# 1 Kronieken (דברי הימים א, Divrei haYamim I) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## 1 Kronieken 1 _Van Adam tot de stamhoofden van Edom_ ### Van Adam tot de zonen van Noach **1:1** Adam, Seth, Enosh, Brontekst: אָדָ֥ם (adam) = Adam | שֵׁ֖ת (shet) = Seth | אֱנֽוֹשׁ (enosh) = Enosh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In deze verzen staat alleen een rij namen, zonder ‘zoon van’ of ‘werd de vader van’. Wij laten de rij zoals zij is. Dezelfde namen staan in Gen. 5:3–32, daar met de woorden die de verwantschap aanduiden. Voetnoot : De lijst in dit hoofdstuk loopt grotendeels gelijk met Genesis. Waar de Hebreeuwse spelling van een naam in Kronieken afwijkt van Genesis, houden wij de vorm van Kronieken en noemen wij de vorm uit Genesis in een voetnoot. Zie ook: Gen 4:25–5:32; Gen 5:3–32; Luc 3:38 **1:2** Kenan, Mahalalël, Jered, Brontekst: קֵינָ֥ן (qeinan) = Kenan | מַהֲלַלְאֵ֖ל (mahalalel) = Mahalalël | יָֽרֶד (yared) = Jered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 5:9; Gen 5:12–20; Luc 3:37 **1:3** Henoch, Metuselach, Lemech, Brontekst: חֲנ֥וֹךְ (chanokh) = Henoch | מְתוּשֶׁ֖לַח (metushelach) = Metuselach | לָֽמֶךְ (lamekh) = Lemech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 5:21–31; Luc 3:36–37; Heb 11:5; Jud 1:14 **1:4** Noach, Sem, Cham en Jafeth. Brontekst: נֹ֥חַ (noach) = Noach | שֵׁ֖ם (shem) = Sem | חָ֥ם (cham) = Cham | וָיָֽפֶת (vayafet) = en Jafeth Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 5:32; Gen 7:1; Gen 9:18; Gen 9:29; Luc 3:36 ### De zonen van Jafeth **1:5** De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יֶ֔פֶת (yefet) = Jafeth | גֹּ֣מֶר (gomer) = Gomer | וּמָג֔וֹג (umagog) = en Magog | וּמָדַ֖י (umaday) = en Madai | וְיָוָ֣ן (veyavan) = en Javan | וְתֻבָ֑ל (vetuval) = en Tubal | וּמֶ֖שֶׁךְ (umeshekh) = en Mesech | וְתִירָֽס (vetiras) = en Tiras Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 5–23 lopen parallel met Gen. 10:2–29. Kronieken laat de verhalende toevoegingen van Genesis weg en geeft alleen de namen. Zie ook: Gen 10:1–5; Gen 10:2–29; Ezech 27:13; Ezech 38:2–3; Ezech 38:6; Ezech 39:1 **1:6** De zonen van Gomer waren Askenaz, Difat en Togarma. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | גֹּ֑מֶר (gomer) = Gomer | אַשְׁכֲּנַ֥ז (ashkanaz) = Askenaz | וְדִיפַ֖ת (vedifat) = en Difat | וְתוֹגַרְמָֽה (vetogarma) = en Togarma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִיפַת (Difat): in Gen. 10:3 staat רִיפַת (Rifat). De Hebreeuwse letters dalet (ד) en resh (ר) lijken sterk op elkaar. Wij houden de vorm van Kronieken. Zie ook: Gen 10:3 **1:7** De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, de Kittim en de Rodanim. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יָוָ֖ן (yavan) = Javan | אֱלִישָׁ֣ה (elisha) = Elisa | וְתַרְשִׁ֑ישָׁה (vetarshisha) = en Tarsis | כִּתִּ֖ים (kitim) = Kittim | וְרוֹדָנִֽים (verodanim) = en Rodanim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוֹדָנִים (Rodanim): in Gen. 10:4 staat דֹּדָנִים (Dodanim). Ook hier lijken de letters ד en ר op elkaar. Wij houden de vorm van Kronieken. Voetnoot : תַּרְשִׁישָׁה (Tarsis): hier met de uitgang ־ָה (-ah); in Gen. 10:4 staat תַּרְשִׁישׁ. Het is dezelfde naam. Zie ook: Gen 10:4; Num 24:24; Ps 72:10; Jes 23:12; Jes 66:19; Dan 11:30 ### De zonen van Cham **1:8** De zonen van Cham waren Kush, Misraïm, Put en Kanaän. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | חָ֑ם (cham) = Cham | כּ֥וּשׁ (kush) = Kush | וּמִצְרַ֖יִם (umitsrayim) = en Misraïm | פּ֥וּט (put) = Put | וּכְנָֽעַן (ukhenaan) = en Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:6–7 **1:9** De zonen van Kush waren Seba, Havila, Sabta, Raäma en Sabteka. De zonen van Raäma waren Sjeba en Dedan. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | כ֔וּשׁ (kush) = Kush | סְבָא֙ (seva) = Seba | וַחֲוִילָ֔ה (vachavila) = en Havila | וְסַבְתָּ֥א (vesavta) = en Sabta | וְרַעְמָ֖א (verama) = en Raäma | וְסַבְתְּכָ֑א (vesavtekha) = en Sabteka | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | רַעְמָ֖א (rama) = Raäma | שְׁבָ֥א (sheva) = Sjeba | וּדְדָֽן (udedan) = en Dedan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְבָא (Seba) en שְׁבָא (Sjeba) zijn twee verschillende namen. De naam Sjeba komt in dit hoofdstuk drie keer voor: hier als zoon van Raäma, in vers 22 als zoon van Joktan en in vers 32 als zoon van Joksjan. Vergelijk Gen. 10:7, 10:28 en 25:3. Zie ook: Gen 10:7; Gen 10:28; Gen 25:3; 1 Kron 1:22; 1 Kron 1:32 **1:10** Kush werd de vader van Nimrod. Hij begon een held te zijn op de aarde. Brontekst: וְכ֖וּשׁ (vekhush) = en Kush | יָלַ֣ד (yalad) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | נִמְר֑וֹד (nimrod) = Nimrod | ה֣וּא (hu) = hij | הֵחֵ֔ל (hechel) = begon | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | גִּבּ֖וֹר (gibor) = held | בָּאָֽרֶץ (baarets) = op de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר (gibbor), ‘held’: iemand met kracht en gezag. Gen. 10:8–12 vertelt veel meer over Nimrod: dat hij een machtig jager was en welke steden zijn koninkrijk vormden. Kronieken noemt alleen dat hij begon een held te zijn. Zie ook: Gen 10:8–12; Mi 5:5 **1:11** Misraïm werd de vader van de Ludim, de Anamim, de Lehabim en de Naftuchim, Brontekst: וּמִצְרַ֡יִם (umitsrayim) = en Misraïm | יָלַ֞ד (yalad) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | לוּדִ֧ים (ludim) = de Ludim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲנָמִ֛ים (anamim) = de Anamim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לְהָבִ֖ים (lehavim) = de Lehabim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נַפְתֻּחִֽים (naftuchim) = de Naftuchim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft לודיים (Ludijim), de gelezen tekst (qere) לוּדִים (Ludim). Wij volgen de qere. Zo staat het ook in Gen. 10:13. Zie ook: Gen 10:13–18 **1:12** de Patrusim, de Kasluchim, waaruit de Filistijnen zijn voortgekomen, en de Kaftorim. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | פַּתְרֻסִ֞ים (patrusim) = de Patrusim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּסְלֻחִ֗ים (kasluchim) = de Kasluchim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָצְא֥וּ (yatseu) = zijn uitgegaan | מִשָּׁ֛ם (misham) = vandaar | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּפְתֹּרִֽים (kaftorim) = de Kaftorim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kaftor (כַּפְתּוֹר) ligt waarschijnlijk in of bij de Egeïsche Zee; vaak wordt aan Kreta gedacht. De ligging is onzeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: De Filistijnen worden hier afgeleid van de Kasluchim, zoals in Gen. 10:14. Elders komen zij uit Kaftor (Amos 9:7; Jer. 47:4). De tekst legt niet uit hoe deze twee aanduidingen samengaan. Zie ook: Gen 10:14; Deut 2:23; Amos 9:7; Jer 47:4 **1:13** Kanaän werd de vader van Sidon, zijn eerstgeborene, en van Het, Brontekst: וּכְנַ֗עַן (ukhenaan) = en Kanaän | יָלַ֛ד (yalad) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | צִיד֥וֹן (tsidon) = Sidon | בְּכֹר֖וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֵֽת (chet) = Het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sidon (צִידוֹן) was een havenstad aan de kust van het huidige Libanon (Saïda). Voetnoot Uitleg: חֵת (Het) is de stamvader van de Hetieten. Zie Gen. 10:15. Zie ook: Gen 9:22; Gen 9:25–26; Gen 10:15–19; Gen 23:3; Gen 27:46 **1:14** de Jebusiet, de Amoriet en de Girgasiet, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיְבוּסִי֙ (hayvusi) = de Jebusiet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָ֣אֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הַגִּרְגָּשִֽׁי (hagirgashi) = de Girgasiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:21; Ex 34:11; Joz 3:10; Joz 24:15; Amos 2:9 **1:15** de Chiviet, de Arkiet en de Siniet, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחִוִּ֥י (hachivi) = de Chiviet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽעַרְקִ֖י (haarqi) = de Arkiet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסִּינִֽי (hasini) = de Siniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Ex 3:17; Ex 13:5; 1 Kon 9:20 **1:16** de Arvadiet, de Zemariet en de Chamatiet. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַרְוָדִ֥י (haarvadi) = de Arvadiet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַצְּמָרִ֖י (hatsemari) = de Zemariet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽחֲמָתִֽי (hachamati) = de Chamatiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 34:8; 1 Kon 8:65 ### De zonen van Sem **1:17** De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpachsad, Lud, Aram, Us, Chul, Gether en Mesech. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שֵׁ֔ם (shem) = Sem | עֵילָ֣ם (eilam) = Elam | וְאַשּׁ֔וּר (veashur) = en Assur | וְאַרְפַּכְשַׁ֖ד (vearpakhshad) = en Arpachsad | וְל֣וּד (velud) = en Lud | וַאֲרָ֑ם (vaaram) = en Aram | וְע֥וּץ (veuts) = en Us | וְח֖וּל (vechul) = en Chul | וְגֶ֥תֶר (vegeter) = en Gether | וָמֶֽשֶׁךְ (vameshekh) = en Mesech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:22 noemt vijf zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram. In Gen. 10:23 volgen dan Us, Chul, Gether en Mas als zonen van Aram. Kronieken zet alle negen namen achter elkaar, zonder te zeggen dat de laatste vier zonen van Aram zijn. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot Lezing: De laatste naam is hier מֶשֶׁךְ (Mesech), dezelfde schrijfwijze als bij de zoon van Jafeth in vers 5. In Gen. 10:23 staat מַשׁ (Mas). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 10:22–32; Gen 10:23; Num 24:22–24; 1 Kron 1:5; Jes 11:11; Jes 66:19; Ezech 27:10 **1:18** Arpachsad werd de vader van Selach, en Selach werd de vader van Eber. Brontekst: וְאַרְפַּכְשַׁ֖ד (vearpakhshad) = en Arpachsad | יָלַ֣ד (yalad) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שָׁ֑לַח (shalach) = Selach | וְשֶׁ֖לַח (veshelach) = en Selach | יָלַ֥ד (yalad) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֵֽבֶר (ever) = Eber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In deze lijst volgt Selach direct op Arpachsad, zoals ook in Gen. 10:24 en 11:12. Lukas 3:35–36 noemt tussen Arpachsad en Selach nog een Kainam. Zie ook: Gen 10:24; Gen 11:12–15; Luc 3:35–36 **1:19** Aan Eber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld. De naam van zijn broer was Joktan. Brontekst: וּלְעֵ֥בֶר (uleever) = en aan Eber | יֻלַּ֖ד (yulad) = werden geboren | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee van | בָנִ֑ים (banim) = zonen | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | הָאֶחָ֞ד (haechad) = de ene | פֶּ֗לֶג (peleg) = Peleg | כִּ֤י (ki) = want | בְיָמָיו֙ (beyamav) = in zijn dagen | נִפְלְגָ֣ה (niflega) = werd verdeeld | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | יָקְטָֽן (yaqetan) = Joktan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּלֶג (Peleg), ‘verdeling’: de naam hoort bij het werkwoord נִפְלְגָה (niflegah), ‘werd verdeeld’. Zie ook Gen. 10:25 en 11:16–19. Het Hebreeuwse woord הָאָרֶץ (ha’arets) kan ‘de aarde’ of ‘het land’ betekenen. Wij vertalen zoals in Gen. 10:25. Zie ook: Gen 10:21; Gen 10:25; Gen 11:16–17; Num 24:24 **1:20** Joktan werd de vader van Almodad, Sjelef, Chazarmaveth, Jerach, Brontekst: וְיָקְטָ֣ן (veyaqetan) = en Joktan | יָלַ֔ד (yalad) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אַלְמוֹדָ֖ד (almodad) = Almodad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שָׁ֑לֶף (shalef) = Sjelef | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲצַרְמָ֖וֶת (chatsarmavet) = Chazarmaveth | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יָֽרַח (yarach) = Jerach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:26–27 **1:21** Hadoram, Uzal, Dikla, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הֲדוֹרָ֥ם (hadoram) = Hadoram | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אוּזָ֖ל (uzal) = Uzal | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דִּקְלָֽה (diqla) = Dikla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:22** Ebal, Abimaël, Sjeba, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵיבָ֥ל (eival) = Ebal | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִימָאֵ֖ל (avimael) = Abimaël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁבָֽא (sheva) = Sjeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵיבָל (Ebal): in Gen. 10:28 staat עוֹבָל (Obal). Wij houden de vorm van Kronieken. Dezelfde schrijfwijze Ebal komt ook voor in vers 40 (een zoon van Sobal). Zie ook: Gen 10:28; 1 Kron 1:40 **1:23** Ofir, Havila en Jobab. Al deze waren zonen van Joktan. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אוֹפִ֥יר (ofir) = Ofir | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲוִילָ֖ה (chavila) = Havila | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יוֹבָ֑ב (yovav) = Jobab | כָּל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יָקְטָֽן (yaqetan) = Joktan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 15:7; 1 Kron 29:4; Ps 45:10; 1 Kon 9:28; Jes 13:12 ### Van Sem tot Abraham **1:24** Sem, Arpachsad, Selach, Brontekst: שֵׁ֥ם (shem) = Sem | אַרְפַּכְשַׁ֖ד (arpakhshad) = Arpachsad | שָֽׁלַח (shalach) = Selach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 24–27 vatten de lijn van Sem tot Abraham samen. Vergelijk Gen. 11:10–26. Zie ook: Gen 11:10–26; Luc 3:34–36 **1:25** Eber, Peleg, Reü, Brontekst: עֵ֥בֶר (ever) = Eber | פֶּ֖לֶג (peleg) = Peleg | רְעֽוּ (reu) = Reü Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 3:35 **1:26** Serug, Nachor, Terach, Brontekst: שְׂר֥וּג (serug) = Serug | נָח֖וֹר (nachor) = Nachor | תָּֽרַח (tarach) = Terach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 3:34–35 **1:27** Abram, hij is Abraham. Brontekst: אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | ה֥וּא (hu) = hij | אַבְרָהָֽם (avraham) = Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abram heet Abraham sinds Gen. 17:5. Zie ook: Gen 11:27–32; Gen 17:5; Joz 24:2; Neh 9:7 ### De zonen van Abraham **1:28** De zonen van Abraham waren Isaak en Ismaël. Brontekst: בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | וְיִשְׁמָעֵֽאל (veyishmael) = en Ismaël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:11–16; Gen 17:19–21; Gen 21:2–5; Gen 21:9–10; Gen 21:12 **1:29** Dit is hun geschiedenis: Nebajot was de eerstgeborene van Ismaël, dan Kedar, Adbeël, Mibsam, Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit | תֹּלְדוֹתָ֑ם (toledotam) = hun geschiedenis | בְּכ֤וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | יִשְׁמָעֵאל֙ (yishmael) = Ismaël | נְבָי֔וֹת (nevayot) = Nebajot | וְקֵדָ֥ר (veqedar) = en Kedar | וְאַדְבְּאֵ֖ל (veadbeel) = en Adbeël | וּמִבְשָֽׂם (umivsam) = en Mibsam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּלְדוֹתָם (toledotam), ‘hun geschiedenis’: de afstammelingen en hun verhaal. Zo ook in Gen. 25:12 en 36:1. Voetnoot : De verzen 29–31 lopen gelijk met Gen. 25:13–16, de verzen 32–33 met Gen. 25:1–4. Zie ook: Gen 25:1–4; Gen 25:12–16; Gen 25:13–16; Gen 28:9; Gen 36:1; Ps 120:4; Hoogl 1:5; Jes 21:17 **1:30** Misjma, Duma, Massa, Chadad, Tema, Brontekst: מִשְׁמָ֣ע (mishma) = Misjma | וְדוּמָ֔ה (veduma) = en Duma | מַשָּׂ֖א (masa) = Massa | חֲדַ֥ד (chadad) = Chadad | וְתֵימָֽא (veteima) = en Tema Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:15; Jes 21:11 **1:31** Jetur, Nafisj en Kedma. Dit zijn de zonen van Ismaël. Brontekst: יְט֥וּר (yetur) = Jetur | נָפִ֖ישׁ (nafish) = Nafisj | וָקֵ֑דְמָה (vaqedema) = en Kedma | אֵ֥לֶּה (ele) = dit | הֵ֖ם (hem) = zij | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׁמָעֵֽאל (yishmael) = Ismaël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:32** De zonen van Ketura, de bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisjbak en Sjuach. De zonen van Joksjan waren Sjeba en Dedan. Brontekst: וּבְנֵ֨י (uvenei) = en de zonen van | קְטוּרָ֜ה (qetura) = Ketura | פִּילֶ֣גֶשׁ (pilegesh) = bijvrouw van | אַבְרָהָ֗ם (avraham) = Abraham | יָלְדָ֞ה (yaleda) = zij baarde | אֶת (et) = (obj.) | זִמְרָ֧ן (zimran) = Zimran | וְיָקְשָׁ֛ן (veyaqeshan) = en Joksjan | וּמְדָ֥ן (umedan) = en Medan | וּמִדְיָ֖ן (umidyan) = en Midian | וְיִשְׁבָּ֣ק (veyishbaq) = en Jisjbak | וְשׁ֑וּחַ (veshuach) = en Sjuach | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יָקְשָׁ֖ן (yaqeshan) = Joksjan | שְׁבָ֥א (sheva) = Sjeba | וּדְדָֽן (udedan) = en Dedan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ketura is in Gen. 25:1 de vrouw van Abraham en in Kronieken zijn bijvrouw (פִּילֶגֶשׁ, pilegesh). Wij vertalen zoals de tekst staat. Vergelijk Gen. 25:6. Zie ook: Gen 25:1–4; Gen 25:6; Num 22:4–7; Num 31:2; Re 6:1–6; Ps 72:15 **1:33** De zonen van Midian waren Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Al deze waren zonen van Ketura. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | מִדְיָ֗ן (midyan) = Midian | עֵיפָ֤ה (eifa) = Efa | וָעֵ֨פֶר֙ (vaefer) = en Efer | וַחֲנ֔וֹךְ (vachanokh) = en Chanoch | וַאֲבִידָ֖ע (vaavida) = en Abida | וְאֶלְדָּעָ֑ה (veeldaa) = en Eldaä | כָּל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | קְטוּרָֽה (qetura) = Ketura Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 60:6 **1:34** Abraham werd de vader van Isaak. De zonen van Isaak waren Ezau en Israël. Brontekst: וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij werd de vader van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (obj.) | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | וְיִשְׂרָאֵֽל (veyisrael) = en Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Israël is Jakob, de tweelingbroer van Ezau (Gen. 32:29). Zie ook: Gen 21:2–3; Gen 32:28; Gen 32:29; Mat 1:2; Luc 3:34; Hand 7:8 ### De zonen van Ezau **1:35** De zonen van Ezau waren Elifaz, Reüel, Jeüs, Jaëlam en Korach. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | עֵשָׂ֑ו (esav) = Ezau | אֱלִיפַ֛ז (elifaz) = Elifaz | רְעוּאֵ֥ל (reuel) = Reüel | וִיע֖וּשׁ (viush) = en Jeüs | וְיַעְלָ֥ם (veyalam) = en Jaëlam | וְקֹֽרַח (veqorach) = en Korach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:4–5; Gen 36:9–10 **1:36** De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | אֱלִיפָ֑ז (elifaz) = Elifaz | תֵּימָ֤ן (teiman) = Teman | וְאוֹמָר֙ (veomar) = en Omar | צְפִ֣י (tsefi) = Zefi | וְגַעְתָּ֔ם (vegatam) = en Gatam | קְנַ֖ז (qenaz) = Kenaz | וְתִמְנָ֥ע (vetimna) = en Timna | וַעֲמָלֵֽק (vaamaleq) = en Amalek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְפִי (Zefi): in Gen. 36:11 staat צְפוֹ (Zefo). Wij houden de vorm van Kronieken. Voetnoot : Timna wordt hier bij de zonen van Elifaz genoemd. In Gen. 36:12 is Timna een bijvrouw van Elifaz, die Amalek aan hem baarde. Kronieken zegt dat niet. Zie ook: Gen 36:11–15; Gen 36:12; 1 Kron 1:53; Amos 1:12; Jer 49:7; Jer 49:20 **1:37** De zonen van Reüel waren Nachat, Zerach, Samma en Missa. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | רְעוּאֵ֑ל (reuel) = Reüel | נַ֥חַת (nachat) = Nachat | זֶ֖רַח (zerach) = Zerach | שַׁמָּ֥ה (shama) = Samma | וּמִזָּֽה (umiza) = en Missa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zonen van Seïr **1:38** De zonen van Seïr waren Lotan, Sobal, Sibeon, Ana, Dison, Eser en Disan. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | שֵׂעִ֔יר (seir) = Seïr | לוֹטָ֥ן (lotan) = Lotan | וְשׁוֹבָ֖ל (veshoval) = en Sobal | וְצִבְע֣וֹן (vetsivon) = en Sibeon | וַֽעֲנָ֑ה (vaana) = en Ana | וְדִישֹׁ֥ן (vedishon) = en Dison | וְאֵ֖צֶר (veetser) = en Eser | וְדִישָֽׁן (vedishan) = en Disan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 38–42 lopen parallel met Gen. 36:20–28. In verschillende namen wijkt de Hebreeuwse spelling af: Homam (Gen. 36:22: Heman), Alian (Gen. 36:23: Alvan), Sefi (Gen. 36:23: Sefo), Chamran (Gen. 36:26: Hemdan) en Jaakan (Gen. 36:27: Akan). Wij houden steeds de vorm van Kronieken. Zie ook: Gen 36:20–30; Gen 36:22; Gen 36:23; Gen 36:26; Gen 36:27 **1:39** De zonen van Lotan waren Hori en Homam. De zus van Lotan was Timna. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | לוֹטָ֖ן (lotan) = Lotan | חֹרִ֣י (chori) = Hori | וְהוֹמָ֑ם (vehomam) = en Homam | וַאֲח֥וֹת (vaachot) = en de zus van | לוֹטָ֖ן (lotan) = Lotan | תִּמְנָֽע (timna) = Timna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:22; Deut 2:12; Deut 2:22 **1:40** De zonen van Sobal waren Alian, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. De zonen van Sibeon waren Ajja en Ana. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שׁוֹבָ֔ל (shoval) = Sobal | עַלְיָ֧ן (alyan) = Alian | וּמָנַ֛חַת (umanachat) = en Manachat | וְעֵיבָ֖ל (veeival) = en Ebal | שְׁפִ֣י (shefi) = Sefi | וְאוֹנָ֑ם (veonam) = en Onam | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | צִבְע֖וֹן (tsivon) = Sibeon | אַיָּ֥ה (aya) = Ajja | וַעֲנָֽה (vaana) = en Ana Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:23–24 **1:41** De zonen van Ana: Dison. De zonen van Dison waren Chamran, Esban, Jitran en Keran. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עֲנָ֖ה (ana) = Ana | דִּישׁ֑וֹן (dishon) = Dison | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | דִישׁ֔וֹן (dishon) = Dison | חַמְרָ֥ן (chamran) = Chamran | וְאֶשְׁבָּ֖ן (veeshban) = en Esban | וְיִתְרָ֥ן (veyitran) = en Jitran | וּכְרָֽן (ukheran) = en Keran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier het meervoud ‘de zonen van Ana’, maar noemt één naam: Dison. In Gen. 36:25 staat dat Ana een zoon Dison en een dochter Oholibama had. Wij vertalen zoals de tekst staat. Zie ook: Gen 36:25–26 **1:42** De zonen van Eser waren Bilhan, Saävan en Jaakan. De zonen van Dison waren Us en Aran. Brontekst: בְּֽנֵי (benei) = de zonen van | אֵ֔צֶר (etser) = Eser | בִּלְהָ֥ן (bilhan) = Bilhan | וְזַעֲוָ֖ן (vezaavan) = en Saävan | יַעֲקָ֑ן (yaaqan) = Jaakan | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | דִישׁ֖וֹן (dishon) = Dison | ע֥וּץ (uts) = Us | וַאֲרָֽן (vaaran) = en Aran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:27–28; Klaagl 4:21 ### De koningen van Edom **1:43** Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden, voordat een koning over de Israëlieten regeerde. Bela was de zoon van Beor. De naam van zijn stad was Dinhaba. Brontekst: וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit | הַמְּלָכִ֗ים (hamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | מָלְכוּ֙ (malekhu) = regeerden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | מְלָךְ (melakh) = regeerde | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | לִבְנֵ֣י (livnei) = over de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בֶּ֚לַע (bela) = Bela | בֶּן (ben) = zoon van | בְּע֔וֹר (beor) = Beor | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | דִּנְהָֽבָה (dinhava) = Dinhaba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Edom (אֱדוֹם) ligt ten zuidoosten van de Zoutzee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot : Dinhaba (דִּנְהָבָה): de ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: De verzen 43–50 lopen parallel met Gen. 36:31–39. De zin ‘voordat een koning regeerde over de Israëlieten’ staat in beide teksten. Hij kijkt dus terug vanuit de tijd van de koningen van Israël. Zie ook: Gen 36:31–43; Gen 49:10; Num 24:17–19 **1:44** Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerach, uit Bozra, regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | בָּ֑לַע (bala) = Bela | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | יוֹבָ֥ב (yovav) = Jobab | בֶּן (ben) = zoon van | זֶ֖רַח (zerach) = Zerach | מִבָּצְרָֽה (mibatsera) = uit Bozra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bozra (בָּצְרָה) lag in Edom, waarschijnlijk bij het huidige Buseirah in Jordanië. Zie ook: Amos 1:12; Jes 34:6; Jes 63:1; Mi 2:12; Jer 49:13 **1:45** Jobab stierf, en Husam uit het land van de Temanieten regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | יוֹבָ֑ב (yovav) = Jobab | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | חוּשָׁ֖ם (chusham) = Husam | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | הַתֵּימָנִֽי (hateimani) = de Temaniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Teman (תֵּימָן) is een streek of stad in Edom. De precieze ligging is onzeker. Zie Land van de Temanieten (ligging onzeker): Het land van de Temanieten lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee. Teman wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 36:11; Job 2:11 **1:46** Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats. Hij versloeg Midian op het veld van Moab. De naam van zijn stad was Avit. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | חוּשָׁ֑ם (chusham) = Husam | וַיִּמְלֹ֨ךְ (vayimlokh) = en regeerde | תַּחְתָּ֜יו (tachtav) = in zijn plaats | הֲדַ֣ד (hadad) = Hadad | בֶּן (ben) = zoon van | בְּדַ֗ד (bedad) = Bedad | הַמַּכֶּ֤ה (hamake) = die versloeg | אֶת (et) = (obj.) | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | בִּשְׂדֵ֣ה (bisde) = op het veld van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | עֲוִֽית (avit) = Avit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het veld van Moab (שְׂדֵה מוֹאָב) ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. Voetnoot : Avit (עֲוִית): de ligging is onzeker. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft עיות, de gelezen tekst (qere) עֲוִית (Avit). Wij volgen de qere. Zo staat het ook in Gen. 36:35. Zie ook: Gen 36:35 **1:47** Hadad stierf, en Samla uit Masreka regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | הֲדָ֑ד (hadad) = Hadad | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | שַׂמְלָ֖ה (samla) = Samla | מִמַּשְׂרֵקָֽה (mimasreqa) = uit Masreka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Masreka (מַשְׂרֵקָה): de ligging is onzeker. Zie ook: Gen 36:36 **1:48** Samla stierf, en Saul uit Rechobot aan de rivier regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | שַׂמְלָ֑ה (samla) = Samla | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | מֵרְחֹב֥וֹת (merechovot) = uit Rechobot | הַנָּהָֽר (hanahar) = de rivier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rechobot aan de rivier (רְחֹבוֹת הַנָּהָר): ‘de rivier’ is in de Bijbel meestal de Eufraat. Of Rechobot hier aan de Eufraat lag of aan een rivier in Edom, is onzeker. Zie ook: Gen 36:37 **1:49** Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | חָנָ֖ן (chanan) = Hanan | בֶּן (ben) = zoon van | עַכְבּֽוֹר (akhbor) = Achbor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:50** Baäl-Hanan stierf, en Hadad regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pai. De naam van zijn vrouw was Mehetabel, de dochter van Matred, de dochter van Me-Zahab. Brontekst: וַיָּ֨מָת֙ (vayamat) = en stierf | בַּ֣עַל (baal) = Baäl | חָנָ֔ן (chanan) = Hanan | וַיִּמְלֹ֤ךְ (vayimlokh) = en regeerde | תַּחְתָּיו֙ (tachtav) = in zijn plaats | הֲדַ֔ד (hadad) = Hadad | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | פָּ֑עִי (pai) = Pai | וְשֵׁ֨ם (veshem) = en de naam van | אִשְׁתּ֤וֹ (ishto) = zijn vrouw | מְהֵיטַבְאֵל֙ (meheitavel) = Mehetabel | בַּת (bat) = dochter van | מַטְרֵ֔ד (matred) = Matred | בַּ֖ת (bat) = dochter van | מֵ֥י (mei) = Me | זָהָֽב (zahav) = Zahab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְהֵיטַבְאֵל (Mehetabel) en haar voorouders staan hier hetzelfde als in Gen. 36:39. Voetnoot Lezing: In Gen. 36:39 staan in de Masoretische tekst de vormen הֲדָר (Hadar) en פָּעוּ (Pau). Kronieken heeft הֲדַד (Hadad) en פָּעִי (Pai). Wij houden de vormen van beide teksten, zoals zij staan. Zie ook: Gen 36:39 ### De stamhoofden van Edom **1:51** Hadad stierf. De stamhoofden van Edom waren: stamhoofd Timna, stamhoofd Alwa, stamhoofd Jetet, Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | הֲדָ֑ד (hadad) = Hadad | וַיִּהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | אַלּוּפֵ֣י (alufei) = stamhoofden van | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | תִּמְנָ֛ע (timna) = Timna | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | עַֽלְוָ֖ה (alva) = Alwa | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | יְתֵֽת (yetet) = Jetet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלּוּף (alluf), ‘stamhoofd’: aanvoerder van een stam of familie. Wij vertalen zoals in Gen. 36:15. Voetnoot : Gen. 36 vertelt niet dat Hadad stierf. De Masoretische tekst van Kronieken zegt dat hier wel. Daarna volgt de lijst van stamhoofden, gelijk aan Gen. 36:40–43. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft עליה, de gelezen tekst (qere) עַלְוָה (Alwa). Wij volgen de qere. Zo staat het ook in Gen. 36:40. Zie ook: Gen 36:15; Gen 36:40 **1:52** stamhoofd Oholibama, stamhoofd Ela, stamhoofd Pinon, Brontekst: אַלּ֧וּף (aluf) = stamhoofd | אָהֳלִיבָמָ֛ה (aholivama) = Oholibama | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | אֵלָ֖ה (ela) = Ela | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | פִּינֹֽן (pinon) = Pinon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:53** stamhoofd Kenaz, stamhoofd Teman, stamhoofd Mibsar, Brontekst: אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | קְנַ֛ז (qenaz) = Kenaz | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | תֵּימָ֖ן (teiman) = Teman | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | מִבְצָֽר (mivtsar) = Mibsar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:54** stamhoofd Magdiël, stamhoofd Iram. Dit zijn de stamhoofden van Edom. Brontekst: אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | מַגְדִּיאֵ֖ל (magdiel) = Magdiël | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | עִירָ֑ם (iram) = Iram | אֵ֖לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֥י (alufei) = stamhoofden van | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:41–43 ## 1 Kronieken 2 _De zonen van Israël en de afstammelingen van Juda_ ### De twaalf zonen van Israël **2:1** Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | רְאוּבֵ֤ן (reuven) = Ruben | שִׁמְעוֹן֙ (shimon) = Simeon | לֵוִ֣י (levi) = Levi | וִיהוּדָ֔ה (vihuda) = en Juda | יִשָׂשכָ֖ר (yisashkhar) = Issachar | וּזְבֻלֽוּן (uzevulun) = en Zebulon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Israël is hier Jakob. Zijn twaalf zonen staan ook in Gen. 35:23–26 en Exod. 1:2–4, daar in een andere volgorde. Kronieken werkt de stammen daarna uit, te beginnen met Juda (vers 3). Zie ook: Gen 32:28; Gen 35:22–26; Gen 35:23–26; Gen 46:8–27; Gen 49:4–28; Ex 1:2–4; 1 Kron 2:3; Openb 7:5–8 **2:2** Dan, Jozef, Benjamin, Naftali, Gad en Aser. Brontekst: דָּ֚ן (dan) = Dan | יוֹסֵ֣ף (yosef) = Jozef | וּבִנְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | גָּ֥ד (gad) = Gad | וְאָשֵֽׁר (veasher) = en Aser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zonen van Juda **2:3** De zonen van Juda waren Er, Onan en Sela. Die drie werden hem geboren uit de dochter van Sua, de Kanaänitische. Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van Yahweh. En Hij liet hem sterven. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | עֵ֤ר (er) = Er | וְאוֹנָן֙ (veonan) = en Onan | וְשֵׁלָ֔ה (veshela) = en Sela | שְׁלוֹשָׁה֙ (shelosha) = drie | נ֣וֹלַד (nolad) = werden geboren | ל֔וֹ (lo) = hem | מִבַּת (mibat) = uit de dochter van | שׁ֖וּעַ (shua) = Sua | הַֽכְּנַעֲנִ֑ית (hakenaanit) = de Kanaänitische | וַיְהִ֞י (vayhi) = en was | עֵ֣ר (er) = Er | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | רַ֛ע (ra) = kwaad | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְמִיתֵֽהוּ (vaymitehu) = en Hij liet hem sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּעַ (Sua) is de Kanaänitische vader van Juda’s vrouw. Zie Gen. 38:2–5. De dood van Er staat in Gen. 38:7. Zie ook Gen. 46:12 en Num. 26:19. Zie ook: Gen 38:2–10; Gen 38:7; Gen 46:12; Num 26:19; 1 Kron 9:5 **2:4** Tamar, zijn schoondochter, baarde hem Peres en Zerach. Alle zonen van Juda waren er 5. Brontekst: וְתָמָר֙ (vetamar) = en Tamar | כַּלָּת֔וֹ (kalato) = zijn schoondochter | יָ֥לְדָה (yaleda) = zij baarde | לּ֖וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | פֶּ֣רֶץ (perets) = Peres | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זָ֑רַח (zarach) = Zerach | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | חֲמִשָּֽׁה (chamisha) = vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Tamar baarde Peres en Zerach als tweeling (Gen. 38:27–30). Met Er, Onan en Sela zijn het 5 zonen van Juda. Er en Onan stierven kinderloos (Gen. 38:7–10). Zie ook: Gen 38:7–10; Gen 38:13–30; Gen 38:27–30; Ruth 4:18; 1 Kron 9:6; Neh 11:4; Mat 1:3 **2:5** De zonen van Peres waren Chezron en Chamoel. Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | פֶ֖רֶץ (perets) = Peres | חֶצְר֥וֹן (chetsron) = Chezron | וְחָמֽוּל (vechamul) = en Chamoel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Chezron en Chamoel als zonen van Peres: zie ook Gen. 46:12 en Num. 26:21. Zie ook: Gen 46:12; Num 26:21; Ruth 4:18; Mat 1:3; Luc 3:33 **2:6** De zonen van Zerach waren Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara. In totaal waren het er 5. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | זֶ֗רַח (zerach) = Zerach | זִ֠מְרִי (zimri) = Zimri | וְאֵיתָ֧ן (veeitan) = en Etan | וְהֵימָ֛ן (veheiman) = en Heman | וְכַלְכֹּ֥ל (vekhalkol) = en Kalkol | וָדָ֖רַע (vadara) = en Dara | כֻּלָּ֥ם (kulam) = allen | חֲמִשָּֽׁה (chamisha) = vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 1 Kon. 5:11 staan Etan, Heman, Kalkol en Darda (דַּרְדַּע). Hier staat voor de laatste naam דָּרַע (Dara). Wij houden de vorm van Kronieken. Zie ook: Joz 7:1; Joz 7:17–18; 1 Kon 5:11 **2:7** De zonen van Karmi: Achar, de brenger van ongeluk voor Israël. Hij pleegde trouwbreuk met de ban. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | כַּרְמִ֑י (karmi) = Karmi | עָכָר֙ (akhar) = Achar | עוֹכֵ֣ר (okher) = brenger van ongeluk van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מָעַ֖ל (maal) = pleegde trouwbreuk | בַּחֵֽרֶם (bacherem) = met de ban Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָכָר (Achar), ‘brenger van ongeluk’: dit is de man die in Joz. 7:1 en 7:18 עָכָן (Achan) heet. De naam hoort bij het werkwoord עָכַר (achar), ‘in ongeluk brengen’ (Joz. 7:25). Kronieken gebruikt de vorm die het woordspel laat horen. Voetnoot : מָעַל בַּחֵרֶם (maal bacherem), ‘trouwbreuk plegen met de ban’: zie Joz. 7:1 en 6:18. Zie ook: Deut 7:26; Joz 6:18; Joz 7:1–5; Joz 7:11–15; Joz 7:18; Joz 7:25 **2:8** De zonen van Etan: Azaria. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | אֵיתָ֖ן (eitan) = Etan | עֲזַרְיָֽה (azarya) = Azaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In deze lijsten staat vaak ‘de zonen van’, terwijl er maar één naam volgt (ook in vers 31 en in 1 Kron. 1:41). Wij vertalen letterlijk en laten het meervoud staan. Zie ook: 1 Kron 1:41; 1 Kron 2:31 ### Van Chezron tot David **2:9** De zonen van Chezron, die hem werden geboren, waren Jerachmeël, Ram en Kelubai. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | חֶצְר֖וֹן (chetsron) = Chezron | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נוֹלַד (nolad) = werd geboren | ל֑וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | יְרַחְמְאֵ֥ל (yerachmeel) = Jerachmeël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רָ֖ם (ram) = Ram | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כְּלוּבָֽי (keluvay) = Kelubai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלוּבָי (Kelubai) is een andere naam dan Kaleb (כָּלֵב) in de verzen 18 en 42. Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Zie ook: Ruth 4:19; 1 Kron 2:24; 1 Kron 2:42; Mat 1:3; Luc 3:3 **2:10** Ram werd de vader van Amminadab, en Amminadab werd de vader van Nachsjon, de leider van de zonen van Juda. Brontekst: וְרָ֖ם (veram) = en Ram | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּינָדָ֑ב (aminadav) = Amminadab | וְעַמִּינָדָב֙ (veaminadav) = en Amminadab | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | נַחְשׁ֔וֹן (nachshon) = Nachsjon | נְשִׂ֖יא (nesi) = leider van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘leider’: Nachsjon was de leider van de stam Juda in de woestijn (Num. 1:7; 2:3). Zijn zuster Elisjeba was de vrouw van Aäron (Exod. 6:23). Zie ook Matt. 1:4. Zie ook: Ex 6:23; Num 1:7; Num 2:3; Ruth 4:19–20; Mat 1:4; Luc 3:32–33 **2:11** Nachsjon werd de vader van Salmon, en Salmon werd de vader van Boaz. Brontekst: וְנַחְשׁוֹן֙ (venachshon) = en Nachsjon | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שַׂלְמָ֔א (salma) = Salmon | וְשַׂלְמָ֖א (vesalma) = en Salmon | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בֹּֽעַז (boaz) = Boaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Hebreeuwse letters staat hier שַׂלְמָא (Salma). Deze lijn van Nachsjon tot Boaz loopt gelijk met Ruth 4:20–21, waar wij Salmon schrijven. Daarom schrijven wij ook hier in vers 11 Salmon. In vers 51 en 54 staat dezelfde Hebreeuwse vorm. Daar houden wij Salma, omdat de tekst niet zegt of het dezelfde man is. Zie ook: Ruth 4:20–21; Ruth 4:21; 1 Kron 2:51; 1 Kron 2:54; Mat 1:4–5; Luc 3:32 **2:12** Boaz werd de vader van Obed, en Obed werd de vader van Isaï. Brontekst: וּבֹ֨עַז֙ (uvoaz) = en Boaz | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עוֹבֵ֔ד (oved) = Obed | וְעוֹבֵ֖ד (veoved) = en Obed | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יִשָֽׁי (yishay) = Isaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze lijn van Peres tot Isaï staat ook in Ruth 4:18–22 en in Matt. 1:3–6. Zie ook: Ruth 4:18–22; Ruth 4:22; 1 Kron 10:14; Jes 11:1; Jes 11:10; Mat 1:3–6; Rom 15:12 **2:13** Isaï werd de vader van Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, Simea, de derde, Brontekst: וְאִישַׁ֛י (veishay) = en Isaï | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בְּכֹר֖וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | אֶת (et) = (obj.) | אֱלִיאָ֑ב (eliav) = Eliab | וַאֲבִינָדָב֙ (vaavinadav) = en Abinadab | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | וְשִׁמְעָ֖א (veshima) = en Simea | הַשְּׁלִישִֽׁי (hashelishi) = de derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְעָא (Simea) is de derde zoon van Isaï. In 1 Sam. 16:9 en 17:13 heet de derde zoon שַׁמָּה (Samma). In 2 Sam. 13:3 staat שִׁמְעָה (Simea), de broer van David. Wij schrijven de naam zoals hij in de Hebreeuwse tekst staat. Zie ook: 1 Sam 16:6–13; 1 Sam 16:9; 1 Sam 17:13; 1 Sam 17:28; 2 Sam 13:3; 1 Kron 20:7; 1 Kron 27:18 **2:14** Netanel, de vierde, Raddai, de vijfde, Brontekst: נְתַנְאֵל֙ (netanel) = Netanel | הָֽרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | רַדַּ֖י (raday) = Raddai | הַחֲמִישִֽׁי (hachamishi) = de vijfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:15** Ozem, de zesde, David, de zevende. Brontekst: אֹ֚צֶם (otsem) = Ozem | הַשִּׁשִּׁ֔י (hashishi) = de zesde | דָּוִ֖יד (david) = David | הַשְּׁבִעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier zijn zeven zonen van Isaï genoemd, met David als zevende. In 1 Sam. 17:12 heeft Isaï acht zonen. De tekst zegt niet welke zoon in Kronieken ontbreekt. Zie ook: 1 Sam 16:10–11; 1 Sam 17:12–14 **2:16** Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisai, Joab en Asaël: in totaal 3. Brontekst: וְאַחְיוֹתֵיהֶ֖ם (veachyoteihem) = en hun zusters | צְרוּיָ֣ה (tseruya) = Zeruja | וַאֲבִיגָ֑יִל (vaavigayil) = en Abigaïl | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | צְרוּיָ֗ה (tseruya) = Zeruja | אַבְשַׁ֛י (avshay) = Abisai | וְיוֹאָ֥ב (veyoav) = en Joab | וַעֲשָׂה (vaasa) = en Asa | אֵ֖ל (el) = El | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 2 Sam. 17:25 is Abigaïl de dochter van Nachasj en de zuster van Zeruja. Hier zijn Zeruja en Abigaïl de zusters van de zonen van Isaï. Hoe beide teksten zich tot elkaar verhouden, zeggen ze niet. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft een afwijkende spelling van ‘hun zusters’ (אחיתיהם). De gelezen tekst (qere) is וְאַחְיוֹתֵיהֶם. De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Sam 26:6; 2 Sam 2:18–23; 2 Sam 3:39; 2 Sam 16:9–11; 2 Sam 17:25; 2 Sam 19:23 **2:17** Abigaïl baarde Amasa. De vader van Amasa was Jeter, de Ismaëliet. Brontekst: וַאֲבִיגַ֕יִל (vaavigayil) = en Abigaïl | יָלְדָ֖ה (yaleda) = zij baarde | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָשָׂ֑א (amasa) = Amasa | וַאֲבִ֣י (vaavi) = en de vader van | עֲמָשָׂ֔א (amasa) = Amasa | יֶ֖תֶר (yeter) = Jeter | הַיִּשְׁמְעֵאלִֽי (hayishmeeli) = de Ismaëliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Hier staat Jeter, de Ismaëliet (הַיִּשְׁמְעֵאלִי). In 2 Sam. 17:25 staat Jitra, de Israëliet (הַיִּשְׂרְאֵלִי). Wij volgen op beide plaatsen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Sam 17:25; 2 Sam 19:14; 2 Sam 20:4–12; 1 Kon 2:5; 1 Kon 2:32 ### De afstammelingen van Kaleb, de zoon van Chezron **2:18** Kaleb, de zoon van Chezron, kreeg kinderen bij Azuba, zijn vrouw, en bij Jeriot. Dit zijn haar zonen: Jesjer, Sjobab en Ardon. Brontekst: וְכָלֵ֣ב (vekhalev) = en Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | חֶצְר֗וֹן (chetsron) = Chezron | הוֹלִ֛יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֲזוּבָ֥ה (azuva) = Azuba | אִשָּׁ֖ה (isha) = vrouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְרִיע֑וֹת (yeriot) = Jeriot | וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit | בָנֶ֔יהָ (baneiha) = haar zonen | יֵ֥שֶׁר (yesher) = Jesjer | וְשׁוֹבָ֖ב (veshovav) = en Sjobab | וְאַרְדּֽוֹן (veardon) = en Ardon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze Kaleb is een zoon van Chezron. Kaleb, de zoon van Jefunne, heeft een andere vader (Num. 13:6; Joz. 15:13). Voetnoot Lezing: Letterlijk staat er: ‘Kaleb, de zoon van Chezron, werd de vader van Azuba, een vrouw, en van Jeriot’. Het woord אֶת (et) kan ook ‘met’ of ‘bij’ betekenen. Omdat de tekst daarna spreekt over ‘haar zonen’ en in vers 19 Azuba stierf, vertalen wij ‘kreeg kinderen bij Azuba, zijn vrouw, en bij Jeriot’. Het woord ‘zijn’ staat er niet; de tekst heeft alleen ‘een vrouw’. De tekst is hier moeilijk. Zie ook: Num 13:6; Joz 15:13; 1 Kron 2:19 **2:19** Azuba stierf, en Kaleb nam Efrat voor zich. Zij baarde hem Chur. Brontekst: וַתָּ֖מָת (vatamat) = en stierf | עֲזוּבָ֑ה (azuva) = Azuba | וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en nam | ל֤וֹ (lo) = voor zich | כָלֵב֙ (kalev) = Kaleb | אֶת (et) = (obj.) | אֶפְרָ֔ת (efrat) = Efrat | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֖וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | חֽוּר (chur) = Chur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפְרָת (Efrat) is hier een vrouwennaam. In vers 24 en 50 staat de vorm אֶפְרָתָה (Efrata), die ook een plaats kan zijn (Gen. 35:19). Zie ook: Gen 35:19; 1 Kron 2:24; 1 Kron 2:50; 1 Kron 4:4; Mi 5:1 **2:20** Chur werd de vader van Uri, en Uri werd de vader van Bezaleël. Brontekst: וְחוּר֙ (vechur) = en Chur | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אוּרִ֔י (uri) = Uri | וְאוּרִ֖י (veuri) = en Uri | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בְּצַלְאֵֽל (betsalel) = Bezaleël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bezaleël is de bouwer van de tabernakel: zie Exod. 31:2 en 35:30. Daar is hij ‘de zoon van Uri, de zoon van Chur’, net als hier. Zie ook: Ex 31:2; Ex 35:30; Ex 36:1–2; Ex 37:1; Ex 38:22; 2 Kron 1:5 **2:21** Daarna ging Chezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij nam haar tot vrouw toen hij 60 jaar oud was. Zij baarde hem Segub. Brontekst: וְאַחַ֗ר (veachar) = en daarna | בָּ֤א (ba) = ging in | חֶצְרוֹן֙ (chetsron) = Chezron | אֶל (el) = tot | בַּת (bat) = de dochter van | מָכִיר֙ (makhir) = Machir | אֲבִ֣י (avi) = vader van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | וְה֣וּא (vehu) = en hij | לְקָחָ֔הּ (leqachah) = nam haar | וְה֖וּא (vehu) = en hij | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁשִּׁ֣ים (shishim) = zestig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֖וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | שְׂגֽוּב (seguv) = Segub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּא אֶל (ba el), ‘ingaan tot’: gemeenschap hebben met. Zo ook in Gen. 38:2. Voetnoot : Machir was een zoon van Manasse en de vader van Gilead (Num. 26:29). Zie ook: Gen 38:2; Gen 50:23; Num 26:29; Num 27:1; Num 32:39–40; Deut 3:15 **2:22** Segub werd de vader van Jaïr. Jaïr had 23 steden in het land Gilead. Brontekst: וּשְׂג֖וּב (useguv) = en Segub | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יָאִ֑יר (yair) = Jaïr | וַֽיְהִי (vayhi) = en waren | ל֗וֹ (lo) = hem | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וְשָׁלוֹשׁ֙ (veshalosh) = en drie | עָרִ֔ים (arim) = steden | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = het Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilead (גִּלְעָד) is het bergland ten oosten van de Jordaan, in het noordwesten van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Jaïr wordt ook genoemd in Num. 32:41 en Richt. 10:3–4. Zie ook: Num 32:41; Deut 3:14; Joz 13:30; Re 10:3–4 **2:23** Gesur en Aram namen Chavvot-Jaïr van hen af, en ook Kenat en de dorpen eromheen: 60 steden. Al deze waren zonen van Machir, de vader van Gilead. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | גְּשֽׁוּר (geshur) = Gesur | וַ֠אֲרָם (vaaram) = en Aram | אֶת (et) = (obj.) | חַוֺּ֨ת (chavot) = Chavvot | יָאִ֧יר (yair) = Jaïr | מֵאִתָּ֛ם (meitam) = van hen | אֶת (et) = (obj.) | קְנָ֥ת (qenat) = Kenat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתֶ֖יהָ (benoteiha) = haar dorpen | שִׁשִּׁ֣ים (shishim) = zestig | עִ֑יר (ir) = stad | כָּל (kal) = alle | אֵ֕לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | מָכִ֥יר (makhir) = Machir | אֲבִי (avi) = vader van | גִלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gesur (גְּשׁוּר) was een Aramees koninkrijk ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, bij de Golan. De precieze plaats is onbekend. Zie Kenat: Kenat wordt gezocht bij het huidige Qanawat, in het zuiden van Syrië. Dit is niet zeker. Voetnoot : Kenat (קְנָת) ligt waarschijnlijk bij het huidige Qanawat in het zuiden van Syrië. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: חַוֺּת יָאִיר (Chavvot-Jaïr), ‘de dorpen van Jaïr’: zie Num. 32:41 en Joz. 13:30. Of de 60 steden de 23 steden van vers 22 bevatten, zegt de tekst niet. Zie ook: Num 32:41–42; Deut 3:14; Joz 13:13; Joz 13:30; 2 Sam 13:38; 1 Kron 2:22 **2:24** Na de dood van Chezron in Kaleb-Efrata baarde Abia, de vrouw van Chezron, hem Asjchur, de vader van Tekoa. Brontekst: וְאַחַ֥ר (veachar) = en na | מוֹת (mot) = de dood van | חֶצְר֖וֹן (chetsron) = Chezron | בְּכָלֵ֣ב (bekhalev) = in Kaleb | אֶפְרָ֑תָה (efrata) = Efrata | וְאֵ֤שֶׁת (veeshet) = en de vrouw van | חֶצְרוֹן֙ (chetsron) = Chezron | אֲבִיָּ֔ה (aviya) = Abia | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֔וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | אַשְׁח֖וּר (ashchur) = Asjchur | אֲבִ֥י (avi) = vader van | תְקֽוֹעַ (teqoa) = Tekoa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tekoa (תְּקוֹעַ) ligt in het bergland van Juda, ongeveer 10 km ten zuiden van Betlehem, bij het huidige Tequ’a op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: אֲבִי (avi), ‘vader van’: bij plaatsnamen kan dit de stamvader of grondlegger van de plaats of van haar bewoners zijn. De tekst zegt niet meer. Voetnoot Lezing: בְּכָלֵב אֶפְרָתָה (bekhaleb Efratah) is moeilijk. Wij lezen het als plaatsnaam: ‘in Kaleb-Efrata’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Sam 30:14; 2 Sam 14:2; 1 Kron 2:9; 1 Kron 4:5; Amos 1:1 ### De afstammelingen van Jerachmeël **2:25** De zonen van Jerachmeël, de eerstgeborene van Chezron, waren Ram, de eerstgeborene, en Buna, Oren, Ozem en Achia. Brontekst: וַיִּהְי֧וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = de zonen van | יְרַחְמְאֵ֛ל (yerachmeel) = Jerachmeël | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | חֶצְר֖וֹן (chetsron) = Chezron | הַבְּכ֣וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | רָ֑ם (ram) = Ram | וּבוּנָ֥ה (uvuna) = en Buna | וָאֹ֛רֶן (vaoren) = en Oren | וָאֹ֖צֶם (vaotsem) = en Ozem | אֲחִיָּֽה (achiya) = Achia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het laatste woord, אֲחִיָּה (Achia), lezen wij als een naam. De tekst kan ook anders worden verstaan; wij volgen de Masoretische tekst. **2:26** Jerachmeël had nog een andere vrouw. Haar naam was Atara. Zij was de moeder van Onam. Brontekst: וַתְּהִ֨י (vatehi) = en was | אִשָּׁ֥ה (isha) = vrouw | אַחֶ֛רֶת (acheret) = een andere | לִֽירַחְמְאֵ֖ל (lirachmeel) = voor Jerachmeël | וּשְׁמָ֣הּ (ushemah) = en haar naam | עֲטָרָ֑ה (atara) = Atara | הִ֖יא (hi) = zij | אֵ֥ם (em) = moeder van | אוֹנָֽם (onam) = Onam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:27** De zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerachmeël, waren Maäts, Jamin en Eker. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = de zonen van | רָ֖ם (ram) = Ram | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | יְרַחְמְאֵ֑ל (yerachmeel) = Jerachmeël | מַ֥עַץ (maats) = Maäts | וְיָמִ֖ין (veyamin) = en Jamin | וָעֵֽקֶר (vaeqer) = en Eker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:28** De zonen van Onam waren Sjammai en Jada. De zonen van Sjammai waren Nadab en Abisjur. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = de zonen van | אוֹנָ֖ם (onam) = Onam | שַׁמַּ֣י (shamay) = Sjammai | וְיָדָ֑ע (veyada) = en Jada | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | שַׁמַּ֔י (shamay) = Sjammai | נָדָ֖ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִישֽׁוּר (vaavishur) = en Abisjur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:29** De naam van de vrouw van Abisjur was Abihaïl. Zij baarde hem Achban en Molid. Brontekst: וְשֵׁ֛ם (veshem) = en de naam van | אֵ֥שֶׁת (eshet) = de vrouw van | אֲבִישׁ֖וּר (avishur) = Abisjur | אֲבִיהָ֑יִל (avihayil) = Abihaïl | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֔וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | אַחְבָּ֖ן (achban) = Achban | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מוֹלִֽיד (molid) = Molid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:30** De zonen van Nadab waren Seled en Appajim. Seled stierf zonder zonen. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | נָדָ֖ב (nadav) = Nadab | סֶ֣לֶד (seled) = Seled | וְאַפָּ֑יִם (veapayim) = en Appajim | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | סֶ֖לֶד (seled) = Seled | לֹ֥א (lo) = niet | בָנִֽים (banim) = zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:31** De zonen van Appajim: Jisji. De zonen van Jisji: Sjesjan. De zonen van Sjesjan: Achlai. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | אַפַּ֖יִם (apayim) = Appajim | יִשְׁעִ֑י (yishi) = Jisji | וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׁעִי֙ (yishi) = Jisji | שֵׁשָׁ֔ן (sheshan) = Sjesjan | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | שֵׁשָׁ֖ן (sheshan) = Sjesjan | אַחְלָֽי (achlay) = Achlai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 2:34–35 **2:32** De zonen van Jada, de broer van Sjammai: Jeter en Jonatan. Jeter stierf zonder zonen. Brontekst: וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | יָדָע֙ (yada) = Jada | אֲחִ֣י (achi) = broer van | שַׁמַּ֔י (shamay) = Sjammai | יֶ֖תֶר (yeter) = Jeter | וְיוֹנָתָ֑ן (veyonatan) = en Jonatan | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | יֶ֖תֶר (yeter) = Jeter | לֹ֥א (lo) = niet | בָנִֽים (banim) = zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:33** De zonen van Jonatan: Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van Jerachmeël. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יוֹנָתָ֖ן (yonatan) = Jonatan | פֶּ֣לֶת (pelet) = Peleth | וְזָזָ֑א (vezaza) = en Zaza | אֵ֥לֶּה (ele) = dit | הָי֖וּ (hayu) = waren | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יְרַחְמְאֵֽל (yerachmeel) = Jerachmeël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:34** Sjesjan had geen zonen, maar alleen dochters. Sjesjan had een Egyptische dienaar. Zijn naam was Jarcha. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | הָיָ֧ה (haya) = was | לְשֵׁשָׁ֛ן (lesheshan) = voor Sjesjan | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בָּנ֑וֹת (banot) = dochters | וּלְשֵׁשָׁ֛ן (ulesheshan) = en voor Sjesjan | עֶ֥בֶד (eved) = dienaar | מִצְרִ֖י (mitsri) = Egyptisch | וּשְׁמ֥וֹ (ushemo) = en zijn naam | יַרְחָֽע (yarcha) = Jarcha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד (eved), ‘dienaar’: Sjesjan geeft zijn dochter aan zijn Egyptische dienaar. Zo loopt de lijn van Sjesjan door zijn dochter verder (verzen 35–41). **2:35** Sjesjan gaf zijn dochter aan zijn dienaar Jarcha tot vrouw. Zij baarde hem Attai. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | שֵׁשָׁ֧ן (sheshan) = Sjesjan | אֶת (et) = (obj.) | בִּתּ֛וֹ (bito) = zijn dochter | לְיַרְחָ֥ע (leyarcha) = aan Jarcha | עַבְדּ֖וֹ (avdo) = zijn dienaar | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en zij baarde | ל֖וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | עַתָּֽי (atay) = Attai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:36** Attai werd de vader van Natan, en Natan werd de vader van Zabad. Brontekst: וְעַתַּי֙ (veatay) = en Attai | הֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | נָתָ֔ן (natan) = Natan | וְנָתָ֖ן (venatan) = en Natan | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | זָבָֽד (zavad) = Zabad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 11:41 **2:37** Zabad werd de vader van Eflal, en Eflal werd de vader van Obed. Brontekst: וְזָבָד֙ (vezavad) = en Zabad | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֶפְלָ֔ל (eflal) = Eflal | וְאֶפְלָ֖ל (veeflal) = en Eflal | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עוֹבֵֽד (oved) = Obed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:38** Obed werd de vader van Jehu, en Jehu werd de vader van Azaria. Brontekst: וְעוֹבֵד֙ (veoved) = en Obed | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יֵה֔וּא (yehu) = Jehu | וְיֵה֖וּא (veyehu) = en Jehu | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֲזַרְיָֽה (azarya) = Azaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:39** Azaria werd de vader van Chelets, en Chelets werd de vader van Elasa. Brontekst: וַעֲזַרְיָה֙ (vaazarya) = en Azaria | הֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | חָ֔לֶץ (chalets) = Chelets | וְחֶ֖לֶץ (vechelets) = en Chelets | הֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְעָשָֽׂה (elasa) = Elasa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:40** Elasa werd de vader van Sismai, en Sismai werd de vader van Sjallum. Brontekst: וְאֶלְעָשָׂה֙ (veelasa) = en Elasa | הֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | סִֽסְמָ֔י (sismay) = Sismai | וְסִסְמַ֖י (vesismay) = en Sismai | הֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שַׁלּֽוּם (shalum) = Sjallum Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:41** Sjallum werd de vader van Jekamja, en Jekamja werd de vader van Elisjama. Brontekst: וְשַׁלּוּם֙ (veshalum) = en Sjallum | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יְקַמְיָ֔ה (yeqamya) = Jekamja | וִֽיקַמְיָ֖ה (viqamya) = en Jekamja | הֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֱלִישָׁמָֽע (elishama) = Elisjama Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De andere zonen van Kaleb **2:42** De zonen van Kaleb, de broer van Jerachmeël: Mesa, zijn eerstgeborene, de vader van Zif, en de zonen van Maresa, de vader van Hebron. Brontekst: וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | כָלֵב֙ (kalev) = Kaleb | אֲחִ֣י (achi) = broer van | יְרַחְמְאֵ֔ל (yerachmeel) = Jerachmeël | מֵישָׁ֥ע (meisha) = Mesa | בְּכֹר֖וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | ה֣וּא (hu) = hij | אֲבִי (avi) = vader van | זִ֑יף (zif) = Zif | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | מָרֵשָׁ֖ה (maresha) = Maresa | אֲבִ֥י (avi) = vader van | חֶבְרֽוֹן (chevron) = Hebron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zif (זִיף) ligt in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron (Joz. 15:55). Voetnoot : Maresa (מָרֵשָׁה) ligt in de Sefela, bij het huidige Tel Maresa (Joz. 15:44). Voetnoot : Hebron (חֶבְרוֹן) ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: Hebron is in vers 42 en 43 een plaats of een persoon. De tekst zegt niet welke van de twee bedoeld is. Zie ook: Gen 49:3; Ex 4:22–23; Joz 15:44; Joz 15:55; 1 Kron 2:43; 1 Kron 2:49; 1 Kron 2:52; Neh 7:25–38 **2:43** De zonen van Hebron waren Korach, Tappuach, Rekem en Sjema. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | חֶבְר֑וֹן (chevron) = Hebron | קֹ֥רַח (qorach) = Korach | וְתַפֻּ֖חַ (vetapuach) = en Tappuach | וְרֶ֥קֶם (vereqem) = en Rekem | וָשָֽׁמַע (vashama) = en Sjema Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:44** Sjema werd de vader van Racham, de vader van Jorkeam. Rekem werd de vader van Sjammai. Brontekst: וְשֶׁ֣מַע (veshema) = en Sjema | הוֹלִ֔יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | רַ֖חַם (racham) = Racham | אֲבִ֣י (avi) = vader van | יָרְקֳעָ֑ם (yareqoam) = Jorkeam | וְרֶ֖קֶם (vereqem) = en Rekem | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שַׁמָּֽי (shamay) = Sjammai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:45** De zoon van Sjammai was Maon. Maon was de vader van Bet-Tsur. Brontekst: וּבֶן (uven) = en de zoon van | שַׁמַּ֖י (shamay) = Sjammai | מָע֑וֹן (maon) = Maon | וּמָע֖וֹן (umaon) = en Maon | אֲבִ֥י (avi) = vader van | בֵֽית (beit) = Bet | צֽוּר (tsur) = Tsur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Maon (מָעוֹן) ligt in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron (Joz. 15:55). Zie Bet-Tsur: Bet-Tsur (Khirbet et-Tubeiqa) lag in het bergland van Juda, ongeveer 6 km ten noorden van Hebron. Voetnoot : Bet-Tsur (בֵּית צוּר) ligt ten noorden van Hebron, bij het huidige Khirbet et-Tubeiqa (Joz. 15:58). Zie ook: Joz 15:55; Joz 15:58 **2:46** Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, Moza en Gazez. Haran werd de vader van Gazez. Brontekst: וְעֵיפָה֙ (veeifa) = en Efa | פִּילֶ֣גֶשׁ (pilegesh) = bijvrouw van | כָּלֵ֔ב (kalev) = Kaleb | יָֽלְדָ֛ה (yaleda) = zij baarde | אֶת (et) = (obj.) | חָרָ֥ן (charan) = Haran | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מוֹצָ֖א (motsa) = Moza | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גָּזֵ֑ז (gazez) = Gazez | וְחָרָ֖ן (vecharan) = en Haran | הֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | גָּזֵֽז (gazez) = Gazez Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gazez staat twee keer in dit vers: als zoon van Efa en als zoon van Haran. De tekst zegt niet hoe dat samengaat. Zie ook: 1 Kron 2:18–19; 1 Kron 2:48 **2:47** De zonen van Jahdai waren Regem, Jotam, Gesjan, Pelet, Efa en Sjaäf. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | יָהְדָּ֑י (yahday) = Jahdai | רֶ֧גֶם (regem) = Regem | וְיוֹתָ֛ם (veyotam) = en Jotam | וְגֵישָׁ֥ן (vegeishan) = en Gesjan | וָפֶ֖לֶט (vafelet) = en Pelet | וְעֵיפָ֥ה (veeifa) = en Efa | וָשָֽׁעַף (vashaaf) = en Sjaäf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:48** Maächa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Sjeber en Tirchana. Brontekst: פִּלֶ֤גֶשׁ (pilegesh) = bijvrouw van | כָּלֵב֙ (kalev) = Kaleb | מַעֲכָ֔ה (maakha) = Maächa | יָ֥לַד (yalad) = zij baarde | שֶׁ֖בֶר (shever) = Sjeber | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | תִּרְחֲנָֽה (tirchana) = Tirchana Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:5–6; 1 Kron 2:46 **2:49** Zij baarde ook Sjaäf, de vader van Madmanna, en Sjewa, de vader van Machbena en de vader van Gibea. De dochter van Kaleb was Aksa. Brontekst: וַתֵּ֗לֶד (vateled) = en zij baarde | שַׁ֚עַף (shaaf) = Sjaäf | אֲבִ֣י (avi) = vader van | מַדְמַנָּ֔ה (madmana) = Madmanna | אֶת (et) = (obj.) | שְׁוָ֛א (sheva) = Sjewa | אֲבִ֥י (avi) = vader van | מַכְבֵּנָ֖ה (makhbena) = Machbena | וַאֲבִ֣י (vaavi) = en vader van | גִבְעָ֑א (giva) = Gibea | וּבַת (uvat) = en de dochter van | כָּלֵ֖ב (kalev) = Kaleb | עַכְסָֽה (akhsa) = Aksa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Madmanna (מַדְמַנָּה) lag in het zuiden van Juda (Joz. 15:31). De precieze ligging is onzeker. Zie Gibea (in Juda, ligging onzeker): Dit Gibea lag in het bergland van Juda (Jozua 15:57). Het is niet het Gibea van Benjamin bij Tell el-Ful. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot : Gibea (גִּבְעָא) lag in het bergland van Juda (Joz. 15:57). Het is niet het Gibea van Benjamin. Voetnoot Uitleg: Aksa is de dochter van Kaleb die aan Otniël werd gegeven. Zie Joz. 15:16–19 en Richt. 1:12–15. Of dit dezelfde Kaleb is als in vers 18, zegt de tekst niet. Zie ook: Joz 15:16–19; Joz 15:31; Joz 15:57; Re 1:12–15; 2 Sam 21:6; 1 Kron 2:18; 1 Kron 2:42; Jes 10:31 ### De zonen van Chur **2:50** Dit waren de zonen van Kaleb, de zoon van Chur, de eerstgeborene van Efrata: Sobal, de vader van Kirjat-Jearim, Brontekst: אֵ֤לֶּה (ele) = dit | הָיוּ֙ (hayu) = waren | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | כָלֵ֔ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | ח֖וּר (chur) = Chur | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | אֶפְרָ֑תָה (efrata) = Efrata | שׁוֹבָ֕ל (shoval) = Sobal | אֲבִ֖י (avi) = vader van | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִֽים (yearim) = Jearim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Jearim (קִרְיַת יְעָרִים) ligt waarschijnlijk bij het huidige Abu Gosh, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische woordvolgorde: ‘de zonen van Kaleb, de zoon van Chur, de eerstgeborene van Efrata’. De zin kan ook gelezen worden als ‘Dit waren de zonen van Kaleb. De zoon van Chur, de eerstgeborene van Efrata: Sobal …’. Vergelijk 1 Kron. 4:1–4. Zie ook: 1 Sam 7:1; 1 Kron 2:19–20; 1 Kron 2:53; 1 Kron 4:1–4; 1 Kron 4:4; 1 Kron 13:5–6 **2:51** Salma, de vader van Betlehem, Chareph, de vader van Bet-Gader. Brontekst: שַׂלְמָא֙ (salma) = Salma | אֲבִ֣י (avi) = vader van | בֵֽית (beit) = Bet | לָ֔חֶם (lachem) = Lechem | חָרֵ֖ף (charef) = Chareph | אֲבִ֥י (avi) = vader van | בֵית (beit) = Bet | גָּדֵֽר (gader) = Gader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem (בֵּית לֶחֶם) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot : Bet-Gader (בֵּית גָּדֵר): de ligging is onzeker. Zie ook: Gen 35:19; Ruth 1:19; Ruth 4:11; 1 Kron 4:4; Mat 2:1 **2:52** Sobal, de vader van Kirjat-Jearim, had zonen: Haroë, de helft van de Menuchot. Brontekst: וַיִּהְי֤וּ (vayihyu) = en waren | בָנִים֙ (banim) = zonen | לְשׁוֹבָ֔ל (leshoval) = voor Sobal | אֲבִ֖י (avi) = vader van | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֑ים (yearim) = Jearim | הָרֹאֶ֖ה (haroe) = Haroë | חֲצִ֥י (chatsi) = helft van | הַמְּנֻחֽוֹת (hamenuchot) = de Menuchot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: הַמְּנֻחוֹת (hamenuchot), ‘de Menuchot’: een volk of streek. Vergelijk ‘de Manachtieten’ in vers 54. Wat het precies is, is onzeker. Voetnoot Lezing: הָרֹאֶה (haroeh) betekent letterlijk ‘de ziener’. Wij lezen het als naam: Haroë. In 1 Kron. 4:2 staat Reaja (רָאָיָה) als zoon van Sobal. Zie ook: 1 Kron 2:54; 1 Kron 4:2 **2:53** De families van Kirjat-Jearim waren de Jitrieten, de Putieten, de Sjumatieten en de Misjraïeten. Uit hen kwamen de Tsorathieten en de Estaolieten voort. Brontekst: וּמִשְׁפְּחוֹת֙ (umishpechot) = en de families van | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֔ים (yearim) = Jearim | הַיִּתְרִי֙ (hayitri) = de Jitriet | וְהַפּוּתִ֔י (vehaputi) = en de Putiet | וְהַשֻּׁמָתִ֖י (vehashumati) = en de Sjumatiet | וְהַמִּשְׁרָעִ֑י (vehamishrai) = en de Misjraïet | מֵאֵ֗לֶּה (meele) = van deze | יָצְאוּ֙ (yatseu) = kwamen voort | הַצָּ֣רְעָתִ֔י (hatsareati) = de Tsorathiet | וְהָאֶשְׁתָּ֖אֻֽלִֽי (vehaeshtauli) = en de Estaoliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tsora (צָרְעָה) en Estaol (אֶשְׁתָּאוֹל) liggen in de Sefela, ten westen van Jeruzalem (Joz. 15:33). Tsora ligt bij het huidige Tel Tsora (Sar’a). Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie ook: Joz 15:33; Re 13:2; Re 13:25; 2 Sam 23:38; 1 Kron 11:40 **2:54** De zonen van Salma waren Betlehem, de Netofatieten, Atrot-Bet-Joab, de helft van de Manachtieten en de Tsoriëten. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שַׂלְמָ֗א (salma) = Salma | בֵּ֥ית (beit) = Bet | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = Lechem | וּנְט֣וֹפָתִ֔י (unetofati) = en de Netofatiet | עַטְר֖וֹת (atrot) = Atrot | בֵּ֣ית (beit) = Bet | יוֹאָ֑ב (yoav) = Joab | וַחֲצִ֥י (vachatsi) = en de helft van | הַמָּנַחְתִּ֖י (hamanachti) = de Manachtiet | הַצָּרְעִֽי (hatsarei) = de Tsoriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Atrot-Bet-Joab (עַטְרוֹת בֵּית יוֹאָב): de ligging is onzeker. Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem. Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: נְטוֹפָתִי (Netofatieten): de bewoners van Netofa, in de buurt van Betlehem. Zie ook: Joz 16:2; 1 Kron 11:30; Ezra 2:22; Neh 7:26; Neh 12:28 **2:55** De families van de schrijvers die in Jabets woonden, waren de Tiratieten, de Sjimeatieten en de Sukkatieten. Dit zijn de Kenieten die van Chamat komen, de vader van Bet-Rechab. Brontekst: וּמִשְׁפְּח֤וֹת (umishpechot) = en de families van | סֹפְרִים֙ (soferim) = schrijvers | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | יַעְבֵּ֔ץ (yabets) = Jabets | תִּרְעָתִ֥ים (tiratim) = Tiratieten | שִׁמְעָתִ֖ים (shimatim) = Sjimeatieten | שׂוּכָתִ֑ים (sukhatim) = Sukkatieten | הֵ֚מָּה (hema) = zij | הַקִּינִ֣ים (haqinim) = de Kenieten | הַבָּאִ֔ים (habaim) = die komen | מֵחַמַּ֖ת (mechamat) = van Chamat | אֲבִ֥י (avi) = vader van | בֵית (beit) = Bet | רֵכָֽב (rekhav) = Rechab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jabets (יַעְבֵּץ): de ligging is onzeker. Het is niet Jabes in Gilead. Voetnoot Uitleg: סֹפְרִים (soferim), ‘schrijvers’: mensen die schriften opstellen en afschrijven. Voetnoot : הַקִּינִים (hakkenim), ‘de Kenieten’: vergelijk Richt. 1:16. Chamat (חַמַּת) kan een plaats of een persoon zijn. Bet-Rechab (בֵּית רֵכָב) betekent ‘huis van Rechab’. De tekst zegt niet meer. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ישבו (zij woonden), de gelezen tekst (qere) יֹשְׁבֵי (bewoners van). Wij volgen de qere. Zie ook: Re 1:16; Re 4:11; 2 Kon 10:15; Jer 35:2–8; Jer 35:19 ## 1 Kronieken 3 _De zonen van David en de koningen van Juda_ ### De zonen van David in Hebron **3:1** Dit waren de zonen van David die in Hebron aan hem werden geboren. De eerstgeborene was Amnon, van Achinoam uit Jizreël. De tweede was Daniël, van Abigaïl uit Karmel. Brontekst: וְאֵ֤לֶּה (veele) = en dit | הָיוּ֙ (hayu) = waren | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | דָויִ֔ד (davyid) = David | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נֽוֹלַד (nolad) = werd geboren | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בְּחֶבְר֑וֹן (bechevron) = in Hebron | הַבְּכ֣וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | אַמְנֹ֗ן (amnon) = Amnon | לַאֲחִינֹ֨עַם֙ (laachinoam) = van Achinoam | הַיִּזְרְעֵאלִ֔ית (hayizreelit) = de Jizreëlitische | שֵׁנִי֙ (sheni) = de tweede | דָּנִיֵּ֔אל (daniyel) = Daniël | לַאֲבִיגַ֖יִל (laavigayil) = van Abigaïl | הַֽכַּרְמְלִֽית (hakarmelit) = de Karmelitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron (חֶבְרוֹן) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Hebron (Al-Chalil) op de Westelijke Jordaanoever. Zie Jizreël (in Juda, ligging onzeker): Dit Jizreël was een stad in het bergland van Juda, bij Zif en Juta; Khirbet Terrama is voorgesteld. Het is niet de vallei van Jizreël in het noorden. De precieze plaats is niet zeker. Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron. Voetnoot : Dit Jizreël ligt in het bergland van Juda (Joz. 15:56), niet in het noorden. Karmel (Joz. 15:55) ligt ten zuiden van Hebron, bij Khirbet el-Kirmil, op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: De lijst van Davids zonen in Hebron staat ook in 2 Sam. 3:2–5. Voetnoot Lezing: Hier heet de tweede zoon Daniël. In 2 Sam. 3:3 heet hij Kileab. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: Joz 15:55; Joz 15:56; 1 Sam 25:39–43; 1 Sam 27:3; 2 Sam 3:2–5; 2 Sam 3:3; 2 Sam 13:29 **3:2** De derde was Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning van Gesur. De vierde was Adonia, de zoon van Chagit. Brontekst: הַשְּׁלִשִׁי֙ (hashelishi) = de derde | לְאַבְשָׁל֣וֹם (leavshalom) = Absalom | בֶּֽן (ben) = zoon van | מַעֲכָ֔ה (maakha) = Maächa | בַּת (bat) = dochter van | תַּלְמַ֖י (talmay) = Talmai | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | גְּשׁ֑וּר (geshur) = Gesur | הָרְבִיעִ֖י (harevii) = de vierde | אֲדֹנִיָּ֥ה (adoniya) = Adonia | בֶן (ben) = zoon van | חַגִּֽית (chagit) = Chagit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gesur was een klein koninkrijk ten oosten van de Jordaan, bij de Golan. Het ligt in het huidige Syrië of Israël. De grenzen zijn niet precies bekend. Zie ook: Joz 13:13; 2 Sam 3:4; 2 Sam 13:1; 2 Sam 15:8; 2 Sam 19:5–11 **3:3** De vijfde was Sefatja, van Abital. De zesde was Jitream, van Egla, zijn vrouw. Brontekst: הַחֲמִישִׁ֥י (hachamishi) = de vijfde | שְׁפַטְיָ֖ה (shefatya) = Sefatja | לַאֲבִיטָ֑ל (laavital) = van Abital | הַשִּׁשִּׁ֥י (hashishi) = de zesde | יִתְרְעָ֖ם (yitream) = Jitream | לְעֶגְלָ֥ה (leegla) = van Egla | אִשְׁתּֽוֹ (ishto) = zijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jitream wordt hier ‘de zesde’ genoemd, van Egla. Vergelijk 2 Sam. 3:5. Zie ook: 2 Sam 3:5 **3:4** 6 zonen werden aan hem geboren in Hebron. Daar regeerde hij 7 jaar en 6 maanden. In Jeruzalem regeerde hij 33 jaar. Brontekst: שִׁשָּׁה֙ (shisha) = zes | נֽוֹלַד (nolad) = werd geboren | ל֣וֹ (lo) = aan hem | בְחֶבְר֔וֹן (bechevron) = in Hebron | וַיִּ֨מְלָךְ (vayimlakh) = en hij regeerde | שָׁ֔ם (sham) = daar | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaar | וְשִׁשָּׁ֣ה (veshisha) = en zes | חֳדָשִׁ֑ים (chodashim) = maanden | וּשְׁלֹשִׁ֤ים (usheloshim) = en dertig | וְשָׁלוֹשׁ֙ (veshalosh) = en drie | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De getallen zijn die van de Masoretische tekst. Zie ook 2 Sam. 5:5 en 1 Kon. 2:11. Zie ook: 2 Sam 2:11; 2 Sam 5:4–5; 2 Sam 5:5; 2 Sam 5:14–16; 1 Kron 29:27; 1 Kon 2:11 ### De zonen van David in Jeruzalem **3:5** Dit zijn de zonen die in Jeruzalem aan hem werden geboren: Simea, Sjobab, Natan en Salomo. Die 4 waren van Bat-Sua, de dochter van Ammiël. Brontekst: וְאֵ֥לֶּה (veele) = en dit | נוּלְּדוּ (nuledu) = werden geboren | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בִּירוּשָׁלָ֑יִם (birushalayim) = in Jeruzalem | שִׁ֠מְעָא (shima) = Simea | וְשׁוֹבָ֞ב (veshovav) = en Sjobab | וְנָתָ֤ן (venatan) = en Natan | וּשְׁלֹמֹה֙ (ushelomo) = en Salomo | אַרְבָּעָ֔ה (arbaa) = vier | לְבַת (levat) = van Bat | שׁ֖וּעַ (shua) = Sua | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּיאֵֽל (amiel) = Ammiël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem (יְרוּשָׁלִַם) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Bat-Sua (בַּת־שׁוּעַ, bat-sjua) is hier de moeder van de eerste 4 zonen. In 2 Sam. 11:3 en 12:24 heet de moeder van Salomo Bat-Sjeba, de dochter van Eliam. Eliam (אֱלִיעָם) en Ammiël (עַמִּיאֵל) bestaan uit dezelfde woorddelen in andere volgorde. Wij vertalen wat er staat. De lijst staat ook in 2 Sam. 5:14–16 en 1 Kron. 14:4–7. Simea (שִׁמְעָא) heet in 2 Sam. 5:14 en 1 Kron. 14:4 Sjammua (שַׁמּוּעַ). Zie ook: 2 Sam 5:14–16; 2 Sam 7:2–4; 2 Sam 11:3; 2 Sam 12:24–25; 1 Kron 14:4–7; 1 Kron 28:5–6; Luc 3:31 **3:6** Verder Jibchar, Elisjama en Elifelet, Brontekst: וְיִבְחָ֥ר (veyivchar) = en Jibchar | וֶאֱלִישָׁמָ֖ע (veelishama) = en Elisjama | וֶאֱלִיפָֽלֶט (veelifalet) = en Elifelet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen in de verzen 6–8 komen ook voor in 2 Sam. 5:15–16 en 1 Kron. 14:5–7. Elisjama en Elifelet staan hier twee keer (vers 6 en vers 8). In 1 Kron. 14:5 staan op de plaats van de eerste twee namen van vers 6 de namen Elisjua en Elpelet. In 1 Kron. 14:7 heet Eljada Beëljada. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: 1 Sam 14:5; 2 Sam 5:15; 1 Kron 3:8; 1 Kron 14:5; 1 Kron 14:7 **3:7** Nogah, Nefeg en Jafia, Brontekst: וְנֹ֥גַהּ (venogah) = en Nogah | וְנֶ֖פֶג (venefeg) = en Nefeg | וְיָפִֽיעַ (veyafia) = en Jafia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 5:15–16 **3:8** Elisjama, Eljada en Elifelet. Dat waren er 9. Brontekst: וֶאֱלִישָׁמָ֧ע (veelishama) = en Elisjama | וְאֶלְיָדָ֛ע (veelyada) = en Eljada | וֶאֱלִיפֶ֖לֶט (veelifelet) = en Elifelet | תִּשְׁעָֽה (tisha) = negen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 5:14–16; 1 Kron 14:7 **3:9** Dat waren alle zonen van David, afgezien van de zonen van de bijvrouwen. Tamar was hun zus. Brontekst: כֹּ֖ל (kol) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | דָוִ֑יד (david) = David | מִלְּבַ֥ד (milevad) = afgezien van | בְּֽנֵי (benei) = zonen van | פִֽילַגְשִׁ֖ים (pilagshim) = bijvrouwen | וְתָמָ֥ר (vetamar) = en Tamar | אֲחוֹתָֽם (achotam) = hun zus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּילַגְשִׁים (pilagshim), ‘bijvrouwen’: vrouwen van lagere rang die wel bij het huisgezin hoorden. Zie 2 Sam. 5:13. Over Tamar: zie 2 Sam. 13:1. Zie ook: 2 Sam 5:13; 2 Sam 13:1–20 ### De koningen van Juda tot Josia **3:10** De zoon van Salomo was Rechabeam. Abia was zijn zoon. Asa was zijn zoon. Josafat was zijn zoon. Brontekst: וּבֶן (uven) = en de zoon van | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | רְחַבְעָ֑ם (rechavam) = Rechabeam | אֲבִיָּ֥ה (aviya) = Abia | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | אָסָ֥א (asa) = Asa | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | יְהוֹשָׁפָ֥ט (yehoshafat) = Josafat | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier volgen de koningen van Juda, van vader op zoon. Het Hebreeuws zegt steeds ‘zijn zoon’ (בְּנוֹ, beno). Wij vertalen dat steeds als ‘was zijn zoon’. Zie ook: 1 Kon 11:43; 1 Kon 14:31–15:1; 1 Kon 15:8; 1 Kon 15:24; 2 Kron 17:1 **3:11** Joram was zijn zoon. Achazia was zijn zoon. Joas was zijn zoon. Brontekst: יוֹרָ֥ם (yoram) = Joram | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | אֲחַזְיָ֥הוּ (achazyahu) = Achazia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | יוֹאָ֥שׁ (yoash) = Joas | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Tussen Achazia en Joas regeerde Atalja (2 Kon. 11:1–3). Zij komt in deze lijst niet voor. Zie ook: 2 Kon 8:24; 2 Kon 11:1–3; 2 Kon 11:2; 2 Kon 12:1; 2 Kron 21:1; 2 Kron 21:17 **3:12** Amazia was zijn zoon. Azaria was zijn zoon. Jotam was zijn zoon. Brontekst: אֲמַצְיָ֧הוּ (amatsyahu) = Amazia | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | עֲזַרְיָ֥ה (azarya) = Azaria | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | יוֹתָ֥ם (yotam) = Jotam | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Azaria (עֲזַרְיָה) heet in 2 Kon. 15:13 ook Uzzia. Zie ook: 2 Kon 14:1; 2 Kon 14:21; 2 Kon 15:5; 2 Kon 15:13; 2 Kon 15:30; 2 Kron 25:1 **3:13** Achaz was zijn zoon. Hizkia was zijn zoon. Manasse was zijn zoon. Brontekst: אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | חִזְקִיָּ֥הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 16:1; 2 Kon 18:1; 2 Kon 20:21–21:1; 2 Kron 29:1; 2 Kron 33:1 **3:14** Amon was zijn zoon. Josia was zijn zoon. Brontekst: אָמ֥וֹן (amon) = Amon | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | יֹאשִׁיָּ֥הוּ (yoshiyahu) = Josia | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:19; 2 Kon 21:26–22:1; 2 Kon 23:30; 2 Kron 34:1; Jer 22:11 ### De zonen van Josia en van Jojakim **3:15** De zonen van Josia: de eerstgeborene was Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia en de vierde Sjallum. Brontekst: וּבְנֵי֙ (uvenei) = en zonen van | יֹאשִׁיָּ֔הוּ (yoshiyahu) = Josia | הַבְּכוֹר֙ (habekhor) = de eerstgeborene | יוֹחָנָ֔ן (yochanan) = Johanan | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | יְהוֹיָקִ֑ים (yehoyaqim) = Jojakim | הַשְּׁלִשִׁי֙ (hashelishi) = de derde | צִדְקִיָּ֔הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | הָרְבִיעִ֖י (harevii) = de vierde | שַׁלּֽוּם (shalum) = Sjallum Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjallum (שַׁלּוּם) is de koning die in 2 Kon. 23:30 Joachaz heet. Jer. 22:11 noemt hem Sjallum. Zie ook: 2 Kon 23:30; 2 Kon 23:34; Jer 22:11 **3:16** De zonen van Jojakim: Jechonia was zijn zoon. Zedekia was zijn zoon. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | יְהוֹיָקִ֑ים (yehoyaqim) = Jojakim | יְכָנְיָ֥ה (yekhaneya) = Jechonia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | צִדְקִיָּ֥ה (tsidqiya) = Zedekia | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zijn zoon’. Dat kan op Jojakim slaan of op Jechonia. In 2 Kon. 24:17 is Zedekia een oom van Jechonia, een broer van Jojakim. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: 2 Kon 24:6; 2 Kon 24:8; 2 Kon 24:17; Jer 22:24; Mat 1:11 ### De nakomelingen van Jechonia **3:17** De zonen van Jechonia: Assir. Sjealtiël was zijn zoon. Brontekst: וּבְנֵי֙ (uvenei) = en zonen van | יְכָנְיָ֣ה (yekhaneya) = Jechonia | אַסִּ֔ר (asir) = Assir | שְׁאַלְתִּיאֵ֖ל (shealtiel) = Sjealtiël | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַסִּר (assir) betekent ook ‘gevangene’. Wij nemen het hier als een eigennaam. Zie ook: Ezra 3:2; Ezra 3:8; Ezra 5:2; Mat 1:12 **3:18** Ook Malkiram, Pedaja, Sjenazzar, Jekamja, Hosjama en Nedabja. Brontekst: וּמַלְכִּירָ֥ם (umalkiram) = en Malkiram | וּפְדָיָ֖ה (ufedaya) = en Pedaja | וְשֶׁנְאַצַּ֑ר (veshenatsar) = en Sjenazzar | יְקַמְיָ֥ה (yeqamya) = Jekamja | הוֹשָׁמָ֖ע (hoshama) = Hosjama | וּנְדַבְיָֽה (unedavya) = en Nedabja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:19** De zonen van Pedaja: Zerubbabel en Simeï. De zonen van Zerubbabel waren Mesjullam en Chananja. Sjelomit was hun zus. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | פְדָיָ֔ה (pedaya) = Pedaja | זְרֻבָּבֶ֖ל (zerubavel) = Zerubbabel | וְשִׁמְעִ֑י (veshimi) = en Simeï | וּבֶן (uven) = en zoon van | זְרֻבָּבֶל֙ (zerubavel) = Zerubbabel | מְשֻׁלָּ֣ם (meshulam) = Mesjullam | וַחֲנַנְיָ֔ה (vachananya) = en Chananja | וּשְׁלֹמִ֖ית (ushelomit) = en Sjelomit | אֲחוֹתָֽם (achotam) = hun zus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zerubbabel is hier een zoon van Pedaja. In Ezra 3:2 en Hag. 1:1 heet hij een zoon van Sjealtiël. Zie ook Matt. 1:12. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier ‘de zoon van Zerubbabel’ in het enkelvoud, met drie namen erna. Wij vertalen ‘zonen’. Zie ook: Ezra 2:2; Ezra 3:2; Hag 1:1; Hag 1:12–14; Hag 2:2; Hag 2:4; Mat 1:12 **3:20** Ook Chasuba, Ohel, Berechja, Chasadja en Jusab-Chesed. Dat waren er 5. Brontekst: וַחֲשֻׁבָ֡ה (vachashuva) = en Chasuba | וָ֠אֹהֶל (vaohel) = en Ohel | וּבֶרֶכְיָ֧ה (uverekhya) = en Berechja | וַֽחֲסַדְיָ֛ה (vachasadya) = en Chasadja | י֥וּשַׁב (yushav) = Jusab | חֶ֖סֶד (chesed) = Chesed | חָמֵֽשׁ (chamesh) = vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:21** De zonen van Chananja waren Pelatja en Jesaja. Verder: de zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sjekanja. Brontekst: וּבֶן (uven) = en zoon van | חֲנַנְיָ֖ה (chananya) = Chananja | פְּלַטְיָ֣ה (pelatya) = Pelatja | וִישַֽׁעְיָ֑ה (vishaya) = en Jesaja | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | רְפָיָה֙ (refaya) = Refaja | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אַרְנָ֔ן (arnan) = Arnan | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עֹבַדְיָ֖ה (ovadya) = Obadja | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שְׁכַנְיָֽה (shekhanya) = Sjekanja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier ‘de zoon van Chananja’ in het enkelvoud, met twee namen erna. Wij vertalen ‘zonen’. Voetnoot Lezing: De opbouw van dit vers is onduidelijk. Er staan vier groepen ‘zonen van’ zonder namen erbij. Het kan een rij van generaties zijn, maar de tekst zegt dat niet. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Neh 10:23 **3:22** De zonen van Sjekanja: Sjemaja. De zonen van Sjemaja: Chattusj, Jigal, Bariach, Nearja en Sjafat. Dat waren er 6. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | שְׁכַנְיָ֖ה (shekhanya) = Sjekanja | שְׁמַעְיָ֑ה (shemaya) = Sjemaja | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | שְׁמַעְיָ֗ה (shemaya) = Sjemaja | חַטּ֡וּשׁ (chatush) = Chattusj | וְ֠יִגְאָל (veyigal) = en Jigal | וּבָרִ֧יחַ (uvariach) = en Bariach | וּנְעַרְיָ֛ה (unearya) = en Nearja | וְשָׁפָ֖ט (veshafat) = en Sjafat | שִׁשָּֽׁה (shisha) = zes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het getal 6 past niet bij de 5 namen die na Sjemaja staan. Het past wel als Sjemaja zelf wordt meegeteld, maar de tekst zegt dat niet. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: Ezra 8:2 **3:23** De zonen van Nearja: Eljoënai, Hizkia en Azrikam. Dat waren er 3. Brontekst: וּבֶן (uven) = en zoon van | נְעַרְיָ֗ה (nearya) = Nearja | אֶלְיוֹעֵינַ֧י (elyoeinay) = Eljoënai | וְחִזְקִיָּ֛ה (vechizqiya) = en Hizkia | וְעַזְרִיקָ֖ם (veazriqam) = en Azrikam | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier ‘de zoon van Nearja’ in het enkelvoud, met drie namen erna. Wij vertalen ‘zonen’. **3:24** De zonen van Eljoënai: Hodavja, Eljasib, Pelaja, Akkub, Johanan, Delaja en Anani. Dat waren er 7. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | אֶלְיוֹעֵינַ֗י (elyoeinay) = Eljoënai | הוֹדַוְיָ֡הוּ (hodavyahu) = Hodavja | וְאֶלְיָשִׁ֡יב (veelyashiv) = en Eljasib | וּפְלָיָ֡ה (ufelaya) = en Pelaja | וְ֠עַקּוּב (veaquv) = en Akkub | וְיוֹחָנָ֧ן (veyochanan) = en Johanan | וּדְלָיָ֛ה (udelaya) = en Delaja | וַעֲנָ֖נִי (vaanani) = en Anani | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere spelling van de naam Hodavja. Wij volgen de gelezen tekst (qere). ## 1 Kronieken 4 _Nakomelingen van Juda en Simeon, Jabets_ ### De nakomelingen van Juda **4:1** De zonen van Juda: Peres, Chezron, Karmi, Chur en Sobal. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | פֶּ֧רֶץ (perets) = Peres | חֶצְר֛וֹן (chetsron) = Chezron | וְכַרְמִ֖י (vekharmi) = en Karmi | וְח֥וּר (vechur) = en Chur | וְשׁוֹבָֽל (veshoval) = en Sobal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze lijst noemt niet alleen zonen van Juda, maar ook latere nakomelingen. Chezron was een zoon van Peres (1 Kron. 2:5). Chur was een zoon van Kaleb (1 Kron. 2:19). Zie ook: Gen 38:29; Gen 46:12; Num 26:20–21; 1 Kron 2:5; 1 Kron 2:18; 1 Kron 2:19 **4:2** Reaja, de zoon van Sobal, werd de vader van Jachat. Jachat werd de vader van Achumai en Lahad. Dit zijn de families van de Tsoratieten. Brontekst: וּרְאָיָ֤ה (ureaya) = en Reaja | בֶן (ben) = zoon van | שׁוֹבָל֙ (shoval) = Sobal | הוֹלִ֣יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | יַ֔חַת (yachat) = Jachat | וְיַ֣חַת (veyachat) = en Jachat | הֹלִ֔יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֲחוּמַ֖י (achumay) = Achumai | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לָ֑הַד (lahad) = Lahad | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּח֥וֹת (mishpechot) = families van | הַצָּֽרְעָתִֽי (hatsareati) = de Tsoratiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Tsoratieten (הַצָּרְעָתִי) zijn de mensen uit Tsora. Tsora ligt in de Sefela van Juda (Joz. 15:33), bij het huidige Tel Tsora, in Israël. Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie ook: Joz 15:33; Re 13:25; 1 Kron 2:52–54 **4:3** Dit zijn de zonen van de vader van Etam: Jizreël, Jisjma en Jidbasj. De naam van hun zus was Hatselelponi. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | אֲבִ֣י (avi) = vader van | עֵיטָ֔ם (eitam) = Etam | יִזְרְעֶ֥אל (yizreel) = Jizreël | וְיִשְׁמָ֖א (veyishma) = en Jisjma | וְיִדְבָּ֑שׁ (veyidbash) = en Jidbasj | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אֲחוֹתָ֖ם (achotam) = hun zus | הַצְלֶלְפּֽוֹנִי (hatslelponi) = Hatselelponi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Etam ligt in het bergland van Juda, ten zuiden van Betlehem. De precieze ligging is onzeker. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat alleen: ‘Dit: de vader van Etam’. Het woord ‘zonen’ staat er niet. Wij vullen het aan, net als in de verzen 4 en 6 (‘dit zijn de zonen van’). Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. Zie ook: Re 15:11; 2 Kron 11:6 **4:4** Penuël was de vader van Gedor. Ezer was de vader van Chusa. Dit zijn de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrata, de vader van Betlehem. Brontekst: וּפְנוּאֵל֙ (ufenuel) = en Penuël | אֲבִ֣י (avi) = vader van | גְדֹ֔ר (gedor) = Gedor | וְעֵ֖זֶר (veezer) = en Ezer | אֲבִ֣י (avi) = vader van | חוּשָׁ֑ה (chusha) = Chusa | אֵ֤לֶּה (ele) = dit zijn | בְנֵי (benei) = zonen van | חוּר֙ (chur) = Chur | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | אֶפְרָ֔תָה (efrata) = Efrata | אֲבִ֖י (avi) = vader van | בֵּ֥ית (beit) = Bet | לָֽחֶם (lachem) = Lechem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gedor: Gedor wordt gezocht bij Khirbet Jedur, in het bergland van Juda, ten noorden van Hebron. Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: אֲבִי (avi), ‘vader van’: bij een plaatsnaam betekent dit de stichter of de leider van de plaats. Zo ook in de verzen 5, 11, 12, 14, 17, 18, 19 en 21. Voetnoot : Efrata (אֶפְרָתָה) kan hier een vrouw zijn of een plaats. In 1 Kron. 2:19 neemt Kaleb Efrat tot vrouw, en zij baart Chur. In 1 Kron. 2:50 heet Chur ‘de eerstgeborene van Efrata’. Betlehem heette ook Efrata (Gen. 35:19). Zie ook: Gen 35:19; Joz 15:36; 1 Kron 2:19; 1 Kron 2:50; 1 Kron 4:18; 1 Kron 4:39 **4:5** Asjchur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Chelea en Naära. Brontekst: וּלְאַשְׁחוּר֙ (uleashchur) = en voor Asjchur | אֲבִ֣י (avi) = vader van | תְק֔וֹעַ (teqoa) = Tekoa | הָי֖וּ (hayu) = waren | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | נָשִׁ֑ים (nashim) = vrouwen | חֶלְאָ֖ה (chela) = Chelea | וְנַעֲרָֽה (venaara) = en Naära Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda. Zie ook: 1 Kron 2:24 **4:6** Naära kreeg van hem Achuzzam, Chefer, Temni en Achasjtari. Dit zijn de zonen van Naära. Brontekst: וַתֵּ֨לֶד (vateled) = en baarde | ל֤וֹ (lo) = aan hem | נַעֲרָה֙ (naara) = Naära | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֻזָּ֣ם (achuzam) = Achuzzam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֵ֔פֶר (chefer) = Chefer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תֵּימְנִ֖י (teimeni) = Temni | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֲחַשְׁתָּרִ֑י (haachashtari) = de Achasjtari | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | נַעֲרָֽה (naara) = Naära Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier ‘de Achasjtari’ (הָאֲחַשְׁתָּרִי), met het lidwoord. Wij nemen het als een naam. **4:7** De zonen van Chelea: Tseret, Zohar en Etnan. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | חֶלְאָ֑ה (chela) = Chelea | צֶ֥רֶת (tseret) = Tseret | וְצֹ֖חַר (vetsochar) = en Zohar | וְאֶתְנָֽן (veetnan) = en Etnan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft hier Jitschar (יִצְחָר). De gelezen tekst (qere) heeft ‘en Zohar’ (וְצֹחַר). Wij volgen de gelezen tekst. Zohar staat ook in Gen. 46:10. Zie ook: Gen 46:10 **4:8** Kots werd de vader van Anub, van Hatsobeba en van de families van Acharchel, de zoon van Harum. Brontekst: וְק֣וֹץ (veqots) = en Kots | הוֹלִ֔יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | עָנ֖וּב (anuv) = Anub | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַצֹּבֵבָ֑ה (hatsoveva) = Hatsobeba | וּמִשְׁפְּח֥וֹת (umishpechot) = en families van | אֲחַרְחֵ֖ל (acharchel) = Acharchel | בֶּן (ben) = zoon van | הָרֽוּם (harum) = Harum Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Jabets **4:9** Jabets was meer geëerd dan zijn broers. Zijn moeder noemde hem Jabets en zei: „Want ik beviel met pijn.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | יַעְבֵּ֔ץ (yabets) = Jabets | נִכְבָּ֖ד (nikhbad) = geëerd | מֵאֶחָ֑יו (meechav) = meer dan zijn broers | וְאִמּ֗וֹ (veimo) = en zijn moeder | קָרְאָ֨ה (qarea) = noemde | שְׁמ֤וֹ (shemo) = zijn naam | יַעְבֵּץ֙ (yabets) = Jabets | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כִּ֥י (ki) = want | יָלַ֖דְתִּי (yaladti) = ik beviel | בְּעֹֽצֶב (beotsev) = met pijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַעְבֵּץ (jabets) klinkt als עֹצֶב (otsev), ‘pijn’. De moeder zegt dat zij hem met pijn baarde. Daarom heet hij Jabets. Zie ook: Gen 34:19; Gen 35:18; 1 Sam 4:21; 1 Kron 7:23; Hand 17:11 **4:10** Jabets riep tot de Elohim van Israël. Hij zei: „Als U mij werkelijk zegent, mijn gebied groter maakt, Uw hand met mij is en U mij beschermt tegen onheil, zodat ik geen pijn lijd…” Elohim liet komen wat hij had gevraagd. Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | יַ֠עְבֵּץ (yabets) = Jabets | לֵאלֹהֵ֨י (lelohei) = tot de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | אִם (im) = als | בָּרֵ֨ךְ (barekh) = zegenend | תְּבָרֲכֵ֜נִי (tevarakheni) = zul U mij zegenen | וְהִרְבִּ֤יתָ (vehirbita) = en maak groot | אֶת (et) = (obj.) | גְּבוּלִי֙ (gevuli) = mijn gebied | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | יָדְךָ֙ (yadekha) = Uw hand | עִמִּ֔י (imi) = met mij | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en U maakt | מֵּרָעָ֖ה (meraa) = van onheil | לְבִלְתִּ֣י (levilti) = opdat niet | עָצְבִּ֑י (atsbi) = mijn pijn | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en liet komen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | שָׁאָֽל (shaal) = hij vroeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם (im), ‘als’: de zin met ‘als’ heeft geen vervolg. Zo drukt men een dringend verlangen uit: ‘ach, mocht U…’. Voetnoot : וְעָשִׂיתָ מֵרָעָה (veasita meraa), ‘en U maakt van onheil’: het Hebreeuws is kort. Wij vertalen de bedoeling: U beschermt mij tegen onheil. Het woord ‘pijn’ (עָצְבִּי) herhaalt het woord uit vers 9. Voetnoot : וַיָּבֵא (vayave), ‘en liet komen’: Elohim liet komen wat Jabets gevraagd had. Zie ook: 1 Kron 4:9; Ps 116:1–4; Spr 10:22; Jes 41:10; Jer 33:3; Mat 7:7–11 **4:11** Kelub, de broer van Sjucha, werd de vader van Mechir. Hij was de vader van Esjton. Brontekst: וּכְל֥וּב (ukheluv) = en Kelub | אֲחִֽי (achi) = broer van | שׁוּחָ֖ה (shucha) = Sjucha | הוֹלִ֣יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | מְחִ֑יר (mechir) = Mechir | ה֖וּא (hu) = hij | אֲבִ֥י (avi) = vader van | אֶשְׁתּֽוֹן (eshton) = Esjton Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:12** Esjton werd de vader van Bet-Rafa, Pasech en Techinna, de vader van Ir-Nachasj. Dit zijn de mannen van Recha. Brontekst: וְאֶשְׁתּ֗וֹן (veeshton) = en Esjton | הוֹלִ֞יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = Bet | רָפָא֙ (rafa) = Rafa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פָּסֵ֔חַ (paseach) = Pasech | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תְּחִנָּ֖ה (techina) = Techinna | אֲבִ֣י (avi) = vader van | עִ֣יר (ir) = Ir | נָחָ֑שׁ (nachash) = Nachasj | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | רֵכָֽה (rekha) = Recha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:13** De zonen van Kenaz: Otniël en Seraja. De zonen van Otniël: Chatat. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | קְנַ֔ז (qenaz) = Kenaz | עָתְנִיאֵ֖ל (ateniel) = Otniël | וּשְׂרָיָ֑ה (useraya) = en Seraja | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | עָתְנִיאֵ֖ל (ateniel) = Otniël | חֲתַֽת (chatat) = Chatat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 15:17; Re 1:13; Re 3:9–11 **4:14** Meonotai werd de vader van Ofra. Seraja werd de vader van Joab, de vader van Ge-Charasjim. Want zij waren ambachtslieden. Brontekst: וּמְעוֹנֹתַ֖י (umeonotay) = en Meonotai | הוֹלִ֣יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | עָפְרָ֑ה (afera) = Ofra | וּשְׂרָיָ֗ה (useraya) = en Seraja | הוֹלִ֤יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | יוֹאָב֙ (yoav) = Joab | אֲבִי֙ (avi) = vader van | גֵּ֣יא (gei) = dal van | חֲרָשִׁ֔ים (charashim) = ambachtslieden | כִּ֥י (ki) = want | חֲרָשִׁ֖ים (charashim) = ambachtslieden | הָיֽוּ (hayu) = waren zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּיא חָרָשִׁים (gé charasjim), ‘dal van de ambachtslieden’. Zie ook Neh. 11:35. Zie ook: 2 Kon 24:14; Neh 11:35 **4:15** De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne: Iru, Ela en Naäm. En de zonen van Ela, en Kenaz. Brontekst: וּבְנֵי֙ (uvenei) = en zonen van | כָּלֵ֣ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֔ה (yefune) = Jefunne | עִ֥ירוּ (iru) = Iru | אֵלָ֖ה (ela) = Ela | וָנָ֑עַם (vanaam) = en Naäm | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | אֵלָ֖ה (ela) = Ela | וּקְנַֽז (uqenaz) = en Kenaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft letterlijk: ‘en de zonen van Ela en Kenaz’. Dat kan betekenen: ‘de zonen van Ela: Kenaz’, of ‘de zonen van Ela en van Kenaz’. Wij vertalen letterlijk en laten dit open. Zie ook: Num 13:6; Num 13:30; Num 14:24; Joz 14:6–14; Joz 15:13–20 **4:16** De zonen van Jehallelel: Zif, Zifa, Tiria en Asarel. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | יְהַלֶּלְאֵ֑ל (yehalelel) = Jehallelel | זִ֣יף (zif) = Zif | וְזִיפָ֔ה (vezifa) = en Zifa | תִּירְיָ֖א (tireya) = Tiria | וַאֲשַׂרְאֵֽל (vaasarel) = en Asarel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:17** De zonen van Ezra: Jeter, Mered, Efer en Jalon. Zij werd zwanger van Mirjam, Sjammai en Jisjbach, de vader van Estemoa. Brontekst: וּבֶן (uven) = en zoon van | עֶזְרָ֔ה (ezra) = Ezra | יֶ֥תֶר (yeter) = Jeter | וּמֶ֖רֶד (umered) = en Mered | וְעֵ֣פֶר (veefer) = en Efer | וְיָל֑וֹן (veyalon) = en Jalon | וַתַּ֨הַר֙ (vatahar) = en zij werd zwanger | אֶת (et) = (obj.) | מִרְיָ֣ם (miryam) = Mirjam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁמַּ֔י (shamay) = Sjammai | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יִשְׁבָּ֖ח (yishbach) = Jisjbach | אֲבִ֥י (avi) = vader van | אֶשְׁתְּמֹֽעַ (eshtemoa) = Estemoa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Estemoa: Estemoa wordt gezocht bij es-Samu, ten zuiden van Hebron. Voetnoot Lezing: Wie ‘zij’ is, staat er niet. Vers 18 noemt de vrouw van Mered en Bitja. Het Hebreeuws zegt ‘zij werd zwanger’ met een voorwerp erbij. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: Joz 15:50; 1 Sam 30:28; 1 Kron 4:18; 1 Kron 4:19; 1 Kron 6:42; 1 Kron 21:24 **4:18** Zijn vrouw uit Juda beviel van Jered, de vader van Gedor, van Cheber, de vader van Soko, en van Jekutiël, de vader van Zanoach. Dit zijn de zonen van Bitja, de dochter van de farao, die Mered tot vrouw nam. Brontekst: וְאִשְׁתּ֣וֹ (veishto) = en zijn vrouw | הַיְהֻדִיָּ֗ה (hayhudiya) = de Judese | יָלְדָ֞ה (yaleda) = beviel van | אֶת (et) = (obj.) | יֶ֨רֶד (yered) = Jered | אֲבִ֤י (avi) = vader van | גְדוֹר֙ (gedor) = Gedor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֶ֨בֶר֙ (chever) = Cheber | אֲבִ֣י (avi) = vader van | שׂוֹכ֔וֹ (sokho) = Soko | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְקֽוּתִיאֵ֖ל (yequtiel) = Jekutiël | אֲבִ֣י (avi) = vader van | זָנ֑וֹחַ (zanoach) = Zanoach | וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit zijn | בְּנֵי֙ (benei) = zonen van | בִּתְיָ֣ה (bitya) = Bitja | בַת (bat) = dochter van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = Farao | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לָקַ֖ח (laqach) = nam | מָֽרֶד (mared) = Mered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Soko (Joz. 15:35) en Zanoach (Joz. 15:34) liggen in de Sefela van Juda. Gedor ligt in het bergland van Juda (Joz. 15:58). De precieze ligging is niet van alle plaatsen zeker. Voetnoot Uitleg: לָקַח (laqach), ‘nemen’: hier ‘tot vrouw nemen’. Vergelijk Gen. 4:19. Zie ook: Gen 4:19; Joz 15:34–35; Joz 15:35; Joz 15:58; 1 Kron 2:42; 1 Kron 4:4; 1 Kron 4:39 **4:19** De zonen van de vrouw van Hodia, de zus van Nacham: de vader van Keïla, de Garmiet, en Estemoa, de Maächatiet. Brontekst: וּבְנֵי֙ (uvenei) = en zonen van | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | הֽוֹדִיָּ֔ה (hodiya) = Hodia | אֲח֣וֹת (achot) = zus van | נַ֔חַם (nacham) = Nacham | אֲבִ֥י (avi) = vader van | קְעִילָ֖ה (qeila) = Keïla | הַגַּרְמִ֑י (hagarmi) = de Garmiet | וְאֶשְׁתְּמֹ֖עַ (veeshtemoa) = en Estemoa | הַמַּעֲכָתִֽי (hamaakhati) = de Maächatiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Zie Estemoa: Estemoa wordt gezocht bij es-Samu, ten zuiden van Hebron. Zie ook: Joz 15:44; 1 Sam 23:1–13 **4:20** De zonen van Sjimon: Amnon, Rinna, de zoon van Chanan, en Tilon. De zonen van Jisji: Zochet en de zoon van Zochet. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | שִׁימ֔וֹן (shimon) = Sjimon | אַמְנ֣וֹן (amnon) = Amnon | וְרִנָּ֔ה (verina) = en Rinna | בֶּן (ben) = zoon van | חָנָ֖ן (chanan) = Chanan | וְתִיל֑וֹן (vetilon) = en Tilon | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | יִשְׁעִ֔י (yishi) = Jisji | זוֹחֵ֖ת (zochet) = Zochet | וּבֶן (uven) = en zoon van | זוֹחֵֽת (zochet) = Zochet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘Tolon’ (תוֹלוֹן). De gelezen tekst (qere) heeft ‘Tilon’. Wij volgen de gelezen tekst. Voetnoot : Het Hebreeuws kan ook twee namen bedoelen: ‘Rinna en Ben-Chanan’ en ‘Zochet en Ben-Zochet’. Wij vertalen letterlijk. ### Nog meer families van Juda **4:21** De zonen van Sela, de zoon van Juda: Er, de vader van Lecha, en Laäda, de vader van Maresa. En de families van het huis van het werk in fijn linnen, van het huis van Asjbea. Brontekst: בְּנֵי֙ (benei) = zonen van | שֵׁלָ֣ה (shela) = Sela | בֶן (ben) = zoon van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עֵ֚ר (er) = Er | אֲבִ֣י (avi) = vader van | לֵכָ֔ה (lekha) = Lecha | וְלַעְדָּ֖ה (velada) = en Laäda | אֲבִ֣י (avi) = vader van | מָרֵשָׁ֑ה (maresha) = Maresa | וּמִשְׁפְּח֛וֹת (umishpechot) = en families van | בֵּית (beit) = huis van | עֲבֹדַ֥ת (avodat) = werk van | הַבֻּ֖ץ (habuts) = fijn linnen | לְבֵ֥ית (leveit) = van het huis van | אַשְׁבֵּֽעַ (ashbea) = Asjbea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is hier moeilijk. Letterlijk staat er: ‘families van het huis van het werk van fijn linnen, van het huis van Asjbea’. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Gen 38:5; Gen 46:12; Num 26:20; 1 Kron 2:3; Neh 11:5 **4:22** Ook Jokim, de mannen van Kozeba, Joas en Saraf, die over Moab heersten, en Jasjubi-Lechem. Deze zaken zijn oud. Brontekst: וְיוֹקִ֞ים (veyoqim) = en Jokim | וְאַנְשֵׁ֣י (veanshei) = en mannen van | כֹזֵבָ֗א (kozeva) = Kozeba | וְיוֹאָ֧שׁ (veyoash) = en Joas | וְשָׂרָ֛ף (vesaraf) = en Saraf | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּעֲל֥וּ (baalu) = heersten | לְמוֹאָ֖ב (lemoav) = over Moab | וְיָשֻׁ֣בִי (veyashuvi) = en Jasjubi | לָ֑חֶם (lachem) = Lechem | וְהַדְּבָרִ֖ים (vehadevarim) = en de zaken | עַתִּיקִֽים (atiqim) = oud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: בָּעֲלוּ (baalu) kan ‘heersen over’ of ‘trouwen met’ betekenen. De hele zin is kort en de namen zijn onzeker. Wij vertalen ‘heersten’ en nemen ‘Jasjubi-Lechem’ als naam. Voetnoot : הַדְּבָרִים (hadevarim), ‘de zaken’: de gegevens in dit stuk zijn oud. **4:23** Zij waren de pottenbakkers en de bewoners van Netaïm en Gedera. Zij woonden daar bij de koning, voor zijn werk. Brontekst: הֵ֚מָּה (hema) = zij | הַיּ֣וֹצְרִ֔ים (hayotserim) = de pottenbakkers | וְיֹשְׁבֵ֥י (veyoshevei) = en bewoners van | נְטָעִ֖ים (netaim) = Netaïm | וּגְדֵרָ֑ה (ugedera) = en Gedera | עִם (im) = bij | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | בִּמְלַאכְתּ֖וֹ (bimlakhto) = in zijn werk | יָ֥שְׁבוּ (yashevu) = woonden zij | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gedera (ligging onzeker): Gedera was een stad in het laagland van Juda (Jozua 15:36). De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: 1 Kron 4:14; Ps 81:7 ### De zonen van Simeon **4:24** De zonen van Simeon: Nemoeël, Jamin, Jarib, Zerach en Sjaül. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | שִׁמְע֑וֹן (shimon) = Simeon | נְמוּאֵ֣ל (nemuel) = Nemoeël | וְיָמִ֔ין (veyamin) = en Jamin | יָרִ֖יב (yariv) = Jarib | זֶ֥רַח (zerach) = Zerach | שָׁאֽוּל (shaul) = Sjaül Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de zonen van Simeon verschillen in de lijsten. Gen. 46:10 noemt Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül. Num. 26:12–13 noemt Nemoeël, Jamin, Jachin, Zerach en Sjaül. Zie ook: Gen 46:10; Ex 6:15; Num 26:12–14 **4:25** Sjallum was zijn zoon. Mibsam was zijn zoon. Misjma was zijn zoon. Brontekst: שַׁלֻּ֥ם (shalum) = Sjallum | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | מִבְשָׂ֥ם (mivsam) = Mibsam | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | מִשְׁמָ֥ע (mishma) = Misjma | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:26** De zonen van Misjma: Chammoeël was zijn zoon. Zakkur was zijn zoon. Simeï was zijn zoon. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | מִשְׁמָ֑ע (mishma) = Misjma | חַמּוּאֵ֥ל (chamuel) = Chammoeël | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | זַכּ֥וּר (zakur) = Zakkur | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | שִׁמְעִ֥י (shimi) = Simeï | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:27** Simeï had 16 zonen en 6 dochters. Zijn broers hadden niet veel zonen. Hun hele familie werd niet zo talrijk als de zonen van Juda. Brontekst: וּלְשִׁמְעִ֞י (uleshimi) = en voor Simeï | בָּנִ֨ים (banim) = zonen | שִׁשָּׁ֤ה (shisha) = zes | עָשָׂר֙ (asar) = tien | וּבָנ֣וֹת (uvanot) = en dochters | שֵׁ֔שׁ (shesh) = zes | וּלְאֶחָ֕יו (uleechav) = en voor zijn broers | אֵ֖ין (ein) = niet | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | רַבִּ֑ים (rabim) = veel | וְכֹל֙ (vekhol) = en heel | מִשְׁפַּחְתָּ֔ם (mishpachtam) = hun familie | לֹ֥א (lo) = niet | הִרְבּ֖וּ (hirbu) = werd talrijk | עַד (ad) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:4; Num 2:13; Num 26:14; Num 26:22 ### De steden van Simeon **4:28** Zij woonden in Beër-Sjeba, Molada en Chasar-Sual, Brontekst: וַיֵּֽשְׁב֛וּ (vayeshevu) = en zij woonden | בִּבְאֵֽר (biver) = in Beër | שֶׁ֥בַע (sheva) = Sjeba | וּמוֹלָדָ֖ה (umolada) = en Molada | וַחֲצַ֥ר (vachatsar) = en Chasar | שׁוּעָֽל (shual) = Sual Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De steden van de verzen 28–32 liggen in het zuiden van Juda, in de Negev. Een lijst van steden van Simeon staat ook in Joz. 19:2–8. Beër-Sjeba is het huidige Tel Beer Sheva in Israël. Molada en Chasar-Sual liggen in de buurt. Hun ligging is onzeker. Zie ook: Joz 15:28–29; Joz 19:2–3; Joz 19:9 **4:29** in Bilha, Esem en Tolad, Brontekst: וּבְבִלְהָ֥ה (uvevilha) = en in Bilha | וּבְעֶ֖צֶם (uveetsem) = en in Esem | וּבְתוֹלָֽד (uvetolad) = en in Tolad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bilha (בִּלְהָה) is waarschijnlijk dezelfde plaats als Bala in Joz. 19:3. Esem is Esem in Joz. 19:3. Tolad is Eltolad in Joz. 19:4. De ligging van deze plaatsen in de Negev is onzeker. Zie ook: Joz 19:3–4; Joz 19:4 **4:30** in Betuël, Chorma en Siklag, Brontekst: וּבִבְתוּאֵ֥ל (uvivtuel) = en in Betuël | וּבְחָרְמָ֖ה (uvecharema) = en in Chorma | וּבְצִֽיקְלָֽג (uvetsiqelag) = en in Siklag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betuël (בְּתוּאֵל) is waarschijnlijk dezelfde plaats als Betul in Joz. 19:4. Chorma ligt in de Negev (Num. 14:45). Siklag (צִקְלַג) ligt in het zuiden van Juda. De precieze ligging van Siklag is onzeker. Zie ook: Num 14:45; Joz 15:31; Joz 19:4–5; 1 Sam 27:6; 1 Sam 30:1; Neh 11:28 **4:31** in Bet-Markabot, Chasar-Susim, Bet-Biri en Saaraim. Dit waren hun steden tot David koning werd. Brontekst: וּבְבֵ֤ית (uveveit) = en in Bet | מַרְכָּבוֹת֙ (markavot) = Markabot | וּבַחֲצַ֣ר (uvachatsar) = en in Chasar | סוּסִ֔ים (susim) = Susim | וּבְבֵ֥ית (uveveit) = en in Bet | בִּרְאִ֖י (biri) = Biri | וּֽבְשַׁעֲרָ֑יִם (uveshaarayim) = en in Saaraim | אֵ֥לֶּה (ele) = dit zijn | עָרֵיהֶ֖ם (areihem) = hun steden | עַד (ad) = tot | מְלֹ֥ךְ (melokh) = het regeren van | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Markabot (‘huis van de wagens’) en Chasar-Susim (‘dorp van de paarden’) staan in Joz. 19:5 als Bet-Hammarkabot en Chasar-Susa. Hun ligging in de Negev is onzeker. Op de plaats van Bet-Biri en Saaraim staan in Joz. 19:6 de namen Bet-Lebaot en Sjaruchen. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘tot het regeren van David’. Wij vertalen: tot David koning werd. Zie ook: Joz 19:5–6; Joz 19:6 **4:32** Hun dorpen waren Etam, Ain, Rimmon, Token en Asan: 5 steden. Brontekst: וְחַצְרֵיהֶם֙ (vechatsreihem) = en hun dorpen | עֵיטָ֣ם (eitam) = Etam | וָעַ֔יִן (vaayin) = en Ain | רִמּ֥וֹן (rimon) = Rimmon | וְתֹ֖כֶן (vetokhen) = en Token | וְעָשָׁ֑ן (veashan) = en Asan | עָרִ֖ים (arim) = steden | חָמֵֽשׁ (chamesh) = vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Joz. 19:7 noemt Ain, Rimmon, Eter en Asan: 4 steden. Hier staan 5 steden, met Etam en Token in plaats van Eter. De ligging is onzeker. Zie ook: Joz 19:7 **4:33** En al hun dorpen rondom deze steden, tot aan Baäl: dit waren hun woonplaatsen. Zij hadden hun eigen geslachtsregister. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | חַצְרֵיהֶ֗ם (chatsreihem) = hun dorpen | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | סְבִיב֛וֹת (sevivot) = rondom | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | עַד (ad) = tot | בָּ֑עַל (baal) = Baäl | זֹ֚את (zot) = dit | מוֹשְׁבֹתָ֔ם (moshevotam) = hun woonplaatsen | וְהִתְיַחְשָׂ֖ם (vehityachsam) = en hun geslachtsregister | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäl is waarschijnlijk dezelfde plaats als Baälat-Beër in Joz. 19:8. Dat is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הִתְיַחְשָׂם (hityachsam), ‘hun geslachtsregister’: de inschrijving van hun afkomst in lijsten. Zie ook: Joz 19:8 ### De leiders van Simeon **4:34** Mesjobab, Jamlech en Josja, de zoon van Amazia, Brontekst: וּמְשׁוֹבָ֣ב (umeshovav) = en Mesjobab | וְיַמְלֵ֔ךְ (veyamlekh) = en Jamlech | וְיוֹשָׁ֖ה (veyosha) = en Josja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲמַצְיָֽה (amatsya) = Amazia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:35** Joël en Jehu, de zoon van Josjibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, Brontekst: וְיוֹאֵ֑ל (veyoel) = en Joël | וְיֵהוּא֙ (veyehu) = en Jehu | בֶּן (ben) = zoon van | י֣וֹשִׁבְיָ֔ה (yoshivya) = Josjibja | בֶּן (ben) = zoon van | שְׂרָיָ֖ה (seraya) = Seraja | בֶּן (ben) = zoon van | עֲשִׂיאֵֽל (asiel) = Asiël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:36** Eljoënai, Jaäkoba, Jesjochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël en Benaja, Brontekst: וְאֶלְיוֹעֵינַ֡י (veelyoeinay) = en Eljoënai | וְֽיַעֲקֹ֡בָה (veyaaqova) = en Jaäkoba | וִ֠ישׁוֹחָיָה (vishochaya) = en Jesjochaja | וַעֲשָׂיָ֧ה (vaasaya) = en Asaja | וַעֲדִיאֵ֛ל (vaadiel) = en Adiël | וִישִׂימִאֵ֖ל (visimiel) = en Jesimiël | וּבְנָיָֽה (uvenaya) = en Benaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:37** en Ziza, de zoon van Sjifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Sjimri, de zoon van Sjemaja. Brontekst: וְזִיזָ֨א (veziza) = en Ziza | בֶן (ben) = zoon van | שִׁפְעִ֧י (shifi) = Sjifi | בֶן (ben) = zoon van | אַלּ֛וֹן (alon) = Allon | בֶּן (ben) = zoon van | יְדָיָ֥ה (yedaya) = Jedaja | בֶן (ben) = zoon van | שִׁמְרִ֖י (shimri) = Sjimri | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמַֽעְיָֽה (shemaya) = Sjemaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:38** Zij die hier met hun naam zijn genoemd, waren leiders in hun families. Hun vaderhuizen groeiden sterk. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dezen | הַבָּאִ֣ים (habaim) = die kwamen | בְּשֵׁמ֔וֹת (beshemot) = met namen | נְשִׂיאִ֖ים (nesiim) = leiders | בְּמִשְׁפְּחוֹתָ֑ם (bemishpechotam) = in hun families | וּבֵית֙ (uveit) = en huis van | אֲב֣וֹתֵיהֶ֔ם (avoteihem) = hun vaders | פָּרְצ֖וּ (paretsu) = groeiden sterk | לָרֽוֹב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:4; 1 Kron 5:24 ### Weidegrond bij Gedor **4:39** Zij gingen naar de ingang van Gedor, tot aan de oostkant van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun kleinvee. Brontekst: וַיֵּלְכוּ֙ (vayelekhu) = en zij gingen | לִמְב֣וֹא (limvo) = naar de ingang van | גְדֹ֔ר (gedor) = Gedor | עַ֖ד (ad) = tot | לְמִזְרַ֣ח (lemizrach) = naar het oosten van | הַגָּ֑יְא (hagaye) = het dal | לְבַקֵּ֥שׁ (levaqesh) = om te zoeken | מִרְעֶ֖ה (mire) = weidegrond | לְצֹאנָֽם (letsonam) = voor hun kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van dit Gedor is onzeker. Er is ook een Gedor in het bergland van Juda (Joz. 15:58). Zie ook: Joz 12:13; Joz 15:58; 1 Kron 4:4; 1 Kron 4:18 **4:40** Zij vonden vette, goede weidegrond. Het land was ruim, rustig en vredig. Want zij die daar eerder woonden, waren van Cham. Brontekst: וַֽיִּמְצְא֤וּ (vayimtseu) = en zij vonden | מִרְעֶה֙ (mire) = weidegrond | שָׁמֵ֣ן (shamen) = vet | וָט֔וֹב (vatov) = en goed | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en het land | רַחֲבַ֣ת (rachavat) = wijd van | יָדַ֔יִם (yadayim) = handen | וְשֹׁקֶ֖טֶת (veshoqetet) = en rustig | וּשְׁלֵוָ֑ה (usheleva) = en vredig | כִּ֣י (ki) = want | מִן (min) = van | חָ֔ם (cham) = Cham | הַיֹּשְׁבִ֥ים (hayoshevim) = de bewoners | שָׁ֖ם (sham) = daar | לְפָנִֽים (lefanim) = eerder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַחֲבַת יָדַיִם (rachavat yadayim), ‘wijd van handen’: een gezegde voor ‘ruim’, zodat er genoeg plaats is. Zie ook: Gen 9:22–29; Gen 10:6; Re 18:7–10; Ps 78:51; Ps 105:23 **4:41** Deze mannen, bij naam opgeschreven, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vielen hun tenten aan, en ook de Meunieten die daar waren gevonden. Zij wijdden hen aan de ban, tot op deze dag. Zij gingen in hun plaats wonen, want er was weidegrond voor hun kleinvee. Brontekst: וַיָּבֹ֡אוּ (vayavou) = en kwamen | אֵלֶּה֩ (ele) = dezen | הַכְּתוּבִ֨ים (haketuvim) = de opgeschrevenen | בְּשֵׁמ֜וֹת (beshemot) = met namen | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | יְחִזְקִיָּ֣הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וַיַּכּ֨וּ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | אָהֳלֵיהֶ֜ם (aholeihem) = hun tenten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּעוּנִ֨ים (hameunim) = de Meunieten | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נִמְצְאוּ (nimtseu) = werden gevonden | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | וַיַּחֲרִימֻם֙ (vayacharimum) = en wijdden hen aan de ban | עַד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en zij gingen wonen | תַּחְתֵּיהֶ֑ם (tachteihem) = in hun plaats | כִּֽי (ki) = want | מִרְעֶ֥ה (mire) = weidegrond | לְצֹאנָ֖ם (letsonam) = voor hun kleinvee | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִכָּה (hikkah), ‘slaan’: hier ‘aanvallen en verslaan’. Voetnoot : הַמְּעוּנִים (hamunim), ‘de Meunieten’: een volk. Zie ook 2 Kron. 26:7. Voetnoot : חָרַם (charam), ‘aan de ban wijden’: het volk en de stad worden aan Yahweh gewijd, en daarom vernietigd. Zie ook Joz. 6:17. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere spelling van de Meunieten. Wij volgen de gelezen tekst (qere). Zie ook: Joz 6:17; Re 10:12; 2 Kon 18:8–12; 2 Kron 26:7; Jes 14:28–32; Jer 49:20; Hand 17:26 ### Naar het bergland Seïr **4:42** Van hen, van de zonen van Simeon, gingen 500 man naar het bergland Seïr. Aan hun hoofd stonden Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Jisji. Brontekst: וּמֵהֶ֣ם (umehem) = en van hen | מִן (min) = van | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | שִׁמְע֗וֹן (shimon) = Simeon | הָלְכוּ֙ (halekhu) = gingen | לְהַ֣ר (lehar) = naar het bergland van | שֵׂעִ֔יר (seir) = Seïr | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mannen | חֲמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | וּפְלַטְיָ֡ה (ufelatya) = en Pelatja | וּ֠נְעַרְיָה (unearya) = en Nearja | וּרְפָיָ֧ה (urefaya) = en Refaja | וְעֻזִּיאֵ֛ל (veuziel) = en Uzziël | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׁעִ֖י (yishi) = Jisji | בְּרֹאשָֽׁם (berosham) = aan hun hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het bergland Seïr (הַר שֵׂעִיר) ligt in Edom, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:8–9; Deut 1:2 **4:43** Zij sloegen de rest van Amalek die was ontkomen. Zij woonden daar tot op deze dag. Brontekst: וַיַּכּ֕וּ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֥ית (sheerit) = de rest van | הַפְּלֵטָ֖ה (hapeleta) = de ontkomenen | לַעֲמָלֵ֑ק (laamaleq) = van Amalek | וַיֵּ֣שְׁבוּ (vayeshevu) = en zij woonden | שָׁ֔ם (sham) = daar | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Over Amalek: zie Exod. 17:8–16. ‘Tot op deze dag’ is de tijd van de schrijver. Zie ook: Ex 17:8–16; Ex 17:14–16; Deut 25:17–19; 1 Sam 15:7–8; 1 Sam 30:17; 2 Sam 8:12 ## 1 Kronieken 5 _Ruben, Gad en Manasse, en de lijn van de priesters_ ### Ruben verliest het eerstgeboorterecht **5:1** De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël. Want hij was de eerstgeborene. Maar toen hij het bed van zijn vader ontheiligde, werd zijn eerstgeboorterecht gegeven aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël. Ruben mocht dus niet als eerstgeborene in het geslachtsregister worden ingeschreven. Brontekst: וּבְנֵ֨י (uvenei) = en de zonen van | רְאוּבֵ֥ן (reuven) = Ruben | בְּכֽוֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | כִּ֣י (ki) = want | ה֣וּא (hu) = hij | הַבְּכוֹר֒ (habekhor) = de eerstgeborene | וּֽבְחַלְּלוֹ֙ (uvechalelo) = en toen hij ontheiligde | יְצוּעֵ֣י (yetsuei) = het bed van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | נִתְּנָה֙ (nitena) = werd gegeven | בְּכֹ֣רָת֔וֹ (bekhorato) = zijn eerstgeboorterecht | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בֶּן (ben) = de zoon van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לְהִתְיַחֵ֖שׂ (lehityaches) = om ingeschreven te worden | לַבְּכֹרָֽה (labekhora) = als eerstgeborene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּחַלְּלוֹ (bechallelo), ‘toen hij ontheiligde’: Ruben ontheiligde het bed van zijn vader. Hij lag bij Bilha, de bijvrouw van Jakob (Gen. 35:22; 49:3–4). Voetnoot : בְּכֹרָה (bechorah), ‘eerstgeboorterecht’: het voorrecht van de eerstgeborene. Dat ging naar de zonen van Jozef. Voetnoot Lezing: Het einde van het vers is kort: ‘en niet om ingeschreven te worden als eerstgeborene’. Wij lezen: Ruben staat niet als eerstgeborene in het geslachtsregister. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 33:2–9 bevestigt dit. Zie ook: Gen 29:32; Gen 35:22; Gen 48:15–22; Gen 49:3–4; Jub 33:2–9; Ex 6:14 **5:2** Want Juda werd sterk onder zijn broers. Uit hem komt de leider. Maar het eerstgeboorterecht is van Jozef. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | גָּבַ֣ר (gavar) = werd sterk | בְּאֶחָ֔יו (beechav) = onder zijn broers | וּלְנָגִ֖יד (ulenagid) = en de leider | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = uit hem | וְהַבְּכֹרָ֖ה (vehabekhora) = maar het eerstgeboorterecht | לְיוֹסֵֽף (leyosef) = is van Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: iemand die vooraan staat. Uit Juda komt de leider (1 Kron. 28:4; vergelijk Gen. 49:8–10). Het eerstgeboorterecht gaat naar Jozef, zoals vers 1 zegt. Zie ook: Gen 49:8–10; 1 Kron 5:1; 1 Kron 28:4; Ps 60:9; Mi 5:1; Mat 2:6; Heb 7:14 ### De afstammelingen van Ruben **5:3** De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël: Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֖ן (reuven) = Ruben | בְּכ֣וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | חֲנ֥וֹךְ (chanokh) = Chanoch | וּפַלּ֖וּא (ufalu) = en Pallu | חֶצְר֥וֹן (chetsron) = Chezron | וְכַרְמִֽי (vekharmi) = en Karmi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde vier zonen staan in Gen. 46:9, Exod. 6:14 en Num. 26:5–6. Zie ook: Gen 46:9; Ex 6:14; Num 26:5–9 **5:4** De zonen van Joël: Sjemaja was zijn zoon, Gog was diens zoon, Simeï was diens zoon. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | יוֹאֵ֑ל (yoel) = Joël | שְׁמַֽעְיָ֥ה (shemaya) = Sjemaja | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | גּ֥וֹג (gog) = Gog | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | שִׁמְעִ֥י (shimi) = Simeï | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In deze lijsten staat steeds ‘zijn zoon’ (בְנוֹ, beno) achter de naam. Dat betekent: deze man is een zoon van de vorige. Zo is Sjemaja een zoon van Joël, Gog een zoon van Sjemaja en Simeï een zoon van Gog. De tekst zegt niet hoe Joël aan Ruben verwant is. **5:5** Micha was diens zoon, Reaja was diens zoon, Baäl was diens zoon. Brontekst: מִיכָ֥ה (mikha) = Micha | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | רְאָיָ֥ה (reaya) = Reaja | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:6** Beera was diens zoon. Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, voerde hem weg in ballingschap. Hij was leider van de Rubenieten. Brontekst: בְּאֵרָ֣ה (beera) = Beera | בְנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֶגְלָ֔ה (hegla) = voerde weg | תִּלְּגַ֥ת (tilegat) = Tiglat | פִּלְנְאֶ֖סֶר (pilneeser) = Pilneser | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשֻּׁ֑ר (ashur) = Assyrië | ה֥וּא (hu) = hij | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider | לָרֽאוּבֵנִֽי (laruveni) = van de Rubeniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: תִּלְּגַת פִּלְנְאֶסֶר (tillegat pilneʼeser), Tiglat-Pilneser, was koning van Assyrië. Hij voerde ook de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse weg (vers 26). Zie ook: 1 Kron 5:26; 2 Kon 15:29; 2 Kon 16:7; 2 Kron 28:20 **5:7** Zijn broers, naar hun families, zoals zij naar hun geslachten in het geslachtsregister staan: Jeïël, het hoofd, en Zacharia. Brontekst: וְאֶחָיו֙ (veechav) = en zijn broers | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו (lemishpechotav) = naar zijn families | בְּהִתְיַחֵ֖שׂ (behityaches) = bij het ingeschreven worden | לְתֹלְדוֹתָ֑ם (letoledotam) = naar hun geslachten | הָרֹ֥אשׁ (harosh) = het hoofd | יְעִיאֵ֖ל (yeiel) = Jeïël | וּזְכַרְיָֽהוּ (uzekharyahu) = en Zacharia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 5:17 **5:8** Bela was de zoon van Azaz, de zoon van Sjema, de zoon van Joël. Hij woonde in Aroër, tot aan Nebo en Baäl-Meon. Brontekst: וּבֶ֨לַע֙ (uvela) = en Bela | בֶּן (ben) = de zoon van | עָזָ֔ז (azaz) = Azaz | בֶּן (ben) = de zoon van | שֶׁ֖מַע (shema) = Sjema | בֶּן (ben) = de zoon van | יוֹאֵ֑ל (yoel) = Joël | ה֚וּא (hu) = hij | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = wonend | בַּעֲרֹעֵ֔ר (baaroer) = in Aroër | וְעַד (vead) = en tot | נְב֖וֹ (nevo) = Nebo | וּבַ֥עַל (uvaal) = en Baäl | מְעֽוֹן (meon) = Meon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aroër ligt aan de beek Arnon (Joz. 13:16). Nebo en Baäl-Meon liggen op het plateau ten oosten van de Zoutzee, in het gebied van Ruben (Num. 32:38), in het huidige Jordanië. De ligging van Nebo en Baäl-Meon is waarschijnlijk, niet zeker. Zie ook: Num 32:34; Num 32:38; Joz 13:16; Joz 13:17; 1 Kron 5:4; Jes 17:2 **5:9** Naar het oosten woonde hij tot waar de woestijn begint, vanaf de rivier de Eufraat. Want hun vee was talrijk geworden in het land Gilead. Brontekst: וְלַמִּזְרָ֗ח (velamizrach) = en naar het oosten | יָשַׁב֙ (yashav) = woonde hij | עַד (ad) = tot | לְב֣וֹא (levo) = de ingang van | מִדְבָּ֔רָה (midbara) = de woestijn | לְמִן (lemin) = vanaf | הַנָּהָ֖ר (hanahar) = de rivier | פְּרָ֑ת (perat) = Eufraat | כִּ֧י (ki) = want | מִקְנֵיהֶ֛ם (miqneihem) = hun vee | רָב֖וּ (ravu) = was talrijk | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | גִּלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De tekst noemt de woestijn en de Eufraat als oostgrens van hun weidegebied. Hoe ver dat gebied precies reikte, is onzeker. Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië. Zie ook: Joz 22:8–9 **5:10** In de dagen van Saul voerden zij oorlog met de Hagrieten. Die vielen door hun hand. Daarna woonden zij in hun tenten, in heel het gebied ten oosten van Gilead. Brontekst: וּבִימֵ֣י (uvimei) = en in de dagen van | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | עָשׂ֤וּ (asu) = zij voerden | מִלְחָמָה֙ (milchama) = oorlog | עִם (im) = met | הַֽהַגְרִאִ֔ים (hahagriim) = de Hagrieten | וַֽיִּפְּל֖וּ (vayipelu) = en zij vielen | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = door hun hand | וַיֵּשְׁבוּ֙ (vayeshevu) = en zij woonden | בְּאָ֣הֳלֵיהֶ֔ם (beaholeihem) = in hun tenten | עַֽל (al) = over | כָּל (kal) = heel | פְּנֵ֖י (penei) = het gebied van | מִזְרָ֥ח (mizrach) = oost | לַגִּלְעָֽד (lagilad) = van Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Gen 21:9; Gen 25:12; 1 Kron 5:18–21; Ps 83:7 ### Gad in Basan **5:11** De zonen van Gad woonden tegenover hen, in het land Basan tot Salka. Brontekst: וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֣ד (gad) = Gad | לְנֶגְדָּ֗ם (lenegdam) = tegenover hen | יָֽשְׁב֛וּ (yashevu) = woonden | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | הַבָּשָׁ֖ן (habashan) = Basan | עַד (ad) = tot | סַלְכָֽה (salkha) = Salka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Salka ligt in het uiterste oosten van Basan, waarschijnlijk bij het huidige Salkhad in het zuiden van Syrië (Joz. 12:5; Deut. 3:10). Zie ook: Num 32:34–36; Deut 3:10–17; Joz 12:5; Joz 13:11; Joz 13:24–28 **5:12** Joël was het hoofd en Sjafam de tweede, daarna Janai en Sjafat in Basan. Brontekst: יוֹאֵ֣ל (yoel) = Joël | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | וְשָׁפָ֖ם (veshafam) = en Sjafam | הַמִּשְׁנֶ֑ה (hamishne) = de tweede | וְיַעְנַ֥י (veyanay) = en Janai | וְשָׁפָ֖ט (veshafat) = en Sjafat | בַּבָּשָֽׁן (babashan) = in Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. **5:13** Hun broers, naar het huis van hun vaders: Michaël, Mesjullam, Sjeba, Joraï, Jaäkan, Zia en Eber, samen zeven. Brontekst: וַאֲחֵיהֶ֞ם (vaacheihem) = en hun broers | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֲבוֹתֵיהֶ֗ם (avoteihem) = hun vaders | מִֽיכָאֵ֡ל (mikhael) = Michaël | וּמְשֻׁלָּ֡ם (umeshulam) = en Mesjullam | וְ֠שֶׁבַע (vesheva) = en Sjeba | וְיוֹרַ֧י (veyoray) = en Joraï | וְיַעְכָּ֛ן (veyakan) = en Jaäkan | וְזִ֥יעַ (vezia) = en Zia | וָעֵ֖בֶר (vaever) = en Eber | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:14** Dit zijn de zonen van Abichaïl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroach, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesjisai, de zoon van Jachdo, de zoon van Bus. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אֲבִיחַ֗יִל (avichayil) = Abichaïl | בֶּן (ben) = de zoon van | חוּרִ֡י (churi) = Huri | בֶּן (ben) = de zoon van | יָ֠רוֹחַ (yaroach) = Jaroach | בֶּן (ben) = de zoon van | גִּלְעָ֧ד (gilad) = Gilead | בֶּן (ben) = de zoon van | מִיכָאֵ֛ל (mikhael) = Michaël | בֶּן (ben) = de zoon van | יְשִׁישַׁ֥י (yeshishay) = Jesjisai | בֶּן (ben) = de zoon van | יַחְדּ֖וֹ (yachdo) = Jachdo | בֶּן (ben) = de zoon van | בּֽוּז (buz) = Bus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:15** Achi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was hoofd van het huis van hun vaders. Brontekst: אֲחִי֙ (achi) = Achi | בֶּן (ben) = de zoon van | עַבְדִּיאֵ֣ל (avdiel) = Abdiël | בֶּן (ben) = de zoon van | גּוּנִ֔י (guni) = Guni | רֹ֖אשׁ (rosh) = hoofd | לְבֵ֥ית (leveit) = van het huis van | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:16** Zij woonden in Gilead, in Basan en in de dorpen die erbij horen, en in al het weideland van Saron, tot aan hun uitlopers. Brontekst: וַיֵּֽשְׁב֛וּ (vayeshevu) = en zij woonden | בַּגִּלְעָ֥ד (bagilad) = in Gilead | בַּבָּשָׁ֖ן (babashan) = in Basan | וּבִבְנֹתֶ֑יהָ (uvivnoteiha) = en in haar dorpen | וּבְכָֽל (uvekhal) = en in alle | מִגְרְשֵׁ֥י (migreshei) = weidegronden van | שָׁר֖וֹן (sharon) = Saron | עַל (al) = tot | תּוֹצְאוֹתָֽם (totseotam) = hun uitlopers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dit Saron (שָׁרוֹן, sharon) ligt in het oosten, bij Gilead en Basan. Het is niet de kustvlakte. De precieze ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: בְּנוֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: de dorpen die bij een grotere stad horen. Zie ook: 1 Kron 27:29; Hoogl 2:1; Jes 35:2 **5:17** Zij allen werden ingeschreven in het geslachtsregister. Dat gebeurde in de dagen van Jotam, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël. Brontekst: כֻּלָּם֙ (kulam) = allen van hen | הִתְיַחְשׂ֔וּ (hityachsu) = werden ingeschreven | בִּימֵ֖י (bimei) = in de dagen van | יוֹתָ֣ם (yotam) = Jotam | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּבִימֵ֖י (uvimei) = en in de dagen van | יָרָבְעָ֥ם (yaraveam) = Jerobeam | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 14:16; 2 Kon 14:23; 2 Kon 14:28; 2 Kon 15:5; 2 Kon 15:32 ### De oorlog tegen de Hagrieten **5:18** De zonen van Ruben, de Gadieten en de halve stam Manasse hadden dappere mannen. Zij droegen schild en zwaard, spanden de boog en waren geoefend in de oorlog. Het waren 44.760 man, die ten strijde konden trekken. Brontekst: בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֨ן (reuven) = Ruben | וְגָדִ֜י (vegadi) = en de Gadiet | וַחֲצִ֥י (vachatsi) = en de helft van | שֵֽׁבֶט (shevet) = de stam | מְנַשֶּׁה֮ (menashe) = Manasse | מִן (min) = uit | בְּנֵי (benei) = zonen van | חַיִל֒ (chayil) = kracht | אֲ֠נָשִׁים (anashim) = mannen | נֹשְׂאֵ֨י (noseei) = dragers van | מָגֵ֤ן (magen) = schild | וְחֶ֨רֶב֙ (vecherev) = en zwaard | וְדֹ֣רְכֵי (vedorekhei) = en spanners van | קֶ֔שֶׁת (qeshet) = boog | וּלְמוּדֵ֖י (ulemudei) = en geoefend in | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | אַרְבָּעִ֨ים (arbaim) = veertig | וְאַרְבָּעָ֥ה (vearbaa) = en vier | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַע (usheva) = en zeven | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | וְשִׁשִּׁ֖ים (veshishim) = en zestig | יֹצְאֵ֥י (yotseei) = uitgaanden van | צָבָֽא (tsava) = het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:3; Joz 4:12–13 **5:19** Zij voerden oorlog met de Hagrieten, met Jetur, Nafisj en Nodab. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en zij voerden | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | עִם (im) = met | הַֽהַגְרִיאִ֑ים (hahagriim) = de Hagrieten | וִיט֥וּר (vitur) = en Jetur | וְנָפִ֖ישׁ (venafish) = en Nafisj | וְנוֹדָֽב (venodav) = en Nodab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:15; 1 Kron 1:31; 1 Kron 5:10 **5:20** Zij kregen hulp tegen hen. De Hagrieten werden in hun hand gegeven, met allen die bij hen waren. Want zij riepen in de strijd om hulp tot Elohim. Hij liet Zich door hen bewegen, want zij vertrouwden op Hem. Brontekst: וַיֵּעָזְר֣וּ (vayeazeru) = en zij kregen hulp | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | וַיִּנָּתְנ֤וּ (vayinatenu) = en werden gegeven | בְיָדָם֙ (beyadam) = in hun hand | הַֽהַגְרִיאִ֔ים (hahagriim) = de Hagrieten | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alles | שֶׁ֣עִמָּהֶ֑ם (sheimahem) = wat met hen was | כִּ֠י (ki) = want | לֵאלֹהִ֤ים (lElohim) = tot Elohim | זָעֲקוּ֙ (zaaqu) = zij riepen | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de oorlog | וְנַעְתּ֥וֹר (venator) = en Hij liet Zich bewegen | לָהֶ֖ם (lahem) = door hen | כִּי (ki) = want | בָ֥טְחוּ (batechu) = zij vertrouwden | בֽוֹ (bo) = op Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנַעְתּוֹר (veneʼtor), ‘en Hij liet Zich bewegen’: Elohim hoort de roep van Zijn volk en grijpt in. Zie ook: Joz 10:14; Ps 9:11; Ps 20:8–9; Ps 22:5–6; 2 Kron 18:31 **5:21** Zij voerden hun vee weg: 50.000 kamelen, 250.000 stuks kleinvee, 2.000 ezels en 100.000 mensen. Brontekst: וַיִּשְׁבּ֣וּ (vayishbu) = en zij voerden weg | מִקְנֵיהֶ֗ם (miqneihem) = hun vee | גְּֽמַלֵּיהֶ֞ם (gemaleihem) = hun kamelen | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | וְצֹ֗אן (vetson) = en kleinvee | מָאתַ֤יִם (matayim) = tweehonderd | וַחֲמִשִּׁים֙ (vachamishim) = en vijftig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וַחֲמוֹרִ֖ים (vachamorim) = en ezels | אַלְפָּ֑יִם (alpayim) = tweeduizend | וְנֶ֥פֶשׁ (venefesh) = en personen van | אָדָ֖ם (adam) = mensen | מֵ֥אָה (mea) = honderd | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 31:35; Openb 18:13 **5:22** Want er vielen veel verslagenen, omdat de strijd van Elohim kwam. Zij woonden in hun plaats tot de ballingschap. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | חֲלָלִ֤ים (chalalim) = verslagenen | רַבִּים֙ (rabim) = vele | נָפָ֔לוּ (nafalu) = waren gevallen | כִּ֥י (ki) = want | מֵהָאֱלֹהִ֖ים (mehaelohim) = van Elohim | הַמִּלְחָמָ֑ה (hamilchama) = de oorlog | וַיֵּשְׁב֥וּ (vayeshevu) = en zij woonden | תַחְתֵּיהֶ֖ם (tachteihem) = in hun plaats | עַד (ad) = tot | הַגֹּלָֽה (hagola) = de ballingschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגֹּלָה (haggolah), ‘de ballingschap’: de wegvoering door Assyrië, zie vers 26. Zie ook: Joz 23:10; 1 Kron 5:26; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:6; 2 Kron 32:8; Rom 8:31 ### De halve stam Manasse **5:23** De zonen van de halve stam Manasse woonden in het land, van Basan tot Baäl-Hermon, Senir en de berg Hermon. Zij werden talrijk. Brontekst: וּבְנֵ֗י (uvenei) = en de zonen van | חֲצִי֙ (chatsi) = de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = stam | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | יָשְׁב֖וּ (yashevu) = woonden | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | מִבָּשָׁ֞ן (mibashan) = van Basan | עַד (ad) = tot | בַּ֧עַל (baal) = Baäl | חֶרְמ֛וֹן (chermon) = Hermon | וּשְׂנִ֥יר (usenir) = en Senir | וְהַר (vehar) = en de berg | חֶרְמ֖וֹן (chermon) = Hermon | הֵ֥מָּה (hema) = zij | רָבֽוּ (ravu) = werden talrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäl-Hermon, Senir en de berg Hermon liggen in het uiterste noorden, bij de grens van het huidige Libanon en Syrië. Senir is een andere naam voor de Hermon (Deut. 3:9; vergelijk Richt. 3:3). Zie ook: Deut 3:8–9; Deut 3:9; Joz 13:11; Joz 13:29–31; Re 3:3; Ps 133:3; Hoogl 4:8 **5:24** Dit zijn de hoofden van het huis van hun vaders: Efer, Jisji, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodavja en Jachdiël. Het waren dappere strijders, mannen met een naam, hoofden van het huis van hun vaders. Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dezen | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | בֵית (beit) = het huis van | אֲבוֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | וְעֵ֡פֶר (veefer) = en Efer | וְיִשְׁעִ֡י (veyishi) = en Jisji | וֶאֱלִיאֵ֡ל (veeliel) = en Eliël | וְ֠עַזְרִיאֵל (veazriel) = en Azriël | וְיִרְמְיָ֨ה (veyirmeya) = en Jirmeja | וְהוֹדַוְיָ֜ה (vehodavya) = en Hodavja | וְיַחְדִּיאֵ֗ל (veyachdiel) = en Jachdiël | אֲנָשִׁים֙ (anashim) = mannen | גִּבּ֣וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֔יִל (chayil) = kracht | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | שֵׁמ֔וֹת (shemot) = namen | רָאשִׁ֖ים (rashim) = hoofden | לְבֵ֥ית (leveit) = van het huis van | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 4:38 ### Ontrouw en ballingschap **5:25** Maar zij waren ontrouw aan de Elohim van hun vaders. Zij hoereerden achter de goden van de volken van het land aan, die Elohim voor hun ogen had uitgeroeid. Brontekst: וַיִּֽמְעֲל֔וּ (vayimalu) = en zij waren ontrouw | בֵּאלֹהֵ֖י (belohei) = aan de Elohim van | אֲבוֹתֵיהֶ֑ם (avoteihem) = hun vaders | וַיִּזְנ֗וּ (vayiznu) = en zij hoereerden | אַחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | עַמֵּי (amei) = de volken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = die | הִשְׁמִ֥יד (hishmid) = had uitgeroeid | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | מִפְּנֵיהֶֽם (mipeneihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּמְעֲלוּ (vayyimʼalu), ‘zij waren ontrouw’: zij braken de trouw aan Elohim. וַיִּזְנוּ (vayyiznu), ‘zij hoereerden’: afgoderij wordt hier als overspel beschreven (vergelijk Num. 25:1–3). Zie ook: Ex 34:15; Num 25:1–3; Ps 106:34–39; Hos 1:2; Hos 9:1; Openb 17:5 **5:26** Toen wekte de Elohim van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, op. Ook wekte Hij de geest van Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, op. Die voerde de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse weg. Hij bracht hen naar Chalach, Chabor, Hara en de rivier de Gozan, tot op deze dag. Brontekst: וַיָּעַר֩ (vayaar) = en wekte op | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | ר֣וּחַ (ruach) = de geest van | פּ֣וּל (pul) = Pul | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֗וּר (ashur) = Assyrië | וְאֶת (veet) = en (obj.) | ר֨וּחַ֙ (ruach) = de geest van | תִּלְּגַ֤ת (tilegat) = Tiglat | פִּלְנֶ֨סֶר֙ (pilneser) = Pilneser | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וַיַּגְלֵם֙ (vayaglem) = en hij voerde hen weg | לָראוּבֵנִ֣י (laruveni) = de Rubeniet | וְלַגָּדִ֔י (velagadi) = en de Gadiet | וְלַחֲצִ֖י (velachatsi) = en de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = stam | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וַ֠יְבִיאֵם (vayviem) = en bracht hen | לַחְלַ֨ח (lachlach) = naar Chalach | וְחָב֤וֹר (vechavor) = en Chabor | וְהָרָא֙ (vehara) = en Hara | וּנְהַ֣ר (unehar) = en de rivier | גּוֹזָ֔ן (gozan) = Gozan | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chalach, Chabor, Hara en de rivier de Gozan liggen in het noorden van Mesopotamië, in het huidige noordoosten van Syrië en het noorden van Irak. De precieze ligging van Chalach en Hara is onzeker. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘geest’: Elohim zet de koningen aan tot hun veldtocht. Pul en Tiglat-Pilneser worden naast elkaar genoemd. Of het twee namen voor dezelfde koning zijn, laat de tekst open (vergelijk 2 Kon. 15:19, 15:29 en 17:6). Voetnoot Lezing: וַיַּגְלֵם (vayyagelem), ‘en hij voerde hen weg’, is enkelvoud. Wij lezen Tiglat-Pilneser als onderwerp, omdat hij het laatst is genoemd. Zie ook: 2 Kon 15:19; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:6; 2 Kon 18:11; 2 Kron 33:11 ### De zonen van Levi **5:27** De zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | גֵּרְשׁ֕וֹן (gereshon) = Gersjon | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | וּמְרָרִֽי (umerari) = en Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint de afstamming van Levi. In de Nederlandse telling is Hebr. 5:27–41 het begin van hoofdstuk 6 (NL 6:1–15). Hebr. 6:1–66 is NL 6:16–81. Wij volgen de Masoretische telling. Voetnoot : גֵּרְשׁוֹן (gershon): Gersjon, zoals in Exod. 6:16. In het volgende hoofdstuk staat de naam ook als גֵּרְשֹׁם (gershom) en גֵּרְשׁוֹם (gershom). Zie ook: Gen 46:11; Ex 6:16; Num 26:57; 1 Kron 6:5; 1 Kron 23:6; Heb 5:27–41; Heb 6:1–66 **5:28** De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | קְהָ֑ת (qehat) = Kehat | עַמְרָ֣ם (amram) = Amram | יִצְהָ֔ר (yitshar) = Jishar | וְחֶבְר֖וֹן (vechevron) = en Hebron | וְעֻזִּיאֵֽל (veuziel) = en Uzziël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:18; Ex 6:21–24; 1 Kron 23:12 **5:29** De zonen van Amram: Aäron, Mozes en Mirjam. De zonen van Aäron: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | עַמְרָ֔ם (amram) = Amram | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | וּמֹשֶׁ֖ה (umoshe) = en Mozes | וּמִרְיָ֑ם (umiryam) = en Mirjam | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | נָדָב֙ (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֔וּא (vaavihu) = en Abihu | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | וְאִיתָמָֽר (veitamar) = en Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 6:20 en Num. 3:2; 26:59–60. Zie ook: Ex 2:4; Ex 6:20; Ex 15:20; Lev 10:1; Lev 10:12; Num 3:2; Num 26:59 ### De lijn van Eleazar tot de ballingschap **5:30** Eleazar werd de vader van Pinechas. Pinechas werd de vader van Abisjoea. Brontekst: אֶלְעָזָר֙ (elazar) = Eleazar | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | פִּֽינְחָ֔ס (pinechas) = Pinechas | פִּֽינְחָ֖ס (pinechas) = Pinechas | הֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִישֽׁוּעַ (avishua) = Abisjoea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹלִיד (holid), ‘werd de vader van’: vanaf hier volgt de lijn van de priesters in een vaste vorm. Zij loopt van Eleazar tot Jehozadak, die in ballingschap ging (vers 41). Zie ook: Ex 6:25; Joz 22:30–32; Re 20:28; 1 Kron 5:41; 1 Kron 6:35; Ezra 7:1–5 **5:31** Abisjoea werd de vader van Bukki. Bukki werd de vader van Uzzi. Brontekst: וַאֲבִישׁ֨וּעַ֙ (vaavishua) = en Abisjoea | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בֻּקִּ֔י (buqi) = Bukki | וּבֻקִּ֖י (uvuqi) = en Bukki | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֻזִּֽי (uzi) = Uzzi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:32** Uzzi werd de vader van Zerachja. Zerachja werd de vader van Merajot. Brontekst: וְעֻזִּי֙ (veuzi) = en Uzzi | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | זְרַֽחְיָ֔ה (zerachya) = Zerachja | וּֽזְרַֽחְיָ֖ה (uzerachya) = en Zerachja | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | מְרָיֽוֹת (merayot) = Merajot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:33** Merajot werd de vader van Amarja. Amarja werd de vader van Achitub. Brontekst: מְרָיוֹת֙ (merayot) = Merajot | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֲמַרְיָ֔ה (amarya) = Amarja | וַאֲמַרְיָ֖ה (vaamarya) = en Amarja | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֲחִיטֽוּב (achituv) = Achitub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:34** Achitub werd de vader van Zadok. Zadok werd de vader van Achimaäs. Brontekst: וַאֲחִיטוּב֙ (vaachituv) = en Achitub | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | צָד֔וֹק (tsadoq) = Zadok | וְצָד֖וֹק (vetsadoq) = en Zadok | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֲחִימָֽעַץ (achimaats) = Achimaäs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 8:17; 2 Sam 15:27; 1 Kon 1:34; 1 Kon 1:44; 1 Kon 2:35 **5:35** Achimaäs werd de vader van Azarja. Azarja werd de vader van Johanan. Brontekst: וַאֲחִימַ֨עַץ֙ (vaachimaats) = en Achimaäs | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֲזַרְיָ֔ה (azarya) = Azarja | וַעֲזַרְיָ֖ה (vaazarya) = en Azarja | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יוֹחָנָֽן (yochanan) = Johanan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:36** Johanan werd de vader van Azarja. Hij was de priester in het huis dat Salomo in Jeruzalem bouwde. Brontekst: וְיוֹחָנָ֖ן (veyochanan) = en Johanan | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֲזַרְיָ֑ה (azarya) = Azarja | ה֚וּא (hu) = hij | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | כִּהֵ֔ן (kihen) = was priester | בַּבַּ֕יִת (babayit) = in het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּנָ֥ה (bana) = bouwde | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Lezing: הוּא (hu), ‘hij’, kan terugwijzen op Johanan of op Azarja. Wij laten dat zoals de tekst het geeft. De naam Azarja komt in deze lijst vaker voor (verzen 35, 36, 39 en 40). Zie ook: 1 Kon 6:1–7; 2 Kron 3:1; 2 Kron 3:4; 2 Kron 26:17–20 **5:37** Azarja werd de vader van Amarja. Amarja werd de vader van Achitub. Brontekst: וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en werd de vader van | עֲזַרְיָ֖ה (azarya) = Azarja | אֶת (et) = (obj.) | אֲמַרְיָ֑ה (amarya) = Amarja | וַאֲמַרְיָ֖ה (vaamarya) = en Amarja | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | אֲחִיטֽוּב (achituv) = Achitub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 7:3 **5:38** Achitub werd de vader van Zadok. Zadok werd de vader van Sjallum. Brontekst: וַאֲחִיטוּב֙ (vaachituv) = en Achitub | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | צָד֔וֹק (tsadoq) = Zadok | וְצָד֖וֹק (vetsadoq) = en Zadok | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שַׁלּֽוּם (shalum) = Sjallum Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:11; Neh 11:11 **5:39** Sjallum werd de vader van Chilkia. Chilkia werd de vader van Azarja. Brontekst: וְשַׁלּוּם֙ (veshalum) = en Sjallum | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | חִלְקִיָּ֔ה (chilqiya) = Chilkia | וְחִלְקִיָּ֖ה (vechilqiya) = en Chilkia | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֲזַרְיָֽה (azarya) = Azarja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 22:4; 2 Kon 22:12–14; 2 Kron 34:14–20; 2 Kron 35:8 **5:40** Azarja werd de vader van Seraja. Seraja werd de vader van Jehozadak. Brontekst: וַעֲזַרְיָה֙ (vaazarya) = en Azarja | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שְׂרָיָ֔ה (seraya) = Seraja | וּשְׂרָיָ֖ה (useraya) = en Seraja | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹצָדָֽק (yehotsadaq) = Jehozadak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 25:18; Ezra 7:1; Zach 6:11; Neh 11:11 **5:41** Jehozadak ging weg, toen Yahweh Juda en Jeruzalem in ballingschap liet voeren door de hand van Nebukadnezar. Brontekst: וִיהוֹצָדָ֣ק (vihotsadaq) = en Jehozadak | הָלַ֔ךְ (halakh) = ging | בְּהַגְל֣וֹת (behaglot) = bij het wegvoeren van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָ֑ם (virushaliam) = en Jeruzalem | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | נְבֻכַדְנֶאצַּֽר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בְּהַגְלוֹת יְהוָה (behaglot Yahweh), ‘toen Yahweh wegvoerde’: de ballingschap wordt hier genoemd als daad van Yahweh, door de hand van Nebukadnezar. Zie ook: 2 Kon 25:18; 2 Kon 25:21; Hag 1:1; Hag 1:14; Hag 2:2 ## 1 Kronieken 6 _De Levieten, de zangers en de steden van de Levieten_ ### De zonen van Levi **6:1** De zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | גֵּרְשֹׁ֕ם (gereshom) = Gersjon | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | וּמְרָרִֽי (umerari) = en Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Nederlandse telling is Hebr. 6:1 gelijk aan 1 Kron. 6:16 (Hebr. 6:1–66 = NL 6:16–81). Wij volgen de Masoretische telling. Voetnoot : גֵּרְשֹׁם (gershom): in dit hoofdstuk staat de zoon van Levi ook als גֵּרְשׁוֹם. Wij schrijven overal Gersjon, zoals Exod. 6:16 en 1 Kron. 5:27. Dat is een andere man dan Gersom, de zoon van Mozes (Exod. 2:22). Zie ook: Ex 2:22; Ex 6:16; 1 Kron 5:27; 1 Kron 6:16; Heb 6:1 **6:2** Dit zijn de namen van de zonen van Gersjon: Libni en Simi. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמ֥וֹת (shemot) = de namen van | בְּֽנֵי (benei) = de zonen van | גֵרְשׁ֖וֹם (gereshom) = Gersjon | לִבְנִ֥י (livni) = Libni | וְשִׁמְעִֽי (veshimi) = en Simi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 6:17 en Num. 3:18. Daar staat שִׁמְעִי (shimi) ook als Simi. Zie ook: Ex 6:17; Num 3:18; Num 3:21; 1 Kron 23:7 **6:3** De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | קְהָ֑ת (qehat) = Kehat | עַמְרָ֣ם (amram) = Amram | וְיִצְהָ֔ר (veyitshar) = en Jishar | וְחֶבְר֖וֹן (vechevron) = en Hebron | וְעֻזִּיאֵֽל (veuziel) = en Uzziël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 6:18. Zie ook: Ex 6:18; 1 Kron 5:28–29; 1 Kron 23:12 **6:4** De zonen van Merari: Machli en Musji. Dit zijn de families van de Levieten, naar hun vaders. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֖י (merari) = Merari | מַחְלִ֣י (machli) = Machli | וּמֻשִׁ֑י (umushi) = en Musji | וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit zijn | מִשְׁפְּח֥וֹת (mishpechot) = de families van | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Levi | לַאֲבוֹתֵיהֶֽם (laavoteihem) = naar hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 6:19 en Num. 3:20. Zie ook: Ex 6:19; Num 3:20; Num 26:57–58; 1 Kron 23:21; 1 Kron 24:26 **6:5** Van Gersjon: Libni was zijn zoon, Jachat was diens zoon, Zimma was diens zoon. Brontekst: לְֽגֵרְשׁ֑וֹם (legereshom) = van Gersjon | לִבְנִ֥י (livni) = Libni | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | יַ֥חַת (yachat) = Jachat | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | זִמָּ֥ה (zima) = Zimma | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In dit hoofdstuk staat de lijn van Gersjon op twee plaatsen. Hier is Libni een zoon van Gersjon en Jachat een zoon van Libni. In vers 28 is Jachat een zoon van Gersjon. Wij vertalen beide zoals de tekst ze geeft. Zie ook: 1 Kron 6:28 **6:6** Joach was diens zoon, Iddo was diens zoon, Zerach was diens zoon, Jeatrai was diens zoon. Brontekst: יוֹאָ֤ח (yoach) = Joach | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | עִדּ֣וֹ (ido) = Iddo | בְנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | זֶ֥רַח (zerach) = Zerach | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | יְאָתְרַ֥י (yeateray) = Jeatrai | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:7** De zonen van Kehat: Amminadab was zijn zoon, Korach was diens zoon, Assir was diens zoon. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | קְהָ֑ת (qehat) = Kehat | עַמִּינָדָ֣ב (aminadav) = Amminadab | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | קֹ֥רַח (qorach) = Korach | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אַסִּ֥יר (asir) = Assir | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Hier is Amminadab de vader van Korach. In Exod. 6:21 en Num. 16:1 en in vers 23 is Korach een zoon van Jishar. De tekst laat niet zien hoe beide lijsten samenhangen. Wij vertalen zoals de tekst staat. Zie ook: Ex 6:21; Ex 6:24; Num 16:1; 1 Kron 5:28; 1 Kron 6:3; 1 Kron 6:23 **6:8** Elkana was diens zoon, Ebjasaf was diens zoon, Assir was diens zoon. Brontekst: אֶלְקָנָ֥ה (elqana) = Elkana | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | וְאֶבְיָסָ֥ף (veevyasaf) = en Ebjasaf | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וְאַסִּ֥יר (veasir) = en Assir | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶבְיָסָף (evyasaf), Ebjasaf: in Exod. 6:24 staat dezelfde naam als Abiasaf. In Exod. 6:24 zijn Assir, Elkana en Abiasaf zonen van Korach. Hier volgen ze elkaar op als vader en zoon. Zie ook: Ex 6:24 **6:9** Tachat was diens zoon, Uriël was diens zoon, Uzzia was diens zoon, Saul was diens zoon. Brontekst: תַּ֤חַת (tachat) = Tachat | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | אוּרִיאֵ֣ל (uriel) = Uriël | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | עֻזִּיָּ֥ה (uziya) = Uzzia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וְשָׁא֥וּל (veshaul) = en Saul | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:10** De zonen van Elkana: Amasai en Achimot. Brontekst: וּבְנֵי֙ (uvenei) = en de zonen van | אֶלְקָנָ֔ה (elqana) = Elkana | עֲמָשַׂ֖י (amasay) = Amasai | וַאֲחִימֽוֹת (vaachimot) = en Achimot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:24; 1 Kron 6:20–21 **6:11** Elkana. De zonen van Elkana: Zofai was zijn zoon en Nachat was diens zoon. Brontekst: אֶלְקָנָ֑ה (elqana) = Elkana | בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | אֶלְקָנָ֔ה (elqana) = Elkana | צוֹפַ֥י (tsofay) = Zofai | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וְנַ֥חַת (venachat) = en Nachat | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צוֹפַי (tsofai), Zofai: in vers 20 staat Zuf (1 Sam. 1:1). Voetnoot Lezing: Geschreven staat בנו (beno), ‘zijn zoon’. Gelezen wordt בני (benei), ‘de zonen van’. Wij volgen de lezing. Zie ook: 1 Sam 1:1; 1 Kron 6:20 **6:12** Eliab was diens zoon, Jerocham was diens zoon, Elkana was diens zoon. Brontekst: אֱלִיאָ֥ב (eliav) = Eliab | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | יְרֹחָ֥ם (yerocham) = Jerocham | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אֶלְקָנָ֥ה (elqana) = Elkana | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde man heet in vers 19 Eliël en in 1 Sam. 1:1 Elihu. Wij schrijven elke naam zoals de tekst hem geeft. Zie ook: 1 Sam 1:1; 1 Sam 1:19–20; 1 Kron 6:19 **6:13** De zonen van Samuël: Wasni, de eerstgeborene, en Abia. Brontekst: וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | שְׁמוּאֵ֛ל (shemuel) = Samuël | הַבְּכֹ֥ר (habekhor) = de eerstgeborene | וַשְׁנִ֖י (vashni) = en Wasni | וַאֲבִיָּֽה (vaaviya) = en Abia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַשְׁנִי (vashni), ‘Wasni’, staat zo in de Masoretische tekst. In 1 Sam. 8:2 heet de oudste zoon van Samuël Joël, en Abia is de tweede. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Joël’ en ‘de tweede’. Wij vertalen Wasni als naam, zoals de Hebreeuwse tekst hem geeft. Zie ook: 1 Sam 8:2; 1 Kron 6:18 **6:14** De zonen van Merari: Machli. Libni was zijn zoon, Simi was diens zoon, Uzza was diens zoon. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֖י (merari) = Merari | מַחְלִ֑י (machli) = Machli | לִבְנִ֥י (livni) = Libni | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | שִׁמְעִ֥י (shimi) = Simi | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | עֻזָּ֥ה (uza) = Uzza | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:33; 1 Kron 6:4 **6:15** Simea was diens zoon, Chaggia was diens zoon, Asaja was diens zoon. Brontekst: שִׁמְעָ֥א (shima) = Simea | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | חַגִּיָּ֥ה (chagiya) = Chaggia | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | עֲשָׂיָ֥ה (asaya) = Asaja | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zangers van David **6:16** Dit zijn de mannen die David aanstelde voor de dienst van het lied in het huis van Yahweh, sinds de ark tot rust was gekomen. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dezen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֶעֱמִ֥יד (heemid) = stelde aan | דָּוִ֛יד (david) = David | עַל (al) = over | יְדֵי (yedei) = de handen van | שִׁ֖יר (shir) = lied | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִמְּנ֖וֹחַ (mimenoach) = vanaf het rusten van | הָאָרֽוֹן (haaron) = de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל יְדֵי שִׁיר (al yedei shir), letterlijk ‘op de handen van het lied’: voor de dienst van het lied. Voetnoot : מִמְּנוֹחַ הָאָרוֹן (mimmenoach haaron), ‘vanaf het rusten van de ark’: sinds de ark een vaste plaats had gekregen (2 Sam. 6:17). Zie ook: 2 Sam 6:17; 1 Kron 15:16–22; 1 Kron 15:25–16:1; Ps 132:8; Ps 132:14 **6:17** Zij deden dienst met zang voor de tabernakel van de tent van samenkomst. Dat deden zij tot Salomo het huis van Yahweh in Jeruzalem bouwde. Zij stonden bij hun dienst volgens hun recht. Brontekst: וַיִּהְי֨וּ (vayihyu) = en zij waren | מְשָׁרְתִ֜ים (mesharetim) = dienstdoend | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | מִשְׁכַּ֤ן (mishkan) = de tabernakel van | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵד֙ (moed) = samenkomst | בַּשִּׁ֔יר (bashir) = met zang | עַד (ad) = tot | בְּנ֧וֹת (benot) = het bouwen van | שְׁלֹמֹ֛ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וַיַּעַמְד֥וּ (vayaamdu) = en zij stonden | כְמִשְׁפָּטָ֖ם (kemishpatam) = volgens hun recht | עַל (al) = bij | עֲבוֹדָתָֽם (avodatam) = hun dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: de vaste regeling van hun dienst. Voetnoot : מִשְׁכַּן אֹהֶל מוֹעֵד (mishkan ohel moed), ‘de tabernakel van de tent van samenkomst’: de tent waar de dienst plaatsvond. Zie ook: 1 Kron 9:33; Ps 134:1–2; Ps 135:1–3; 1 Kon 8:6–13; 2 Kron 29:25–30 ### Heman, de zoon van Joël **6:18** Dit zijn de mannen die daar stonden, met hun zonen. Uit de zonen van de Kehatieten: Heman, de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël, Brontekst: וְאֵ֥לֶּה (veele) = en dezen | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = de staanden | וּבְנֵיהֶ֑ם (uveneihem) = en hun zonen | מִבְּנֵי֙ (mibenei) = uit de zonen van | הַקְּהָתִ֔י (haqehati) = de Kehatiet | הֵימָן֙ (heiman) = Heman | הַמְשׁוֹרֵ֔ר (hamshorer) = de zanger | בֶּן (ben) = de zoon van | יוֹאֵ֖ל (yoel) = Joël | בֶּן (ben) = de zoon van | שְׁמוּאֵֽל (shemuel) = Samuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵימָן (heman), Heman: een zanger van David. Hij is een kleinzoon van Samuël (vergelijk 1 Sam. 8:2). Zie ook: 1 Sam 1:20; 1 Sam 8:2; 1 Kron 6:13; 1 Kron 15:17; Ps 88:2; 2 Kron 5:12 **6:19** de zoon van Elkana, de zoon van Jerocham, de zoon van Eliël, de zoon van Toach, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | אֶלְקָנָה֙ (elqana) = Elkana | בֶּן (ben) = de zoon van | יְרֹחָ֔ם (yerocham) = Jerocham | בֶּן (ben) = de zoon van | אֱלִיאֵ֖ל (eliel) = Eliël | בֶּן (ben) = de zoon van | תּֽוֹחַ (toach) = Toach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de lijn van Elkana uit 1 Sam. 1:1: Elkana, Jerocham, Eliël (daar Elihu), Toach (daar Tochu) en Zuf. Zie ook: 1 Sam 1:1 **6:20** de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Machat, de zoon van Amasai, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | צוּף֙ (tsuf) = Zuf | בֶּן (ben) = de zoon van | אֶלְקָנָ֔ה (elqana) = Elkana | בֶּן (ben) = de zoon van | מַ֖חַת (machat) = Machat | בֶּן (ben) = de zoon van | עֲמָשָֽׂי (amasay) = Amasai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Geschreven staat צִיף (tsif). Gelezen wordt צוּף (tsuf), Zuf. Wij volgen de lezing, zoals 1 Sam. 1:1. Zie ook: 1 Sam 1:1 **6:21** de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Sefanja, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | אֶלְקָנָה֙ (elqana) = Elkana | בֶּן (ben) = de zoon van | יוֹאֵ֔ל (yoel) = Joël | בֶּן (ben) = de zoon van | עֲזַרְיָ֖ה (azarya) = Azarja | בֶּן (ben) = de zoon van | צְפַנְיָֽה (tsefanya) = Sefanja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:22** de zoon van Tachat, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | תַּ֨חַת֙ (tachat) = Tachat | בֶּן (ben) = de zoon van | אַסִּ֔יר (asir) = Assir | בֶּן (ben) = de zoon van | אֶבְיָסָ֖ף (evyasaf) = Ebjasaf | בֶּן (ben) = de zoon van | קֹֽרַח (qorach) = Korach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:1–35; Num 26:10–11; Ps 45:2; Ps 49:2; Ps 85:2 **6:23** de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël. Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | יִצְהָ֣ר (yitshar) = Jishar | בֶּן (ben) = de zoon van | קְהָ֔ת (qehat) = Kehat | בֶּן (ben) = de zoon van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | בֶּן (ben) = de zoon van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:19; 1 Kron 16:1 ### Asaf, aan zijn rechterhand **6:24** Zijn broer Asaf stond aan zijn rechterhand. Asaf was de zoon van Berechjahu, de zoon van Simea, Brontekst: וְאָחִ֣יו (veachiv) = en zijn broer | אָסָ֔ף (asaf) = Asaf | הָעֹמֵ֖ד (haomed) = de staande | עַל (al) = aan | יְמִינ֑וֹ (yemino) = zijn rechterhand | אָסָ֥ף (asaf) = Asaf | בֶּן (ben) = de zoon van | בֶּרֶכְיָ֖הוּ (berekhyahu) = Berechjahu | בֶּן (ben) = de zoon van | שִׁמְעָֽא (shima) = Simea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’: een medelevi. Asaf stamt af van Gersjon (verzen 24–28). Zie ook: Ps 73:1; 2 Kron 29:13; Ezra 2:41; Neh 7:44; Neh 11:17 **6:25** de zoon van Michaël, de zoon van Baäseja, de zoon van Malkia, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | מִיכָאֵ֥ל (mikhael) = Michaël | בֶּן (ben) = de zoon van | בַּעֲשֵׂיָ֖ה (baaseya) = Baäseja | בֶּן (ben) = de zoon van | מַלְכִּיָּֽה (malkiya) = Malkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:26** de zoon van Etni, de zoon van Zerach, de zoon van Adaja, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | אֶתְנִ֥י (etni) = Etni | בֶן (ben) = de zoon van | זֶ֖רַח (zerach) = Zerach | בֶּן (ben) = de zoon van | עֲדָיָֽה (adaya) = Adaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:27** de zoon van Etan, de zoon van Zimma, de zoon van Simi, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | אֵיתָ֥ן (eitan) = Etan | בֶּן (ben) = de zoon van | זִמָּ֖ה (zima) = Zimma | בֶּן (ben) = de zoon van | שִׁמְעִֽי (shimi) = Simi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:28** de zoon van Jachat, de zoon van Gersjon, de zoon van Levi. Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | יַ֥חַת (yachat) = Jachat | בֶּן (ben) = de zoon van | גֵּרְשֹׁ֖ם (gereshom) = Gersjon | בֶּן (ben) = de zoon van | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 2:22; Num 3:17; 1 Kron 5:27; 1 Kron 6:5; 1 Kron 23:6 ### Etan van Merari, aan zijn linkerhand **6:29** De zonen van Merari, hun broers, stonden aan de linkerhand: Etan, de zoon van Kisji, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, Brontekst: וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | מְרָרִ֛י (merari) = Merari | אֲחֵיהֶ֖ם (acheihem) = hun broers | עַֽל (al) = aan | הַשְּׂמֹ֑אול (hasemovl) = de linkerhand | אֵיתָן֙ (eitan) = Etan | בֶּן (ben) = de zoon van | קִישִׁ֔י (qishi) = Kisji | בֶּן (ben) = de zoon van | עַבְדִּ֖י (avdi) = Abdi | בֶּן (ben) = de zoon van | מַלּֽוּךְ (malukh) = Malluch Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂמֹאול (semol), ‘linkerhand’: Etan van Merari stond links van Heman. Asaf stond rechts (vers 24). Zie ook: 1 Kron 6:24; 1 Kron 15:17; 1 Kron 25:1; 1 Kron 25:3; 1 Kron 25:6; Ps 89:2 **6:30** de zoon van Chasjabja, de zoon van Amatsja, de zoon van Chilkia, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | חֲשַׁבְיָ֥ה (chashavya) = Chasjabja | בֶן (ben) = de zoon van | אֲמַצְיָ֖ה (amatsya) = Amatsja | בֶּן (ben) = de zoon van | חִלְקִיָּֽה (chilqiya) = Chilkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:31** de zoon van Amatsi, de zoon van Bani, de zoon van Sjemer, Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | אַמְצִ֥י (amtsi) = Amatsi | בֶן (ben) = de zoon van | בָּנִ֖י (bani) = Bani | בֶּן (ben) = de zoon van | שָֽׁמֶר (shamer) = Sjemer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:32** de zoon van Machli, de zoon van Musji, de zoon van Merari, de zoon van Levi. Brontekst: בֶּן (ben) = de zoon van | מַחְלִי֙ (machli) = Machli | בֶּן (ben) = de zoon van | מוּשִׁ֔י (mushi) = Musji | בֶּן (ben) = de zoon van | מְרָרִ֖י (merari) = Merari | בֶּן (ben) = de zoon van | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:19; Num 3:33–36; Joz 21:34–40; 1 Kron 23:21; 1 Kron 23:28 ### De dienst van Aäron en zijn zonen **6:33** Hun broers, de Levieten, waren gegeven voor heel de dienst van de tabernakel van het huis van Elohim. Brontekst: וַאֲחֵיהֶ֖ם (vaacheihem) = en hun broers | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | נְתוּנִ֕ים (netunim) = gegeven | לְכָ֨ל (lekhal) = voor heel | עֲבוֹדַ֔ת (avodat) = de dienst van | מִשְׁכַּ֖ן (mishkan) = de tabernakel van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתוּנִים (netunim), ‘gegeven’: de Levieten zijn gegeven aan Aäron en zijn zonen voor de dienst (Num. 3:9; 8:19). Zie ook: Num 3:1–4; Num 3:9; Num 8:19; Num 16:9–10; Num 18:1–32; 1 Kron 23:2; 1 Kron 25:1–26 **6:34** Aäron en zijn zonen lieten offers in rook opgaan op het brandofferaltaar en op het wierookaltaar. Zij deden al het werk in het hoogheilige. Zij deden verzoening voor Israël, zoals Mozes, de dienaar van Elohim, geboden had. Brontekst: וְֽאַהֲרֹ֨ן (veaharon) = en Aäron | וּבָנָ֜יו (uvanav) = en zijn zonen | מַקְטִירִ֨ים (maqtirim) = laten opgaan in rook | עַל (al) = op | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = het altaar van | הָֽעוֹלָה֙ (haola) = het brandoffer | וְעַל (veal) = en op | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | הַקְּטֹ֔רֶת (haqetoret) = het wierook | לְכֹ֕ל (lekhol) = voor al | מְלֶ֖אכֶת (melekhet) = het werk van | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = het heilige | הַקֳּדָשִׁ֑ים (haqodashim) = van de hoogheilige | וּלְכַפֵּר֙ (ulekhaper) = en om verzoening te doen | עַל (al) = voor | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כְּכֹל֙ (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוָּ֔ה (tsiva) = had geboden | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עֶ֥בֶד (eved) = de dienaar van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַקְטִירִים (maqtirim), ‘zij lieten in rook opgaan’: offers en wierook (Exod. 30:1, 30:7). Zie ook: Ex 27:1–8; Ex 29:33; Ex 30:1–7; Ex 30:7; Ex 30:10–16; Lev 4:20 **6:35** Dit zijn de zonen van Aäron: Eleazar was zijn zoon, Pinechas was diens zoon, Abisjoea was diens zoon, Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit zijn | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֑ן (aharon) = Aäron | אֶלְעָזָ֥ר (elazar) = Eleazar | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | פִּֽינְחָ֥ס (pinechas) = Pinechas | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אֲבִישׁ֥וּעַ (avishua) = Abisjoea | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze lijn loopt van Aäron tot Achimaäs. In 1 Kron. 5:30–34 staat hij ook, met dezelfde namen. Zie ook: Ex 6:23; Num 3:32; 1 Kron 5:30–34; 1 Kron 24:1; Ezra 7:1–5; Ezra 8:33 **6:36** Bukki was diens zoon, Uzzi was diens zoon, Zerachja was diens zoon, Brontekst: בֻּקִּ֥י (buqi) = Bukki | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | עֻזִּ֥י (uzi) = Uzzi | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | זְרַֽחְיָ֥ה (zerachya) = Zerachja | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:37** Merajot was diens zoon, Amarja was diens zoon, Achitub was diens zoon, Brontekst: מְרָי֥וֹת (merayot) = Merajot | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | אֲמַרְיָ֥ה (amarya) = Amarja | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אֲחִיט֥וּב (achituv) = Achitub | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:38** Zadok was diens zoon, Achimaäs was diens zoon. Brontekst: צָד֥וֹק (tsadoq) = Zadok | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אֲחִימַ֥עַץ (achimaats) = Achimaäs | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 8:17; 2 Sam 17:15–17; 1 Kron 23:16; 1 Kon 1:8; Ezech 44:15 ### De steden van de Levieten **6:39** Dit zijn hun woonplaatsen, naar hun kampen, binnen hun gebied. Zij waren voor de zonen van Aäron uit de familie van de Kehatieten. Want het lot was voor hen. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | מוֹשְׁבוֹתָ֔ם (moshevotam) = hun woonplaatsen | לְטִירוֹתָ֖ם (letirotam) = naar hun kampen | בִּגְבוּלָ֑ם (bigvulam) = binnen hun gebied | לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | לְמִשְׁפַּחַ֣ת (lemishpachat) = uit de familie van | הַקְּהָתִ֔י (haqehati) = de Kehatiet | כִּ֥י (ki) = want | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | הָיָ֥ה (haya) = was | הַגּוֹרָֽל (hagoral) = het lot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִירָה (tirah), ‘kamp’: een omheind verblijf van tenten of huizen (vergelijk Gen. 25:16; Num. 31:10). Hier is het de woonplaats van de Levieten. Voetnoot : Vanaf dit vers staat de lijst van de Levietensteden. Zij komt overeen met Joz. 21:4–39. Zie ook: Gen 25:16; Num 31:10; Num 35:1–8; Joz 21:3–8; Joz 21:4–39; Joz 21:10 **6:40** Zij gaven hun Hebron, in het land Juda, met de weidegrond eromheen. Brontekst: וַֽיִּתְּנ֥וּ (vayitenu) = en zij gaven | לָהֶ֛ם (lahem) = aan hen | אֶת (et) = (obj.) | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֖יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | סְבִיבֹתֶֽיהָ (sevivoteiha) = rondom haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Joz 14:13; Joz 15:13; Joz 21:11–13; Re 1:20 **6:41** Het veld van de stad en haar dorpen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׂדֵ֥ה (sede) = het veld van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲצֵרֶ֑יהָ (chatsereiha) = haar dorpen | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij gaven | לְכָלֵ֥ב (lekhalev) = aan Kaleb | בֶּן (ben) = de zoon van | יְפֻנֶּֽה (yefune) = Jefunne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Joz. 21:12. Zie ook: Joz 14:13; Joz 15:13; Joz 21:12 **6:42** Aan de zonen van Aäron gaven zij de vrijsteden: Hebron en Libna met zijn weidegrond, Jattir en Estemoa met zijn weidegrond, Brontekst: וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en aan de zonen van | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | נָתְנוּ֙ (natenu) = zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | הַמִּקְלָ֔ט (hamiqlat) = de vrijplaats | אֶת (et) = (obj.) | חֶבְר֥וֹן (chevron) = Hebron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לִבְנָ֖ה (livna) = Libna | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יַתִּ֥ר (yatir) = Jattir | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אֶשְׁתְּמֹ֖עַ (eshtemoa) = Estemoa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jattir is waarschijnlijk Khirbet Attir en Estemoa het huidige es-Samu, beide in het zuiden van Juda (Westelijke Jordaanoever). De plek van Libna is onzeker. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עָרֵי הַמִּקְלָט (arei hamiqlat), ‘de steden van de vrijplaats’. Volgens Joz. 21:13 is alleen Hebron een vrijstad. De andere steden staan in de lijst erbij. Vergelijk Joz. 21:13–14. Zie ook: Joz 10:29; Joz 15:48; Joz 20:7–9; Joz 21:13–14; Joz 21:19 **6:43** ook Chilez met zijn weidegrond en Debir met zijn weidegrond, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | חִילֵז֙ (chilez) = Chilez | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | דְּבִ֖יר (devir) = Debir | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chilez (Cholon?; ligging onzeker): Chilez is waarschijnlijk dezelfde stad als Cholon (Jozua 21:15), in het bergland van Juda, ten noorden van Hebron. Dit is niet zeker. Voetnoot Lezing: Hier staat חִילֵז (chilez), Chilez. In Joz. 21:15 staat op deze plaats Cholon. Of het dezelfde stad is, is onzeker. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:38; Joz 12:13; Joz 15:49; Joz 15:51; Joz 21:15 **6:44** ook Asan met zijn weidegrond en Bet-Semes met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עָשָׁן֙ (ashan) = Asan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = Bet | שֶׁ֖מֶשׁ (shemesh) = Semes | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea. Voetnoot Lezing: Hier staat עָשָׁן (ashan), Asan. In Joz. 21:16 staat Ain (vergelijk Joz. 15:42). Joz. 21:16 noemt ook Juta, dat hier niet staat. Zie ook: Joz 15:10; Joz 15:42; Joz 21:16; 1 Sam 6:12–19; Jer 43:13 **6:45** Uit de stam Benjamin: Geba met zijn weidegrond, Alemet met zijn weidegrond en Anatot met zijn weidegrond. Al hun steden waren 13 steden, naar hun families. Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | בִנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | אֶת (et) = (obj.) | גֶּ֤בַע (geva) = Geba | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֨יהָ֙ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עָלֶ֣מֶת (alemet) = Alemet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲנָת֖וֹת (anatot) = Anatot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | כָּל (kal) = alle | עָרֵיהֶ֛ם (areihem) = hun steden | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | עִ֖יר (ir) = stad | בְּמִשְׁפְּחוֹתֵיהֶֽם (bemishpechoteihem) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Geba ligt bij het huidige Jaba, ten noordoosten van Jeruzalem. Alemet is waarschijnlijk dezelfde plaats als Almon in Joz. 21:18 (Khirbet Almit). Anatot ligt bij Anata, ten noordoosten van Jeruzalem. Alle drie zijn waarschijnlijk. Voetnoot Lezing: De tekst telt 13 steden voor de priesters (zoals Joz. 21:19), maar noemt er hier 11 met name: 8 in Juda en Simeon en 3 in Benjamin. Joz. 21:16–18 noemt er 9 en 4. Daar staan ook Juta en Gibeon, die hier ontbreken. Wij vertalen zoals de tekst staat. Zie ook: Joz 18:24; Joz 21:16–18; Joz 21:17–18; Joz 21:18; Joz 21:19; 1 Kon 2:26; Jer 1:1; Jer 37:12 ### Kehat, Gersjon en Merari **6:46** De overige zonen van Kehat kregen door het lot 10 steden uit de familie van de stam, uit de helft van de stam Manasse. Brontekst: וְלִבְנֵ֨י (velivnei) = en aan de zonen van | קְהָ֜ת (qehat) = Kehat | הַנּוֹתָרִ֗ים (hanotarim) = die overbleven | מִמִּשְׁפַּ֣חַת (mimishpachat) = uit de familie van | הַמַּטֶּ֡ה (hamate) = de stam | מִֽ֠מַּחֲצִית (mimachatsit) = uit de helft van | מַטֵּ֨ה (mate) = stam | חֲצִ֧י (chatsi) = helft van | מְנַשֶּׁ֛ה (menashe) = Manasse | בַּגּוֹרָ֖ל (bagoral) = door het lot | עָרִ֥ים (arim) = steden | עָֽשֶׂר (aser) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is kort en herhaalt ‘de stam’. Vergelijk Joz. 21:5. Daar zijn het Efraïm, Dan en de helft van Manasse. In de lijst hierna (verzen 51–55) komen Efraïm en de helft van Manasse voor. Dan ontbreekt. Zie ook: Joz 21:4–5; Joz 21:5; 1 Kron 5:27–28; 1 Kron 6:3; 1 Kron 6:18; 1 Kron 6:51–55 **6:47** De zonen van Gersjon kregen, naar hun families, 13 steden. Die waren uit de stam Issachar, de stam Aser, de stam Naftali en de stam Manasse in Basan. Brontekst: וְלִבְנֵ֨י (velivnei) = en aan de zonen van | גֵרְשׁ֜וֹם (gereshom) = Gersjon | לְמִשְׁפְּחוֹתָ֗ם (lemishpechotam) = naar hun families | מִמַּטֵּ֣ה (mimate) = uit de stam van | יִ֠שָׂשכָר (yisashkhar) = Issachar | וּמִמַּטֵּ֨ה (umimate) = en uit de stam van | אָשֵׁ֜ר (asher) = Aser | וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | נַפְתָּלִ֗י (naftali) = Naftali | וּמִמַּטֵּ֤ה (umimate) = en uit de stam van | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | בַּבָּשָׁ֔ן (babashan) = in Basan | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵֽה (esre) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Joz. 21:6. Zie ook: Ex 2:22; Joz 21:6; Joz 21:27–33; 1 Kron 6:56–61 **6:48** De zonen van Merari kregen, naar hun families, door het lot 12 steden uit de stam Ruben, de stam Gad en de stam Zebulon. Brontekst: לִבְנֵ֨י (livnei) = aan de zonen van | מְרָרִ֜י (merari) = Merari | לְמִשְׁפְּחוֹתָ֗ם (lemishpechotam) = naar hun families | מִמַּטֵּ֣ה (mimate) = uit de stam van | רְ֠אוּבֵן (reuven) = Ruben | וּֽמִמַּטֵּה (umimate) = en uit de stam van | גָ֞ד (gad) = Gad | וּמִמַּטֵּ֤ה (umimate) = en uit de stam van | זְבוּלֻן֙ (zevulun) = Zebulon | בַּגּוֹרָ֔ל (bagoral) = door het lot | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵֽה (esre) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Joz. 21:7. Zie ook: Gen 46:11; Num 3:20; Joz 21:7; Joz 21:34–40; 1 Kron 6:62–66 **6:49** De zonen van Israël gaven aan de Levieten de steden met hun weidegrond. Brontekst: וַיִּתְּנ֥וּ (vayitenu) = en zij gaven | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לַלְוִיִּ֑ם (lalviyim) = aan de Levieten | אֶת (et) = (obj.) | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרְשֵׁיהֶֽם (migresheihem) = hun weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:1–8; Joz 21:3; Joz 21:41–42 **6:50** Zij gaven deze steden door het lot. Ze kwamen uit de stam van de zonen van Juda, de stam van de zonen van Simeon en de stam van de zonen van Benjamin. Zij noemden ze bij naam. Brontekst: וַיִּתְּנ֣וּ (vayitenu) = en zij gaven | בַגּוֹרָ֗ל (bagoral) = door het lot | מִמַּטֵּ֤ה (mimate) = uit de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | שִׁמְע֔וֹן (shimon) = Simeon | וּמִמַּטֵּ֖ה (umimate) = en uit de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁר (asher) = die | יִקְרְא֥וּ (yiqreu) = zij noemden | אֶתְהֶ֖ם (ethem) = hen | בְּשֵׁמֽוֹת (beshemot) = bij namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Joz. 21:9. Zie ook: Joz 21:9; 1 Kron 6:42–45 ### Kehat: Efraïm en Manasse **6:51** Voor sommige families van de zonen van Kehat lagen de steden van hun gebied in de stam Efraïm. Brontekst: וּמִֽמִּשְׁפְּח֖וֹת (umimishpechot) = en uit de families van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | קְהָ֑ת (qehat) = Kehat | וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | גְבוּלָ֔ם (gevulam) = hun gebied | מִמַּטֵּ֖ה (mimate) = uit de stam van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 21:20–26 **6:52** Zij gaven hun de vrijsteden: Sichem met zijn weidegrond, in het bergland van Efraïm, en Gezer met zijn weidegrond, Brontekst: וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en zij gaven | לָהֶ֜ם (lahem) = aan hen | אֶת (et) = (obj.) | עָרֵ֧י (arei) = de steden van | הַמִּקְלָ֛ט (hamiqlat) = de vrijplaats | אֶת (et) = (obj.) | שְׁכֶ֥ם (shekhem) = Sichem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֖יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גֶּ֖זֶר (gezer) = Gezer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem is waarschijnlijk Tell Balata, bij Nablus (Westelijke Jordaanoever). Gezer is Tell Gezer, ten zuidoosten van Tel Aviv (Israël); dat is waarschijnlijk. Sichem is een vrijstad (Joz. 20:7). Vergelijk Joz. 21:21. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie ook: Gen 33:18; Joz 16:3; Joz 16:10; Joz 20:7; Joz 21:21; 1 Kon 9:16 **6:53** ook Jokmeam met zijn weidegrond en Bet-Choron met zijn weidegrond, Brontekst: וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | יָקְמְעָם֙ (yaqemeam) = Jokmeam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = Bet | חוֹר֖וֹן (choron) = Choron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Choron: Boven- en Neder-Bet-Choron lagen aan de weg van Gibeon naar Ajalon, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Hier staat יָקְמְעָם (yaqmeam), Jokmeam. In Joz. 21:22 staat Kibzajim. Bet-Choron is Beit Ur, ten noordwesten van Jeruzalem; dat is waarschijnlijk. De plek van Jokmeam is onzeker. Zie ook: Joz 10:11; Joz 16:5; Joz 21:22; 1 Sam 13:18; 1 Kon 4:12 **6:54** ook Ajalon met zijn weidegrond en Gat-Rimmon met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַיָּלוֹן֙ (ayalon) = Ajalon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גַּת (gat) = Gat | רִמּ֖וֹן (rimon) = Rimmon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela. Voetnoot Lezing: Ajalon is Yalo, in het westen van het bergland; dat is waarschijnlijk. Joz. 21:23–24 noemt hier ook Elteke en Gibbeton uit de stam Dan. Die staan hier niet. Zie ook: Joz 10:12; Joz 21:23–24; Joz 21:24–25 **6:55** Uit de helft van de stam Manasse: Aner met zijn weidegrond en Bileam met zijn weidegrond. Dat was voor de familie van de overige zonen van Kehat. Brontekst: וּמִֽמַּחֲצִית֙ (umimachatsit) = en uit de helft van | מַטֵּ֣ה (mate) = stam | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | עָנֵר֙ (aner) = Aner | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּלְעָ֖ם (bilam) = Bileam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | לְמִשְׁפַּ֥חַת (lemishpachat) = voor de familie van | לִבְנֵי (livnei) = de zonen van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | הַנּוֹתָרִֽים (hanotarim) = die overbleven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aner (Taänak; ligging onzeker): Aner is hier een Levietenstad in West-Manasse die in Jozua 21:25 Taänak heet. Dat zou de plaats Tel Taanach zijn; dit is niet zeker. Zie Bileam (Jibleam; ligging onzeker): Bileam is hier een Levietenstad in West-Manasse, mogelijk Jibleam (Jozua 17:11) bij Jenin. Dit is niet zeker. Voetnoot Lezing: Hier staan Aner en Bileam. In Joz. 21:25 staan op deze plaats Taänak en Gat-Rimmon. Of het andere namen voor dezelfde steden zijn, is onzeker. Zie ook: Joz 17:11; Joz 21:25 ### Gersjon: Manasse, Issachar, Aser en Naftali **6:56** Voor de zonen van Gersjon, uit de familie van de halve stam Manasse: Golan in Basan met zijn weidegrond en Astarot met zijn weidegrond. Brontekst: לִבְנֵי֮ (livnei) = aan de zonen van | גֵּרְשׁוֹם֒ (gereshom) = Gersjon | מִמִּשְׁפַּ֗חַת (mimishpachat) = uit de familie van | חֲצִי֙ (chatsi) = helft van | מַטֵּ֣ה (mate) = stam | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | גּוֹלָ֥ן (golan) = Golan | בַּבָּשָׁ֖ן (babashan) = in Basan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַשְׁתָּר֖וֹת (ashtarot) = Astarot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Golan in Basan is een vrijstad (Joz. 20:8). De plek is onzeker. Astarot ligt waarschijnlijk bij Tell Ashtara, in het zuiden van Syrië. Voetnoot Lezing: In Joz. 21:27 staat hier Beëstera. Wij vertalen Astarot, zoals de tekst hier staat. Zie ook: Deut 1:4; Deut 4:43; Joz 9:10; Joz 20:8; Joz 21:27 **6:57** Uit de stam Issachar: Kedes met zijn weidegrond en Daberat met zijn weidegrond, Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | יִשָׂשכָ֔ר (yisashkhar) = Issachar | אֶת (et) = (obj.) | קֶ֖דֶשׁ (qedesh) = Kedes | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | דָּבְרַ֖ת (daverat) = Daberat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedes (in Issachar; ligging onzeker): Dit Kedes (in Jozua 21:28 Kisjon) lag in Issachar, aan de zuidrand van de vallei van Jizreël; Tel Abu Qudeis is voorgesteld. Het is niet het Kedes in Naftali. Dit is niet zeker. Zie Daberat: Daberat (Daburiyya) lag aan de voet van de Tabor. Voetnoot Lezing: Hier staan Kedes en Daberat. In Joz. 21:28 staan Kisjon en Daberat. Dit Kedes in Issachar is niet Kedes in Galilea (vers 61). Daberat ligt waarschijnlijk bij Daburiyya, aan de voet van de Tabor (Israël). Zie ook: Joz 19:37; Joz 21:28–29; Joz 21:32; Re 4:9; 1 Kron 6:61 **6:58** ook Ramot met zijn weidegrond en Anem met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | רָאמוֹת֙ (ramot) = Ramot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עָנֵ֖ם (anem) = Anem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anem (En-Gannim; ligging onzeker): Anem is hier een Levietenstad in Issachar die in Jozua 21:29 En-Gannim heet, waarschijnlijk het huidige Jenin. Dit is niet zeker. Voetnoot Lezing: Hier staan Ramot en Anem. In Joz. 21:29 staan Jarmut en En-Gannim. Het zijn waarschijnlijk andere namen voor dezelfde steden (onzeker). Anem is onzeker. Zie ook: Joz 21:29 **6:59** Uit de stam Aser: Masal met zijn weidegrond en Abdon met zijn weidegrond, Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | אָשֵׁ֔ר (asher) = Aser | אֶת (et) = (obj.) | מָשָׁ֖ל (mashal) = Masal | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַבְדּ֖וֹן (avdon) = Abdon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Abdon: Abdon wordt gezocht bij Khirbet Abda, in Galilea. Voetnoot Lezing: Hier staan מָשָׁל (mashal), Masal, en Abdon. In Joz. 21:30 staat Misjal. Abdon is waarschijnlijk Khirbet Abda (Israël). Zie ook: Joz 19:26; Joz 21:30 **6:60** ook Chukok met zijn weidegrond en Rechov met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | חוּקֹק֙ (chuqoq) = Chukok | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רְחֹ֖ב (rechov) = Rechov | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Hier staan Chukok en Rechov. In Joz. 21:31 staan Chelkat en Rechov. Chukok is waarschijnlijk Tell Yaquq, ten westen van het meer van Galilea (Israël). Rechov is onzeker. Zie ook: Joz 21:31 **6:61** Uit de stam Naftali: Kedes in Galilea met zijn weidegrond, Chammon met zijn weidegrond en Kirjataïm met zijn weidegrond. Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | נַפְתָּלִ֗י (naftali) = Naftali | אֶת (et) = (obj.) | קֶ֤דֶשׁ (qedesh) = Kedes | בַּגָּלִיל֙ (bagalil) = in Galilea | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חַמּ֖וֹן (chamon) = Chammon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קִרְיָתַ֖יִם (qiryatayim) = Kirjataïm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedes in Galilea is Tell Qedesh, ten noordwesten van het meer van Merom (Israël); dat is waarschijnlijk. Het is een vrijstad (Joz. 20:7). Chammon en Kirjataïm zijn onzeker. Voetnoot Lezing: In Joz. 21:32 staan hier Hammot-Dor en Kartan, naast Kedes. Zie ook: Joz 12:22; Joz 19:37; Joz 20:7; Joz 21:32; Re 4:6 ### Merari: Zebulon, Ruben en Gad **6:62** Voor de overige zonen van Merari, uit de stam Zebulon: Rimmono met zijn weidegrond en Tabor met zijn weidegrond. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | מְרָרִי֮ (merari) = Merari | הַנּוֹתָרִים֒ (hanotarim) = die overbleven | מִמַּטֵּ֣ה (mimate) = uit de stam van | זְבוּלֻ֔ן (zevulun) = Zebulon | אֶת (et) = (obj.) | רִמּוֹנ֖וֹ (rimono) = Rimmono | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | תָּב֖וֹר (tavor) = Tabor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rimmono (Jokneam?; ligging onzeker): Rimmono is hier een Levietenstad in Zebulon; de lijst in Jozua 21:34 noemt op die plaats Jokneam (Tel Yokneam). Dit is niet zeker. Zie Tabor: De Tabor is een berg in het zuiden van Galilea, ten oosten van Nazaret. Voetnoot Lezing: Hier staan Rimmono en Tabor. In Joz. 21:34–35 staan Jokneam, Karta, Dimna en Nahalal. De plekken zijn onzeker. Zie ook: Joz 21:34–35 **6:63** Ten oosten van de Jordaan, aan de overkant bij Jericho, uit de stam Ruben: Betser in de woestijn met zijn weidegrond en Jahza met zijn weidegrond, Brontekst: וּמֵעֵ֜בֶר (umeever) = en aan de overkant van | לְיַרְדֵּ֣ן (leyarden) = de Jordaan | יְרֵחוֹ֮ (yerecho) = Jericho | לְמִזְרַ֣ח (lemizrach) = ten oosten van | הַיַּרְדֵּן֒ (hayarden) = de Jordaan | מִמַּטֵּ֣ה (mimate) = uit de stam van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֥צֶר (betser) = Betser | בַּמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יַ֖הְצָה (yahtsa) = Jahza | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betser (Joz. 20:8) ligt in de woestijn op het plateau van Moab, ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. De plek is onzeker. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie Bezer en Betser (ligging onzeker): Bezer (Betser) lag op de hoogvlakte van Moab, ten oosten van de Dode Zee. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Sommige handschriften laten Joz. 21:36–37 weg. Hier staat dezelfde lijst volledig. Voetnoot Lezing: Hier staat יַהְצָה (yahtsah), Jahza. In Joz. 21:36 staat Jahaz. Zie ook: Deut 4:41–43; Joz 20:8; Joz 21:36–37 **6:64** ook Kedemot met zijn weidegrond en Mefaät met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | קְדֵמוֹת֙ (qedemot) = Kedemot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵיפַ֖עַת (meifaat) = Mefaät | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedemot ligt in Moab, in het huidige Jordanië (Deut. 2:26); de plek is onzeker. Mefaät is ook onzeker. Zie ook: Deut 2:26 **6:65** Uit de stam Gad: Ramot in Gilead met zijn weidegrond en Machanajim met zijn weidegrond, Brontekst: וּמִ֨מַּטֵּה (umimate) = en uit de stam van | גָ֔ד (gad) = Gad | אֶת (et) = (obj.) | רָאמ֥וֹת (ramot) = Ramot | בַּגִּלְעָ֖ד (bagilad) = in Gilead | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | מַחֲנַ֖יִם (machanayim) = Machanajim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ramot in Gilead is een vrijstad (Deut. 4:43). Het ligt in het noorden van Gilead, in het huidige Jordanië of Syrië. De plek is onzeker. Machanajim ligt in Gilead, bij de Jabbok; de plek is onzeker. Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 32:2; Deut 4:43; Joz 21:38–39; 2 Sam 17:24; 1 Kon 22:3–28; 2 Kon 9:1 **6:66** ook Chesbon met zijn weidegrond en Jaëzer met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֶשְׁבּוֹן֙ (cheshbon) = Chesbon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔יהָ (migrasheiha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יַעְזֵ֖יר (yazeir) = Jaëzer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁיהָ (migrasheiha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon is Tell Hesban, ten zuidwesten van Amman (Jordanië); dat is waarschijnlijk. Jaëzer ligt in Gilead, ten westen van Amman; de plek is onzeker. Zie ook: Num 21:25; Num 32:3; Joz 21:39; Hoogl 7:5; Neh 9:22 ## 1 Kronieken 7 _Issachar, Benjamin, Naftali, Manasse, Efraïm en Aser_ ### Issachar **7:1** De zonen van Issachar: Tola, Pua, Jasjoev en Simron. Dat zijn er vier. Brontekst: וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en voor de zonen van | יִשָׂשכָ֗ר (yisashkhar) = Issachar | תּוֹלָ֧ע (tola) = Tola | וּפוּאָ֛ה (ufua) = en Pua | יָשׁ֥וּב (yashuv) = Jasjoev | וְשִׁמְר֖וֹן (veshimron) = en Simron | אַרְבָּעָֽה (arbaa) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gen. 46:13 noemt de zonen van Issachar Tola, Pua, Job en Simron. Num. 26:23–24 noemt Tola, Pua, Jasjoev en Simron, net als hier. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft יָשִׁיב (Jasjiv). De voorgelezen tekst (qere) heeft יָשׁוּב (Jasjoev). Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: Gen 46:13; Num 26:23–24 **7:2** De zonen van Tola: Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Samuël. Zij waren hoofden van het vaderhuis van Tola, dappere krijgers, naar hun geslachten. Hun getal in de dagen van David was 22.600. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | תוֹלָ֗ע (tola) = Tola | עֻזִּ֡י (uzi) = Uzzi | וּרְפָיָ֡ה (urefaya) = en Refaja | וִֽ֠ירִיאֵל (viriel) = en Jeriël | וְיַחְמַ֨י (veyachmay) = en Jachmai | וְיִבְשָׂ֜ם (veyivsam) = en Jibsam | וּשְׁמוּאֵ֗ל (ushemuel) = en Samuël | רָאשִׁ֤ים (rashim) = hoofden | לְבֵית (leveit) = naar het huis van | אֲבוֹתָם֙ (avotam) = hun vaders | לְתוֹלָ֔ע (letola) = van Tola | גִּבּ֥וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | לְתֹלְדוֹתָ֑ם (letoledotam) = naar hun geslachten | מִסְפָּרָם֙ (misparam) = hun getal | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | דָוִ֔יד (david) = David | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig | וּשְׁנַ֥יִם (ushenayim) = en twee | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getallen van Issachar in Num. 1:29 (54.400) en Num. 26:25 (64.300) horen bij de tijd van Mozes. Dit getal hoort bij de dagen van David. De tekst zegt niet bij welke telling. Zie ook: Num 1:29; Num 26:25; 2 Sam 24:1–9; 1 Kron 21:1–5; 1 Kron 27:1; 1 Kron 27:23–24 **7:3** De zonen van Uzzi: Jizrachja. De zonen van Jizrachja: Michaël, Obadja, Joël en Jisjia. Dat zijn vijf, allen hoofden. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | עֻזִּ֖י (uzi) = Uzzi | יִֽזְרַֽחְיָ֑ה (yizrachya) = Jizrachja | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִֽזְרַֽחְיָ֗ה (yizrachya) = Jizrachja | מִֽיכָאֵ֡ל (mikhael) = Michaël | וְ֠עֹבַדְיָה (veovadya) = en Obadja | וְיוֹאֵ֧ל (veyoel) = en Joël | יִשִּׁיָּ֛ה (yishiya) = Jisjia | חֲמִשָּׁ֖ה (chamisha) = vijf | רָאשִׁ֥ים (rashim) = hoofden | כֻּלָּֽם (kulam) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er staan vijf namen: Jizrachja en zijn vier zonen. Wij vertalen de tekst zoals hij staat. **7:4** Bij hen, naar hun geslachten en hun vaderhuizen, waren legerbenden voor de oorlog: 36.000 man. Want zij hadden veel vrouwen en zonen. Brontekst: וַעֲלֵיהֶ֨ם (vaaleihem) = en bij hen | לְתֹלְדוֹתָ֜ם (letoledotam) = naar hun geslachten | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֲבוֹתָ֗ם (avotam) = hun vaders | גְּדוּדֵי֙ (gedudei) = benden van | צְבָ֣א (tseva) = leger van | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְשִׁשָּׁ֖ה (veshisha) = en zes | אָ֑לֶף (alef) = duizend | כִּֽי (ki) = want | הִרְבּ֥וּ (hirbu) = zij maakten veel | נָשִׁ֖ים (nashim) = vrouwen | וּבָנִֽים (uvanim) = en zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 12:33 **7:5** Hun broers, uit alle families van Issachar, waren dappere krijgers. In totaal waren er 87.000 ingeschreven in de geslachtsregisters. Brontekst: וַאֲחֵיהֶ֗ם (vaacheihem) = en hun broers | לְכֹל֙ (lekhol) = naar alle | מִשְׁפְּח֣וֹת (mishpechot) = families van | יִשָׂשכָ֔ר (yisashkhar) = Issachar | גִּבּוֹרֵ֖י (giborei) = helden van | חֲיָלִ֑ים (chayalim) = kracht | שְׁמוֹנִ֤ים (shemonim) = tachtig | וְשִׁבְעָה֙ (veshiva) = en zeven | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | הִתְיַחְשָׂ֖ם (hityachsam) = hun inschrijving | לַכֹּֽל (lakol) = in totaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Benjamin **7:6** Benjamin: Bela, Becher en Jediaël. Dat zijn er drie. Brontekst: בִּנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | בֶּ֧לַע (bela) = Bela | וָבֶ֛כֶר (vavekher) = en Becher | וִידִֽיעֲאֵ֖ל (vidiael) = en Jediaël | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze lijst noemt drie zonen van Benjamin. Gen. 46:21 noemt er tien. Num. 26:38–41 geeft nog een andere lijst en 1 Kron. 8:1–2 noemt er vijf. De lijsten verschillen in namen en in aantal. Wij vertalen elke lijst zoals hij staat. Zie ook: Gen 46:21; Num 26:38–41; 1 Kron 7:10–11; 1 Kron 8:1–40 **7:7** De zonen van Bela: Etsbon, Uzzi, Uzziël, Jerimot en Iri. Dat zijn vijf hoofden van vaderhuizen, dappere krijgers. Hun inschrijving was 22.034. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | בֶ֗לַע (bela) = Bela | אֶצְבּ֡וֹן (etsbon) = Etsbon | וְעֻזִּ֡י (veuzi) = en Uzzi | וְ֠עֻזִּיאֵל (veuziel) = en Uzziël | וִירִימ֨וֹת (virimot) = en Jerimot | וְעִירִ֜י (veiri) = en Iri | חֲמִשָּׁ֗ה (chamisha) = vijf | רָאשֵׁי֙ (rashei) = hoofden van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָב֔וֹת (avot) = vaders | גִּבּוֹרֵ֖י (giborei) = helden van | חֲיָלִ֑ים (chayalim) = kracht | וְהִתְיַחְשָׂ֗ם (vehityachsam) = en hun inschrijving | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וּשְׁנַ֨יִם֙ (ushenayim) = en twee | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 21:1–5; 2 Kron 17:17–18 **7:8** De zonen van Becher: Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abia, Anatot en Alemet. Al deze mannen zijn zonen van Becher. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | בֶ֗כֶר (bekher) = Becher | זְמִירָ֡ה (zemira) = Zemira | וְיוֹעָ֡שׁ (veyoash) = en Joas | וֶ֠אֱלִיעֶזֶר (veeliezer) = en Eliëzer | וְאֶלְיוֹעֵינַ֤י (veelyoeinay) = en Eljoënai | וְעָמְרִי֙ (veameri) = en Omri | וִירֵמ֣וֹת (viremot) = en Jeremot | וַאֲבִיָּ֔ה (vaaviya) = en Abia | וַעֲנָת֖וֹת (vaanatot) = en Anatot | וְעָלָ֑מֶת (vealamet) = en Alemet | כָּל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | בְּנֵי (benei) = zonen van | בָֽכֶר (bakher) = Becher Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam Joas (יוֹעָשׁ) is een andere naam dan Joas (יוֹאָשׁ) elders. Wij schrijven beide als ‘Joas’. **7:9** Hun inschrijving, naar hun geslachten, als hoofden van hun vaderhuizen en als dappere krijgers: 20.200. Brontekst: וְהִתְיַחְשָׂ֣ם (vehityachsam) = en hun inschrijving | לְתֹלְדוֹתָ֗ם (letoledotam) = naar hun geslachten | רָאשֵׁי֙ (rashei) = hoofden van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֲבוֹתָ֔ם (avotam) = hun vaders | גִּבּוֹרֵ֖י (giborei) = helden van | חָ֑יִל (chayil) = kracht | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:10** De zoon van Jediaël: Bilhan. De zonen van Bilhan: Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zetan, Tarsis en Achisjachar. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יְדִיעֲאֵ֖ל (yediael) = Jediaël | בִּלְהָ֑ן (bilhan) = Bilhan | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | בִלְהָ֗ן (bilhan) = Bilhan | יְע֡וּשׁ (yeush) = Jeüs | וּ֠בִנְיָמִן (uvinyamin) = en Benjamin | וְאֵה֤וּד (veehud) = en Ehud | וּֽכְנַעֲנָה֙ (ukhenaana) = en Kenaäna | וְזֵיתָ֔ן (vezeitan) = en Zetan | וְתַרְשִׁ֖ישׁ (vetarshish) = en Tarsis | וַאֲחִישָֽׁחַר (vaachishachar) = en Achisjachar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft יְעִישׁ (Jeïsj). De voorgelezen tekst (qere) heeft יְעוּשׁ (Jeüs). Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: Re 3:15–30 **7:11** Al deze zonen van Jediaël waren hoofden van de vaderhuizen, dappere krijgers: 17.200 man die met het leger ten oorlog konden uittrekken. Brontekst: כָּל (kal) = al | אֵ֜לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | יְדִֽיעֲאֵל֙ (yediael) = Jediaël | לְרָאשֵׁ֣י (lerashei) = naar de hoofden van | הָאָב֔וֹת (haavot) = de vaderhuizen | גִּבּוֹרֵ֖י (giborei) = helden van | חֲיָלִ֑ים (chayalim) = kracht | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | וּמָאתַ֔יִם (umatayim) = en tweehonderd | יֹצְאֵ֥י (yotseei) = uittrekkend met | צָבָ֖א (tsava) = het leger | לַמִּלְחָמָֽה (lamilchama) = ten oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 17:13–19 **7:12** Sjuppim en Chuppim waren zonen van Ir. Chusjim was een zoon van Acher. Brontekst: וְשֻׁפִּ֤ם (veshupim) = en Sjuppim | וְחֻפִּם֙ (vechupim) = en Chuppim | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עִ֔יר (ir) = Ir | חֻשִׁ֖ם (chushim) = Chusjim | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אַחֵֽר (acher) = Acher Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjuppim en Chuppim komen overeen met Muppim en Chuppim in Gen. 46:21 en met Sjefufam en Chufam in Num. 26:39. De tekst is hier kort. Chusjim wordt in Gen. 46:23 een zoon van Dan genoemd. Hier staat Chusjim als zoon van Acher; het woord אַחֵר (acher) betekent ook ‘een andere’. Zie ook: Gen 46:21; Gen 46:23; Num 26:38–39; Num 26:39; 1 Kron 7:15 ### Naftali **7:13** De zonen van Naftali: Jachtseël, Guni, Jetser en Sjallum. Zij waren zonen van Bilha. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | נַפְתָּלִ֗י (naftali) = Naftali | יַחֲצִיאֵ֧ל (yachatsiel) = Jachtseël | וְגוּנִ֛י (veguni) = en Guni | וְיֵ֥צֶר (veyetser) = en Jetser | וְשַׁלּ֖וּם (veshalum) = en Sjallum | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | בִלְהָֽה (bilha) = Bilha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gen. 46:24 en Num. 26:48–49 noemen deze zonen van Naftali als Jachtseël, Guni, Jetser (in Num. 26:49 geschreven als ‘Jezer’) en Sjillem. Hier staat de laatste naam als Sjallum (שַׁלּוּם). Zie ook: Gen 30:3–8; Gen 35:22; Gen 46:24–25; Num 26:48–49; Num 26:49 ### Manasse **7:14** De zonen van Manasse: Asriël. Zijn Aramese bijvrouw baarde hem. Zij baarde Machir, de vader van Gilead. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | אַשְׂרִיאֵ֖ל (asriel) = Asriël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָלָ֑דָה (yalada) = baarde | פִּֽילַגְשׁוֹ֙ (pilagsho) = zijn bijvrouw | הָֽאֲרַמִּיָּ֔ה (haaramiya) = de Aramese | יָלְדָ֕ה (yaleda) = zij baarde | אֶת (et) = (obj.) | מָכִ֖יר (makhir) = Machir | אֲבִ֥י (avi) = vader van | גִלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Num. 26:29–31 en Joz. 17:1–2 is Asriël een zoon van Gilead, de zoon van Machir. Hier staat Asriël vóór Machir. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is hier kort. Wij vertalen zoals het er staat. Bij ‘zijn bijvrouw’ lezen wij: de bijvrouw van Manasse. Zie ook: Num 26:29–34; Num 32:30–42; Deut 3:13–15; Joz 13:31; Joz 17:1–3 **7:15** Machir nam een vrouw voor Chuppim en Sjuppim. De naam van zijn zuster was Maächa. De naam van de tweede was Selofchad. Selofchad had dochters. Brontekst: וּמָכִ֞יר (umakhir) = en Machir | לָקַ֤ח (laqach) = nam | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | לְחֻפִּ֣ים (lechupim) = voor Chuppim | וּלְשֻׁפִּ֔ים (uleshupim) = en voor Sjuppim | וְשֵׁ֤ם (veshem) = en de naam van | אֲחֹתוֹ֙ (achoto) = zijn zuster | מַעֲכָ֔ה (maakha) = Maächa | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | צְלָפְחָ֑ד (tselafechad) = Selofchad | וַתִּהְיֶ֥נָה (vatihyena) = en waren | לִצְלָפְחָ֖ד (litslafechad) = voor Selofchad | בָּנֽוֹת (banot) = dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De tekst is hier moeilijk. Het is niet duidelijk wie met ‘zijn zuster’ en ‘de tweede’ bedoeld wordt, en ook niet of ‘voor Chuppim en Sjuppim’ betekent dat Machir een vrouw nam uit hun familie of voor hen. Wij vertalen letterlijk. Selofchad en zijn dochters staan in Num. 26:33 en Num. 27:1. Zie ook: Num 26:33; Num 27:1–11; Num 36:1–12 **7:16** Maächa, de vrouw van Machir, baarde een zoon. Zij noemde hem Peresj. De naam van zijn broer was Sjeresj. Zijn zonen waren Ulam en Rekem. Brontekst: וַתֵּ֨לֶד (vateled) = en baarde | מַעֲכָ֤ה (maakha) = Maächa | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | מָכִיר֙ (makhir) = Machir | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֤א (vatiqra) = en noemde | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | פֶּ֔רֶשׁ (peresh) = Peresj | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | שָׁ֑רֶשׁ (sharesh) = Sjeresj | וּבָנָ֖יו (uvanav) = en zijn zonen | אוּלָ֥ם (ulam) = Ulam | וָרָֽקֶם (varaqem) = en Rekem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶשׁ (Peresj) is een andere naam dan Peres (פֶּרֶץ) in Gen. 38:29. Zie ook: Gen 38:29 **7:17** De zoon van Ulam: Bedan. Dit zijn de zonen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | אוּלָ֖ם (ulam) = Ulam | בְּדָ֑ן (bedan) = Bedan | אֵ֚לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | בֶּן (ben) = zoon van | מָכִ֖יר (makhir) = Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 12:11 **7:18** Zijn zuster, de koningin, baarde Isjhod, Abiëzer en Machla. Brontekst: וַאֲחֹת֖וֹ (vaachoto) = en zijn zuster | הַמֹּלֶ֑כֶת (hamolekhet) = de koningin | יָלְדָה֙ (yaleda) = baarde | אֶת (et) = (obj.) | אִישְׁה֔וֹד (ishehod) = Isjhod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִיעֶ֖זֶר (aviezer) = Abiëzer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַחְלָֽה (machla) = Machla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמֹּלֶכֶת (hammoleket), ‘de koningin’. Het kan ook een eigennaam zijn: Hammoleket. Wij vertalen ‘de koningin’. Isjhod betekent ‘man van majesteit’. Abiëzer kennen wij uit Joz. 17:2 en Richt. 6:11. Zie ook: Num 26:30; Joz 17:2; Re 6:11; Re 6:24; Re 6:34; Re 8:2 **7:19** De zonen van Sjemida waren Achjan, Sjechem, Likchi en Aniam. Brontekst: וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en waren | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | שְׁמִידָ֑ע (shemida) = Sjemida | אַחְיָ֣ן (achyan) = Achjan | וָשֶׁ֔כֶם (vashekhem) = en Sjechem | וְלִקְחִ֖י (veliqchi) = en Likchi | וַאֲנִיעָֽם (vaaniam) = en Aniam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjemida wordt ook genoemd in Num. 26:32 en Joz. 17:2. Zie ook: Num 26:32; Joz 17:2 ### Efraïm **7:20** De zonen van Efraïm: Sjoetelach. Bered was zijn zoon, Tachat was zijn zoon, Elada was zijn zoon, Tachat was zijn zoon, Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | שׁוּתָ֑לַח (shutalach) = Sjoetelach | וּבֶ֤רֶד (uvered) = en Bered | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | וְתַ֣חַת (vetachat) = en Tachat | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | וְאֶלְעָדָ֥ה (veelada) = en Elada | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וְתַ֥חַת (vetachat) = en Tachat | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De lijst van Efraïm loopt door tot vers 27. Num. 26:35–36 geeft een andere, kortere lijst met Sjoetelach, Becher en Tachan. Zie ook: Num 26:35–36; 1 Kron 7:27 **7:21** Zabad was zijn zoon, Sjoetelach was zijn zoon, en Ezer en Elad. De mannen van Gat, die in het land geboren waren, doodden hen. Want zij waren afgedaald om hun vee te nemen. Brontekst: וְזָבָ֥ד (vezavad) = en Zabad | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | וְשׁוּתֶ֥לַח (veshutelach) = en Sjoetelach | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וְעֵ֣זֶר (veezer) = en Ezer | וְאֶלְעָ֑ד (veelad) = en Elad | וַהֲרָג֗וּם (vaharagum) = en doodden hen | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | גַת֙ (gat) = Gat | הַנּוֹלָדִ֣ים (hanoladim) = de geborenen | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | כִּ֣י (ki) = want | יָרְד֔וּ (yaredu) = zij waren afgedaald | לָקַ֖חַת (laqachat) = om te nemen | אֶת (et) = (obj.) | מִקְנֵיהֶֽם (miqneihem) = hun vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat was een stad van de Filistijnen, waarschijnlijk bij Tel es-Safi in Israël. Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet wanneer dit gebeurde. **7:22** Hun vader Efraïm rouwde vele dagen. Zijn broers kwamen om hem te troosten. Brontekst: וַיִּתְאַבֵּ֛ל (vayitabel) = en rouwde | אֶפְרַ֥יִם (efrayim) = Efraïm | אֲבִיהֶ֖ם (avihem) = hun vader | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | לְנַחֲמֽוֹ (lenachamo) = om hem te troosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:34; Job 2:11 **7:23** Hij ging tot zijn vrouw in. Zij werd zwanger en baarde een zoon. Hij noemde hem Beria, want er was onheil in zijn huis. Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij ging in | אֶל (el) = tot | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | וַתַּ֖הַר (vatahar) = en zij werd zwanger | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en baarde | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en noemde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | בְּרִיעָ֔ה (beria) = Beria | כִּ֥י (ki) = want | בְרָעָ֖ה (beraa) = in onheil | הָיְתָ֥ה (hayeta) = was het | בְּבֵיתֽוֹ (beveito) = in zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִיעָה (Beria) klinkt als בְּרָעָה (bera’ah), ‘in onheil’. Zo wordt de naam verklaard. Een andere Beria is een zoon van Aser (vers 30). Zie ook: 2 Sam 23:5; 1 Kron 7:30 **7:24** Zijn dochter was Sjeera. Zij bouwde Beneden-Bet-Choron en Boven-Bet-Choron, en Uzzen-Sjeera. Brontekst: וּבִתּ֣וֹ (uvito) = en zijn dochter | שֶׁאֱרָ֔ה (sheera) = Sjeera | וַתִּ֧בֶן (vativen) = en bouwde | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית (beit) = Bet | חוֹר֛וֹן (choron) = Choron | הַתַּחְתּ֖וֹן (hatachton) = het lagere | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעֶלְי֑וֹן (haelyon) = het hogere | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | אֻזֵּ֥ן (uzen) = Uzzen | שֶׁאֱרָֽה (sheera) = Sjeera Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beneden- en Boven-Bet-Choron liggen in het bergland van Efraïm, op de weg naar Gibeon, in het huidige Westelijke Jordaanoever. Zie Joz. 16:3 en Joz. 16:5. Uzzen-Sjeera is niet nader bekend; de ligging is onzeker. Zie ook: Joz 10:10; Joz 16:3; Joz 16:5; 1 Kon 9:17; 2 Kron 8:5 **7:25** Refach was zijn zoon, en Resjef. Telach was zijn zoon, Tachan was zijn zoon, Brontekst: וְרֶ֣פַח (verefach) = en Refach | בְּנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | וְרֶ֧שֶׁף (vereshef) = en Resjef | וְתֶ֛לַח (vetelach) = en Telach | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וְתַ֥חַן (vetachan) = en Tachan | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:26** Ladan was zijn zoon, Ammihud was zijn zoon, Elisjama was zijn zoon, Brontekst: לַעְדָּ֥ן (ladan) = Ladan | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | עַמִּיה֥וּד (amihud) = Ammihud | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אֱלִישָׁמָ֥ע (elishama) = Elisjama | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:27** Nun was zijn zoon, Jozua was zijn zoon. Brontekst: נ֥וֹן (non) = Nun | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | יְהוֹשֻׁ֥עַ (yehoshua) = Jozua | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes. Zie Exod. 33:11 en Num. 13:8 en 13:16. Zie ook: Ex 24:13; Ex 33:11; Num 13:8; Num 13:16; Num 27:18; Deut 31:23 **7:28** Hun bezit en hun woonplaatsen waren Betel met zijn dorpen, in het oosten Naäran en in het westen Gezer met zijn dorpen. Verder Sichem met zijn dorpen, tot aan Ajja met zijn dorpen. Brontekst: וַאֲחֻזָּתָם֙ (vaachuzatam) = en hun bezit | וּמֹ֣שְׁבוֹתָ֔ם (umoshevotam) = en hun woonplaatsen | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֖ל (el) = El | וּבְנֹתֶ֑יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | וְלַמִּזְרָ֣ח (velamizrach) = en naar het oosten | נַעֲרָ֔ן (naaran) = Naäran | וְלַֽמַּעֲרָ֗ב (velamaarav) = en naar het westen | גֶּ֤זֶר (gezer) = Gezer | וּבְנֹתֶ֨יהָ֙ (uvenoteiha) = en haar dorpen | וּשְׁכֶ֣ם (ushekhem) = en Sichem | וּבְנֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | עַד (ad) = tot | עַיָּ֖ה (aya) = Ajja | וּבְנֹתֶֽיהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel ligt bij Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Naäran is waarschijnlijk dezelfde plaats als Naära in Joz. 16:7, in de buurt van Jericho; dat is niet zeker. Gezer ligt in de laagvlakte, ongeveer 30 km ten noordwesten van Jeruzalem. Sichem ligt bij Nablus. De ligging van Ajja is onzeker. Voetnoot Uitleg: בְּנֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: dorpen die bij een stad horen. Zo ook in Joz. 17:11 en Richt. 1:27. Zie ook: Gen 28:19; Joz 16:2–3; Joz 16:7; Joz 17:11; Re 1:22; Re 1:27; 1 Kron 6:51–52 **7:29** In handen van de zonen van Manasse waren Bet-Sean met zijn dorpen, Taänak met zijn dorpen, Megiddo met zijn dorpen en Dor met zijn dorpen. In deze steden woonden de zonen van Jozef, de zoon van Israël. Brontekst: וְעַל (veal) = en bij | יְדֵ֣י (yedei) = de handen van | בְנֵי (benei) = zonen van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | בֵּית (beit) = Bet | שְׁאָ֤ן (shean) = Sean | וּבְנֹתֶ֨יהָ֙ (uvenoteiha) = en haar dorpen | תַּעְנַ֣ךְ (tanakh) = Taänak | וּבְנֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | מְגִדּ֥וֹ (megido) = Megiddo | וּבְנוֹתֶ֖יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | דּ֣וֹר (dor) = Dor | וּבְנוֹתֶ֑יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | בְּאֵ֨לֶּה֙ (beele) = in deze | יָשְׁב֔וּ (yashevu) = woonden | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בֶּן (ben) = zoon van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Sean, Megiddo en Dor liggen in het noorden van het huidige Israël; Taänak ligt in de Westelijke Jordaanoever. Zie Joz. 17:11 en Richt. 1:27. Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea. Voetnoot Uitleg: עַל יְדֵי (al yedei), letterlijk ‘op de handen van’: dat betekent ‘in handen van’, dus onder hun beheer. Zie ook: Joz 17:11; Re 1:22–29; Re 1:27; Re 5:19; 1 Kon 9:15; 2 Kon 23:29; Openb 16:16 ### Aser **7:30** De zonen van Aser: Jimna, Jisjwa, Jisjwi en Beria, en hun zuster Serach. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אָשֵׁ֗ר (asher) = Aser | יִמְנָ֧ה (yimna) = Jimna | וְיִשְׁוָ֛ה (veyishva) = en Jisjwa | וְיִשְׁוִ֥י (veyishvi) = en Jisjwi | וּבְרִיעָ֖ה (uveria) = en Beria | וְשֶׂ֥רַח (veserach) = en Serach | אֲחוֹתָֽם (achotam) = hun zuster Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:17; Num 26:44–46 **7:31** De zonen van Beria: Cheber en Malkiël. Hij is de vader van Birzajit. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | בְרִיעָ֔ה (beria) = Beria | חֶ֖בֶר (chever) = Cheber | וּמַלְכִּיאֵ֑ל (umalkiel) = en Malkiël | ה֖וּא (hu) = hij | אֲבִ֥י (avi) = vader van | בִרְזָֽיִת (birzayit) = Birzajit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Cheber en Malkiël staan ook in Num. 26:45 en, met de spelling ‘Chever’, in Gen. 46:17. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft בִּרְזוֹת (Birzot). De voorgelezen tekst (qere) heeft בִּרְזָיִת (Birzajit). Wij volgen de voorgelezen tekst. Of Birzajit een persoon of een plaats is, zegt de tekst niet. Zie ook: Gen 46:17; Num 26:45 **7:32** Cheber werd de vader van Jaflet, Sjomer en Chotam, en van hun zuster Sjoea. Brontekst: וְחֶ֨בֶר֙ (vechever) = en Cheber | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יַפְלֵ֔ט (yaflet) = Jaflet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שׁוֹמֵ֖ר (shomer) = Sjomer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חוֹתָ֑ם (chotam) = Chotam | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שׁוּעָ֥א (shua) = Sjoea | אֲחוֹתָֽם (achotam) = hun zuster Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bij de zonen van Aser vergelijken wij Gen. 46:17 en Num. 26:44–47. Zie ook: Gen 46:17; Num 26:44–47 **7:33** De zonen van Jaflet: Pasach, Bimhal en Asjwat. Dit zijn de zonen van Jaflet. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יַפְלֵ֔ט (yaflet) = Jaflet | פָּסַ֥ךְ (pasakh) = Pasach | וּבִמְהָ֖ל (uvimhal) = en Bimhal | וְעַשְׁוָ֑ת (veashvat) = en Asjwat | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יַפְלֵֽט (yaflet) = Jaflet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:34** De zonen van Sjemer: Achi, Rohga, Chubba en Aram. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | שָׁ֑מֶר (shamer) = Sjemer | אֲחִ֥י (achi) = Achi | וְרָהְגָּ֖ה (verahga) = en Rohga | וְחֻבָּ֥ה (vechuba) = en Chubba | וַאֲרָֽם (vaaram) = en Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjemer is waarschijnlijk dezelfde man als Sjomer in vers 32. Vers 35 noemt Helem zijn broer. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft רוהגה (Rohgoh) en יחבה (Jachbah). De voorgelezen tekst (qere) heeft רָהְגָּה (Rohga) en חֻבָּה (Chubba). Wij volgen de voorgelezen tekst. Zie ook: 1 Kron 7:32; 1 Kron 7:35 **7:35** De zonen van zijn broer Helem: Zofach, Jimna, Sjelesj en Amal. Brontekst: וּבֶן (uven) = en de zoon van | הֵ֖לֶם (helem) = Helem | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | צוֹפַ֥ח (tsofach) = Zofach | וְיִמְנָ֖ע (veyimna) = en Jimna | וְשֵׁ֥לֶשׁ (veshelesh) = en Sjelesj | וְעָמָֽל (veamal) = en Amal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:36** De zonen van Zofach: Soeach, Charnefer, Sjoeal, Beri en Jimra, Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | צוֹפָ֑ח (tsofach) = Zofach | ס֧וּחַ (suach) = Soeach | וְחַרְנֶ֛פֶר (vecharnefer) = en Charnefer | וְשׁוּעָ֖ל (veshual) = en Sjoeal | וּבֵרִ֥י (uveri) = en Beri | וְיִמְרָֽה (veyimra) = en Jimra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:37** Betser, Hod, Sjamma, Sjilsja, Jitran en Beëra. Brontekst: בֶּ֣צֶר (betser) = Betser | וָה֗וֹד (vahod) = en Hod | וְשַׁמָּ֧א (veshama) = en Sjamma | וְשִׁלְשָׁ֛ה (veshilsha) = en Sjilsja | וְיִתְרָ֖ן (veyitran) = en Jitran | וּבְאֵרָֽא (uveera) = en Beëra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:38** De zonen van Jeter: Jefunne, Pispa en Ara. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | יֶ֑תֶר (yeter) = Jeter | יְפֻנֶּ֥ה (yefune) = Jefunne | וּפִסְפָּ֖ה (ufispa) = en Pispa | וַאְרָֽא (vara) = en Ara Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:39** De zonen van Ulla: Arach, Channiël en Ritsja. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | עֻלָּ֑א (ula) = Ulla | אָרַ֥ח (arach) = Arach | וְחַנִּיאֵ֖ל (vechaniel) = en Channiël | וְרִצְיָֽא (veritsya) = en Ritsja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:40** Al deze mannen waren zonen van Aser, hoofden van de vaderhuizen, uitgelezen dappere krijgers, hoofden van de leiders. Hun inschrijving voor het leger en de oorlog: hun getal was 26.000 man. Brontekst: כָּל (kal) = al | אֵ֣לֶּה (ele) = deze | בְנֵי (benei) = zonen van | אָ֠שֵׁר (asher) = Aser | רָאשֵׁ֨י (rashei) = hoofden van | בֵית (beit) = het huis van | הָאָב֤וֹת (haavot) = de vaderhuizen | בְּרוּרִים֙ (berurim) = uitgelezenen | גִּבּוֹרֵ֣י (giborei) = helden van | חֲיָלִ֔ים (chayalim) = kracht | רָאשֵׁ֖י (rashei) = hoofden van | הַנְּשִׂיאִ֑ים (hanesiim) = de leiders | וְהִתְיַחְשָׂ֤ם (vehityachsam) = en hun inschrijving | בַּצָּבָא֙ (batsava) = voor het leger | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = voor de oorlog | מִסְפָּרָ֣ם (misparam) = hun getal | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְשִׁשָּׁ֖ה (veshisha) = en zes | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Num. 1:41 en Num. 26:47 geven voor Aser andere getallen (41.500 en 53.400). De tekst zegt niet bij welke telling dit getal hoort. Zie ook: Num 1:41; Num 26:47; 2 Sam 24:1–9; 1 Kron 21:1–5 ## 1 Kronieken 8 _Benjamin en het huis van Saul_ ### De zonen van Benjamin **8:1** Benjamin werd de vader van Bela, zijn eerstgeborene, van Asjbel als tweede, van Achrach als derde, Brontekst: וּבִ֨נְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | הוֹלִ֖יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֣לַע (bela) = Bela | בְּכֹר֑וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | אַשְׁבֵּל֙ (ashbel) = Asjbel | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | וְאַחְרַ֖ח (veachrach) = en Achrach | הַשְּׁלִישִֽׁי (hashelishi) = de derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gen. 46:21 en Num. 26:38–40 geven andere lijsten van de zonen van Benjamin, en 1 Kron. 7:6 noemt er drie. Asjbel staat in al deze lijsten. In Num. 26:38 staat Achiram waar hier Achrach staat; in Gen. 46:21 staat Echi. Wij vertalen elke lijst zoals hij staat. Zie ook: Gen 46:21; Num 26:38; 1 Kron 7:6–12 **8:2** van Nocha als vierde en van Rafa als vijfde. Brontekst: נוֹחָה֙ (nocha) = Nocha | הָֽרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | וְרָפָ֖א (verafa) = en Rafa | הַחֲמִישִֽׁי (hachamishi) = de vijfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:3** Bela had zonen: Addar, Gera, Abihud, Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | בָנִ֖ים (banim) = zonen | לְבָ֑לַע (levala) = voor Bela | אַדָּ֥ר (adar) = Addar | וְגֵרָ֖א (vegera) = en Gera | וַאֲבִיהֽוּד (vaavihud) = en Abihud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam Gera (גֵּרָא) komt in deze verzen drie keer voor (vers 3, 5 en 7). De tekst zegt niet of het steeds dezelfde man is. In Gen. 46:21 is Gera ook een zoon van Benjamin. Zie ook: Gen 46:21; Num 26:40; 1 Kron 8:5; 1 Kron 8:7 **8:4** Abisjoea, Naäman, Achoach, Brontekst: וַאֲבִישׁ֥וּעַ (vaavishua) = en Abisjoea | וְנַעֲמָ֖ן (venaaman) = en Naäman | וַאֲחֽוֹחַ (vaachoach) = en Achoach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:5** Gera, Sjefufan en Churam. Brontekst: וְגֵרָ֥א (vegera) = en Gera | וּשְׁפוּפָ֖ן (ushefufan) = en Sjefufan | וְחוּרָֽם (vechuram) = en Churam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 26:39; Re 3:15; 1 Kron 7:12 ### De zonen van Echud **8:6** Dit zijn de zonen van Echud. Dit waren de hoofden van de vaderhuizen van de inwoners van Geba. Zij voerden hen weg naar Manachat: Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit zijn | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אֵח֑וּד (echud) = Echud | אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | הֵ֞ם (hem) = zij | רָאשֵׁ֤י (rashei) = hoofden van | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | לְי֣וֹשְׁבֵי (leyoshevei) = voor de inwoners van | גֶ֔בַע (geva) = Geba | וַיַּגְל֖וּם (vayaglum) = en voerden hen weg | אֶל (el) = naar | מָנָֽחַת (manachat) = Manachat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Geba (גֶבַע) ligt ongeveer 9 km ten noordoosten van Jeruzalem. De ligging van Manachat (מָנַחַת) is onzeker. Voetnoot Uitleg: אֵחוּד (Echud) is waarschijnlijk dezelfde naam als Ehud (אֵהוּד) in 1 Kron. 7:10. De tekst zegt niet wie ‘hen’ weggevoerd heeft, of waarheen precies, of wanneer. Zie ook: Re 3:20–30; Re 4:1; 1 Kron 2:25; 1 Kron 2:54; 1 Kron 6:45; 1 Kron 7:10 **8:7** Naäman, Achia en Gera. Hij voerde hen weg. Hij werd de vader van Uzza en Achichud. Brontekst: וְנַעֲמָ֧ן (venaaman) = en Naäman | וַאֲחִיָּ֛ה (vaachiya) = en Achia | וְגֵרָ֖א (vegera) = en Gera | ה֣וּא (hu) = hij | הֶגְלָ֑ם (heglam) = voerde hen weg | וְהוֹלִ֥יד (veholid) = en werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עֻזָּ֖א (uza) = Uzza | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲחִיחֻֽד (achichud) = Achichud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij’. Dat is waarschijnlijk Gera, de laatste die genoemd is; dat is niet zeker. Wij laten dat zo staan. ### Sjacharaïm **8:8** Sjacharaïm werd vader in het veld van Moab, nadat hij hen had weggestuurd: Chusjim en Baära, zijn vrouwen. Brontekst: וְשַׁחֲרַ֗יִם (veshacharayim) = en Sjacharaïm | הוֹלִיד֙ (holid) = werd vader | בִּשְׂדֵ֣ה (bisde) = in het veld van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | מִן (min) = nadat | שִׁלְח֖וֹ (shilcho) = hij had weggestuurd | אֹתָ֑ם (otam) = hen | חוּשִׁ֥ים (chushim) = Chusjim | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | בַּעֲרָ֖א (baara) = Baära | נָשָֽׁיו (nashav) = zijn vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘Het veld van Moab’ is het gebied van Moab, ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. Zie ook Gen. 36:35. Voetnoot Uitleg: De tekst is hier kort. Chusjim en Baära zijn de vrouwen die hij wegstuurde. Daarna kreeg hij kinderen bij Chodesj (vers 9). Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Gen 25:6; Gen 36:35; Ruth 1:1; 1 Kron 8:9 **8:9** Bij Chodesj, zijn vrouw, werd hij de vader van Jobab, Tsibja, Mesja en Malkam, Brontekst: וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij werd vader | מִן (min) = bij | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = Chodesj | אִשְׁתּ֑וֹ (ishto) = zijn vrouw | אֶת (et) = (obj.) | יוֹבָב֙ (yovav) = Jobab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צִבְיָ֔א (tsivya) = Tsibja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵישָׁ֖א (meisha) = Mesja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכָּֽם (malkam) = Malkam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹדֶשׁ (Chodesj) betekent ‘maand’ en is hier de naam van een vrouw. **8:10** van Jeüts, Sachja en Mirma. Dit zijn zijn zonen, hoofden van vaderhuizen. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְע֥וּץ (yeuts) = Jeüts | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שָֽׂכְיָ֖ה (sakheya) = Sachja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִרְמָ֑ה (mirma) = Mirma | אֵ֥לֶּה (ele) = dit zijn | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | אָבֽוֹת (avot) = vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zonen van Elpaäl **8:11** Bij Chusjim werd hij de vader van Abitub en Elpaäl. Brontekst: וּמֵחֻשִׁ֛ים (umechushim) = en van Chusjim | הוֹלִ֥יד (holid) = werd hij vader | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִיט֖וּב (avituv) = Abitub | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶלְפָּֽעַל (elpaal) = Elpaäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:12** De zonen van Elpaäl: Eber, Misjam en Sjemed. Hij bouwde Ono en Lod met zijn dorpen. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | אֶלְפַּ֔עַל (elpaal) = Elpaäl | עֵ֥בֶר (ever) = Eber | וּמִשְׁעָ֖ם (umisham) = en Misjam | וָשָׁ֑מֶד (vashamed) = en Sjemed | ה֚וּא (hu) = hij | בָּנָ֣ה (bana) = bouwde | אֶת (et) = (obj.) | אוֹנ֔וֹ (ono) = Ono | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לֹ֖ד (lod) = Lod | וּבְנֹתֶֽיהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ono (אוֹנוֹ) en Lod (לֹד) liggen in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, in het huidige Israël. Lod is het huidige Lod; de ligging van Ono is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘hij’. Dat is de laatst genoemde, Sjemed. De tekst zegt ‘haar dorpen’ (בְּנֹתֶיהָ), dorpen die bij een stad horen. Zie ook: Ezra 2:33; Neh 6:2; Neh 7:37; Neh 11:35 ### Beria en Sjema **8:13** Beria en Sjema waren de hoofden van de vaderhuizen van de inwoners van Ajalon. Zij joegen de inwoners van Gat op de vlucht. Brontekst: וּבְרִעָ֣ה (uveria) = en Beria | וָשֶׁ֔מַע (vashema) = en Sjema | הֵ֚מָּה (hema) = zij | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָאָב֔וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לְיוֹשְׁבֵ֖י (leyoshevei) = voor de inwoners van | אַיָּל֑וֹן (ayalon) = Ajalon | הֵ֥מָּה (hema) = zij | הִבְרִ֖יחוּ (hivrichu) = joegen op de vlucht | אֶת (et) = (obj.) | י֥וֹשְׁבֵי (yoshevei) = de inwoners van | גַֽת (gat) = Gat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ajalon (אַיָּלוֹן) ligt ongeveer 20 km ten noordwesten van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever. Gat was een stad van de Filistijnen. Voetnoot Uitleg: Deze Beria hoort bij Benjamin. De naam komt ook voor bij Efraïm (1 Kron. 7:23) en bij Aser (1 Kron. 7:30). Zie ook: Joz 10:12; Joz 19:42; 1 Kron 2:49–50; 1 Kron 2:52; 1 Kron 4:4; 1 Kron 7:23; 1 Kron 7:30 **8:14** Achjo, Sjasjak en Jeremot, Brontekst: וְאַחְי֥וֹ (veachyo) = en Achjo | שָׁשָׁ֖ק (shashaq) = Sjasjak | וִירֵמֽוֹת (viremot) = en Jeremot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 14 tot en met 16 vormen één lijst. Vers 16 noemt deze mannen ‘zonen van Beria’. Zo ook de verzen 17–18 (zonen van Elpaäl), 19–21 (zonen van Simeï), 22–25 (zonen van Sjasjak) en 26–27 (zonen van Jerocham). Zie ook: 1 Kron 8:16 **8:15** Zebadja, Arad en Eder, Brontekst: וּזְבַדְיָ֥ה (uzevadya) = en Zebadja | וַעֲרָ֖ד (vaarad) = en Arad | וָעָֽדֶר (vaader) = en Eder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:16** Michaël, Jisjpa en Jocha: zonen van Beria. Brontekst: וּמִיכָאֵ֧ל (umikhael) = en Michaël | וְיִשְׁפָּ֛ה (veyishpa) = en Jisjpa | וְיוֹחָ֖א (veyocha) = en Jocha | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | בְרִיעָֽה (beria) = Beria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Beria is hier de man uit vers 13. In vers 13 staat de naam als בְרִעָה, hier als בְּרִיעָה; dat is dezelfde naam. Zie ook: 1 Kron 8:13 **8:17** Zebadja, Mesjullam, Chizki en Cheber, Brontekst: וּזְבַדְיָ֥ה (uzevadya) = en Zebadja | וּמְשֻׁלָּ֖ם (umeshulam) = en Mesjullam | וְחִזְקִ֥י (vechizqi) = en Chizki | וָחָֽבֶר (vachaver) = en Cheber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:18** Jisjmerai, Jizlia en Jobab: zonen van Elpaäl. Brontekst: וְיִשְׁמְרַ֧י (veyishmeray) = en Jisjmerai | וְיִזְלִיאָ֛ה (veyizlia) = en Jizlia | וְיוֹבָ֖ב (veyovav) = en Jobab | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אֶלְפָּֽעַל (elpaal) = Elpaäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:19** Jakim, Zichri en Zabdi, Brontekst: וְיָקִ֥ים (veyaqim) = en Jakim | וְזִכְרִ֖י (vezikhri) = en Zichri | וְזַבְדִּֽי (vezavdi) = en Zabdi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:20** Elienai, Zilletai en Eliël, Brontekst: וֶאֱלִיעֵנַ֥י (veelienay) = en Elienai | וְצִלְּתַ֖י (vetsiletay) = en Zilletai | וֶאֱלִיאֵֽל (veeliel) = en Eliël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:21** Adaja, Beraja en Simrat: zonen van Simeï. Brontekst: וַעֲדָיָ֧ה (vaadaya) = en Adaja | וּבְרָאיָ֛ה (uveraya) = en Beraja | וְשִׁמְרָ֖ת (veshimrat) = en Simrat | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שִׁמְעִֽי (shimi) = Simeï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:22** Jisjpan, Eber en Eliël, Brontekst: וְיִשְׁפָּ֥ן (veyishpan) = en Jisjpan | וָעֵ֖בֶר (vaever) = en Eber | וֶאֱלִיאֵֽל (veeliel) = en Eliël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:23** Abdon, Zichri en Chanan, Brontekst: וְעַבְדּ֥וֹן (veavdon) = en Abdon | וְזִכְרִ֖י (vezikhri) = en Zichri | וְחָנָֽן (vechanan) = en Chanan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:24** Chananja, Elam en Antotija, Brontekst: וַחֲנַנְיָ֥ה (vachananya) = en Chananja | וְעֵילָ֖ם (veeilam) = en Elam | וְעַנְתֹתִיָּֽה (veantotiya) = en Antotija Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:25** Jifdeja en Penuël: zonen van Sjasjak. Brontekst: וְיִפְדְיָ֥ה (veyifdeya) = en Jifdeja | וּפְנוּאֵ֖ל (ufenuel) = en Penuël | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שָׁשָֽׁק (shashaq) = Sjasjak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft פְנִיאֵל (Peniël). De voorgelezen tekst (qere) heeft פְנוּאֵל (Penuël). Wij volgen de voorgelezen tekst. **8:26** Sjamsjerai, Sjecharja en Atalja, Brontekst: וְשַׁמְשְׁרַ֥י (veshamsheray) = en Sjamsjerai | וּשְׁחַרְיָ֖ה (ushecharya) = en Sjecharja | וַעֲתַלְיָֽה (vaatalya) = en Atalja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:27** Jaäresja, Elia en Zichri: zonen van Jerocham. Brontekst: וְיַעֲרֶשְׁיָ֧ה (veyaareshya) = en Jaäresja | וְאֵלִיָּ֛ה (veeliya) = en Elia | וְזִכְרִ֖י (vezikhri) = en Zichri | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יְרֹחָֽם (yerocham) = Jerocham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De hoofden in Jeruzalem **8:28** Dit waren hoofden van de vaderhuizen, naar hun geslachten, hoofden. Zij woonden in Jeruzalem. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | אָב֛וֹת (avot) = vaders | לְתֹלְדוֹתָ֖ם (letoledotam) = naar hun geslachten | רָאשִׁ֑ים (rashim) = hoofden | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | יָשְׁב֥וּ (yashevu) = woonden | בִירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Joz 15:63; Joz 18:28; Re 1:21; Neh 11:1; Neh 11:7–9 ### De familie van Saul **8:29** In Gibeon woonde de vader van Gibeon. De naam van zijn vrouw was Maächa. Brontekst: וּבְגִבְע֥וֹן (uvegivon) = en in Gibeon | יָשְׁב֖וּ (yashevu) = woonden | אֲבִ֣י (avi) = vader van | גִבְע֑וֹן (givon) = Gibeon | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | מַעֲכָֽה (maakha) = Maächa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon (גִּבְעוֹן) ligt ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: De naam van ‘de vader van Gibeon’ staat hier niet. In 1 Kron. 9:35 is dat Jeïël. De verzen 29–38 komen, met kleine verschillen in de namen, terug in 1 Kron. 9:35–44. Zie ook: 1 Kron 9:35–38 **8:30** Zijn eerstgeboren zoon was Abdon. Daarna kwamen Tsur, Kis, Baäl, Nadab, Brontekst: וּבְנ֥וֹ (uveno) = en zijn zoon | הַבְּכ֖וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | עַבְדּ֑וֹן (avdon) = Abdon | וְצ֥וּר (vetsur) = en Tsur | וְקִ֖ישׁ (veqish) = en Kis | וּבַ֥עַל (uvaal) = en Baäl | וְנָדָֽב (venadav) = en Nadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet of deze Kis dezelfde is als Kis, de vader van Saul, in vers 33. Zie ook: 1 Kron 8:33; 1 Kron 9:36–37 **8:31** Gedor, Achjo en Zeker. Brontekst: וּגְד֥וֹר (ugedor) = en Gedor | וְאַחְי֖וֹ (veachyo) = en Achjo | וָזָֽכֶר (vazakher) = en Zeker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:37 **8:32** Miklot werd de vader van Sjimea. Ook zij woonden in Jeruzalem, tegenover hun broers, met hun broers. Brontekst: וּמִקְל֖וֹת (umiqlot) = en Miklot | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שִׁמְאָ֑ה (shima) = Sjimea | וְאַף (veaf) = en ook | הֵ֗מָּה (hema) = zij | נֶ֧גֶד (neged) = tegenover | אֲחֵיהֶ֛ם (acheihem) = hun broers | יָשְׁב֥וּ (yashevu) = woonden | בִירוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | עִם (im) = met | אֲחֵיהֶֽם (acheihem) = hun broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kron 9:38 **8:33** Ner werd de vader van Kis. Kis werd de vader van Saul. Saul werd de vader van Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl. Brontekst: וְנֵר֙ (vener) = en Ner | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | קִ֔ישׁ (qish) = Kis | וְקִ֖ישׁ (veqish) = en Kis | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וְשָׁא֗וּל (veshaul) = en Saul | הוֹלִ֤יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכִּי (malki) = Malki | שׁ֔וּעַ (shua) = Sjoea | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִֽינָדָ֖ב (avinadav) = Abinadab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶשְׁבָּֽעַל (eshbaal) = Esbaäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Saul: in 1 Sam. 14:49 staan Jonatan, Isjwi en Malkisua, in 1 Sam. 31:2 Jonatan, Abinadab en Malkisua. Hier staan vier namen. אֶשְׁבַּעַל (Esbaäl), ‘man van Baäl’, wordt in 2 Sam. 2:8 Is-Bosjet genoemd. Voetnoot Lezing: Hier is Ner de vader van Kis. In 1 Sam. 9:1 en 14:51 is Kis de vader van Saul en is Ner een zoon van Abiël, dus een broer van Kis. Wij vertalen de Kronieken-tekst zoals hij staat. Zie ook: 1 Sam 9:1; 1 Sam 14:49–51; 1 Sam 14:51; 1 Sam 31:2; 2 Sam 2:8; Hand 13:21 **8:34** De zoon van Jonatan was Merib-Baäl. Merib-Baäl werd de vader van Micha. Brontekst: וּבֶן (uven) = en de zoon van | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | מְרִ֣יב (meriv) = Merib | בָּ֑עַל (baal) = Baäl | וּמְרִ֥יב (umeriv) = en Merib | בַּ֖עַל (baal) = Baäl | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | מִיכָֽה (mikha) = Micha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרִיב בַּעַל (Merib-Baäl), ‘Baäl strijdt’: in 2 Sam. 4:4 en 9:6 heet hij Mefiboset. Micha staat ook in 2 Sam. 9:12. Zie ook: 2 Sam 4:4; 2 Sam 9:6; 2 Sam 9:10; 2 Sam 9:12; 2 Sam 19:25–31 **8:35** De zonen van Micha: Piton, Melech, Tarea en Achaz. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | מִיכָ֑ה (mikha) = Micha | פִּית֥וֹן (piton) = Piton | וָמֶ֖לֶךְ (vamelekh) = en Melech | וְתַאְרֵ֥עַ (vetarea) = en Tarea | וְאָחָֽז (veachaz) = en Achaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:41 **8:36** Achaz werd de vader van Jehoadda. Jehoadda werd de vader van Alemet, Azmavet en Zimri. Zimri werd de vader van Motsa. Brontekst: וְאָחָז֙ (veachaz) = en Achaz | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹעַדָּ֔ה (yehoada) = Jehoadda | וִיהֽוֹעַדָּ֗ה (vihoada) = en Jehoadda | הוֹלִ֛יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עָלֶ֥מֶת (alemet) = Alemet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַזְמָ֖וֶת (azmavet) = Azmavet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זִמְרִ֑י (zimri) = Zimri | וְזִמְרִ֖י (vezimri) = en Zimri | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | מוֹצָֽא (motsa) = Motsa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Azmavet is een naam die ook voorkomt in 2 Sam. 23:31. Zie ook: 2 Sam 23:31; 1 Kron 9:42 **8:37** Motsa werd de vader van Binea. Rafa was zijn zoon, Elasa was zijn zoon, Atsel was zijn zoon. Brontekst: וּמוֹצָ֖א (umotsa) = en Motsa | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בִּנְעָ֑א (bina) = Binea | רָפָ֥ה (rafa) = Rafa | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | אֶלְעָשָׂ֥ה (elasa) = Elasa | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אָצֵ֥ל (atsel) = Atsel | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:43 **8:38** Atsel had zes zonen. Dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Sjearja, Obadja en Chanan. Al deze mannen zijn zonen van Atsel. Brontekst: וּלְאָצֵל֮ (uleatsel) = en voor Atsel | שִׁשָּׁ֣ה (shisha) = zes | בָנִים֒ (banim) = zonen | וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמוֹתָ֗ם (shemotam) = hun namen | עַזְרִיקָ֥ם (azriqam) = Azrikam | בֹּ֨כְרוּ֙ (bokheru) = Bochru | וְיִשְׁמָעֵ֣אל (veyishmael) = en Ismaël | וּשְׁעַרְיָ֔ה (ushearya) = en Sjearja | וְעֹבַדְיָ֖ה (veovadya) = en Obadja | וְחָנָ֑ן (vechanan) = en Chanan | כָּל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אָצַֽל (atsal) = Atsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּכְרוּ (Bochru) is hier een eigennaam. In vers 39 betekent בְּכֹרוֹ (bechoro) ‘zijn eerstgeborene’. Zie ook: 1 Kron 8:39 ### De zonen van Esjek **8:39** De zonen van zijn broer Esjek: Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs als tweede en Elifelet als derde. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | עֵ֣שֶׁק (esheq) = Esjek | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | אוּלָ֣ם (ulam) = Ulam | בְּכֹר֔וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | יְעוּשׁ֙ (yeush) = Jeüs | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | וֶֽאֱלִיפֶ֖לֶט (veelifelet) = en Elifelet | הַשְּׁלִשִֽׁי (hashelishi) = de derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:40** De zonen van Ulam waren dappere krijgers en boogschutters. Zij hadden veel zonen en kleinzonen: 150. Al deze mannen behoren tot de zonen van Benjamin. Brontekst: וַֽיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = zonen van | א֠וּלָם (ulam) = Ulam | אֲנָשִׁ֨ים (anashim) = mannen | גִּבֹּרֵי (giborei) = helden van | חַ֜יִל (chayil) = kracht | דֹּ֣רְכֵי (dorekhei) = spanners van | קֶ֗שֶׁת (qeshet) = boog | וּמַרְבִּ֤ים (umarbim) = en vermeerderaars van | בָּנִים֙ (banim) = zonen | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | בָנִ֔ים (banim) = zonen | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | וַחֲמִשִּׁ֑ים (vachamishim) = en vijftig | כָּל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | בִנְיָמִֽן (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּרְכֵי קֶשֶׁת (dorchei qeshet), ‘spanners van de boog’: boogschutters. De 150 zijn zonen en kleinzonen samen. Zie ook: 1 Kron 12:2; Ps 127:3–5; Ps 128:3–6; 2 Kron 14:7 ## 1 Kronieken 9 _De bewoners van Jeruzalem en het geslacht van Saul_ ### Israël in de geslachtsregisters **9:1** Heel Israël werd opgenomen in geslachtsregisters. Zie, zij staan geschreven in het boek van de koningen van Israël. Juda werd naar Babel weggevoerd vanwege hun ontrouw. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הִתְיַחְשׂ֔וּ (hityachsu) = werd opgenomen in geslachtsregisters | וְהִנָּ֣ם (vehinam) = en zie zij | כְּתוּבִ֔ים (ketuvim) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֖פֶר (sefer) = het boek van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וִיהוּדָ֛ה (vihuda) = en Juda | הָגְל֥וּ (hagelu) = werd weggevoerd | לְבָבֶ֖ל (levavel) = naar Babel | בְּמַעֲלָֽם (bemaalam) = vanwege hun ontrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הִתְיַחְשׂוּ (hityachsu), ‘in geslachtsregisters opgenomen worden’: het woord komt van יַחַשׂ (yachas), ‘afstamming’. Voetnoot : מַעַל (ma‘al), ‘ontrouw’: ontrouw aan Yahweh, zoals in Lev. 5:15. Voetnoot : De lijsten die nu volgen gaan over de eerste bewoners na de ballingschap. Neh. 11:3–19 heeft een verwante lijst, met andere getallen en enkele andere namen. Zie ook: Lev 5:15; 1 Kron 5:25–26; Ezra 2:59; Ezra 2:62–63; Neh 7:5; Neh 7:64; Neh 11:3–19 ### De eerste bewoners van Jeruzalem **9:2** De eerste bewoners, die in hun eigen bezit in hun steden woonden, waren: Israël, de priesters, de Levieten en de Netinim. Brontekst: וְהַיּוֹשְׁבִים֙ (vehayoshevim) = en de bewoners | הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים (harishonim) = eerste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בַּאֲחֻזָּתָ֖ם (baachuzatam) = in hun bezit | בְּעָרֵיהֶ֑ם (beareihem) = in hun steden | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | וְהַנְּתִינִֽים (vehanetinim) = en de Netinim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתִינִים (netinim), ‘gegevenen’: mensen die aan het heiligdom waren gegeven voor de dienst. Wij laten de naam staan. Voetnoot : יִשְׂרָאֵל (Yisra’el): hier de gewone Israëlieten, naast de priesters en de Levieten. Zie ook: Ezra 2:43; Ezra 2:58; Ezra 2:70; Ezra 8:20; Neh 7:73 **9:3** In Jeruzalem woonden: van de zonen van Juda, van de zonen van Benjamin, van de zonen van Efraïm en van Manasse. Brontekst: וּבִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (uvirushaliam) = en in Jeruzalem | יָשְׁב֔וּ (yashevu) = woonden | מִן (min) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | וּמְנַשֶּֽׁה (umenashe) = en Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kron 11:16; 2 Kron 30:11; Neh 11:1; Neh 11:4–9 **9:4** Utai, zoon van Ammihud, zoon van Omri, zoon van Imri, zoon van Bani, van de zonen van Peres, de zoon van Juda. Brontekst: עוּתַ֨י (utay) = Utai | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיה֤וּד (amihud) = Ammihud | בֶּן (ben) = zoon van | עָמְרִי֙ (ameri) = Omri | בֶּן (ben) = zoon van | אִמְרִ֣י (imri) = Imri | בֶן (ben) = zoon van | בָּנִ֔י (bani) = Bani | מִן (min) = van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | פֶ֖רֶץ (perets) = Peres | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘Bani, van de zonen van Peres’. Peres is de zoon van Juda (Gen. 38:29). Zie ook: Gen 38:29; Gen 46:12; Num 26:20; 1 Kron 2:5; Neh 8:7; Neh 11:4 **9:5** Van de Selaniet: Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַשִּׁ֣ילוֹנִ֔י (hashiloni) = de Selaniet | עֲשָׂיָ֥ה (asaya) = Asaja | הַבְּכ֖וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | וּבָנָֽיו (uvanav) = en zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: הַשִּׁילוֹנִי (hashiloni) kan ‘de Siloniet’ zijn, uit Silo, of een nakomeling van Sela, de zoon van Juda (Gen. 38:5). Wij kiezen ‘de Selaniet’, omdat de lijst bij Juda staat en de Selanieten in Num. 26:20 een familie van Juda zijn. Zie ook: Gen 38:5; Num 26:20; Neh 11:5 **9:6** Van de zonen van Zerach: Jeüël. Hun broeders: 690. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | זֶ֖רַח (zerach) = Zerach | יְעוּאֵ֑ל (yeuel) = Jeüël | וַאֲחֵיהֶ֖ם (vaacheihem) = en hun broeders | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | וְתִשְׁעִֽים (vetishim) = en negentig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zerach is een zoon van Juda (Gen. 38:30). Jeüël (Hebr. Ye‘u’el) is een andere man dan Jeïël in vers 35. Zie ook: Gen 38:30; Num 26:20; 1 Kron 2:4; 1 Kron 2:6; 1 Kron 9:35 **9:7** Van de zonen van Benjamin: Sallu, zoon van Mesjullam, zoon van Hodavja, zoon van Hassenua, Brontekst: וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | סַלּוּא֙ (salu) = Sallu | בֶּן (ben) = zoon van | מְשֻׁלָּ֔ם (meshulam) = Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | הוֹדַוְיָ֖ה (hodavya) = Hodavja | בֶּן (ben) = zoon van | הַסְּנֻאָֽה (hasenua) = Hassenua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 8:4; Neh 10:21; Neh 11:7 **9:8** Jibneja, zoon van Jerocham, en Ela, zoon van Uzzi, zoon van Michri, en Mesjullam, zoon van Sefatja, zoon van Reüël, zoon van Jibnija. Brontekst: וְיִבְנְיָה֙ (veyivneya) = en Jibneja | בֶּן (ben) = zoon van | יְרֹחָ֔ם (yerocham) = Jerocham | וְאֵלָ֥ה (veela) = en Ela | בֶן (ben) = zoon van | עֻזִּ֖י (uzi) = Uzzi | בֶּן (ben) = zoon van | מִכְרִ֑י (mikhri) = Michri | וּמְשֻׁלָּם֙ (umeshulam) = en Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁפַטְיָ֔ה (shefatya) = Sefatja | בֶּן (ben) = zoon van | רְעוּאֵ֖ל (reuel) = Reüël | בֶּן (ben) = zoon van | יִבְנִיָּֽה (yivniya) = Jibnija Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:9** Hun broeders, naar hun afstamming: 956. Al deze mannen waren hoofden van vaderhuizen, naar hun vaderhuizen. Brontekst: וַאֲחֵיהֶם֙ (vaacheihem) = en hun broeders | לְתֹ֣לְדוֹתָ֔ם (letoledotam) = naar hun afstamming | תְּשַׁ֥ע (tesha) = negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּׁ֣ים (vachamishim) = en vijftig | וְשִׁשָּׁ֑ה (veshisha) = en zes | כָּל (kal) = al | אֵ֣לֶּה (ele) = deze | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | אָב֖וֹת (avot) = vaderhuizen | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het huis van | אֲבֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 11:8 ### De priesters **9:10** Van de priesters: Jedaja, Jojarib en Jachin, Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַֽכֹּהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | יְדַֽעְיָ֥ה (yedaya) = Jedaja | וִיהוֹיָרִ֖יב (vihoyariv) = en Jojarib | וְיָכִֽין (veyakhin) = en Jachin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 11:10–24; Neh 12:19 **9:11** en Azaria, zoon van Hilkia, zoon van Mesjullam, zoon van Zadok, zoon van Merajot, zoon van Achitub, leider van het huis van Elohim, Brontekst: וַעֲזַרְיָ֨ה (vaazarya) = en Azaria | בֶן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֜ה (chilqiya) = Hilkia | בֶּן (ben) = zoon van | מְשֻׁלָּ֣ם (meshulam) = Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | צָד֗וֹק (tsadoq) = Zadok | בֶּן (ben) = zoon van | מְרָיוֹת֙ (merayot) = Merajot | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיט֔וּב (achituv) = Achitub | נְגִ֖יד (negid) = leider van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: zo ook in 2 Sam. 5:2. Azaria heeft hier een leidende taak in het huis van Elohim. Voetnoot Lezing: Deze lijn verschilt van 1 Kron. 5:33–34 en 5:38–40. Daar is Merajot de vader van Amarja, Amarja de vader van Achitub, en Achitub de vader van Zadok. Zadok is de vader van Sjallum, Sjallum van Hilkia en Hilkia van Azaria. Hier staat Zadok als zoon van Merajot en Merajot als zoon van Achitub. Mesjullam is waarschijnlijk dezelfde man als Sjallum in 1 Kron. 5:38. Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: Num 4:28; 2 Sam 5:2; 1 Kron 5:33–34; 1 Kron 5:38; 2 Kon 25:18; Neh 10:3; Neh 11:11; Hand 5:24 **9:12** en Adaja, zoon van Jerocham, zoon van Pasjchur, zoon van Malkia. En Maäsai, zoon van Adiël, zoon van Jachzera, zoon van Mesjullam, zoon van Mesjillemit, zoon van Immer. Brontekst: וַעֲדָיָה֙ (vaadaya) = en Adaja | בֶּן (ben) = zoon van | יְרֹחָ֔ם (yerocham) = Jerocham | בֶּן (ben) = zoon van | פַּשְׁח֖וּר (pashchur) = Pasjchur | בֶּן (ben) = zoon van | מַלְכִּיָּ֑ה (malkiya) = Malkia | וּמַעְשַׂ֨י (umasay) = en Maäsai | בֶּן (ben) = zoon van | עֲדִיאֵ֧ל (adiel) = Adiël | בֶּן (ben) = zoon van | יַחְזֵ֛רָה (yachzera) = Jachzera | בֶּן (ben) = zoon van | מְשֻׁלָּ֥ם (meshulam) = Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | מְשִׁלֵּמִ֖ית (meshilemit) = Mesjillemit | בֶּן (ben) = zoon van | אִמֵּֽר (imer) = Immer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:14; Ezra 2:37; Neh 7:40; Neh 11:12–13 **9:13** Hun broeders, hoofden van hun vaderhuizen: 1.760 dappere krijgers, voor het werk van de dienst in het huis van Elohim. Brontekst: וַאֲחֵיהֶ֗ם (vaacheihem) = en hun broeders | רָאשִׁים֙ (rashim) = hoofden | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֲבוֹתָ֔ם (avotam) = hun vaderen | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְשִׁשִּׁ֑ים (veshishim) = en zestig | גִּבּ֣וֹרֵי (giborei) = dappere krijgers van | חֵ֔יל (cheil) = kracht | מְלֶ֖אכֶת (melekhet) = het werk van | עֲבוֹדַ֥ת (avodat) = de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹרֵי חַיִל (gibbore chayil), ‘dappere krijgers’: mannen met kracht en moed. Zie ook: 1 Kron 26:6; 1 Kron 26:30; 1 Kron 26:32; Neh 11:14 ### De Levieten **9:14** Van de Levieten: Sjemaja, zoon van Chasjub, zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, van de zonen van Merari, Brontekst: וּמִֽן (umin) = en van | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | שְׁמַֽעְיָ֧ה (shemaya) = Sjemaja | בֶן (ben) = zoon van | חַשּׁ֛וּב (chashuv) = Chasjub | בֶּן (ben) = zoon van | עַזְרִיקָ֥ם (azriqam) = Azrikam | בֶּן (ben) = zoon van | חֲשַׁבְיָ֖ה (chashavya) = Chasjabja | מִן (min) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | מְרָרִֽי (merari) = Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 6:4; 1 Kron 6:48; Neh 10:12; Neh 11:15–19; Neh 12:24 **9:15** en Bakbakkar, Cheresj en Galal, en Mattanja, zoon van Micha, zoon van Zichri, zoon van Asaf, Brontekst: וּבַקְבַּקַּ֥ר (uvaqbaqar) = en Bakbakkar | חֶ֖רֶשׁ (cheresh) = Cheresj | וְגָלָ֑ל (vegalal) = en Galal | וּמַתַּנְיָה֙ (umatanya) = en Mattanja | בֶּן (ben) = zoon van | מִיכָ֔א (mikha) = Micha | בֶּן (ben) = zoon van | זִכְרִ֖י (zikhri) = Zichri | בֶּן (ben) = zoon van | אָסָֽף (asaf) = Asaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 12:26; 1 Kron 25:2; Neh 10:13; Neh 11:17; Neh 11:22 **9:16** en Obadja, zoon van Sjemaja, zoon van Galal, zoon van Jedutun, en Berechja, zoon van Asa, zoon van Elkana. Hij woonde in de dorpen van de Netofatieten. Brontekst: וְעֹבַדְיָה֙ (veovadya) = en Obadja | בֶּֽן (ben) = zoon van | שְׁמַֽעְיָ֔ה (shemaya) = Sjemaja | בֶּן (ben) = zoon van | גָּלָ֖ל (galal) = Galal | בֶּן (ben) = zoon van | יְדוּת֑וּן (yedutun) = Jedutun | וּבֶרֶכְיָ֤ה (uverekhya) = en Berechja | בֶן (ben) = zoon van | אָסָא֙ (asa) = Asa | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְקָנָ֔ה (elqana) = Elkana | הַיּוֹשֵׁ֖ב (hayoshev) = die woonde | בְּחַצְרֵ֥י (bechatsrei) = in de dorpen van | נְטוֹפָתִֽי (netofati) = de Netofatieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Netofa lag in het bergland bij Betlehem; de ligging is niet zeker (Juda, Westelijke Jordaanoever). Zie ook: 1 Kron 2:54; 1 Kron 25:1; Neh 7:26; Neh 11:17; Neh 12:28–30 ### De poortwachters **9:17** De poortwachters waren Sjallum, Akkub, Talmon, Achiman en hun broeders. Sjallum was het hoofd. Brontekst: וְהַשֹּׁעֲרִים֙ (vehashoarim) = en de poortwachters | שַׁלּ֣וּם (shalum) = Sjallum | וְעַקּ֔וּב (veaquv) = en Akkub | וְטַלְמֹ֖ן (vetalmon) = en Talmon | וַאֲחִימָ֑ן (vaachiman) = en Achiman | וַאֲחִיהֶ֥ם (vaachihem) = en hun broeders | שַׁלּ֖וּם (shalum) = Sjallum | הָרֹֽאשׁ (harosh) = het hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 23:5; 1 Kron 26:1–32; Neh 11:19 **9:18** Tot nu toe zijn zij bij de poort van de koning, aan de oostkant. Dit zijn de poortwachters van de kampen van de zonen van Levi. Brontekst: וְֽעַד (vead) = en tot | הֵ֔נָּה (hena) = nu toe | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = bij de poort van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִזְרָ֑חָה (mizracha) = oostwaarts | הֵ֚מָּה (hema) = zij | הַשֹּׁ֣עֲרִ֔ים (hashoarim) = de poortwachters | לְמַחֲנ֖וֹת (lemachanot) = voor de kampen van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Tot nu toe’ is de tijd van de schrijver. Wij weten niet precies waar ‘de poort van de koning’ lag. Zie ook: 1 Kron 26:12–19; 1 Kon 10:5; 2 Kon 11:19; Ezech 44:2–3; Ezech 46:1–2 **9:19** Sjallum was de zoon van Kore, de zoon van Abiasaf, de zoon van Korach. Hij en zijn broeders uit het huis van zijn vader, de Korachieten, hadden het werk van de dienst. Zij waren bewakers van de drempels van de tent. Hun vaders waren over het kamp van Yahweh gesteld. Zij waren bewakers van de ingang. Brontekst: וְשַׁלּ֣וּם (veshalum) = en Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | ק֠וֹרֵא (qore) = Kore | בֶּן (ben) = zoon van | אֶבְיָסָ֨ף (evyasaf) = Abiasaf | בֶּן (ben) = zoon van | קֹ֜רַח (qorach) = Korach | וְֽאֶחָ֧יו (veechav) = en zijn broeders | לְבֵית (leveit) = van het huis van | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | הַקָּרְחִ֗ים (haqarechim) = de Korachieten | עַ֚ל (al) = over | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = het werk van | הָעֲבוֹדָ֔ה (haavoda) = de dienst | שֹׁמְרֵ֥י (shomerei) = bewakers van | הַסִּפִּ֖ים (hasipim) = de drempels | לָאֹ֑הֶל (laohel) = van de tent | וַאֲבֹֽתֵיהֶם֙ (vaavoteihem) = en hun vaderen | עַל (al) = over | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = bewakers van | הַמָּבֽוֹא (hamavo) = de ingang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִפִּים (sippim), ‘drempels’: de drempels van de ingang van de tent. Zij bewaakten de toegang. Voetnoot : מַחֲנֵה יְהוָה (machaneh Yahweh), ‘het kamp van Yahweh’: ‘hun vaders’ zijn de voorouders uit de tijd van de tabernakel. Zie ook Num. 3:38. Zie ook: Num 3:38; Num 26:9–11; 1 Kron 6:7–8; 1 Kron 26:13–19; Ps 84:11; 2 Kon 11:15 **9:20** Pinechas, zoon van Eleazar, was vroeger leider over hen. Yahweh was met hem. Brontekst: וּפִֽינְחָ֣ס (ufinechas) = en Pinechas | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְעָזָ֗ר (elazar) = Eleazar | נָגִ֨יד (nagid) = leider | הָיָ֧ה (haya) = was | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Pinechas kreeg een verbond van een eeuwig priesterschap (Num. 25:11–13). Zie ook: Num 3:32; Num 4:16; Num 4:28; Num 25:7–13; Num 25:11–13; 1 Sam 16:18 **9:21** Zecharja, zoon van Mesjelemja, was poortwachter bij de ingang van de tent van samenkomst. Brontekst: זְכַרְיָה֙ (zekharya) = Zecharja | בֶּ֣ן (ben) = zoon van | מְשֶֽׁלֶמְיָ֔ה (meshelemya) = Mesjelemja | שֹׁעֵ֥ר (shoer) = poortwachter van | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | לְאֹ֥הֶל (leohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de tent van samenkomst uit de tijd van de tabernakel. Het huis van Yahweh heet in vers 23 ‘het huis van de tent’. Zie ook: 1 Kron 9:23; 1 Kron 26:2; 1 Kron 26:14 **9:22** Allen die uitgekozen waren tot poortwachters bij de drempels: 212. Zij werden in hun dorpen opgenomen in de geslachtsregisters. David en Samuël, de ziener, stelden hen aan vanwege hun betrouwbaarheid. Brontekst: כֻּלָּ֤ם (kulam) = zij allen | הַבְּרוּרִים֙ (haberurim) = de uitgekozenen | לְשֹׁעֲרִ֣ים (leshoarim) = tot poortwachters | בַּסִּפִּ֔ים (basipim) = bij de drempels | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | וּשְׁנֵ֣ים (usheneim) = en twee | עָשָׂ֑ר (asar) = tien | הֵ֤מָּה (hema) = zij | בְחַצְרֵיהֶם֙ (bechatsreihem) = in hun dorpen | הִתְיַחְשָׂ֔ם (hityachsam) = hun opname in de geslachtsregisters | הֵ֣מָּה (hema) = zij | יִסַּ֥ד (yisad) = stelde aan | דָּוִ֛יד (david) = David | וּשְׁמוּאֵ֥ל (ushemuel) = en Samuël | הָרֹאֶ֖ה (haroe) = de ziener | בֶּאֱמוּנָתָֽם (beemunatam) = om hun betrouwbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִסַּד (yissad), ‘vaststellen, aanstellen’: David en Samuël legden de indeling van de poortwachters vast. Samuël heet hier ‘de ziener’ (zie 1 Sam. 9:9). Zie ook: 1 Sam 9:9; 1 Kron 9:31; 1 Kron 23:1–32; 1 Kron 28:13; Neh 11:36 **9:23** Zij en hun zonen waren gesteld over de poorten van het huis van Yahweh, het huis van de tent, voor de wachtdiensten. Brontekst: וְהֵ֨ם (vehem) = en zij | וּבְנֵיהֶ֜ם (uveneihem) = en hun zonen | עַל (al) = over | הַשְּׁעָרִ֧ים (hashearim) = de poorten van | לְבֵית (leveit) = het huis van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְבֵ֥ית (leveit) = het huis van | הָאֹ֖הֶל (haohel) = de tent | לְמִשְׁמָרֽוֹת (lemishmarot) = voor de wachtdiensten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 23:32; 2 Kron 23:19; Ezech 44:10–11; Ezech 44:14; Neh 12:45 **9:24** De poortwachters waren aan de vier windstreken: oost, west, noord en zuid. Brontekst: לְאַרְבַּ֣ע (learba) = aan vier | רוּח֔וֹת (ruchot) = windstreken | יִהְי֖וּ (yihyu) = waren | הַשֹּׁעֲרִ֑ים (hashoarim) = de poortwachters | מִזְרָ֥ח (mizrach) = oost | יָ֖מָּה (yama) = westwaarts | צָפ֥וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וָנֶֽגְבָּה (vanegba) = en zuidwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָמָּה (yammah), ‘westwaarts’: letterlijk ‘naar de zee’, de Middellandse Zee in het westen. Zie ook: 1 Kron 26:14–18 **9:25** Hun broeders in hun dorpen moesten van tijd tot tijd komen, voor zeven dagen, om bij hen te zijn. Brontekst: וַאֲחֵיהֶ֨ם (vaacheihem) = en hun broeders | בְּחַצְרֵיהֶ֜ם (bechatsreihem) = in hun dorpen | לָב֨וֹא (lavo) = om te komen | לְשִׁבְעַ֧ת (leshivat) = voor zeven | הַיָּמִ֛ים (hayamim) = dagen | מֵעֵ֥ת (meet) = van tijd | אֶל (el) = tot | עֵ֖ת (et) = tijd | עִם (im) = bij | אֵֽלֶּה (ele) = dezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 11:5; 2 Kon 11:7; 2 Kron 23:8 **9:26** Want de vier sterke mannen van de poortwachters, de Levieten, hadden een vertrouwenspositie. Zij waren gesteld over de kamers en over de schatkamers van het huis van Elohim. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בֶאֱמוּנָ֞ה (beemuna) = in betrouwbaarheid | הֵ֗מָּה (hema) = zij | אַרְבַּ֨עַת֙ (arbaat) = vier | גִּבֹּרֵ֣י (giborei) = sterke mannen van | הַשֹּׁעֲרִ֔ים (hashoarim) = de poortwachters | הֵ֖ם (hem) = zij | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zij waren | עַל (al) = over | הַלְּשָׁכ֔וֹת (haleshakhot) = de kamers | וְעַ֥ל (veal) = en over | הָאֹצְר֖וֹת (haotserot) = de schatkamers van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבֹּרֵי (gibbore), ‘sterke mannen’: de vier hoofdwachters onder de poortwachters. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: 1 Kron 26:20–27; 2 Kron 31:5–12; Neh 10:39–40; Neh 13:5 **9:27** Rondom het huis van Elohim brachten zij de nacht door, want op hen rustte de wacht. Zij hadden de sleutel in handen, elke morgen opnieuw. Brontekst: וּסְבִיב֥וֹת (usevivot) = en rondom | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | יָלִ֑ינוּ (yalinu) = brachten zij de nacht door | כִּֽי (ki) = want | עֲלֵיהֶ֣ם (aleihem) = op hen | מִשְׁמֶ֔רֶת (mishmeret) = rustte de wacht | וְהֵ֥ם (vehem) = en zij | עַל (al) = over | הַמַּפְתֵּ֖חַ (hamafteach) = de sleutel | וְלַבֹּ֥קֶר (velaboqer) = en voor de morgen | לַבֹּֽקֶר (laboqer) = elke morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘de sleutel, elke morgen’. Waarschijnlijk gaat het om het openen van het huis van Elohim. Wij voegen dat niet toe. Zie ook: 1 Sam 3:15; 1 Kron 23:30–32; Mal 1:10; Rom 12:7 ### Andere taken in het huis van Elohim **9:28** Sommigen van hen waren gesteld over de voorwerpen van de dienst. Want op getal brachten zij die binnen en op getal brachten zij die naar buiten. Brontekst: וּמֵהֶ֖ם (umehem) = en sommigen van hen | עַל (al) = over | כְּלֵ֣י (kelei) = de voorwerpen van | הָעֲבוֹדָ֑ה (haavoda) = de dienst | כִּֽי (ki) = want | בְמִסְפָּ֣ר (bemispar) = op getal | יְבִיא֔וּם (yevium) = brengen zij die binnen | וּבְמִסְפָּ֖ר (uvemispar) = en op getal | יוֹצִיאֽוּם (yotsium) = brengen zij die naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:25–27; 1 Kron 26:22–26; Ezra 8:25–30; Neh 12:44; Neh 13:4–5 **9:29** Sommigen van hen waren aangesteld over de voorwerpen, over alle voorwerpen van het heiligdom. Verder waren zij aangesteld over het fijne meel, de wijn, de olie, de wierook en de specerijen. Brontekst: וּמֵהֶ֗ם (umehem) = en sommigen van hen | מְמֻנִּים֙ (memunim) = aangesteld | עַל (al) = over | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = de voorwerpen | וְעַ֖ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְעַל (veal) = en over | הַסֹּ֨לֶת֙ (hasolet) = het fijne meel | וְהַיַּ֣יִן (vehayayin) = en de wijn | וְהַשֶּׁ֔מֶן (vehashemen) = en de olie | וְהַלְּבוֹנָ֖ה (vehalevona) = en de wierook | וְהַבְּשָׂמִֽים (vehabesamim) = en de specerijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹלֶת (solet), ‘fijn meel’: het beste meel. Zie ook: Ex 27:20; Ex 30:23–38; 1 Kron 23:29 **9:30** Sommigen van de zonen van de priesters bereidden het mengsel voor de specerijen. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | רֹקְחֵ֥י (roqechei) = bereiders van | הַמִּרְקַ֖חַת (hamirqachat) = het mengsel | לַבְּשָׂמִֽים (labesamim) = voor de specerijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹקְחֵי (roqeche), ‘bereiders’: dat zijn zalfbereiders, die mengsels maken. Zie ook Exod. 30:25 en 30:35. Zie ook: Ex 30:23–25; Ex 30:25; Ex 30:33; Ex 30:35–38; Ex 37:29 **9:31** Mattitja, een van de Levieten, was de eerstgeborene van Sjallum, de Korachiet. Hij had een vertrouwenspositie over het werk van de bakplaatkoeken. Brontekst: וּמַתִּתְיָה֙ (umatitya) = en Mattitja | מִן (min) = van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | ה֥וּא (hu) = hij | הַבְּכ֖וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | לְשַׁלֻּ֣ם (leshalum) = van Sjallum | הַקָּרְחִ֑י (haqarechi) = de Korachiet | בֶּאֱמוּנָ֕ה (beemuna) = in betrouwbaarheid | עַ֖ל (al) = over | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = het werk van | הַחֲבִתִּֽים (hachavitim) = de bakplaatkoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲבִתִּים (chavittim), ‘bakplaatkoeken’: een zeldzame vorm die bij de bakplaat hoort (Lev. 6:14). Het gaat om koeken die op de bakplaat voor het graanoffer worden gebakken. Zie ook: Lev 2:5; Lev 6:14; 1 Kron 9:17; 1 Kron 9:19; 1 Kron 9:22; 1 Kron 9:26 **9:32** Ook sommigen van de zonen van de Kehatieten, van hun broeders, waren gesteld over het brood van de rijen. Zij maakten het elke sabbat klaar. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | הַקְּהָתִ֛י (haqehati) = de Kehatieten | מִן (min) = van | אֲחֵיהֶ֖ם (acheihem) = hun broeders | עַל (al) = over | לֶ֣חֶם (lechem) = het brood van | הַֽמַּעֲרָ֑כֶת (hamaarakhet) = de rijen | לְהָכִ֖ין (lehakhin) = om klaar te maken | שַׁבַּ֥ת (shabat) = sabbat | שַׁבָּֽת (shabat) = sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם הַמַּעֲרֶכֶת (lechem hamaarechet), ‘het brood van de rijen’: dit is het toonbrood, dat in rijen op de tafel ligt (Lev. 24:5–9). Zie ook: Ex 25:30; Lev 24:5–8; 1 Kron 6:18–33 ### De zangers **9:33** Dit zijn de zangers, hoofden van de vaderhuizen van de Levieten. Zij verbleven in de kamers en waren vrijgesteld. Want dag en nacht waren zij met het werk belast. Brontekst: וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | הַ֠מְשֹׁרְרִים (hamshorerim) = de zangers | רָאשֵׁ֨י (rashei) = hoofden van | אָב֧וֹת (avot) = vaderhuizen | לַלְוִיִּ֛ם (lalviyim) = van de Levieten | בַּלְּשָׁכֹ֖ת (baleshakhot) = in de kamers | פְּטוּרִ֑ים (peturim) = vrijgesteld | כִּֽי (ki) = want | יוֹמָ֥ם (yomam) = bij dag | וָלַ֛יְלָה (valayla) = en bij nacht | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = op hen | בַּמְּלָאכָֽה (bamelakha) = in het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het ketiv heeft פטירים, de qere פְּטוּרִים (peturim), ‘vrijgesteld’. Het Hebreeuws zegt niet waarvan: wij nemen aan van ander werk, omdat hun taak dag en nacht doorging. Zie ook: 1 Kron 6:16–18; 1 Kron 16:4–6; 1 Kron 25:1–31; Ps 134:1–2; Ps 135:1–3 **9:34** Dit zijn de hoofden van de vaderhuizen van de Levieten, naar hun afstamming, als hoofden. Dezen woonden in Jeruzalem. Brontekst: אֵלֶּה֩ (ele) = dit zijn | רָאשֵׁ֨י (rashei) = hoofden van | הָאָב֧וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לַלְוִיִּ֛ם (lalviyim) = van de Levieten | לְתֹלְדוֹתָ֖ם (letoledotam) = naar hun afstamming | רָאשִׁ֑ים (rashim) = als hoofden | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | יָשְׁב֥וּ (yashevu) = woonden | בִירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kron 9:13; Neh 11:1–15 ### Het geslacht van Saul in Gibeon **9:35** In Gibeon woonde Jeïël, de vader van Gibeon. De naam van zijn vrouw was Maächa. Brontekst: וּבְגִבְע֛וֹן (uvegivon) = en in Gibeon | יָשְׁב֥וּ (yashevu) = woonden | אֲבִֽי (avi) = de vader van | גִבְע֖וֹן (givon) = Gibeon | יְעִיאֵ֑ל (yeiel) = Jeïël | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | מַעֲכָֽה (maakha) = Maächa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon is el-Jib, ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: ‘De vader van Gibeon’ is waarschijnlijk de stichter of heer van de stad, zoals ‘Salma, vader van Betlehem’ in 1 Kron. 2:51. Voetnoot Lezing: Het ketiv is יעואל (Ye‘u’el), de qere יְעִיאֵל (Ye‘i’el), Jeïël. Wij volgen de qere. De verzen 35–44 komen ook voor in 1 Kron. 8:29–38. Zie ook: 1 Kron 2:23–24; 1 Kron 2:45; 1 Kron 2:50–52; 1 Kron 2:51; 1 Kron 8:29–40 **9:36** Zijn eerstgeboren zoon was Abdon. Verder waren er Tsur, Kis, Baäl, Ner en Nadab, Brontekst: וּבְנ֥וֹ (uveno) = en zijn zoon | הַבְּכ֖וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | עַבְדּ֑וֹן (avdon) = Abdon | וְצ֣וּר (vetsur) = en Tsur | וְקִ֔ישׁ (veqish) = en Kis | וּבַ֥עַל (uvaal) = en Baäl | וְנֵ֖ר (vener) = en Ner | וְנָדָֽב (venadav) = en Nadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In 1 Kron. 8:30 staat Ner niet in deze rij. Hier staat hij wel. In vers 39 is Ner de vader van Kis. Wij vertalen beide zoals het staat. Zie ook 1 Sam. 9:1 en 14:51. Zie ook: 1 Sam 9:1; 1 Sam 14:51; 1 Kron 8:30; 1 Kron 8:33; 1 Kron 9:39 **9:37** Gedor, Achjo, Zecharja en Miklot. Brontekst: וּגְד֣וֹר (ugedor) = en Gedor | וְאַחְי֔וֹ (veachyo) = en Achjo | וּזְכַרְיָ֖ה (uzekharya) = en Zecharja | וּמִקְלֽוֹת (umiqlot) = en Miklot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאַחְיוֹ (ve’achyo) kan ‘en Achjo’ zijn of ‘en zijn broer’. Wij nemen het als naam, zoals bij Achjo in 2 Sam. 6:3. Zie ook: 2 Sam 6:3; 1 Kron 8:31 **9:38** Miklot werd de vader van Sjimam. Ook zij woonden in Jeruzalem, tegenover hun broeders, samen met hun broeders. Brontekst: וּמִקְל֖וֹת (umiqlot) = en Miklot | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שִׁמְאָ֑ם (shimam) = Sjimam | וְאַף (veaf) = en ook | הֵ֗ם (hem) = zij | נֶ֧גֶד (neged) = tegenover | אֲחֵיהֶ֛ם (acheihem) = hun broeders | יָשְׁב֥וּ (yashevu) = woonden | בִירֽוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | עִם (im) = samen met | אֲחֵיהֶֽם (acheihem) = hun broeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kron 8:32 **9:39** Ner werd de vader van Kis. Kis werd de vader van Saul. Saul werd de vader van Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl. Brontekst: וְנֵר֙ (vener) = en Ner | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | קִ֔ישׁ (qish) = Kis | וְקִ֖ישׁ (veqish) = en Kis | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וְשָׁא֗וּל (veshaul) = en Saul | הוֹלִ֤יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יְהֽוֹנָתָן֙ (yehonatan) = Jonatan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכִּי (malki) = Malki | שׁ֔וּעַ (shua) = sua | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִינָדָ֖ב (avinadav) = Abinadab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶשְׁבָּֽעַל (eshbaal) = Esbaäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Esbaäl (Hebr. Eshba‘al, ‘man van Baäl’) is dezelfde man als Is-Bosjet in 2 Sam. 2:8. Isjwi uit 1 Sam. 14:49 wordt hier niet genoemd. In Samuël is ‘bosjet’ (‘schande’) in de plaats gekomen van ‘baäl’. Zie ook: 1 Sam 13:22; 1 Sam 14:1; 1 Sam 14:49; 1 Sam 31:2; 2 Sam 2:8; 1 Kron 8:33–38; 1 Kron 10:2 **9:40** De zoon van Jonatan was Merib-Baäl. Meri-Baäl werd de vader van Micha. Brontekst: וּבֶן (uven) = en de zoon van | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | מְרִ֣יב (meriv) = Merib | בָּ֑עַל (baal) = Baäl | וּמְרִי (umeri) = en Meri | בַ֖עַל (baal) = Baäl | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | מִיכָֽה (mikha) = Micha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Merib-Baäl is dezelfde man als Mefiboset in 2 Sam. 4:4 en 9:6. De tweede keer staat de naam als מְרִי בַעַל (Meri-Baäl). Wij houden beide vormen aan. Zie ook: 2 Sam 4:4; 2 Sam 9:6; 1 Kron 8:34–36 **9:41** De zonen van Micha: Piton, Melech en Tachrea. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | מִיכָ֑ה (mikha) = Micha | פִּית֥וֹן (piton) = Piton | וָמֶ֖לֶךְ (vamelekh) = en Melech | וְתַחְרֵֽעַ (vetachrea) = en Tachrea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In 1 Kron. 8:35 heeft Micha vier zonen: Piton, Melech, Tarea en Achaz. Hier staat Achaz niet in vers 41, maar hij begint vers 42. Zie ook: 1 Kron 8:35; 1 Kron 9:42 **9:42** Achaz werd de vader van Jaera. Jaera werd de vader van Alemet, Azmavet en Zimri. Zimri werd de vader van Moza. Brontekst: וְאָחָז֙ (veachaz) = en Achaz | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יַעְרָ֔ה (yara) = Jaera | וְיַעְרָ֗ה (veyara) = en Jaera | הוֹלִ֛יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עָלֶ֥מֶת (alemet) = Alemet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַזְמָ֖וֶת (azmavet) = Azmavet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זִמְרִ֑י (zimri) = Zimri | וְזִמְרִ֖י (vezimri) = en Zimri | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | מוֹצָֽא (motsa) = Moza Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Jaera heet in 1 Kron. 8:36 Jehoadda. Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: 1 Kron 8:36 **9:43** Moza werd de vader van Binea. Diens zoon was Refaja, diens zoon was Elasa, en diens zoon was Asel. Brontekst: וּמוֹצָ֖א (umotsa) = en Moza | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בִּנְעָ֑א (bina) = Binea | וּרְפָיָ֥ה (urefaya) = en Refaja | בְנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | אֶלְעָשָׂ֥ה (elasa) = Elasa | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אָצֵ֥ל (atsel) = Asel | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Refaja heet in 1 Kron. 8:37 Rafa. Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: 1 Kron 8:37 **9:44** Asel had zes zonen. Dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Sjearja, Obadja en Chanan. Dit zijn de zonen van Asel. Brontekst: וּלְאָצֵל֮ (uleatsel) = en voor Asel | שִׁשָּׁ֣ה (shisha) = zes | בָנִים֒ (banim) = zonen | וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמוֹתָ֗ם (shemotam) = hun namen | עַזְרִיקָ֥ם (azriqam) = Azrikam | בֹּ֨כְרוּ֙ (bokheru) = Bochru | וְיִשְׁמָעֵ֣אל (veyishmael) = en Ismaël | וּשְׁעַרְיָ֔ה (ushearya) = en Sjearja | וְעֹבַדְיָ֖ה (veovadya) = en Obadja | וְחָנָ֑ן (vechanan) = en Chanan | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אָצַֽל (atsal) = Asel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De lijst van de zes zonen van Asel is gelijk aan 1 Kron. 8:38. Alleen de afsluiting verschilt. Zie ook: 1 Kron 8:38 ## 1 Kronieken 10 _De dood van Saul_ ### De slag op de Gilboa **10:1** De Filistijnen streden tegen Israël. De mannen van Israël sloegen op de vlucht voor de Filistijnen. Zij vielen gesneuveld op de berg Gilboa. Brontekst: וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en de Filistijnen | נִלְחֲמ֣וּ (nilchamu) = streden | בְיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיָּ֑נָס (vayanas) = en vluchtten | אִֽישׁ (ish) = de man van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en zij vielen | חֲלָלִ֖ים (chalalim) = gesneuveld | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | גִּלְבֹּֽעַ (gilboa) = Gilboa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Gilboa is het bergland ten zuiden van de vlakte van Jizreël (Israël en Westelijke Jordaanoever). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt grotendeels gelijk met 1 Sam. 31. Het sluit het geslachtsregister van Saul uit hoofdstuk 9 af en leidt naar David in hoofdstuk 11. Wij vertalen de tekst van Kronieken zoals hij staat. Zie ook: 1 Sam 28:4; 1 Sam 31:1–13; 2 Sam 1:6; 2 Sam 1:21; 1 Kron 10:8 **10:2** De Filistijnen zetten Saul en zijn zonen hard achterna. Zij sloegen Jonatan, Abinadab en Malkisua, de zonen van Saul. Brontekst: וַיַּדְבְּק֣וּ (vayadbequ) = en zij zetten achterna | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | וְאַחֲרֵ֣י (veacharei) = en achter | בָנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וַיַּכּ֣וּ (vayaku) = en zij sloegen | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | אֶת (et) = (obj.) | יוֹנָתָ֧ן (yonatan) = Jonatan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִינָדָ֛ב (avinadav) = Abinadab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכִּי (malki) = Malki | שׁ֖וּעַ (shua) = sua | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Jonatan heet hier יוֹנָתָן (Yonatan), in 1 Kron. 9:39 יְהוֹנָתָן (Yehonatan). Wij schrijven beide ‘Jonatan’. Isjwi wordt hier niet genoemd, net als in 1 Sam. 31:2. Zie ook: 1 Sam 14:39–40; 1 Sam 14:49; 1 Sam 31:2; 1 Kron 8:33; 1 Kron 9:39; Jes 57:1–2 **10:3** De strijd werd zwaar voor Saul. De schutters met de boog vonden hem. Hij werd gewond door de schutters. Brontekst: וַתִּכְבַּ֤ד (vatikhbad) = en werd zwaar | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de strijd | עַל (al) = tegen | שָׁא֔וּל (shaul) = Saul | וַיִּמְצָאֻ֖הוּ (vayimtsauhu) = en vonden hem | הַמּוֹרִ֣ים (hamorim) = de schutters | בַּקָּ֑שֶׁת (baqashet) = met de boog | וַיָּ֖חֶל (vayachel) = en hij werd gewond | מִן (min) = door | הַיּוֹרִֽים (hayorim) = de schutters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַיָּחֶל (vayyachel) kan van twee werkwoorden komen: ‘hij werd gewond’ of ‘hij beefde’. Wij kiezen ‘hij werd gewond’, zoals bij 1 Sam. 31:3. Hier ontbreekt ‘zeer’ (מְאֹד), dat 1 Sam. 31:3 wel heeft. Hier staat ‘de schutters met de boog’; in 1 Sam. 31:3 staat ‘de schutters, mannen met de boog’. Zie ook: Gen 49:23–24; 1 Sam 31:3–6; 2 Sam 1:4–10; Amos 2:14 **10:4** Saul zei tegen de drager van zijn wapens: „Trek je zwaard en steek mij ermee door. Anders komen deze onbesnedenen en mishandelen mij.” Maar de drager van zijn wapens wilde het niet. Want hij was zeer bang. Toen nam Saul het zwaard en viel erop. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שָׁאוּל֩ (shaul) = Saul | אֶל (el) = tegen | נֹשֵׂ֨א (nose) = de drager van | כֵלָ֜יו (kelav) = zijn wapens | שְׁלֹ֥ף (shelof) = trek | חַרְבְּךָ֣ (charbekha) = je zwaard | וְדָקְרֵ֣נִי (vedaqereni) = en steek mij door | בָ֗הּ (bah) = ermee | פֶּן (pen) = anders | יָבֹ֜אוּ (yavou) = zullen komen | הָעֲרֵלִ֤ים (haarelim) = de onbesnedenen | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | וְהִתְעַלְּלוּ (vehitalelu) = en mishandelen | בִ֔י (bi) = mij | וְלֹ֤א (velo) = en niet | אָבָה֙ (ava) = wilde | נֹשֵׂ֣א (nose) = de drager van | כֵלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | כִּ֥י (ki) = want | יָרֵ֖א (yare) = hij was bang | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֔רֶב (hacherev) = het zwaard | וַיִּפֹּ֖ל (vayipol) = en hij viel | עָלֶֽיהָ (aleiha) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Kronieken heeft ‘steek mij door’ één keer. In 1 Sam. 31:4 staat het werkwoord twee keer. Zie ook: 1 Sam 31:4; 2 Sam 1:20; 2 Sam 17:23; Hand 1:18; Hand 16:27 **10:5** De drager van zijn wapens zag dat Saul dood was. Ook hij viel op het zwaard en stierf. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | נֹשֵֽׂא (nose) = de drager van | כֵלָ֖יו (kelav) = zijn wapens | כִּ֣י (ki) = dat | מֵ֣ת (met) = dood was | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en hij viel | גַּם (gam) = ook | ה֛וּא (hu) = hij | עַל (al) = op | הַחֶ֖רֶב (hacherev) = het zwaard | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:6** Zo stierf Saul, met zijn drie zonen. Heel zijn huis stierf samen. Brontekst: וַיָּ֤מָת (vayamat) = en stierf | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | וּשְׁלֹ֣שֶׁת (usheloshet) = en drie | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | יַחְדָּ֥ו (yachdav) = samen | מֵֽתוּ (metu) = stierven zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn huis’ kan zijn familie zijn, of heel zijn huishouden. Vergelijk 1 Sam. 31:6. Voetnoot Lezing: Hier staat ‘heel zijn huis’ (וְכָל בֵּיתוֹ). In 1 Sam. 31:6 staan ‘de drager van zijn wapens en al zijn mannen’ en ‘op die dag’. Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: 1 Sam 4:10–11; 1 Sam 4:18; 1 Sam 12:25; 1 Sam 31:6; Pred 9:1–2; Hos 13:10–11 **10:7** Alle mannen van Israël die in het dal waren, zagen dat zij gevlucht waren. Zij zagen ook dat Saul en zijn zonen dood waren. Zij verlieten hun steden en vluchtten. De Filistijnen kwamen en gingen daarin wonen. Brontekst: וַ֠יִּרְאוּ (vayiru) = en zagen | כָּל (kal) = heel | אִ֨ישׁ (ish) = de man van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּעֵ֨מֶק֙ (baemeq) = in het dal | כִּ֣י (ki) = dat | נָ֔סוּ (nasu) = zij gevlucht waren | וְכִי (vekhi) = en dat | מֵ֖תוּ (metu) = dood waren | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | וּבָנָ֑יו (uvanav) = en zijn zonen | וַיַּעַזְב֤וּ (vayaazvu) = en zij verlieten | עָרֵיהֶם֙ (areihem) = hun steden | וַיָּנֻ֔סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en woonden | בָּהֶֽם (bahem) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: In 1 Sam. 31:7 staan ook ‘de mannen van Israël aan de overkant van de Jordaan’. Dat ontbreekt hier. Zie ook: Lev 26:36; Deut 28:43; Re 6:2; 1 Sam 13:6; 1 Sam 31:7 ### De Filistijnen ontkleden de gevallenen **10:8** De volgende dag kwamen de Filistijnen om de gesneuvelden uit te kleden. Zij vonden Saul en zijn zonen, gevallen op de berg Gilboa. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | לְפַשֵּׁ֖ט (lefashet) = om uit te kleden | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחֲלָלִ֑ים (hachalalim) = de gesneuvelden | וַֽיִּמְצְא֤וּ (vayimtseu) = en zij vonden | אֶת (et) = (obj.) | שָׁאוּל֙ (shaul) = Saul | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | נֹפְלִ֖ים (nofelim) = gevallen | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | גִּלְבֹּֽעַ (gilboa) = Gilboa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gilboa: De Gilboa is een bergrug aan de zuidoostkant van de vallei van Jizreël. Zie ook: 1 Sam 31:8; 2 Kon 3:23; 2 Kron 20:25 **10:9** Zij kleedden hem uit en namen zijn hoofd en zijn wapens mee. Zij stuurden boden rond in het land van de Filistijnen. Die moesten het goede nieuws brengen aan hun afgoden en aan het volk. Brontekst: וַיַּ֨פְשִׁיטֻ֔הוּ (vayafshituhu) = en zij kleedden hem uit | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en namen | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn wapens | וַיְשַׁלְּח֨וּ (vayshalechu) = en zij stuurden | בְאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | פְלִשְׁתִּ֜ים (pelishtim) = de Filistijnen | סָבִ֗יב (saviv) = rondom | לְבַשֵּׂ֛ר (levaser) = om goed nieuws te brengen | אֶת (et) = (obj.) | עֲצַבֵּיהֶ֖ם (atsabeihem) = hun afgoden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: לְבַשֵּׂר (levasser), ‘goed nieuws brengen’: het is goed nieuws voor de Filistijnen. Het Hebreeuws noemt geen boden; wij vullen ‘boden’ aan, zoals bij 1 Sam. 31:9. Voetnoot : עֲצַבֵּיהֶם (atsabbehem), ‘hun afgoden’: de godenbeelden van de Filistijnen. In 1 Sam. 31:9 staat ‘het huis van hun afgoden’. Zie ook: 1 Sam 31:9–10; 2 Sam 1:20; Dan 5:2–4; Dan 5:23; Mat 14:11 **10:10** Zij legden zijn wapens in het huis van hun god. Zijn schedel bevestigden zij in het huis van Dagon. Brontekst: וַיָּשִׂ֨ימוּ֙ (vayasimu) = en zij legden | אֶת (et) = (obj.) | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun god | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גֻּלְגָּלְתּ֥וֹ (gulgalto) = zijn schedel | תָקְע֖וּ (taqeu) = bevestigden zij | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | דָּגֽוֹן (dagon) = Dagon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵיהֶם (elohehem), ‘hun god’: de vorm is meervoud, maar het gaat hier om de god van de Filistijnen, Dagon. Dagon is ook de god van Asdod (1 Sam. 5:2). Voetnoot Lezing: In 1 Sam. 31:10 leggen zij zijn wapens in het huis van de Astarten en bevestigen zij zijn lichaam aan de muur van Bet-Sean. Kronieken noemt zijn schedel (גֻּלְגָּלְתּוֹ) en het huis van Dagon. Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: 1 Sam 5:2–7; 1 Sam 31:10 ### Jabes in Gilead haalt de lichamen weg **10:11** Heel Jabes in Gilead hoorde alles wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֔וּ (vayishmeu) = en hoorden | כֹּ֖ל (kol) = heel | יָבֵ֣ישׁ (yaveish) = Jabes | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשׂ֥וּ (asu) = hadden gedaan | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | לְשָׁאֽוּל (leshaul) = aan Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Saul had Jabes in Gilead eens gered (1 Sam. 11:1–11). ‘Heel Jabes’ zijn de inwoners. Zie ook: 1 Sam 11:1–11; 1 Sam 31:11–13; 2 Sam 2:4–7 **10:12** Alle dappere mannen stonden op. Zij namen het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen mee en brachten ze naar Jabes. Zij begroeven hun beenderen onder de eik in Jabes. Zij vastten zeven dagen. Brontekst: וַיָּקוּמוּ֮ (vayaqumu) = en zij stonden op | כָּל (kal) = alle | אִ֣ישׁ (ish) = man van | חַיִל֒ (chayil) = kracht | וַיִּשְׂא֞וּ (vayisu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | גּוּפַ֣ת (gufat) = het lichaam van | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | גּוּפֹ֣ת (gufot) = de lichamen van | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | וַיְבִיא֖וּם (vayvium) = en zij brachten hen | יָבֵ֑ישָׁה (yaveisha) = naar Jabes | וַיִּקְבְּר֨וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֶת (et) = (obj.) | עַצְמוֹתֵיהֶ֜ם (atsmoteihem) = hun beenderen | תַּ֤חַת (tachat) = onder | הָאֵלָה֙ (haela) = de eik | בְּיָבֵ֔שׁ (beyavesh) = in Jabes | וַיָּצ֖וּמוּ (vayatsumu) = en zij vastten | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan; de ligging is niet zeker (Jordanië). Voetnoot Lezing: Kronieken noemt het begraven van de beenderen onder ‘de eik’ (הָאֵלָה). In 1 Sam. 31:12–13 verbranden zij de lichamen eerst en begraven zij de beenderen onder ‘de tamarisk’ (הָאֶשֶׁל). Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: Gen 35:8; Gen 50:10; 1 Sam 31:12–13; 2 Sam 3:35; 2 Sam 21:12–14 ### Waarom Saul stierf **10:13** Zo stierf Saul door zijn ontrouw. Hij was ontrouw geweest aan Yahweh, want hij had het woord van Yahweh niet bewaard. Ook had hij een dodengeest om raad gevraagd, om die te raadplegen. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | שָׁא֗וּל (shaul) = Saul | בְּמַֽעֲלוֹ֙ (bemaalo) = om zijn ontrouw | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | מָעַ֣ל (maal) = hij ontrouw was | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = aan Yahweh | עַל (al) = over | דְּבַ֥ר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | שָׁמָ֑ר (shamar) = hij bewaarde | וְגַם (vegam) = en ook | לִשְׁא֥וֹל (lishol) = om te vragen | בָּא֖וֹב (baov) = een dodengeest | לִדְרֽוֹשׁ (lidrosh) = om te raadplegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעַל (ma‘al), ‘ontrouw’: zie Lev. 5:15. Voetnoot : אוֹב (ov), ‘dodengeest’: een geest van doden die men raadpleegt (Lev. 19:31, Deut. 18:11). Zie ook 1 Sam. 28:7. Voetnoot : דָּרַשׁ (darash), ‘raadplegen’. Voetnoot Lezing: Kronieken noemt Sauls ontrouw: hij bewaarde het woord van Yahweh niet (1 Sam. 13:13; 15:11) en hij vroeg een dodengeest om raad. In 1 Sam. 28:6 vraagt Saul Yahweh eerst om raad, maar Yahweh antwoordt niet. Kronieken zegt dat hij Yahweh niet raadpleegde. Wij vertalen beide zoals het staat. Zie ook: Lev 5:15; Lev 19:31; Lev 20:6; Deut 18:11; 1 Sam 13:13; 1 Sam 15:11; 1 Sam 15:23; 1 Sam 28:6; 1 Sam 28:7–20; Jes 8:19 **10:14** Yahweh raadpleegde hij niet. Hij liet hem sterven en wendde Hij het koningschap naar David, de zoon van Isaï. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | דָרַ֥שׁ (darash) = raadpleegde hij | בַּֽיהוָ֖ה (baYahweh) = Yahweh | וַיְמִיתֵ֑הוּ (vaymitehu) = en Hij liet hem sterven | וַיַּסֵּב֙ (vayasev) = en Hij wendde | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּלוּכָ֔ה (hamelukha) = het koningschap | לְדָוִ֖יד (ledavid) = naar David | בֶּן (ben) = zoon van | יִשָֽׁי (yishay) = Isaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְמִיתֵהוּ (vayyemitehu), ‘Hij liet hem sterven’: Yahweh is het onderwerp. Kronieken ziet Sauls dood dus als daad van Yahweh. In 1 Sam. 31 staat dat niet. Voetnoot : וַיַּסֵּב (vayyasev), ‘Hij wendde’: Yahweh draait het koningschap om naar David. Zie ook 1 Sam. 15:28 en 16:13. Zie ook: 1 Sam 13:14; 1 Sam 15:28; 1 Sam 16:1; 1 Sam 16:13; 1 Sam 28:17; 1 Kron 12:24 ## 1 Kronieken 11 _David wordt koning en de helden van David_ ### David wordt koning in Hebron **11:1** Heel Israël verzamelde zich bij David in Hebron. Zij zeiden: „Zie, wij zijn uw bot en uw vlees. Brontekst: וַיִּקָּבְצ֧וּ (vayiqavetsu) = en verzamelden zich | כָֽל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = bij | דָּוִ֖יד (david) = David | חֶבְר֣וֹנָה (chevrona) = naar Hebron | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | עַצְמְךָ֥ (atsmekha) = uw bot | וּֽבְשָׂרְךָ֖ (uvesarekha) = en uw vlees | אֲנָֽחְנוּ (anachenu) = wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron lag in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 5:1–10 (vers 1–9) en 2 Sam. 23:8–39 (vers 10–47). Kronieken begint hier met het koningschap van David over heel Israël. 1 Kron. 10 (de dood van Saul) gaat eraan vooraf. Voetnoot : עַצְמְךָ וּבְשָׂרְךָ (atsmecha uvsarecha), ‘uw bot en uw vlees’: zij zeggen daarmee dat zij tot hetzelfde volk en dezelfde familie horen. Zie 2 Sam. 5:1. Zie ook: Gen 29:14; Deut 17:15; Re 9:2; 2 Sam 5:1–16; 2 Sam 23:8–39; 1 Kron 11:10–47; 1 Kon 2:11 **11:2** Ook gisteren en eergisteren, toen Saul nog koning was, was u het die Israël uitleidde en terugbracht. Yahweh, uw Elohim, heeft tegen u gezegd: ‘Jij zult Mijn volk Israël weiden. Jij zult leider zijn over Mijn volk Israël.’” Brontekst: גַּם (gam) = ook | תְּמ֣וֹל (temol) = gisteren | גַּם (gam) = ook | שִׁלְשׁ֗וֹם (shilshom) = eergisteren | גַּ֚ם (gam) = ook | בִּהְי֣וֹת (bihyot) = toen hij was | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | מֶ֔לֶךְ (melekh) = koning | אַתָּ֛ה (ata) = u | הַמּוֹצִ֥יא (hamotsi) = die uitleidde | וְהַמֵּבִ֖יא (vehamevi) = en terugbracht | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = uw Elohim | לְךָ֗ (lekha) = tot u | אַתָּ֨ה (ata) = u | תִרְעֶ֤ה (tire) = zult weiden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאַתָּה֙ (veata) = en u | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zult zijn | נָגִ֔יד (nagid) = leider | עַ֖ל (al) = over | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk haalt hier woorden van Yahweh aan. Wij zetten ze zwart tussen enkele aanhalingstekens, zoals in 2 Sam. 5:2. Er staat geen aparte toespraak van Yahweh bij. Voetnoot Lezing: Kronieken heeft ‘Yahweh, uw Elohim’ en ‘Mijn volk Israël’ (twee keer). 2 Sam. 5:2 heeft alleen ‘Yahweh’ en in de tweede zin ‘over Israël’. Wij vertalen de Kronieken-tekst zoals hij staat. Zie ook: 1 Sam 18:13; 2 Sam 5:2; 2 Sam 7:7; Ps 78:71; Joh 10:4 **11:3** Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron. David sloot met hen een verbond in Hebron, voor het aangezicht van Yahweh. Zij zalfden David tot koning over Israël, volgens het woord van Yahweh door Samuël. Brontekst: וַ֠יָּבֹאוּ (vayavou) = en kwamen | כָּל (kal) = alle | זִקְנֵ֨י (ziqnei) = oudsten van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | חֶבְר֔וֹנָה (chevrona) = naar Hebron | וַיִּכְרֹת֩ (vayikhrot) = en sloot | לָהֶ֨ם (lahem) = met hen | דָּוִ֥יד (david) = David | בְּרִ֛ית (berit) = een verbond | בְּחֶבְר֖וֹן (bechevron) = in Hebron | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּמְשְׁח֨וּ (vayimshechu) = en zalfden | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֤יד (david) = David | לְמֶ֨לֶךְ֙ (lemelekh) = tot koning | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | שְׁמוּאֵֽל (shemuel) = Samuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: ‘Volgens het woord van Yahweh door Samuël’ verwijst naar de zalving van David door Samuël (1 Sam. 16:1–13). Deze slotwoorden staan niet in 2 Sam. 5:3. Zie ook: 1 Sam 16:1; 1 Sam 16:3; 1 Sam 16:12–13; 2 Sam 2:4; 2 Sam 5:3 ### De verovering van Jeruzalem **11:4** David en heel Israël trokken naar Jeruzalem. Dat is Jebus. Daar woonden de Jebusieten, de bewoners van het land. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | דָּוִ֧יד (david) = David | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | הִ֣יא (hi) = zij | יְב֑וּס (yevus) = Jebus | וְשָׁם֙ (vesham) = en daar | הַיְבוּסִ֔י (hayvusi) = de Jebusiet | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jebus is de oudere naam van Jeruzalem (Richt. 19:10). Jeruzalem ligt op de bergrug in het bergland van Juda/Benjamin (Israël). Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: 2 Sam. 5:6 noemt de naam Jebus niet. Zie ook: Gen 15:21; Joz 15:8; Joz 15:63; Re 1:21; Re 19:10; 2 Sam 5:6; 1 Kron 11:5 **11:5** De bewoners van Jebus zeiden tegen David: „Je komt hier niet binnen.” Maar David veroverde de burcht Sion. Dat is de stad van David. Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | יֹשְׁבֵ֤י (yoshevei) = bewoners van | יְבוּס֙ (yevus) = Jebus | לְדָוִ֔יד (ledavid) = tegen David | לֹ֥א (lo) = niet | תָב֖וֹא (tavo) = je komt binnen | הֵ֑נָּה (hena) = hier | וַיִּלְכֹּ֤ד (vayilkod) = en veroverde | דָּוִיד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | מְצֻדַ֣ת (metsudat) = de burcht van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | הִ֖יא (hi) = zij | עִ֥יר (ir) = stad van | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De burcht Sion is de bergrug in het zuidoosten van het oude Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Uitleg: Dit vers laat de zin ‘de blinden en de lammen zullen je verwijderen’ uit 2 Sam. 5:6 weg. Zie ook: 1 Sam 17:26; 2 Sam 5:6; 2 Sam 6:12; Ps 87:5; Ps 125:1–2; Ps 132:13 **11:6** David zei: „Wie als eerste een Jebusiet slaat, wordt hoofd en bevelhebber.” Joab, de zoon van Zeruja, ging als eerste omhoog. Zo werd hij hoofd. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֔יד (david) = David | כָּל (kal) = ieder | מַכֵּ֤ה (make) = die slaat | יְבוּסִי֙ (yevusi) = Jebusiet | בָּרִ֣אשׁוֹנָ֔ה (barishona) = als eerste | יִהְיֶ֥ה (yihye) = hij zal zijn | לְרֹ֖אשׁ (lerosh) = tot hoofd | וּלְשָׂ֑ר (ulesar) = en tot bevelhebber | וַיַּ֧עַל (vayaal) = en ging omhoog | בָּרִאשׁוֹנָ֛ה (barishona) = als eerste | יוֹאָ֥ב (yoav) = Joab | בֶּן (ben) = zoon van | צְרוּיָ֖ה (tseruya) = Zeruja | וַיְהִ֥י (vayhi) = en werd | לְרֹֽאשׁ (lerosh) = tot hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat niet in 2 Sam. 5. Daar spreekt David over de waterschacht (2 Sam. 5:8). In Kronieken wordt Joab beloond met het hoogste gezag over het leger. Voetnoot : רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’ en שָׂר (sar), ‘bevelhebber’: Joab wordt zo de aanvoerder van Davids leger (vergelijk 1 Kron. 11:20). Zie ook: Joz 15:16–17; 2 Sam 2:18; 2 Sam 3:27; 2 Sam 5:8; 2 Sam 8:16; 2 Sam 20:23; 1 Kron 11:20 **11:7** David ging in de burcht wonen. Daarom noemden zij die de stad van David. Brontekst: וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en woonde | דָּוִ֖יד (david) = David | בַּמְצָ֑ד (bamtsad) = in de burcht | עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = zo | קָרְאוּ (qareu) = noemden zij | ל֖וֹ (lo) = haar | עִ֥יר (ir) = stad van | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Sam 5:7; 1 Kron 11:5; Ps 2:6 **11:8** Hij bouwde de stad rondom, vanaf de Millo tot aan de omtrek. Joab herstelde de rest van de stad. Brontekst: וַיִּ֤בֶן (vayiven) = en bouwde | הָעִיר֙ (hair) = de stad | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = rondom | מִן (min) = vanaf | הַמִּלּ֖וֹא (hamilo) = de Millo | וְעַד (vead) = en tot | הַסָּבִ֑יב (hasaviv) = de omtrek | וְיוֹאָ֕ב (veyoav) = en Joab | יְחַיֶּ֖ה (yechaye) = liet leven | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאָ֥ר (shear) = rest van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Millo was een opvulling of terras aan de noordkant van de burcht Sion, in Jeruzalem. De precieze plek is onzeker. Voetnoot Lezing: יְחַיֶּה (yechayyeh), letterlijk ‘liet leven’: wij vertalen ‘herstelde’, zoals men een stad weer laat leven. 2 Sam. 5:9 zegt alleen dat David bouwde vanaf de Millo naar binnen. Zie ook: Re 9:6; Re 9:20; 2 Sam 5:9; 1 Kon 11:27; 2 Kon 12:21; Neh 3:34 **11:9** David werd steeds groter. Yahweh van de legermachten was met hem. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | דָּוִ֖יד (david) = David | הָל֣וֹךְ (halokh) = gaande | וְגָד֑וֹל (vegadol) = en groot wordend | וַיהוָ֥ה (vaYahweh) = en Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Yahweh van de legermachten’ (letterlijk ‘Yahweh van de legermachten’) is een vaste naam. Wij laten hem onvertaald. Zie 2 Sam. 5:10. Zie ook: 2 Sam 3:1; 2 Sam 5:10; Jes 41:10; Jes 41:14; Rom 8:31 ### De helden van David **11:10** Dit zijn de hoofden van de helden van David. Zij maakten zich met hem sterk in zijn koningschap. Samen met heel Israël maakten zij hem koning, volgens het woord van Yahweh over Israël. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dit | רָאשֵׁ֤י (rashei) = hoofden van | הַגִּבּוֹרִים֙ (hagiborim) = de helden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְדָוִ֔יד (ledavid) = van David | הַמִּתְחַזְּקִ֨ים (hamitchazeqim) = die zich sterk maakten | עִמּ֧וֹ (imo) = met hem | בְמַלְכוּת֛וֹ (bemalkhuto) = in zijn koningschap | עִם (im) = met | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְהַמְלִיכ֑וֹ (lehamlikho) = om hem koning te maken | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier loopt de lijst van de helden van David, parallel met 2 Sam. 23:8–39. Kronieken heeft meer namen dan Samuël, en sommige namen zijn anders gespeld. Voetnoot : לְהַמְלִיכוֹ (lehamlicho), ‘om hem koning te maken’: zij hielpen hem koning te worden. ‘Volgens het woord van Yahweh’ verwijst naar vers 3. Zie ook: 1 Sam 16:1; 2 Sam 3:17–18; 2 Sam 23:8–39; 1 Kron 11:3; 1 Kron 12:39 **11:11** Dit is het aantal van de helden van David: Jasjobam, de zoon van Chakmoni, het hoofd van de Drie. Hij zwaaide zijn speer over 300 gesneuvelden, in één keer. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | מִסְפַּ֥ר (mispar) = aantal van | הַגִּבֹּרִ֖ים (hagiborim) = de helden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְדָוִ֑יד (ledavid) = van David | יָשָׁבְעָ֣ם (yashaveam) = Jasjobam | בֶּן (ben) = zoon van | חַכְמוֹנִ֗י (chakhmoni) = Chakmoni | רֹ֚אשׁ (rosh) = hoofd van | הַשָּׁ֣לִישִׁ֔ים (hashalishim) = de Drie | הֽוּא (hu) = hij | עוֹרֵ֧ר (orer) = zwaaide | אֶת (et) = (obj.) | חֲנִית֛וֹ (chanito) = zijn speer | עַל (al) = over | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | חָלָ֖ל (chalal) = gesneuvelde | בְּפַ֥עַם (befaam) = in keer | אֶחָֽת (echat) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָשָׁבְעָם (Jasjobam) heet in 2 Sam. 23:8 ‘Josheb-Basjebet’. Wij houden de Kronieken-vorm en noemen de parallel. Voetnoot : Het getal verschilt: Kronieken heeft 300 gesneuvelden, 2 Sam. 23:8 heeft 800. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘het hoofd van de dertig’ (השלושים); het qere heeft ‘het hoofd van de Drie’ (השלישים). Wij volgen het qere. Zie ook: 2 Sam 23:8; 1 Kron 12:19; 1 Kron 27:2 **11:12** Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo, de Achochiet. Hij was een van de drie helden. Brontekst: וְאַחֲרָ֛יו (veacharav) = en na hem | אֶלְעָזָ֥ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | דּוֹד֖וֹ (dodo) = Dodo | הָאֲחוֹחִ֑י (haachochi) = de Achochiet | ה֖וּא (hu) = hij | בִּשְׁלוֹשָׁ֥ה (bishlosha) = onder de drie | הַגִּבֹּרִֽים (hagiborim) = de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Achochiet komt van Achoach (1 Kron. 8:4). Zie 2 Sam. 23:9. Kronieken noemt Samma, de zoon van Age (2 Sam. 23:11–12), niet. Zie ook: 2 Sam 23:9; 2 Sam 23:11–12; 2 Sam 23:17–19; 2 Sam 23:23; 1 Kron 8:4; 1 Kron 11:19; 1 Kron 11:21; 1 Kron 27:4 **11:13** Hij was bij David in Pas-Dammim. De Filistijnen hadden zich daar verzameld voor de oorlog. Daar lag een stuk akker vol gerst. Het volk vluchtte voor de Filistijnen. Brontekst: הֽוּא (hu) = hij | הָיָ֨ה (haya) = was | עִם (im) = met | דָּוִ֜יד (david) = David | בַּפַּ֣ס (bapas) = in Pas | דַּמִּ֗ים (damim) = Dammim | וְהַפְּלִשְׁתִּים֙ (vehapelishtim) = en de Filistijnen | נֶאֱסְפוּ (neesfu) = hadden zich verzameld | שָׁ֣ם (sham) = daar | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = voor de oorlog | וַתְּהִ֛י (vatehi) = en was | חֶלְקַ֥ת (chelqat) = stuk van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | מְלֵאָ֣ה (melea) = vol | שְׂעוֹרִ֑ים (seorim) = gerst | וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | נָ֖סוּ (nasu) = vluchtte | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | פְלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Pas-Dammim is dezelfde plaats als Efes-Dammim in 1 Sam. 17:1, tussen Soko en Azeka in het Judese heuvelland (Israël). De precieze ligging is onzeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: Kronieken noemt hier een stuk akker met gerst (שְׂעוֹרִים). In 2 Sam. 23:11 staat een stuk akker met linzen, bij Samma. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Sam 17:1; 2 Sam 23:11–12 **11:14** Zij namen hun plaats midden op dat stuk akker in en redden het. Zij sloegen de Filistijnen. Yahweh redde hen met een grote redding. Brontekst: וַיִּֽתְיַצְּב֤וּ (vayityatsevu) = en namen positie in | בְתוֹךְ (betokh) = midden in | הַחֶלְקָה֙ (hachelqa) = het stuk | וַיַּצִּיל֔וּהָ (vayatsiluha) = en redden het | וַיַּכּ֖וּ (vayaku) = en sloegen | אֶת (et) = (obj.) | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיּ֥וֹשַׁע (vayosha) = en redde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תְּשׁוּעָ֥ה (teshua) = redding | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord staat in het meervoud (‘zij namen hun plaats in’). In 2 Sam. 23:12 staat het in het enkelvoud, bij Samma. Zie ook: 1 Sam 19:5; 2 Sam 23:12; Ps 18:51; Ps 144:10; Spr 21:31; 2 Kon 5:1 ### Het water uit de put van Betlehem **11:15** Drie van de dertig hoofdmannen gingen naar beneden, naar de rots, naar David, naar de grot van Adullam. Het kamp van de Filistijnen lag in het dal van de Refaïeten. Brontekst: וַיֵּרְד֡וּ (vayeredu) = en gingen af | שְֽׁלוֹשָׁה֩ (shelosha) = drie | מִן (min) = van | הַשְּׁלוֹשִׁ֨ים (hasheloshim) = de dertig | רֹ֤אשׁ (rosh) = hoofdman | עַל (al) = naar | הַצֻּר֙ (hatsur) = de rots | אֶל (el) = naar | דָּוִ֔יד (david) = David | אֶל (el) = naar | מְעָרַ֖ת (mearat) = de grot van | עֲדֻלָּ֑ם (adulam) = Adullam | וּמַחֲנֵ֣ה (umachane) = en het kamp van | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | חֹנָ֖ה (chona) = lag gelegerd | בְּעֵ֥מֶק (beemeq) = in het dal van | רְפָאִֽים (refaim) = de Refaïeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Adullam ligt in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel esh-Sheikh Madhkur (Israël). Dat is waarschijnlijk. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot : Het dal van de Refaïeten ligt ten zuidwesten van Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Lezing: Kronieken heeft ‘naar de rots’ (עַל הַצֻּר). 2 Sam. 23:13 heeft ‘in de oogsttijd’ (אֶל קָצִיר). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Sam 5:18; 2 Sam 5:22; 2 Sam 23:13; 1 Kron 14:9; Jes 17:5; Mi 1:15 **11:16** David was toen in de burcht. Een garnizoen van de Filistijnen was toen in Betlehem. Brontekst: וְדָוִ֖יד (vedavid) = en David | אָ֣ז (az) = toen | בַּמְּצוּדָ֑ה (bametsuda) = in de burcht | וּנְצִ֣יב (unetsiv) = en een garnizoen van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | אָ֖ז (az) = toen | בְּבֵ֥ית (beveit) = in Bet | לָֽחֶם (lachem) = Lechem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: נְצִיב (netsiv), ‘garnizoen’: het woord kan ook een bevelhebber van een bezettingsmacht betekenen. 2 Sam. 23:14 heeft een ander woord (מַצַּב, matsav). Zie ook: 1 Sam 10:5; 1 Sam 13:4; 1 Sam 13:23; 1 Sam 22:1; 2 Sam 23:14; Ps 142:2 **11:17** David verlangde en zei: „Wie geeft mij water te drinken uit de put van Betlehem, die bij de poort is?” Brontekst: וַיִּתְאָ֥יו (vayitav) = en verlangde | דָּוִ֖יד (david) = David | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | מִ֚י (mi) = wie | יַשְׁקֵ֣נִי (yashqeni) = geeft mij te drinken | מַ֔יִם (mayim) = water | מִבּ֥וֹר (mibor) = uit de put van | בֵּֽית (beit) = Bet | לֶ֖חֶם (lechem) = Lechem | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בַּשָּֽׁעַר (bashaar) = bij de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Dit verhaal loopt parallel met 2 Sam. 23:15–17. Zie ook: 2 Sam 23:15–16; Ps 63:2; Jes 12:3; Joh 4:10; Joh 4:14 **11:18** De drie braken door het kamp van de Filistijnen heen. Zij putten water uit de put van Betlehem, die bij de poort is. Zij namen het mee en brachten het naar David. Maar David wilde het niet drinken. Hij goot het uit als plengoffer voor Yahweh. Brontekst: וַיִּבְקְע֨וּ (vayivqeu) = en braken door | הַשְּׁלֹשָׁ֜ה (hashelosha) = de drie | בְּמַחֲנֵ֣ה (bemachane) = het kamp van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיִּֽשְׁאֲבוּ (vayishavu) = en putten | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | מִבּ֤וֹר (mibor) = uit de put van | בֵּֽית (beit) = Bet | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = Lechem | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּשַּׁ֔עַר (bashaar) = bij de poort | וַיִּשְׂא֖וּ (vayisu) = en droegen | וַיָּבִ֣אוּ (vayaviu) = en brachten | אֶל (el) = naar | דָּוִ֑יד (david) = David | וְלֹֽא (velo) = en niet | אָבָ֤ה (ava) = wilde | דָוִיד֙ (david) = David | לִשְׁתּוֹתָ֔ם (lishtotam) = het te drinken | וַיְנַסֵּ֥ךְ (vaynasekh) = en goot als plengoffer uit | אֹתָ֖ם (otam) = het | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: וַיְנַסֵּךְ (wayenasek), ‘goot uit als plengoffer’: het water was voor David te kostbaar om zelf te drinken. Hij gaf het aan Yahweh. Zie Num. 28:7. Zie ook: Num 28:7; 1 Sam 7:6; Hoogl 8:6; Hand 20:24; Hand 21:13; 2 Kor 5:14–15 **11:19** Hij zei: „Het is ondenkbaar voor mij, voor mijn Elohim, dit te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken, ten koste van hun leven? Want ten koste van hun leven hebben zij het gebracht.” Hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden. Brontekst: וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en zei | חָלִילָה֩ (chalila) = ondenkbaar | לִּ֨י (li) = voor mij | מֵאֱלֹהַ֜י (meelohay) = van mijn Elohim | מֵעֲשׂ֣וֹת (measot) = om te doen | זֹ֗את (zot) = dit | הֲדַ֣ם (hadam) = het bloed van | הָאֲנָשִׁים֩ (haanashim) = de mannen | הָאֵ֨לֶּה (haele) = deze | אֶשְׁתֶּ֤ה (eshte) = zal ik drinken | בְנַפְשׁוֹתָם֙ (benafshotam) = met hun levens | כִּ֣י (ki) = want | בְנַפְשׁוֹתָ֣ם (benafshotam) = met hun levens | הֱבִיא֔וּם (hevium) = brachten zij het | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָבָ֖ה (ava) = wilde hij | לִשְׁתּוֹתָ֑ם (lishtotam) = het te drinken | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | עָשׂ֔וּ (asu) = deden | שְׁלֹ֖שֶׁת (sheloshet) = drie | הַגִּבּוֹרִֽים (hagiborim) = de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאֱלֹהַי (me’elohai), ‘voor mijn Elohim’: David zegt dat hij zo iets niet kan doen met het oog op zijn Elohim. 2 Sam. 23:17 heeft hier ‘Yahweh’. Voetnoot : בְנַפְשׁוֹתָם (venafshotam), ‘ten koste van hun leven’: letterlijk ‘met hun levens’. Wij vertalen zo dat het bij de bedoeling past: de mannen hadden hun leven gewaagd. Zie ook: Job 31:31; 2 Sam 23:17; Ps 72:14; 1 Kon 21:3; Joh 6:55 ### Abisai en Benaja **11:20** Abisai, de broer van Joab, was het hoofd van de Drie. Hij zwaaide zijn speer over 300 gesneuvelden. Hij had een naam onder de Drie. Brontekst: וְאַבְשַׁ֣י (veavshay) = en Abisai | אֲחִֽי (achi) = broer van | יוֹאָ֗ב (yoav) = Joab | ה֤וּא (hu) = hij | הָיָה֙ (haya) = was | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | הַשְּׁלוֹשָׁ֔ה (hashelosha) = de Drie | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | עוֹרֵ֣ר (orer) = zwaaide | אֶת (et) = (obj.) | חֲנִית֔וֹ (chanito) = zijn speer | עַל (al) = over | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חָלָ֑ל (chalal) = gesneuvelde | וְלוֹ (velo) = en voor hem | שֵׁ֖ם (shem) = naam | בַּשְּׁלוֹשָֽׁה (bashelosha) = onder de Drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abisai staat ook in 2 Sam. 23:18–19. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘en niet’ (וְלֹא); het qere heeft ‘en voor hem’ (וְלוֹ). Wij volgen het qere: ‘hij had een naam’. Zie ook: 1 Sam 26:6; 2 Sam 18:2; 2 Sam 20:6; 2 Sam 21:17; 2 Sam 23:18–39 **11:21** Hij werd meer geëerd dan twee van de Drie. Hij werd hun bevelhebber. Maar tot de Drie kwam hij niet. Brontekst: מִן (min) = uit | הַשְּׁלוֹשָׁ֤ה (hashelosha) = de Drie | בַשְּׁנַ֨יִם֙ (bashenayim) = bij de twee | נִכְבָּ֔ד (nikhbad) = geëerd | וַיְהִ֥י (vayhi) = en werd | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְשָׂ֑ר (lesar) = tot bevelhebber | וְעַד (vead) = en tot | הַשְּׁלוֹשָׁ֖ה (hashelosha) = de Drie | לֹֽא (lo) = niet | בָֽא (ba) = kwam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is hier moeilijk: מִן הַשְּׁלוֹשָׁה בַּשְּׁנַיִם נִכְבָּד (min hashloshah bashnayim nikbad), letterlijk ‘uit de Drie, bij de twee, geëerd’. 2 Sam. 23:19 heeft ‘de meest geëerde van de Drie’. Wij vertalen ‘meer geëerd dan twee van de Drie’. Dat is onzeker. Voetnoot : ‘De Drie’ in dit vers zijn de eerste Drie (vers 11–14). Abisai kwam daar niet bij. Zie ook: 2 Sam 23:19; 1 Kron 11:11–14; Mat 13:8; 1 Kor 15:41 **11:22** Benaja, de zoon van Jojada, was de zoon van een krijger, rijk aan daden, uit Kabseël. Hij versloeg de twee Ariëls van Moab. Ook ging hij naar beneden en versloeg de leeuw midden in de put, op een dag met sneeuw. Brontekst: בְּנָיָ֨ה (benaya) = Benaja | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹיָדָ֧ע (yehoyada) = Jojada | בֶּן (ben) = zoon van | אִֽישׁ (ish) = man van | חַ֛יִל (chayil) = kracht | רַב (rav) = veel | פְּעָלִ֖ים (pealim) = daden | מִֽן (min) = uit | קַבְצְאֵ֑ל (qavtseel) = Kabseël | ה֣וּא (hu) = hij | הִכָּ֗ה (hika) = sloeg | אֵ֣ת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | אֲרִיאֵל֙ (ariel) = Ariël | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְ֠הוּא (vehu) = en hij | יָרַ֞ד (yarad) = ging af | וְהִכָּ֧ה (vehika) = en sloeg | אֶֽת (et) = (obj.) | הָאֲרִ֛י (haari) = de leeuw | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | הַבּ֖וֹר (habor) = de put | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הַשָּֽׁלֶג (hashaleg) = de sneeuw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kabseël lag in het zuiden van Juda (Joz. 15:21). De precieze ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: אֲרִיאֵל (Ariël): de betekenis is onzeker. Het kan ‘leeuw van Elohim’ of ‘haard van Elohim’ zijn, of een titel van twee sterke mannen uit Moab. Zie 2 Sam. 23:20. Zie ook: Joz 15:21; 2 Sam 8:18; 2 Sam 23:20–23; 1 Kron 12:9; 1 Kon 1:8 **11:23** Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van 5 el lang. De Egyptenaar had een speer in zijn hand, zo dik als een weversbalk. Benaja ging met een staf naar hem toe. Hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer. Brontekst: וְהֽוּא (vehu) = en hij | הִכָּה֩ (hika) = sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֨ישׁ (haish) = de man | הַמִּצְרִ֜י (hamitsri) = Egyptische | אִ֥ישׁ (ish) = man van | מִדָּ֣ה (mida) = maat | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | בָּאַמָּ֗ה (baama) = in de el | וּבְיַ֨ד (uveyad) = en in de hand van | הַמִּצְרִ֤י (hamitsri) = de Egyptenaar | חֲנִית֙ (chanit) = speer | כִּמְנ֣וֹר (kimnor) = als een weversbalk | אֹרְגִ֔ים (oregim) = van wevers | וַיֵּ֥רֶד (vayered) = en ging af | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | בַּשָּׁ֑בֶט (bashavet) = met een staf | וַיִּגְזֹ֤ל (vayigzol) = en rukte weg | אֶֽת (et) = (obj.) | הַחֲנִית֙ (hachanit) = de speer | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | הַמִּצְרִ֔י (hamitsri) = de Egyptenaar | וַיַּהַרְגֵ֖הוּ (vayahargehu) = en doodde hem | בַּחֲנִיתֽוֹ (bachanito) = met zijn speer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 cm. Een man van 5 el is dus ongeveer 2,25 meter lang. 2 Sam. 23:21 zegt ‘een man van indrukwekkende gestalte’. Voetnoot : מְנוֹר אֹרְגִים (menor orgim), ‘weversbalk’: de dikke balk van een weefgetouw. Hetzelfde beeld staat bij de speer van Goliat (1 Sam. 17:7). Zie ook: Deut 3:11; 1 Sam 17:4; 1 Sam 17:7; 1 Sam 17:51; 2 Sam 23:21; 1 Kron 20:5 **11:24** Dit deed Benaja, de zoon van Jojada. Hij had een naam onder de drie helden. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | עָשָׂ֔ה (asa) = deed | בְּנָיָ֖הוּ (benayahu) = Benaja | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹיָדָ֑ע (yehoyada) = Jojada | וְלוֹ (velo) = en voor hem | שֵׁ֖ם (shem) = naam | בִּשְׁלוֹשָׁ֥ה (bishlosha) = onder de drie | הַגִּבֹּרִֽים (hagiborim) = de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:25** Zie, hij was meer geëerd dan de dertig. Maar tot de Drie kwam hij niet. David stelde hem aan over zijn lijfwacht. Brontekst: מִן (min) = uit | הַשְּׁלוֹשִׁ֗ים (hasheloshim) = de dertig | הִנּ֤וֹ (hino) = zie | נִכְבָּד֙ (nikhbad) = geëerd | ה֔וּא (hu) = hij | וְאֶל (veel) = en tot | הַשְּׁלוֹשָׁ֖ה (hashelosha) = de Drie | לֹא (lo) = niet | בָ֑א (ba) = kwam | וַיְשִׂימֵ֥הוּ (vaysimehu) = en stelde hem aan | דָוִ֖יד (david) = David | עַל (al) = over | מִשְׁמַעְתּֽוֹ (mishmato) = zijn lijfwacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמַעְתּוֹ (mishma’to), ‘zijn lijfwacht’: het woord komt ook voor in 1 Sam. 22:14 en 2 Sam. 23:23. De betekenis is niet zeker. Voetnoot Lezing: הִנּוֹ (hinno): een vorm van הִנֵּה (hinneh), ‘zie’. Wij vertalen ‘zie’. 2 Sam. 23:23 heeft hier geen ‘zie’. Zie ook: 1 Sam 22:14; 2 Sam 20:23; 2 Sam 23:23 ### De andere helden van het leger **11:26** De helden van de krijgsmacht waren: Asaël, de broer van Joab, Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem, Brontekst: וְגִבּוֹרֵ֖י (vegiborei) = en helden van | הַחֲיָלִ֑ים (hachayalim) = de krijgsmacht | עֲשָׂה (asa) = Asa | אֵל֙ (el) = El | אֲחִ֣י (achi) = broer van | יוֹאָ֔ב (yoav) = Joab | אֶלְחָנָ֥ן (elchanan) = Elchanan | בֶּן (ben) = zoon van | דּוֹד֖וֹ (dodo) = Dodo | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit Bet | לָֽחֶם (lachem) = Lechem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier loopt de lijst parallel met 2 Sam. 23:24–39. Kronieken noemt ze ‘de helden van de krijgsmacht’; Samuël noemt ze ‘de dertig’. Veel namen zijn anders gespeld of anders. Wij houden de Kronieken-vorm en noemen bij elk vers de verschillen. Voetnoot : Asaël werd gedood door Abner (2 Sam. 2:18–23). Zijn naam staat hier toch vooraan, zoals in 2 Sam. 23:24. Zie ook: 2 Sam 2:18–23; 2 Sam 3:30; 2 Sam 21:19; 2 Sam 23:24; 1 Kron 27:7 **11:27** Sjammot de Harorit, Chelets de Peloniet, Brontekst: שַׁמּוֹת֙ (shamot) = Sjammot | הַהֲרוֹרִ֔י (haharori) = de Harorit | חֶ֖לֶץ (chelets) = Chelets | הַפְּלוֹנִֽי (hapeloni) = de Peloniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjammot de Harorit heet in 2 Sam. 23:25 ‘Samma de Harodiet’. Chelets de Peloniet heet in 2 Sam. 23:26 ‘Chelets de Paltiet’. Wij houden de Kronieken-vorm. Zie ook: 2 Sam 23:25–26; 2 Sam 23:26 **11:28** Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa, Abiëzer uit Anatot, Brontekst: עִירָ֤א (ira) = Ira | בֶן (ben) = zoon van | עִקֵּשׁ֙ (iqesh) = Ikkes | הַתְּקוֹעִ֔י (hateqoi) = de man uit Tekoa | אֲבִיעֶ֖זֶר (aviezer) = Abiëzer | הָעֲנְּתוֹתִֽי (haanetoti) = de man uit Anatot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tekoa ligt ongeveer 10 km ten zuiden van Betlehem (Khirbet Tuqu, Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot : Anatot ligt ten noordoosten van Jeruzalem (Anata, Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Uitleg: Zie 2 Sam. 23:26–27. Zie ook: 2 Sam 23:26–27; 2 Sam 23:27; 1 Kron 27:9; 1 Kron 27:12 **11:29** Sibbechai de Chusatiet, Ilai de Achochiet, Brontekst: סִבְּכַי֙ (sibekhay) = Sibbechai | הַחֻ֣שָׁתִ֔י (hachushati) = de Chusatiet | עִילַ֖י (ilay) = Ilai | הָאֲחוֹחִֽי (haachochi) = de Achochiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sibbechai de Chusatiet staat in 2 Sam. 21:18 en 2 Sam. 23:27 (daar ‘Mebunnai’). Ilai de Achochiet staat op de plaats van ‘Zalmon de Achochiet’ in 2 Sam. 23:28. Zie ook: 2 Sam 21:18; 2 Sam 23:27–28; 2 Sam 23:28; 1 Kron 27:11 **11:30** Maharai uit Netofa, Cheled, de zoon van Baäna, uit Netofa, Brontekst: מַהְרַי֙ (mahray) = Maharai | הַנְּטֹ֣פָתִ֔י (hanetofati) = de Netofatiet | חֵ֥לֶד (cheled) = Cheled | בֶּֽן (ben) = zoon van | בַּֽעֲנָ֖ה (baana) = Baäna | הַנְּטוֹפָתִֽי (hanetofati) = de Netofatiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Netofa lag in het bergland bij Betlehem. De precieze ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: Cheled heet in 2 Sam. 23:29 ‘Cheleb’. Zie ook Maharai in 2 Sam. 23:28. Zie ook: 2 Sam 23:28; 2 Sam 23:29; 1 Kron 27:13; 1 Kron 27:15 **11:31** Ittai, de zoon van Ribai, uit Gibea van de zonen van Benjamin, Benaja uit Piraton, Brontekst: אִיתַ֣י (itay) = Ittai | בֶּן (ben) = zoon van | רִיבַ֗י (rivay) = Ribai | מִגִּבְעַת֙ (migivat) = uit Gibea | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | בְּנָיָ֖ה (benaya) = Benaja | הַפִּרְעָתֹנִֽי (hapiratoni) = de Piratoniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea van Benjamin is waarschijnlijk Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Piraton lag in het bergland van Efraïm (Richt. 12:15). Zie ook: Re 12:15; 2 Sam 23:29 **11:32** Churai uit de beekdalen van Gaäs, Abiël de Arbatiet, Brontekst: חוּרַי֙ (churay) = Churai | מִנַּ֣חֲלֵי (minachalei) = uit de beekdalen van | גָ֔עַשׁ (gaash) = Gaäs | אֲבִיאֵ֖ל (aviel) = Abiël | הָעַרְבָתִֽי (haarvati) = de Arbatiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beekdalen van Gaäs liggen in het bergland van Efraïm (Joz. 24:30). De ligging is onzeker. Zie Beekdalen van Gaäs (ligging onzeker): De berg en de beekdalen van Gaäs lagen in het bergland van Efraïm, bij Timnat-Serach. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Churai heet in 2 Sam. 23:30 ‘Hiddai’. Abiël de Arbatiet heet in 2 Sam. 23:31 ‘Abi-Albon de Arbatiet’. Zie ook: Joz 24:30; 2 Sam 23:30–31; 2 Sam 23:31 **11:33** Azmavet de Bacharumiet, Eljachba de Saälboniet, Brontekst: עַזְמָ֨וֶת֙ (azmavet) = Azmavet | הַבַּ֣חֲרוּמִ֔י (habacharumi) = de Bacharumiet | אֶלְיַחְבָּ֖א (elyachba) = Eljachba | הַשַּׁעַלְבֹנִֽי (hashaalvoni) = de Saälboniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Bacharumiet staat in 2 Sam. 23:31 als ‘de Barchumiet’. Wij houden de Kronieken-spelling. Eljachba de Saälboniet staat ook in 2 Sam. 23:32. Zie ook: 2 Sam 23:31; 2 Sam 23:32 **11:34** de zonen van Hasjem de Gizoniet, Jonatan, de zoon van Sjage, de Harariet, Brontekst: בְּנֵ֗י (benei) = de zonen van | הָשֵׁם֙ (hashem) = Hasjem | הַגִּ֣זוֹנִ֔י (hagizoni) = de Gizoniet | יוֹנָתָ֥ן (yonatan) = Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁגֵ֖ה (shage) = Sjage | הַהֲרָרִֽי (haharari) = de Harariet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הָשֵׁם (bene hashem), ‘de zonen van Hasjem’. In 2 Sam. 23:32 staat ‘de zonen van Jasjen’. Of Hasjem en Jasjen dezelfde naam zijn, is onzeker. Wij houden de Kronieken-vorm. Voetnoot : Jonatan, de zoon van Sjage, de Harariet, staat in 2 Sam. 23:33 als ‘Samma de Harariet’. Ook hier is de verhouding tussen de namen onzeker. Zie ook: 2 Sam 23:32–33; 2 Sam 23:33 **11:35** Achiam, de zoon van Sachar, de Harariet, Elifal, de zoon van Ur, Brontekst: אֲחִיאָ֧ם (achiam) = Achiam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׂכָ֛ר (sakhar) = Sachar | הַהֲרָרִ֖י (haharari) = de Harariet | אֱלִיפַ֥ל (elifal) = Elifal | בֶּן (ben) = zoon van | אֽוּר (ur) = Ur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Achiam heet in 2 Sam. 23:33 ‘Achiam, de zoon van Sjarar’. Elifal, de zoon van Ur, staat op de plaats van ‘Elifelet, de zoon van Achasbai’ in 2 Sam. 23:34. Zie ook: 2 Sam 23:33–34; 2 Sam 23:34 **11:36** Chefer de Mecheratiet, Achia de Peloniet, Brontekst: חֵ֚פֶר (chefer) = Chefer | הַמְּכֵ֣רָתִ֔י (hamekherati) = de Mecheratiet | אֲחִיָּ֖ה (achiya) = Achia | הַפְּלֹנִֽי (hapeloni) = de Peloniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 2 Sam. 23:34 staan op deze plaats ‘de Maachatiet’ en ‘Eliam, de zoon van Ahitofel de Giloniet’. Kronieken heeft hier Chefer en Achia. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: 2 Sam 23:34 **11:37** Chetsro de Karmeliet, Naarai, de zoon van Ezbai, Brontekst: חֶצְרוֹ֙ (chetsro) = Chetsro | הַֽכַּרְמְלִ֔י (hakarmeli) = de Karmeliet | נַעֲרַ֖י (naaray) = Naarai | בֶּן (ben) = zoon van | אֶזְבָּֽי (ezbay) = Ezbai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Chetsro de Karmeliet staat in 2 Sam. 23:35 als ‘Chesrai de Karmeliet’. Naarai, de zoon van Ezbai, staat op de plaats van ‘Paärai de Arbiet’. Zie ook: 2 Sam 23:35 **11:38** Joël, de broer van Natan, Mibchar, de zoon van Hagri, Brontekst: יוֹאֵל֙ (yoel) = Joël | אֲחִ֣י (achi) = broer van | נָתָ֔ן (natan) = Natan | מִבְחָ֖ר (mivchar) = Mibchar | בֶּן (ben) = zoon van | הַגְרִֽי (hagri) = Hagri Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joël, de broer van Natan, en Mibchar, de zoon van Hagri, staan op de plaats van ‘Jigal, de zoon van Natan’ en ‘Bani de Gadiet’ in 2 Sam. 23:36. Of het om dezelfde mannen gaat, is niet zeker. Zie ook: 2 Sam 23:36 **11:39** Zelek de Ammoniet, Nacharai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja, Brontekst: צֶ֖לֶק (tseleq) = Zelek | הָעַמּוֹנִ֑י (haamoni) = de Ammoniet | נַחְרַי֙ (nachray) = Nacharai | הַבֵּ֣רֹתִ֔י (haberoti) = de Beërotiet | נֹשֵׂ֕א (nose) = drager van | כְּלֵ֖י (kelei) = de wapens van | יוֹאָ֥ב (yoav) = Joab | בֶּן (ben) = zoon van | צְרוּיָֽה (tseruya) = Zeruja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beërot lag in Benjamin; de ligging is onzeker (misschien el-Bireh, Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: Zelek de Ammoniet en Nacharai staan ook in 2 Sam. 23:37. Joab, de zoon van Zeruja, was de legeraanvoerder van David. Zie ook: 2 Sam 23:37 **11:40** Ira de Jitriet, Gareb de Jitriet, Brontekst: עִירָא֙ (ira) = Ira | הַיִּתְרִ֔י (hayitri) = de Jitriet | גָּרֵ֖ב (garev) = Gareb | הַיִּתְרִֽי (hayitri) = de Jitriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 20:26 ### Nog meer helden **11:41** Uria de Hethiet, Zabad, de zoon van Achlai, Brontekst: אֽוּרִיָּה֙ (uriya) = Uria | הַחִתִּ֔י (hachiti) = de Hethiet | זָבָ֖ד (zavad) = Zabad | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְלָֽי (achlay) = Achlai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met Uria de Hethiet eindigt de lijst van 2 Sam. 23:39. Daar staat: ‘In totaal waren het er 37.’ Kronieken heeft daarna nog meer namen (vers 41–47), die niet in Samuël staan. Zie ook: 2 Sam 11:6–27; 2 Sam 23:39; 1 Kron 2:36 **11:42** Adina, de zoon van Sjiza, de Rubeniet, hoofd van de Rubenieten, en dertig bij hem, Brontekst: עֲדִינָ֨א (adina) = Adina | בֶן (ben) = zoon van | שִׁיזָ֜א (shiza) = Sjiza | הָרֽאוּבֵנִ֗י (haruveni) = de Rubeniet | רֹ֛אשׁ (rosh) = hoofd van | לָרֽאוּבֵנִ֖י (laruveni) = de Rubenieten | וְעָלָ֥יו (vealav) = en over hem | שְׁלוֹשִֽׁים (sheloshim) = dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְעָלָיו שְׁלוֹשִׁים (ve’alaw sheloshim), letterlijk ‘en over hem dertig’. Wij vertalen ‘en dertig bij hem’. De betekenis is niet zeker: het kan gaan om een groep van dertig mannen onder zijn bevel. **11:43** Chanan, de zoon van Maächa, en Josafat de Mitniet, Brontekst: חָנָן֙ (chanan) = Chanan | בֶּֽן (ben) = zoon van | מַעֲכָ֔ה (maakha) = Maächa | וְיוֹשָׁפָ֖ט (veyoshafat) = en Josafat | הַמִּתְנִֽי (hamitni) = de Mitniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:44** Uzzia de Asjterathiet, Sjama en Jeïël, de zonen van Chotam de Aroëriet, Brontekst: עֻזִיָּ֖א (uziya) = Uzzia | הָעֲשְׁתְּרָתִ֑י (haashterati) = de Asjterathiet | שָׁמָע֙ (shama) = Sjama | וִֽיעִיאֵ֔ל (viiel) = en Jeïël | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | חוֹתָ֥ם (chotam) = Chotam | הָעֲרֹעֵרִֽי (haaroeri) = de Aroëriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Asjterathiet komt waarschijnlijk uit Asjtarot in Basan (Joz. 12:4). Dat is niet zeker. Welk Aroër met ‘de Aroëriet’ bedoeld is, is ook niet zeker. Zie ook: Joz 12:4 **11:45** Jediaël, de zoon van Simri, en zijn broer Jocha de Titsiet, Brontekst: יְדִֽיעֲאֵל֙ (yediael) = Jediaël | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁמְרִ֔י (shimri) = Simri | וְיֹחָ֥א (veyocha) = en Jocha | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | הַתִּיצִֽי (hatitsi) = de Titsiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:46** Eliël de Machawiet, Jeribai en Josjavia, de zonen van Elnaam, en Jitma de Moabiet, Brontekst: אֱלִיאֵל֙ (eliel) = Eliël | הַֽמַּחֲוִ֔ים (hamachavim) = de Machawiet | וִירִיבַ֥י (virivay) = en Jeribai | וְיוֹשַׁוְיָ֖ה (veyoshavya) = en Josjavia | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אֶלְנָ֑עַם (elnaam) = Elnaam | וְיִתְמָ֖ה (veyitma) = en Jitma | הַמּוֹאָבִֽי (hamoavi) = de Moabiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:47** Eliël, Obed en Jaäsiël de Metsobaïet. Brontekst: אֱלִיאֵ֣ל (eliel) = Eliël | וְעוֹבֵ֔ד (veoved) = en Obed | וְיַעֲשִׂיאֵ֖ל (veyaasiel) = en Jaäsiël | הַמְּצֹבָיָֽה (hametsovaya) = de Metsobaïet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְּצֹבָיָה (hametsobaya): het is niet duidelijk of dit een plaatsnaam is of een afstammingsnaam. Wij vertalen ‘de Metsobaïet’. ## 1 Kronieken 12 _De mannen die bij David kwamen_ ### Helden die in Siklag bij David kwamen **12:1** Dit zijn zij die bij David kwamen in Siklag, toen hij nog beperkt werd vanwege Saul, de zoon van Kis. Zij behoorden tot de helden, de helpers in de oorlog. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit | הַבָּאִ֤ים (habaim) = de komenden | אֶל (el) = naar | דָּוִיד֙ (david) = David | לְצִ֣יקְלַ֔ג (letsiqelag) = naar Siklag | ע֣וֹד (od) = nog | עָצ֔וּר (atsur) = beperkt | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | שָׁא֣וּל (shaul) = Saul | בֶּן (ben) = zoon van | קִ֑ישׁ (qish) = Kis | וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | בַּגִּבּוֹרִ֔ים (bagiborim) = onder de helden | עֹזְרֵ֖י (ozerei) = helpers van | הַמִּלְחָמָֽה (hamilchama) = de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Siklag lag in het zuiden van Juda. De ligging is onzeker (voorgesteld: Tell esh-Shari'a of Tell el-Chuweilifeh, Israël). Voetnoot Uitleg: David woonde in Siklag toen hij voor Saul gevlucht was (1 Sam. 27:6). Hoofdstuk 12 noemt eerst de mannen die al in die tijd bij hem kwamen (vers 1–23). Daarna volgen de legers die naar Hebron kwamen (vers 24–41). Voetnoot : עָצוּר (atsur), ‘beperkt’: David kon niet vrij optreden, omdat Saul hem zocht. Zie ook: 1 Sam 27:2–6; 1 Sam 27:6; 2 Sam 4:10; 1 Kron 8:33; 1 Kron 11:10; 1 Kron 11:19; 1 Kron 12:24–41 **12:2** Zij waren gewapend met de boog. Zij konden met rechts en met links stenen slingeren en pijlen schieten met de boog. Zij waren broers van Saul, uit Benjamin. Brontekst: נֹ֣שְׁקֵי (nosheqei) = die wapenen | קֶ֗שֶׁת (qeshet) = boog | מַיְמִינִ֤ים (mayminim) = rechtshandig | וּמַשְׂמִאלִים֙ (umasmilim) = en linkshandig | בָּֽאֲבָנִ֔ים (baavanim) = met stenen | וּבַחִצִּ֖ים (uvachitsim) = en met pijlen | בַּקָּ֑שֶׁת (baqashet) = met de boog | מֵאֲחֵ֥י (meachei) = van de broers van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | מִבִּנְיָמִֽן (mibinyamin) = uit Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹשְׁקֵי קֶשֶׁת (noshqe qeshet), ‘gewapend met de boog’. Voetnoot : מַיְמִינִים וּמַשְׂמִאלִים (mayminim umasmilim), ‘rechts- en linkshandig’: zij konden met beide handen even goed schieten en slingeren. Over linkshandige Benjaminieten zie Richt. 3:15 en Richt. 20:16. Zie ook: Re 3:15; Re 20:16; 1 Sam 17:49; 1 Kron 12:30 **12:3** Het hoofd was Achiëzer. Dan Joas, zonen van Sjemaä, de Gibeatiet. Verder Jeziël en Pelet, zonen van Azmavet, Beracha en Jehu, de Anatotiet. Brontekst: הָרֹ֨אשׁ (harosh) = het hoofd | אֲחִיעֶ֜זֶר (achiezer) = Achiëzer | וְיוֹאָ֗שׁ (veyoash) = en Joas | בְּנֵי֙ (benei) = zonen van | הַשְּׁמָעָ֣ה (hashemaa) = Sjemaä | הַגִּבְעָתִ֔י (hagivati) = de Gibeatiet | וִיזִיאֵ֥ל (viziel) = en Jeziël | וָפֶ֖לֶט (vafelet) = en Pelet | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַזְמָ֑וֶת (azmavet) = Azmavet | וּבְרָכָ֕ה (uverakha) = en Beracha | וְיֵה֖וּא (veyehu) = en Jehu | הָעֲנְּתֹתִֽי (haanetoti) = de Anatotiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea is Gibea van Benjamin, waarschijnlijk Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Anatot ligt ten noordoosten van Jeruzalem (Anata, Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Uitleg: הַשְּׁמָעָה (hashema’ah), ‘Sjemaä’: in het Hebreeuws staat de naam met lidwoord. Wij laten het lidwoord weg. Zie ook: 1 Sam 11:4; 2 Sam 21:6; 1 Kron 11:28; 1 Kron 11:33 **12:4** Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig en over de dertig. Brontekst: וְיִֽשְׁמַֽעְיָ֧ה (veyishmaya) = en Jismaja | הַגִּבְעוֹנִ֛י (hagivoni) = de Gibeoniet | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held | בַּשְּׁלֹשִׁ֖ים (basheloshim) = onder de dertig | וְעַל (veal) = en over | הַשְּׁלֹשִֽׁים (hasheloshim) = de dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon ligt ongeveer 9 km ten noordwesten van Jeruzalem (el-Jib, Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk. Zie ook: Joz 9:3; Joz 9:17–23; Joz 15:36; 1 Kron 11:15 **12:5** Verder Jeremia, Jachaziël, Jochanan en Jozabad, de Gederatiet, Brontekst: וְיִרְמְיָ֤ה (veyirmeya) = en Jeremia | וְיַחֲזִיאֵל֙ (veyachaziel) = en Jachaziël | וְי֣וֹחָנָ֔ן (veyochanan) = en Jochanan | וְיוֹזָבָ֖ד (veyozavad) = en Jozabad | הַגְּדֵרָתִֽי (hagederati) = de Gederatiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gedera lag in het laagland van Juda (Joz. 15:36). De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: Vanaf Hebr. 12:5 loopt de Nederlandse telling één lager: Hebr. 12:4 en 12:5 vormen samen NL 12:4, en Hebr. 12:5–41 = NL 12:4–40. Zie ook: Joz 9:3; Joz 9:17–23; Joz 15:36; 1 Kron 11:15; Heb 12:4; Heb 12:5 **12:6** Eluzai, Jerimot, Bealja, Sjemarja en Sefatja, de Charufiet, Brontekst: אֶלְעוּזַ֤י (eluzay) = Eluzai | וִירִימוֹת֙ (virimot) = en Jerimot | וּבְעַלְיָ֣ה (uvealya) = en Bealja | וּשְׁמַרְיָ֔הוּ (ushemaryahu) = en Sjemarja | וּשְׁפַטְיָ֖הוּ (ushefatyahu) = en Sefatja | הַחֲרוּפִֽי (hacharufi) = de Charufiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘de Charifiet’ (הַחֲרִיפִי); het qere heeft ‘de Charufiet’ (הַחֲרוּפִי). Wij volgen het qere. **12:7** Elkana, Jisjia, Azarel, Joëzer en Jasjobam, de Korachieten, Brontekst: אֶלְקָנָ֡ה (elqana) = Elkana | וְ֠יִשִּׁיָּהוּ (veyishiyahu) = en Jisjia | וַעֲזַרְאֵ֧ל (vaazarel) = en Azarel | וְיוֹעֶ֛זֶר (veyoezer) = en Joëzer | וְיָשָׁבְעָ֖ם (veyashaveam) = en Jasjobam | הַקָּרְחִֽים (haqarechim) = de Korachieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Korachieten zijn nakomelingen van Korach. In deze lijst is niet duidelijk welke Korach bedoeld is. Er waren ook Korachieten onder de Levieten (Exod. 6:24). Zie ook: Ex 6:24 **12:8** Joëla en Zebadja, de zonen van Jerocham, uit Gedor. Brontekst: וְיוֹעֵאלָ֧ה (veyoela) = en Joëla | וּזְבַדְיָ֛ה (uzevadya) = en Zebadja | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יְרֹחָ֖ם (yerocham) = Jerocham | מִן (min) = uit | הַגְּדֽוֹר (hagedor) = Gedor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gedor lag in het bergland van Juda, waarschijnlijk bij Khirbet Jedur (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk (Joz. 15:58). Zie ook: Joz 15:58; 1 Kron 4:18; 1 Kron 4:39 ### De Gadieten in de woestijn **12:9** Ook scheidden zich van de Gadieten mannen af en kwamen naar David, naar de bergvesting in de woestijn. Het waren dappere helden, krijgsmannen voor de strijd, die schild en speer konden hanteren. Hun gezichten waren als leeuwengezichten. Zij waren zo snel als gazellen op de bergen. Brontekst: וּמִן (umin) = en uit | הַגָּדִ֡י (hagadi) = de Gadiet | נִבְדְּל֣וּ (nivdelu) = scheidden zich af | אֶל (el) = naar | דָּוִיד֩ (david) = David | לַמְצַ֨ד (lamtsad) = naar de bergvesting | מִדְבָּ֜רָה (midbara) = naar de woestijn | גִּבֹּרֵ֣י (giborei) = helden van | הַחַ֗יִל (hachayil) = de kracht | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | צָבָא֙ (tsava) = leger | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = voor de oorlog | עֹרְכֵ֥י (orekhei) = die schikken | צִנָּ֖ה (tsina) = schild | וָרֹ֑מַח (varomach) = en speer | וּפְנֵ֤י (ufenei) = en gezichten van | אַרְיֵה֙ (arye) = leeuw | פְּנֵיהֶ֔ם (peneihem) = hun gezichten | וְכִצְבָאיִ֥ם (vekhitsvayim) = en als gazellen | עַל (al) = op | הֶהָרִ֖ים (heharim) = de bergen | לְמַהֵֽר (lemaher) = om snel te zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָצָד (matsad), ‘bergvesting’: een vesting op een berg of in een rotsachtig gebied. Welke vesting hier bedoeld is, weten wij niet. Zie 1 Sam. 22:4–5 en 1 Sam. 23:14. Voetnoot : עֹרְכֵי צִנָּה וָרֹמַח (orche tsinnah varomach), ‘die schild en speer ordenen’: zij waren geoefend in het gebruik ervan. Voetnoot : צְבָאִים (tsevaim), ‘gazellen’: ook Asaël was ‘snel als een gazelle’ (2 Sam. 2:18). Zie ook: 1 Sam 22:4–5; 1 Sam 23:14; 1 Sam 24:23; 2 Sam 2:18; 2 Sam 17:10; 2 Sam 23:20; Spr 6:5 **12:10** Ezer was het hoofd. Obadja was de tweede, Eliab de derde, Brontekst: עֵ֖זֶר (ezer) = Ezer | הָרֹ֑אשׁ (harosh) = het hoofd | עֹבַדְיָה֙ (ovadya) = Obadja | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | אֱלִיאָ֖ב (eliav) = Eliab | הַשְּׁלִשִֽׁי (hashelishi) = de derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 10–14 noemen elf mannen van Gad in volgorde. De rangtelwoorden zijn uitgeschreven. **12:11** Mismanna de vierde, Jeremia de vijfde, Brontekst: מִשְׁמַנָּה֙ (mishmana) = Mismanna | הָרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | יִרְמְיָ֖ה (yirmeya) = Jeremia | הַחֲמִשִֽׁי (hachamishi) = de vijfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:12** Attai de zesde, Eliël de zevende, Brontekst: עַתַּי֙ (atay) = Attai | הַשִּׁשִּׁ֔י (hashishi) = de zesde | אֱלִיאֵ֖ל (eliel) = Eliël | הַשְּׁבִעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:13** Jochanan de achtste, Elzabad de negende, Brontekst: יֽוֹחָנָן֙ (yochanan) = Jochanan | הַשְּׁמִינִ֔י (hashemini) = de achtste | אֶלְזָבָ֖ד (elzavad) = Elzabad | הַתְּשִׁיעִֽי (hateshii) = de negende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:14** Jeremia de tiende, Machbannai de elfde. Brontekst: יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | הָעֲשִׂירִ֔י (haasiri) = de tiende | מַכְבַּנַּ֖י (makhbanay) = Machbannai | עַשְׁתֵּ֥י (ashtei) = de elfde | עָשָֽׂר (asar) = (idem) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:15** Dit waren de zonen van Gad, hoofden van het leger. De kleinste was gelijk aan 100 en de grootste aan 1000. Brontekst: אֵ֥לֶּה (ele) = dit | מִבְּנֵי (mibenei) = van de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הַצָּבָ֑א (hatsava) = het leger | אֶחָ֤ד (echad) = één | לְמֵאָה֙ (lemea) = voor honderd | הַקָּטָ֔ן (haqatan) = de kleinste | וְהַגָּד֖וֹל (vehagadol) = en de grootste | לְאָֽלֶף (lealef) = voor duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אֶחָד לְמֵאָה (echad lemeah), letterlijk ‘één voor honderd’. Dit kan betekenen dat de kleinste zoveel waard was als 100 man en de grootste als 1000. Het kan ook betekenen dat de kleinste over 100 man stond en de grootste over 1000. Wij vertalen ‘gelijk aan’. Dat is onzeker. Zie ook: Lev 26:8; Deut 32:30 **12:16** Dit zijn zij die in de eerste maand de Jordaan overstaken, toen hij buiten al zijn oevers trad. Zij joegen de bewoners van alle dalen op de vlucht, naar het oosten en naar het westen. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | הֵ֗ם (hem) = zij | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָבְר֤וּ (averu) = staken over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | וְה֥וּא (vehu) = en hij | מְמַלֵּ֖א (memale) = vol | עַל (al) = over | כָּל (kal) = al | גְּדוֹתָ֑יו (gedotav) = zijn oevers | וַיַּבְרִ֨יחוּ֙ (vayavrichu) = en verjoegen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָ֣עֲמָקִ֔ים (haamaqim) = de dalen | לַמִּזְרָ֖ח (lamizrach) = naar het oosten | וְלַֽמַּעֲרָֽב (velamaarav) = en naar het westen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De eerste maand is de maand van de lente (maart/april). Dan staat de Jordaan vol, tot over zijn oevers. Zie Joz. 3:15. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft גְּדִיּוֹתָיו (gedyotav); het qere heeft גְּדוֹתָיו (gedotav), ‘zijn oevers’. Wij volgen het qere. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt dat zij ‘alle dalen’ op de vlucht joegen. Daarmee worden de bewoners van de dalen bedoeld. Zie ook: Joz 3:15; Joz 4:18; Jer 12:5; Jer 49:19 ### Benjamin en Juda komen naar David **12:17** Sommigen van de zonen van Benjamin en Juda kwamen naar de bergvesting, naar David. Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en kwamen | מִן (min) = uit | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | וִֽיהוּדָ֔ה (vihuda) = en Juda | עַד (ad) = tot | לַמְצָ֖ד (lamtsad) = de bergvesting | לְדָוִֽיד (ledavid) = naar David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘uit de zonen van Benjamin en Juda’: dat zijn dus niet allen, maar een deel van hen. **12:18** David ging hen tegemoet. Hij antwoordde hen en zei: „Als jullie in vrede naar mij zijn gekomen om mij te helpen, dan zal mijn hart met jullie één zijn. Maar als jullie gekomen zijn om mij te verraden aan mijn vijanden, terwijl er geen geweld in mijn handen is, dan zal de Elohim van onze vaderen het zien en bestraffen.” Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | דָוִיד֮ (david) = David | לִפְנֵיהֶם֒ (lifneihem) = voor hen uit | וַיַּ֨עַן֙ (vayaan) = en antwoordde | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | אִם (im) = als | לְשָׁל֞וֹם (leshalom) = in vrede | בָּאתֶ֤ם (batem) = bent gekomen | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | לְעָזְרֵ֔נִי (leazereni) = om mij te helpen | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לִּ֧י (li) = voor mij | עֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = over jullie | לֵבָ֖ב (levav) = hart | לְיָ֑חַד (leyachad) = als één | וְאִֽם (veim) = en als | לְרַמּוֹתַ֣נִי (leramotani) = om mij te verraden | לְצָרַ֗י (letsaray) = aan mijn vijanden | בְּלֹ֤א (belo) = zonder | חָמָס֙ (chamas) = geweld | בְּכַפַּ֔י (bekhapay) = in mijn handen | יֵ֛רֶא (yere) = zal zien | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵ֖ינוּ (avoteinu) = onze vaderen | וְיוֹכַֽח (veyokhach) = en zal bestraffen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְרַמּוֹתַנִי (leramotani), ‘om mij te verraden’: letterlijk ‘om mij te bedriegen’. Voetnoot : לֵבָב לְיָחַד (levav leyachad), ‘een hart tot eenheid’: David verwacht dat zij hem werkelijk steunen. Voetnoot : וְיוֹכַח (veyokach), ‘en zal bestraffen’: Elohim zal het beoordelen en straffen. Zie ook: Gen 31:42; Ps 12:2–3; Ps 86:11; 1 Petr 2:23; Jud 1:9 **12:19** Een geest bekleedde Amasai, het hoofd van de Drie: „Voor u, David, en met u, zoon van Isaï! Vrede, vrede voor u, en vrede voor wie u helpt! Want uw Elohim helpt u.” David nam hen aan en stelde hen aan het hoofd van de bende. Brontekst: וְר֣וּחַ (veruach) = en geest | לָבְשָׁ֗ה (lavesha) = bekleedde | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָשַׂי֮ (amasay) = Amasai | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | הַשָּׁלִישִׁים֒ (hashalishim) = de Drie | לְךָ֤ (lekha) = voor u | דָוִיד֙ (david) = David | וְעִמְּךָ֣ (veimekha) = en met u | בֶן (ben) = zoon van | יִשַׁ֔י (yishay) = Isaï | שָׁל֨וֹם (shalom) = vrede | שָׁל֜וֹם (shalom) = vrede | לְךָ֗ (lekha) = voor u | וְשָׁלוֹם֙ (veshalom) = en vrede | לְעֹ֣זְרֶ֔ךָ (leozerekha) = voor wie u helpt | כִּ֥י (ki) = want | עֲזָרְךָ֖ (azarekha) = Hij helpt u | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = uw Elohim | וַיְקַבְּלֵ֣ם (vayqabelem) = en nam hen aan | דָּוִ֔יד (david) = David | וַֽיִּתְּנֵ֖ם (vayitenem) = en stelde hen | בְּרָאשֵׁ֥י (berashei) = in de hoofden van | הַגְּדֽוּד (hagedud) = de bende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָבְשָׁה (lavshah), ‘bekleedde’: hetzelfde werkwoord staat in Richt. 6:34 bij Gideon. Hier staat ‘een geest’, zonder lidwoord en zonder de naam Yahweh. Wij schrijven daarom ‘een geest’ met een kleine letter. Voetnoot : לְךָ דָוִיד וְעִמְּךָ בֶן יִשַׁי (lecha David ve’immecha ben Yishai), letterlijk ‘voor u, David, en met u, zoon van Isaï’: zij beloven David hun trouw. Het Hebreeuws heeft geen werkwoord ‘zei’ bij deze woorden. Voetnoot : גְּדוּד (gedud), ‘bende’: hetzelfde woord staat in 1 Sam. 30:8. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘het hoofd van de dertig’ (הַשְּׁלוֹשִׁים); het qere heeft ‘het hoofd van de Drie’ (הַשָּׁלִישִׁים). Wij volgen het qere, zoals in 1 Kron. 11:11. Zie ook: Re 3:10; Re 6:34; Ruth 1:16; 1 Sam 30:8; 2 Sam 17:25; 1 Kron 11:11; Joh 6:67–68 ### Manasse loopt over naar David **12:20** Ook van Manasse liepen er mannen over naar David, toen hij met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok. Maar David hielp hen niet. Want na overleg stuurden de vorsten van de Filistijnen hem weg. Zij zeiden: „Het kost ons onze hoofden als hij overloopt naar zijn heer Saul.” Brontekst: וּמִֽמְּנַשֶּׁ֞ה (umimenashe) = en uit Manasse | נָפְל֣וּ (nafelu) = vielen | עַל (al) = op | דָּוִ֗יד (david) = David | בְּבֹא֨וֹ (bevoo) = toen hij kwam | עִם (im) = met | פְּלִשְׁתִּ֧ים (pelishtim) = Filistijnen | עַל (al) = tegen | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = voor de oorlog | וְלֹ֣א (velo) = en niet | עֲזָרֻ֑ם (azarum) = hielp hij hen | כִּ֣י (ki) = want | בְעֵצָ֗ה (beetsa) = na overleg | שִׁלְּחֻ֜הוּ (shilechuhu) = stuurden zij hem weg | סַרְנֵ֤י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בְּרָאשֵׁ֕ינוּ (berasheinu) = voor onze hoofden | יִפּ֖וֹל (yipol) = zal hij vallen | אֶל (el) = naar | אֲדֹנָ֥יו (adonav) = zijn heer | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Dit verhaal sluit aan op 1 Sam. 29:1–11. De vorsten van de Filistijnen stuurden David terug, omdat zij hem niet vertrouwden (1 Sam. 29:4). Voetnoot Lezing: וְלֹא עֲזָרֻם (velo azarum), ‘en hij hielp hen niet’: wij lezen dat David de Filistijnen niet hielp, omdat hij werd weggestuurd. Het Hebreeuws laat het onderwerp van het werkwoord weg. Zie ook: 1 Sam 29:1–11; 1 Sam 29:2–9; 1 Sam 29:4 **12:21** Toen hij naar Siklag ging, liepen er van Manasse over naar hem. Dat waren Adnach, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozabad, Elihu en Tsilletai, hoofden van de duizendtallen van Manasse. Brontekst: בְּלֶכְתּ֣וֹ (belekhto) = toen hij ging | אֶל (el) = naar | צִֽיקְלַ֗ג (tsiqelag) = Siklag | נָפְל֣וּ (nafelu) = vielen | עָלָ֣יו (alav) = op hem | מִֽמְּנַשֶּׁ֡ה (mimenashe) = uit Manasse | עַ֠דְנַח (adnach) = Adnach | וְיוֹזָבָ֤ד (veyozavad) = en Jozabad | וִידִֽיעֲאֵל֙ (vidiael) = en Jediaël | וּמִיכָאֵ֣ל (umikhael) = en Michaël | וְיוֹזָבָ֔ד (veyozavad) = en Jozabad | וֶאֱלִיה֖וּא (veelihu) = en Elihu | וְצִלְּתָ֑י (vetsiletay) = en Tsilletai | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | הָאֲלָפִ֖ים (haalafim) = de duizendtallen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לִמְנַשֶּֽׁה (limnashe) = van Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev. Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Dit gebeurde toen David uit het Filistijnse leger terugkeerde naar Siklag (1 Sam. 30:1). De naam Jozabad staat twee keer in de lijst. Wij laten beide staan. Zie ook: Ex 18:21; Deut 1:15; Deut 33:17; 1 Sam 29:11; 1 Sam 30:1 **12:22** Zij hielpen David tegen de bende, want zij waren allemaal dappere helden. Zij werden bevelhebbers in het leger. Brontekst: וְהֵ֗מָּה (vehema) = en zij | עָזְר֤וּ (azeru) = hielpen | עִם (im) = met | דָּוִיד֙ (david) = David | עַֽל (al) = tegen | הַגְּד֔וּד (hagedud) = de bende | כִּֽי (ki) = want | גִבּ֥וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | כֻּלָּ֑ם (kulam) = allen | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en werden | שָׂרִ֖ים (sarim) = bevelhebbers | בַּצָּבָֽא (batsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De bende’ is de roversbende van de Amalekieten die Siklag had verwoest (1 Sam. 30:8, 30:15). Zie ook: 1 Sam 30:1–17; 1 Sam 30:8; 1 Sam 30:15; 1 Kron 5:24; 1 Kron 11:10; 1 Kron 11:21–22; 1 Kron 12:21 **12:23** Want van dag tot dag kwamen zij bij David om hem te helpen, totdat er een groot kamp was, als een kamp van Elohim. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | לְעֶת (leet) = in de tijd van | י֣וֹם (yom) = dag | בְּי֔וֹם (beyom) = op dag | יָבֹ֥אוּ (yavou) = kwamen zij | עַל (al) = naar | דָּוִ֖יד (david) = David | לְעָזְר֑וֹ (leazero) = om hem te helpen | עַד (ad) = tot | לְמַחֲנֶ֥ה (lemachane) = een kamp | גָד֖וֹל (gadol) = groot | כְּמַחֲנֵ֥ה (kemachane) = als een kamp van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Een kamp van Elohim’ staat ook in Gen. 32:3. De uitdrukking kan een heel groot kamp bedoelen. Zij kan ook bedoelen dat Elohim zelf bij het kamp was. Wij laten dat open. Zie ook: Gen 32:2; Gen 32:3; Job 17:9; Joz 5:14; 2 Sam 2:2–4; 2 Sam 3:1 ### De legers komen naar Hebron **12:24** Dit zijn de aantallen van de hoofden van de uitgeruste strijders die naar David kwamen in Hebron. Zij kwamen om het koningschap van Saul aan hem over te dragen, volgens het woord van Yahweh. Brontekst: וְ֠אֵלֶּה (veele) = en dit | מִסְפְּרֵ֞י (misperei) = de aantallen van | רָאשֵׁ֤י (rashei) = hoofden van | הֶֽחָלוּץ֙ (hechaluts) = de uitgeruste mannen | לַצָּבָ֔א (latsava) = voor het leger | בָּ֥אוּ (bau) = kwamen | עַל (al) = naar | דָּוִ֖יד (david) = David | חֶבְר֑וֹנָה (chevrona) = naar Hebron | לְהָסֵ֞ב (lehasev) = om te laten overgaan | מַלְכ֥וּת (malkhut) = koningschap van | שָׁא֛וּל (shaul) = Saul | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | כְּפִ֥י (kefi) = volgens de mond van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron lag in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier volgen de aantallen van de legers uit alle stammen. ‘Volgens het woord van Yahweh’ is in het Hebreeuws כְּפִי יְהוָה (kefi Yahweh), letterlijk ‘naar de mond van Yahweh’. Zie 1 Kron. 11:3 en 11:10. Voetnoot : הֶחָלוּץ (hechalutz), ‘de uitgeruste’: mannen die klaar waren om te strijden. Zie ook: 1 Sam 16:1; 1 Sam 16:3; 2 Sam 2:3–4; 1 Kron 11:3; 1 Kron 11:10; Ps 89:20–21 **12:25** De zonen van Juda, die schild en speer droegen: 6.800 uitgeruste strijders. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | נֹשְׂאֵ֥י (noseei) = dragers van | צִנָּ֖ה (tsina) = schild | וָרֹ֑מַח (varomach) = en speer | שֵׁ֧שֶׁת (sheshet) = zes | אֲלָפִ֛ים (alafim) = duizend | וּשְׁמוֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חֲלוּצֵ֥י (chalutsei) = uitgeruste mannen van | צָבָֽא (tsava) = leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:26** Van de zonen van Simeon: 7.100 sterke helden voor het leger. Brontekst: מִן (min) = uit | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שִׁמְע֗וֹן (shimon) = Simeon | גִּבּ֤וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֨יִל֙ (chayil) = kracht | לַצָּבָ֔א (latsava) = voor het leger | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וּמֵאָֽה (umea) = en honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:27** Van de zonen van Levi: 4.600. Brontekst: מִן (min) = uit | בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | הַלֵּוִ֔י (halevi) = Levi | אַרְבַּ֥עַת (arbaat) = vier | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:28** Jojada was de leider voor Aäron. Met hem waren er 3.700. Brontekst: וִיהוֹיָדָ֖ע (vihoyada) = en Jojada | הַנָּגִ֣יד (hanagid) = de leider | לְאַהֲרֹ֑ן (leaharon) = voor Aäron | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’. ‘Voor Aäron’ betekent waarschijnlijk dat Jojada de leider was van de priesters uit het geslacht van Aäron (Exod. 28:1). Dat is niet zeker. Zie ook: Ex 28:1; 1 Kron 6:34–42; 1 Kron 9:20; 1 Kron 27:17; 2 Kon 11:4; 2 Kon 11:9 **12:29** Zadok was een jonge man, een sterke held. Uit het huis van zijn vader kwamen 22 bevelhebbers. Brontekst: וְצָד֥וֹק (vetsadoq) = en Zadok | נַ֖עַר (naar) = jonge man | גִּבּ֣וֹר (gibor) = held | חָ֑יִל (chayil) = van kracht | וּבֵית (uveit) = en het huis van | אָבִ֥יו (aviv) = zijn vader | שָׂרִ֖ים (sarim) = bevelhebbers | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעַר (na’ar), ‘jonge man’. Het is niet duidelijk of deze Zadok dezelfde is als de priester Zadok (2 Sam. 8:17). Zie ook: 2 Sam 8:17; 1 Kron 5:34; 1 Kron 6:38; 1 Kon 1:8; Ezech 44:15 **12:30** Van de zonen van Benjamin, de broers van Saul: 3.000. Tot nu toe had het grootste deel van hen de wacht gehouden bij het huis van Saul. Brontekst: וּמִן (umin) = en uit | בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֛ן (binyamin) = Benjamin | אֲחֵ֥י (achei) = de broers van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizend | וְעַד (vead) = en tot | הֵ֨נָּה֙ (hena) = nu | מַרְבִּיתָ֔ם (marbitam) = het grootste deel van hen | שֹׁמְרִ֕ים (shomerim) = bewakers | מִשְׁמֶ֖רֶת (mishmeret) = wacht van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Benjamin was de stam van Saul. Veel Benjaminieten bleven hem daarom trouw. Zie ook vers 2. Zie ook: Gen 31:23; 2 Sam 2:8–9; 1 Kron 12:2 **12:31** Van de zonen van Efraïm: 20.800 sterke helden, mannen met een naam in het huis van hun vaders. Brontekst: וּמִן (umin) = en uit | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁמוֹנֶ֣ה (ushemone) = en acht | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | גִּבּ֣וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֔יִל (chayil) = kracht | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | שֵׁמ֖וֹת (shemot) = namen | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:4 **12:32** Van de helft van de stam Manasse: 18.000, die bij naam waren aangewezen om te komen en David koning te maken. Brontekst: וּמֵחֲצִי֙ (umechatsi) = en uit de helft van | מַטֵּ֣ה (mate) = stam van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | שְׁמוֹנָ֥ה (shemona) = acht | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אָ֑לֶף (alef) = duizend | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נִקְּבוּ֙ (niqevu) = werden aangewezen | בְּשֵׁמ֔וֹת (beshemot) = bij namen | לָב֖וֹא (lavo) = om te komen | לְהַמְלִ֥יךְ (lehamlikh) = om koning te maken | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִקְּבוּ בְּשֵׁמוֹת (nuqqevu veshemot), ‘bij naam aangewezen’: deze mannen werden met hun naam uitgekozen om David te steunen. Zie ook: Joz 17:1–18 **12:33** Van de zonen van Issachar: zij die inzicht hadden in de tijden en wisten wat Israël moest doen. Hun hoofden waren er 200. Al hun broers deden wat zij zeiden. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en uit de zonen van | יִשָּׂשכָ֗ר (yisashkhar) = Issachar | יוֹדְעֵ֤י (yodeei) = kenners van | בִינָה֙ (bina) = inzicht | לַֽעִתִּ֔ים (laitim) = van de tijden | לָדַ֖עַת (ladaat) = om te weten | מַה (ma) = wat | יַּעֲשֶׂ֣ה (yaase) = zal doen | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | רָאשֵׁיהֶ֣ם (rasheihem) = hun hoofden | מָאתַ֔יִם (matayim) = tweehonderd | וְכָל (vekhal) = en al | אֲחֵיהֶ֖ם (acheihem) = hun broers | עַל (al) = op | פִּיהֶֽם (pihem) = hun mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹדְעֵי בִינָה לָעִתִּים (yodei binah la’ittim), ‘zij die inzicht hadden in de tijden’: zij wisten wat er op dat moment gedaan moest worden. Voetnoot : עַל פִּיהֶם (al pihem), ‘op hun mond’: zij deden wat deze hoofden zeiden. Zie ook: Spr 14:8; Jes 33:6; Est 1:13; Luc 12:56–57; Ef 5:17 **12:34** Van Zebulon: 50.000 strijders die uittrokken met het leger, opgesteld voor de strijd met alle wapens, om de gelederen te sluiten zonder dubbel hart. Brontekst: מִזְּבֻל֞וּן (mizevulun) = uit Zebulon | יוֹצְאֵ֣י (yotseei) = uittrekkers van | צָבָ֗א (tsava) = leger | עֹרְכֵ֧י (orekhei) = opstellers van | מִלְחָמָ֛ה (milchama) = oorlog | בְּכָל (bekhal) = met alle | כְּלֵ֥י (kelei) = wapens van | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וְלַעֲדֹ֖ר (velaador) = en om te ordenen | בְּלֹא (belo) = zonder | לֵ֥ב (lev) = hart | וָלֵֽב (valev) = en hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלֹא לֵב וָלֵב (belo lev valev), letterlijk ‘zonder hart en hart’: zonder een dubbel hart. Zie Ps. 12:3. Voetnoot Lezing: וְלַעֲדֹר (vela’adōr): het Hebreeuws is moeilijk. Hetzelfde woord komt voor in vers 39 (עֹדְרֵי מַעֲרָכָה, ‘die in slagorde stonden’). Wij vertalen ‘om de gelederen te sluiten’. Dat is onzeker. Zie ook: 1 Kron 12:39; Ps 12:3; Joh 1:47 **12:35** Van Naftali: 1.000 bevelhebbers. Met hen waren er 37.000 met schild en speer. Brontekst: וּמִנַּפְתָּלִ֖י (uminaftali) = en uit Naftali | שָׂרִ֣ים (sarim) = bevelhebbers | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וְעִמָּהֶם֙ (veimahem) = en met hen | בְּצִנָּ֣ה (betsina) = met schild | וַחֲנִ֔ית (vachanit) = en speer | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְשִׁבְעָ֖ה (veshiva) = en zeven | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:36** Van de Danieten: 28.600 strijders, opgesteld voor de strijd. Brontekst: וּמִן (umin) = en uit | הַדָּנִי֙ (hadani) = de Daniet | עֹרְכֵ֣י (orekhei) = opstellers van | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig | וּשְׁמוֹנָ֥ה (ushemona) = en acht | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De Danieten’ zijn de mannen van de stam Dan. **12:37** Van Aser: 40.000 strijders die uittrokken met het leger, om zich op te stellen voor de strijd. Brontekst: וּמֵאָשֵׁ֗ר (umeasher) = en uit Aser | יוֹצְאֵ֥י (yotseei) = uittrekkers van | צָבָ֛א (tsava) = leger | לַעֲרֹ֥ךְ (laarokh) = om op te stellen | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 12:34; Joël 2:7 **12:38** En van de overkant van de Jordaan, van de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam Manasse: 120.000. Zij hadden alle wapens voor de strijd. Brontekst: וּמֵעֵ֣בֶר (umeever) = en van over | לַ֠יַּרְדֵּן (layarden) = de Jordaan | מִן (min) = uit | הָראוּבֵנִ֨י (haruveni) = de Rubeniet | וְהַגָּדִ֜י (vehagadi) = en de Gadiet | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = stam van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | בְּכֹל֙ (bekhol) = met alle | כְּלֵי֙ (kelei) = wapens van | צְבָ֣א (tseva) = leger van | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: ‘Van de overkant van de Jordaan’ betekent: van het gebied ten oosten van de Jordaan, waar de Rubenieten, de Gadieten en de helft van Manasse woonden (Num. 32). Zie ook: Deut 3:12–16; Joz 13:7–32; Joz 14:3; Joz 22:1–10; 1 Kron 5:1–10 **12:39** Al deze krijgers stonden in slagorde. Met een volledig hart kwamen zij naar Hebron om David koning te maken over heel Israël. Ook de rest van Israël had één hart om David koning te maken. Brontekst: כָּל (kal) = alle | אֵ֜לֶּה (ele) = dezen | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | מִלְחָמָה֮ (milchama) = oorlog | עֹדְרֵ֣י (oderei) = ordenaars van | מַעֲרָכָה֒ (maarakha) = slagorde | בְּלֵבָ֤ב (belevav) = met hart | שָׁלֵם֙ (shalem) = volledig | בָּ֣אוּ (bau) = kwamen | חֶבְר֔וֹנָה (chevrona) = naar Hebron | לְהַמְלִ֥יךְ (lehamlikh) = om koning te maken | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֖יד (david) = David | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְ֠גַם (vegam) = en ook | כָּל (kal) = alle | שֵׁרִ֧ית (sherit) = rest van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | לֵ֥ב (lev) = hart | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְהַמְלִ֥יךְ (lehamlikh) = om koning te maken | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: לְבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: zonder terughoudendheid. Zie ook: Gen 49:8–10; Ps 110:3; 1 Kon 8:61; 2 Kron 30:12; Ezech 11:19 ### Drie dagen feest in Hebron **12:40** Zij waren daar drie dagen bij David. Zij aten en dronken, want hun broers hadden het voor hen klaargemaakt. Brontekst: וַיִּהְיוּ (vayihyu) = en waren | שָׁ֤ם (sham) = daar | עִם (im) = met | דָּוִיד֙ (david) = David | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | שְׁלוֹשָׁ֔ה (shelosha) = drie | אֹכְלִ֖ים (okhelim) = etende | וְשׁוֹתִ֑ים (veshotim) = en drinkende | כִּֽי (ki) = want | הֵכִ֥ינוּ (hekhinu) = hadden bereid | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | אֲחֵיהֶֽם (acheihem) = hun broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De drie dagen waren een tijd van maaltijden en voorbereiding. De broers uit Hebron hadden het eten klaargemaakt. Zie ook: Gen 26:30; Gen 31:54; 2 Sam 6:19; 2 Sam 19:43 **12:41** Ook brachten de mensen die dichtbij woonden, tot Issachar, Zebulon en Naftali toe, brood op ezels, kamelen, muilezels en runderen. Het was voedsel van meel, vijgenkoeken, rozijnen, wijn en olie. Ook brachten zij runderen en schapen in menigte. Want er was vreugde in Israël. Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | הַקְּרֽוֹבִים (haqerovim) = die dichtbij zijn | אֲ֠לֵיהֶם (aleihem) = bij hen | עַד (ad) = tot | יִשָׂשכָ֨ר (yisashkhar) = Issachar | וּזְבֻל֜וּן (uzevulun) = en Zebulon | וְנַפְתָּלִ֗י (venaftali) = en Naftali | מְבִיאִ֣ים (meviim) = brengend | לֶ֡חֶם (lechem) = brood | בַּחֲמוֹרִ֣ים (bachamorim) = op ezels | וּבַגְּמַלִּ֣ים (uvagemalim) = en op kamelen | וּבַפְּרָדִ֣ים (uvaperadim) = en op muilezels | וּֽבַבָּקָ֡ר (uvabaqar) = en op runderen | מַאֲכָ֡ל (maakhal) = voedsel | קֶ֠מַח (qemach) = meel | דְּבֵלִ֨ים (develim) = vijgenkoeken | וְצִמּוּקִ֧ים (vetsimuqim) = en rozijnen | וְיַֽיִן (veyayin) = en wijn | וְשֶׁ֛מֶן (veshemen) = en olie | וּבָקָ֥ר (uvaqar) = en runderen | וְצֹ֖אן (vetson) = en schapen | לָרֹ֑ב (larov) = in menigte | כִּ֥י (ki) = want | שִׂמְחָ֖ה (simcha) = vreugde | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבֵלִים (develim), ‘vijgenkoeken’, en צִמּוּקִים (tsimmuqim), ‘rozijnenkoeken’: zie 1 Sam. 25:18 en 1 Sam. 30:12. Zie ook: 1 Sam 25:18; 1 Sam 30:12; 2 Sam 16:1; Spr 11:10; Spr 29:2; Openb 19:5–7 ## 1 Kronieken 13 _David wil de ark ophalen_ ### David overlegt met het volk **13:1** David overlegde met de bevelhebbers over de duizenden en de honderden, met alle leiders. Brontekst: וַיִּוָּעַ֣ץ (vayivaats) = en overlegde | דָּוִ֗יד (david) = David | עִם (im) = met | שָׂרֵ֧י (sarei) = de bevelhebbers van | הָאֲלָפִ֛ים (haalafim) = de duizenden | וְהַמֵּא֖וֹת (vehameot) = en de honderden | לְכָל (lekhal) = met alle | נָגִֽיד (nagid) = leiders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 1 Kron. 13 loopt parallel met 2 Sam. 6:1–11. Het overleg met het volk (vers 1–4) staat alleen in Kronieken. Voetnoot : שָׂרֵי הָאֲלָפִים וְהַמֵּאוֹת (sare haalafim vehameot), ‘de bevelhebbers over de duizenden en de honderden’: de legeraanvoerders. Zie ook Num. 31:14. Voetnoot : נָגִיד (nagid), ‘leider’: dit woord vertalen wij overal zo (zie 2 Sam. 6:21). Zie ook: Num 31:14; 2 Sam 6:1; 2 Sam 6:21; 1 Kron 12:21; 2 Kon 23:1; 2 Kron 29:20; 2 Kron 34:29–30 **13:2** David zei tegen heel de vergadering van Israël: „Als het goed is in jullie ogen en als het van Yahweh, onze Elohim, komt, laten wij dan overal bericht sturen naar onze broeders. Zij zijn overgebleven in alle landen van Israël. Bij hen zijn de priesters en de Levieten, in de steden met hun weidegronden. Laten zij zich bij ons verzamelen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֜יד (david) = David | לְכֹ֣ל (lekhol) = aan heel | קְהַ֣ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אִם (im) = als | עֲלֵיכֶ֨ם (aleikhem) = bij jullie | ט֜וֹב (tov) = goed | וּמִן (umin) = en van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | נִפְרְצָה֙ (nifretsa) = laten wij ons uitbreiden | נִשְׁלְחָ֞ה (nishlecha) = laten wij sturen | עַל (al) = naar | אַחֵ֣ינוּ (acheinu) = onze broeders | הַנִּשְׁאָרִ֗ים (hanisharim) = die zijn overgebleven | בְּכֹל֙ (bekhol) = in alle | אַרְצ֣וֹת (artsot) = landen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְעִמָּהֶ֛ם (veimahem) = en bij hen | הַכֹּהֲנִ֥ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֖ם (vehalviyim) = en de Levieten | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | מִגְרְשֵׁיהֶ֑ם (migresheihem) = hun weidegronden | וְיִקָּבְצ֖וּ (veyiqavetsu) = en laten zij zich verzamelen | אֵלֵֽינוּ (eleinu) = bij ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִפְרְצָה (nifretsah), ‘laten wij ons uitbreiden’: het werkwoord פָּרַץ (parats) betekent ‘doorbreken’ en ook ‘zich uitbreiden’. Samen met ‘laten wij sturen’ bedoelt David: wij sturen overal bericht heen. Voetnoot : מִגְרְשֵׁיהֶם (migreshehem), ‘hun weidegronden’: de grond rond de levietensteden (Num. 35:2–5; Joz. 21). Zie ook: Num 4:4–20; Num 35:2–5; 1 Sam 31:1; 1 Kon 12:7; 2 Kon 9:15; Jes 37:4 **13:3** Laten wij de ark van onze Elohim bij ons terugbrengen. Want in de dagen van Saul hebben wij haar niet gezocht.” Brontekst: וְנָסֵ֛בָּה (venaseba) = en laten wij terugbrengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אֵלֵ֑ינוּ (eleinu) = naar ons | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | דְרַשְׁנֻ֖הוּ (derashnuhu) = hebben wij haar gezocht | בִּימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | שָׁאֽוּל (shaul) = Saul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 7:1–2; 1 Sam 14:18; 1 Sam 14:36; 1 Sam 22:10; 1 Sam 23:2 **13:4** Heel de vergadering zei dat zij het zo moesten doen, want de zaak was juist in de ogen van heel het volk. Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | כָֽל (kal) = heel | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | כֵּ֑ן (ken) = zo | כִּֽי (ki) = want | יָשַׁ֥ר (yashar) = juist was | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | כָל (kal) = heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 18:20; 2 Sam 3:36; 2 Kron 30:4; Est 8:5 ### De ark verlaat Kirjat-Jearim **13:5** David verzamelde heel Israël, van de Sihor van Egypte tot de toegang naar Chamat, om de ark van Elohim uit Kirjat-Jearim te brengen. Brontekst: וַיַּקְהֵ֤ל (vayaqhel) = en verzamelde | דָּוִיד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִן (min) = vanaf | שִׁיח֥וֹר (shichor) = de Sihor van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעַד (vead) = en tot | לְב֣וֹא (levo) = de toegang naar | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | לְהָבִיא֙ (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | מִקִּרְיַ֖ת (miqiryat) = uit Kirjat | יְעָרִֽים (yearim) = Jearim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Sihor van Egypte is waarschijnlijk een arm van de Nijl of de beek van Egypte (Wadi el-Arisj). De ligging is onzeker. Dit is de zuidgrens van het land. Zie ook Joz. 13:3. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Voetnoot : De toegang naar Chamat (לְבוֹא חֲמָת, levo chamat) is de noordgrens, bij de stad Chamat (nu Hama, Syrië). Zie ook 1 Kon. 8:65. Voetnoot : Kirjat-Jearim ligt ten westen van Jeruzalem, waarschijnlijk bij Deir el-Azhar (Israël). De ark stond daar sinds 1 Sam. 7:1–2. Zie ook: Joz 13:3; 1 Sam 6:21–7:1; 1 Sam 7:1–2; 2 Sam 6:1; 1 Kron 15:3; 1 Kon 8:65; 2 Kon 25:21 **13:6** David ging met heel Israël omhoog naar Baäla, dat is Kirjat-Jearim, dat bij Juda hoort. Zij gingen de ark van Elohim Yahweh vandaar omhoog brengen. Hij troont op de cherubs. De Naam wordt erover uitgeroepen. Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en ging omhoog | דָּוִ֤יד (david) = David | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בַּעֲלָ֔תָה (baalata) = naar Baäla | אֶל (el) = naar | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֖ים (yearim) = Jearim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לִיהוּדָ֑ה (lihuda) = van Juda | לְהַעֲל֣וֹת (lehaalot) = om omhoog te brengen | מִשָּׁ֗ם (misham) = vandaar | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲר֨וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֧ים (haElohim) = de Elohim | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = zittend op | הַכְּרוּבִ֖ים (hakeruvim) = de cherubs | אֲשֶׁר (asher) = die | נִקְרָ֥א (niqra) = wordt uitgeroepen | שֵֽׁם (shem) = de Naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäla (בַּעֲלָה) is een andere naam voor Kirjat-Jearim (Joz. 15:9). In 2 Sam. 6:2 heet de plaats Baäle-Juda. Voetnoot Uitleg: אֲשֶׁר נִקְרָא שֵׁם (asher nikra shem), ‘waar de Naam over wordt uitgeroepen’: het Hebreeuws zegt niet zelf over wie of wat de Naam wordt uitgeroepen. Het gaat om de ark, of om Yahweh die op de cherubs troont. Wij laten dat zo staan. In 2 Sam. 6:2 staat: ‘de Naam van Yahweh van de legermachten’. Voetnoot : De cherubs staan op het verzoendeksel van de ark (Exod. 25:18–22). Zie ook: Ex 25:18–22; Ex 25:22; Joz 15:9; Joz 15:60; 2 Sam 6:2–11; 2 Kon 19:15 **13:7** Zij zetten de ark van Elohim op een nieuwe wagen, uit het huis van Abinadab. Uzza en Achjo bestuurden de wagen. Brontekst: וַיַּרְכִּ֜יבוּ (vayarkivu) = en zij lieten rijden | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֤וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = de Elohim | עַל (al) = op | עֲגָלָ֣ה (agala) = een wagen | חֲדָשָׁ֔ה (chadasha) = nieuwe | מִבֵּ֖ית (mibeit) = uit het huis van | אֲבִינָדָ֑ב (avinadav) = Abinadab | וְעֻזָּ֣א (veuza) = en Uzza | וְאַחְי֔וֹ (veachyo) = en Achjo | נֹהֲגִ֖ים (nohagim) = bestuurders | בָּעֲגָלָֽה (baagala) = van de wagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲגָלָה חֲדָשָׁה (agalah chadashah), ‘een nieuwe wagen’: de wet zegt dat de Kehatieten de ark op draagstokken dragen (Exod. 25:14; Num. 4:15; 7:9). Zie ook 1 Sam. 6:7. Voetnoot : וְאַחְיוֹ (veachyo), ‘en Achjo’: de medeklinkers kunnen ook ‘en zijn broeders’ betekenen. De klinkers geven hier een eigennaam, zoals in 2 Sam. 6:3. In 2 Sam. 6:3–4 staat de wagen nog een tweede keer. Zie ook: Ex 25:14; Num 4:15; Num 7:9; 1 Sam 6:7; 1 Sam 7:1–2; 2 Sam 6:3; 1 Kron 15:2; 1 Kron 15:13 **13:8** David en heel Israël speelden voor het aangezicht van Elohim met alle kracht. Zij speelden met gezang, lieren, harpen, tamboerijnen, bekkens en trompetten. Brontekst: וְדָוִ֣יד (vedavid) = en David | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | מְשַׂחֲקִ֛ים (mesachaqim) = spelend | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | בְּכָל (bekhal) = met alle | עֹ֑ז (oz) = kracht | וּבְשִׁירִ֤ים (uveshirim) = en met gezang | וּבְכִנֹּרוֹת֙ (uvekhinorot) = en met lieren | וּבִנְבָלִ֣ים (uvinvalim) = en met harpen | וּבְתֻפִּ֔ים (uvetupim) = en met tamboerijnen | וּבִמְצִלְתַּ֖יִם (uvimtsiltayim) = en met bekkens | וּבַחֲצֹצְרֽוֹת (uvachatsotserot) = en met trompetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכָל עֹז (bechol oz), ‘met alle kracht’: 2 Sam. 6:5 heeft een andere tekst: ‘met allerlei cipressenhout’. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Voetnoot : שִׁירִים (shirim), ‘gezang’; כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’; נֶבֶל (nevel), ‘harp’; תֹּף (tof), ‘tamboerijn’; מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’; חֲצֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: zie Num. 10:2. Zie ook: Num 10:2; 2 Sam 6:5–23; 1 Kron 16:42; 1 Kron 23:5; Ps 150:3–5; 2 Kon 3:15 ### Uzza sterft **13:9** Zij kwamen bij de dorsvloer van Kidon. Uzza strekte zijn hand uit om de ark vast te grijpen, want de runderen struikelden. Brontekst: וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | גֹּ֣רֶן (goren) = de dorsvloer van | כִּידֹ֑ן (kidon) = Kidon | וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en strekte uit | עֻזָּ֜א (uza) = Uzza | אֶת (et) = (obj.) | יָד֗וֹ (yado) = zijn hand | לֶאֱחֹז֙ (leechoz) = om vast te grijpen | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אָר֔וֹן (haaron) = de ark | כִּ֥י (ki) = want | שָֽׁמְט֖וּ (shametu) = struikelden | הַבָּקָֽר (habaqar) = de runderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De dorsvloer van Kidon (כִּידֹן): de ligging is onzeker. In 2 Sam. 6:6 heet de plek ‘de dorsvloer van Nachon’. Zie Dorsvloer van Kidon (ligging onzeker): De dorsvloer van Kidon (in 2 Samuël 6:6 Nachon) lag onderweg van Kirjat-Jearim naar Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt hier ‘zijn hand’. In 2 Sam. 6:6 staat dat woord niet. Voetnoot : שָׁמְטוּ (shamatu), ‘struikelden’: het werkwoord betekent ‘laten vallen’ of ‘laten schieten’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: 2 Sam 6:6 **13:10** Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Uzza. Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestrekt. Daar stierf hij, voor het aangezicht van Elohim. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֤ף (af) = de toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּעֻזָּ֔א (beuza) = tegen Uzza | וַיַּכֵּ֕הוּ (vayakehu) = en sloeg hem | עַ֛ל (al) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij had uitgestrekt | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | עַל (al) = naar | הָאָר֑וֹן (haaron) = de ark | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en hij stierf | שָׁ֖ם (sham) = daar | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ark is hoogheilig en mocht niet worden aangeraakt (Num. 4:15). Zie ook Lev. 10:1–2. Voetnoot Lezing: 2 Sam. 6:7 heeft een ander woord voor de reden: הַשַּׁל (hashal), een woord dat maar één keer voorkomt. Kronieken geeft hier de reden zelf: hij strekte zijn hand uit naar de ark. Zie ook: Lev 10:1–2; Num 4:15; 1 Sam 6:19; 2 Sam 6:7; 1 Kron 15:13; 1 Kron 15:15; 1 Kor 11:30–32 **13:11** David werd kwaad, omdat Yahweh een doorbraak had gemaakt tegen Uzza. Men noemde die plaats Peres-Uzza, tot op deze dag. Brontekst: וַיִּ֣חַר (vayichar) = en ontbrandde | לְדָוִ֔יד (ledavid) = voor David | כִּֽי (ki) = omdat | פָרַ֧ץ (parats) = had doorbroken | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּ֖רֶץ (perets) = een doorbraak | בְּעֻזָּ֑א (beuza) = tegen Uzza | וַיִּקְרָ֞א (vayiqra) = en men noemde | לַמָּק֤וֹם (lamaqom) = die plaats | הַהוּא֙ (hahu) = die | פֶּ֣רֶץ (perets) = Peres | עֻזָּ֔א (uza) = Uzza | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Peres-Uzza (פֶּרֶץ עֻזָּא) betekent ‘doorbraak van Uzza’. De ligging is onzeker; de plek lag bij de dorsvloer. Zie Dorsvloer van Nachon (ligging onzeker): De dorsvloer van Nachon (Peres-Uzza) lag onderweg van Kirjat-Jearim naar Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: In Kronieken staat de naam van Uzza met een slot-א (עֻזָּא), in 2 Sam. 6:8 met een slot-ה (עֻזָּה). Wij schrijven allebei ‘Uzza’. Zie ook: Deut 34:6; Joz 4:9; 2 Sam 6:7; 2 Sam 6:8; 2 Sam 6:9; Jona 4:4 ### De ark bij Obed-Edom **13:12** David vreesde Elohim op die dag. Hij zei: „Hoe zal ik de ark van Elohim bij mij laten komen?” Brontekst: וַיִּירָ֤א (vayira) = en vreesde | דָוִיד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הֵ֚יךְ (heikh) = hoe | אָבִ֣יא (avi) = zal ik brengen | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 25:5–6; 1 Sam 5:10–11; 1 Sam 6:20; Ps 119:120; 1 Kon 8:27 **13:13** David bracht de ark niet naar zich toe, naar de stad van David. Hij liet haar afbuigen naar het huis van Obed-Edom, de Gattiet. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | הֵסִ֨יר (hesir) = liet brengen | דָּוִ֧יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הָאָר֛וֹן (haaron) = de ark | אֵלָ֖יו (elav) = naar zich | אֶל (el) = naar | עִ֣יר (ir) = de stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיַּטֵּ֕הוּ (vayatehu) = en liet haar afbuigen | אֶל (el) = naar | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | עֹבֵֽד (oved) = Obed | אֱדֹ֖ם (edom) = Edom | הַגִּתִּֽי (hagiti) = de Gattiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat (גַּת) was een stad van de Filistijnen. ‘De Gattiet’ kan een man uit Gat zijn, of uit Gat-Rimmon, een stad van de Levieten (Joz. 21:24). De tekst zegt dat niet. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Obed-Edom komt later in Kronieken voor onder de Levieten (1 Kron. 15:18,21,24; 16:38; 26:4–8). De tekst zegt niet of dit dezelfde man is. Zie ook: Joz 21:24; 2 Sam 4:3; 2 Sam 6:10–11; 1 Kron 15:18; 1 Kron 26:4; 1 Kron 26:8 **13:14** De ark van Elohim bleef drie maanden bij het huis van Obed-Edom, in zijn huis. Yahweh zegende het huis van Obed-Edom en alles wat van hem was. Brontekst: וַיֵּשֶׁב֩ (vayeshev) = en bleef | אֲר֨וֹן (aron) = de ark van | הָאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = de Elohim | עִם (im) = bij | בֵּ֨ית (beit) = het huis van | עֹבֵ֥ד (oved) = Obed | אֱדֹ֛ם (edom) = Edom | בְּבֵית֖וֹ (beveito) = in zijn huis | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | חֳדָשִׁ֑ים (chodashim) = maanden | וַיְבָ֧רֶךְ (vayvarekh) = en zegende | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | עֹבֵֽד (oved) = Obed | אֱדֹ֖ם (edom) = Edom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Drie maanden: de zegen over het huis van Obed-Edom laat zien dat Yahweh de ark niet afwijst. Zie ook 2 Sam. 6:11. Dit gaf David aanleiding om de ark weer op te halen (1 Kron. 15:25). Zie ook: Gen 30:27; Gen 39:5; 2 Sam 6:11; 1 Kron 15:25; 1 Kron 26:4–5; Spr 3:9–10; Spr 10:22 ## 1 Kronieken 14 _Davids huis en Davids oorlogen_ ### Churam bouwt een huis voor David **14:1** Churam, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, steenbewerkers voor muren en houtbewerkers. Zij moesten een huis voor hem bouwen. Brontekst: וַ֠יִּשְׁלַח (vayishlach) = en stuurde | חוּרָ֨ם (churam) = Churam | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | צֹ֥ר (tsor) = Tyrus | מַלְאָכִים֮ (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | דָּוִיד֒ (david) = David | וַעֲצֵ֣י (vaatsei) = en hout van | אֲרָזִ֔ים (arazim) = cederen | וְחָרָשֵׁ֣י (vecharashei) = en bewerkers van | קִ֔יר (qir) = muur | וְחָרָשֵׁ֖י (vecharashei) = en bewerkers van | עֵצִ֑ים (etsim) = hout | לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | ל֖וֹ (lo) = voor hem | בָּֽיִת (bayit) = een huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tyrus (צֹר, tsor) was een havenstad in Fenicië, aan de kust van de Middellandse Zee (nu Tyrus of Sur, Libanon). Zie ook 1 Kon. 5:15–26. Voetnoot Uitleg: חוּרָם (churam), ‘Churam’: de koning heet hier Churam. In 2 Sam. 5:11 heet hij Hiram. Wij houden de vorm van elk boek aan. Het geschreven woord (ketiv) is חירם (Hiram). De voorgelezen vorm (qere) is חוּרָם (Churam). Wij volgen de qere. Voetnoot : חָרָשֵׁי קִיר (charashe qir), ‘steenbewerkers voor muren’: letterlijk ‘bewerkers van de muur’. חָרָשֵׁי עֵצִים (charashe etsim), ‘houtbewerkers’. Zie ook: 2 Sam 5:11–16; 1 Kon 5:15–26; 1 Kon 5:22–26; 2 Kron 2:2; 2 Kron 2:7–11; Ezra 3:7 **14:2** David wist dat Yahweh hem had bevestigd als koning over Israël. Want zijn koningschap was hoog verheven, omwille van Zijn volk Israël. Brontekst: וַיֵּ֣דַע (vayeda) = en wist | דָּוִ֔יד (david) = David | כִּֽי (ki) = dat | הֱכִינ֧וֹ (hekhino) = had bevestigd hem | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְמֶ֖לֶךְ (lemelekh) = als koning | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = want | נִשֵּׂ֤את (niset) = was verheven | לְמַ֨עְלָה֙ (lemala) = hoog | מַלְכוּת֔וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | בַּעֲב֖וּר (baavur) = omwille van | עַמּ֥וֹ (amo) = Zijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשֵּׂאת (nisset), ‘was verheven’: het koningschap van David is hoog opgetild. Zie ook 2 Sam. 5:12. Voetnoot : בַּעֲבוּר עַמּוֹ (baavur ammo), ‘omwille van Zijn volk’: het voornaamwoord kan ook ‘zijn volk’ betekenen. Wij volgen 2 Sam. 5:12. Zie ook: Num 24:7; 2 Sam 5:12; 2 Sam 7:16; Ps 89:21–38; 2 Kron 2:10; Est 4:14 ### De kinderen van David in Jeruzalem **14:3** David nam nog meer vrouwen in Jeruzalem. David kreeg nog meer zonen en dochters. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | דָּוִ֥יד (david) = David | ע֛וֹד (od) = nog | נָשִׁ֖ים (nashim) = vrouwen | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וַיּ֧וֹלֶד (vayoled) = en kreeg | דָּוִ֛יד (david) = David | ע֖וֹד (od) = nog | בָּנִ֥ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De vrouwen en kinderen van David staan ook in 2 Sam. 5:13–16 en 1 Kron. 3:5–8. Zie ook: Deut 17:17; 2 Sam 5:13; 1 Kron 3:1–4; 1 Kron 3:5–8; Mal 2:14; Mat 19:8 **14:4** Dit zijn de namen van de kinderen die hem in Jeruzalem werden geboren: Sjammua, Sjobab, Natan, Salomo, Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | שְׁמ֣וֹת (shemot) = de namen van | הַיְלוּדִ֔ים (hayludim) = de geborenen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָיוּ (hayu) = waren | ל֖וֹ (lo) = voor hem | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | שַׁמּ֣וּעַ (shamua) = Sjammua | וְשׁוֹבָ֔ב (veshovav) = en Sjobab | נָתָ֖ן (natan) = Natan | וּשְׁלֹמֹֽה (ushelomo) = en Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De lijst in vers 4–7 telt 13 namen. 