man. Zie ook: 1 Sam 2:18; 1 Sam 2:28; 1 Sam 2:36; Hos 7:3; Sef 3:3; Hand 26:10–11 **22:19** Ook Nob, de stad van de priesters, sloeg hij met de scherpte van het zwaard. Hij sloeg man en vrouw, kind en zuigeling, stier, ezel en schaap met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | נֹ֤ב (nov) = Nob | עִיר (ir) = stad van | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | הִכָּ֣ה (hika) = hij sloeg | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = het zwaard | מֵאִישׁ֙ (meish) = van man | וְעַד (vead) = tot | אִשָּׁ֔ה (isha) = vrouw | מֵעוֹלֵ֖ל (meolel) = van kind | וְעַד (vead) = tot | יוֹנֵ֑ק (yoneq) = zuigeling | וְשׁ֧וֹר (veshor) = en stier | וַחֲמ֛וֹר (vachamor) = en ezel | וָשֶׂ֖ה (vase) = en schaap | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg). Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Wat hier gebeurt, lijkt op de ban van Deut. 13:16–17 en 1 Sam. 15, maar dan tegen priesters van Yahweh. In 1 Sam. 15 had Saul de ban over Amalek niet uitgevoerd. Voetnoot : Het woord over het huis van Eli staat in 1 Sam. 2:31–36; zie ook 1 Kon. 2:27. Zie ook: Deut 13:16–17; Joz 6:21; 1 Sam 2:31–36; 1 Sam 15:3; 1 Sam 22:9; 1 Kon 2:27; Hos 10:14; Jak 2:13 ### Abjatar vlucht naar David **22:20** Eén zoon van Achimelech, de zoon van Achitub, ontkwam. Zijn naam was Abjatar. Hij vluchtte achter David aan. Brontekst: וַיִּמָּלֵ֣ט (vayimalet) = en hij ontkwam | בֵּן (ben) = een zoon | אֶחָ֗ד (echad) = één | לַאֲחִימֶ֨לֶךְ֙ (laachimelekh) = van Achimelech | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִט֔וּב (achituv) = Achitub | וּשְׁמ֖וֹ (ushemo) = en zijn naam | אֶבְיָתָ֑ר (evyatar) = Abjatar | וַיִּבְרַ֖ח (vayivrach) = en hij vluchtte | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | דָוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 2:33; 1 Sam 23:6; 1 Sam 23:9; 1 Sam 30:7; 1 Kon 2:26–27 **22:21** Abjatar vertelde David dat Saul de priesters van Yahweh had gedood. Brontekst: וַיַּגֵּ֥ד (vayaged) = en hij vertelde | אֶבְיָתָ֖ר (evyatar) = Abjatar | לְדָוִ֑ד (ledavid) = aan David | כִּ֚י (ki) = dat | הָרַ֣ג (harag) = had gedood | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כֹּהֲנֵ֥י (kohanei) = priesters van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:22** David zei tegen Abjatar: „Ik wist op die dag al, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het zeker aan Saul zou vertellen. Ik ben de oorzaak van de dood van alle personen uit het huis van je vader. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֜ד (david) = David | לְאֶבְיָתָ֗ר (leevyatar) = tegen Abjatar | יָדַ֜עְתִּי (yadati) = ik wist | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | כִּֽי (ki) = dat | שָׁם֙ (sham) = daar | דּוֹאֵ֣ג (doeg) = Doëg | הָאֲדֹמִ֔י (haadomi) = de Edomiet | כִּֽי (ki) = dat | הַגֵּ֥ד (haged) = vertellen | יַגִּ֖יד (yagid) = hij zal vertellen | לְשָׁא֑וּל (leshaul) = aan Saul | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | סַבֹּ֔תִי (saboti) = ik ben de oorzaak | בְּכָל (bekhal) = van elke | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = persoon van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אָבִֽיךָ (avikha) = je vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַבֹּתִי (sabboti), letterlijk ‘ik heb omgedraaid’: wij hebben de weg gewezen naar, ik ben de oorzaak van. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh) is hier ‘persoon’, iemand met leven. Zie ook: 1 Sam 21:2–10; Ps 44:23 **22:23** Blijf bij mij. Wees niet bang. Want wie mijn leven zoekt, zoekt jouw leven. Bij mij ben je veilig bewaard.” Brontekst: שְׁבָ֤ה (sheva) = blijf | אִתִּי֙ (iti) = bij mij | אַל (al) = niet | תִּירָ֔א (tira) = wees bang | כִּ֛י (ki) = want | אֲשֶׁר (asher) = die | יְבַקֵּ֥שׁ (yevaqesh) = zoekt | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn leven | יְבַקֵּ֣שׁ (yevaqesh) = hij zoekt | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֶׁ֑ךָ (nafshekha) = je leven | כִּֽי (ki) = want | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = in bewaring | אַתָּ֖ה (ata) = jij | עִמָּדִֽי (imadi) = bij mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh) is hier ‘leven’. Voetnoot : מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘bewaring’: veilige bescherming. Zie ook: 1 Kon 2:26; Joh 10:28–30; Joh 15:20; Joh 18:9; Heb 12:1–3 ## 1 Samuël 23 _David redt Keïla en ontkomt aan Saul in de woestijn_ ### David redt Keïla **23:1** Men vertelde David: „Zie, de Filistijnen vallen Keïla aan. Zij plunderen de dorsvloeren.” Brontekst: וַיַּגִּ֥דוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לְדָוִ֖ד (ledavid) = aan David | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = Filistijnen | נִלְחָמִ֣ים (nilchamim) = strijdend | בִּקְעִילָ֔ה (biqila) = tegen Keïla | וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | שֹׁסִ֥ים (shosim) = plunderend | אֶת (et) = (obj.) | הַגֳּרָנֽוֹת (hagoranot) = de dorsvloeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Keïla ligt in de Sefela of in het bergland van Juda, ten westen van Hebron: waarschijnlijk Khirbet Qila (Israël/Westelijke Jordaanoever). De ligging is niet helemaal zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: גְּרָנוֹת (gernot), ‘dorsvloeren’: de plaats waar het graan na de oogst wordt gedorst. De Filistijnen nemen de oogst weg. Zie ook: Lev 26:16; Joz 15:44; Re 6:4; Mi 6:15; Neh 3:17–18 **23:2** David raadpleegde Yahweh: „Zal ik gaan en deze Filistijnen verslaan?” Yahweh zei tegen David: **„Ga, versla de Filistijnen en red Keïla.”** Brontekst: וַיִּשְׁאַ֨ל (vayishal) = en hij vroeg | דָּוִ֤ד (david) = David | בַּֽיהוָה֙ (baYahweh) = bij Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַאֵלֵ֣ךְ (haelekh) = zal ik gaan | וְהִכֵּ֔יתִי (vehikeiti) = en ik zal verslaan | בַּפְּלִשְׁתִּ֖ים (bapelishtim) = de Filistijnen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | דָּוִ֗ד (david) = David | לֵ֚ךְ (lekh) = ga | וְהִכִּ֣יתָ (vehikita) = en versla | בַפְּלִשְׁתִּ֔ים (bapelishtim) = de Filistijnen | וְהוֹשַׁעְתָּ֖ (vehoshata) = en red | אֶת (et) = (obj.) | קְעִילָֽה (qeila) = Keïla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: David raadpleegt Yahweh hier, waarschijnlijk met de efod van de priester (zie vers 6 en 9). De antwoorden van Yahweh in deze verzen staan rood. Zie ook: Joz 9:14; 1 Sam 23:4; 1 Sam 23:6; 1 Sam 23:9; 2 Sam 5:19; 2 Sam 5:23 **23:3** De mannen van David zeiden tegen hem: „Zie, wij zijn hier in Juda al bang. Hoeveel te meer als wij naar Keïla gaan, tegen de gelederen van de Filistijnen!” Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zij zeiden | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | דָוִד֙ (david) = David | אֵלָ֔יו (elav) = tegen hem | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | פֹ֛ה (po) = hier | בִּֽיהוּדָ֖ה (bihuda) = in Juda | יְרֵאִ֑ים (yereim) = bang | וְאַף֙ (veaf) = en zelfs | כִּֽי (ki) = dat | נֵלֵ֣ךְ (nelekh) = wij gaan | קְעִלָ֔ה (qeila) = naar Keïla | אֶל (el) = naar | מַֽעַרְכ֖וֹת (maarkhot) = de gelederen van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 1 Sam 23:15; 1 Sam 23:23; 1 Sam 23:26; Ps 11:1; Jer 12:5 **23:4** David raadpleegde Yahweh nog een keer. Yahweh antwoordde hem en zei: **„Sta op en ga naar Keïla. Want Ik geef de Filistijnen in je hand.”** Brontekst: וַיּ֨וֹסֶף (vayosef) = en hij voegde toe | ע֤וֹד (od) = nog | דָּוִד֙ (david) = David | לִשְׁאֹ֣ל (lishol) = om te vragen | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = bij Yahweh | וַֽיַּעֲנֵ֖הוּ (vayaanehu) = en hij antwoordde hem | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | ק֚וּם (qum) = sta op | רֵ֣ד (red) = ga af | קְעִילָ֔ה (qeila) = naar Keïla | כִּֽי (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | נֹתֵ֛ן (noten) = geef | אֶת (et) = (obj.) | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | בְּיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Joz 8:7; Re 6:39; Re 7:7; 2 Sam 5:19; 2 Kon 3:18 **23:5** David ging met zijn mannen naar Keïla. Hij streed tegen de Filistijnen en dreef hun vee weg. Hij bracht hun een zware slag toe. Zo redde David de inwoners van Keïla. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | דָּוִד֩ (david) = David | וַאֲנָשָׁ֨יו (vaanashav) = en zijn mannen | קְעִילָ֜ה (qeila) = naar Keïla | וַיִּלָּ֣חֶם (vayilachem) = en hij streed | בַּפְּלִשְׁתִּ֗ים (bapelishtim) = tegen de Filistijnen | וַיִּנְהַג֙ (vayinhag) = en hij dreef weg | אֶת (et) = (obj.) | מִקְנֵיהֶ֔ם (miqneihem) = hun vee | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en hij sloeg | בָּהֶ֖ם (bahem) = onder hen | מַכָּ֣ה (maka) = een slag | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = grote | וַיֹּ֣שַׁע (vayosha) = en hij redde | דָּוִ֔ד (david) = David | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = inwoners van | קְעִילָֽה (qeila) = Keïla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. **23:6** Toen Abjatar, de zoon van Achimelech, naar David in Keïla vluchtte, kwam hij met een efod in zijn hand. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּ֠בְרֹחַ (bivroach) = bij het vluchten van | אֶבְיָתָ֧ר (evyatar) = Abjatar | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִימֶ֛לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | אֶל (el) = naar | דָּוִ֖ד (david) = David | קְעִילָ֑ה (qeila) = naar Keïla | אֵפ֖וֹד (efod) = een efod | יָרַ֥ד (yarad) = was afgedaald | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אֵפוֹד (efod): het priesterkleed met de Urim en Tummim (Exod. 28:6–30). Abjatar bracht het mee uit Nob (1 Sam. 22:20). Zie ook: Ex 28:6–30; Ex 28:30–31; 1 Sam 14:3; 1 Sam 14:18; 1 Sam 14:36–37; 1 Sam 22:20 ### Saul wil David in Keïla insluiten **23:7** Men vertelde Saul dat David naar Keïla was gekomen. Saul zei: „Elohim heeft hem verstoten: hij is in mijn hand. Want hij is opgesloten, nu hij een stad met deuren en grendel is binnengegaan.” Brontekst: וַיֻּגַּ֣ד (vayugad) = en het werd verteld | לְשָׁא֔וּל (leshaul) = aan Saul | כִּי (ki) = dat | בָ֥א (ba) = was gekomen | דָוִ֖ד (david) = David | קְעִילָ֑ה (qeila) = naar Keïla | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | נִכַּ֨ר (nikar) = heeft verstoten | אֹת֤וֹ (oto) = hem | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בְּיָדִ֔י (beyadi) = in mijn hand | כִּ֚י (ki) = want | נִסְגַּ֣ר (nisgar) = hij is opgesloten | לָב֔וֹא (lavo) = door te komen | בְּעִ֖יר (beir) = in een stad | דְּלָתַ֥יִם (delatayim) = deuren | וּבְרִֽיחַ (uveriach) = en grendel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Lezing: נִכַּר (nikkar) komt van een werkwoord met de betekenis ‘vreemd maken, verstoten’. Saul zegt: Elohim heeft David verstoten, en nu is hij in mijn hand. De betekenis is moeilijk; de keuze is onzeker. Zie ook: Job 20:5; 1 Sam 23:14; 1 Sam 24:5–7; 1 Sam 26:8–9; Ps 71:10–11 **23:8** Saul riep al het volk op voor de strijd. Zij moesten naar Keïla afdalen om David en zijn mannen te belegeren. Brontekst: וַיְשַׁמַּ֥ע (vayshama) = en hij riep op | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = voor de strijd | לָרֶ֣דֶת (laredet) = om af te dalen | קְעִילָ֔ה (qeila) = naar Keïla | לָצ֥וּר (latsur) = om te belegeren | אֶל (el) = tegen | דָּוִ֖ד (david) = David | וְאֶל (veel) = en tegen | אֲנָשָֽׁיו (anashav) = zijn mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord is een vorm van שָׁמַע (shama), ‘horen’, en betekent hier ‘laten horen, oproepen’: Saul riep het volk bijeen. **23:9** David merkte dat Saul kwaad tegen hem in de zin had. Hij zei tegen de priester Abjatar: „Breng de efod hier.” Brontekst: וַיֵּ֣דַע (vayeda) = en hij wist | דָּוִ֔ד (david) = David | כִּ֣י (ki) = dat | עָלָ֔יו (alav) = tegen hem | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | מַחֲרִ֣ישׁ (macharish) = smeedt | הָרָעָ֑ה (haraa) = het kwaad | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | אֶבְיָתָ֣ר (evyatar) = Abjatar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | הַגִּ֖ישָׁה (hagisha) = breng hier | הָאֵפֽוֹד (haefod) = de efod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחֲרִישׁ (macharish) komt van חָרַשׁ (charash), ‘ploegen’, ook ‘smeden’: Saul smeedt kwaad, hij maakt plannen. Zie ook: Num 27:21; 1 Sam 23:6; 1 Sam 30:7; Jer 33:3; Hand 9:24 **23:10** David zei: „Yahweh, Elohim van Israël, Uw dienaar heeft het zeker gehoord. Saul zoekt een weg om naar Keïla te komen en de stad te verwoesten, omwille van mij. Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֒ (david) = David | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שָׁמֹ֤עַ (shamoa) = heeft gehoord | שָׁמַע֙ (shama) = heeft zeker gehoord | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | כִּֽי (ki) = dat | מְבַקֵּ֥שׁ (mevaqesh) = zoekt | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | אֶל (el) = naar | קְעִילָ֑ה (qeila) = Keïla | לְשַׁחֵ֥ת (leshachet) = om te verwoesten | לָעִ֖יר (lair) = de stad | בַּעֲבוּרִֽי (baavuri) = om mijnentwil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Zie ook: Gen 18:24; 1 Sam 22:19; 1 Sam 23:8; Spr 28:15; Est 3:6 **23:11** Zullen de burgers van Keïla mij aan hem uitleveren? Zal Saul afdalen, zoals Uw dienaar heeft gehoord? Yahweh, Elohim van Israël, maak het toch bekend aan Uw dienaar.” Yahweh zei: **„Hij zal afdalen.”** Brontekst: הֲיַסְגִּרֻ֣נִי (hayasgiruni) = zullen overleveren mij | בַעֲלֵי֩ (baalei) = de burgers van | קְעִילָ֨ה (qeila) = Keïla | בְיָד֜וֹ (beyado) = in zijn hand | הֲיֵרֵ֣ד (hayered) = zal afdalen | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | שָׁמַ֣ע (shama) = heeft gehoord | עַבְדֶּ֔ךָ (avdekha) = Uw dienaar | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַגֶּד (haged) = maak bekend | נָ֖א (na) = toch | לְעַבְדֶּ֑ךָ (leavdekha) = aan Uw dienaar | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יֵרֵֽד (yered) = hij zal afdalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בַּעֲלֵי קְעִילָה (ba'alei Qe'ilah), ‘heren van Keïla’: de burgers van de stad, de leiders. Zie ook: Ps 50:15; Jer 33:3; Mat 7:7–8 **23:12** David zei: „Zullen de burgers van Keïla mij en mijn mannen aan Saul uitleveren?” Yahweh zei: **„Zij zullen jullie uitleveren.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֔ד (david) = David | הֲיַסְגִּ֜רוּ (hayasgiru) = zullen overleveren | בַּעֲלֵ֧י (baalei) = de burgers van | קְעִילָ֛ה (qeila) = Keïla | אֹתִ֥י (oti) = mij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲנָשַׁ֖י (anashay) = mijn mannen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יַסְגִּֽירוּ (yasgiru) = zij zullen overleveren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij zullen uitleveren’. Wij vullen ‘jullie’ aan, omdat David naar zichzelf en zijn mannen vroeg. Zie ook: 1 Sam 23:7; 1 Sam 23:20; Ps 31:9; Ps 62:2; Heb 4:13 ### David in de woestijn van Zif **23:13** David stond op, met zijn mannen, ongeveer 600 man. Zij trokken weg uit Keïla en gingen rond waar zij maar konden. Aan Saul werd verteld dat David uit Keïla was ontkomen. Toen zag hij af van de tocht. Brontekst: וַיָּקָם֩ (vayaqam) = en hij stond op | דָּוִ֨ד (david) = David | וַאֲנָשָׁ֜יו (vaanashav) = en zijn mannen | כְּשֵׁשׁ (keshesh) = ongeveer zes | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אִ֗ישׁ (ish) = man | וַיֵּצְאוּ֙ (vayetseu) = en zij trokken uit | מִקְּעִלָ֔ה (miqeila) = uit Keïla | וַיִּֽתְהַלְּכ֖וּ (vayithalekhu) = en zij gingen rond | בַּאֲשֶׁ֣ר (baasher) = waar | יִתְהַלָּ֑כוּ (yithalakhu) = zij rondgingen | וּלְשָׁא֣וּל (uleshaul) = en aan Saul | הֻגַּ֗ד (hugad) = werd verteld | כִּֽי (ki) = dat | נִמְלַ֤ט (nimlat) = was ontkomen | דָּוִד֙ (david) = David | מִקְּעִילָ֔ה (miqeila) = uit Keïla | וַיֶּחְדַּ֖ל (vayechdal) = en hij hield op | לָצֵֽאת (latset) = om uit te trekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: David heeft nu ongeveer 600 man, tegenover ongeveer 400 in 1 Sam. 22:2. Voetnoot : ‘Waar zij maar konden’ is letterlijk ‘waarheen zij gingen, gingen zij’: zij trokken zonder vast doel rond. Zie ook: 1 Sam 22:2; 1 Sam 25:13; 1 Sam 30:9–10; 2 Sam 15:20 **23:14** David bleef in de woestijn, in de bergvestingen. Hij bleef in het bergland in de woestijn van Zif. Saul zocht hem al die dagen. Maar Elohim gaf hem niet in zijn hand. Brontekst: וַיֵּ֨שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef | דָּוִ֤ד (david) = David | בַּמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | בַּמְּצָד֔וֹת (bametsadot) = in de bergvestingen | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef | בָּהָ֖ר (bahar) = op de berg | בְּמִדְבַּר (bemidbar) = in de woestijn van | זִ֑יף (zif) = Zif | וַיְבַקְשֵׁ֤הוּ (vayvaqshehu) = en hij zocht hem | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וְלֹֽא (velo) = en niet | נְתָנ֥וֹ (netano) = gaf hem | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn van Zif ligt in het bergland van Juda, ten zuidoosten van Hebron, bij Tell Zif (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: מְצָדוֹת (metsadot), ‘bergvestingen’: meervoud van het woord in 1 Sam. 22:4–5. Zie ook: Joz 15:24; Joz 15:55; 1 Sam 22:4–5; Ps 32:7; Ps 54:5–6; Rom 8:31 **23:15** David zag dat Saul was uitgetrokken om zijn leven te zoeken. David was in de woestijn van Zif, bij Choresh. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | דָוִ֔ד (david) = David | כִּֽי (ki) = dat | יָצָ֥א (yatsa) = was uitgetrokken | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לְבַקֵּ֣שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn leven | וְדָוִ֥ד (vedavid) = en David | בְּמִדְבַּר (bemidbar) = in de woestijn van | זִ֖יף (zif) = Zif | בַּחֹֽרְשָׁה (bachoresha) = bij Choresh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Choresh (chorshah), ‘bos’ of ‘kreupelhout’, is onzeker. Men denkt aan Khirbet Choreisa, bij Tell Zif (Westelijke Jordaanoever). Het kan ook een gewoon woord zijn: ‘in het bos’. ### Jonatan sterkt David **23:16** Jonatan, de zoon van Saul, stond op en ging naar David, naar Choresh. Hij sterkte David door Elohim. Brontekst: וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en hij stond op | יְהוֹנָתָ֣ן (yehonatan) = Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אֶל (el) = naar | דָּוִ֖ד (david) = David | חֹ֑רְשָׁה (choresha) = naar Choresh | וַיְחַזֵּ֥ק (vaychazeq) = en hij versterkte | אֶת (et) = (obj.) | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | בֵּאלֹהִֽים (bElohim) = in Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Choresh (ligging onzeker): Choresh wordt gezocht bij Khirbet Choreisa, bij Tell Zif. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: וַיְחַזֵּק אֶת־יָדוֹ בֵּאלֹהִים (vajechazzeq et jado be'Elohim), letterlijk ‘hij maakte zijn hand sterk in Elohim’: hij gaf hem moed en vertrouwen door Elohim. Zie ook: Job 4:3–4; Jes 35:3–4; Ef 6:10; 2 Tim 2:1; Heb 12:12–13 **23:17** Hij zei tegen hem: „Wees niet bang. De hand van Saul, mijn vader, zal je niet vinden. Jij zult koning worden over Israël. Ik zal de tweede na jou zijn. Ook Saul, mijn vader, weet dat.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | אַל (al) = niet | תִּירָ֗א (tira) = wees bang | כִּ֠י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | תִֽמְצָאֲךָ֙ (timtsaakha) = zal je vinden | יַ֚ד (yad) = hand van | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | תִּמְלֹ֣ךְ (timlokh) = zult regeren | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | אֶֽהְיֶה (ehye) = zal zijn | לְּךָ֣ (lekha) = voor jou | לְמִשְׁנֶ֑ה (lemishne) = tot tweede | וְגַם (vegam) = en ook | שָׁא֥וּל (shaul) = Saul | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | יֹדֵ֥עַ (yodea) = weet | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jonatan erkent dat David koning wordt. Zie ook 1 Sam. 20:13–16 en 24:21. Voetnoot : לְמִשְׁנֶה (lemishne), ‘tot tweede’: de tweede man na de koning. Zie ook: Job 5:11–15; 1 Sam 20:13–16; 1 Sam 20:31; 1 Sam 24:21; Jes 54:17; Heb 13:6 **23:18** Zij tweeën sloten een verbond voor het aangezicht van Yahweh. David bleef bij Choresh en Jonatan ging naar huis. Brontekst: וַיִּכְרְת֧וּ (vayikhretu) = en zij sloten | שְׁנֵיהֶ֛ם (sheneihem) = hun beiden | בְּרִ֖ית (berit) = een verbond | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef | דָּוִד֙ (david) = David | בַּחֹ֔רְשָׁה (bachoresha) = bij Choresh | וִיהוֹנָתָ֖ן (vihonatan) = en Jonatan | הָלַ֥ךְ (halakh) = ging | לְבֵיתֽוֹ (leveito) = naar zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Choresh (ligging onzeker): Choresh wordt gezocht bij Khirbet Choreisa, bij Tell Zif. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Eerder sloten Jonatan en David een verbond in 1 Sam. 18:3 en 20:8, 16–17, 42. Zie ook: 1 Sam 18:3; 1 Sam 20:8; 1 Sam 20:12–17; 1 Sam 20:42; 2 Sam 9:1; 2 Sam 21:7 ### De Zifieten verraden David **23:19** De Zifieten gingen naar Saul in Gibea. Zij zeiden: „Houdt David zich niet bij ons schuil, in de bergvestingen bij Choresh, op de heuvel van Chachila? Die heuvel ligt ten zuiden van de woestenij. Brontekst: וַיַּעֲל֤וּ (vayaalu) = en zij trokken op | זִפִים֙ (zifim) = de Zifieten | אֶל (el) = naar | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הַגִּבְעָ֖תָה (hagivata) = naar Gibea | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הֲל֣וֹא (halo) = is niet | דָ֠וִד (david) = David | מִסְתַּתֵּ֨ר (mistater) = verborgen | עִמָּ֤נוּ (imanu) = bij ons | בַמְּצָדוֹת֙ (bametsadot) = in de bergvestingen | בַּחֹ֔רְשָׁה (bachoresha) = bij Choresh | בְּגִבְעַת֙ (begivat) = op de heuvel van | הַֽחֲכִילָ֔ה (hachakhila) = Chachila | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מִימִ֥ין (mimin) = ten zuiden van | הַיְשִׁימֽוֹן (hayshimon) = de woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea is het Gibea van Saul, waarschijnlijk Tell el-Ful (Westelijke Jordaanoever). Chachila is onzeker; men zoekt het in de buurt van Zif. De ‘woestenij’ (הַיְשִׁימוֹן, hajeshimon, Jesjimon) is de dorre streek ten westen van de Zoutzee. Zie Choresh (ligging onzeker): Choresh wordt gezocht bij Khirbet Choreisa, bij Tell Zif. Dit is niet zeker. Zie Heuvel van Chachila (ligging onzeker): De heuvel van Chachila lag in de buurt van Zif, aan de rand van de woestijn van Juda. De precieze plaats is niet bekend. Zie ook: 1 Sam 22:7–8; 1 Sam 26:1; 1 Sam 26:3; Ps 54:3–9; Spr 29:12 **23:20** Kom nu naar beneden, koning, helemaal zoals u wilt. Het is aan ons om hem in de hand van de koning over te leveren.” Brontekst: וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | לְכָל (lekhal) = naar al | אַוַּ֨ת (avat) = het verlangen van | נַפְשְׁךָ֥ (nafshekha) = je ziel | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = koning | לָרֶ֖דֶת (laredet) = om af te dalen | רֵ֑ד (red) = daal af | וְלָ֥נוּ (velanu) = en aan ons | הַסְגִּיר֖וֹ (hasgiro) = hem over te leveren | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zif lag in het gebied van Juda. De Zifieten waren dus stamgenoten van David en kozen toch de kant van Saul. Zie ook: Deut 18:6; 1 Sam 23:12; Spr 11:23; Spr 29:26; 1 Kon 21:11–14 **23:21** Saul zei: „Gezegend zijn jullie door Yahweh, want jullie hebben medelijden met mij gehad. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | בְּרוּכִ֥ים (berukhim) = gezegend | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = door Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | חֲמַלְתֶּ֖ם (chamaltem) = jullie hadden medelijden | עָלָֽי (alay) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 17:2; 1 Sam 22:8; Ps 10:3; Jes 66:5; Mi 3:11 **23:22** Ga toch en zorg ervoor dat het zeker is. Zoek uit waar hij zich ophoudt en wie hem daar heeft gezien. Want mij is gezegd dat hij uiterst sluw te werk gaat. Brontekst: לְכוּ (lekhu) = gaat | נָ֞א (na) = toch | הָכִ֣ינוּ (hakhinu) = bereidt voor | ע֗וֹד (od) = nog | וּדְע֤וּ (udeu) = en weet | וּרְאוּ֙ (ureu) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | מְקוֹמוֹ֙ (meqomo) = zijn plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | תִּֽהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | רַגְל֔וֹ (raglo) = zijn voet | מִ֥י (mi) = wie | רָאָ֖הוּ (raahu) = heeft hem gezien | שָׁ֑ם (sham) = daar | כִּ֚י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | עָר֥וֹם (arom) = sluw | יַעְרִ֖ם (yarim) = hij zal sluw te werk gaan | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:13 **23:23** Kijk goed en zoek uit in welke schuilplaatsen hij zich verbergt. Kom dan met zekerheid bij mij terug. Dan ga ik met jullie mee. Als hij in het land is, zal ik hem opsporen onder alle geslachten van Juda.” Brontekst: וּרְא֣וּ (ureu) = en kijk | וּדְע֗וּ (udeu) = en weet | מִכֹּ֤ל (mikol) = van alle | הַמַּֽחֲבֹאִים֙ (hamachavoim) = de schuilplaatsen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | יִתְחַבֵּ֣א (yitchabe) = hij zich verbergt | שָׁ֔ם (sham) = daar | וְשַׁבְתֶּ֤ם (veshavtem) = en kom terug | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | אֶל (el) = naar | נָכ֔וֹן (nakhon) = zekerheid | וְהָלַכְתִּ֖י (vehalakhti) = en ik zal gaan | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = met jullie | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | יֶשְׁנ֣וֹ (yeshno) = hij is er | בָאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וְחִפַּשְׂתִּ֣י (vechipasti) = en ik zal opsporen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | בְּכֹ֖ל (bekhol) = onder alle | אַלְפֵ֥י (alfei) = duizendtallen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלְפֵי יְהוּדָה (alfei Jehudah), ‘duizendtallen van Juda’: de geslachten of familiegroepen van Juda (zie Num. 1:16). Zie ook: Num 1:16; Num 10:36; 1 Kon 18:10; Mar 14:1; Joh 18:2–3; Rom 3:15–16 ### Saul achtervolgt David bij Maon **23:24** Zij stonden op en gingen naar Zif, voor Saul uit. David en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in de Araba, ten zuiden van de woestenij. Brontekst: וַיָּק֛וּמוּ (vayaqumu) = en zij stonden op | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en zij gingen | זִ֖יפָה (zifa) = naar Zif | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וְדָוִ֨ד (vedavid) = en David | וַאֲנָשָׁ֜יו (vaanashav) = en zijn mannen | בְּמִדְבַּ֤ר (bemidbar) = in de woestijn van | מָעוֹן֙ (maon) = Maon | בָּעֲרָבָ֔ה (baarava) = in de Araba | אֶ֖ל (el) = aan | יְמִ֥ין (yemin) = de zuidkant van | הַיְשִׁימֽוֹן (hayshimon) = de woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Maon is Tell Ma'in, ten zuiden van Hebron (Westelijke Jordaanoever). De Araba (ha'arava) is hier waarschijnlijk een dorre vlakte bij Maon. De ligging is onzeker. Zie Zif: Zif wordt gezocht bij Tell Zif, ten zuidoosten van Hebron. Zie ook: Joz 15:55; 1 Sam 25:2 **23:25** Saul ging met zijn mannen op zoek. Het werd aan David verteld. Toen daalde hij af naar de rots en bleef in de woestijn van Maon. Saul hoorde dat en achtervolgde David in de woestijn van Maon. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | וַאֲנָשָׁיו֮ (vaanashav) = en zijn mannen | לְבַקֵּשׁ֒ (levaqesh) = om te zoeken | וַיַּגִּ֣דוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לְדָוִ֔ד (ledavid) = aan David | וַיֵּ֣רֶד (vayered) = en hij daalde af | הַסֶּ֔לַע (hasela) = naar de rots | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef | בְּמִדְבַּ֣ר (bemidbar) = in de woestijn van | מָע֑וֹן (maon) = Maon | וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hij hoorde | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיִּרְדֹּ֥ף (vayirdof) = en hij achtervolgde | אַחֲרֵֽי (acharei) = achter | דָוִ֖ד (david) = David | מִדְבַּ֥ר (midbar) = woestijn van | מָעֽוֹן (maon) = Maon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Maon: Maon wordt gezocht bij Tell Ma'in, ten zuiden van Hebron. Zie ook: Re 15:8; 1 Sam 23:28 **23:26** Saul liep aan de ene kant van de berg. David en zijn mannen liepen aan de andere kant van de berg. David haastte zich om voor Saul te vluchten. Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen om hen te grijpen. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | מִצַּ֤ד (mitsad) = van de kant van | הָהָר֙ (hahar) = de berg | מִזֶּ֔ה (mize) = aan deze zijde | וְדָוִ֧ד (vedavid) = en David | וַאֲנָשָׁ֛יו (vaanashav) = en zijn mannen | מִצַּ֥ד (mitsad) = van de kant van | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | מִזֶּ֑ה (mize) = aan gene zijde | וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | דָוִ֜ד (david) = David | נֶחְפָּ֤ז (nechpaz) = haastig | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וְשָׁא֣וּל (veshaul) = en Saul | וַאֲנָשָׁ֗יו (vaanashav) = en zijn mannen | עֹֽטְרִ֛ים (oterim) = omsingelend | אֶל (el) = naar | דָּוִ֥ד (david) = David | וְאֶל (veel) = en naar | אֲנָשָׁ֖יו (anashav) = zijn mannen | לְתָפְשָֽׂם (letafesam) = om hen te grijpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 17:9; Ps 22:13; Ps 22:17; Ps 118:11–13; Ps 140:2–10 **23:27** Toen kwam er een boodschapper bij Saul. Hij zei: „Kom snel, want de Filistijnen zijn het land binnengevallen.” Brontekst: וּמַלְאָ֣ךְ (umalakh) = en een boodschapper | בָּ֔א (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מַהֲרָ֣ה (mahara) = haast je | וְלֵ֔כָה (velekha) = en ga | כִּֽי (ki) = want | פָשְׁט֥וּ (pashetu) = zijn binnengevallen | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מַלְאָךְ (mal'ak), ‘boodschapper’: hier een man die een bericht brengt, niet de engel van Yahweh. Zie ook: Gen 22:14; Deut 32:36; 1 Kron 14:13; Ps 116:3; 2 Kon 19:9 **23:28** Saul hield op met de achtervolging van David en ging de Filistijnen tegemoet. Daarom noemde men die plaats Sela-Hammachlekot. Brontekst: וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | מִרְדֹף֙ (mirdof) = van het achtervolgen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | דָוִ֔ד (david) = David | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | לִקְרַ֣את (liqrat) = om te ontmoeten | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | עַל (al) = op | כֵּ֗ן (ken) = zo | קָֽרְאוּ֙ (qareu) = zij noemden | לַמָּק֣וֹם (lamaqom) = de plaats | הַה֔וּא (hahu) = die | סֶ֖לַע (sela) = rots van | הַֽמַּחְלְקֽוֹת (hamachleqot) = de scheidingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sela-Hammachlekot (sela hammachlekot) betekent ‘rots van de scheidingen’. De ligging is onzeker; het ligt in de woestijn van Maon (Westelijke Jordaanoever). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. ## 1 Samuël 24 _David spaart Saul in de grot bij En-Gedi_ ### David in En-Gedi **24:1** David ging vandaar omhoog en bleef in de bergvestingen van En-Gedi. Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en hij ging op | דָּוִ֖ד (david) = David | מִשָּׁ֑ם (misham) = vandaar | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef | בִּמְצָד֥וֹת (bimtsadot) = in de bergvestingen van | עֵֽין (ein) = En | גֶּֽדִי (gedi) = Gedi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: En-Gedi (‘bron van het geitje’) is een oase aan de westkant van de Zoutzee, bij Tel Goren (Israël). Zie ook Joz. 15:62. Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse telling loopt hier anders dan de Nederlandse. Dit vers 1 is in Nederlandse Bijbels 1 Sam. 23:29. Hebreeuws 24:2–23 is gelijk aan Nederlands 24:1–22. Zie ook: Gen 14:7; Joz 15:62; 1 Sam 23:29; Hoogl 1:14; 2 Kron 20:2; Ezech 47:10 **24:2** Toen Saul terugkwam van de Filistijnen, vertelde men hem: „Zie, David is in de woestijn van En-Gedi.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = toen | שָׁ֣ב (shav) = terugkeerde | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | מֵאַחֲרֵ֖י (meacharei) = van achter | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיַּגִּ֤דוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לוֹ֙ (lo) = hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | דָוִ֔ד (david) = David | בְּמִדְבַּ֖ר (bemidbar) = in de woestijn van | עֵ֥ין (ein) = En | גֶּֽדִי (gedi) = Gedi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie En-Gedi: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee. Zie ook: 1 Sam 23:19; 1 Sam 23:28–24:1; Spr 25:5; Hos 7:3; Ezech 22:9 **24:3** Saul nam 3000 uitgelezen mannen uit heel Israël mee. Hij ging op zoek naar David en zijn mannen, bij de rotsen van de steenbokken. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | שְׁלֹ֧שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֛ים (alafim) = duizend | אִ֥ישׁ (ish) = man | בָּח֖וּר (bachur) = uitgelezen | מִכָּל (mikal) = uit heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | לְבַקֵּ֤שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִד֙ (david) = David | וַֽאֲנָשָׁ֔יו (vaanashav) = en zijn mannen | עַל (al) = op | פְּנֵ֖י (penei) = het gezicht van | צוּרֵ֥י (tsurei) = rotsen van | הַיְּעֵלִֽים (hayeelim) = de steenbokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘De rotsen van de steenbokken’ (tsurei hajeelim) liggen in het bergland bij En-Gedi. De precieze plek is onzeker. Zie Rotsen van de steenbokken (ligging onzeker): De rotsen van de steenbokken lagen in het bergland bij En-Gedi. De precieze plaats is niet bekend. Zie ook: 1 Sam 26:2; Ps 37:32; Ps 38:13; Ps 104:18; Ps 141:6 ### David spaart Saul in de grot **24:4** Hij kwam bij de schaapskooien langs de weg. Daar was een grot. Saul ging erin om zijn voeten te bedekken. David en zijn mannen zaten achter in de grot. Brontekst: וַ֠יָּבֹא (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | גִּדְר֨וֹת (gidrot) = omheiningen van | הַצֹּ֤אן (hatson) = het kleinvee | עַל (al) = langs | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | וְשָׁ֣ם (vesham) = en daar | מְעָרָ֔ה (meara) = een grot | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij ging binnen | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | לְהָסֵ֣ךְ (lehasekh) = om te bedekken | אֶת (et) = (obj.) | רַגְלָ֑יו (raglav) = zijn voeten | וְדָוִד֙ (vedavid) = en David | וַאֲנָשָׁ֔יו (vaanashav) = en zijn mannen | בְּיַרְכְּתֵ֥י (beyarketei) = in de uiterste delen van | הַמְּעָרָ֖ה (hameara) = de grot | יֹשְׁבִֽים (yoshevim) = zittend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהָסֵךְ אֶת־רַגְלָיו (lehasech et raglav), letterlijk ‘zijn voeten bedekken’: een beleefde uitdrukking voor zijn behoefte doen. Zie Richt. 3:24. Voetnoot : גִּדְרוֹת הַצֹּאן (gidrot hatson), ‘schaapskooien’: omheiningen voor de kudde. Zie ook: Re 3:24; Ps 57:2–12; Ps 141:6; Ps 142:2–8 **24:5** De mannen van David zeiden tegen hem: „Dit is de dag waarvan Yahweh tegen je heeft gezegd: ‘Zie, Ik geef je vijand in je hand. Doe met hem wat jij goed vindt.’” David stond op en sneed stilletjes de rand van de mantel van Saul af. Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֩ (vayomru) = en zij zeiden | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = de mannen van | דָוִ֜ד (david) = David | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | הַיּ֜וֹם (hayom) = de dag | אֲֽשֶׁר (asher) = die | אָמַ֧ר (amar) = heeft gezegd | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tegen jou | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | נֹתֵ֤ן (noten) = geef | אֶת (et) = (obj.) | אֹֽיִבְךָ֙ (oyivkha) = je vijand | בְּיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in je hand | וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en je zult doen | לּ֔וֹ (lo) = met hem | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | יִטַ֣ב (yitav) = goed is | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in je ogen | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | דָּוִ֗ד (david) = David | וַיִּכְרֹ֛ת (vayikhrot) = en hij sneed af | אֶת (et) = (obj.) | כְּנַֽף (kenaf) = de rand van | הַמְּעִ֥יל (hameil) = de mantel | אֲשֶׁר (asher) = die | לְשָׁא֖וּל (leshaul) = van Saul | בַּלָּֽט (balat) = in het geheim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De mannen verwijzen naar een woord van Yahweh. Zo'n woord staat nergens eerder in het verhaal. Het kan een eerdere belofte zijn, zoals in 1 Sam. 23:4. Wij zetten hun citaat zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord is ‘je vijanden’ (ketiv); gelezen wordt ‘je vijand’ (qere). Wij volgen de leeswijze. Zie ook: 1 Sam 23:4; 1 Sam 23:7; 1 Sam 24:11; 1 Sam 25:28–30; 1 Sam 26:8–11; 1 Sam 26:23 **24:6** Daarna kreeg David wroeging, omdat hij de rand van de mantel van Saul had afgesneden. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | אַֽחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֔ן (ken) = zo | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en het sloeg | לֵב (lev) = het hart van | דָּוִ֖ד (david) = David | אֹת֑וֹ (oto) = hem | עַ֚ל (al) = over | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | כָּרַ֔ת (karat) = hij sneed af | אֶת (et) = (obj.) | כָּנָ֖ף (kanaf) = de rand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לְשָׁאֽוּל (leshaul) = van Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּךְ לֵב דָּוִד (vajak lev David), letterlijk ‘het hart van David sloeg hem’: hij kreeg wroeging. Zie ook 2 Sam. 24:10. Zie ook: 2 Sam 12:9; 2 Sam 24:10; 2 Kon 22:19; 1 Joh 3:20–21 **24:7** Hij zei tegen zijn mannen: „Ver zij het van mij, vanwege Yahweh, dat ik dit mijn heer aandoe, de gezalfde van Yahweh. Ik steek mijn hand niet tegen hem uit. Want hij is de gezalfde van Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | לַאֲנָשָׁ֜יו (laanashav) = tegen zijn mannen | חָלִ֧ילָה (chalila) = ver zij het | לִּ֣י (li) = van mij | מֵֽיהוָ֗ה (meYahweh) = vanwege Yahweh | אִם (im) = indien | אֶעֱשֶׂה֩ (eese) = ik doe | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֨ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֤ה (haze) = deze | לַֽאדֹנִי֙ (ladoni) = aan mijn heer | לִמְשִׁ֣יחַ (limshiach) = de gezalfde van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִשְׁלֹ֥חַ (lishloach) = om uit te steken | יָדִ֖י (yadi) = mijn hand | בּ֑וֹ (bo) = tegen hem | כִּֽי (ki) = want | מְשִׁ֥יחַ (meshiach) = de gezalfde van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיחַ יהוה (meshiach Yahweh), ‘gezalfde van Yahweh’: de koning, door Yahweh aangewezen en met olie gezalfd (1 Sam. 10:1; 15:1). Voetnoot : חָלִילָה (chalilah), ‘ver zij het’: een sterke afwijzing. Zie ook: Job 31:29–30; 1 Sam 10:1; 1 Sam 15:1; 1 Sam 26:9–11; 2 Sam 1:14; 1 Kon 21:3; Rom 12:14–13:2 **24:8** David hield zijn mannen met deze woorden tegen. Hij liet hen niet tegen Saul opstaan. Saul stond op, verliet de grot en ging verder op zijn weg. Brontekst: וַיְשַׁסַּ֨ע (vayshasa) = en hij hield tegen | דָּוִ֤ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | אֲנָשָׁיו֙ (anashav) = zijn mannen | בַּדְּבָרִ֔ים (badevarim) = met woorden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נְתָנָ֖ם (netanam) = liet hij hen | לָק֣וּם (laqum) = om op te staan | אֶל (el) = tegen | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וְשָׁא֛וּל (veshaul) = en Saul | קָ֥ם (qam) = stond op | מֵהַמְּעָרָ֖ה (mehameara) = uit de grot | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = op de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְשַׁסַּע (vajeshasa) komt van een werkwoord met de betekenis ‘splijten, uit elkaar scheuren’. Wij vertalen: David hield zijn mannen met woorden tegen, hij wees hen scherp terecht. Zie ook: 1 Sam 25:33; Ps 7:5; Mat 5:44; Rom 12:17–21 ### David spreekt Saul toe **24:9** Daarna stond David op en ging de grot uit. Hij riep Saul achterna: „Mijn heer de koning!” Saul keek achterom. David boog zich met zijn gezicht naar de grond en wierp zich neer. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en hij stond op | דָּוִ֜ד (david) = David | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֗ן (ken) = zo | וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en hij ging uit | מן (min) = uit | מֵֽהַמְּעָרָ֔ה (mehameara) = de grot | וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en hij riep | אַֽחֲרֵי (acharei) = achter | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּבֵּ֤ט (vayabet) = en hij keek | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אַֽחֲרָ֔יו (acharav) = achter zich | וַיִּקֹּ֨ד (vayiqod) = en hij boog | דָּוִ֥ד (david) = David | אַפַּ֛יִם (apayim) = gezicht | אַ֖רְצָה (artsa) = naar de grond | וַיִּשְׁתָּֽחוּ (vayishtachu) = en hij wierp zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David buigt zich neer voor Saul als voor de koning. Voetnoot Lezing: Voor ‘de grot’ staat al het woord ‘uit’ (מן). Het geschreven woord is ‘de grot’ (ketiv); gelezen wordt ‘uit de grot’ (qere). Het verandert de betekenis niet. Zie ook: Gen 17:3; 1 Sam 20:41; 1 Sam 25:23–24; 1 Sam 26:17; Rom 13:7 **24:10** David zei tegen Saul: „Waarom luistert u naar de woorden van mensen die zeggen: ‘Zie, David zoekt uw ongeluk’? Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִד֙ (david) = David | לְשָׁא֔וּל (leshaul) = tegen Saul | לָ֧מָּה (lama) = waarom | תִשְׁמַ֛ע (tishma) = luistert u | אֶת (et) = naar | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | אָדָ֖ם (adam) = een mens | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | דָוִ֔ד (david) = David | מְבַקֵּ֖שׁ (mevaqesh) = zoekt | רָעָתֶֽךָ (raatekha) = uw ongeluk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי אָדָם (divrei adam), letterlijk ‘woorden van een mens’: wat mensen zeggen. Zie ook: Spr 16:28; Spr 25:23; Spr 29:12; Pred 7:21–22; Jak 3:6 **24:11** Zie, vandaag hebben uw eigen ogen gezien dat Yahweh u vandaag in mijn hand heeft gegeven, in de grot. Men zei dat ik u moest doden, maar mijn oog had medelijden met u. Ik zei: ‘Ik steek mijn hand niet uit tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van Yahweh.’ Brontekst: הִנֵּה֩ (hine) = zie | הַיּ֨וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | רָא֣וּ (rau) = hebben gezien | עֵינֶ֗יךָ (eineikha) = uw ogen | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = dat | נְתָנְךָ֩ (netanekha) = heeft u gegeven | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | הַיּ֤וֹם (hayom) = vandaag | בְּיָדִי֙ (beyadi) = in mijn hand | בַּמְּעָרָ֔ה (bameara) = in de grot | וְאָמַ֥ר (veamar) = en hij zei | לַהֲרָגֲךָ֖ (laharagakha) = om u te doden | וַתָּ֣חָס (vatachas) = en het had medelijden | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = met u | וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | לֹא (lo) = niet | אֶשְׁלַ֤ח (eshlach) = ik zal uitsteken | יָדִי֙ (yadi) = mijn hand | בַּֽאדֹנִ֔י (badoni) = tegen mijn heer | כִּי (ki) = want | מְשִׁ֥יחַ (meshiach) = de gezalfde van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַתָּחָס (vatachas) staat in het vrouwelijk: ‘zij had medelijden’. Het onderwerp staat er niet bij. Wij vullen ‘mijn oog’ aan (zie Deut. 7:16, ‘je oog zal niet sparen’). Sommige oude vertalingen lezen ‘ik had medelijden’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Deut 7:16; 1 Sam 24:5; 1 Sam 26:8–9; Ps 105:15 **24:12** Mijn vader, kijk toch, ja kijk, de rand van uw mantel is in mijn hand. Want ik sneed de rand van uw mantel af en doodde u niet. Weet en zie dat er in mijn hand geen kwaad en geen misdaad is. Ik heb niet tegen u gezondigd. Maar u loert op mijn leven om het te nemen. Brontekst: וְאָבִ֣י (veavi) = en mijn vader | רְאֵ֔ה (ree) = kijk | גַּ֗ם (gam) = ja | רְאֵ֛ה (ree) = kijk | אֶת (et) = (obj.) | כְּנַ֥ף (kenaf) = de rand van | מְעִילְךָ֖ (meilekha) = uw mantel | בְּיָדִ֑י (beyadi) = in mijn hand | כִּ֡י (ki) = want | בְּכָרְתִי֩ (bekhareti) = bij mijn afsnijden | אֶת (et) = (obj.) | כְּנַ֨ף (kenaf) = de rand van | מְעִֽילְךָ֜ (meilekha) = uw mantel | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הֲרַגְתִּ֗יךָ (haragtikha) = heb ik u gedood | דַּ֤ע (da) = weet | וּרְאֵה֙ (uree) = en zie | כִּי֩ (ki) = dat | אֵ֨ין (ein) = er is niet | בְּיָדִ֜י (beyadi) = in mijn hand | רָעָ֤ה (raa) = kwaad | וָפֶ֨שַׁע֙ (vafesha) = en misdaad | וְלֹא (velo) = en niet | חָטָ֣אתִי (chatati) = heb ik gezondigd | לָ֔ךְ (lakh) = tegen u | וְאַתָּ֛ה (veata) = en u | צֹדֶ֥ה (tsode) = loert | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn leven | לְקַחְתָּֽהּ (leqachtah) = om het te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David noemt Saul ‘mijn vader’: Saul is zijn schoonvader (1 Sam. 18:27). Voetnoot : פֶּשַׁע (pesha), ‘misdaad, opstand’. Zie ook: 1 Sam 18:27; 1 Sam 23:14; 1 Sam 23:23; 1 Sam 26:18; 1 Sam 26:20; Joh 15:25 **24:13** Yahweh zij rechter tussen mij en u. Yahweh zal mij op u wreken. Maar mijn hand zal niet tegen u zijn. Brontekst: יִשְׁפֹּ֤ט (yishpot) = moge rechtspreken | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בֵּינִ֣י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶ֔ךָ (uveinekha) = en tussen u | וּנְקָמַ֥נִי (uneqamani) = en wreke mij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִמֶּ֑ךָּ (mimeka) = op u | וְיָדִ֖י (veyadi) = en mijn hand | לֹ֥א (lo) = niet | תִֽהְיֶה (tihye) = zal zijn | בָּֽךְ (bakh) = tegen u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook in 1 Sam. 26:10 laat David de wraak aan Yahweh over. Zie ook Deut. 32:35. Zie ook: Gen 16:5; Deut 32:35; Re 11:27; 1 Sam 26:10; Ps 35:1; Ps 43:1; Ps 94:1 **24:14** Zoals het spreekwoord van de ouden zegt: ‘Uit goddelozen komt goddeloosheid voort.’ Maar mijn hand zal niet tegen u zijn. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | יֹאמַ֗ר (yomar) = zegt | מְשַׁל֙ (meshal) = het spreekwoord van | הַקַּדְמֹנִ֔י (haqadmoni) = de ouden | מֵרְשָׁעִ֖ים (mereshaim) = van goddelozen | יֵ֣צֵא (yetse) = gaat uit | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloosheid | וְיָדִ֖י (veyadi) = en mijn hand | לֹ֥א (lo) = niet | תִֽהְיֶה (tihye) = zal zijn | בָּֽךְ (bakh) = tegen u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשַׁל הַקַּדְמֹנִי (meshal hakadmoni), ‘spreekwoord van de ouden’: een oude uitspraak. David zegt daarmee: ik ben niet goddeloos. Zie ook: Mat 7:16–18; Mat 7:20; Mat 12:33–34; Mat 15:19 **24:15** Achter wie is de koning van Israël uitgetrokken? Achter wie jaagt u aan? Achter een dode hond, achter één vlo. Brontekst: אַחֲרֵ֨י (acharei) = achter | מִ֤י (mi) = wie | יָצָא֙ (yatsa) = is uitgetrokken | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | מִ֖י (mi) = wie | אַתָּ֣ה (ata) = u | רֹדֵ֑ף (rodef) = jaagt aan | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | כֶּ֣לֶב (kelev) = hond | מֵ֔ת (met) = dode | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | פַּרְעֹ֥שׁ (parosh) = vlo | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Een dode hond’ en ‘één vlo’ zijn beeldspraak voor iets kleins en onbelangrijks. David maakt zichzelf klein tegenover de koning. Zie ook: Re 8:1–3; 1 Sam 17:43; 1 Sam 26:20; 2 Sam 3:8; 2 Sam 9:8 **24:16** Yahweh zal rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal ernaar kijken en mijn zaak voeren. Hij zal mij recht doen tegenover u.” Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְדַיָּ֔ן (ledayan) = tot rechter | וְשָׁפַ֖ט (veshafat) = en zal oordelen | בֵּינִ֣י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶ֑ךָ (uveinekha) = en tussen u | וְיֵ֨רֶא֙ (veyere) = en Hij zal zien | וְיָרֵ֣ב (veyarev) = en Hij zal bepleiten | אֶת (et) = (obj.) | רִיבִ֔י (rivi) = mijn rechtszaak | וְיִשְׁפְּטֵ֖נִי (veyishpeteni) = en Hij zal mij recht doen | מִיָּדֶֽךָ (miyadekha) = uit uw hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיָרֵב אֶת־רִיבִי (vejarev et rivi), ‘hij zal mijn rechtszaak voeren’: Yahweh treedt op als verdediger. Zie ook: 1 Sam 24:13; Ps 35:1; Ps 43:1; Ps 119:154; Mi 7:9 ### Saul huilt en erkent David **24:17** Toen David deze woorden tot Saul had uitgesproken, zei Saul: „Is dat jouw stem, mijn zoon David?” Saul verhief zijn stem en huilde. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְּכַלּ֣וֹת (kekhalot) = toen hij klaar was | דָּוִ֗ד (david) = David | לְדַבֵּ֞ר (ledaber) = om te spreken | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֤ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | אֶל (el) = tot | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הֲקֹלְךָ֥ (haqolekha) = is jouw stem | זֶ֖ה (ze) = dit | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | דָוִ֑ד (david) = David | וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij verhief | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | קֹל֖וֹ (qolo) = zijn stem | וַיֵּֽבְךְּ (vayevek) = en hij huilde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 33:4; Job 6:25; 1 Sam 26:17; Spr 15:1; Hand 6:10 **24:18** Hij zei tegen David: „Jij bent rechtvaardiger dan ik. Want jij hebt mij goed vergolden, en ik heb jou kwaad vergolden. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | דָּוִ֔ד (david) = David | צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardig | אַתָּ֖ה (ata) = jij | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = meer dan ik | כִּ֤י (ki) = want | אַתָּה֙ (ata) = jij | גְּמַלְתַּ֣נִי (gemaltani) = hebt mij vergolden | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | גְּמַלְתִּ֥יךָ (gemaltikha) = heb jou vergolden | הָרָעָֽה (haraa) = het kwade Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַדִּיק (tsaddiq) is ‘rechtvaardig’: Saul erkent dat David in het recht is. Zie ook: Gen 38:26; 1 Sam 26:21; Ps 37:6; Mat 5:44; Rom 12:20–21 **24:19** Vandaag heb je laten zien dat je goed voor mij bent geweest. Yahweh heeft mij in je hand overgeleverd, maar je hebt mij niet gedood. Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | הִגַּ֣דְתָּ (higadta) = heb verteld | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשִׂ֥יתָה (asita) = je hebt gedaan | אִתִּ֖י (iti) = met mij | טוֹבָ֑ה (tova) = goed | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | סִגְּרַ֧נִי (sigerani) = heeft mij overgeleverd | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָדְךָ֖ (beyadekha) = in je hand | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֲרַגְתָּֽנִי (haragtani) = heb je mij gedood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 23:7; 1 Sam 23:12; 1 Sam 24:11; 1 Sam 26:23; Ps 31:9 **24:20** Als iemand zijn vijand vindt, laat hij hem dan op een goede weg gaan? Moge Yahweh jou goed vergelden voor wat je mij vandaag hebt gedaan. Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en als | יִמְצָ֥א (yimtsa) = vindt | אִישׁ֙ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣יְב֔וֹ (oyevo) = zijn vijand | וְשִׁלְּח֖וֹ (veshilecho) = en hij stuurt hem weg | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op een weg | טוֹבָ֑ה (tova) = goede | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | יְשַׁלֶּמְךָ֣ (yeshalemkha) = moge u vergelden | טוֹבָ֔ה (tova) = goed | תַּ֚חַת (tachat) = in plaats van | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשִׂ֖יתָה (asita) = je hebt gedaan | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij lezen de eerste zin als een vraag. Het antwoord is: nee, niemand laat zijn vijand zomaar gaan. Zie ook: Re 17:2; 1 Sam 23:21; 1 Sam 26:25; Ps 18:21; Spr 25:21–22 **24:21** Nu weet ik dat jij zeker koning zult worden. Het koningschap van Israël zal in jouw hand bestaan. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּ֥י (ki) = dat | מָלֹ֖ךְ (malokh) = koning | תִּמְל֑וֹךְ (timlokh) = je zult regeren | וְקָ֨מָה֙ (veqama) = en zal bestaan | בְּיָ֣דְךָ֔ (beyadekha) = in je hand | מַמְלֶ֖כֶת (mamlekhet) = koningschap van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Saul erkent dat David koning wordt. Vergelijk Jonatans woorden in 1 Sam. 23:17 en de belofte aan Juda in Gen. 49:10. Zie ook: Gen 49:10; Job 15:25; 1 Sam 23:17; 2 Sam 3:17–18; Mat 2:3–6; Mat 2:13 **24:22** Zweer mij dan bij Yahweh: je zult mijn nageslacht na mij niet uitroeien. En je zult mijn naam niet vernietigen uit het huis van mijn vader.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִשָּׁ֤בְעָה (hishavea) = zweer | לִּי֙ (li) = aan mij | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = bij Yahweh | אִם (im) = indien | תַּכְרִ֥ית (takhrit) = je zult uitroeien | אֶת (et) = (obj.) | זַרְעִ֖י (zari) = mijn nageslacht | אַֽחֲרָ֑י (acharay) = na mij | וְאִם (veim) = en indien | תַּשְׁמִ֥יד (tashmid) = je zult vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֖י (shemi) = mijn naam | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘nageslacht’ (zera) en de ‘naam’ van Saul en zijn vader: Saul vraagt dat zijn familie niet wordt uitgeroeid. Zie ook 2 Sam. 9:1. Voetnoot : כָּרַת (karat), ‘afsnijden, uitroeien’: hetzelfde woord als bij ‘een verbond sluiten’. Zie ook: Gen 21:23; Gen 31:48; Gen 31:53; 1 Sam 20:14–17; 2 Sam 9:1; 2 Sam 21:6–8 ### David en Saul gaan uiteen **24:23** David zwoer het aan Saul. Saul ging naar huis. David en zijn mannen gingen omhoog naar de bergvesting. Brontekst: וַיִּשָּׁבַ֥ע (vayishava) = en hij zwoer | דָּוִ֖ד (david) = David | לְשָׁא֑וּל (leshaul) = aan Saul | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶל (el) = naar | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וְדָוִד֙ (vedavid) = en David | וַֽאֲנָשָׁ֔יו (vaanashav) = en zijn mannen | עָל֖וּ (alu) = gingen op | עַל (al) = naar | הַמְּצוּדָֽה (hametsuda) = de bergvesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 24:1; Spr 26:24–25; Mat 10:16–17; Joh 2:24 ## 1 Samuël 25 _Nabal, Abigaïl en David_ ### De dood van Samuël **25:1** Samuël stierf. Heel Israël kwam bijeen en rouwde om hem. Zij begroeven hem in zijn huis in Rama. Toen stond David op en ging naar de woestijn Paran. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וַיִּקָּבְצ֤וּ (vayiqavetsu) = en zij kwamen samen | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיִּסְפְּדוּ (vayispedu) = en zij rouwden | ל֔וֹ (lo) = om hem | וַיִּקְבְּרֻ֥הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בְּבֵית֖וֹ (beveito) = in zijn huis | בָּרָמָ֑ה (barama) = in Rama | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | דָּוִ֔ד (david) = David | וַיֵּ֖רֶד (vayered) = en daalde af | אֶל (el) = naar | מִדְבַּ֥ר (midbar) = de woestijn van | פָּארָֽן (paran) = Paran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama is waarschijnlijk Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël (1 Sam. 1:1; 7:17). De juiste plek is onzeker. Vaak wordt gedacht aan een plaats in het bergland ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). De woestijn Paran ligt in het zuiden, in de Sinaï en de Negev (Egypte/Israël); zie ook Num. 10:12. Voetnoot Uitleg: De dood van Samuël wordt in 1 Sam. 28:3 nog eens genoemd, als inleiding op het bezoek van Saul aan de vrouw van En-Dor. Zie ook: Num 10:12; Num 20:29; Deut 34:8; 1 Sam 1:1; 1 Sam 7:17; 1 Sam 28:3; 2 Kron 33:20 ### Nabal, een rijk man in Maon **25:2** Er was een man in Maon. Zijn bezit was in Karmel. De man was zeer rijk. Hij had 3000 schapen en 1000 geiten. Hij was zijn schapen aan het scheren in Karmel. Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en een man | בְּמָע֜וֹן (bemaon) = in Maon | וּמַעֲשֵׂ֣הוּ (umaasehu) = en zijn bezit | בַכַּרְמֶ֗ל (bakarmel) = in Karmel | וְהָאִישׁ֙ (vehaish) = en de man | גָּד֣וֹל (gadol) = groot | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְל֛וֹ (velo) = en voor hem | צֹ֥אן (tson) = schapen | שְׁלֹֽשֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְאֶ֣לֶף (veelef) = en duizend | עִזִּ֑ים (izim) = geiten | וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | בִּגְזֹ֥ז (bigzoz) = bij het scheren | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנ֖וֹ (tsono) = zijn schapen | בַּכַּרְמֶֽל (bakarmel) = in Karmel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Maon ligt in het bergland van Juda, ongeveer 13 kilometer ten zuiden van Hebron; het is waarschijnlijk Tell Ma'in (Westelijke Jordaanoever). Karmel is hier een stad in Juda, dicht bij Maon, waarschijnlijk Khirbet el-Kirmil (Westelijke Jordaanoever). De berg Karmel aan de kust is een andere plaats met dezelfde naam. Zie ook Joz. 15:55. Zie ook: Gen 38:13; Joz 15:55; 1 Sam 23:24; 1 Sam 30:5; Luc 16:19–25 **25:3** De man heette Nabal. Zijn vrouw heette Abigaïl. De vrouw was verstandig en mooi van gestalte. De man was hard en slecht in zijn daden. Hij was een Kalebiet. Brontekst: וְשֵׁ֤ם (veshem) = en de naam van | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | נָבָ֔ל (naval) = Nabal | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | אֲבִגָ֑יִל (avigayil) = Abigaïl | וְהָאִשָּׁ֤ה (vehaisha) = en de vrouw | טֽוֹבַת (tovat) = goed van | שֶׂ֨כֶל֙ (sekhel) = verstand | וִ֣יפַת (vifat) = en mooi van | תֹּ֔אַר (toar) = gestalte | וְהָאִ֥ישׁ (vehaish) = en de man | קָשֶׁ֛ה (qashe) = hard | וְרַ֥ע (vera) = en slecht | מַעֲלָלִ֖ים (maalalim) = in daden | וְה֥וּא (vehu) = en hij | כָלִבִּֽי (kalibi) = Kalebiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָבָל (naval), ‘dwaas’: de naam van de man betekent ‘dwaas’. Abigaïl zegt dat zelf in vers 25. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is hier geschreven als כְּלִבּוֹ (kelibbo), ‘naar zijn hart’. Er staat een leesvorm in de kantlijn: כָּלִבִּי (kalibbi), ‘Kalebiet’. Wij volgen de leesvorm. Een Kalebiet is een nakomeling van Kaleb, aan wie Hebron toekwam (Joz. 14:13–14). Dat past bij de streek van Hebron, Maon en Karmel. Zie ook: Joz 14:13–14; 1 Sam 25:25; Ps 10:3; Spr 14:1; Spr 31:10; Spr 31:30–31; Jes 32:5–7 ### David vraagt om een gave **25:4** David hoorde in de woestijn dat Nabal zijn schapen aan het scheren was. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en hoorde | דָּוִ֖ד (david) = David | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | כִּֽי (ki) = dat | גֹזֵ֥ז (gozez) = scheert | נָבָ֖ל (naval) = Nabal | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנֽוֹ (tsono) = zijn schapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 38:13; 2 Sam 13:23 **25:5** David stuurde tien jongens. David zei tegen de jongens: „Ga omhoog naar Karmel. Ga naar Nabal en vraag hem in mijn naam naar zijn welzijn. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en stuurde | דָּוִ֖ד (david) = David | עֲשָׂרָ֣ה (asara) = tien | נְעָרִ֑ים (nearim) = jongens | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֜ד (david) = David | לַנְּעָרִ֗ים (lanearim) = tegen de jongens | עֲל֤וּ (alu) = ga omhoog | כַרְמֶ֨לָה֙ (karmela) = naar Karmel | וּבָאתֶ֣ם (uvatem) = en jullie zullen komen | אֶל (el) = naar | נָבָ֔ל (naval) = Nabal | וּשְׁאֶלְתֶּם (usheeltem) = en jullie zullen vragen | ל֥וֹ (lo) = hem | בִשְׁמִ֖י (bishmi) = in mijn naam | לְשָׁלֽוֹם (leshalom) = naar welzijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron. Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘welzijn’, ‘vrede’: hier de groet en de vraag hoe het met iemand gaat. In vers 6 wordt het woord driemaal herhaald; daar vertalen wij ‘vrede’. Zie ook: Gen 43:23; 1 Sam 17:22; 1 Sam 25:6 **25:6** Zeg zo tegen de levende: ‘Vrede voor jou, vrede voor je huis en vrede voor alles wat van jou is. Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֥ם (vaamartem) = en jullie zullen zeggen | כֹּ֖ה (ko) = zo | לֶחָ֑י (lechay) = aan de levende | וְאַתָּ֤ה (veata) = en jij | שָׁלוֹם֙ (shalom) = vrede | וּבֵיתְךָ֣ (uveitekha) = en je huis | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | וְכֹ֥ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לְךָ֖ (lekha) = van jou | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft לֶחָי (lechay). Dat is letterlijk ‘aan de levende’ of ‘voor het leven’. De bedoeling is een groet: ‘Leef!’ of ‘Heil!’. De betekenis is niet zeker. Wij vertalen letterlijk: ‘tegen de levende’. Zie ook: 1 Kron 12:19; Ps 122:7; Luc 10:5; 2 Tess 3:16; 1 Tim 5:6 **25:7** Nu heb ik gehoord dat je scheerders hebt. Je herders zijn bij ons geweest. Wij hebben hen niet beledigd. Er is hun niets ontbroken, al de dagen dat zij in Karmel waren. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | שָׁמַ֔עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | כִּ֥י (ki) = dat | גֹזְזִ֖ים (gozezim) = scheerders | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | עַתָּ֗ה (ata) = nu | הָרֹעִ֤ים (haroim) = de herders | אֲשֶׁר (asher) = die | לְךָ֙ (lekha) = van jou | הָי֣וּ (hayu) = zij waren | עִמָּ֔נוּ (imanu) = bij ons | לֹ֣א (lo) = niet | הֶכְלַמְנ֗וּם (hekhlamnum) = wij hebben hen beledigd | וְלֹֽא (velo) = en niet | נִפְקַ֤ד (nifqad) = werd vermist | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֖י (yemei) = dagen van | הֱיוֹתָ֥ם (heyotam) = hun zijn | בַּכַּרְמֶֽל (bakarmel) = in Karmel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron. Zie ook: 1 Sam 22:2; 1 Sam 25:15–16; 1 Sam 25:21; Luc 3:14; Fil 2:15 **25:8** Vraag het aan je jongens, dan zullen zij het je vertellen. Laat de jongens gunst vinden in je ogen. Want wij zijn op een goede dag gekomen. Geef toch aan je dienaren en aan je zoon David wat je hand vindt.’” Brontekst: שְׁאַ֨ל (sheal) = vraag | אֶת (et) = (obj.) | נְעָרֶ֜יךָ (neareikha) = je jongens | וְיַגִּ֣ידוּ (veyagidu) = en zij zullen vertellen | לָ֗ךְ (lakh) = aan jou | וְיִמְצְא֨וּ (veyimtseu) = en zij zullen vinden | הַנְּעָרִ֥ים (hanearim) = de jongens | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in je ogen | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = op | י֥וֹם (yom) = een dag | ט֖וֹב (tov) = goed | בָּ֑נוּ (banu) = wij zijn gekomen | תְּנָה (tena) = geef | נָּ֗א (na) = toch | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | תִּמְצָ֤א (timtsa) = zal vinden | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | לַעֲבָדֶ֔יךָ (laavadeikha) = aan je dienaren | וּלְבִנְךָ֖ (ulevinkha) = en aan je zoon | לְדָוִֽד (ledavid) = aan David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם טוֹב (yom tov), ‘goede dag’: een feestdag. Het scheren van de schapen was een feest met eten en drinken. Voetnoot : David noemt zichzelf ‘je zoon’. Dat is een beleefde vorm tegenover een oudere man. Zie ook: 1 Sam 3:6; Est 9:19; Est 9:22; Neh 8:10–12; Luc 14:12–14 **25:9** De jongens van David kwamen. Zij spraken in de naam van David al deze woorden tot Nabal. Daarna wachtten zij. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | נַעֲרֵ֣י (naarei) = jongens van | דָוִ֔ד (david) = David | וַיְדַבְּר֧וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֶל (el) = tot | נָבָ֛ל (naval) = Nabal | כְּכָל (kekhal) = naar alle | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיָּנֽוּחוּ (vayanuchu) = en zij wachtten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:4; 2 Kon 2:15; 2 Kron 14:6 ### Nabal weigert **25:10** Nabal antwoordde de dienaren van David: „Wie is David? En wie is de zoon van Isaï? Tegenwoordig zijn er veel dienaren die zich losrukken, ieder van zijn heer. Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | נָבָ֜ל (naval) = Nabal | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדֵ֤י (avdei) = dienaren van | דָוִד֙ (david) = David | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en zei | מִ֥י (mi) = wie | דָוִ֖ד (david) = David | וּמִ֣י (umi) = en wie | בֶן (ben) = zoon van | יִשָׁ֑י (yishay) = Isaï | הַיּוֹם֙ (hayom) = de dag | רַבּ֣וּ (rabu) = zijn veel geworden | עֲבָדִ֔ים (avadim) = dienaren | הַמִּתְפָּ֣רְצִ֔ים (hamitparetsim) = die zich losrukken | אִ֖ישׁ (ish) = man | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = van het gezicht van | אֲדֹנָֽיו (adonav) = zijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vraag ‘Wie is de zoon van Isaï?’ klinkt als de woorden van Saul in 1 Sam. 20:27. Zie ook: Re 9:28; 1 Sam 20:27; 1 Sam 20:30; 2 Sam 20:1; Ps 123:3–4; Jes 32:7 **25:11** Moet ik dan mijn brood en mijn water nemen? En mijn vlees dat ik heb geslacht voor mijn scheerders? Moet ik dat geven aan mannen van wie ik niet weet waar zij vandaan komen?” Brontekst: וְלָקַחְתִּ֤י (velaqachti) = en ik zal nemen | אֶת (et) = (obj.) | לַחְמִי֙ (lachmi) = mijn brood | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵימַ֔י (meimay) = mijn water | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | טִבְחָתִ֔י (tivchati) = mijn geslachte vlees | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | טָבַ֖חְתִּי (tavachti) = ik heb geslacht | לְגֹֽזְזָ֑י (legozezay) = voor mijn scheerders | וְנָֽתַתִּי֙ (venatati) = en ik zal geven | לַֽאֲנָשִׁ֔ים (laanashim) = aan mannen | אֲשֶׁר֙ (asher) = van wie | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik weet | אֵ֥י (ei) = waar vandaan | מִזֶּ֖ה (mize) = dit | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִבְחָה (tivchah), ‘geslacht vlees’: het vlees van de dieren die voor het feest geslacht zijn. Zie ook: Deut 8:17; Re 8:6; 1 Sam 25:14–15; Gal 6:10; 2 Kor 6:9 **25:12** De jongens van David keerden om en gingen hun weg terug. Zij kwamen bij David en vertelden hem al deze woorden. Brontekst: וַיַּהַפְכ֥וּ (vayahafkhu) = en zij keerden om | נַעֲרֵֽי (naarei) = jongens van | דָוִ֖ד (david) = David | לְדַרְכָּ֑ם (ledarkam) = op hun weg | וַיָּשֻׁ֨בוּ֙ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיָּבֹ֔אוּ (vayavou) = en zij kwamen | וַיַּגִּ֣דוּ (vayagidu) = en zij vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | כְּכֹ֖ל (kekhol) = naar alle | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 24:13; Jes 36:21–22; Heb 13:17 ### David trekt tegen Nabal op **25:13** David zei tegen zijn mannen: „Gord ieder zijn zwaard om.” Zij gordden ieder hun zwaard om. Ook David gordde zijn zwaard om. Ongeveer 400 man trokken achter David omhoog. 200 bleven bij de bagage. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | דָּוִ֨ד (david) = David | לַאֲנָשָׁ֜יו (laanashav) = tegen zijn mannen | חִגְר֣וּ (chigru) = gord om | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (obj.) | חַרְבּ֗וֹ (charbo) = zijn zwaard | וַֽיַּחְגְּרוּ֙ (vayachgeru) = en zij gordden om | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (obj.) | חַרְבּ֔וֹ (charbo) = zijn zwaard | וַיַּחְגֹּ֥ר (vayachgor) = en gordde om | גַּם (gam) = ook | דָּוִ֖ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | חַרְבּ֑וֹ (charbo) = zijn zwaard | וַֽיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en zij trokken omhoog | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | דָוִ֗ד (david) = David | כְּאַרְבַּ֤ע (kearba) = ongeveer vier | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | אִ֔ישׁ (ish) = man | וּמָאתַ֖יִם (umatayim) = en tweehonderd | יָשְׁב֥וּ (yashevu) = bleven | עַל (al) = bij | הַכֵּלִֽים (hakelim) = de bagage Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 9:14; 1 Sam 23:13; 1 Sam 24:6–7; 1 Sam 30:9–10; Spr 14:29 ### Een jongen waarschuwt Abigaïl **25:14** Een van de jongens vertelde het aan Abigaïl, de vrouw van Nabal. Hij zei: „Zie, David heeft boodschappers uit de woestijn gestuurd om onze heer te zegenen. Maar hij is tegen hen uitgevallen. Brontekst: וְלַאֲבִיגַ֨יִל֙ (velaavigayil) = en aan Abigaïl | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | נָבָ֔ל (naval) = Nabal | הִגִּ֧יד (higid) = vertelde | נַֽעַר (naar) = jongen | אֶחָ֛ד (echad) = één | מֵהַנְּעָרִ֖ים (mehanearim) = van de jongens | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | שָׁלַח֩ (shalach) = stuurde | דָּוִ֨ד (david) = David | מַלְאָכִ֧ים (malakhim) = boodschappers | מֵֽהַמִּדְבָּ֛ר (mehamidbar) = uit de woestijn | לְבָרֵ֥ךְ (levarekh) = om te zegenen | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנֵ֖ינוּ (adoneinu) = onze heer | וַיָּ֥עַט (vayaat) = en hij viel uit | בָּהֶֽם (bahem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבָרֵךְ (levarech), ‘zegenen’: hier een groet met een zegenwens. Wij houden het woord ‘zegenen’ aan. Voetnoot : וַיָּעַט (vaya'at), ‘hij viel uit’: het werkwoord betekent letterlijk ‘zich storten op’. Nabal viel de boodschappers heftig aan met woorden. Zie ook: 1 Sam 13:10; Mar 15:29 **25:15** Die mannen zijn zeer goed voor ons geweest. Wij zijn niet beledigd. Wij hebben niets vermist, al de dagen dat wij met hen optrokken, toen wij in het veld waren. Brontekst: וְהָ֣אֲנָשִׁ֔ים (vehaanashim) = en de mannen | טֹבִ֥ים (tovim) = goed | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הָכְלַ֨מְנוּ֙ (hakhelamnu) = wij zijn beledigd | וְלֹֽא (velo) = en niet | פָקַ֣דְנוּ (paqadnu) = wij hebben vermist | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | כָּל (kal) = alle | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | הִתְהַלַּ֣כְנוּ (hithalakhnu) = wij liepen rond | אִתָּ֔ם (itam) = met hen | בִּֽהְיוֹתֵ֖נוּ (bihyotenu) = bij ons zijn | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = in het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:7; 1 Sam 25:21; Fil 2:15 **25:16** Zij waren een muur om ons heen, zowel 's nachts als overdag, al de dagen dat wij bij hen waren en de schapen hoedden. Brontekst: חוֹמָה֙ (choma) = muur | הָי֣וּ (hayu) = zij waren | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = om ons | גַּם (gam) = zowel | לַ֖יְלָה (layla) = nacht | גַּם (gam) = zowel | יוֹמָ֑ם (yomam) = overdag | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֛י (yemei) = dagen van | הֱיוֹתֵ֥נוּ (heyotenu) = ons zijn | עִמָּ֖ם (imam) = bij hen | רֹעִ֥ים (roim) = hoedend | הַצֹּֽאן (hatson) = de schapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:10; Ex 14:22; Jer 15:20; Zach 2:9 **25:17** Weet dus nu en bedenk wat u moet doen. Want het kwaad is besloten tegen onze heer en tegen heel zijn huis. Hij is een zoon van Belial. Niemand kan tegen hem spreken.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | דְּעִ֤י (dei) = weet | וּרְאִי֙ (urei) = en zie | מַֽה (ma) = wat | תַּעֲשִׂ֔י (taasi) = je zult doen | כִּֽי (ki) = want | כָלְתָ֧ה (kaleta) = is besloten | הָרָעָ֛ה (haraa) = het kwaad | אֶל (el) = tegen | אֲדֹנֵ֖ינוּ (adoneinu) = onze heer | וְעַ֣ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = heel | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | בֶּן (ben) = zoon van | בְּלִיַּ֔עַל (beliyaal) = Belial | מִדַּבֵּ֖ר (midaber) = van spreken | אֵלָֽיו (elav) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya'al), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’. Zie ook Deut. 13:14. Zie ook: Deut 13:14; 1 Sam 2:12; 1 Sam 20:7; 1 Sam 20:9; 2 Kon 5:13–14 ### Abigaïl gaat David tegemoet **25:18** Abigaïl haastte zich. Zij nam 200 broden, twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd koren, 100 rozijnenkoeken en 200 vijgenkoeken. Zij legde dat op de ezels. Brontekst: וַתְּמַהֵ֣ר (vatemaher) = en zij haastte zich | אֲבִיגַ֡יִל (avigayil) = Abigaïl | וַתִּקַּח֩ (vatiqach) = en zij nam | מָאתַ֨יִם (matayim) = tweehonderd | לֶ֜חֶם (lechem) = brood | וּשְׁנַ֣יִם (ushenayim) = en twee | נִבְלֵי (nivlei) = zakken van | יַ֗יִן (yayin) = wijn | וְחָמֵ֨שׁ (vechamesh) = en vijf | צֹ֤אן (tson) = schapen | עֲשׂוּיֹת֙ (asuyot) = toebereide | וְחָמֵ֤שׁ (vechamesh) = en vijf | סְאִים֙ (seim) = maten | קָלִ֔י (qali) = geroosterd koren | וּמֵאָ֥ה (umea) = en honderd | צִמֻּקִ֖ים (tsimuqim) = rozijnenkoeken | וּמָאתַ֣יִם (umatayim) = en tweehonderd | דְּבֵלִ֑ים (develim) = vijgenkoeken | וַתָּ֖שֶׂם (vatasem) = en zij legde | עַל (al) = op | הַחֲמֹרִֽים (hachamorim) = de ezels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְאָה (se'ah), ‘maat’: ongeveer 7 liter. Vijf maten zijn dus ongeveer 35 liter geroosterd koren. Voetnoot : נֵבֶל (nevel), ‘zak’: een leren wijnzak. Het woord heeft dezelfde medeklinkers als de naam Nabal. Voetnoot : צִמּוּקִים (tsimmuqim), ‘rozijnenkoeken’, en דְּבֵלִים (develim), ‘vijgenkoeken’: gedroogd en geperst fruit. Zie ook: 2 Sam 16:1; 1 Kron 12:41; Spr 6:4–5; Spr 18:16; Mat 5:25 **25:19** Zij zei tegen haar jongens: „Ga mij voor. Zie, ik kom achter jullie aan.” Aan haar man Nabal vertelde zij het niet. Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zij zei | לִנְעָרֶ֨יהָ֙ (linareiha) = tegen haar jongens | עִבְר֣וּ (ivru) = ga | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor mij | הִנְנִ֖י (hinni) = zie mij | אַחֲרֵיכֶ֣ם (achareikhem) = achter jullie | בָּאָ֑ה (baa) = komend | וּלְאִישָׁ֥הּ (uleishah) = en aan haar man | נָבָ֖ל (naval) = Nabal | לֹ֥א (lo) = niet | הִגִּֽידָה (higida) = zij vertelde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 32:16; Gen 32:20; Spr 31:11–12; Spr 31:27 **25:20** Terwijl zij op de ezel reed en afdaalde in de beschutting van de berg, zie, daar kwamen David en zijn mannen haar tegemoet. Zij ontmoette hen. Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het was | הִ֣יא (hi) = zij | רֹכֶ֣בֶת (rokhevet) = rijdend | עַֽל (al) = op | הַחֲמ֗וֹר (hachamor) = de ezel | וְיֹרֶ֨דֶת֙ (veyoredet) = en zij daalde af | בְּסֵ֣תֶר (beseter) = in de beschutting van | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | דָוִד֙ (david) = David | וַאֲנָשָׁ֔יו (vaanashav) = en zijn mannen | יֹרְדִ֖ים (yoredim) = dalend | לִקְרָאתָ֑הּ (liqratah) = haar tegemoet | וַתִּפְגֹּ֖שׁ (vatifgosh) = en zij ontmoette | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּסֵתֶר הָהָר (beseter hahar), ‘in de beschutting van de berg’: een kloof of een holte in de berg, waar de weg doorheen loopt. Zie ook: 2 Kon 4:24 **25:21** David had gezegd: „Voor niets heb ik alles bewaakt wat deze man in de woestijn heeft. Niets van alles wat van hem is, is vermist. Hij heeft mij kwaad vergolden voor goed. Brontekst: וְדָוִ֣ד (vedavid) = en David | אָמַ֗ר (amar) = had gezegd | אַךְ֩ (akh) = wel | לַשֶּׁ֨קֶר (lasheqer) = voor niets | שָׁמַ֜רְתִּי (shamarti) = ik heb bewaakt | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | לָזֶה֙ (laze) = van deze | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | וְלֹא (velo) = en niet | נִפְקַ֥ד (nifqad) = werd vermist | מִכָּל (mikal) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֖וֹ (lo) = van hem | מְא֑וּמָה (meuma) = iets | וַיָּֽשֶׁב (vayashev) = en hij gaf terug | לִ֥י (li) = aan mij | רָעָ֖ה (raa) = kwaad | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | טוֹבָֽה (tova) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 17:13; Rom 12:21; Ef 4:26; Ef 4:31; 1 Petr 2:20–23 **25:22** Zo moge Elohim doen aan de vijanden van David, en zo moge Hij daaraan toevoegen: Als ik van alles wat hij heeft tot de morgen iemand laat overblijven die tegen de muur plast.” Brontekst: כֹּה (ko) = zo | יַעֲשֶׂ֧ה (yaase) = moge doen | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | לְאֹיְבֵ֥י (leoyevei) = aan de vijanden van | דָוִ֖ד (david) = David | וְכֹ֣ה (vekho) = en zo | יֹסִ֑יף (yosif) = moge toevoegen | אִם (im) = als | אַשְׁאִ֧יר (ashir) = ik zal laten overblijven | מִכָּל (mikal) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֛וֹ (lo) = van hem | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֖קֶר (haboqer) = de morgen | מַשְׁתִּ֥ין (mashtin) = die plast | בְּקִֽיר (beqir) = tegen de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een eed. De formule is dezelfde als in Ruth 1:17. Voetnoot : מַשְׁתִּין בְּקִיר (mashtin beqir), ‘iemand die tegen de muur plast’: een gezegde voor een man. David zweert dat hij geen enkele man van Nabal laat leven. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘aan de vijanden van David’. Het kan een verzachting zijn van ‘aan David zelf’. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: Ruth 1:17; 1 Sam 3:17; 1 Sam 20:13; 1 Sam 20:16; 1 Kon 14:10; 1 Kon 21:21 **25:23** Abigaïl zag David. Zij haastte zich en daalde af van de ezel. Zij viel voor David op haar gezicht en boog zich neer tot de grond. Brontekst: וַתֵּ֤רֶא (vatere) = en zag | אֲבִיגַ֨יִל֙ (avigayil) = Abigaïl | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֔ד (david) = David | וַתְּמַהֵ֕ר (vatemaher) = en zij haastte zich | וַתֵּ֖רֶד (vatered) = en zij daalde af | מֵעַ֣ל (meal) = van | הַחֲמ֑וֹר (hachamor) = de ezel | וַתִּפֹּ֞ל (vatipol) = en zij viel | לְאַפֵּ֤י (leapei) = voor het gezicht van | דָוִד֙ (david) = David | עַל (al) = op | פָּנֶ֔יהָ (paneiha) = haar gezicht | וַתִּשְׁתַּ֖חוּ (vatishtachu) = en zij boog zich neer | אָֽרֶץ (arets) = tot de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 15:18; Re 1:14; 1 Sam 20:41; 1 Sam 24:9 ### Abigaïl spreekt tot David **25:24** Zij viel aan zijn voeten en zei: „Op mij, mijn heer, op mij rust de schuld. Laat uw slavin toch spreken in uw oren. Luister naar de woorden van uw slavin. Brontekst: וַתִּפֹּל֙ (vatipol) = en zij viel | עַל (al) = op | רַגְלָ֔יו (raglav) = zijn voeten | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zij zei | בִּי (bi) = op mij | אֲנִ֥י (ani) = ik | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | הֶֽעָוֺ֑ן (heavon) = de schuld | וּֽתְדַבֶּר (utedaber) = en laat spreken | נָ֤א (na) = toch | אֲמָֽתְךָ֙ (amatekha) = uw slavin | בְּאָזְנֶ֔יךָ (beazeneikha) = in uw oren | וּשְׁמַ֕ע (ushema) = en luister | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | אֲמָתֶֽךָ (amatekha) = uw slavin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמָה (amah), ‘slavin’, en שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’: twee woorden voor een vrouwelijke dienaar. Abigaïl gebruikt ze beide. Zie ook Ruth 3:9. Zie ook: Ruth 3:9; 1 Sam 25:28; 2 Sam 14:9; 2 Kon 4:37; Est 8:3; Filem 1:18–19 **25:25** Laat mijn heer zijn hart toch niet richten op deze man van Belial, op Nabal. Want zoals zijn naam is, zo is hij. Nabal is zijn naam en dwaasheid is bij hem. Maar ik, uw slavin, heb de jongens van mijn heer, die u hebt gestuurd, niet gezien. Brontekst: אַל (al) = niet | נָ֣א (na) = toch | יָשִׂ֣ים (yasim) = richte | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | אֶת (et) = (obj.) | לִבּ֡וֹ (libo) = zijn hart | אֶל (el) = op | אִישׁ֩ (ish) = man van | הַבְּלִיַּ֨עַל (habeliyaal) = Belial | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | עַל (al) = op | נָבָ֗ל (naval) = Nabal | כִּ֤י (ki) = want | כִשְׁמוֹ֙ (kishmo) = zoals zijn naam | כֶּן (ken) = zo | ה֔וּא (hu) = is hij | נָבָ֣ל (naval) = Nabal | שְׁמ֔וֹ (shemo) = is zijn naam | וּנְבָלָ֖ה (unevala) = en dwaasheid | עִמּ֑וֹ (imo) = bij hem | וַֽאֲנִי֙ (vaani) = en ik | אֲמָ֣תְךָ֔ (amatekha) = uw slavin | לֹ֥א (lo) = niet | רָאִ֛יתִי (raiti) = ik heb gezien | אֶת (et) = (obj.) | נַעֲרֵ֥י (naarei) = jongens van | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁלָֽחְתָּ (shalachta) = u hebt gestuurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָבָל (naval), ‘dwaas’, en נְבָלָה (nevalah), ‘dwaasheid’, een schandelijke daad. Abigaïl speelt met de naam Nabal. Zie ook: 1 Sam 25:17; 1 Sam 25:26; 2 Sam 13:33; Jes 42:25; Mal 2:2 **25:26** Nu dan, mijn heer. Zo waar Yahweh leeft en zo waar u leeft: Yahweh heeft u tegengehouden om in bloedschuld te komen en uzelf met uw hand te redden. Laten uw vijanden nu zijn als Nabal, en allen die kwaad zoeken tegen mijn heer. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | אֲדֹנִ֗י (adoni) = mijn heer | חַי (chay) = leeft | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | וְחֵֽי (vechei) = en leeft | נַפְשְׁךָ֙ (nafshekha) = uw ziel | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | מְנָעֲךָ֤ (menaakha) = heeft u tegengehouden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִבּ֣וֹא (mibo) = van komen | בְדָמִ֔ים (bedamim) = in bloedschuld | וְהוֹשֵׁ֥עַ (vehoshea) = en redden | יָדְךָ֖ (yadekha) = uw hand | לָ֑ךְ (lakh) = voor u | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | יִֽהְי֤וּ (yihyu) = laten zijn | כְנָבָל֙ (kenaval) = als Nabal | אֹיְבֶ֔יךָ (oyeveikha) = uw vijanden | וְהַֽמְבַקְשִׁ֥ים (vehamvaqshim) = en zij die zoeken | אֶל (el) = tegen | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed. Zie ook Richt. 8:19. Voetnoot : בְּדָמִים (bedamim), ‘in bloeden’: bloedschuld, de schuld van onschuldig vergoten bloed. Zie ook Deut. 22:8. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, ‘leven’: in de eed ‘zo waar uw ziel leeft’ vertalen wij ‘zo waar u leeft’, zoals in 1 Sam. 20:3. Elders vertalen wij ‘uw leven’. Zie ook: Gen 20:6; Deut 22:8; Re 8:19; 1 Sam 20:3; 2 Sam 18:32; Ps 18:48–49; Rom 12:19–20; Heb 10:30 **25:27** Nu dan, dit zegengeschenk dat uw dienares aan mijn heer heeft gebracht: laat het worden gegeven aan de jongens die mijn heer volgen. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הַבְּרָכָ֣ה (haberakha) = het zegengeschenk | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵבִ֥יא (hevi) = bracht | שִׁפְחָתְךָ֖ (shifchatekha) = uw dienares | לַֽאדֹנִ֑י (ladoni) = aan mijn heer | וְנִתְּנָה֙ (venitena) = en laat gegeven worden | לַנְּעָרִ֔ים (lanearim) = aan de jongens | הַמִּֽתְהַלְּכִ֖ים (hamithalekhim) = die lopen | בְּרַגְלֵ֥י (beraglei) = in de voeten van | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 33:11; Re 4:10; 1 Sam 30:26; 2 Sam 16:2; 2 Kon 5:15 **25:28** Vergeef toch de overtreding van uw slavin. Want Yahweh zal voor mijn heer zeker een vast huis maken, omdat mijn heer de oorlogen van Yahweh voert. Kwaad zal in heel uw leven niet bij u gevonden worden. Brontekst: שָׂ֥א (sa) = vergeef | נָ֖א (na) = toch | לְפֶ֣שַׁע (lefesha) = de overtreding van | אֲמָתֶ֑ךָ (amatekha) = uw slavin | כִּ֣י (ki) = want | עָשֹֽׂה (aso) = maken | יַעֲשֶׂה֩ (yaase) = zal maken | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | לַֽאדֹנִ֜י (ladoni) = voor mijn heer | בַּ֣יִת (bayit) = huis | נֶאֱמָ֗ן (neeman) = vast | כִּי (ki) = want | מִלְחֲמ֤וֹת (milchamot) = oorlogen van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | נִלְחָ֔ם (nilcham) = voert | וְרָעָ֛ה (veraa) = en kwaad | לֹא (lo) = niet | תִמָּצֵ֥א (timatse) = zal gevonden worden | בְךָ֖ (bekha) = in u | מִיָּמֶֽיךָ (miyameikha) = van uw dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂא (sa), ‘vergeef’: van נָשָׂא (nasa), letterlijk ‘dragen’. Bij schuld en overtreding betekent het ‘vergeven’. Voetnoot : בַּיִת נֶאֱמָן (bayit ne'eman), ‘een vast huis’: een huis dat blijft bestaan, dus een koningsgeslacht dat standhoudt. Zie ook 2 Sam. 7:16. Voetnoot : ‘De oorlogen van Yahweh’: zie ook Num. 21:14. Zie ook: Num 21:14; 1 Sam 18:17; 1 Sam 24:12; 2 Sam 7:11; 2 Sam 7:16; 1 Kron 17:25; 1 Kon 9:5 **25:29** Staat er een mens op om u te vervolgen en uw leven te zoeken? Dan zal het leven van mijn heer ingebonden zijn in de bundel van de levenden, bij Yahweh, uw Elohim. Het leven van uw vijanden zal Hij wegslingeren, uit de holte van de slinger. Brontekst: וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en zal opstaan | אָדָם֙ (adam) = een mens | לִרְדָפְךָ֔ (lirdafekha) = om u te vervolgen | וּלְבַקֵּ֖שׁ (ulevaqesh) = en om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֶׁ֑ךָ (nafshekha) = uw ziel | וְֽהָיְתָה֩ (vehayeta) = en zal zijn | נֶ֨פֶשׁ (nefesh) = ziel van | אֲדֹנִ֜י (adoni) = mijn heer | צְרוּרָ֣ה (tserura) = ingebonden | בִּצְר֣וֹר (bitsror) = in de bundel van | הַחַיִּ֗ים (hachayim) = de levenden | אֵ֚ת (et) = bij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = uw Elohim | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | נֶ֤פֶשׁ (nefesh) = ziel van | אֹיְבֶ֨יךָ֙ (oyeveikha) = uw vijanden | יְקַלְּעֶ֔נָּה (yeqaleena) = Hij zal slingeren | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | כַּ֥ף (kaf) = holte van | הַקָּֽלַע (haqala) = de slinger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְרוֹר הַחַיִּים (tseror hachayyim), ‘de bundel van de levenden’: een bundel of buidel waarin kostbare dingen veilig worden bewaard. Zo bewaart Yahweh het leven van David. Het is een beeld van veilige bewaring. Voetnoot : De slinger is het tegenbeeld: het leven van de vijanden wordt weggeworpen. Zie ook: Ps 116:15; Jer 10:18; Mal 3:17; Mat 10:29–30; Joh 17:21 **25:30** Het zal gebeuren: wanneer Yahweh voor mijn heer alles doet wat Hij aan goeds over u heeft gesproken en u aanstelt als leider over Israël, Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יַעֲשֶׂ֤ה (yaase) = zal doen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לַֽאדֹנִ֔י (ladoni) = voor mijn heer | כְּכֹ֛ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij heeft gesproken | אֶת (et) = (obj.) | הַטּוֹבָ֖ה (hatova) = het goede | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = over u | וְצִוְּךָ֥ (vetsivekha) = en Hij zal u aanstellen | לְנָגִ֖יד (lenagid) = als leider | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: iemand die vooropgaat; hier iemand die Yahweh zelf aanstelt, in plaats van ‘koning’. Zie ook 1 Sam. 9:16 en 13:14. Zie ook: 1 Sam 9:16; 1 Sam 13:14; 1 Sam 15:28; 1 Sam 23:17; Ps 89:21 **25:31** Dan zal dit voor u geen aanleiding tot wankelen zijn. Voor het hart van mijn heer zal het geen struikelblok zijn: het vergieten van bloed zonder reden en het zelf redden van mijn heer. Wanneer Yahweh mijn heer goed doet, denk dan aan uw slavin.” Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | זֹ֣את (zot) = dit | לְךָ֡ (lekha) = voor u | לְפוּקָה֩ (lefuqa) = tot wankelen | וּלְמִכְשׁ֨וֹל (ulemikhshol) = en tot struikelblok van | לֵ֜ב (lev) = hart | לַאדֹנִ֗י (ladoni) = voor mijn heer | וְלִשְׁפָּךְ (velishpakh) = en tot vergieten van | דָּם֙ (dam) = bloed | חִנָּ֔ם (chinam) = zonder reden | וּלְהוֹשִׁ֥יעַ (ulehoshia) = en tot redden | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | ל֑וֹ (lo) = voor zichzelf | וְהֵיטִ֤ב (veheitiv) = en zal goed doen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לַֽאדֹנִ֔י (ladoni) = aan mijn heer | וְזָכַרְתָּ֖ (vezakharta) = en u zult denken aan | אֶת (et) = (obj.) | אֲמָתֶֽךָ (amatekha) = uw slavin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוּקָה (puqah), ‘wankelen’: een zeldzaam woord, alleen hier. Abigaïl bedoelt: doordat David nu geen bloedschuld op zich laadt, hoeft zijn geweten later niet te wankelen. Het Hebreeuws laat open of het struikelblok het bloedvergieten zelf is of de gedachte eraan. Zie ook: Gen 40:14; 1 Sam 25:33; 1 Sam 26:23; Rom 12:19; Rom 14:21 ### David prijst Abigaïl **25:32** David zei tegen Abigaïl: „Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël, die je vandaag naar mij toe heeft gestuurd. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֖ד (david) = David | לַאֲבִיגַ֑ל (laavigal) = tegen Abigaïl | בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | שְׁלָחֵ֛ךְ (shelachekh) = heeft je gestuurd | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | לִקְרָאתִֽי (liqrati) = mij tegemoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:27; Ex 18:10; Ps 72:18; Luc 1:68; 2 Kor 8:16 **25:33** Gezegend is je oordeel en gezegend ben jij, die mij vandaag hebt tegengehouden om in bloedschuld te komen en mijzelf met mijn hand te redden. Brontekst: וּבָר֥וּךְ (uvarukh) = en gezegend | טַעְמֵ֖ךְ (tamekh) = je oordeel | וּבְרוּכָ֣ה (uverukha) = en gezegend | אָ֑תְּ (at) = jij | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | כְּלִתִ֜נִי (kelitini) = heeft mij tegengehouden | הַיּ֤וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּה֙ (haze) = deze | מִבּ֣וֹא (mibo) = van komen | בְדָמִ֔ים (bedamim) = in bloedschuld | וְהֹשֵׁ֥עַ (vehoshea) = en redden | יָדִ֖י (yadi) = mijn hand | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַעַם (ta'am), ‘oordeel’, ‘verstand’: letterlijk ‘smaak’. Het is het inzicht om het juiste te kiezen. Zie ook: 1 Sam 25:26; Spr 9:9; Spr 17:10; Spr 25:12; Spr 27:21 **25:34** Maar zo waar Yahweh leeft, de Elohim van Israël, die mij heeft tegengehouden om jou kwaad te doen. Want je haastte je en kwam mij tegemoet. Anders was er voor Nabal tot het licht van de morgen niemand overgebleven die tegen de muur plast.” Brontekst: וְאוּלָ֗ם (veulam) = maar | חַי (chay) = leeft | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מְנָעַ֔נִי (menaani) = heeft mij tegengehouden | מֵהָרַ֖ע (mehara) = van kwaad doen | אֹתָ֑ךְ (otakh) = aan jou | כִּ֣י (ki) = want | לוּלֵ֣י (lulei) = als niet | מִהַ֗רְתְּ (mihart) = je haastte je | וַתָּבֹאת֙ (vatavot) = en je kwam | לִקְרָאתִ֔י (liqrati) = mij tegemoet | כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = als | נוֹתַ֧ר (notar) = was overgebleven | לְנָבָ֛ל (lenaval) = aan Nabal | עַד (ad) = tot | א֥וֹר (or) = licht van | הַבֹּ֖קֶר (haboqer) = de morgen | מַשְׁתִּ֥ין (mashtin) = die plast | בְּקִֽיר (beqir) = tegen de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven vorm is וַתָּבֹאתִי (vattavo'ti), ‘en ik kwam’. De leesvorm is וַתָּבֹאת (vattavo't), ‘en je kwam’. Wij volgen de leesvorm. Zie ook: Joz 10:6; Joz 10:9; 1 Sam 11:11; 1 Sam 25:18; 1 Sam 25:26 **25:35** David nam uit haar hand wat zij hem had gebracht. Hij zei tegen haar: „Ga in vrede naar je huis. Zie, ik heb naar je stem geluisterd en ik heb je gunstig ontvangen.” Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | דָּוִד֙ (david) = David | מִיָּדָ֔הּ (miyadah) = uit haar hand | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | הֵבִ֖יאָה (hevia) = zij had gebracht | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וְלָ֣הּ (velah) = en tot haar | אָמַ֗ר (amar) = zei hij | עֲלִ֤י (ali) = ga omhoog | לְשָׁלוֹם֙ (leshalom) = in vrede | לְבֵיתֵ֔ךְ (leveitekh) = naar je huis | רְאִי֙ (rei) = zie | שָׁמַ֣עְתִּי (shamati) = ik heb geluisterd | בְקוֹלֵ֔ךְ (beqolekh) = naar je stem | וָאֶשָּׂ֖א (vaesa) = en ik heb opgeheven | פָּנָֽיִךְ (panayikh) = je gelaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא פָנִים (nasa panim), ‘het gelaat opheffen’: iemand welwillend en gunstig ontvangen. Zie ook: Gen 19:21; Job 34:19; 1 Sam 20:42; 2 Kon 5:19; Luc 7:50 ### De dood van Nabal **25:36** Abigaïl kwam bij Nabal. Zie, hij had een maaltijd in zijn huis, als de maaltijd van een koning. Het hart van Nabal was vrolijk in hem en hij was zeer dronken. Zij vertelde hem niets, klein of groot, tot het licht van de morgen. Brontekst: וַתָּבֹ֣א (vatavo) = en kwam | אֲבִיגַ֣יִל (avigayil) = Abigaïl | אֶל (el) = naar | נָבָ֡ל (naval) = Nabal | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | לוֹ֩ (lo) = voor hem | מִשְׁתֶּ֨ה (mishte) = maaltijd | בְּבֵית֜וֹ (beveito) = in zijn huis | כְּמִשְׁתֵּ֣ה (kemishte) = als de maaltijd van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְלֵ֤ב (velev) = en het hart van | נָבָל֙ (naval) = Nabal | ט֣וֹב (tov) = vrolijk | עָלָ֔יו (alav) = in hem | וְה֥וּא (vehu) = en hij | שִׁכֹּ֖ר (shikor) = dronken | עַד (ad) = tot | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִגִּ֣ידָה (higida) = zij vertelde | לּ֗וֹ (lo) = hem | דָּבָ֥ר (davar) = zaak | קָטֹ֛ן (qaton) = klein | וְגָד֖וֹל (vegadol) = en groot | עַד (ad) = tot | א֥וֹר (or) = licht van | הַבֹּֽקֶר (haboqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:19; 2 Sam 13:23; 2 Sam 13:28; Spr 20:1; 1 Tess 5:7–8 **25:37** 's Morgens, toen de wijn uit Nabal was weggegaan, vertelde zijn vrouw hem deze zaken. Toen stierf zijn hart in zijn binnenste. Hij werd als een steen. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | בְּצֵ֤את (betset) = bij het uitgaan van | הַיַּ֨יִן֙ (hayayin) = de wijn | מִנָּבָ֔ל (minaval) = uit Nabal | וַתַּגֶּד (vataged) = en vertelde | ל֣וֹ (lo) = hem | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de zaken | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיָּ֤מָת (vayamat) = en stierf | לִבּוֹ֙ (libo) = zijn hart | בְּקִרְבּ֔וֹ (beqirbo) = in zijn binnenste | וְה֖וּא (vehu) = en hij | הָיָ֥ה (haya) = werd | לְאָֽבֶן (leaven) = tot een steen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn hart stierf in zijn binnenste en hij werd als een steen’: hij werd verlamd, waarschijnlijk door een beroerte. Wat er medisch gebeurde, zegt de tekst niet. Na ongeveer tien dagen (vers 38) sterft hij, en de tekst ziet daarin de hand van Yahweh. Zie ook: Job 15:21–22; Deut 28:28; 1 Sam 25:22; 1 Sam 25:34; 1 Sam 25:38; Spr 23:29–35 **25:38** Ongeveer tien dagen later sloeg Yahweh Nabal. Hij stierf. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | כַּעֲשֶׂ֣רֶת (kaaseret) = ongeveer tien | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | וַיִּגֹּ֧ף (vayigof) = en sloeg | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | נָבָ֖ל (naval) = Nabal | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 6:9; 1 Sam 25:33; 2 Sam 6:7; 2 Kron 10:15; Hand 12:23 ### Abigaïl wordt de vrouw van David **25:39** David hoorde dat Nabal dood was. Hij zei: „Gezegend is Yahweh, die het geschil over mijn smaad uit de hand van Nabal heeft uitgevochten. Hij heeft zijn dienaar tegengehouden van kwaad. Het kwaad van Nabal heeft Yahweh op zijn eigen hoofd laten terugkomen.” Daarna stuurde David een bericht en sprak met Abigaïl, om haar tot vrouw te nemen. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | דָּוִד֮ (david) = David | כִּ֣י (ki) = dat | מֵ֣ת (met) = gestorven was | נָבָל֒ (naval) = Nabal | וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en zei | בָּר֣וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | רָב֩ (rav) = heeft uitgevochten | אֶת (et) = (obj.) | רִ֨יב (riv) = geschil van | חֶרְפָּתִ֜י (cherpati) = mijn smaad | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | נָבָ֗ל (naval) = Nabal | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַבְדּוֹ֙ (avdo) = zijn dienaar | חָשַׂ֣ךְ (chasakh) = heeft tegengehouden | מֵֽרָעָ֔ה (meraa) = van kwaad | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | רָעַ֣ת (raat) = kwaad van | נָבָ֔ל (naval) = Nabal | הֵשִׁ֥יב (heshiv) = heeft teruggebracht | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּרֹאשׁ֑וֹ (berosho) = op zijn hoofd | וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | דָּוִד֙ (david) = David | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | בַּאֲבִיגַ֔יִל (baavigayil) = met Abigaïl | לְקַחְתָּ֥הּ (leqachtah) = om haar te nemen | ל֖וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘geschil’: een rechtszaak of twist. Yahweh heeft de zaak van David bepleit en beslist. Zie ook 1 Sam. 24:16. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘David stuurde’. Uit vers 40 blijkt dat hij zijn dienaren stuurde. Zie ook: 1 Sam 24:16; 1 Sam 25:26; 1 Sam 25:32; 1 Sam 25:34; 1 Sam 25:40; Ps 7:17; Spr 22:23 **25:40** De dienaren van David kwamen in Karmel bij Abigaïl en zeiden: „David heeft ons naar je gestuurd om je tot vrouw te nemen.” Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | דָוִ֛ד (david) = David | אֶל (el) = naar | אֲבִיגַ֖יִל (avigayil) = Abigaïl | הַכַּרְמֶ֑לָה (hakarmela) = naar Karmel | וַיְדַבְּר֤וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = tot haar | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | דָּוִד֙ (david) = David | שְׁלָחָ֣נוּ (shelachanu) = heeft ons gestuurd | אֵלַ֔יִךְ (elayikh) = naar je | לְקַחְתֵּ֥ךְ (leqachtekh) = om je te nemen | ל֖וֹ (lo) = voor zich | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron. Zie ook: Gen 24:37–38; Gen 24:51 **25:41** Zij stond op en boog zich met haar gezicht naar de grond. Zij zei: „Zie, uw slavin is een dienares om de voeten te wassen van de dienaren van mijn heer.” Brontekst: וַתָּ֕קָם (vataqam) = en zij stond op | וַתִּשְׁתַּ֥חוּ (vatishtachu) = en zij boog zich neer | אַפַּ֖יִם (apayim) = gezicht | אָ֑רְצָה (aretsa) = naar de grond | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zij zei | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אֲמָֽתְךָ֙ (amatekha) = uw slavin | לְשִׁפְחָ֔ה (leshifcha) = tot dienares | לִרְחֹ֕ץ (lirchots) = om te wassen | רַגְלֵ֖י (raglei) = voeten van | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:4; Ruth 2:10; Spr 15:33; Joh 13:3–5; 1 Tim 5:10 **25:42** Abigaïl stond haastig op en reed op de ezel, met vijf van haar meisjes die haar volgden. Zij ging achter de boodschappers van David aan en werd zijn vrouw. Brontekst: וַתְּמַהֵ֞ר (vatemaher) = en zij haastte zich | וַתָּ֣קָם (vataqam) = en zij stond op | אֲבִיגַ֗יִל (avigayil) = Abigaïl | וַתִּרְכַּב֙ (vatirkav) = en zij reed | עַֽל (al) = op | הַחֲמ֔וֹר (hachamor) = de ezel | וְחָמֵשׁ֙ (vechamesh) = en vijf | נַעֲרֹתֶ֔יהָ (naaroteiha) = haar meisjes | הַהֹלְכ֖וֹת (haholekhot) = die gingen | לְרַגְלָ֑הּ (leraglah) = aan haar voet | וַתֵּ֗לֶךְ (vatelekh) = en zij ging | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | מַלְאֲכֵ֣י (malakhei) = boodschappers van | דָוִ֔ד (david) = David | וַתְּהִי (vatehi) = en zij werd | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:61–67; Ps 45:11–12 **25:43** David had ook Achinoam uit Jizreël genomen. Beiden werden zijn vrouwen. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲחִינֹ֛עַם (achinoam) = Achinoam | לָקַ֥ח (laqach) = had genomen | דָּוִ֖ד (david) = David | מִֽיִּזְרְעֶ֑אל (miyizreel) = uit Jizreël | וַתִּהְיֶ֛יןָ (vatihyeina) = en zij werden | גַּֽם (gam) = ook | שְׁתֵּיהֶ֥ן (sheteihen) = beiden | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְנָשִֽׁים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dit Jizreël ligt in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron, bij Zif en Juta (Joz. 15:56). De ligging is onzeker. Het is niet de vallei van Jizreël in het noorden. Voetnoot Uitleg: Over Achinoam en Abigaïl als vrouwen van David zie ook 1 Sam. 27:3 en 30:5. Zie ook: Joz 15:56; 1 Sam 27:3; 1 Sam 30:5; 2 Sam 3:2; Mat 19:5 **25:44** Saul had zijn dochter Michal, de vrouw van David, gegeven aan Palti, de zoon van Lais, uit Gallim. Brontekst: וְשָׁא֗וּל (veshaul) = en Saul | נָתַ֛ן (natan) = gaf | אֶת (et) = (obj.) | מִיכַ֥ל (mikhal) = Michal | בִּתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | דָּוִ֑ד (david) = David | לְפַלְטִ֥י (lefalti) = aan Palti | בֶן (ben) = zoon van | לַ֖יִשׁ (layish) = Lais | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die was | מִגַּלִּֽים (migalim) = uit Gallim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gallim wordt genoemd bij Gibea, ten noorden van Jeruzalem (Jes. 10:30). De ligging is onzeker. Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Voetnoot Uitleg: Saul had Michal aan David gegeven (1 Sam. 18:27). Nu geeft hij haar aan een ander. Later haalt David haar terug (2 Sam. 3:13–16). Zie ook: 1 Sam 18:20; 1 Sam 18:27; 2 Sam 3:13–16; 2 Sam 3:14; Jes 10:30 ## 1 Samuël 26 _David spaart Saul opnieuw_ ### De Zifieten verraden David opnieuw **26:1** De Zifieten kwamen bij Saul in Gibea en zeiden: „Houdt David zich niet schuil op de heuvel Chachila, tegenover de woestenij?” Brontekst: וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en zij kwamen | הַזִּפִים֙ (hazifim) = de Zifieten | אֶל (el) = naar | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | הַגִּבְעָ֖תָה (hagivata) = naar Gibea | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הֲל֨וֹא (halo) = is niet | דָוִ֤ד (david) = David | מִסְתַּתֵּר֙ (mistater) = zich verbergend | בְּגִבְעַ֣ת (begivat) = op de heuvel van | הַחֲכִילָ֔ה (hachakhila) = de Chachila | עַ֖ל (al) = tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הַיְשִׁימֹֽן (hayshimon) = de woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zif ligt in het bergland van Juda, ongeveer 8 kilometer ten zuidoosten van Hebron (Tell Zif, Westelijke Jordaanoever). Gibea van Saul is waarschijnlijk Tell el-Ful, ten noorden van Jeruzalem. De heuvel Chachila ligt in de woestijn van Juda ten oosten van Zif; de juiste plek is onzeker. Zie Heuvel van Chachila (ligging onzeker): De heuvel van Chachila lag in de buurt van Zif, aan de rand van de woestijn van Juda. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: הַיְשִׁימוֹן (hayeshimon), ‘de woestenij’: een kaal, droog gebied. Het woord kan ook als naam gebruikt worden. Wij vertalen zoals in Num. 21:20 en 23:28. Voetnoot : De Zifieten verraden David ook in 1 Sam. 23:19. Daar staat dezelfde beschrijving van de plek. Zie ook: Num 21:20; Num 23:28; Joz 15:24; Joz 15:55; 1 Sam 23:19; 1 Sam 26:3; Ps 54:3–9 **26:2** Saul stond op en ging naar de woestijn Zif. Hij had 3000 uitgelezen mannen van Israël bij zich. Zij wilden David zoeken in de woestijn Zif. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וַיֵּ֨רֶד֙ (vayered) = en daalde af | אֶל (el) = naar | מִדְבַּר (midbar) = woestijn van | זִ֔יף (zif) = Zif | וְאִתּ֛וֹ (veito) = en met hem | שְׁלֹֽשֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֥ים (alafim) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | בְּחוּרֵ֣י (bechurei) = uitgelezenen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לְבַקֵּ֥שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖ד (david) = David | בְּמִדְבַּר (bemidbar) = in de woestijn van | זִֽיף (zif) = Zif Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zif: Zif wordt gezocht bij Tell Zif, ten zuidoosten van Hebron. Zie ook: 1 Sam 23:23–25; 1 Sam 24:3; 1 Sam 24:18; Ps 38:13; Ps 140:5–10 **26:3** Saul sloeg zijn kamp op bij de heuvel Chachila, die tegenover de woestenij ligt, langs de weg. David bleef in de woestijn. Hij zag dat Saul hem de woestijn in was gevolgd. Brontekst: וַיִּ֨חַן (vayichan) = en legerde zich | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | בְּגִבְעַ֣ת (begivat) = op de heuvel van | הַחֲכִילָ֗ה (hachakhila) = de Chachila | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | עַל (al) = tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הַיְשִׁימֹ֖ן (hayshimon) = de woestenij | עַל (al) = langs | הַדָּ֑רֶךְ (hadarekh) = de weg | וְדָוִד֙ (vedavid) = en David | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = bleef | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | וַיַּ֕רְא (vayar) = en hij zag | כִּ֣י (ki) = dat | בָ֥א (ba) = was gekomen | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | אַחֲרָ֖יו (acharav) = achter hem | הַמִּדְבָּֽרָה (hamidbara) = naar de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Heuvel van Chachila (ligging onzeker): De heuvel van Chachila lag in de buurt van Zif, aan de rand van de woestijn van Juda. De precieze plaats is niet bekend. Zie De woestenij (Jesjimon, ligging onzeker): De woestenij (Jesjimon) is het dorre gebied ten westen van de Dode Zee, in de woestijn van Juda. De precieze ligging is niet zeker. Zie ook: 1 Sam 23:19; 1 Sam 26:1 **26:4** David stuurde verkenners. Zo wist hij zeker dat Saul gekomen was. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en stuurde | דָּוִ֖ד (david) = David | מְרַגְּלִ֑ים (meragelim) = verkenners | וַיֵּ֕דַע (vayeda) = en wist | כִּֽי (ki) = dat | בָ֥א (ba) = was gekomen | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = naar | נָכֽוֹן (nakhon) = zekerheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אֶל־נָכוֹן (el nakhon), letterlijk ‘naar zekerheid’ of ‘naar een vaste plaats’. Wij lezen: David wist zeker dat Saul werkelijk was gekomen. Zie ook: Joz 2:1; Mat 10:16 ### David in het kamp van Saul **26:5** David stond op en kwam bij de plaats waar Saul zijn kamp had opgeslagen. David zag de plaats waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, de aanvoerder van zijn leger. Saul lag in de wagenkring en het volk lag in kamp rondom hem. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | דָּוִ֗ד (david) = David | וַיָּבֹא֮ (vayavo) = en kwam | אֶֽל (el) = naar | הַמָּקוֹם֮ (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | חָנָה (chana) = hij had gelegerd | שָׁ֣ם (sham) = daar | שָׁאוּל֒ (shaul) = Saul | וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | דָּוִ֗ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | שָֽׁכַב (shakhav) = lag | שָׁ֣ם (sham) = daar | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וְאַבְנֵ֥ר (veavner) = en Abner | בֶּן (ben) = zoon van | נֵ֖ר (ner) = Ner | שַׂר (sar) = aanvoerder van | צְבָא֑וֹ (tsevao) = zijn leger | וְשָׁאוּל֙ (veshaul) = en Saul | שֹׁכֵ֣ב (shokhev) = lag | בַּמַּעְגָּ֔ל (bamagal) = in de wagenkring | וְהָעָ֖ם (vehaam) = en het volk | חֹנִ֥ים (chonim) = gelegerd | סְבִיבֹתָֽיו (sevivotav) = rondom hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּעְגָּל (hamma'gal), ‘de wagenkring’: de kring van wagens om het kamp. Zie ook 1 Sam. 17:20. Voetnoot : שַׂר־צְבָאוֹ (sar tsevao), ‘aanvoerder van zijn leger’: Abner is de bevelhebber van Saul. Zie ook 1 Sam. 14:50. Zie ook: 1 Sam 9:1; 1 Sam 14:50–51; 1 Sam 17:20; 1 Sam 17:55; 1 Kron 9:39 **26:6** David antwoordde en zei tegen Achimelech, de Hethiet, en tegen Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: „Wie gaat met mij af naar Saul, het kamp in?” Abisai zei: „Ik ga met u af.” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | דָּוִ֜ד (david) = David | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | אֲחִימֶ֣לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | הַחִתִּ֗י (hachiti) = de Hethiet | וְאֶל (veel) = en tot | אֲבִישַׁ֨י (avishay) = Abisai | בֶּן (ben) = zoon van | צְרוּיָ֜ה (tseruya) = Zeruja | אֲחִ֤י (achi) = broer van | יוֹאָב֙ (yoav) = Joab | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מִֽי (mi) = wie | יֵרֵ֥ד (yered) = zal afdalen | אִתִּ֛י (iti) = met mij | אֶל (el) = naar | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲבִישַׁ֔י (avishay) = Abisai | אֲנִ֖י (ani) = ik | אֵרֵ֥ד (ered) = ik zal afdalen | עִמָּֽךְ (imakh) = met u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Achimelech de Hethiet is een Hethiet in dienst van David. Hij is een andere man dan de priester Achimelech uit Nob (1 Sam. 21:2). Abisai en Joab zijn zonen van Zeruja, een zuster van David (1 Kron. 2:16). Zie ook: Re 7:10–11; 1 Sam 14:6–7; 1 Sam 21:2; 2 Sam 2:18; 2 Sam 11:21; 2 Sam 23:39; 1 Kron 2:16 **26:7** David en Abisai kwamen 's nachts bij het volk. Zie, Saul lag te slapen in de wagenkring. Zijn speer stak in de grond, bij zijn hoofd. Abner en het volk lagen rondom hem. Brontekst: וַיָּבֹא֩ (vayavo) = en kwam | דָוִ֨ד (david) = David | וַאֲבִישַׁ֥י (vaavishay) = en Abisai | אֶל (el) = naar | הָעָם֮ (haam) = het volk | לַיְלָה֒ (layla) = 's nachts | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | שֹׁכֵ֤ב (shokhev) = liggend | יָשֵׁן֙ (yashen) = slapend | בַּמַּעְגָּ֔ל (bamagal) = in de wagenkring | וַחֲנִית֥וֹ (vachanito) = en zijn speer | מְעוּכָֽה (meukha) = gestoken | בָאָ֖רֶץ (baarets) = in de grond | מְרַאֲשֹׁתָ֑יו (meraashotav) = bij zijn hoofd | וְאַבְנֵ֣ר (veavner) = en Abner | וְהָעָ֔ם (vehaam) = en het volk | שֹׁכְבִ֖ים (shokhevim) = liggend | סְבִיבֹתָֽיו (sevivotav) = rondom hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Tess 5:2–3 ### David spaart de gezalfde van Yahweh **26:8** Abisai zei tegen David: „Elohim heeft uw vijand vandaag in uw hand overgeleverd. Laat mij hem nu met de speer slaan, tot in de grond, met één slag. Ik zal hem geen tweede slag geven.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲבִישַׁי֙ (avishay) = Abisai | אֶל (el) = tot | דָּוִ֔ד (david) = David | סִגַּ֨ר (sigar) = heeft overgeleverd | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | אוֹיִבְךָ֖ (oyivkha) = uw vijand | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in uw hand | וְעַתָּה֩ (veata) = en nu | אַכֶּ֨נּוּ (akenu) = laat mij hem slaan | נָ֜א (na) = toch | בַּחֲנִ֤ית (bachanit) = met de speer | וּבָאָ֨רֶץ֙ (uvaarets) = en in de grond | פַּ֣עַם (paam) = keer | אַחַ֔ת (achat) = één | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֶשְׁנֶ֖ה (eshne) = ik zal herhalen | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abisai zegt dat Elohim Saul in de hand van David heeft gegeven. David ziet dat anders (vers 9–11). Zie ook 1 Sam. 24:5. Zie ook: Deut 32:30; 1 Sam 23:14; 1 Sam 24:5; 1 Sam 24:19–20; 1 Sam 26:9–11; 1 Sam 26:23 **26:9** David zei tegen Abisai: „Vernietig hem niet. Want wie steekt zijn hand uit tegen de gezalfde van Yahweh en blijft vrij van schuld?” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֛ד (david) = David | אֶל (el) = tot | אֲבִישַׁ֖י (avishay) = Abisai | אַל (al) = niet | תַּשְׁחִיתֵ֑הוּ (tashchitehu) = vernietig hem | כִּ֠י (ki) = want | מִ֣י (mi) = wie | שָׁלַ֥ח (shalach) = heeft uitgestoken | יָד֛וֹ (yado) = zijn hand | בִּמְשִׁ֥יחַ (bimshiach) = tegen de gezalfde van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִקָּֽה (veniqa) = en blijft vrij van schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיחַ יְהוָה (meshiach Yahweh), ‘de gezalfde van Yahweh’: Saul is door Samuël gezalfd (1 Sam. 10:1). Daarom blijft David van hem af. Zie ook 1 Sam. 24:7 en 24:11. Voetnoot : נִקָּה (niqqah), ‘vrij van schuld blijven’: zonder straf of schuld uitgaan. Zie ook: 1 Sam 10:1; 1 Sam 24:7–8; 1 Sam 24:11; 2 Sam 1:14; 2 Sam 1:16; Ps 105:15 **26:10** David zei: „Zo waar Yahweh leeft: alleen Yahweh zal hem slaan. Of zijn dag komt en hij sterft, of hij trekt ten strijde en wordt weggenomen. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִד֙ (david) = David | חַי (chay) = leeft | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = dat | אִם (im) = als | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִגָּפֶ֑נּוּ (yigafenu) = zal hem slaan | אֽוֹ (o) = of | יוֹמ֤וֹ (yomo) = zijn dag | יָבוֹא֙ (yavo) = zal komen | וָמֵ֔ת (vamet) = en hij zal sterven | א֧וֹ (o) = of | בַמִּלְחָמָ֛ה (bamilchama) = in de strijd | יֵרֵ֖ד (yered) = zal afdalen | וְנִסְפָּֽה (venispa) = en hij zal weggenomen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David noemt drie wegen waarop Saul kan sterven: Yahweh slaat hem, zijn dag komt, of hij valt in de strijd. Zie ook 1 Sam. 31:3–6. Zie ook: Gen 47:29; Deut 31:14; 1 Sam 25:38; 1 Sam 31:3–6; Ps 37:13; Rom 12:19 **26:11** Ver zij het van mij, vanwege Yahweh, dat ik mijn hand uitsteek tegen de gezalfde van Yahweh. Neem nu de speer die bij zijn hoofd staat en de waterkruik. Dan gaan wij weg.” Brontekst: חָלִ֤ילָה (chalila) = ver zij het | לִּי֙ (li) = van mij | מֵֽיהוָ֔ה (meYahweh) = vanwege Yahweh | מִשְּׁלֹ֥חַ (misheloach) = uitsteken van | יָדִ֖י (yadi) = mijn hand | בִּמְשִׁ֣יחַ (bimshiach) = tegen de gezalfde van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | קַח (qach) = neem | נָ֨א (na) = toch | אֶֽת (et) = (obj.) | הַחֲנִ֜ית (hachanit) = de speer | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | מְרַאֲשֹׁתָ֛יו (meraashotav) = bij zijn hoofd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צַפַּ֥חַת (tsapachat) = kruik van | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | וְנֵ֥לֲכָה (venelakha) = en laten wij gaan | לָּֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלִילָה (chalilah), ‘ver zij het’: een sterke afwijzing. Zie ook Gen. 18:25. Zie ook: Gen 18:25; 1 Sam 24:7; 1 Sam 24:13; 2 Sam 1:14; 2 Sam 1:16 **26:12** David nam de speer en de waterkruik bij het hoofd van Saul weg. Zij gingen heen. Niemand zag het, niemand wist het en niemand werd wakker. Want zij sliepen allen. Een diepe slaap van Yahweh was op hen gevallen. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en nam | דָּוִ֨ד (david) = David | אֶֽת (et) = (obj.) | הַחֲנִ֜ית (hachanit) = de speer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צַפַּ֤חַת (tsapachat) = kruik van | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het water | מֵרַאֲשֹׁתֵ֣י (meraashotei) = bij het hoofd van | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | לָהֶ֑ם (lahem) = voor zich | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand | רֹאֶה֩ (roe) = zag | וְאֵ֨ין (veein) = en niemand | יוֹדֵ֜עַ (yodea) = wist | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand | מֵקִ֗יץ (meqits) = wakker werd | כִּ֤י (ki) = want | כֻלָּם֙ (kulam) = allen | יְשֵׁנִ֔ים (yeshenim) = slapend | כִּ֚י (ki) = want | תַּרְדֵּמַ֣ת (tardemat) = diepe slaap van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נָפְלָ֖ה (nafela) = was gevallen | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּרְדֵּמָה (tardemah), ‘diepe slaap’: een slaap die Yahweh zelf brengt. Zie ook Gen. 2:21 en 15:12. Zie ook: Gen 2:21; Gen 15:12; 1 Sam 24:5; 1 Sam 26:7; Jes 29:10 ### David roept vanaf de berg **26:13** David stak over naar de andere kant en ging op de top van de berg staan, op grote afstand. De ruimte tussen hen was groot. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֤ר (vayaavor) = en stak over | דָּוִד֙ (david) = David | הָעֵ֔בֶר (haever) = naar de overkant | וַיַּעֲמֹ֥ד (vayaamod) = en ging staan | עַל (al) = op | רֹאשׁ (rosh) = top van | הָהָ֖ר (hahar) = de berg | מֵֽרָחֹ֑ק (merachoq) = van ver | רַ֥ב (rav) = groot | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de ruimte | בֵּינֵיהֶֽם (beineihem) = tussen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:7; 1 Sam 24:9 **26:14** David riep naar het volk en naar Abner, de zoon van Ner: „Antwoord je niet, Abner?” Abner antwoordde: „Wie ben jij, dat je tot de koning roept?” Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en riep | דָוִ֜ד (david) = David | אֶל (el) = naar | הָעָ֗ם (haam) = het volk | וְאֶל (veel) = en naar | אַבְנֵ֤ר (avner) = Abner | בֶּן (ben) = zoon van | נֵר֙ (ner) = Ner | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הֲל֥וֹא (halo) = niet | תַעֲנֶ֖ה (taane) = antwoord je | אַבְנֵ֑ר (avner) = Abner | וַיַּ֤עַן (vayaan) = en antwoordde | אַבְנֵר֙ (avner) = Abner | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en zei | מִ֥י (mi) = wie | אַתָּ֖ה (ata) = jij | קָרָ֥אתָ (qarata) = die roept | אֶל (el) = tot | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:15** David zei tegen Abner: „Ben jij geen man? Wie is zoals jij in Israël? Waarom heb je dan je heer, de koning, niet bewaakt? Want iemand van het volk is gekomen om de koning, je heer, te vernietigen. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | דָּוִ֨ד (david) = David | אֶל (el) = tot | אַבְנֵ֜ר (avner) = Abner | הֲלוֹא (halo) = is niet | אִ֣ישׁ (ish) = man | אַתָּ֗ה (ata) = jij | וּמִ֤י (umi) = en wie | כָמ֨וֹךָ֙ (kamokha) = zoals jij | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | וְלָ֨מָּה֙ (velama) = en waarom | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמַ֔רְתָּ (shamarta) = heb je bewaakt | אֶל (el) = tot | אֲדֹנֶ֖יךָ (adoneikha) = je heer | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּי (ki) = want | בָא֙ (ba) = is gekomen | אַחַ֣ד (achad) = één | הָעָ֔ם (haam) = van het volk | לְהַשְׁחִ֖ית (lehashchit) = om te vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲדֹנֶֽיךָ (adoneikha) = je heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁחַת (shachat), ‘vernietigen’: hetzelfde woord als in vers 9. David verwijt Abner dat hij de koning niet heeft beschermd tegen een man die hem kon ‘vernietigen’. Zie ook: 1 Sam 26:9 **26:16** Dit is niet goed, wat je hebt gedaan. Zo waar Yahweh leeft: jullie verdienen de dood, omdat jullie je heer niet hebben bewaakt, de gezalfde van Yahweh. Kijk nu: waar zijn de speer van de koning en de waterkruik die bij zijn hoofd stonden?” Brontekst: לֹא (lo) = niet | ט֞וֹב (tov) = goed | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּה֮ (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשִׂיתָ֒ (asita) = je hebt gedaan | חַי (chay) = leeft | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = dat | בְנֵי (benei) = zonen van | מָ֨וֶת֙ (mavet) = de dood | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | אֲשֶׁ֧ר (asher) = omdat | לֹֽא (lo) = niet | שְׁמַרְתֶּ֛ם (shemartem) = jullie hebben bewaakt | עַל (al) = over | אֲדֹנֵיכֶ֖ם (adoneikhem) = jullie heer | עַל (al) = over | מְשִׁ֣יחַ (meshiach) = de gezalfde van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | רְאֵ֗ה (ree) = zie | אֵֽי (ei) = waar | חֲנִ֥ית (chanit) = speer van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צַפַּ֥חַת (tsapachat) = kruik van | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מְרַאֲשֹׁתָֽיו (meraashotav) = bij zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי־מָוֶת (benei mavet), ‘zonen van de dood’: mannen die de dood verdienen. David spreekt Abner en zijn mannen samen aan (‘jullie’). Zie ook: 1 Sam 20:31; 2 Sam 19:29; Ps 79:11; Ps 102:21; Ef 2:3 ### David en Saul spreken met elkaar **26:17** Saul herkende de stem van David en zei: „Is dat jouw stem, mijn zoon David?” David zei: „Het is mijn stem, mijn heer de koning.” Brontekst: וַיַּכֵּ֤ר (vayaker) = en herkende | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = stem van | דָּוִ֔ד (david) = David | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | הֲקוֹלְךָ֥ (haqolekha) = is jouw stem | זֶ֖ה (ze) = deze | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | דָוִ֑ד (david) = David | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֔ד (david) = David | קוֹלִ֖י (qoli) = mijn stem | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 24:9; 1 Sam 24:17 **26:18** Hij zei: „Waarom jaagt mijn heer zijn dienaar na? Want wat heb ik gedaan? Welk kwaad is er in mijn hand? Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | לָ֥מָּה (lama) = waarom | זֶּ֛ה (ze) = dit | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | רֹדֵ֖ף (rodef) = jaagt na | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | עַבְדּ֑וֹ (avdo) = zijn dienaar | כִּ֚י (ki) = want | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = ik heb gedaan | וּמַה (uma) = en wat | בְּיָדִ֖י (beyadi) = in mijn hand | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 24:10; 1 Sam 24:12–15; Ps 35:7; Ps 69:5; Joh 18:23 **26:19** Laat mijn heer, de koning, nu luisteren naar de woorden van zijn dienaar. Als Yahweh u tegen mij heeft aangezet, laat Hem dan een offergave ruiken. Maar als het mensen zijn: vervloekt zijn zij voor het aangezicht van Yahweh. Want zij hebben mij vandaag verjaagd, zodat ik mij niet kan voegen bij het erfdeel van Yahweh. Zij zeggen: ‘Ga, dien andere goden.’ Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | יִֽשְׁמַֽע (yishma) = laat horen | נָא֙ (na) = toch | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | עַבְדּ֑וֹ (avdo) = zijn dienaar | אִם (im) = als | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | הֱסִֽיתְךָ֥ (hesitekha) = heeft u aangezet | בִי֙ (bi) = tegen mij | יָרַ֣ח (yarach) = laat ruiken | מִנְחָ֔ה (mincha) = offergave | וְאִ֣ם (veim) = en als | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הָאָדָ֗ם (haadam) = de mens | אֲרוּרִ֥ים (arurim) = vervloekt | הֵם֙ (hem) = zij | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | גֵרְשׁ֣וּנִי (gereshuni) = zij hebben mij verjaagd | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | מֵהִסְתַּפֵּ֜חַ (mehistapeach) = van zich voegen | בְּנַחֲלַ֤ת (benachalat) = bij het erfdeel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | עֲבֹ֖ד (avod) = dien | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵסִית (hesit), ‘aanzetten’: iemand aanzetten tot iets. Hetzelfde werkwoord staat in 2 Sam. 24:1. Wij vertalen het hier neutraal. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘offergave’: in Leviticus is dit het graanoffer. Hier is het een offergave in het algemeen, zoals in Gen. 4:3–5. Als Yahweh Saul heeft aangezet, kan een offergave Hem verzoenen. Voetnoot : נַחֲלַת יְהוָה (nachalat Yahweh), ‘het erfdeel van Yahweh’: het land en het volk van Yahweh. Wie daar niet kan wonen, wordt gedwongen andere goden te dienen. Zie ook Deut. 32:9. Zie ook: Gen 4:3–5; Deut 32:9; 2 Sam 14:16; 2 Sam 16:11; 2 Sam 20:19; 2 Sam 24:1; 1 Kron 21:1; Gal 1:8–9 **26:20** Laat mijn bloed nu niet op de grond vallen, ver van het aangezicht van Yahweh. Want de koning van Israël is uitgetrokken om één vlo te zoeken, zoals men op de bergen een patrijs najaagt.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אַל (al) = niet | יִפֹּ֤ל (yipol) = laat vallen | דָּֽמִי֙ (dami) = mijn bloed | אַ֔רְצָה (artsa) = naar de grond | מִנֶּ֖גֶד (mineged) = van tegenover | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | יָצָ֞א (yatsa) = is uitgetrokken | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לְבַקֵּשׁ֙ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | פַּרְעֹ֣שׁ (parosh) = vlo | אֶחָ֔ד (echad) = één | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | יִרְדֹּ֥ף (yirdof) = men jaagt na | הַקֹּרֵ֖א (haqore) = de patrijs | בֶּהָרִֽים (beharim) = op de bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּרְעֹשׁ (par'osh), ‘vlo’, en הַקֹּרֵא (haqore), ‘de patrijs’: letterlijk ‘de roeper’. David vergelijkt zichzelf met een vlo en met een vogel die men op de bergen najaagt. Zie ook: 1 Sam 2:9; 1 Sam 24:15; 1 Sam 25:29; Mat 26:47; Mat 26:55 ### Saul erkent zijn schuld **26:21** Saul zei: „Ik heb gezondigd. Keer terug, mijn zoon David. Ik zal je geen kwaad meer doen, omdat mijn leven vandaag kostbaar was in je ogen. Zie, ik heb dwaas gehandeld en ik heb zeer veel gedwaald.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | שָׁא֨וּל (shaul) = Saul | חָטָ֜אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | שׁ֣וּב (shuv) = keer terug | בְּנִֽי (beni) = mijn zoon | דָוִ֗ד (david) = David | כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | אָרַ֤ע (ara) = ik zal kwaad doen | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | ע֔וֹד (od) = meer | תַּ֠חַת (tachat) = in plaats van | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָקְרָ֥ה (yaqera) = was kostbaar | נַפְשִׁ֛י (nafshi) = mijn ziel | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in je ogen | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הִסְכַּ֛לְתִּי (hiskalti) = ik heb dwaas gehandeld | וָאֶשְׁגֶּ֖ה (vaeshge) = en ik heb gedwaald | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = veel | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָטָאתִי (chata'ti), ‘ik heb gezondigd’: Saul zegt dit ook in 1 Sam. 15:24 en 15:30. Zie ook: Ex 9:27; 1 Sam 15:24; 1 Sam 15:30; 1 Sam 24:18; Mat 27:4 **26:22** David antwoordde: „Zie, hier is de speer van de koning. Laat een van de jongens komen en haar halen. Brontekst: וַיַּ֤עַן (vayaan) = en antwoordde | דָּוִד֙ (david) = David | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | חֲנִ֣ית (chanit) = speer van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְיַעֲבֹ֛ר (veyaavor) = en laat oversteken | אֶחָ֥ד (echad) = één | מֵֽהַנְּעָרִ֖ים (mehanearim) = van de jongens | וְיִקָּחֶֽהָ (veyiqacheha) = en laat haar halen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:23** Yahweh vergeldt ieder zijn gerechtigheid en zijn betrouwbaarheid. Want Yahweh gaf u vandaag in mijn hand, maar ik wilde mijn hand niet uitsteken tegen de gezalfde van Yahweh. Brontekst: וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | יָשִׁ֣יב (yashiv) = zal teruggeven | לָאִ֔ישׁ (laish) = aan een man | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקָת֖וֹ (tsidqato) = zijn gerechtigheid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֱמֻנָת֑וֹ (emunato) = zijn betrouwbaarheid | אֲשֶׁר֩ (asher) = omdat | נְתָנְךָ֨ (netanekha) = heeft u gegeven | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | בְּיָ֔ד (beyad) = in de hand | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָבִ֔יתִי (aviti) = ik wilde | לִשְׁלֹ֥חַ (lishloach) = om uit te steken | יָדִ֖י (yadi) = mijn hand | בִּמְשִׁ֥יחַ (bimshiach) = tegen de gezalfde van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: wie rechtvaardig en betrouwbaar is, krijgt dat van Yahweh terug. Zie ook: 1 Sam 24:7–8; 1 Sam 26:11; Ps 7:9–10; Ps 18:21–27; Ps 62:13 **26:24** Zie, zoals uw leven vandaag groot was in mijn ogen, zo zal mijn leven groot zijn in de ogen van Yahweh. Hij zal mij redden uit alle nood.” Brontekst: וְהִנֵּ֗ה (vehine) = en zie | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | גָּדְלָ֧ה (gadela) = was groot | נַפְשְׁךָ֛ (nafshekha) = uw ziel | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | בְּעֵינָ֑י (beeinay) = in mijn ogen | כֵּ֣ן (ken) = zo | תִּגְדַּ֤ל (tigdal) = zal groot zijn | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn ziel | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיַצִּלֵ֖נִי (veyatsileni) = en Hij zal mij redden | מִכָּל (mikal) = uit alle | צָרָֽה (tsara) = nood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:49; Ps 34:18–19; Ps 54:9; Mat 5:7; 2 Kor 1:9–10 **26:25** Saul zei tegen David: „Gezegend ben jij, mijn zoon David. Je zult zeker handelen en je zult zeker overwinnen.” David ging zijn weg en Saul keerde terug naar zijn plaats. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | אֶל (el) = tot | דָּוִ֗ד (david) = David | בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend | אַתָּה֙ (ata) = jij | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | דָוִ֔ד (david) = David | גַּ֚ם (gam) = ook | עָשֹׂ֣ה (aso) = doen | תַעֲשֶׂ֔ה (taase) = je zult doen | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | יָכֹ֣ל (yakhol) = overwinnen | תּוּכָ֑ל (tukhal) = je zult overwinnen | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | דָּוִד֙ (david) = David | לְדַרְכּ֔וֹ (ledarko) = zijn weg | וְשָׁא֖וּל (veshaul) = en Saul | שָׁ֥ב (shav) = keerde terug | לִמְקוֹמֽוֹ (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt tweemaal de dubbele vorm ‘doende zul je doen’ en ‘overwinnende zul je overwinnen’. Dat is een sterke zekerheid. Wij vertalen ‘zeker’. Zie ook: Num 24:9–10; 1 Sam 24:20; Spr 26:25; Jes 54:17; Rom 8:37 ## 1 Samuël 27 _David bij de Filistijnen in Siklag_ ### David vlucht naar Gat **27:1** David zei in zijn hart: „Eens zal ik door de hand van Saul omkomen. Er is niets beters voor mij dan dat ik mij in veiligheid breng in het land van de Filistijnen. Dan geeft Saul het op mij nog langer te zoeken in heel het gebied van Israël. Zo ontkom ik aan zijn hand.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = tot | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | עַתָּ֛ה (ata) = nu | אֶסָּפֶ֥ה (esafe) = zal ik omkomen | יוֹם (yom) = dag | אֶחָ֖ד (echad) = één | בְּיַד (beyad) = door de hand van | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | אֵֽין (ein) = niet is | לִ֨י (li) = voor mij | ט֜וֹב (tov) = goed | כִּ֣י (ki) = dan | הִמָּלֵ֥ט (himalet) = ontkomen | אִמָּלֵ֣ט (imalet) = ik zal ontkomen | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | פְּלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְנוֹאַ֨שׁ (venoash) = en zal opgeven | מִמֶּ֤נִּי (mimeni) = van mij | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | לְבַקְשֵׁ֤נִי (levaqsheni) = om mij te zoeken | עוֹד֙ (od) = meer | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּב֣וּל (gevul) = gebied van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְנִמְלַטְתִּ֖י (venimlatti) = en ik zal ontkomen | מִיָּדֽוֹ (miyado) = uit zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: David was eerder al in Gat, bij dezelfde koning, en moest toen doen alsof hij gek was (1 Sam. 21:11–16). Nu vlucht hij opnieuw naar de Filistijnen. Zie ook: 1 Sam 21:11–16; 1 Sam 23:17; 1 Sam 27:10–11; Jes 30:15–16; Jes 40:27–31; Jes 51:12 **27:2** David stond op en trok over, hij en de 600 man die bij hem waren, naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gat. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | דָּוִ֔ד (david) = David | וַיַּעֲבֹ֣ר (vayaavor) = en stak over | ה֔וּא (hu) = hij | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אִ֖ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עִמּ֑וֹ (imo) = bij hem | אֶל (el) = naar | אָכִ֥ישׁ (akhish) = Achis | בֶּן (ben) = zoon van | מָע֖וֹךְ (maokh) = Maoch | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | גַּֽת (gat) = Gat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat is een van de vijf steden van de Filistijnen, waarschijnlijk Tell es-Safi, in het laagland ten westen van Juda (Israël). Voetnoot Uitleg: David had al 600 man bij zich in 1 Sam. 23:13. Zie ook: 1 Sam 21:11; 1 Sam 23:13; 1 Sam 25:13; 1 Sam 30:8; 1 Kon 2:39–40 **27:3** David bleef bij Achis in Gat, hij en zijn mannen, ieder met zijn huisgezin. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vrouw van Nabal uit Karmel. Brontekst: וַיֵּשֶׁב֩ (vayeshev) = en bleef | דָּוִ֨ד (david) = David | עִם (im) = bij | אָכִ֥ישׁ (akhish) = Achis | בְּגַ֛ת (begat) = in Gat | ה֥וּא (hu) = hij | וַאֲנָשָׁ֖יו (vaanashav) = en zijn mannen | אִ֣ישׁ (ish) = man | וּבֵית֑וֹ (uveito) = en zijn huis | דָּוִד֙ (david) = David | וּשְׁתֵּ֣י (ushtei) = en twee | נָשָׁ֔יו (nashav) = zijn vrouwen | אֲחִינֹ֨עַם֙ (achinoam) = Achinoam | הַיִּזְרְעֵאלִ֔ית (hayizreelit) = de Jizreëlitische | וַאֲבִיגַ֥יִל (vaavigayil) = en Abigaïl | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | נָבָ֖ל (naval) = Nabal | הַֽכַּרְמְלִֽית (hakarmelit) = de Karmelitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Zie Jizreël (in Juda, ligging onzeker): Dit Jizreël was een stad in het bergland van Juda, bij Zif en Juta; Khirbet Terrama is voorgesteld. Het is niet de vallei van Jizreël in het noorden. De precieze plaats is niet zeker. Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron. Voetnoot Uitleg: Over Achinoam en Abigaïl zie 1 Sam. 25:42–43. Zie ook: 1 Sam 25:3; 1 Sam 25:18–35; 1 Sam 25:42–43; 1 Sam 30:3; 1 Sam 30:5 **27:4** Er werd aan Saul verteld dat David naar Gat gevlucht was. Toen zocht hij hem niet meer. Brontekst: וַיֻּגַּ֣ד (vayugad) = en werd verteld | לְשָׁא֔וּל (leshaul) = aan Saul | כִּֽי (ki) = dat | בָרַ֥ח (barach) = was gevlucht | דָּוִ֖ד (david) = David | גַּ֑ת (gat) = naar Gat | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָסַ֥ף (yasaf) = hij voegde toe | ע֖וֹד (od) = meer | לְבַקְשֽׁוֹ (levaqsho) = om hem te zoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Zie ook: 1 Sam 26:21 ### Achis geeft David Siklag **27:5** David zei tegen Achis: „Als ik gunst heb gevonden in uw ogen, geef mij dan een plaats in een van de steden op het land. Dan kan ik daar wonen. Waarom zou uw dienaar met u in de koningsstad wonen?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֜ד (david) = David | אֶל (el) = tot | אָכִ֗ישׁ (akhish) = Achis | אִם (im) = als | נָא֩ (na) = toch | מָצָ֨אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֤ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֨יךָ֙ (beeineikha) = in uw ogen | יִתְּנוּ (yitenu) = laat hen geven | לִ֣י (li) = aan mij | מָק֗וֹם (maqom) = plaats | בְּאַחַ֛ת (beachat) = in een van | עָרֵ֥י (arei) = steden van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | וְאֵ֣שְׁבָה (veesheva) = en ik zal wonen | שָּׁ֑ם (sham) = daar | וְלָ֨מָּה (velama) = en waarom | יֵשֵׁ֧ב (yeshev) = zou wonen | עַבְדְּךָ֛ (avdekha) = uw dienaar | בְּעִ֥יר (beir) = in de stad van | הַמַּמְלָכָ֖ה (hamamlakha) = het koningschap | עִמָּֽךְ (imakh) = bij u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:34; 2 Kor 6:17 **27:6** Achis gaf hem die dag Siklag. Daarom behoort Siklag tot op deze dag aan de koningen van Juda. Brontekst: וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | ל֥וֹ (lo) = aan hem | אָכִ֛ישׁ (akhish) = Achis | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | אֶת (et) = (obj.) | צִֽקְלָ֑ג (tsiqlag) = Siklag | לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | הָיְתָ֤ה (hayeta) = was | צִֽקְלַג֙ (tsiqlag) = Siklag | לְמַלְכֵ֣י (lemalkhei) = voor de koningen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Siklag is onzeker, in het zuiden van Juda (Joz. 15:31). Voorgesteld worden Tell esh-Shari'a en Tell el-Chuweilifeh (Israël). Voetnoot Uitleg: ‘Tot op deze dag aan de koningen van Juda’ is een opmerking van de schrijver. Hij schrijft in een tijd dat Juda al koningen had. Zie ook: Joz 15:31; 1 Sam 19:5; 1 Kron 4:30; 1 Kron 12:1; Neh 11:28 **27:7** De tijd dat David in het gebied van de Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִסְפַּ֣ר (mispar) = getal van | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁר (asher) = die | יָשַׁ֥ב (yashav) = woonde | דָּוִ֖ד (david) = David | בִּשְׂדֵ֣ה (bisde) = in het veld van | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וְאַרְבָּעָ֥ה (vearbaa) = en vier | חֳדָשִֽׁים (chodashim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘dagen en vier maanden’. Het woord ‘dagen’ (יָמִים, yamim) kan ‘een jaar’ betekenen. Wij vertalen ‘een jaar en vier maanden’. Zie ook: 1 Sam 29:3 ### David overvalt de volken in het zuiden **27:8** David trok met zijn mannen omhoog en overviel de Gesurieten, de Gizrieten en de Amalekieten. Want zij woonden van oudsher in het land, in de richting van Sur tot aan het land Egypte. Brontekst: וַיַּ֤עַל (vayaal) = en trok omhoog | דָּוִד֙ (david) = David | וַֽאֲנָשָׁ֔יו (vaanashav) = en zijn mannen | וַֽיִּפְשְׁט֛וּ (vayifshetu) = en zij overvielen | אֶל (el) = op | הַגְּשׁוּרִ֥י (hageshuri) = de Gesuriet | וְהַגִּזְרִ֖י (vehagizri) = en de Gizriet | וְהָעֲמָלֵקִ֑י (vehaamaleqi) = en de Amalekiet | כִּ֣י (ki) = want | הֵ֜נָּה (hena) = zie | יֹשְׁב֤וֹת (yoshevot) = inwoners van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | מֵֽעוֹלָ֔ם (meolam) = van oudsher | בּוֹאֲךָ֥ (boakha) = in de richting van | שׁ֖וּרָה (shura) = Sur | וְעַד (vead) = en tot | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Gesurieten zijn hier een volk in het zuiden, bij de Filistijnen (Joz. 13:2). Het is niet het Gesur in het noordoosten. Sur ligt in het noordwesten van de Sinaï, bij Egypte (Gen. 16:7; Exod. 15:22). Zie Gesuriërs in het zuiden (ligging onzeker): Dit zijn de Gesurieten in het zuiden, bij de Filistijnen en in de richting van Sur (Jozua 13:2; 1 Samuël 27:8). Het is niet het koninkrijk Gesur in het noorden. De ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De Amalekieten zijn het volk dat Saul met de ban had moeten slaan (1 Sam. 15:3). Zie ook Exod. 17:8–16 en Deut. 25:17–19. Voetnoot Lezing: Er staat een geschreven vorm הַגִּרְזִי (hagirzi), ‘de Girziet’. De leesvorm is הַגִּזְרִי (hagizri), ‘de Gizriet’. Wij volgen de leesvorm. Zie ook: Gen 16:7; Ex 15:22; Ex 17:8–16; Deut 25:17–19; Joz 13:2; Joz 13:13; Joz 16:10; Re 1:29; 1 Sam 15:3; 1 Sam 15:7–8 **27:9** David sloeg het land. Hij liet geen man of vrouw in leven. Hij nam schapen, runderen, ezels, kamelen en kleren mee. Daarna keerde hij terug en kwam bij Achis. Brontekst: וְהִכָּ֤ה (vehika) = en sloeg | דָוִד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְחַיֶּ֖ה (yechaye) = liet leven | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאִשָּׁ֑ה (veisha) = en vrouw | וְלָקַח֩ (velaqach) = en nam | צֹ֨אן (tson) = schapen | וּבָקָ֜ר (uvaqar) = en runderen | וַחֲמֹרִ֤ים (vachamorim) = en ezels | וּגְמַלִּים֙ (ugemalim) = en kamelen | וּבְגָדִ֔ים (uvegadim) = en kleren | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = naar | אָכִֽישׁ (akhish) = Achis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David liet niemand in leven. Dat lijkt op de ban in 1 Sam. 15:3. Het woord ‘ban’ (חֵרֶם, cherem) staat hier niet. De tekst zegt als reden alleen wat in vers 11 staat. Zie ook: Gen 16:7; Deut 25:17–19; Joz 6:21; 1 Sam 15:3; 1 Sam 15:7; 1 Sam 27:11 **27:10** Achis zei: „Waarheen hebben jullie vandaag een inval gedaan?” David zei: „Tegen de Negev van Juda, tegen de Negev van de Jerachmeëlieten en tegen de Negev van de Kenieten.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אָכִ֔ישׁ (akhish) = Achis | אַל (al) = waarheen | פְּשַׁטְתֶּ֖ם (peshattem) = jullie hebben een inval gedaan | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֗ד (david) = David | עַל (al) = tegen | נֶ֤גֶב (negev) = Negev van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְעַל (veal) = en tegen | נֶ֣גֶב (negev) = Negev van | הַיַּרְחְמְאֵלִ֔י (hayarchemeeli) = de Jerachmeëliet | וְאֶל (veel) = en tegen | נֶ֖גֶב (negev) = Negev van | הַקֵּינִֽי (haqeini) = de Keniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: David zegt niet de waarheid. Hij overviel de volken van vers 8, maar zegt dat hij Juda, de Jerachmeëlieten en de Kenieten aanviel. Zo denkt Achis dat David bij zijn eigen volk gehaat is (vers 12). Voetnoot : נֶגֶב (negev), ‘zuidland’: het droge gebied in het zuiden van Juda. Voetnoot : De Jerachmeëlieten zijn een familie van Juda (1 Kron. 2:9). De Kenieten wonen bij Juda in de Negev (Richt. 1:16). Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat alleen אַל (al), ‘naar’ of ‘tegen’, zonder vraagwoord. Wij begrijpen dit als de vraag ‘waarheen’. Davids antwoord begint met ‘tegen’ (עַל, al). Zie ook: Re 1:16; Re 4:11; 1 Sam 27:8; 1 Sam 27:12; 1 Kron 2:9; 1 Kron 2:25; Gal 2:11–13 **27:11** David liet geen man of vrouw in leven om naar Gat te brengen. Hij zei: „Anders vertellen zij over ons: ‘Zo heeft David gedaan.’” Dat was zijn manier van doen, al de dagen dat hij in het gebied van de Filistijnen woonde. Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en man | וְאִשָּׁ֜ה (veisha) = en vrouw | לֹֽא (lo) = niet | יְחַיֶּ֣ה (yechaye) = liet leven | דָוִ֗ד (david) = David | לְהָבִ֥יא (lehavi) = om te brengen | גַת֙ (gat) = naar Gat | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | פֶּן (pen) = opdat niet | יַגִּ֥דוּ (yagidu) = zij vertellen | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = over ons | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּֽה (ko) = zo | עָשָׂ֤ה (asa) = deed | דָוִד֙ (david) = David | וְכֹ֣ה (vekho) = en zo | מִשְׁפָּט֔וֹ (mishpato) = zijn manier van doen | כָּל (kal) = alle | הַ֨יָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָשַׁ֖ב (yashav) = hij woonde | בִּשְׂדֵ֥ה (bisde) = in het veld van | פְלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), ‘manier van doen’: dit woord betekent meestal ‘recht’. Hier betekent het de gewoonte van David. Wij vertalen ‘manier van doen’. Zie ook: 1 Sam 22:22; Spr 12:19; Spr 29:25 **27:12** Achis geloofde David. Hij zei: „Hij heeft zich zeer gehaat gemaakt bij zijn volk, bij Israël. Daarom zal hij voor altijd mijn dienaar zijn.” Brontekst: וַיַּאֲמֵ֥ן (vayaamen) = en geloofde | אָכִ֖ישׁ (akhish) = Achis | בְּדָוִ֣ד (bedavid) = in David | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הַבְאֵ֤שׁ (havesh) = hij heeft laten stinken | הִבְאִישׁ֙ (hivish) = hij heeft laten stinken | בְּעַמּ֣וֹ (beamo) = bij zijn volk | בְיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = bij Israël | וְהָ֥יָה (vehaya) = en hij zal zijn | לִ֖י (li) = voor mij | לְעֶ֥בֶד (leeved) = tot dienaar | עוֹלָֽם (olam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִבְאִישׁ (hivish), ‘laten stinken’: iemand gehaat maken. Het Hebreeuws zegt: ‘hij heeft zich laten stinken bij zijn volk’. Zie ook: Gen 34:30; 1 Sam 13:4 ## 1 Samuël 28 _Saul en de vrouw van En-Dor_ ### De Filistijnen trekken op tegen Israël **28:1** In die dagen verzamelden de Filistijnen hun legerkampen voor de veldtocht, om tegen Israël te strijden. Achis zei tegen David: „Weet goed dat je met mij zult uittrekken in het kamp, jij en je mannen.” Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | וַיִּקְבְּצ֨וּ (vayiqbetsu) = en verzamelden | פְלִשְׁתִּ֤ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | מַֽחֲנֵיהֶם֙ (machaneihem) = hun legerkampen | לַצָּבָ֔א (latsava) = tot veldtocht | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אָכִישׁ֙ (akhish) = Achis | אֶל (el) = tot | דָּוִ֔ד (david) = David | יָדֹ֣עַ (yadoa) = weten | תֵּדַ֗ע (teda) = je zult weten | כִּ֤י (ki) = dat | אִתִּי֙ (iti) = met mij | תֵּצֵ֣א (tetse) = je zult uittrekken | בַֽמַּחֲנֶ֔ה (bamachane) = in het kamp | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וַאֲנָשֶֽׁיךָ (vaanasheikha) = en je mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: De verzameling van de Filistijnen in vers 1 is dezelfde als in 1 Sam. 29:1. In hoofdstuk 29 vertelt de tekst verder wat er met David gebeurt. Zie ook: 1 Sam 7:7; 1 Sam 13:5; 1 Sam 17:1; 1 Sam 27:12; 1 Sam 29:1–3 **28:2** David zei tegen Achis: „Daarom zult u zelf weten wat uw dienaar zal doen.” Achis zei tegen David: „Daarom maak ik je tot mijn lijfwacht, voor altijd.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = tot | אָכִ֔ישׁ (akhish) = Achis | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | אַתָּ֣ה (ata) = u | תֵדַ֔ע (teda) = zult weten | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = zal doen | עַבְדֶּ֑ךָ (avdekha) = uw dienaar | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אָכִישׁ֙ (akhish) = Achis | אֶל (el) = tot | דָּוִ֔ד (david) = David | לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | שֹׁמֵ֧ר (shomer) = bewaker van | לְרֹאשִׁ֛י (leroshi) = mijn hoofd | אֲשִֽׂימְךָ֖ (asimekha) = ik zal je maken | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁמֵר לְרֹאשִׁי (shomer lerosji), ‘bewaker van mijn hoofd’: een lijfwacht, iemand die het leven van de koning beschermt. Voetnoot Lezing: Davids antwoord ‘dan zult u zelf weten wat uw dienaar zal doen’ laat open of hij met Achis zal meetrekken. Achis hoort er een toezegging in. Zie ook: 1 Sam 27:10; 2 Sam 16:16–19; Rom 12:9 ### Saul zoekt een vrouw met een dodengeest **28:3** Samuël was gestorven. Heel Israël had om hem gerouwd en hem begraven in Rama, in zijn eigen stad. Saul had de dodengeesten en de waarzeggers uit het land verwijderd. Brontekst: וּשְׁמוּאֵ֣ל (ushemuel) = en Samuël | מֵ֔ת (met) = was gestorven | וַיִּסְפְּדוּ (vayispedu) = en zij rouwden | לוֹ֙ (lo) = om hem | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּקְבְּרֻ֥הוּ (vayiqberuhu) = en zij begroeven hem | בָרָמָ֖ה (barama) = in Rama | וּבְעִיר֑וֹ (uveiro) = en in zijn stad | וְשָׁא֗וּל (veshaul) = en Saul | הֵסִ֛יר (hesir) = had verwijderd | הָאֹב֥וֹת (haovot) = de dodengeesten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיִּדְּעֹנִ֖ים (hayideonim) = de waarzeggers | מֵהָאָֽרֶץ (mehaarets) = uit het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama is waarschijnlijk Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël; de ligging is onzeker (zie 1 Sam. 25:1). Voetnoot Uitleg: אֹבוֹת (ovot), ‘dodengeesten’, en יִדְּעֹנִים (yidde'onim), ‘waarzeggers’: wij vertalen zoals in Lev. 19:31, Lev. 20:27 en Deut. 18:11. Saul had dus gedaan wat de wet gebiedt. Voetnoot : De dood van Samuël is al verteld in 1 Sam. 25:1. Zie ook: Ex 22:17; Lev 19:31; Lev 20:27; Deut 18:10–11; Deut 18:11; 1 Sam 25:1 **28:4** De Filistijnen verzamelden zich, kwamen en legerden zich bij Sunem. Saul verzamelde heel Israël en zij legerden zich op de Gilboa. Brontekst: וַיִּקָּבְצ֣וּ (vayiqavetsu) = en zij verzamelden zich | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | וַיַּחֲנ֣וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְשׁוּנֵ֑ם (beshunem) = in Sunem | וַיִּקְבֹּ֤ץ (vayiqbots) = en verzamelde | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בַּגִּלְבֹּֽעַ (bagilboa) = op de Gilboa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sunem ligt in de vallei van Jizreël, aan de zuidkant van de heuvel More, bij het huidige Solem (Israël). De Gilboa is het bergland aan de zuidkant van de vallei, ten zuidoosten van Sunem. Zie ook Joz. 19:18. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Joz 19:18; 1 Sam 31:1; 2 Sam 1:6; 2 Sam 21:12; 2 Kon 4:8 **28:5** Saul zag het kamp van de Filistijnen. Hij werd bang en zijn hart beefde zeer. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֣ה (machane) = kamp van | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיִּרָ֕א (vayira) = en hij vreesde | וַיֶּחֱרַ֥ד (vayecherad) = en beefde | לִבּ֖וֹ (libo) = zijn hart | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Job 18:11; Jes 7:2; Jes 21:3–4; Jes 57:20–21; Dan 5:6 **28:6** Saul vroeg raad aan Yahweh, maar Yahweh antwoordde hem niet: niet door dromen, niet door de Urim, niet door de profeten. Brontekst: וַיִּשְׁאַ֤ל (vayishal) = en vroeg | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = aan Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָנָ֖הוּ (anahu) = antwoordde hem | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גַּ֧ם (gam) = zowel | בַּחֲלֹמ֛וֹת (bachalomot) = door dromen | גַּ֥ם (gam) = zowel | בָּאוּרִ֖ים (baurim) = door de Urim | גַּ֥ם (gam) = zowel | בַּנְּבִיאִֽם (baneviim) = door de profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּרִים (urim), ‘de Urim’: de Urim en Tummim waren het middel van de hogepriester om Yahweh iets te vragen. Zie Exod. 28:30 en Num. 27:21. De tekst noemt drie wegen waarlangs Yahweh kon antwoorden: dromen, de Urim en de profeten. Zie ook: Ex 28:30; Num 12:6; Num 27:21; 1 Sam 14:37; Klaagl 2:9; Ezech 20:1–3 **28:7** Saul zei tegen zijn dienaren: „Zoek voor mij een vrouw die een dodengeest bezit. Dan ga ik naar haar toe en raadpleeg haar.” Zijn dienaren zeiden tegen hem: „Zie, in En-Dor is een vrouw die een dodengeest bezit.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | לַעֲבָדָ֗יו (laavadav) = tot zijn dienaren | בַּקְּשׁוּ (baqeshu) = zoek | לִי֙ (li) = voor mij | אֵ֣שֶׁת (eshet) = een vrouw | בַּעֲלַת (baalat) = bezitster van | א֔וֹב (ov) = dodengeest | וְאֵלְכָ֥ה (veelekha) = en ik zal gaan | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = naar haar | וְאֶדְרְשָׁה (veedresha) = en ik zal raadplegen | בָּ֑הּ (bah) = door haar | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אֵ֥שֶׁת (eshet) = een vrouw | בַּֽעֲלַת (baalat) = bezitster van | א֖וֹב (ov) = dodengeest | בְּעֵ֥ין (beein) = in En | דּֽוֹר (dor) = Dor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: En-Dor ligt in het noorden van de vallei van Jizreël, aan de voet van de heuvel More, bij het huidige dorp Endor (Israël). Zie ook Joz. 17:11. Voetnoot Uitleg: בַּעֲלַת־אוֹב (ba'alat ov), ‘bezitster van een dodengeest’: een vrouw die contact met de doden kan leggen. Zie Lev. 20:27 en Deut. 18:11. Zie ook: Lev 20:27; Deut 18:11; Joz 17:11; 1 Kron 10:13; Ps 83:11; Hab 2:3; Hand 16:16 ### Saul gaat 's nachts naar En-Dor **28:8** Saul vermomde zich en trok andere kleren aan. Hij ging, hij en twee mannen met hem, en zij kwamen 's nachts bij de vrouw. Hij zei: „Voorspel mij toch door de dodengeest en laat voor mij opkomen wie ik je noem.” Brontekst: וַיִּתְחַפֵּ֣שׂ (vayitchapes) = en vermomde zich | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וַיִּלְבַּשׁ֙ (vayilbash) = en trok aan | בְּגָדִ֣ים (begadim) = kleren | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | ה֗וּא (hu) = hij | וּשְׁנֵ֤י (ushenei) = en twee | אֲנָשִׁים֙ (anashim) = mannen | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | לָ֑יְלָה (layela) = 's nachts | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | קָֽסֳמִי (qasomi) = voorspel | נָ֥א (na) = toch | לִי֙ (li) = voor mij | בָּא֔וֹב (baov) = door de dodengeest | וְהַ֣עֲלִי (vehaali) = en laat opkomen | לִ֔י (li) = voor mij | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | אֹמַ֖ר (omar) = ik zal zeggen | אֵלָֽיִךְ (elayikh) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָסַם (qasam), ‘voorspellen’: zie Deut. 18:10, waar de ‘voorspeller van voorspellingen’ wordt verboden. Saul vraagt dus wat hij zelf uit het land had verwijderd (vers 3 en 9). Zie ook: Deut 18:10; 1 Sam 28:3; 1 Sam 28:9; 1 Kron 10:13; 1 Kon 22:30; 2 Kron 18:29; 2 Kron 35:22; Jes 8:19 **28:9** De vrouw zei tegen hem: „Zie, u weet toch wat Saul heeft gedaan. Hij heeft de dodengeesten en de waarzegger uit het land uitgeroeid. Waarom zet u dan een strik voor mijn leven, om mij te doden?” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en zei | הָֽאִשָּׁ֜ה (haisha) = de vrouw | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אַתָּ֤ה (ata) = u | יָדַ֨עְתָּ֙ (yadata) = u weet | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֣ה (asa) = deed | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הִכְרִ֛ית (hikhrit) = hij heeft uitgeroeid | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹב֥וֹת (haovot) = de dodengeesten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיִּדְּעֹנִ֖י (hayideoni) = de waarzegger | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְלָמָ֥ה (velama) = en waarom | אַתָּ֛ה (ata) = u | מִתְנַקֵּ֥שׁ (mitnaqesh) = zet een strik | בְּנַפְשִׁ֖י (benafshi) = voor mijn ziel | לַהֲמִיתֵֽנִי (lahamiteni) = om mij te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 28:3; 2 Sam 18:13; 2 Kon 5:7 **28:10** Saul zwoer haar bij Yahweh: „Zo waar Yahweh leeft, geen schuld zal je hierom treffen.” Brontekst: וַיִּשָּׁ֤בַֽע (vayishava) = en zwoer | לָהּ֙ (lah) = haar | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | בַּֽיהוָ֖ה (baYahweh) = bij Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | חַי (chay) = leeft | יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | אִֽם (im) = als | יִקְּרֵ֥ךְ (yiqerekh) = zal treffen jou | עָוֺ֖ן (avon) = schuld | בַּדָּבָ֥ר (badavar) = in de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed. Saul zweert bij Yahweh, terwijl hij een dodengeest wil raadplegen. Zie ook: 1 Sam 14:39; 1 Sam 19:6; 2 Sam 14:11; Mat 26:72; Mar 6:23 **28:11** De vrouw zei: „Wie moet ik voor u laten opkomen?” Hij zei: „Laat Samuël voor mij opkomen.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zei | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | אֶת (et) = (obj.) | מִ֖י (mi) = wie | אַֽעֲלֶה (aale) = ik zal laten opkomen | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jou | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Samuël | הַֽעֲלִי (haali) = laat opkomen | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De vrouw ziet Samuël **28:12** De vrouw zag Samuël en schreeuwde luid. De vrouw zei tegen Saul: „Waarom hebt u mij bedrogen? U bent Saul!” Brontekst: וַתֵּ֤רֶא (vatere) = en zag | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וַתִּזְעַ֖ק (vatizaq) = en schreeuwde | בְּק֣וֹל (beqol) = met stem | גָּד֑וֹל (gadol) = luid | וַתֹּאמֶר֩ (vatomer) = en zei | הָאִשָּׁ֨ה (haisha) = de vrouw | אֶל (el) = tot | שָׁא֧וּל (shaul) = Saul | לֵאמֹ֛ר (lemor) = zeggende | לָ֥מָּה (lama) = waarom | רִמִּיתָ֖נִי (rimitani) = hebt u mij bedrogen | וְאַתָּ֥ה (veata) = en u | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet hoe de vrouw Saul herkent. Zij roept het uit nadat zij Samuël heeft gezien. Zie ook: 1 Sam 28:3; 1 Kon 14:5 **28:13** De koning zei tegen haar: „Wees niet bang. Wat heb je gezien?” De vrouw zei tegen Saul: „Ik zie een elohim uit de aarde opkomen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | לָ֥הּ (lah) = haar | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַל (al) = niet | תִּֽירְאִ֖י (tirei) = wees bang | כִּ֣י (ki) = want | מָ֣ה (ma) = wat | רָאִ֑ית (rait) = heb je gezien | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | אֶל (el) = tot | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = elohim | רָאִ֖יתִי (raiti) = ik heb gezien | עֹלִ֥ים (olim) = opkomend | מִן (min) = uit | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (elohim), ‘een elohim’: dit is niet de Naam Elohim, maar een woord voor een wezen uit de onzichtbare wereld. Het bijbehorende werkwoord עֹלִים (olim) staat in het meervoud, ‘opkomend’. In vers 14 beschrijft de vrouw één gedaante. Zie ook: Ex 4:16; Ex 22:27; 1 Sam 28:14; Ps 82:6–7; Joh 10:34–35 **28:14** Hij zei tegen haar: „Hoe ziet hij eruit?” Zij zei: „Een oude man komt op. Hij is gehuld in een mantel.” Saul begreep dat het Samuël was. Hij boog met zijn gezicht naar de grond en wierp zich neer. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהּ֙ (lah) = haar | מַֽה (ma) = wat | תָּאֳר֔וֹ (taoro) = zijn gestalte | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zei | אִ֤ישׁ (ish) = man | זָקֵן֙ (zaqen) = oud | עֹלֶ֔ה (ole) = komt op | וְה֥וּא (vehu) = en hij | עֹטֶ֖ה (ote) = gehuld | מְעִ֑יל (meil) = mantel | וַיֵּ֤דַע (vayeda) = en wist | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | כִּֽי (ki) = dat | שְׁמוּאֵ֣ל (shemuel) = Samuël | ה֔וּא (hu) = hij | וַיִּקֹּ֥ד (vayiqod) = en boog zich | אַפַּ֛יִם (apayim) = gezicht | אַ֖רְצָה (artsa) = naar de grond | וַיִּשְׁתָּֽחוּ (vayishtachu) = en wierp zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעִיל (me'il), ‘mantel’: Samuël droeg zo’n mantel al als jongen (1 Sam. 2:19) en Saul greep hem vast in 1 Sam. 15:27. Zie ook: 1 Sam 2:19; 1 Sam 15:27; 1 Sam 24:9; 2 Kon 2:8; 2 Kon 2:13–14 ### Samuël spreekt tot Saul **28:15** Samuël zei tegen Saul: „Waarom heb je mij onrustig gemaakt door mij te laten opkomen?” Saul zei: „Ik ben in grote nood. De Filistijnen strijden tegen mij en Elohim is van mij weggegaan. Hij antwoordt mij niet meer, niet door de profeten en niet door dromen. Daarom heb ik jou geroepen, zodat jij mij bekend maakt wat ik moet doen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵל֙ (shemuel) = Samuël | אֶל (el) = tot | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | לָ֥מָּה (lama) = waarom | הִרְגַּזְתַּ֖נִי (hirgaztani) = heb je mij onrustig gemaakt | לְהַעֲל֣וֹת (lehaalot) = om te laten opkomen | אֹתִ֑י (oti) = mij | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שָׁ֠אוּל (shaul) = Saul | צַר (tsar) = benauwd | לִ֨י (li) = voor mij | מְאֹ֜ד (meod) = zeer | וּפְלִשְׁתִּ֣ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | נִלְחָמִ֣ים (nilchamim) = strijden | בִּ֗י (bi) = tegen mij | וֵֽאלֹהִ֞ים (vElohim) = en Elohim | סָ֤ר (sar) = is geweken | מֵֽעָלַי֙ (mealay) = van mij | וְלֹֽא (velo) = en niet | עָנָ֣נִי (anani) = antwoordt mij | ע֗וֹד (od) = meer | גַּ֤ם (gam) = zowel | בְּיַֽד (beyad) = door de hand van | הַנְּבִיאִם֙ (haneviim) = de profeten | גַּם (gam) = zowel | בַּ֣חֲלֹמ֔וֹת (bachalomot) = door dromen | וָאֶקְרָאֶ֣ה (vaeqrae) = en ik riep | לְךָ֔ (lekha) = jou | לְהוֹדִיעֵ֖נִי (lehodieni) = om mij bekend te maken | מָ֥ה (ma) = wat | אֶעֱשֶֽׂה (eese) = ik moet doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot en met vers 19 spreekt de verschijning die de tekst ‘Samuël’ noemt (vers 14 en 15). Deze woorden zijn niet van Yahweh zelf en staan daarom niet in rood. Wat Saul en de vrouw precies zagen, zegt de tekst niet. Voetnoot : רָגַז (ragaz), ‘onrustig maken’: iemand uit zijn rust halen, zodat hij beeft of zich opwindt. Voetnoot : Saul noemt hier dromen en profeten, de Urim noemt hij niet. Zie vers 6. Zie ook: 1 Sam 16:13–14; 1 Sam 18:12; 1 Sam 28:6; 1 Sam 28:14; 1 Sam 28:19; Jer 2:17–18; Luc 16:23–26 **28:16** Samuël zei: „Waarom vraag je het mij dan? Yahweh is van je weggegaan en is je tegenstander geworden. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמוּאֵ֔ל (shemuel) = Samuël | וְלָ֖מָּה (velama) = en waarom | תִּשְׁאָלֵ֑נִי (tishaleni) = vraag je mij | וַיהוָ֛ה (vaYahweh) = en Yahweh | סָ֥ר (sar) = is geweken | מֵעָלֶ֖יךָ (mealeikha) = van je | וַיְהִ֥י (vayhi) = en is geworden | עָרֶֽךָ (arekha) = je tegenstander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: עָרֶךָ (arecha), ‘je tegenstander’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker. Wij vertalen ‘je tegenstander’, zoals de zin het vraagt. Zie ook: Ps 68:2–4; 2 Kon 6:27; Klaagl 2:5; Openb 18:20; Openb 18:24–19:6 **28:17** Yahweh heeft voor Zich gedaan wat Hij door mij heeft gesproken. Yahweh heeft het koningschap uit jouw hand gescheurd en het gegeven aan je naaste, aan David. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ל֔וֹ (lo) = voor Zich | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij heeft gesproken | בְּיָדִ֑י (beyadi) = door mijn hand | וַיִּקְרַ֨ע (vayiqra) = en scheurde | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּמְלָכָה֙ (hamamlakha) = het koningschap | מִיָּדֶ֔ךָ (miyadekha) = uit je hand | וַֽיִּתְּנָ֖הּ (vayitenah) = en gaf het | לְרֵעֲךָ֥ (lereakha) = aan je naaste | לְדָוִֽד (ledavid) = aan David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat Yahweh het koningschap ‘scheurt’ en aan Sauls ‘naaste’ geeft, staat ook in 1 Sam. 15:28. Zie ook: 1 Sam 13:13–14; 1 Sam 15:27–29; 1 Sam 15:28; 1 Sam 16:13; 1 Sam 24:21; Spr 16:4 **28:18** Je hebt niet geluisterd naar de stem van Yahweh. Je hebt de gloed van Zijn toorn tegen Amalek niet uitgevoerd. Daarom heeft Yahweh je dit vandaag aangedaan. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = omdat | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמַ֨עְתָּ֙ (shamata) = je hebt geluisterd | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | עָשִׂ֥יתָ (asita) = je hebt uitgevoerd | חֲרוֹן (charon) = gloed van | אַפּ֖וֹ (apo) = Zijn toorn | בַּעֲמָלֵ֑ק (baamaleq) = tegen Amalek | עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = zo | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | עָשָֽׂה (asa) = heeft gedaan | לְךָ֥ (lekha) = aan je | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat om het bevel over Amalek in 1 Sam. 15:1–3 en 15:18–19. Zie ook Exod. 17:14 en Deut. 25:17–19. Voetnoot : חֲרוֹן אַפּוֹ (charon apo), ‘de gloed van Zijn toorn’: de brandende toorn van Yahweh. Zie ook: Ex 17:14; Deut 25:17–19; 1 Sam 15:1–3; 1 Sam 15:9; 1 Sam 15:18; 1 Sam 15:23–26; 1 Kron 10:13; 1 Kon 20:42; Jer 48:10 **28:19** Yahweh zal ook Israël, samen met jou, in de hand van de Filistijnen geven. Morgen zullen jij en je zonen bij mij zijn. Ook het kamp van Israël zal Yahweh in de hand van de Filistijnen geven.” Brontekst: וְיִתֵּ֣ן (veyiten) = en zal geven | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | גַּ֣ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | עִמְּךָ֙ (imekha) = met jou | בְּיַד (beyad) = in de hand van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וּמָחָ֕ר (umachar) = en morgen | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וּבָנֶ֖יךָ (uvaneikha) = en je zonen | עִמִּ֑י (imi) = met mij | גַּ֚ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֣ה (machane) = kamp van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יִתֵּ֥ן (yiten) = zal geven | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = in de hand van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: ‘Morgen zullen jij en je zonen bij mij zijn’ betekent dat zij dood zullen zijn. Zie 1 Sam. 31:2–6. Zie ook: 1 Sam 12:25; 1 Sam 31:1–6; 1 Sam 31:2–6; 1 Kon 22:28; Jer 28:16–17; Hand 5:5 ### Saul valt neer en eet **28:20** Saul haastte zich en viel languit op de grond. Hij was zeer bang door de woorden van Samuël. Ook was er geen kracht meer in hem, want hij had de hele dag en de hele nacht geen brood gegeten. Brontekst: וַיְמַהֵ֣ר (vaymaher) = en haastte zich | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וַיִּפֹּ֤ל (vayipol) = en viel | מְלֹא (melo) = vol | קֽוֹמָתוֹ֙ (qomato) = zijn gestalte | אַ֔רְצָה (artsa) = naar de grond | וַיִּרָ֥א (vayira) = en vreesde | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | מִדִּבְרֵ֣י (midivrei) = om de woorden van | שְׁמוּאֵ֑ל (shemuel) = Samuël | גַּם (gam) = ook | כֹּ֨חַ֙ (koach) = kracht | לֹא (lo) = niet | הָ֣יָה (haya) = was | ב֔וֹ (bo) = in hem | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | אָכַל֙ (akhal) = had gegeten | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | כָּל (kal) = heel | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | וְכָל (vekhal) = en heel | הַלָּֽיְלָה (halayela) = de nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:20–24; Job 26:2; 1 Sam 25:37; 1 Sam 28:5; Ps 50:21–22 **28:21** De vrouw kwam bij Saul. Zij zag dat hij zeer ontsteld was. Zij zei tegen hem: „Zie, uw dienares heeft naar uw stem geluisterd. Ik heb mijn leven in mijn hand gelegd en ik heb geluisterd naar de woorden die u tot mij hebt gesproken. Brontekst: וַתָּב֤וֹא (vatavo) = en kwam | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | אֶל (el) = naar | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַתֵּ֖רֶא (vatere) = en zag | כִּי (ki) = dat | נִבְהַ֣ל (nivhal) = verschrikt was | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | שָׁמְעָ֤ה (shamea) = heeft geluisterd | שִׁפְחָֽתְךָ֙ (shifchatekha) = uw dienares | בְּקוֹלֶ֔ךָ (beqolekha) = naar uw stem | וָאָשִׂ֤ים (vaasim) = en ik legde | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn ziel | בְּכַפִּ֔י (bekhapi) = in mijn hand | וָֽאֶשְׁמַע֙ (vaeshma) = en ik luisterde | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֶ֔יךָ (devareikha) = uw woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = u hebt gesproken | אֵלָֽי (elay) = tot mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Ik heb mijn leven in mijn hand gelegd’: wij hebben mijn leven gewaagd. Zie ook Richt. 12:3. Zie ook: Job 13:14; Re 12:3; 1 Sam 19:5 **28:22** Luister nu ook zelf naar de stem van uw dienares. Laat mij u een stuk brood voorzetten. Eet, dan hebt u kracht wanneer u de weg gaat.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שְׁמַֽע (shema) = luister | נָ֤א (na) = toch | גַם (gam) = ook | אַתָּה֙ (ata) = u | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | שִׁפְחָתֶ֔ךָ (shifchatekha) = uw dienares | וְאָשִׂ֧מָה (veasima) = en laat mij voorzetten | לְפָנֶ֛יךָ (lefaneikha) = voor u | פַּת (pat) = stuk | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | וֶאֱכ֑וֹל (veekhol) = en eet | וִיהִ֤י (vihi) = en er zal zijn | בְךָ֙ (bekha) = in u | כֹּ֔חַ (koach) = kracht | כִּ֥י (ki) = wanneer | תֵלֵ֖ךְ (telekh) = u gaat | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = op de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:23** Hij weigerde en zei: „Ik eet niet.” Maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen bij hem aan en hij luisterde naar hen. Hij stond op van de grond en ging op het bed zitten. Brontekst: וַיְמָאֵ֗ן (vaymaen) = en weigerde | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | לֹ֣א (lo) = niet | אֹכַ֔ל (okhal) = ik zal eten | וַיִּפְרְצוּ (vayifretsu) = en zij drongen aan | ב֤וֹ (bo) = bij hem | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | וְגַם (vegam) = en ook | הָ֣אִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וַיִּשְׁמַ֖ע (vayishma) = en hij luisterde | לְקֹלָ֑ם (leqolam) = naar hun stem | וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en stond op | מֵֽהָאָ֔רֶץ (mehaarets) = van de grond | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en ging zitten | אֶל (el) = op | הַמִּטָּֽה (hamita) = het bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 25:20; 1 Kon 21:4; 2 Kon 4:8; 2 Kon 5:13; Luc 14:23 **28:24** De vrouw had in huis een gemest kalf. Zij haastte zich en slachtte het. Zij nam meel, kneedde het en bakte er ongezuurde broden van. Brontekst: וְלָאִשָּׁ֤ה (velaisha) = en voor de vrouw | עֵֽגֶל (egel) = kalf van | מַרְבֵּק֙ (marbeq) = mesting | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in huis | וַתְּמַהֵ֖ר (vatemaher) = en zij haastte zich | וַתִּזְבָּחֵ֑הוּ (vatizbachehu) = en zij slachtte het | וַתִּקַּח (vatiqach) = en zij nam | קֶ֣מַח (qemach) = meel | וַתָּ֔לָשׁ (vatalash) = en zij kneedde | וַתֹּפֵ֖הוּ (vatofehu) = en zij bakte het | מַצּֽוֹת (matsot) = ongezuurde broden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצּוֹת (matsot), ‘ongezuurde broden’: broden zonder zuurdeeg, snel klaar te maken. Zie ook Gen. 19:3. Zie ook: Gen 18:7–8; Gen 19:3; Luc 15:23 **28:25** Zij zette het voor Saul en voor zijn dienaren neer, en zij aten. Daarna stonden zij op en gingen diezelfde nacht weg. Brontekst: וַתַּגֵּ֧שׁ (vatagesh) = en zij bracht | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | וַיֹּאכֵ֑לוּ (vayokhelu) = en zij aten | וַיָּקֻ֥מוּ (vayaqumu) = en zij stonden op | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | בַּלַּ֥יְלָה (balayla) = in de nacht | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## 1 Samuël 29 _De Filistijnen willen David niet_ ### De Filistijnen verzamelen zich bij Afek **29:1** De Filistijnen verzamelden al hun legers bij Afek. Israël legerde zich bij de bron die in Jizreël is. Brontekst: וַיִּקְבְּצ֧וּ (vayiqbetsu) = en zij verzamelden | פְלִשְׁתִּ֛ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַחֲנֵיהֶ֖ם (machaneihem) = hun legers | אֲפֵ֑קָה (afeqa) = naar Afek | וְיִשְׂרָאֵ֣ל (veyisrael) = en Israël | חֹנִ֔ים (chonim) = legerde zich | בַּעַ֖יִן (baayin) = bij de bron | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּיִזְרְעֶֽאל (beyizreel) = in Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Afek is waarschijnlijk Tel Afek bij Rosh Ha’ayin, in de kustvlakte van Israël. Het Afek van 1 Sam. 4:1 ligt waarschijnlijk op dezelfde plek. De bron in Jizreël is onzeker; Jizreël ligt in het noorden, in de vlakte van Jizreël (Israël). Dit is niet het Jizreël in Juda (1 Sam. 25:43). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Joz 12:18; 1 Sam 4:1; 1 Sam 25:43; 1 Kon 20:30; 1 Kon 21:1; 2 Kon 9:30 **29:2** De vorsten van de Filistijnen trokken voorbij met hun honderdtallen en duizendtallen. David en zijn mannen trokken als laatsten voorbij, bij Achis. Brontekst: וְסַרְנֵ֤י (vesarnei) = en de vorsten van | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | עֹֽבְרִ֔ים (overim) = trokken voorbij | לְמֵא֖וֹת (lemeot) = in honderdtallen | וְלַאֲלָפִ֑ים (velaalafim) = en in duizendtallen | וְדָוִ֣ד (vedavid) = en David | וַאֲנָשָׁ֗יו (vaanashav) = en zijn mannen | עֹֽבְרִ֛ים (overim) = trokken voorbij | בָּאַחֲרֹנָ֖ה (baacharona) = als laatsten | עִם (im) = bij | אָכִֽישׁ (akhish) = Achis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: שָׂרְנֵי פְלִשְׁתִּים (sarnei felishtim), ‘vorsten van de Filistijnen’: de vijf heersers van de Filistijnse steden (Joz. 13:3). Zij trekken met hun troepen voorbij, in groepen van honderd en duizend. Voetnoot : Hier voegt David zich bij Achis, zoals aangekondigd in 1 Sam. 28:1–2. Zie ook: Joz 13:3; 1 Sam 5:8–11; 1 Sam 6:4; 1 Sam 28:1–2; 1 Sam 29:6–7 ### De vorsten van de Filistijnen willen David niet **29:3** De vorsten van de Filistijnen vroegen: „Wat doen deze Hebreeën hier?” Achis zei tegen de vorsten van de Filistijnen: „Is dit niet David, de dienaar van Saul, de koning van Israël? Hij is al dagen, ja al jaren bij mij. Vanaf de dag dat hij overliep tot vandaag heb ik niets bij hem gevonden.” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | שָׂרֵ֣י (sarei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | מָ֖ה (ma) = wat | הָעִבְרִ֣ים (haivrim) = de Hebreeën | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָכִ֜ישׁ (akhish) = Achis | אֶל (el) = tegen | שָׂרֵ֣י (sarei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | הֲלֽוֹא (halo) = is niet | זֶ֨ה (ze) = dit | דָוִ֜ד (david) = David | עֶ֣בֶד (eved) = de dienaar van | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הָיָ֤ה (haya) = is geweest | אִתִּי֙ (iti) = bij mij | זֶ֤ה (ze) = al | יָמִים֙ (yamim) = dagen | אוֹ (o) = of | זֶ֣ה (ze) = al | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | וְלֹֽא (velo) = en niet | מָצָ֤אתִי (matsati) = heb ik gevonden | בוֹ֙ (bo) = bij hem | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | מִיּ֥וֹם (miyom) = vanaf de dag van | נָפְל֖וֹ (nafelo) = zijn overlopen | עַד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: נָפַל (nafal), ‘vallen’: hier ‘overlopen’, naar de andere kant gaan. Achis bedoelt dat David uit Israël naar hem is overgelopen. Voetnoot : עִבְרִים (ivrim), ‘Hebreeën’: zo noemen de Filistijnen Israëlieten, ook in 1 Sam. 4:6. Zie ook: 1 Sam 4:6; 1 Sam 25:28; 1 Sam 27:7; Dan 6:6; Rom 12:17; 1 Petr 3:16 **29:4** De vorsten van de Filistijnen werden kwaad op hem. Zij zeiden tegen hem: „Stuur die man terug. Laat hem terugkeren naar de plaats die u hem hebt aangewezen. Hij mag niet met ons de strijd in. In de strijd mag hij niet onze tegenstander worden. Waarmee zou hij anders de gunst van zijn heer winnen? Toch niet met de hoofden van die mannen? Brontekst: וַיִּקְצְפ֨וּ (vayiqtsefu) = en zij werden kwaad | עָלָ֜יו (alav) = op hem | שָׂרֵ֣י (sarei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | לוֹ֩ (lo) = tegen hem | שָׂרֵ֨י (sarei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּ֜ים (pelishtim) = de Filistijnen | הָשֵׁ֣ב (hashev) = stuur terug | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֗ישׁ (haish) = de man | וְיָשֹׁב֙ (veyashov) = en laat hem terugkeren | אֶל (el) = naar | מְקוֹמוֹ֙ (meqomo) = zijn plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִפְקַדְתּ֣וֹ (hifqadto) = u hem hebt aangewezen | שָׁ֔ם (sham) = daar | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵרֵ֤ד (yered) = laat hij meegaan | עִמָּ֨נוּ֙ (imanu) = met ons | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de strijd | וְלֹא (velo) = en niet | יִֽהְיֶה (yihye) = laat hij worden | לָּ֥נוּ (lanu) = voor ons | לְשָׂטָ֖ן (lesatan) = tot tegenstander | בַּמִּלְחָמָ֑ה (bamilchama) = in de strijd | וּבַמֶּ֗ה (uvame) = en waarmee | יִתְרַצֶּ֥ה (yitratse) = zou hij winnen | זֶה֙ (ze) = deze | אֶל (el) = bij | אֲדֹנָ֔יו (adonav) = zijn heer | הֲל֕וֹא (halo) = is het niet | בְּרָאשֵׁ֖י (berashei) = met de hoofden van | הָאֲנָשִׁ֥ים (haanashim) = de mannen | הָהֵֽם (hahem) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: iemand die zich tegen je keert. Wij vertalen hier ‘tegenstander’. Voetnoot : De ‘hoofden van die mannen’ zijn de hoofden van de mannen van de Filistijnen. De vorsten bedoelen dat David zijn heer Saul tevreden zou stellen door Filistijnen te doden. Zie ook: 1 Sam 14:21; 1 Sam 27:6; 1 Kron 12:20; Luc 16:8 **29:5** Is dit niet David? Over hem zongen zij in de reidansen: ‘Saul versloeg zijn duizenden, en David zijn tienduizenden.’” Brontekst: הֲלוֹא (halo) = is niet | זֶ֣ה (ze) = dit | דָוִ֔ד (david) = David | אֲשֶׁ֧ר (asher) = over wie | יַעֲנוּ (yaanu) = zij zongen | ל֛וֹ (lo) = voor hem | בַּמְּחֹל֖וֹת (bamecholot) = in de reidansen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִכָּ֤ה (hika) = versloeg | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | בַּֽאֲלָפָ֔יו (baalafav) = zijn duizenden | וְדָוִ֖ד (vedavid) = en David | בְּרִבְבֹתָֽיו (berivvotav) = zijn tienduizenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het lied komt ook voor in 1 Sam. 18:7 en 21:12. In 1 Sam. 21:12 is het ook Achis die het hoort. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft een andere vorm van het woord ‘tienduizenden’. Wij volgen de lezing (qere): ‘zijn tienduizenden’. Zie ook: 1 Sam 18:6–7; 1 Sam 18:7; 1 Sam 21:12; Spr 27:14 ### Achis stuurt David terug **29:6** Achis riep David en zei tegen hem: „Zo waar Yahweh leeft, jij bent oprecht. Ik vind het goed dat je met mij uittrekt en terugkomt in het kamp. Want ik heb niets kwaads bij je gevonden, vanaf de dag dat je bij mij kwam tot vandaag. Maar in de ogen van de vorsten ben je niet goed. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | אָכִ֜ישׁ (akhish) = Achis | אֶל (el) = tot | דָּוִ֗ד (david) = David | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵ֠לָיו (elav) = tegen hem | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | כִּי (ki) = ja | יָשָׁ֣ר (yashar) = oprecht | אַתָּ֗ה (ata) = jij | וְט֣וֹב (vetov) = en goed | בְּ֠עֵינַי (beeinay) = in mijn ogen | צֵאתְךָ֨ (tsetkha) = je uittrekken | וּבֹאֲךָ֤ (uvoakha) = en je terugkomen | אִתִּי֙ (iti) = met mij | בַּֽמַּחֲנֶ֔ה (bamachane) = in het kamp | כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | מָצָ֤אתִֽי (matsati) = heb ik gevonden | בְךָ֙ (bekha) = bij jou | רָעָ֔ה (raa) = kwaad | מִיּ֛וֹם (miyom) = vanaf de dag | בֹּאֲךָ֥ (boakha) = dat je kwam | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | עַד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וּבְעֵינֵ֥י (uveeinei) = en in de ogen van | הַסְּרָנִ֖ים (haseranim) = de vorsten | לֹֽא (lo) = niet | ט֥וֹב (tov) = goed | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Achis zweert bij Yahweh: חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’. Een Filistijnse koning gebruikt hier de naam van Yahweh. De tekst legt niet uit hoe hij aan deze eed komt. Voetnoot : יָשָׁר (yashar), ‘oprecht’: iemand die recht en betrouwbaar is. Zie ook: 1 Sam 20:3; 1 Sam 28:10; 2 Sam 3:25; Ps 121:8; 2 Kon 19:27 **29:7** Keer nu terug en ga in vrede. Doe niets wat slecht is in de ogen van de vorsten van de Filistijnen.” Brontekst: וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | שׁ֖וּב (shuv) = keer terug | וְלֵ֣ךְ (velekh) = en ga | בְּשָׁל֑וֹם (beshalom) = in vrede | וְלֹֽא (velo) = en niet | תַעֲשֶׂ֣ה (taase) = doe | רָ֔ע (ra) = kwaad | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | סַרְנֵ֥י (sarnei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Num 22:34 **29:8** David zei tegen Achis: „Maar wat heb ik gedaan? Wat hebt u bij uw dienaar gevonden, vanaf de dag dat ik voor u stond tot vandaag? Waarom mag ik niet meegaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer de koning?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֜ד (david) = David | אֶל (el) = tegen | אָכִ֗ישׁ (akhish) = Achis | כִּ֣י (ki) = maar | מֶ֤ה (me) = wat | עָשִׂ֨יתִי֙ (asiti) = heb ik gedaan | וּמַה (uma) = en wat | מָּצָ֣אתָ (matsata) = hebt u gevonden | בְעַבְדְּךָ֔ (beavdekha) = bij uw dienaar | מִיּוֹם֙ (miyom) = vanaf de dag | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיִ֣יתִי (hayiti) = ik was | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor u | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֤א (lo) = niet | אָבוֹא֙ (avo) = ik mee zal gaan | וְנִלְחַ֔מְתִּי (venilchamti) = en zal strijden | בְּאֹיְבֵ֖י (beoyevei) = tegen de vijanden van | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David noemt Achis ‘mijn heer de koning’. Het Hebreeuws zegt niet of hij Achis of Saul bedoelt. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: 1 Sam 12:3; 1 Sam 17:29; 1 Sam 28:2; Ps 34:14–15; Mat 6:13 **29:9** Achis antwoordde David: „Ik weet dat je goed bent in mijn ogen, als een engel van Elohim. Maar de vorsten van de Filistijnen hebben gezegd: ‘Hij mag niet met ons de strijd in.’ Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en hij antwoordde | אָכִישׁ֮ (akhish) = Achis | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | דָּוִד֒ (david) = David | יָדַ֕עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּ֣י (ki) = dat | ט֥וֹב (tov) = goed | אַתָּ֛ה (ata) = jij | בְּעֵינַ֖י (beeinay) = in mijn ogen | כְּמַלְאַ֣ךְ (kemalakh) = als een engel van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | אַ֣ךְ (akh) = maar | שָׂרֵ֤י (sarei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | אָֽמְר֔וּ (ameru) = hebben gezegd | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = zal optrekken | עִמָּ֖נוּ (imanu) = met ons | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: כְּמַלְאַךְ אֱלֹהִים (kemal’ach Elohim), ‘als een engel van Elohim’: Achis is vol lof over David. Hij gebruikt hier het woord Elohim zoals een Filistijn dat doet. Zie ook: 1 Sam 29:4; 2 Sam 14:17; 2 Sam 14:20; 2 Sam 19:28; Gal 4:14 **29:10** Sta daarom in de morgen vroeg op, jij en de dienaren van je heer die met je zijn gekomen. Jullie moeten vroeg opstaan en weggaan zodra het licht wordt.” Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הַשְׁכֵּ֣ם (hashkem) = sta vroeg op | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְעַבְדֵ֥י (veavdei) = en de dienaren van | אֲדֹנֶ֖יךָ (adoneikha) = je heer | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | וְהִשְׁכַּמְתֶּ֣ם (vehishkamtem) = en staan vroeg op | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְא֥וֹר (veor) = en licht | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | וָלֵֽכוּ (valekhu) = en ga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De dienaren van je heer’ zijn de mannen van David. Zij hebben eerder Saul gediend. Zie ook: Gen 22:14; 1 Sam 30:1–2; 1 Kron 12:20; 1 Kron 12:23; 2 Petr 2:9 **29:11** David stond vroeg op, hij en zijn mannen, om in de morgen te vertrekken en terug te keren naar het land van de Filistijnen. De Filistijnen trokken op naar Jizreël. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | דָּוִ֜ד (david) = David | ה֤וּא (hu) = hij | וַֽאֲנָשָׁיו֙ (vaanashav) = en zijn mannen | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | לָשׁ֖וּב (lashuv) = om terug te keren | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | עָל֥וּ (alu) = trokken op | יִזְרְעֶֽאל (yizreel) = naar Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: David keert terug naar Siklag in de Negev (1 Sam. 27:6). Siklag is onzeker; men denkt aan Tel Sera of Tel Halif (Israël). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Zie ook: Joz 19:18; 1 Sam 27:6; 1 Sam 29:1; 2 Sam 4:4 ## 1 Samuël 30 _David achtervolgt de Amalekieten_ ### Siklag is verbrand **30:1** Op de derde dag kwamen David en zijn mannen aan in Siklag. De Amalekieten waren ingevallen in de Negev en bij Siklag. Zij hadden Siklag verslagen en met vuur verbrand. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | בְּבֹ֨א (bevo) = toen kwam | דָוִ֧ד (david) = David | וַאֲנָשָׁ֛יו (vaanashav) = en zijn mannen | צִֽקְלַ֖ג (tsiqlag) = naar Siklag | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = derde | וַעֲמָלֵקִ֣י (vaamaleqi) = en de Amalekieten | פָֽשְׁט֗וּ (pashetu) = waren ingevallen | אֶל (el) = in | נֶ֨גֶב֙ (negev) = de Negev | וְאֶל (veel) = en bij | צִ֣קְלַ֔ג (tsiqlag) = Siklag | וַיַּכּוּ֙ (vayaku) = en zij hadden verslagen | אֶת (et) = (obj.) | צִ֣קְלַ֔ג (tsiqlag) = Siklag | וַיִּשְׂרְפ֥וּ (vayisrefu) = en zij hadden verbrand | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Siklag ligt in de Negev, het zuiden van Juda. De ligging is onzeker; men denkt aan Tel Sera of Tel Halif (Israël). David kreeg Siklag van Achis (1 Sam. 27:6). Voetnoot Uitleg: Wij vertalen ‘de Amalekieten’. Het Hebreeuws heeft het enkelvoud עֲמָלֵקִי (amaleqi), ‘een Amalekiet’, als verzamelnaam. Zie ook: Joz 11:6; 1 Sam 15:7; 1 Sam 27:6; 1 Sam 27:8–10; 1 Sam 29:4; 1 Sam 29:11 **30:2** Zij hadden de vrouwen die daar waren gevangengenomen, van klein tot groot. Zij hadden niemand gedood. Zij hadden hen meegevoerd en waren hun weg gegaan. Brontekst: וַיִּשְׁבּ֨וּ (vayishbu) = en zij namen gevangen | אֶת (et) = (obj.) | הַנָּשִׁ֤ים (hanashim) = de vrouwen | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּהּ֙ (bah) = daarin | מִקָּטֹ֣ן (miqaton) = van klein | וְעַד (vead) = tot | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | לֹ֥א (lo) = niet | הֵמִ֖יתוּ (hemitu) = hadden zij gedood | אִ֑ישׁ (ish) = iemand | וַיִּֽנְהֲג֔וּ (vayinhagu) = en zij dreven weg | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | לְדַרְכָּֽם (ledarkam) = hun weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt hier alleen de vrouwen, ‘van klein tot groot’. Vers 3 noemt ook de zonen en dochters. Zie ook: Job 38:11; 1 Sam 27:11; 1 Sam 30:3; 1 Sam 30:19; Ps 76:11; Jes 27:8–9 **30:3** David en zijn mannen kwamen bij de stad. En zie, zij was verbrand met vuur. Hun vrouwen, hun zonen en hun dochters waren gevangengenomen. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | דָוִ֤ד (david) = David | וַֽאֲנָשָׁיו֙ (vaanashav) = en zijn mannen | אֶל (el) = naar | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | שְׂרוּפָ֖ה (serufa) = verbrand | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וּנְשֵׁיהֶ֛ם (unesheihem) = en hun vrouwen | וּבְנֵיהֶ֥ם (uveneihem) = en hun zonen | וּבְנֹתֵיהֶ֖ם (uvenoteihem) = en hun dochters | נִשְׁבּֽוּ (nishbu) = waren gevangengenomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 34:20; 1 Petr 1:6–7; Heb 12:6; Openb 3:9 **30:4** David en het volk dat bij hem was, verhieven hun stem en huilden. Zij huilden tot zij geen kracht meer hadden om te huilen. Brontekst: וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en verhief | דָוִ֜ד (david) = David | וְהָעָ֧ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אִתּ֛וֹ (ito) = bij hem | אֶת (et) = (obj.) | קוֹלָ֖ם (qolam) = hun stem | וַיִּבְכּ֑וּ (vayivku) = en zij huilden | עַ֣ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | אֵין (ein) = niet was | בָּהֶ֛ם (bahem) = in hen | כֹּ֖חַ (koach) = kracht | לִבְכּֽוֹת (livkot) = om te huilen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:33–35; Num 14:39; Re 21:2; 1 Sam 4:13; 1 Sam 11:4 **30:5** Ook de twee vrouwen van David waren gevangengenomen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vrouw van Nabal uit Karmel. Brontekst: וּשְׁתֵּ֥י (ushtei) = en twee | נְשֵֽׁי (neshei) = vrouwen van | דָוִ֖ד (david) = David | נִשְׁבּ֑וּ (nishbu) = waren gevangengenomen | אֲחִינֹ֨עַם֙ (achinoam) = Achinoam | הַיִּזְרְעֵלִ֔ית (hayizreelit) = de Jizreëlitische | וַאֲבִיגַ֕יִל (vaavigayil) = en Abigaïl | אֵ֖שֶׁת (eshet) = de vrouw van | נָבָ֥ל (naval) = Nabal | הַֽכַּרְמְלִֽי (hakarmeli) = de Karmelitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dit Jizreël ligt in Juda (Joz. 15:56). Het is niet het Jizreël in het noorden. Karmel is hier het Karmel in Juda, bij het huidige Khirbet el-Kermel (Westelijke Jordaanoever). Zie 1 Sam. 25:42–43. Zie ook: Joz 15:56; 1 Sam 1:2; 1 Sam 25:42–43; 1 Sam 27:3; 2 Sam 2:2; 2 Sam 3:2–3 **30:6** David kwam in grote nood. Het volk sprak erover hem te stenigen. Want iedereen in het volk voelde bitterheid in zijn ziel, om zijn zonen en dochters. Maar David sterkte zich in Yahweh, zijn Elohim. Brontekst: וַתֵּ֨צֶר (vatetser) = en het werd benauwd | לְדָוִ֜ד (ledavid) = voor David | מְאֹ֗ד (meod) = zeer | כִּֽי (ki) = want | אָמְר֤וּ (ameru) = zeiden | הָעָם֙ (haam) = het volk | לְסָקְל֔וֹ (lesaqelo) = hem te stenigen | כִּֽי (ki) = want | מָ֨רָה֙ (mara) = was bitter | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = de ziel van | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | עַל (al) = om | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | וְעַל (veal) = en om | בְּנֹתָ֑יו (benotav) = zijn dochters | וַיִּתְחַזֵּ֣ק (vayitchazeq) = en sterkte zich | דָּוִ֔ד (david) = David | בַּיהוָ֖ה (baYahweh) = in Yahweh | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָרָה נֶפֶשׁ (marah nefesh), ‘de ziel was bitter’: bitter van verdriet en woede. Het volk geeft David de schuld. Voetnoot : Voor het stenigen vergelijk Exod. 17:4. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zijn zoon’ (enkelvoud). De lezing (qere) heeft ‘zijn zonen’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ex 17:4; Ps 18:7; Ps 27:1–3; Ps 56:4–5; Ps 56:12; Ps 62:6 ### David vraagt Yahweh om raad **30:7** David zei tegen de priester Abjatar, de zoon van Achimelech: „Breng mij de efod.” Abjatar bracht de efod naar David. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֗ד (david) = David | אֶל (el) = tegen | אֶבְיָתָ֤ר (evyatar) = Abjatar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | בֶּן (ben) = de zoon van | אֲחִימֶ֔לֶךְ (achimelekh) = Achimelech | הַגִּֽישָׁה (hagisha) = breng | נָּ֥א (na) = alsjeblieft | לִ֖י (li) = mij | הָאֵפֹ֑ד (haefod) = de efod | וַיַּגֵּ֧שׁ (vayagesh) = en bracht | אֶבְיָתָ֛ר (evyatar) = Abjatar | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵפֹ֖ד (haefod) = de efod | אֶל (el) = naar | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵפוֹד (efod), het priesterkleed met de Urim en Tummim (Exod. 28:6–30). Abjatar had de efod meegenomen toen hij naar David ontkwam (1 Sam. 22:20; 23:6). Met de efod vroeg men Yahweh om raad. Zie ook: Ex 28:6–30; 1 Sam 22:20–21; 1 Sam 23:2–9; 1 Sam 23:6; 1 Kon 2:26; Mar 2:26 **30:8** David vroeg Yahweh om raad: „Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik haar inhalen?” Hij zei tegen hem: **„Achtervolg haar. Want je zult haar zeker inhalen en je zult zeker redden.”** Brontekst: וַיִּשְׁאַ֨ל (vayishal) = en hij vroeg | דָּוִ֤ד (david) = David | בַּֽיהוָה֙ (baYahweh) = aan Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אֶרְדֹּ֛ף (erdof) = zal ik achtervolgen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | הַגְּדוּד (hagedud) = de bende | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | הַֽאַשִּׂגֶ֑נּוּ (haasigenu) = zal ik haar inhalen | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | רְדֹ֔ף (redof) = achtervolg | כִּֽי (ki) = want | הַשֵּׂ֥ג (haseg) = inhalen | תַּשִּׂ֖יג (tasig) = zul je inhalen | וְהַצֵּ֥ל (vehatsel) = en redden | תַּצִּֽיל (tatsil) = zul je redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁאַל בַּיהוָה (sha’al bYahweh), ‘aan Yahweh vragen’: Yahweh om raad vragen. Het antwoord van Yahweh staat in rood. Voetnoot : גְּדוּד (gedud), ‘bende’: een plunderende troep. Zie ook: 1 Sam 23:2; 1 Sam 30:18; 2 Sam 5:19; Ps 91:15; Spr 3:5–6 ### De beek Besor **30:9** David ging, hij en de 600 man die bij hem waren. Zij kwamen bij de beek Besor. Daar bleven de achterblijvers staan. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | דָּוִ֗ד (david) = David | ה֚וּא (hu) = hij | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אִישׁ֙ (ish) = man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֔וֹ (ito) = bij hem | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | נַ֣חַל (nachal) = de beek | הַבְּשׂ֑וֹר (habesor) = Besor | וְהַנּֽוֹתָרִ֖ים (vehanotarim) = en de achterblijvers | עָמָֽדוּ (amadu) = bleven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek Besor (Nachal Besor) loopt door het zuidwesten van Israël naar de zee bij Gaza. Dat is waarschijnlijk, maar niet zeker. Zie Beek Besor: De beek Besor (Wadi Besor, Nachal Besor) stroomt vanuit de Negev naar de zee, ten zuiden van Gaza. Zie ook: 1 Sam 27:2 **30:10** David achtervolgde hen, hij en 400 man. De 200 man die te uitgeput waren om de beek Besor over te steken, bleven staan. Brontekst: וַיִּרְדֹּ֣ף (vayirdof) = en hij achtervolgde | דָּוִ֔ד (david) = David | ה֖וּא (hu) = hij | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיַּֽעַמְדוּ֙ (vayaamdu) = en bleven staan | מָאתַ֣יִם (matayim) = tweehonderd | אִ֔ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | פִּגְּר֔וּ (pigeru) = te uitgeput waren | מֵעֲבֹ֖ר (meavor) = om over te steken | אֶת (et) = (obj.) | נַ֥חַל (nachal) = de beek | הַבְּשֽׂוֹר (habesor) = Besor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beek Besor: De beek Besor (Wadi Besor, Nachal Besor) stroomt vanuit de Negev naar de zee, ten zuiden van Gaza. Voetnoot Uitleg: פָּגַר (pagar), ‘uitgeput zijn’: te moe om verder te gaan. Het woord komt maar twee keer voor, hier en in vers 21. Zie ook: Re 8:4–5; 1 Sam 14:20; 1 Sam 14:31; 1 Sam 30:9; 1 Sam 30:21 ### De Egyptische jongen **30:11** Zij vonden een Egyptenaar in het veld. Zij brachten hem naar David. Zij gaven hem brood en hij at. Zij lieten hem water drinken. Brontekst: וַֽיִּמְצְא֤וּ (vayimtseu) = en zij vonden | אִישׁ (ish) = een man | מִצְרִי֙ (mitsri) = Egyptische | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | וַיִּקְח֥וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | דָּוִ֑ד (david) = David | וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en zij gaven | ל֥וֹ (lo) = hem | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = brood | וַיֹּ֔אכַל (vayokhal) = en hij at | וַיַּשְׁקֻ֖הוּ (vayashquhu) = en zij lieten hem drinken | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 15:7–11; Deut 23:8; Mat 25:35; Luc 10:36–37; Rom 12:20–21 **30:12** Zij gaven hem ook een stuk vijgenkoek en twee rozijnenkoeken. Hij at en zijn geest keerde bij hem terug. Want hij had drie dagen en drie nachten geen brood gegeten en geen water gedronken. Brontekst: וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en zij gaven | לוֹ֩ (lo) = hem | פֶ֨לַח (pelach) = een stuk | דְּבֵלָ֜ה (devela) = vijgenkoek | וּשְׁנֵ֤י (ushenei) = en twee | צִמֻּקִים֙ (tsimuqim) = rozijnenkoeken | וַיֹּ֔אכַל (vayokhal) = en hij at | וַתָּ֥שָׁב (vatashav) = en keerde terug | רוּח֖וֹ (rucho) = zijn geest | אֵלָ֑יו (elav) = bij hem | כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | אָ֤כַל (akhal) = had hij gegeten | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = brood | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁ֣תָה (shata) = had hij gedronken | מַ֔יִם (mayim) = water | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וּשְׁלֹשָׁ֥ה (ushelosha) = en drie | לֵילֽוֹת (leilot) = nachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבֵלָה (develah), ‘vijgenkoek’: samengeperste gedroogde vijgen. צִמּוּקִים (tsimmuqim), ‘rozijnenkoeken’: samengeperste gedroogde druiven. Voetnoot : וַתָּשָׁב רוּחוֹ אֵלָיו (vattashav ruchô elav), ‘zijn geest keerde bij hem terug’: hij kwam weer tot kracht. Zie ook: Re 15:19; 1 Sam 14:27; Jes 40:29–31; Est 4:16; Mat 27:63 **30:13** David vroeg hem: „Van wie ben je? En waar kom je vandaan?” Hij zei: „Ik ben een Egyptische jongen, de dienaar van een Amalekiet. Mijn heer heeft mij achtergelaten, want ik werd ziek, drie dagen geleden. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֤וֹ (lo) = tot hem | דָוִד֙ (david) = David | לְֽמִי (lemi) = van wie | אַ֔תָּה (ata) = ben jij | וְאֵ֥י (veei) = en waar | מִזֶּ֖ה (mize) = vandaan | אָ֑תָּה (ata) = ben jij | וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en hij zei | נַ֧עַר (naar) = jongen | מִצְרִ֣י (mitsri) = Egyptische | אָנֹ֗כִי (anokhi) = ik | עֶ֚בֶד (eved) = dienaar van | לְאִ֣ישׁ (leish) = een man | עֲמָֽלֵקִ֔י (amaleqi) = Amalekitische | וַיַּעַזְבֵ֧נִי (vayaazveni) = en liet mij achter | אֲדֹנִ֛י (adoni) = mijn heer | כִּ֥י (ki) = want | חָלִ֖יתִי (chaliti) = ik werd ziek | הַיּ֥וֹם (hayom) = vandaag | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיּוֹם שְׁלֹשָׁה (hajom sheloshah), letterlijk ‘vandaag drie’: drie dagen geleden. Zie ook: Job 31:13–15; Spr 12:10; Jak 2:13 **30:14** Wij zijn ingevallen in de Negev van de Kerethieten, in het gebied van Juda en in de Negev van Kaleb. Siklag hebben wij met vuur verbrand.” Brontekst: אֲנַ֡חְנוּ (anachnu) = wij | פָּשַׁ֜טְנוּ (pashatnu) = zijn ingevallen | נֶ֧גֶב (negev) = in de Negev | הַכְּרֵתִ֛י (hakereti) = van de Kerethieten | וְעַל (veal) = en in | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat is | לִֽיהוּדָ֖ה (lihuda) = van Juda | וְעַל (veal) = en in | נֶ֣גֶב (negev) = de Negev van | כָּלֵ֑ב (kalev) = Kaleb | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צִקְלַ֖ג (tsiqlag) = Siklag | שָׂרַ֥פְנוּ (sarafnu) = hebben wij verbrand | בָאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Kerethieten wonen in het zuiden van de kustvlakte, bij de Filistijnen. Zij zijn waarschijnlijk met de Filistijnen verwant. De ligging van hun Negev is onzeker. Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev. Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot : De Negev van Kaleb ligt bij Hebron (Joz. 14:13–14). Zie ook: Joz 14:13–14; 2 Sam 8:18; 1 Kon 1:38; 1 Kon 1:44; Sef 2:5; Ezech 25:16 **30:15** David vroeg hem: „Wil je mij naar deze bende brengen?” Hij zei: „Zweer mij bij Elohim dat je mij niet zult doden en mij niet zult uitleveren aan mijn heer. Dan breng ik je naar deze bende.