2 Sam. 5:14–16 telt er 11. Hier staan Nogah (vers 6) en Elpelet (vers 5) erbij. Voetnoot : שַׁמּוּעַ (shammua), ‘Sjammua’; שׁוֹבָב (shovav), ‘Sjobab’: dezelfde mannen als in 2 Sam. 5:14. Zie ook: 2 Sam 5:14–16; 2 Sam 12:1; 1 Kron 3:5–9; 1 Kron 14:5; 1 Kron 14:6; 1 Kron 28:5–6; Mat 1:6; Luc 3:31 **14:5** Jibchar, Elisjua, Elpelet, Brontekst: וְיִבְחָ֥ר (veyivchar) = en Jibchar | וֶאֱלִישׁ֖וּעַ (veelishua) = en Elisjua | וְאֶלְפָּֽלֶט (veelpalet) = en Elpelet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elisjua (אֱלִישׁוּעַ) is de vorm van 2 Sam. 5:15. Zie ook: 2 Sam 5:15; 1 Kron 3:6 **14:6** Nogah, Nefeg, Jafia, Brontekst: וְנֹ֥גַהּ (venogah) = en Nogah | וְנֶ֖פֶג (venefeg) = en Nefeg | וְיָפִֽיעַ (veyafia) = en Jafia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:7** Elisjama, Beëljada en Elifelet. Brontekst: וֶאֱלִישָׁמָ֥ע (veelishama) = en Elisjama | וּבְעֶלְיָדָ֖ע (uveelyada) = en Beëljada | וֶאֱלִיפָֽלֶט (veelifalet) = en Elifelet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Beëljada (בְּעֶלְיָדָע, beeljada) betekent ‘Baäl weet’. In 2 Sam. 5:16 en 1 Kron. 3:8 heet deze zoon Eljada (אֶלְיָדָע, ‘Elohim weet’). Wij houden de vorm van Kronieken aan. Zie ook: 2 Sam 5:16; 1 Kron 3:8 ### De Filistijnen worden verslagen **14:8** De Filistijnen hoorden dat David was gezalfd tot koning over heel Israël. Alle Filistijnen trokken omhoog om David te zoeken. David hoorde het en ging naar buiten, hen tegemoet. Brontekst: וַיִּשְׁמְע֣וּ (vayishmeu) = en hoorden | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = Filistijnen | כִּי (ki) = dat | נִמְשַׁ֨ח (nimshach) = was gezalfd | דָּוִ֤יד (david) = David | לְמֶ֨לֶךְ֙ (lemelekh) = tot koning | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en trokken omhoog | כָל (kal) = alle | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | לְבַקֵּ֣שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | דָּוִ֔יד (david) = David | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en ging uit | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = hen tegemoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 5:11–25. Voetnoot Lezing: 2 Sam. 5:17 zegt dat David ‘naar de burcht ging’. Kronieken zegt dat hij ‘naar buiten ging, hen tegemoet’ (לִפְנֵיהֶם, lifnehem). Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Zie ook: 1 Sam 21:12; 2 Sam 5:3; 2 Sam 5:11–25; 2 Sam 5:17; 1 Kron 11:3; Ps 2:1–6; Openb 11:15–18 **14:9** De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal van de Refaïeten. Brontekst: וּפְלִשְׁתִּ֖ים (ufelishtim) = en Filistijnen | בָּ֑אוּ (bau) = waren gekomen | וַֽיִּפְשְׁט֖וּ (vayifshetu) = en verspreidden zich | בְּעֵ֥מֶק (beemeq) = in het dal van | רְפָאִֽים (refaim) = de Refaïeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van de Refaïeten (עֵמֶק רְפָאִים) ligt ten zuidwesten van Jeruzalem (nu het gebied van Baqa, Israël). Zie ook Joz. 15:8. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 15:8; 2 Sam 5:18; 2 Sam 23:13; 1 Kron 11:15; 1 Kron 14:13; Jes 17:5 **14:10** David vroeg Elohim om raad: „Moet ik optrekken tegen de Filistijnen? Geeft U hen in mijn hand?” Yahweh zei tegen hem: **„Trek op. Ik zal hen in je hand geven.”** Brontekst: וַיִּשְׁאַ֨ל (vayishal) = en vroeg | דָּוִ֤יד (david) = David | בֵּאלֹהִים֙ (bElohim) = aan Elohim | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַאֶֽעֱלֶה֙ (haeele) = moet ik optrekken | עַל (al) = tegen | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וּנְתַתָּ֖ם (unetatam) = en zult U geven hen | בְּיָדִ֑י (beyadi) = in mijn hand | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | ל֤וֹ (lo) = tot hem | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵ֔ה (ale) = trek op | וּנְתַתִּ֖ים (unetatim) = en Ik zal geven hen | בְּיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: In deze vraag noemt David Elohim; het antwoord komt van Yahweh. 2 Sam. 5:19 noemt Yahweh in beide. Zie ook: 2 Sam 2:1; 2 Sam 5:19; 1 Kron 13:3; 1 Kron 14:14; Spr 3:6 **14:11** Zij trokken op naar Baäl-Perazim. Daar versloeg David hen. David zei: „Elohim heeft mijn vijanden door mijn hand heen doorbroken, zoals water doorbreekt.” Daarom noemde men die plaats Baäl-Perazim. Brontekst: וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij trokken omhoog | בְּבַֽעַל (bevaal) = naar Baäl | פְּרָצִים֮ (peratsim) = Perazim | וַיַּכֵּ֣ם (vayakem) = en versloeg hen | שָׁ֣ם (sham) = daar | דָּוִיד֒ (david) = David | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֔יד (david) = David | פָּרַ֨ץ (parats) = heeft doorbroken | הָֽאֱלֹהִ֧ים (haElohim) = de Elohim | אֶת (et) = (obj.) | אוֹיְבַ֛י (oyevay) = mijn vijanden | בְּיָדִ֖י (beyadi) = door mijn hand | כְּפֶ֣רֶץ (keferets) = zoals doorbreken van | מָ֑יִם (mayim) = water | עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = zo | קָֽרְא֛וּ (qareu) = noemde men | שֵֽׁם (shem) = de naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = die plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | פְּרָצִֽים (peratsim) = Perazim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäl-Perazim (בַּעַל פְּרָצִים) betekent ‘heer van de doorbraken’. De ligging is onzeker; de plek ligt bij het dal van de Refaïeten (2 Sam. 5:20). Voetnoot Uitleg: פָּרַץ הָאֱלֹהִים (parats haElohim), ‘Elohim heeft doorbroken’: in 2 Sam. 5:20 staat ‘Yahweh heeft doorbroken’. Zie ook: Ex 14:28; 2 Sam 5:20; Ps 144:10; Jes 28:21; Mat 7:27 **14:12** Zij lieten daar hun goden achter. David gaf bevel, en zij werden in het vuur verbrand. Brontekst: וַיַּעַזְבוּ (vayaazvu) = en zij lieten achter | שָׁ֖ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun goden | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֔יד (david) = David | וַיִּשָּׂרְפ֖וּ (vayisarefu) = en zij werden verbrand | בָּאֵֽשׁ (baesh) = in vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 2 Sam. 5:21 zegt dat David en zijn mannen de afgodsbeelden meenamen. Kronieken zegt dat David bevel gaf om ze te verbranden. Zie ook Deut. 7:5,25. Voetnoot : וַיֹּאמֶר דָּוִיד (vayomer david), ‘en David zei’: wij vertalen ‘David gaf bevel’. Voetnoot : וַיִּשָּׂרְפוּ (vayissarefu), ‘zij werden verbrand’: het werkwoord staat in de lijdende vorm. Zie ook: Ex 32:20; Deut 7:5; Deut 7:25; 1 Sam 5:2–6; 2 Sam 5:21; 2 Kon 19:18 **14:13** De Filistijnen gingen verder en verspreidden zich opnieuw in het dal. Brontekst: וַיֹּסִ֤יפוּ (vayosifu) = en zij gingen verder | עוֹד֙ (od) = nog | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וַֽיִּפְשְׁט֖וּ (vayifshetu) = en verspreidden zich | בָּעֵֽמֶק (baemeq) = in het dal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: 2 Sam 5:22–25; 1 Kron 14:9; 1 Kon 20:22 **14:14** David vroeg opnieuw Elohim om raad. Elohim zei tegen hem: **„Je mag niet achter hen aan optrekken. Wend je van hen af en kom bij hen vanuit de overkant van de balsemstruiken.** Brontekst: וַיִּשְׁאַ֨ל (vayishal) = en vroeg | ע֤וֹד (od) = opnieuw | דָּוִיד֙ (david) = David | בֵּֽאלֹהִ֔ים (bElohim) = aan Elohim | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | לֹ֥א (lo) = niet | תַֽעֲלֶ֖ה (taale) = je mag optrekken | אַֽחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = achter hen | הָסֵב֙ (hasev) = wend je af | מֵֽעֲלֵיהֶ֔ם (mealeihem) = van hen | וּבָ֥אתָ (uvata) = en kom | לָהֶ֖ם (lahem) = bij hen | מִמּ֥וּל (mimul) = tegenover | הַבְּכָאִֽים (habekhaim) = de balsemstruiken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכָאִים (bekhaim), ‘balsemstruiken’: een soort struik of boom. Wat voor struik of boom het is, is onzeker. Voetnoot : הַסֵּב מֵעֲלֵיהֶם (hasev mealehem), ‘wend je van hen af’: 2 Sam. 5:23 zegt: ‘Ga om hen heen’. Voetnoot : Elohim spreekt hier; 2 Sam. 5:23 noemt Yahweh. Wij zetten de woorden rood, omdat Elohim zelf spreekt. Zie ook: Joz 8:2–7; 2 Sam 5:23; 1 Kron 14:10; Ps 27:4; Joh 9:6–7 **14:15** **Wanneer je het geluid van voetstappen in de toppen van de balsemstruiken hoort, trek dan ten strijde. Want Elohim is voor je uit gegaan om het kamp van de Filistijnen te slaan.”** Brontekst: וִ֠יהִי (vihi) = en het zal zijn | כְּֽשָׁמְעֲךָ֞ (keshameakha) = als je hoort | אֶת (et) = (obj.) | ק֤וֹל (qol) = het geluid van | הַצְּעָדָה֙ (hatseada) = de voetstappen | בְּרָאשֵׁ֣י (berashei) = in de toppen van | הַבְּכָאִ֔ים (habekhaim) = de balsemstruiken | אָ֖ז (az) = dan | תֵּצֵ֣א (tetse) = zul je uittrekken | בַמִּלְחָמָ֑ה (bamilchama) = in de strijd | כִּֽי (ki) = want | יָצָ֤א (yatsa) = is uitgegaan | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = de Elohim | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je aangezicht | לְהַכּ֖וֹת (lehakot) = om te slaan | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | פְלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: הַצְּעָדָה (hatseadah), ‘het geluid van voetstappen’: een ritme van stappen in de toppen van de struiken. Zie ook: 2 Kon 19:7; Jes 13:4; Mi 2:12–13; Hand 2:2; Fil 2:12–13 **14:16** David deed zoals Elohim hem had geboden. Zij versloegen het kamp van de Filistijnen, van Gibeon tot Gezer. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | דָּוִ֔יד (david) = David | כַּֽאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֖הוּ (tsivahu) = Hij had geboden hem | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וַיַּכּוּ֙ (vayaku) = en zij versloegen | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | מִגִּבְע֖וֹן (migivon) = vanaf Gibeon | וְעַד (vead) = en tot | גָּֽזְרָה (gazera) = Gezer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon (גִּבְעוֹן) ligt ongeveer 10 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem (nu El-Jib, Westelijke Jordaanoever). Gezer (גֶּזֶר) ligt ongeveer 30 kilometer ten westen van Jeruzalem (nu Tell Gezer, Israël). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: 2 Sam. 5:25 heeft Geba (גֶּבַע) in plaats van Gibeon. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Zie ook: Gen 6:22; 2 Sam 5:25; Joh 2:5; Joh 13:17; Joh 15:14 **14:17** De naam van David ging uit over alle landen. Yahweh liet de angst voor hem komen over alle volken. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | שֵׁם (shem) = de naam van | דָּוִ֖יד (david) = David | בְּכָל (bekhal) = in alle | הָֽאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = landen | וַֽיהוָ֛ה (vaYahweh) = en Yahweh | נָתַ֥ן (natan) = gaf | אֶת (et) = (obj.) | פַּחְדּ֖וֹ (pachdo) = zijn schrik | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחְדּוֹ (pachdo), ‘de angst voor hem’: de angst die de volken voor David hebben. Yahweh laat die angst komen. Zie ook: Ex 15:14–16; Deut 2:25; Joz 6:27; Ps 18:45; 2 Kron 26:8 ## 1 Kronieken 15 _De ark wordt door de Levieten naar Jeruzalem gebracht_ ### David maakt een plaats klaar voor de ark **15:1** David maakte huizen voor zichzelf in de stad van David. Hij maakte een plaats klaar voor de ark van Elohim en spande er een tent voor op. Brontekst: וַיַּֽעַשׂ (vayaas) = en maakte | ל֥וֹ (lo) = voor zich | בָתִּ֖ים (batim) = huizen | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיָּ֤כֶן (vayakhen) = en maakte gereed | מָקוֹם֙ (maqom) = een plaats | לַֽאֲר֣וֹן (laaron) = voor de ark van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | וַיֶּט (vayet) = en spande uit | ל֖וֹ (lo) = voor haar | אֹֽהֶל (ohel) = een tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De stad van David is het oudste deel van Jeruzalem, op de zuidoostelijke heuvel (nu Silwan, Oost-Jeruzalem). Voetnoot Uitleg: Vers 1–24 hebben geen parallel in Samuël. Vers 25–29 lopen parallel met 2 Sam. 6:12–16. De tent komt ook voor in 2 Sam. 6:17 en 1 Kron. 16:1. Zie ook: 2 Sam 6:12–16; 2 Sam 6:17; 1 Kron 15:3; 1 Kron 15:25–29; 1 Kron 16:1; 1 Kron 17:1–5; Ps 132:5; Hand 7:46 **15:2** Toen zei David: „Niemand mag de ark van Elohim dragen, behalve de Levieten. Want hen heeft Yahweh gekozen om de ark van Yahweh te dragen en om Hem te dienen tot in eeuwigheid.” Brontekst: אָ֚ז (az) = toen | אָמַ֣ר (amar) = zei | דָּוִ֔יד (david) = David | לֹ֤א (lo) = niet | לָשֵׂאת֙ (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | כִּ֖י (ki) = dan | אִם (im) = alleen | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | כִּי (ki) = want | בָ֣ם (bam) = hen | בָּחַ֣ר (bachar) = koos | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לָשֵׂ֞את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֧וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וּֽלְשָׁרְת֖וֹ (uleshareto) = en om Hem te dienen | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David bedoelt dat alleen de Levieten de ark mogen dragen, zoals de wet zegt (Num. 4:15; 7:9; Deut. 10:8; 31:25). Bij de eerste poging stond de ark op een wagen (1 Kron. 13:7). Zie ook: Num 4:15; Num 7:9; Num 18:1–8; Deut 10:8; Deut 31:9; Deut 31:25; Joz 3:3; 1 Kron 13:7; Jer 33:17–22 **15:3** David verzamelde heel Israël in Jeruzalem om de ark van Yahweh omhoog te brengen naar haar plaats, die hij voor haar had klaargemaakt. Brontekst: וַיַּקְהֵ֥ל (vayaqhel) = en verzamelde | דָּוִ֛יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | לְהַעֲלוֹת֙ (lehaalot) = om omhoog te brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | מְקוֹמ֖וֹ (meqomo) = haar plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵכִ֥ין (hekhin) = had klaargemaakt | לֽוֹ (lo) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Sam 6:12; 2 Sam 6:17; 1 Kron 13:5; 1 Kron 15:1; 1 Kon 8:1 ### De Levieten worden bijeengeroepen **15:4** David riep de zonen van Aäron en de Levieten bijeen. Brontekst: וַיֶּאֱסֹ֥ף (vayeesof) = en verzamelde | דָּוִ֛יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אַֽהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:16–22; Num 3:4; 1 Kron 6:1–15; 1 Kron 6:34–35; 1 Kron 12:27–29 **15:5** Van de zonen van Kehat: Uriël, het hoofd, en zijn broeders: 120. Brontekst: לִבְנֵ֖י (livnei) = van de zonen van | קְהָ֑ת (qehat) = Kehat | אוּרִיאֵ֣ל (uriel) = Uriël | הַשָּׂ֔ר (hasar) = het hoofd | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broeders | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In vers 5–10 staan zes families van de Levieten. Kehat, Merari en Gersjon zijn de drie zonen van Levi (Num. 3:17). Elizafan, Hebron en Uzziël horen bij Kehat (Exod. 6:18, 22; Num. 3:19, 30). Hier worden zij apart genoemd, naast de zonen van Kehat. Voetnoot : הַשָּׂר (hasar), ‘het hoofd’: de aanvoerder van de familie. Zie ook: Ex 6:18; Num 3:17; Num 3:19; 1 Kron 6:7–9 **15:6** Van de zonen van Merari: Asaja, het hoofd, en zijn broeders: 220. Brontekst: לִבְנֵ֖י (livnei) = van de zonen van | מְרָרִ֑י (merari) = Merari | עֲשָׂיָ֣ה (asaya) = Asaja | הַשָּׂ֔ר (hasar) = het hoofd | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broeders | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 6:14–15 **15:7** Van de zonen van Gersjon: Joël, het hoofd, en zijn broeders: 130. Brontekst: לִבְנֵ֖י (livnei) = van de zonen van | גֵּרְשׁ֑וֹם (gereshom) = Gersjon | יוֹאֵ֣ל (yoel) = Joël | הַשָּׂ֔ר (hasar) = het hoofd | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broeders | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וּשְׁלֹשִֽׁים (usheloshim) = en dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרְשׁוֹם (gershom): in Kronieken staat de naam van de Levietenfamilie hier met een slot-ם. Het gaat om Gersjon, de zoon van Levi (Num. 3:17). Wij schrijven overal ‘Gersjon’. De zoon van Mozes heet Gersom (Exod. 2:22) en is een andere man. Zie ook: Ex 2:22; Num 3:17; 1 Kron 15:11; 1 Kron 23:8 **15:8** Van de zonen van Elizafan: Sjemaja, het hoofd, en zijn broeders: 200. Brontekst: לִבְנֵ֖י (livnei) = van de zonen van | אֱלִֽיצָפָ֑ן (elitsafan) = Elizafan | שְׁמַֽעְיָ֥ה (shemaya) = Sjemaja | הַשָּׂ֖ר (hasar) = het hoofd | וְאֶחָ֥יו (veechav) = en zijn broeders | מָאתָֽיִם (matayim) = tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:22 **15:9** Van de zonen van Hebron: Eliël, het hoofd, en zijn broeders: 80. Brontekst: לִבְנֵ֖י (livnei) = van de zonen van | חֶבְר֑וֹן (chevron) = Hebron | אֱלִיאֵ֥ל (eliel) = Eliël | הַשָּׂ֖ר (hasar) = het hoofd | וְאֶחָ֥יו (veechav) = en zijn broeders | שְׁמוֹנִֽים (shemonim) = tachtig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:18; Num 26:58; 1 Kron 5:28; 1 Kron 23:19; 1 Kron 26:30–31 **15:10** Van de zonen van Uzziël: Amminadab, het hoofd, en zijn broeders: 112. Brontekst: לִבְנֵ֖י (livnei) = van de zonen van | עֻזִּיאֵ֑ל (uziel) = Uzziël | עַמִּינָדָ֣ב (aminadav) = Amminadab | הַשָּׂ֔ר (hasar) = het hoofd | וְאֶחָ֕יו (veechav) = en zijn broeders | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | וּשְׁנֵ֥ים (usheneim) = en twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:18; Ex 6:22; 1 Kron 6:3; 1 Kron 6:7; 1 Kron 23:12 **15:11** David riep de priesters Zadok en Abjatar bij zich, en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Sjemaja, Eliël en Amminadab. Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | דָוִ֔יד (david) = David | לְצָד֥וֹק (letsadoq) = Zadok | וּלְאֶבְיָתָ֖ר (uleevyatar) = en Abjatar | הַכֹּֽהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | וְלַלְוִיִּ֗ם (velalviyim) = en de Levieten | לְאֽוּרִיאֵ֤ל (leuriel) = Uriël | עֲשָׂיָה֙ (asaya) = Asaja | וְיוֹאֵ֣ל (veyoel) = en Joël | שְׁמַֽעְיָ֔ה (shemaya) = Sjemaja | וֶאֱלִיאֵ֖ל (veeliel) = en Eliël | וְעַמִּינָדָֽב (veaminadav) = en Amminadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zadok en Abjatar zijn de twee priesters van David (2 Sam. 8:17; 15:24–29). Zie ook: 1 Sam 22:20–23; 2 Sam 8:17; 2 Sam 15:24; 2 Sam 20:25; 1 Kron 12:29; 1 Kron 18:16; 1 Kon 2:35 **15:12** Hij zei tegen hen: „Jullie zijn de familiehoofden van de Levieten. Maak jullie heilig, jullie en jullie broeders. Breng de ark van Yahweh, de Elohim van Israël, omhoog naar de plaats die ik voor haar heb klaargemaakt. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | הָאָב֖וֹת (haavot) = de vaders | לַלְוִיִּ֑ם (lalviyim) = van de Levieten | הִֽתְקַדְּשׁוּ֙ (hitqadeshu) = maak jullie heilig | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | וַאֲחֵיכֶ֔ם (vaacheikhem) = en jullie broeders | וְהַֽעֲלִיתֶ֗ם (vehaalitem) = en breng omhoog | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲר֤וֹן (aron) = de ark van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | הֲכִינ֖וֹתִי (hakhinoti) = wat ik heb klaargemaakt | לֽוֹ (lo) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:14–15; 1 Kron 15:14; 2 Kron 30:15; 2 Kron 35:6; Rom 12:1–2 **15:13** Want de eerste keer waren jullie er niet. Yahweh, onze Elohim, maakte toen een doorbraak onder ons, omdat wij Hem niet zochten volgens het recht.” Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | לְמַ (lema) = op de | בָּרִ֥אשׁוֹנָ֖ה (barishona) = eerste keer | לֹ֣א (lo) = niet | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | פָּרַ֨ץ (parats) = heeft doorbroken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | בָּ֔נוּ (banu) = onder ons | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | דְרַשְׁנֻ֖הוּ (derashnuhu) = hebben wij Hem gezocht | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרִאשֹׁנָה (barishonah), ‘de eerste keer’: het Hebreeuws schrijft dit woord in twee delen (לְמַ en בָּרִאשֹׁנָה). Het gaat om de eerste poging, toen Uzza stierf (1 Kron. 13:9–11). Voetnoot : כְּמִשְׁפָּט (kamishpat), ‘volgens het recht’: volgens de voorgeschreven wijze (mishpat), zoals Mozes heeft geboden. Zie ook: Deut 31:9; 2 Sam 6:3; 1 Kron 13:9–11; 1 Kor 11:2; 1 Kor 14:40; 1 Joh 1:8–10 **15:14** De priesters en de Levieten maakten zich heilig om de ark van Yahweh, de Elohim van Israël, omhoog te brengen. Brontekst: וַיִּֽתְקַדְּשׁ֔וּ (vayitqadeshu) = en maakten zich heilig | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֑ם (vehalviyim) = en de Levieten | לְהַעֲל֕וֹת (lehaalot) = om omhoog te brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 10:3; 2 Kron 29:15; 2 Kron 29:34; Joël 2:16–17 **15:15** De zonen van de Levieten droegen de ark van Elohim, zoals Mozes had geboden volgens het woord van Yahweh. Dat deden zij op hun schouders, met de draagstokken erop. Brontekst: וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en droegen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בִּכְתֵפָ֥ם (bikhtefam) = op hun schouders | בַּמֹּט֖וֹת (bamotot) = met draagstokken | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּמֹּטוֹת (bammotot), ‘met draagstokken’: de draagstokken van de ark (Exod. 25:13–15). Wat Mozes heeft geboden staat in Num. 4:15 en 7:9. Zie ook: Ex 25:13–15; Ex 37:3–5; Num 4:5–6; Num 4:15; Num 7:9; 2 Kron 5:9 ### De zangers en de muzikanten **15:16** David zei tegen de hoofden van de Levieten dat zij hun broeders, de zangers, moesten opstellen. Zij moesten spelen met instrumenten voor het lied: harpen, lieren en bekkens. Zij moesten ze laten klinken en hun stem verheffen met vreugde. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִיד֮ (david) = David | לְשָׂרֵ֣י (lesarei) = tegen de hoofden van | הַלְוִיִּם֒ (halviyim) = de Levieten | לְהַֽעֲמִ֗יד (lehaamid) = om te laten staan | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֵיהֶם֙ (acheihem) = hun broeders | הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים (hamshorerim) = de zangers | בִּכְלֵי (bikhlei) = met instrumenten van | שִׁ֛יר (shir) = lied | נְבָלִ֥ים (nevalim) = harpen | וְכִנֹּר֖וֹת (vekhinorot) = en lieren | וּמְצִלְתָּ֑יִם (umetsiltayim) = en bekkens | מַשְׁמִיעִ֥ים (mashmiim) = die laten klinken | לְהָרִֽים (leharim) = door te verheffen | בְּק֖וֹל (beqol) = met stem | לְשִׂמְחָֽה (lesimcha) = van vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלֵי שִׁיר (kele shir), ‘instrumenten voor het lied’: nevel (נֶבֶל), ‘harp’; kinnor (כִּנּוֹר), ‘lier’; metsiltayim (מְצִלְתַּיִם), ‘bekkens’. Voetnoot : מַשְׁמִיעִים (mashmiim), ‘die laten klinken’: dit gaat over de zangers en hun instrumenten. Zie ook: 1 Kron 13:8; 1 Kron 16:42; 1 Kron 23:5; 2 Kron 5:13; Neh 12:36 **15:17** De Levieten stelden Heman op, de zoon van Joël. Van zijn broeders stelden zij Asaf op, de zoon van Berechjahu. Van de zonen van Merari, hun broeders, stelden zij Etan op, de zoon van Kusaja. Brontekst: וַיַּעֲמִ֣ידוּ (vayaamidu) = en lieten staan | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הֵימָ֣ן (heiman) = Heman | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאֵ֔ל (yoel) = Joël | וּמִ֨ן (umin) = en van | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broeders | אָסָ֖ף (asaf) = Asaf | בֶּן (ben) = zoon van | בֶּֽרֶכְיָ֑הוּ (berekhyahu) = Berechjahu | וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | מְרָרִי֙ (merari) = Merari | אֲחֵיהֶ֔ם (acheihem) = hun broeders | אֵיתָ֖ן (eitan) = Etan | בֶּן (ben) = zoon van | קֽוּשָׁיָֽהוּ (qushayahu) = Kusaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Heman, Asaf en Etan zijn de drie leiders van de zangers. Zij horen bij de families van Kehat, Gersjon en Merari. Zie ook 1 Kron. 6:16–32 (Hebreeuwse telling). Voetnoot Lezing: Asaf, de zoon van Berechjahu (בֶּרֶכְיָהוּ), staat ook in 1 Kron. 6:24. Etan heet hier de zoon van Kusaja (קוּשָׁיָהוּ). In 1 Kron. 6:29 heet hij de zoon van Kisji. Wij vertalen de tekst zoals hij hier staat. Zie ook: 1 Kron 6:16–32; 1 Kron 6:18; 1 Kron 6:24; 1 Kron 6:29; 1 Kron 25:1–5; Ps 83:2 **15:18** Bij hen waren hun broeders van de tweede rang. Dat waren Zacharia, Ben, Jaäziël, Sjemiramot, Jechiël, Uni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Eliflehu, Mikneja, Obed-Edom en Jeïël, de poortwachters. Brontekst: וְעִמָּהֶ֖ם (veimahem) = en met hen | אֲחֵיהֶ֣ם (acheihem) = hun broeders | הַמִּשְׁנִ֑ים (hamishnim) = de tweede | זְכַרְיָ֡הוּ (zekharyahu) = Zacharia | בֵּ֡ן (ben) = Ben | וְיַֽעֲזִיאֵ֡ל (veyaaziel) = en Jaäziël | וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת (ushemiramot) = en Sjemiramot | וִיחִיאֵ֣ל (vichiel) = en Jechiël | וְעֻנִּ֡י (veuni) = en Uni | אֱלִיאָ֡ב (eliav) = Eliab | וּבְנָיָ֡הוּ (uvenayahu) = en Benaja | וּמַֽעֲשֵׂיָ֡הוּ (umaaseyahu) = en Maäseja | וּמַתִּתְיָהוּ֩ (umatityahu) = en Mattitja | וֶאֱלִ֨יפְלֵ֜הוּ (veelifelehu) = en Eliflehu | וּמִקְנֵיָ֨הוּ (umiqneyahu) = en Mikneja | וְעֹבֵ֥ד (veoved) = en Obed | אֱדֹ֛ם (edom) = Edom | וִֽיעִיאֵ֖ל (viiel) = en Jeïël | הַשֹּׁעֲרִֽים (hashoarim) = de poortwachters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּשְׁנִים (hamishnim), ‘van de tweede rang’: letterlijk ‘de tweede’. Het zijn de Levieten die na de leiders komen. Voetnoot Lezing: בֵּן (ben), ‘Ben’: wij nemen dit als een eigennaam, omdat de rest van de lijst alleen uit namen bestaat. In vers 20 staat deze naam niet. Het woord kan ook ‘zoon’ betekenen. De tekst is hier moeilijk. Voetnoot : In vers 18 staat Jaäziël (יַעֲזִיאֵל); in vers 20 staat Azziël (עֻזִּיאֵל). Waarschijnlijk is het dezelfde man. Wij vertalen beide zoals zij staan. Zie ook: 1 Kron 13:14; 1 Kron 15:20; 1 Kron 16:5–6; 1 Kron 25:9–31; 1 Kron 26:4; 1 Kron 26:15 **15:19** De zangers Heman, Asaf en Etan lieten koperen bekkens klinken. Brontekst: וְהַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים (vehamshorerim) = en de zangers | הֵימָ֥ן (heiman) = Heman | אָסָ֖ף (asaf) = Asaf | וְאֵיתָ֑ן (veeitan) = en Etan | בִּמְצִלְתַּ֥יִם (bimtsiltayim) = met bekkens van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = koper | לְהַשְׁמִֽיעַ (lehashmia) = om te laten klinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 15:16; 1 Kron 16:5; 1 Kron 16:42; 1 Kron 25:6; Ps 150:5 **15:20** Zacharia, Azziël, Sjemiramot, Jechiël, Uni, Eliab, Maäseja en Benaja speelden op harpen, volgens de alamot. Brontekst: וּזְכַרְיָ֨ה (uzekharya) = en Zacharia | וַעֲזִיאֵ֜ל (vaaziel) = en Azziël | וּשְׁמִֽירָמ֤וֹת (ushemiramot) = en Sjemiramot | וִֽיחִיאֵל֙ (vichiel) = en Jechiël | וְעֻנִּ֣י (veuni) = en Uni | וֶֽאֱלִיאָ֔ב (veeliav) = en Eliab | וּמַעֲשֵׂיָ֖הוּ (umaaseyahu) = en Maäseja | וּבְנָיָ֑הוּ (uvenayahu) = en Benaja | בִּנְבָלִ֖ים (binvalim) = met harpen | עַל (al) = volgens | עֲלָמֽוֹת (alamot) = alamot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲלָמוֹת (alamot), ‘alamot’: dit woord betekent letterlijk ‘meisjes’. Het gaat waarschijnlijk om een hoge toonsoort of stem. De betekenis is niet zeker. Het woord staat ook boven Psalm 46. Zie ook: Ps 46:2–12 **15:21** Mattitja, Eliflehu, Mikneja, Obed-Edom, Jeïël en Azazja speelden op lieren, volgens de sjeminit, om de leiding te geven. Brontekst: וּמַתִּתְיָ֣הוּ (umatityahu) = en Mattitja | וֶאֱלִֽיפְלֵ֗הוּ (veelifelehu) = en Eliflehu | וּמִקְנֵיָ֨הוּ֙ (umiqneyahu) = en Mikneja | וְעֹבֵ֣ד (veoved) = en Obed | אֱדֹ֔ם (edom) = Edom | וִֽיעִיאֵ֖ל (viiel) = en Jeïël | וַעֲזַזְיָ֑הוּ (vaazazyahu) = en Azazja | בְּכִנֹּר֥וֹת (bekhinorot) = met lieren | עַל (al) = volgens | הַשְּׁמִינִ֖ית (hasheminit) = de sjeminit | לְנַצֵּֽחַ (lenatseach) = om de leiding te geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְּׁמִינִית (hashminit), ‘de sjeminit’: het woord betekent ‘de achtste’. Het gaat waarschijnlijk om een lage toonsoort of een instrument met acht snaren. De betekenis is niet zeker. Het woord staat ook boven Psalm 6 en Psalm 12. Voetnoot : לְנַצֵּחַ (lenatsetsach), ‘om de leiding te geven’: het werkwoord betekent ‘leiden’ of ‘toezicht houden’. Het staat ook boven veel psalmen. Zie ook: 1 Kron 15:18; 1 Kron 25:6–7; Ps 33:2; Ps 92:4; Ps 150:3 **15:22** Kenanja was het hoofd van de Levieten bij het dragen. Hij gaf leiding bij het dragen, want hij was kundig. Brontekst: וּכְנַנְיָ֥הוּ (ukhenanyahu) = en Kenanja | שַֽׂר (sar) = hoofd van | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | בְּמַשָּׂ֑א (bemasa) = bij het dragen | יָסֹר֙ (yasor) = gaf leiding | בַּמַּשָּׂ֔א (bamasa) = bij het dragen | כִּ֥י (ki) = want | מֵבִ֖ין (mevin) = kundig | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘het dragen’: het woord kan ook ‘uitspraak’ of ‘lied’ betekenen. Het hoofd van de Levieten zou dan de leider van de zang zijn. Wij vertalen ‘het dragen’, zoals in vers 27, omdat het hoofdstuk over het dragen van de ark gaat. Voetnoot : יָסֹר (yasor), ‘gaf leiding’: de medeklinkers kunnen ook ‘onderrichten’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: 1 Kron 15:16; 1 Kron 15:27; 1 Kron 25:7–8 **15:23** Berechja en Elkana waren poortwachters voor de ark. Brontekst: וּבֶֽרֶכְיָה֙ (uverekhya) = en Berechja | וְאֶלְקָנָ֔ה (veelqana) = en Elkana | שֹׁעֲרִ֖ים (shoarim) = poortwachters | לָאָרֽוֹן (laaron) = voor de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:21–23; Ps 84:11; 2 Kon 22:4; 2 Kon 25:18 **15:24** De priesters Sjebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zacharia, Benaja en Eliëzer bliezen op de trompetten voor de ark van Elohim. Obed-Edom en Jechia waren poortwachters voor de ark. Brontekst: וּשְׁבַנְיָ֡הוּ (ushevanyahu) = en Sjebanja | וְיֽוֹשָׁפָ֡ט (veyoshafat) = en Josafat | וּנְתַנְאֵ֡ל (unetanel) = en Netanel | וַעֲמָשַׂ֡י (vaamasay) = en Amasai | וּ֠זְכַרְיָהוּ (uzekharyahu) = en Zacharia | וּבְנָיָ֤הוּ (uvenayahu) = en Benaja | וֶֽאֱלִיעֶ֨זֶר֙ (veeliezer) = en Eliëzer | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | מַחְצְרִים֙ (machtserim) = die bliezen | בַּחֲצֹ֣צְר֔וֹת (bachatsotserot) = op trompetten | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וְעֹבֵ֤ד (veoved) = en Obed | אֱדֹם֙ (edom) = Edom | וִֽיחִיָּ֔ה (vichiya) = en Jechia | שֹׁעֲרִ֖ים (shoarim) = poortwachters | לָאָרֽוֹן (laaron) = voor de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het geschreven woord (ketiv) is מחצצרים (machtsetsrim), ‘die op trompetten bliezen’. De voorgelezen vorm (qere) is מַחְצְרִים (machtserim). Wij volgen de qere; de betekenis is hetzelfde. Voetnoot : Obed-Edom komt in vers 18, 21 en 24 voor. De tekst zegt niet of dit dezelfde man is als de Gattiet uit 1 Kron. 13:13. Zie ook 1 Kron. 16:38. Zie ook: Num 10:8; 1 Kron 13:13; 1 Kron 15:18; 1 Kron 15:21; 1 Kron 15:28; 1 Kron 16:6; 1 Kron 16:38; Joël 2:15 ### De ark komt naar de stad van David **15:25** David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over de duizenden gingen op weg. Zij brachten de ark van het verbond van Yahweh met vreugde omhoog uit het huis van Obed-Edom. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דָוִ֛יד (david) = David | וְזִקְנֵ֥י (veziqnei) = en de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en de bevelhebbers van | הָאֲלָפִ֑ים (haalafim) = de duizenden | הַהֹֽלְכִ֗ים (haholekhim) = die gingen | לְֽהַעֲל֞וֹת (lehaalot) = om omhoog te brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֧וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מִן (min) = uit | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | עֹבֵֽד (oved) = Obed | אֱדֹ֖ם (edom) = Edom | בְּשִׂמְחָֽה (besimcha) = met vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 6:12–23; Ps 95:1–2; Ps 100:1–2; Mi 5:1; Fil 3:3 **15:26** Elohim hielp de Levieten die de ark van het verbond van Yahweh droegen. Zij offerden 7 stieren en 7 rammen. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בֶּעְזֹ֣ר (bezor) = bij het helpen door | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | אֶ֨ת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = dragers van | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּזְבְּח֥וּ (vayizbechu) = en zij offerden | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven | פָרִ֖ים (parim) = stieren | וְשִׁבְעָ֥ה (veshiva) = en zeven | אֵילִֽים (eilim) = rammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 2 Sam. 6:13 zegt dat David na zes stappen ‘een rund en een gemest dier’ offerde. Kronieken noemt 7 stieren en 7 rammen. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Zie ook: Job 42:8; Num 23:29; 2 Sam 6:13; 1 Kron 29:14; Ps 66:13–15; 2 Kor 2:16 **15:27** David was gehuld in een mantel van fijn linnen. Dat gold ook voor alle Levieten die de ark droegen, voor de zangers en voor Kenanja, het hoofd van het dragen bij de zangers. David droeg ook een linnen efod. Brontekst: וְדָוִ֞יד (vedavid) = en David | מְכֻרְבָּ֣ל (mekhurbal) = gehuld | בִּמְעִ֣יל (bimil) = in een mantel van | בּ֗וּץ (buts) = fijn linnen | וְכָל (vekhal) = en alle | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = Levieten | הַנֹּשְׂאִ֣ים (hanoseim) = die droegen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָר֔וֹן (haaron) = de ark | וְהַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים (vehamshorerim) = en de zangers | וּכְנַנְיָ֛ה (ukhenanya) = en Kenanja | הַשַּׂ֥ר (hasar) = het hoofd van | הַמַּשָּׂ֖א (hamasa) = het dragen | הַמְשֹֽׁרְרִ֑ים (hamshorerim) = de zangers | וְעַל (veal) = en op | דָּוִ֖יד (david) = David | אֵפ֥וֹד (efod) = een efod | בָּֽד (bad) = linnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְכֻרְבָּל (mekhurbal), ‘gehuld’: dit woord komt maar één keer voor. מְעִיל בּוּץ (meil buts), ‘een mantel van fijn linnen’. Voetnoot : אֵפוֹד בָּד (efod bad), ‘een linnen efod’: een eenvoudig linnen kleed, niet de efod van de hogepriester (Exod. 28). Zie ook 2 Sam. 6:14. Voetnoot : Het laatste woord van de lijst (‘de zangers’) staat achter ‘het hoofd van het dragen’. Wij lezen dat als bijvoeging: Kenanja was het hoofd van het dragen bij de zangers. Zie ook: 1 Sam 2:18; 2 Sam 6:14 **15:28** Heel Israël bracht de ark van het verbond van Yahweh omhoog, met gejuich, met het geluid van de ramshoorn, met trompetten en bekkens. Er klonken harpen en lieren. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | מַעֲלִים֙ (maalim) = brengend omhoog | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּתְרוּעָה֙ (bitrua) = met gejuich | וּבְק֣וֹל (uveqol) = en met geluid van | שׁוֹפָ֔ר (shofar) = ramshoorn | וּבַחֲצֹצְר֖וֹת (uvachatsotserot) = en met trompetten | וּבִמְצִלְתָּ֑יִם (uvimtsiltayim) = en met bekkens | מַשְׁמִעִ֕ים (mashmiim) = die lieten klinken | בִּנְבָלִ֖ים (binvalim) = met harpen | וְכִנֹּרֽוֹת (vekhinorot) = en lieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 13:8; 1 Kron 15:16; Ps 47:2–6; 2 Kron 5:12–13; Ezra 3:10–11 **15:29** Toen de ark van het verbond van Yahweh de stad van David binnenkwam, keek Michal, de dochter van Saul, door het raam naar buiten. Zij zag koning David dansen en spelen. Zij verachtte hem in haar hart. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אֲרוֹן֙ (aron) = de ark van | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בָּ֖א (ba) = komend | עַד (ad) = tot | עִ֣יר (ir) = de stad van | דָּוִ֑יד (david) = David | וּמִיכַ֨ל (umikhal) = en Michal | בַּת (bat) = de dochter van | שָׁא֜וּל (shaul) = Saul | נִשְׁקְפָ֣ה (nishqefa) = keek uit | בְּעַ֣ד (bead) = door | הַחַלּ֗וֹן (hachalon) = het raam | וַתֵּ֨רֶא (vatere) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּוִיד֙ (david) = David | מְרַקֵּ֣ד (meraqed) = dansend | וּמְשַׂחֵ֔ק (umesacheq) = en spelend | וַתִּ֥בֶז (vativez) = en verachtte | ל֖וֹ (lo) = hem | בְּלִבָּֽהּ (belibah) = in haar hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: 2 Sam. 6:16 zegt: ‘springen en ronddraaien’. Kronieken zegt: ‘dansen en spelen’ (מְרַקֵּד וּמְשַׂחֵק, merakked umesachek). Het gesprek tussen Michal en David (2 Sam. 6:20–23) staat niet in Kronieken. Zie ook: Ex 15:20; 1 Sam 4:3; 2 Sam 6:16; 2 Sam 6:20–23; Hand 2:13 ## 1 Kronieken 16 _De ark in de tent en de lofzang van David_ ### De ark komt in de tent **16:1** Zij brachten de ark van Elohim en zetten haar midden in de tent die David voor haar had opgezet. Zij brachten brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van Elohim. Brontekst: וַיָּבִ֨יאוּ֙ (vayaviu) = en zij brachten | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | וַיַּצִּ֣יגוּ (vayatsigu) = en zij zetten | אֹת֔וֹ (oto) = haar | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָֽטָה (nata) = had opgezet | ל֖וֹ (lo) = voor haar | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיַּקְרִ֛יבוּ (vayaqrivu) = en zij brachten dichtbij | עֹל֥וֹת (olot) = brandoffers | וּשְׁלָמִ֖ים (ushelamim) = en vredeoffers | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De tent is de tent die David in Jeruzalem voor de ark had opgezet (1 Kron. 15:1). De tabernakel van Mozes stond op dat moment in Gibeon (vers 39). Voetnoot Uitleg: De verzen 1–3 komen overeen met 2 Sam. 6:17–19. Daar staat ‘Yahweh’ waar hier ‘Elohim’ staat. Alles wat daarna volgt (vers 4–42) staat niet in Samuël. Zie ook: 2 Sam 6:17–19; 1 Kron 15:1; 1 Kron 15:12; 1 Kron 16:4–42; 1 Kron 16:39; 2 Kron 1:4; Ezra 6:16–18 **16:2** Toen David klaar was met het opbrengen van het brandoffer en de vredeoffers, zegende hij het volk in de naam van Yahweh. Brontekst: וַיְכַ֣ל (vaykhal) = en maakte een einde | דָּוִ֔יד (david) = David | מֵהַעֲל֥וֹת (mehaalot) = met het opbrengen van | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְהַשְּׁלָמִ֑ים (vehashelamim) = en de vredeoffers | וַיְבָ֥רֶךְ (vayvarekh) = en zegende | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = in de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:19; Gen 47:10; Joz 22:6; 2 Kron 30:18–20; 2 Kron 30:27 **16:3** Hij verdeelde onder iedere man van Israël, van man tot vrouw, aan ieder een rond brood, een portie en een rozijnenkoek. Brontekst: וַיְחַלֵּק֙ (vaychaleq) = en verdeelde | לְכָל (lekhal) = aan ieder | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מֵאִ֖ישׁ (meish) = van man | וְעַד (vead) = en tot | אִשָּׁ֑ה (isha) = vrouw | לְאִישׁ֙ (leish) = aan ieder | כִּכַּר (kikar) = rond brood van | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וְאֶשְׁפָּ֖ר (veeshpar) = en portie | וַאֲשִׁישָֽׁה (vaashisha) = en rozijnenkoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּכַּר לֶחֶם (kikkar lechem), ‘rond brood’: letterlijk ‘een schijf brood’. In 2 Sam. 6:19 staat een ander woord, חַלַּת לֶחֶם (challat lechem), ‘broodkoek’. Voetnoot : אֶשְׁפָּר (eshpar), ‘portie’: dit woord komt in de Bijbel alleen hier en in 2 Sam. 6:19 voor. Wat het precies is, is onzeker. אֲשִׁישָׁה (ashishah), ‘rozijnenkoek’: een koek van gedroogde druiven. Zie ook: 2 Sam 6:19; 2 Kron 30:24; 2 Kron 35:7–8; Ezech 45:17; Neh 8:10; 1 Petr 4:9 ### De Levieten dienen voor de ark **16:4** Hij stelde enkele Levieten aan als dienaren voor de ark van Yahweh. Zij moesten Yahweh, de Elohim van Israël, gedenken, danken en prijzen. Brontekst: וַיִּתֵּ֞ן (vayiten) = en stelde aan | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֲר֧וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מִן (min) = uit | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | מְשָׁרְתִ֑ים (mesharetim) = dienaren | וּלְהַזְכִּיר֙ (ulehazkir) = en om te gedenken | וּלְהוֹד֣וֹת (ulehodot) = en om te danken | וּלְהַלֵּ֔ל (ulehalel) = en om te prijzen | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהַזְכִּיר (lehazkir), ‘te gedenken’: letterlijk ‘te laten gedenken’, dat wil zeggen de naam van Yahweh noemen en Zijn daden in herinnering brengen. Het woord staat naast ‘danken’ en ‘prijzen’. Zie ook: 1 Kron 24:3; Ps 72:18; Ps 103:2; Ps 105:5; Ps 106:48 **16:5** Asaf was de hoofdman. Zacharia was zijn tweede. Verder waren er Jeïël, Sjemiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïël. Zij bespeelden de instrumenten: harpen en lieren. Asaf liet de bekkens klinken. Brontekst: אָסָ֥ף (asaf) = Asaf | הָרֹ֖אשׁ (harosh) = de hoofdman | וּמִשְׁנֵ֣הוּ (umishnehu) = en zijn tweede | זְכַרְיָ֑ה (zekharya) = Zacharia | יְעִיאֵ֡ל (yeiel) = Jeïël | וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת (ushemiramot) = en Sjemiramot | וִֽיחִיאֵ֡ל (vichiel) = en Jechiël | וּמַתִּתְיָ֡ה (umatitya) = en Mattitja | וֶאֱלִיאָ֡ב (veeliav) = en Eliab | וּבְנָיָהוּ֩ (uvenayahu) = en Benaja | וְעֹבֵ֨ד (veoved) = en Obed | אֱדֹ֜ם (edom) = Edom | וִֽיעִיאֵ֗ל (viiel) = en Jeïël | בִּכְלֵ֤י (bikhlei) = met instrumenten van | נְבָלִים֙ (nevalim) = harpen | וּבְכִנֹּר֔וֹת (uvekhinorot) = en lieren | וְאָסָ֖ף (veasaf) = en Asaf | בַּֽמְצִלְתַּ֥יִם (bamtsiltayim) = met bekkens | מַשְׁמִֽיעַ (mashmia) = die laat klinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeïël (יְעִיאֵל) staat twee keer in de rij van namen. Wij vertalen de lijst zoals de tekst haar geeft. Het werkwoord ‘waren er’ staat niet in het Hebreeuws; wij vullen het aan. Voetnoot : נֶבֶל (nevel), ‘harp’, en כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’: zoals in 2 Sam. 6:5. מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: een ander woord dan het צֶלְצְלִים (tseltselim) van 2 Sam. 6:5, met dezelfde betekenis. Zie ook: 2 Sam 6:5; 1 Kron 6:24; 1 Kron 15:16–24; 1 Kron 25:1–6; 2 Kron 29:25 **16:6** De priesters Benaja en Jachaziël bliezen voortdurend op de trompetten voor de ark van het verbond van Elohim. Brontekst: וּבְנָיָ֥הוּ (uvenayahu) = en Benaja | וְיַחֲזִיאֵ֖ל (veyachaziel) = en Jachaziël | הַכֹּהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | בַּחֲצֹצְר֣וֹת (bachatsotserot) = met trompetten | תָּמִ֔יד (tamid) = voortdurend | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצוֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: de priesters blazen op de trompetten, zoals Num. 10:8 voorschrijft. De ark heet hier ‘de ark van het verbond van Elohim’. Zie ook: Num 10:8; 2 Kron 5:12–13; 2 Kron 13:12; 2 Kron 29:26–28 ### Davids lofzang **16:7** Op die dag gaf David toen voor het eerst aan Asaf en zijn broeders de opdracht om Yahweh te danken: Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | אָ֣ז (az) = toen | נָתַ֤ן (natan) = gaf | דָּוִיד֙ (david) = David | בָּרֹ֔אשׁ (barosh) = in het begin | לְהֹד֖וֹת (lehodot) = om te danken | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | אָסָ֖ף (asaf) = Asaf | וְאֶחָֽיו (veechav) = en zijn broeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרֹאשׁ (baro’sh), ‘voor het eerst’: letterlijk ‘in het hoofd’ of ‘in het begin’. Het kan ook betekenen ‘als hoofd’ of ‘als eerste opdracht’. Het voorwerp van ‘gaf’ ontbreekt in het Hebreeuws. Wij lezen: David gaf de opdracht om te danken, en het lied in vers 8–36 is dat dankwoord. Zie ook: 2 Sam 22:1; 2 Sam 23:1–2; 1 Kron 16:8–36; Ps 12:2; Ps 18:2; Neh 12:24 **16:8** Dank Yahweh, roep Zijn naam aan, maak Zijn daden bekend onder de volken. Brontekst: הוֹד֤וּ (hodu) = dankt | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | קִרְא֣וּ (qiru) = roept | בִשְׁמ֔וֹ (bishmo) = op Zijn naam | הוֹדִ֥יעוּ (hodiu) = maakt bekend | בָעַמִּ֖ים (baamim) = onder de volken | עֲלִילֹתָֽיו (alilotav) = Zijn daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 8–22 komen overeen met Psalm 105:1–15, vers 23–33 met Psalm 96:1–13, vers 34 met Psalm 106:1 en vers 35–36 met Psalm 106:47–48. Voetnoot : הוֹדוּ (hodu), ‘dank’: het werkwoord betekent ook ‘belijden’ of ‘erkennen’. Wij vertalen overal ‘danken’. Voetnoot : De woorden van Yahweh die in dit lied worden aangehaald (vers 18 en 22) zetten wij zwart, met enkele aanhalingstekens. Het lied zelf heeft geen aanhalingstekens. Zie ook: 1 Kron 16:18; 1 Kron 16:22; 1 Kron 16:23–33; 1 Kron 16:34; 1 Kron 16:35–36; Ps 96:1–13; Ps 105:1–15; Ps 106:1; Ps 106:47–48; Ps 145:5–6; 2 Kon 19:19; Jes 12:4 **16:9** Zing voor Hem, speel voor Hem, spreek over al Zijn wonderen. Brontekst: שִׁ֤ירוּ (shiru) = zingt | לוֹ֙ (lo) = voor Hem | זַמְּרוּ (zameru) = speelt | ל֔וֹ (lo) = voor Hem | שִׂ֖יחוּ (sichu) = spreekt | בְּכָל (bekhal) = over al | נִפְלְאֹתָֽיו (nifleotav) = Zijn wonderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂיחוּ (sichu), ‘spreek’: het werkwoord betekent ‘mijmeren’ of ‘vertellen’. Het gaat om spreken over Yahweh met aandacht en liefde. Zie ook: Ps 95:1–2; Ps 96:1–3; Ps 98:1–4; Jak 5:13; Kol 3:16 **16:10** Roem in Zijn heilige naam. Laat het hart van wie Yahweh zoeken zich verheugen. Brontekst: הִֽתְהַֽלְלוּ֙ (hithallu) = roemt | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | קָדְשׁ֔וֹ (qadesho) = Zijn heiligheid | יִשְׂמַ֕ח (yismach) = laat zich verheugen | לֵ֖ב (lev) = het hart van | מְבַקְשֵׁ֥י (mevaqshei) = wie zoeken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 34:3; Spr 8:17; Jes 55:6–7; Jer 29:13; Mat 7:7–8 **16:11** Zoek Yahweh en Zijn kracht. Zoek voortdurend Zijn aangezicht. Brontekst: דִּרְשׁ֤וּ (dirshu) = zoekt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְעֻזּ֔וֹ (veuzo) = en Zijn kracht | בַּקְּשׁ֥וּ (baqeshu) = zoekt | פָנָ֖יו (panav) = Zijn aangezicht | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 24:6; Ps 27:8–9; Ps 67:2; Ps 68:36; Sef 2:2–3 **16:12** Denk aan Zijn wonderen die Hij deed, aan Zijn wondertekenen en aan de rechtsuitspraken van Zijn mond. Brontekst: זִכְר֗וּ (zikhru) = gedenkt | נִפְלְאֹתָיו֙ (nifleotav) = Zijn wonderen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֔ה (asa) = Hij deed | מֹפְתָ֖יו (mofetav) = Zijn wondertekenen | וּמִשְׁפְּטֵי (umishpetei) = en de rechtsuitspraken van | פִֽיהוּ (pihu) = Zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹפֵת (mofet), ‘wonderteken’: een teken dat laat zien wat Yahweh doet, zoals de tekenen in Egypte (Exod. 7:3). Voetnoot : מִשְׁפְּטֵי פִיהוּ (mishpete fihu), ‘de rechtsuitspraken van Zijn mond’: wat Yahweh uitspreekt als recht. Zie ook: Ex 7:3; Ps 103:2; Ps 111:4; Ps 119:20; Ps 119:75; Rom 11:33 **16:13** Nageslacht van Israël, Zijn dienaar! Zonen van Jakob, Zijn uitverkorenen! Brontekst: זֶ֚רַע (zera) = nageslacht van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | עַבְדּ֔וֹ (avdo) = Zijn dienaar | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | בְּחִירָֽיו (bechirav) = Zijn uitverkorenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:7; Gen 35:10–12; Ex 19:5–6; Ps 135:4; 1 Petr 2:9 **16:14** Hij is Yahweh, onze Elohim. Over heel de aarde gelden Zijn rechtsuitspraken. Brontekst: ה֚וּא (hu) = Hij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | בְּכָל (bekhal) = over heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | מִשְׁפָּטָֽיו (mishpatav) = Zijn rechtsuitspraken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:2; Ps 48:11–12; Ps 63:2; Ps 100:3; Jes 26:9 **16:15** Denk voor altijd aan Zijn verbond, aan het woord dat Hij beval voor duizend generaties, Brontekst: זִכְר֤וּ (zikhru) = gedenkt | לְעוֹלָם֙ (leolam) = voor altijd | בְּרִית֔וֹ (berito) = Zijn verbond | דָּבָ֥ר (davar) = het woord | צִוָּ֖ה (tsiva) = dat Hij beval | לְאֶ֥לֶף (leelef) = voor duizend | דּֽוֹר (dor) = generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִכְרוּ (zichru), ‘denk aan’: een gebod aan het volk. In het lied dat hiermee overeenkomt, Psalm 105, staat hier een andere werkwoordsvorm (‘Hij gedenkt’). Voetnoot : דָּבָר צִוָּה לְאֶלֶף דּוֹר (davar tsivvah leelef dor), ‘het woord dat Hij beval voor duizend generaties’: zie Deut. 7:9. Zie ook: Deut 7:9; Ps 25:10; Ps 44:18; Ps 105:8; Mal 3:22 **16:16** aan het verbond dat Hij sloot met Abraham, aan Zijn eed aan Isaak. Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | כָּרַת֙ (karat) = Hij sloot | אֶת (et) = met | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | וּשְׁבוּעָת֖וֹ (ushevuato) = en Zijn eed | לְיִצְחָֽק (leyitschaq) = aan Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbond met Abraham staat in Gen. 15:18 en 17:7. De eed aan Isaak staat in Gen. 26:3. Zie ook: Gen 15:18; Gen 17:2; Gen 17:7; Gen 26:3; Gen 35:11; Gal 3:15–17 **16:17** Hij liet het voor Jakob gelden als voorschrift, voor Israël als eeuwig verbond. Brontekst: וַיַּעֲמִידֶ֤הָ (vayaamideha) = en Hij liet het staan | לְיַעֲקֹב֙ (leyaaqov) = voor Jakob | לְחֹ֔ק (lechoq) = tot voorschrift | לְיִשְׂרָאֵ֖ל (leyisrael) = voor Israël | בְּרִ֥ית (berit) = verbond | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹק (choq), ‘voorschrift’: een vaste regel. Hier is het verbond het voorschrift voor Jakob en voor Israël. Zie ook: Gen 17:7–8; Gen 35:11–12; Joz 24:11–13; Ps 78:10; Jes 55:3 **16:18** Hij zei: ‘Aan jou zal Ik het land Kanaän geven, als het toegemeten deel van jullie erfdeel.’ Brontekst: לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | אֶתֵּ֣ן (eten) = zal Ik geven | אֶֽרֶץ (erets) = het land van | כְּנָ֔עַן (kenaan) = Kanaän | חֶ֖בֶל (chevel) = het touwdeel van | נַחֲלַתְכֶֽם (nachalatkhem) = jullie erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: חֶבֶל (chevel), ‘touwdeel’: een stuk land dat met een meetsnoer is afgemeten. Vergelijk Joz. 17:14. Voetnoot : Het aangehaalde woord van Yahweh staat in het enkelvoud (‘aan jou’) en gaat dan over naar het meervoud (‘jullie erfdeel’). Wij vertalen dat zoals het staat. Zie ook: Gen 13:15; Gen 28:13–14; Gen 35:11–12; Num 26:53–56; Deut 32:8; Joz 17:14 **16:19** Toen waren jullie nog maar weinig mannen, bijna niets, en vreemdelingen in het land. Brontekst: בִּֽהְיֽוֹתְכֶם֙ (bihyotekhem) = toen jullie waren | מְתֵ֣י (metei) = mannen van | מִסְפָּ֔ר (mispar) = tal | כִּמְעַ֖ט (kimat) = bijna niets | וְגָרִ֥ים (vegarim) = en vreemdelingen | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְתֵי מִסְפָּר (mete mispar), ‘mannen van tal’: een groep die je kunt tellen, dus weinig mensen. Vergelijk Gen. 34:30. Zie ook: Gen 34:30; Deut 7:7; Hand 7:5; Heb 11:13 **16:20** Zij trokken rond van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar een ander volk. Brontekst: וַיִּֽתְהַלְּכוּ֙ (vayithalekhu) = en zij trokken rond | מִגּ֣וֹי (migoy) = van volk | אֶל (el) = naar | גּ֔וֹי (goy) = volk | וּמִמַּמְלָכָ֖ה (umimamlakha) = en van koninkrijk | אֶל (el) = naar | עַ֥ם (am) = volk | אַחֵֽר (acher) = ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:10; Gen 20:1; Gen 46:3; Gen 46:6 **16:21** Hij liet niemand toe hen te onderdrukken. Om hen strafte Hij koningen: Brontekst: לֹא (lo) = niet | הִנִּ֤יחַ (hiniach) = liet toe | לְאִישׁ֙ (leish) = aan een man | לְעָשְׁקָ֔ם (leasheqam) = hen te onderdrukken | וַיּ֥וֹכַח (vayokhach) = en Hij wees terecht | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = om hen | מְלָכִֽים (melakhim) = koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hiermee worden Farao (Gen. 12:17) en Abimelech (Gen. 20:3) bedoeld, die Yahweh terechtwees omwille van Abraham en Sara. Zie ook: Gen 12:17; Gen 20:3; Gen 31:24; Gen 31:29; Ex 7:15–18 **16:22** ‘Raak Mijn gezalfden niet aan en doe Mijn profeten geen kwaad.’ Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּגְּעוּ֙ (tigeu) = raakt aan | בִּמְשִׁיחָ֔י (bimshichay) = Mijn gezalfden | וּבִנְבִיאַ֖י (uvinviay) = en aan Mijn profeten | אַל (al) = niet | תָּרֵֽעוּ (tareu) = doet kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיחַי (meshichay), ‘Mijn gezalfden’, en נְבִיאַי (nevi’ay), ‘Mijn profeten’: hiermee zijn de aartsvaders bedoeld. Abraham wordt in Gen. 20:7 ‘profeet’ genoemd. Zie ook: Gen 20:7; Gen 49:8–10; Ps 105:15; 1 Kon 19:16; 1 Joh 2:27 ### Zing voor Yahweh, heel de aarde **16:23** Zing voor Yahweh, heel de aarde. Verkondig van dag tot dag Zijn redding. Brontekst: שִׁ֤ירוּ (shiru) = zingt | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | בַּשְּׂר֥וּ (baseru) = verkondigt | מִיּֽוֹם (miyom) = van dag | אֶל (el) = tot | י֖וֹם (yom) = dag | יְשׁוּעָתֽוֹ (yeshuato) = Zijn redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 40:11; Ps 71:15; Ps 96:1–13; Jes 12:5; Jes 51:6–8 **16:24** Vertel onder de volken van Zijn heerlijkheid, onder alle volken van Zijn wonderen. Brontekst: סַפְּר֤וּ (saperu) = vertelt | בַגּוֹיִם֙ (bagoyim) = onder de volken | אֶת (et) = (obj.) | כְּבוֹד֔וֹ (kevodo) = Zijn heerlijkheid | בְּכָל (bekhal) = onder alle | הָעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | נִפְלְאֹתָֽיו (nifleotav) = Zijn wonderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: het woord betekent letterlijk ‘gewicht’ en gaat over Yahweh’s eer en macht. Zie ook: Ps 22:28; 2 Kon 19:19; Jes 12:2–6; Dan 3:31–33 **16:25** Want groot is Yahweh en zeer lofwaardig. Ontzagwekkend is Hij, boven alle goden. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | גָד֨וֹל (gadol) = groot | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | וּמְהֻלָּל֙ (umehulal) = en lofwaardig | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְנוֹרָ֥א (venora) = en ontzagwekkend | ה֖וּא (hu) = Hij | עַל (al) = boven | כָּל (kal) = alle | אֱלֹהִֽים (Elohim) = goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל כָּל אֱלֹהִים (al kol elohim), ‘boven alle goden’: hier is Elohim een meervoud dat naar de goden van de volken verwijst (zie vers 26). Zie ook: 1 Kron 16:26; Ps 66:3–5; Ps 89:8; Ps 144:3–6; Jer 10:6–10; Openb 15:3–4 **16:26** Want alle goden van de volken zijn nietige goden. Maar Yahweh heeft de hemel gemaakt. Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | כָּל (kal) = alle | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = goden van | הָעַמִּים֙ (haamim) = de volken | אֱלִילִ֔ים (elilim) = nietige goden | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = maar Yahweh | שָׁמַ֥יִם (shamayim) = de hemel | עָשָֽׂה (asa) = heeft gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: letterlijk ‘nietigheden’. Zie ook Lev. 19:4. Zie ook: Lev 19:4; Ps 102:26; Jes 40:26; Jes 42:5; Jes 44:24 **16:27** Majesteit en luister zijn voor Zijn aangezicht, kracht en vreugde zijn op Zijn plaats. Brontekst: ה֤וֹד (hod) = majesteit | וְהָדָר֙ (vehadar) = en luister | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | עֹ֥ז (oz) = kracht | וְחֶדְוָ֖ה (vechedva) = en vreugde | בִּמְקֹמֽוֹ (bimqomo) = op Zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 16:11; Ps 28:7–8; Ps 43:2–4; Ps 63:3–4; Ps 96:6 **16:28** Geef aan Yahweh, families van de volken, geef aan Yahweh eer en kracht. Brontekst: הָב֤וּ (havu) = geeft | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | מִשְׁפְּח֣וֹת (mishpechot) = families van | עַמִּ֔ים (amim) = volken | הָב֥וּ (havu) = geeft | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | כָּב֥וֹד (kavod) = eer | וָעֹֽז (vaoz) = en kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 100:1–2; 1 Kor 15:10; 2 Kor 12:9–10; Ef 1:17–19; Fil 4:13 **16:29** Geef aan Yahweh de eer van Zijn naam. Draag een offergave en kom voor Zijn aangezicht. Werp je neer voor Yahweh in heilige pracht. Brontekst: הָב֥וּ (havu) = geeft | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | כְּב֣וֹד (kevod) = eer van | שְׁמ֑וֹ (shemo) = Zijn naam | שְׂא֤וּ (seu) = draagt | מִנְחָה֙ (mincha) = een offergave | וּבֹ֣אוּ (uvou) = en komt | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | הִשְׁתַּחֲו֥וּ (hishtachavu) = werpt je neer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּהַדְרַת (behadrat) = in pracht van | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘offergave’: hier is het een gave die men naar Yahweh brengt, niet speciaal een graanoffer. Bij de offers vertalen wij hetzelfde woord als ‘graanoffer’. Voetnoot : בְּהַדְרַת קֹדֶשׁ (behadrat qodesh), ‘in heilige pracht’: dat kan ook ‘in de pracht van Zijn heiligheid’ betekenen. Zie ook: Ps 96:6; Ps 96:9; Ps 100:4; Ps 108:4–6; Jes 6:3 **16:30** Beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde. Ook de wereld staat vast, zij wankelt niet. Brontekst: חִ֤ילוּ (chilu) = beeft | מִלְּפָנָיו֙ (milefanav) = voor Zijn aangezicht | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | אַף (af) = ook | תִּכּ֥וֹן (tikon) = staat vast | תֵּבֵ֖ל (tevel) = de wereld | בַּל (bal) = niet | תִּמּֽוֹט (timot) = wankelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּבֵל (tevel), ‘wereld’: de bewoonde wereld. Het woord is een ander woord dan אֶרֶץ (erets), ‘aarde’. Zie ook: Ps 33:9; Ps 93:1; Ps 148:5–6; Heb 1:3; Openb 11:15 **16:31** Laat de hemel zich verheugen en de aarde juichen. Laat men onder de volken zeggen: ‘Yahweh is koning.’ Brontekst: יִשְׂמְח֤וּ (yismechu) = laten zich verheugen | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וְתָגֵ֣ל (vetagel) = en laat juichen | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְיֹאמְר֥וּ (veyomru) = en laat zeggen | בַגּוֹיִ֖ם (bagoyim) = onder de volken | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | מָלָֽךְ (malakh) = is koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה מָלָךְ (Yahweh malach), ‘Yahweh is koning’: de vorm kan ook betekenen ‘Yahweh is koning geworden’ of ‘Yahweh regeert’. Zie ook: Ps 93:1–2; Ps 96:10; Ps 97:1; Ps 99:1; Openb 19:6 **16:32** Laat de zee bruisen met alles wat haar vult. Laat het veld jubelen met alles wat erin is. Brontekst: יִרְעַ֤ם (yiram) = laat bruisen | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | וּמְלוֹא֔וֹ (umeloo) = en wat haar vult | יַעֲלֹ֥ץ (yaalots) = laat jubelen | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בּֽוֹ (bo) = erin is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 93:4; Ps 98:7–8; Ps 148:9–10; Jes 44:23 **16:33** Dan zullen de bomen van het bos juichen voor het aangezicht van Yahweh, want Hij komt om recht te spreken over de aarde. Brontekst: אָ֥ז (az) = dan | יְרַנְּנ֖וּ (yeranenu) = zullen juichen | עֲצֵ֣י (atsei) = de bomen van | הַיָּ֑עַר (hayaar) = het bos | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּי (ki) = want | בָ֖א (ba) = Hij komt | לִשְׁפּ֥וֹט (lishpot) = om recht te spreken | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִשְׁפּוֹט (lishpot), ‘recht te spreken’: het werkwoord betekent zowel oordelen als recht doen. Zie ook: Ps 96:12–13; Ps 98:9; Ezech 17:22–24; 2 Petr 3:14; Openb 11:17–18 ### Dank en bede **16:34** Dank Yahweh, want Hij is goed, want Zijn trouw is voor altijd. Brontekst: הוֹד֤וּ (hodu) = dankt | לַיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | ט֔וֹב (tov) = goed | כִּ֥י (ki) = want | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor altijd | חַסְדּֽוֹ (chasdo) = Zijn trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (ki leolam chasdo), ‘want Zijn trouw is voor altijd’: een vaste lofzin, die in vers 41 terugkomt. Zie ook: 1 Kron 16:41; Ps 106:1; Ps 107:1; Ps 136:1–26; 2 Kron 7:3; Ezra 3:11 **16:35** Zeg: ‘Red ons, Elohim van onze redding. Breng ons samen en red ons uit de volken, om de naam van Uw heiligheid te danken en ons te beroemen in Uw lof.’ Brontekst: וְאִמְר֕וּ (veimru) = en zegt | הוֹשִׁיעֵ֨נוּ֙ (hoshienu) = red ons | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׁעֵ֔נוּ (yishenu) = onze redding | וְקַבְּצֵ֥נוּ (veqabetsenu) = en breng ons samen | וְהַצִּילֵ֖נוּ (vehatsilenu) = en red ons | מִן (min) = uit | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | לְהֹדוֹת֙ (lehodot) = om te danken | לְשֵׁ֣ם (leshem) = aan de naam van | קָדְשֶׁ֔ךָ (qadeshekha) = Uw heiligheid | לְהִשְׁתַּבֵּ֖חַ (lehishtabeach) = om ons te beroemen | בִּתְהִלָּתֶֽךָ (bithilatekha) = in Uw lof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 79:9–10; Ps 106:47–48; Jes 43:21; 1 Petr 2:5; 1 Petr 2:9 **16:36** Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Heel het volk zei: „Amen!” en loofde Yahweh. Brontekst: בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִן (min) = van | הָעוֹלָ֖ם (haolam) = de eeuwigheid | וְעַ֣ד (vead) = en tot | הָעֹלָ֑ם (haolam) = de eeuwigheid | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zij zeiden | כָל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אָמֵ֔ן (amen) = amen | וְהַלֵּ֖ל (vehalel) = en loof | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרוּךְ יְהוָה (barukh Yahweh), ‘gezegend is Yahweh’: een lofspreuk. Hij sluit het lied af. Daarna vertelt de tekst dat het volk ‘Amen’ zei, zoals bij de vloeken in Deut. 27:15–26. Zie ook: Deut 27:15–26; Ps 72:18–19; 1 Kon 8:15; 1 Kon 8:56; Neh 8:6; Ef 1:3 ### De dienst in Jeruzalem en in Gibeon **16:37** David liet daar, voor de ark van het verbond van Yahweh, Asaf en zijn broeders achter. Zij moesten voortdurend voor de ark dienen, naar wat elke dag vroeg. Brontekst: וַיַּֽעֲזָב (vayaazav) = en hij liet achter | שָׁ֗ם (sham) = daar | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְאָסָ֖ף (leasaf) = aan Asaf | וּלְאֶחָ֑יו (uleechav) = en aan zijn broeders | לְשָׁרֵ֞ת (lesharet) = om te dienen | לִפְנֵ֧י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאָר֛וֹן (haaron) = de ark | תָּמִ֖יד (tamid) = voortdurend | לִדְבַר (lidvar) = naar de behoefte van | י֥וֹם (yom) = de dag | בְּיוֹמֽוֹ (beyomo) = op zijn dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘Daar’ is de tent in Jeruzalem waar de ark stond (vers 1). Voetnoot Uitleg: לִדְבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ (lidvar yom beyomo), ‘naar wat elke dag vroeg’: letterlijk ‘naar de zaak van de dag op zijn dag’. Het gaat om de taken die elke dag nodig waren. Zie ook: 1 Kron 15:17–24; 1 Kron 16:1; 1 Kron 16:4–6; 1 Kron 25:1–6; 2 Kron 8:14; Ezra 3:4 **16:38** Ook Obed-Edom en hun broeders, 68 man. Obed-Edom, de zoon van Jedutun, en Chosa waren poortwachters. Brontekst: וְעֹבֵ֥ד (veoved) = en Obed | אֱדֹ֛ם (edom) = Edom | וַאֲחֵיהֶ֖ם (vaacheihem) = en hun broeders | שִׁשִּׁ֣ים (shishim) = zestig | וּשְׁמוֹנָ֑ה (ushemona) = en acht | וְעֹבֵ֨ד (veoved) = en Obed | אֱדֹ֧ם (edom) = Edom | בֶּן (ben) = zoon van | יְדִית֛וּן (yeditun) = Jedutun | וְחֹסָ֖ה (vechosa) = en Chosa | לְשֹׁעֲרִֽים (leshoarim) = als poortwachters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ontbreekt in dit vers; wij vullen ‘waren’ aan. Obed-Edom (עֹבֵד אֱדֹם) komt in dit hoofdstuk twee keer voor (vers 5 en 38). Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Zie ook 1 Kron. 15:18,21,24 en 26:4–8. Voetnoot : יְדִיתוּן (Jeditun): in dit vers staat de naam met een andere spelling dan in vers 41 en 42 (יְדוּתוּן, Jedutun). Het is dezelfde man; wij schrijven overal ‘Jedutun’. Zie ook: 1 Kron 13:14; 1 Kron 15:18; 1 Kron 16:5; 1 Kron 16:41; 1 Kron 16:42; 1 Kron 25:3; 1 Kron 26:4–8; 1 Kron 26:10 **16:39** Zadok, de priester, en zijn broeders, de priesters, liet hij achter voor de tabernakel van Yahweh op de offerhoogte in Gibeon. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | צָד֣וֹק (tsadoq) = Zadok | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְאֶחָיו֙ (veechav) = en zijn broeders | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בַּבָּמָ֖ה (babama) = op de offerhoogte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּגִבְעֽוֹן (begivon) = in Gibeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon (גִּבְעוֹן) lag bij het huidige el-Jib, ongeveer 10 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: בָּמָה (bamah), ‘offerhoogte’: een hoogte waar geofferd werd. Daar stond de tabernakel van Yahweh uit de tijd van Mozes. Zie ook 1 Kron. 21:29. Zie ook: 1 Kron 12:29; 1 Kron 15:11; 1 Kron 21:29; 1 Kon 3:4; 2 Kron 1:3–4 **16:40** Zij moesten voortdurend, elke ochtend en elke avond, brandoffers opdragen aan Yahweh op het altaar voor het brandoffer. Dat deden zij naar alles wat geschreven staat in de wet van Yahweh. Hij had die aan Israël bevolen. Brontekst: לְֽהַעֲלוֹת֩ (lehaalot) = om op te laten gaan | עֹל֨וֹת (olot) = brandoffers | לַיהוָ֜ה (laYahweh) = aan Yahweh | עַל (al) = op | מִזְבַּ֧ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָ֛ה (haola) = het brandoffer | תָּמִ֖יד (tamid) = voortdurend | לַבֹּ֣קֶר (laboqer) = in de ochtend | וְלָעָ֑רֶב (velaarev) = en in de avond | וּלְכָל (ulekhal) = en voor alles | הַכָּתוּב֙ (hakatuv) = wat geschreven is | בְּתוֹרַ֣ת (betorat) = in de wet van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּ֖ה (tsiva) = Hij beval | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרַת יְהוָה (torat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: tora betekent ‘onderricht’. Het gaat om de wet van Mozes. Voetnoot : Het dagelijkse brandoffer, ’s ochtends en ’s avonds, staat in Exod. 29:38–42 en Num. 28:3–8. Zie ook: Ex 29:38–42; Num 28:3–8; 2 Kron 2:3; 2 Kron 31:3; Ezra 3:3 **16:41** Bij hen waren Heman en Jedutun en de andere uitgekozen mannen, die bij name waren aangewezen om Yahweh te danken. Want Zijn trouw is voor altijd. Brontekst: וְעִמָּהֶם֙ (veimahem) = en met hen | הֵימָ֣ן (heiman) = Heman | וִֽידוּת֔וּן (vidutun) = en Jedutun | וּשְׁאָר֙ (ushear) = en de rest van | הַבְּרוּרִ֔ים (haberurim) = de uitgekozenen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִקְּב֖וּ (niqevu) = zijn aangewezen | בְּשֵׁמ֑וֹת (beshemot) = bij namen | לְהֹדוֹת֙ (lehodot) = om te danken | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor altijd | חַסְדּֽוֹ (chasdo) = Zijn trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבְּרוּרִים (haberurim), ‘de uitgekozenen’: mannen die uit de groep waren gekozen en bij hun naam waren aangewezen. Zie ook: 1 Kron 6:18; 1 Kron 25:1–6; 2 Kron 5:13; 2 Kron 7:3; 2 Kron 20:21 **16:42** Bij hen, Heman en Jedutun, waren trompetten en bekkens voor wie ze lieten klinken, en instrumenten voor het lied van Elohim. De zonen van Jedutun waren bij de poort. Brontekst: וְעִמָּהֶם֩ (veimahem) = en met hen | הֵימָ֨ן (heiman) = Heman | וִֽידוּת֜וּן (vidutun) = en Jedutun | חֲצֹצְר֤וֹת (chatsotserot) = trompetten | וּמְצִלְתַּ֨יִם֙ (umetsiltayim) = en bekkens | לְמַשְׁמִיעִ֔ים (lemashmiim) = voor wie laten klinken | וּכְלֵ֖י (ukhelei) = en instrumenten van | שִׁ֣יר (shir) = lied van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יְדוּת֖וּן (yedutun) = Jedutun | לַשָּֽׁעַר (lashaar) = voor de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצוֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’, en מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: zie vers 5 en 6. Zie ook: 1 Kron 16:5; 1 Kron 16:6; 1 Kron 25:6–7; Ps 84:11; Ps 150:3–6; 2 Kron 7:6; 2 Kron 29:25–28 **16:43** Heel het volk ging weg, ieder naar zijn huis. David keerde terug om zijn huis te zegenen. Brontekst: וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en zij gingen | כָל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְבֵית֑וֹ (leveito) = naar zijn huis | וַיִּסֹּ֥ב (vayisov) = en keerde om | דָּוִ֖יד (david) = David | לְבָרֵ֥ךְ (levarekh) = om te zegenen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit komt overeen met 2 Sam. 6:19–20. Zie ook: Gen 18:19; Joz 24:15; 2 Sam 6:19–20; Ps 101:2; 1 Kon 8:66 ## 1 Kronieken 17 _Elohim belooft David een huis_ ### David wil een huis bouwen **17:1** Het gebeurde dat David in zijn huis woonde. Toen zei David tegen de profeet Natan: „Zie, ik woon in een huis van cederhout. De ark van het verbond van Yahweh staat onder tentkleden.” Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = toen | יָשַׁ֥ב (yashav) = zat | דָּוִ֖יד (david) = David | בְּבֵית֑וֹ (beveito) = in zijn huis | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֜יד (david) = David | אֶל (el) = tot | נָתָ֣ן (natan) = Natan | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | יוֹשֵׁב֙ (yoshev) = woon | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הָֽאֲרָזִ֔ים (haarazim) = de cederbomen | וַאֲר֥וֹן (vaaron) = en de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תַּ֥חַת (tachat) = onder | יְרִיעֽוֹת (yeriot) = tentkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk komt overeen met 2 Sam. 7. Het verschilt op veel plaatsen; wij noemen de verschillen bij de verzen. Voetnoot : בֵּית הָאֲרָזִים (beit haarazim), ‘huis van cederhout’: vergelijk 1 Kron. 14:1. יְרִיעוֹת (yeriot), ‘tentkleden’: de tentdoeken van de tent, zoals in Exod. 26:1. Voetnoot : Het werkwoord bij ‘de ark’ ontbreekt in het Hebreeuws; wij vullen ‘staat’ aan. In 2 Sam. 7:2 staat ‘de ark van Elohim’; hier ‘de ark van het verbond van Yahweh’. Zie ook: Ex 26:1; 2 Sam 6:17; 2 Sam 7:2; 1 Kron 14:1; 1 Kron 15:1; 1 Kron 17:5; 2 Kron 6:7–9; Jer 22:15 **17:2** Natan zei tegen David: „Doe alles wat in je hart is, want Elohim is met je.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | נָתָן֙ (natan) = Natan | אֶל (el) = tot | דָּוִ֔יד (david) = David | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | בִּֽלְבָבְךָ֖ (bilvavekha) = in je hart | עֲשֵׂ֑ה (ase) = doe | כִּ֥י (ki) = want | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Natan zegt hier: ‘Elohim is met je’. In 2 Sam. 7:3 staat: ‘Yahweh is met je’. Zie ook: Joz 9:14; 1 Sam 10:7; 2 Sam 7:3; 1 Kron 28:2; Zach 8:23; 1 Kor 13:9 ### Het woord van Elohim aan Natan **17:3** Het gebeurde in die nacht dat het woord van Elohim tot Natan kwam: Brontekst: וַֽיְהִ֖י (vayhi) = en het was | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֑וּא (hahu) = die | וַיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | נָתָ֖ן (natan) = Natan | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבַר אֱלֹהִים (devar Elohim), ‘het woord van Elohim’. In 2 Sam. 7:4 staat ‘het woord van Yahweh’. Zie ook: Num 12:6; 2 Sam 7:4; 2 Kon 20:1–5; Amos 3:7; Jes 30:21 **17:4** „Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: ‘Zo zegt Yahweh: Niet jij zult het huis voor Mij bouwen om in te wonen. Brontekst: לֵ֤ךְ (lekh) = ga | וְאָמַרְתָּ֙ (veamarta) = en zeg | אֶל (el) = tot | דָּוִ֣יד (david) = David | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn dienaar | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | אַתָּ֛ה (ata) = jij | תִּבְנֶה (tivne) = zult bouwen | לִּ֥י (li) = voor Mij | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | לָשָֽׁבֶת (lashavet) = om te wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 4–14 zijn het woord dat Elohim aan Natan geeft om aan David door te geven. Wij zetten ze zwart, zoals in 2 Sam. 7:5–16; de boodschap van Yahweh zelf staat tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : לֹא אַתָּה תִּבְנֶה לִּי הַבַּיִת (lo attah tivneh li habayit), ‘Niet jij zult het huis voor Mij bouwen’: een stelling, met nadruk op ‘jij’. In 2 Sam. 7:5 is het een vraag: ‘Ben jij het die … zult bouwen?’ Zie ook: 2 Sam 7:4–5; 2 Sam 7:5–16; 1 Kron 28:2–3; 1 Kon 8:19; Jes 55:8–9; Rom 11:33–34 **17:5** Want Ik heb niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël heb laten optrekken tot op deze dag. Ik ben geweest van tent naar tent en van tabernakel. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יָשַׁ֨בְתִּי֙ (yashavti) = heb gewoond | בְּבַ֔יִת (bevayit) = in een huis | מִן (min) = vanaf | הַיּ֗וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הֶעֱלֵ֨יתִי֙ (heeleiti) = Ik liet optrekken | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וָֽאֶהְיֶ֛ה (vaehye) = en Ik was | מֵאֹ֥הֶל (meohel) = van tent | אֶל (el) = naar | אֹ֖הֶל (ohel) = tent | וּמִמִּשְׁכָּֽן (umimishkan) = en van tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וּמִמִּשְׁכָּן (umimmishkan), ‘en van tabernakel’: de zin breekt hier af. In 2 Sam. 7:6 staat ‘in een tent en in een tabernakel’. Wij vullen niets aan en vertalen wat er staat. Zie ook: Ex 40:2–3; 2 Sam 7:6; 1 Kon 8:16; 2 Kron 2:5; Jes 66:1–2 **17:6** Heb Ik overal waar Ik rondtrok in heel Israël ooit een woord gesproken tegen een van de rechters van Israël? Ik had hun bevolen Mijn volk te weiden. Heb Ik gezegd: „Waarom hebben jullie geen huis van cederhout voor Mij gebouwd?”’ Brontekst: בְּכֹ֥ל (bekhol) = in alles | אֲשֶֽׁר (asher) = waar | הִתְהַלַּכְתִּי֮ (hithalakhti) = Ik rondtrok | בְּכָל (bekhal) = in heel | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | הֲדָבָ֣ר (hadavar) = het woord? | דִּבַּ֗רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | אֶת (et) = tot | אַחַד֙ (achad) = een van | שֹׁפְטֵ֣י (shofetei) = de rechters van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוִּ֛יתִי (tsiviti) = Ik beval | לִרְע֥וֹת (lirot) = om te weiden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לָ֛מָּה (lama) = waarom | לֹא (lo) = niet | בְנִיתֶ֥ם (benitem) = hebben jullie gebouwd | לִ֖י (li) = voor Mij | בֵּ֥ית (beit) = een huis van | אֲרָזִֽים (arazim) = cederbomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲדָבָר דִּבַּרְתִּי (hadavar dibbarti), ‘heb Ik een woord gesproken?’: het Hebreeuws begint met een vraagwoord. Wij lezen een retorische vraag en voegen ‘ooit’ toe, zoals bij 2 Sam. 7:7. Voetnoot Lezing: שֹׁפְטֵי (shofete), ‘rechters van’: dit staat hier. In 2 Sam. 7:7 staat שִׁבְטֵי (shivte), ‘stammen van’. Wij volgen de Masoretische tekst in beide boeken. Vers 10 spreekt ook van ‘rechters’. Zie ook: Num 10:33–36; 2 Sam 7:7; 1 Kron 11:2; 1 Kron 17:10; Jer 23:4; Openb 2:1 **17:7** Nu dan, zeg zo tegen Mijn dienaar, tegen David: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Ik heb jou van de weide genomen, van achter het kleinvee. Dat deed Ik om je leider te maken over Mijn volk Israël. Brontekst: וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | כֹּֽה (ko) = zo | תֹאמַ֞ר (tomar) = zult zeggen | לְעַבְדִּ֣י (leavdi) = tot Mijn dienaar | לְדָוִ֗יד (ledavid) = tot David | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֲנִ֤י (ani) = Ik | לְקַחְתִּ֨יךָ֙ (leqachtikha) = heb je genomen | מִן (min) = van | הַנָּוֶ֔ה (hanave) = de weide | מִֽן (min) = van | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | הַצֹּ֑אן (hatson) = het kleinvee | לִהְי֣וֹת (lihyot) = om te zijn | נָגִ֔יד (nagid) = leider | עַ֖ל (al) = over | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: zoals in 2 Sam. 5:2 en 6:21. Het Hebreeuws heeft hier één zin (‘om leider te zijn’); wij maken er twee van, zoals in 2 Sam. 7:8. Zie ook: Ex 3:1–10; 1 Sam 16:11–12; 2 Sam 5:2; 2 Sam 6:21; 2 Sam 7:8; Ps 78:70–71; Luc 5:10 **17:8** Ik ben met je geweest overal waar je ging. Ik heb al je vijanden voor je uit afgesneden. Ik zal je een naam maken, zoals de naam van de groten die op aarde zijn. Brontekst: וָֽאֶהְיֶ֣ה (vaehye) = en Ik was | עִמְּךָ֗ (imekha) = met je | בְּכֹל֙ (bekhol) = overal | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | הָלַ֔כְתָּ (halakhta) = je ging | וָאַכְרִ֥ית (vaakhrit) = en Ik heb afgesneden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | אוֹיְבֶ֖יךָ (oyeveikha) = je vijanden | מִפָּנֶ֑יךָ (mipaneikha) = van voor je | וְעָשִׂ֤יתִֽי (veasiti) = en Ik zal maken | לְךָ֙ (lekha) = voor je | שֵׁ֔ם (shem) = een naam | כְּשֵׁ֥ם (keshem) = zoals de naam van | הַגְּדוֹלִ֖ים (hagedolim) = de groten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בָּאָֽרֶץ (baarets) = op aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In vers 8 staat ‘Ik zal je een naam maken’ zonder het woord ‘grote’. In 2 Sam. 7:9 staat ‘een grote naam’. Zie ook: 1 Sam 18:14; 1 Sam 18:28; 2 Sam 7:9; 1 Kron 17:2; Ps 46:8; Ps 113:7–8 **17:9** Ik zal een plaats aanwijzen voor Mijn volk Israël. Ik zal het planten en het zal op zijn eigen plek wonen. Het zal niet meer beven. Mensen van onrecht zullen het niet meer uitputten, zoals in het begin, Brontekst: וְשַׂמְתִּ֣י (vesamti) = en Ik zal stellen | מָ֠קוֹם (maqom) = een plaats | לְעַמִּ֨י (leami) = voor Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | וּנְטַעְתִּ֨יהוּ֙ (unetatihu) = en Ik zal het planten | וְשָׁכַ֣ן (veshakhan) = en het zal wonen | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = onder zich | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִרְגַּ֖ז (yirgaz) = zal beven | ע֑וֹד (od) = meer | וְלֹא (velo) = en niet | יוֹסִ֤יפוּ (yosifu) = zullen toevoegen | בְנֵי (benei) = zonen van | עַוְלָה֙ (avla) = onrecht | לְבַלֹּת֔וֹ (levaloto) = om het uit te putten | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | בָּרִאשׁוֹנָֽה (barishona) = in het begin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבַלֹּתוֹ (levallotto), ‘om het uit te putten’: het werkwoord betekent ‘verslijten’ of ‘uitputten’. In 2 Sam. 7:10 staat een ander woord: לְעַנּוֹתוֹ (leannoto), ‘om het te verdrukken’. Zie ook: Ex 2:23; 2 Sam 7:10; Ezech 28:4; Ezech 36:14–15; Ef 5:6; Openb 21:4 **17:10** vanaf de dagen dat Ik rechters het bevel gaf over Mijn volk Israël. Ik zal al je vijanden onderwerpen. Ik maak je bekend dat Yahweh een huis voor je zal bouwen. Brontekst: וּלְמִיָּמִ֗ים (ulemiyamim) = en vanaf de dagen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | צִוִּ֤יתִי (tsiviti) = Ik beval | שֹֽׁפְטִים֙ (shofetim) = rechters | עַל (al) = over | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהִכְנַ֖עְתִּי (vehikhnati) = en Ik zal onderwerpen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | אוֹיְבֶ֑יךָ (oyeveikha) = je vijanden | וָאַגִּ֣ד (vaagid) = en Ik maak bekend | לָ֔ךְ (lakh) = aan je | וּבַ֖יִת (uvayit) = en een huis | יִֽבְנֶה (yivne) = zal bouwen | לְּךָ֥ (lekha) = voor je | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאַגֵּד (vaagged), ‘en Ik maak bekend’: Yahweh spreekt over Zichzelf in de derde persoon (‘Yahweh zal een huis voor je bouwen’). Dat staat zo in de tekst. In 2 Sam. 7:11 luidt de zin anders: ‘Yahweh maakt je bekend dat Yahweh een huis voor je zal maken’. Voetnoot : Het begin sluit aan op vers 9: ‘zoals in het begin en vanaf de dagen dat Ik rechters het bevel gaf’. Zie Richt. 2:16. Zie ook: Ex 1:21; Re 2:16; 2 Sam 7:11; 1 Kron 17:9; Ps 18:41–51; Ps 21:9–10; Ps 89:24 **17:11** Wanneer je dagen vol zijn om met je vaders te gaan, zal Ik na jou je nageslacht laten opstaan. Het zal een van je zonen zijn. Ik zal zijn koningschap bevestigen. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | מָלְא֤וּ (maleu) = vol zijn | יָמֶ֨יךָ֙ (yameikha) = je dagen | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | עִם (im) = met | אֲבֹתֶ֔יךָ (avoteikha) = je vaders | וַהֲקִֽימוֹתִ֤י (vahaqimoti) = dan zal Ik laten opstaan | אֶֽת (et) = (obj.) | זַרְעֲךָ֙ (zarakha) = je nageslacht | אַחֲרֶ֔יךָ (achareikha) = na jou | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | מִבָּנֶ֑יךָ (mibaneikha) = uit je zonen | וַהֲכִינוֹתִ֖י (vahakhinoti) = en Ik zal bevestigen | אֶת (et) = (obj.) | מַלְכוּתֽוֹ (malkhuto) = zijn koningschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָלֶכֶת עִם אֲבֹתֶיךָ (lalechet im avotecha), ‘om met je vaders te gaan’: sterven. In 2 Sam. 7:12 staat ‘en je bij je vaders ligt’ (zie ook Deut. 31:16). Voetnoot : זֶרַע (zera), ‘nageslacht’: hier staat erbij ‘een van je zonen’. Daarmee wordt één opvolger bedoeld (vers 12). Vergelijk 1 Kron. 22:9–10. Zie ook: Gen 15:15; Deut 31:16; 2 Sam 7:12–13; 1 Kron 17:12; 1 Kron 22:9–10; Ps 132:11; Jer 23:5–6; Rom 1:3–4 **17:12** Hij zal een huis voor Mij bouwen. Ik zal zijn troon voor altijd bevestigen. Brontekst: ה֥וּא (hu) = hij | יִבְנֶה (yivne) = zal bouwen | לִּ֖י (li) = voor Mij | בָּ֑יִת (bayit) = een huis | וְכֹנַנְתִּ֥י (vekhonanti) = en Ik zal bevestigen | אֶת (et) = (obj.) | כִּסְא֖וֹ (kiso) = zijn troon | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De opvolger is Salomo (1 Kron. 22:9–10; 28:6). In 2 Sam. 7:13 staat dezelfde belofte. De troon wordt ‘voor altijd’ bevestigd. Zie ook: 2 Sam 7:13; 1 Kron 22:9–10; 1 Kron 28:6; 1 Kon 5:19; Jes 9:6; Dan 2:44; Hand 7:47–48; Openb 11:15 **17:13** Ik zal voor hem een vader zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn. Mijn trouw zal Ik niet van hem laten wijken, zoals Ik die heb laten wijken van wie vóór jou was. Brontekst: אֲנִי֙ (ani) = Ik | אֶֽהְיֶה (ehye) = zal zijn | לּ֣וֹ (lo) = voor hem | לְאָ֔ב (leav) = tot vader | וְה֖וּא (vehu) = en hij | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לִּ֣י (li) = voor Mij | לְבֵ֑ן (leven) = tot zoon | וְחַסְדִּי֙ (vechasdi) = en Mijn trouw | לֹא (lo) = niet | אָסִ֣יר (asir) = zal Ik laten wijken | מֵֽעִמּ֔וֹ (meimo) = van hem | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | הֲסִיר֔וֹתִי (hasiroti) = Ik liet wijken | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = van wie | הָיָ֖ה (haya) = was | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor je aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers wordt aangehaald in Hebr. 1:5. In 2 Sam. 7:14 volgt hierna nog een zin over tuchtiging wanneer hij verkeerd handelt. Die zin staat in Kronieken niet. Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Yahweh blijft trouw aan het huis van David. Voetnoot Lezing: מֵאֲשֶׁר הָיָה לְפָנֶיךָ (measher hayah lefanecha), ‘van wie vóór jou was’: Saul wordt hier niet genoemd. In 2 Sam. 7:15 staat zijn naam wel. Zie ook: 1 Sam 15:28; 2 Sam 7:14; 2 Sam 7:15; 1 Kron 10:14; Ps 2:7; 2 Kor 6:18; Heb 1:5 **17:14** Ik zal hem laten staan in Mijn huis en in Mijn koninkrijk, voor altijd. Zijn troon zal voor altijd vast staan.’” Brontekst: וְהַֽעֲמַדְתִּ֛יהוּ (vehaamadtihu) = en Ik zal hem laten staan | בְּבֵיתִ֥י (beveiti) = in Mijn huis | וּבְמַלְכוּתִ֖י (uvemalkhuti) = en in Mijn koninkrijk | עַד (ad) = tot | הָעוֹלָ֑ם (haolam) = de eeuwigheid | וְכִסְא֕וֹ (vekhiso) = en zijn troon | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | נָכ֖וֹן (nakhon) = vast | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּבֵיתִי וּבְמַלְכוּתִי (bevetî uvmalchutî), ‘in Mijn huis en in Mijn koninkrijk’: het huis en het koninkrijk zijn van Yahweh. In 2 Sam. 7:16 staat ‘je huis en je koningschap’. Zie ook 1 Kron. 28:5 en 29:23, waar Salomo zit op ‘de troon van Yahweh’. Zie ook: 2 Sam 7:16; 1 Kron 28:5; 1 Kron 29:23; Ps 2:6; Ps 72:17; Ps 89:37; Luc 1:32–33; Heb 3:6 **17:15** Naar al deze woorden en naar heel dit visioen sprak Natan zo tot David. Brontekst: כְּכֹל֙ (kekhol) = naar alle | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וּכְכֹ֖ל (ukhekhol) = en naar heel | הֶחָז֣וֹן (hechazon) = het visioen | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | כֵּ֛ן (ken) = zo | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | נָתָ֖ן (natan) = Natan | אֶל (el) = tot | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 7:17; Jer 23:28; Hand 20:27 ### Het gebed van David **17:16** Koning David kwam binnen en zat voor het aangezicht van Yahweh. Hij zei: „Wie ben ik, Yahweh Elohim, en wie is mijn huis, dat U mij tot hier hebt gebracht? Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּוִ֔יד (david) = David | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en zat | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | מִֽי (mi) = wie | אֲנִ֞י (ani) = ik | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | וּמִ֣י (umi) = en wie | בֵיתִ֔י (beiti) = mijn huis | כִּ֥י (ki) = dat | הֲבִיאֹתַ֖נִי (haviotani) = U hebt mij gebracht | עַד (ad) = tot | הֲלֹֽם (halom) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker noemt Elohim hier ‘Yahweh Elohim’. In 2 Sam. 7:18 staat ‘mijn Heer Yahweh’ (Adonai Yahweh). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt dat David ‘zat voor het aangezicht van Yahweh’. Waar dat was, zegt de tekst niet; de ark stond in de tent (1 Kron. 16:1). Zie ook: Gen 32:10; 1 Sam 9:21; 2 Sam 7:18; 1 Kron 16:1; Ps 144:3; Ef 3:8 **17:17** Dit was nog te klein in Uw ogen, Elohim. U hebt ook gesproken over het huis van Uw dienaar, voor de verre toekomst. U hebt mij gezien als een mens van hoge rang, Yahweh Elohim. Brontekst: וַתִּקְטַ֨ן (vatiqtan) = en het was klein | זֹ֤את (zot) = dit | בְּעֵינֶ֨יךָ֙ (beeineikha) = in Uw ogen | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וַתְּדַבֵּ֥ר (vatedaber) = en U sprak | עַל (al) = over | בֵּֽית (beit) = het huis van | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = Uw dienaar | לְמֵרָח֑וֹק (lemerachoq) = van ver | וּרְאִיתַ֗נִי (ureitani) = en U hebt mij gezien | כְּת֧וֹר (ketor) = als de rang van | הָאָדָ֛ם (haadam) = de mens | הַֽמַּעֲלָ֖ה (hamaala) = de hoge | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּרְאִיתַנִי כְּתוֹר הָאָדָם הַמַּעֲלָה (ureitani ketor haadam hamaalah), ‘U hebt mij gezien als een mens van hoge rang’: de betekenis is onzeker. Letterlijk staat er ongeveer ‘als de rij van de mens, de hoge’. Dat kan ‘als een man van hoge rang’ betekenen. Het vers verschilt sterk van 2 Sam. 7:19, waar staat: ‘Is dit de wet van de mens?’ Voetnoot : לְמֵרָחוֹק (lemerachoq), ‘voor de verre toekomst’: letterlijk ‘van ver’. Zie ook: 2 Sam 7:19; 1 Kron 17:11–15; Ps 78:70–72; Jes 49:6; Ef 3:20; Fil 2:8–11 **17:18** Wat kan David nog meer tegen U zeggen voor de eer van Uw dienaar? U kent Uw dienaar. Brontekst: מַה (ma) = wat | יּוֹסִ֨יף (yosif) = kan toevoegen | ע֥וֹד (od) = nog | דָּוִ֛יד (david) = David | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = aan U | לְכָב֣וֹד (lekhavod) = voor de eer | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדֶּ֑ךָ (avdekha) = Uw dienaar | וְאַתָּ֖ה (veata) = en U | אֶֽת (et) = (obj.) | עַבְדְּךָ֥ (avdekha) = Uw dienaar | יָדָֽעְתָּ (yadata) = kent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vers is moeilijk. Letterlijk: ‘Wat kan David nog toevoegen aan U, voor de eer van Uw dienaar? En U, Uw dienaar kent U.’ In 2 Sam. 7:20 staat: ‘Wat kan David nog meer tegen U zeggen?’ Zie ook: 1 Sam 2:30; 1 Sam 16:7; 2 Sam 7:20; Ps 139:1; Joh 21:17; Openb 2:23 **17:19** Yahweh, omwille van Uw dienaar en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, om al die grote daden bekend te maken. Brontekst: יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | בַּעֲב֤וּר (baavur) = ter wille van | עַבְדְּךָ֙ (avdekha) = Uw dienaar | וּֽכְלִבְּךָ֔ (ukhelibekha) = en naar Uw hart | עָשִׂ֕יתָ (asita) = hebt gedaan | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַגְּדוּלָּ֖ה (hagedula) = de grootheid | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | לְהֹדִ֖יעַ (lehodia) = om bekend te maken | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגְּדֻלּֽוֹת (hagedulot) = grote daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגְּדוּלָּה (haggedullah), ‘de grootheid’: een enkelvoud dat alles samenvat wat Yahweh deed; het sluit aan bij het meervoud הַגְּדֻלּוֹת (haggedullot), ‘de grote daden’, aan het slot. Voetnoot : Ook dit vers verschilt van 2 Sam. 7:21. Zie ook: 2 Sam 7:21; 1 Kron 29:11–12; Ps 111:3; Jes 37:35; Jes 49:5–6; Ef 1:9–11 **17:20** Yahweh, niemand is zoals U. Er is geen Elohim behalve U, in alles wat wij met onze oren hebben gehoord. Brontekst: יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣ין (ein) = niemand | כָּמ֔וֹךָ (kamokha) = is zoals U | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | זוּלָתֶ֑ךָ (zulatekha) = behalve U | בְּכֹ֥ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | שָׁמַ֖עְנוּ (shamanu) = wij hoorden | בְּאָזְנֵֽינוּ (beazeneinu) = met onze oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵין כָּמוֹךָ (ein kamocha), ‘niemand is zoals U’: vergelijk Exod. 15:11 en Deut. 4:35. Zie ook: Ex 15:11; Deut 4:35; Ps 89:9; Jes 44:6; Jer 10:6–7; Ef 3:20 **17:21** Welk volk op aarde is zoals Uw volk Israël? Het is het ene volk waarvoor Elohim is gegaan om het vrij te kopen als volk voor Zich. Zo maakte U Uzelf een naam met grote en ontzagwekkende daden. U verdreef volken voor het aangezicht van Uw volk, dat U uit Egypte hebt vrijgekocht. Brontekst: וּמִי֙ (umi) = en wie | כְּעַמְּךָ֣ (keamekha) = zoals Uw volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | גּ֥וֹי (goy) = een volk | אֶחָ֖ד (echad) = enig | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = op aarde | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | הָלַ֨ךְ (halakh) = ging | הָאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = de Elohim | לִפְדּ֧וֹת (lifdot) = om vrij te kopen | ל֣וֹ (lo) = voor Zich | עָ֗ם (am) = een volk | לָשׂ֤וּם (lasum) = om te maken | לְךָ֙ (lekha) = voor U | שֵׁ֚ם (shem) = een naam | גְּדֻלּ֣וֹת (gedulot) = grote daden | וְנֹרָא֔וֹת (venoraot) = en ontzagwekkende | לְגָרֵ֗שׁ (legaresh) = om te verdrijven | מִפְּנֵ֧י (mipenei) = voor het aangezicht van | עַמְּךָ֛ (amekha) = Uw volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | פָּדִ֥יתָ (padita) = U kocht vrij | מִמִּצְרַ֖יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het vers springt van ‘Zich’ (vrij kopen voor Zich) naar ‘U’ (om U een naam te maken). Wij vertalen dat zoals het staat. Het einde, ‘volken’, hoort bij ‘verdrijven’. Voetnoot Lezing: Dit vers verschilt veel van 2 Sam. 7:23. Daar staat ‘Egypte, volken en zijn goden’. Hier staat dat Elohim volken verdreef. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ex 19:4–6; 2 Sam 7:23; Ps 44:3–4; Ps 77:16; Jes 48:9; Ezech 20:9–10 **17:22** U hebt Uw volk Israël voor Uzelf tot een volk gesteld, voor altijd. En U, Yahweh, bent voor hen Elohim geworden. Brontekst: וַ֠תִּתֵּן (vatiten) = en U gaf | אֶת (et) = (obj.) | עַמְּךָ֨ (amekha) = Uw volk | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | לְךָ֛ (lekha) = aan U | לְעָ֖ם (leam) = tot volk | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָיִ֥יתָ (hayita) = werd | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּתֵּן (vattitten), ‘en U gaf’: het werkwoord kan ook ‘stellen’ betekenen. In 2 Sam. 7:24 staat וַתְּכוֹנֵן (vattekhonen), ‘en U bevestigde’. Voetnoot : Dit past bij het verbond: ‘Ik zal hun tot Elohim zijn’ (Gen. 17:7–8; Exod. 6:7). Zie ook: Gen 17:7; Ex 6:7; Ex 19:5–6; 2 Sam 7:24; Jer 31:31–34; Rom 11:1–12; 1 Petr 2:9 **17:23** Nu dan, Yahweh, laat het woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis hebt gesproken voor altijd bevestigd zijn. Doe zoals U hebt gesproken. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | דִּבַּ֤רְתָּ (dibarta) = U sprak | עַֽל (al) = over | עַבְדְּךָ֙ (avdekha) = Uw dienaar | וְעַל (veal) = en over | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | יֵאָמֵ֖ן (yeamen) = moge bevestigd worden | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | וַעֲשֵׂ֖ה (vaase) = en doe | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּֽרְתָּ (dibarta) = U sprak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵאָמֵן (yeamen), ‘moge bevestigd worden’: van hetzelfde grondwoord als ‘amen’ (zie 1 Kron. 16:36). Zie ook: Gen 32:12; 2 Sam 7:25–29; 1 Kron 16:36; Ps 119:49; Jer 11:5; Luc 1:38 **17:24** Laat het bevestigd zijn en laat Uw naam groot worden voor altijd, zodat men zegt: ‘Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, is Elohim voor Israël.’ Het huis van David, Uw dienaar, staat vast voor Uw aangezicht. Brontekst: וְ֠יֵֽאָמֵן (veyeamen) = en moge bevestigd worden | וְיִגְדַּ֨ל (veyigdal) = en groot worden | שִׁמְךָ֤ (shimkha) = Uw naam | עַד (ad) = tot | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = voor Israël | וּבֵית (uveit) = en het huis van | דָּוִ֥יד (david) = David | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = Uw dienaar | נָכ֥וֹן (nakhon) = vast | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיֵאָמֵן וְיִגְדַּל (veyeamen veyigdal), ‘en moge het bevestigd worden en groot worden’: de vorm is een wens. Wij vertalen hem als bede, zoals in 2 Sam. 7:25–26. Zie ook: 2 Sam 7:25–26; Ps 21:14; Ps 72:19; Joh 12:28; Joh 17:1; Heb 11:16 **17:25** Want U, mijn Elohim, hebt het oor van Uw dienaar geopend om hem een huis te bouwen. Daarom is Uw dienaar ertoe gekomen om voor Uw aangezicht te bidden. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אַתָּ֣ה (ata) = U | אֱלֹהַ֗י (elohay) = mijn Elohim | גָּלִ֨יתָ֙ (galita) = hebt ontsluierd | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣זֶן (ozen) = het oor van | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | ל֖וֹ (lo) = voor hem | בָּ֑יִת (bayit) = een huis | עַל (al) = op | כֵּן֙ (ken) = zo | מָצָ֣א (matsa) = heeft gevonden | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | לְהִתְפַּלֵּ֖ל (lehitpalel) = om te bidden | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּלִיתָ אֶת אֹזֶן (galita et ozen), ‘U hebt het oor geopend’: onthuld. De uitdrukking staat ook in 1 Sam. 9:15. Voetnoot : מָצָא עַבְדְּךָ לְהִתְפַּלֵּל (matsa avdecha lehitpallel), ‘Uw dienaar heeft gevonden om te bidden’: wij vertalen ‘is ertoe gekomen’. In 2 Sam. 7:27 staat ‘heeft zijn hart gevonden’. Zie ook: 1 Sam 9:15; 2 Sam 7:27; Ps 10:17; Ezech 36:37; 1 Joh 5:14–15 **17:26** Nu dan, Yahweh, U bent het, de Elohim. U hebt dit goede over Uw dienaar gesproken. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּה (ata) = U | ה֖וּא (hu) = Hij | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וַתְּדַבֵּר֙ (vatedaber) = en U sprak | עַֽל (al) = over | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | הַטּוֹבָ֖ה (hatova) = het goede | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַתָּה הוּא הָאֱלֹהִים (attah hu haElohim), ‘U bent de Elohim’: U bent de ware Elohim. Vergelijk Deut. 4:35 en 4:39. Zie ook: Ex 34:6–7; Deut 4:35; Deut 4:39; Tit 1:2; Heb 6:18 **17:27** Nu dan, U hebt besloten het huis van Uw dienaar te zegenen, zodat het voor altijd voor Uw aangezicht is. Want U, Yahweh, hebt gezegend, en gezegend is het voor altijd.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הוֹאַ֨לְתָּ֙ (hoalta) = U hebt besloten | לְבָרֵךְ֙ (levarekh) = om te zegenen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor altijd | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֤ה (ata) = U | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בֵּרַ֔כְתָּ (berakhta) = hebt gezegend | וּמְבֹרָ֖ךְ (umevorakh) = en gezegend | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹאַלְתָּ (hoalta), ‘U hebt besloten’: het woord betekent ook ‘U hebt de goedheid gehad’. In 2 Sam. 7:29 staat de gebiedende vorm: ‘Wees bereid’. Voetnoot : וּמְבֹרָךְ (umevorach), ‘en gezegend’: een voltooid deelwoord. Het huis van David is door de zegen van Yahweh voor altijd gezegend. Zie ook: Gen 27:33; 2 Sam 7:29; Ps 72:17; Rom 11:29; Ef 1:3 ## 1 Kronieken 18 _Davids overwinningen en zijn bestuur_ ### David verslaat de Filistijnen en Moab **18:1** Daarna versloeg David de Filistijnen en onderwierp hen. Hij nam Gat en de dorpen eromheen uit de hand van de Filistijnen. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֔ן (ken) = zo | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en sloeg | דָּוִ֛יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיַּכְנִיעֵ֑ם (vayakhniem) = en onderwierp hen | וַיִּקַּ֛ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | גַּ֥ת (gat) = Gat | וּבְנֹתֶ֖יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat (גַּת) was een stad van de Filistijnen, waarschijnlijk bij Tell es-Safi in Israël. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk komt overeen met 2 Sam. 8. In 2 Sam. 8:1 staat op deze plaats ‘Metheg-Amma’. Hier staat ‘Gat en haar dochters’. Voetnoot : בְּנֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: de dorpen rondom een stad, die van haar afhangen. Vergelijk Num. 21:25. Zie ook: Num 21:25; 1 Sam 5:8; 1 Sam 27:4; 2 Sam 1:20; 2 Sam 8:1–18 **18:2** Hij versloeg Moab. Moab werd voor David tot dienaren die schatting brachten. Brontekst: וַיַּ֖ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | וַיִּהְי֤וּ (vayihyu) = en werden | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | עֲבָדִ֣ים (avadim) = dienaren | לְדָוִ֔יד (ledavid) = voor David | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = dragers van | מִנְחָֽה (mincha) = schatting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Moab (מוֹאָב) ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘schatting’: een gave die een onderworpen volk brengt. Bij de offers vertalen wij hetzelfde woord als ‘graanoffer’. Het meten met het snoer uit 2 Sam. 8:2 staat hier niet. Zie ook: Num 24:17; 2 Sam 8:2; Ps 68:30–31; Ps 72:8–10; 1 Kon 10:2; 1 Kon 10:25 ### Hadadezer en de Arameeërs **18:3** David versloeg Hadadezer, de koning van Tsoba, tot bij Chamat, toen hij ging om zijn macht te vestigen aan de rivier de Eufraat. Brontekst: וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en sloeg | דָּוִ֛יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | הֲדַדְעֶ֥זֶר (hadadezer) = Hadadezer | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | צוֹבָ֖ה (tsova) = Tsoba | חֲמָ֑תָה (chamata) = richting Chamat | בְּלֶכְתּ֕וֹ (belekhto) = bij zijn gaan | לְהַצִּ֥יב (lehatsiv) = om te plaatsen | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | בִּֽנְהַר (binhar) = bij de rivier | פְּרָֽת (perat) = Eufraat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tsoba (צוֹבָה) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus; de ligging is niet precies bekend. Chamat (חֲמָת) lag bij het huidige Hama aan de rivier de Orontes, in Syrië. Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon. De precieze ligging is niet vast te stellen. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: חֲמָתָה (chamatah), ‘tot bij Chamat’: de uitgang -ah geeft de richting aan. Dit woord staat niet in 2 Sam. 8:3. Voetnoot : לְהַצִּיב יָדוֹ (lehatsiv yado), ‘om zijn hand te plaatsen’: een uitdrukking voor het vestigen van macht. Wie met ‘hij’ bedoeld is, David of Hadadezer, zegt de tekst niet. In 2 Sam. 8:3 staat ‘om zijn hand terug te brengen’. Voetnoot : פְּרָת (Perat), ‘de Eufraat’: zoals in Gen. 15:18. Hier staat ‘de rivier Perat’; wij schrijven ‘de rivier de Eufraat’. Voetnoot Lezing: In 2 Sam. 8:3 heet Hadadezer ‘de zoon van Rechob’. Hier staat dat niet. Zie ook: Gen 15:18; Ex 23:31; 2 Sam 8:3; 2 Sam 10:6; Ps 60:3 **18:4** David nam van hem 1.000 strijdwagens gevangen, 7.000 ruiters en 20.000 man voetvolk. David verlamde de paarden van alle strijdwagens. Hij hield er 100 strijdwagens van over. Brontekst: וַיִּלְכֹּד֩ (vayilkod) = en nam gevangen | דָּוִ֨יד (david) = David | מִמֶּ֜נּוּ (mimenu) = van hem | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | רֶ֗כֶב (rekhev) = strijdwagens | וְשִׁבְעַ֤ת (veshivat) = en zeven | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | פָּֽרָשִׁ֔ים (parashim) = ruiters | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִ֣ישׁ (ish) = man | רַגְלִ֑י (ragli) = voetvolk | וַיְעַקֵּ֤ר (vayaqer) = en verlamde | דָּוִיד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de strijdwagens | וַיּוֹתֵ֥ר (vayoter) = en liet over | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hen | מֵ֥אָה (mea) = honderd | רָֽכֶב (rakhev) = strijdwagens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְעַקֵּר (vayakker), ‘verlamde’: het werkwoord betekent ‘de hielpezen doorsnijden’. Dat kan alleen bij paarden. Wij vullen ‘de paarden van’ aan. Vergelijk Joz. 11:6 en 11:9. Voetnoot : רֶכֶב (rechev), ‘strijdwagens’: het woord is een verzamelwoord voor wagens met hun paarden. Wij vertalen ‘strijdwagens’. Voetnoot Lezing: De getallen verschillen van 2 Sam. 8:4. Daar staan 1.700 ruiters en 20.000 man voetvolk; de strijdwagens worden daar niet geteld. Hier staan 1.000 strijdwagens, 7.000 ruiters en 20.000 man voetvolk. Wij volgen in beide boeken de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 11:6; Joz 11:9; 2 Sam 8:4; Ps 20:8; Ps 33:16–17; 1 Kon 10:26 **18:5** De Arameeërs van Damascus kwamen Hadadezer, de koning van Tsoba, te hulp. David versloeg 22.000 man van de Arameeërs. Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | אֲרַ֣ם (aram) = Aram | דַּרְמֶ֔שֶׂק (darmeseq) = Damascus | לַעְז֕וֹר (lazor) = om te helpen | לַהֲדַדְעֶ֖זֶר (lahadadezer) = Hadadezer | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | צוֹבָ֑ה (tsova) = Tsoba | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en sloeg | דָּוִיד֙ (david) = David | בַּאֲרָ֔ם (baaram) = onder Aram | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig | וּשְׁנַ֥יִם (ushenayim) = en twee | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Damascus (דַּרְמֶשֶׂק) is de hoofdstad van het huidige Syrië. Aram is het land van de Arameeërs. Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon. De precieze ligging is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: In Kronieken wordt de naam met een extra letter ר (resh) geschreven: דַּרְמֶשֶׂק. In 2 Sam. 8:5 staat דַּמֶּשֶׂק. Zie ook: 1 Sam 14:47; 2 Sam 8:5–6; 1 Kron 19:6; 1 Kon 11:23–24; Jes 8:9–10 **18:6** David stelde bezettingen in Aram van Damascus. Aram werd voor David tot dienaren die schatting brachten. Yahweh gaf David de overwinning overal waar hij ging. Brontekst: וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en stelde | דָּוִיד֙ (david) = David | בַּאֲרַ֣ם (baaram) = in Aram | דַּרְמֶ֔שֶׂק (darmeseq) = Damascus | וַיְהִ֤י (vayhi) = en werd | אֲרָם֙ (aram) = Aram | לְדָוִ֔יד (ledavid) = voor David | עֲבָדִ֖ים (avadim) = dienaren | נֹשְׂאֵ֣י (noseei) = dragers van | מִנְחָ֑ה (mincha) = schatting | וַיּ֤וֹשַׁע (vayosha) = en gaf overwinning | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְדָוִ֔יד (ledavid) = aan David | בְּכֹ֖ל (bekhol) = overal | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | הָלָֽךְ (halakh) = hij ging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Het voorwerp van ‘stelde’ ontbreekt in het Hebreeuws. In 2 Sam. 8:6 staat נְצִיבִים (netsivim), ‘bezettingen’. Wij vullen dat aan, zoals vers 13 hier ook heeft. Voetnoot : וַיּוֹשַׁע (vayosha), ‘gaf de overwinning’: het werkwoord betekent ‘redden’ of ‘helpen’. Het is hetzelfde grondwoord als in de naam Yeshua. Zie ook: 2 Sam 8:6; 1 Kron 17:8; 1 Kron 18:2; 1 Kron 18:13; Ps 18:44–45; Ps 121:8; Spr 21:31 **18:7** David nam de gouden schilden die de dienaren van Hadadezer droegen en bracht ze naar Jeruzalem. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | דָּוִ֗יד (david) = David | אֵ֚ת (et) = (obj.) | שִׁלְטֵ֣י (shiltei) = de schilden van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָי֔וּ (hayu) = waren | עַ֖ל (al) = op | עַבְדֵ֣י (avdei) = de dienaren van | הֲדַדְעָ֑זֶר (hadadazer) = Hadadezer | וַיְבִיאֵ֖ם (vayviem) = en bracht ze | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שִׁלְטֵי (shiltei), ‘schilden’: de betekenis van dit woord is niet helemaal zeker. Het staat ook in 2 Sam. 8:7. Zie ook: 2 Sam 8:7; 1 Kon 10:16–17; 1 Kon 14:26–28; 2 Kron 9:15–16; 2 Kron 12:9–10 **18:8** Uit Tibchat en uit Kun, steden van Hadadezer, nam David zeer veel koper. Daarmee maakte Salomo de koperen zee, de zuilen en de koperen voorwerpen. Brontekst: וּמִטִּבְחַ֤ת (umitivchat) = en uit Tibchat | וּמִכּוּן֙ (umikun) = en uit Kun | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הֲדַדְעֶ֔זֶר (hadadezer) = Hadadezer | לָקַ֥ח (laqach) = nam | דָּוִ֛יד (david) = David | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = koper | רַבָּ֣ה (raba) = veel | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | בָּ֣הּ (bah) = daarmee | עָשָׂ֣ה (asa) = maakte | שְׁלֹמֹ֗ה (shelomo) = Salomo | אֶת (et) = (obj.) | יָ֤ם (yam) = de zee van | הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ (hanechoshet) = het koper | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽעַמּוּדִ֔ים (haamudim) = de zuilen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כְּלֵ֥י (kelei) = voorwerpen van | הַנְּחֹֽשֶׁת (hanechoshet) = het koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tibchat (טִבְחַת) en Kun (כּוּן) zijn steden van Hadadezer. Hun ligging is onzeker; zij lagen waarschijnlijk in het gebied tussen Damascus en Chamat. Voetnoot Uitleg: Het laatste deel van het vers staat niet in 2 Sam. 8:8. Het vertelt dat Salomo het koper gebruikte voor de koperen zee, de zuilen en de koperen voorwerpen. Voetnoot Lezing: In 2 Sam. 8:8 heten de steden Betach en Berotai. Wij volgen in beide boeken de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Sam 8:8; 1 Kron 22:14; 2 Kron 4:2–6; 2 Kron 4:12–18; Jer 52:17–23 ### Tou van Chamat **18:9** Tou, de koning van Chamat, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer, de koning van Tsoba, had verslagen. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֕ע (vayishma) = en hoorde | תֹּ֖עוּ (tou) = Tou | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | כִּ֚י (ki) = dat | הִכָּ֣ה (hika) = had verslagen | דָוִ֔יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | חֵ֖יל (cheil) = het leger van | הֲדַדְעֶ֥זֶר (hadadezer) = Hadadezer | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | צוֹבָֽה (tsova) = Tsoba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon. De precieze ligging is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: תֹּעוּ (Tou): in 2 Sam. 8:9 heet hij תֹּעִי (Toi). Het is dezelfde man; wij houden de vorm van elk boek aan. Zie ook: 2 Sam 8:9 **18:10** Hij stuurde zijn zoon Hadoram naar koning David. Hadoram moest naar zijn welzijn vragen en hem zegenen, omdat David tegen Hadadezer had gestreden en hem had verslagen. Want Hadadezer was een man van oorlogen met Tou. Hij had allerlei voorwerpen van goud, zilver en koper bij zich. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | אֶת (et) = (obj.) | הֲדֽוֹרָם (hadoram) = Hadoram | בְּנ֣וֹ (beno) = zijn zoon | אֶל (el) = naar | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּ֠וִיד (david) = David | לִשְׁאָל (lishal) = om te vragen | ל֨וֹ (lo) = naar hem | לְשָׁל֜וֹם (leshalom) = naar welzijn | וּֽלְבָרֲכ֗וֹ (ulevarakho) = en om hem te zegenen | עַל֩ (al) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נִלְחַ֤ם (nilcham) = hij had gestreden | בַּהֲדַדְעֶ֨זֶר֙ (bahadadezer) = tegen Hadadezer | וַיַּכֵּ֔הוּ (vayakehu) = en had hem verslagen | כִּי (ki) = want | אִ֛ישׁ (ish) = een man van | מִלְחֲמ֥וֹת (milchamot) = oorlogen met | תֹּ֖עוּ (tou) = Tou | הָיָ֣ה (haya) = was | הֲדַדְעָ֑זֶר (hadadazer) = Hadadezer | וְכֹ֗ל (vekhol) = en alle | כְּלֵ֛י (kelei) = voorwerpen van | זָהָ֥ב (zahav) = goud | וָכֶ֖סֶף (vakhesef) = en zilver | וּנְחֹֽשֶׁת (unechoshet) = en koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲדוֹרָם (Hadoram): in 2 Sam. 8:10 heet de zoon van Tou Joram (יוֹרָם). Wij houden de vorm van elk boek aan. Voetnoot : Het werkwoord in de laatste zin ontbreekt in het Hebreeuws: ‘en alle voorwerpen van goud en zilver en koper’. In 2 Sam. 8:10 staat ‘in zijn hand waren voorwerpen van zilver, goud en koper’. Wij vullen ‘had bij zich’ aan; ‘hij’ is Hadoram. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘om naar zijn welzijn te vragen en hem te zegenen’ en ‘omdat hij had gestreden’. Wij maken er een eigen zin van, met ‘Hadoram moest’, en noemen David bij naam, zoals ook 2 Sam. 8:10 doet. Zie ook: 2 Sam 8:10; 2 Kron 9:1; 2 Kron 9:23–24; Jes 39:1 **18:11** Ook deze voorwerpen wijdde koning David toe aan Yahweh, samen met het zilver en het goud. Dat had hij meegenomen van alle volken: van Edom, Moab, de zonen van Ammon, de Filistijnen en Amalek. Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֹתָ֗ם (otam) = hen | הִקְדִּ֞ישׁ (hiqdish) = wijdde toe | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּוִיד֙ (david) = David | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | עִם (im) = met | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het zilver | וְהַזָּהָ֔ב (vehazahav) = en het goud | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָשָׂ֖א (nasa) = hij nam | מִכָּל (mikal) = van alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | מֵֽאֱד֤וֹם (meedom) = van Edom | וּמִמּוֹאָב֙ (umimoav) = en van Moab | וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וּמִפְּלִשְׁתִּ֖ים (umipelishtim) = en van de Filistijnen | וּמֵֽעֲמָלֵֽק (umeamaleq) = en van Amalek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: הִקְדִּישׁ (hiqdish), ‘wijdde toe’: iets heilig maken voor Yahweh. Vergelijk Joz. 6:19. Amalek: zie Exod. 17:8–16 en Deut. 25:17–19. Voetnoot Lezing: In 2 Sam. 8:12 staat in dezelfde lijst ‘Aram’ waar hier ‘Edom’ staat. Zie ook: Ex 17:8–16; Deut 25:17–19; Joz 6:19; 1 Sam 27:8–9; 1 Sam 30:20; 2 Sam 8:11–12; 2 Sam 8:12; 1 Kron 26:26–27; Ps 83:7–8 ### Edom **18:12** Abisai, de zoon van Zeruja, versloeg Edom in het Zoutdal: 18.000 man. Brontekst: וְאַבְשַׁ֣י (veavshay) = en Abisai | בֶּן (ben) = zoon van | צְרוּיָ֗ה (tseruya) = Zeruja | הִכָּ֤ה (hika) = versloeg | אֶת (et) = (obj.) | אֱדוֹם֙ (edom) = Edom | בְּגֵ֣יא (begei) = in het dal van | הַמֶּ֔לַח (hamelach) = het zout | שְׁמוֹנָ֥ה (shemona) = acht | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het Zoutdal (גֵּיא הַמֶּלַח) lag ten zuiden van de Zoutzee, in het gebied van het huidige Jordanië en Israël. De precieze plek is onzeker. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het woord ‘man’ staat er niet; het Hebreeuws zegt alleen ‘18.000’. Wij vullen ‘man’ aan. Voetnoot Lezing: Hier verslaat Abisai Edom. In 2 Sam. 8:13 staat dat David zich een naam maakte, toen hij terugkeerde van het verslaan van ‘Aram’ in het Zoutdal. Het opschrift van Psalm 60 noemt Joab en Edom. Wij volgen in elk boek de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Sam 8:13–14; 2 Sam 10:10; 1 Kron 19:11; Ps 60:3; 2 Kron 25:11 **18:13** Hij stelde bezettingen in Edom. Heel Edom werd voor David tot dienaren. Yahweh gaf David de overwinning overal waar hij ging. Brontekst: וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en stelde | בֶּֽאֱדוֹם֙ (beedom) = in Edom | נְצִיבִ֔ים (netsivim) = bezettingen | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en werden | כָל (kal) = heel | אֱד֖וֹם (edom) = Edom | עֲבָדִ֣ים (avadim) = dienaren | לְדָוִ֑יד (ledavid) = voor David | וַיּ֤וֹשַׁע (vayosha) = en gaf overwinning | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֔יד (david) = David | בְּכֹ֖ל (bekhol) = overal | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | הָלָֽךְ (halakh) = hij ging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Edom (אֱדוֹם) ligt ten zuiden van de Zoutzee, in het huidige zuiden van Jordanië. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: נְצִיבִים (netsivim), ‘bezettingen’: troepen of bestuurders die David daar neerzet. De betekenis is niet helemaal zeker. Het vers staat ook in 2 Sam. 8:14. Zie ook: Gen 27:37; 2 Sam 7:14–17; 2 Sam 8:14; 1 Kron 18:6; Ps 18:49–51; Ps 121:7 ### Davids bestuur **18:14** David regeerde over heel Israël. Hij deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk. Brontekst: וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en regeerde | דָּוִ֖יד (david) = David | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיְהִ֗י (vayhi) = en was | עֹשֶׂ֛ה (ose) = doend | מִשְׁפָּ֥ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | לְכָל (lekhal) = aan heel | עַמּֽוֹ (amo) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט וּצְדָקָה (mishpat utsedaqah), ‘recht en gerechtigheid’: de twee woorden horen bij elkaar. Vergelijk Gen. 18:19. Zie ook: Gen 18:19; Ps 89:15; Jes 32:1–2; Jer 22:15; Jer 23:5–6; Jer 33:15 **18:15** Joab, de zoon van Zeruja, was over het leger. Josafat, de zoon van Achilud, was archivaris. Brontekst: וְיוֹאָ֥ב (veyoav) = en Joab | בֶּן (ben) = zoon van | צְרוּיָ֖ה (tseruya) = Zeruja | עַל (al) = over | הַצָּבָ֑א (hatsava) = het leger | וִיהוֹשָׁפָ֥ט (vihoshafat) = en Josafat | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיל֖וּד (achilud) = Achilud | מַזְכִּֽיר (mazkir) = archivaris Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַזְכִּיר (mazkir), ‘archivaris’: letterlijk ‘hij die in herinnering brengt’. Een ambtenaar die gebeurtenissen vastlegde en de koning adviseerde. Zeruja was de moeder van Joab en Abisai (1 Kron. 2:16). Zie ook: 2 Sam 8:16; 1 Kron 2:16; 1 Kron 11:6; 1 Kon 4:3 **18:16** Zadok, de zoon van Achitub, en Abimelech, de zoon van Abjatar, waren priesters. Sjavsa was schrijver. Brontekst: וְצָד֧וֹק (vetsadoq) = en Zadok | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיט֛וּב (achituv) = Achitub | וַאֲבִימֶ֥לֶךְ (vaavimelekh) = en Abimelech | בֶּן (ben) = zoon van | אֶבְיָתָ֖ר (evyatar) = Abjatar | כֹּהֲנִ֑ים (kohanim) = priesters | וְשַׁוְשָׁ֖א (veshavsha) = en Sjavsa | סוֹפֵֽר (sofer) = schrijver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de Masoretische tekst van Kronieken is Abimelech de zoon van Abjatar. In 2 Sam. 8:17 heet hij Achimelech, de zoon van Abjatar. In 1 Sam. 22:20 is Abjatar de zoon van Achimelech. Wij volgen in elk boek de Masoretische tekst. Voetnoot : De schrijver heet hier שַׁוְשָׁא (Sjavsa). In 2 Sam. 8:17 heet hij Seraja; 2 Sam. 20:25 en 1 Kon. 4:3 hebben weer andere vormen. Zie ook: 1 Sam 22:20; 2 Sam 8:17; 2 Sam 20:25; 1 Kron 24:6; 1 Kon 2:35; 1 Kon 4:3 **18:17** Benaja, de zoon van Jojada, was over de Kerethieten en de Pelethieten. De zonen van David waren de eersten aan de zijde van de koning. Brontekst: וּבְנָיָ֨הוּ֙ (uvenayahu) = en Benaja | בֶּן (ben) = zoon van | יְה֣וֹיָדָ֔ע (yehoyada) = Jojada | עַל (al) = over | הַכְּרֵתִ֖י (hakereti) = de Kerethieten | וְהַפְּלֵתִ֑י (vehapeleti) = en de Pelethieten | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | דָוִ֥יד (david) = David | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eersten | לְיַ֥ד (leyad) = aan de hand van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּרֵתִי וּפְלֵתִי (kereti ufeleti), ‘Kerethieten en Pelethieten’: de lijfwacht van de koning. Hun naam wijst misschien op Kreta en de Filistijnen, maar dat is onzeker. Zie ook 1 Sam. 30:14. Voetnoot Lezing: Hier staat dat de zonen van David ‘de eersten aan de zijde van de koning’ waren. In 2 Sam. 8:18 staat: ‘waren priesters’. Wij volgen de Masoretische tekst van elk boek. Zie ook: 1 Sam 30:14; 2 Sam 8:18; 2 Sam 15:18; 2 Sam 20:7; 1 Kron 23:28; 1 Kon 1:44 ## 1 Kronieken 19 _David en de zonen van Ammon, de oorlog tegen Aram_ ### Hanun vernedert Davids dienaren **19:1** Daarna stierf Nachasj, de koning van de zonen van Ammon. Zijn zoon werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֔ן (ken) = zo | וַיָּ֕מָת (vayamat) = en stierf | נָחָ֖שׁ (nachash) = Nachasj | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בְּנֵי (benei) = zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | וַיִּמְלֹ֥ךְ (vayimlokh) = en werd koning | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ammon is het land van de zonen van Ammon, ten oosten van de Jordaan. De hoofdstad was Rabba, het huidige Amman (Jordanië). Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 10. Hier staat de naam van de koning: Nachasj. In 2 Sam. 10:1 staat alleen ‘de koning van de zonen van Ammon’. Zie ook: 1 Sam 11:1–2; 1 Sam 12:12; 2 Sam 10:1–19 **19:2** David zei: „Ik zal Hanun, de zoon van Nachasj, trouw bewijzen, want zijn vader heeft mij trouw bewezen.” David stuurde boden om hem te troosten over zijn vader. De dienaren van David kwamen in het land van de zonen van Ammon, bij Hanun, om hem te troosten. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֜יד (david) = David | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = ik zal doen | חֶ֣סֶד (chesed) = trouw | עִם (im) = met | חָנ֣וּן (chanun) = Hanun | בֶּן (ben) = zoon van | נָחָ֗שׁ (nachash) = Nachasj | כִּֽי (ki) = want | עָשָׂ֨ה (asa) = deed | אָבִ֤יו (aviv) = zijn vader | עִמִּי֙ (imi) = met mij | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en stuurde | דָּוִ֛יד (david) = David | מַלְאָכִ֖ים (malakhim) = boden | לְנַחֲמ֣וֹ (lenachamo) = om hem te troosten | עַל (al) = over | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיָּבֹאוּ֩ (vayavou) = en kwamen | עַבְדֵ֨י (avdei) = dienaren van | דָוִ֜יד (david) = David | אֶל (el) = naar | אֶ֧רֶץ (erets) = het land van | בְּנֵי (benei) = zonen van | עַמּ֛וֹן (amon) = Ammon | אֶל (el) = naar | חָנ֖וּן (chanun) = Hanun | לְנַחֲמֽוֹ (lenachamo) = om hem te troosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: vriendschap die zich in daden toont. In 2 Sam. 10:2 staat hetzelfde. Wat Nachasj voor David heeft gedaan, wordt niet verteld. Zie ook: Gen 19:37–38; Deut 23:4–7; 1 Sam 30:26; 2 Sam 10:2; Pred 9:15; Neh 13:1 **19:3** De leiders van de zonen van Ammon zeiden tegen Hanun: „Denk jij dat David je vader eert, omdat hij troosters naar je toe heeft gestuurd? Zijn zijn dienaren niet bij je gekomen om het land te onderzoeken, het om te keren en het uit te spioneren?” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֩ (vayomru) = en zeiden | שָׂרֵ֨י (sarei) = leiders van | בְנֵי (benei) = zonen van | עַמּ֜וֹן (amon) = Ammon | לְחָנ֗וּן (lechanun) = aan Hanun | הַֽמְכַבֵּ֨ד (hamkhabed) = eert | דָּוִ֤יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in jouw ogen | כִּֽי (ki) = dat | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij heeft gestuurd | לְךָ֖ (lekha) = naar jou | מְנַחֲמִ֑ים (menachamim) = troosters | הֲלֹ֡א (halo) = niet | בַּ֠עֲבוּר (baavur) = omwille van | לַחְקֹ֨ר (lachqor) = om te onderzoeken | וְלַהֲפֹ֤ךְ (velahafokh) = en om om te keren | וּלְרַגֵּל֙ (uleragel) = en om uit te spioneren | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | בָּ֥אוּ (bau) = kwamen | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = naar jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Gen 42:9–18; Re 18:2; Re 18:8–10; 1 Sam 29:9; 1 Kon 12:8–11 **19:4** Hanun nam de dienaren van David. Hij liet hen scheren. Hij sneed hun kleren in het midden af, tot aan hun billen. Daarna stuurde hij hen weg. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | חָנ֜וּן (chanun) = Hanun | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדֵ֤י (avdei) = dienaren van | דָוִיד֙ (david) = David | וַֽיְגַלְּחֵ֔ם (vaygalechem) = en liet hen scheren | וַיִּכְרֹ֧ת (vayikhrot) = en sneed af | אֶת (et) = (obj.) | מַדְוֵיהֶ֛ם (madveihem) = hun kleren | בַּחֵ֖צִי (bachetsi) = in het midden | עַד (ad) = tot | הַמִּפְשָׂעָ֑ה (hamifsaa) = de billen | וַֽיְשַׁלְּחֵֽם (vayshalechem) = en stuurde hen weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְגַלְּחֵם (wayegallechem), ‘hij liet hen scheren’: hier staat niet dat het maar om de helft van de baard ging. In 2 Sam. 10:4 staat ‘de helft van hun baard’. Voetnoot : מִפְשָׂעָה (mifsa’ah), ‘billen’: het onderste deel van het lichaam, boven de benen. Zie ook: 2 Sam 10:4–5; Ps 109:4–5; 2 Kron 36:16; Jes 15:2; Jer 48:37 **19:5** Zij gingen en meldden het aan David, over de mannen. Hij stuurde mensen om hen op te vangen, want de mannen waren zeer beschaamd. De koning zei: „Blijf in Jericho tot jullie baard gegroeid is. Keer dan terug.” Brontekst: וַיֵּלְכוּ֩ (vayelekhu) = en gingen | וַיַּגִּ֨ידוּ (vayagidu) = en meldden | לְדָוִ֤יד (ledavid) = aan David | עַל (al) = over | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en hij stuurde | לִקְרָאתָ֔ם (liqratam) = hen tegemoet | כִּי (ki) = want | הָי֥וּ (hayu) = waren | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | נִכְלָמִ֣ים (nikhlamim) = beschaamd | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | שְׁב֣וּ (shevu) = blijf | בִֽירֵח֔וֹ (birecho) = in Jericho | עַ֛ד (ad) = totdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְצַמַּ֥ח (yetsamach) = groeit | זְקַנְכֶ֖ם (zeqankhem) = jullie baard | וְשַׁבְתֶּֽם (veshavtem) = en keer terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jericho ligt bij Tel es-Sultan, in het Jordaandal (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt niet wie ‘gingen’ en het meldden. Wij laten het onderwerp zoals het staat. Zie ook: Joz 6:24–26; Re 16:22; 1 Kon 16:34; Mat 18:31 ### De zonen van Ammon huren wagens en ruiters **19:6** De zonen van Ammon zagen dat zij een stank voor David waren geworden. Hanun en de zonen van Ammon stuurden 1.000 talent zilver om wagens en ruiters te huren, uit Aram-Naharaim, uit Aram-Maächa en uit Tsoba. Brontekst: וַיִּרְאוּ֙ (vayiru) = en zagen | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | כִּ֥י (ki) = dat | הִֽתְבָּאֲשׁ֖וּ (hitbaashu) = zij stonken | עִם (im) = bij | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | חָ֠נוּן (chanun) = Hanun | וּבְנֵ֨י (uvenei) = en zonen van | עַמּ֜וֹן (amon) = Ammon | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | כִּכַּר (kikar) = talent | כֶּ֗סֶף (kesef) = zilver | לִשְׂכֹּ֣ר (liskor) = om te huren | לָ֠הֶם (lahem) = voor zich | מִן (min) = uit | אֲרַ֨ם (aram) = Aram | נַהֲרַ֜יִם (naharayim) = Naharaim | וּמִן (umin) = en uit | אֲרַ֤ם (aram) = Aram | מַעֲכָה֙ (maakha) = Maächa | וּמִצּוֹבָ֔ה (umitsova) = en uit Tsoba | רֶ֖כֶב (rekhev) = wagens | וּפָרָשִֽׁים (ufarashim) = en ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aram-Naharaim (‘Aram van de twee rivieren’) ligt in het noorden van Mesopotamië, tussen de Eufraat en de Tigris (Syrië, Turkije en Irak). De grenzen zijn niet vast te stellen. Maächa lag aan de voet van de Hermon, op de Golanhoogte (Syrië). Dat is waarschijnlijk. Tsoba is een Arameese staat ten noorden van Damascus (Syrië). De precieze ligging is onzeker. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon. De precieze ligging is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram. 1.000 talent zilver is dus ongeveer 34.000 kilogram. Voetnoot : In 2 Sam. 10:6 huren zij 20.000 man te voet van Aram, 1.000 man van de koning van Maächa en 12.000 man van Tob. Hier staan wagens en ruiters, en Tob wordt niet genoemd. Zie ook: Gen 34:30; 2 Sam 10:6; 1 Kron 18:5; 1 Kron 18:9; Ps 14:3 **19:7** Zij huurden voor zich 32.000 wagens, en de koning van Maächa met zijn volk. Zij kwamen en sloegen hun kamp op voor Medeba. De zonen van Ammon werden verzameld uit hun steden en kwamen ten strijde. Brontekst: וַיִּשְׂכְּר֣וּ (vayiskeru) = en huurden | לָהֶ֡ם (lahem) = voor zich | שְׁנַיִם֩ (shenayim) = twee | וּשְׁלֹשִׁ֨ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֜לֶף (elef) = duizend | רֶ֗כֶב (rekhev) = wagens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | מַעֲכָה֙ (maakha) = Maächa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּ֔וֹ (amo) = zijn volk | וַיָּבֹ֕אוּ (vayavou) = en kwamen | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legerden zich | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | מֵידְבָ֑א (meideva) = Medeba | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | עַמּ֗וֹן (amon) = Ammon | נֶאֶסְפוּ֙ (neesfu) = werden verzameld | מֵעָ֣רֵיהֶ֔ם (meareihem) = uit hun steden | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | לַמִּלְחָמָֽה (lamilchama) = ten strijde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Medeba is het huidige Madaba (Jordanië). Dat is zeker. Het lag ten zuiden van Rabba, in het oude gebied van Moab (Num. 21:30). Zie Maächa (ligging onzeker): Maächa was een klein Aramees koninkrijk aan de voet van de Hermon, ten noordoosten van het meer van Galilea. De precieze plaats is niet bekend. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Lezing: Het getal 32.000 wagens verschilt van 2 Sam. 10:6, waar 20.000 man te voet, 1.000 man en 12.000 man staan. Wij volgen de Kronieken-tekst letterlijk. Zie ook: Num 21:30; Joz 13:9; Joz 13:16; Re 4:3; 2 Sam 10:6; 1 Kron 18:4 ### Joab stelt het leger op **19:8** David hoorde het. Hij stuurde Joab en heel het leger van de helden. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֖ע (vayishma) = en hoorde | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en stuurde | אֶת (et) = (obj.) | יוֹאָ֔ב (yoav) = Joab | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | צָבָ֖א (tsava) = het leger van | הַגִּבּוֹרִֽים (hagiborim) = de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגִּבּוֹרִים (haggibborim), ‘de helden’: de vaste kern van Davids krijgers (2 Sam. 23:8–39). Zo ook in 2 Sam. 10:7. Zie ook: 2 Sam 10:7; 2 Sam 23:8–39; 1 Kron 11:6; 1 Kron 11:10–47 **19:9** De zonen van Ammon trokken uit en stelden zich op voor de strijd, bij de ingang van de stad. De koningen die gekomen waren, stonden apart in het open veld. Brontekst: וַיֵּצְאוּ֙ (vayetseu) = en trokken uit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וַיַּֽעַרְכ֥וּ (vayaarkhu) = en stelden op | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = strijd | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וְהַמְּלָכִ֣ים (vehamelakhim) = en de koningen | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֔אוּ (bau) = waren gekomen | לְבַדָּ֖ם (levadam) = alleen | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = in het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: פֶּתַח הָעִיר (petach ha’ir), ‘de ingang van de stad’: 2 Sam. 10:8 heeft ‘de ingang van de poort’. De koningen stonden apart van de zonen van Ammon. Zie ook: 2 Sam 10:8; 2 Sam 18:4; 1 Kon 20:1; 2 Kron 13:3; Jes 28:6; Jer 50:42 **19:10** Joab zag dat de strijd van voren en van achteren tegen hem gericht was. Hij koos uit alle uitgelezen mannen in Israël en stelde hen op tegenover Aram. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | יוֹאָ֗ב (yoav) = Joab | כִּֽי (ki) = dat | הָיְתָ֧ה (hayeta) = was | פְנֵי (penei) = front van | הַמִּלְחָמָ֛ה (hamilchama) = de strijd | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | פָּנִ֣ים (panim) = voor | וְאָח֑וֹר (veachor) = en achter | וַיִּבְחַ֗ר (vayivchar) = en koos | מִכָּל (mikal) = uit alle | בָּחוּר֙ (bachur) = uitgelezenen | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | וַֽיַּעֲרֹ֖ךְ (vayaarokh) = en stelde op | לִקְרַ֥את (liqrat) = tegenover | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie ook: Joz 8:22; Re 20:42–43; 2 Sam 10:9–14 **19:11** De rest van het volk vertrouwde hij toe aan Abisai, zijn broer. Zij stelden zich op tegenover de zonen van Ammon. Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | יֶ֣תֶר (yeter) = rest van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | נָתַ֕ן (natan) = gaf | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | אַבְשַׁ֣י (avshay) = Abisai | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | וַיַּ֣עַרְכ֔וּ (vayaarkhu) = en stelden zich op | לִקְרַ֖את (liqrat) = tegenover | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘zij stelden zich op’ staat in het meervoud. Abisai en zijn mannen stellen zich op. In 2 Sam. 10:10 staat het enkelvoud ‘hij stelde hen op’. Zie ook: 2 Sam 10:10; 1 Kron 11:20; 1 Kron 18:12; 1 Kron 19:9 **19:12** Hij zei: „Als Aram sterker is dan ik, word jij mijn redding. En als de zonen van Ammon sterker zijn dan jij, dan zal ik jou redden. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אִם (im) = als | תֶּחֱזַ֤ק (techezaq) = is sterker | מִמֶּ֨נִּי֙ (mimeni) = dan ik | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = dan word je | לִּ֖י (li) = voor mij | לִתְשׁוּעָ֑ה (litshua) = tot redding | וְאִם (veim) = en als | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עַמּ֛וֹן (amon) = Ammon | יֶֽחֶזְק֥וּ (yechezqu) = sterker zijn | מִמְּךָ֖ (mimekha) = dan jij | וְהוֹשַׁעְתִּֽיךָ (vehoshatikha) = dan zal ik je redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Pred 4:9–12; Neh 4:14; Gal 6:2; Fil 1:27–28 **19:13** Wees sterk! Laten wij ons sterk tonen voor ons volk en voor de steden van onze Elohim. Yahweh zal doen wat goed is in Zijn ogen.” Brontekst: חֲזַ֤ק (chazaq) = wees sterk | וְנִֽתְחַזְּקָה֙ (venitchazeqa) = en laten wij ons sterk tonen | בְּעַד (bead) = voor | עַמֵּ֔נוּ (amenu) = ons volk | וּבְעַ֖ד (uvead) = en voor | עָרֵ֣י (arei) = steden van | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַֽיהוָ֔ה (vaYahweh) = en Yahweh | הַטּ֥וֹב (hatov) = het goede | בְּעֵינָ֖יו (beeinav) = in Zijn ogen | יַעֲשֶֽׂה (yaase) = zal doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joab spreekt hier tot Abisai. ‘Ons volk’ en ‘de steden van onze Elohim’ zijn Israël en zijn steden. Dezelfde woorden staan in 2 Sam. 10:12. Zie ook: Joz 10:25; 2 Sam 10:12; Ps 27:14; Neh 4:8; 1 Kor 16:13 **19:14** Joab en het volk dat bij hem was, rukten op tegen Aram voor de strijd. Zij vluchtten voor hem. Brontekst: וַיִּגַּ֨שׁ (vayigash) = en rukte op | יוֹאָ֜ב (yoav) = Joab | וְהָעָ֧ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | עִמּ֛וֹ (imo) = met hem | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = ten strijde | וַיָּנ֖וּסוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | מִפָּנָֽיו (mipanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 20:13; 1 Kon 20:19–21; 1 Kon 20:28–30; 2 Kron 13:5–16; Jer 46:15–16 **19:15** De zonen van Ammon zagen dat Aram vluchtte. Ook zij vluchtten voor Abisai, zijn broer, en gingen de stad in. Joab kwam in Jeruzalem. Brontekst: וּבְנֵ֨י (uvenei) = en zonen van | עַמּ֤וֹן (amon) = Ammon | רָאוּ֙ (rau) = zagen | כִּי (ki) = dat | נָ֣ס (nas) = vluchtte | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וַיָּנ֣וּסוּ (vayanusu) = en vluchtten | גַם (gam) = ook | הֵ֗ם (hem) = zij | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | אַבְשַׁ֣י (avshay) = Abisai | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | הָעִ֑ירָה (haira) = naar de stad | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | יוֹאָ֖ב (yoav) = Joab | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Lev 26:7; Rom 8:31 ### Aram wordt opnieuw verslagen **19:16** Aram zag dat het voor Israël verslagen was. Zij stuurden boden en lieten Aram van de overkant van de Rivier uittrekken. Sofach, de legeraanvoerder van Hadadezer, trok voor hen uit. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | אֲרָ֗ם (aram) = Aram | כִּ֣י (ki) = dat | נִגְּפוּ֮ (nigefu) = zij verslagen waren | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַֽיִּשְׁלְחוּ֙ (vayishlechu) = en zonden | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | וַיּוֹצִ֣יאוּ (vayotsiu) = en lieten uittrekken | אֶת (et) = (obj.) | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | מֵעֵ֣בֶר (meever) = van over | הַנָּהָ֑ר (hanahar) = de Rivier | וְשׁוֹפַ֛ךְ (veshofakh) = en Sofach | שַׂר (sar) = aanvoerder van | צְבָ֥א (tseva) = het leger van | הֲדַדְעֶ֖זֶר (hadadezer) = Hadadezer | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: ‘De Rivier’ (הַנָּהָר, hannahar) is de Eufraat (Gen. 15:18). Voetnoot Lezing: De naam Sofach (שׁוֹפַךְ, Shofach) staat hier met een פ. In 2 Sam. 10:16 en 18 staat Sobach (שׁוֹבָךְ) met een ב. Wij houden in elk boek de eigen spelling aan. Voetnoot : In 2 Sam. 10:16 staat dat de Arameeërs naar Chelam kwamen. Dat ontbreekt hier. Zie ook: Gen 15:18; 2 Sam 10:16; Ps 2:1; Jes 8:9; Mi 4:11–12; Zach 14:1–3 **19:17** Men meldde het aan David. Hij verzamelde heel Israël, stak de Jordaan over en kwam bij hen. Hij stelde zich tegenover hen op. David stelde zich op tegenover Aram voor de strijd en zij streden met hem. Brontekst: וַיֻּגַּ֣ד (vayugad) = en men meldde | לְדָוִ֗יד (ledavid) = aan David | וַיֶּאֱסֹ֤ף (vayeesof) = en verzamelde | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיַּעֲבֹ֣ר (vayaavor) = en stak over | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = naar hen | וַֽיַּעֲרֹ֖ךְ (vayaarokh) = en stelde zich op | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tegenover hen | וַיַּעֲרֹ֨ךְ (vayaarokh) = en stelde op | דָּוִ֜יד (david) = David | לִקְרַ֤את (liqrat) = tegenover | אֲרָם֙ (aram) = Aram | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = strijd | וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ (vayilachamu) = en zij streden | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat ‘hij stelde zich op’ twee keer vlak na elkaar (eerst ‘tegenover hen’, dan ‘David tegenover Aram’). Wij laten de herhaling staan. Zie ook: 1 Kron 19:9; Jes 22:6–7 **19:18** Aram vluchtte voor Israël. David doodde van Aram de mannen van 7.000 strijdwagens en 40.000 man te voet. Ook doodde hij Sofach, de legeraanvoerder. Brontekst: וַיָּ֣נָס (vayanas) = en vluchtte | אֲרָם֮ (aram) = Aram | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = voor het aangezicht van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַיַּהֲרֹ֨ג (vayaharog) = en doodde | דָּוִ֜יד (david) = David | מֵאֲרָ֗ם (mearam) = van Aram | שִׁבְעַ֤ת (shivat) = zeven | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | רֶ֔כֶב (rekhev) = wagens | וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִ֣ישׁ (ish) = man | רַגְלִ֑י (ragli) = te voet | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | שׁוֹפַ֥ךְ (shofakh) = Sofach | שַֽׂר (sar) = aanvoerder van | הַצָּבָ֖א (hatsava) = het leger | הֵמִֽית (hemit) = doodde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Hier staan ‘7.000 strijdwagens’ en ‘40.000 man te voet’. In 2 Sam. 10:18 staan ‘700 strijdwagens’ en ‘40.000 ruiters’. Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken. Voetnoot : In 2 Sam. 10:18 wordt Sobach neergeslagen en sterft hij daar. Hier staat dat David hem doodde. Zie ook: 2 Sam 10:18; 1 Kron 19:13–14; Ps 18:33; Ps 33:16; Ps 46:12 **19:19** De dienaren van Hadadezer zagen dat zij voor Israël verslagen waren. Zij sloten vrede met David en dienden hem. Aram was niet bereid de zonen van Ammon nog te redden. Brontekst: וַיִּרְא֞וּ (vayiru) = en zagen | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | הֲדַדְעֶ֗זֶר (hadadezer) = Hadadezer | כִּ֤י (ki) = dat | נִגְּפוּ֙ (nigefu) = zij verslagen waren | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיַּשְׁלִ֥ימוּ (vayashlimu) = en sloten vrede | עִם (im) = met | דָּוִ֖יד (david) = David | וַיַּֽעַבְדֻ֑הוּ (vayaavduhu) = en dienden hem | וְלֹא (velo) = en niet | אָבָ֣ה (ava) = was bereid | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | לְהוֹשִׁ֥יעַ (lehoshia) = om te redden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | עֽוֹד (od) = nog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Hier staat dat Aram niet bereid was de zonen van Ammon nog te redden. In 2 Sam. 10:19 staat dat Aram bang was om dat te doen. Zie ook: 2 Sam 10:19; Ps 18:45; Ps 48:4–7; 1 Kon 20:1; Jes 10:8 ## 1 Kronieken 20 _De val van Rabba en de strijd tegen de nakomelingen van Rafa_ ### Joab neemt Rabba in **20:1** Bij de jaarwisseling, in de tijd dat koningen ten strijde trekken, voerde Joab het leger aan. Hij richtte het land van de zonen van Ammon te gronde. Hij kwam en belegerde Rabba. David bleef in Jeruzalem. Joab versloeg Rabba en verwoestte haar. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | לְעֵת֩ (leet) = in de tijd van | תְּשׁוּבַ֨ת (teshuvat) = terugkeer van | הַשָּׁנָ֜ה (hashana) = het jaar | לְעֵ֣ת (leet) = in de tijd van | צֵ֣את (tset) = uittrekken van | הַמְּלָכִ֗ים (hamelakhim) = de koningen | וַיִּנְהַ֣ג (vayinhag) = en voerde aan | יוֹאָב֩ (yoav) = Joab | אֶת (et) = (obj.) | חֵ֨יל (cheil) = de kracht van | הַצָּבָ֜א (hatsava) = het leger | וַיַּשְׁחֵ֣ת (vayashchet) = en richtte te gronde | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | עַמּ֗וֹן (amon) = Ammon | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | וַיָּ֣צַר (vayatsar) = en belegerde | אֶת (et) = (obj.) | רַבָּ֔ה (raba) = Rabba | וְדָוִ֖יד (vedavid) = en David | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = bleef | בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en versloeg | יוֹאָ֛ב (yoav) = Joab | אֶת (et) = (obj.) | רַבָּ֖ה (raba) = Rabba | וַיֶּֽהֶרְסֶֽהָ (vayeherseha) = en verwoestte haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rabba is het huidige Amman (Jordanië). Dat is zeker. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 11:1; 12:26–31. Het verhaal van David en Bat-Sjeba (2 Sam. 11:2–12:25) staat hier niet. Hier volgt direct de inname van Rabba. Voetnoot : In 2 Sam. 11:1 stuurt David Joab en heel Israël eropuit. Hier voert Joab het leger zelf aan. Zie ook: Deut 3:11; 2 Sam 11:1; 2 Sam 11:2–12:25; 2 Sam 12:26–31; Amos 1:14; Jer 49:2–3 **20:2** David nam de kroon van hun koning van zijn hoofd. Hij vond dat haar gewicht een talent goud was. Er zat een kostbare steen in. Zij kwam op het hoofd van David. Ook bracht hij heel veel buit uit de stad. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | דָּוִ֣יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | עֲטֶֽרֶת (ateret) = kroon van | מַלְכָּם֩ (malkam) = hun koning | מֵעַ֨ל (meal) = van op | רֹאשׁ֜וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַֽיִּמְצָאָ֣הּ (vayimtsaah) = en vond haar | מִשְׁקַ֣ל (mishqal) = gewicht van | כִּכַּר (kikar) = talent | זָהָ֗ב (zahav) = goud | וּבָהּ֙ (uvah) = en in haar | אֶ֣בֶן (even) = steen | יְקָרָ֔ה (yeqara) = kostbare | וַתְּהִ֖י (vatehi) = en zij kwam | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | דָּוִ֑יד (david) = David | וּשְׁלַ֥ל (ushelal) = en buit van | הָעִ֛יר (hair) = de stad | הוֹצִ֖יא (hotsi) = bracht hij uit | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = veel | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram. Voetnoot : מַלְכָּם (malkam), ‘hun koning’: de medeklinkers kunnen ook gelezen worden als Milkom, de god van de zonen van Ammon (1 Kon. 11:5). Wij vertalen ‘hun koning’, zoals in 2 Sam. 12:30. Voetnoot : In 2 Sam. 12:26–29 neemt Joab eerst de waterstad in en roept hij David erbij. Dat staat hier niet. Zie ook: 2 Sam 8:11–12; 2 Sam 12:26–29; 2 Sam 12:30–31; 1 Kron 18:11; 1 Kon 11:5 **20:3** De mensen die erin waren, bracht hij naar buiten. Hij zaagde hen met een zaag, met ijzeren dorsleden en met bijlen. Zo deed David met alle steden van de zonen van Ammon. Daarna keerde David met heel het volk terug naar Jeruzalem. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָ֨ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּ֜הּ (bah) = in haar | הוֹצִ֗יא (hotsi) = bracht hij uit | וַיָּ֨שַׂר (vayasar) = en zaagde | בַּמְּגֵרָ֜ה (bamegera) = met de zaag | וּבַחֲרִיצֵ֤י (uvacharitsei) = en met de dorsleden van | הַבַּרְזֶל֙ (habarzel) = het ijzer | וּבַמְּגֵר֔וֹת (uvamegerot) = en met bijlen | וְכֵן֙ (vekhen) = en zo | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = deed | דָוִ֔יד (david) = David | לְכֹ֖ל (lekhol) = aan alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | בְנֵי (benei) = zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | וַיָּ֧שָׁב (vayashav) = en keerde terug | דָּוִ֛יד (david) = David | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲרִיצֵי הַבַּרְזֶל (charitsei habarzel), ‘ijzeren dorsleden’: zware sleden met ijzeren tanden waarmee graan werd gedorst. In 2 Sam. 12:31 staat het woord in een iets andere spelling. Voetnoot : מְגֵרוֹת (megerot), ‘bijlen’: waarschijnlijk hetzelfde zeldzame woord als מַגְזְרוֹת (magzerot) in 2 Sam. 12:31. Dat is onzeker; het kan ook ‘zagen’ betekenen. Voetnoot Lezing: וַיָּשַׂר (wayyasar), ‘hij zaagde’: dit werkwoord komt zelden voor. Wij leiden het af van het woord voor ‘zaag’. In 2 Sam. 12:31 staat een ander werkwoord (וַיָּשֶׂם, wayyasem), ‘hij zette’. Daar staat ook de steenoven. Daar kan het gaan om dwangarbeid. Hier houden wij de Masoretische tekst letterlijk aan. Zie ook: Ex 1:14; Joz 9:23; Re 8:6–7; 2 Sam 12:31; 1 Kron 19:2–5; Ps 21:9–10 ### Oorlog met de Filistijnen **20:4** Daarna brak er oorlog uit met de Filistijnen bij Gezer. Toen versloeg Sibbechai, de Chusatiet, Sippai, een van de afstammelingen van de Refaïeten. Zij werden onderworpen. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֔ן (ken) = zo | וַתַּעֲמֹ֧ד (vataamod) = en stond op | מִלְחָמָ֛ה (milchama) = oorlog | בְּגֶ֖זֶר (begezer) = bij Gezer | עִם (im) = met | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | אָ֣ז (az) = toen | הִכָּ֞ה (hika) = sloeg | סִבְּכַ֣י (sibekhay) = Sibbechai | הַחֻֽשָׁתִ֗י (hachushati) = de Chusatiet | אֶת (et) = (obj.) | סִפַּ֛י (sipay) = Sippai | מִילִדֵ֥י (milidei) = van de afstammelingen van | הָרְפָאִ֖ים (harefaim) = de Refaïeten | וַיִּכָּנֵֽעוּ (vayikaneu) = en zij werden onderworpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gezer lag bij Tel Gezer, in het laagland ten westen van Jeruzalem (Israël). Dat is zeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie ‘zij’ zijn die werden onderworpen. Het zijn waarschijnlijk de Filistijnen. Voetnoot : הָרְפָאִים (harefa’im), ‘de Refaïeten’: een volk van grote mannen, zoals in Gen. 14:5 en Deut. 3:11. Vergelijk ‘Rafa’ in vers 6 en 8. Voetnoot Lezing: In 2 Sam. 21:18 staat Gob in plaats van Gezer. Daar heet de verslagene Saf, hier Sippai (סִפַּי). Wij houden in elk boek de eigen vorm aan. Zie ook: Gen 14:5; Deut 3:11; Joz 12:12; Joz 16:3; 2 Sam 21:15; 2 Sam 21:18–22; 1 Kron 11:29; 1 Kron 20:6; 1 Kron 20:8 **20:5** Er was weer oorlog met de Filistijnen. Elchanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliat, de Gattiet. De schacht van zijn speer was als een weversboom. Brontekst: וַתְּהִי (vatehi) = en was | ע֥וֹד (od) = weer | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | אֶת (et) = met | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיַּ֞ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶלְחָנָ֣ן (elchanan) = Elchanan | בֶּן (ben) = zoon van | יָעִ֗יר (yair) = Jaïr | אֶת (et) = (obj.) | לַחְמִי֙ (lachmi) = Lachmi | אֲחִי֙ (achi) = broer van | גָּלְיָ֣ת (galeyat) = Goliat | הַגִּתִּ֔י (hagiti) = de Gattiet | וְעֵ֣ץ (veets) = en de schacht van | חֲנִית֔וֹ (chanito) = zijn speer | כִּמְנ֖וֹר (kimnor) = als een balk van | אֹרְגִֽים (oregim) = wevers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מְנוֹר אֹרְגִים (menor orgim), ‘weversboom’: de balk van een weefgetouw. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) schrijft de naam van Elchanans vader als יָעוּר (Jaör). Het qere heeft יָעִיר (Jaïr). Wij volgen het qere. Voetnoot : In 2 Sam. 21:19 staat: ‘Elchanan, de zoon van Jaäre-Oregim, de Betlehemiet, sloeg Goliat, de Gattiet.’ Hier staat: ‘Elchanan, de zoon van Jaïr, sloeg Lachmi, de broer van Goliat, de Gattiet.’ Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Zie ook 1 Sam. 17:4, 49–51. Zie ook: 1 Sam 17:4; 1 Sam 17:7; 1 Sam 21:10; 1 Sam 22:10; 2 Sam 21:19 **20:6** Er was weer oorlog bij Gat. Daar was een man van grote lengte. Zijn vingers waren zes en zes, 24 in totaal. Ook hij was een afstammeling van Rafa. Brontekst: וַתְּהִי (vatehi) = en was | ע֥וֹד (od) = weer | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | בְּגַ֑ת (begat) = bij Gat | וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | אִ֣ישׁ (ish) = een man van | מִדָּ֗ה (mida) = grote lengte | וְאֶצְבְּעֹתָ֤יו (veetsbeotav) = en zijn vingers | שֵׁשׁ (shesh) = zes | וָשֵׁשׁ֙ (vashesh) = en zes | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | וְאַרְבַּ֔ע (vearba) = en vier | וְגַם (vegam) = en ook | ה֖וּא (hu) = hij | נוֹלַ֥ד (nolad) = was een afstammeling | לְהָרָפָֽא (leharafa) = van Rafa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat was een Filistijnse stad, waarschijnlijk Tell es-Safi (Israël). Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Uitleg: אִישׁ מִדָּה (ish middah), ‘een man van grote lengte’: letterlijk ‘een man van maat’. In 2 Sam. 21:20 staat מָדוֹן (madon), ‘lengte’ of ‘twist’, met het geschreven woord (ketiv) מדין. Voetnoot : Hier staat alleen ‘zijn vingers’: zes en zes, samen 24. In 2 Sam. 21:20 staan ‘de vingers van zijn handen en de tenen van zijn voeten’. Voetnoot : הָרָפָא (harafa), ‘Rafa’: een volk of een stamvader van grote mensen, verwant aan de Refaïeten. Zo ook in 2 Sam. 21:16. Zie ook: 2 Sam 21:16; 2 Sam 21:20 **20:7** Hij hoonde Israël. Toen sloeg Jonatan, de zoon van Simea, de broer van David, hem neer. Brontekst: וַיְחָרֵ֖ף (vaycharef) = en hoonde | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּכֵּ֨הוּ֙ (vayakehu) = en sloeg hem neer | יְה֣וֹנָתָ֔ן (yehonatan) = Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁמְעָ֖א (shima) = Simea | אֲחִ֥י (achi) = broer van | דָוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Simea is een broer van David (1 Kron. 2:13). In 1 Sam. 16:9 heet hij Samma. De zin kan ook betekenen dat Jonatan zelf ‘de broer van David’ is; het Hebreeuws laat dat open. Wij houden dezelfde zinsbouw aan als in 2 Sam. 21:21. Zie ook: 1 Sam 16:9; 1 Sam 17:10; 1 Sam 17:26; 1 Sam 17:36; 2 Sam 21:21; 1 Kron 2:13 **20:8** Dezen waren geboren aan Rafa in Gat. Zij vielen door de hand van David en door de hand van zijn dienaren. Brontekst: אֵ֛ל (el) = dezen | נוּלְּד֥וּ (nuledu) = werden geboren | לְהָרָפָ֖א (leharafa) = aan Rafa | בְּגַ֑ת (begat) = in Gat | וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en vielen | בְיַד (beyad) = door de hand van | דָּוִ֖יד (david) = David | וּבְיַד (uveyad) = en door de hand van | עֲבָדָֽיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier אֵל (el), een korte vorm van אֵלֶּה (elleh), ‘dezen’. Wij vertalen ‘dezen’. In 2 Sam. 21:22 staat ‘deze vier’. Zie ook: Joz 14:12; 2 Sam 21:22; Pred 9:11; Jer 9:22; Rom 8:31 ## 1 Kronieken 21 _De telling van Israël, de pest en het altaar op de dorsvloer van Ornan_ ### Een satan zet David aan tot de telling **21:1** Een satan stond op tegen Israël. Hij zette David aan om Israël te tellen. Brontekst: וַיַּֽעֲמֹ֥ד (vayaamod) = en stond op | שָׂטָ֖ן (satan) = een satan | עַל (al) = tegen | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּ֨סֶת֙ (vayaset) = en zette aan | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֔יד (david) = David | לִמְנ֖וֹת (limnot) = om te tellen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: het woord staat hier zonder lidwoord en zonder naam. Wij vertalen ‘een satan’. Zo wordt het ook gebruikt in Num. 22:22, waar de engel van Yahweh ‘tegenstander’ is voor Bileam. Voetnoot : In 2 Sam. 24:1 staat iets anders: de toorn van Yahweh ontbrandde opnieuw tegen Israël en David werd aangezet, zonder dat het onderwerp wordt genoemd. Het werkwoord ‘aanzetten’ (וַיָּסֶת, wayyaset) is hetzelfde. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Voetnoot : Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 24. Zie ook: Job 2:1; Job 2:4–6; Num 22:22; 2 Sam 24:1–25; Zach 3:1; Openb 12:10 **21:2** David zei tegen Joab en tegen de leiders van het volk: „Ga, tel Israël van Beër-Sjeba tot Dan. Breng het mij, dan weet ik hun aantal.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֤יד (david) = David | אֶל (el) = tot | יוֹאָב֙ (yoav) = Joab | וְאֶל (veel) = en tot | שָׂרֵ֣י (sarei) = leiders van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לְכ֗וּ (lekhu) = ga | סִפְרוּ֙ (sifru) = tel | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִבְּאֵ֥ר (mibeer) = van Beër | שֶׁ֖בַע (sheva) = Sjeba | וְעַד (vead) = en tot | דָּ֑ן (dan) = Dan | וְהָבִ֣יאוּ (vehaviu) = en breng | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְאֵדְעָ֖ה (veedea) = en ik zal weten | אֶת (et) = (obj.) | מִסְפָּרָֽם (misparam) = hun aantal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Voetnoot Uitleg: ‘Ga’ en ‘tel’ staan in het meervoud, want David spreekt hier tot Joab en de leiders van het volk. In 2 Sam. 24:2 spreekt hij alleen tot Joab. Voetnoot : סִפְרוּ (sifru), ‘tel’: een ander werkwoord dan פָּקַד (paqad) in 2 Sam. 24:2. Voetnoot : Hier staat ‘van Beër-Sjeba tot Dan’, in 2 Sam. 24:2 ‘van Dan tot Beër-Sjeba’. Zie ook: 2 Sam 3:10; 2 Sam 24:2–4; 2 Sam 24:15; 1 Kron 27:23–24; 2 Kor 12:7 **21:3** Joab zei: „Moge Yahweh aan Zijn volk honderdmaal zoveel toevoegen als het nu is. Mijn heer de koning, zijn zij niet allen dienaren van mijn heer? Waarom zoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יוֹאָ֗ב (yoav) = Joab | יוֹסֵף֩ (yosef) = moge toevoegen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = aan | עַמּ֤וֹ (amo) = Zijn volk | כָּהֵם֙ (kahem) = zoals zij | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | פְעָמִ֔ים (peamim) = keer | הֲלֹא֙ (halo) = niet | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | כֻּלָּ֥ם (kulam) = allen | לַאדֹנִ֖י (ladoni) = aan mijn heer | לַעֲבָדִ֑ים (laavadim) = tot dienaren | לָ֣מָּה (lama) = waarom | יְבַקֵּ֥שׁ (yevaqesh) = zoekt | זֹאת֙ (zot) = dit | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | לָ֛מָּה (lama) = waarom | יִהְיֶ֥ה (yihye) = wordt het | לְאַשְׁמָ֖ה (leashma) = tot schuld | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = aan Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Mijn heer’ (אֲדֹנִי, adoni) is een titel voor de koning. Het is een ander woord dan Adonai, ‘mijn Heer’, voor Yahweh. Wij spreken de koning aan met ‘u’. Voetnoot : אַשְׁמָה (ashmah), ‘schuld’: schuld die verzoening nodig heeft. Joab vreest dat het volk hierdoor schuldig wordt. Voetnoot : Joabs antwoord is korter dan in 2 Sam. 24:3. Hier noemt hij Yahweh niet ‘uw Elohim’. Zie ook: Gen 20:9; Ex 32:21; Deut 1:11; 1 Sam 2:24; 2 Sam 24:3; Jes 26:15 **21:4** Het woord van de koning was sterker dan Joab. Joab trok eropuit. Hij trok rond door heel Israël en kwam in Jeruzalem. Brontekst: וּדְבַר (udevar) = en het woord van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חָזַ֣ק (chazaq) = was sterker | עַל (al) = dan | יוֹאָ֑ב (yoav) = Joab | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en trok uit | יוֹאָ֗ב (yoav) = Joab | וַיִּתְהַלֵּךְ֙ (vayithalekh) = en trok rond | בְּכָל (bekhal) = door heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Ex 1:17; 2 Sam 24:3–8; Pred 8:4; Dan 3:18; Hand 5:29 ### Joab brengt het aantal **21:5** Joab gaf David het aantal van de telling van het volk. Heel Israël telde 1.100.000 man die het zwaard trokken. Juda telde 470.000 man die het zwaard trokken. Brontekst: וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en gaf | יוֹאָ֛ב (yoav) = Joab | אֶת (et) = (obj.) | מִסְפַּ֥ר (mispar) = getal van | מִפְקַד (mifqad) = telling van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = aan | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | כָֽל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | אֲלָפִים֩ (alafim) = duizenden | וּמֵאָ֨ה (umea) = en honderd | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | אִישׁ֙ (ish) = man | שֹׁ֣לֵֽף (sholef) = trekkend | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וִֽיהוּדָ֕ה (vihuda) = en Juda | אַרְבַּע֩ (arba) = vier | מֵא֨וֹת (meot) = honderd | וְשִׁבְעִ֥ים (veshivim) = en zeventig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | שֹׁ֥לֵֽף (sholef) = trekkend | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלֶף אֲלָפִים (elef alafim), ‘duizend duizenden’: dat is 1.000.000. Daarbij komen 100.000. Voetnoot Lezing: Hier staan 1.100.000 man in Israël en 470.000 in Juda. In 2 Sam. 24:9 staan 800.000 in Israël en 500.000 in Juda. Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken. Zie ook: 2 Sam 24:9; 1 Kron 27:23 **21:6** Levi en Benjamin telde hij niet onder hen, want het woord van de koning was voor Joab weerzinwekkend. Brontekst: וְלֵוִי֙ (velevi) = en Levi | וּבִנְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | לֹ֥א (lo) = niet | פָקַ֖ד (paqad) = telde hij | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = onder hen | כִּֽי (ki) = want | נִתְעַ֥ב (nitav) = was weerzinwekkend | דְּבַר (devar) = het woord van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = bij | יוֹאָֽב (yoav) = Joab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Levi en Benjamin werden niet geteld. Dat staat niet in 2 Sam. 24. Levi wordt volgens Num. 1:49 niet meegeteld bij de krijgers. Bij Benjamin staat geen reden. Voetnoot : נִתְעַב (nit’av), ‘weerzinwekkend zijn’: Joab vond de opdracht van de koning afschuwelijk. Voetnoot : Vergelijk 1 Kron. 27:24: Joab begon te tellen, maar maakte het niet af. Zie ook: Num 1:47–49; Num 1:49; 2 Sam 3:27; 2 Sam 11:15–21; 2 Sam 20:9–10; 1 Kron 27:24 ### Davids schuld **21:7** Deze zaak was kwaad in de ogen van Elohim. Hij sloeg Israël. Brontekst: וַיֵּ֨רַע֙ (vayera) = en was kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | עַל (al) = over | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיַּ֖ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws is het onderwerp van ‘Hij sloeg Israël’ niet genoemd. Het ligt voor de hand dat het Elohim is, uit de zin ervoor. Zie ook: Joz 7:5; Joz 7:13; 2 Sam 21:14; 2 Sam 24:1; 1 Kron 21:14 **21:8** David zei tegen Elohim: „Ik heb zeer gezondigd, doordat ik deze zaak heb gedaan. En nu, neem toch de schuld van Uw dienaar weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִיד֙ (david) = David | אֶל (el) = tot | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | חָטָ֣אתִֽי (chatati) = ik heb gezondigd | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = omdat | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = ik heb gedaan | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הַֽעֲבֶר (haaver) = neem weg | נָא֙ (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | עֲו֣וֹן (avon) = de schuld van | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | כִּ֥י (ki) = want | נִסְכַּ֖לְתִּי (niskalti) = ik heb dwaas gehandeld | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַעֲבֶר (ha’aver), ‘neem weg’: letterlijk ‘laat voorbijgaan’. David vraagt dat de schuld wordt weggenomen. Zo ook in 2 Sam. 24:10. Voetnoot : Hier spreekt David tot Elohim. In 2 Sam. 24:10 spreekt hij tot Yahweh. Zie ook: Gen 34:7; 1 Sam 26:21; 2 Sam 12:13; 2 Sam 24:10; Joh 1:29; 1 Joh 1:9 ### De keuze van Gad **21:9** Yahweh sprak tot Gad, de ziener van David: Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | גָּ֔ד (gad) = Gad | חֹזֵ֥ה (choze) = ziener van | דָוִ֖יד (david) = David | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹזֶה (chozeh), ‘ziener’: hier heet Gad alleen ‘de ziener van David’. In 2 Sam. 24:11 staat ‘de profeet Gad, de ziener van David’. Zie ook: 1 Sam 9:9; 2 Sam 24:11; 1 Kron 29:29 **21:10** **„Ga en spreek tot David: ‘Zo zegt Yahweh: Drie dingen leg Ik jou voor. Kies er één van, dan zal Ik die voor jou doen.’”** Brontekst: לֵךְ֩ (lekh) = ga | וְדִבַּרְתָּ֨ (vedibarta) = en je zult spreken | אֶל (el) = tot | דָּוִ֜יד (david) = David | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁל֕וֹשׁ (shalosh) = drie | אֲנִ֖י (ani) = Ik | נֹטֶ֣ה (note) = leg voor | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = aan jou | בְּחַר (bechar) = kies | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | אַחַ֥ת (achat) = één | מֵהֵ֖נָּה (mehena) = ervan | וְאֶֽעֱשֶׂה (veeese) = en Ik zal doen | לָּֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier tot Gad en geeft hem de boodschap voor David. Daarom staat het hele vers rood. De woorden ‘Zo zegt Yahweh’ staan tussen enkele aanhalingstekens, omdat Gad ze aan David moet doorgeven. Vergelijk 2 Sam. 24:12. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘drie’. Wij vullen ‘dingen’ aan. Voetnoot : נוֹטֶה (noteh), ‘uitstrekken’: letterlijk ‘Ik strek drie over je uit’. Wij vertalen ‘leg Ik jou voor’. In 2 Sam. 24:12 staat נוֹטֵל (notel), met dezelfde betekenis in dit verband. Zie ook: Num 20:12; Joz 24:15; 2 Sam 24:12; Spr 1:29–31; Spr 3:12; 1 Kon 13:21–22 **21:11** Gad kwam bij David en zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Neem voor jezelf aan: Brontekst: וַיָּ֥בֹא (vayavo) = en kwam | גָ֖ד (gad) = Gad | אֶל (el) = tot | דָּוִ֑יד (david) = David | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | ל֛וֹ (lo) = tot hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | קַבֶּל (qabel) = neem aan | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gad citeert hier Yahweh. Daarom staan zijn woorden zwart, met enkele aanhalingstekens voor de woorden van Yahweh. Voetnoot : קַבֵּל (qabbel), ‘neem aan’: iets in ontvangst nemen. In vers 10 staat בְּחַר (bechar), ‘kies’. Wij houden die twee werkwoorden uit elkaar. Zie ook: 1 Kron 21:10; Spr 19:20 **21:12** Ofwel drie jaar hongersnood. Ofwel drie maanden weggevaagd worden voor je tegenstanders, terwijl het zwaard van je vijanden je inhaalt. Ofwel drie dagen het zwaard van Yahweh en pest in het land, terwijl de engel van Yahweh verderf brengt in heel het gebied van Israël.’ Bedenk nu welk antwoord ik moet geven aan Hem die mij gezonden heeft.” Brontekst: אִם (im) = of | שָׁל֨וֹשׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֜ים (shanim) = jaren | רָעָ֗ב (raav) = hongersnood | וְאִם (veim) = of | שְׁלֹשָׁ֨ה (shelosha) = drie | חֳדָשִׁ֜ים (chodashim) = maanden | נִסְפֶּ֥ה (nispe) = weggevaagd worden | מִפְּנֵי (mipenei) = voor het aangezicht van | צָרֶיךָ֮ (tsareikha) = je tegenstanders | וְחֶ֣רֶב (vecherev) = en het zwaard van | אוֹיְבֶ֣ךָ (oyevekha) = je vijanden | לְמַשֶּׂגֶת֒ (lemaseget) = om je in te halen | וְאִם (veim) = of | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָ֠מִים (yamim) = dagen | חֶ֣רֶב (cherev) = het zwaard van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | וְדֶ֨בֶר֙ (vedever) = en pest | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וּמַלְאַ֣ךְ (umalakh) = en de engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מַשְׁחִ֖ית (mashchit) = verderf brengend | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּב֣וּל (gevul) = gebied van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | רְאֵ֔ה (ree) = zie | מָֽה (ma) = wat | אָשִׁ֥יב (ashiv) = ik zal antwoorden | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁלְחִ֖י (sholechi) = Hem die mij zond | דָּבָֽר (davar) = een woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִסְפֶּה (nisppeh), ‘weggevaagd worden’: ook in Gen. 19:15. לְמַשֶּׂגֶת (lemassegat), ‘om je in te halen’: het zwaard van je vijanden haalt je in. Voetnoot : Hier staat dat het zwaard van Yahweh en de pest in het land zijn, en dat de engel van Yahweh verderf brengt. In 2 Sam. 24:13 staat alleen ‘drie dagen pest’. Voetnoot : De engel van Yahweh wordt hier neutraal vertaald. Voetnoot Lezing: Hier staat ‘drie jaar’ hongersnood. In 2 Sam. 24:13 staat ‘zeven jaar’. Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken. Zie ook: Gen 19:15; Deut 28:27; Deut 28:35; 2 Sam 21:1; 2 Sam 24:13; 2 Kon 8:1; Klaagl 4:9 **21:13** David zei tegen Gad: „Ik ben zeer in nood. Laat mij toch in de hand van Yahweh vallen, want Zijn ontfermingen zijn zeer talrijk. In de hand van een mens wil ik niet vallen.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֛יד (david) = David | אֶל (el) = tot | גָּ֖ד (gad) = Gad | צַר (tsar) = nood | לִ֣י (li) = voor mij | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | אֶפְּלָה (epela) = laat mij vallen | נָּ֣א (na) = toch | בְיַד (beyad) = in de hand van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | רַבִּ֤ים (rabim) = talrijk zijn | רַחֲמָיו֙ (rachamav) = Zijn ontfermingen | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וּבְיַד (uveyad) = en in de hand van | אָדָ֖ם (adam) = mens | אַל (al) = niet | אֶפֹּֽל (epol) = laat mij vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפְּלָה (eppelah), ‘laat mij vallen’: enkelvoud. In 2 Sam. 24:14 staat het meervoud, ‘laten wij vallen’. Voetnoot : רַחֲמָיו (rachamav), ‘Zijn ontfermingen’: zoals in 2 Sam. 24:14. Zie ook: 2 Sam 24:14; Ps 130:7; Jes 55:7; Joh 12:27; Fil 1:23; Heb 10:31 ### De pest over Israël **21:14** Yahweh gaf een pest in Israël. Er vielen 70.000 man uit Israël. Brontekst: וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | דֶּ֖בֶר (dever) = pest | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | וַיִּפֹּל֙ (vayipol) = en vielen | מִיִּשְׂרָאֵ֔ל (miyisrael) = uit Israël | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Hier staat alleen dat 70.000 man uit Israël vielen. In 2 Sam. 24:15 staat ook ‘vanaf de morgen tot de bestemde tijd’ en ‘van Dan tot Beër-Sjeba’. Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken. Zie ook: Num 17:11–14; Num 25:9; 1 Sam 6:19; 2 Sam 24:15; 2 Kon 19:35 **21:15** Elohim zond een engel naar Jeruzalem om haar te verwoesten. Terwijl hij verwoestte, zag Yahweh het. Hij liet Zich het kwaad rouwen. Hij zei tegen de engel die verwoestte: **„Genoeg! Laat nu je hand zakken.”** De engel van Yahweh stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en zond | הָאֱלֹהִ֨ים (haElohim) = Elohim | מַלְאָ֥ךְ (malakh) = een engel | לִֽירוּשָׁלִַם֮ (lirushaliam) = naar Jeruzalem | לְהַשְׁחִיתָהּ֒ (lehashchitah) = om haar te verwoesten | וּכְהַשְׁחִ֗ית (ukhehashchit) = en toen hij verwoestte | רָאָ֤ה (raa) = zag | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיִּנָּ֣חֶם (vayinachem) = en liet Zich rouwen | עַל (al) = over | הָֽרָעָ֔ה (haraa) = het kwaad | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | לַמַּלְאָ֤ךְ (lamalakh) = tot de engel | הַמַּשְׁחִית֙ (hamashchit) = die verwoestte | רַ֔ב (rav) = genoeg | עַתָּ֖ה (ata) = nu | הֶ֣רֶף (heref) = laat zakken | יָדֶ֑ךָ (yadekha) = je hand | וּמַלְאַ֤ךְ (umalakh) = en de engel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֹמֵ֔ד (omed) = stond | עִם (im) = bij | גֹּ֖רֶן (goren) = de dorsvloer van | אָרְנָ֥ן (arenan) = Ornan | הַיְבוּסִֽי (hayvusi) = de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De dorsvloer van Ornan lag op de berg Moria, de latere tempelberg in Jeruzalem (2 Kron. 3:1). Dat is waarschijnlijk. Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond. Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּחֶם (wayyinnachem), ‘liet Zich rouwen’: zoals in Exod. 32:14. De woorden van Yahweh tot de engel staan rood, zoals in 2 Sam. 24:16. Voetnoot : מַלְאַךְ יְהוָה (mal’ak Yahweh), ‘de engel van Yahweh’: wij vertalen hier neutraal en zetten zijn woorden niet rood. Voetnoot Lezing: Hier staat ‘Ornan’ (אָרְנָן). In 2 Sam. 24:16 staat ‘Araunna’. Het is dezelfde man. Wij houden in elk boek de eigen spelling aan. Voetnoot : Hier zendt Elohim de engel. In 2 Sam. 24:15–16 zendt Yahweh de pest en strekt de engel zijn hand uit. Zie ook: Gen 6:6; Ex 32:14; 2 Sam 24:15–16; 2 Sam 24:16; 2 Kron 3:1; Jer 26:18; Mat 23:37–38; Mar 14:41 **21:16** David sloeg zijn ogen op en zag de engel van Yahweh. Hij stond tussen de aarde en de hemel. Zijn getrokken zwaard was in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem. Toen vielen David en de oudsten, bedekt met een rouwkleed, op hun gezicht. Brontekst: וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en hief op | דָוִ֜יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּ֞רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | מַלְאַ֤ךְ (malakh) = engel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֹמֵ֗ד (omed) = stond | בֵּ֤ין (bein) = tussen | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְחַרְבּ֤וֹ (vecharbo) = en zijn zwaard | שְׁלוּפָה֙ (shelufa) = getrokken | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | נְטוּיָ֖ה (netuya) = uitgestrekt | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וַיִּפֹּ֨ל (vayipol) = en viel neer | דָּוִ֧יד (david) = David | וְהַזְּקֵנִ֛ים (vehazeqenim) = en de oudsten | מְכֻסִּ֥ים (mekhusim) = bedekt | בַּשַּׂקִּ֖ים (basaqim) = met rouwkleed | עַל (al) = op | פְּנֵיהֶֽם (peneihem) = hun gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers staat alleen in Kronieken. David ziet de engel ‘tussen de aarde en de hemel’, met een getrokken zwaard dat over Jeruzalem is uitgestrekt. Voetnoot : שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grove stof die men bij rouw droeg, zoals in 2 Sam. 3:31. Voetnoot : De oudsten worden alleen hier genoemd. Zie ook: Num 14:5; Joz 5:13–14; 2 Sam 3:31; Ps 35:13–14; 1 Kon 21:27; Jona 3:6–8 **21:17** David zei tegen Elohim: „Heb ik niet gezegd dat het volk geteld moest worden? Ik ben het die gezondigd heeft. Ik heb zeker verkeerd gehandeld. Maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Yahweh, mijn Elohim, laat Uw hand toch tegen mij zijn en tegen het huis van mijn vader, maar niet tegen Uw volk, tot een plaag.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֣יד (david) = David | אֶֽל (el) = tot | הָאֱלֹהִ֡ים (haElohim) = Elohim | הֲלֹא֩ (halo) = niet | אֲנִ֨י (ani) = ik | אָמַ֜רְתִּי (amarti) = zei ik | לִמְנ֣וֹת (limnot) = om te tellen | בָּעָ֗ם (baam) = onder het volk | וַאֲנִי (vaani) = en ik | ה֤וּא (hu) = ben het | אֲשֶׁר (asher) = die | חָטָ֨אתִי֙ (chatati) = heb gezondigd | וְהָרֵ֣עַ (veharea) = en kwaad | הֲרֵע֔וֹתִי (hareoti) = heb ik kwaad gedaan | וְאֵ֥לֶּה (veele) = maar dezen | הַצֹּ֖אן (hatson) = de schapen | מֶ֣ה (me) = wat | עָשׂ֑וּ (asu) = deden zij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַ֗י (elohay) = mijn Elohim | תְּהִ֨י (tehi) = laat zijn | נָ֤א (na) = toch | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = Uw hand | בִּ֚י (bi) = tegen mij | וּבְבֵ֣ית (uveveit) = en tegen het huis van | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וּֽבְעַמְּךָ֖ (uveamekha) = en tegen Uw volk | לֹ֥א (lo) = niet | לְמַגֵּפָֽה (lemagefa) = tot een plaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲלֹא אֲנִי אָמַרְתִּי (halo ani amarti), ‘Heb ik niet gezegd?’: David neemt de verantwoordelijkheid. Het Hebreeuws kan ook gelezen worden als ‘Ik was het die zei’. De uitkomst is dezelfde. Voetnoot : הָרֵעַ הֲרֵעוֹתִי (hare’a hare’oti), ‘ik heb zeker verkeerd gehandeld’: het werkwoord wordt versterkt door herhaling. Voetnoot : מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: hier staat ‘tot een plaag’ (laat de plaag niet Uw volk treffen). Dat staat niet in 2 Sam. 24:17. Zie ook: Ex 20:5; Ex 32:32–33; 2 Sam 24:17; Ps 51:6; Ps 51:16; Ezech 16:63 ### Het altaar op de dorsvloer van Ornan **21:18** De engel van Yahweh zei tegen Gad dat hij tegen David moest zeggen dat David omhoog moest gaan. David moest een altaar oprichten voor Yahweh op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. Brontekst: וּמַלְאַ֧ךְ (umalakh) = en de engel van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אָמַ֥ר (amar) = zei | אֶל (el) = tot | גָּ֖ד (gad) = Gad | לֵאמֹ֣ר (lemor) = zeggende | לְדָוִ֑יד (ledavid) = aan David | כִּ֣י (ki) = dat | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = moet opgaan | דָוִ֗יד (david) = David | לְהָקִ֤ים (lehaqim) = om op te richten | מִזְבֵּ֨חַ֙ (mizbeach) = altaar | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּגֹ֖רֶן (begoren) = op de dorsvloer van | אָרְנָ֥ן (arenan) = Ornan | הַיְבֻסִֽי (hayvusi) = de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond. Voetnoot Uitleg: Hier spreekt de engel van Yahweh tot Gad. Het is een onrechtstreekse rede: Gad moet tegen David zeggen dat David omhoog moet gaan. In 2 Sam. 24:18 komt Gad zelf bij David met dit bevel. Voetnoot : Wij zetten de woorden van de engel niet rood, omdat hij over Yahweh in de derde persoon spreekt. Voetnoot : Het Hebreeuws schrijft ‘de Jebusiet’ hier anders (הַיְבֻסִי) dan in vers 15 (הַיְבוּסִי). Wij schrijven beide keren ‘Jebusiet’. Zie ook: 2 Sam 24:18; 1 Kron 21:11; 1 Kron 21:15; 2 Kron 3:1; Hand 8:26–40 **21:19** David ging omhoog op het woord van Gad, dat hij in de naam van Yahweh had gesproken. Brontekst: וַיַּ֤עַל (vayaal) = en ging omhoog | דָּוִיד֙ (david) = David | בִּדְבַר (bidvar) = op het woord van | גָּ֔ד (gad) = Gad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֶּ֖ר (diber) = hij had gesproken | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = in de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David gehoorzaamt het woord van Gad, dat Gad ‘in de naam van Yahweh’ sprak. Vergelijk 2 Sam. 24:19. Zie ook: 2 Sam 24:19; 2 Kon 5:10–14; Joh 2:5; Hand 9:6 **21:20** Ornan keerde zich om en zag de engel. Zijn vier zonen die bij hem waren, verborgen zich. Ornan was tarwe aan het dorsen. Brontekst: וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en keerde zich om | אָרְנָ֗ן (arenan) = Ornan | וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּלְאָ֔ךְ (hamalakh) = de engel | וְאַרְבַּ֧עַת (vearbaat) = en vier | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | מִֽתְחַבְּאִ֑ים (mitchabeim) = verborgen zich | וְאָרְנָ֖ן (vearenan) = en Ornan | דָּ֥שׁ (dash) = dorsend | חִטִּֽים (chitim) = tarwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַיָּשָׁב (wayyashav), ‘hij keerde zich om’: het werkwoord kan ook ‘hij keerde terug’ betekenen. Wij vertalen ‘Ornan keerde zich om en zag de engel’. In 2 Sam. 24:20 kijkt Araunna uit en ziet de koning komen. Voetnoot : Ornans vier zonen verbergen zich voor de engel. Dit staat alleen in Kronieken. Zie ook: Re 6:11; 2 Sam 24:20 **21:21** David kwam bij Ornan. Ornan keek op en zag David. Hij ging van de dorsvloer af en boog zich voor David neer, met zijn gezicht naar de grond. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | דָוִ֖יד (david) = David | עַד (ad) = tot | אָרְנָ֑ן (arenan) = Ornan | וַיַּבֵּ֤ט (vayabet) = en keek | אָרְנָן֙ (arenan) = Ornan | וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִ֔יד (david) = David | וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | מִן (min) = van | הַגֹּ֔רֶן (hagoren) = de dorsvloer | וַיִּשְׁתַּ֧חוּ (vayishtachu) = en boog zich neer | לְדָוִ֛יד (ledavid) = voor David | אַפַּ֖יִם (apayim) = gezicht | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַפַּיִם אַרְצָה (appayim artsah), ‘met het gezicht naar de grond’: letterlijk ‘neuzen naar de grond’. Zo ook in 2 Sam. 24:20. Zie ook: 1 Sam 25:23; 2 Sam 24:18–20; 2 Sam 24:20 **21:22** David zei tegen Ornan: „Geef mij de plaats van de dorsvloer. Dan bouw ik daarop een altaar voor Yahweh. Geef die plaats aan mij voor de volle prijs in zilver, zodat de plaag van het volk wordt tegengehouden.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֜יד (david) = David | אֶל (el) = tot | אָרְנָ֗ן (arenan) = Ornan | תְּנָה (tena) = geef | לִּי֙ (li) = aan mij | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | הַגֹּ֔רֶן (hagoren) = de dorsvloer | וְאֶבְנֶה (veevne) = zodat ik zal bouwen | בּ֥וֹ (bo) = daarop | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = altaar | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּכֶ֤סֶף (bekhesef) = voor zilver | מָלֵא֙ (male) = vol | תְּנֵ֣הוּ (tenehu) = geef haar | לִ֔י (li) = aan mij | וְתֵעָצַ֥ר (veteatsar) = zodat wordt tegengehouden | הַמַּגֵּפָ֖ה (hamagefa) = de plaag | מֵעַ֥ל (meal) = van op | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכֶסֶף מָלֵא (bechesef male), ‘voor de volle prijs in zilver’: letterlijk ‘voor vol zilver’. Wij spreken Ornan hier aan met ‘u’, zoals Araunna in 2 Sam. 24:21–24. Voetnoot : מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: zoals in Exod. 9:14. Zie ook: Ex 9:14; Num 17:13; Num 25:8; 2 Sam 24:21; 1 Kon 21:2 **21:23** Ornan zei tegen David: „Neem het voor u. Mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen. Zie, ik geef de runderen voor de brandoffers, de dorsplanken voor het hout en de tarwe voor het graanoffer. Alles geef ik.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אָרְנָ֤ן (arenan) = Ornan | אֶל (el) = tot | דָּוִיד֙ (david) = David | קַֽח (qach) = neem | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | וְיַ֛עַשׂ (veyaas) = en moge doen | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַטּ֣וֹב (hatov) = wat goed is | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | רְאֵה֩ (ree) = zie | נָתַ֨תִּי (natati) = ik geef | הַבָּקָ֜ר (habaqar) = de runderen | לָֽעֹל֗וֹת (laolot) = voor brandoffers | וְהַמּוֹרִגִּ֧ים (vehamorigim) = en de dorsplanken | לָעֵצִ֛ים (laetsim) = voor hout | וְהַחִטִּ֥ים (vehachitim) = en de tarwe | לַמִּנְחָ֖ה (lamincha) = voor graanoffer | הַכֹּ֥ל (hakol) = alles | נָתָֽתִּי (natati) = ik geef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹרַג (morag), ‘dorsplank’: een zware plank met scherpe stenen, waarmee het koren wordt gedorst. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: zoals in Lev. 2:1. In 2 Sam. 24:22 staat dit niet; daar noemt Araunna alleen runderen en hout. Zie ook: Gen 23:4–6; Lev 2:1; 1 Sam 6:14; 2 Sam 24:22–23; 1 Kon 19:21; Jer 32:8 **21:24** Koning David zei tegen Ornan: „Nee, ik zal het zeker kopen voor de volle prijs in zilver. Want ik zal niet voor Yahweh nemen wat van u is. Ik zal geen brandoffer opdragen dat niets kost.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּוִיד֙ (david) = David | לְאָרְנָ֔ן (learenan) = aan Ornan | לֹ֕א (lo) = nee | כִּֽי (ki) = maar | קָנֹ֥ה (qano) = kopen | אֶקְנֶ֖ה (eqne) = ik zal kopen | בְּכֶ֣סֶף (bekhesef) = voor zilver | מָלֵ֑א (male) = vol | כִּ֠י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | אֶשָּׂ֤א (esa) = zal ik nemen | אֲשֶׁר (asher) = wat | לְךָ֙ (lekha) = van jou | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְהַעֲל֥וֹת (vehaalot) = en offeren | עוֹלָ֖ה (ola) = brandoffer | חִנָּֽם (chinam) = om niets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִנָּם (chinnam), ‘om niets’: zonder dat het mij iets kost. Vergelijk Gen. 23:9–16 en 2 Sam. 24:24. Zie ook: Gen 14:23; Gen 23:9–16; Gen 23:13; Deut 16:16–17; 2 Sam 24:24; Mal 1:12–14; Rom 12:17 **21:25** David gaf Ornan voor die plaats 600 sikkel goud, naar gewicht. Brontekst: וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en gaf | דָּוִ֛יד (david) = David | לְאָרְנָ֖ן (learenan) = aan Ornan | בַּמָּק֑וֹם (bamaqom) = voor de plaats | שִׁקְלֵ֣י (shiqlei) = sikkels van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | מִשְׁקָ֖ל (mishqal) = gewicht | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 600 sikkel is ongeveer 6,8 kilogram (een sikkel is ongeveer 11,4 gram). Voetnoot : מָקוֹם (maqom), ‘plaats’: hier de hele plaats, niet alleen de dorsvloer. Voetnoot Lezing: David geeft Ornan hier 600 sikkel goud voor de hele plaats. In 2 Sam. 24:24 koopt hij de dorsvloer en de runderen voor 50 sikkel zilver. Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken. Zie ook: 2 Sam 24:24–25 ### Yahweh antwoordt met vuur **21:26** David bouwde daar een altaar voor Yahweh. Hij offerde brandoffers en vredeoffers. Hij riep tot Yahweh en Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel op het altaar van het brandoffer. Brontekst: וַיִּבֶן֩ (vayiven) = en bouwde | שָׁ֨ם (sham) = daar | דָּוִ֤יד (david) = David | מִזְבֵּ֨חַ֙ (mizbeach) = altaar | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en bracht omhoog | עֹל֖וֹת (olot) = brandoffers | וּשְׁלָמִ֑ים (ushelamim) = en vredeoffers | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en riep | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּֽעֲנֵ֤הוּ (vayaanehu) = en antwoordde hem | בָאֵשׁ֙ (baesh) = met vuur | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | עַ֖ל (al) = op | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = altaar van | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּעֲנֵהוּ בָאֵשׁ מִן הַשָּׁמַיִם (wayya’anehu va’esh min hashamayim), ‘Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel’: dit staat alleen in Kronieken. Vergelijk Lev. 9:24 en Richt. 6:21. Voetnoot : שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’: zie Lev. 3:1. Zie ook: Ex 24:4–5; Lev 3:1; Lev 9:24; Re 6:21; Spr 15:8; 1 Kon 18:38 **21:27** Yahweh sprak tot de engel. Die stak zijn zwaard terug in de schede. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לַמַּלְאָ֔ךְ (lamalakh) = tot de engel | וַיָּ֥שֶׁב (vayashev) = en hij stak terug | חַרְבּ֖וֹ (charbo) = zijn zwaard | אֶל (el) = in | נְדָנָֽהּ (nedanah) = zijn schede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָדָן (nadan), ‘schede’: een zeldzaam woord voor de schede van een zwaard. Voetnoot : Yahweh spreekt tot de engel, maar zijn woorden worden niet aangehaald. Er staat dus geen rood. Zie ook: Jer 47:6; Ezech 21:35; Mat 26:52; Joh 18:11; Heb 1:14 **21:28** In die tijd, toen David zag dat Yahweh hem had geantwoord op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, offerde hij daar. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | בִּרְא֤וֹת (birot) = toen zag | דָּוִיד֙ (david) = David | כִּי (ki) = dat | עָנָ֣הוּ (anahu) = had geantwoord hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּגֹ֖רֶן (begoren) = op de dorsvloer van | אָרְנָ֣ן (arenan) = Ornan | הַיְבוּסִ֑י (hayvusi) = de Jebusiet | וַיִּזְבַּ֖ח (vayizbach) = en offerde | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond. Voetnoot Uitleg: Dit vers en de verzen 29–30 staan alleen in Kronieken. Het vers verbindt het vuur van vers 26 met het offeren van David op deze plaats. Zie ook: 1 Kron 21:26 ### De offerhoogte in Gibeon **21:29** De tabernakel van Yahweh, die Mozes in de woestijn had gemaakt, stond in die tijd op de hoogte in Gibeon. Ook het altaar van het brandoffer stond daar. Brontekst: וּמִשְׁכַּ֣ן (umishkan) = en tabernakel van | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֨ה (asa) = maakte | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | בַמִּדְבָּ֛ר (bamidbar) = in de woestijn | וּמִזְבַּ֥ח (umizbach) = en altaar van | הָעוֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֑יא (hahi) = die | בַּבָּמָ֖ה (babama) = op de hoogte | בְּגִבְעֽוֹן (begivon) = in Gibeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon lag bij het huidige El-Jib (Westelijke Jordaanoever), ongeveer 9 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk. Voetnoot Uitleg: בָּמָה (bamah), ‘hoogte’: een hoge plaats waar geofferd werd. Voetnoot : De tabernakel is die van Exod. 40:1–2, de tent van samenkomst. Mozes heeft hem in de woestijn gemaakt. Zie ook: Ex 40:1–38; 1 Kron 16:39; 1 Kon 3:4–15; 2 Kron 1:3; 2 Kron 1:13 **21:30** David kon er niet heen gaan om Elohim te raadplegen, want hij was overweldigd door het zwaard van de engel van Yahweh. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָכֹ֥ל (yakhol) = kon | דָּוִ֛יד (david) = David | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = gaan | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | לִדְרֹ֣שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | כִּ֣י (ki) = want | נִבְעַ֔ת (nivat) = hij werd overweldigd | מִפְּנֵ֕י (mipenei) = vanwege | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard van | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְפָנָיו (lefanav), ‘voor zijn aangezicht’: letterlijk ‘voor hem’. Het kan verwijzen naar de tabernakel en het altaar in vers 29, of naar Elohim. Wij vertalen ‘erheen’. Voetnoot : נִבְעַת (niv’at), ‘overweldigd’: bang gemaakt, zoals in 1 Sam. 16:14. Zie ook: 1 Sam 16:14; 1 Kron 21:29; Ps 119:120; Jer 5:22; Heb 12:28–29; Openb 1:17; Openb 15:4 ## 1 Kronieken 22 _David bereidt de bouw van het huis voor_ ### Het altaar en de voorraden voor het huis **22:1** David zei: „Dit is het huis van Yahweh, de Elohim. En dit is het altaar voor het brandoffer van Israël.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֔יד (david) = David | זֶ֣ה (ze) = dit | ה֔וּא (hu) = is het | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וְזֶה (veze) = en dit | מִּזְבֵּ֥חַ (mizbeach) = altaar | לְעֹלָ֖ה (leola) = voor het brandoffer | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Dit’ wijst naar de dorsvloer van Ornan, waar David een altaar bouwde nadat Yahweh hem had verhoord (1 Kron. 21:18–30). Het verhaal staat ook in 2 Sam. 24:18–25. Daar heet de man Araunna; hier staat אָרְנָן (Ornan). Voetnoot : לְעֹלָה (leolah), ‘voor het brandoffer’: het woord staat in het enkelvoud. Zie ook: Gen 28:17; 2 Sam 24:18; 1 Kron 21:18–28; 2 Kron 3:1; 2 Kron 6:5–6 **22:2** David zei dat men de vreemdelingen in het land Israël moest verzamelen. Hij stelde steenhouwers aan om behouwen steen te hakken voor de bouw van het huis van Elohim. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֔יד (david) = David | לִכְנוֹס֙ (likhnos) = om te verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | הַגֵּרִ֔ים (hagerim) = de vreemdelingen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּעֲמֵ֣ד (vayaamed) = en hij stelde aan | חֹֽצְבִ֗ים (chotsevim) = steenhouwers | לַחְצוֹב֙ (lachtsov) = om te hakken | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | גָזִ֔ית (gazit) = behouwen steen | לִבְנ֖וֹת (livnot) = om te bouwen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרִים (gerim), ‘vreemdelingen’: mensen van buiten Israël die in het land wonen. Voetnoot : גָזִית (gazit), ‘behouwen steen’: steen die tot blokken is gehouwen. Vergelijk Exod. 20:25. Zie ook: Ex 20:25; 1 Kon 5:31–32; 1 Kon 9:20–21; 2 Kon 22:6; 2 Kron 2:16; 2 Kron 8:7–8 **22:3** David had ijzer in grote hoeveelheid klaargemaakt, voor de spijkers van de deuren van de poorten en voor de klemmen. Ook had hij koper in zo'n grote hoeveelheid dat het niet te wegen was. Brontekst: וּבַרְזֶ֣ל (uvarzel) = en ijzer | לָ֠רֹב (larov) = in grote hoeveelheid | לַֽמִּסְמְרִ֞ים (lamismerim) = voor de spijkers | לְדַלְת֧וֹת (ledaltot) = voor de deuren van | הַשְּׁעָרִ֛ים (hashearim) = de poorten | וְלַֽמְחַבְּר֖וֹת (velamchaberot) = en voor de klemmen | הֵכִ֣ין (hekhin) = had klaargemaakt | דָּוִ֑יד (david) = David | וּנְחֹ֥שֶׁת (unechoshet) = en koper | לָרֹ֖ב (larov) = in grote hoeveelheid | אֵ֥ין (ein) = zonder | מִשְׁקָֽל (mishqal) = gewicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחַבְּרוֹת (mechabberot), ‘klemmen’: metalen verbindingen. De betekenis van het woord is niet helemaal zeker. Voetnoot : אֵין מִשְׁקָל (ein mishqal), ‘niet te wegen’: letterlijk ‘zonder gewicht’. Zie ook: 1 Kron 22:14; 1 Kron 29:2; 1 Kron 29:7; 1 Kon 7:47; Jer 52:20 **22:4** Er was cederhout zonder getal. Want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten David cederhout in grote hoeveelheid. Brontekst: וַעֲצֵ֥י (vaatsei) = en hout van | אֲרָזִ֖ים (arazim) = ceders | לְאֵ֣ין (leein) = zonder | מִסְפָּ֑ר (mispar) = getal | כִּֽי (ki) = want | הֵ֠בִיאוּ (heviu) = brachten | הַצִּֽידֹנִ֨ים (hatsidonim) = de Sidoniërs | וְהַצֹּרִ֜ים (vehatsorim) = en de Tyriërs | עֲצֵ֧י (atsei) = hout van | אֲרָזִ֛ים (arazim) = ceders | לָרֹ֖ב (larov) = in grote hoeveelheid | לְדָוִֽיד (ledavid) = aan David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie ook: 2 Sam 5:11; 1 Kon 5:20–24; 2 Kron 2:2; Ezra 3:7 ### David geeft Salomo opdracht **22:5** David zei: „Mijn zoon Salomo is een jongen en teer. Het huis dat voor Yahweh gebouwd moet worden, moet buitengewoon groot zijn, tot roem en tot sieraad in alle landen. Laat mij toch voor hem de voorbereidingen treffen.” Zo maakte David veel klaar vóór zijn dood. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֗יד (david) = David | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | בְנִי֮ (beni) = mijn zoon | נַ֣עַר (naar) = een jongen | וָרָךְ֒ (varakh) = en teer | וְהַבַּ֜יִת (vehabayit) = en het huis | לִבְנ֣וֹת (livnot) = om te bouwen | לַיהוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | לְהַגְדִּ֨יל (lehagdil) = om groot te zijn | לְמַ֜עְלָה (lemala) = omhoog | לְשֵׁ֤ם (leshem) = tot naam | וּלְתִפְאֶ֨רֶת֙ (uletiferet) = en tot sieraad | לְכָל (lekhal) = voor alle | הָ֣אֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אָכִ֥ינָה (akhina) = laat mij voorbereiden | נָּ֖א (na) = toch | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וַיָּ֧כֶן (vayakhen) = en bereidde voor | דָּוִ֛יד (david) = David | לָרֹ֖ב (larov) = in grote hoeveelheid | לִפְנֵ֥י (lifnei) = vóór | מוֹתֽוֹ (moto) = zijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעַר וָרָךְ (naar varakh), ‘een jongen en teer’: Salomo is nog jong en onervaren. Vergelijk 1 Kron. 29:1. Zie ook: 1 Kron 29:1; 1 Kon 3:7; Luc 21:5; Joh 3:30; Joh 13:1 **22:6** Hij riep zijn zoon Salomo en gaf hem opdracht een huis te bouwen voor Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en riep | לִשְׁלֹמֹ֣ה (lishlomo) = Salomo | בְנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וַיְצַוֵּ֨הוּ֙ (vaytsavehu) = en gebood hem | לִבְנ֣וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֔יִת (bayit) = een huis | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 27:23; Hand 1:2; Hand 20:25–31; 1 Tim 5:21; 1 Tim 6:13–17 **22:7** David zei tegen Salomo: „Mijn zoon, ik had het in mijn hart om een huis te bouwen voor de naam van Yahweh, mijn Elohim. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֖יד (david) = David | לִשְׁלֹמֹ֑ה (lishlomo) = tegen Salomo | בְּנִ֕י (beni) = mijn zoon | אֲנִי֙ (ani) = ik | הָיָ֣ה (haya) = het was | עִם (im) = met | לְבָבִ֔י (levavi) = mijn hart | לִבְנ֣וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֔יִת (bayit) = een huis | לְשֵׁ֖ם (leshem) = voor de naam van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David vertelt aan Salomo wat er in 2 Sam. 7:2–3 staat. Daar wil hij een huis bouwen voor de ark, maar Yahweh zegt hem via Natan wat Hij wil. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat ‘zijn zoon’ (בנו). In de gelezen tekst (qere) staat ‘mijn zoon’ (בני). Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 12:5; Deut 12:11; 2 Sam 7:2–3; Ps 132:5; 1 Kon 8:16–20; 2 Kron 6:7–9 **22:8** Het woord van Yahweh kwam tot mij: ‘Je hebt veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Je zult geen huis bouwen voor Mijn naam. Want je hebt veel bloed op de aarde vergoten voor Mijn aangezicht. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | עָלַ֤י (alay) = tot mij | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | דָּ֤ם (dam) = bloed | לָרֹב֙ (larov) = in grote hoeveelheid | שָׁפַ֔כְתָּ (shafakhta) = heb je vergoten | וּמִלְחָמ֥וֹת (umilchamot) = en oorlogen | גְּדֹל֖וֹת (gedolot) = grote | עָשִׂ֑יתָ (asita) = heb je gevoerd | לֹֽא (lo) = niet | תִבְנֶ֥ה (tivne) = zul je bouwen | בַ֨יִת֙ (bayit) = een huis | לִשְׁמִ֔י (lishmi) = voor Mijn naam | כִּ֚י (ki) = want | דָּמִ֣ים (damim) = bloed | רַבִּ֔ים (rabim) = veel | שָׁפַ֥כְתָּ (shafakhta) = heb je vergoten | אַ֖רְצָה (artsa) = op de aarde | לְפָנָֽי (lefanay) = voor Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David geeft hier de woorden van Yahweh door. Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens (‘…’). In 2 Sam. 7:5–16 geeft Natan de woorden van Yahweh door; daar staat het bloedvergieten niet als reden. Zie ook 1 Kron. 28:3. Voetnoot : דָּם לָרֹב שָׁפַכְתָּ (dam larov shafakhta), ‘je hebt veel bloed vergoten’: het gaat om het bloed van oorlogen. Zie ook: Num 31:24; 2 Sam 7:5–11; 1 Kron 17:4–10; 1 Kron 28:3; 1 Kon 5:17 **22:9** Zie, een zoon wordt je geboren. Hij zal een man van rust zijn. Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom. Want zijn naam zal Salomo zijn. Vrede en kalmte zal Ik aan Israël geven in zijn dagen. Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | בֵ֞ן (ben) = een zoon | נוֹלָ֣ד (nolad) = wordt geboren | לָ֗ךְ (lakh) = aan jou | ה֤וּא (hu) = hij | יִהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | אִ֣ישׁ (ish) = man van | מְנוּחָ֔ה (menucha) = rust | וַהֲנִח֥וֹתִי (vahanichoti) = en Ik zal rust geven | ל֛וֹ (lo) = aan hem | מִכָּל (mikal) = van al | אוֹיְבָ֖יו (oyevav) = zijn vijanden | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = rondom | כִּ֤י (ki) = want | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | שְׁמ֔וֹ (shemo) = zijn naam | וְשָׁל֥וֹם (veshalom) = en vrede | וָשֶׁ֛קֶט (vasheqet) = en kalmte | אֶתֵּ֥ן (eten) = zal Ik geven | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּיָמָֽיו (beyamav) = in zijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹמֹה (Shelomoh), ‘Salomo’: de naam lijkt op שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’. Dat past bij de woorden ‘vrede en kalmte’ (שָׁלוֹם וָשֶׁקֶט) in dit vers. Voetnoot : אִישׁ מְנוּחָה (ish menuchah), ‘man van rust’: een man die rust heeft en rust brengt. Voetnoot : נוֹלָד (nolad), ‘wordt geboren’: het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd. Zie ook: 2 Sam 12:24–25; 1 Kon 4:20; 1 Kon 5:5; 1 Kon 5:18; Jes 9:5–6 **22:10** Hij zal een huis bouwen voor Mijn naam. Hij zal voor Mij een zoon zijn en Ik zal voor hem een vader zijn. Ik zal de troon van zijn koningschap over Israël voor altijd bevestigen.’ Brontekst: הֽוּא (hu) = hij | יִבְנֶ֥ה (yivne) = zal bouwen | בַ֨יִת֙ (bayit) = een huis | לִשְׁמִ֔י (lishmi) = voor Mijn naam | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | יִהְיֶה (yihye) = zal zijn | לִּ֣י (li) = voor Mij | לְבֵ֔ן (leven) = tot zoon | וַאֲנִי (vaani) = en Ik | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְאָ֑ב (leav) = tot vader | וַהֲכִ֨ינוֹתִ֜י (vahakhinoti) = en Ik zal bevestigen | כִּסֵּ֧א (kise) = de troon van | מַלְכוּת֛וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers lijkt op 2 Sam. 7:13–14. Daar staat de volgorde omgekeerd: eerst ‘Ik zal voor hem een vader zijn’, dan ‘hij zal voor Mij een zoon zijn’. Voetnoot : Hier eindigen de woorden van Yahweh die David aanhaalt. Zie ook: 2 Sam 7:13–14; 1 Kron 17:12–14; Jes 9:6; Zach 6:12–13; Heb 1:5 **22:11** Nu dan, mijn zoon, moge Yahweh met je zijn. Dan zul je slagen en het huis van Yahweh, je Elohim, bouwen, zoals Hij over je heeft gesproken. Brontekst: עַתָּ֣ה (ata) = nu | בְנִ֔י (beni) = mijn zoon | יְהִ֥י (yehi) = moge zijn | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | וְהִצְלַחְתָּ֗ (vehitslachta) = en je zult slagen | וּבָנִ֨יתָ֙ (uvanita) = en je zult bouwen | בֵּ֚ית (beit) = het huis van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij heeft gesproken | עָלֶֽיךָ (aleikha) = over je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 22:16; 1 Kron 28:20; Jes 26:12; Mat 1:23; Mat 28:20 **22:12** Alleen: moge Yahweh je inzicht en begrip geven. Moge Hij je opdracht geven voor Israël, om de wet van Yahweh, je Elohim, te bewaren. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = alleen | יִֽתֶּן (yiten) = moge geven | לְּךָ֤ (lekha) = aan je | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | שֵׂ֣כֶל (sekhel) = inzicht | וּבִינָ֔ה (uvina) = en begrip | וִֽיצַוְּךָ֖ (vitsavekha) = en moge Hij je opdracht geven | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלִשְׁמ֕וֹר (velishmor) = en om te bewaren | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַךְ (ach), ‘alleen’: het woord geeft nadruk op wat David vooral wenst. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijs en voorschrift van Yahweh. Voetnoot Lezing: וִיצַוְּךָ עַל־יִשְׂרָאֵל (vitsavvekha al Yisrael): ‘Hij geeft je opdracht voor Israël’. Het kan ook betekenen ‘Hij stelt je aan over Israël’. Wij volgen de eerste lezing. Zie ook: Spr 14:8; 1 Kon 3:9–12; 2 Kron 1:10; Jak 1:5; 1 Joh 2:3 **22:13** Dan zul je slagen, als je erop let de voorschriften en de rechten te doen die Yahweh aan Mozes voor Israël heeft geboden. Wees sterk en moedig. Wees niet bang en raak niet ontmoedigd. Brontekst: אָ֣ז (az) = dan | תַּצְלִ֔יחַ (tatsliach) = zul je slagen | אִם (im) = als | תִּשְׁמ֗וֹר (tishmor) = je erop let | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחֻקִּ֣ים (hachuqim) = de voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִ֔ים (hamishpatim) = de rechten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | צִוָּ֧ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | חֲזַ֣ק (chazaq) = wees sterk | וֶאֱמָ֔ץ (veemats) = en moedig | אַל (al) = niet | תִּירָ֖א (tira) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחָֽת (techat) = raak ontmoedigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקִּים (chuqqim), ‘voorschriften’, en מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechten’: de wetten van Mozes. Vergelijk Joz. 1:7–9. Voetnoot : חֲזַק וֶאֱמָץ (chazaq veemats), ‘wees sterk en moedig’: dezelfde woorden als in Deut. 31:6 en Joz. 1:9. Zie ook 1 Kron. 28:20. Zie ook: Deut 31:6; Joz 1:6–9; Joz 1:7–9; Joz 1:9; 1 Kron 28:7; 1 Kron 28:20; 1 Kon 2:3; Ef 6:10 **22:14** Zie, in mijn ellende heb ik voor het huis van Yahweh 100.000 talent goud en 1.000.000 talent zilver klaargemaakt. Koper en ijzer zijn er zoveel dat ze niet te wegen zijn. Ook hout en stenen heb ik klaargemaakt. Daaraan kun je nog toevoegen. Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | בְעָנְיִ֜י (beaneyi) = in mijn ellende | הֲכִינ֣וֹתִי (hakhinoti) = heb ik klaargemaakt | לְבֵית (leveit) = voor het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | זָהָ֞ב (zahav) = goud | כִּכָּרִ֤ים (kikarim) = talent | מֵֽאָה (mea) = 100 | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | וְכֶ֗סֶף (vekhesef) = en zilver | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizendtallen | כִּכָּרִ֔ים (kikarim) = talent | וְלַנְּחֹ֤שֶׁת (velanechoshet) = en voor het koper | וְלַבַּרְזֶל֙ (velabarzel) = en voor het ijzer | אֵ֣ין (ein) = zonder | מִשְׁקָ֔ל (mishqal) = gewicht | כִּ֥י (ki) = want | לָרֹ֖ב (larov) = in grote hoeveelheid | הָיָ֑ה (haya) = het was | וְעֵצִ֤ים (veetsim) = en hout | וַאֲבָנִים֙ (vaavanim) = en stenen | הֲכִינ֔וֹתִי (hakhinoti) = heb ik klaargemaakt | וַעֲלֵיהֶ֖ם (vaaleihem) = en daaraan | תּוֹסִֽיף (tosif) = zul je toevoegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֳנִי (oni), ‘ellende’: het woord kan ook ‘nood’ of ‘gebrek’ betekenen. De tekst zegt niet welke nood David bedoelt. Voetnoot : כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: een talent is ongeveer 34 kilo. 100.000 talent goud is dan ongeveer 3.400 ton. 1.000.000 talent zilver is ongeveer 34.000 ton. Dit zijn zeer hoge getallen. In 1 Kron. 29:4 en 29:7 staan andere, lagere getallen. Zie ook: 1 Kron 22:3; 1 Kron 29:4–7; 1 Kron 29:7; 1 Kon 10:14; 2 Kon 25:16; Jer 52:20 **22:15** Je hebt veel werklieden bij je: steenhouwers, bewerkers van steen en hout, en elke bekwame in elk werk. Brontekst: וְעִמְּךָ֤ (veimekha) = en met je | לָרֹב֙ (larov) = in grote hoeveelheid | עֹשֵׂ֣י (osei) = doeners van | מְלָאכָ֔ה (melakha) = werk | חֹצְבִ֕ים (chotsevim) = steenhouwers | וְחָרָשֵׁ֥י (vecharashei) = en bewerkers van | אֶ֖בֶן (even) = steen | וָעֵ֑ץ (vaets) = en hout | וְכָל (vekhal) = en elke | חָכָ֖ם (chakham) = bekwame | בְּכָל (bekhal) = in elk | מְלָאכָֽה (melakha) = werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכָם (chakam), ‘bekwame’: iemand die vaardig is in zijn vak. Zie ook: Ex 28:6; Ex 31:3–5; Ex 35:32; Ex 35:35; 1 Kon 7:14 **22:16** Aan het goud, het zilver, het koper en het ijzer is geen getal. Sta op en doe het. Moge Yahweh met je zijn.” Brontekst: לַזָּהָ֥ב (lazahav) = aan het goud | לַכֶּ֛סֶף (lakesef) = aan het zilver | וְלַנְּחֹ֥שֶׁת (velanechoshet) = en aan het koper | וְלַבַּרְזֶ֖ל (velabarzel) = en aan het ijzer | אֵ֣ין (ein) = zonder | מִסְפָּ֑ר (mispar) = getal | ק֣וּם (qum) = sta op | וַעֲשֵׂ֔ה (vaase) = en doe | וִיהִ֥י (vihi) = en moge zijn | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:9; 1 Kron 22:11; 1 Kor 15:58; Ef 5:14; Fil 4:13 ### David geeft de leiders opdracht **22:17** David gaf opdracht aan alle leiders van Israël om zijn zoon Salomo te helpen: Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en gebood | דָּוִיד֙ (david) = David | לְכָל (lekhal) = aan alle | שָׂרֵ֣י (sarei) = leiders van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לַעְזֹ֖ר (lazor) = om te helpen | לִשְׁלֹמֹ֥ה (lishlomo) = Salomo | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 28:1–6; 1 Kron 29:6; Rom 16:2–3; Fil 4:3; 3 Joh 1:8 **22:18** „Is Yahweh, jullie Elohim, niet met jullie? Heeft Hij jullie niet rust gegeven rondom? Want Hij heeft de bewoners van het land in mijn hand gegeven. Het land is onderworpen voor het aangezicht van Yahweh en voor het aangezicht van Zijn volk. Brontekst: הֲלֹ֨א (halo) = is niet | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | וְהֵנִ֥יחַ (veheniach) = en heeft rust gegeven | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = rondom | כִּ֣י (ki) = want | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | בְּיָדִ֗י (beyadi) = in mijn hand | אֵ֚ת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de bewoners van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְנִכְבְּשָׁ֥ה (venikhbesha) = en onderworpen is | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor het aangezicht van | עַמּֽוֹ (amo) = Zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִכְבְּשָׁה הָאָרֶץ (venikhbeshah haarets), ‘het land is onderworpen’: het land is door Israël in bezit genomen. Vergelijk Num. 32:22. Zie ook: Num 32:22; 2 Sam 7:1; 1 Kron 22:9; 1 Kron 23:25; Ps 44:2–6; Rom 8:31 **22:19** Richt nu jullie hart en jullie ziel erop Yahweh, jullie Elohim, te zoeken. Sta op en bouw het heiligdom van Yahweh, de Elohim. Breng de ark van het verbond van Yahweh en de heilige voorwerpen van Elohim naar het huis dat voor de naam van Yahweh gebouwd wordt.” Brontekst: עַתָּ֗ה (ata) = nu | תְּנ֤וּ (tenu) = geef | לְבַבְכֶם֙ (levavkhem) = jullie hart | וְנַפְשְׁכֶ֔ם (venafshekhem) = en jullie ziel | לִדְר֖וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְק֗וּמוּ (vequmu) = en sta op | וּבְנוּ֙ (uvenu) = en bouw | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדַּשׁ֙ (miqdash) = het heiligdom van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | לְהָבִ֞יא (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּכְלֵי֙ (ukhelei) = en de voorwerpen van | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heiligheid van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | לַבַּ֖יִת (labayit) = naar het huis | הַנִּבְנֶ֥ה (hanivne) = dat gebouwd wordt | לְשֵׁם (leshem) = voor de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: de plaats die voor Yahweh apart is gezet. Voetnoot : לְהָבִיא (lehavi), ‘om te brengen’: een doelwoord dat hier de opdracht voortzet. Wij vertalen ‘Breng’. Voetnoot : אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘de ark van het verbond van Yahweh’. Voetnoot : כְּלֵי קֹדֶשׁ (khele qodesh), ‘heilige voorwerpen’: de voorwerpen van de tent en van de dienst. Zie ook: Deut 4:29; 1 Kron 16:11; 1 Kron 22:7; 1 Kron 28:9; Ps 27:4 ## 1 Kronieken 23 _David telt en verdeelt de Levieten_ ### David maakt Salomo koning en telt de Levieten **23:1** David was oud en verzadigd van dagen. Hij maakte zijn zoon Salomo koning over Israël. Brontekst: וְדָוִ֥יד (vedavid) = en David | זָקֵ֖ן (zaqen) = oud | וְשָׂבַ֣ע (vesava) = en verzadigd | יָמִ֑ים (yamim) = van dagen | וַיַּמְלֵ֛ךְ (vayamlekh) = en maakte koning | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלֹמֹ֥ה (shelomo) = Salomo | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשָׂבַע יָמִים (vesavah yamim), ‘verzadigd van dagen’: een lang en vol leven. Vergelijk Gen. 35:29. Voetnoot : הַמְלִיךְ (himlich), ‘koning maken’: David maakt Salomo nog tijdens zijn leven koning. Zie ook: Gen 35:29; 1 Kron 28:5; 1 Kron 29:22–25; 1 Kron 29:28; 1 Kon 1:1; 1 Kon 1:33–39 **23:2** Hij verzamelde alle leiders van Israël, de priesters en de Levieten. Brontekst: וַיֶּאֱסֹף֙ (vayeesof) = en verzamelde | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֣י (sarei) = leiders van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהַכֹּהֲנִ֖ים (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּֽם (vehalviyim) = en de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 23:2; Joz 24:1; 1 Kron 13:1; 1 Kron 28:1; 2 Kron 34:29–30 **23:3** De Levieten werden geteld, van 30 jaar en ouder. Hun aantal, per hoofd van de mannen, was 38.000. Brontekst: וַיִּסָּֽפְרוּ֙ (vayisaferu) = en werden geteld | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | מִבֶּ֛ן (miben) = van een zoon van | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = 30 | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en daarboven | וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | מִסְפָּרָ֤ם (misparam) = hun aantal | לְגֻלְגְּלֹתָם֙ (legulgelotam) = per hoofd | לִגְבָרִ֔ים (ligvarim) = van de mannen | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = 30 | וּשְׁמוֹנָ֖ה (ushemona) = en 8 | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְגֻלְגְּלֹתָם (legulgelotam), ‘per hoofd’: het woord betekent letterlijk ‘naar hun schedels’. Zo staat het ook in Num. 1:2. Voetnoot : In Num. 4:3 worden de Levieten geteld van 30 tot 50 jaar. In vers 24 en 27 staat een telling vanaf 20 jaar, en Num. 8:24 noemt 25 jaar. Wij vertalen wat er staat. Voetnoot : De getallen in vers 3–5 tellen op: 24.000 + 6.000 + 4.000 + 4.000 = 38.000. Zie ook: Num 1:2; Num 4:2–49; Num 4:3; Num 8:24; 1 Kron 23:24; 1 Kron 23:27 **23:4** Hiervan waren er 24.000 om toezicht te houden op het werk aan het huis van Yahweh. 6.000 waren opzichters en rechters. Brontekst: מֵאֵ֗לֶּה (meele) = van deze | לְנַצֵּ֨חַ֙ (lenatseach) = om toezicht te houden | עַל (al) = over | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = het werk van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = 20 | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en 4 | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וְשֹׁטְרִ֥ים (veshoterim) = en opzichters | וְשֹׁפְטִ֖ים (veshofetim) = en rechters | שֵׁ֥שֶׁת (sheshet) = 6 | אֲלָפִֽים (alafim) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in Exod. 5:6. Zie ook: Ex 5:6; Deut 16:18; 1 Kron 9:28–32; 1 Kron 26:29–31; 2 Kron 19:8; Neh 11:9 **23:5** 4.000 waren poortwachters. 4.000 loofden Yahweh met de instrumenten die ik heb gemaakt om te loven. Brontekst: וְאַרְבַּ֥עַת (vearbaat) = en 4 | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | שֹׁעֲרִ֑ים (shoarim) = poortwachters | וְאַרְבַּ֤עַת (vearbaat) = en 4 | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | מְהַֽלְלִ֣ים (mehallim) = lovers | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | בַּכֵּלִ֕ים (bakelim) = met de instrumenten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = ik heb gemaakt | לְהַלֵּֽל (lehalel) = om te loven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst heeft hier geen aanhalingstekens, maar ‘die ik heb gemaakt’ klinkt als David zelf. Wij vertalen letterlijk en laten de lezer de spreker herkennen. Zie ook: 1 Kron 9:17–27; Ps 87:7; 2 Kron 8:14; 2 Kron 29:25–26; Amos 6:5 ### De afdelingen van de Levieten **23:6** David verdeelde hen in afdelingen naar de zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari. Brontekst: וַיֶּֽחָלְקֵ֥ם (vayechaleqem) = en verdeelde hen | דָּוִ֖יד (david) = David | מַחְלְק֑וֹת (machleqot) = in afdelingen | לִבְנֵ֣י (livnei) = naar de zonen van | לֵוִ֔י (levi) = Levi | לְגֵרְשׁ֖וֹן (legereshon) = naar Gersjon | קְהָ֥ת (qehat) = Kehat | וּמְרָרִֽי (umerari) = en Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: groepen die om beurten dienst doen. Het woord komt ook voor bij de priesters in 1 Kron. 24:1. Voetnoot : Gersjon is de zoon van Levi (Exod. 6:16). Hij is niet dezelfde als Gersom, de zoon van Mozes (vers 15). Zie ook: Ex 6:16; 1 Kron 5:27; 1 Kron 6:1; 1 Kron 23:15; 1 Kron 24:1; 2 Kron 8:14; 2 Kron 29:25; Ezra 6:18 ### De Gersjonieten **23:7** Van de Gersjonieten: Ladan en Simi. Brontekst: לַגֵּרְשֻׁנִּ֖י (lagereshuni) = van de Gersjoniet | לַעְדָּ֥ן (ladan) = Ladan | וְשִׁמְעִֽי (veshimi) = en Simi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַעְדָּן (Laädan), ‘Ladan’: in Exod. 6:17 en Num. 3:18 heet de eerste zoon van Gersjon Libni. De namen verschillen, ook in het Hebreeuws. Zie ook: Ex 6:17; Num 3:18; 1 Kron 6:2–5; 1 Kron 15:7; 1 Kron 26:21 **23:8** De zonen van Ladan: Jechiël, het hoofd, Zetam en Joël. In totaal drie. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | לַעְדָּ֗ן (ladan) = Ladan | הָרֹ֧אשׁ (harosh) = het hoofd | יְחִיאֵ֛ל (yechiel) = Jechiël | וְזֵתָ֥ם (vezetam) = en Zetam | וְיוֹאֵ֖ל (veyoel) = en Joël | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 6:18–19; 1 Kron 15:7; 1 Kron 15:11; 1 Kron 15:17–18; 1 Kron 15:20–21 **23:9** De zonen van Simi: Sjelomit, Chaziël en Haran. In totaal drie. Dit zijn de familiehoofden van Ladan. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שִׁמְעִ֗י (shimi) = Simi | שְׁלוֹמִ֧ית (shelomit) = Sjelomit | וַחֲזִיאֵ֛ל (vachaziel) = en Chaziël | וְהָרָ֖ן (veharan) = en Haran | שְׁלֹשָׁ֑ה (shelosha) = drie | אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | רָאשֵׁ֥י (rashei) = de hoofden van | הָאָב֖וֹת (haavot) = de vaders | לְלַעְדָּֽן (leladan) = van Ladan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In vers 7 is Simi een zoon van Gersjon en dus een broer van Ladan. Hier staan zijn zonen bij de familiehoofden van Ladan. De tekst zegt niet of het om dezelfde Simi gaat of om een andere man met dezelfde naam. Vers 10 noemt opnieuw vier zonen van Simi. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat שְׁלֹמוֹת (Sjelomot). In de gelezen tekst (qere) staat שְׁלוֹמִית (Sjelomit). Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kron 23:7; 1 Kron 23:10 **23:10** De zonen van Simi: Jachat, Zina, Jeüs en Beria. Dit zijn de zonen van Simi, in totaal vier. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | שִׁמְעִ֔י (shimi) = Simi | יַ֣חַת (yachat) = Jachat | זִינָ֔א (zina) = Zina | וִיע֖וּשׁ (viush) = en Jeüs | וּבְרִיעָ֑ה (uveria) = en Beria | אֵ֥לֶּה (ele) = dit zijn | בְנֵי (benei) = de zonen van | שִׁמְעִ֖י (shimi) = Simi | אַרְבָּעָֽה (arbaa) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִינָא (Zina): in vers 11 staat dezelfde man als זִיזָה (Zizah). Wij houden beide spellingen. Zie ook: 1 Kron 23:11 **23:11** Jachat was het hoofd en Zizah de tweede. Jeüs en Beria kregen niet veel zonen. Zij werden één vaderhuis, voor één telling. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en het was | יַ֣חַת (yachat) = Jachat | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | וְזִיזָ֖ה (veziza) = en Zizah | הַשֵּׁנִ֑י (hasheni) = de tweede | וִיע֤וּשׁ (viush) = en Jeüs | וּבְרִיעָה֙ (uveria) = en Beria | לֹֽא (lo) = niet | הִרְבּ֣וּ (hirbu) = kregen veel | בָנִ֔ים (banim) = zonen | וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en zij werden | לְבֵ֣ית (leveit) = tot een huis van | אָ֔ב (av) = een vader | לִפְקֻדָּ֖ה (lifquda) = tot een telling | אֶחָֽת (echat) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית אָב (bet av), ‘vaderhuis’: een familie onder één vader. Jeüs en Beria hadden te weinig zonen en werden daarom samen als één vaderhuis geteld. ### De Kehatieten **23:12** De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. In totaal vier. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | קְהָ֗ת (qehat) = Kehat | עַמְרָ֥ם (amram) = Amram | יִצְהָ֛ר (yitshar) = Jishar | חֶבְר֥וֹן (chevron) = Hebron | וְעֻזִּיאֵ֖ל (veuziel) = en Uzziël | אַרְבָּעָֽה (arbaa) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vier zonen van Kehat zijn dezelfde als in Exod. 6:18. Zie ook: Ex 6:18; Num 3:27; Num 26:58; 1 Kron 5:28 **23:13** De zonen van Amram: Aäron en Mozes. Aäron werd afgezonderd om geheiligd te worden als hoogheilig, hij en zijn zonen, voor altijd. Zij moesten voor het aangezicht van Yahweh offerrook laten opgaan, Hem dienen en in Zijn naam zegenen, voor altijd. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמְרָ֖ם (amram) = Amram | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | וּמֹשֶׁ֑ה (umoshe) = en Mozes | וַיִּבָּדֵ֣ל (vayibadel) = en werd afgezonderd | אַהֲרֹ֡ן (aharon) = Aäron | לְֽהַקְדִּישׁוֹ֩ (lehaqdisho) = om hem te heiligen | קֹ֨דֶשׁ (qodesh) = als heilig van | קָֽדָשִׁ֤ים (qadashim) = hoogheilig | הֽוּא (hu) = hij | וּבָנָיו֙ (uvanav) = en zijn zonen | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֔ם (olam) = altijd | לְהַקְטִיר֩ (lehaqtir) = om offerrook te laten opgaan | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | לְשָׁרְת֛וֹ (leshareto) = om Hem te dienen | וּלְבָרֵ֥ךְ (ulevarekh) = en om te zegenen | בִּשְׁמ֖וֹ (bishmo) = in Zijn naam | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהַקְטִיר (lehaqtir), ‘offerrook laten opgaan’: het werkwoord betekent ‘in rook laten opgaan’. De tekst noemt geen voorwerp; het kan om offers of wierook gaan. Voetnoot Lezing: לְהַקְדִּישׁוֹ קֹדֶשׁ קָדָשִׁים (lehaqdisho qodesh qodashim): ‘om hem te heiligen als hoogheilig’. Het kan ook betekenen ‘om het hoogheilige te heiligen’. Wij lezen ‘hem’ als Aäron. Zie ook Num. 3:10 en Num. 6:23–27 voor het zegenen in Yahweh’s naam. Zie ook: Ex 6:20; Ex 30:6–10; Lev 17:2–6; Num 3:10; Num 6:23–27; Deut 21:5; 1 Sam 2:28 **23:14** Mozes, de man van Elohim: zijn zonen werden gerekend tot de stam Levi. Brontekst: וּמֹשֶׁ֖ה (umoshe) = en Mozes | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | בָּנָ֕יו (banav) = zijn zonen | יִקָּרְא֖וּ (yiqareu) = werden genoemd | עַל (al) = onder | שֵׁ֥בֶט (shevet) = de stam van | הַלֵּוִֽי (halevi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: zo wordt Mozes ook genoemd in Deut. 33:1. Zie ook: Deut 33:1; 1 Kron 26:23–25; Ps 90:1 **23:15** De zonen van Mozes: Gersom en Eliëzer. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | גֵּרְשֹׁ֖ם (gereshom) = Gersom | וֶאֱלִיעֶֽזֶר (veeliezer) = en Eliëzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרְשֹׁם (Gershom), ‘Gersom’: de eerste zoon van Mozes (Exod. 2:22). Eliëzer is de tweede (Exod. 18:4). Zie ook: Ex 2:22; Ex 4:20; Ex 18:3–4; Ex 18:4 **23:16** De zonen van Gersom: Sjebuël, het hoofd. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גֵרְשׁ֖וֹם (gereshom) = Gersom | שְׁבוּאֵ֥ל (shevuel) = Sjebuël | הָרֹֽאשׁ (harosh) = het hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבוּאֵל (Shevuel), ‘Sjebuël’: in 1 Kron. 24:20 staat dezelfde man als שׁוּבָאֵל (Shuvael), onder de zonen van Amram. Wij schrijven beide keren ‘Sjebuël’. Zie ook: 1 Kron 24:20; 1 Kron 25:20; 1 Kron 26:24 **23:17** De zonen van Eliëzer waren: Rechabja, het hoofd. Eliëzer had geen andere zonen. Maar de zonen van Rechabja werden zeer talrijk. Brontekst: וַיִּֽהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = de zonen van | אֱלִיעֶ֖זֶר (eliezer) = Eliëzer | רְחַבְיָ֣ה (rechavya) = Rechabja | הָרֹ֑אשׁ (harosh) = het hoofd | וְלֹא (velo) = en niet | הָיָ֤ה (haya) = waren | לֶאֱלִיעֶ֨זֶר֙ (leeliezer) = voor Eliëzer | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | רְחַבְיָ֖ה (rechavya) = Rechabja | רָב֥וּ (ravu) = werden talrijk | לְמָֽעְלָה (lemaela) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 26:25 **23:18** De zonen van Jishar: Sjelomit, het hoofd. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִצְהָ֖ר (yitshar) = Jishar | שְׁלֹמִ֥ית (shelomit) = Sjelomit | הָרֹֽאשׁ (harosh) = het hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹמִית (Shelomit), ‘Sjelomit’: deze Sjelomit hoort bij de Kehatieten (Jishar). De Sjelomit van vers 9 hoort bij de Gersjonieten. Zie ook: 1 Kron 23:9; 1 Kron 24:22; 1 Kron 26:26 **23:19** De zonen van Hebron: Jeria, het hoofd, Amarja, de tweede, Jachaziël, de derde, en Jekameam, de vierde. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | חֶבְר֑וֹן (chevron) = Hebron | יְרִיָּ֤הוּ (yeriyahu) = Jeria | הָרֹאשׁ֙ (harosh) = het hoofd | אֲמַרְיָ֣ה (amarya) = Amarja | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | יַחֲזִיאֵל֙ (yachaziel) = Jachaziël | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | וִֽיקַמְעָ֖ם (viqamam) = en Jekameam | הָרְבִיעִֽי (harevii) = de vierde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 15:9; 1 Kron 23:12; 1 Kron 24:23 **23:20** De zonen van Uzziël: Micha, het hoofd, en Jisjia, de tweede. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | עֻזִּיאֵ֑ל (uziel) = Uzziël | מִיכָ֣ה (mikha) = Micha | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | וְיִשִּׁיָּ֖ה (veyishiya) = en Jisjia | הַשֵּׁנִֽי (hasheni) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De Merarieten **23:21** De zonen van Merari: Machli en Musji. De zonen van Machli: Eleazar en Kis. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | מְרָרִי֙ (merari) = Merari | מַחְלִ֣י (machli) = Machli | וּמוּשִׁ֔י (umushi) = en Musji | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | מַחְלִ֖י (machli) = Machli | אֶלְעָזָ֥ר (elazar) = Eleazar | וְקִֽישׁ (veqish) = en Kis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Merari, Machli en Musji, staan ook in Exod. 6:19. Zie ook: Ex 6:19; 1 Kron 6:5; 1 Kron 6:15; 1 Kron 23:6; 1 Kron 24:26–30 **23:22** Eleazar stierf. Hij had geen zonen, alleen dochters. De zonen van Kis, hun broers, namen hen tot vrouw. Brontekst: וַיָּ֨מָת֙ (vayamat) = en stierf | אֶלְעָזָ֔ר (elazar) = Eleazar | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יוּ (hayu) = waren | ל֛וֹ (lo) = aan hem | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בָּנ֑וֹת (banot) = dochters | וַיִּשָּׂא֥וּם (vayisaum) = en namen hen | בְּנֵי (benei) = de zonen van | קִ֖ישׁ (qish) = Kis | אֲחֵיהֶֽם (acheihem) = hun broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשָּׂאוּם (vayissa'um), ‘zij namen hen’: het werkwoord betekent ‘dragen’; met een vrouw als voorwerp betekent het ‘tot vrouw nemen’. Vergelijk Ruth 1:4. Voetnoot : De dochters trouwen met neven aan vaderskant, zodat het erfdeel in de stam blijft. Vergelijk Num. 36:11. Zie ook: Num 36:6–8; Num 36:11; Ruth 1:4; 1 Kron 24:28 **23:23** De zonen van Musji: Machli, Eder en Jeremot. In totaal drie. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מוּשִׁ֗י (mushi) = Musji | מַחְלִ֥י (machli) = Machli | וְעֵ֛דֶר (veeder) = en Eder | וִירֵמ֖וֹת (viremot) = en Jeremot | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:30 ### De taak van de Levieten **23:24** Dit zijn de zonen van Levi, naar hun vaderhuizen, de familiehoofden. Zij werden geteld naar het aantal van de namen, per hoofd. Dat waren ieder die het werk deed voor de dienst van het huis van Yahweh, van 20 jaar en ouder. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | לֵוִי֩ (levi) = Levi | לְבֵ֨ית (leveit) = naar het huis van | אֲבֹתֵיהֶ֜ם (avoteihem) = hun vaders | רָאשֵׁ֧י (rashei) = de hoofden van | הָאָב֣וֹת (haavot) = de vaders | לִפְקוּדֵיהֶ֗ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | בְּמִסְפַּ֤ר (bemispar) = naar het aantal van | שֵׁמוֹת֙ (shemot) = namen | לְגֻלְגְּלֹתָ֔ם (legulgelotam) = per hoofd | עֹשֵׂה֙ (ose) = doener van | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | לַעֲבֹדַ֖ת (laavodat) = voor de dienst van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִבֶּ֛ן (miben) = van een zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = 20 | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וָמָֽעְלָה (vamaela) = en daarboven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמִסְפַּר שֵׁמוֹת (bemispar shemot), ‘naar het aantal van de namen’: zoals in Num. 1:2. Voetnoot : עֹשֵׂה הַמְּלָאכָה (oseh hamelakhah), ‘ieder die het werk deed’: het woord staat in het enkelvoud. Zie ook: Num 1:2; Num 4:3; Num 10:17; Num 10:21; 1 Kron 23:3; Ezra 3:8 **23:25** Want David had gezegd: „Yahweh, de Elohim van Israël, heeft Zijn volk rust gegeven. Hij woont in Jeruzalem voor altijd.” Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = zei | דָּוִ֔יד (david) = David | הֵנִ֛יחַ (heniach) = heeft rust gegeven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְעַמּ֑וֹ (leamo) = aan Zijn volk | וַיִּשְׁכֹּ֥ן (vayishkon) = en Hij woont | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | עַד (ad) = tot | לְעוֹלָֽם (leolam) = altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁכֹּן (vayishkon), ‘Hij woont’: dit woord hoort bij מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’. Yahweh woont nu in Jeruzalem; daarom hoeft de tabernakel niet meer gedragen te worden (vers 26). Zie ook: 2 Sam 7:1; 2 Sam 7:11; 1 Kron 22:18; 1 Kron 23:26; Ps 132:13–14; Ps 135:21 **23:26** Ook hoeven de Levieten de tabernakel en al zijn voorwerpen niet te dragen voor de dienst ervan. Brontekst: וְגַ֖ם (vegam) = en ook | לַלְוִיִּ֑ם (lalviyim) = voor de Levieten | אֵין (ein) = er is niet | לָשֵׂ֧את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כֵּלָ֖יו (kelav) = zijn voorwerpen | לַעֲבֹדָתֽוֹ (laavodato) = voor zijn dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Num. 4:15 en 7:9 dragen de Kehatieten het heilige. Zie ook Num. 3:8. Zie ook: Num 3:8; Num 4:5; Num 4:15; Num 4:49; Num 7:9; Deut 10:8 **23:27** Want volgens de laatste woorden van David is dit het aantal van de zonen van Levi, van 20 jaar en ouder. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בְדִבְרֵ֤י (bedivrei) = volgens de woorden van | דָוִיד֙ (david) = David | הָאַ֣חֲרֹנִ֔ים (haacharonim) = de laatste | הֵ֖מָּה (hema) = zij | מִסְפַּ֣ר (mispar) = het aantal van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | מִבֶּ֛ן (miben) = van een zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = 20 | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּלְמָֽעְלָה (ulemaela) = en daarboven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי דָוִיד הָאַחֲרֹנִים (divre David haacharonim), ‘de laatste woorden van David’: dezelfde woorden staan in 2 Sam. 23:1. Hier gaat het om een bevel van David aan het eind van zijn leven. Voetnoot : De leeftijd van 20 jaar verschilt van vers 3 (30 jaar). Wij vertalen wat er staat. Zie ook: 2 Sam 23:1; 1 Kron 23:3; 1 Kron 23:24; Ps 72:20 **23:28** Want hun plaats is aan de zijde van de zonen van Aäron, voor de dienst van het huis van Yahweh. Zij zijn over de voorhoven, over de kamers en over de reiniging van alles wat heilig is. Ook doen zij het werk van de dienst van het huis van Elohim. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מַעֲמָדָ֞ם (maamadam) = hun plaats | לְיַד (leyad) = aan de zijde van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | לַעֲבֹדַת֙ (laavodat) = voor de dienst van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | הַחֲצֵרוֹת֙ (hachatserot) = de voorhoven | וְעַל (veal) = en over | הַלְּשָׁכ֔וֹת (haleshakhot) = de kamers | וְעַֽל (veal) = en over | טָהֳרַ֖ת (tahorat) = de reiniging van | לְכָל (lekhal) = alles wat | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heilig is | וּמַֽעֲשֵׂ֔ה (umaase) = en het werk van | עֲבֹדַ֖ת (avodat) = de dienst van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְיַד (leyad), ‘aan de zijde van’: letterlijk ‘aan de hand van’. Het kan betekenen ‘naast’ of ‘onder leiding van’. Voetnoot : לְשָׁכוֹת (leshakhot), ‘kamers’: de vertrekken rond het huis. Voetnoot : טָהֳרָה (tohorah), ‘reiniging’: het schoon en rein maken van het heilige. Zie ook: 1 Kon 6:5; 2 Kron 31:11; 2 Kron 35:3–6; 2 Kron 35:11–14; Neh 13:9 **23:29** Zij zijn ook over het toonbrood, over het fijne meel voor het graanoffer, over de ongezuurde wafels, over de bakplaat en over het gemengde deeg. Zij zijn ook over elke inhoudsmaat en elke maat. Brontekst: וּלְלֶ֨חֶם (ulelechem) = en over het brood van | הַֽמַּעֲרֶ֜כֶת (hamaarekhet) = de schikking | וּלְסֹ֤לֶת (ulesolet) = en over het fijne meel | לְמִנְחָה֙ (lemincha) = voor het graanoffer | וְלִרְקִיקֵ֣י (velirqiqei) = en over de wafels van | הַמַּצּ֔וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | וְלַֽמַּחֲבַ֖ת (velamachavat) = en over de bakplaat | וְלַמֻּרְבָּ֑כֶת (velamurbakhet) = en over het gemengde deeg | וּלְכָל (ulekhal) = en over elke | מְשׂוּרָ֖ה (mesura) = inhoudsmaat | וּמִדָּֽה (umida) = en maat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם הַמַּעֲרֶכֶת (lechem hamaarekhet), ‘brood van de rijen’: dit is het toonbrood, dat in rijen op de tafel ligt. Zie Lev. 24:5–8. Voetnoot : מַחֲבַת (machavat), ‘bakplaat’, en מֻרְבֶּכֶת (murbekhet), ‘gemengd’: zoals in Lev. 6:14 en Lev. 2:5. רְקִיקֵי (reqiqe), ‘wafels’: zoals in Lev. 2:4. Voetnoot : מְשׂוּרָה (mesurah), ‘inhoudsmaat’, en מִדָּה (middah), ‘maat’: zoals in Lev. 19:35. Zie ook: Ex 25:30; Lev 2:4–7; Lev 2:5; Lev 6:13–16; Lev 6:14; Lev 19:35–36; Lev 24:5–9 **23:30** Elke morgen staan zij klaar om Yahweh te danken en te loven, en zo ook ’s avonds. Brontekst: וְלַעֲמֹד֙ (velaamod) = en om te staan | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = in de morgen | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | לְהֹד֥וֹת (lehodot) = om te danken | וּלְהַלֵּ֖ל (ulehalel) = en om te loven | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = Yahweh | וְכֵ֖ן (vekhen) = en zo | לָעָֽרֶב (laarev) = in de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:33; Ps 92:2–4; Ps 137:2–4; Ezra 3:10–11; Openb 14:3 **23:31** Ook bij alle brandoffers voor Yahweh staan zij klaar: op de sabbatten, bij de nieuwe manen en op de vastgestelde tijden. Zij doen dat in het aantal dat voor hen het recht is, voortdurend voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וּלְכֹ֨ל (ulekhol) = en bij alle | הַעֲל֤וֹת (haalot) = het laten opgaan van | עֹלוֹת֙ (olot) = brandoffers | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | לַשַּׁבָּת֔וֹת (lashabatot) = op de sabbatten | לֶחֳדָשִׁ֖ים (lechodashim) = op de nieuwe manen | וְלַמֹּעֲדִ֑ים (velamoadim) = en op de vastgestelde tijden | בְּמִסְפָּ֨ר (bemispar) = in aantal | כְּמִשְׁפָּ֧ט (kemishpat) = volgens het recht | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = dat voor hen geldt | תָּמִ֖יד (tamid) = voortdurend | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֳדָשִׁים (chodashim), ‘maanden’: de eerste dag van de maand, de nieuwe maan. Zie Num. 28:11. Voetnoot : מוֹעֲדִים (moadim), ‘vastgestelde tijden’: de feesten. Zie Num. 28:2. Zie ook: Lev 23:1–17; Lev 23:24; Lev 23:39; Num 28:1–29; Num 28:2; Num 28:11; Jes 1:13–14 **23:32** Zij houden de wacht van de tent van samenkomst en de wacht van het heilige. Ook houden zij de wacht van de zonen van Aäron, hun broers, voor de dienst van het huis van Yahweh. Brontekst: וְשָׁמְר֞וּ (veshameru) = en zij houden | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = de wacht van | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֗ד (moed) = samenkomst | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = de wacht van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וּמִשְׁמֶ֕רֶת (umishmeret) = en de wacht van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | אֲחֵיהֶ֑ם (acheihem) = hun broers | לַעֲבֹדַ֖ת (laavodat) = voor de dienst van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: het houden van de wacht en het zorgen voor wat aan je is toevertrouwd. Zie Num. 3:7–8 en 3:28. Zie ook: Num 1:53; Num 3:6–9; Num 3:7–8; Num 3:28; Num 3:38; 1 Kron 9:27; 1 Kon 8:4 ## 1 Kronieken 24 _De 24 afdelingen van de priesters en de overige Levieten_ ### De zonen van Aäron en hun afdelingen **24:1** Dit zijn de afdelingen van de zonen van Aäron. De zonen van Aäron: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. Brontekst: וְלִבְנֵ֥י (velivnei) = en voor de zonen van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | מַחְלְקוֹתָ֑ם (machleqotam) = hun afdelingen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | נָדָב֙ (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֔וּא (vaavihu) = en Abihu | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | וְאִיתָמָֽר (veitamar) = en Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: groepen die om beurten dienst doen, zoals bij de Levieten in 1 Kron. 23:6. Voetnoot : De vier zonen van Aäron staan ook in Exod. 6:23. Zie ook: Ex 6:23; Num 3:2; Num 26:60; 1 Kron 5:29; 1 Kron 23:6 **24:2** Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van hun vader. Zij hadden geen zonen. Eleazar en Itamar dienden als priester. Brontekst: וַיָּ֨מָת (vayamat) = en stierf | נָדָ֤ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִיהוּא֙ (vaavihu) = en Abihu | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | וּבָנִ֖ים (uvanim) = en zonen | לֹא (lo) = niet | הָי֣וּ (hayu) = waren | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | וַֽיְכַהֲנ֔וּ (vaykhahanu) = en dienden als priester | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | וְאִיתָמָֽר (veitamar) = en Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nadab en Abihu stierven toen zij vreemd vuur brachten (Lev. 10:1–2). Dat zij geen zonen hadden, staat ook in Num. 3:4. Voetnoot : וַיְכַהֲנוּ (vaykhahanu), ‘dienden als priester’: alleen Eleazar en Itamar zetten het priesterschap voort. Zie ook: Ex 24:1; Lev 10:1–2; Lev 10:2; Num 3:4; Num 17:4–5; Num 26:61 **24:3** David en Zadok, van de zonen van Eleazar, en Achimelech, van de zonen van Itamar, verdeelden hen naar hun taak in hun dienst. Brontekst: וַיֶּֽחָלְקֵ֣ם (vayechaleqem) = en verdeelde hen | דָּוִ֔יד (david) = David | וְצָדוֹק֙ (vetsadoq) = en Zadok | מִן (min) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אֶלְעָזָ֔ר (elazar) = Eleazar | וַאֲחִימֶ֖לֶךְ (vaachimelekh) = en Achimelech | מִן (min) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אִיתָמָ֑ר (itamar) = Itamar | לִפְקֻדָּתָ֖ם (lifqudatam) = naar hun taak | בַּעֲבֹדָתָֽם (baavodatam) = in hun dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zadok hoort bij de zonen van Eleazar, Achimelech bij de zonen van Itamar. Achimelech heet hier de zoon van Abjatar (vers 6). Zo staat het ook in 2 Sam. 8:17. Voetnoot : פְּקֻדָּה (pequddah), ‘taak’: hetzelfde woord betekent ook ‘telling’ of ‘aanstelling’. Zie ook: 1 Sam 21:2; 2 Sam 8:17; 1 Kron 5:30–34; 1 Kron 15:11; 1 Kron 24:6; 1 Kron 24:31 **24:4** Bij de zonen van Eleazar werden meer hoofden van de mannen gevonden dan bij de zonen van Itamar. Zij verdeelden hen zo: 16 hoofden van vaderhuizen voor de zonen van Eleazar, en voor de zonen van Itamar, naar hun vaderhuizen, 8. Brontekst: וַיִּמָּצְא֣וּ (vayimatseu) = en werden gevonden | בְֽנֵי (benei) = de zonen van | אֶלְעָזָ֡ר (elazar) = Eleazar | רַבִּ֞ים (rabim) = meer | לְרָאשֵׁ֧י (lerashei) = als hoofden van | הַגְּבָרִ֛ים (hagevarim) = de mannen | מִן (min) = dan | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אִיתָמָ֖ר (itamar) = Itamar | וַֽיַּחְלְק֑וּם (vayachlequm) = en zij verdeelden hen | לִבְנֵ֨י (livnei) = voor de zonen van | אֶלְעָזָ֜ר (elazar) = Eleazar | רָאשִׁ֤ים (rashim) = hoofden | לְבֵית (leveit) = van het huis van | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | שִׁשָּׁ֣ה (shisha) = zes | עָשָׂ֔ר (asar) = tien | וְלִבְנֵ֧י (velivnei) = en voor de zonen van | אִיתָמָ֛ר (itamar) = Itamar | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het huis van | אֲבוֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | שְׁמוֹנָֽה (shemona) = acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 16 + 8 = 24 afdelingen. Dat zijn de afdelingen van de verzen 7–18. Voetnoot : בֵּית אָב (bet av), ‘vaderhuis’: zoals in 1 Kron. 23:11. Zie ook: Num 25:11–13; 1 Kron 15:6–12; 1 Kron 23:11; 1 Kron 23:24 **24:5** Zij verdeelden hen door loten, de een met de ander. Want er waren leiders van het heiligdom en leiders van Elohim, zowel onder de zonen van Eleazar als onder de zonen van Itamar. Brontekst: וַיַּחְלְק֥וּם (vayachlequm) = en zij verdeelden hen | בְּגוֹרָל֖וֹת (begoralot) = door loten | אֵ֣לֶּה (ele) = deze | עִם (im) = met | אֵ֑לֶּה (ele) = die | כִּי (ki) = want | הָי֤וּ (hayu) = waren | שָֽׂרֵי (sarei) = leiders van | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = het heiligdom | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en leiders van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | וּבִבְנֵ֥י (uvivnei) = en van de zonen van | אִיתָמָֽר (itamar) = Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרֵי קֹדֶשׁ וְשָׂרֵי הָאֱלֹהִים (sare qodesh vesare haElohim), ‘leiders van het heiligdom en leiders van Elohim’: beide families hadden mannen die leiding gaven. Daarom verdeelden zij de afdelingen door te loten. Zie ook: 1 Kron 24:31; Jona 1:7; Neh 11:11; Mat 26:3; Hand 1:26 **24:6** Sjemaja, de zoon van Netanel, de schrijver, een Leviet, schreef hen op. Dat deed hij voor het aangezicht van de koning, de leiders, Zadok de priester, Achimelech de zoon van Abjatar en de familiehoofden van de priesters en van de Levieten. Eén vaderhuis werd gekozen voor Eleazar, en één vaderhuis werd gekozen voor Itamar. Brontekst: וַֽיִּכְתְּבֵ֡ם (vayikhtevem) = en schreef hen op | שְֽׁמַֽעְיָה֩ (shemaya) = Sjemaja | בֶן (ben) = zoon van | נְתַנְאֵ֨ל (netanel) = Netanel | הַסּוֹפֵ֜ר (hasofer) = de schrijver | מִן (min) = uit | הַלֵּוִ֗י (halevi) = de Leviet | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשָּׂרִים֙ (vehasarim) = en de leiders | וְצָד֣וֹק (vetsadoq) = en Zadok | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וַאֲחִימֶ֨לֶךְ֙ (vaachimelekh) = en Achimelech | בֶּן (ben) = zoon van | אֶבְיָתָ֔ר (evyatar) = Abjatar | וְרָאשֵׁי֙ (verashei) = en de hoofden van | הָֽאָב֔וֹת (haavot) = de vaders | לַכֹּהֲנִ֖ים (lakohanim) = van de priesters | וְלַלְוִיִּ֑ם (velalviyim) = en van de Levieten | בֵּֽית (beit) = huis van | אָ֣ב (av) = vader | אֶחָ֗ד (echad) = één | אָחֻז֙ (achuz) = gekozen | לְאֶלְעָזָ֔ר (leelazar) = voor Eleazar | וְאָחֻ֥ז (veachuz) = en gekozen | אָחֻ֖ז (achuz) = gekozen | לְאִיתָמָֽר (leitamar) = voor Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסּוֹפֵר (hasofer), ‘de schrijver’: iemand die opschrijft en bijhoudt. Voetnoot : מִן הַלֵּוִי (min haLevi), ‘een Leviet’: letterlijk ‘uit de Leviet’. Voetnoot Lezing: אָחֻז לְאֶלְעָזָר וְאָחֻז אָחֻז לְאִיתָמָר (achuz leElazar veachuz achuz leItamar): ‘gekozen voor Eleazar en gekozen, gekozen voor Itamar’. Het woord ‘gekozen’ staat bij Itamar twee keer. De tekst is hier onzeker. Wij vertalen alsof het één keer staat, naar de zin van de lijst: één vaderhuis voor Eleazar, één voor Itamar, om beurten. Zie ook: 1 Kron 18:16; Ezra 7:6; Neh 8:1; Mat 8:19; Mat 23:1–2 ### De 24 afdelingen van de priesters **24:7** Het eerste lot kwam uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja. Brontekst: וַיֵּצֵ֞א (vayetse) = en kwam uit | הַגּוֹרָ֤ל (hagoral) = het lot | הָרִאשׁוֹן֙ (harishon) = het eerste | לִיה֣וֹיָרִ֔יב (lihoyariv) = voor Jojarib | לִֽידַעְיָ֖ה (lidaya) = voor Jedaja | הַשֵּׁנִֽי (hasheni) = het tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De 24 loten staan in de verzen 7–18. Elk lot kwam uit voor één familie van priesters. De lijst begint met Jojarib en eindigt met Maäzja. Zie ook: 1 Kron 9:10; Ezra 2:36; Neh 7:39; Neh 11:10; Neh 12:19 **24:8** Het derde voor Charim, het vierde voor Seorim. Brontekst: לְחָרִם֙ (lecharim) = voor Charim | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = het derde | לִשְׂעֹרִ֖ים (lisorim) = voor Seorim | הָרְבִעִֽי (harevii) = het vierde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:39; Ezra 10:21; Neh 7:35; Neh 12:15 **24:9** Het vijfde voor Malkia, het zesde voor Mijamin. Brontekst: לְמַלְכִּיָּה֙ (lemalkiya) = voor Malkia | הַחֲמִישִׁ֔י (hachamishi) = het vijfde | לְמִיָּמִ֖ן (lemiyamin) = voor Mijamin | הַשִּׁשִּֽׁי (hashishi) = het zesde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 12:17 **24:10** Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia. Brontekst: לְהַקּוֹץ֙ (lehaqots) = voor Hakkoz | הַשְּׁבִעִ֔י (hashevii) = het zevende | לַאֲבִיָּ֖ה (laaviya) = voor Abia | הַשְּׁמִינִֽי (hashemini) = het achtste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 12:4; Neh 12:17; Luc 1:5 **24:11** Het negende voor Jesua, het tiende voor Sjekanja. Brontekst: לְיֵשׁ֨וּעַ֙ (leyeshua) = voor Jesua | הַתְּשִׁעִ֔י (hateshii) = het negende | לִשְׁכַנְיָ֖הוּ (lishkhanyahu) = voor Sjekanja | הָעֲשִׂרִֽי (haasiri) = het tiende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵשׁוּעַ (Yeshua), ‘Jesua’: dit is de Hebreeuwse naam Yeshua, maar hier gaat het om een priester. Voor Yeshua, de Messias, laten wij de naam onvertaald; voor deze priester schrijven wij ‘Jesua’. Zie ook: Ezra 2:36; Neh 7:39; Neh 12:10 **24:12** Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim. Brontekst: לְאֶלְיָשִׁיב֙ (leelyashiv) = voor Eljasib | עַשְׁתֵּ֣י (ashtei) = elf | עָשָׂ֔ר (asar) = (tien) | לְיָקִ֖ים (leyaqim) = voor Jakim | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twaalf | עָשָֽׂר (asar) = (tien) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf het elfde lot staan in het Hebreeuws hoofdtelwoorden: ‘elf’, ‘twaalf’ enzovoort. Wij schrijven rangtelwoorden, omdat het om de volgorde van de loten gaat. Zie ook: Neh 12:10 **24:13** Het dertiende voor Chuppa, het veertiende voor Jesebab. Brontekst: לְחֻפָּה֙ (lechupa) = voor Chuppa | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = dertien | עָשָׂ֔ר (asar) = (tien) | לְיֶֽשֶׁבְאָ֖ב (leyeshevav) = voor Jesebab | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = veertien | עָשָֽׂר (asar) = (tien) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:14** Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer. Brontekst: לְבִלְגָּה֙ (levilga) = voor Bilga | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijftien | עָשָׂ֔ר (asar) = (tien) | לְאִמֵּ֖ר (leimer) = voor Immer | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zestien | עָשָֽׂר (asar) = (tien) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:37; Ezra 10:20; Neh 7:40 **24:15** Het zeventiende voor Chezir, het achttiende voor Happitses. Brontekst: לְחֵזִיר֙ (lechezir) = voor Chezir | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = zeventien | עָשָׂ֔ר (asar) = (tien) | לְהַפִּצֵּ֖ץ (lehapitsets) = voor Happitses | שְׁמוֹנָ֥ה (shemona) = achttien | עָשָֽׂר (asar) = (tien) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:16** Het negentiende voor Petachja, het twintigste voor Ezechiël. Brontekst: לִֽפְתַחְיָה֙ (liftachya) = voor Petachja | תִּשְׁעָ֣ה (tisha) = negentien | עָשָׂ֔ר (asar) = (tien) | לִֽיחֶזְקֵ֖אל (lichezqel) = voor Ezechiël | הָעֶשְׂרִֽים (haesrim) = het twintigste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְחֶזְקֵאל (Yechezqel), ‘Ezechiël’: dezelfde naam als die van de profeet. Wij schrijven hem hier ook zo. **24:17** Het eenentwintigste voor Jachin, het tweeëntwintigste voor Gamul. Brontekst: לְיָכִין֙ (leyakhin) = voor Jachin | אֶחָ֣ד (echad) = een | וְעֶשְׂרִ֔ים (veesrim) = en twintig | לְגָמ֖וּל (legamul) = voor Gamul | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:18** Het drieëntwintigste voor Delaja, het vierentwintigste voor Maäzja. Brontekst: לִדְלָיָ֨הוּ֙ (lidlayahu) = voor Delaja | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | וְעֶשְׂרִ֔ים (veesrim) = en twintig | לְמַֽעַזְיָ֖הוּ (lemaazyahu) = voor Maäzja | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:19** Dit is hun indeling voor hun dienst. Zij gaan het huis van Yahweh binnen volgens hun recht, onder leiding van Aäron, hun vader, zoals Yahweh, de Elohim van Israël, hem had geboden. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | פְקֻדָּתָ֞ם (pequdatam) = hun indeling | לַעֲבֹדָתָ֗ם (laavodatam) = voor hun dienst | לָב֤וֹא (lavo) = om binnen te gaan | לְבֵית (leveit) = in het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כְּמִשְׁפָּטָ֔ם (kemishpatam) = volgens hun recht | בְּיַ֖ד (beyad) = onder de hand van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | אֲבִיהֶ֑ם (avihem) = hun vader | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֔הוּ (tsivahu) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקֻדָּה (pequddah), ‘indeling’: de orde waarin de priesters hun dienst doen. Voetnoot : בְּיַד אַהֲרֹן (beyad Aharon), ‘onder de hand van Aäron’: onder zijn leiding. Zie Exod. 28:1. Zie ook: Ex 28:1; 1 Kron 9:25; 2 Kron 23:4; 2 Kron 23:8; 1 Kor 14:40; Heb 7:11 ### De overige Levieten **24:20** Van de overige zonen van Levi: van de zonen van Amram Sjebuël, en van de zonen van Sjebuël Jechdeja. Brontekst: וְלִבְנֵ֥י (velivnei) = en voor de zonen van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | הַנּוֹתָרִ֑ים (hanotarim) = de overigen | לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | עַמְרָם֙ (amram) = Amram | שֽׁוּבָאֵ֔ל (shuvael) = Sjebuël | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | שׁוּבָאֵ֖ל (shuvael) = Sjebuël | יֶחְדְּיָֽהוּ (yechdeyahu) = Jechdeja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een tweede lijst van Levieten. Zij lijkt op 1 Kron. 23:15–23, met kleine verschillen in namen en met een extra generatie. Voetnoot : שׁוּבָאֵל (Shuvael), ‘Sjebuël’: in 1 Kron. 23:16 staat dezelfde man als שְׁבוּאֵל (Shevuel), onder de zonen van Gersom. Wij schrijven beide keren ‘Sjebuël’. Zie ook: 1 Kron 6:3; 1 Kron 23:12–14; 1 Kron 23:15–23; 1 Kron 23:16; 1 Kron 26:24 **24:21** Van Rechabja, van de zonen van Rechabja: het hoofd, Jisjia. Brontekst: לִרְחַבְיָ֑הוּ (lirchavyahu) = voor Rechabja | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | רְחַבְיָ֔הוּ (rechavyahu) = Rechabja | הָרֹ֖אשׁ (harosh) = het hoofd | יִשִּׁיָּֽה (yishiya) = Jisjia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 23:17; 1 Kron 26:25 **24:22** Van de Jishariet: Sjelomit. Van de zonen van Sjelomit: Jachat. Brontekst: לַיִּצְהָרִ֣י (layitshari) = voor de Jishariet | שְׁלֹמ֔וֹת (shelomot) = Sjelomit | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | שְׁלֹמ֖וֹת (shelomot) = Sjelomit | יָֽחַת (yachat) = Jachat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹמוֹת (Shelomot), ‘Sjelomit’: in 1 Kron. 23:18 staat dezelfde man als שְׁלֹמִית (Shelomit), als hoofd van de Jishariet. Wij schrijven beide keren ‘Sjelomit’. Zie ook: Ex 6:21; Num 3:19; Num 3:27; 1 Kron 23:18; 1 Kron 26:26 **24:23** De zonen van Jeria: Amarja, de tweede, Jachaziël, de derde, en Jekameam, de vierde. Brontekst: וּבְנָ֖י (uvenay) = en de zonen van | יְרִיָּ֑הוּ (yeriyahu) = Jeria | אֲמַרְיָ֨הוּ֙ (amaryahu) = Amarja | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | יַחֲזִיאֵל֙ (yachaziel) = Jachaziël | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | יְקַמְעָ֖ם (yeqamam) = Jekameam | הָרְבִיעִֽי (harevii) = de vierde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In dit vers staat ‘de zonen van Jeria’. In 1 Kron. 23:19 staat ‘de zonen van Hebron: Jeria, het hoofd’. Daar is Jeria het eerste, hier ontbreekt de aanduiding ‘het hoofd’. Wij vertalen de Masoretische tekst zoals hij staat. Zie ook: 1 Kron 23:19; 1 Kron 26:31 **24:24** De zonen van Uzziël: Micha. Van de zonen van Micha: Sjamir. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | עֻזִּיאֵל֙ (uziel) = Uzziël | מִיכָ֔ה (mikha) = Micha | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | מִיכָ֖ה (mikha) = Micha | שָׁמִֽיר (shamir) = Sjamir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat שָׁמוּר (Sjamur). In de gelezen tekst (qere) staat שָׁמִיר (Sjamir). Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kron 23:20 **24:25** De broer van Micha: Jisjia. Van de zonen van Jisjia: Zacharia. Brontekst: אֲחִ֤י (achi) = de broer van | מִיכָה֙ (mikha) = Micha | יִשִּׁיָּ֔ה (yishiya) = Jisjia | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשִּׁיָּ֖ה (yishiya) = Jisjia | זְכַרְיָֽהוּ (zekharyahu) = Zacharia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחִי מִיכָה (achi Mikhah), ‘de broer van Micha’: het woord kan ook ‘broers’ betekenen. Vergelijk 1 Kron. 23:20, waar Jisjia de tweede zoon van Uzziël is. Zie ook: 1 Kron 15:18; 1 Kron 15:20; 1 Kron 23:20 **24:26** De zonen van Merari: Machli en Musji. De zonen van Jaäzia, zijn zoon. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | מְרָרִי֙ (merari) = Merari | מַחְלִ֣י (machli) = Machli | וּמוּשִׁ֔י (umushi) = en Musji | בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | יַעֲזִיָּ֥הֽוּ (yaaziyahu) = Jaäzia | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בְּנֵי יַעֲזִיָּהוּ בְנוֹ (bene Yaaziyahu beno), ‘de zonen van Jaäzia, zijn zoon’: de tekst is moeilijk. Wij vertalen wat er staat. Het blijft onzeker of Jaäzia een zoon van Merari is of dat ‘zijn zoon’ anders bedoeld is. Zie ook: 1 Kron 23:21 **24:27** De zonen van Merari: van Jaäzia, zijn zoon, en Sjoham, Zakkur en Ibri. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֑י (merari) = Merari | לְיַֽעֲזִיָּ֣הֽוּ (leyaaziyahu) = van Jaäzia | בְנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | וְשֹׁ֥הַם (veshoham) = en Sjoham | וְזַכּ֖וּר (vezakur) = en Zakkur | וְעִבְרִֽי (veivri) = en Ibri Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:19; Num 3:20; 1 Kron 6:4; 1 Kron 23:21 **24:28** Van Machli: Eleazar, die geen zonen had. Brontekst: לְמַחְלִי֙ (lemachli) = van Machli | אֶלְעָזָ֔ר (elazar) = Eleazar | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יָה (haya) = waren | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בָּנִֽים (banim) = zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie 1 Kron. 23:22: Eleazar had geen zonen, alleen dochters. Zie ook: 1 Kron 23:22 **24:29** Van Kis, de zonen van Kis: Jerachmeël. Brontekst: לְקִ֖ישׁ (leqish) = van Kis | בְּנֵי (benei) = de zonen van | קִ֥ישׁ (qish) = Kis | יְרַחְמְאֵֽל (yerachmeel) = Jerachmeël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרַחְמְאֵל (Yerachme'el), ‘Jerachmeël’: de zoon van Kis. **24:30** De zonen van Musji: Machli, Eder en Jeremot. Dit zijn de zonen van de Levieten, naar hun vaderhuizen. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | מוּשִׁ֔י (mushi) = Musji | מַחְלִ֥י (machli) = Machli | וְעֵ֖דֶר (veeder) = en Eder | וִירִימ֑וֹת (virimot) = en Jeremot | אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het huis van | אֲבֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וִירִימוֹת (Virimot), ‘Jeremot’: in 1 Kron. 23:23 staat וִירֵמוֹת (Jeremot). De Hebreeuwse spelling verschilt; het is dezelfde man in de lijst van Musji. Wij schrijven beide keren ‘Jeremot’. Zie ook: 1 Kron 6:32; 1 Kron 23:23 ### Ook de Levieten werpen loten **24:31** Ook zij wierpen loten, gelijk met hun broers, de zonen van Aäron. Dat deden zij voor het aangezicht van koning David, Zadok, Achimelech en de familiehoofden van de priesters en van de Levieten. De vaderhuizen van het hoofd stonden daarin gelijk met die van zijn jongste broer. Brontekst: וַיַּפִּילוּ֩ (vayapilu) = en wierpen | גַם (gam) = ook | הֵ֨ם (hem) = zij | גּוֹרָל֜וֹת (goralot) = loten | לְעֻמַּ֣ת (leumat) = tegenover | אֲחֵיהֶ֣ם (acheihem) = hun broers | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | דָוִ֤יד (david) = David | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְצָד֣וֹק (vetsadoq) = en Zadok | וַאֲחִימֶ֔לֶךְ (vaachimelekh) = en Achimelech | וְרָאשֵׁי֙ (verashei) = en de hoofden van | הָֽאָב֔וֹת (haavot) = de vaders | לַכֹּהֲנִ֖ים (lakohanim) = van de priesters | וְלַלְוִיִּ֑ם (velalviyim) = en van de Levieten | אָב֣וֹת (avot) = vaders van | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | לְעֻמַּ֖ת (leumat) = tegenover | אָחִ֥יו (achiv) = zijn broer | הַקָּטָֽן (haqatan) = de jongste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבוֹת הָרֹאשׁ לְעֻמַּת אָחִיו הַקָּטָן (avot harosh leummat achiv haqatan), ‘de vaderhuizen van het hoofd, gelijk met zijn jongste broer’: het hoofd en de jongste hadden bij het loten dezelfde plaats. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Num 26:56; 1 Kron 24:5–6; 1 Kron 25:8; 1 Kron 26:13 ## 1 Kronieken 25 _De zangers en muzikanten in de dienst_ ### David zondert de zangers af **25:1** David en de legeroversten zonderden voor de dienst de zonen van Asaf, Heman en Jedutun af. Zij profeteerden met lieren, harpen en bekkens. Dit was het aantal van de mannen die het werk deden, naar hun dienst: Brontekst: וַיַּבְדֵּ֣ל (vayavdel) = en zonderde af | דָּוִיד֩ (david) = David | וְשָׂרֵ֨י (vesarei) = en de oversten van | הַצָּבָ֜א (hatsava) = het leger | לַעֲבֹדָ֗ה (laavoda) = voor de dienst | לִבְנֵ֤י (livnei) = van de zonen van | אָסָף֙ (asaf) = Asaf | וְהֵימָ֣ן (veheiman) = en Heman | וִֽידוּת֔וּן (vidutun) = en Jedutun | הַֽנִּבְּאִ֛ים (hanibeim) = die profeteerden | בְּכִנֹּר֥וֹת (bekhinorot) = met lieren | בִּנְבָלִ֖ים (binvalim) = met harpen | וּבִמְצִלְתָּ֑יִם (uvimtsiltayim) = en met bekkens | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en was | מִסְפָּרָ֔ם (misparam) = hun aantal | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | לַעֲבֹדָתָֽם (laavodatam) = naar hun dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִבָּא (nibba), ‘profeteren’: hier is het profeteren verbonden met muziek en lofzang, zoals in vers 3. Vergelijk 1 Sam. 10:5, waar een groep profeten met muziek profeteert. Voetnoot : כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’; נֶבֶל (nevel), ‘harp’; מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: dezelfde instrumenten als in 2 Sam. 6:5. Voetnoot Lezing: Geschreven staat הַנְּבִיאִים (hannevi’im), ‘de profeten’. Gelezen wordt הַנִּבְּאִים (hannibbe’im), ‘die profeteren’. Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: 1 Sam 10:5; 2 Sam 6:5; 1 Kron 6:18; 1 Kron 6:24; 1 Kron 25:3; 2 Kon 3:15; Neh 12:27 ### De zonen van Asaf **25:2** Van de zonen van Asaf: Zakkur, Josef, Netanja en Asarela. Dit zijn zonen van Asaf, onder leiding van Asaf. Hij profeteerde onder leiding van de koning. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = van de zonen van | אָסָ֗ף (asaf) = Asaf | זַכּ֧וּר (zakur) = Zakkur | וְיוֹסֵ֛ף (veyosef) = en Josef | וּנְתַנְיָ֥ה (unetanya) = en Netanja | וַאֲשַׂרְאֵ֖לָה (vaasarela) = en Asarela | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אָסָ֑ף (asaf) = Asaf | עַ֚ל (al) = onder | יַד (yad) = hand van | אָסָ֔ף (asaf) = Asaf | הַנִּבָּ֖א (haniba) = die profeteerde | עַל (al) = onder | יְדֵ֥י (yedei) = handen van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל יַד (al yad), ‘onder leiding van’: letterlijk ‘onder de hand van’. Wij vertalen zo ook in vers 3 en 6. Zie ook: 1 Kron 16:5; 1 Kron 25:1; 1 Kron 25:3; 1 Kron 25:6; Ps 81:2; Jes 3:6 ### De zonen van Jedutun **25:3** Van Jedutun, de zonen van Jedutun: Gedalja, Tseri, Jesaja, Chasabja en Mattitja, zes, onder leiding van hun vader Jedutun. Hij profeteerde met de lier om Yahweh te danken en te loven. Brontekst: לִידוּת֑וּן (lidutun) = van Jedutun | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יְדוּת֡וּן (yedutun) = Jedutun | גְּדַלְיָ֡הוּ (gedalyahu) = Gedalja | וּצְרִ֡י (utseri) = en Tseri | וִֽ֠ישַׁעְיָהוּ (vishayahu) = en Jesaja | חֲשַׁבְיָ֨הוּ (chashavyahu) = Chasabja | וּמַתִּתְיָ֜הוּ (umatityahu) = en Mattitja | שִׁשָּׁ֗ה (shisha) = zes | עַל֩ (al) = onder | יְדֵ֨י (yedei) = handen van | אֲבִיהֶ֤ם (avihem) = hun vader | יְדוּתוּן֙ (yedutun) = Jedutun | בַּכִּנּ֔וֹר (bakinor) = met de lier | הַנִּבָּ֕א (haniba) = die profeteerde | עַל (al) = om | הֹד֥וֹת (hodot) = te danken | וְהַלֵּ֖ל (vehalel) = en te loven | לַיהוָֽה (laYahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er staan vijf namen, maar het getal is ‘zes’. Een zesde zoon, Simeï, staat in vers 17. Zie ook: 1 Kron 9:16; 1 Kron 16:41–42; 1 Kron 25:17; 1 Kron 25:21; Ps 92:2; Jer 33:11 ### De zonen van Heman **25:4** Van Heman, de zonen van Heman: Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sjebuël, Jerimot, Chananja, Chanani, Eliata, Giddalti, Romamti-Ezer, Josjbekasja, Malloti, Hotir en Machaziot. Brontekst: לְהֵימָ֑ן (leheiman) = van Heman | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הֵימָ֡ן (heiman) = Heman | בֻּקִּיָּ֡הוּ (buqiyahu) = Bukkia | מַתַּנְיָ֡הוּ (matanyahu) = Mattanja | עֻ֠זִּיאֵל (uziel) = Uzziël | שְׁבוּאֵ֨ל (shevuel) = Sjebuël | וִֽירִימ֜וֹת (virimot) = en Jerimot | חֲנַנְיָ֣ה (chananya) = Chananja | חֲנָ֗נִי (chanani) = Chanani | אֱלִיאָ֤תָה (eliata) = Eliata | גִדַּ֨לְתִּי֙ (gidalti) = Giddalti | וְרֹמַ֣מְתִּי (veromamti) = en Romamti | עֶ֔זֶר (ezer) = Ezer | יָשְׁבְּקָ֣שָׁה (yashbeqasha) = Josjbekasja | מַלּ֔וֹתִי (maloti) = Malloti | הוֹתִ֖יר (hotir) = Hotir | מַחֲזִיאֽוֹת (machaziot) = Machaziot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוֹמַמְתִּי עֵזֶר (romamti ezer), ‘Romamti-Ezer’: één naam van twee woorden. Letterlijk betekent hij ‘ik heb hulp verheven’. Voetnoot : Heman heeft 14 zonen, zoals vers 5 zegt. Enkele namen staan in vers 9–31 in een iets andere spelling: Uzziël is daar waarschijnlijk Azarel (vers 18) en Sjebuël staat daar als שׁוּבָאֵל (Shuvael, vers 20). Wij schrijven beide keren ‘Sjebuël’. Zie ook: 1 Kron 15:17; 1 Kron 15:19; 1 Kron 24:20; 1 Kron 24:24; 1 Kron 25:5; 1 Kron 25:9–31; 1 Kron 25:18; 1 Kron 25:20; 1 Kron 25:30 **25:5** Al deze mannen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, in de woorden van Elohim, om de hoorn te verheffen. Elohim gaf Heman 14 zonen en drie dochters. Brontekst: כָּל (kal) = heel | אֵ֨לֶּה (ele) = deze | בָנִ֜ים (banim) = zonen | לְהֵימָ֗ן (leheiman) = van Heman | חֹזֵ֥ה (choze) = ziener van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּדִבְרֵ֥י (bedivrei) = in woorden van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | לְהָרִ֣ים (leharim) = om te verheffen | קָ֑רֶן (qaren) = hoorn | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | הָאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = Elohim | לְהֵימָ֗ן (leheiman) = aan Heman | בָּנִ֛ים (banim) = zonen | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | וּבָנ֥וֹת (uvanot) = en dochters | שָׁלֽוֹשׁ (shalosh) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹזֶה (choze), ‘ziener’: iemand die een visioen ziet. Gad wordt in 2 Sam. 24:11 ook ‘de ziener van David’ genoemd. Voetnoot : קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: een beeld voor kracht en eer. ‘De hoorn verheffen’ is iemand kracht en eer geven. Zie ook: 1 Sam 9:9; 2 Sam 24:11; 1 Kron 21:9; 1 Kron 28:5; Ps 127:3; Jes 8:18 **25:6** Al deze mannen stonden onder leiding van hun vader. Zij zongen in het huis van Yahweh, met bekkens, harpen en lieren, voor de dienst in het huis van Elohim. Asaf, Jedutun en Heman stonden onder leiding van de koning. Brontekst: כָּל (kal) = heel | אֵ֣לֶּה (ele) = deze | עַל (al) = onder | יְדֵי֩ (yedei) = handen van | אֲבִיהֶ֨ם (avihem) = hun vader | בַּשִּׁ֜יר (bashir) = in het lied van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בִּמְצִלְתַּ֨יִם֙ (bimtsiltayim) = met bekkens | נְבָלִ֣ים (nevalim) = harpen | וְכִנֹּר֔וֹת (vekhinorot) = en lieren | לַעֲבֹדַ֖ת (laavodat) = voor de dienst van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | עַ֚ל (al) = onder | יְדֵ֣י (yedei) = handen van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָסָ֥ף (asaf) = Asaf | וִידוּת֖וּן (vidutun) = en Jedutun | וְהֵימָֽן (veheiman) = en Heman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשִׁיר בֵּית יְהוָה (beshir bet Yahweh): letterlijk ‘in het lied van het huis van Yahweh’. Zie ook: 1 Kron 15:16; 1 Kron 15:19; 1 Kron 25:1–3; Ps 68:26; Kol 3:16 ### Het aantal van de zangers **25:7** Hun aantal, samen met hun broers die geoefend waren in het zingen voor Yahweh, allen die kundig waren, was 288. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | מִסְפָּרָם֙ (misparam) = hun aantal | עִם (im) = met | אֲחֵיהֶ֔ם (acheihem) = hun broers | מְלֻמְּדֵי (melumedei) = geoefend in | שִׁ֖יר (shir) = lied | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | כָּל (kal) = alle | הַ֨מֵּבִ֔ין (hamevin) = de kundigen | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | שְׁמוֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | וּשְׁמוֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het aantal 288 is 24 groepen van 12 man (vers 9–31). Zie ook: 1 Kron 23:5; 1 Kron 25:9–31 ### De loting voor de dienstbeurten **25:8** Zij wierpen loten voor hun dienstbeurt, allen op dezelfde manier: klein en groot, kundige en leerling. Brontekst: וַיַּפִּ֜ילוּ (vayapilu) = en wierpen | גּוֹרָל֣וֹת (goralot) = loten | מִשְׁמֶ֗רֶת (mishmeret) = dienstbeurt | לְעֻמַּת֙ (leumat) = op dezelfde manier | כַּקָּטֹ֣ן (kaqaton) = als de kleine | כַּגָּד֔וֹל (kagadol) = als de grote | מֵבִ֖ין (mevin) = kundige | עִם (im) = samen met | תַּלְמִֽיד (talmid) = leerling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעֻמַּת (leummat), ‘op dezelfde manier’: letterlijk ‘tegenover’. Niemand kreeg een voorrang: klein en groot, kundige en leerling wierpen het lot. Hetzelfde woord staat in 1 Kron. 26:12 en 26:16. Zie ook: 1 Kron 24:5; 1 Kron 26:12; 1 Kron 26:13; 1 Kron 26:16; Spr 16:33; Hand 1:26 **25:9** Het eerste lot kwam uit voor Asaf, voor Josef. Het tweede kwam uit voor Gedalja: hij, zijn broers en zijn zonen, 12. Brontekst: וַיֵּצֵ֞א (vayetse) = en kwam uit | הַגּוֹרָ֧ל (hagoral) = het lot | הָרִאשׁ֛וֹן (harishon) = het eerste | לְאָסָ֖ף (leasaf) = voor Asaf | לְיוֹסֵ֑ף (leyosef) = voor Josef | גְּדַלְיָ֨הוּ֙ (gedalyahu) = Gedalja | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = het tweede | הֽוּא (hu) = hij | וְאֶחָ֥יו (veechav) = en zijn broers | וּבָנָ֖יו (uvanav) = en zijn zonen | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat het werkwoord ‘kwam uit’ maar één keer. Wij vullen het bij het tweede lot aan. Bij het eerste lot (Josef) staat het getal 12 er niet bij. Elke andere groep telt 12 (vers 10–31). Zie ook: 1 Kron 25:10–31 **25:10** Het derde: Zakkur, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הַשְּׁלִשִׁ֣י (hashelishi) = het derde | זַכּ֔וּר (zakur) = Zakkur | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:11** Het vierde: Jitsri, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הָרְבִיעִי֙ (harevii) = het vierde | לַיִּצְרִ֔י (layitsri) = voor Jitsri | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jitsri (יִצְרִי) is waarschijnlijk dezelfde man als Tseri in vers 3. Zie ook: 1 Kron 25:3 **25:12** Het vijfde: Netanja, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הַחֲמִישִׁ֣י (hachamishi) = het vijfde | נְתַנְיָ֔הוּ (netanyahu) = Netanja | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:13** Het zesde: Bukkia, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הַשִּׁשִּׁ֣י (hashishi) = het zesde | בֻקִּיָּ֔הוּ (buqiyahu) = Bukkia | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:14** Het zevende: Jesarela, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הַשְּׁבִעִ֣י (hashevii) = het zevende | יְשַׂרְאֵ֔לָה (yesarela) = Jesarela | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesarela (יְשַׂרְאֵלָה) is waarschijnlijk dezelfde man als Asarela in vers 2. Zie ook: 1 Kron 25:2 **25:15** Het achtste: Jesaja, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הַשְּׁמִינִ֣י (hashemini) = het achtste | יְשַֽׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:16** Het negende: Mattanja, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הַתְּשִׁיעִ֣י (hateshii) = het negende | מַתַּנְיָ֔הוּ (matanyahu) = Mattanja | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:17** Het tiende: Simeï, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הָעֲשִׂירִ֣י (haasiri) = het tiende | שִׁמְעִ֔י (shimi) = Simeï | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Simeï (שִׁמְעִי) is niet genoemd in vers 3. Hij is waarschijnlijk de zesde zoon van Jedutun. Zie ook: 1 Kron 25:3 **25:18** Het elfde: Azarel, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: עַשְׁתֵּֽי (ashtei) = het elfde | עָשָׂ֣ר (asar) = (tien) | עֲזַרְאֵ֔ל (azarel) = Azarel | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Azarel (עֲזַרְאֵל) is waarschijnlijk dezelfde man als Uzziël in vers 4. Zie ook: 1 Kron 25:4 **25:19** Het twaalfde: Chasabja, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: הַשְּׁנֵ֤ים (hasheneim) = het twaalfde | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לַחֲשַׁבְיָ֔ה (lachashavya) = voor Chasabja | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:20** Het dertiende: Sjebuël, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לִשְׁלֹשָׁ֤ה (lishlosha) = voor het dertiende | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | שֽׁוּבָאֵ֔ל (shuvael) = Sjebuël | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּבָאֵל (Shuvael), ‘Sjebuël’: dezelfde man als שְׁבוּאֵל (Shevuel) in vers 4, in een andere Hebreeuwse spelling. Zie ook: 1 Kron 25:4 **25:21** Het veertiende: Mattitja, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לְאַרְבָּעָ֤ה (learbaa) = voor het veertiende | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | מַתִּתְיָ֔הוּ (matityahu) = Mattitja | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:22** Het vijftiende: Jerimot, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לַחֲמִשָּׁ֤ה (lachamisha) = voor het vijftiende | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לִֽירֵמ֔וֹת (liremot) = voor Jerimot | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:23** Het zestiende: Chananja, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לְשִׁשָּׁ֤ה (leshisha) = voor het zestiende | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לַחֲנַנְיָ֔הוּ (lachananyahu) = voor Chananja | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:24** Het zeventiende: Josjbekasja, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לְשִׁבְעָ֤ה (leshiva) = voor het zeventiende | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לְיָשְׁבְּקָ֔שָׁה (leyashbeqasha) = voor Josjbekasja | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:25** Het achttiende: Chanani, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לִשְׁמוֹנָ֤ה (lishmona) = voor het achttiende | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לַחֲנָ֔נִי (lachanani) = voor Chanani | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:26** Het negentiende: Malloti, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לְתִשְׁעָ֤ה (letisha) = voor het negentiende | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לְמַלּ֔וֹתִי (lemaloti) = voor Malloti | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:27** Het twintigste: Eliata, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לְעֶשְׂרִים֙ (leesrim) = voor het twintigste | לֶֽאֱלִיָּ֔תָה (leeliyata) = voor Eliata | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:28** Het eenentwintigste: Hotir, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לְאֶחָ֤ד (leechad) = voor het eerste | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintigste | לְהוֹתִ֔יר (lehotir) = voor Hotir | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:29** Het tweeëntwintigste: Giddalti, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לִשְׁנַ֤יִם (lishnayim) = voor het tweede | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintigste | לְגִדַּ֔לְתִּי (legidalti) = voor Giddalti | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:30** Het drieëntwintigste: Machaziot, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לִשְׁלֹשָׁ֤ה (lishlosha) = voor het derde | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintigste | לְמַ֣חֲזִיא֔וֹת (lemachaziot) = voor Machaziot | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:31** Het vierentwintigste: Romamti-Ezer, zijn zonen en zijn broers, 12. Brontekst: לְאַרְבָּעָ֤ה (learbaa) = voor het vierde | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintigste | לְרוֹמַ֣מְתִּי (leromamti) = voor Romamti | עָ֔זֶר (azer) = Ezer | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het laatste van de 24 loten. Samen zijn het 288 mannen (vers 7). Zie ook: 1 Kron 25:7 ## 1 Kronieken 26 _De poortwachters, de schatkamers en de beambten_ ### De afdelingen van de poortwachters **26:1** Over de afdelingen van de poortwachters: van de Korachieten Mesjelemja, de zoon van Kore, uit de zonen van Asaf. Brontekst: לְמַחְלְק֖וֹת (lemachleqot) = voor de afdelingen | לְשֹׁעֲרִ֑ים (leshoarim) = voor de poortwachters | לַקָּרְחִ֕ים (laqarechim) = voor de Korachieten | מְשֶֽׁלֶמְיָ֥הוּ (meshelemyahu) = Mesjelemja | בֶן (ben) = zoon van | קֹרֵ֖א (qore) = Kore | מִן (min) = uit | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אָסָֽף (asaf) = Asaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kore (קֹרֵא) en Korach (קֹרַח) zijn verschillende namen. De Korachieten zijn nakomelingen van Korach (Num. 26:58). Voetnoot Lezing: Hier staat ‘uit de zonen van Asaf’. Wij volgen de Masoretische tekst. Deze Asaf is waarschijnlijk niet de zanger Asaf uit hoofdstuk 25: Mesjelemja is een Korachiet. Vergelijk Abiasaf, een zoon van Korach, in Exod. 6:24. Zie ook: Ex 6:24; Num 26:9–11; Num 26:58; 1 Kron 6:22; 1 Kron 15:23–24; Ps 44:2; 2 Kron 23:19 **26:2** Mesjelemja had zonen: Zacharia, de eerstgeborene, Jediaël, de tweede, Zebadja, de derde, Jatniël, de vierde, Brontekst: וְלִמְשֶֽׁלֶמְיָ֖הוּ (velimshelemyahu) = en voor Mesjelemja | בָּנִ֑ים (banim) = zonen | זְכַרְיָ֤הוּ (zekharyahu) = Zacharia | הַבְּכוֹר֙ (habekhor) = de eerstgeborene | יְדִֽיעֲאֵ֣ל (yediael) = Jediaël | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | זְבַדְיָ֨הוּ֙ (zevadyahu) = Zebadja | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | יַתְנִיאֵ֖ל (yatniel) = Jatniël | הָרְבִיעִֽי (harevii) = de vierde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:21 **26:3** Elam, de vijfde, Jochanan, de zesde, Eljoënai, de zevende. Brontekst: עֵילָ֤ם (eilam) = Elam | הַחֲמִישִׁי֙ (hachamishi) = de vijfde | יְהוֹחָנָ֣ן (yehochanan) = Jochanan | הַשִּׁשִּׁ֔י (hashishi) = de zesde | אֶלְיְהוֹעֵינַ֖י (elyehoeinay) = Eljoënai | הַשְּׁבִיעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:4** Obed-Edom had zonen: Sjemaja, de eerstgeborene, Jozabad, de tweede, Joach, de derde, Sachar, de vierde, Netanel, de vijfde, Brontekst: וּלְעֹבֵ֥ד (uleoved) = en voor Obed | אֱדֹ֖ם (edom) = Edom | בָּנִ֑ים (banim) = zonen | שְׁמַֽעְיָ֤ה (shemaya) = Sjemaja | הַבְּכוֹר֙ (habekhor) = de eerstgeborene | יְהוֹזָבָ֣ד (yehozavad) = Jozabad | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | יוֹאָ֤ח (yoach) = Joach | הַשְּׁלִשִׁי֙ (hashelishi) = de derde | וְשָׂכָ֣ר (vesakhar) = en Sachar | הָרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | וּנְתַנְאֵ֖ל (unetanel) = en Netanel | הַחֲמִישִֽׁי (hachamishi) = de vijfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Of deze Obed-Edom dezelfde man is als Obed-Edom de Gattiet in 2 Sam. 6:10–12, zegt de tekst niet. Zie ook: 2 Sam 6:10–12; 1 Kron 15:18; 1 Kron 15:21; 1 Kron 15:24; 1 Kron 16:5; 1 Kron 16:38 **26:5** Ammiël, de zesde, Issachar, de zevende, Peulletai, de achtste. Want Elohim had hem gezegend. Brontekst: עַמִּיאֵ֤ל (amiel) = Ammiël | הַשִּׁשִּׁי֙ (hashishi) = de zesde | יִשָׂשכָ֣ר (yisashkhar) = Issachar | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | פְּעֻלְּתַ֖י (peuletay) = Peulletai | הַשְּׁמִינִ֑י (hashemini) = de achtste | כִּ֥י (ki) = want | בֵרֲכ֖וֹ (berakho) = had hem gezegend | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי בֵרְכוֹ אֱלֹהִים (ki verachow Elohim), ‘want Elohim had hem gezegend’: de tekst noemt de zegen direct na de acht zonen. Obed-Edom heeft in totaal acht zonen. Zie ook: Ps 128:1 **26:6** Aan Sjemaja, zijn zoon, werden zonen geboren. Zij waren heersers over het huis van hun vader, want zij waren dappere mannen. Brontekst: וְלִֽשְׁמַֽעְיָ֤ה (velishmaya) = en voor Sjemaja | בְנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | נוֹלַ֣ד (nolad) = werden geboren | בָּנִ֔ים (banim) = zonen | הַמִּמְשָׁלִ֖ים (hamimshalim) = die heersten | לְבֵ֣ית (leveit) = over het huis van | אֲבִיהֶ֑ם (avihem) = hun vader | כִּֽי (ki) = want | גִבּ֥וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹרֵי חַיִל (gibborei chayil), ‘dappere mannen’: letterlijk ‘helden van kracht’. Hetzelfde geldt voor בְּנֵי חַיִל (bnei chayil), ‘zonen van kracht’, in vers 7, 9, 30 en 32. Zie ook: Re 6:12; 1 Kron 26:7; 1 Kron 26:8; 1 Kron 26:9; 1 Kron 26:30; 1 Kron 26:32; 2 Kron 26:17; Neh 11:14; 1 Tim 6:12 **26:7** De zonen van Sjemaja: Otni, Refaël, Obed en Elzabad. Zijn broers Elihu en Semachja waren dappere mannen. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | שְׁמַֽעְיָ֗ה (shemaya) = Sjemaja | עָ֠תְנִי (ateni) = Otni | וּרְפָאֵ֨ל (urefael) = en Refaël | וְעוֹבֵ֧ד (veoved) = en Obed | אֶלְזָבָ֛ד (elzavad) = Elzabad | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | בְּנֵי (benei) = zonen van | חָ֑יִל (chayil) = kracht | אֱלִיה֖וּ (elihu) = Elihu | וּסְמַכְיָֽהוּ (usemakhyahu) = en Semachja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie met ‘zijn broers’ bedoeld is, Elzabad of Sjemaja, zegt de tekst niet. **26:8** Al deze mannen behoorden tot de zonen van Obed-Edom: zij, hun zonen en hun broers. Het waren dappere mannen met kracht voor de dienst. Samen waren zij 62 uit Obed-Edom. Brontekst: כָּל (kal) = heel | אֵ֜לֶּה (ele) = deze | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = uit de zonen van | עֹבֵ֣ד (oved) = Obed | אֱדֹ֗ם (edom) = Edom | הֵ֤מָּה (hema) = zij | וּבְנֵיהֶם֙ (uveneihem) = en hun zonen | וַאֲחֵיהֶ֔ם (vaacheihem) = en hun broers | אִֽישׁ (ish) = man van | חַ֥יִל (chayil) = kracht | בַּכֹּ֖חַ (bakoach) = met sterkte | לַעֲבֹדָ֑ה (laavoda) = voor de dienst | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | וּשְׁנַ֖יִם (ushenayim) = en twee | לְעֹבֵ֥ד (leoved) = voor Obed | אֱדֹֽם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 25:15; 1 Kor 12:4–11; 2 Kor 3:6; 1 Petr 4:11 **26:9** Mesjelemja had zonen en broers, dappere mannen: 18. Brontekst: וְלִמְשֶֽׁלֶמְיָ֗הוּ (velimshelemyahu) = en voor Mesjelemja | בָּנִ֧ים (banim) = zonen | וְאַחִ֛ים (veachim) = en broers | בְּנֵי (benei) = zonen van | חָ֖יִל (chayil) = kracht | שְׁמוֹנָ֥ה (shemona) = acht | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 26:1; 1 Kron 26:14 **26:10** Chosa, uit de zonen van Merari, had zonen. Sjimri was het hoofd. Want er was geen eerstgeborene, en zijn vader stelde hem aan als hoofd. Brontekst: וּלְחֹסָ֥ה (ulechosa) = en voor Chosa | מִן (min) = uit | בְּנֵי (benei) = de zonen van | מְרָרִ֖י (merari) = Merari | בָּנִ֑ים (banim) = zonen | שִׁמְרִ֤י (shimri) = Sjimri | הָרֹאשׁ֙ (harosh) = het hoofd | כִּ֣י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | הָיָ֣ה (haya) = was | בְכ֔וֹר (bekhor) = eerstgeborene | וַיְשִׂימֵ֥הוּ (vaysimehu) = en stelde hem aan | אָבִ֖יהוּ (avihu) = zijn vader | לְרֹֽאשׁ (lerosh) = als hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי לֹא הָיָה בְכוֹר (ki lo haya bechor), ‘want er was geen eerstgeborene’: dit kan ook betekenen ‘hoewel hij niet de eerstgeborene was’. Wij houden de woorden van de tekst. Zie ook: 1 Kron 5:1–2; 1 Kron 16:38 **26:11** Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zacharia de vierde. Alle zonen en broers van Chosa: 13. Brontekst: חִלְקִיָּ֤הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | הַשֵּׁנִי֙ (hasheni) = de tweede | טְבַלְיָ֣הוּ (tevalyahu) = Tebalja | הַשְּׁלִשִׁ֔י (hashelishi) = de derde | זְכַרְיָ֖הוּ (zekharyahu) = Zacharia | הָרְבִעִ֑י (harevii) = de vierde | כָּל (kal) = alle | בָּנִ֧ים (banim) = zonen | וְאַחִ֛ים (veachim) = en broers | לְחֹסָ֖ה (lechosa) = van Chosa | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het lot voor de poorten **26:12** Dit zijn de afdelingen van de poortwachters, onder de hoofden van de mannen. Zij hadden dienstbeurten, evenals hun broers, om te dienen in het huis van Yahweh. Brontekst: לְ֠אֵלֶּה (leele) = voor deze | מַחְלְק֨וֹת (machleqot) = afdelingen van | הַשֹּֽׁעֲרִ֜ים (hashoarim) = de poortwachters | לְרָאשֵׁ֧י (lerashei) = voor de hoofden van | הַגְּבָרִ֛ים (hagevarim) = de mannen | מִשְׁמָר֖וֹת (mishmarot) = dienstbeurten | לְעֻמַּ֣ת (leumat) = evenals | אֲחֵיהֶ֑ם (acheihem) = hun broers | לְשָׁרֵ֖ת (lesharet) = om te dienen | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעֻמַּת (leummat), ‘evenals’: letterlijk ‘tegenover’. Zie ook 1 Kron. 25:8. Zie ook: 1 Kron 25:8 **26:13** Zij wierpen loten, de kleine zowel als de grote, per vaderhuis, voor poort na poort. Brontekst: וַיַּפִּ֨ילוּ (vayapilu) = en wierpen | גוֹרָל֜וֹת (goralot) = loten | כַּקָּטֹ֧ן (kaqaton) = als de kleine | כַּגָּד֛וֹל (kagadol) = als de grote | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | אֲבוֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | לְשַׁ֥עַר (leshaar) = voor poort | וָשָֽׁעַר (vashaar) = en poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:5; 1 Kron 24:31; 1 Kron 25:8 **26:14** Het lot voor het oosten viel op Sjelemja. Ook voor zijn zoon Zacharia, een raadsman met inzicht, wierpen zij loten. Zijn lot kwam uit voor het noorden. Brontekst: וַיִּפֹּ֧ל (vayipol) = en viel | הַגּוֹרָ֛ל (hagoral) = het lot | מִזְרָ֖חָה (mizracha) = naar het oosten | לְשֶֽׁלֶמְיָ֑הוּ (leshelemyahu) = voor Sjelemja | וּזְכַרְיָ֨הוּ (uzekharyahu) = en Zacharia | בְנ֜וֹ (beno) = zijn zoon | יוֹעֵ֣ץ (yoets) = raadsman | בְּשֶׂ֗כֶל (besekhel) = met inzicht | הִפִּ֨ילוּ֙ (hipilu) = wierpen zij | גּֽוֹרָל֔וֹת (goralot) = loten | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en kwam uit | גוֹרָל֖וֹ (goralo) = zijn lot | צָפֽוֹנָה (tsafona) = naar het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjelemja (שֶׁלֶמְיָהוּ) is waarschijnlijk een kortere vorm van Mesjelemja (vers 1, 2 en 9). Zacharia is zijn eerstgeborene (vers 2). Zie ook: 1 Kron 26:1; 1 Kron 26:2; 1 Kron 26:9 **26:15** Voor Obed-Edom viel het lot op het zuiden. Voor zijn zonen viel het op het huis van de voorraden. Brontekst: לְעֹבֵ֥ד (leoved) = voor Obed | אֱדֹ֖ם (edom) = Edom | נֶ֑גְבָּה (negba) = naar het zuiden | וּלְבָנָ֖יו (ulevanav) = en voor zijn zonen | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הָאֲסֻפִּֽים (haasupim) = de voorraden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הָאֲסֻפִּים (bet haasuppim), ‘het huis van de voorraden’: letterlijk ‘het huis van de verzamelingen’. Het was een opslagplaats. Dezelfde plaats staat in vers 17. Zie ook: 1 Kron 26:17; 2 Kron 25:24 **26:16** Voor Sjuppim en Chosa viel het lot op het westen, bij de poort Sjalleket, aan de weg die omhoog loopt. De ene wachtpost stond tegenover de andere. Brontekst: לְשֻׁפִּ֤ים (leshupim) = voor Sjuppim | וּלְחֹסָה֙ (ulechosa) = en voor Chosa | לַֽמַּעֲרָ֔ב (lamaarav) = naar het westen | עִ֚ם (im) = met | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | שַׁלֶּ֔כֶת (shalekhet) = Sjalleket | בַּֽמְסִלָּ֖ה (bamsila) = aan de weg | הָעוֹלָ֑ה (haola) = de opgaande | מִשְׁמָ֖ר (mishmar) = wachtpost | לְעֻמַּ֥ת (leumat) = tegenover | מִשְׁמָֽר (mishmar) = wachtpost Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De poort Sjalleket (שַׁלֶּכֶת) lag aan de westkant van het huis van Yahweh in Jeruzalem. De precieze ligging is onzeker. Zie Poort Sjalleket (ligging onzeker): De poort Sjalleket lag aan de westkant van het heiligdom in Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: שֻׁפִּים (Sjuppim): een naam die hier voor het eerst voorkomt. Wie hij is, zegt de tekst niet. Voetnoot : מְסִלָּה (mesillah), ‘weg’: een aangelegde, opgehoogde weg. Zie ook: 1 Kron 25:8; 1 Kron 26:10–12; 1 Kon 10:5; 2 Kron 9:4; Neh 12:24 **26:17** Aan de oostkant stonden zes Levieten, aan de noordkant vier per dag, aan de zuidkant vier per dag. Bij de voorraden stonden er twee aan twee. Brontekst: לַמִּזְרָח֮ (lamizrach) = naar het oosten | הַלְוִיִּ֣ם (halviyim) = de Levieten | שִׁשָּׁה֒ (shisha) = zes | לַצָּפ֤וֹנָה (latsafona) = naar het noorden | לַיּוֹם֙ (layom) = per dag | אַרְבָּעָ֔ה (arbaa) = vier | לַנֶּ֥גְבָּה (lanegba) = naar het zuiden | לַיּ֖וֹם (layom) = per dag | אַרְבָּעָ֑ה (arbaa) = vier | וְלָאֲסֻפִּ֖ים (velaasupim) = en bij de voorraden | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | שְׁנָֽיִם (shenayim) = twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:24; 2 Kron 8:14 **26:18** Bij de Parbar aan de westkant: vier bij de weg en twee bij de Parbar. Brontekst: לַפַּרְבָּ֖ר (laparbar) = bij de Parbar | לַֽמַּעֲרָ֑ב (lamaarav) = naar het westen | אַרְבָּעָה֙ (arbaa) = vier | לַֽמְסִלָּ֔ה (lamsila) = bij de weg | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | לַפַּרְבָּֽר (laparbar) = bij de Parbar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּרְבָּר (parbar), ‘Parbar’: een bouwwerk of ruimte aan de westkant. De betekenis van het woord is onzeker. Zie ook: 2 Kon 23:11 **26:19** Dit zijn de afdelingen van de poortwachters, voor de zonen van de Korachiet en voor de zonen van Merari. Brontekst: אֵ֗לֶּה (ele) = deze | מַחְלְקוֹת֙ (machleqot) = afdelingen van | הַשֹּׁ֣עֲרִ֔ים (hashoarim) = de poortwachters | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | הַקָּרְחִ֖י (haqarechi) = de Korachiet | וְלִבְנֵ֥י (velivnei) = en voor de zonen van | מְרָרִֽי (merari) = Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst heeft ‘de zonen van de Korachiet’. De Korachieten zijn nakomelingen van Korach. Zie ook: Num 16:11 ### De schatkamers **26:20** Van de Levieten was Achia over de schatkamers van het huis van Elohim en over de schatkamers van de gewijde gaven. Brontekst: וְֽהַלְוִיִּ֑ם (vehalviyim) = en de Levieten | אֲחִיָּ֗ה (achiya) = Achia | עַל (al) = over | אֽוֹצְרוֹת֙ (otserot) = schatkamers van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וּלְאֹֽצְר֖וֹת (uleotserot) = en over de schatkamers van | הַקֳּדָשִֽׁים (haqodashim) = de gewijde gaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקֳּדָשִׁים (haqodashim), ‘de gewijde gaven’: alles wat aan Yahweh is toegewijd. Zie vers 26–28. Zie ook: 1 Kron 18:11; 1 Kron 26:22; 1 Kron 26:26–28; 1 Kron 29:2–8; 2 Kron 31:11–12 **26:21** De zonen van Ladan, de zonen van de Gersjoniet Ladan, de hoofden van de vaderhuizen van Ladan, de Gersjoniet: Jechieli. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | לַ֠עְדָּן (ladan) = Ladan | בְּנֵ֨י (benei) = zonen van | הַגֵּרְשֻׁנִּ֜י (hagereshuni) = de Gersjoniet | לְלַעְדָּ֗ן (leladan) = van Ladan | רָאשֵׁ֧י (rashei) = hoofden van | הָאָב֛וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לְלַעְדָּ֥ן (leladan) = van Ladan | הַגֵּרְשֻׁנִּ֖י (hagereshuni) = de Gersjoniet | יְחִיאֵלִֽי (yechieli) = Jechieli Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ladan (לַעְדָּן) is een Gersjoniet. Of יְחִיאֵלִי (Jechieli) een persoon is of een familie (‘de Jechielieten’), blijft onzeker. Vers 22 spreekt van de ‘zonen van Jechieli’. Daarom nemen wij het als naam. Het is waarschijnlijk dezelfde man als Jechiël, het hoofd van de zonen van Ladan, met Zetam en Joël (1 Kron. 23:8; 29:8). Zie ook: 1 Kron 6:2; 1 Kron 23:7; 1 Kron 23:8; 1 Kron 26:22; 1 Kron 29:8 **26:22** De zonen van Jechieli: Zetam en zijn broer Joël. Zij waren over de schatkamers van het huis van Yahweh. Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | יְחִֽיאֵלִ֑י (yechieli) = Jechieli | זֵתָם֙ (zetam) = Zetam | וְיוֹאֵ֣ל (veyoel) = en Joël | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | עַל (al) = over | אֹצְר֖וֹת (otserot) = schatkamers van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 23:8; 1 Kron 26:20; 1 Kron 29:8; Neh 10:39 **26:23** Van de Amramieten, de Jisharieten, de Hebronieten en de Uzziëlieten: Brontekst: לַֽעַמְרָמִי֙ (laamrami) = voor de Amramiet | לַיִּצְהָרִ֔י (layitshari) = voor de Jishariet | לַֽחֶבְרוֹנִ֖י (lachevroni) = voor de Hebroniet | לָֽעָזִּיאֵלִֽי (laazieli) = voor de Uzziëliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de vier families van Kehat: Num. 3:19. Zie ook: Num 3:19; Num 3:27; 1 Kron 23:12 **26:24** Sjebuël, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was leider over de schatkamers. Brontekst: וּשְׁבֻאֵל֙ (ushevuel) = en Sjebuël | בֶּן (ben) = zoon van | גֵּרְשׁ֣וֹם (gereshom) = Gersom | בֶּן (ben) = zoon van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | נָגִ֖יד (nagid) = leider | עַל (al) = over | הָאֹצָרֽוֹת (haotsarot) = de schatkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjebuël (שְׁבוּאֵל) is een zoon van Gersom, de zoon van Mozes (Exod. 2:22). Zie ook: Ex 2:22; 1 Kron 23:15–16; 1 Kron 24:20 **26:25** Zijn broers via Eliëzer waren: Rechabja, zijn zoon, Jesaja, zijn zoon, Joram, zijn zoon, Zichri, zijn zoon, en Sjelomit, zijn zoon. Brontekst: וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | לֶֽאֱלִיעֶ֑זֶר (leeliezer) = via Eliëzer | רְחַבְיָ֨הוּ (rechavyahu) = Rechabja | בְנ֜וֹ (beno) = zijn zoon | וִֽישַׁעְיָ֤הוּ (vishayahu) = en Jesaja | בְנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | וְיֹרָ֣ם (veyoram) = en Joram | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | וְזִכְרִ֥י (vezikhri) = en Zichri | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וּשְׁלֹמִ֥ית (ushelomit) = en Sjelomit | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eliëzer was de andere zoon van Mozes (Exod. 18:4). Elke ‘zoon’ in de rij is een volgende generatie. Voetnoot Lezing: Geschreven staat שְׁלֹמוֹת (Sjelomot). Gelezen wordt שְׁלֹמִית (Sjelomit). Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: Ex 18:4; 1 Kron 23:15; 1 Kron 23:17–18 **26:26** Deze Sjelomit en zijn broers waren over alle schatkamers van de gewijde gaven. Koning David, de hoofden van de vaderhuizen, de leiders van de duizendtallen en honderdtallen en de legeroversten hadden die toegewijd. Brontekst: ה֧וּא (hu) = hij | שְׁלֹמ֣וֹת (shelomot) = Sjelomit | וְאֶחָ֗יו (veechav) = en zijn broers | עַ֣ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | אֹצְר֤וֹת (otserot) = schatkamers van | הַקֳּדָשִׁים֙ (haqodashim) = de gewijde gaven | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִקְדִּ֜ישׁ (hiqdish) = had toegewijd | דָּוִ֣יד (david) = David | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְרָאשֵׁ֧י (verashei) = en de hoofden van | הָאָב֛וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לְשָׂרֵֽי (lesarei) = voor de leiders van | הָאֲלָפִ֥ים (haalafim) = de duizendtallen | וְהַמֵּא֖וֹת (vehameot) = en de honderdtallen | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en de oversten van | הַצָּבָֽא (hatsava) = het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat שְׁלֹמוֹת (Sjelomot), een andere vorm van de naam Sjelomit. Het is dezelfde man als in vers 25 en 28. Wij schrijven overal Sjelomit. Zie ook: Num 31:30–52; 2 Sam 8:11; 1 Kron 18:11; 1 Kron 22:14; 1 Kron 26:25; 1 Kron 26:28; 1 Kron 29:2–9 **26:27** Uit de oorlogen en uit de buit hadden zij het toegewijd, om het huis van Yahweh te versterken. Brontekst: מִן (min) = uit | הַמִּלְחָמ֥וֹת (hamilchamot) = de oorlogen | וּמִן (umin) = en uit | הַשָּׁלָ֖ל (hashalal) = de buit | הִקְדִּ֑ישׁוּ (hiqdishu) = zij hadden toegewijd | לְחַזֵּ֖ק (lechazeq) = om te versterken | לְבֵ֥ית (leveit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְחַזֵּק (lechazzeq), ‘versterken’: het huis van Yahweh sterk houden, dus onderhouden en herstellen. Zie ook: Joz 6:19; 2 Kon 12:15; Neh 10:33–35 **26:28** Alles wat Samuël, de ziener, Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja, hadden toegewijd, alles wat iemand toewijdde, stond onder leiding van Sjelomit en zijn broers. Brontekst: וְכֹ֨ל (vekhol) = en alles | הַֽהִקְדִּ֜ישׁ (hahiqdish) = wat toewijdde | שְׁמוּאֵ֤ל (shemuel) = Samuël | הָרֹאֶה֙ (haroe) = de ziener | וְשָׁא֣וּל (veshaul) = en Saul | בֶּן (ben) = zoon van | קִ֔ישׁ (qish) = Kis | וְאַבְנֵ֣ר (veavner) = en Abner | בֶּן (ben) = zoon van | נֵ֔ר (ner) = Ner | וְיוֹאָ֖ב (veyoav) = en Joab | בֶּן (ben) = zoon van | צְרוּיָ֑ה (tseruya) = Zeruja | כֹּ֚ל (kol) = alles | הַמַּקְדִּ֔ישׁ (hamaqdish) = wat iemand toewijdde | עַ֥ל (al) = onder | יַד (yad) = hand van | שְׁלֹמִ֖ית (shelomit) = Sjelomit | וְאֶחָֽיו (veechav) = en zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Samuël wordt ook in 1 Sam. 9:9 de ‘ziener’ genoemd. Zie ook: 1 Sam 9:9; 1 Sam 14:47–51; 1 Sam 17:55; 2 Sam 10:9–14 ### De beambten buiten het huis **26:29** Van de Jisharieten waren Kenanja en zijn zonen over Israël aangesteld voor het werk buiten, als opzichters en rechters. Brontekst: לַיִּצְהָרִ֞י (layitshari) = voor de Jishariet | כְּנַנְיָ֣הוּ (kenanyahu) = Kenanja | וּבָנָ֗יו (uvanav) = en zijn zonen | לַמְּלָאכָ֤ה (lamelakha) = voor het werk | הַחִֽיצוֹנָה֙ (hachitsona) = het buitenste | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְשֹׁטְרִ֖ים (leshoterim) = als opzichters | וּלְשֹׁפְטִֽים (uleshofetim) = en rechters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in Num. 11:16. ‘Het werk buiten’ is werk buiten de dienst in het huis van Elohim: bestuur en rechtspraak over Israël. Zie ook: Num 11:16; 1 Kron 23:4; 1 Kron 23:12; 2 Kron 19:8–11; 2 Kron 34:13; Neh 11:16 **26:30** Van de Hebronieten hadden Chasabja en zijn broers, 1.700 dappere mannen, het toezicht over Israël aan de westkant van de Jordaan. Dat was voor al het werk van Yahweh en voor de dienst van de koning. Brontekst: לַֽחֶבְרוֹנִ֡י (lachevroni) = voor de Hebroniet | חֲשַׁבְיָהוּ֩ (chashavyahu) = Chasabja | וְאֶחָ֨יו (veechav) = en zijn broers | בְּנֵי (benei) = zonen van | חַ֜יִל (chayil) = kracht | אֶ֣לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַע (usheva) = en zeven | מֵא֗וֹת (meot) = honderd | עַ֚ל (al) = over | פְּקֻדַּ֣ת (pequdat) = het toezicht op | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מֵעֵ֥בֶר (meever) = aan de overkant van | לַיַּרְדֵּ֖ן (layarden) = de Jordaan | מַעְרָ֑בָה (marava) = westwaarts | לְכֹל֙ (lekhol) = voor al | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = het werk van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלַעֲבֹדַ֖ת (velaavodat) = en voor de dienst van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘Aan de westkant van de Jordaan’: het land van Israël tussen de Jordaan en de Middellandse Zee, in het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: מֵעֵבֶר לַיַּרְדֵּן מַעֲרָבָה (me’ever layyarden ma’aravah), ‘aan de overkant van de Jordaan, westwaarts’: het woord ‘overkant’ gaat hier om de westkant. In vers 32 wordt de oostkant bedoeld. Zie ook: 1 Kron 23:12; 1 Kron 23:19; 1 Kron 26:32; 1 Kron 27:17 **26:31** Voor de Hebronieten was Jeria het hoofd, naar hun geslachten, naar hun vaderhuizen. In het veertigste jaar van het koningschap van David werd naar hen gezocht. Men vond onder hen dappere mannen in Jaëzer in Gilead. Brontekst: לַֽחֶבְרוֹנִי֙ (lachevroni) = voor de Hebroniet | יְרִיָּ֣ה (yeriya) = Jeria | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | לַֽחֶבְרוֹנִ֥י (lachevroni) = voor de Hebroniet | לְתֹלְדֹתָ֖יו (letoledotav) = naar zijn geslachten | לְאָב֑וֹת (leavot) = naar de vaderhuizen | בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar | הָֽאַרְבָּעִ֜ים (haarbaim) = het veertigste | לְמַלְכ֤וּת (lemalkhut) = van het koningschap van | דָּוִיד֙ (david) = David | נִדְרָ֔שׁוּ (nidrashu) = werd gezocht | וַיִּמָּצֵ֥א (vayimatse) = en werd gevonden | בָהֶ֛ם (bahem) = onder hen | גִּבּ֥וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | בְּיַעְזֵ֥יר (beyazeir) = in Jaëzer | גִּלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jaëzer (יַעְזֵר) lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië. De precieze ligging is onzeker (Num. 21:32). Voetnoot Uitleg: Het veertigste jaar van het koningschap van David is zijn laatste jaar (2 Sam. 5:4). Zie ook: Num 21:32; Joz 21:39; 2 Sam 5:4; 1 Kron 6:66; 1 Kron 23:19; 1 Kron 29:27; Jes 16:9 **26:32** Zijn broers, 2.700 dappere mannen, waren hoofden van vaderhuizen. Koning David stelde hen aan over de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse. Dat was voor alle zaken van Elohim en de zaken van de koning. Brontekst: וְאֶחָ֣יו (veechav) = en zijn broers | בְּנֵי (benei) = zonen van | חַ֗יִל (chayil) = kracht | אַלְפַּ֛יִם (alpayim) = tweeduizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָאָב֑וֹת (haavot) = de vaderhuizen | וַיַּפְקִידֵ֞ם (vayafqidem) = en stelde hen aan | דָּוִ֣יד (david) = David | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = over | הָראוּבֵנִ֤י (haruveni) = de Rubeniet | וְהַגָּדִי֙ (vehagadi) = en de Gadiet | וַחֲצִי֙ (vachatsi) = en de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = stam | הַֽמְנַשִּׁ֔י (hamnashi) = de Manassiet | לְכָל (lekhal) = voor al | דְּבַ֥ר (devar) = zaak van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | וּדְבַ֥ר (udevar) = en zaak van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilead, Gad en Ruben lagen ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: De tekst heeft hier ‘de Manassiet’. De halve stam Manasse woonde ten oosten van de Jordaan. Zie ook: 1 Kron 12:38; 1 Kron 15:12; 1 Kron 23:24; 1 Kron 24:31; 2 Kron 19:11 ## 1 Kronieken 27 _De twaalf afdelingen, de leiders van de stammen en de beambten van David_ ### De twaalf maandelijkse afdelingen **27:1** Dit waren de Israëlieten, naar hun aantal: de hoofden van de vaderhuizen, de leiders van de duizendtallen en honderdtallen en hun opzichters. Zij dienden de koning in alles wat de afdelingen betrof. De afdelingen losten elkaar af, maand na maand, alle maanden van het jaar. Elke afdeling telde 24.000. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | לְֽמִסְפָּרָ֡ם (lemisparam) = naar hun aantal | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָאָב֣וֹת (haavot) = de vaderhuizen | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en leiders van | הָֽאֲלָפִ֣ים (haalafim) = de duizendtallen | וְהַמֵּא֡וֹת (vehameot) = en de honderdtallen | וְשֹׁטְרֵיהֶם֩ (veshotereihem) = en hun opzichters | הַמְשָׁרְתִ֨ים (hamsharetim) = die dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְכֹ֣ל (lekhol) = voor al | דְּבַ֣ר (devar) = zaak van | הַֽמַּחְלְק֗וֹת (hamachleqot) = de afdelingen | הַבָּאָ֤ה (habaa) = die kwam | וְהַיֹּצֵאת֙ (vehayotset) = en ging | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = maand | בְּחֹ֔דֶשׁ (bechodesh) = per maand | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | חָדְשֵׁ֣י (chadeshei) = maanden van | הַשָּׁנָ֑ה (hashana) = het jaar | הַֽמַּחֲלֹ֨קֶת֙ (hamachaloqet) = de afdeling | הָֽאַחַ֔ת (haachat) = de ene | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in Num. 11:16. Voetnoot : De twaalf afdelingen (vers 2–15) tellen elk 24.000 man. Samen zijn dat 288.000 man. Zie ook: Num 11:16; 1 Kron 13:1; 1 Kron 27:2–15; 1 Kon 5:7; 1 Kon 5:28; 2 Kron 17:12–19; Mi 5:1 **27:2** Over de eerste afdeling, voor de eerste maand, stond Jasjobam, de zoon van Zabdiël. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: עַ֞ל (al) = over | הַמַּחֲלֹ֤קֶת (hamachaloqet) = de afdeling | הָרִֽאשׁוֹנָה֙ (harishona) = de eerste | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הָרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | יָֽשָׁבְעָ֖ם (yashaveam) = Jasjobam | בֶּן (ben) = zoon van | זַבְדִּיאֵ֑ל (zavdiel) = Zabdiël | וְעַל֙ (veal) = en over | מַֽחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jasjobam (יָשָׁבְעָם): vergelijk 2 Sam. 23:8, waar de eerste van de helden Josheb-Basjebet heet. Zie ook: 2 Sam 23:8; 1 Kron 11:11 **27:3** Hij was uit de zonen van Peres, het hoofd van alle legeroversten van de eerste maand. Brontekst: מִן (min) = uit | בְּנֵי (benei) = zonen van | פֶ֗רֶץ (perets) = Peres | הָרֹ֛אשׁ (harosh) = het hoofd | לְכָל (lekhal) = van alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | הַצְּבָא֖וֹת (hatsevaot) = de legers | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הָרִאשֽׁוֹן (harishon) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Peres is een zoon van Juda (Num. 26:20). Zie ook: Gen 38:29; Gen 49:8–10; Num 7:12; Num 10:14; Num 26:20 **27:4** Over de afdeling van de tweede maand stond Dodai, de Achochiet. In zijn afdeling was Miklot de leider. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: וְעַ֞ל (veal) = en over | מַחֲלֹ֣קֶת (machaloqet) = afdeling van | הַחֹ֣דֶשׁ (hachodesh) = de maand | הַשֵּׁנִ֗י (hasheni) = de tweede | דּוֹדַ֤י (doday) = Dodai | הָאֲחוֹחִי֙ (haachochi) = de Achochiet | וּמַ֣חֲלֻקְתּ֔וֹ (umachaluqto) = en zijn afdeling | וּמִקְל֖וֹת (umiqlot) = en Miklot | הַנָּגִ֑יד (hanagid) = de leider | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dodai (דּוֹדַי) is waarschijnlijk dezelfde naam als Dodo in 2 Sam. 23:9. Zie ook: 2 Sam 23:9; 1 Kron 11:12 **27:5** De derde legeroverste, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van Jojada, de priester, het hoofd. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַצָּבָ֤א (hatsava) = het leger | הַשְּׁלִישִׁי֙ (hashelishi) = de derde | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | בְּנָיָ֧הוּ (benayahu) = Benaja | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹיָדָ֛ע (yehoyada) = Jojada | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | רֹ֑אשׁ (rosh) = hoofd | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֵן רֹאשׁ (hakkohen rosh), ‘de priester, het hoofd’: dit kan ook betekenen ‘de hoofdpriester’, dan gaat het om Jojada. Wij houden de volgorde van de tekst. Jojada is de vader van Benaja (2 Sam. 8:18). Zie ook: 2 Sam 8:18; 1 Kron 18:17; 1 Kon 4:4–5 **27:6** Dit is die Benaja: een held van de dertig en over de dertig. Over zijn afdeling stond zijn zoon Ammizabad. Brontekst: ה֧וּא (hu) = hij | בְנָיָ֛הוּ (benayahu) = Benaja | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | הַשְּׁלֹשִׁ֖ים (hasheloshim) = de dertig | וְעַל (veal) = en over | הַשְּׁלֹשִׁ֑ים (hasheloshim) = de dertig | וּמַ֣חֲלֻקְתּ֔וֹ (umachaluqto) = en zijn afdeling | עַמִּיזָבָ֖ד (amizavad) = Ammizabad | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De dertig’ zijn de dertig helden van David (2 Sam. 23:24–39). Zie ook: 2 Sam 22:20–23; 2 Sam 23:20–23; 2 Sam 23:24–39; 1 Kron 11:22–25 **27:7** De vierde, voor de vierde maand, was Asaël, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הָֽרְבִיעִ֞י (harevii) = de vierde | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הָרְבִיעִ֗י (harevii) = de vierde | עֲשָׂה (asa) = Asa | אֵל֙ (el) = ël | אֲחִ֣י (achi) = broer van | יוֹאָ֔ב (yoav) = Joab | וּזְבַדְיָ֥ה (uzevadya) = en Zebadja | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אַחֲרָ֑יו (acharav) = na hem | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Asaël, de broer van Joab, werd al vroeg door Abner gedood (2 Sam. 2:18–23). Zijn zoon Zebadja komt ‘na hem’. Hoe dat precies zit, zegt de tekst niet. Zie ook: 2 Sam 2:18–23; 2 Sam 23:24; 1 Kron 11:26 **27:8** De vijfde, voor de vijfde maand, was de overste Sjamhut, de Jizrachiet. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הַחַמִישִׁי֙ (hachamishi) = de vijfde | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הַחֲמִישִׁ֔י (hachamishi) = de vijfde | הַשַּׂ֖ר (hasar) = de overste | שַׁמְה֣וּת (shamhut) = Sjamhut | הַיִּזְרָ֑ח (hayizrach) = de Jizrachiet | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִזְרָח (jizrach), ‘Jizrachiet’: een familie- of plaatsnaam. De betekenis is onzeker. Zie ook: 2 Sam 23:25; 1 Kron 11:27; 1 Kron 26:29 **27:9** De zesde, voor de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הַשִּׁשִּׁי֙ (hashishi) = de zesde | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הַשִּׁשִּׁ֔י (hashishi) = de zesde | עִירָ֥א (ira) = Ira | בֶן (ben) = zoon van | עִקֵּ֖שׁ (iqesh) = Ikkes | הַתְּקוֹעִ֑י (hateqoi) = uit Tekoa | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda. Voetnoot Uitleg: Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa, staat ook in 2 Sam. 23:26. Zie ook: 2 Sam 23:26; 1 Kron 11:28 **27:10** De zevende, voor de zevende maand, was Chelets, de Peloniet, uit de zonen van Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הַשְּׁבִיעִי֙ (hashevii) = de zevende | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | חֶ֥לֶץ (chelets) = Chelets | הַפְּלוֹנִ֖י (hapeloni) = de Peloniet | מִן (min) = uit | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In 2 Sam. 23:26 heet hij Chelets de Paltiet. Hier staat Chelets de Peloniet. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Sam 23:26; 1 Kron 11:27 **27:11** De achtste, voor de achtste maand, was Sibbechai, de Chusatiet, uit de Zerachieten. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הַשְּׁמִינִי֙ (hashemini) = de achtste | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הַשְּׁמִינִ֔י (hashemini) = de achtste | סִבְּכַ֥י (sibekhay) = Sibbechai | הַחֻשָׁתִ֖י (hachushati) = de Chusatiet | לַזַּרְחִ֑י (lazarchi) = uit de Zerachiet | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sibbechai de Chusatiet komt voor in 2 Sam. 21:18. In 2 Sam. 23:27 staat op zijn plaats Mebunnai de Chusatiet. Voetnoot : De Zerachieten zijn nakomelingen van Serach, een zoon van Juda (Num. 26:20). Zie ook: Num 26:20; 2 Sam 21:18; 2 Sam 23:27; 1 Kron 11:29 **27:12** De negende, voor de negende maand, was Abiëzer, uit Anatot, een Benjaminiet. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הַתְּשִׁיעִי֙ (hateshii) = de negende | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הַתְּשִׁיעִ֔י (hateshii) = de negende | אֲבִיעֶ֥זֶר (aviezer) = Abiëzer | הָעַנְּתֹתִ֖י (haanetoti) = uit Anatot | לַבֵּ֣ן (laben) = voor | יְמִינִ֑י (yemini) = een Benjaminiet | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Geschreven staat לבנימיני (labinyamini), ‘voor de Benjaminiet’. Gelezen worden twee woorden: לְבֵן יְמִינִי (leven yemini). De betekenis is gelijk. Zie ook: 2 Sam 23:27; 1 Kron 11:28 **27:13** De tiende, voor de tiende maand, was Maharai, uit Netofa, uit de Zerachieten. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הָעֲשִׂירִי֙ (haasiri) = de tiende | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = voor de maand | הָעֲשִׂירִ֔י (haasiri) = de tiende | מַהְרַ֥י (mahray) = Maharai | הַנְּטֽוֹפָתִ֖י (hanetofati) = uit Netofa | לַזַּרְחִ֑י (lazarchi) = uit de Zerachiet | וְעַל֙ (veal) = en over | מַֽחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem. Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Zie ook: 2 Sam 23:28; 1 Kron 11:30 **27:14** De elfde, voor de elfde maand, was Benaja, uit Piraton, uit de zonen van Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: עַשְׁתֵּֽי (ashtei) = de elfde | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לְעַשְׁתֵּ֣י (leashtei) = voor de elfde | עָשָׂ֣ר (asar) = (tien) | הַחֹ֔דֶשׁ (hachodesh) = de maand | בְּנָיָ֥ה (benaya) = Benaja | הַפִּרְעָתוֹנִ֖י (hapiratoni) = uit Piraton | מִן (min) = uit | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Piraton (פִּרְעָתוֹן) lag in het land Efraïm, in het bergland (Richt. 12:15). De precieze ligging is onzeker. Zie ook: Re 12:15; 2 Sam 23:30; 1 Kron 11:31 **27:15** De twaalfde, voor de twaalfde maand, was Cheldai, uit Netofa, uit het geslacht van Otniël. Zijn afdeling telde 24.000. Brontekst: הַשְּׁנֵ֤ים (hasheneim) = de twaalfde | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | לִשְׁנֵ֣ים (lishneim) = voor de twaalfde | עָשָׂ֣ר (asar) = (tien) | הַחֹ֔דֶשׁ (hachodesh) = de maand | חֶלְדַּ֥י (chelday) = Cheldai | הַנְּטוֹפָתִ֖י (hanetofati) = uit Netofa | לְעָתְנִיאֵ֑ל (leateniel) = van Otniël | וְעַל֙ (veal) = en over | מַחֲלֻקְתּ֔וֹ (machaluqto) = zijn afdeling | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֖ה (vearbaa) = en vier | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem. Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Cheldai (חֶלְדַּי): in 2 Sam. 23:29 heet de man uit Netofa Cheleb, de zoon van Baäna. Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Voetnoot : לְעָתְנִיאֵל (le’otniel), ‘van Otniël’: Hebreeuws heeft hier alleen ‘van Otniël’. Wij nemen het als het geslacht van Otniël (Richt. 1:13). Zie ook: Re 1:13; Re 3:9; 2 Sam 23:29; 1 Kron 4:13; 1 Kron 11:30 ### De leiders van de stammen **27:16** Over de stammen van Israël: bij de Rubenieten was Eliëzer, de zoon van Zichri, de leider. Bij de Simeonieten was het Sefatja, de zoon van Maächa. Brontekst: וְעַל֙ (veal) = en over | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לָרֽאוּבֵנִ֣י (laruveni) = voor de Rubeniet | נָגִ֔יד (nagid) = leider | אֱלִיעֶ֖זֶר (eliezer) = Eliëzer | בֶּן (ben) = zoon van | זִכְרִ֑י (zikhri) = Zichri | לַשִּׁ֨מְעוֹנִ֔י (lashimoni) = voor de Simeoniet | שְׁפַטְיָ֖הוּ (shefatyahu) = Sefatja | בֶּֽן (ben) = zoon van | מַעֲכָֽה (maakha) = Maächa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָגִיד (nagid), ‘leider’: hier de leider van de stam. In vers 22 staat het woord שָׂרִים (sarim), ‘leiders’. Zie ook: 1 Kron 27:22 **27:17** Bij Levi was het Chasabja, de zoon van Kemuël. Bij Aäron was het Zadok. Brontekst: לְלֵוִ֛י (lelevi) = voor Levi | חֲשַׁבְיָ֥ה (chashavya) = Chasabja | בֶן (ben) = zoon van | קְמוּאֵ֖ל (qemuel) = Kemuël | לְאַהֲרֹ֥ן (leaharon) = voor Aäron | צָדֽוֹק (tsadoq) = Zadok Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Bij Aäron’: bij de priesters, de nakomelingen van Aäron. Zie ook: 1 Kron 12:28–29; 1 Kron 24:4; 1 Kron 24:31; 1 Kron 26:30 **27:18** Bij Juda was het Elihu, een van de broers van David. Bij Issachar was het Omri, de zoon van Michaël. Brontekst: לִֽיהוּדָ֕ה (lihuda) = voor Juda | אֱלִיה֖וּ (elihu) = Elihu | מֵאֲחֵ֣י (meachei) = uit de broers van | דָוִ֑יד (david) = David | לְיִ֨שָׂשכָ֔ר (leyisashkhar) = voor Issachar | עָמְרִ֖י (ameri) = Omri | בֶּן (ben) = zoon van | מִיכָאֵֽל (mikhael) = Michaël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu (אֱלִיהוּ), een broer van David, komt niet voor in 1 Sam. 16:6–9. Daar heet de eerste zoon van Isaï die Samuël ziet Eliab. Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Zie ook: 1 Sam 16:6; 1 Sam 17:13; 1 Sam 17:29 **27:19** Bij Zebulon was het Jismaja, de zoon van Obadja. Bij Naftali was het Jerimot, de zoon van Azriël. Brontekst: לִזְבוּלֻ֕ן (lizvulun) = voor Zebulon | יִֽשְׁמַֽעְיָ֖הוּ (yishmayahu) = Jismaja | בֶּן (ben) = zoon van | עֹבַדְיָ֑הוּ (ovadyahu) = Obadja | לְנַ֨פְתָּלִ֔י (lenaftali) = voor Naftali | יְרִימ֖וֹת (yerimot) = Jerimot | בֶּן (ben) = zoon van | עַזְרִיאֵֽל (azriel) = Azriël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:20** Bij de zonen van Efraïm was het Hosea, de zoon van Azazia. Bij de halve stam van Manasse was het Joël, de zoon van Pedaja. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | הוֹשֵׁ֖עַ (hoshea) = Hosea | בֶּן (ben) = zoon van | עֲזַזְיָ֑הוּ (azazyahu) = Azazia | לַחֲצִי֙ (lachatsi) = voor de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = stam | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | יוֹאֵ֖ל (yoel) = Joël | בֶּן (ben) = zoon van | פְּדָיָֽהוּ (pedayahu) = Pedaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:21** Bij de andere helft van Manasse, in Gilead, was het Iddo, de zoon van Zacharia. Bij Benjamin was het Jaäsiël, de zoon van Abner. Brontekst: לַחֲצִ֤י (lachatsi) = voor de helft van | הַֽמְנַשֶּׁה֙ (hamnashe) = de Manasse | גִּלְעָ֔דָה (gilada) = naar Gilead | יִדּ֖וֹ (yido) = Iddo | בֶּן (ben) = zoon van | זְכַרְיָ֑הוּ (zekharyahu) = Zacharia | לְבִנְיָמִ֔ן (levinyamin) = voor Benjamin | יַעֲשִׂיאֵ֖ל (yaasiel) = Jaäsiël | בֶּן (ben) = zoon van | אַבְנֵֽר (avner) = Abner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: 1 Sam 14:50–51; 2 Sam 3:27; 2 Sam 3:37; 1 Kon 4:14 **27:22** Bij Dan was het Azarel, de zoon van Jerocham. Dit waren de leiders van de stammen van Israël. Brontekst: לְדָ֕ן (ledan) = voor Dan | עֲזַרְאֵ֖ל (azarel) = Azarel | בֶּן (ben) = zoon van | יְרֹחָ֑ם (yerocham) = Jerocham | אֵ֕לֶּה (ele) = deze | שָׂרֵ֖י (sarei) = leiders van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In deze lijst ontbreken Gad en Aser. Zie ook: 1 Kron 28:1 ### De telling van Joab **27:23** David nam hun aantal niet op van twintig jaar en jonger. Want Yahweh had gezegd dat Hij Israël zou vermenigvuldigen als de sterren van de hemel. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | נָשָׂ֤א (nasa) = nam op | דָוִיד֙ (david) = David | מִסְפָּרָ֔ם (misparam) = hun aantal | לְמִבֶּ֛ן (lemiben) = van de zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּלְמָ֑טָּה (ulemata) = en lager | כִּ֚י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = had gezegd | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַרְבּ֥וֹת (leharbot) = om te vermenigvuldigen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כְּכוֹכְבֵ֥י (kekhokhevei) = als de sterren van | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de leeftijdsgrens van de telling in Num. 1:3. Voetnoot : נָשָׂא (nasa), ‘opnemen’: letterlijk ‘optillen’. Zoals in Num. 1:2 ‘de som opnemen’. Voetnoot : Yahweh had Abraham beloofd dat zijn nageslacht zo talrijk zou worden als de sterren (Gen. 15:5; Gen. 22:17). Zie ook: Gen 15:5; Gen 22:17; Num 1:2; Num 1:3; Num 1:18; 1 Kron 21:2–5; Heb 11:12 **27:24** Joab, de zoon van Zeruja, was begonnen te tellen, maar hij maakte het niet af. Daardoor kwam er toorn over Israël. Het getal kwam ook niet in de optelling van de kronieken van koning David. Brontekst: יוֹאָ֨ב (yoav) = Joab | בֶּן (ben) = zoon van | צְרוּיָ֜ה (tseruya) = Zeruja | הֵחֵ֤ל (hechel) = begon | לִמְנוֹת֙ (limnot) = te tellen | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | כִלָּ֔ה (kila) = maakte af | וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | בָזֹ֛את (bazot) = hierdoor | קֶ֖צֶף (qetsef) = toorn | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֤א (velo) = en niet | עָלָה֙ (ala) = kwam op | הַמִּסְפָּ֔ר (hamispar) = het getal | בְּמִסְפַּ֥ר (bemispar) = in het aantal van | דִּבְרֵֽי (divrei) = woorden van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Over de telling zie 1 Kron. 21 en 2 Sam. 24. Voetnoot : דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘kronieken’: letterlijk ‘woorden van de dagen’. Dat is het koninklijke archief van David, niet een bijbelboek. Zie ook: 2 Sam 24:1–15; 1 Kron 21:1–17 ### De beheerders van Davids bezit **27:25** Over de schatkamers van de koning stond Azmavet, de zoon van Adiël. Over de opslagplaatsen in het veld, in de steden, in de dorpen en in de torens stond Jonatan, de zoon van Uzzia. Brontekst: וְעַל֙ (veal) = en over | אֹצְר֣וֹת (otserot) = schatkamers van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַזְמָ֖וֶת (azmavet) = Azmavet | בֶּן (ben) = zoon van | עֲדִיאֵ֑ל (adiel) = Adiël | וְעַ֣ל (veal) = en over | הָֽאֹצָר֡וֹת (haotsarot) = de opslagplaatsen | בַּשָּׂדֶ֞ה (basade) = in het veld | בֶּעָרִ֤ים (bearim) = in de steden | וּבַכְּפָרִים֙ (uvakefarim) = en in de dorpen | וּבַמִּגְדָּל֔וֹת (uvamigdalot) = en in de torens | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | עֻזִּיָּֽהוּ (uziyahu) = Uzzia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹצָרוֹת (otsarot), ‘schatkamers’: de eerste keer (de koning) vertalen wij ‘schatkamers’. In het veld, de steden, de dorpen en de torens zijn het opslagplaatsen. Zo ook in vers 27 en 28. Voetnoot : Azmavet (עַזְמָוֶת) staat ook in 2 Sam. 23:31. Zie ook: Gen 41:48; Ex 1:11; 2 Sam 23:31; 1 Kron 27:27; 1 Kron 27:28; 2 Kon 18:15; 2 Kron 16:2; Jer 41:8 **27:26** Over hen die het werk op het veld deden, het bewerken van de grond, stond Ezri, de zoon van Kelub. Brontekst: וְעַ֗ל (veal) = en over | עֹשֵׂי֙ (osei) = doeners van | מְלֶ֣אכֶת (melekhet) = werk van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | לַעֲבֹדַ֖ת (laavodat) = voor het bewerken van | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | עֶזְרִ֖י (ezri) = Ezri | בֶּן (ben) = zoon van | כְּלֽוּב (keluv) = Kelub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:27** Over de wijngaarden stond Simeï, uit Rama. Over wat in de wijngaarden groeide, voor de opslagplaatsen van de wijn, stond Zabdi, uit Sefam. Brontekst: וְעַל (veal) = en over | הַ֨כְּרָמִ֔ים (hakeramim) = de wijngaarden | שִׁמְעִ֖י (shimi) = Simeï | הָרָֽמָתִ֑י (haramati) = uit Rama | וְעַ֤ל (veal) = en over | שֶׁבַּכְּרָמִים֙ (shebakeramim) = wat in de wijngaarden | לְאֹצְר֣וֹת (leotserot) = voor de opslagplaatsen van | הַיַּ֔יִן (hayayin) = de wijn | זַבְדִּ֖י (zavdi) = Zabdi | הַשִּׁפְמִֽי (hashifmi) = uit Sefam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama (הָרָמָה): meerdere plaatsen heten zo. Welke hier bedoeld is, is onzeker. Voetnoot : Sefam (שְׁפָם): de ligging is onzeker (Num. 34:10–11). Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier ‘wat in de wijngaarden is’: de opbrengst. Zie ook: Num 34:10–11 **27:28** Over de olijfbomen en de wilde vijgenbomen in de Sefela stond Baäl-Chanan, uit Geder. Over de opslagplaatsen van de olie stond Joas. Brontekst: וְעַל (veal) = en over | הַזֵּיתִ֤ים (hazeitim) = de olijfbomen | וְהַשִּׁקְמִים֙ (vehashiqmim) = en de wilde vijgenbomen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּשְּׁפֵלָ֔ה (bashefela) = in de Sefela | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | חָנָ֖ן (chanan) = Chanan | הַגְּדֵרִ֑י (hagederi) = uit Geder | וְעַל (veal) = en over | אֹצְר֥וֹת (otserot) = opslagplaatsen van | הַשֶּׁ֖מֶן (hashemen) = de olie | יוֹעָֽשׁ (yoash) = Joas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Sefela is het heuvelland tussen het bergland van Juda en de kustvlakte, in het huidige Israël. Voetnoot : Geder (גֶּדֶר) is een stad in Kanaän (Joz. 12:13). De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: een boom met vijgachtige vruchten. Zie ook: Joz 12:13; 1 Kon 4:7; 1 Kon 10:27; 1 Kon 20:27; 2 Kron 1:15 **27:29** Over het rundvee dat in Saron graasde, stond Sjirtai, uit Saron. Over het rundvee in de dalen stond Sjafat, de zoon van Adlai. Brontekst: וְעַל (veal) = en over | הַבָּקָר֙ (habaqar) = het rundvee | הָרֹעִ֣ים (haroim) = dat graasde | בַּשָּׁר֔וֹן (basharon) = in Saron | שִׁרְטַ֖י (shirtay) = Sjirtai | הַשָּׁרוֹנִ֑י (hasharoni) = uit Saron | וְעַל (veal) = en over | הַבָּקָר֙ (habaqar) = het rundvee | בָּֽעֲמָקִ֔ים (baamaqim) = in de dalen | שָׁפָ֖ט (shafat) = Sjafat | בֶּן (ben) = zoon van | עַדְלָֽי (adlay) = Adlai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Saron (שָׁרוֹן) is de kustvlakte ten noorden van Jaffa, in het huidige Israël. Voetnoot Lezing: Geschreven staat שטרי (Sjitrai). Gelezen wordt שִׁרְטַי (Sjirtai). Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: 1 Kron 5:16; Jes 65:10 **27:30** Over de kamelen stond Obil, de Ismaëliet. Over de ezelinnen stond Jechdeja, uit Meronot. Brontekst: וְעַל (veal) = en over | הַ֨גְּמַלִּ֔ים (hagemalim) = de kamelen | אוֹבִ֖יל (ovil) = Obil | הַיִּשְׁמְעֵלִ֑י (hayishmeeli) = de Ismaëliet | וְעַל (veal) = en over | הָ֣אֲתֹנ֔וֹת (haatonot) = de ezelinnen | יֶחְדְּיָ֖הוּ (yechdeyahu) = Jechdeja | הַמֵּרֹנֹתִֽי (hameronoti) = uit Meronot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Meronot (מֵרֹנֹתִי): de ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: Obil (אוֹבִיל) is een Ismaëliet, een nakomeling van Ismaël. Zie ook: Gen 47:6; Job 1:3 **27:31** Over het kleinvee stond Jaziz, de Hagriet. Al deze mannen waren leiders van het bezit van koning David. Brontekst: וְעַל (veal) = en over | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | יָזִ֣יז (yaziz) = Jaziz | הַֽהַגְרִ֑י (hahagri) = de Hagriet | כָּל (kal) = alle | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze | שָׂרֵ֣י (sarei) = leiders van | הָרְכ֔וּשׁ (harekhush) = het bezit | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hagriet (הַגְּרִי): een volk of familie. Wat voor groep dit is, is onzeker. Wij vertalen de naam zoals hij staat. Zie ook: 1 Kron 5:10 ### De raadsmannen van David **27:32** Jonatan, de oom van David, was raadsman. Hij was een man met inzicht en een schrijver. Jechiël, de zoon van Chachmoni, was bij de zonen van de koning. Brontekst: וִֽיהוֹנָתָ֤ן (vihonatan) = en Jonatan | דּוֹד (dod) = oom van | דָּוִיד֙ (david) = David | יוֹעֵ֔ץ (yoets) = raadsman | אִישׁ (ish) = man | מֵבִ֥ין (mevin) = met inzicht | וְסוֹפֵ֖ר (vesofer) = en schrijver | ה֑וּא (hu) = hij | וִֽיחִיאֵ֥ל (vichiel) = en Jechiël | בֶּן (ben) = zoon van | חַכְמוֹנִ֖י (chakhmoni) = Chachmoni | עִם (im) = bij | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דּוֹד (dod), ‘oom’: een broer van de vader. Het woord kan ook ‘familielid’ betekenen. Zie ook: 2 Sam 13:3; 2 Sam 21:21; 1 Kron 11:11 **27:33** Ahitofel was raadsman van de koning. Husai, de Arkiet, was de vriend van de koning. Brontekst: וַאֲחִיתֹ֖פֶל (vaachitofel) = en Ahitofel | יוֹעֵ֣ץ (yoets) = raadsman | לַמֶּ֑לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | וְחוּשַׁ֥י (vechushay) = en Husai | הָאַרְכִּ֖י (haarki) = de Arkiet | רֵ֥עַ (rea) = vriend van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ahitofel en Husai de Arkiet staan in 2 Sam. 15:12 en 15:32. Husai was ‘de vriend van David’ (2 Sam. 15:37). Zie ook: 2 Sam 15:12; 2 Sam 15:32; 2 Sam 15:37; 2 Sam 16:16–17; Zach 13:7 **27:34** Na Ahitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjatar. De legeroverste van de koning was Joab. Brontekst: וְאַחֲרֵ֣י (veacharei) = en na | אֲחִיתֹ֗פֶל (achitofel) = Ahitofel | יְהוֹיָדָ֤ע (yehoyada) = Jojada | בֶּן (ben) = zoon van | בְּנָיָ֨הוּ֙ (benayahu) = Benaja | וְאֶבְיָתָ֔ר (veevyatar) = en Abjatar | וְשַׂר (vesar) = en overste van | צָבָ֥א (tsava) = leger | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | יוֹאָֽב (yoav) = Joab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ahitofel verhing zich toen Absalom zijn raad niet opvolgde (2 Sam. 17:23). De tekst zegt niet wanneer Jojada, de zoon van Benaja, en Abjatar raadsman werden. Elders heet Benaja de zoon van Jojada (vers 5). Zie ook: 2 Sam 17:23; 1 Kron 11:6; 1 Kron 27:5; 1 Kon 1:7 ## 1 Kronieken 28 _David geeft Salomo het ontwerp van het huis_ ### David roept de leiders bijeen **28:1** David verzamelde in Jeruzalem alle leiders van Israël: de leiders van de stammen en de leiders van de afdelingen die de koning dienden. Ook verzamelde hij de leiders van de duizendtallen en van de honderdtallen. Hij verzamelde de leiders over al het bezit en het vee van de koning en van zijn zonen. Dit gebeurde samen met de hovelingen, de helden en alle dappere krijgers. Brontekst: וַיַּקְהֵ֣ל (vayaqhel) = en verzamelde | דָּוִ֣יד (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֣י (sarei) = leiders van | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | שָׂרֵ֣י (sarei) = leiders van | הַשְּׁבָטִ֣ים (hashevatim) = de stammen | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en leiders van | הַמַּחְלְק֣וֹת (hamachleqot) = de afdelingen | הַמְשָׁרְתִ֪ים (hamsharetim) = die dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֟לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en leiders van | הָאֲלָפִ֣ים (haalafim) = de duizendtallen | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en leiders van | הַמֵּא֡וֹת (hameot) = de honderdtallen | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en leiders van | כָל (kal) = al | רְכוּשׁ (rekhush) = bezit | וּמִקְנֶה֩ (umiqne) = en vee | לַמֶּ֨לֶךְ (lamelekh) = van de koning | וּלְבָנָ֜יו (ulevanav) = en van zijn zonen | עִם (im) = met | הַסָּרִיסִ֧ים (hasarisim) = de hovelingen | וְהַגִּבּוֹרִ֛ים (vehagiborim) = en de helden | וּֽלְכָל (ulekhal) = en voor alle | גִּבּ֥וֹר (gibor) = dappere | חָ֖יִל (chayil) = krijgers | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem ligt in het bergland van Juda, het huidige Jeruzalem in Israël. Het is de stad van David (zie ook 1 Kron. 11:4–7). Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is één lange zin. Wij splitsen die en voegen ‘Dit gebeurde’ toe. Voetnoot : סָרִיס (saris), ‘hoveling’: een hofbeambte. Het woord kan ook een gesneden man aanduiden. Wij gebruiken ‘hoveling’, zoals in 1 en 2 Samuël. Voetnoot : מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de wisselende groepen die maandelijks de koning dienden (1 Kron. 27:1–15). Zie ook: Joz 23:2; Joz 24:1; 1 Kron 11:4–7; 1 Kron 11:10–47; 1 Kron 23:2; 1 Kron 27:1–34 ### David over de bouw van het huis **28:2** Koning David stond op zijn voeten en zei: „Luister naar mij, mijn broeders en mijn volk. Ik had het in mijn hart om een huis van rust te bouwen. Het was voor de ark van het verbond van Yahweh, als voetbank voor de voeten van onze Elohim. Ik heb de bouw voorbereid. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | דָּוִ֤יד (david) = David | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = op | רַגְלָ֔יו (raglav) = zijn voeten | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | שְׁמָע֖וּנִי (shemauni) = hoor mij | אַחַ֣י (achay) = mijn broeders | וְעַמִּ֑י (veami) = en mijn volk | אֲנִ֣י (ani) = ik | עִם (im) = met | לְבָבִ֡י (levavi) = mijn hart | לִבְנוֹת֩ (livnot) = om te bouwen | בֵּ֨ית (beit) = een huis van | מְנוּחָ֜ה (menucha) = rust | לַאֲר֣וֹן (laaron) = voor de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְלַהֲדֹם֙ (velahadom) = en tot voetbank van | רַגְלֵ֣י (raglei) = de voeten van | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַהֲכִינ֖וֹתִי (vahakhinoti) = en Ik heb voorbereid | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲדֹם רַגְלֵי אֱלֹהֵינוּ (hadom raglei Eloheinu), ‘voetbank voor de voeten van onze Elohim’: de ark is de voetbank van Yahweh (Ps. 99:5; 132:7). Voetnoot : בֵּית מְנוּחָה (bet menuchah), ‘huis van rust’: een huis waar de ark kan rusten (Ps. 132:8,14). Voetnoot : Het zinsdeel ‘Ik had het in mijn hart’ staat letterlijk als ‘ik, met mijn hart’. Vergelijk 1 Kron. 22:7 en 2 Sam. 7:2. Voetnoot : De toespraak van David loopt door tot vers 10. Zij begint opnieuw in vers 19 en vers 20. Zie ook: 2 Sam 7:2; 1 Kron 17:1–2; 1 Kron 22:7; 1 Kron 28:10; 1 Kron 28:19; 1 Kron 28:20; Ps 99:5; Ps 132:7; Ps 132:8; Jes 66:1; Klaagl 2:1; Heb 2:11–12 **28:3** Maar de Elohim zei tegen mij: ‘Je zult geen huis bouwen voor Mijn naam. Want je bent een man van oorlogen en je hebt bloed vergoten.’ Brontekst: וְהָאֱלֹהִים֙ (vehaelohim) = en de Elohim | אָ֣מַר (amar) = zei | לִ֔י (li) = tegen mij | לֹא (lo) = niet | תִבְנֶ֥ה (tivne) = zul je bouwen | בַ֖יִת (bayit) = een huis | לִשְׁמִ֑י (lishmi) = voor Mijn naam | כִּ֣י (ki) = want | אִ֧ישׁ (ish) = een man van | מִלְחָמ֛וֹת (milchamot) = oorlogen | אַ֖תָּה (ata) = jij | וְדָמִ֥ים (vedamim) = en bloed | שָׁפָֽכְתָּ (shafakhta) = heb je vergoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David citeert hier de woorden die Elohim tot hem sprak. Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens, zoals in Samuël. Voetnoot : In 1 Kron. 22:8 zegt David dat het ‘woord van Yahweh’ tot hem kwam; hier staat ‘de Elohim’. Zie ook 1 Kron. 17:4 en 2 Sam. 7:5. Zie ook: 2 Sam 7:5–13; 1 Kron 17:4; 1 Kron 22:8; 1 Kon 5:17; 2 Kron 6:8–9 **28:4** Toch heeft Yahweh, de Elohim van Israël, mij gekozen uit heel het huis van mijn vader om voor altijd koning te zijn over Israël. Want Hij koos Juda als leider. In het huis van Juda koos Hij het huis van mijn vader. Onder de zonen van mijn vader had Hij welgevallen in mij, om mij koning te maken over heel Israël. Brontekst: וַיִּבְחַ֡ר (vayivchar) = en koos | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֩ (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | בִּ֜י (bi) = mij | מִכֹּ֣ל (mikol) = uit heel | בֵּית (beit) = het huis van | אָבִ֗י (avi) = mijn vader | לִהְי֨וֹת (lihyot) = om te zijn | לְמֶ֤לֶךְ (lemelekh) = koning | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְעוֹלָ֔ם (leolam) = voor altijd | כִּ֤י (ki) = want | בִֽיהוּדָה֙ (bihuda) = in Juda | בָּחַ֣ר (bachar) = heeft Hij gekozen | לְנָגִ֔יד (lenagid) = als leider | וּבְבֵ֥ית (uveveit) = en in het huis van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וּבִבְנֵ֣י (uvivnei) = en onder de zonen van | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | בִּ֣י (bi) = in mij | רָצָ֔ה (ratsa) = had Hij welgevallen | לְהַמְלִ֖יךְ (lehamlikh) = om koning te maken | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat Yahweh Juda als leider koos, volgt Gen. 49:10. Dat Hij Isaï en David koos, staat in 1 Sam. 16:1–13. Zie ook: Gen 49:10; 1 Sam 16:1; 1 Sam 16:6–13; 2 Sam 7:8–16; 1 Kron 5:2; 1 Kron 17:23 **28:5** Yahweh heeft mij veel zonen gegeven. Van al mijn zonen koos Hij Salomo, mijn zoon, om te zitten op de troon van het koningschap van Yahweh over Israël. Brontekst: וּמִכָּ֨ל (umikal) = en van alle | בָּנַ֔י (banay) = mijn zonen | כִּ֚י (ki) = want | רַבִּ֣ים (rabim) = veel | בָּנִ֔ים (banim) = zonen | נָ֥תַן (natan) = heeft gegeven | לִ֖י (li) = mij | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּבְחַר֙ (vayivchar) = en koos Hij | בִּשְׁלֹמֹ֣ה (bishlomo) = Salomo | בְנִ֔י (beni) = mijn zoon | לָשֶׁ֗בֶת (lashevet) = om te zitten | עַל (al) = op | כִּסֵּ֛א (kise) = de troon van | מַלְכ֥וּת (malkhut) = het koningschap van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat ‘Van al mijn zonen – want Yahweh heeft mij veel zonen gegeven – koos Hij …’. Wij maken er twee zinnen van en zetten de volgorde om. Voetnoot : Over de zonen van David, zie 1 Kron. 3:1–9. Over Salomo, zie 1 Kron. 22:9–10. Voetnoot : ‘De troon van het koningschap van Yahweh’: Israëls koning zit op de troon van Yahweh. Zo ook in 1 Kron. 29:23. Zie ook: 1 Kron 3:1–9; 1 Kron 17:14; 1 Kron 22:9–10; 1 Kron 23:1; 1 Kron 29:23; Jes 9:5–6 **28:6** Hij zei tegen mij: ‘Salomo, je zoon, hij zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen. Want Ik heb hem gekozen als zoon voor Mij en Ik zal een vader voor hem zijn. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לִ֔י (li) = tegen mij | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | בִנְךָ֔ (binkha) = je zoon | הֽוּא (hu) = hij | יִבְנֶ֥ה (yivne) = zal bouwen | בֵיתִ֖י (beiti) = Mijn huis | וַחֲצֵרוֹתָ֑י (vachatserotay) = en Mijn voorhoven | כִּי (ki) = want | בָחַ֨רְתִּי (bacharti) = Ik heb gekozen | ב֥וֹ (bo) = hem | לִי֙ (li) = voor Mij | לְבֵ֔ן (leven) = als zoon | וַאֲנִ֖י (vaani) = en Ik | אֶֽהְיֶה (ehye) = zal zijn | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | לְאָֽב (leav) = als vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David citeert Yahweh. Wij zetten deze woorden zwart, met enkele aanhalingstekens. De belofte past bij 1 Kron. 22:9–10 en 2 Sam. 7:13–14. Zie ook: 2 Sam 7:13–14; 1 Kron 22:9–10; Zach 6:12–13; Heb 3:6; Heb 4:5 **28:7** Ik zal zijn koningschap voor altijd bevestigen, als hij volhoudt Mijn geboden en Mijn rechten te doen, zoals op deze dag.’ Brontekst: וַהֲכִינוֹתִ֥י (vahakhinoti) = en Ik zal bevestigen | אֶת (et) = (obj.) | מַלְכוּת֖וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | עַד (ad) = tot | לְעוֹלָ֑ם (leolam) = voor altijd | אִם (im) = als | יֶחֱזַ֗ק (yechezaq) = hij volhoudt | לַעֲשׂ֛וֹת (laasot) = om te doen | מִצְוֺתַ֥י (mitsvotay) = Mijn geboden | וּמִשְׁפָּטַ֖י (umishpatay) = en Mijn rechten | כַּיּ֥וֹם (kayom) = als op de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De belofte geldt onder een voorwaarde: Salomo moet vasthouden aan de geboden en rechten. Vergelijk 1 Kron. 22:13 en 1 Kon. 2:3–4. Zie ook: Joz 1:6–7; 1 Kron 22:13; 1 Kron 28:10; 1 Kon 2:3–4; 1 Kon 6:12–13; 1 Kon 8:61 **28:8** Nu dan, neem alle geboden van Yahweh, jullie Elohim, in acht en zoek ze. Dat zeg ik voor de ogen van heel Israël, de vergadering van Yahweh, en voor de oren van onze Elohim. Zo nemen jullie dit goede land in bezit en laten jullie het als erfdeel na aan jullie zonen na jullie, voor altijd. Brontekst: וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | לְעֵינֵ֨י (leeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | קְהַל (qehal) = de vergadering van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּבְאָזְנֵ֣י (uveazenei) = en voor de oren van | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | שִׁמְר֣וּ (shimru) = neem in acht | וְדִרְשׁ֔וּ (vedirshu) = en zoek | כָּל (kal) = alle | מִצְוֺ֖ת (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | תִּֽירְשׁוּ֙ (tireshu) = jullie in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | וְהִנְחַלְתֶּ֛ם (vehinchaltem) = en laten jullie als erfdeel na | לִבְנֵיכֶ֥ם (livneikhem) = aan jullie zonen | אַחֲרֵיכֶ֖ם (achareikhem) = na jullie | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws begint met ‘voor de ogen van heel Israël … en voor de oren van onze Elohim’ en laat dan het bevel volgen. Wij zetten het bevel eerst en voegen ‘Dat zeg ik’ toe. Voetnoot : קְהַל יְהוָה (qehal Yahweh), ‘vergadering van Yahweh’: heel Israël, bijeen voor Yahweh. Vergelijk Deut. 23:2–9. Voetnoot : וְהִנְחַלְתֶּם (vehinchaltem), ‘en jullie laten als erfdeel na’: het land gaat als erfdeel over op de zonen. Zie ook: Deut 4:1; Deut 5:32–6:3; Deut 23:2–9; Spr 2:1–5; Spr 13:22; Jes 34:16 ### David vermaant Salomo **28:9** En jij, Salomo, mijn zoon, ken de Elohim van je vader en dien Hem met een volledig hart en met een bereidwillige ziel. Want Yahweh onderzoekt alle harten en Hij begrijpt elke neiging van de gedachten. Als je Hem zoekt, zal Hij zich door jou laten vinden. Maar als je Hem verlaat, zal Hij je voor altijd verwerpen. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | שְׁלֹמֹֽה (shelomo) = Salomo | בְנִ֡י (beni) = mijn zoon | דַּע֩ (da) = ken | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = de Elohim van | אָבִ֜יךָ (avikha) = je vader | וְעָבְדֵ֗הוּ (veavedehu) = en dien Hem | בְּלֵ֤ב (belev) = met een hart | שָׁלֵם֙ (shalem) = volledig | וּבְנֶ֣פֶשׁ (uvenefesh) = en met een ziel | חֲפֵצָ֔ה (chafetsa) = bereidwillige | כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = alle | לְבָבוֹת֙ (levavot) = harten | דּוֹרֵ֣שׁ (doresh) = onderzoekt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְכָל (vekhal) = en alle | יֵ֥צֶר (yetser) = neiging van | מַחֲשָׁב֖וֹת (machashavot) = gedachten | מֵבִ֑ין (mevin) = begrijpt Hij | אִֽם (im) = als | תִּדְרְשֶׁ֨נּוּ֙ (tidreshenu) = je Hem zoekt | יִמָּ֣צֵא (yimatse) = zal Hij zich laten vinden | לָ֔ךְ (lakh) = door jou | וְאִם (veim) = en als | תַּֽעַזְבֶ֖נּוּ (taazvenu) = je Hem verlaat | יַזְנִיחֲךָ֥ (yaznichakha) = zal Hij je verwerpen | לָעַֽד (laad) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּרֵשׁ (doresh), ‘onderzoeken, zoeken’: hetzelfde woord als in ‘als je Hem zoekt’. Yahweh onderzoekt harten; Salomo moet Yahweh zoeken (vergelijk 1 Sam. 16:7 en Jer. 17:10). Voetnoot : יֵצֶר מַחְשָׁבוֹת (yetser machshavot), ‘neiging van de gedachten’: wat het hart bedenkt en vormt. Vergelijk Gen. 6:5 en Deut. 31:21. Voetnoot : נֶפֶשׁ חֲפֵצָה (nefesh chafetsah), ‘een bereidwillige ziel’: een ziel die graag wil. Voetnoot : וְאִם תִּדְרְשֶׁנּוּ יִמָּצֵא לָךְ (ve-im tidreshenu yimmatse lach), ‘als je Hem zoekt, zal Hij zich door jou laten vinden’: letterlijk ‘zal Hij voor jou gevonden worden’. Vergelijk Deut. 4:29 en 2 Kron. 15:2. Zie ook: Gen 6:5; Deut 4:29; Deut 31:21; 1 Sam 16:7; 2 Kron 15:2; Jes 55:6–7; Jer 17:10; Jer 24:7; Jer 29:13; Mat 7:7–8; Jak 4:8–11 **28:10** Zie nu: Yahweh heeft jou gekozen om een huis te bouwen als heiligdom. Wees sterk en doe het.” Brontekst: רְאֵ֣ה (ree) = zie | עַתָּ֗ה (ata) = nu | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּ֧חַר (bachar) = heeft gekozen | בְּךָ֛ (bekha) = jou | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֥יִת (bayit) = een huis | לַמִּקְדָּ֖שׁ (lamiqdash) = als heiligdom | חֲזַ֥ק (chazaq) = wees sterk | וַעֲשֵֽׂה (vaase) = en doe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier eindigt de toespraak die in vers 2 begon. Zie ook: 1 Kron 22:16–19; 1 Kron 28:2; 1 Kron 28:6; 1 Tim 4:16 ### Het ontwerp van het huis **28:11** David gaf zijn zoon Salomo het ontwerp van de voorhal en van de gebouwen ervan. Ook gaf hij het ontwerp van de voorraadkamers, de bovenkamers, de binnenkamers en het huis van het verzoendeksel. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | דָּוִ֣יד (david) = David | לִשְׁלֹמֹ֣ה (lishlomo) = aan Salomo | בְנ֡וֹ (beno) = zijn zoon | אֶת (et) = (obj.) | תַּבְנִ֣ית (tavnit) = het ontwerp van | הָאוּלָם֩ (haulam) = de voorhal | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | בָּ֨תָּ֜יו (batav) = zijn gebouwen | וְגַנְזַכָּ֧יו (veganzakav) = en zijn voorraadkamers | וַעֲלִיֹּתָ֛יו (vaaliyotav) = en zijn bovenkamers | וַחֲדָרָ֥יו (vachadarav) = en zijn kamers | הַפְּנִימִ֖ים (hapenimim) = de binnenste | וּבֵ֥ית (uveit) = en het huis van | הַכַּפֹּֽרֶת (hakaporet) = het verzoendeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּבְנִית (tavnit), ‘ontwerp, model’: zoals de tabernakel naar een model werd gemaakt (Exod. 25:9,40). Voetnoot : בֵּית הַכַּפֹּרֶת (bet hakkapporet), ‘huis van het verzoendeksel’: het binnenste vertrek van het huis, waar de ark staat. Het wordt in 1 Kon. 6:16 ‘het hoogheilige’ genoemd. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier ‘zijn gebouwen’ (בָּתָּיו, battav), letterlijk ‘zijn huizen’: de bijgebouwen rond het huis. Zie ook: Ex 25:9; Ex 25:17–22; Ex 25:40; 1 Kron 28:19; 1 Kon 6:3; 1 Kon 6:16; Heb 8:5 **28:12** Hij gaf hem ook het ontwerp van alles wat bij hem in de geest was. Het was voor de voorhoven van het huis van Yahweh en voor alle kamers rondom. Het was ook voor de schatkamers van het huis van de Elohim en voor de schatkamers van de gewijde gaven. Brontekst: וְתַבְנִ֗ית (vetavnit) = en het ontwerp van | כֹּל֩ (kol) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | הָיָ֤ה (haya) = was | בָר֨וּחַ֙ (baruach) = in de geest | עִמּ֔וֹ (imo) = bij hem | לְחַצְר֧וֹת (lechatsrot) = voor de voorhoven van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וּלְכָל (ulekhal) = en voor alle | הַלְּשָׁכ֖וֹת (haleshakhot) = de kamers | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | לְאֹֽצְרוֹת֙ (leotserot) = voor de schatkamers van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | וּלְאֹצְר֖וֹת (uleotserot) = en voor de schatkamers van | הַקֳּדָשִֽׁים (haqodashim) = de gewijde gaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft vanaf hier geen werkwoord. Wij zetten ‘gaf’ uit vers 11 voort. Dit geldt ook voor de verzen 13–18. Wij maken er korte zinnen van met ‘Het was voor’. Voetnoot : בָרוּחַ (varuach), ‘in de geest’: letterlijk ‘in de geest bij hem’. Het kan ook ‘door de Geest’ betekenen: het ontwerp kwam van Yahweh (zie vers 19). Wij houden de woordelijke weergave. Zie ook: 1 Kron 26:20; 1 Kron 28:11; 1 Kron 28:19; 1 Kon 14:26; 1 Kon 15:15; 2 Kon 16:8; 2 Kon 18:15 **28:13** Ook gaf hij het ontwerp voor de afdelingen van de priesters en de Levieten. Het was ook voor al het werk van de dienst in het huis van Yahweh. Het was ook voor alle voorwerpen van de dienst in het huis van Yahweh. Brontekst: וּֽלְמַחְלְקוֹת֙ (ulemachleqot) = en voor de afdelingen van | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | וּֽלְכָל (ulekhal) = en voor al | מְלֶ֖אכֶת (melekhet) = het werk van | עֲבוֹדַ֣ת (avodat) = de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּֽלְכָל (ulekhal) = en voor alle | כְּלֵ֖י (kelei) = voorwerpen van | עֲבוֹדַ֥ת (avodat) = de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt twee woorden voor ‘dienst’ en ‘werk’: עֲבוֹדָה (avodah), ‘dienst’, en מְלָאכָה (melachah), ‘werk’. Wij houden ze apart. Zie ook: 1 Kron 23:6; 1 Kron 24:1–19; 1 Kon 7:1–51; Ezra 8:25–30; Ezra 8:33 ### De gewichten van goud en zilver **28:14** Hij gaf het goud, naar gewicht, voor al het gouden gerei van elke soort dienst. Ook gaf hij het zilver, naar gewicht, voor al het zilveren gerei van elke soort dienst. Brontekst: לַזָּהָ֤ב (lazahav) = voor het goud | בַּמִּשְׁקָל֙ (bamishqal) = naar gewicht | לַזָּהָ֔ב (lazahav) = voor het goud | לְכָל (lekhal) = voor alle | כְּלֵ֖י (kelei) = voorwerpen van | עֲבוֹדָ֣ה (avoda) = dienst | וַעֲבוֹדָ֑ה (vaavoda) = en dienst | לְכֹ֨ל (lekhol) = voor alle | כְּלֵ֤י (kelei) = voorwerpen van | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het zilver | בְּמִשְׁקָ֔ל (bemishqal) = naar gewicht | לְכָל (lekhal) = voor alle | כְּלֵ֖י (kelei) = voorwerpen van | עֲבוֹדָ֥ה (avoda) = dienst | וַעֲבוֹדָֽה (vaavoda) = en dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבוֹדָה וַעֲבוֹדָה (avodah va-avodah), ‘dienst en dienst’: ‘elke soort dienst’. Het woord wordt herhaald om ‘elk’ aan te geven. Voetnoot : De verzen 14–18 noemen alleen dat het gewicht is vastgelegd; de getallen zelf staan er niet. **28:15** Het gewicht voor de gouden kandelaars en hun lampen: goud, naar gewicht, voor elke kandelaar en zijn lampen. Voor de zilveren kandelaars: naar gewicht, voor elke kandelaar en zijn lampen, naar de dienst van elke kandelaar. Brontekst: וּמִשְׁקָ֞ל (umishqal) = en het gewicht | לִמְנֹר֣וֹת (limnorot) = voor de kandelaars van | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | וְנֵרֹֽתֵיהֶם֙ (veneroteihem) = en hun lampen | זָהָ֔ב (zahav) = goud | בְּמִשְׁקַל (bemishqal) = naar gewicht | מְנוֹרָ֥ה (menora) = kandelaar | וּמְנוֹרָ֖ה (umenora) = en kandelaar | וְנֵרֹתֶ֑יהָ (veneroteiha) = en haar lampen | וְלִמְנֹר֨וֹת (velimnorot) = en voor de kandelaars van | הַכֶּ֤סֶף (hakesef) = het zilver | בְּמִשְׁקָל֙ (bemishqal) = naar gewicht | לִמְנוֹרָ֣ה (limnora) = voor een kandelaar | וְנֵרֹתֶ֔יהָ (veneroteiha) = en haar lampen | כַּעֲבוֹדַ֖ת (kaavodat) = naar de dienst van | מְנוֹרָ֥ה (menora) = kandelaar | וּמְנוֹרָֽה (umenora) = en kandelaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנוֹרָה וּמְנוֹרָה (menorah umenorah), ‘kandelaar en kandelaar’: voor elke kandelaar apart, zoals ‘dienst en dienst’ in vers 14. Over de kandelaar, zie Exod. 25:31–40. Zie ook: Ex 25:31–39; 1 Kron 28:14; 1 Kon 7:19; 2 Kron 4:7; Zach 4:2–3; Openb 1:12–13 **28:16** Ook het goud, het gewicht, voor de tafels van het toonbrood, voor elke tafel. En zilver voor de zilveren tafels. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָ֥ב (hazahav) = het goud | מִשְׁקָ֛ל (mishqal) = gewicht | לְשֻׁלְחֲנ֥וֹת (leshulchanot) = voor de tafels van | הַֽמַּעֲרֶ֖כֶת (hamaarekhet) = het toonbrood | לְשֻׁלְחַ֣ן (leshulchan) = voor tafel | וְשֻׁלְחָ֑ן (veshulchan) = en tafel | וְכֶ֖סֶף (vekhesef) = en zilver | לְשֻׁלְחֲנ֥וֹת (leshulchanot) = voor de tafels van | הַכָּֽסֶף (hakasef) = het zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֻׁלְחָנוֹת הַמַּעֲרֶכֶת (shulchanot hamma-arechet), ‘de tafels van de schikking’: de tafels waarop het toonbrood in rijen werd gelegd (Exod. 25:23–30; Lev. 24:5–9). In 2 Kron. 4:8 maakt Salomo tien tafels. Zie ook: Ex 25:23–30; Lev 24:5–9; 1 Kon 7:48; 2 Kron 4:8; 2 Kron 4:19 **28:17** De vorken, de sprengschalen en de kannen van zuiver goud. Voor de gouden bekers: naar gewicht, voor elke beker. Voor de zilveren bekers: naar gewicht, voor elke beker. Brontekst: וְהַמִּזְלָג֧וֹת (vehamizlagot) = en de vorken | וְהַמִּזְרָק֛וֹת (vehamizraqot) = en de sprengschalen | וְהַקְּשָׂוֺ֖ת (vehaqesavot) = en de kannen | זָהָ֣ב (zahav) = goud | טָה֑וֹר (tahor) = zuiver | וְלִכְפוֹרֵ֨י (velikhforei) = en voor de bekers van | הַזָּהָ֤ב (hazahav) = het goud | בְּמִשְׁקָל֙ (bemishqal) = naar gewicht | לִכְפ֣וֹר (likhfor) = voor beker | וּכְפ֔וֹר (ukhefor) = en beker | וְלִכְפוֹרֵ֥י (velikhforei) = en voor de bekers van | הַכֶּ֛סֶף (hakesef) = het zilver | בְּמִשְׁקָ֖ל (bemishqal) = naar gewicht | לִכְפ֥וֹר (likhfor) = voor beker | וּכְפֽוֹר (ukhefor) = en beker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזְלָגוֹת (mizlagot), ‘vorken’: vorken voor het vlees (zoals in 1 Sam. 2:13 ‘drietand’). Voetnoot : מִזְרָקוֹת (mizraqot), ‘sprengschalen’: schalen om bloed te sprengen, zoals in Num. 7:13. Voetnoot : קְשָׂווֹת (qesavot), ‘kannen’: de kannen voor plengoffers, zoals in Exod. 25:29 en 37:16. Voetnoot : כְּפוֹרִים (kefurim), ‘bekers’: kleine schalen. Het woord komt ook voor in Ezra 1:10. Zie ook: Ex 25:29; Ex 37:16; Num 7:13–14; 1 Sam 2:13–14; 1 Kon 7:48–50; 1 Kon 10:21; 2 Kron 4:20–22; Ezra 1:10 **28:18** Voor het wierookaltaar: gelouterd goud, naar gewicht. Ook goud voor het model van de wagen, de cherubs, die hun vleugels uitspreiden en de ark van het verbond van Yahweh bedekken. Brontekst: וּלְמִזְבַּ֧ח (ulemizbach) = en voor het altaar van | הַקְּטֹ֛רֶת (haqetoret) = het wierook | זָהָ֥ב (zahav) = goud | מְזֻקָּ֖ק (mezuqaq) = gelouterd | בַּמִּשְׁקָ֑ל (bamishqal) = naar gewicht | וּלְתַבְנִ֣ית (uletavnit) = en voor het model van | הַמֶּרְכָּבָ֗ה (hamerkava) = de wagen | הַכְּרֻבִ֤ים (hakeruvim) = de cherubs | זָהָב֙ (zahav) = goud | לְפֹ֣רְשִׂ֔ים (leforesim) = voor hen die uitspreiden | וְסֹכְכִ֖ים (vesokhekhim) = en bedekken | עַל (al) = over | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזְבַּח הַקְּטֹרֶת (mizbeach haqetoret), ‘altaar van het wierook’: het wierookaltaar (Exod. 30:1–10). Voetnoot : מֶּרְכָּבָה (merkavah), ‘wagen’: de cherubs worden hier ‘de wagen’ genoemd. Zij dragen als het ware de troon van Yahweh boven de ark (Exod. 25:18–22; 2 Sam. 6:2). Zie ook: Ex 25:18–22; Ex 30:1–10; 2 Sam 6:2; Ps 80:2; Ps 99:1; Heb 9:5 **28:19** „Dit alles is op schrift, uit de hand van Yahweh over mij. Hij gaf mij inzicht in alle werken van het ontwerp.” Brontekst: הַכֹּ֥ל (hakol) = alles | בִּכְתָ֛ב (bikhtav) = in schrift | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָלַ֣י (alay) = over mij | הִשְׂכִּ֑יל (hiskil) = gaf Hij inzicht | כֹּ֖ל (kol) = alle | מַלְאֲכ֥וֹת (malakhot) = werken van | הַתַּבְנִֽית (hatavnit) = het ontwerp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Over de hand van Yahweh ‘over’ iemand, zie Ezech. 1:3. Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Alles, in geschrift, uit de hand van Yahweh over mij, gaf Hij inzicht: alle werken van het ontwerp.’ Wij lezen: David heeft het ontwerp op schrift gekregen doordat de hand van Yahweh op hem was. Wij laten het onderwerp van ‘gaf inzicht’ ‘Hij’ (Yahweh) zijn. Een andere lezing is: ‘Dit alles heb ik op schrift, door de hand van Yahweh over mij; het gaf mij inzicht in alle werken van het ontwerp.’ Zie ook: Ex 25:40; Ex 26:30; 1 Kron 28:11–12; Ezech 1:3; Ezech 3:14; Ezech 3:22 ### Wees sterk en doe het **28:20** David zei tegen zijn zoon Salomo: „Wees sterk en moedig en doe het. Wees niet bang en wees niet ontzet. Want Yahweh Elohim, mijn Elohim, is met je. Hij laat je niet los en verlaat je niet, tot al het werk voor de dienst van het huis van Yahweh klaar is. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֜יד (david) = David | לִשְׁלֹמֹ֣ה (lishlomo) = tegen Salomo | בְנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | חֲזַ֤ק (chazaq) = wees sterk | וֶאֱמַץ֙ (veemats) = en moedig | וַעֲשֵׂ֔ה (vaase) = en doe | אַל (al) = niet | תִּירָ֖א (tira) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחָ֑ת (techat) = wees ontzet | כִּי֩ (ki) = want | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | עִמָּ֔ךְ (imakh) = is met je | לֹ֤א (lo) = niet | יַרְפְּךָ֙ (yarpekha) = laat los | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַֽעַזְבֶ֔ךָּ (yaazveka) = verlaat je | עַד (ad) = totdat | לִכְל֕וֹת (likhlot) = klaar is | כָּל (kal) = al | מְלֶ֖אכֶת (melekhet) = het werk van | עֲבוֹדַ֥ת (avodat) = de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden ‘Wees sterk en moedig’ staan ook in Deut. 31:6–8 en Joz. 1:6–9. David spreekt zijn zoon hier toe met die woorden. Zie ook: Deut 31:6–8; Joz 1:5–9; Joz 1:6–9; 1 Kron 22:13; Jes 41:10; Rom 8:31; Heb 13:5 **28:21** Zie, de afdelingen van de priesters en de Levieten zijn er voor heel de dienst van het huis van de Elohim. Bij je is voor al het werk elke bereidwillige met wijsheid, voor elke dienst. Ook de leiders en heel het volk zijn er voor al je woorden.” Brontekst: וְהִנֵּ֗ה (vehine) = en zie | מַחְלְקוֹת֙ (machleqot) = afdelingen van | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | לְכָל (lekhal) = voor heel | עֲבוֹדַ֖ת (avodat) = de dienst van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = de Elohim | וְעִמְּךָ֙ (veimekha) = en bij je | בְכָל (bekhal) = in al | מְלָאכָ֜ה (melakha) = werk | לְכָל (lekhal) = voor elke | נָדִ֤יב (nadiv) = bereidwillige | בַּֽחָכְמָה֙ (bachakhema) = met wijsheid | לְכָל (lekhal) = voor elke | עֲבוֹדָ֔ה (avoda) = dienst | וְהַשָּׂרִ֥ים (vehasarim) = en de leiders | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לְכָל (lekhal) = voor al | דְּבָרֶֽיךָ (devareikha) = je woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָדִיב (nadiv), ‘bereidwillige’: iemand die graag en vrijwillig geeft. Vergelijk Exod. 35:5,22. Voetnoot : לְכָל דְּבָרֶיךָ (lechol devarecha), ‘voor al je woorden’: klaar voor alles wat jij zegt of beveelt. Voetnoot : Hier eindigt de toespraak die in vers 20 begon. Zie ook: Ex 35:5; 1 Kron 22:17–18; 1 Kron 24:1–26; 1 Kron 28:20; Ps 110:3; Rom 13:1; Tit 3:1 ## 1 Kronieken 29 _De gaven voor het huis, Davids gebed en zijn dood_ ### David vraagt om gaven voor het huis **29:1** Koning David zei tegen heel de vergadering: „Mijn zoon Salomo is de enige die Elohim heeft gekozen. Hij is nog jong en teer, en het werk is groot. Want de burcht is niet voor een mens, maar voor Yahweh Elohim. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֤יד (david) = David | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | לְכָל (lekhal) = tegen heel | הַקָּהָ֔ל (haqahal) = de vergadering | שְׁלֹמֹ֨ה (shelomo) = Salomo | בְנִ֥י (beni) = mijn zoon | אֶחָ֛ד (echad) = de enige | בָּֽחַר (bachar) = heeft gekozen | בּ֥וֹ (bo) = hem | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | נַ֣עַר (naar) = jong | וָרָ֑ךְ (varakh) = en teer | וְהַמְּלָאכָ֣ה (vehamelakha) = en het werk | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = is groot | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | לְאָדָם֙ (leadam) = voor een mens | הַבִּירָ֔ה (habira) = de burcht | כִּ֖י (ki) = maar | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶחָד (echad), ‘de enige’: letterlijk ‘één’. Het kan ook betekenen ‘Salomo alleen, een van mijn zonen’. Wij lezen: van al mijn zonen is hij de ene die Elohim koos (zie 1 Kron. 28:5). Voetnoot : נַעַר וָרַךְ (na-ar varach), ‘jong en teer’: zoals in 1 Kron. 22:5. Voetnoot : הַבִּירָה (habirah), ‘de burcht’: het woord noemt het tempelcomplex als versterkt gebouw. Het komt ook voor in Neh. 2:8 en in vers 19. Voetnoot : De toespraak van David loopt van vers 1 tot en met vers 5. Zie ook: 1 Kron 22:5; 1 Kron 28:5; 1 Kron 28:10; 1 Kron 29:5; 1 Kron 29:19; 1 Kon 3:7; 2 Kron 2:3–4; 2 Kron 13:7; Neh 2:8 **29:2** Met al mijn kracht heb ik voor het huis van mijn Elohim voorbereid. Goud voor het gouden werk, zilver voor het zilveren, koper voor het koperen, ijzer voor het ijzeren en hout voor het houten. Ook onyxstenen en inzetstenen, stenen van antimoon en veelkleurige stenen, allerlei kostbare steen en marmerstenen in menigte. Brontekst: וּֽכְכָל (ukhekhal) = en met al | כֹּחִ֞י (kochi) = mijn kracht | הֲכִינ֣וֹתִי (hakhinoti) = heb ik voorbereid | לְבֵית (leveit) = voor het huis van | אֱלֹהַ֗י (elohay) = mijn Elohim | הַזָּהָ֣ב (hazahav) = het goud | לַ֠זָּהָב (lazahav) = voor het gouden | וְהַכֶּ֨סֶף (vehakesef) = en het zilver | לַכֶּ֜סֶף (lakesef) = voor het zilveren | וְהַנְּחֹ֣שֶׁת (vehanechoshet) = en het koper | לַנְּחֹ֗שֶׁת (lanechoshet) = voor het koperen | הַבַּרְזֶל֙ (habarzel) = het ijzer | לַבַּרְזֶ֔ל (labarzel) = voor het ijzeren | וְהָעֵצִ֖ים (vehaetsim) = en het hout | לָעֵצִ֑ים (laetsim) = voor het houten | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | שֹׁ֨הַם (shoham) = onyx | וּמִלּוּאִ֜ים (umiluim) = en inzetstenen | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | פ֣וּךְ (pukh) = antimoon | וְרִקְמָ֗ה (veriqma) = en veelkleurige | וְכֹ֨ל (vekhol) = en allerlei | אֶ֧בֶן (even) = steen | יְקָרָ֛ה (yeqara) = kostbare | וְאַבְנֵי (veavnei) = en stenen van | שַׁ֖יִשׁ (shayish) = marmer | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁהַם (shoham), ‘onyx’ en מִלּוּאִים (milluim), ‘inzetstenen’: de stenen voor de efod en het borststuk (Exod. 25:7; 28:9–21). Voetnoot : פּוּךְ (puch), ‘antimoon’: een zwart poeder, gebruikt als oogschmink. Wij vertalen ‘stenen van antimoon’. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : רִקְמָה (riqmah), ‘veelkleurig’: letterlijk ‘geborduurd’. Wij nemen het als ‘veelkleurige stenen’. Voetnoot : שַׁיִשׁ (shayish), ‘marmer’: een witte steen. Voetnoot : Vergelijk de voorbereidingen in 1 Kron. 22:2–5, 14–16. Zie ook: Ex 25:7; Ex 28:9; 1 Kron 22:2–5; 1 Kron 22:3–5; Pred 9:10; Jes 54:11–12; 2 Kor 8:3; 1 Petr 4:10–11 **29:3** Bovendien: ik heb welgevallen in het huis van mijn Elohim. Daarom geef ik aan het huis van mijn Elohim mijn eigen bezit aan goud en zilver. Dat komt bovenop alles wat ik voor het heilige huis heb voorbereid. Brontekst: וְע֗וֹד (veod) = en bovendien | בִּרְצוֹתִי֙ (birtsoti) = omdat ik welgevallen heb | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | אֱלֹהַ֔י (elohay) = mijn Elohim | יֶשׁ (yesh) = er is | לִ֥י (li) = voor mij | סְגֻלָּ֖ה (segula) = een eigen bezit | זָהָ֣ב (zahav) = goud | וָכָ֑סֶף (vakhasef) = en zilver | נָתַ֤תִּי (natati) = heb ik gegeven | לְבֵית (leveit) = aan het huis van | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | לְמַ֔עְלָה (lemala) = bovenop | מִכָּל (mikal) = alles | הֲכִינ֖וֹתִי (hakhinoti) = wat ik heb voorbereid | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: wat iemand zelf als kostbaar bezit heeft, zoals in Exod. 19:5 (Israël als eigen bezit van Yahweh). Voetnoot : בִּרְצוֹתִי (birtsoti), ‘omdat ik welgevallen heb’: hetzelfde werkwoord als in 28:4. Zie ook: Ex 19:5; 1 Kron 21:24; 1 Kron 22:14–16; Ps 26:8; Ps 27:4; Ps 122:1–9 **29:4** Dat is 3.000 talent goud, van het goud van Ofir, en 7.000 talent gelouterd zilver, om de wanden van de gebouwen te bekleden. Brontekst: שְׁלֹ֧שֶׁת (sheloshet) = drie van | אֲלָפִ֛ים (alafim) = duizenden | כִּכְּרֵ֥י (kikerei) = talent van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מִזְּהַ֣ב (mizehav) = van het goud van | אוֹפִ֑יר (ofir) = Ofir | וְשִׁבְעַ֨ת (veshivat) = en zeven van | אֲלָפִ֤ים (alafim) = duizenden | כִּכַּר (kikar) = talent | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | מְזֻקָּ֔ק (mezuqaq) = gelouterd | לָט֖וּחַ (latuach) = om te bekleden | קִיר֥וֹת (qirot) = wanden van | הַבָּתִּֽים (habatim) = de gebouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofir is een goudland. De ligging is onzeker. Voorstellen zijn Zuid-Arabië, Oost-Afrika en India. Zie ook 1 Kon. 9:28 en 10:11. Voetnoot Zie: In 1 Kron. 22:14 noemt David andere, veel grotere hoeveelheden (100.000 talent goud). Wij vertalen beide teksten zoals ze staan. Voetnoot Uitleg: כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van 3.000 sikkel (vergelijk Exod. 38:25–26). Een talent is ongeveer 34 kilogram. Dus 3.000 talent is ongeveer 103.000 kilogram (103 ton) en 7.000 talent ongeveer 239.000 kilogram. De sikkel rekenen wij op ongeveer 11,4 gram. Voetnoot : לָטוּחַ (latuach), ‘bekleden’: het werkwoord betekent ook ‘bepleisteren’ (Lev. 14:42). Hier gaat het om een bekleding van de wanden met zilver. Zie ook: Job 28:16; Ex 38:25–26; Lev 14:42; 1 Kron 22:14; 1 Kon 9:28; 1 Kon 10:11 **29:5** Het goud is voor het gouden werk en het zilver voor het zilveren werk, voor al het werk door de hand van de vaklieden. Wie wil er vandaag uit vrije wil zijn hand vullen voor Yahweh?” Brontekst: לַזָּהָ֤ב (lazahav) = voor het goud | לַזָּהָב֙ (lazahav) = voor het goud | וְלַכֶּ֣סֶף (velakesef) = en voor het zilver | לַכֶּ֔סֶף (lakesef) = voor het zilver | וּלְכָל (ulekhal) = en voor al | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | חָרָשִׁ֑ים (charashim) = vaklieden | וּמִ֣י (umi) = en wie | מִתְנַדֵּ֔ב (mitnadev) = wil uit vrije wil geven | לְמַלֹּ֥אות (lemalovt) = om te vullen | יָד֛וֹ (yado) = zijn hand | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמַלֹּאות יָדוֹ (lemallot yado), ‘zijn hand te vullen’: een uitdrukking voor ‘zich inwijden’. Zo ook voor de priesters, bijvoorbeeld in Exod. 28:41 (‘wijd hen in’; letterlijk ‘vul hun hand’). Wij houden hier de woordelijke vorm. Voetnoot : מִתְנַדֵּב (mitnadev), ‘uit vrije wil geven’: hetzelfde werkwoord als in de verzen 6, 9, 14 en 17. Voetnoot : Hier eindigt de toespraak die in vers 1 begon. Zie ook: Ex 28:41; Ex 35:5–9; Num 7:10–89; 1 Kron 29:1; Ezra 1:4–6; Ezra 2:68–69; Ezra 7:15–16 ### De leiders geven vrijwillig **29:6** De leiders van de vaderhuizen, de leiders van de stammen van Israël, de leiders van de duizendtallen en van de honderdtallen en de leiders over het werk van de koning gaven uit vrije wil. Brontekst: וַיִּֽתְנַדְּבוּ֩ (vayitnadevu) = en gaven uit vrije wil | שָׂרֵ֨י (sarei) = de leiders van | הָאָב֜וֹת (haavot) = de vaderhuizen | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en de leiders van | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = de stammen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְשָׂרֵ֤י (vesarei) = en de leiders van | הָאֲלָפִים֙ (haalafim) = de duizendtallen | וְהַמֵּא֔וֹת (vehameot) = en de honderdtallen | וּלְשָׂרֵ֖י (ulesarei) = en de leiders over | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = het werk van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרֵי הָאָבוֹת (sarei haavot), ‘leiders van de vaderhuizen’: de hoofden van de families. Vergelijk 1 Kron. 27:1 en 28:1. Zie ook: 1 Kron 27:1–15; 1 Kron 27:25–28:1; 1 Kron 28:1; Jes 60:3–10; 2 Kor 9:7 **29:7** Voor de dienst van het huis van de Elohim gaven zij 5.000 talent en 10.000 darieken goud. Zij gaven ook 10.000 talent zilver, 18.000 talent koper en 100.000 talent ijzer. Brontekst: וַֽיִּתְּנ֞וּ (vayitenu) = en gaven | לַעֲבוֹדַ֣ת (laavodat) = voor de dienst van | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = de Elohim | זָהָ֞ב (zahav) = goud | כִּכָּרִ֣ים (kikarim) = talent | חֲמֵֽשֶׁת (chameshet) = vijf van | אֲלָפִים֮ (alafim) = duizenden | וַאֲדַרְכֹנִ֣ים (vaadarkhonim) = en darieken | רִבּוֹ֒ (ribo) = tienduizend | וְכֶ֗סֶף (vekhesef) = en zilver | כִּכָּרִים֙ (kikarim) = talent | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien van | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וּנְחֹ֕שֶׁת (unechoshet) = en koper | רִבּ֛וֹ (ribo) = tienduizend | וּשְׁמוֹנַ֥ת (ushemonat) = en acht van | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizenden | כִּכָּרִ֑ים (kikarim) = talent | וּבַרְזֶ֖ל (uvarzel) = en ijzer | מֵֽאָה (mea) = honderd | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | כִּכָּרִֽים (kikarim) = talent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדַרְכֹּנִים (adarkonim), ‘darieken’: een gouden munt. Het is onzeker of dit de Perzische dariek is (ongeveer 8,4 gram). Dan is 10.000 darieken ongeveer 84 kilogram. Het woord komt ook voor in Ezra 8:27. Voetnoot : Omrekening: 5.000 talent goud is ongeveer 171.000 kilogram, 10.000 talent zilver ongeveer 342.000 kilogram, 18.000 talent koper ongeveer 616.000 kilogram en 100.000 talent ijzer ongeveer 3.420.000 kilogram. Alles is ongeveer. Voetnoot : רִבּוֹ (ribbo), ‘tienduizend’: bij het koper staat ‘tienduizend en acht duizend’, samen 18.000. Zie ook: Ezra 2:69; Ezra 8:27; Neh 7:70–71 **29:8** Wie stenen had, gaf ze voor de schatkamer van het huis van Yahweh, onder het beheer van Jechiël, de Gersjoniet. Brontekst: וְהַנִּמְצָ֤א (vehanimtsa) = en wie gevonden werd | אִתּוֹ֙ (ito) = bij zich | אֲבָנִ֔ים (avanim) = stenen | נָתְנ֖וּ (natenu) = gaven zij | לְאוֹצַ֣ר (leotsar) = voor de schatkamer van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַ֥ל (al) = onder | יַד (yad) = de hand van | יְחִיאֵ֖ל (yechiel) = Jechiël | הַגֵּרְשֻׁנִּֽי (hagereshuni) = de Gersjoniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jechiël de Gersjoniet is een Leviet die over de schatkamers gaat (1 Kron. 23:8; 26:21–22). Gersjon: zie Num. 3:17–21. Zie ook: Num 3:17–21; 1 Kron 23:8; 1 Kron 26:21–22 **29:9** Het volk was blij over hun vrije gaven, want zij hadden met een volledig hart uit vrije wil aan Yahweh gegeven. Ook koning David was zeer blij. Brontekst: וַיִּשְׂמְח֤וּ (vayismechu) = en verheugden zich | הָעָם֙ (haam) = het volk | עַל (al) = over | הִֽתְנַדְּבָ֔ם (hitnadevam) = hun vrije gaven | כִּ֚י (ki) = want | בְּלֵ֣ב (belev) = met een hart | שָׁלֵ֔ם (shalem) = volledig | הִֽתְנַדְּב֖וּ (hitnadevu) = hadden zij uit vrije wil gegeven | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְגַם֙ (vegam) = en ook | דָּוִ֣יד (david) = David | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | שָׂמַ֖ח (samach) = verheugde zich | שִׂמְחָ֥ה (simcha) = vreugde | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk is blij en David is blij met grote vreugde. Dezelfde wortel (שָׂמַח, samach) staat in beide delen van het vers. Wij houden de herhaling. Zie ook: 1 Kon 8:61; Joh 15:11; 2 Kor 8:3; 2 Kor 9:7–8; Fil 4:10 ### Het gebed van David **29:10** David zegende Yahweh voor de ogen van heel de vergadering. David zei: „Gezegend bent U, Yahweh, Elohim van Israël, onze vader, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Brontekst: וַיְבָ֤רֶךְ (vayvarekh) = en zegende | דָּוִיד֙ (david) = David | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = heel | הַקָּהָ֑ל (haqahal) = de vergadering | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִ֗יד (david) = David | בָּר֨וּךְ (barukh) = gezegend | אַתָּ֤ה (ata) = bent U | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | אָבִ֔ינוּ (avinu) = onze vader | מֵעוֹלָ֖ם (meolam) = van eeuwigheid | וְעַד (vead) = en tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebed van David loopt van vers 10 tot en met vers 19. De woorden ‘Gezegend bent U, Yahweh … van eeuwigheid tot eeuwigheid’ lijken op 1 Kron. 16:36 en Ps. 106:48. Voetnoot : אָבִינוּ (avinu), ‘onze vader’: dit hoort bij ‘Israël’ (de aartsvader Jakob; Gen. 32:29). Het kan ook op Yahweh slaan (Jes. 63:16). Wij houden de volgorde van het Hebreeuws. Zie ook: Gen 32:29; 1 Kron 16:36; 1 Kron 29:19; Ps 106:48; Jes 63:16; Rom 1:7; Ef 1:3; 1 Tim 1:17; 1 Petr 1:3; Openb 5:12 **29:11** Van U is, Yahweh, de grootheid, de macht, de luister, de overwinning en de majesteit. Want alles in de hemel en op de aarde is van U. Van U is, Yahweh, het koninkrijk. U verheft Zich als hoofd boven alles. Brontekst: לְךָ֣ (lekha) = van U | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | הַגְּדֻלָּ֨ה (hagedula) = de grootheid | וְהַגְּבוּרָ֤ה (vehagevura) = en de macht | וְהַתִּפְאֶ֨רֶת֙ (vehatiferet) = en de luister | וְהַנֵּ֣צַח (vehanetsach) = en de overwinning | וְהַה֔וֹד (vehahod) = en de majesteit | כִּי (ki) = want | כֹ֖ל (kol) = alles | בַּשָּׁמַ֣יִם (bashamayim) = in de hemel | וּבָאָ֑רֶץ (uvaarets) = en op de aarde | לְךָ֤ (lekha) = van U | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הַמַּמְלָכָ֔ה (hamamlakha) = het koninkrijk | וְהַמִּתְנַשֵּׂ֖א (vehamitnase) = en die Zich verheft | לְכֹ֥ל (lekhol) = boven alles | לְרֹֽאשׁ (lerosh) = als hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגְּדֻלָּה (hagedullah), ‘de grootheid’; הַגְּבוּרָה (hagevurah), ‘de macht’; הַתִּפְאֶרֶת (hatiferet), ‘de luister’; הַנֵּצַח (hanetsach), ‘de overwinning’; הַהוֹד (hahod), ‘de majesteit’. Het woord netsach betekent ook ‘duur’ of ‘eeuwigheid’ (vergelijk 1 Sam. 15:29). Voetnoot : הַמִּתְנַשֵּׂא לְכֹל לְרֹאשׁ (hammitnasse lechol lerosh), ‘die Zich verheft boven alles als hoofd’: Yahweh is het hoofd boven alles. Zie ook: 1 Sam 15:29; Dan 4:31–32; 1 Tim 1:17; Heb 1:3; Jud 1:25; Openb 5:12–13 **29:12** Rijkdom en eer komen van voor Uw aangezicht. U regeert over alles. In Uw hand zijn kracht en macht. In Uw hand is het om groot te maken en alles sterk te maken. Brontekst: וְהָעֹ֤שֶׁר (vehaosher) = en de rijkdom | וְהַכָּבוֹד֙ (vehakavod) = en de eer | מִלְּפָנֶ֔יךָ (milefaneikha) = van voor Uw aangezicht | וְאַתָּה֙ (veata) = en U | מוֹשֵׁ֣ל (moshel) = regeert | בַּכֹּ֔ל (bakol) = over alles | וּבְיָדְךָ֖ (uveyadekha) = en in Uw hand | כֹּ֣חַ (koach) = kracht | וּגְבוּרָ֑ה (ugevura) = en macht | וּבְיָ֣דְךָ֔ (uveyadekha) = en in Uw hand | לְגַדֵּ֥ל (legadel) = om groot te maken | וּלְחַזֵּ֖ק (ulechazeq) = en om sterk te maken | לַכֹּֽל (lakol) = alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּחַ (koach), ‘kracht’ en גְּבוּרָה (gevurah), ‘macht’: wij houden de twee woorden apart, ook in vers 11. Voetnoot : מִלְּפָנֶיךָ (milefanecha), ‘van voor Uw aangezicht’: rijkdom en eer komen van Yahweh zelf. Zie ook: Deut 8:18; 1 Kron 29:11; 2 Kron 20:6; Dan 6:27; Ef 3:16; Fil 4:13 **29:13** Nu dan, onze Elohim, wij danken U en wij prijzen de naam van Uw luister. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | מוֹדִ֥ים (modim) = dankend | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | לָ֑ךְ (lakh) = U | וּֽמְהַֽלְלִ֖ים (umehallim) = en prijzend | לְשֵׁ֥ם (leshem) = de naam van | תִּפְאַרְתֶּֽךָ (tifartekha) = Uw luister Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפְאַרְתֶּךָ (tifartecha), ‘Uw luister’: hetzelfde woord als in vers 11. Zie ook: 1 Kron 29:11; Ps 105:1; Ps 106:1; Dan 2:23; 2 Kor 2:14; 2 Kor 9:15 **29:14** Want wie ben ik, en wie is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om zo uit vrije wil te geven? Want alles komt van U, en uit Uw hand hebben wij U gegeven. Brontekst: וְכִ֨י (vekhi) = en want | מִ֤י (mi) = wie | אֲנִי֙ (ani) = ben ik | וּמִ֣י (umi) = en wie | עַמִּ֔י (ami) = is mijn volk | כִּֽי (ki) = dat | נַעְצֹ֣ר (natsor) = wij houden | כֹּ֔חַ (koach) = kracht | לְהִתְנַדֵּ֖ב (lehitnadev) = om uit vrije wil te geven | כָּזֹ֑את (kazot) = zoals dit | כִּֽי (ki) = want | מִמְּךָ֣ (mimekha) = van U | הַכֹּ֔ל (hakol) = alles | וּמִיָּדְךָ֖ (umiyadekha) = en uit Uw hand | נָתַ֥נּוּ (natanu) = hebben wij gegeven | לָֽךְ (lakh) = aan U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעְצֹר כֹּחַ (na-atsor koach), ‘wij houden kracht’: letterlijk ‘wij behouden kracht’. De zin vraagt: wie zijn wij, dat wij de kracht zouden hebben? Voetnoot : מִיָּדְךָ נָתַנּוּ לָךְ (miyadecha natannu lach), ‘uit Uw hand hebben wij U gegeven’: wat wij geven, hebben wij eerst van U gekregen. Zie ook: Ps 50:10–12; Jak 1:17; 2 Kor 3:5; 2 Kor 12:9–11; Rom 11:36 **29:15** Want vreemdelingen zijn wij voor U, en bijwoners, zoals al onze vaders. Onze dagen op de aarde zijn als een schaduw, en er is geen hoop. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | גֵרִ֨ים (gerim) = vreemdelingen | אֲנַ֧חְנוּ (anachnu) = wij | לְפָנֶ֛יךָ (lefaneikha) = voor U | וְתוֹשָׁבִ֖ים (vetoshavim) = en bijwoners | כְּכָל (kekhal) = zoals al | אֲבֹתֵ֑ינוּ (avoteinu) = onze vaders | כַּצֵּ֧ל (katsel) = als een schaduw | יָמֵ֛ינוּ (yameinu) = onze dagen | עַל (al) = op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְאֵ֥ין (veein) = en er is geen | מִקְוֶֽה (miqve) = hoop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרִים וְתוֹשָׁבִים (gerim vetoshavim), ‘vreemdelingen en bijwoners’: mensen zonder eigen land. Vergelijk Lev. 25:23 en Ps. 39:13. Voetnoot : כְּצֵל יָמֵינוּ (ketsel yamenu), ‘onze dagen zijn als een schaduw’: vergelijk Ps. 144:4. Voetnoot : מִקְוֶה (miqveh), ‘hoop’: iets om op te wachten. Zie ook: Job 14:2; Lev 25:23; Ps 39:13; Ps 102:12; Ps 144:4; Jak 4:14 **29:16** Yahweh, onze Elohim, heel deze menigte die wij hebben voorbereid om voor U een huis te bouwen, voor Uw heilige naam, is uit Uw hand. En alles is van U. Brontekst: יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | כֹ֣ל (kol) = heel | הֶהָמ֤וֹן (hehamon) = de menigte | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֲכִינֹ֔נוּ (hakhinonu) = wij hebben voorbereid | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen | לְךָ֥ (lekha) = voor U | בַ֖יִת (bayit) = een huis | לְשֵׁ֣ם (leshem) = voor de naam van | קָדְשֶׁ֑ךָ (qadeshekha) = Uw heiligheid | מִיָּדְךָ֥ (miyadekha) = uit Uw hand | ה֖וּא (hu) = is het | וּלְךָ֥ (ulekha) = en van U | הַכֹּֽל (hakol) = alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָהָמוֹן (hahamon), ‘de menigte’: de grote hoeveelheid goederen die is verzameld. Voetnoot : לְשֵׁם קָדְשֶׁךָ (leshem qodshecha), ‘voor de naam van Uw heiligheid’: wij vertalen ‘voor Uw heilige naam’. Voetnoot Lezing: Bij ‘is uit Uw hand’ staat in de geschreven tekst (ketiv) הִיא (hi), ‘zij’. De lezing (qere) is הוּא (hu), ‘hij, het’. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kron 29:14; Ps 24:1; 2 Kron 31:10; Hos 2:10; Luc 19:16 **29:17** Ik weet, mijn Elohim, dat U het hart toetst en welgevallen hebt in oprechtheid. In de oprechtheid van mijn hart heb ik dit alles uit vrije wil gegeven. En nu heb ik met vreugde gezien dat Uw volk, dat hier aanwezig is, U uit vrije wil geeft. Brontekst: וְיָדַ֣עְתִּי (veyadati) = en ik weet | אֱלֹהַ֔י (elohay) = mijn Elohim | כִּ֤י (ki) = dat | אַתָּה֙ (ata) = U | בֹּחֵ֣ן (bochen) = toetst | לֵבָ֔ב (levav) = het hart | וּמֵישָׁרִ֖ים (umeisharim) = en oprechtheid | תִּרְצֶ֑ה (tirtse) = welgevallen hebt U | אֲנִ֗י (ani) = ik | בְּיֹ֤שֶׁר (beyosher) = in de oprechtheid van | לְבָבִי֙ (levavi) = mijn hart | הִתְנַדַּ֣בְתִּי (hitnadavti) = heb ik uit vrije wil gegeven | כָל (kal) = al | אֵ֔לֶּה (ele) = dit | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | עַמְּךָ֙ (amekha) = Uw volk | הַנִּמְצְאוּ (hanimtseu) = dat gevonden is | פֹ֔ה (po) = hier | רָאִ֥יתִי (raiti) = heb ik gezien | בְשִׂמְחָ֖ה (besimcha) = met vreugde | לְהִֽתְנַדֶּב (lehitnadev) = om uit vrije wil te geven | לָֽךְ (lakh) = aan U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּחֵן לֵבָב (bochen levav), ‘U toetst het hart’: Yahweh onderzoekt wat in een mens is (1 Sam. 16:7; Ps. 7:10). Voetnoot : מֵישָׁרִים (meisharim), ‘oprechtheid’, en בְּיֹשֶׁר (beyosher), ‘in de oprechtheid van’: beide woorden komen van het woord voor ‘recht’. Wij vertalen ze allebei met ‘oprechtheid’. Zie ook: 1 Sam 16:7; 1 Kron 28:9; Ps 7:10; Ps 51:8; Spr 11:20; Jer 17:10; 1 Tess 2:10 **29:18** Yahweh, Elohim van Abraham, Isaak en Israël, onze vaders, bewaar dit voor altijd als de neiging van de gedachten in het hart van Uw volk. Richt hun hart op U. Brontekst: יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֱ֠לֹהֵי (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֞ם (avraham) = Abraham | יִצְחָ֤ק (yitschaq) = Isaak | וְיִשְׂרָאֵל֙ (veyisrael) = en Israël | אֲבֹתֵ֔ינוּ (avoteinu) = onze vaders | שֳׁמְרָה (shomra) = bewaar | זֹּ֣את (zot) = dit | לְעוֹלָ֔ם (leolam) = voor altijd | לְיֵ֥צֶר (leyetser) = als neiging van | מַחְשְׁב֖וֹת (machshevot) = gedachten van | לְבַ֣ב (levav) = het hart van | עַמֶּ֑ךָ (amekha) = Uw volk | וְהָכֵ֥ן (vehakhen) = en richt | לְבָבָ֖ם (levavam) = hun hart | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = op U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִשְׂרָאֵל (Yisrael), ‘Israël’: hier de aartsvader Jakob, zoals in Exod. 32:13. Voetnoot : יֵצֶר מַחְשְׁבוֹת לְבַב (yetser machshevot levav), ‘neiging van de gedachten van het hart’: zoals in 1 Kron. 28:9. Vergelijk Gen. 6:5 en Deut. 31:21. Voetnoot : וְהָכֵן (vehaven), ‘en richt’: letterlijk ‘en maak vast’. Zie ook: Gen 6:5; Ex 32:13; Deut 31:21; 1 Kron 28:9; Ps 51:12; Jer 10:23; Jer 32:39; 2 Tess 2:16–17 **29:19** En geef aan mijn zoon Salomo een volledig hart. Laat hem Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften bewaren. Laat hem dit alles doen en de burcht bouwen die ik heb voorbereid.” Brontekst: וְלִשְׁלֹמֹ֣ה (velishlomo) = en aan Salomo | בְנִ֗י (beni) = mijn zoon | תֵּ֚ן (ten) = geef | לֵבָ֣ב (levav) = een hart | שָׁלֵ֔ם (shalem) = volledig | לִשְׁמוֹר֙ (lishmor) = om te bewaren | מִצְוֺתֶ֔יךָ (mitsvoteikha) = Uw geboden | עֵדְוֺתֶ֖יךָ (edevoteikha) = Uw getuigenissen | וְחֻקֶּ֑יךָ (vechuqeikha) = en Uw voorschriften | וְלַעֲשׂ֣וֹת (velaasot) = en om te doen | הַכֹּ֔ל (hakol) = alles | וְלִבְנ֖וֹת (velivnot) = en om te bouwen | הַבִּירָ֥ה (habira) = de burcht | אֲשֶׁר (asher) = die | הֲכִינֽוֹתִי (hakhinoti) = ik heb voorbereid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh hoort. Zo ook in 28:9 en in 1 Kon. 8:61. Voetnoot : מִצְוֹתֶיךָ עֵדְוֹתֶיךָ וְחֻקֶּיךָ (mitsvotecha edotecha vechuqqecha), ‘Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften’: de drie woorden voor de wet, zoals in Deut. 6:17. Hier eindigt het gebed. Zie ook: Deut 6:17; 1 Kron 22:14; 1 Kron 28:9; Ps 72:1; Ps 119:80; 1 Kon 8:61; Jak 1:17 ### Offers en de tweede zalving van Salomo **29:20** David zei tegen heel de vergadering: „Zegen nu Yahweh, jullie Elohim.” Heel de vergadering zegende Yahweh, de Elohim van hun vaders. Zij bogen zich en wierpen zich neer voor Yahweh en voor de koning. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | דָּוִיד֙ (david) = David | לְכָל (lekhal) = tegen heel | הַקָּהָ֔ל (haqahal) = de vergadering | בָּֽרְכוּ (barekhu) = zegen | נָ֖א (na) = nu | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וַיְבָרֲכ֣וּ (vayvarakhu) = en zegenden | כָֽל (kal) = heel | הַקָּהָ֗ל (haqahal) = de vergadering | לַיהוָה֙ (laYahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבֹֽתֵיהֶ֔ם (avoteihem) = hun vaders | וַיִּקְּד֧וּ (vayiqedu) = en bogen zich | וַיִּֽשְׁתַּחֲו֛וּ (vayishtachavu) = en wierpen zich neer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְלַמֶּֽלֶךְ (velamelekh) = en voor de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּקְּדוּ (vayiqqedu), ‘en zij bogen zich’: een diepe buiging met het hoofd (vergelijk Gen. 24:26). Daarna volgt het neerwerpen. Zie ook: Gen 24:26; Ex 4:31; 1 Kron 16:36; Ps 95:6; Ps 145:1–21; Ps 148:13–14 **29:21** Op de dag na die dag brachten zij slachtoffers aan Yahweh. Zij droegen brandoffers aan Yahweh op: 1.000 stieren, 1.000 rammen en 1.000 lammeren, met hun plengoffers. Ook brachten zij in menigte slachtoffers voor heel Israël. Brontekst: וַיִּזְבְּח֣וּ (vayizbechu) = en brachten slachtoffers | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | זְ֠בָחִים (zevachim) = slachtoffers | וַיַּעֲל֨וּ (vayaalu) = en droegen op | עֹל֜וֹת (olot) = brandoffers | לַיהוָ֗ה (laYahweh) = aan Yahweh | לְֽמָחֳרַת֮ (lemachorat) = op de dag na | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַהוּא֒ (hahu) = die | פָּרִ֨ים (parim) = stieren | אֶ֜לֶף (elef) = duizend | אֵילִ֥ים (eilim) = rammen | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammeren | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְנִסְכֵּיהֶ֑ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | וּזְבָחִ֥ים (uzevachim) = en slachtoffers | לָרֹ֖ב (larov) = in menigte | לְכָל (lekhal) = voor heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמָחֳרַת הַיּוֹם הַהוּא (lemochorat hayom hahu), ‘op de dag na die dag’: de volgende dag. Voetnoot : זְבָחִים (zevachim), ‘slachtoffers’: dieren die geslacht worden voor een maaltijd voor Yahweh. Hier worden ze naast de brandoffers genoemd. Zie ook: Lev 23:13; Num 15:5; Num 15:7; 2 Kron 7:4–9; Ezra 6:17 **29:22** Op die dag aten en dronken zij voor het aangezicht van Yahweh, met grote vreugde. Voor de tweede keer maakten zij Salomo, de zoon van David, koning. Zij zalfden hem voor Yahweh tot leider en Zadok tot priester. Brontekst: וַיֹּאכְל֨וּ (vayokhlu) = en aten | וַיִּשְׁתּ֜וּ (vayishtu) = en dronken | לִפְנֵ֧י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | בְּשִׂמְחָ֣ה (besimcha) = met vreugde | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = grote | וַיַּמְלִ֤יכוּ (vayamlikhu) = en maakten koning | שֵׁנִית֙ (shenit) = voor de tweede keer | לִשְׁלֹמֹ֣ה (lishlomo) = Salomo | בֶן (ben) = de zoon van | דָּוִ֔יד (david) = David | וַיִּמְשְׁח֧וּ (vayimshechu) = en zalfden | לַיהוָ֛ה (laYahweh) = voor Yahweh | לְנָגִ֥יד (lenagid) = tot leider | וּלְצָד֖וֹק (uletsadoq) = en Zadok | לְכֹהֵֽן (lekhohen) = tot priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּמְלִיכוּ שֵׁנִית (vayamlichu shenit), ‘zij maakten voor de tweede keer koning’: Salomo was al tot koning gemaakt (1 Kron. 23:1; 1 Kon. 1:32–40). Kronieken noemt de strijd om de troon niet. Voetnoot : לְנָגִיד (lenagid), ‘tot leider’: zoals in 2 Sam. 7:8. Voetnoot : Zadok was al priester (1 Kron. 15:11; 16:39). Hier zalven zij Zadok tot priester, naast Salomo als leider. Zie ook: Ex 24:11; 2 Sam 7:8; 1 Kron 15:11; 1 Kron 16:39; 1 Kron 23:1; 1 Kon 1:32–40; 1 Kon 1:34–39; 1 Kon 2:35; Neh 8:12 **29:23** Salomo zat op de troon van Yahweh als koning, in de plaats van zijn vader David. Hij had voorspoed en heel Israël luisterde naar hem. Brontekst: וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en zat | שְׁ֠לֹמֹה (shelomo) = Salomo | עַל (al) = op | כִּסֵּ֨א (kise) = de troon van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | לְמֶ֛לֶךְ (lemelekh) = als koning | תַּֽחַת (tachat) = in de plaats van | דָּוִ֥יד (david) = David | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וַיַּצְלַ֑ח (vayatslach) = en had voorspoed | וַיִּשְׁמְע֥וּ (vayishmeu) = en luisterden | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּסֵּא יְהוָה (kisse Yahweh), ‘de troon van Yahweh’: zie 28:5. De parallel 1 Kon. 2:12 zegt ‘de troon van zijn vader David’. Zie ook: 1 Kron 22:11; 1 Kron 28:5; Pred 8:2–5; 1 Kon 2:12; Rom 13:1 **29:24** Alle leiders, de helden en ook alle zonen van koning David onderwierpen zich aan koning Salomo. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | הַשָּׂרִים֙ (hasarim) = de leiders | וְהַגִּבֹּרִ֔ים (vehagiborim) = en de helden | וְגַ֕ם (vegam) = en ook | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | דָּוִ֑יד (david) = David | נָ֣תְנוּ (natenu) = gaven | יָ֔ד (yad) = hand | תַּ֖חַת (tachat) = onder | שְׁלֹמֹ֥ה (shelomo) = Salomo | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתְנוּ יָד תַּחַת (natnu yad tachat), ‘zij gaven de hand onder’: een uitdrukking voor zich onderwerpen. Vergelijk 2 Kron. 30:8. Zie ook: Gen 24:2; 1 Kron 22:17; 1 Kron 28:21; 1 Kon 2:24–25; 2 Kron 30:8 **29:25** Yahweh maakte Salomo zeer groot in de ogen van heel Israël. Hij legde op hem een koninklijke majesteit, zoals nooit op een koning vóór hem over Israël was geweest. Brontekst: וַיְגַדֵּ֨ל (vaygadel) = en maakte groot | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלֹמֹה֙ (shelomo) = Salomo | לְמַ֔עְלָה (lemala) = zeer | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en legde | עָלָיו֙ (alav) = op hem | ה֣וֹד (hod) = majesteit van | מַלְכ֔וּת (malkhut) = koningschap | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֧ה (haya) = was | עַל (al) = over | כָּל (kal) = geen enkele | מֶ֛לֶךְ (melekh) = koning | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor hem | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹד מַלְכוּת (hod malchut), ‘koninklijke majesteit’: hetzelfde woord ‘majesteit’ als in vers 11. Zie ook: Joz 3:7; 1 Kron 29:11; Pred 2:9; 1 Kon 3:13; 2 Kron 1:1; 2 Kron 1:12 ### De dood van David **29:26** David, de zoon van Isaï, was koning over heel Israël. Brontekst: וְדָוִיד֙ (vedavid) = en David | בֶּן (ben) = zoon van | יִשָׁ֔י (yishay) = Isaï | מָלַ֖ךְ (malakh) = koning | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 26–28 sluiten aan op 2 Sam. 5:4–5 en 1 Kon. 2:10–12. Zie ook: 2 Sam 5:4–5; 1 Kron 18:14; Ps 78:71–72; 1 Kon 2:10–12 **29:27** De dagen dat hij over Israël koning was: veertig jaar. In Hebron was hij zeven jaar koning en in Jeruzalem 33 jaar. Brontekst: וְהַיָּמִ֗ים (vehayamim) = en de dagen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | מָלַךְ֙ (malakh) = hij regeerde | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַרְבָּעִ֖ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | בְּחֶבְר֤וֹן (bechevron) = in Hebron | מָלַךְ֙ (malakh) = regeerde hij | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | וּבִירוּשָׁלִַ֥ם (uvirushaliam) = en in Jeruzalem | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde hij | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְשָׁלֽוֹשׁ (veshalosh) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 kilometer ten zuiden van Jeruzalem. Het is het huidige Hebron in de Westelijke Jordaanoever. Zie ook 2 Sam. 5:5. Voetnoot Uitleg: In 2 Sam. 5:5 staat ‘zeven jaar en zes maanden’ in Hebron. Kronieken rondt af op zeven jaar. Samen 40 jaar. Zie ook: 2 Sam 5:4–5; 2 Sam 5:5; 1 Kron 3:4; 1 Kon 2:11 **29:28** Hij stierf op een goede, grijze leeftijd, vol dagen, rijkdom en eer. Zijn zoon Salomo werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֨מָת֙ (vayamat) = en stierf | בְּשֵׂיבָ֣ה (beseiva) = op grijze leeftijd | טוֹבָ֔ה (tova) = goede | שְׂבַ֥ע (seva) = verzadigd van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | עֹ֣שֶׁר (osher) = rijkdom | וְכָב֑וֹד (vekhavod) = en eer | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | שְׁלֹמֹ֥ה (shelomo) = Salomo | בְנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂבַע יָמִים (seva yamim), ‘vol van dagen’: een lang en vol leven. Vergelijk Gen. 25:8 en 35:29. Zie ook: Gen 15:15; Gen 25:8; Gen 35:29; Job 5:26; 1 Kron 23:1; Hand 13:36 **29:29** De geschiedenis van koning David, de eerste en de laatste, zie, zij staat opgeschreven in de geschiedenis van Samuël, de ziener. Ook in de geschiedenis van de profeet Natan en in de geschiedenis van Gad, de ziener. Brontekst: וְדִבְרֵי֙ (vedivrei) = en de geschiedenis van | דָּוִ֣יד (david) = David | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | הָרִאשֹׁנִ֖ים (harishonim) = de eerste | וְהָאֲחרֹנִ֑ים (vehaachronim) = en de laatste | הִנָּ֣ם (hinam) = zie zij | כְּתוּבִ֗ים (ketuvim) = opgeschreven | עַל (al) = over | דִּבְרֵי֙ (divrei) = de geschiedenis van | שְׁמוּאֵ֣ל (shemuel) = Samuël | הָרֹאֶ֔ה (haroe) = de ziener | וְעַל (veal) = en over | דִּבְרֵי֙ (divrei) = de geschiedenis van | נָתָ֣ן (natan) = Natan | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | וְעַל (veal) = en over | דִּבְרֵ֖י (divrei) = de geschiedenis van | גָּ֥ד (gad) = Gad | הַחֹזֶֽה (hachoze) = de ziener Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’, ook ‘zaken’ en ‘daden’. Wij houden ‘geschiedenis’ voor alle drie de werken. Voetnoot : הָרֹאֶה (haro-eh), ‘de ziener’, en הַחֹזֶה (hachozeh), ‘de ziener’: twee verschillende Hebreeuwse woorden, allebei ‘ziener’. Gad heet ook ‘de ziener’ in 2 Sam. 24:11. Samuël: zie 1 Sam. 9:9. Voetnoot : De werken van Samuël, Natan en Gad kennen wij niet als losse boeken. Zie ook: 1 Sam 9:9; 1 Sam 22:5; 2 Sam 7:2–4; 2 Sam 12:1–7; 2 Sam 24:11; 1 Kron 21:9–11 **29:30** Ook staat daar heel zijn koningschap, zijn macht en de tijden die over hem zijn gegaan, over Israël en over alle koninkrijken van de landen. Brontekst: עִ֥ם (im) = met | כָּל (kal) = heel | מַלְכוּת֖וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | וּגְבוּרָת֑וֹ (ugevurato) = en zijn macht | וְהָעִתִּ֗ים (vehaitim) = en de tijden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָבְר֤וּ (averu) = zijn gegaan | עָלָיו֙ (alav) = over hem | וְעַל (veal) = en over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְעַ֖ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | מַמְלְכ֥וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאֲרָצֽוֹת (haaratsot) = de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws begint met ‘met’ (עִם, im): ‘met heel zijn koningschap …’. Wij schrijven ‘Ook staat daar’. Voetnoot : הָעִתִּים (haittim), ‘de tijden’: de gebeurtenissen die over hem en Israël kwamen (vergelijk Ps. 31:16). Zie ook: Ps 31:16; 2 Kon 10:34; 2 Kon 14:28; Dan 2:21; Dan 4:20; Dan 4:22