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tegen hem | דָּוִ֔ד (david) = David | הֲתוֹרִדֵ֖נִי (hatorideni) = wil je mij brengen | אֶל (el) = naar | הַגְּד֣וּד (hagedud) = de bende | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִשָּׁבְעָה֩ (hishavea) = zweer | לִּ֨י (li) = mij | בֵֽאלֹהִ֜ים (bElohim) = bij Elohim | אִם (im) = dat niet | תְּמִיתֵ֗נִי (temiteni) = je mij doodt | וְאִם (veim) = en dat niet | תַּסְגִּרֵ֨נִי֙ (tasgireni) = je mij uitlevert | בְּיַד (beyad) = in de hand van | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | וְאוֹרִֽדְךָ֖ (veoridkha) = dan breng ik je | אֶל (el) = naar | הַגְּד֥וּד (hagedud) = de bende | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִשָּׁבְעָה לִּי בֵּאלֹהִים (hishava li belohim), ‘zweer mij bij Elohim’. De eed heeft in het Hebreeuws de vorm ‘als je mij doodt’. Dat betekent: ‘je zult mij niet doden’. Wij geven de bedoeling weer. Zie ook: Deut 23:16–17; Joz 2:12; Joz 9:15; Joz 9:19–20; Ezech 17:19 ### David verslaat de Amalekieten **30:16** Hij bracht hem erheen. En zie, zij lagen verspreid over heel het land. Zij aten, dronken en vierden feest. Dat was vanwege heel de grote buit die zij uit het land van de Filistijnen en uit het land van Juda hadden genomen. Brontekst: וַיֹּ֣רִדֵ֔הוּ (vayoridehu) = en hij bracht hem | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | נְטֻשִׁ֖ים (netushim) = verspreid | עַל (al) = over | פְּנֵ֣י (penei) = het gebied van | כָל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | אֹכְלִ֤ים (okhelim) = etend | וְשֹׁתִים֙ (veshotim) = en drinkend | וְחֹ֣גְגִ֔ים (vechogegim) = en feestvierend | בְּכֹל֙ (bekhol) = vanwege al | הַשָּׁלָ֣ל (hashalal) = de buit | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = grote | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לָקְח֛וּ (laqechu) = zij hadden genomen | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | וּמֵאֶ֥רֶץ (umeerets) = en uit het land van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Job 20:5; Re 16:23–30; Dan 5:1–4; Luc 12:19–20; Openb 11:10–13 **30:17** David sloeg hen van de schemering tot de avond van de volgende dag. Niemand van hen ontkwam, behalve 400 jonge mannen. Die reden op kamelen en vluchtten. Brontekst: וַיַּכֵּ֥ם (vayakem) = en hij sloeg hen | דָּוִ֛ד (david) = David | מֵהַנֶּ֥שֶׁף (mehaneshef) = vanaf de schemering | וְעַד (vead) = en tot | הָעֶ֖רֶב (haerev) = de avond | לְמָֽחֳרָתָ֑ם (lemachoratam) = van hun volgende dag | וְלֹֽא (velo) = en niet | נִמְלַ֤ט (nimlat) = ontkwam | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | אִ֔ישׁ (ish) = een man | כִּי֩ (ki) = behalve | אִם (im) = alleen | אַרְבַּ֨ע (arba) = vier | מֵא֧וֹת (meot) = honderd | אִֽישׁ (ish) = man | נַ֛עַר (naar) = jonge | אֲשֶׁר (asher) = die | רָכְב֥וּ (rakhevu) = reden | עַל (al) = op | הַגְּמַלִּ֖ים (hagemalim) = de kamelen | וַיָּנֻֽסוּ (vayanusu) = en vluchtten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁף (neshef), ‘schemering’: dat kan de ochtendschemering of de avondschemering zijn. Het Hebreeuws zegt ‘tot de avond van hun volgende dag’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אִישׁ נַעַר (ish na’ar), ‘man, jongen’. Wij vertalen ‘jonge mannen’. Zie ook: Re 4:16; 1 Sam 11:11; 1 Sam 15:3; Ps 18:43; 1 Kon 20:29–30 **30:18** David redde alles wat Amalek had genomen. Ook zijn twee vrouwen redde David. Brontekst: וַיַּצֵּ֣ל (vayatsel) = en redde | דָּוִ֔ד (david) = David | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לָקְח֖וּ (laqechu) = hadden genomen | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | נָשָׁ֖יו (nashav) = zijn vrouwen | הִצִּ֥יל (hitsil) = redde | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:16 **30:19** Er ontbrak hun niets, van klein tot groot. Ook ontbrak niets van de zonen en dochters, van de buit en van alles wat zij voor zich hadden genomen. David bracht alles terug. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | נֶעְדַּר (nedar) = ontbrak | לָ֠הֶם (lahem) = hun | מִן (min) = van | הַקָּטֹ֨ן (haqaton) = klein | וְעַד (vead) = tot | הַגָּד֜וֹל (hagadol) = groot | וְעַד (vead) = en tot | בָּנִ֤ים (banim) = zonen | וּבָנוֹת֙ (uvanot) = en dochters | וּמִשָּׁלָ֔ל (umishalal) = en van buit | וְעַ֛ד (vead) = en tot | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לָקְח֖וּ (laqechu) = zij hadden genomen | לָהֶ֑ם (lahem) = voor zich | הַכֹּ֖ל (hakol) = alles | הֵשִׁ֥יב (heshiv) = bracht terug | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:10; 1 Sam 30:8; Ps 34:10–11; Ps 91:9–10; Mat 6:33 **30:20** David nam al het kleinvee en het rundvee. Zij dreven dat voor het andere vee uit. Men zei: „Dit is de buit van David.” Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | דָּוִ֔ד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | וְהַבָּקָ֑ר (vehabaqar) = en het rundvee | נָהֲג֗וּ (nahagu) = zij dreven | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | הַמִּקְנֶ֣ה (hamiqne) = het vee | הַה֔וּא (hahu) = dat | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | זֶ֖ה (ze) = dit | שְׁלַ֥ל (shelal) = buit van | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is kort en niet helemaal duidelijk. Het Hebreeuws zegt: ‘zij dreven voor dat vee uit’, en ‘zij zeiden: dit is de buit van David’. Wij nemen aan dat het vee van de Amalekieten voor het eigen vee van David uit werd gedreven. Zie ook: Num 31:9–12; 1 Sam 30:26; 2 Kron 20:25; Jes 53:12; Rom 8:37 ### David verdeelt de buit **30:21** David kwam bij de 200 man die te uitgeput waren geweest om David te volgen. Hij had hen bij de beek Besor laten blijven. Zij gingen David tegemoet, en ook het volk dat bij hem was. David kwam bij het volk en vroeg hoe het met hen ging. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | דָוִ֗ד (david) = David | אֶל (el) = naar | מָאתַ֨יִם (matayim) = tweehonderd | הָאֲנָשִׁ֜ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶֽׁר (asher) = die | פִּגְּר֣וּ (pigeru) = te uitgeput waren | מִלֶּ֣כֶת (milekhet) = om te gaan | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | דָוִ֗ד (david) = David | וַיֹּֽשִׁיבֻם֙ (vayoshivum) = en hij liet hen blijven | בְּנַ֣חַל (benachal) = bij de beek | הַבְּשׂ֔וֹר (habesor) = Besor | וַיֵּֽצְאוּ֙ (vayetseu) = en zij gingen uit | לִקְרַ֣את (liqrat) = ter ontmoeting van | דָּוִ֔ד (david) = David | וְלִקְרַ֖את (veliqrat) = en ter ontmoeting van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אִתּ֑וֹ (ito) = bij hem | וַיִּגַּ֤שׁ (vayigash) = en trad toe | דָּוִד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיִּשְׁאַ֥ל (vayishal) = en vroeg | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | לְשָׁלֽוֹם (leshalom) = naar vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beek Besor: De beek Besor (Wadi Besor, Nachal Besor) stroomt vanuit de Negev naar de zee, ten zuiden van Gaza. Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁאַל לָהֶם לְשָׁלוֹם (vayyish’al lahem leshalom), ‘hij vroeg naar hun vrede’: hij begroette hen en vroeg hoe het met hen ging. Zie ook: Re 8:15; 1 Sam 30:10; 1 Petr 3:8; Heb 13:1 **30:22** Maar alle slechte mannen en mannen van Belial onder degenen die met David waren meegegaan, antwoordden: „Zij zijn niet met mij meegegaan. Daarom geven wij hun niets van de buit die wij hebben gered. Alleen ieder zijn vrouw en zijn zonen. Laten zij die meenemen en weggaan.” Brontekst: וַיַּ֜עַן (vayaan) = en antwoordde | כָּל (kal) = alle | אִֽישׁ (ish) = mannen | רָ֣ע (ra) = slechte | וּבְלִיַּ֗עַל (uveliyaal) = en Belial | מֵֽהָאֲנָשִׁים֮ (mehaanashim) = van de mannen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָלְכ֣וּ (halekhu) = waren gegaan | עִם (im) = met | דָּוִד֒ (david) = David | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | יַ֚עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | הָלְכ֣וּ (halekhu) = zij gingen | עִמִּ֔י (imi) = met mij | לֹֽא (lo) = niet | נִתֵּ֣ן (niten) = zullen wij geven | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | מֵהַשָּׁלָ֖ל (mehashalal) = van de buit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִצַּ֑לְנוּ (hitsalnu) = wij hebben gered | כִּֽי (ki) = maar | אִם (im) = alleen | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּוֹ֙ (ishto) = zijn vrouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | וְיִנְהֲג֖וּ (veyinhagu) = laten zij wegdrijven | וְיֵלֵֽכוּ (veyelekhu) = en laten zij gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliya’al), ‘Belial’: ‘nietswaardig’. Wij laten de naam staan. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘met mij’ (enkelvoud) in de mond van een groep. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Deut 13:14; 1 Sam 22:2; 1 Sam 25:17; 1 Kon 21:13; Mat 7:12 **30:23** David zei: „Doe niet zo, mijn broeders, met wat Yahweh ons heeft gegeven. Hij heeft ons bewaard. Hij heeft de bende die tegen ons kwam, in onze hand gegeven. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | דָּוִ֔ד (david) = David | לֹֽא (lo) = niet | תַעֲשׂ֥וּ (taasu) = doe | כֵ֖ן (ken) = zo | אֶחָ֑י (echay) = mijn broeders | אֵ֠ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֨נוּ֙ (lanu) = ons | וַיִּשְׁמֹ֣ר (vayishmor) = en Hij heeft bewaard | אֹתָ֔נוּ (otanu) = ons | וַיִּתֵּ֗ן (vayiten) = en Hij heeft gegeven | אֶֽת (et) = (obj.) | הַגְּד֛וּד (hagedud) = de bende | הַבָּ֥א (haba) = die kwam | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = tegen ons | בְּיָדֵֽנוּ (beyadenu) = in onze hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:18; Ps 44:3–8; Ps 121:7–8; Hand 7:2; Hand 22:1 **30:24** Wie zou in deze zaak naar jullie luisteren? Want het deel van wie de strijd in is gegaan, is gelijk aan het deel van wie bij de bagage is gebleven. Zij zullen samen delen.” Brontekst: וּמִי֙ (umi) = en wie | יִשְׁמַ֣ע (yishma) = zal luisteren | לָכֶ֔ם (lakhem) = naar jullie | לַדָּבָ֖ר (ladavar) = in zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֞י (ki) = want | כְּחֵ֣לֶק (kecheleq) = zoals het deel van | הַיֹּרֵ֣ד (hayored) = wie afdaalt | בַּמִּלְחָמָ֗ה (bamilchama) = in de strijd | וּֽכְחֵ֛לֶק (ukhecheleq) = en zoals het deel van | הַיֹּשֵׁ֥ב (hayoshev) = wie blijft | עַל (al) = bij | הַכֵּלִ֖ים (hakelim) = de bagage | יַחְדָּ֥ו (yachdav) = samen | יַחֲלֹֽקוּ (yachaloqu) = zullen zij delen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּלִים (kelim), ‘bagage’: de spullen en uitrusting van het leger. Zie ook: Num 31:27; Joz 22:8; 1 Sam 25:13; Ps 68:13 **30:25** Zo is het gebleven vanaf die dag. David maakte het tot een voorschrift en een recht voor Israël, tot op deze dag. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | מֵֽהַיּ֥וֹם (mehayom) = vanaf de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en verder | וַיְשִׂמֶ֜הָ (vaysimeha) = en hij maakte het | לְחֹ֤ק (lechoq) = tot een voorschrift | וּלְמִשְׁפָּט֙ (ulemishpat) = en tot een recht | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = voor Israël | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹק וּמִשְׁפָּט (choq umishpat), ‘voorschrift en recht’: een vaste regel. Vergelijk de verdeling van de buit in Num. 31:25–27. Zie ook: Num 31:25–27; 1 Sam 16:13 ### David stuurt buit naar de oudsten van Juda **30:26** David kwam in Siklag. Hij stuurde een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. Hij liet zeggen: „Zie, een zegen voor jullie uit de buit van de vijanden van Yahweh.” Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | דָוִד֙ (david) = David | אֶל (el) = naar | צִ֣קְלַ֔ג (tsiqlag) = Siklag | וַיְשַׁלַּ֧ח (vayshalach) = en hij stuurde | מֵֽהַשָּׁלָ֛ל (mehashalal) = van de buit | לְזִקְנֵ֥י (leziqnei) = aan de oudsten van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְרֵעֵ֣הוּ (lereehu) = zijn vrienden | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | בְּרָכָ֔ה (berakha) = een zegen | מִשְּׁלַ֖ל (mishelal) = van de buit van | אֹיְבֵ֥י (oyevei) = de vijanden van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev. Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier een geschenk. David noemt het ‘een zegen uit de buit van de vijanden van Yahweh’. Zie ook: Gen 33:11; 1 Sam 25:27; 1 Kron 12:1–16; Ps 35:27; 2 Kor 9:5 **30:27** Hij stuurde het aan wie in Betel waren, aan wie in Ramot in de Negev waren, aan wie in Jattir waren, Brontekst: לַאֲשֶׁ֧ר (laasher) = aan wie | בְּבֵֽית (beveit) = in Bet | אֵ֛ל (el) = El | וְלַאֲשֶׁ֥ר (velaasher) = en aan wie | בְּרָמֽוֹת (beramot) = in Ramot | נֶ֖גֶב (negev) = de Negev | וְלַאֲשֶׁ֥ר (velaasher) = en aan wie | בְּיַתִּֽר (beyatir) = in Jattir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dit Betel is niet het Betel in het noorden. Het ligt in het zuiden van Juda. Het is waarschijnlijk Betul (Joz. 19:4), maar dat is onzeker. Ramot in de Negev is onzeker. Jattir is Khirbet Attir, in het zuiden van de Westelijke Jordaanoever. Zie ook: Gen 28:19; Joz 15:48; Joz 19:4; Joz 19:8; Joz 21:14; Re 1:22–23 **30:28** aan wie in Aroër waren, aan wie in Sifmot waren, aan wie in Estemoa waren, Brontekst: וְלַאֲשֶׁ֧ר (velaasher) = en aan wie | בַּעֲרֹעֵ֛ר (baaroer) = in Aroër | וְלַאֲשֶׁ֥ר (velaasher) = en aan wie | בְּשִֽׂפְמ֖וֹת (besifmot) = in Sifmot | וְלַאֲשֶׁ֥ר (velaasher) = en aan wie | בְּאֶשְׁתְּמֹֽעַ (beeshtemoa) = in Estemoa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aroër ligt in de Negev, waarschijnlijk bij Khirbet Arara (Israël). Dit is niet het Aroër in Moab. Sifmot is onzeker. Estemoa ligt bij es-Samu (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Joz 13:16; Joz 15:50; Joz 21:14 **30:29** aan wie in Rachal waren, aan wie in de steden van de Jerachmeëlieten waren, aan wie in de steden van de Kenieten waren, Brontekst: וְלַאֲשֶׁ֣ר (velaasher) = en aan wie | בְּרָכָ֗ל (berakhal) = in Rachal | וְלַֽאֲשֶׁר֙ (velaasher) = en aan wie | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | הַיְּרַחְמְאֵלִ֔י (hayerachmeeli) = de Jerachmeëliet | וְלַאֲשֶׁ֖ר (velaasher) = en aan wie | בְּעָרֵ֥י (bearei) = in de steden van | הַקֵּינִֽי (haqeini) = de Keniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rachal is onzeker. De Jerachmeëlieten en de Kenieten wonen in het zuiden van Juda. Zie ook: Re 1:16; 1 Sam 15:6; 1 Sam 23:19; 1 Sam 27:10 **30:30** aan wie in Chorma waren, aan wie in Bor-Asan waren, aan wie in Atak waren, Brontekst: וְלַאֲשֶׁ֧ר (velaasher) = en aan wie | בְּחָרְמָ֛ה (becharema) = in Chorma | וְלַאֲשֶׁ֥ר (velaasher) = en aan wie | בְּבוֹר (bevor) = in Bor | עָשָׁ֖ן (ashan) = Asan | וְלַאֲשֶׁ֥ר (velaasher) = en aan wie | בַּעֲתָֽךְ (baatakh) = in Atak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chorma ligt in de Negev; de ligging is onzeker (Joz. 15:30). Bor-Asan is waarschijnlijk Asan (Joz. 15:42; 19:7). Atak is onzeker; sommigen denken aan Eter (Joz. 19:7). Zie ook: Num 14:45; Joz 15:30; Joz 15:42; Joz 19:4; Joz 19:7; Re 1:17 **30:31** aan wie in Hebron waren, en aan alle plaatsen waar David en zijn mannen rondgetrokken waren. Brontekst: וְלַאֲשֶׁ֖ר (velaasher) = en aan wie | בְּחֶבְר֑וֹן (bechevron) = in Hebron | וּֽלְכָל (ulekhal) = en aan alle | הַמְּקֹמ֛וֹת (hameqomot) = de plaatsen | אֲשֶֽׁר (asher) = waar | הִתְהַלֶּךְ (hithalekh) = rondtrok | שָׁ֥ם (sham) = daar | דָּוִ֖ד (david) = David | ה֥וּא (hu) = hij | וַאֲנָשָֽׁיו (vaanashav) = en zijn mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron is het huidige al-Khalil (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Joz 14:13–15; 2 Sam 2:1; 2 Sam 2:4; 2 Sam 4:1; 2 Sam 15:10 ## 1 Samuël 31 _De dood van Saul en zijn zonen_ ### De slag op de Gilboa **31:1** De Filistijnen streden tegen Israël. De mannen van Israël sloegen op de vlucht voor de Filistijnen. Zij vielen gesneuveld op de berg Gilboa. Brontekst: וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | נִלְחָמִ֣ים (nilchamim) = streden | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיָּנֻ֜סוּ (vayanusu) = en vluchtten | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en zij vielen | חֲלָלִ֖ים (chalalim) = gesneuveld | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | הַגִּלְבֹּֽעַ (hagilboa) = Gilboa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Gilboa is het bergland ten zuiden van de vlakte van Jizreël (Israël en de Westelijke Jordaanoever). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘gesneuvelden’ (חללים, chalalim): wie door het zwaard is gevallen. Voetnoot : Zo komt uit wat in 1 Sam. 28:19 was aangekondigd: de nederlaag van Israël en de dood van Saul en zijn zonen. Zie ook: 1 Sam 12:25; 1 Sam 28:4; 1 Sam 28:15; 1 Sam 28:19; 2 Sam 1:21; 1 Kron 10:1–12 **31:2** De Filistijnen zetten Saul en zijn zonen hard achterna. Zij sloegen Jonatan, Abinadab en Malkisua, de zonen van Saul. Brontekst: וַיַּדְבְּק֣וּ (vayadbequ) = en zij zetten achterna | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וַיַּכּ֣וּ (vayaku) = en zij sloegen | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹנָתָ֧ן (yehonatan) = Jonatan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִינָדָ֛ב (avinadav) = Abinadab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכִּי (malki) = Malki | שׁ֖וּעַ (shua) = sua | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Malkisua is de Hebreeuwse naam מַלְכִּי־שׁוּעַ (Malki-shua). Isjwi komt hier niet voor. Is-Bosjet leeft nog (2 Sam. 2:8). Zie ook: 1 Sam 13:16; 1 Sam 14:49; 1 Sam 18:1–4; 2 Sam 2:8; 1 Kron 8:33; 1 Kron 9:39 **31:3** De strijd werd zwaar voor Saul. De schutters, mannen met de boog, vonden hem. Hij werd zwaar gewond door de schutters. Brontekst: וַתִּכְבַּ֤ד (vatikhbad) = en werd zwaar | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de strijd | אֶל (el) = tegen | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיִּמְצָאֻ֥הוּ (vayimtsauhu) = en vonden hem | הַמּוֹרִ֖ים (hamorim) = de schutters | אֲנָשִׁ֣ים (anashim) = mannen | בַּקָּ֑שֶׁת (baqashet) = met de boog | וַיָּ֥חֶל (vayachel) = en hij werd gewond | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | מֵהַמּוֹרִֽים (mehamorim) = door de schutters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַיָּחֶל (vayyachel) kan van twee werkwoorden komen. Het kan ‘hij werd gewond’ betekenen, of ‘hij beefde van angst’. Wij kiezen ‘hij werd zwaar gewond’, omdat de schutters hem troffen en Saul daarna vraagt om gedood te worden. Zie ook: Gen 49:23; 2 Sam 1:4; 2 Sam 1:6; 1 Kon 22:34; Amos 2:14 **31:4** Saul zei tegen de jongen die zijn wapens droeg: „Trek je zwaard en steek mij ermee door. Anders komen deze onbesnedenen, steken mij door en mishandelen mij.” Maar de jongen die zijn wapens droeg, wilde het niet. Want hij was zeer bang. Toen nam Saul het zwaard en viel erop. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁאוּל֩ (shaul) = Saul | לְנֹשֵׂ֨א (lenose) = tegen de drager van | כֵלָ֜יו (kelav) = zijn wapens | שְׁלֹ֥ף (shelof) = trek | חַרְבְּךָ֣ (charbekha) = je zwaard | וְדָקְרֵ֣נִי (vedaqereni) = en steek mij door | בָ֗הּ (bah) = ermee | פֶּן (pen) = anders | יָ֠בוֹאוּ (yavou) = zullen komen | הָעֲרֵלִ֨ים (haarelim) = de onbesnedenen | הָאֵ֤לֶּה (haele) = deze | וּדְקָרֻ֨נִי֙ (udeqaruni) = en mij doorsteken | וְהִתְעַלְּלוּ (vehitalelu) = en mishandelen | בִ֔י (bi) = mij | וְלֹ֤א (velo) = en niet | אָבָה֙ (ava) = wilde | נֹשֵׂ֣א (nose) = de drager van | כֵלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | כִּ֥י (ki) = want | יָרֵ֖א (yare) = hij was bang | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֔רֶב (hacherev) = het zwaard | וַיִּפֹּ֖ל (vayipol) = en hij viel | עָלֶֽיהָ (aleiha) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֲרֵלִים (ha’arelim), ‘de onbesnedenen’: zo heten de Filistijnen ook in 1 Sam. 14:6 en 17:26. Voetnoot : הִתְעַלֵּל (hit’allel), ‘mishandelen’: iemand pijn doen en vernederen. Voetnoot : דָּקַר (daqar), ‘doorsteken’: met een zwaard of speer doorboren. Voetnoot Lezing: Het verhaal van Sauls dood verschilt van het verhaal van de Amalekiet in 2 Sam. 1:6–10. Wij vertalen hier de tekst van dit hoofdstuk letterlijk. Zie ook: Re 9:54; 1 Sam 14:6; 1 Sam 17:26; 2 Sam 1:6; 2 Sam 1:9–10; 2 Sam 1:20; 2 Sam 17:23 **31:5** De jongen die zijn wapens droeg, zag dat Saul dood was. Ook hij viel op zijn zwaard en stierf met hem. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | נֹשֵֽׂא (nose) = de drager van | כֵלָ֖יו (kelav) = zijn wapens | כִּ֣י (ki) = dat | מֵ֣ת (met) = dood was | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en hij viel | גַּם (gam) = ook | ה֛וּא (hu) = hij | עַל (al) = op | חַרְבּ֖וֹ (charbo) = zijn zwaard | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en hij stierf | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 10:5 **31:6** Zo stierven Saul, zijn drie zonen, de jongen die zijn wapens droeg, en ook al zijn mannen, op die dag samen. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | שָׁא֡וּל (shaul) = Saul | וּשְׁלֹ֣שֶׁת (usheloshet) = en drie | בָּנָיו֩ (banav) = zijn zonen | וְנֹשֵׂ֨א (venose) = en de drager van | כֵלָ֜יו (kelav) = zijn wapens | גַּ֧ם (gam) = ook | כָּל (kal) = al | אֲנָשָׁ֛יו (anashav) = zijn mannen | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Al zijn mannen’ zijn de mannen die bij Saul waren. Vers 7 laat zien dat andere mannen van Israël bleven leven. Zie ook: 1 Sam 4:10–11; 1 Sam 11:15; 1 Sam 12:17; 1 Sam 28:19; 1 Sam 31:7; Hos 13:10–11 **31:7** De mannen van Israël aan de overkant van het dal en aan de overkant van de Jordaan zagen dat de mannen van Israël gevlucht waren. Zij zagen ook dat Saul en zijn zonen dood waren. Zij verlieten de steden en vluchtten. De Filistijnen kwamen en gingen daarin wonen. Brontekst: וַיִּרְא֣וּ (vayiru) = en zagen | אַנְשֵֽׁי (anshei) = de mannen van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּעֵ֨בֶר (beever) = aan de overkant van | הָעֵ֜מֶק (haemeq) = het dal | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֗ן (hayarden) = de Jordaan | כִּֽי (ki) = dat | נָ֨סוּ֙ (nasu) = gevlucht waren | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְכִי (vekhi) = en dat | מֵ֖תוּ (metu) = dood waren | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | וּבָנָ֑יו (uvanav) = en zijn zonen | וַיַּעַזְב֤וּ (vayaazvu) = en zij verlieten | אֶת (et) = (obj.) | הֶֽעָרִים֙ (hearim) = de steden | וַיָּנֻ֔סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיֵּֽשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en woonden | בָּהֶֽן (bahen) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘Het dal’ is waarschijnlijk de vlakte van Jizreël (Israël). ‘Aan de overkant van de Jordaan’ ligt ten oosten van de rivier. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Lev 26:32; Lev 26:36; Deut 28:33; Re 6:2; 1 Sam 13:6 ### De Filistijnen ontkleden de gevallenen **31:8** De volgende dag kwamen de Filistijnen om de gesneuvelden uit te kleden. Zij vonden Saul en zijn drie zonen, gevallen op de berg Gilboa. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | לְפַשֵּׁ֖ט (lefashet) = om uit te kleden | אֶת (et) = (obj.) | הַחֲלָלִ֑ים (hachalalim) = de gesneuvelden | וַֽיִּמְצְא֤וּ (vayimtseu) = en zij vonden | אֶת (et) = (obj.) | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | נֹפְלִ֖ים (nofelim) = gevallen | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | הַגִּלְבֹּֽעַ (hagilboa) = Gilboa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gilboa: De Gilboa is een bergrug aan de zuidoostkant van de vallei van Jizreël. Zie ook: 1 Kron 10:8; 2 Kron 20:25 **31:9** Zij hakten zijn hoofd af en trokken hem zijn wapens uit. Zij stuurden boden rond in het land van de Filistijnen. Die brachten het goede nieuws aan het huis van hun afgoden en aan het volk. Brontekst: וַֽיִּכְרְתוּ֙ (vayikhretu) = en zij hakten af | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיַּפְשִׁ֖יטוּ (vayafshitu) = en zij kleedden uit | אֶת (et) = (obj.) | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn wapens | וַיְשַׁלְּח֨וּ (vayshalechu) = en zij stuurden | בְאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | פְּלִשְׁתִּ֜ים (pelishtim) = de Filistijnen | סָבִ֗יב (saviv) = rondom | לְבַשֵּׂ֛ר (levaser) = om goed nieuws te brengen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | עֲצַבֵּיהֶ֖ם (atsabeihem) = hun afgoden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: לְבַשֵּׂר (levasser), ‘goed nieuws brengen’: het werkwoord dat ook voor een blijde boodschap staat. Hier is het nieuws goed voor de Filistijnen. Het Hebreeuws noemt geen voorwerp bij ‘zij stuurden’; wij vullen ‘boden’ aan. Zie ook: Re 16:23–24; 1 Sam 17:54; 1 Sam 31:4; 2 Sam 1:20; 1 Kron 10:9–10 **31:10** Zij legden zijn wapens in het huis van de Astarten. Zijn lichaam bevestigden zij aan de muur van Bet-Sean. Brontekst: וַיָּשִׂ֨מוּ֙ (vayasimu) = en zij legden | אֶת (et) = (obj.) | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | בֵּ֖ית (beit) = in het huis van | עַשְׁתָּר֑וֹת (ashtarot) = de Astarten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּוִיָּתוֹ֙ (geviyato) = zijn lichaam | תָּקְע֔וּ (taqeu) = bevestigden zij | בְּחוֹמַ֖ת (bechomat) = aan de muur van | בֵּ֥ית (beit) = Bet | שָֽׁן (shan) = Sean Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Sean is Tel Bet-Sean, in de vallei van Bet-Sean (Israël). Het huis van de Astarten stond waarschijnlijk in die stad. Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea. Voetnoot Uitleg: עַשְׁתָּרוֹת (ashtarot), ‘Astarten’: de vrouwelijke godinnen die de Kanaänieten en Filistijnen vereerden. Zie ook: Joz 17:11; Re 2:13; 1 Sam 7:3; 1 Sam 21:10; 2 Sam 21:12–14 ### Jabes in Gilead haalt de lichamen weg **31:11** De inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan. Brontekst: וַיִּשְׁמְע֣וּ (vayishmeu) = en hoorden | אֵלָ֔יו (elav) = over hem | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = de inwoners van | יָבֵ֣ישׁ (yaveish) = Jabes | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשׂ֥וּ (asu) = hadden gedaan | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | לְשָׁאֽוּל (leshaul) = aan Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan; de ligging is onzeker (zie 1 Sam. 11:1). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Saul had Jabes eens gered van de Ammonieten (1 Sam. 11:1–11). Zie ook: 1 Sam 11:1–11; 2 Sam 2:4 **31:12** Alle dappere mannen stonden op en liepen de hele nacht. Zij haalden het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen van de muur van Bet-Sean. Zij kwamen in Jabes en verbrandden hen daar. Brontekst: וַיָּק֜וּמוּ (vayaqumu) = en zij stonden op | כָּל (kal) = alle | אִ֣ישׁ (ish) = mannen van | חַיִל֮ (chayil) = kracht | וַיֵּלְכ֣וּ (vayelekhu) = en zij gingen | כָל (kal) = heel | הַלַּיְלָה֒ (halayla) = de nacht | וַיִּקְח֞וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | גְּוִיַּ֣ת (geviyat) = het lichaam van | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | גְּוִיֹּ֣ת (geviyot) = de lichamen van | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | מֵחוֹמַ֖ת (mechomat) = van de muur van | בֵּ֣ית (beit) = Bet | שָׁ֑ן (shan) = Sean | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | יָבֵ֔שָׁה (yavesha) = naar Jabes | וַיִּשְׂרְפ֥וּ (vayisrefu) = en zij verbrandden | אֹתָ֖ם (otam) = hen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea. Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Gewoonlijk werden doden begraven (Gen. 23:19). Hier verbranden de mannen de lichamen en begraven zij de beenderen. Vergelijk 2 Sam. 2:4–7 en 2 Sam. 21:12–14, waar David hun daad prijst en de beenderen later naar het graf van Kis laat brengen. Zie ook: Gen 23:19; 2 Sam 2:4–7; 2 Sam 21:12–14; 2 Kron 16:14; Amos 6:10; Jer 34:5 **31:13** Zij namen hun beenderen en begroeven die onder de tamarisk in Jabes. Zij vastten zeven dagen. Brontekst: וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | עַצְמֹ֣תֵיהֶ֔ם (atsmoteihem) = hun beenderen | וַיִּקְבְּר֥וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | תַֽחַת (tachat) = onder | הָאֶ֖שֶׁל (haeshel) = de tamarisk | בְּיָבֵ֑שָׁה (beyavesha) = in Jabes | וַיָּצֻ֖מוּ (vayatsumu) = en zij vastten | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אֵשֶׁל (eshel), ‘tamarisk’: een boom die in de woestijn en de Negev groeit. De mannen vasten zeven dagen als teken van rouw. Zie ook: Gen 50:10; 1 Sam 22:6; 2 Sam 1:12; 2 Sam 2:4–5; 2 Sam 21:12–14